Eerste bijlage: officiële legenden

Behalve een geschiedkundige toelichting bij het vraagstuk van de theorie van de “Permanente Revolutie” vindt men in dit aanhangsel twee zelfstandige hoofdstukken: “Officiële Legenden” en “Socialisme in één land?” Het hoofdstuk “Legenden” is een kritische reconstructie van een aantal feiten en gebeurtenissen uit de Oktoberrevolutie die door latere geschiedschrijvers verdraaid zijn. Tevens heeft dit hoofdstuk o.a. ten doel te voorkomen dat gemakzuchtige lezers, in plaats van het feitenmateriaal te gaan doorwerken, zich bij voorbaat neerleggen bij de goedkope conclusie: “De waarheid zal wel ergens in het midden liggen.”

Het hoofdstuk “Socialisme in één land?” is aan het belangrijke vraagstuk van de ideologie en het programma van de bolsjewistische partij gewijd. Deze door ons historisch behandelde kwestie blijft niet alleen momenteel van groot theoretisch belang, maar heeft in de laatste jaren een eminent praktische betekenis gekregen.

Wij hebben de twee bovenvermelde hoofdstukken slechts uit de overige tekst, waarvan zij een integraal deel vormen, gelicht tot gemak van die lezers die zich liever niet met meer ondergeschikte twistvragen of met theoretische problemen bezighouden. Indien echter één tiende of zelfs ook maar één honderdste van de lezers van dit boek zich de moeite getroost om dit Aanhangsel aandachtig te lezen, zal de schrijver zich voldoende beloond achten voor het werk dat hij verricht heeft. De waarheid baant zich tenslotte door nadenkende, ijverige en kritische mensen haar weg.

 

Officiële legenden

De opvatting over de Oktoberrevolutie die men in dit boek vindt, heeft de schrijver herhaaldelijk, hoewel in algemene trekken, reeds in de eerste jaren van het Sovjetbewind verkondigd. Om zijn gedachten scherper te belichten, gaf hij er soms een kwantitatieve formulering van: de taak van de revolutie, schreef hij, was voor drie vierden, zoniet voor negen tienden reeds vóór 25 oktober door de methode van de “stille” of “droge” opstand vervuld. Ook al kent men aan de getallen geen grotere betekenis toe dan waarop zij in dit geval aanspraak mogen maken, blijft deze gedachte op zich toch juist. Sinds de tijd waarin de “Umwertung der Werte” begon, kreeg onze opvatting ook in dit opzicht een scherpe kritiek te verduren.

“Indien de ‘zegevierende’ opstand op 9 oktober reeds voor negen tienden een voldongen feit was,” schreef Kamenev, “wat moet men dan denken van de geestelijke capaciteiten van hen, die in het Centraal Comité van de bolsjewieken zaten en op 10 oktober heftig kibbelden over de vraag of men de opstand beginnen en wanneer men hem beginnen moest? Wat is er van mensen te zeggen die op 16 oktober bijeenkwamen… en telkens opnieuw de kansen van de opstand wikten en wogen?… Het blijkt immers dat hij reeds op 9 oktober “stilletjes” en “legaal” doorgevoerd was, en wel zo stilletjes dat noch de partij, noch het Centraal Comité dit gemerkt hadden.” Dit op het eerste gezicht zo doorslaggevende argument dat door de latere schrijvers gecanoniseerd werd en zijn auteur politiek overleefd heeft, is in werkelijkheid niets anders dan een misleidende opeenstapeling van vergissingen.

De opstand kon op 9 oktober nog in geen geval “voor negen tienden” een voldongen feit geweest zijn, want pas op die dag kwam de kwestie van de overplaatsing van het garnizoen in de Sovjet aan de orde, en men kon niet weten welk verloop zij zou hebben. Juist daarom had Trotski de volgende dag, op 10 oktober, toen hij de nadruk op de belangrijke betekenis van het vraagstuk van de overplaatsing van de troepen legde, nog niet voldoende reden om te eisen dat men het conflict van het garnizoen met de legerleiding tot grondslag van het gehele plan zou maken. Pas na twee weken van hardnekkige arbeid dag in dag uit was de voornaamste taak van de opstand – het winnen van de regeringstroepen voor de zaak van het volk – “voor drie vierden, zo niet voor negen tienden vervuld.” Dit was nog niet het geval op 10 en ook niet op 16 oktober, toen het Centraal Comité voor de tweede maal over het vraagstuk van de opstand beraadslaagde en Krylenko reeds met nadruk de aandacht op het vraagstuk van het garnizoen vestigde.

Zelfs indien de revolutie echter reeds op 9 oktober “voor negen tienden” gezegevierd had, zoals Kamenev onze gedachtengang verkeerd weergeeft, zou het niet mogelijk geweest zijn dit door vermoedens met zekerheid vast te stellen, maar alleen door de daad, d.w.z. door de opstand: de “geestelijke capaciteiten” van de leden van het Centraal Comité zijn ook in dit louter hypothetische geval door hun deelname aan de hartstochtelijke debatten van 10 en 16 oktober in geen enkel opzicht gecompromitteerd. Ook indien de leden van het Centraal Comité echter reeds op 10 oktober door a-prioristische beoordelingen in staat geweest waren om met volkomen zekerheid vast te stellen dat de overwinning inderdaad voor negen tienden behaald was, zou het toch nog nodig gebleven zijn om het laatste tiende te volbrengen. Dit zou een zelfde opmerkzaamheid vereist hebben alsof het om alle tienden ging. Hoeveel van dergelijke “bijna” gewonnen slagen en opstanden laat de geschiedenis ons zien, die tot een nederlaag leidden omdat zij niet tijdig doorgezet werden tot een volledige verplettering van de vijand! Tenslotte – Kamenev komt ertoe ook dit te vergeten – was het arbeidsveld van het Militair Revolutiecomité beperkt tot Petrograd. Hoe groot ook de betekenis van de hoofdstad is, buiten haar bestaat er toch ook nog het land. En het Centraal Comité had vanuit dit oogpunt gegronde reden om de kansen van de opstand aller-nauwkeurigst te wikken en te wegen, niet alleen op 10 en 16 oktober, maar zelfs nog op 26 oktober d.w.z. na de overwinning van Petrograd.

Kamenev neemt in de bovengenoemde verhandeling Lenin in bescherming – alle epigonen verdedigen zich onder dit machtig pseudoniem: hoe had Lenin zo hartstochtelijk voor de opstand kunnen vechten indien deze reeds voor negen tienden voltrokken geweest was! Lenin schreef echter zelf begin oktober: “Het is zeer wel mogelijk dat men juist nu de macht zonder opstand kan overnemen…” Lenin achtte het m.a.w. mogelijk dat een “stille” omwenteling zich reeds vóór 9 oktober voltrokken had en niet voor negen maar voor tien tienden. Hij begreep echter dat deze optimistische veronderstelling slechts metterdaad te controleren was. Lenin zei daarom in diezelfde brief: “Indien men de macht niet zonder opstand kan overnemen, moet men meteen met de opstand beginnen.” En het waren juist deze kwesties die op 10, 16 en overige oktoberdagen besproken werden.

De nieuwste Sovjetgeschiedschrijvers hebben uit de Oktoberrevolutie het uiterst belangrijke en leerzame hoofdstuk over de meningsverschillen tussen Lenin en het Centraal Comité helemaal weggelaten, zowel wat het fundamentele en principiële betreft waarin het gelijk aan de kant van Lenin, alsook in die partiële maar uiterst belangrijke kwestie waarin het gelijk aan de kant van het Centraal Comité was: volgens de nieuwe leer konden noch het Centraal Comité, noch Lenin zich vergissen en zodoende konden er ook geen conflicten tussen hen rijzen. In de gevallen waarin meningsverschillen niet te loochenen zijn, worden zij volgens een algemeen recept op Trotski geschoven.

De feiten spreken echter een andere taal. Lenin drong erop aan om de opstand te beginnen in de dagen van de Democratische Vergadering: hij werd door geen enkel lid van het Centraal Comité ondersteund. Een week later stelde Lenin aan Smilga voor om de staf voor de opstand in Finland te organiseren en vandaaruit met de strijdkrachten van de matrozen de regering een slag toe te brengen. Nog weer tien dagen later drong hij erop aan om het congres van het Noorden tot uitgangspunt van de opstand te maken. Niemand ondersteunde dit voorstel op het congres. Lenin meende eind september dat het funest was de opstand drie weken uit te stellen, tot het Sovjetcongres. Intussen eindigde de opstand die uitgesteld was tot aan de vooravond van het congres tijdens de zitting hiervan. Lenin had voorgesteld om de strijd in Moskou te beginnen, in de veronderstelling dat de zaak daar zonder wapengeweld beslist kon worden. In werkelijkheid duurde de opstand in Moskou, ondanks de voorafgaande overwinning in Petrograd, acht dagen en eiste hij vele slachtoffers.

Lenin was geen automaat voor feilloze besluiten. Hij was “slechts” een geniaal mens en niets menselijks was hem vreemd, ook niet de eigenschap van zich te vergissen. Lenin zegt over de houding van de epigonen tegenover grote revolutionairen: “Na hun dood tracht men hen tot onschuldige heiligenbeelden te maken, hen om zo te zeggen heilig te verklaren en hun naam een passende roem te laten behouden…” om hen in werkelijkheid des te gemakkelijker te verraden. De epigonen eisen dat men de onfeilbaarheid van Lenin erkent om dit dogma des te gemakkelijker op zichzelf te kunnen toepassen. (1)

Hetgeen de politiek van Lenin kenmerkte, was een samengaan van stoutmoedige toekomstplannen met een nauwgezette beoordeling van kleine feiten en symptomen. Lenins isolement belette hem niet om met een weergaloze scherpte de voornaamste fasen en veranderingen van de beweging vast te stellen, maar het maakte hem ook onmogelijk tijdelijke factoren en toevallige veranderingen tijdig op hun juiste waarde te schatten. De politieke toestand was in het algemeen zo gunstig voor de opstand dat zij de mogelijkheid voor een overwinning in verschillende variaties openliet. Indien Lenin in Petrograd geweest was en indien hij begin oktober het besluit betreffende een onmiddellijke opstand had weten door te zetten, onafhankelijk van het Sovjetcongres, dan zou hij ongetwijfeld zijn eigen plan politiek zo uitgevoerd hebben dat de nadelen hiervan tot een minimum beperkt waren. Het is echter op zijn minst even waarschijnlijk dat hij in dit geval zelf dat plan gekozen zou hebben dat ook werkelijk uitgevoerd is.

