Een maand van grove laster

Op 4 juli, nog in de nacht, terwijl de tweehonderd leden van de beide Uitvoerende Comités, dat van de arbeiders en soldaten en dat van de boeren, zich tussen twee even nutteloze vergaderingen afmartelden, drong een geheimzinnig gerucht tot hen door. Men zou bewijzen van Lenins banden met de Duitse generale staf gevonden hebben, morgen zouden de kranten documenten met de onthullingen publiceren. De sombere priesters van het presidium die zich uit de zaal naar buiten begaven, waar onafgebroken beraadslagingen plaats hebben, geven een ontwijkend antwoord, zelfs op vragen die door bevriende personen gesteld worden. Er waart een huivering door het Taurisch paleis, dat vrijwel door iedereen die er niets te maken heeft verlaten is. Lenin in dienst van de Duitse generale staf? Vol twijfel, schrik en leedvermaak staan de afgevaardigden in opgewonden groepjes bijeen. “Natuurlijk,” zo herinnert zich Soechanov die in de Julidagen zeer vijandig tegenover de bolsjewieken stond, “betwijfelde niemand van de werkelijk bij de revolutie betrokken personen zelfs ook maar een ogenblik dat deze geruchten onzinnig waren.” Er was echter slechts een onbeduidende minderheid van personen met een revolutionair verleden in het Uitvoerend Comité. Revolutionairen uit de maand maart, toevallige figuren die door de eerste revolutiegolf meegesleurd waren, vormden zelfs in de leidende Sovjetorganen de meerderheid. Onder de mensen uit de provincie, dorpsschrijvers, kooplieden, ambtenaren, waren er afgevaardigden te vinden die ongetwijfeld een Zwarte-Honderdluchtje hadden. Die zijn er nu als de kippen bij: zij hebben het altijd wel gezegd. Dat was toch te verwachten!

Verschrikt door de verrassende en al te krasse wending die de zaak nam, probeerden de leiders tijd te winnen. Tsjcheïdse en Tsereteli gaven telefonisch aan de redacties van de kranten de raad om af te zien van de publicatie van de sensationele onthullingen, omdat deze nog niet voldoende “gecontroleerd” waren. De redacties waagden het niet tegen een uit het Taurisch paleis afkomstig “verzoek” te handelen. Alle redacties op één na: het kleine gele blad van een van de zonen van Soeworin, de invloedrijke uitgever van de “Nowoje Wremja”, legde de volgende morgen zijn lezers het officieuze document betreffende het ontvangen van aanwijzingen en geld van de kant van de Duitse regering door Lenin voor. Het verbod was doorbroken en de volgende dag stond de gehele pers vol van dit sensationele nieuws. Zo begon de meest ongelofelijke periode van dit aan gebeurtenissen zo rijke jaar: leiders van een revolutionaire partij die tientallen jaren van hun leven met de strijd tegen de gekroonde en ongekroonde heersers doorgebracht hadden, werden aan het gehele land en aan de gehele wereld als huurlingen van de Hohenzollerns voorgesteld. Een tot nu toe ongekende laster werd onder de volksmassa’s verspreid, die voor het merendeel nu voor het eerst na de Februarirevolutie de namen van de bolsjewistische leiders te horen kregen. De intrige werd een politieke factor van het grootste gewicht. Dit maakt een nadere analyse van de werking ervan nodig. Het sensationele document vond zijn oorsprong in de verklaringen van een zekere Jermolenko. De ware gedaante van deze held blijkt uit de officiële gegevens: in de tijd na de Japanse oorlog tot 1913 agent van de contraspionage; in 1913 als soldaat ontslagen om redenen die niet meer na te gaan zijn; in 1914 ingelijfd bij het actieve leger; kwam op roemvolle wijze in gevangenschap en hield zich bezig met het politioneel toezicht op de krijgsgevangenen. Het leven in het concentratiekamp is echter niet naar de zin van de politiespion en hij treedt “op aandringen van zijn kameraden” – volgens zijn eigen verklaringen – in dienst van de Duitsers, natuurlijk om zijn vaderland te dienen. Er begon een nieuw hoofdstuk in zijn leven. Op 25 april werd de soldaat door de Duitse militaire autoriteiten over het Russische front “gesmeten” om bruggen in de lucht te doen springen, spionageberichten te leveren, voor de onafhankelijkheid van de Oekraïne te strijden en voor een afzonderlijke vrede te agiteren. Duitse officieren, de oversten Sjidizki en Libers, die Jermolenko hiertoe gebracht hadden, deelden hem bovendien nog terloops, zonder dat het praktisch nodig was, klaarblijkelijk om hem meer moed te geven, mee dat behalve hijzelf ook nog in Rusland in dezelfde richting gewerkt zou worden door… Lenin. Hier ligt de oorsprong van het gehele geval. Waardoor of door wie werd Jermolenko tot zijn verklaringen over Lenin gebracht? Zeker niet door Duitse officieren. Een eenvoudige vergelijking van data en feiten leert ons, hoe de soldaat ertoe kwam. Op 4 april publiceerde Lenin zijn beroemde stellingen die een oorlogsverklaring aan het Februaribewind waren. Op 20 en 21 april had de gewapende demonstratie tegen de voortzetting van de oorlog plaats. De ophitsing tegen Lenin groeide tot een orkaan. De 25ste werd Jermolenko over het Russische front “gesmeten” en in de eerste helft van mei kwam hij in contact met de Russische spionage bij het hoofdkwartier. De dubbelzinnige krantenartikelen waarin aangetoond werd dat Lenins politiek de “keizer” ten goede kwam, bracht hem op de gedachte dat Lenin een Duitse agent was. Aan het front waren de officieren en commissarissen in hun strijd tegen het onoverwinnelijke “bolsjewisme” van de soldaten nog minder kieskeurig met hun uitlatingen indien er sprake van Lenin was. Jermolenko dook onmiddellijk in deze stroom onder. Of hij zelf de er met de haren bijgesleepte passage over Lenin bedacht heeft, dan wel een of andere zegsman hem die vertrouwelijk ingefluisterd heeft, of de ambtenaren van de contraspionage deze samen met Jermolenko opgesteld hebben, doet er niet veel toe. De vraag naar laster tegen de bolsjewieken werd zo groot dat er wel een aanbod moest volgen. De chef van de generale staf Denikin, de latere opperbevelhebber van de Witten in de burgeroorlog, wiens geestelijke horizon niet verder reikte dan die van een agent van de tsaristische contraspionage, hechtte een grote betekenis aan de verklaringen van Jermolenko, of deed het althans zo voorkomen, en bracht deze met een begeleidend schrijven op 16 mei ter kennis van de minister van oorlog. Kerenski pleegde, naar men mag aannemen, overleg met Tsereteli en Tsjcheïdse, die niet anders konden doen dan zijn vurige ijver een beetje intomen. Daardoor is het te verklaren dat de zaak op zijn beloop gelaten werd. Kerenski schreef later dat Jermolenko op de banden van Lenin met de Duitse generale staf had gewezen, maar dat deze verklaringen toch “niet voldoende bewezen” waren. De mededelingen van Jermolenko en Denikin bleven anderhalve maand liggen. De contraspionagedienst ontsloeg Jermolenko uit gebrek aan werk en de soldaat maakte zich uit de voeten naar het verre Oosten om het uit tweeërlei bron verdiende geld te verbrassen.

De gebeurtenissen van de Julidagen, die het dreigend bolsjewistische gevaar in zijn hele omvang hadden laten zien, maakten het echter noodzakelijk de onthullingen van Jermolenko weer voor de dag te halen. Hij werd ijlings uit Blagovestsjensk gehaald maar kon door zijn tekort aan fantasie, ondanks alle aansporingen daartoe, niets meer aan zijn oorspronkelijke verklaringen toevoegen. De justitie en de contraspionagedienst werkten in die tijd echter al op volle kracht. Politici, generaals, gendarmes, kooplieden en een groot aantal personen uit de meest verschillende beroepen werden ondervraagd aangaande de misdadige banden die de bolsjewieken zouden onderhouden. De geroutineerde tsaristische gendarmes gedroegen zich bij dit speurwerk veel voorzichtiger dan de fonkelnieuwe vertegenwoordigers van de democratische justitie. “De Ochrana beschikte,” zo schreef de vroegere chef van de Petrogradse Ochrana, de eerbiedwaardige generaal Globatsjev, “althans in mijn diensttijd, niet over gegevens waaruit zou blijken dat Lenin in Rusland ten nadele van Rusland en voor Duits geld werkzaam geweest was.” Een andere politiespion, Jakoebov, chef van de contraspionageafdeling van het militair district Petrograd, verklaarde: “Mij is van banden tussen Lenin en zijn geestverwanten met de Duitse generale staf niets bekend en ook weet ik niets van de geldmiddelen waarover Lenin te beschikken had.” Uit de organen van de tsaristische geheime politie die het bolsjewisme van het begin af aan bewaakt hadden, was niets te halen.

