Noord-Afrika en de revolutionaire processen in Algerije en Soedan

Resolutie goedgekeurd door het Internationaal Uitvoerend Comité van het CWI.

De revolutionaire opstanden in Algerije en Soedan hebben de analyse van het CWI van acht jaar geleden bevestigd. In april van dit jaar werden twee al lang heersende dictators binnen een week ten val gebracht, wat de meeste burgerlijke experts en commentatoren verbluffend heeft verrast. Destijds hebben we uitgelegd dat de revoluties die in Tunesië en Egypte begonnen waren, niet alleen kortstondige “lente” vormden, maar eerder de openingssalvo’s waren van een langdurig en complex proces van revolutie en contrarevolutie in de hele regio.

Deze bewegingen zijn des te belangrijker omdat een aantal landen die tijdens de eerste revolutionaire golf in 2010-2011 door de massabewegingen werden geschokt, sindsdien te lijden hebben gehad onder brute contrarevoluties en verwoestende oorlogen. De contrarevolutie is er niet in geslaagd om het spook van nieuwe volksopstanden resoluut uit te bannen, noch heeft het de duurzaamheid en stabiliteit van de regionale orde gegarandeerd.

Contrarevolutie

Egypte wordt geregeerd door een nog meedogenlozer dictatuur dan de in 2011 omvergeworpen dictatuur. Nooit in zijn moderne geschiedenis heeft het land zo’n repressie gekend als onder het bewind van Abdel Fattah al-Sisi. In april heeft het regime een geënsceneerd referendum doorgezet over ingrijpende grondwetswijzigingen die een aantal van de laatste restanten van de democratische verworvenheden van de Egyptische revolutie uit de weg ruimen. De twee termijnen van het presidentschap worden afgeschaft, waardoor Sisi tot 2030 aan de macht kan blijven, en hij krijgt volledige controle over de rechterlijke macht, terwijl de rol van het leger in de politieke aangelegenheden van het land verder wordt uitgebreid.

In de afgelopen periode hebben de westerse regeringen de gelederen gesloten met het autocratische regime in Caïro. De Europese Unie prijst Sisi als een bondgenoot in hun inspanningen om te voorkomen dat vluchtelingen de Europese kusten bereiken. In het licht van de vooruitzichten van de grote zakenwereld op korte termijn heeft ratingbureau Moody in april de status van Egypte als “stabiel” opgewaardeerd, met de opmerking dat “de winstgevendheid [in het land] sterk zal blijven”. Officiële cijfers geven ook de hoogste economische groei in tien jaar aan (5,5%).

Onder omstandigheden waarin de buitenlandse schuld in de laatste helft van het decennium vervijfvoudigd is, terwijl de overheidsschuld in dezelfde periode meer dan verdubbeld is, en waarin 60% van de bevolking in armoede leeft en lijdt onder de gevolgen van de sterk stijgende inflatie en subsidieverlagingen, kan de door de imperialistische mogendheden gewenste stabiliteit en Sisi’s dromen om president voor het leven te worden van korte duur blijken te zijn. Eerder dit jaar schreef een groep ex-ministers en leden van de Egyptische intelligentsia een open brief waarin zij verklaarden: “Je hoeft maar door de straten van Caïro te dwalen om te beseffen hoe groot de interne woede en spanningen zijn die zich kunnen ontwikkelen tot een onbeheersbare sociale explosie”. Dit getuigt van wat er onder de oppervlakte aan het brouwen is.

Naast het gewelddadig onderdrukken van het verzet van de Egyptische arbeiders en van de binnenlandse oppositie in het algemeen, speelt het regime van Sisi een actieve rol in contrarevolutionaire samenzweringen in de hele regio. Slechts enkele dagen na de afzetting van de Soedanese president Omar al-Bashir zijn delegaties uit Egypte, Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) naar Soedan gehaast en hebben zij veel gesprekken gevoerd met de Soedanese militaire junta. In Libië heeft het regime van Sisi actieve politieke, militaire en inlichtingensteun verleend aan de troepen van de Libische aspirant-militaire dictator en de bewonderaar van Sisi, Khalifa Haftar.

Libië is in de greep van een nieuwe en intensievere burgeroorlog, die de gelederen van ontheemden en vluchtelingen aanzwelt. Bijna 100.000 mensen zijn al ontheemd geraakt door het offensief dat Haftar en zijn verkeerd genoemd “Nationaal Libisch Leger” (LNA) op Tripoli heeft gelanceerd, en dat aantal stijgt elke dag.

Haftar hoopte op een snelle en vlotte overwinning in zijn mars naar de hoofdstad. Deze hoop is duidelijk verdwenen. Zijn claim om gewapende islamisten uit te roeien en zijn positie als voorvechter van het secularisme worden tegengesproken door het feit dat zijn eigen LNA een wankele alliantie is die bestaat uit een aanzienlijk aantal salafistische milities, samen met voormalige officieren van Kadhafi’s leger en strijders van verschillende stammen waarmee Khadafi deals heeft gesloten. Als de huidige militaire impasse aanhoudt, kan dit het toneel worden van ernstige scheuren.

De uitkomst van deze strijd zal ook afhangen van de houding van de imperialistische mogendheden en de verschillende regionale mogendheden die erbij betrokken zijn. De groei van een nieuwe oorlog in het olierijke Libië bevat inderdaad een sterk element van een “proxy war”, omdat deze plaatsvindt tegen de achtergrond van een machtsstrijd om invloed tussen Parijs, Rome en vooral de belangrijkste regionale spelers. De onmacht van de VN en de zogenaamde “internationale gemeenschap” wordt opnieuw aan het licht gebracht, aangezien regionale en wereldmachten elk van beide partijen steunen en het conflict rechtstreeks aanwakkeren door hen geavanceerde wapens en munitie te leveren.

Sommige landen lijken bereid om op beide kampen te gokken, in afwachting van de vraag naar welke kant de balans zal omslaan. Hoewel Moskou altijd al de voorkeur heeft gegeven aan Haftar, heeft het contacten opgebouwd met alle belangrijke spelers op het terrein. Trump loofde de rol van Haftar, gesteund door de Amerikaanse bondgenoten Saudi-Arabië, Egypte en de VAE, in “de strijd tegen het terrorisme en het veiligstellen van de Libische olievoorraden”, maar minister van Buitenlandse Zaken Mike Pompeo veroordeelde de acties van Haftar, en vertegenwoordigers van de in Tripoli gevestigde regering, gesteund door Turkije en Qatar, blijven beweren dat de VS hen bijstaat als de legitieme regering van Libië.

De aarzeling en tegenstrijdigheden van de Amerikaanse regering weerspiegelen het door de crisis geteisterde karakter van de regering van de VS, maar ook haar afnemende invloed en geopolitieke invloed in de regio, waar zij in feite naar de tweede rij is gedegradeerd, ten voordele van de regionale actoren, maar ook als gevolg van een assertiever imperialistisch beleid van zowel Rusland als China.

China en Rusland zien in Noord-Afrika een belangrijke arena om hun zakelijke en veiligheidsbelangen te verdedigen. China heeft voor havens in heel Noord-Afrika gekozen als een cruciaal onderdeel van zijn “Belt and Road”-initiatief. Het heeft ook belangstelling getoond om voet aan de grond te krijgen in de Tunesische haven van Bizerte en langs de Marokkaanse Middellandse Zeekust.

Belangrijk is dat zowel Algerije als Soedan de afgelopen twee decennia een aanzienlijke toename van de handel en investeringen met China kenden. Algerije alleen al heeft tussen 2000 en 2017 een 60-voudige toename van zijn export naar China gezien. China is de belangrijkste economische partner in Algerije en heeft miljarden dollars geïnvesteerd in haven- en infrastructuurprojecten in het land. Soedan is ook China’s grootste ontvanger van buitenlandse hulp. Bovendien behoren beide landen tot de grootste afnemers van Chinese wapens in de regio.

Nieuwe sociale explosies in het verschiet

Terwijl sommige landen de volle klappen van contrarevolutie en oorlog te verduren kregen, ontwikkelen krachtige arbeidersbewegingen in andere delen van Noord- en Arabisch Afrika. De revolutionaire bewegingen in Soedan en Algerije tonen ontegensprekelijk aan dat, hoeveel bloed de heersende klassen ook zullen vergieten, zij niet in staat zullen zijn om de wetten van de klassenstrijd uit te roeien. Die zullen altijd een manier vinden om zich uit te drukken.

De pogingen van zowel het Algerijnse als het Soedanese regime om de rampzalige toestand van het Midden-Oosten te gebruiken als afschrikmiddel tegen de revolutie in hun eigen land, hebben niet het gewenste effect gehad. Toen de Algerijnse heersers met het Syrische scenario zwaaiden om mensen van de straat te halen en toen ze zeiden dat de protesten in Syrië hadden geleid tot een decennium van oorlog, reageerden de Algerijnse demonstranten eenvoudigweg met de slogan: “Algerije is Syrië niet”.

Dat wil niet zeggen dat de gewelddadige contrarevolutie van de afgelopen jaren geen invloed heeft gehad op het bewustzijn en de dynamiek van de strijd in de regio, natuurlijk. Maar we moeten de grenzen hiervan benadrukken in de context van de hele regio, die kookt van woede en wanhoop. “Je kunt ons niet doden, we zijn al dood”, was een slogan die door jonge Algerijnse demonstranten werd geroepen tijdens een eerdere beweging van massaprotesten in de regio Kabylië in 2001, toen de politie met scherp schoot. De Soedanese demonstranten zingen vandaag: “De kogel doodt niet. Wat doodt, is het zwijgen”. Dit geeft een goed beeld van de stemming onder miljoenen mensen in de regio, met name de jongeren en de armste lagen van de bevolking.

