Bijlage 3. Bij het hoofdstuk ‘Sovjet-congres en juni-demonstratie’

Aan Professor A. Kahun. Californië – Universiteit.

Het interesseert u in hoeverre Soechanov de ontmoeting die ik in mei 1917 met de formeel door Maxim Gorki vertegenwoordigde redactie van de “Nowaja Sjisn” had juist weergeeft. Ik moet tot goed begrip van het volgende enkele woorden over het algemeen karakter van Soechanov’s zevendelig werk “Aantekeningen over de revolutie” zeggen. Men moet bij alle gebreken van dit werk (wijdlopigheid, oppervlakkigheid, politieke kortzichtigheid) die de lectuur ervan soms ondragelijk maken, toch erkennen dat de auteur met een nauwgezetheid te werk gaat die de “Aantekeningen” tot een waardevolle bron voor de historicus maakt. Juristen weten echter dat de nauwgezetheid van een getuige nog geenszins de betrouwbaarheid van zijn verklaringen waarborgt: men moet bovendien op het ontwikkelingspeil van de getuige, de scherpte van zijn blik, gehoor en geheugen, zijn stemming op het moment van het voorval enz. letten. Soechanov, een oppervlakkig type intellectueel, is net als het merendeel van dergelijke mensen niet in staat om de politieke geestesgesteldheid van andersgezinden te begrijpen. Ondanks het feit dat hij in 1917 aan de uiterste linkerzijde van het verzoeningsgezinde kamp en dus zeer dicht bij de bolsjewieken stond, was en bleef hij door zijn Hamletnatuur het tegendeel van een bolsjewiek. Hij voelt zich steeds afgestoten van mensen die vastberaden weten wat zij willen en waarheen zij gaan. Dit alles leidt ertoe dat Soechanov in zijn “Aantekeningen”, zodra hij probeert de motieven van de handelingen van de bolsjewieken te begrijpen of hun geheime drijfveren te ontdekken, zeer stipt fout op fout begaat. Dikwijls lijkt het alsof hij heldere en eenvoudige kwesties opzettelijk ingewikkeld maakt. In werkelijkheid is hij, althans in de politiek, absoluut niet in staat om de kortste weg tot inzicht te vinden.

Soechanov doet veel moeite om mijn richting tegenover die van Lenin te stellen. Zeer fijngevoelig als hij is voor wandelgangstemmingen en geruchten uit intellectuele kringen – hierin is tussen twee haakjes één van de goede kanten van de “Aantekeningen” gelegen, er wordt immers veel materiaal verschaft voor een beschrijving van de psychologie van de liberale, radicale en socialistische leiders -vleide Soechanov zich natuurlijk met verwachtingen van het rijzen van meningsverschillen tussen Lenin en Trotski, te meer omdat dit enigszins het weinig benijdenswaardige lot van de “Nowaja Sjisn” om tussen de sociaalpatriotten en de bolsjewieken in te staan moest verlichten. Soechanov leeft in zijn “Aantekeningen” onder het mom van politieke herinneringen en achteraf gemaakte veronderstellingen nog altijd in de sfeer van deze niet in vervulling gegane verwachtingen. Hij poogt bijzonderheden van persoonlijkheid, temperament en stijl tot een bijzondere politieke richting te bestempelen.

Soechanov tracht in verband met de niet plaats gehad hebbende betoging van 10 juni en vooral in verband met de gewapende demonstraties van de julidagen vele bladzijden lang te bewijzen dat Lenin in die dagen naar een directe machtsgreep door middel van samenzwering en opstand streefde en Trotski daarentegen naar de werkelijke macht van de Sovjet door middel van de toen heersende partijen, d.w.z. de sociaal-revolutionairen en mensjewieken. Hier is niets van waar.

Tsereteli zei in zijn rede op het eerste Sovjetcongres op 4 juni terloops: “Er is op het huidig moment geen enkele politieke partij in Rusland die zou zeggen: geef ons de macht in handen.” Op hetzelfde moment weerklonk de interruptie: “Er is er wel één!” Lenin hield er niet van sprekers in de rede te vallen en hij hield er ook niet van dat men hem in de rede viel. Slechts zeer ernstige overwegingen konden hem ertoe brengen zijn gebruikelijke terughoudendheid prijs te geven. Er volgde uit de redenering van Tsereteli dat men, wanneer een volk in de grootst denkbare moeilijkheden verzeild raakt, vóór alles er op uit zou moeten zijn aan anderen de macht toe te schuiven. Eigenlijk bestond daarin de gehele wijsheid van de verzoeningsgezinden, toen zij na de Februari-opstand de macht naar de liberalen toeschoven. De weinig fraaie angst voor de verantwoordelijkheid gaf aan Tsereteli een tintje van politieke onbaatzuchtigheid en buitengemeen doorzicht. Voor een revolutionair die in de missie van zijn partij gelooft, is zo’n laffe snoeverij onverdragelijk. Een revolutionaire partij die alleen maar in staat is om in moeilijke omstandigheden de machtskwestie uit de weg te gaan, verdient slechts verachting.