Wie lang genoeg zoekt, vindt tenslotte wel iets. Zeker indien men in de regering zit. Een zekere S. Boerstein, officieel een koopman, vestigde de aandacht van de Voorlopige Regering op de “Duitse spionageorganisatie in Stockholm met Parvus aan het hoofd,” de bekende Duitse sociaaldemocraat van Russische afkomst. Volgens de verklaringen van Boerstein stond Lenin door middel van de Poolse revolutionairen Ganetzki en Koslovski met deze organisatie in verbinding. Kerenski schreef later: “Buitengewoon ernstige verklaringen, helaas niet afkomstig van de rechter maar van geheime agenten, zouden door de aankomst van Ganetzki in Rusland, die aan de grens gearresteerd moest worden, volkomen bevestigd worden en een betrouwbaar procesmateriaal tegen de bolsjewistische staf gaan vormen.” Kerenski wist van tevoren reeds wat ervan terecht zou komen.

De verklaringen van de Koopman Boerstein hadden betrekking op handelstransacties van Ganetzki en Koslovski tussen Petrograd en Stockholm. Deze zaken in oorlogstijd, waarbij men zich vermoedelijk van een code bediende bij de correspondentie, hadden met politiek niets te maken. De bolsjewistische partij had met deze zaken niets uit te staan. Lenin en Trotski hadden Parvus, die goede zaken wist te verenigen met een slechte politiek, openlijk ontmaskerd en de Russische revolutionairen ertoe opgeroepen alle banden met hem te verbreken. Wie echter was in de roes der gebeurtenissen in staat om een juist oordeel te vormen? Een spionageorganisatie in Stockholm – dat klonk heel aannemelijk. En het licht dat Jermolenko niet had kunnen ontsteken, ging aan de andere kant op. Weliswaar stuitte men ook hier op moeilijkheden. De chef van de contraspionageafdeling van de generale staf, vorst Toerkestanov, antwoordde op een aanvraag van de onderzoeksrechter voor buitengewone zaken, Alexandrow, dat “S. Boerstein iemand was die absoluut niet te vertrouwen was. Boerstein was het type van een obscure scharrelaar die voor niets terugdeinsde.” Maar kon de slechte reputatie van Boerstein de poging om Lenins reputatie afbreuk te doen stoppen? Neen, Kerenski aarzelde niet Boerstein’s verklaringen “zeer ernstig” te noemen. Van nu af aan volgde men bij het onderzoek het Stockholmse spoor. De onthullingen van de soldaat die in dienst was bij twee generale staven en van de obscure scharrelaar die niet te vertrouwen was, dienden als grondslag van de meest fantastische beschuldiging tegen een partij die spoedig door een volk van honderdzestig miljoen zielen aan de macht gebracht zou worden.

Hoe was het materiaal van het vooronderzoek in de pers geraakt en wel net op het ogenblik dat het offensief van Kerenski aan het front catastrofaal werd terwijl de julidemonstatie in Petrograd de groei van de bolsjewieken liet zien? Een van de drijvende krachten van het onderzoek, de officier van justitie Bessarabow, deelde later openlijk in de pers mee dat er in de staf van het district, toen bleek dat de Voorlopige Regering over geen gewapende krachten in Petrograd beschikte, besloten was om de stemming in de regimenten te doen veranderen met een krachtig middel. “Aan vertegenwoordigers van het Preobrasjenskiregiment, dat het meest op de hand van de staf was, werd de inhoud van de documenten meegedeeld. Alle aanwezigen konden er zich van overtuigen welk een verpletterende indruk deze mededeling maakte. Van dit moment af was het duidelijk over welk machtig wapen de regering beschikte.” Na een zo schitterend gelukte proefneming haastten de samenzweerders uit de rechterlijke macht, de generale staf en de contraspionagedienst zich om de minister van justitie van hun ontdekking op de hoogte te brengen. Pereversev antwoordde dat er geen officiële mededeling gedaan kon worden, maar dat er van de kant van de Voorlopige Regering “geen enkele belemmering aan het particulier initiatief in de weg gelegd zou worden.” Men was niet ten onrechte tot het inzicht gekomen dat de namen van leden van de staf of rechters niet aan de zaak ten goede kwamen. Men had een “politicus” nodig om de sensationele laster te verbreiden. Langs de weg van particulier initiatief vonden de samenzweerders gemakkelijk de persoon die zij nodig hadden. Alexinski, een vroegere revolutionair en afgevaardigde in de tweede Doema, een schreeuwerig redenaar en hartstochtelijk intrigant, had een tijdlang tot de uiterste linkervleugel van de bolsjewieken behoord. Lenin was in zijn ogen een onverbeterlijke opportunist. In de jaren van reactie had Alexinski een ultralinkse afzonderlijke groep gevormd. Hij verbleef tot aan de oorlog in emigratie als hoofd van die groep en maakte er zijn specialiteit van om jan en alleman als huurling van de Duitse keizer te ontmaskeren. Hij legde op dit vlak in Parijs een grote ijver aan de dag als politiespion, samen met Russische en Franse patriotten van hetzelfde slag. De Parijse vereniging van buitenlandse journalisten, d.w.z. de correspondenten uit de geallieerde en neutrale landen – zeer patriottisch gezind en niet erg scrupuleus – zag zich genoodzaakt om bij een apart besluit Alexinski tot een “gemene lasteraar” te verklaren en hem te royeren. Met dit getuigschrift na de Februariomwenteling in Petrograd aangekomen, probeerde Alexinski als vroegere linkse in het Uitvoerend Comité binnen te dringen. Ondanks al hun toegefelijkheid sloten de mensjewieken en sociaal-revolutionairen bij een besluit van de 11de april de deur voor hem en gaven hem te kennen dat hij zich eerst moest rehabiliteren. Men had mooi praten! Overwegend dat het veel gemakkelijker was om anderen te belasteren dan zichzelf te rehabiliteren, stelde Alexinski zich in verbinding met de contraspionagedienst en vond een enorm terrein voor het botvieren van zijn lust tot intriges. Reeds in de tweede helft van juli begon hij ook de mensjewieken in zijn belasteringen te betrekken. De mensjewistische leider Dan liet zijn afwachtende houding varen en publiceerde in het officiële sovjetorgaan “Izvestia” (op 22 juli) een protest: “De tijd is gekomen om paal en perk te stellen aan de heldendaden van iemand die officieel tot een gemene lasteraar verklaard is.” Is het niet begrijpelijk dat de gerechtheid die Jermolenko en Hoerstein geïnspireerd had, geen betere schakel tussen zichzelf en de publieke opinie wist te vinden dan Alexinski? Zijn handtekening prijkte onder het onthullingsdocument.

De socialistische ministers evenals trouwens ook twee burgerlijke ministers, Nekrassow en Teresjtsjenko, protesteerden er achter de schermen tegen dat het document aan de pers verstrekt werd. Op de dag van de publicatie, 5 juli, moest Pereversev aftreden. De regering wilde hem al langer kwijt. De mensjewieken gaven te kennen dat dit een overwinning van hun kant was. Kerenski beweerde later dat de minister afgezet was om zijn te grote dadendrang bij de onthullingen waardoor het onderzoek geschaad was. Pereversev heeft niet zozeer met zijn aan de macht blijven dan wel met zijn verdwijning iedereen verblijd. Diezelfde dag verscheen Zinovjev in de bijeenkomst van het bureau van het Uitvoerend Comité en eiste in naam van het Centraal Bolsjewistisch Comité onverwijld maatregelen om Lenin te rehabiliteren en eventuele nadelige gevolgen van de laster te voorkomen. Het bureau kon niet weigeren dat er een commissie van onderzoek benoemd werd. Soechanov schrijft: “De commissie zelf begreep dat het hierbij niet om een onderzoek ging naar de kwestie van het verraden van Rusland door Lenin maar naar de bronnen van de laster.” De commissie kwam echter in conflict met de na-ijver en de rivaliteit van de justitie en de contraspionage, die alle reden hadden om inmenging door vreemden te vrezen. Weliswaar hadden de Sovjetorganen het tot nu toe met de regeringsorganen gemakkelijk klaargespeeld, indien zij dit nodig oordeelden. Maar de Julidagen hadden een belangrijke machtsverschuiving naar rechts teweeggebracht en bovendien haastte de Sovjetcommissie zich in het geheel niet om een taak te volvoeren die klaarblijkelijk in strijd was met de politieke belangen van haar vertrouwenslieden. De meer ernstige verzoeningsgezinde leiders, eigenlijk alleen de mensjewieken, zorgden ervoor dat hun onschuld aan de laster formeel kwam vast te staan, maar ook niet meer dan dat. In alle gevallen waarin een direct antwoord gegeven moest worden, grensden zij zich met enkele woorden van de lasteraars af. Maar zij staken geen vinger uit om het vergiftigde zwaard af te wenden, dat dreigend boven het hoofd van de bolsjewieken zweefde. Een bekend voorbeeld van een dergelijke politiek gaf indertijd de Romeinse proconsul Pilatus. Hoe hadden zij ook anders kunnen handelen, wilden zij zichzelf trouw blijven? Slechts door de laster tegen Lenin werd een deel van het garnizoen in de Julidagen afgestoten van de bolsjewieken. Indien de verzoeningsgezinden begonnen waren de laster te bestrijden, zou het bataljon van het Ismajlovski-regiment naar alle waarschijnlijkheid het gezang van de Marseillaise ter ere van het Uitvoerend Comité afgebroken hebben en naar de kazernes, zoniet naar het Ksjessinskipaleis, teruggekeerd zijn.

