Leon Trotski: Handen af van Rosa Luxemburg!

In 1932 reageerde Leon Trotski op een stalinistische aanval op Rosa Luxemburg. Daarin maakt hij duidelijk wat de inschatting van hemzelf en van Lenin over Rosa Luxemburg was. Voor hen was Luxemburg een belangrijke bondgenoot naar wie ze opkeken. Een deel van de stalinistische kritiek op Luxemburg is nadien blijven hangen in linkse kringen. Het is dan ook nuttig om Trotski’s antwoord op een artikel van Stalin over Luxemburg opnieuw boven te halen.

Stalins artikel “Over enkele vragen van de geschiedenis van het bolsjewisme” ontving ik met grote vertraging. Toen ik het had, kon ik het lange tijd niet over mijn hart krijgen om het te lezen, want dergelijke literatuur is even slecht te verteren als zaagsel of gehakte borstels.

Maar toen ik het tenslotte gelezen had, kwam ik tot de overtuiging dat het niet mocht voorbijgaan, alleen al omdat het een brutale en onbeschaamde laster tegen Rosa Luxemburg bevat. Stalin verplaatst de grote revolutionaire Rosa naar het kamp van het centrisme. Hij toont aan – of beter gezegd: hij beweert, want hij toont het niet aan – dat het bolsjewisme van bij de aanvang opkwam voor een splitsing met het centrisme van Kautsky, terwijl Rosa Luxemburg Kautsky vanop de linkervleugel zou ingedekt hebben. In zijn eigen woorden: “Nog lang voor de oorlog, ongeveer vanaf 1903-1904, toen zich in Rusland de groep van de Bolsjewieken vormde en in de Duitse sociaaldemocratie de linkervleugel voor het eerst naar buiten trad, volgde Lenin de weg naar een breuk en een splitsing met de opportunisten, zowel bij ons in de Russische sociaaldemocratische partij als in de Tweede Internationale, in het bijzonder in de Duitse sociaaldemocratie.” Als dit niet lukte, was dit omdat “de linkse sociaaldemocraten in de Tweede Internationale en vooral in de Duitse sociaaldemocratie een zwakke en machteloze groep vormden (…) die het woord breuk of splitsing zelfs niet durfden uit te spreken.” Dat is de voornaamste teneur van het artikel. De bolsjewieken kwamen vanaf 1903 voor een splitsing op, niet alleen met de rechtervleugel maar ook met het centrisme van Kautsky. Rosa Luxemburg daarentegen durfde het woord “splitsing” zelfs niet hardop uit te spreken.

Om tot een dergelijke bewering te komen, moet men totaal onbekend zijn met de geschiedenis van de eigen partij en vooral met de ontwikkelingsgang van Lenin. In de stellingen van Stalin staat geen enkel juist woord. In de jaren 1903-1904 was Lenin natuurlijk een onverzoenlijke tegenstander van het opportunisme in de Duitse sociaaldemocratie. Maar hij zag enkel de “revisionistische” stroming die theoretisch door Bernstein werd geleid als opportunisme. Kautsky bevond zich toen in een strijd met Bernstein. Lenin zag in Kautsky zijn leraar en kwam daar openlijk voor uit. In de werken van Lenin van die jaren is er geen spoor van een principiële kritiek op de stroming van Bebel en Kautsky. Wel zijn er een reeks voorbeelden van de stelling dat het bolsjewisme niet een of andere zelfstandige stroming is, maar slechts een vertaling van de stroming Bebel-Kautsky in de taal van de Russische verhoudingen. Iedereen kan vaststellen wat Lenin midden 1905 schreef in zijn bekende brochure ‘Tweeërlei tactiek’: “Waar en wanneer noemde ik het ‘revolutionisme van Bebel en Kautsky’ opportunisme? Waar en wanneer heb ik gepoogd in de internationale sociaaldemocratie een bijzondere richting in het leven te roepen, die niet volkomen gelijk aan de richting van Bebel en Kautsky zou zijn? Waar en wanneer zijn tussen mij enerzijds en Bebel en Kautsky anderzijds meningsverschillen aan de dag getreden (…)? De volledige solidariteit van de internationale revolutionaire sociaaldemocratie in alle belangrijke vraagstukken van het programma en van de tactiek is een absoluut onbetwistbaar feit.” De woorden van Lenin zijn zo duidelijk, klaar, categorisch, dat zij de kwestie meteen afdoen.