Natuurlijk kan en zal deze stemming in sommige gevallen hopeloze uitingen bevatten, vooral als ze niet politiek in een duidelijk alternatief worden gekanaliseerd. Tunesië, het land dat door de burgerlijke commentatoren nog steeds als het succesverhaal van de “Arabische Lente” wordt genoemd, kende sinds de revolutie van 2011 een verdrievoudiging van het aantal gevallen van zelfverbranding en is een belangrijke bron van rekruten voor jihadistische groeperingen in de regio. De proliferatie van wapens als gevolg van het door oorlog verscheurde Libië en het voortbestaan van een belangrijk stedelijk en landelijk lompenproletariaat betekent ook dat het gevaar van nieuwe terroristische aanslagen en de instrumentalisering daarvan door de regionale machten om de repressie te bevorderen, waarschijnlijk deel zal blijven uitmaken van het politieke landschap, zoals opnieuw blijkt uit de zelfmoordaanslagen in Tunis in juni en de daaropvolgende uitbreiding van de noodtoestand.

Het kapitalisme en het imperialisme vernietigen de levensomstandigheden van de bevolking, hun banen en hun omgeving, terwijl ze de regio in nieuwe gewapende conflicten drijven. In deze omstandigheden is het geen verrassing dat meer dan de helft van de jongeren in een groot deel van de Arabische wereld hun vaderland willen verlaten, zoals blijkt uit de Arabische enquête van BBC News (Arabic Survey 2018/19). Dat aantal is sinds 2016 met meer dan 10% gestegen voor de 18-29-jarigen. Uit het onderzoek blijkt dat 70% van de Marokkaanse jongeren er aan denkt om hun land te verlaten.

Niettegenstaande deze factoren zal de komende nieuwe wereldwijde economische recessie, gecombineerd met het beleid van “fort Europa”, ook nieuwe lagen van werkenden en jongeren tot de conclusie brengen dat het falen van het systeem op hun eigen terrein moet worden bestreden en dat een wereldwijde transformatie van de samenleving noodzakelijk is. Kortom, de omstandigheden die door het kapitalisme worden gecreëerd, dragen inherent de onvermijdelijkheid van nieuwe sociale explosies en massale revolutionaire omwentelingen met zich mee.

Deze zullen zich echter niet in een rechte lijn ontwikkelen, vooral niet in het licht van de algemene zwakte van de “subjectieve factor”: het bestaan van massale revolutionaire partijen die in staat zijn om deze bewegingen te leiden tot het omverwerpen van het kapitalisme en het voeren van een socialistisch beleid. De dramatische gebeurtenissen van het laatste decennium herinneren ons er nog eens krachtig aan dat zonder de opbouw van dergelijke partijen nieuwe rampen in het verschiet liggen voor de massa’s in de regio.

Crisis en economische stagnatie

Het kapitalisme in Noord-Afrika is net als elders niet in staat om de productiekrachten te ontwikkelen. Dit wordt typisch geïllustreerd door de massale werkloosheid die in de hele regio, met name onder jongeren, een chronisch verschijnsel is. Het IMF voorspelt een jaarlijkse groei van 1,3% voor de MENA-regio (Midden-Oosten en Noord-Afrika) in 2019; dit is niet genoeg om de 2,8 miljoen extra jongeren die elk jaar de arbeidsmarkt betreden, op te vangen. In de Arabische jongerenenquête van 2019, de grootste enquête over de mening van jongeren in de Arabische wereld, noemde 56% de kosten van levensonderhoud de grootste belemmering voor de regio; 45% noemde de werkloosheid. Dit is een enorme sociale tijdbom.

Een gevolg van deze situatie is het bestaan van een erg belangrijke informele economie. In het noordoosten van Marokko is 70 procent van de economie afhankelijk van de informele sector. De dood van twee jonge mannen die in januari 2018 steenkool ontgonnen uit verlaten mijnen in de verarmde oostelijke stad Jerada heeft deze realiteit aan het licht gebracht door maandenlang explosieve protesten uit te lokken.

Sinds de zogenaamde “Arabische Lente” hebben de regionale regeringen hun grenzen en bewakingssystemen versterkt. Dit heeft de economieën van de al worstelende grenssteden vaak verslechterd, omdat de smokkelhandelseconomie niet alleen een bron van winst is voor grensbeambten, corrupte politici en smokkelnetwerken, maar ook een integraal onderdeel is geworden van het sociale weefsel van lokale gemeenschappen.

Algerijnse, Marokkaanse en Tunesische grenssteden zijn in de greep van protesten tegen de daaruit voortvloeiende aanval op hun bestaansmiddelen. In deze gemarginaliseerde gebieden is de vraag naar alternatieve economische mogelijkheden met fatsoenlijke en goed betaalde banen en een uitgebreid programma voor de bouw en renovatie van infrastructuur, gefinancierd door de staat en democratisch gecoördineerd door de lokale bevolking en de arbeidersorganisaties, essentieel.

In de afgelopen decennia is het aandeel van de plattelandsbevolking in de totale bevolking van Noord-Afrika aanzienlijk gedaald. Tientallen miljoenen mensen zijn van het platteland naar de steden verhuisd. De bevolking van de steden in de Maghreblanden vertegenwoordigde in 1950 20 procent van de totale bevolking; in 1970 was dat 45 procent, in 1980 62 procent en in 2030 naar verwachting 70 procent. De ongebreidelde vernietiging van klein particulier agrarisch eigendom, de concentratie van landeigendom en het gebrek aan infrastructuur op het platteland heeft ertoe geleid dat tientallen armen op het platteland naar de steden zijn gemigreerd, waardoor de werkloosheid daar is toegenomen en de stedelijke armen die in een wanhopige strijd om het dagelijks levensonderhoud verwikkeld zijn, in een kapitalistische economie waarschijnlijk nooit een stabiele loon betalende baan zullen vinden.

Door deze kenmerken zijn werkloze jongeren en armen in de steden geneigd een belangrijke rol te spelen in tijden van massale strijd. Omdat ze niet aan formele banen gebonden zijn, hebben ze meer directe vrijheid om te handelen en nog minder om te verliezen, waardoor ze in actie kunnen komen voordat de georganiseerde arbeidersklasse in actie komt. Maar mensen met een informele baan of werklozen hebben op eigen kracht slechts een beperkte invloed om een succesvolle strijd aan te gaan. Het is van vitaal belang dat er militante leiders komen die bereid zijn om een alomvattende strijd te voeren op basis van eisen die deze lagen verenigen met de arbeidersbeweging. Anders kunnen delen van deze in verval geraakte lagen ten prooi vallen aan de reactie.

Er kunnen ook scheidslijnen ontstaan tussen deze sociale lagen en de werkende klasse. Het is in het kader van de apathie van de vakbondsbureaucratie, bijvoorbeeld, dat we in Tunesië werkloze demonstranten hebben gezien die met zitacties productievestigingen blokkeerden om werk te eisen, soms zonder de arbeiders binnen die bedrijven te bereiken, arbeiders die deze acties als een bedreiging voor hun eigen werkgelegenheid konden zien. In de context van massale werkloosheid zullen deze scheidslijnen worden uitgebuit door de heersende klasse, bijvoorbeeld door arbeiders die in staking gaan af te schilderen als een “bevoorrechte laag” die het scheppen van werkgelegenheid en het herstel van de economie bedreigt.

Zulke kloven kunnen alleen worden overbrugd door sterke arbeidersorganisaties weer op te bouwen en de vakbonden terug te eisen om ze om te vormen tot volledig democratische en strijdbare organisaties, door te streven naar het verenigen van arbeiders, werkloze jongeren en alle armen in actie door middel van massacampagnes (voor door de overheid gefinancierde banen en voor het verdelen van werk zonder verlies van loon, voor fatsoenlijke en betaalbare huisvesting, voor openbare diensten, etc.).

Jongeren, die het grootste deel van de bevolking in de hele regio uitmaken, hebben een sombere toekomst voor zich. Deze omstandigheden geven echter ook vorm aan het radicale perspectief van een nieuwe generatie revolutionaire activisten. Deze generatie is een drijvende kracht geweest achter alle massabewegingen in de regio. In Algerije werd het trauma van het ‘zwarte decennium’ – het bloedige conflict tussen het leger en de fundamentalisten van het Islamitisch Verlossingsfront (FIS) en zijn uitlopers na de staatsgreep van januari 1992 – lange tijd uitgebuit door de heersende elite en, in combinatie met uitgebreide sociale toegiften, liet het dit regime toe om de storm van 2010-2011 te doorstaan. Maar deze factor is nu grotendeels verdwenen doordat een nieuwe en meer zelfverzekerde generatie in opstand komt, een laag die minder getroffen is door de nederlagen uit het verleden.

Sinds 2011 heeft het IMF de druk op de Noord-Afrikaanse regeringen opgevoerd om zijn bezuinigingsprogramma’s naar de letter te volgen. Deze regeringen hebben van internationale crediteuren de opdracht gekregen om verder te bezuinigen op subsidies, de loonkosten in de publieke sector te verlagen, privatiseringsprogramma’s door te voeren en het fiscaal beleid aan te scherpen. Dit heeft de weg geëffend voor een verdere toename van de ongelijkheden, waardoor de economische structuur die iets minder dan tien jaar geleden revolutionaire klassenuitbarstingen veroorzaakte, nog verder is verslechterd.