In overeenstemming met de gehele mensjewistische tactiek oordeelde de minister van buitenlandse zaken, Tsereteli, die de verantwoordelijkheid voor de spoedig daaropvolgende arrestaties van de bolsjewieken op zich nam, het noodzakelijk om onder druk van de bolsjewistische fractie in de zitting van het Uitvoerend Comité te verklaren dat hij persoonlijk de bolsjewistische leiders niet van spionage verdacht, maar dat hij hen van een samenzwering en een gewapende opstand beschuldigde. Toen op 13 juli Liber een resolutie indiende waarin de bolsjewistische partij eigenlijk buiten de wet gesteld werd, vond hij het nodig dit voorbehoud te maken: “Ikzelf acht de tegen Lenin en Zinovjev gerichte beschuldiging volkomen ongegrond.” Dergelijke verklaringen werden door iedereen stilzwijgend en sceptisch aangehoord: de bolsjewieken vonden ze vaag en laf, de patriotten overbodig en daarom ongeschikt.

Bij zijn optreden in de verenigde vergadering van beide Uitvoerende Comités op 17 juli zei Trotski: “Er ontstaat een ondragelijke atmosfeer waarin jullie evenzeer zullen stikken als wij. Men slingert Lenin en Zinovjev allerlei lage beschuldigingen naar het hoofd.” (Een stem: “Terecht.” Rumoer. Trotski vervolgt.) “Er zijn hier in de zaal klaarblijkelijk mensen die met de beschuldigingen sympathiseren. Er zijn hier mensen die zich slechts in de revolutie hebben ingedrongen.” (Rumoer. Het duurt lang eer de voorzitter met zijn bel de orde hersteld heeft.) “…Lenin heeft dertig jaren gestreden voor de revolutie. Ikzelf vecht al twintig jaar tegen de onderdrukking van de volksmassa’s. En wij kunnen niet anders dan haat tegen het Duitse militarisme koesteren… Alleen iemand die niet weet wat een revolutionair is, kan op dit terrein verdachtmakingen tegen ons uiten. Ik werd door de Duitse rechters tot acht maanden gevangenisstraf veroordeeld omwille van mijn strijd tegen het Duitse militarisme… en dit weet iedereen. Laat niet toe dat iemand hier in deze zaal zegt dat wij Duitse huurlingen zijn, want dat is niet de taal van een overtuigde revolutionair, maar een laaghartig geluid. (bijval).” Zo kan men dit in de antibolsjewistische pers van die dagen beschreven vinden – de bolsjewistische was reeds verboden. Men dient er echter bij te zeggen dat de bijval slechts uit de kleine linkse hoek kwam. Een deel van de afgevaardigden brulde van woede en haat, de meerderheid hield zich muisstil. Niemand echter, zelfs geen van de openlijke agenten van Kerenski, beklom het spreekgestoelte om de officiële lezing van de beschuldiging waar te maken of zelfs maar indirect te staven. In Moskou, waar de strijd tussen de bolsjewieken en de verzoeningsgezinden in het algemeen minder scherp was, om in oktober een des te verbitterder karakter te krijgen, gelastte op 10 juli de verenigde vergadering van beide Sovjets, die van de arbeiders en die van de soldaten, een oproep op te stellen en te publiceren waarin erop gewezen werd dat de beschuldiging van spionage tegen de bolsjewistische fractie een lasterlijke intrige van de contrarevolutie was. De Sovjet van Petrograd, die meer direct afhankelijk van de regeringscombinaties was, nam geen enkele stap maar wachtte het resultaat van de commissie van onderzoek af, die zich echter niet haastte om aan het werk te gaan.

Op 5 juli stelde Lenin in een gesprek met Trotski de vraag: “Zullen zij ons niet de één na de ander doodschieten?” De officieuze sanctie op de ongelofelijke belastering was immers slechts uit dergelijke plannen te verklaren. Lenin achtte de vijanden in staat om het door hen begonnen werk te volbrengen en kwam tot de conclusie dat men zich niet aan hen moest overleveren. Op 6 juli kwam Kerenski ’s avonds van het front terug met allerlei wenken van de generaals. Hij verlangde krachtige maatregelen tegen de bolsjewieken. Ongeveer om twee uur ’s nachts besloot de regering alle leiders van de “gewapende opstand” ter verantwoording te roepen en de regimenten die aan de muiterij deelgenomen hadden te ontbinden. Het militaire detachement dat naar het huis van Lenin gezonden werd om een huiszoeking te doen en hem te arresteren, moest zich tevreden stellen met een huiszoeking, daar de bewoner het huis reeds verlaten had. Lenin hield zich nog in Petrograd op, maar verborg zich in een arbeiderswoning en verlangde dat de commissie van onderzoek van de Sovjet hem en Zinovjev zou verhoren onder zodanige voorwaarden dat een valstrik van de kant van de contrarevolutie uitgesloten was. In een tot de commissie gerichte verklaring schreven Lenin en Zinovjev: “’s Morgens (vrijdag 7 juli) werd aan Kamenev vanuit de Doema meegedeeld dat de commissie vandaag om 12 uur in de afgesproken woning zou komen. Wij schrijven deze regels om 6.30 uur in de avond van 7 juli en constateren dat de commissie tot nu toe niet verschenen is en niets van zich heeft laten horen. De verantwoordelijkheid voor het uitstel van het verhoor rust niet op ons.” Dat de Sovjetcommissie het beloofde onderzoek niet door liet gaan, overtuigde Lenin definitief ervan dat de verzoeningsgezinden hun handen in onschuld wilden wassen en de afrekening aan de Witgardisten overlieten. Officieren en jonkers, die inmiddels tijd gevonden hadden om de drukkerij van de partij te verwoesten, ranselden op straat iedereen af en namen ieder gevangen die er tegen protesteerde dat men de bolsjewieken ervan beschuldigde spionnen te zijn. Toen besloot Lenin definitief zich verborgen te houden, niet voor het onderzoek maar voor een mogelijke afrekening.

Op 15 juli publiceerden Lenin en Zinovjev in het bolsjewistisch blad van Kronstadt, dat de autoriteiten niet hadden durven verbieden, een verklaring waarom zij het niet nuttig achtten om zich aan de autoriteiten over te leveren. “Uit de in het nummer van zondag van het blad “Nowoje Wremja” gepubliceerde brief van de vroegere minister van justitie Pereversev blijkt duidelijk dat de ‘zaak’ tegen Lenin en zijn makkers wegens spionage volkomen doelbewust door de contrarevolutionairen opgezet is. Pereversev erkent nu openlijk volkomen onbewezen beschuldigingen in omloop gebracht te hebben om de woede (woordelijk) van de soldaten tegen onze partij op te wekken. Dit erkent dezelfde persoon die gisteren nog minister van justitie was! Er bestaan momenteel geen rechtswaarborgen in Rusland. Zich overleveren in handen van de autoriteiten, zou betekenen zich overleveren aan Miljoekov, Alexinski, Pereversev, aan van woede briesende contrarevolutionairen voor wie alle beschuldigingen tegen ons slechts een fase in de burgeroorlog zijn.” Het is voldoende aan het lot van Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg te herinneren om de betekenis van deze zinsneden over de “fase in de burgeroorlog” goed te begrijpen. Lenin had een vooruitziende blik.

Terwijl de vijandelijke propagandisten in alle toonaarden rondbazuinden dat Lenin nu eens op een torpedoboot, dan weer op een onderzeeboot naar Duitsland gevlucht was, haastte de meerderheid van het Uitvoerend Comité zich om Lenin te verwijten dat hij het onderzoek uit de weg gegaan was. Terwijl zij het angstvallig vermeden de vraag aan te roeren van de politieke betekenis van de pogromstemming waarin en waarom de beschuldiging geuit werd, traden de verzoeningsgezinden als voorvechters van een zuivere gerechtigheid op. Dit was nog de gunstigste positie die zij konden innemen. In de resolutie van het Uitvoerend Comité van 13 juli werd de houding van Lenin en Zinovjev niet alleen “volkomen ongeoorloofd” genoemd, maar werd ook van de bolsjewistische fractie “een onverwijlde, nadrukkelijke en duidelijke veroordeling” van haar leiders geëist. De fractie wees eensgezind deze eis van het Uitvoerend Comité van de hand. Intussen was er bij de bolsjewieken, althans onder de leiders, enige aarzeling ontstaan door het feit dat Lenin zich aan het onderzoek onttrokken had. Bij de verzoeningsgezinden, zelfs bij de meest linksen, wekte het verdwijnen van Lenin een algemene en geenszins altijd gehuichelde verontwaardiging, zoals uit het voorbeeld van Soechanov blijkt. Zij hadden, zoals wij weten, van het begin af aan niet aan het lasterlijk karakter van het materiaal van de contraspionage getwijfeld. “De onzinnige beschuldiging,” zo schreef hij, “ging als in rook op. Zij werd door niets en door niemand gestaafd en men hechtte er geen geloof meer aan.” Het bleef echter een raadsel voor Soechanov hoe Lenin ertoe had kunnen komen om zich aan het onderzoek te onttrekken. “Dat was iets buitengewoons, iets ongekends, iets onbegrijpelijks. Elke gewone sterveling zou zelfs onder de ongunstigste voorwaarden een gerechtelijk onderzoek verlangd hebben.” Ja, elke gewone sterveling. Maar een gewone sterveling was ook niet het voorwerp van de meest wilde haat van de regerende klasse geworden. Lenin was geen gewone sterveling en verloor geen ogenblik de op hem rustende verantwoordelijkheid uit het oog. Hij wist de nodige gevolgtrekkingen uit de toestand te maken en zich niet te laten beïnvloeden door de “publieke opinie” om de taak te vervullen waartoe hij zijn leven in dienst gesteld had. Donquichotterie en pose waren hem beide evenzeer vreemd. Samen met Zinovjev bracht Lenin enkele weken in de omgeving van Petrograd door. Dicht bij Sestroretzk moesten zij in een bos in een hooischuur overnachten en beschutting tegen de regen zoeken. Als stoker verkleed, passeerde Lenin op een locomotief de Finse grens en hield zich in de woning van de commissaris van politie van Helsingfors, een vroegere arbeider uit Petrograd, verborgen. Later verhuisde hij naar een plaats dichterbij de Russische grens aan Vyborg. Vanaf eind september leefde hij illegaal in Petrograd, om op de dag van de opstand na een afwezigheid van vier maanden weer voor de dag te komen.