De rol van Lenin in de strategie van de revolutie als zodanig is door ons in een afzonderlijk hoofdstuk beschreven. Om onze opvattingen over de tactische voorstellen van Lenin nader te preciseren, willen we hieraan toevoegen dat het zonder de druk van Lenin, zonder zijn aandrang, zijn voorstellen en variaties, oneindig veel moeilijker zou geweest zijn om de weg tot de opstand in te slaan. Indien Lenin in de kritieke weken in het Smolny geweest was, zou de leiding van de opstand over het geheel genomen, en wel niet alleen in Petrograd, maar ook in Moskou, op een veel hoger peil gestaan hebben. De Lenin in de “emigratie” kon echter niet de Lenin in het Smolny vervangen.

Lenin was er zelf het meest van doordrongen dat hij tactisch onvoldoende georiënteerd was. Hij schrijft op 24 september in de “Rabotsjyj Poetj”: “Er nadert duidelijk een nieuwe revolutie – wij weten helaas weinig over de omvang en het tempo hiervan.” Deze woorden houden zowel een verwijt aan het adres van de partijleiding, alsook een klacht over zijn eigen onvoldoende ingelicht zijn in. Terwijl hij in zijn brieven herinnert aan de voornaamste regels voor een opstand, laat Lenin niet na om hieraan toe te voegen: “Dit alles als voorbeeld, alleen als illustratie natuurlijk.” Op 8 oktober schrijft Lenin aan het Sovjetcongres van het noordelijk district: “Ik wil proberen met mijn raadgevingen van een buitenstaander op te treden, ingeval de te verwachten actie van de arbeiders en soldaten van Petrograd… spoedig zal plaats hebben, zo zij al niet plaats gevonden heeft.” Lenin vangt zijn polemiek tegen Zinovjev en Kamenev aan met de woorden: “De schrijver, die door de loop der omstandigheden enigszins buiten de stroom van de geschiedenis geraakt is, loopt voortdurend gevaar, achteraan te komen of niet voldoende op de hoogte te blijken, vooral indien zijn bijdragen met vertraging het licht zien.” Hier weer een klacht over zijn isolement naast een verwijt aan de redactie die de publicatie van al te scherpe artikelen van Lenin uitstelt of de meest stekelige passages eruit schrapt. Een week voor de revolutie schrijft Lenin in een vertrouwelijke brief aan de partijleiding: “Wat het vraagstuk van de opstand betreft, nu we zo dicht bij 20 oktober staan, kan ik uit de verte niet beoordelen in welke mate de zaak bedorven wordt door het stakingbrekend optreden (van Zinovjev en Kamenev) in kranten die niet tot onze partij behoren.” De woorden “uit de verte” waren door Lenin zelf onderstreept.

Hoe verklaart nu de epigonenschool de kloof tussen Lenins tactische voorstellen en het werkelijk verloop van de opstand in Petrograd? Zij geeft aan de conflicten of een anoniem en vaag karakter, of ze loopt over de meningsverschillen heen met de verklaring dat deze te onbelangrijk zijn om er bij stil te staan; of zij poogt vaststaande feiten te loochenen; of de naam van Trotski daar voorop te schuiven waar er bij Lenin van het Centraal Comité in zijn geheel of van de tegenstanders van de opstand in het Centraal Comité sprake is; ofwel combineert zij tenslotte al deze methoden zonder er zich om te bekommeren of zij met elkaar in overeenstemming zijn.

“Men kan,” schrijft Stalin, “de doorvoering van de Oktoberopstand als een model van (bolsjewistische) strategie beschouwen. Het niet in acht nemen van deze voorwaarde (de keuze van het juiste ogenblik) leidt tot de gevaarlijke fout die “tempoverlies” heet, waarbij de partij bij de beweging achter blijft of deze vooruit snelt en daarbij het gevaar van een mislukking doet ontstaan. Als voorbeeld van een dergelijk “tempoverlies”, als voorbeeld daarvan hoe men het tijdstip van een opstand niet moet kiezen, kan de poging van een deel van de kameraden gelden om de opstand met een arrestatie van de Democratische Vergadering in augustus 1917 te beginnen.” Onder de aanduiding “een deel van de kameraden” figureert in deze regels Lenin. Niemand anders dan hij had voorgesteld de opstand met een arrestatie van de Democratische Vergadering te beginnen en niemand heeft dit voorstel ondersteund. Stalin roemt het tactische plan van Lenin als een voorbeeld van hoe men het tijdstip van de opstand niet moet kiezen. De anonieme vorm van het betoog maakt het Stalin tegelijkertijd mogelijk om het bestaan van meningsverschillen tussen Lenin en het Centraal Comité botweg te loochenen.

Nog gemakkelijker weet Jaroslavski zich uit de moeilijkheden te redden. “Het gaat natuurlijk niet om details,” schrijft hij, “het gaat niet daarom of de opstand in Moskou of Petrograd begonnen is, het gaat erom dat uit de gehele loop van zaken “de juistheid van de leninistische politiek” van onze partij bleek.” De vindingrijke historicus maakt zich op eenvoudige wijze van zijn taak af. Dat de Oktoberrevolutie een bevestiging van de leninistische strategie geweest is en in de eerste plaats heeft laten zien welke betekenis zijn overwinning in april over de leidende groep van de “oude bolsjewieken” had – is juist. Indien het er echter niet om gaat waar men moet beginnen, wanneer men moet beginnen, en hoe men moet beginnen, blijft er niet alleen van de tijdelijke meningsverschillen met Lenin, maar ook van de tactiek in het algemeen niets over.

Men vindt in het boek van John Reed een beschrijving waaruit blijkt dat de bolsjewistische leiders op 21 oktober een “tweede historische bijeenkomst” hielden waar Lenin volgens Reed zou gezegd hebben: “Het is voorbarig om op 24 oktober te beginnen: er is een Al-Russische basis voor de opstand nodig, en op 24 oktober zullen nog niet alle afgevaardigden voor het congres aangekomen zijn. Aan de andere kant zal 26 oktober te laat zijn om de actie te beginnen… Wij moeten op 25 oktober beginnen, op de dag van de opening van het congres…” Reed was een buitengewoon fijn waarnemer die zijn boek van de gevoelens en hartstochten van de beslissende revolutiedagen heeft weten vrij te houden. Het was juist hierom dat Lenin wenste dat Reeds onvergelijkelijke kroniek in miljoenen exemplaren in alle landen van de wereld verspreid zou worden. Werken in het vuur van de gebeurtenissen, notities opgekrabbeld in gangen, op straat of bij wachtvuren, vluchtig opgevangen gesprekken of brokstukken van zinnen, de noodzakelijkheid van zich te laten bijstaan door tolken, dit alles maakte echter vergissingen onvermijdelijk. De mededeling over de bijeenkomst van 21 oktober is een van de ernstigste vergissingen in het boek van Reed. De vermelding van de noodzakelijkheid van een “Al-Russische Sovjetbasis” voor de opstand kon geenszins van Lenin afkomstig zijn, want meer dan eens had deze het nastreven van een dergelijke basis ronduit “volslagen idioot en volkomen verraderlijk” genoemd. Lenin kon niet zeggen dat het op 24 oktober voorbarig was om op te staan, want reeds sedert eind september had hij een verder uitstel van de opstand zelfs maar voor één enkele dag voor ongeoorloofd gehouden: talmen is mogelijk, “maar voorbarigheid kan er in dit opzicht niet bestaan.” Afgezien van deze op zich reeds afdoende argumenten wordt de mededeling van Reed echter weerlegd door het simpele feit dat er geen “tweede historische bijeenkomst” op de 21ste gehouden is: men zou van een dergelijke bijeenkomst toch sporen in de documenten en in het geheugen van de deelnemers moeten kunnen aantreffen. Er werden slechts twee bijeenkomsten gehouden, waaraan Lenin deelnam, nl. op 10 en op 16 oktober. Reed kon dit niet weten. De later gepubliceerde documenten bevatten echter niets over de historische zitting van 21 oktober. De latere geschiedschrijvers hebben echter zonder meer Reeds evident onjuiste mededeling in alle officiële publicaties overgenomen: men bereikt daarmee dat de aanwijzingen van Lenin uiterlijk met het werkelijk verloop van de gebeurtenissen overeenstemmen. Weliswaar plaatsen de officiële geschiedschrijvers Lenin daardoor in een onbegrijpelijke en onverklaarbare tegenstelling met zichzelf. Maar eigenlijk is het immers ook niet om Lenin te doen: de epigonen hebben eenvoudig Lenin tot hun eigen historisch pseudoniem gemaakt en gebruiken hem ongegeneerd om achteraf hun eigen onfeilbaarheid aan te tonen.