Natuurlijk is de economische crisis geen eenrichtingsverkeer naar de revolutie. Maar het is duidelijk dat de economische omstandigheden een cruciale onderliggende factor zijn achter de enorme woede die heerst onder grote delen van de bevolking. De protesten van de afgelopen jaren hebben zich in alle landen vaak toegespitst op het probleem van de werkloosheid, de economische marginalisering en de stijgende kosten van levensonderhoud. Het lijdt geen twijfel dat een nieuwe wereldwijde recessie deze problemen nog aanzienlijk zou verergeren.

Dit gezegd zijnde, zijn economische factoren niet de enige potentiële oorzaken om massabewegingen uit te lokken, noch vormen zij een volledige verklaring op zich van de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan. Het repressieve karakter van de staat in de regio, bijvoorbeeld, en de dagelijkse minachting, intimidatie en straffeloosheid door corrupte ordediensten, dragen bij aan de explosieve mix.

De machtsstructuren van Noord-Afrika zijn gebaseerd op een ingewikkelde verstrengeling tussen de politieke en economische macht van de heersende klasse – zoals belichaamd door de heersende monarchie in Marokko, die een uitgebreid zakenimperium over de economie van het land heeft opgebouwd. In landen als Egypte, Soedan en Algerije is het leger meer dan een vitaal onderdeel van de burgerlijke staat; het leger heeft ook een enorme economische macht. Dit betekent dat elke economische vraag snel een politiek karakter kan krijgen en vice versa.

Deze kenmerken – economische zwakte en afhankelijkheid, maar ook autoritaire regimes – zijn het gevolg van de positie van Noord-Afrika in het mondiale kapitalistische systeem. Imperialisme en kapitalisme hebben geleid tot een ongelijke en gecombineerde ontwikkeling, waarbij een meerderheid van de landen wordt gedomineerd en ondergeschikt is aan de grotere machten. Regimes in Noord-Afrika proberen een evenwicht te vinden tussen verschillende mogendheden, die op hun beurt hun wrede heerschappij ondersteunen en tevreden te stellen. De neoliberale aanvallen op de levensomstandigheden die het IMF de afgelopen decennia heeft geëist, hebben het internationale karakter van de crisis in de regio onderstreept. Dat geldt ook voor de wapenwedloop en de oorlogen die met de betrokken imperialistische mogendheden zijn gevoerd.

Proletarisering van de middenlagen

In Marokko zijn dit jaar tienduizenden leerkrachten met een tijdelijk contract in dienst van de overheid  herhaaldelijk en soms langdurig in staking gegaan en hebben zij samen met hun collega’s de integratie in het nationale onderwijsstelsel en de stopzetting van de privatisering van de openbare scholen geëist.

De leerkrachten hebben bewezen dat ze tot de meest militante sectoren van de arbeidersklasse behoren en dat ze het voortouw nemen in de belangrijke klassengevechten in Tunesië, Marokko, Algerije en Soedan. In alle vier de landen zijn ze de afgelopen jaren betrokken geweest bij harde stakingsacties en protesten, waarbij ze betere salarissen en voorwaarden eisten, maar ook aandrongen op moedige politieke eisen. In Algerije bijvoorbeeld hebben leraren een leidende rol gespeeld in de massabeweging die Bouteflika omver heeft geworpen, met zes onafhankelijke vakbonden van leraren en onderwijsmedewerkers die hun leden op 13 maart hebben opgeroepen om in staking te gaan en zich aan te sluiten bij de strijd om Bouteflika af te zetten. In Soedan hebben leraren, maar ook artsen, een sleutelrol gespeeld in de opstand tegen al Bashir.

Dit weerspiegelt een breder maatschappelijk fenomeen. De belangrijkste commentatoren hebben in de zogenaamde “Arabische Lente” vaak een pleidooi gehouden voor het feit dat de middenklasse de drijvende kracht is achter de revolutionaire beweging, zoals ze dat vandaag ook met betrekking tot Soedan doen. Maar wat vaak wordt aangeduid als middenklasse of “middenlagen” (leraren, dokters, advocaten, journalisten, …), zijn beroepsgroepen die steeds meer geconfronteerd worden met omstandigheden die meer lijken op een nieuw proletariaat. Voorafgaand aan de organisatie van de recente protesten kwam de Soedanese Beroepsvereniging (SPA, de paraplu van de veelal beroepsverenigingen die een belangrijke mobiliserende rol speelt in de revolutie) voor het eerst in de publieke belangstelling met een studie over het minimumloon van Soedanese beroepsbeoefenaars, waarbij ze allemaal onder de armoedegrens bleken te vallen, in sommige gevallen met een inkomen van minder dan 50 dollar per maand.

Een deel van deze lagen beschouwt zichzelf nog steeds als een ‘opgeleide elite’ die boven de rest van de arbeidersklasse staat. Dit is zeker het geval voor de leiding van de SPA in Soedan, die heeft geprobeerd een niet-bestaande “derde weg” te vinden tussen de onafhankelijke revolutionaire mobilisatie van de arbeidersklasse en arme massa’s aan de ene kant en onderhandelingen met contrarevolutionaire generaals aan de andere kant. Daarin weerspiegelen ze typisch de politieke schommelingen van de middenklasse in een tijd van verscherpte klassentegenstellingen.

Toch hebben de economische crisis, decennia van brutaal neoliberaal beleid en de scherpe waardevermindering van lokale valuta’s de middenlagen hard getroffen, en hebben ze in de ogen van velen de illusie van deel uit te maken van de middenklasse kapot gemaakt – en dit is precies een van de redenen waarom ze in opstand komen tegen de bestaande orde. Dit heeft velen ertoe aangezet om de methoden van de strijd van de arbeidersklasse te omarmen en de vakbondsbeweging te integreren.

Tunesië

De georganiseerde arbeidersbewegingen in alle Maghreblanden begonnen het jaar met stakingen in de publieke sector. In Tunesië nam dit de vorm aan van een 24-uren algemene staking in de publieke sector op 17 januari. Terwijl de belangrijkste officiële eisen van de staking rond loonsverhogingen en tegen de privatiseringsplannen van de regering gingen, had de staking een diepgaand politiek karakter, met slogans die duidelijk een confronterende koers tegen de regering en het IMF aannamen.

Het huidige politieke systeem van Tunesië bevat kenmerken van een burgerlijk democratisch regime, maar een uiterst onstabiel in plaats van een geconsolideerd regime. Zoals we al eerder hebben uitgelegd, is deze zogenaamde “Tunesische anomalie” alleen mogelijk dankzij de invloedrijke rol van de UGTT (Tunesische Algemene Arbeidersvakbond), die een krachtig tegenwicht heeft geboden aan het herstel van een dictatuur.

Een mechanische lezing van deze situatie zou tot de conclusie leiden dat dit een doorn in het oog is van Trotski’s theorie van de permanente revolutie. In werkelijkheid is Tunesië in een staat van extreme verandering, en de revolutionaire periode die in januari 2011 werd geopend, is niet afgesloten.

In 1930 schreef Trotski ‘Een brief over de Italiaanse revolutie’, waarin hij uitlegde dat Italië na de val van het fascistische regime van Mussolini weer een ‘democratische republiek’ kon worden. Maar hij legde verder uit dat dit “niet het resultaat zou zijn van een burgerlijke revolutie, maar van het aborteren van een onvolwassen proletarische revolutie. In het geval van een diepe revolutionaire crisis en massale gevechten waarbij de proletarische voorhoede niet in staat zal zijn geweest om de macht te grijpen, kan het zijn dat de burgerij haar heerschappij op democratische grondslagen zal herstellen.”

Een gelijkaardig proces speelt vandaag de dag in Tunesië – met de leiders van de UGTTT die een gelijkaardige rol spelen in het helpen van de heersende klasse om haar burgerlijke contrarevolutie te consolideren, zoals de leiders van de Italiaanse Communistische Partij na de oorlog – met dat belangrijke verschil dat er geen economische basis is die ook maar enigszins verwant is met de economische opleving in de naoorlogse periode om de Tunesische heersende klasse te helpen bij het opbouwen van een stabiele burgerlijke democratie.

Dit komt duidelijk tot uiting in de langdurige en ononderbroken politieke crisis die Tunesië de afgelopen acht jaar heeft doorgemaakt, met tien regeringen sinds de val van Ben Ali, een zeer gefragmenteerde politieke arena, regelmatige splitsingen in de gelederen van de belangrijkste burgerlijke partijen, en de voortdurende vorming van nieuwe partijen, tegen de achtergrond van massale ontevredenheid van de bevolking over het hele politieke establishment.

Helaas heeft deze situatie de Tunesische linkse partijen niet gespaard. In mei hebben negen leden van de linkse coalitie ‘Volksfront’ hun ontslag ingediend uit het parlementaire blok van de coalitie, waardoor de interne crisis die lange tijd binnen het Volksfront dreigde op te duiken, openlijk naar voren kwam. Deze crisis is het gevolg van het politieke verraad uit het verleden en de huidige stagnatie, nog verergerd door een steeds bureaucratischer wordende interne cultuur en de ongecontroleerde machtsstrijd tussen de belangrijkste stalinistische en maoïstische componenten in aanloop naar de presidentsverkiezingen in november.