Juli werd een maand van ongebreidelde schaamteloze en triomfantelijke laster, in augustus begon deze reeds af te zwakken. Precies een maand nadat de laster begonnen was, achtte Tsereteli, daarbij zichzelf trouw blijvend, het nodig in de zitting van het Uitvoerend Comité nog eens te herhalen: “Ik heb terstond na de arrestaties openlijk geantwoord op de vraag van de bolsjewieken en gezegd dat ik de bolsjewistische leiders, die ervan beschuldigd werden de opstand van 3 tot en met 5 juli te hebben verwekt, er niet van verdacht in verbinding met de Duitse generale staf te hebben gestaan.” Minder kon men ook niet zeggen. Meer zeggen was gevaarlijk. De pers van de verzoeningsgezinde partijen liet het bij deze woorden van Tsereteli. Daar zij echter tegelijkertijd de bolsjewieken vol verbittering als handlangers van het Duitse militarisme ontmaskerde, smolt het geluid van de verzoeningsgezinde krantenpolitiek samen met het gehuil van de overige pers die van de bolsjewieken niet als “handlangers” van Ludendorff maar als diens huurlingen sprak. Het hardst schreeuwden de kadetten in dit koor mee. “Roesskije Wedomosti,” het blad van de liberale Moskouse professoren, berichtte dat er bij de huiszoeking in het redactiegebouw van de “Pravda”, naar men zei, een Duitse brief gevonden was waarin een baron uit Haparanda het optreden van de bolsjewieken toejuichte en voorspelde welke “vreugde dit in Berlijn teweeg zou brengen.” De Duitse baron aan de Finse grens wist maar al te goed wat voor brieven de Russische patriotten nodig hadden. De pers van de beschaafde wereld die zich tegen de bolsjewistische barbarij verdedigde, stond vol dergelijke berichten.

Geloofden de professoren en advocaten zelf wat zij zeiden? Men zou, althans wat de vooraanstaande leiders betreft, hun politiek onderscheidingsvermogen onderschatten indien men dit aannam. Zo al niet uit principiële en psychologische overwegingen, moesten zij alleen uit zakelijke overwegingen reeds – en voor alles uit financiële overwegingen – tot het inzicht komen dat de beschuldiging onzinnig was. De Duitse regering zou toch stellig de bolsjewieken niet met ideeën maar beter met geld hebben kunnen helpen. De bolsjewieken hadden echter juist geen geld. Het centrum van de partij in het buitenland had gedurende de oorlog met de bitterste geldnood te kampen, honderd francs waren al een reusachtige som, het centrale orgaan verscheen eens in de maand of zelfs eens in de twee maanden en Lenin telde zorgvuldig de regels om het budget niet te overschrijden. De uitgaven van de Petrogradse organisatie in de oorlogsjaren belopen slechts enkele duizenden roebels, die voornamelijk voor het drukken van illegale vlugschriften gebruikt werden. Gedurende twee en een half jaar zijn er in Petrograd in totaal slechts driehonderdduizend exemplaren verschenen. Na de omwenteling was de stroom nieuwe leden en geldmiddelen natuurlijk sterk toegenomen. De arbeiders droegen met grote offervaardigheid loon af voor de Sovjet en de Sovjetpartijen. “Giften, allerlei bijdragen, inzamelingen en afdrachten ten behoeve van de Sovjet kwamen,” naar de advocaat Bramson op het eerste Sovjetcongres mededeelde, “daags na onze revolutie binnen… Men kon van de vroege morgen tot de late avond het ontroerend toneel van een onafgebroken bedevaart met deze gaven tot ons in het Taurisch paleis waarnemen.” In de volgende maanden droegen de arbeiders steeds offervaardiger hun loon af ten behoeve van de bolsjewieken. Toch was de “Pravda” ondanks de snelle groei van de partij en de toenemende inkomsten naar omvang het kleinste van alle partijbladen. Spoedig na zijn aankomst in Rusland schreef Lenin aan Radek naar Stockholm: “Schrijf artikelen voor de “Pravda” over de buitenlandse politiek, maar zo kort mogelijk zodat zij geschikt zijn voor de “Pravda” (weinig, weinig plaatsruimte, wij doen al ons best om het blad te vergroten).” Ondanks het door Lenin doorgevoerde spartaanse zuinigheidsregime kwam de partij niet uit de geldnood. De toezending van twee à drieduizend oorlogsroebels aan een of andere plaatselijke organisatie kostte iedere keer weer hoofdbrekens aan het Centraal Comité. Voor de verzending van de kranten naar het front moesten steeds weer nieuwe geldinzamelingen onder de arbeiders gehouden worden. En toch bereikten de bolsjewistische bladen de loopgraven in een veel geringer aantal dan de bladen van de verzoeningsgezinden en de liberalen. Voortdurend werd daarover geklaagd. “Wij kennen uw krant slechts bij gerucht,” schreven de soldaten. In april had de stedelijke conferentie van de partij de arbeiders van Petrograd opgeroepen om binnen drie dagen de ontbrekende vijfenzeventigduizend roebels voor de aankoop van een drukkerij bijeen te brengen. Deze som kwam ruimschoots binnen en de partij kreeg eindelijk een eigen drukkerij, dezelfde die de jonkers later in juli compleet verwoestten. De invloed van de bolsjewistische slogans breidde zich uit als een prairiebrand. De materiële propagandamiddelen bleven echter zeer onvoldoende. Het persoonlijk leven van de bolsjewieken leverde nog minder aanknopingspunten voor de laster op. Wat bleef er tenslotte nog over? Niets dan Lenins reis door Duitsland. Juist dit feit, dat voor een onontwikkeld gehoor veelal als bewijs voor Lenins vriendschap met de Duitse regering naar voren werd geschoven, was echter een bewijs van het tegendeel: een agent zou in het geheim en volkomen veilig door het vijandelijk land gereisd zijn. Enkel een revolutionair die volkomen zeker van zijn zaak was, kon er toe komen om openlijk de wetten van het patriottisme in oorlogstijd te schenden.

Het ministerie van justitie deinsde echter niet voor de vervulling van de ondankbare taak terug: niet voor niets had het uit het verleden medewerkers geërfd die opgegroeid waren in de laatste periode van het absolutisme, toen de moorden op liberale afgevaardigden, gepleegd door Zwarte-Honderdlieden, die aan ieder in het land met name bekend waren, stelselmatig onopgehelderd bleven, terwijl een joodse kerkdienaar uit Kiev ervan beschuldigd werd het bloed van een christenknaap gebruikt te hebben. Ondertekend door de rechter van instructie voor buitengewone aangelegenheden, Alexandrow, en de procureur-generaal van het opperste gerechtshof, Karinski, werd op 21 juli rechtsingang wegens hoogverraad tegen Lenin, Zinovjev, Kollontai en een aantal andere personen, onder wie de Duitse sociaaldemocraat Helphand (Parvus), verleend. Dezelfde artikelen 51, 100 en 108 van het wetboek van strafrecht werden ook toegepast op Trotski en Loenatsjarski, die op 23 juli door militairen gevangen genomen werden. Volgens de bewoordingen van de dagvaarding waren de bolsjewistische leiders “als Russische burgers na voorafgaand overleg met elkaar en met andere personen met het doel om staten die met Rusland op voet van oorlog leefden te ondersteunen, met agenten van genoemde staten overeengekomen mee te werken aan de desorganisatie van het Russische leger en van het achterland om de strijdvaardigheid van het leger te ondermijnen. Voor welk doel zij met de van deze staten verkregen geldmiddelen onder de bevolking en de troepen een propaganda organiseerden om tot een onmiddellijke dienstweigering tegen de vijand op te roepen; met hetzelfde oogmerk organiseerden zij in de tijd van 3 tot en met 5 juli 1917 in Petrograd een gewapende opstand!” Ofschoon elk ontwikkeld mens in de hoofdstad in die dagen wist onder welke omstandigheden Trotski uit New York via Christiania en Stockholm naar Petrograd gekomen was, legde de rechter van instructie ook hem de reis door Duitsland ten laste. De justitie wilde klaarblijkelijk geen twijfel aan de degelijkheid van het materiaal dat de contraspionage haar verschaft had laten bestaan.

