Chinese economie: wat is er gebeurd met het herstel?

De noodkreet van de provincie Guizhou opent een nieuw front in de schuldencrisis van het land

Artikel uit het magazine ‘Socialist’, de publicatie van ISA in China

De Chinese economie heeft een rampzalig jaar 2022 achter de rug. Na enkele maanden in zijn derde termijn als absolute heerser zoekt Xi Jinping wanhopig naar een economische opleving om de sombere sfeer die de Chinese en de mondiale kapitalisten in zijn greep houdt te verdrijven en het ‘vertrouwen’ te herstellen. Eerder dit jaar was het mondiale kapitalisme grotendeels meegegaan in het “China is terug”-verhaal, in de hoop op een sterke groei van de tweede economie ter wereld als tegengewicht voor de recessierisico’s in de westerse economieën. Het Chinese herstel na de pandemie is echter al aan het afbrokkelen.

Voordat we naar de gegevens kijken, herhalen we eerst enkele conclusies uit het materiaal van de Chinese marxisten en aanhangers van ISA over de economische toestand. We waren steeds sceptisch over de voorspellingen van een sterk economisch herstel dit jaar.

Toen het Nationale Volkscongres in maart de BBP-doelstelling voor dit jaar vaststelde op “ongeveer 5 procent” waren we verbaasd over hoe laag dit cijfer was (het is China’s laagste BBP-doelstelling sinds 1991). Veel voorspellers wereldwijd kwamen met hogere prognoses van zes of meer procent. Wat wist het regime van Xi dat anderen niet wisten?

In ons materiaal wezen we op twee manieren waarmee de Chinese economie de doelstelling van 5% kon halen: door de reeds onhoudbare schuldenlast van China nog verder op te voeren of door met de boeken te knoeien. We merkten op dat waarschijnlijk beide methoden zouden gebruikt worden. In talloze artikelen hebben marxisten uitgelegd dat de Chinese economische malaise van de afgelopen jaren niet alleen het gevolg is van Xi’s ultra-repressieve “zero Covid”-doctrine, zoals sommige commentatoren denken, hoewel dat de zaken zeker erger heeft gemaakt.

De diepere oorzaken van de huidige diepe crisis liggen in de uitputting van China’s schuldgedreven staatskapitalistische groeimodel. Het heeft het einde van de weg bereikt. Dit groeimodel was gebaseerd op massale investeringen in infrastructuur (waaronder triljoenen dollars die aan nutteloze infrastructuurprojecten werden verspild) en enorm opgeblazen vastgoedprijzen, die een afspiegeling waren van de vroegere zeepbeleconomie van Japan, maar dan erger.

Deze formule heeft de Chinese economie de afgelopen twee decennia gedreven, vooral sinds de wereldwijde crisis van 2008-9, toen een historisch, nooit herhaald Chinees stimuleringspakket de wereld op zijn grondvesten deed schudden (“toen China het wereldkapitalisme redde,” zoals het gezegde luidt). Daarachter kwam de moeder van alle schuldexplosies, en dat is waar we nu zijn. Dit is iets wat we voorspelden, maar zelfs sommige zogenaamde marxisten ontkenden omdat ze, al dan niet misleid door CCP-propaganda, beweerden dat de Chinese staat over unieke krachten beschikte.

De controle van de Chinese dictatuur over het banksysteem, plus de media, het internet, de rechterlijke macht, andere belangrijke hefbomen voor financiële en politieke controle, en niet in de laatste plaats uitgebreide censuur met de mogelijkheid om iedereen te laten verdwijnen die lastige informatie deelt of vragen stelt, geeft het regime een mate van controle die ‘normale’ kapitalistische regimes niet hebben. Maar dat maakt geen einde aan de wet van de zwaartekracht, of relevanter in dit geval: de wet van de waarde.

Al meer dan een decennium is de groei van China afhankelijk van snel stijgende schulden. Toen de regering haar aandacht verlegde naar “deleveraging”, het afremmen van de stijgende schulden, is de economie ingestort. We hebben dit duidelijk gezien bij de aanpak van de schulden in de vastgoedsector, die de vastgoedcrisis van de afgelopen twee jaar heeft veroorzaakt. Het zogenaamde herstel van 2023 gaat slechts op hetzelfde spoor verder, met een stijging van de Chinese schuldquote met 7,7 procentpunten in het eerste kwartaal van 2023 tot het recordniveau van 290%, volgens gegevens van de Chinese Volksbank.