Revoluties in Soedan en Algerije

De arbeidersklasse en de vakbonden

De opstanden die Algerije en Soedan kwamen als een schok. Ook al kennen ze tot nu toe weliswaar niet dezelfde internationale naschokken als in 2011, ze hebben wel ingrijpende gevolgen voor de regio. Het feit dat beide landen een kruispunt vormen tussen Noord- en Sub-Saharaans Afrika benadrukt dat punt. Het is geen toeval dat dit jaar al minstens tien Afrikaanse regeringen hun toevlucht hebben genomen tot het uitschakelen van internet en sociale media: meestal in een poging om protesten te onderdrukken. Naburige regimes zijn ongetwijfeld nerveus. In april, slechts drie dagen na het aftreden van Bouteflika, bevestigde het Marokkaanse Hof van Beroep de gevangenisstraffen van maximaal twintig jaar tegen tientallen activisten en leiders van de protestbeweging ‘Hirak’ in de noordelijke Rif-regio in 2016-2017.

De bewegingen in Soedan en Algerije vertegenwoordigen de revolutionaire continuïteit van wat 8 jaar geleden gebeurde, maar hebben ook hun eigen originele kenmerken ontwikkeld. Belangrijk is ook dat zij een deel van de lessen uit de revolutionaire ervaringen uit het recente verleden hebben overgenomen.

Dit geldt met name voor de nederlaag die de massa’s in Egypte hebben geleden. Het verschil tussen de grotendeels feestelijke reactie van de Egyptische revolutionaire massa’s op de omverwerping van Mubarak en de reactie van de Soedanese en Algerijnse bewegingen op de verwijdering van hun dictator, was merkbaar. In de laatste gevallen was de mate van verzet tegen het leger vanaf het begin op een relatief ander niveau, en er werden slogans geroepen waarin een Egyptisch scenario expliciet werd verworpen. Een populaire slogan op de sit-in in Khartoem was ‘Ofwel de overwinning of Egypte’. In Algerije waren er slogans die duidelijk maakten dat de massa’s zich niet met een figuur als al-Sisi zouden tevreden stellen. Dit toont aan dat de ervaring van de Egyptische militaire staatsgreep internationaal is doorgedrongen in het bewustzijn van het volk – vooral in landen als Soedan en Algerije, met een geschiedenis van militaire staatsgrepen en waar het leger een sleutelrol speelt in de staatsmachine.

De bewegingen in Algerije en Soedan hebben ook de enorme potentiële macht van de arbeidersklasse opnieuw bevestigd. De Soedanese arbeidersklasse is weliswaar klein in aantal, maar heeft een rijke traditie van strijd, met drie revoluties sinds 1964. Het is geen toeval dat de wieg van de beweging in Soedan in Atbara lag, een industriële stad in het noordoosten van Soedan die de geboorteplaats was van de vakbondsbeweging en een voormalig bolwerk van de Communistische Partij.

De Algerijnse arbeidersklasse neemt van haar kant een strategische positie in als een van de sterkste in de regio en op het Afrikaanse continent als geheel. Het land is de op twee na grootste aardgasleverancier van Europa en ook een grote olieproducent.

In Algerije versnelde de ontwikkeling van twee opeenvolgende algemene stakingen de verdeeldheid binnen het regime en dwong de heersende klasse om Bouteflika uiteindelijk op te geven. Begin maart was de uitdrukkelijke steun van de plaatselijke afdelingen van de UGTA (Algemene Vakbonden van Algerijnse Arbeiders) in de historische arbeidersbastions van Rouiba en Reghaïa, in de grote industriële voorsteden van Algiers (waar zich de grootste concentratie van fabrieken in het land bevindt), een keerpunt en kondigde het de doorslaggevende intrede van de arbeidersklasse aan als sociale kracht in de beweging.

Men zou kunnen zeggen dat de betrokkenheid van de arbeidersklasse in de aanloop naar de omverwerping van Bouteflika spectaculairder was dan nadien. Dit zette de Financial Times ertoe aan om zichzelf gerust te stellen. De krant verklaarde half juni dat “straatprotesten, die elke vrijdag honderdduizenden mensen uit alle lagen van de bevolking aantrekken, de roep om een algemene staking of de permanente bezetting van openbare pleinen hebben vermeden, wat als escalatie zou worden gezien.” Toch is het duidelijk dat de ervaring van de golven van massale stakingen in maart in het geheugen van elke Algerijnse arbeider zal zijn blijven hangen en in de nabije toekomst waarschijnlijk weer op de agenda zal staan.

De omverwerping van Al Bashir en Bouteflika heeft ook de aanzet gegeven tot een proces van herovering van de vakbonden door de arbeidersklasse. Het heeft in beide landen verschillende vormen en diepten aangenomen, maar in het algemeen gaat het in dezelfde richting: pogingen om vakbondsstructuren te ontwikkelen die democratisch worden gecontroleerd door de basis.

Algerijnse vakbondsleden en leiders van belangrijke regionale federaties van de UGTA hebben bijeenkomsten georganiseerd waar werd opgeroepen tot het onmiddellijk aftreden van de UGTA-secretaris-generaal Sidi Said, een fervent aanhanger van het oude regime. Er werden slogans opgenomen als: “Allemaal samen om de UGTA terug te winnen voor de klassenstrijd. Allemaal samen om het regime en de oligarchen uit de UGTA te schoppen. Allemaal samen om Sidi Said en zijn kliek kwijt te raken.” Onder druk werd Sidi Said gedwongen aan te kondigen dat hij niet geen kandidaat was om zichzelf op te volgen tijdens het 13e congres van de federatie op 21 en 22 juni, een congres dat aanvankelijk was aangekondigd voor januari 2020.

De nieuwe secretaris-generaal van de UGTA is voor een breed publiek minder gecompromitteerd, maar hij is wel een product van dezelfde bureaucratische kleik en het congres bleef een bureaucratisch gecontroleerde en erg gesloten zaak gericht op het waarborgen van ‘verandering in continuïteit’ en het weghouden van ‘herrieschoppers’. De strijd om de vakbond te zuiveren van de corrupte, regimevriendelijke bureaucraten blijft aan de orde van de dag en kan gevoerd worden rond de eis van een speciaal congres waar alleen afgevaardigden die naar behoren en democratisch gemandateerd zijn door de basis over de toekomst van de vakbond beslissen.

Terwijl de UGTA enkele belangrijke regionale en sectorale bolwerken in stand heeft gehouden, is haar steun aanzienlijk uitgehold door tientallen jaren van verraad en de nauwe samenwerking van haar leiders met de staat en de bazen. In deze context is de laatste jaren een reeks “autonome vakbonden” ontstaan die een zekere invloed hebben ontwikkeld, met name in publieke sectoren zoals de gezondheidszorg en het onderwijs. Vorig jaar kwamen deze vakbonden samen in een ‘Confederatie van Autonome Vakbonden’ (CSA), die ongeveer vier miljoen werknemers vertegenwoordigt. Daarom moet de noodzakelijke taak om de UGTA door haar basis opnieuw toe te eigenen, worden gecombineerd met eenheidsfrontvoorstellen gericht op deze autonome vakbonden, teneinde de eenheid van de werkenden in de praktijk te brengen.

In Soedan is het beeld enigszins anders, aangezien de vakbondsbeweging daar te lijden had onder veel wredere methoden van onderwerping door de staat. In de jaren negentig werden de vakbonden tot op een nooit eerder geziene hoogte gezuiverd, hun leden werden massaal gevangen genomen en gemarteld en arbeiders die staakten kregen draconische sancties opgelegd. De officiële Algemene Unie van Soedanese Arbeiders werd volledig onderworpen aan de heersende macht. De SPA zelf heeft het grootste deel van haar korte bestaan ondergronds moeten opereren.

Maar het is een uitdrukking van de vastberaden vakbondstradities dat sinds de val van al Bashir, een aantal vroegere vakbondsleden samen met een nieuwe laag jongere arbeiders, proberen de door het regime vernietigde vakbonden weer tot leven te wekken en te organiseren. Dit is het geval met de spoorwegarbeiders in Atbara, de havenarbeiders in Port Soedan, de arbeiders van de Centrale Bank van Soedan, de journalisten die een ‘Committee for the Restoration of the Sudanese Journalists Union’ hebben opgericht, enz. Bovendien zijn de werknemers in sommige gevallen ook overgegaan tot de controle van de officiële vakbonden door de leiders die met het oude regime hadden samengewerkt te verwijderen. Onder druk van de beweging heeft de militaire junta zelfs een bevriezing van de bij het regime aangesloten vakbonden opgelegd toen Bashir uit zijn ambt werd ontheven. Toen een eerste stakingsplan werd opgesteld, annuleerde de Militaire Overgangsraad (TMC) de bevriezing, zodat deze regimevriendelijke bonden opnieuw konden opereren om zo de ontwikkeling van onafhankelijke vakbonden te dwarsbomen.