Anderhalf jaar later, op 7 december 1906, schreef Lenin in het artikel ‘De crisis van het mensjewisme’: “Wij hebben van het begin af aan (sedert ‘Een pas voorwaarts, twee schreden terug’) verklaard: wij roepen geen bijzondere “bolsjewistische” stroming in het leven, wij verdedigen slechts altijd en overal het standpunt van de revolutionaire sociaaldemocratie. Maar tot aan de sociale revolutie zal er in de sociaaldemocratie onvermijdelijk een opportunistische en een revolutionaire vleugel zijn.”

Daar Lenin over het mensjewisme sprak als over een opportunistische vleugel van de sociaaldemocratie, stelde hij de mensjewieken niet met Kautsky maar met het revisionisme op één lijn. Het bolsjewisme daarentegen beschouwde hij als de Russische vorm van het kautskyanisme, dat in zijn ogen met het marxisme samenviel. Het hierboven aangehaalde citaat bewijst bovendien dat Lenin volstrekt niet onvoorwaardelijk voor een splitsing met de opportunisten was: hij hield het verblijf van revisionisten in de sociaaldemocratie tot aan de sociale revolutie niet alleen voor mogelijk, maar ook voor “onvermijdelijk.”

Nog twee weken later, op 20 december 1906, begroet Lenin triomferend Kautskys antwoord op de vraag van Plechanov over het karakter van de Russische revolutie: “Dat waar wij aanspraak op maken — de verdediging van de positie van de revolutionaire sociaaldemocratie tegen het opportunisme, in geen geval de vestiging van de een of andere ‘originele’ bolsjewistische stroming — bevestigt Kautsky volkomen…”

Wij hopen dat de kwestie in dit opzicht volkomen duidelijk is. Volgens Stalin eiste Lenin reeds sedert 1903 in Duitsland de breuk met de opportunisten, niet alleen met de rechtervleugel (Bernstein) maar ook met de linker (Kautsky). Lenin echter wijst er Plechanov en de mensjewisten in december 1906 met trots op dat de stroming van Kautsky in Duitsland en die van het bolsjewisme in Rusland… identiek zijn.

Zo ziet men wat er aan is van het eerste deel van het uitstapje van Stalin in de geschiedenis van het bolsjewisme. De nauwgezetheid en de kennis van de onderzoeker staan op hetzelfde peil! Direct na zijn bewering over de jaren 1903-04 maakt Stalin een sprong naar 1916 en beroept hij zich op de scherpe kritiek van Lenin op de oorlogsbrochure van Junius, d.w.z. van Rosa Luxemburg. Jawel, in deze periode heeft Lenin reeds de onverzoenlijke oorlog aan het kautskyanisme verklaard, omdat hij uit zijn kritiek alle noodzakelijke organisatorische gevolgtrekkingen trok. Er is geen twijfel over mogelijk dat Rosa Luxemburg de problemen van de strijd met het centrisme niet met de nodige conclusies stelde. Op dit punt was het overwicht glansrijk voor Lenin. Maar tussen 1903, toen het bolsjewisme ontstond, en oktober 1916 verliepen dertien jaar. Gedurende een groot deel van deze periode stond Rosa Luxemburg in oppositie tot Kautsky en het partijbestuur rond Bebel. Daarbij nam haar strijd tegen het formele, pedante, innerlijk bedorven “radicalisme” van Kautsky steeds scherpere vormen aan. Lenin nam geen deel aan deze strijd en steunde Rosa Luxemburg niet voor het jaar 1914. Hartstochtelijk in beslag genomen door de Russische zaken, betrachtte hij in internationale vragen een zeer grote voorzichtigheid. In Lenins ogen stonden Bebel en Kautsky als revolutionairen onvergelijkelijk veel hoger dan in de ogen van Rosa Luxemburg, die hen van dichterbij in hun activiteit gadesloeg en de invloed van de Duitse politiek veel directer bespeurde. De capitulatie van de Duitse sociaaldemocratie van 4 augustus was voor Lenin een complete verrassing. Het is bekend dat Lenin het nummer van de Vorwärts met de patriottische verklaring van de sociaaldemocratische fractie [bij de stemming van de oorlogskredieten op 4 augustus 1914] voor een vervalsing van de Duitse staf hield. Pas toen hij zich volledig van de verschrikkelijke waarheid overtuigd had, herzag hij zijn beoordeling van de hoofdstromingen van de sociaaldemocratie, waarbij hij dit werk leninistisch uitvoerde, d.w.z. het direct afmaakte.