Deze instelling is nooit een plaats waar de moraliteit pleegt te bloeien. In Rusland echter was de contraspionage het riool van Raspoetins bewind. Het uitschot van de officieren, de politie, de gendarmerie, weggejaagde agenten van de Ochrana – daaruit bestond het personeel van deze onbekwame, laaghartige en almachtige instelling. Oversten, majoors en soldaten die niet tot heldendaden op het slagveld in staat waren, strekten hun bemoeiingen uit over alle takken van het maatschappelijk en staatkundig leven, door in het gehele land een feodaal stelsel van contraspionage te organiseren. “De toestand werd onrustbarend,” kloeg de vroegere directeur van politie Koerlow, “toen de beroemd geworden contraspionage deel begon te nemen aan het burgerlijk bestuur.” Koerlow zelf had vele duistere zaken op zijn kerfstok, waaronder ook de medeplichtigheid aan de moord op de eerste minister Stolypin. Maar het optreden van de contraspionage was zelfs zijn beproefde fantasie te machtig. Terwijl “de strijd tegen de vijandelijke spionage zeer zwak gevoerd werd,” schrijft hij, “werden er voortdurend onware aanklachten tegen volkomen onschuldige personen ingediend, alleen maar met het doel om hen geld af te persen.” Koerlow ontdekte een dergelijk geval: “Tot mijn verbazing,” zei hij, “kwam (ik) het pseudoniem van een geheime agent, die mij uit mijn vroegere diensttijd in het departement van politie bekend was en die wegens afpersing weggejaagd was, te weten.” Een van de provinciale chefs van de contraspionage, een zekere Oestinov, die voor de oorlog notaris was, schetst in zijn memoires de moraliteit van de contraspionage ongeveer in dezelfde trant als Koerlow: “Om maar processen te krijgen, fabriceren de agenten zelf het materiaal.” Het is zeer leerzaam om het peil van deze instelling eens te toetsen aan de persoon zelf die de onthullingen doet: “Rusland ging ten gronde,” schrijft Oestinov over de Februarirevolutie, “doordat het slachtoffer werd van een revolutie die door Duitse agenten met behulp van Duits geld gemaakt was.” Het optreden van de patriottische notaris tegen de bolsjewieken heeft geen nadere verklaring nodig. “De berichten van de contraspionage over de vroegere werkzaamheden van Lenin, over zijn banden met de Duitse generale staf, over het van deze ontvangen Duitse geld waren zo overtuigend dat men hem terstond zou hebben kunnen ophangen.” Kerenski had dit, naar nu blijkt, slechts daarom niet gedaan omdat hij zelf een verrader was. “Vooral de leiding van de nietsnut en advocaat van de joden, Sasjka Kerenski, was verbazingwekkend en ronduit irritant.” Oestinov verklaart dat Kerenski bekend stond “als provocateur die zijn kameraden verried.” De Franse generaal Anselme verliet, naar verder blijkt, Odessa in 1909 niet onder druk van de bolsjewieken maar omdat hij met een flinke som omgekocht was. Door de bolsjewieken? “Neen, de bolsjewieken hebben daarmee niets uit te staan. Dit is het werk van de vrijmetselaars.” Zo zag die wereld eruit.

Snel na de Februariomwenteling werd de uit de emigratie teruggekeerde patriottische sociaal-revolutionair Mironov met het toezicht op deze instelling die uit spitsboeven, vervalsers en afpersers bestond, belast. Hij werd door de adjudant van minister Demjanov, een “volkssocialist”, als volgt getypeerd: “Uiterlijk maakte Mironov een goede indruk. Ik zou mij er echter niet over verbazen indien ik hoorde dat hij geen normaal mens was. Een normaal mens zou namelijk niet bereid zijn om aan het hoofd te staan van een dienst die enkel uiteengejaagd kon worden waarna de muren met straffe ontreiniger gepoetst werden.” Als gevolg van de administratieve chaos die door de revolutie ontstaan was, werd de contraspionagedienst onder de minister van justitie Pereversev gesteld, een grenzeloos lichtzinnig en volkomen gewetenloos iemand. De reeds genoemde Demjanov zegt in zijn memoires dat zijn minister “in de Sovjet nagenoeg geen aanzien genoot.” Gedekt door Mironov en Pereversev herstelden de door de revolutie verschrikte agenten zich spoedig en pasten hun oude werkzaamheden aan de nieuwe politieke situatie aan. In juni begon de linkervleugel van de regeringsgezinde pers zelfs berichten te publiceren over geldafpersingen en andere misdaden van de hogere beambten van de contraspionagedienst, waaronder zelfs twee leiders van de instelling, Tjssjoekin en Broy, die de voornaamste helpers van de rampzalige Mironov waren. Een week voor de Julicrisis had het Uitvoerend Comité zich onder druk van de bolsjewieken tot de regering gewend met de eis om de contraspionage meteen en met medewerking van de Sovjetafgevaardigden te reorganiseren. De geheime agenten hadden er dus hun ambtelijke, of beter gezegd hun egoïstische, redenen voor om zo spoedig mogelijk en zo krachtig mogelijk een slag aan de bolsjewieken toe te brengen. Vorst Lvov had nog juist op tijd een wet ondertekend waarbij aan de contraspionagedienst het recht gegeven werd om een arrestant drie maanden achter slot en grendel te houden.

Het karakter van de aanklacht en van de aanklagers doet onvermijdelijk de vraag rijzen hoe in het algemeen normaal denkende mensen aan een zo bewuste en door en door onzinnige leugen geloof konden hechten of althans doen alsof zij geloof eraan hechtten. Het succes van de contraspionage zou inderdaad ondenkbaar geweest zijn buiten de door de oorlog, de nederlagen, de desorganisatie, de revolutie en de verbitterde sociale strijd geschapen atmosfeer. Niets was sinds de herfst van het jaar 1914 aan de heersende klassen van Rusland gelukt, de grond wankelde onder hun voeten, alles ontviel hen, het ene onheil volgde na het andere – moest voor dit alles niet een schuldige gevonden worden? De vroegere procureur-generaal van het opperste gerechtshof, Savadski, herinnert zich later dat “overigens normale mensen er in de onrustige oorlogsjaren toe kwamen overal verraad te zien, ook waar dit stellig en dikwijls ook ongetwijfeld niet aanwezig was. De meeste van die processen die tijdens mijn ambtsvervulling als procureur-generaal opgezet werden, bleken onhoudbaar te zijn.” Naast de boosaardige agenten waren het de radeloos geworden kleinburgers die zulke processen doordreven. Al heel spoedig kwam er echter bij de oorlogspsychose de prerevolutionaire politieke koorts en deze leverde nog wonderlijker vruchten op. Met de ongelukkige generaals meenden de liberalen overal en in alles de Duitse hand te zien. De camarilla ging door voor germanofiel. De gehele Raspoetin-kliek handelde op aanwijzingen uit Potsdam, meenden de liberalen of zeiden zij althans. De tsarina werd overal openlijk van spionage beschuldigd; men beweerde zelfs in hofkringen dat zij verantwoordelijk was voor de torpedering door de Duitsers van het schip waarop generaal Kitchener naar Rusland voer. De rechtsen bleven natuurlijk niet achter. Savadski vertelt dat de secretaris van de minister van binnenlandse zaken, Beletzki, in het begin van 1916 getracht had een proces tegen de nationaal-liberale industrieel Goetsjkov te beginnen, waarbij hij hem beschuldigde van “handelingen die in oorlogstijd aan hoogverraad grenzen…” Terwijl hij de heldendaden van Beletzki ontmaskert, stelt Koerlov, die eveneens vroeger secretaris van de minister van binnenlandse zaken was, aan Miljoekov de vraag: “Voor welke uit vaderlandslievend oogpunt eervolle arbeid heeft hij tweeduizend roebels ‘Fins’ geld gekregen, welke hem per post op naam van de portier van zijn woning overgemaakt werden?” Met de aanhalingstekens bij het ‘Finse’ geld wil hij zeggen dat het om Duits geld ging. Daarbij had Miljoekov volkomen terecht de reputatie een hater van de Duitsers te zijn! In regeringskringen gold het algemeen als een vaststaand feit dat alle oppositionele partijen met Duits geld werkten. In augustus 1915, toen in verband met de aanstaande ontbinding van de Doema onlusten verwacht werden, zei de minister van marine Grigorovitsj, die vrijwel voor liberaal doorging, in een bijeenkomst van de regering: “De Duitsers voeren een krachtiger propaganda en overstromen de regeringsvijandige organisaties met geld.” De oktobristen en kadetten, die over deze insinuatie verontwaardigd waren, hadden er intussen geen enkel bezwaar tegen om haar naar links af te schuiven. Naar aanleiding van de half patriottische rede van de mensjewiek Tsjcheïdse in het begin van de oorlog schreef de voorzitter van de Doema Rodsjanko: “De afloop heeft later doen zien dat Tsjcheïdse inderdaad contact met Duitse kringen had.” Enig nader bewijs echter ontbreekt eens te meer.