Comités

Er is relatief weinig aandacht voor, maar de ontwikkeling van lokale revolutionaire comités (de “verzetscomités”) lijkt in Soedan een veelomvattend karakter te hebben gekregen, misschien zelfs meer dan in Egypte en Tunesië in 2011. Dit komt onder meer doordat de eerste verzetscomités in Soedan al in 2013 werden opgericht, toen het land een toename van de protesten tegen het regime kende. Deze comités zijn nu weer op een bredere en meer georganiseerde schaal opgedoken en hebben onder meer stakingscomités opgericht op een aantal werkplekken. Het regime is zich zeer bewust van het gevaar van deze ontwikkeling, wat verklaart waarom leiders van verzetscomités uit de Khartoemse wijken zijn vermoord bij gerichte moorden door milities van het regime.

Het feit dat het internet vanaf begin juni bijna volledig werd afgesloten door het TMC heeft ertoe bijgedragen dat de rol van dit netwerk van lokale verzetscomités centraal is komen te staan, aangezien de betogers gedwongen waren een manier te vinden om de telecom- en internetuitschakeling van de junta tegen te gaan en deze comités hebben gebruikt om hun buren te mobiliseren, gemeenschapsbijeenkomsten te organiseren, betogingen te organiseren, gedrukte folders uit te delen ter vervanging van de digitale communicatie, enzovoort.

Hoewel dit kan veranderen, is het revolutionaire karakter van de beweging vanuit deze belangrijke invalshoek tot nu toe meer uitgesproken in Soedan dan in Algerije. In Algerije zijn er in sommige gevallen strijdcomités ontstaan en zijn er “autonome comités” opgericht door studenten van de meeste universitaire faculteiten, maar tot nu toe lijkt dit proces meer fragmentarisch en minder ver gevorderd – zelfs in vergelijking met de massabeweging in Kabylië in 2001, toen de massa’s comités in het leven riepen die duidelijk in de plaats kwamen van de officiële staatsstructuren.

Staats- en contrarevolutionair geweld

In het laatste geval, en ook in Soedan vandaag, was de moorddadige onderdrukking door de staat een stimulans voor mensen om verdedigingscomités op te richten om zichzelf te beschermen. In Algerije is het staatsgeweld tot nu toe echter grotendeels beperkt gebleven.

Alleen al het feit dat de Algerijnse generaals, die berucht zijn om hun wrede methoden, zich terughoudend lijken op te stellen ten aanzien van het gebruik van geweld tegen betogers, spreekt boekdelen over de sociale vulkaan waarop zij zitten en de angst om iets veel groters uit te lokken. Het leger heeft zich tot nu toe terughoudend opgesteld bij het uitvoeren van een bloedige onderdrukking, bang dat dit de strijd tegen het huidige regime alleen maar zal intensiveren. De aantallen bij de wekelijkse protesten op vrijdag in juni liepen terug, maar de situatie blijft uiterst onstabiel en elke poging om de beweging op grote schaal te beteugelen zou de beweging onmiddellijk doen ontbranden. Lahouari Addi, een Algerijnse socioloog aan het Instituut voor Politieke Studies in Lyon, wees ook op een andere belangrijke reden voor de terughoudendheid van de militaire leiding: “Ze zijn er niet zeker van dat hun troepen hen trouw zullen blijven.”

Dat is natuurlijk niet vanzelfsprekend. Het regime heeft tot nu toe gekozen voor een meer gerichte, preventieve vorm van repressie om de spierballen te rollen ter voorbereiding op een bredere reactie. Zo is een aantal activisten gearresteerd, waaronder Louisa Hanoune, algemeen secretaris van de Arbeiderspartij (Parti des Travailleurs, PT), die op 9 mei werd gearresteerd op beschuldiging van “samenzwering tegen het gezag van de staat.” Hanoune heeft een militant verleden en wordt in de pers nog steeds een “trotskiste” genoemd, maar staat bekend om haar nauwe banden met de familie van Bouteflika. Na de eerste demonstraties in februari ging ze de mist in toen ze verklaarde dat de slogans van de beweging “niet tegen Bouteflika” gericht waren. Haar arrestatie lijkt evenzeer te maken te hebben met een afrekening tussen rivaliserende facties binnen het regime als met haar milde kritiek op de huidige regering.

In Soedan speelden de onthulling van de klassenverschillen binnen het leger en de opstand van de lagere rangen een zeer belangrijke rol in de revolutionaire opstanden van 1964 en 1985. De instinctieve sympathie voor de revolutionaire strijd, die actief tot uitdrukking werd gebracht door vele soldaten en jonge officieren, was ook een drijvende kracht achter de haast van de generale staf om zich in april van Omar Al Bashir te ontdoen, in een poging om de controle over hun eigen troepen te behouden. Daarom moet een gedurfde oproep aan het leger, samen met de opbouw van democratisch gecontroleerde arbeiders- en volksverdedigingstroepen, een belangrijk aspect zijn van onze aanpak om te ontwapenen en de reactie te verslaan. Door de kant van het volk te kiezen, lopen soldaten natuurlijk het risico voor de krijgsraad te worden gedaagd en zwaar te worden gestraft. Dat betekent dat een echte breuk tussen het leger en zijn reactionaire officieren alleen kan ontstaan door een gedurfd politiek en sociaal programma dat de soldaten het vertrouwen kan geven dat de revolutie kan winnen en hen kan aanzetten tot daadkrachtig optreden.

De muiterijtradities binnen het Soedanese leger zijn een belangrijke reden waarom het regime van al Bashir de veiligheidstakken van de staat in stand heeft gehouden en paramilitaire groeperingen heeft opgericht om een soepel staatsmechanisme op te bouwen in het geval van een revolutionaire aanval op zijn bewind. Onder zijn was er een enorme uitbreiding van de inlichtingendiensten en diverse milities.

In 2014 lanceerde de EU het zogenaamde ‘Khartoem-proces’, waarvan een deel bestaat uit het uitbesteden van grensbewaking aan regionale staten om de migratiestroom tussen de Hoorn van Afrika en de Middellandse Zee te stoppen. Dit heeft geleid tot het trainen en financieren van Libische kustwachten, die migranten op zee gevangennemen en terugsturen naar de wrede omstandigheden in de Libische gevangenenkampen, waar ze geconfronteerd worden met hongersnood, marteling, verkrachting en slavernij. In dit kader werden ook miljoenen euro’s aan de Soedanese regering gegeven; middelen die zijn doorgesluisd naar de paramilitairen van de “Rapid Support Forces”, een uitloper van de brutale Janjaweed-militie die betrokken was bij de massale gruweldaden tijdens het conflict in Darfoer, die de taak kregen om Afrikaanse migranten en vluchtelingen te stoppen als die proberen naar Europa te vluchten. Met andere woorden: de EU had een directe hand in het ondersteunen en professionaliseren van de milities die het contrarevolutionaire bloedbad van 3 juni hebben doorgevoerd.

De slachtpartij tegen de zitactie in Khartoem op 3 juni betekende een contrarevolutionair keerpunt in Soedan. Zoals een commentator het treffend verwoordde: “Darfoer was die week naar Khartoem gekomen.” Het lijdt geen twijfel dat achter deze moorddadige aanval niet alleen de angst van de binnenlandse heersende klasse schuilging, maar ook die van de regionale TMC steunende despoten (met name de monarchen in Saoedi-Arabië en de VAE, samen met het Egyptische regime). Zij vreesden voor een beweging die een inspiratiebron kon worden voor miljoenen mensen in de hele regio. Zij moedigden de heersers in Khartoem aan om de kern van deze beweging aan te vallen, gedreven door hun drang om alle revolutionaire verleidingen die zich in hun eigen achtertuin zouden kunnen ontwikkelen, in de kiem te smoren.

De tactische waardering voor deze berekening werd in de westerse hoofdsteden en ambassades enigszins getemperd. In een ongebruikelijke openlijke verklaring onthulde het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken dat zijn ondersecretaris een telefoontje had gepleegd met de Saoedische onderminister van Defensie om hem te vragen zijn invloed aan te wenden om het bloedbad in Soedan te bedaren. Terwijl Rusland een oorlogszuchtige houding aannam en de rechtvaardiging van de RSF (Rapid Support Forces) over de slachting herhaalde, probeerde de zogenaamde “Trojka” (VS, Groot-Brittannië en Noorwegen) en de Afrikaanse Unie, via Ethiopische bemiddeling, om de “excessen” van de Militaire Raad te beteugelen en tegelijkertijd de oppositie aan te zetten tot het aanvaarden van een akkoord over machtsdeling.

Het is duidelijk dat sommige delen van de heersende klasse, vooral in het westen, zich ervan bewust zijn en zich zorgen maken dat een hernieuwde destabilisatie van het land kan leiden tot nieuwe vluchtelingengolven die tot hun voordeur leiden; maar zich nog meer zorgen maken dat een vroegtijdige, bloedige onderdrukking van de beweging verdere revolutionaire escalatie kan uitlokken.

En ze hebben gelijk. Het bloedbad van 3 juni heeft niet hetzelfde effect op de revolutie gehad als bijvoorbeeld het bloedbad van Rabaa in augustus 2013 door het Egyptische leger, dat de weg heeft vrijgemaakt voor een periode van aanhoudende onderdrukking door het pas opgerichte regime van Sisi. Zoals Marx ooit heeft uitgelegd, heeft een revolutie af en toe de zweep van de contrarevolutie nodig. Dit is wat er begin juni in Soedan gebeurde: het antwoord van de arbeidersklasse op het bloedbad kwam er snel met een nationale algemene staking die drie dagen duurde. De indrukwekkende staking in alle sectoren, ondanks openlijke dreigementen van de leiders van het TMC, getuigt van de militante stemming en vastberadenheid van de arbeiders.