De CCP heeft de schuldencrisis jarenlang vooruitgeschoven door potentiële tijdbommen van het ene deel van het financiële systeem naar het andere te schuiven in een massale operatie ‘verstoppertje spelen’. De huidige financiële onrust bij China’s lokale overheden – de machinekamers van het staatskapitalistische op schulden gebaseerde infrastructuurmodel – zou wel eens de uitdaging te veel kunnen worden voor het regime. De opkomende schuldencrisis in Guizhou, met daarachter een reeks andere provincies met hoge schulden, is wellicht niet zo gemakkelijk weg te toveren met nog meer financiële trucs.

Lokale overheden uitgeknepen

Het officiële BBP-cijfer voor het eerste kwartaal meldde een geruststellende groei van 4,5% tegenover hetzelfde kwartaal vorig jaar. Of toch niet? Zoals altijd is de nauwkeurigheid van China’s officiële gegevens niet te vertrouwen. Dit is een fragiel herstel, sterk afhankelijk van de ‘levenslijn’ in de vorm van meer door de staat opgelegde infrastructuurprojecten die met schulden worden gefinancierd.

Achttien provincies hebben voor 2023 in totaal bijna 10 biljoen yuan (US$ 1,4 biljoen) aan nieuwe infrastructuurbouw aangekondigd, aldus een rapport van Global Times (28 februari 2023). De overige 13 provincies hebben hun investeringscijfers niet bekendgemaakt.

Maar de provinciale en lokale overheden komen geld tekort. Van de 31 provincies zagen 22 de inkomsten in 2022 dalen, volgens officiële gegevens. Miljarden yuan aan kosten voor schulden slaan een groot gat in de begrotingen van de lokale overheden. Dit is goed voor meer dan een derde van alle uitgaven van sommige stadsbesturen. De verkoop van grond, traditioneel goed voor een kwart van de inkomsten van lokale overheden, is vorig jaar met 23,3% ingestort als neveneffect van de vastgoedcrisis. Dit betekende een gecombineerd verlies van ongeveer 2 biljoen yuan (288 miljard dollar) voor de lokale overheden.

Het resultaat is een tsunami van ontslagen, loonsverlagingen en besparingen op dienstverlening in het hele land. In meer dan 20 steden zijn busdiensten afgeschaft of tijdelijk opgeschort omdat busmaatschappijen geen brandstof kunnen kopen of lonen betalen. In de provincie Hebei werden brandstofsubsidies voor winterverwarming geschrapt. Scholen, ziekenhuizen, overheidsgebouwen en andere lokale overheidsactiva zijn te gelde gemaakt en verkocht aan private actoren om geld in te zamelen.

“De uitbetaling van de lonen van veel van mijn collega’s werd uitgesteld, en dat was moeilijk omdat we gezinnen te eten moeten geven,” vertelde een overheidsmedewerker in de provincie Jiangxi aan Al Jazeera. “Dit was vroeger ondenkbaar.”

De economische strategie van de CCP bestaat erin om nog een keer extra te investeren in infrastructuur, in de hoop dat dit de economische groei zal aanwakkeren met meer consumentenbestedingen. Maar de trend van de afgelopen jaren laat zien dat dit niet gebeurt, eerder het tegenovergestelde.

Het herstel van dit jaar wordt belemmerd door een trage gezinsconsumptie en een voorkeur voor sparen in plaats van uitgeven. Dit zou niemand moeten verbazen. Chinese werknemers en de middenklasse maken zich grote zorgen over hun economische zekerheid: jobs, lonen, pensioenen en verliezen door de neergang van de huizenmarkt (het zogenaamde negatieve welvaartseffect). In april bereikte de jeugdwerkloosheid een record van 20,4%, wat betekent dat meer dan 20 miljoen jongeren onder de 25 jaar werkloos zijn. De zogenaamde informele sector, van gedereguleerde en onzekere werkgelegenheid, is nu goed voor 56% van de totale beroepsbevolking (tegen 33% in 2004).