In zijn “Geschiedenis van de tweede Russische revolutie,” zegt Miljoekov: “Het staat niet vast welke tol de ‘troebele bronnen’ in de omwenteling van 27 februari speelden, maar gelet op wat er volgde, is zij moeilijk te ontkennen.” Positiever uit zich de vroegere marxist, thans reactionair slavofiel van Duitse afkomst, Peter von Struve: “Toen de Russische Revolutie, die voorbereid en op touw gezet was door de Duitsers, lukte, trad Rusland eigenlijk uit de oorlog.” Zowel bij Struve als bij Miljoekov is er hier geen sprake van de Oktober-, maar wel van de Februarirevolutie. Naar aanleiding van de beroemde “legerorder Nr. 1”, het grote charter van de soldatenvrijheden opgesteld door de afgevaardigden van het garnizoen van Petrograd, schreef Rodsjanko: “Ik twijfel geen ogenblik aan de Duitse oorsprong van de legerorder Nr. 1.” De chef van een van de divisies, generaal Barkovski, vertelde Rodsjanko dat exemplaren van de legerorder Nr. 1 “in reusachtige hoeveelheden onder zijn troepen verspreid werden vanuit de Duitse loopgraven.” Goetsjkov, die men onder de tsaar gepoogd had van hoogverraad te beschuldigen, haastte zich nadat hij minister van oorlog geworden was om deze legerorder van zich af te schuiven op de linksen. De legerorder die Goetsjkov in april aan het leger gaf, luidde: “Personen die Rusland haten en ongetwijfeld in dienst van onze vijanden staan, hebben zich in het actieve leger binnengedrongen met een brutaliteit die typerend is voor onze tegenstanders en propageren, klaarblijkelijk om aan de verlangens van deze tegemoet te komen, de noodzakelijkheid van een zo spoedig mogelijke beëindiging van de oorlog.” Naar aanleiding van de tegen de imperialistische politiek gerichte Aprilmanifestatie schrijft Miljoekov: “Het plan om de beide ministers (Miljoekov en Goetsjkov) ten val te brengen, was regelrecht uit Duitsland afkomstig.” De arbeiders zouden voor hun deelname aan de demonstratie vijftien roebels per dag van de bolsjewieken gekregen hebben. Met de Duitse gouden sleutel loste de liberale historicus alle problemen op waarover hij als politicus struikelde.

De vaderlandslievende socialisten, die de bolsjewieken voorstelden als onvrijwillige bondgenoten of zelfs als agenten van de Duitse regeerders, werden op hun beurt van hetzelfde beschuldigd door rechts. Wij hebben reeds Rodsjanko’s uitlatingen over Tsjcheïdse gehoord. Ook Kerenski vond geen genade in zijn ogen: “Ongetwijfeld heeft hij uit heimelijke sympathie met de bolsjewieken, maar wellicht ook uit andere overwegingen, de Voorlopige Regering ertoe gebracht de bolsjewieken in Rusland toe te laten.” De “andere overwegingen” kunnen niets anders zijn dan dorst naar het Duitse geld. In zijn merkwaardige memoires die ook in vreemde talen vertaald zijn, laat de gendarmeriegeneraal Spiridovitsj, nadat hij op het grote aantal joden in de sociaal-revolutionaire regeringskringen gewezen heeft, daarop volgen: “Er waren ook Russische namen, als die van de latere boerenminister en Duitse spion Victor Tsjernov onder hen.” De partijleiders van de sociaal-revolutionairen waren werkelijk niet alleen bij de gendarmes verdacht. Na het Julipogrom tegen de bolsjewieken haastten de kadetten zich om een hetze te beginnen tegen de minister van landbouw Tsjernov, die ervan verdacht werd banden met Berlijn te onderhouden. De ongelukkige patriot moest tijdelijk aftreden om zich te rehabiliteren. In de herfst van 1917, toen Miljoekov over de opdracht sprak die het vaderlandslievend Uitvoerend Comité aan de mensjewiek Skobeljew gegeven had om aan het internationale socialistische congres deel te nemen, trachtte hij vanaf het spreekgestoelte van het Voorlopig Parlement door middel van een nauwkeurige ontleding van de tekst te bewijzen dat het document klaarblijkelijk van “Duitse oorsprong” was. De stijl van de opdracht was inderdaad slecht, zoals dit trouwens in alle stukken van de verzoeningsgezinden het geval was. De vertraagde democratie, die een leidende gedachte miste, geen vaste wil had en angstig naar alle kanten rondspiedde, stapelde in haar geschriften de ene uitvlucht op de andere en maakte er een slechte vertaling uit een vreemde taal van, zoals zij zelf immers slechts een schim van een vreemd verleden was. Ludendorf heeft echter geen schuld hieraan.

De reis van Lenin door Duitsland bood de chauvinistische demagogen onuitputtelijke mogelijkheden. Maar alsof het de dienende rol van het patriottisme bij haar politiek sterker in het voetlicht wilde plaatsen, begon de burgerlijke media, die hem eerst met een huichelachtige welwillendheid begroet had, Lenin van ‘germanofilie’ te beschuldigen. Dit gebeurde nadat deze pers zich bewust werd van de betekenis van zijn sociaal programma. “Land, brood en vrede”: het kon niet anders of hij had deze slogan uit Duitsland meegebracht. Er was toen nog geen sprake van de onthullingen van Jermolenko.

Nadat Trotski en enkele andere emigranten, die zich op de terugreis uit Amerika bevonden, door de militaire controle van koning George te Halifax gevangen genomen waren, verstrekte het Engelse gezantschap te Petrograd een officieel bericht dat in een eigenaardige Anglo-Russische stijl vervat was aan de pers: “die Russische burgers op de stoomboot “Christianiafjord” zijn in Halifax opgehouden omdat de Engelse regering de mededeling gekregen heeft dat zij betrokken zijn bij een door de Duitse regering gesteund plan om de Russische Voorlopige Regering ten val te brengen.” De mededeling van Sir Buchanan dateerde van 14 april: in die tijd was niet alleen Boerstein, maar ook Jermolenko nog niet komen opdagen. Als minister van buitenlandse zaken was Miljoekov echter genoodzaakt om door middel van de Russische gezant Nabokov aan de Engelse regering te verzoeken om Trotski vrij te laten en naar Rusland door te laten. “Nadat de Engelse regering inlichtingen over Trotski en diens werkzaamheden in Amerika ingewonnen had,” schrijft Nabokov, “kon deze dit niet begrijpen: ‘Wat is dit nu, kwaadwilligheid of verblinding?’ De Engelsen haalden de schouders op, begrepen het gevaar en waarschuwden ons.” Lloyd George moest echter toegeven. In antwoord op de vraag die Trotski in de Petrogradse pers tot de Engelse gezant richtte, nam Buchanan na enige aarzeling zijn oorspronkelijke verklaring terug en verkondigde ditmaal: “Mijn regering hield de groep emigranten in Halifax alleen vast om hun identiteit door de Russische regering te laten vaststellen en slechts totdat dit gebeurd was. Een andere betekenis had het vasthouden van de Russische emigranten niet.” Buchanan was niet alleen een gentleman, maar ook een diplomaat.

In een bijeenkomst van de leden van de Rijksdoema begin juni eiste Miljoekov, die door de Aprildemonstratie uit de regering gegooid was, dat Lenin en Trotski gevangen genomen zouden worden, en hij zinspeelde daarbij openlijk op hun banden met Duitsland. Trotski verklaarde de volgende dag op het Sovjetcongres: “Zolang Miljoekov deze beschuldiging niet bewezen of teruggenomen heeft, blijft hij gebrandmerkt als een eerloze lasteraar.” Miljoekov antwoordde daarop in de “Rjetsj” dat hij “inderdaad ontevreden was over het feit dat de heren Lenin en Trotski nog op vrije voeten waren,” maar hij motiveerde de noodzakelijkheid van hun arrestatie “niet daarmee dat zij Duitse agenten waren, maar met het feit dat zij reeds genoeg tegen het strafwetboek gezondigd hadden.” Miljoekov was een diplomaat, maar geen gentleman. De noodzakelijkheid van een arrestatie van Lenin en Trotski stond reeds vóór de onthullingen van Jermolenko vast; de “juridische” inkleding van de arrestatie was slechts een technische kwestie. De liberale leider werkte politiek met de krasse beschuldiging, en dit reeds lang voordat zij in een “juridische” vorm gegoten was.