De officiële historici gaan nog verder bij hun aanpassing van de feiten aan de politieke koers. Zo schrijft Jaroslavski in zijn ‘Geschiedenis van de partij’: “Lenin was aanwezig op de zitting van het Centraal Comité van 24 oktober, de laatste die voor de opstand gehouden werd.” Uit de officiële notulen waarin de deelnemers met name nauwkeurig opgesomd worden, blijkt dat Lenin niet aanwezig was. “Lenin en Kamenev kregen de opdracht om onderhandelingen met de linkse sociaal-revolutionairen te voeren,” schrijft Jaroslavski. In de notulen staat dat deze opdracht aan Kamenev en Bersin gegeven werd. Ook zonder de notulen zou het echter duidelijk zijn dat het Centraal Comité Lenin niet met tweederangs “diplomatieke” opdrachten belast had. De beslissende zitting van het Centraal Comité had ’s morgens plaats. Lenin kwam pas in de nacht in het Smolny aan. Een lid van het Petrogradse Comité, Svesjnikov, vertelt dat Lenin “’s avonds (24 oktober) wegging en in het vertrek een vel papier achtergelaten had waarop stond dat hij dan en dan weggegaan was. Toen wij dit vernamen, maakten wij ons ongerust over Iljitsj…” Reeds “laat in de avond” werd het in de wijk bekend dat Lenin zich naar het Militair Revolutiecomité begeven had.

Het meest zonderlinge is echter dat Jaroslavski een document dat uit politiek en menselijk oogpunt hoogst belangrijk is niet vermeldt, namelijk de brief aan de wijkleiders die door Lenin geschreven werd in de uren waarin de openlijke opstand eigenlijk reeds begonnen was. “Kameraden! Ik schrijf deze regels in de avond van 24 oktober… Ik zou de kameraden er zoveel mogelijk van willen overtuigen dat alles nu aan een zijden draadje hangt, dat er kwesties aan de orde zijn die niet door vergaderingen, niet door congressen (al zijn het ook Sovjetcongressen) beslist worden, maar uitsluitend door de volkeren, door de massa, door de strijd van gewapende massa’s… Men moet tot elke prijs vanavond, deze nacht de regering arresteren, terwijl men de “jonkers” enzovoorts ontwapent (indien zij zich verzetten: hen neerslaan).” Lenin was zozeer beducht voor besluiteloosheid van de kant van het Centraal Comité dat hij op het allerlaatste ogenblik nog probeert een druk van onderop te organiseren. “Het is noodzakelijk,” schrijft hij, “dat alle wijken, alle regimenten, alle krachten onmiddellijk gemobiliseerd worden en er meteen delegaties naar het Militair Revolutiecomité en naar het Centraal Comité van de bolsjewieken gezonden worden met de dringende eis dat in geen geval tot op 25 oktober de macht in handen van Kerenski en co gelaten wordt, onder geen omstandigheden – de zaak moet beslist vandaag, ’s avonds of ’s nachts, ten einde gebracht worden.” Terwijl Lenin deze regels schreef, waren de regimenten en de wijken die hij ertoe opriep zich te mobiliseren om druk op het Militair Revolutiecomité uit te oefenen, reeds door dit comité gemobiliseerd om zich van de stad meester te maken en de regering ten val te brengen. Men kan in elk geval uit deze brief, waarin uit elke regel bezorgdheid en hartstochtelijk verlangen klinkt, zien dat Lenin noch op 21 oktober kon voorgesteld hebben om de opstand tot 25 oktober uit te stellen noch op de ochtendzitting van 24 oktober waar besloten werd onmiddellijk tot de aanval over te gaan, kon hebben deelgenomen.

De brief is niettemin in één opzicht raadselachtig: hoe was het mogelijk dat Lenin die zich in de wijk Vyborg verborgen hield, tot de avond geen kennis gekregen had van een zo buitengewoon belangrijk besluit? Uit het relaas van bovengenoemde Svesjnikov, alsook uit andere bronnen blijkt, dat het contact met Lenin die dag door Stalin onderhouden werd. De enige mogelijkheid is dat Stalin, die niet in de ochtendzitting van het Centraal Comité verschenen was, tot aan de avond niets van het genomen besluit gehoord had.

Ook de geruchten die op die dag bewust en hardnekkig vanuit het Smolny verspreid werden over het feit dat er voor een beslissing van het Sovjetcongres geen enkele beslissende stap zou gedaan worden, konden een directe aanleiding voor Lenins bezorgdheid zijn. Trotski zei die dag in een buitengewone zitting van de Petrogradse Sovjet, die ’s avonds gehouden werd, in een verslag over de werkzaamheid van het Militair Revolutiecomité: “Een gewapend conflict vandaag of morgen behoort niet tot onze plannen – aan de vooravond van het Al-Russische Sovjetcongres. Wij geloven dat het congres onze leuze met de grootste kracht en autoriteit zal doorvoeren. Indien de regering echter zou pogen om de tijd van leven die zij nog heeft – vierentwintig, achtenveertig of tweeënzeventig uur – te benutten om de revolutie in de rug aan te vallen, zullen wij ons weten te weren.” Dit was het leidmotief van die dag. De verdedigende verklaringen hadden ten doel om op het laatste moment voor de slag de waakzaamheid van de tegenstander, die toch al niet zo erg groot was, te verschalken. En het was naar alle waarschijnlijkheid juist dit manoeuvre die Dan aanleiding gaf om Kerenski in de nacht van 25 oktober te verzekeren dat de bolsjewieken op dat moment in het geheel niet aan een opstand dachten. Aan de andere kant echter kon Lenin, indien een van deze geruststellende verklaringen van het Smolny hem bereikte, in zijn toestand van uiterst wantrouwen de krijgslist voor goede munt opnemen.

List is een noodzakelijk element van de krijgskunst. De list die tegelijkertijd het eigen kamp in verwarring kan brengen, is echter verkeerd. Indien het er om te doen geweest was de massa’s de straat op te roepen, dan hadden de woorden “de komende tweeënzeventig uur” een funeste uitwerking kunnen hebben. Op 24 oktober had de revolutie echter reeds geen revolutionaire oproepen zonder bepaalde aanduiding meer nodig. Gewapende afdelingen die bestemd waren voor de bezetting van de voornaamste punten in de hoofdstad, stonden gereed en wachtten op het teken tot de opstand van hun aanvoerders die telefonisch met de dichtstbijzijnde revolutionaire staven verbonden waren. De tweesnijdende krijgslist van de revolutionaire staf was in deze omstandigheden zeer wel op haar plaats.

Wanneer de officiële onderzoekers op een onaangenaam document stuiten, veranderen zij de naam daarop. Zo schrijft Jakovljev: “De bolsjewieken gingen niet op de ‘constitutionele illusies’ in, toen zij het voorstel van Trotski om de opstand onvoorwaardelijk met het tweede Sovjetcongres te doen samenvallen van de hand wezen en de macht vóór de aanvang van het congres overnamen.” Van welk voorstel van Trotski hier sprake is, waar en wanneer dit besproken werd, welke bolsjewieken het van de hand wezen – wordt door de schrijver niet gezegd en dit is niet toevallig: tevergeefs zou men in de notulen of in welke herinneringen ook maar een verwijzing tegenkomen naar een voorstel van Trotski om de opstand “onvoorwaardelijk met het tweede Sovjetcongres te doen samenvallen.” De bewering van Jakovljev berust op een enigszins gekunsteld misverstand dat reeds lang door niemand minder dan Lenin opgehelderd is.

Zoals uit verschillende reeds lange tijd geleden gepubliceerde memoires blijkt, had Trotski sedert het einde van september de tegenstanders van de opstand er meermaals op gewezen dat het vaststellen van een tijdstip voor het Sovjetcongres voor de bolsjewieken gelijkstond met een vaststellen van de opstand. Dit wilde natuurlijk niet zeggen dat de revolutie slechts krachtens een besluit van het Sovjetcongres mocht plaatshebben – er kon geen sprake zijn van een dergelijk kinderlijk formalisme. Het ging om de laatste termijn: men mocht de opstand niet tot een onbepaald tijdstip na het Sovjetcongres uitstellen. Uit de documenten blijkt niet door wie en in welke vorm deze discussies in het Centraal Comité Lenin bereikt hadden. Samenkomsten met Trotski die te veel in de gaten liep bij de vijanden, zouden een te groot gevaar voor Lenin opgeleverd hebben. Bij zijn toenmalige argwaan kon Lenin er licht toe komen om te vrezen dat Trotski de nadruk op het congres en niet op de opstand legde, en dat hij in elk geval zich niet genoeg tegen de “constitutionele illusies” van Zinovjev en Kamenev verzette. Ook de hem weinig bekende nieuwe leden van het Centraal Comité, de vroegere interrayonisten (of aanhangers van een fusie), Joffe en Oeritski, wekten misschien bezorgdheid bij Lenin. Hierop wijst de rede die Lenin op 1 november, na de overwinning, in de zitting van het Petrogradse Comité hield. “In de zitting (van 10 oktober) werd de kwestie van de opstand besproken. Ik was bang voor opportunisme van de kant van de op de grondslag van een fusie staande internationalisten, maar deze angst verdween spoedig. Talrijke leden (van het Centraal Comité) waren er het in onze partij niet mee eens. Dit had mij ten zeerste bedroefd.” Op 10 oktober overtuigde Lenin, zoals hij zelf zegt, zich er van dat niet alleen Trotski maar ook Joffe en Oeritski, die onder diens directe invloed stonden, krachtig de opstand verdedigden. De kwestie van het tijdstip werd in die zitting voor het eerst aan de orde gesteld. Wanneer en door wie werd derhalve “het voorstel van Trotski” om de opstand niet zonder een voorafgaand besluit van het Sovjetcongres te beginnen van de hand gewezen? Als het ware om opzettelijk de verwarring nog groter te maken, werd, naar wij reeds weten, in de officiële handboeken een zelfde voorstel aan Lenin toegeschreven, met een beroep op het onwaarschijnlijke besluit van 21 oktober.