Ook de kapitalisten zijn onzeker. Private bedrijven aarzelen om nieuwe investeringen te doen omdat het vertrouwen in het herstel en in de economische vaardigheden van het regime van Xi een dieptepunt heeft bereikt. Het ‘Jaar van de Hel’ van 2022 is nog niet verteerd.

Deze stemming komt tot uiting in de gegevens over het eerste kwartaal, waarin de investeringen in de staatssector met 10% toenamen, tegenover slechts 0,6% groei in de private sector. De private sector is goed voor 60% van het Chinese bbp, 80% van de werkgelegenheid in de steden en 90% van de nieuwe jobs. Dit verklaart mee de hardnekkig hoge jeugdwerkloosheid, die al een jaar boven de 16% ligt.

“Wraakuitgaven”?

Economen voorspelden een golf van “wraakuitgaven” toen Xi afgelopen december op chaotische wijze een einde maakte aan het zero Covid-beleid, waardoor mensen eindelijk weer enige vorm van ‘normaliteit’ kregen. De verwachte consumptiegolf bleef echter uit. Dit werd erkend door het Politbureau van de CCP tijdens zijn vergadering van 28 april, die de problemen van onvoldoende vraag en een zwakke “interne dynamiek” toegaf.

Het zijn daarentegen de bankdeposito’s die tot recordhoogtes stijgen. Zelfs de meest fanatieke buitenlandse investeerders hebben dit opgemerkt. Estée Lauder, Starbucks en Qualcomm, die allemaal China als een van hun grootste markten beschouwen, hebben gewaarschuwd voor dalende verkoopcijfers.

Ting Lu, ‘chief China economist’ bij Nomura, vertelde aan Reuters: “De stijging van 8 biljoen yuan in nieuwe huishouddeposito’s in 2022 leidde tot hoop in een snel stijgende markt met een massale inhaalvraag na de pandemie. Maar de gezinnen bleven verder sparen in het eerste kwartaal van 2023.”

Volgens de Chinese Volksbank nam het particuliere spaargeld in het eerste kwartaal met 9,9 biljoen yuan (1,4 biljoen Amerikaanse dollar) toe, een stijging met 27% tegenover vorig jaar.

Economen staan dan ook bijzonder sceptisch tegenover de detailhandelscijfers, die in het eerste kwartaal met 5,8% zouden gestegen zijn. Dat de consumptie van huishoudens gematigd is, met uitzondering van diensten (reizen en uit eten gaan om het einde van drie jaar ‘zero Covid’ te vieren), wordt ook bevestigd door het laagste inflatiepercentage ter wereld.

De Chinese consumentenprijsindex (CPI) is in april gedaald tot slechts 0,1 procent. Dit “herstel zonder inflatie,” zoals het magazine The Economist het noemt, wijst erop dat bedrijven onder druk staan om de prijzen niet te verhogen vanwege de zwakke vraag.

De prijzen aan de fabriekspoort, zoals blijkt uit de producentenprijsindex (PPI), bevinden zich in deflatiegebied. De PPI van april daalde tot het laagste niveau in drie jaar, min 3,5%. Deflatie, of dalende prijzen, kan net zo destabiliserend zijn als inflatie. Dat geldt vooral in economieën met hoge schulden, zoals China. Terwijl inflatie schulden wegvreet door geld van zijn waarde te ontdoen, heeft deflatie het tegenovergestelde effect en maakt het de kosten van het terugbetalen van schulden relatief hoger.

Japan worstelt al meer dan 30 jaar met deflatie – een periode die bekend staat als de ‘verloren decennia’. In deze periode stagneerde de economie, die afnam van 17,7% van het mondiale BBP in 1995 tot 6% nu. De schuldopbouw in China, die Japan ruimschoots overtreft, gevolgd door de implosie van de Chinese huizenzeepbel in 2021, en nu de nog ernstiger schuldencrisis bij de lokale overheden, die goed zijn voor 90% van alle overheidsuitgaven, dreigt in China een Japans economisch scenario te veroorzaken.