De rol van de legende van het Duitse geld komt het meest kras tot uiting in de merkwaardige gebeurtenis die de secretaris-generaal van de Voorlopige Regering, de kadet Nabokov (niet te verwarren met de hierboven genoemde Russische gezant te Londen), meedeelt. In één van de bijeenkomsten van de regering merkte Miljoekov bij een of andere gelegenheid op: “Het is een publiek geheim dat het Duitse geld een rol speelde onder de factoren die bij de omwenteling hebben meegewerkt…” Dit lijkt sterk op de stijl van Miljoekov, ook al is de formulering aanzienlijk verzacht. Volgens de beschrijving van Nabokov gedroeg Kerenski zich als een bezetene. Hij greep naar zijn aktetas, sloeg ermee op tafel en schreeuwde: “Nu Miljoekov het gewaagd heeft in mijn tegenwoordigheid de heilige zaak van de grote Russische Revolutie te belasteren, wens ik geen moment langer hier te blijven.” Dit lijkt sterk op de stijl van Kerenski, ook al is zijn gebaar wellicht sterk overdreven. Een Russisch spreekwoord zegt dat men niet moet spuwen in de bron waaruit men later misschien moet drinken. Beledigd door de Oktoberrevolutie, wist Kerenski niets beters te doen dan de legende van het Duitse goud ertegen te richten. Wat uit de mond van Miljoekov een “belastering van de heilige zaak” was, werd bij Boerstein en Kerenski een heilige zaak van laster tegen de bolsjewieken.

De afgebroken reeks verdachtmakingen wegens germanofilie en spionage die van de tsarina, Raspoetin en de hofkringen via de ministeries, de generale staf, de Doema en de liberale redacties tot Kerenski en een deel van de Sovjetleiders liep, getuigt van een verbluffende eentonigheid. De politieke tegenstanders lijken het besluit genomen te hebben om hun fantasie niet al te erg in te spannen: zij verplaatsen eenvoudig dezelfde beschuldiging nu eens tegen rechts dan weer tegen links. Deze laster kwam niet onverwacht bij de bolsjewieken terecht, het was een natuurlijk resultaat van paniek en haat. Dit zorgde voor een laatste schakel in een afschuwelijke keten, de nu definitief geformuleerde laster kwam op een nieuw definitief adres aan. Het verenigde meteen de aanklagers en aangeklaagden van gisteren. Alle krenkingen die de regeerders moesten ondergaan, al hun angsten, al hun verbittering, richtte zich nu tegen die partij die de meest linkse was en de onoverwinbare kracht van de revolutie belichaamde. Hoe hadden inderdaad de bezittende klassen het veld kunnen ruimen voor de bolsjewieken, zonder een laatste vertwijfelde poging gedaan te hebben om deze in bloed en slijk te vertrappen? Het bij het langdurig gebruik enigszins verwarde kluwen van laster moest onvermijdelijk op het hoofd van de bolsjewieken neerkomen. De onthullingen van de soldaat van de contraspionagedienst waren slechts een materialisatie van de dromen van de bezittende klasse, die in een impasse zat. Daarom had de laster ook zo’n verschrikkelijke uitwerking.

Dat er Duitse agenten waren, was op zich natuurlijk geen droombeeld. De Duitse spionage in Rusland was overigens veel beter georganiseerd dan de Russische in Duitsland. Er moet slechts gewezen worden op het feit dat de minister van oorlog Soechomlinov nog onder het oude regime gevangen genomen werd als vertrouwensman van Berlijn. Het is ook niet aan twijfel onderhevig dat Duitse agenten niet alleen in de hof- en de Zwarte-Honderdkringen wisten binnen te dringen, maar ook in de linkse kringen. De Oostenrijkse en Duitse autoriteiten koketteerden vanaf de eerste dagen van de oorlog sterk met separatistische strevingen, allereerst met de Oekraïense en de Kaukasische emigratie. Het is opvallend dat ook Jermolenko, die aangeworven werd in april 1917, uitgestuurd werd om te strijden voor een afscheiding van de Oekraïne. Reeds in de herfst van 1914 roepen zowel Lenin alsook Trotski in Zwitserland openlijk ertoe op met die revolutionairen te breken, die in de kaart van het Duits-Oostenrijks militarisme spelen. Begin 1917 waarschuwde Trotski vanuit New York openlijk de linkse Duitse sociaaldemocraten, de aanhangers van Liebknecht, dat agenten van het Engelse gezantschap zich bij hen trachtten aan te sluiten. Bij al haar gekoketteer met de separatisten met het doel om Rusland te verzwakken en de tsaar angst aan te jagen, dacht de Duitse regering er echter niet aan om het tsarisme ten val te brengen. Dit blijkt het best uit een verklaring die de Duitsers na de Februari-omwenteling in de Russische loopgraven verspreidden en die op 11 maart in de zitting van de Sovjet van Petrograd bekend gemaakt werd. “Aanvankelijk gingen de Engelsen hand in hand met uw tsaar, maar nu hebben zij zich tegen hem gekeerd omdat hij niet in hun egoïstische wensen toegestemd heeft. Zij hebben uw tsaar, die u door God gegeven was, van de troon verdreven. Waarom is dit gebeurd? Omdat hij de huichelachtige en geniepige streken van Engeland doorziet en aan het licht gebracht heeft.” Zowel de vorm als de inhoud van dit document garanderen de echtheid ervan. Evenals men de Pruisische luitenant niet kan nabootsen, is ook zijn historische filosofie niet na te bootsen. Hoffmann, een Pruisisch luitenant in de rang van generaal, was van mening dat de Russische Revolutie in Engeland op touw gezet en voorbereid was. Toch is dit minder dwaas dan de theorie van Miljoekov en Struve, want Potsdam bleef tot op het laatste moment hopen op een afzonderlijke vrede met Tsarskoje Selo, terwijl men in Engeland vooral bang was van deze afzonderlijke vrede. Pas toen de onmogelijkheid van een herstel van het tsarisme duidelijk gebleken was, bouwde de Duitse staf zijn hoop op de vernieuwende kracht van de revolutionaire arbeidersklasse. Zelfs bij de reis van Lenin door Duitsland ging het initiatief echter niet uit van Duitse kringen, maar van Lenin zelf en oorspronkelijk van de mensjewiek Martov. De Duitse generale staf deed niets anders dan erin toestemmen en waarschijnlijk niet zonder enige aarzeling. Ludendorff zei bij zichzelf dat wellicht enige opluchting het gevolg ervan kon zijn.

Tijdens de Juligebeurtenissen meenden zelfs de bolsjewieken in de enkele onverwachte en opzettelijk veroorzaakte excessen het werk van een vreemde en misdadige hand te zien. Trotski schreef in die dagen: “Welke rol hebben de contrarevolutionaire provocateurs of de Duitse agenten daarbij gespeeld? Het is moeilijk om daar nu reeds iets met zekerheid over te zeggen… Men dient de resultaten van een grondig onderzoek af te wachten… Men kan echter nu reeds met zekerheid verklaren dat de resultaten van een dergelijk onderzoek wel eens een schril licht op het werk van de Zwarte-Honderdbenden en op de ondergrondse rol van het Duitse, Engelse of zuiver Russische geld of misschien van deze drie samen zouden kunnen werpen. Maar de politieke betekenis van de gebeurtenissen is door geen enkel gerechtelijk onderzoek te veranderen. De arbeiders- en soldatenmassa’s van Petrograd waren niet omgekocht en konden niet omgekocht zijn. Zij staan in dienst noch van Wilhelm, noch van Buchanan, noch van Miljoekov… De beweging was voorbereid door de oorlog, de dreigende honger, de reactie die de kop opstak, de radeloosheid van de regering, het avontuurlijke offensief, het politieke wantrouwen en de revolutionaire onrust van de arbeiders en soldaten…” Uit alle na de oorlog en de twee revoluties gepubliceerde archiefstukken, documenten en memoires blijkt ondubbelzinnig dat de deelname van de Duitse agenten aan de revolutie in Rusland zich op geen enkel ogenblik uit de militair-politionele sfeer wist te verheffen tot hoge politiek. Is het eigenlijk na de revolutie in Duitsland nog wel nodig de nadruk hierop te leggen? Hoe jammerlijk en machteloos betoonden deze ogenschijnlijk zo almachtige Hohenzollernse spionageagenten zich in de herfst van 1918 tegenover de Duitse arbeiders en soldaten! “De berekening die onze vijanden met het zenden van Lenin naar Rusland hadden, bleek volkomen juist te zijn.” Zegt Miljoekov. Geheel anders beoordeelt Ludendorf zelf de gevolgen van de onderneming: “Ik kon toen niet vermoeden,” zo rechtvaardigt hij zich terwijl hij over de Russische Revolutie spreekt, “dat zij later ook onze krachten zou ondermijnen.” Hieruit blijkt slechts dat van de twee strategen – Ludendorff die Lenin de doorreis toestond en Lenin die van dit aanbod gebruik maakte – Lenin een betere kijk op de toekomst had.