Hier grijpt Stalin in de strijd in met een nieuwe lezing welke die van Jakovljev en met hem van vele anderen omver gooit. Het blijkt dat het uitstel van de opstand tot op de dag van het congres, d.w.z. tot op 25 oktober, op zich Lenin er niet toe gebracht had zich te verzetten: de zaak werd echter bedorven door de ontijdige bekendmaking van het tijdstip van de opstand. Laten wij echter Stalin zelf aan het woord: “De fout van de Petrogradse sovjet die de dag van de opstand (25 oktober) openlijk bepaald en bekend gemaakt had, kon slechts goed gemaakt worden door een feitelijke opstand vóór deze wettig bepaalde datum van de opstand.” Deze bewering is van een ontstellende onvolledigheid. Alsof het in de strijd met Lenin om een keuze tussen 24 en 25 oktober gegaan was! In werkelijkheid schreef Lenin bijna één maand voor de opstand: “Het is volslagen idioot op het Sovjetcongres te wachten, want dit betekent dat men weken laat voorbijgaan, terwijl weken en zelfs dagen beslissend zijn.” Waar en wanneer had de Sovjet aan de andere kant de datum van de opstand bekend gemaakt? Het valt moeilijk de motieven te bedenken waaruit hij een dergelijke dwaasheid zou hebben kunnen begaan. In werkelijkheid was niet de opstand, maar het Sovjetcongres vooraf en openlijk op 25 oktober bepaald. Dit gebeurde niet door de Petrograd sovjet, maar door het verzoeningsgezind Centraal Uitvoerend Comité. Uit dit feit en niet uit een vermeende onvoorzichtigheid van de sovjet trok de vijand bepaalde conclusies, namelijk dat de bolsjewieken een poging moesten doen om op het ogenblik van het congres de macht te veroveren indien ze niet van het toneel wilden verdwijnen. “De loop van zaken,” schreven wij later, “maakte het noodzakelijk dat wij de opstand op 25 oktober bepaalden. Zo vatte ook de burgerlijke pers de zaak op.” Vage herinneringen aan de “loop van zaken” werden bij Stalin tot een “onvoorzichtige” bekendmaking van de dag van de opstand. Zo schrijft men geschiedenis!

De schrijver van dit boek wees op de tweede verjaardag van de revolutie in bovengenoemde zin op het feit dat “de Oktoberopstand om zo te zeggen van tevoren op een bepaalde datum, 25 oktober, vastgesteld” en op die dag ook volbracht was en hij voegde eraan toe dat wij tevergeefs in de geschiedenis een tweede voorbeeld van een opstand zouden vinden die door de loop van zaken van tevoren aan een bepaalde datum verbonden was. Deze bewering is onjuist: de opstand van 10 augustus 1792 was eveneens ongeveer acht dagen tevoren op een bepaalde datum vastgesteld, en ook niet uit onvoorzichtigheid, maar uit de loop van zaken zelf.

Op 3 augustus besloot de Wetgevende Vergadering de petities van de Parijse secties waarin geëist werd dat de koning afgezet zou worden op 9 augustus in behandeling te nemen. “Terwijl zij de dag van de besprekingen bepaalde,” schrijft Jaurès, die veel ontdekt heeft wat de vroegere historici ontgaan was, “stelde zij daarmee tevens de dag van de opstand vast.” De leider van de sectie, Danton, nam een verdedigende houding aan: “Indien er een nieuwe revolutie uitbreekt,” verklaarde hij telkens weer, “zal zij… een antwoord op de woordbreuk van de regering zijn.” De verwijzing van de kwestie door de secties naar de Wetgevende Vergadering, om daar behandeld te worden, was allerminst een constitutionele illusie: zij was slechts een middel om de opstand voor te bereiden en tevens deze te wettigen. De secties stonden, naar men weet, bij het eerste alarmgelui met de wapens in de hand op om hun posities te verdedigen.

De overeenkomst tussen de beide revoluties, die door een tijdsverloop van honderdvijfentwintig jaar van elkaar gescheiden zijn, is geenszins toevallig. Beide opstanden spelen zich niet in het begin van de revolutie af maar in de tweede fase ervan, waardoor zij politiek veel bewuster en stelselmatiger zijn. In beide gevallen bereikt de revolutionaire crisis een hoge mate van rijpheid. De massa’s leggen zich bij voorbaat rekenschap af van het feit dat de omwenteling onvermijdelijk en nabij is.

De behoefte aan eenheid in optreden dwingt hen hun aandacht geheel op een bepaalde “legale” datum als op het brandpunt van de op handen zijnde gebeurtenissen te concentreren. De leiding onderwerpt zich aan deze dwingende loop van de massabeweging. Terwijl zij de politieke toestand reeds beheerst en bijna reeds zeker is van de overwinning, neemt zij naar buiten een verdedigende houding aan. Terwijl zij de verzwakte vijand provoceert, schuift zij bij voorbaat de verantwoordelijkheid voor de komende conflicten op hem. Zo voltrekt zich een opstand op een “van tevoren vastgestelde datum.”

De beweringen van Stalin die verbluffen door hun ongerijmdheid – wij hebben enkele ervan in de voorgaande hoofdstukken vermeld – laten zien hoe weinig hij over de gebeurtenissen van 1917 in hun innerlijke samenhang nagedacht had en hoe weinig sporen deze in zijn geheugen achtergelaten hadden. Hoe is dit te verklaren? Het is bekend dat mensen geschiedenis maken zonder de wetten daarvan te kennen, zoals zij de spijzen verteren zonder een begrip van het proces van de spijsvertering te hebben. Men zou kunnen denken dat dit niet zou opgaan voor leidende politici en zeker niet voor leiders van een partij die zich op een wetenschappelijk gefundeerd programma baseert. Het blijft echter een feit dat vele revolutionairen die op belangrijke posten aan de revolutie deelnamen, reeds na zeer korte tijd niet meer in staat waren de innerlijke betekenis van hetgeen er onder hun directe deelname gebeurde te begrijpen. De buitengewoon rijke literatuur van de epigonen wekt de indruk alsof de geweldige gebeurtenissen over de menselijke hersens heengegaan zijn en deze gekwetst hebben, zoals een wals handen en voeten kwetst. Tot op zekere hoogte is dit ook zo: een buitengewone psychische spanning verbruikt de mensen snel. Veel belangrijker is echter een andere omstandigheid: de zegevierende revolutie wijzigt de geestesgesteldheid van de revolutionairen van gisteren radicaal, doet hun wetenschappelijke ijver insluimeren, verzoent hen met sjablonen en maakt dat zij het verleden vanuit het oogpunt van de nieuwe belangen bezien. Zo vervangt de officiële legende de werkelijke gebeurtenissen meer en meer.

De schrijver van dit boek trachtte in 1924 in zijn werk “De lessen van de Oktoberrevolutie” aan te tonen waarom Lenin, terwijl hij de partij tot de opstand leidde, genoodzaakt was zo scherp op te treden tegen de rechtervleugel die door Zinovjev en Kamenev vertegenwoordigd werd. Stalin antwoordde hierop: “Waren er toen meningsverschillen in onze partij? Ja, zij bestonden. Zij hadden echter uitsluitend een zakelijk karakter, ondanks de beweringen van Trotski die erop uit is een rechter- en een linkervleugel in de partij te ontdekken…” “Trotski verzekert dat wij in de personen van Kamenev en Zinovjev in oktober een rechtervleugel in onze partij hadden… Hoe kon het gebeuren dat de meningsverschillen met Kamenev en Zinovjev slechts enkele dagen duurden?… Er heeft geen scheuring plaats gehad, maar de meningsverschillen duurden hierom en alleen hierom in totaal slechts enkele dagen, omdat wij in Kamenev en Zinovjev leninisten, bolsjewieken, hadden.” Heeft Stalin niet juist zeven jaren geleden, vijf dagen vóór de opstand, Lenin ervan beschuldigd overdreven scherp te zijn, en beweerd dat Zinovjev en Kamenev op de gemeenschappelijke grondslag van het “bolsjewisme” stonden? Er is in alle zwenkingen van Stalin een zekere continuïteit die niet uit een weldoordachte wereldbeschouwing maar uit zijn gehele karakter voortvloeit. Zeven jaren na de revolutie kon hij, evenmin als aan de vooravond van de opstand, goed begrijpen hoe diep de meningsverschillen in de partij gingen.

Het vraagstuk van de staat is de toetssteen voor een revolutionair politicus. Zinovjev en Kamenev schreven in hun tegen de opstand gerichte brief van 11 oktober: “Wij kunnen bij een juiste tactiek één derde en zelfs meer plaatsen in de Constituerende Vergadering krijgen… Constituerende Vergadering en Sovjets – dat is het gecombineerde type staatsinstelling dat wij tegemoet gaan.” “Juiste tactiek” betekende prijsgeven van een machtsverovering door de arbeidersklasse. “Gecombineerd type” van de staat betekende een verbinding van de Constituerende Vergadering, waarin de burgerlijke partijen twee derden vormen, met de Sovjets waarin de partij van de arbeidersklasse heerst. Dit type van gecombineerde staat lag later ten grondslag aan de Hilferdingse gedachte om de raden in de Grondwet van Weimar vast te leggen. Generaal von Linsingen, opperbevelhebber in de Marken, die op 7 november 1918 de stichting van raden verbood, “omdat deze instellingen in strijd waren met de bestaande staatsorde,” gaf in elk geval blijk van veel meer scherpzinnigheid dan de austromarxisten en de Duitse Onafhankelijke Partij.