Lenin verduidelijkte zijn interruptie in zijn rede tijdens dezelfde zitting: “De minister van post en telegrafie, burger Tsereteli, zei dat er in Rusland geen enkele politieke partij was die zich bereid zou verklaren om de macht over te nemen. Ik antwoord dat er wel één is; geen enkele partij mag ervan afzien en onze partij ziet er niet van af. Zij is op elk moment bereid de volledige macht over te nemen (applaus en gelach). Lacht zoveel je maar wil. Indien echter de burgerminister ons voor deze vraag zal stellen… zal hij het juiste antwoord krijgen.” Men zou zo denken dat de gedachtengang van Lenin volkomen duidelijk was.

Op hetzelfde Sovjetcongres liet ik mij, toen ik na de minister van landbouw Pjesjechonov het woord nam, als volgt uit: “Ik behoor niet tot dezelfde partij als hij (Pjesjechonov), maar indien men mij zei dat het ministerie gevormd zou worden uit twaalf Pjesjechonovs, dan zou ik antwoorden dat dit een reusachtige stap vooruit was…”

Ik geloof niet dat toen reeds, tijdens de gebeurtenissen zelf, mijn woorden over een ministerie van Pjesjechonovs beschouwd konden worden als strijdig met Lenins bereidwilligheid om de macht over te nemen. Soechanov verkondigt naderhand deze vermeende tegenstelling. Soechanov schrijft, terwijl hij de voorbereiding van de bolsjewieken tot de demonstratie van 10 juni voor de Sovjetmacht als een voorbereiding tot de machtsgreep uitlegt: “Lenin zei twee à drie dagen voor de “betoging” in het openbaar dat hij bereid was de macht over te nemen; terwijl Trotski toentertijd zei dat hij twaalf Pjesjechonovs aan de macht wenste te zien. Dit maakt enig verschil. Toch neem ik aan dat Trotski bij de actie van 10 juni betrokken was. Lenin wilde ook toen de beslissende strijd niet beginnen zonder de dubieuze “interrayonist” [1]. Want Trotski was een aan hem gelijkwaardig partner in het hoge spel, terwijl er in Lenins partij zelf lange tijd, zeer lang zelfs, niemand na hem kwam.”

Het wemelt hier van tegenstrijdigheden. Volgens Soechanov beoogde Lenin werkelijk datgene waarvan Tsereteli hem beschuldigde: “de directe machtsgreep door de proletarische minderheid.” Soechanov ziet het bewijs van dit blanquisme, hoe onwaarschijnlijk dit ook is, in Lenins verklaring van de bereidwilligheid van de bolsjewieken om, ondanks alle moeilijkheden, de macht over te nemen. Lenin zou, indien hij werkelijk de bedoeling gehad had om op 10 juni door een samenzwering de macht over te nemen, stellig niet op 4 juni in de plenaire zitting van de Sovjet zijn vijanden gewaarschuwd hebben. Behoeft men er nog aan te herinneren dat Lenin vanaf de eerste dag van zijn aankomst in Petrograd de partij inprentte dat de bolsjewieken zich pas na verovering van de meerderheid in de Sovjet een omverwerping van de Voorlopige Regering tot taak konden stellen? Lenin trad in de Aprildagen beslist op tegen die bolsjewieken die de leuze: “Weg met de Voorlopige Regering” als onmiddellijke taak gesteld hadden. De repliek van Lenin op 4 juni had maar één betekenis: wij bolsjewieken zijn vandaag reeds bereid om de macht over te nemen indien de arbeiders en soldaten ons hun vertrouwen schenken; wij verschillen in dat opzicht van de verzoeningsgezinden die, terwijl zij het vertrouwen van de arbeiders en soldaten bezitten, toch niet de macht durven overnemen.

Soechanov stelt Trotski als realist tegenover Lenin als blanquist. Men kon “zonder Lenin te accepteren, zich volkomen aansluiten bij de probleemstelling van Trotski.” Tegelijkertijd verklaart Soechanov dat “Trotski bij de actie van 10 juni betrokken was,” d.w.z. bij de samenzwering waardoor men de macht wilde grijpen. Soechanov kan, terwijl hij twee richtingen ontdekt die er niet waren, het niet laten om deze twee richtingen later tot één samen te voegen om ook mij van avonturisme te kunnen beschuldigen. Dit is een eigenaardige en enigszins platonische revanche voor de niet verwezenlijkte verwachtingen die de linkse intellectuelen in een conflict tussen Lenin en Trotski koesterden.