Op 27 oktober 1914 schreef Lenin aan A. Schljapnikov: “Kautsky haat en veracht ik momenteel het meest van al: een onzuivere, ellendige, zelfvoldane huichelarij… Rosa Luxemburg had gelijk en had al lang begrepen dat Kautsky de ‘dienstvaardigheid van de theoreticus’ had – eenvoudiger gezegd de bekwaamheid van een lakei voor de meerderheid van de partij, voor het opportunisme.” (“Leninski sbornik” II, blz. 200). Zelfs indien er geen andere documenten waren (maar er zijn er honderden), zouden deze regels alleen al de geschiedenis van deze kwestie helemaal ophelderen. Lenin vindt het nodig om eind 1914 aan een van zijn beste arbeiders in die tijd mee te delen dat hij “op dat moment” – vandaag, als tegenstelling tot vroeger –  Kautsky “haat en veracht.” De scherpte van de uitdrukking bewijst onmiskenbaar in welke mate Kautsky de hoop en verwachtingen van Lenin bedrogen had. Niet minder duidelijk is de tweede zin: “Rosa Luxemburg had gelijk en had al lang begrepen dat Kautsky de ‘dienstvaardigheid van de theoreticus’ had.” Lenin aarzelt niet om dat “gelijk hebben” dat hij vroeger niet zag of toch niet volledig, aan Rosa Luxemburg toe te kennen.

Dat zijn de voornaamste chronologische elementen van de kwestie, die meteen ook belangrijke kentekens zijn voor de politieke biografie van Lenin. Het leidt geen twijfel dat de ideologische ontwikkeling van Lenin een omhooggaande curve vormde.  Dat betekent echter ook dat Lenin niet als de volledig ontwikkelde Lenin geboren werd, zoals hij afgebeeld wordt door de kwijlende verafgodende epigonen, maar dat hij zichzelf tot Lenin heeft gevormd. Lenin verbreedde zijn gezichtsveld, leerde van anderen en verhief zich elke dag tot een hoger niveau dan waar hij zich de vorige dag bevond. In deze standvastigheid van de voortdurende geestelijke groei tot een hoger niveau, vond zijn heldhaftige ziel ook een uitdrukking. Als Lenin in 1903 alles had begrepen en geformuleerd wat nodig was voor de toekomstige tijden, dan had zijn verdere leven enkel bestaan uit verbeteringen. Dat was in werkelijkheid absoluut niet zo. Stalin stempelt eenvoudig de stalinistische afdruk op Lenin en beperkt zijn denken tot een aantal genummerde motto’s.