Lenin had reeds sinds april voorspeld dat de Constituerende Vergadering op de achtergrond zou geraken. Toch gaven noch hij, noch de partij in haar geheel in de loop van het jaar 1917 formeel de gedachte van een democratische vertegenwoordiging prijs: het was niet bij voorbaat met zekerheid te zeggen hoever de revolutie zou gaan. Men nam aan dat de Sovjets, nadat zij de macht overgenomen hadden, snel genoeg erin zouden slagen om het leger en de boeren te winnen, zodat de Constituerende Vergadering, vooral indien het kiesrecht uitgebreid werd (Lenin stelde in het bijzonder voor om het kiesrecht tot achttien jaar te verlagen), voor de bolsjewieken een meerderheid zou opleveren en slechts een formele bekroning van het Sovjetbewind zou zijn. In deze zin sprak Lenin meer dan eens van het “gecombineerde type” staat, d.w.z. van een aanpassing van de Constituerende Vergadering aan de Sovjetheerschappij. De ontwikkeling verliep in werkelijkheid anders. Ondanks de aandrang van Lenin besloot het Centraal Comité na de machtsverovering niet om de bijeenroeping van de Constituerende Vergadering enkele weken uit te stellen, en anders was het onmogelijk om het kiesrecht uit te breiden en in de eerste plaats de boeren de gelegenheid te geven om hun houding tegenover de sociaal-revolutionairen en de bolsjewieken opnieuw te bepalen. De Constituerende Vergadering kwam in conflict met de sovjets en werd ontbonden. De in de Vergadering bestaande vijandelijke partijen kwamen in een toestand van burgeroorlog die jaren duurde. Voor een democratische vertegenwoordiging was er in het stelsel van de Sovjetheerschappij in het geheel geen plaats. De kwestie van het “gecombineerde type” was praktisch van de baan. Theoretisch behield zij echter haar betekenis, zoals later de ervaring van de Onafhankelijke Sociaal-Democratische Partij in Duitsland leerde.

In het jaar 1924, toen Stalin gehoorzamend aan de eisen van de strijd binnen de partij voor het eerst poogde de ervaringen uit het verleden zelfstandig te verwerken, nam hij Zinovjevs “gecombineerde staat” onder zijn hoede en beriep zich daarbij op – Lenin. “Trotski begrijpt de eigenaardigheden van de bolsjewistische tactiek niet als hij tegen de theorie van een verbinding van Constituerende Vergadering en sovjets foetert als tegen een Hilferdingiade,” schreef Stalin op de hem eigen manier. “Zinovjev, die Trotski tot een Hilferdingiaan wil maken, had volkomen het standpunt van Lenin gedeeld.” Dit betekende dat Stalin, zeven jaar na de theoretische en politieke gevechten van 1917, nog altijd absoluut niet begrepen had dat er zowel bij Zinovjev als bij Hilferding sprake was van een overeenstemming en verzoening tussen de macht van twee klassen, de burgerij door de Constituerende Vergadering en de arbeidersklasse door de Sovjets; terwijl er bij Lenin sprake was van een gecombineerde instelling die een uitdrukking is van de macht van een en dezelfde klasse, van de arbeidersklasse. De opvatting van Zinovjev was, zoals Lenin toentertijd reeds uiteenzette, in strijd met de elementaire beginselen van de marxistische leer over de staat. “Indien de macht in handen van de Sovjets is,” schrijft Lenin op 17 oktober tegen Zinovjev en Kamenev, “doen allen dit “gecombineerde type” gelden; maar met het woordje “gecombineerde type” nu een prijsgave van de overgang van de macht op de Sovjets binnensmokkelen… dat is een houding waarvoor geen parlementaire uitdrukking te vinden is!” Wij zien dat het Lenin zelfs moeilijk valt een parlementaire uitdrukking te vinden om de opvatting van Zinovjev, die volgens Stalin een “eigenaardigheid van de bolsjewistische tactiek” is die Trotski niet begrepen heeft, te kenschetsen, ofschoon Lenin in dit opzicht niet erg schroomvallig was. Lenin schreef meer dan een jaar later onder verwijzing naar Duitsland: “…De poging om de heerschappij van de burgerij met de heerschappij van de arbeidersklasse te verbinden, betekent dat men zowel het marxisme als het socialisme volkomen prijsgeeft…” Wat had Lenin anders kunnen schrijven?

Het “gecombineerde type” van Zinovjev betekende in wezen een poging om de dubbele heerschappij te vereeuwigen, d.w.z. een herhaling van het experiment dat reeds vergeefs door de mensjewieken beproefd was. En indien Stalin in het jaar 1924 net zoals vroeger op dit punt op dezelfde basis als Zinovjev stond, betekende dit dat hij ondanks zijn openlijke steun aan de stellingen van Lenin in de feiten nog altijd gedeeltelijk trouw bleef aan de filosofie van de dubbele heerschappij die hij in zijn toespraak van 29 maart 1917 uiteengezet had: “De rollen zijn verdeeld. De Sovjet heeft feitelijk het initiatief tot revolutionaire veranderingen genomen… De Voorlopige Regering daarentegen heeft feitelijk de rol van een verdediger van de veroveringen van het revolutionaire volk op zich genomen.” De onderlinge betrekkingen tussen de burgerij en de arbeidersklasse worden hier eenvoudig als een politieke arbeidsdeling opgevat.

In de laatste week voor de opstand manoeuvreerde Stalin klaarblijkelijk tussen Lenin, Trotski en Sverdlov aan de ene kant en Kamenev en Zinovjev aan de andere kant. De redactionele verklaring van 20 oktober, waarin de tegenstanders van de opstand in bescherming genomen werden tegen de uitvallen van Lenin, moest juist bij Stalin niet toevallig zijn. Hij is ontegenzeggelijk een meester in het manoeuvreren in interne partijkwesties. Zoals Stalin in april, na de aankomst van Lenin, voorzichtig Kamenev naar voren schoof en zelf zwijgend afwachtte voordat hij zich opnieuw verbond, bereidde hij klaarblijkelijk ook nu, aan de vooravond van de revolutie, voor geval van een mislukking een terugtocht op de linie Zinovjev-Kamenev voor. Stalin komt hierbij op het punt waar een breuk met de meerderheid van het Centraal Comité onvermijdelijk is. Dit vooruitzicht verschrikt hem. In de zitting van 21 oktober herstelt Stalin de half afgebroken brug naar de linkervleugel van het Centraal Comité, doordat hij voorstelt om aan Lenin de voorbereiding van de stellingen over de voornaamste kwestie van het Sovjetcongres op te dragen en Trotski met het politieke referaat te belasten. Beide voorstellen worden met algemene stemmen aangenomen. Nadat hij zich naar links gedekt heeft, treedt Stalin op het laatste moment op de achtergrond: hij wacht af. Alle nieuwe historici, te beginnen met Jaroslavski, gaan angstvallig voorbij aan het feit dat Stalin in de zitting van het Centraal Comité op 24 oktober in het Smolny niet aanwezig was en geen functies van de organisatie van de opstand op zich nam. Intussen typeert dit uit de documenten onweerlegbaar vast te stellen feit beter dan wat ook de politieke persoonlijkheid en methoden van Stalin.

Sinds het jaar 1924 worden talloze pogingen gedaan om de lege plaats die de maand oktober in het politieke leven van Stalin vormt te vullen. Dit gebeurde onder twee pseudoniemen: “Centraal Comité” en “praktisch centrum”. De werking van de Oktoberleiding en de werking van de latere legende van de epigonen zouden niet goed te begrijpen zijn indien wij niet nagingen hoe het Centraal Comité toen samengesteld was.

Lenin, de erkende leider, gezaghebbend voor iedereen, maar zoals uit de feiten blijkt geenszins een “dictator” in de partij, nam vier maanden lang niet direct deel aan het werk van het Centraal Comité en stond in een aantal tactische kwesties in scherpe oppositie tegenover dit comité. Als geziene leiders golden in de oude bolsjewistische kern, ver onder Lenin, maar ook ver boven degenen die na hen kwamen, Zinovjev en Kamenev. Zinovjev hield zich net als Lenin verborgen. Vóór de Oktoberrevolutie stonden Zinovjev en Kamenev in scherpe oppositie tegen Lenin en de meerderheid van het Centraal Comité: hierdoor ontbraken beiden aan het front. Van de oude bolsjewieken kwam snel Sverdlov naar voren. Hij was toen echter nog een nieuweling in het Centraal Comité. Zijn organisatorisch talent kwam pas later tot ontplooiing in de jaren van de opbouw van de Sovjetstaat. Djersinski, die zich kort geleden bij de partij had aangesloten, muntte uit door revolutionair temperament, maar kon geen aanspraak op zelfstandige politieke autoriteit maken. Boecharin, Rykov en Nogin leefden in Moskou. Boecharin gold als een begaafd, maar onbetrouwbaar theoreticus. Rykov en Nogin waren tegen de opstand. Met Lomov, Boebnov en Miljoetin werd bij belangrijke kwesties nauwelijks rekening gehouden; Lomov werkte bovendien in Moskou, terwijl Miljoetin meestal op reis was. Joffe en Oeritski waren door hun verleden als emigranten nauw met Trotski verbonden en handelden in overleg met hem. De jonge Smilga werkte in Finland. De samenstelling en de interne toestand van het Centraal Comité verklaren afdoende waarom de staf van de partij voor de terugkeer van Lenin bij de directe leiding niet in het minst die rol speelde en kon spelen die zij later kreeg. Uit de notulen blijkt dat de voornaamste vraagstukken: het Sovjetcongres, het garnizoen, het Militair Revolutiecomité, niet eerst in het Centraal Comité besproken werden, niet uit zijn initiatief voortsproten, maar in het Smolny, uit de praktijk van de sovjets ontstonden en in de kring van de Sovjetleiders, meestal met medewerking van Sverdlov, uitgewerkt werden.