De SPA – strategie en tactiek

Tijdens de staking moedigde de Soedanese beroepsvereniging (SPA) de demonstranten aan om barricades op de hoofdwegen en zijstraten te bouwen, maar in plaats van ze te bewaken, raadde de Soedanese Beroepsvereniging hen ten onrechte aan om onmiddellijk weg te lopen bij gevaar. “Barricade en terugtrekking”, zo staat in hun berichten. “Vermijd botsingen met Janjaweed-troepen.”

Deze tactiek laat mensen geïsoleerd van elkaar achter, vooral als het internet wordt afgesloten. Het ondermijnt de mogelijkheid om collectief te debatteren over het verzet en de strijd tegen het regime, en om de kracht van de beweging te tonen. De uitwisseling van ervaringen en de versterking van het vertrouwen van de mensen door massaprotesten, piketten en werkplek- en buurtbijeenkomsten, worden afgesneden. Het laat mensen over aan de genade van de milities en de staatstroepen, die de controle over de openbare ruimte krijgen, en laat de massa’s onvoorbereid achter om hun tegenstanders onder ogen te zien en te verslaan. Sindsdien hebben de betogers instinctief tegen deze aanpak gereageerd door nachtmarsen en betogingen te organiseren om de straten weer op te eisen.

De algemene staking had langer kunnen duren als de leiders, die niet wisten wat ze ermee moesten doen, haar na drie dagen niet hadden afgeblazen, zonder de Militaire Raad te hebben gedwongen om toe te geven. De leiders van de SPA hadden aanvankelijk opgeroepen tot een politieke algemene politieke staking van onbepaalde duur en een massale burgerlijke ongehoorzaamheid om “het militaire regime omver te werpen als enige resterende maatregel” om de revolutie te redden. Voor de staking hadden ze ook verklaard dat er geen onderhandelingen meer zouden plaatsvinden met het TMC. In plaats daarvan besloten ze hun “goodwill” te tonen aan de TMC en de Ethiopische bemiddelaars die naar het land waren gekomen om een overeenkomst over een overgangsregering aan te moedigen. De SPA-leiders deden dit door de staking te annuleren en direct terug naar de onderhandelingstafel te gaan.

Dit is de onvermijdelijke logica van de poging om de oppositie op één lijn te houden binnen de ‘Forces of the Declaration of Freedom and Change’ (FDFC). De SPA vertegenwoordigt de activistische kern van de FDFC, maar de FDFC is een alliantie over verschillende klassen heen met onder meer pro-kapitalistische partijen zoals de Nationale Umma-partij, die de hele tijd heeft gehandeld als een verlammende rem op de revolutionaire strijd. Deze partij, die grotendeels gewantrouwd werd om haar regelmatige allianties met het oude regime, had bezwaar tegen de eerste algemene staking op 10 juni en tweette op de eerste dag van de tweede algemene staking: “Het is niet correct om burgerlijke ongehoorzaamheid voort te zetten zonder een tijdsbestek.”

Op zondag 30 juni toonden de massa’s opnieuw hun bereidheid tot een revolutionaire confrontatie en lanceerden een nieuw en indrukwekkend tegenoffensief: de “Million’s March”, waarschijnlijk de grootste straatprotesten in de Soedanese geschiedenis. De eis was duidelijk: het einde van het militaire bewind.

In het midden van deze opeenvolgende hoogtepunten van massale actie had de leiding van de SPA een oproep kunnen doen aan de verzetscomités, de stakingscomités en andere basisorganisaties om zich op lokaal, nationaal en nationaal niveau te verenigen om een nationale vergadering van revolutionaire afgevaardigden bijeen te brengen die een regering van arbeiders en revolutionaire massa’s had kunnen brengen, de militaire raad af te zetten en te strijden om de macht.

De politiek van klassencollaboratie van de FDFC, waaraan de leiders van de SPA hun lot hebben verbonden, heeft hen in plaats daarvan geleid tot het sluiten van een formele machtsdelingsovereenkomst met de Militaire Overgangsraad op 4 juli. Deze overeenkomst voorzag in de oprichting van een ‘soevereine raad’ bestaande uit 11 personen: 5 militairen, 5 burgers en nog een andere persoon die als burger werd voorgesteld (in werkelijkheid een gepensioneerde militaire officier). De junta kan één van hen benoemen tot hoofd van de raad voor de komende 21 maanden. Dit betekent dat de meerderheid van de raad loyaal zal zijn aan de TMC, waarvan de effectieve greep op de belangrijkste hefbomen van de macht en de terroristische milities onaangetast is gebleven.

Dit akkoord zal ongetwijfeld worden gebruikt om de massa’s te desoriënteren en te demobiliseren en voor de junta om de revolutionaire beweging opnieuw aan te pakken onder het mom van het herstel van de “orde”. Een dergelijke overeenkomst met de beulen van de revolutie is een openlijk verraad aan de revolutionaire massa’s en heeft verwarring op straat veroorzaakt. Na acht maanden van onophoudelijke strijd, en bij gebrek aan een merkbaar alternatief, bestaan er wel elementen van vermoeidheid en delen van de massa’s zagen deze overeenkomst als de enige realistische manier om de TMC “onder controle” te krijgen. De vermeende euforie die de massamedia na de aankondiging van de overeenkomst beschreven, was echter tam en beperkt. De huidige illusies zullen hoogstwaarschijnlijk van voorbijgaande aard zijn.

Het sluiten van dit pact werd met verbittering en woede begroet bij de meest geavanceerde delen van de arbeiders en jonge revolutionaire activisten. Het heeft ook de klassencontradicties binnen het FDFC blootgelegd. Onze agitatie zal dus opnieuw de nadruk moeten leggen op de noodzaak om te breken met alle politieke krachten en elementen binnen het FDFC die voor dit rotte akkoord verantwoordelijk zijn en die bereid zijn om compromissen te sluiten met de gewelddadige generaals. We zouden dit tragische voorbeeld moeten gebruiken om nadruk te leggen op de nood aan een onafhankelijke massapartij en aan verantwoordelijke leiders die zonder voorbehoud aan de kant van de revolutionaire strijd van de arbeiders en de onderdrukte massa’s staan. De krachten voor de oprichting van een dergelijke partij kunnen voortkomen uit het proces van verscherping van de politieke differentiatie dat onvermijdelijk zal voortvloeien uit de deze overeenkomst.

Er is inderdaad geen vreedzaam gezamenlijk bestuur mogelijk tussen de revolutie en de contrarevolutie. De huidige regeling zal niet verhinderen dat de belangen van de miljoenen arbeiders, jongeren, vrouwen en armen die strijden voor een Soedan dat vrij is van dictatuur en armoede, opnieuw in botsing komen met de belangen van de moordende generaals en krijgsheren aan het hoofd van de TMC.

Trotski’s ‘Lessen van Spanje’ blijven zeer waardevolle lectuur om de nieuwe generaties te informeren over deze belangrijke programmatische vragen. Daarin legde hij uit: “Het woord ‘republikein’ is, net als het woord ‘democraat’, een opzettelijk charlatanisme dat dient om de tegenstrijdigheden tussen de klassen te verdoezelen.” Vervang ‘republikeins’ door ‘burger’, en dat is vandaag nog even relevant als toen. De eis van een burgerregering is altijd gebruikt door lokale burgerlijke krachten en imperialistische machten om te pleiten voor een regering die de voortzetting van het kapitalisme in Soedan verdedigt en hun belangen behartigt.

Het is echter ook van vitaal belang om het verschillende niveau van bewustzijn van de massa’s rond dergelijke kwesties in de huidige revolutionaire processen in Soedan en Algerije in te schatten. Deze eis wordt anders begrepen door grote delen van de bevolking van beide landen die deze slogan hebben opgenomen. Een groot deel van deze groep kende nooit iets anders dan militair bestuur. Aangezien de nieuwe soevereine raad in Soedan niet eens een volledig burgerlijke façade heeft, is het waarschijnlijk dat de vraag naar “burgerlijk bestuur” een grote weerklank zal hebben en door velen zal worden gezien als een manier om de militaire junta helemaal ten val te brengen. Het is daarom belangrijk om onze eis voor een regering van arbeiders en arme boeren zorgvuldig te verwoorden, waarbij we de vraag naar een burgerregering niet frontaal aanvallen, maar nadruk leggen op de tegengestelde klassenbelangen achter deze slogan.

Elke pro-kapitalistische coalitieregering, ongeacht haar formele burgerlijke of semi-burgerlijke samenstelling, zal uiterst onstabiel zijn, en zal moeten schipperen tussen de ontwaakte maar niet ongeloste aspiraties van miljoenen Soedanezen, de bescherming van diepgewortelde veiligheids- en militaire apparaten en een catastrofale economische situatie met enorme schulden en een ongebreidelde inflatie. De Britse ambassadeur in Khartoem stelde terecht: “Als de wil van het volk van Soedan niet wordt uitgevoerd, dan denk ik dat we teruggaan naar de volksopstand.” Maar als de Soedanese arbeidersklasse en volksmassa’s de macht niet in eigen handen nemen, zullen delen van de heersende elite in de verleiding komen om de crisis op hun eigen manier op te lossen, door de langdurige periode van instabiliteit te doorbreken met een staatsgreep, of ‘nieuwe 3 juni’s’, mogelijk op een grotere schaal.