Op de spandoeken die door de bolsjewieken gemaakt waren voor de afgelaste demonstratie van 10 juni en die daarna door de demonstranten van 18 juni meegedragen werden, nam de slogan: “Weg met de tien kapitalistische ministers” de voornaamste plaats in. Soechanov bewondert uit esthetisch oogpunt de eenvoudige uitdrukkingskracht van deze slogan. Maar als politicus geeft hij blijk niets te begrijpen van de betekenis van deze slogan. Er zaten behalve de tien “kapitalistische ministers” nog zes verzoeningsgezinde ministers in de regering. De bolsjewistische spandoeken deden op deze geen aanval. De kapitalistische ministers moesten integendeel, naar de eigenlijke betekenis van de slogan, door verzoeningsgezinde ministers, vertegenwoordigers van de Sovjetmeerderheid, vervangen worden. Deze gedachte van de bolsjewistische spandoeken was het juist die door mij op het Sovjetcongres uitgesproken werd: breek het blok met de liberalen, verdrijf de burgerlijke ministers en vervang hen door eigen Pjesjechonovs. De bolsjewieken hadden, terwijl zij van de Sovjetmeerderheid eisten dat zij de macht zou overnemen, zich natuurlijk niet de handen gebonden wat betreft de Pjesjechonovs; zij maakten er integendeel geen geheim van dat zij binnen het raam van de Sovjetdemocratie een onverzoenlijke strijd tegen deze zouden voeren – om de meerderheid in de Sovjets en om de macht. Dit zijn tenslotte elementaire waarheden. Het is slechts uit de bovenvermelde eigenschappen van Soechanov te verklaren hoe deze deelnemer aan en waarnemer van de gebeurtenissen zo’n vreselijke verwarring in een zo ernstige en tevens zo eenvoudige kwestie kon stichten.

De onjuiste weergave die Soechanov geeft van mijn ontmoeting met de redactie van de “Nowaja Sjisn”, die u interesseert, wordt in het licht van de bovenbeschreven episode begrijpelijker. Volgens Soechanov ligt de moraal van mijn conflict met de kring van Maxim Gorki in de slotzin die hij mij in de mond legt: “Ik zie nu dat er mij niets anders overblijft dan samen met Lenin een blad te stichten.” Het blijkt dat slechts de onmogelijkheid van een overeenstemming met Gorki en Soechanov, d.w.z. met mensen die ik nooit voor politici of revolutionairen gehouden heb, mij de weg tot Lenin deed vinden. De onhoudbaarheid van deze gedachte ligt voor de hand.

Hoe typerend voor Soechanov is, tussen twee haakjes, de zin “samen met Lenin een blad te stichten,” alsof een krant het doel van de revolutionaire politiek was. Het moet voor iedereen die ook maar een greintje verbeeldingskracht bezit duidelijk zijn dat ik noch aldus denk noch zoiets beogen kon.

Men dient om mijn bezoek bij de kring van Gorki te verklaren, eraan te herinneren dat ik begin mei, meer dan twee maanden na de omwenteling en een maand na Lenin, in Petrograd aankwam. Veel was er in deze tijd al opgehelderd en vastgelegd. Ik had een directe, om zo te zeggen empirische oriëntatie nodig niet alleen betreffende de fundamentele krachten van de revolutie, de stemmingen onder de arbeiders en soldaten, maar ook betreffende alle groeperingen en politieke schakeringen in de “beschaafde” wereld. Het bezoek bij de redactie van de “Nowaja Sjisn” had voor mij de betekenis van een kleine politieke “verkenning” om de aantrekkings- en afstotingskrachten in deze “linkse” groep, de kansen van een mogelijke afscheiding van sommige elementen, enz. te leren kennen. Een kort onderhoud overtuigde mij van de armzaligheid van dit groepje mijmerende literatoren voor wie de revolutie een hoofdartikel betekende. Daar zij bovendien de bolsjewieken ervan beschuldigden zichzelf te isoleren en de schuld daarvan bij Lenin en diens Aprilstellingen legden, kon ik hen natuurlijk niets anders zeggen dan dat hun redevoeringen mij ten overvloede bewezen hoezeer Lenin gelijk had om de partij van hen, of liever gezegd hen van de partij, te isoleren. Deze conclusie die ik met het oog op de uitwerking op de deelnemers aan het onderhoud, Rjazanov en Loenatsjarski, de tegenstanders van een vereniging met Lenin, extra nadrukkelijk moest onderstrepen, gaf klaarblijkelijk aanleiding tot de lezing van Soechanov.

U hebt natuurlijk volkomen gelijk als u vermoedt dat ik mij in de herfst van 1917 geenszins bereid verklaard zou hebben om vanaf de tribune van de Peterburgse Sovjet ter gelegenheid van het jubileum van Gorki te spreken. Soechanov deed er ditmaal goed aan om een van zijn grillige ideeën prijs te geven, nl. mij aan de vooravond van de Oktoberopstand te laten optreden ter ere van Gorki die aan de andere kant van de barricade stond.

 

Prinkipo, 29 september 1930

L. Trotski.

 

 

[1] Soechanov noemt mij een “dubieuze interrayonist” (lid van de “interrayonale organisatie van de verenigde sociaaldemocraten”, in het Russisch kortweg “Mesjrayonzy” genoemd), waarmee hij klaarblijkelijk zeggen wil dat ik in werkelijkheid bolsjewiek was. Dit laatste is stellig juist. Ik bleef slechts daarom in de “interrayonale organisatie” om deze in de bolsjewistische partij te brengen, hetgeen in augustus dan ook gebeurde.

Print Friendly, PDF & Email