“De vijandelijke propaganda en het bolsjewisme,” jammert Ludendorf in zijn oorlogsherinneringen, “hadden in Duitsland hetzelfde doel. Engeland bezorgde China het opium, de vijanden bezorgden ons de revolutie.” Ludendorf verwijt de Entente hetzelfde waarvan Miljoekov en Kerenski Duitsland beschuldigden. Zo gruwelijk wreekt zich de zo vaak miskende historische wetmatigheid! Ludendorff liet het daarbij echter niet. In februari 1931 verkondigde hij aan de gehele wereld dat achter de bolsjewieken het internationale en vooral het Joodse geldkapitaal stond, verenigd in de strijd tegen het tsaristische Rusland en het imperialistische Duitsland. “Trotski was vanuit Amerika via Zweden naar Petrograd gekomen, voorzien van ruime geldmiddelen van de internationale kapitalisten. Ook hadden de bolsjewieken van de jood Solmssen uit Duitsland geld gekregen.” (“Ludendorffs Volkswarte”, 15 februari 1931). Hoezeer de verklaringen van Ludendorff en Jermolenko uiteenliepen, zo komen zij toch in een punt met elkaar overeen: een deel van het geld kwam, naar nu blijkt, dan toch inderdaad uit Duitsland. Het kwam weliswaar niet van Ludendorff, maar van diens aartsvijand Solmssen. Diens getuigenis ontbrak alleen nog maar om het geheel te volmaken.

Noch Ludendorff, noch Miljoekov, noch Kerenski hebben echter het buskruit uitgevonden, ofschoon de eerste dit op grote schaal gebruikt heeft. “Solmssen” had vele voorgangers in de geschiedenis, zowel als jood alsook als Duits agent. Graaf Fersen, die Zweeds gezant in Frankrijk was ten tijde van de Grote Revolutie, en een fanatiek aanhanger van de koninklijke macht, van de koning en vooral van de koningin, heeft meer dan eens aan zijn regering als volgt naar Stockholm gerapporteerd: “De jood Efraïm, gezant van mijnheer Herzberg uit Berlijn (de Pruisische minister van buitenlandse zaken), verschaft hen (de jacobijnen) geld; korte tijd geleden heeft hij weer zeshonderdduizend pond gekregen.” Het gematigde blad “De revoluties van Parijs” opperde de veronderstelling dat tijdens de republikeinse omwenteling “gezanten van de Europese diplomatie, zoals bijvoorbeeld de jood Efraïm, een agent van de koning van Pruisen, in de in opwinding verkerende en licht toegankelijke massa infiltreerden…” Dezelfde Fersen meldde: “De jacobijnen… zouden tenonder gaan zonder de hulp van het door hen omgekochte gepeupel.” Wanneer de bolsjewieken aan de deelnemers van de demonstraties een dagloon betaalden, volgden zij blijkbaar slechts het voorbeeld van de jacobijnen. En het geld voor het omkopen van het gepeupel kwam in beide gevallen uit Berlijnse bronnen. De overeenkomst tussen het optreden van de revolutionairen van de 20ste en die van de 18de eeuw zou waarlijk verbluffend zijn indien zij niet door de nog verbluffender overeenkomst tussen de belasteringen van de kant van de vijanden overtroffen werd. Men hoeft echter niet bij de jacobijnen te blijven. Uit de geschiedenis van alle revoluties en burgeroorlogen blijkt steeds dat de bedreigde of reeds ten val gebrachte klasse geneigd is de oorzaak van het ongeluk dat haar trof niet bij zichzelf, maar bij buitenlandse agenten en gezanten te zoeken. Niet alleen Miljoekov als geleerd historicus, maar ook Kerenski als oppervlakkig lezer had dit moeten weten. Als politici werden beiden echter het slachtoffer van hun eigen contrarevolutionaire rol.

De theorieën van de revolutionaire rol van buitenlandse agenten vinden echter, evenals in het algemeen alle typische massale waanbeelden, indirect steun in de geschiedenis. Bewust of onbewust ontleent elk volk in kritieke perioden in zijn bestaan allerlei dingen en wel op grote schaal aan andere volken. De leidende rol in de radicale beweging wordt bovendien dikwijls gespeeld door personen die in het buitenland opgroeiden of door emigranten die in hun vaderland teruggekeerd zijn. Nieuwe ideeën en instellingen lijken daarom aan de conservatieve groepen veelal vreemde, uitheemse producten. Het dorp verdedigt zich tegen de stad, het provinciestadje tegen de metropool, de kleinburger tegen de arbeider, als nationale krachten tegen buitenlandse invloeden. De bolsjewistische beweging leek Miljoekov tenslotte een Duitse beweging te zijn, om dezelfde redenen als waarom de Russische moezjiek eeuwenlang eenieder die als stadsmens gekleed ging voor een Duitser hield. Met dit verschil echter dat de moezjiek daarbij eerlijk bleef.

In het jaar 1918, dus reeds na de Oktoberomwenteling, publiceerde het persbureau van de Amerikaanse regering triomfantelijk een aantal documenten betreffende de banden tussen de bolsjewieken en de Duitsers. Aan deze grove vervalsing die niet tegen kritiek bestand bleek, werd door vele ontwikkelde en overigens verstandige mensen geloof gehecht, totdat vast kwam te staan dat de ogenschijnlijk uit verschillende landen stammende originele exemplaren van de documenten allemaal op één en dezelfde schrijfmachine vervaardigd waren. De vervalsers schatten hun opdrachtgevers niet al te hoog in, ze waren er blijkbaar van overtuigd dat de politieke vraag naar onthullingen over de bolsjewieken groter zou zijn dan de stem van de kritiek. En ze hadden gelijk, ze werden immers goed betaald voor deze documenten. Nochtans was dit voor de Amerikaanse regering, die door een oceaan van het oorlogstoneel gescheiden was, slechts een secundaire kwestie.

Waarom is de politieke laster toch zo armzalig en zo eentonig? Omdat de collectieve geest zo zuinig en conservatief is. Zij verbruikt niet meer van haar krachten dan absoluut noodzakelijk is om haar doel te bereiken. Zij geeft er de voorkeur aan oude dingen over te nemen, zolang zij niet gedwongen is nieuwe dingen op te bouwen. En zelfs in dit laatste geval probeert ze het nog samen te voegen met oude elementen. Elke latere godsdienst placht haar mythologie niet geheel opnieuw op te bouwen, maar het oude geloof te hervormen. Op dezelfde wijze werden ook de filosofische stelsels, de rechts- en moraaltheorieën gevormd. De enkelingen, zelfs ook de genieën, ontwikkelen zich even onharmonisch als de maatschappij waarin zij opgroeien. Ongebreidelde fantasie kan in een en hetzelfde brein voorkomen naast slaafse vasthoudendheid aan traditionele voorbeelden. Stoutmoedige gedachtengangen zijn verenigbaar met kras bijgeloof. Shakespeare schiep in zijn stukken figuren die uit het verre verleden tot hem kwamen. Pascal bewees het bestaan van God met behulp van de waarschijnlijkheidsleer. Newton ontdekte de wetten van de zwaartekracht maar geloofde in de Apocalyps. Nadat Marconi een radiozendstation in de residentie van de paus gebouwd heeft, verstuurde de plaatsvervanger van Christus op aarde zijn mystieke zegen via de radio. In gewone tijden blijven deze tegenstellingen onopgemerkt, maar in tijden van rampspoed komen zij aan het licht. Wanneer de hogere klassen zich in hun materiële belangen bedreigd voelen, maken zij gebruik van alle vooroordelen en waanbeelden die de mensheid met zich meesleept. Kan men het de ten val gebrachte heersers van het oude Rusland dan kwalijk nemen dat zij de mythologie van hun val ongewijzigd overnamen van die klassen die reeds voor hen ten val kwamen? Voor alle duidelijkheid: als Kerenski vele jaren na de gebeurtenissen in zijn memoires nog eens de versie van Jermolenko herhaalt, heeft dit uiteraard nog heel weinig nut.

De laster van de oorlogs- en revolutiejaren is verbluffend van eentonigheid, zeiden wij reeds. Er is echter toch enig verschil. De toename in kwantiteit doet een nieuwe kwaliteit ontstaan. De strijd van de overige partijen onderling leek bijna een familietwist vergeleken met hun gemeenschappelijke ophitsing tegen de bolsjewieken. In hun onderlinge botsingen trainden zij zich als het ware slechts voor de andere, de beslissende strijd. Zelfs indien zij elkaar beschuldigden van banden met de Duitsers, hielden ze deze beschuldigingen nooit overeind. In juli kregen we iets anders te zien. Bij hun aanval tegen de bolsjewieken vormen alle onderdelen van de heersende klasse: de regering, de justitie, de contraspionagedienst, de generale staf, de ambtenaren, de gemeenteraden, de partijen van de Sovjetmeerderheid, hun pers en hun redenaars, een groot geheel. Zelfs de onderlinge meningsverschillen vergroten slechts het totale effect, net zoals verschillende instrumenten in een orkest dat doen. Het onzinnig verzinsel van twee verachtelijke sujetten wordt tot een factor van historische betekenis verheven. De laster stort neer als een Niagarawaterval. Gelet op de situatie – oorlog en revolutie – en het karakter van de beschuldigden – revolutionaire leiders van miljoenen mensen die hun partij aan de macht gebracht hebben – kan men zonder overdrijving zeggen dat juli 1917 een maand geweest is van de grootste laster die ooit in de wereldgeschiedenis voorkwam.

Print Friendly, PDF & Email