De mogelijkheid voor de heersende klasse om de islamitische kaart te spelen, door de rechtse politieke islam te gebruiken om de revolutionaire beweging te misleiden en de belangen van het kapitaal te beschermen, zoals dat een tijdje het geval was in Tunesië en Egypte, lijkt beperkter. De politieke islam heeft zowel in Soedan als in Algerije aan het kortste eind getrokken. In Soedan zijn de Moslimbroederschappen geen prominente oppositiekracht; zij deelden de macht met al-Bashir vanaf zijn staatsgreep in 1989. Een belangrijk kenmerk van de Soedanese opstand is het openlijke verzet tegen de heerschappij van zowel de militairen als hun fundamentalistische bondgenoten. De Soedanese massa’s hebben slogans geschreeuwd die islamisten ervan beschuldigen verantwoordelijk te zijn voor de tirannie van het regime.

In Algerije heeft de ervaring van het zwarte decennium de mensen erg achterdochtig gemaakt. De MSP, de Algerijnse tak van de Moslimbroederschap, heeft samengewerkt met het leger en heeft Bouteflika gesteund vanaf het moment dat hij aan de macht kwam in 1999. Het bleef dit regime steunen tot in 2012. De meeste betogers verwerpen pogingen van fundamentalisten om de beweging te net zoals ze zich tegen de generaals verzetten. Betogers in Algerije hebben zelfs enkele islamitische figuren uit hun protesten verdreven.

Dit wordt nog versterkt door het opmerkelijke feit dat vrouwen vanaf de eerste dag een voortrekkersrol hebben gespeeld in deze massale strijd. Vrouwen hebben een belangrijke rol gespeeld in de revolutionaire geschiedenis van Algerije en vernieuwen deze tradities, waarbij ze hun eigen eisen naar voren brengen en zich actief organiseren in de bredere beweging. In Soedan waren er tijdens de repressie van 3 juni en de dagen daarna verkrachtingen en seksueel geweld tegen vrouwelijke activisten en betogers door veiligheidsagenten en milities bewapend. Het doel was om de revolutionaire geest van vrouwen te breken. De BBC citeerde een betoger die zei: “De [militie] weet dat als ze de vrouwen breekt, ze de revolutie breekt.”

Het huidige klimaat is momenteel dus niet erg bevorderlijk voor de politieke agenda van de islamitische fundamentalisten. Dat gezegd zijnde, kunnen stagnatie en tegenslagen in het revolutionaire proces, gecombineerd met de frustratie die ze opwekken, in de toekomst een vruchtbaardere bodem creëren voor deze reactionaire krachten. De TMC zelf heeft geprobeerd om Salafistische groepen tegen de oppositie op te zwepen door de laatstgenoemden ervan te beschuldigen dat ze grotendeels gecontroleerd worden door “atheïstische anti-Sharia figuren”. Daarbij komen nog de proactieve contrarevolutionaire manoeuvres en het geld dat uit de Wahhabitische Golfstaten komt.

Regionale spanningen

De nieuwe situatie na het verdrijven van Al Bashir in Soedan, kent een context van steeds intensievere internationale machtsstrijd om invloed in de regio. De rivaliteit tussen Saoedi-Arabië en de VAE enerzijds en Qatar, Turkije en Iran anderzijds, heeft zich in de Hoorn van Afrika verspreid. Soedan is een belangrijk slagveld van deze rivaliteit.

Tussen 2000 en 2017 hebben de Golfstaten 13 miljard dollar geïnvesteerd in de Hoorn van Afrika, voornamelijk in Soedan en Ethiopië. Afgelopen december kwamen vertegenwoordigers van Djibouti, Soedan en Somalië in Riyad bijeen om de oprichting van een nieuwe Rode Zee-veiligheidsalliantie te bespreken. De VAE heeft sinds 2015 een militaire basis in Eritrea en bouwt een nieuwe in Somaliland. Het Saoedische regime is van plan er ook een te bouwen in Djibouti.

Turkije heeft in de regio een stap vooruit gezet door nauwe betrekkingen met de Somalische regering aan te knopen, een militaire faciliteit op te zetten en contracten te sluiten met Turkse bedrijven die nu de havens en luchthavens van de Somalische hoofdstad beheren. Het Turkse regime sloot in 2017 verschillende handels- en militaire overeenkomsten met het regime van al Bashir, met name een overeenkomst voor de overdracht aan de Turkse staat van het Soedanese Suakin-eiland, in een poging om militaire voet aan de Rode Zee te krijgen.

De omverwerping van al Bashir heeft een nieuwe situatie gecreëerd, waardoor de kaarten enigszins kunnen worden herschikt. De Saoedische as heeft Turkije voorbij gestoken en heeft de overmacht over de huidige militaire heersers in Khartoem. De hoofden van de Militaire Raad hebben verklaard dat Suakin-eiland een “onafscheidelijk deel” van Soedan is en hebben beloofd het Saoedische regime te steunen tegen alle bedreigingen vanuit Iran en Soedanese troepen naar Jemen te blijven sturen om de Saoediërs te helpen in hun oorlog tegen de Houthi’s.

De Saoedi-VAE-coalitie heeft de Soedanese soldaten gebruikt om de oorlog tegen Jemen uit te besteden, waardoor het aantal Saoedische doden is afgenomen en de interne onenigheid is afgenomen. Het feit dat de Soedanese massa’s in het kader van hun revolutionaire strijd de vraag om Soedanese troepen uit het Jemenitische slagveld te halen in de context van hun revolutionaire strijd duidelijk hebben opgevoerd, toont echter hoezeer massale actie van de arbeidersklasse in één land de reactionaire tendensen in de regio kan helpen omkeren. Hoe dat kan worden volgehouden, hangt natuurlijk uiteindelijk af van het programma en de leiding van deze strijd. Het lijdt echter geen twijfel dat de voortzetting van de oorlog in Jemen en het sturen van arme Soedanezen als kanonnenvoer voor de belangen van de Saoedische elite de revolutionaire woede tegen het ‘nieuwe’ regime in Khartoem zal voeden.

Nationale kwestie

Zoals wij steeds opgemerkt hebben, moeten we voorzichtig zijn met de termen “Arabische Lente” en “Arabische revolutie”. Dit geldt des te meer als het gaat om de revolutionaire bewegingen in Algerije en Soedan, landen waar belangrijke minderheden van de bevolking niet Arabisch zijn en waar gevoelige nationale kwesties bestaan. Een marxistisch programma om de nationale kwestie op te lossen, waarbij de strijd tegen de nationale onderdrukking wordt gekoppeld aan een klassenprogramma, is van cruciaal belang als antwoord op de pogingen van de heersende klasse om de nationale verdeeldheid uit te buiten en te verdiepen.

Soedan is nooit een geïntegreerde natie geweest. Zoals de meeste Afrikaanse landen is het een vergiftigd geschenk dat is geërfd werd van het verdeel-en-heersbeleid van het westerse imperialisme. De 43 miljoen inwoners van het huidige grondgebied van Soedan bestaan voor 70% uit Arabieren en voor 30% uit gearabiseerde etnische groepen van Beja, Kopten, Nubiërs en andere volkeren. Er zijn ook bijna 600 stammen in Soedan, die meer dan 400 dialecten en talen spreken. Ras- en stammenverschillen, met name tussen etnische Arabieren die langs de Nijl leven, en Afrikanen met een donkerdere huidskleur die een meerderheid vormen in de perifere regio’s, zijn door het regime van Al Bashir ten volle uitgebuit om zijn macht te versterken.

Toen al Bashir in februari probeerde de aanhoudende protesten te richten tegen vermeende terroristische studenten uit Darfoer, werd deze tactiek op spectaculaire wijze terzijde geschoven. Veel betogers riepen de slogan “O, arrogante racist, we zijn allemaal Darfoer”. Dit benadrukt een van de unieke kenmerken van deze beweging in vergelijking met eerdere revolutionaire bewegingen in Soedan: het geografisch overkoepelende karakter. De revoluties van 1964 en 1985 beperkten zich vooral tot de hoofdstad en de stedelijke steden in het noorden, met een scherpe kloof tussen het centrum en de periferie; deze keer is het echt een “nationale” beweging, die alle hoeken van het land organisch omvat en de werkende mensen en armen verenigt in actie, ongeacht hun etnische achtergrond.

Als de revolutionaire strijd evenwel niet met succes wordt voortgestuwd en uiteindelijk niet leidt tot een fundamentele verandering van de samenleving langs socialistische lijnen, een verandering die het zelfbeschikkingsrecht van alle onderdrukte nationaliteiten (zoals de Nuba en Darfuri volkeren) met zich meebrengt, kunnen de al lang bestaande scheidslijnen weer opduiken, met inbegrip van het gevaar van etnische oorlogsvoering.

In Algerije vond de spectaculaire uitbarsting van de massa’s ook plaats op een uitgebreide geografische schaal, met een sterke beweging in de 48 “wilayas” (departementen) van het land. De beweging staat in het bijzonder sterk in de regio Kabylië, waar economische en sociale grieven worden vermengd met een sterke Amazigh (Berber) identiteit die is ontstaan door tientallen jaren van pogingen van het Algerijnse regime om de taal- en culturele rechten van de Amazigh-minderheid te onderdrukken door het opleggen van een arabiseringsbeleid in combinatie met economische marginalisering. De erkenning van de Amazigh taal als nationale en officiële taal is een recente ontwikkeling (2016), die alleen onder enorme druk van de massa’s gebeurde.