Stalin liet zich absoluut niet meer in het Smolny zien. Hoe sterker de druk van de revolutionaire massa’s, hoe machtiger de gebeurtenissen werden, des te meer duikt Stalin onder, des te meer verzwakt zijn politieke gedachte, des te geringer wordt zijn initiatief. Zo was het in het jaar 1905. Zo ook in de herfst 1917. Hetzelfde herhaalde zich ook later meer dan eens wanneer zich belangrijke historische kwesties in de wereld voordeden. Toen bleek dat de publicatie van de notulen van het Centraal Comité uit het jaar 1917 de oktoberlacune in de biografie van Stalin nog meer blootlegde, schiep de ambtelijke geschiedschrijving de legende van het “praktische centrum”. Een onderzoek naar de juistheid van deze in de laatste jaren zeer verbreide lezing kan in deze kritische geschiedenis van de Oktoberrevolutie niet ontbreken.

Bij de beraadslagingen in het Centraal Comité in Lessnoy, op 16 oktober, was een van de argumenten tegen het forceren van de opstand de bewering dat “wij nog niet eens een centrum hadden.” Op voorstel van Lenin besloot het Centraal Comité op staande voet, in een ergens in een hoekje gehouden vliegende vergadering, deze leemte aan te vullen. De notulen luiden: “Het Centraal Comité organiseert een militair-revolutionair centrum dat als volgt is samengesteld: Sverdlov, Stalin, Boebnov, Oeritski en Djersinski. Dit centrum wordt aan het Revolutionair Sovjetcomité toegevoegd.” Deze door iedereen vergeten beschikking werd voor het eerst in 1924 in de archieven ontdekt. Men begon haar als een belangrijk historisch document te citeren. Zo schreef Jaroslavski: “Dit orgaan (en geen ander) leidde alle organisaties die aan de opstand deelnamen (revolutionaire troepenafdelingen, Rode Garde).” De woorden “en geen ander” tonen vrijmoedig genoeg met welk doel deze constructie achteraf opgesteld is. Nog vrijmoediger schreef Stalin: “In dit praktische centrum dat bestemd was om de opstand te leiden, kwam Trotski merkwaardig genoeg niet voor.” Om op dit thema te kunnen voortborduren, was Stalin genoodzaakt de tweede helft van de beschikking weg te laten: “Dit centrum wordt aan het Revolutionaire Sovjetcomité toegevoegd.” Indien men in het oog houdt dat Trotski aan het hoofd van het Militair Revolutiecomité stond, is het gemakkelijk te begrijpen waarom het Centraal Comité zich beperkte tot het benoemen van nieuwe werkers om hen te ondersteunen die toch reeds in het middelpunt van het werk stonden. Noch Stalin, noch Jaroslavski, gaven een verklaring van het feit dat men het “praktische centrum” voor het eerst pas in 1924 terug herinnerde.

Tussen 16 en 20 oktober komt de opstand, naar wij gezien hebben, definitief op het Sovjetspoor. Het Militair Revolutiecomité neemt van het begin af aan de directe leiding in handen, niet alleen van het garnizoen maar ook van de Rode Garde, die reeds sinds 13 oktober aan het Petrograds Uitvoerende Comité ondergeschikt is. Er blijft geen plaats voor een ander leidend centrum over. In elk geval is er noch in de notulen van het Centraal Comité, noch in enig ander materiaal uit de tweede helft van oktober ook maar het geringste spoor te vinden van de werkzaamheid van een achteraf zo belangrijk geacht orgaan. Niemand deelt iets mee over zijn werk, het krijgt geen enkele opdracht, zelfs zijn naam wordt door niemand genoemd, ofschoon zijn leden in de vergaderingen van het Centraal Comité aanwezig zijn en aan de oplossing van die vraagstukken deelnemen, die direct tot de bevoegdheid van het “praktische centrum” moesten behoren.

Svesjnikov, een lid van het Petrograds partijcomité, die in de tweede helft van oktober bijna onafgebroken in het Smolny als verbindingsman wachtdienst deed, moest toch weten waar praktische aanwijzingen in zake de opstand te vinden geweest waren. Hij schrijft het volgende: “Het Militair Revolutiecomité ontstaat. Het elementaire van de revolutionaire activiteit van de arbeidersklasse krijgt met het ontstaan van dit comité een leidend centrum.” Kajoerov, die wij goed kennen uit de Februaridagen, deelt mee hoe de wijk Vyborg vol spanning op het teken uit het Smolny wachtte: “tegen de avond (van 24 oktober) kwam het antwoord van het Militair Revolutiecomité – om de Rode Garde voor de strijd gereed te houden.” Kajoerov is op het ogenblik dat men tot de openlijke opstand overgaat niets van een ander centrum bekend. Men kan zich met evenveel recht op de memoires van Sadovski, Podvojski, Antonov, Mechonosjin, Blagonravov en andere deelnemers aan de revolutie beroepen: niemand van hen vermeldt het “praktische centrum” dat volgens Jaroslavski alle organisaties geleid zou hebben. Tenslotte beperkt Jaroslavski zichzelf in zijn geschiedenis tot de mededeling van de vorming van het centrum: hij zegt geen woord over de werkzaamheid ervan. De conclusie dringt zich vanzelf op: een leidend centrum dat onbekend is voor degenen die geleid werden, bestaat voor de geschiedenis niet.

Er zijn echter ook meer directe bewijzen voor het schijnbestaan van het “praktische centrum” aan te voeren. In de zitting van het Centraal Comité op 20 oktober leest Sverdlov een verklaring van de Militaire Organisatie voor, waarin geëist wordt de leiders van de Militaire Organisatie in beslissingen betreffende de opstand te kennen. Joffe stelt voor deze eis van de hand te wijzen: “Iedereen die wil werken, kan zich tot het in de Sovjet bestaande Revolutionaire Centrum wenden.” Trotski verzacht het voorstel van Joffe wat: “Al onze organisaties kunnen naar het Revolutionaire Centrum komen en daar in onze fractie alle kwesties die hen interesseren behandelen.” Uit het in deze vorm aangenomen besluit blijkt dat er slechts één Revolutionair Centrum was: nl. bij de Sovjet, d.w.z. het Militair Revolutiecomité. Indien er een ander revolutionair centrum voor de leiding van de opstand bestaan had, zou er toch iets geweest moeten zijn dat aan zijn bestaan herinnerde. Niemand herinnerde echter daaraan, zelfs niet Sverdlov, wiens naam onder de leden van het “praktische centrum” bovenaan stond.

De notulen van de zitting van 24 oktober zijn zo mogelijk nog leerzamer in dit opzicht: er is in de uren die onmiddellijk aan de verovering van de stad voorafgaan, niet alleen geen sprake van het “praktische centrum” van de opstand, maar ook het besluit over de vorming ervan is in de roes van de afgelopen acht dagen zozeer in vergetelheid geraakt dat op voorstel van Trotski “ter beschikking van het Militair Revolutiecomité” gesteld werden: Sverdlov, Djersinski en Boebnov, d.w.z. die leden van het Centraal Comité die volgens het besluit van 16 oktober toch reeds tot het Militair Revolutiecomité zouden behoren. De mogelijkheid van een dergelijke vergissing zelf is te verklaren uit het feit dat het zojuist uit de illegaliteit gekozen Centraal Comité zeer weinig op de geweldige alomvattende regeringsbureaus van latere jaren geleek. Sverdlov droeg het apparaat van het Centraal Comité vrijwel in zijn vestzak.

Tijdelijke organen die op het eind van een of andere zitting ontstonden en terstond in vergetelheid raakten, zijn er in die emotievolle dagen talrijk geweest. In de zitting van het Centraal Comité op 7 oktober werd een “informatiebureau voor de strijd tegen de contrarevolutie” gevormd: dit was een codewoord voor het eerste orgaan ter voorbereiding van de opstand. De notulen zeggen over de samenstelling ervan: “Van het Centraal Comité worden drie man in het bureau gekozen: Trotski, Sverdlov en Boebnov, die met de samenstelling van het bureau belast zijn.” Heeft dit eerste “praktische centrum” van de opstand bestaan? Klaarblijkelijk niet, daar het geen sporen heeft achtergelaten. Het politieke bureau dat in de zitting van 10 oktober gevormd was, bleek eveneens niet levensvatbaar, want het trad in het geheel niet op de voorgrond: waarschijnlijk heeft het nooit vergaderd. Opdat de Petrogradse partijafdeling, die in de wijken het werk direct leidde, het contact met het Militair Revolutiecomité niet zou verliezen, werd op initiatief van Lenin, die ervan hield dubbele en driedubbele voorzorgsmaatregelen te nemen, Trotski voor de kritische weken in de leiding van het Petrogradse Comité gekozen. Ook dit besluit bleef echter slechts op papier staan: er vond geen enkele zitting plaats waaraan Trotski deelnam. Hetzelfde lot deelde het zogenaamde “praktische centrum”. Dit zou oorspronkelijk toch al niet als zelfstandige instelling bestaan, maar het heeft zelfs niet als hulporgaan bestaan.

Van de vijf personen die aangewezen waren om het “centrum” te vormen, wijdden Djersinski en Oeritski zich pas na de revolutie geheel aan het werk van het Militair Revolutiecomité. Sverdlov speelde de hoofdrol in de verbindingsdienst tussen het Militair Revolutiecomité en de partij. Stalin nam geen deel aan het werk van het Militair Revolutiecomité en verscheen nooit in de vergaderingen daarvan. Zowel in de talrijke documenten, verklaringen van ooggetuigen en van deelnemers, alsook in latere memoires komt de naam van Stalin geen enkele maal voor.