De vastgoedmarkt krimpt nog steeds, ondanks de steunmaatregelen van de overheid eind vorig jaar. Terwijl de daling van de vastgoedverkoop zich lijkt te hebben gestabiliseerd, na een implosie vorig jaar, daalden de investeringen in de sector in januari-april met 6,2%, na een daling van 10% in 2022. Het aantal nieuwe woningen, gemeten naar vloeroppervlak, daalde in het eerste kwartaal met 19,2% ten opzichte van de reeds lage basis van een jaar geleden.

Noodkreet uit Guizhou

De schuldencrisis van de lokale overheden die blijkt uit de gebeurtenissen in Guizhou, waar een verkapte reddingsoperatie van de centrale overheid aan de gang lijkt te zijn, is het begin van een angstaanjagend nieuw front in de Chinese strijd om een financiële ineenstorting te voorkomen. Steden en regio’s in Guizhou, een provincie met 38 miljoen inwoners, hebben ‘verborgen schulden’ – die via entiteiten buiten de begroting om lopen – die oplopen tot 1,31 biljoen yuan (190 miljard dollar). Dit komt vooral door opeenvolgende infrastructuurprogramma’s.

In april stuurde de provinciale regering van Guizhou een noodkreet naar Beijing. In een verklaring op haar officiële website stond dat “schulden een belangrijk en urgent probleem zijn geworden voor lokale overheden [in de provincie]” en werd toegegeven dat “het onmogelijk is om [het schuldenprobleem] effectief op te lossen door te vertrouwen op het eigen vermogen [van de lokale overheid].” De verklaring verdween binnen enkele uren van het internet.

Guizhou is voor de schuldencrisis van de lokale overheid wat Evergrande was voor de vastgoedcrisis: het topje van de ijsberg. Toch zal het veel moeilijker zijn om de schuldencrisis van de lokale overheid te bezweren dan de vastgoedcrisis. Volgens het IMF is de officiële schuld van lokale overheden de afgelopen vijf jaar bijna verdubbeld tot 35,3 biljoen yuan (5,14 biljoen dollar). Dat is meer dan 120% van alle inkomsten van de lokale overheid.

Daarnaast zijn er dan nog de schulden van de financiële vehikels van de lokale overheid, entiteiten buiten de begroting om die de belangrijkste kanalen zijn voor uitgaven voor de bouw en infrastructuur. Duizenden van deze slecht gereguleerde maar door de overheid gecontroleerde bedrijven zijn een erfenis van het gigantische stimuleringspakket van 2008-09, dat hun rol in het economische hart van het Chinese staatskapitalisme heeft versterkt. Volgens het IMF steeg de schuld van deze financiële vehikels tot 57 biljoen yuan (8,3 biljoen dollar) in 2022, wat neerkomt op 48% van het Chinese bbp.

De interne schuldencrisis in China vertoont veel gelijkenissen met de externe schuldencrisis die mede door het beleid van de CCP is ontstaan. Beijing zag zich genoodzaakt zijn “familie” van landen van het Belt and Road Initiative (BRI) in Afrika, Azië en Latijns-Amerika meerdere malen te redden. Projecten die bedoeld waren om de groei te stimuleren en de economische macht van het Chinese kapitalisme en zijn dictatuur te vergroten, zijn in plaats daarvan een aderlating geworden waarvan het moeilijk is zich terug te trekken.

Het regime van Xi staat onder enorme druk van de imperialistische Koude Oorlog, de wereldwijde geopolitieke strijd tussen twee falende grootmachten, die beide gebukt gaan onder economische en politieke crises. Dit conflict drijft het deglobaliseringsproces aan, dat op zijn beurt de economische problemen van het wereldkapitalisme verergert en de militaire dreiging doet toenemen. Gezien dit internationale klimaat valt de CCP terug op haar traditionele recept om de groei van het BBP te stimuleren: lokale overheden die geen geld hebben, pushen om meer schulden aan te gaan.

Tegelijkertijd legt zij de bevolking meer besparingen op, onder meer op de lonen in de publieke sector en met aanvallen op de pensioenen. In plaats van ‘wraakuitgaven’ waarop het kapitalisme hoopte voor economisch herstel, zouden de werkenden en jongeren na de nachtmerrie van de pandemie wel eens een andere vorm van wraak kunnen nemen.

Dit vind je misschien ook leuk...