In de strijd van Rosa Luxemburg tegen Kautsky, vooral in de jaren 1910-1914, hadden de problemen van de oorlog, van het militarisme en het pacifisme een grote betekenis. Kautsky verdedigde het reformistische programma: beperking van de bewapening, internationaal scheidsgerecht, … Rosa Luxemburg bestreed dit programma vastberaden als een illusie. Lenin twijfelde in deze kwestie. Hij stond een tijd dichter bij Kautsky dan bij Luxemburg. Uit destijds gevoerde gesprekken met Lenin herinner ik me dat volgend argument van Kautsky een grote indruk op hem maakte: zoals de hervormingen in binnenlandse aangelegenheden een resultaat zijn van revolutionaire klassenstrijd, zo kunnen er ook in de internationale betrekkingen bepaalde garanties (‘hervormingen’) afgedwongen worden op de weg van de internationale klassenstrijd. Lenin meende dat men deze positie van Kautsky geheel zou kunnen ondersteunen, als hij zich na de polemiek met Rosa Luxemburg tegen de rechtervleugel zou keren (Noske & Co). Ik durf nu niet louter afgaande op mijn geheugen zeggen in welke mate deze ideeëngang tot uiting kwam in artikels van Lenin, deze vraag zou een grondige studie vereisen. Ik durf evenmin vaststellen hoe snel Lenin rond deze kwestie tot een ander standpunt kwam. In ieder geval kwam zijn positie niet alleen naar voor in gesprekken, maar ook in briefwisseling. Zo is Radek in het bezit van zo’n brief. Ik vind het nodig om een getuigenis af te leggen in de hoop zo een voor de theoretische biografie van Lenin bijzonder waardevol document te redden. In de herfst van 1926, toen we samenwerkten aan het platform van de linkse oppositie, toonde Radek aan Kamenev, Zinovjev en mij – waarschijnlijk ook aan andere kameraden – een brief van Lenin aan hem (uit 1911?) met een verdediging van Kautsky tegen de kritiek van de Duitse linkervleugel. Volgens een beslissing van het Centraal Comité had Radek net als iedereen anders deze brief aan het Lenininstituut moeten bezorgen. Maar uit vrees dat de brief in de stalinistische vervalsingsfabriek verborgen of vernietigd zou worden, besloot Radek om de brief zelf te bewaren. Het recht van deze overweging kan men Radek op geen enkele wijze betwisten. Vandaag neemt Radek zelf echter, zij het niet op zeer verantwoordelijke dan toch op afdoende actieve wijze, deel aan de fabricage van politieke vervalsingen. Dat wordt aangetoond door het feit dat Radek, die in tegenstelling tot Stalin vertrouwd is met de geschiedenis van het marxisme en in elk geval de brief van Lenin goed kent, zich solidair verklaarde met de onbeschaamde laster van Stalin over Rosa Luxemburg. De omstandigheid dat Radek hierbij onder de knuppel van Jaroslavski handelde, doet niets af van zijn schuld. Slechts verachtelijke slaven doen afstand van de principes van het marxisme in naam van de principes van de knuppel.

Maar het gaat hier niet over het persoonlijk karakter van Radek. We hadden het over de brief van Lenin. Wat is er met die brief gebeurd? Verstopt Radek die vandaag nog steeds voor het Lenininstituut? Dat lijkt onwaarschijnlijk. Wellicht gaf hij de brief aan de vervalsers als wezenlijk bewijs voor een onwezenlijke genegenheid. Wat was het verder lot van de brief? Wordt hij in het persoonlijk archief van Stalin bewaard samen met andere documenten die zijn beste medestanders compromitteren? Of werd hij net als vele andere waardevolle documenten uit het verleden van de partij vernietigd? Er kan in geen geval ook maar een schijn van politieke motivatie zijn voor het achterhouden van een brief die 20 jaar geleden geschreven werd over een kwestie die vandaag slechts een historisch belang heeft. Maar de historische waarde van de brief is net wel zeer groot. Hij toont Lenin zoals hij in werkelijkheid was, niet zoals de bureaucratische domkoppen hem volgens hun voorbeeld van onfeilbaarheid scheppen. Wij vragen: waar is Lenins brief aan Radek? Op de tafel van de partij en van de Comintern met Lenins brief! Wanneer men de verschillen tussen Lenin en Rosa Luxemburg in hun gehele omvang neemt, dan was het historische recht ongetwijfeld bij Lenin. Maar dat sluit niet uit dat in bepaalde vragen en in bepaalde perioden Rosa Luxemburg tegenover Lenin gelijk had. In ieder geval ontwikkelden zich de verschillen, ongeacht hun betekenis en dikwijls hun uiterlijke scherpte, op grond van hun gemeenschappelijke, revolutionaire, proletarische politiek.

Terugblikkend op oktober 1918 schreef Lenin in zijn ‘Groet aan de Italiaanse, Franse en Duitse communisten’: “Op het moment van de verovering van de macht en de vestiging van de Sovjetrepubliek stond het bolsjewisme alleen, het trok het beste uit de bestaande stromingen van de socialistische beweging tot zich.” Met dat “beste” had hij zonder twijfel ook de stroming van Rosa Luxemburg op het oog, een stroming waarvan geestesverwanten als Marchlewski, Dzjerzjinski en anderen in de rangen van de bolsjewisten actief waren.