In het officiële handboek voor de geschiedenis van de revolutie, is aan de maand oktober een afzonderlijk deel gewijd waarin alle feitelijke berichten uit kranten, notulen, archieven, herinneringen van de deelnemers enz. van dag tot dag geordend zijn. Alhoewel het verzamelwerk in het jaar 1925 verscheen, toen men reeds druk bezig was het verleden te herzien, vindt men in het personenregister aan het eind van dit boek slechts één enkel getal achter de naam van Stalin, en wanneer wij de betreffende bladzijden opslaan, vinden wij altijd dezelfde tekst van het besluit van het Centraal Comité over het “praktische centrum” met de vermelding van de naam van Stalin als een van de vijf leden. Tevergeefs zouden wij in dit verzamelwerk, dat toch zo veel onbelangrijk materiaal bevat, gegevens zoeken betreffende de vraag welke arbeid Stalin eigenlijk in oktober in het “centrum” of daarbuiten verricht heeft.

Wil men Stalin als politieke figuur met één woord typeren, dan kan men zeggen dat hij steeds “centrist” in het bolsjewisme was, d.w.z. van nature erop uit was om tussen marxisme en opportunisme in te staan. Hij was echter een centrist die bang was voor Lenin. Elk stuk van de loopbaan van Stalin tot aan het jaar 1924 is altijd in de volgende twee elementen te ontleden: in zijn eigen centristische natuur en in de revolutionaire druk van Lenin. Het tekort van het centrisme komt het meest duidelijk tot uiting bij grote historische gebeurtenissen. “Onze positie is vol tegenstrijdigheden,” zei Stalin op 20 oktober om Zinovjev en Kamenev te rechtvaardigen. In werkelijkheid belette de tegenstrijdige natuur van het centrisme Stalin om een ook maar enigszins zelfstandige plaats in de revolutie in te nemen. Daarentegen moesten dezelfde eigenschappen die hem op belangrijke keerpunten in de geschiedenis verlamden – afwachten en laveren – hem belangrijke voordelen bieden zodra de massabeweging weer in haar oorspronkelijke bedding begon terug te keren en de ambtenaar op de voorgrond kwam, die ernaar streefde het veroverde te consolideren, d.w.z. allereerst zijn eigen positie tegen nieuwe schokken te beveiligen. De in naam van de revolutie heersende tsjinovik heeft behoefte aan revolutionair gezag. Als “oude bolsjewiek” was Stalin de meest geschikte belichaming van dit gezag. De collectief-tsjinovnik zegt tot de massa’s, terwijl hij deze terugdringt: “Dit alles hebben wij voor u gedaan.” Hij begint niet alleen over het tegenwoordige maar ook over het verleden te beschikken. De ambtelijke historicus herziet de geschiedenis, lapt biografieën op, vormt reputaties. De revolutie moest eerst gebureaucratiseerd worden voordat Stalin haar kon bekronen.

Wij zien in het persoonlijke lot van Stalin, dat voor het marxistisch onderzoek van buitengewoon belang is, een nieuw bewijs van de wetten van alle revoluties: de ontwikkeling van het door de revolutie gevormde regime verloopt onvermijdelijk met ebben en vloeden die jaren duren, waarbij tijden van geestelijke reactie die figuren op de voorgrond brengen die uit hoofde van al hun voornaamste eigenschappen tijdens de opkomst noch een leidende rol gespeeld hadden, noch deze hadden kunnen spelen.

De ambtelijke herziening van de geschiedenis van de partij en van de revolutie wordt direct door Stalin geleid. De mijlpalen van dit werk geven scherp de verschillende fasen in de ontwikkeling van het Sovjetapparaat aan. Op 6 november (nieuwe tijdrekening) 1918 schreef Stalin in een jubileumartikel in de “Pravda”: “Het Centraal Comité van de partij met kameraad Lenin aan het hoofd was van het begin tot het einde de ziel van de revolutie. Vladimir Iljitsj leefde toentertijd in Petrograd, in de wijk Vyborg, in een geheime woning. Op 24 oktober ’s avonds werd hij naar het Smolny geroepen om de gehele beweging te leiden. Het werk van de praktische organisatie van de opstand gebeurde helemaal onder de directe leiding van de voorzitter van de Petrogradse sovjet, kameraad Trotski. Men mag met zekerheid beweren dat de partij de snelle overgang van het garnizoen tot de zijde van de Sovjet en de voortreffelijke werkmethode van het Militair Revolutiecomité in de eerste plaats en voornamelijk aan kameraad Trotski te danken heeft. De kameraden Antonov en Podvojski waren de voornaamste helpers van kameraad Trotski.”

Noch de schrijver van dit boek, noch Lenin die bezig was van de sociaal-revolutionaire kogels te herstellen, namen in die dagen deze retrospectieve verdeling van rollen en verdiensten in acht. Het artikel verscheen pas enkele jaren later in een ander licht en liet zien dat Stalin reeds in de moeilijke herfstmaanden van 1918 een nieuwe, voorlopig nog uiterst voorzichtige beschrijving van de partijleiding in oktober voorbereidde. “Het Centraal Comité van de partij met Lenin aan het hoofd was van het begin tot het einde de ziel van de revolutie.” Deze zin is gericht tegen hen die terecht meenden dat Lenin de werkelijke ziel van de opstand geweest was, vooral in de strijd tegen het Centraal Comité. Stalin kon in die tijd zijn bochten in oktober slechts verdoezelen door het onpersoonlijk pseudoniem Centraal Comité. De volgende twee zinnen, volgens welke Lenin in een geheime woning in Petrograd leefde en op 24 oktober ’s avonds naar het Smolny geroepen werd om de gehele beweging te leiden, hebben tot doel om afbreuk te doen aan de in de partij heersende mening dat Trotski de revolutie geleid had. De daarop volgende aan Trotski gewijde zinnen klinken in de tegenwoordige politieke sfeer als een lofrede; in werkelijkheid waren zij het minste wat Stalin kon zeggen om zijn polemische toespelingen te maskeren. De ingewikkelde constructie en de opzettelijk rooskleurige beschrijving in dit jubileumartikel geven op zichzelf geen kwaad beeld van de toenmalige publieke opinie in de partij.

Tussen haakjes: over het “praktische centrum” wordt in dit artikel met geen enkel woord gerept. Stalin verklaart integendeel nadrukkelijk: “het werk van de praktische organisatie van de opstand had geheel onder de directe leiding van Trotski plaats.” Trotski maakte echter toch geen deel uit van het praktische centrum, en van Jaroslavski hebben wij immers vernomen dat “dit orgaan (en geen ander) alle organisaties die aan de opstand deelnamen leidde.” De tegenstrijdigheid is gemakkelijk te verklaren: in het jaar 1918 lagen de gebeurtenissen nog te vers in het geheugen en een poging om uit de notulen het besluit betreffende een centrum dat nooit bestond te halen, zou geen succes gehad hebben.

Stalin verklaarde in het jaar 1924, toen veel reeds vergeten was, als volgt waarom Trotski niet in het “praktische centrum” kwam: “Ik moet zeggen dat Trotski geen bijzondere rol in de Oktoberopstand gespeeld heeft en ook niet kon spelen.” De uitroeiing van “de legende van de bijzondere rol van Trotski in de Oktoberopstand” werd in dat jaar direct als taak van de historicus door Stalin geproclameerd. Hoe rijmt Stalin echter deze nieuwe lezing met zijn eigen artikelen van 1918? Heel eenvoudig: hij verbiedt zijn vroeger artikel te citeren. Historici die pogen een positie tussen Stalin van 1918 en Stalin van 1924 in te nemen, worden onverwijld uit de partij geroyeerd.

Er bestaan echter meer gezaghebbende getuigenissen dan Stalins eerste jubileumartikel. In de opmerkingen bij de officiële uitgave van de werken van Lenin leest men onder het woord Trotski: “Werd, nadat de Petrogradse sovjet in handen van de bolsjewieken overgegaan was, tot voorzitter van deze gekozen, in welke kwaliteit hij de opstand van 25 oktober georganiseerd en geleid heeft.” De “legende van de bijzondere rol” is op deze manier in de werken van Lenin nog tijdens het leven van de schrijver vastgelegd.

Men kan aan de hand van de officiële handboeken van jaar tot jaar nagaan hoe het historisch materiaal bewerkt werd. Zo schrijft het officiële jaarboek “Communistische Kalender” nog in het jaar 1925, toen de campagne tegen Trotski reeds in volle gang was: “Trotski vervult een zeer actieve en leidende rol in de Oktoberrevolutie. In oktober 1917 wordt hij tot voorzitter van het Petrogradse Revolutiecomité gekozen, dat de gewapende opstand organiseerde.” In de uitgave van 1926 is deze passage door een korte neutrale zin vervangen: “In oktober 1917 – voorzitter van het Leningradse Revolutiecomité.” Na 1927 geeft de school van Stalin een nieuwe lezing die men in alle Sovjetleerboeken kan aantreffen, namelijk dat Trotski als tegenstander van het socialisme in één land tegenstander van de Oktoberopstand moest zijn. Gelukkig bestond echter het “praktisch centrum” dat de zaak tot een goed einde bracht. De vindingrijke historici blijven slechts in gebreke te verklaren waarom de bolsjewistische Sovjet Trotski tot voorzitter koos en waarom dezelfde Sovjet die geleid werd door de partij Trotski aan het hoofd van het Militair Revolutiecomité plaatste.

Lenin was niet goed van vertrouwen, zeker niet in een kwestie waar het om het lot van de revolutie ging. Met woorden was hij niet te vangen. Uit de verte was hij geneigd elk voorteken in slechte zin te duiden. Hij kreeg pas volledig vertrouwen dat de zaak juist uitgevoerd werd toen hij zich met eigen ogen daarvan had kunnen overtuigen, d.w.z. toen hij zelf in het Smolny verscheen. Trotski deelt hierover in zijn memoires van 1924 mee: “Ik herinner mij welk een geweldige indruk het op Lenin maakte toen hij hoorde hoe ik met een schriftelijk bevel een compagnie van het Litovskregiment had gehaald om het verschijnen van ons partij- en Sovjetblad te verzekeren… Lenin was vol geestdrift, hetgeen zich uitte in uitroepen, gelach en handenwrijven. Vervolgens werd hij stil, dacht na en zei: “Welaan, zo kan het dus ook. Het komt er slechts op aan de macht te grijpen.” Het werd mij duidelijk dat hij zich pas op dit ogenblik verzoende met het feit dat wij ervan af zagen om de macht door een geheime samenzwering te grijpen. Tot op het allerlaatste ogenblik was hij ervoor beducht geweest dat de vijand ons de pas zou afsnijden en ons zou overrompelen. Nu pas… werd hij gerustgesteld en keurde definitief de loop die de gebeurtenissen genomen hadden goed.”