De mogelijkheid dat deze kwestie opnieuw oplaait, deels opgewekt door de chauvinistische, verdeel-en-regelmatige provocaties van de militaire kliek in Algiers, bleek recent met de aanvallen van de stafchef van het leger, Gaïd Salah, op de prominente aanwezigheid van de Amazigh-vlag bij straatdemonstraties. Nadat hij op 19 juni aankondigde dat alleen nationale vlaggen waren toegestaan, werden tientallen betogers met Amazigh-vlaggen door de politie gearresteerd.

Het Algerijnse regime heeft door de jaren heen geprobeerd om zich een ‘progressief’ imago aan te meten. Zo steunt het in woorden de zaak van het Saharawi en Palestijnse volk en heeft het de buitenlandse interventies in Libië, Syrië en Jemen op een voorzichtige manier benaderd. Zij heeft ook geweigerd om doorgangscentra voor vluchtelingen in het land op te richten. Dit is echter slechts één kant van de medaille. Algerije is nog geen complete lakei van het imperialisme geworden, maar het land heeft zich op vele fronten aangesloten bij het imperialisme. Het regime heeft een “uitzonderlijk partnerschap” gesloten met het Franse imperialisme, met wie het heeft samengewerkt in zijn militaire interventie in Mali. In februari heeft het Algerijnse leger in Burkina Faso en vervolgens in Mauritanië deelgenomen aan grootschalige militaire manoeuvres onder toezicht van Africom. Deze tegenstrijdigheden in het buitenlands beleid van een regime dat van oudsher gericht is op de zogenaamde “niet-gebondenheid ” kunnen in de komende periode alleen maar groter worden, een periode van verhoogde inter-imperialistische competitie in de regio en een massale politieke bewustwording in eigen land.

Soortgelijke tegenstrijdigheden bestaan nog steeds in de Algerijnse economie. De energie- en mijnbouwsector blijft grotendeels in handen van de staat, tot ontzetting van de neoliberale vleugel van het regime en van westerse bedrijven die de hervormingen van de vrije markt willen versnellen. In de afgelopen jaren heeft de Algerijnse regering een groot deel van de beloofde liberalisering van de economie tegengehouden, de privatisering van de staatsbedrijven een halt toegeroepen en de “investeringswet” gehandhaafd, die bepaalt dat nationale bedrijven die met buitenlandse partners samenwerken een meerderheid van de aandelen moeten bezitten. Deze kwesties zullen de spanningen tussen concurrerende groeperingen van de heersende klasse blijven aanwakkeren, vooral in de context van een meer assertieve arbeidersbeweging en van het verdwijnen van de belangrijkste politieke figuur die als “scheidsrechter” optrad.

Democratische rechten en strijd voor socialisme

In de voetsporen van de bonapartistische tradities van Algerije probeert generaal Ahmed Gaïd Salah zich voor te doen als de nieuwe voorzienende man. In een poging om de bevolking te overtuigen, gooit hij enkele van de belangrijkste oligarchen en Bouteflika-vrienden in de gevangenis en lanceert hij anti-corruptie campagnes. Om zijn gezag te doen gelden, baseert hij zich op de toepassing van artikel 102 van de grondwet, dat de president opoffert, maar de huidige sterk presidentiële grondwet, de regering, de constitutionele raad, de twee Kamers van het Parlement en alle instellingen van het oude regime handhaaft.

De presidentsverkiezingen die oorspronkelijk gepland waren voor 4 juli werden geannuleerd als gevolg van de massale verwerping ervan in de straten en omdat steeds meer burgemeesters en magistraten, onder druk van onderaf, aankondigden dat ze weigerden deze te organiseren. In een dergelijke context wordt de oproep tot vrije verkiezingen voor een nationale revolutionaire constitutionele vergadering, onder toezicht van lokale comités in alle gemeenschappen, om het democratische en ongestoorde karakter van de stemming te waarborgen, van bijzonder belang.

Nu de massa’s uit het autoritaire bewind komen, moeten marxisten het nodige belang hechten aan de verdediging van en de strijd voor democratische rechten, zoals de vrijheid van vergadering, de persvrijheid, het recht om zich te organiseren en het stakingsrecht, de vrijlating van politieke gevangenen, enz. Deze moeten natuurlijk niet op zichzelf staan, maar deel uitmaken van een alomvattend programma voor socialistische verandering. Verder moeten we benadrukken dat de arbeidersklasse en het revolutionaire volk alleen vertrouwen kunnen hebben in hun eigen krachten om deze rechten te veroveren en te behouden. Het is bijvoorbeeld de massale strijd in Algerije die de herovering van het recht om te betogen in het hele land mogelijk heeft gemaakt, onder meer in de hoofdstad Algiers waar het sinds 2001 door het regime verboden was.

De PST (Socialistische Arbeiderspartij) in Algerije, onderdeel van het Verenigd Secretariaat van de Vierde Internationale (VSVI), pleit voor een “voorlopige regering om de nationale soevereiniteit te verdedigen.” De Soedanese Communistische Partij pleit voor een “democratische en door burgers geleide overgangsautoriteit.” Deze slogans suggereren dat een stabiele democratische fase mogelijk is zonder het kapitalisme omver te werpen; ze schetsen niet de klasseninhoud van de regering waar de revolutionaire massa’s voor moeten strijden. Dit zijn beide varianten van de oude mensjewistische theorie, die later door de stalinisten werd overgenomen, volgens welke de democratische en socialistische fasen van de revolutie twee duidelijk onafhankelijke historische hoofdstukken zijn, die de gevaarlijke illusie voeden dat een levensvatbare vorm van een democratisch regime dat gunstig is voor de massa’s kan worden verkregen zonder de burgerlijke eigendomsverhoudingen in twijfel te trekken.

In de praktijk heeft deze theorie de weg vrijgemaakt voor verraderlijke politieke allianties en samenwerkingen met pro-kapitalistische vijanden, die zich een progressief imago aanmeten om de massa’s beter voor de gek te houden en hun strijd te stoppen. Dit beleid heeft onherroepelijk geleid tot catastrofale nederlagen voor de arbeidersklasse in revoluties, van China in 1925-27 tot Iran in de jaren tachtig. Zij vormen een centraal onderdeel van de verklaring voor de zwakke staat van links in grote delen van het Midden-Oosten en Afrika.

De Soedanese Communistische Partij (SCP), die ooit als een van de grootste communistische partijen op het continent een enorme politieke invloed had, werd historisch gedecimeerd als gevolg van deze rampzalige “fasenpolitiek”, waarbij consequent werd afgestapt van wat werd voorgesteld als de “progressieve” delen van de nationale burgerij, in plaats van een onafhankelijke klassenpolitiek te voeren om de massa’s achter de socialistische doelen te verenigen.

De huidige leiders van de SCP lijken helaas geen lessen te hebben getrokken uit hun eigen geschiedenis. In een verklaring begin juni, gaf de partij openlijk toe dat het “zich aan de wensen van een meerderheid van zijn partners bij FDFC moest onderwerpen en om met TMC te gaan samenzitten om te discussiëren over de voorwaarden van een machtsoverdracht. Voor ons was een dergelijke drastische verandering van standpunt kostbaar in termen van het voldoen aan de aspiraties van miljoenen van onze mensen voor echte verandering. We moesten hiervoor ingaan tegen de duidelijke en luide ontevredenheid van sommige van onze trouwe leden, vrienden en sympathisanten. Omdat we echter gebonden waren door de voorwaarden en regels van het FDFC, kozen we ervoor om pragmatisch te werk te gaan en een standpunt in te nemen dat de eenheid van de oppositie onder de leiding van de FDFC waarborgt.”

Dezelfde logica lag ten grondslag aan de slogan voor een “regering van nationale bevoegdheden”, waarvoor het Volksfront in Tunesië in 2013 campagne voerde. Het eindigde met een programmatische overeenkomst tussen het Volksfront en ‘Nidaa Tounes’, de belangrijkste politieke partij die het oude dictatoriale regime vertegenwoordigde, onder het voorwendsel van het bouwen aan een ‘burgerfront’ tegen de rechtse islamisten van Ennahda. Het Volksfront is nooit echt hersteld van dat verschrikkelijke verraad en heeft een enorme revolutionaire kans gemist die in de zomer van dat jaar objectief de kwestie van de arbeidersmacht in Tunesië aan de orde stelde.

Om alle overwinningen die in de massale revolutionaire strijd zijn behaald veilig te stellen en de basis te leggen voor het einde van de huidige ellende, crisis, uitbuiting en onderdrukking, is een socialistische transformatie van de samenleving nodig. Trotski legde in de theorie van de permanente revolutie uit hoe alle taken van de burgerlijk-democratische revolutie – de nationale kwestie, land, democratische rechten, “modernisering” – verbonden zijn met de strijd tegen het kapitalisme en imperialisme.

Terwijl de prachtige revolutionaire opstanden in Algerije en Soedan opnieuw de revolutionaire heldhaftigheid hebben laten zien waartoe arbeiders, vrouwen en jongeren in staat zijn, zijn de leiders van de huidige politieke krachten van georganiseerde links helaas niet opgewassen tegen de historische taken die deze bewegingen met zich meebrengen. Dit onderstreept alleen maar het belang voor het CWI om haar inspanningen op te voeren om de opbouw van revolutionaire marxistische krachten in deze landen en in de hele regio te ondersteunen.

Print Friendly, PDF & Email