Ook deze lezing werd later bestreden. Zij is echter volkomen op de objectieve situatie gebaseerd. In de avond van 24 oktober maakte zich voor het laatst een zodanige bezorgdheid van Lenin meester dat hij een poging deed om de soldaten en de arbeiders te mobiliseren tot het uitoefenen van druk op het Smolny. Hoe moest zijn stemming wel omslaan toen hij enkele uren later vernam hoe de werkelijke toestand in het Smolny was! Is het dan niet duidelijk dat hij, al was het maar in enkele zinnen, in enkele woorden een streep moest zetten onder zijn bezorgdheid, zijn directe en indirecte verwijten aan het adres van het Smolny? Ingewikkelde verklaringen waren niet nodig! Elk van de beide deelnemers aan het gesprek die in dit ongewone uur tegenover elkaar stonden, was zich volkomen bewust van de bronnen waaruit de misverstanden voortkwamen. Nu was er een einde aan deze gekomen. Het was niet de moeite waard er nog op terug te komen. De enkele zin: “Zo kan het dus ook!” was voldoende. Dit betekende: “Misschien was ik dan toch te ver gegaan bij mijn sombere argwaan, maar je begrijpt het, nietwaar?…” Wie had het niet kunnen begrijpen! Lenin hield niet van sentimentaliteiten. Zijn zin: “Zo kan het dus ook”, met zijn bijzonder lachje, was voldoende om de tijdelijke misverstanden in het verleden uit de weg te ruimen en de vertrouwelijke banden vaster aan te knopen.

De stemming van Lenin op 25 oktober kwam het sterkste tot uiting in de door Volodarski ingediende resolutie waarin de opstand als “volkomen onbloedig en succesvol” gekenschetst werd. Het feit dat Lenin deze, zoals bij hem steeds het geval was, aan woorden schaarse maar in wezen zeer loffelijke beoordeling van de revolutie accepteerde, is geen toeval. Juist hij, als schrijver van de “Raadgevingen van een buitenstaander,” achtte zichzelf onafhankelijk genoeg, om niet alleen aan de heldhaftigheid van de massa’s, maar ook aan de verdiensten van de leiders de hulde te brengen die hun toekwam. Men behoeft er ook niet aan te twijfelen dat Lenin nog andere psychologische motieven daarvoor had: hij was al die tijd bang geweest voor de te langzame koers van het Smolny en haastte zich nu om de eerste te zijn die de in de praktijk gebleken voordelen hiervan erkende.

Vanaf het ogenblik waarop hij in het Smolny verschijnt, stelt Lenin zich natuurlijk aan het hoofd van het gehele werk: het politieke, organisatorische en technische. Op 29 oktober heeft in Petrograd een opstand van de jonkers plaats. Kerenski doet aan het hoofd van enkele compagnieën Kozakken een aanval op Petrograd. Het Militair Revolutiecomité ziet zich voor de taak van een verdediging gesteld. Lenin leidt deze arbeid. Trotski schrijft in zijn memoires: “Een snel succes verlamt evenzeer als een nederlaag. De voornaamste draad van de gebeurtenissen niet uit het oog verliezen; na elk succes bij zichzelf zeggen dat er nog niets bereikt, nog niets verzekerd is; vijf minuten vóór de beslissende overwinning met dezelfde nauwgezetheid en energie, met dezelfde drang als vijf minuten vóór de aanvang van het gewapend optreden; vijf minuten na de overwinning, nog voordat de eerste begroetingswoorden verstomd zijn, bij zichzelf zeggen dat de successen nog niet verzekerd zijn en dat men geen minuut te verliezen heeft – dat is de handelwijze, dat is de methode van Lenin, dat is het ware wezen van zijn politiek karakter, zijn revolutionaire geest.”

De bovenvermelde zitting van het Petrograds Comité van 1 november, waar Lenin over zijn onjuist gebleken beduchtheden met betrekking tot de interrayonisten sprak, was aan de kwestie van een coalitieregering met de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen gewijd. Op een coalitie werd na de overwinning door de rechtsen aangedrongen: Zinovjev, Kamenev, Rykov, Loenatsjarski, Rjasanov, Miljoetin en anderen. Lenin en Trotski treden krachtig op tegen elke coalitie die buiten het kader van het tweede Sovjetcongres staat. “Er waren vóór de opstand diepgaande meningsverschillen,” verklaart Trotski – “zowel in het Centraal Comité als in brede groepen van onze partij… Men zei hetzelfde als nu na de zegevierende opstand, namelijk dat het technisch apparaat zou ontbreken. Men overdreef opzettelijk om angst aan te jagen, evenals nu om de overwinning niet voldoende te benutten.” Hand in hand met Lenin voert Trotski tegen de aanhangers van een coalitie dezelfde strijd die hij vóór de revolutie tegen de tegenstanders van de opstand gevoerd had. Lenin zegt in deze zitting: “Een overeenkomst? Daarover kan ik niet in ernst praten. Trotski heeft allang gezegd dat een overeenstemming onmogelijk is. Trotski heeft dit begrepen en na hem is er geen betere bolsjewiek geweest.”

De sociaal-revolutionairen en mensjewieken namen onder de voornaamste voorwaarden van een overeenkomst de eis op dat de beide figuren in de regering die ze het meeste haatten eruit zouden verwijderd worden, namelijk “de bewerkstelligers van de Oktoberrevolutie, Lenin en Trotski.” De houding van het Centraal Comité en van de partij tegenover deze eis was zodanig dat Kamenev, die een uitgesproken aanhanger van de overeenkomst en persoonlijk ook tot deze concessie bereid was, het noodzakelijk oordeelde in de zitting van het Centraal Uitvoerend Comité van 2 november te verklaren: “Het voorstel om Lenin en Trotski uit te sluiten, is een voorstel om onze partij te onthoofden en wij nemen dit niet aan.”

Het revolutionair standpunt – vóór de opstand en tegen een coalitie met de verzoeningsgezinden – werd in de wijken het “standpunt van Lenin en Trotski” genoemd. Dit werd, naar uit de documenten en de notulen blijkt, een algemeen gebruikte uitdrukking. Tijdens de crisis in het Centraal Comité nam een zeer druk bezocht congres van arbeidsters in Petrograd met algemene stemmen een resolutie aan: “Wij begroeten de politiek van het Centraal Comité van onze partij, die geleid wordt door Lenin en Trotski.” Baron Budberg schreef reeds in november 1917 in zijn dagboek over de “nieuwe duumviri Lenin en Trotski.” Toen een groep sociaal-revolutionairen in december ertoe besloot het bolsjewistisch hoofd af te snijden, was het volgens Boris Sokolov, een van de samenzweerders, duidelijk voor hen dat Lenin en Trotski de gevaarlijkste en meest betekenende onder de bolsjewieken waren. Men moet met hen beginnen. In de jaren van de burgeroorlog werden deze twee namen altijd samen genoemd, alsof er van één persoon sprake was. Parvus, een vroeger revolutionair marxist en later verbitterd vijand van de Oktoberrevolutie, schreef: “Lenin en Trotski, dat is een verzamelnaam voor allen die uit idealisme de bolsjewistische weg gegaan zijn…” Rosa Luxemburg, die de politiek van de Oktoberrevolutie scherp bekritiseerd heeft, richtte haar kritiek evenzeer tegen Lenin als tegen Trotski. Zij schreef: “Lenin en Trotski met de hunnen waren de eersten die de wereldwijde arbeidersklasse met hun voorbeeld de weg wezen. Zij zijn ook nu nog de enigen die met kunnen uitroepen: ‘Ik heb het gewaagd’.” In oktober 1918 citeerde Lenin in een plechtige bijeenkomst van het Centraal Uitvoerend Comité de buitenlandse burgerlijke pers: “De Italiaanse arbeiders gedragen zich zo dat zij, naar het schijnt, slechts Lenin en Trotski zouden toestaan in Italië te reizen.” Dergelijke getuigenissen zijn er vele. Zij lopen als een rode draad door de eerste jaren van het Sovjetbewind en de Communistische Internationale. Deelnemers en ooggetuigen, vrienden en vijanden, sympathiserenden en onverschilligen hebben de werkzaamheid van Lenin en Trotski in de Oktoberrevolutie zo tot één geheel verknoopt dat latere geschiedschrijvers er niet in zullen slagen deze knoop los te maken of door te hakken.

 

(1) Tijdens het derde congres van de Communistische Internationale beriep Lenin zich, om zijn slagen tegen enkele “ultralinksen” te verzachten, op het feit dat ook hijzelf ultralinkse fouten begaan had, vooral in de emigratie, waaronder ook in de laatste “emigratie”, in het jaar 1917 in Finland toen hij een ongunstiger plan voor de opstand verdedigde dan het plan dat inderdaad verwezenlijkt werd. Lenin wees, indien wij ons niet vergissen, ook in een schriftelijke verklaring in de congrescommissie voor de Duitse aangelegenheden op deze fout van hem. Het archief van de Communistische Internationale is helaas niet voor ons toegankelijk; de verklaring van Lenin die ons hier interesseert, is echter voor zover wij weten niet gepubliceerd.

 

Print Friendly, PDF & Email