Lenin begreep de dwalingen van Rosa Luxemburg beter dan Stalin; maar het was niet toevallig dat Lenin de volgende oude Russische regels gebruikte voor Rosa Luxemburg: “Vaak moet de adelaar zich dieper neerlaten dan de kippen, maar de kippen zullen nooit in staat zijn om zich tot in de wolken te verheffen.” Zo is het! Zo is het! En om dezelfde reden moet Stalin met zijn boosaardige middelmatigheid spaarzamer omgaan met persoonlijkheden als Rosa Luxemburg.

In het artikel ‘Over de geschiedenis van het probleem van de heerschappij’ (oktober 1920) schreef Lenin over de reeds door de revolutie van 1905 gestelde vragen van de Sovjet-macht en de arbeidersheerschappij: “Dergelijke vooruitstrevende vertegenwoordigers van de revolutionaire arbeidersklasse en het onvervalste marxisme als Rosa Luxemburg, hebben reeds de betekenis van deze praktische poging erkend en kwamen op vergaderingen en in de pers met een kritische analyse ervan voor de dag.” Aan de andere kant: “Lieden van het type van de toekomstige kautskyanen… toonden hun totale onbekwaamheid om de betekenis van deze poging te begrijpen.” In weinige regels erkent Lenin ten volle de historische betekenis van de strijd van Rosa Luxemburg tegen Kautsky — een strijd die Lenin aanvankelijk zelf in de verste verte niet op de juiste waarde schatte. Zoals voor Stalin, de bondgenoot van Tsjang Kai-sjek en Purcell, de theoreticus van de “Arbeiders- en boerenpartij”, van de “democratische heerschappij,” van het “niet afstoten der bourgeoisie”, … Rosa Luxemburg de vertegenwoordigster van het centrisme is, zo is zij voor Lenin de vertegenwoordigster van het “onvervalste marxisme.” Wat deze formulering uit Lenins pen betekent, is voor iedereen die Lenin ook maar een beetje kent duidelijk.

We voegen hier nog aan toe dat in de aantekeningen bij de werken van Lenin over Rosa Luxemburg onder meer het volgende gezegd wordt: “In de bloeitijd van het bernsteinse revisionisme en later van het ministerialisme (Millerand) voerde Luxemburg, die haar plaats op de linkervleugel van de Duitse partij innam, tegen deze stromingen een beslissende strijd… In 1907 nam zij als gedelegeerde van de Poolse en Litouwse sociaaldemocratie deel aan de Londense partijdag van de Russische sociaaldemocratische arbeiderspartij, waarbij zij in de principiële vragen van de Russische revolutie de bolsjewistische fractie ondersteunde. Vanaf 1907 gaf Luxemburg zich volledig aan het Duitse werk, waarbij zij een links-radicale positie innam en het centrum en de rechtervleugel bestreed… Haar deelname aan de januariopstand maakte haar naam tot een banier van de arbeidersrevolutie.”

Natuurlijk zal de schrijver van de aantekeningen morgen wellicht al zijn zonde bekennen en verklaren dat hij ten tijde van Lenin in het duister tastte en pas in het tijdperk van Stalin volledige klaarheid kreeg. Nu worden dergelijke verklaringen – een mengeling van geveinsdheid, idiotisme en hansworsterij – dagelijks in de Moskouse pers gepubliceerd. Maar aan de zaak zelf veranderen ze niets: “Wat met de pen geschreven is, wordt niet met de bijl afgehakt.” Jazeker: Rosa Luxemburg werd een banier van de arbeidersrevolutie.

Hoezo en waarom hield Stalin echter zich zo opeens— met zo grote vertraging — bezig met de revisie van de oude bolsjewistische waardering van Rosa Luxemburg? Net als zijn vroegere theoretische ongelukken is ook dit nieuwe, bijzonder schandalige, ongeluk het resultaat van de logica van zijn strijd tegen de theorie van de permanente revolutie. In zijn ‘historisch’ artikel schenkt Stalin opnieuw veel aandacht aan deze theorie. Hij zegt niets nieuw. We hebben op zijn argumenten al lang geleden geantwoord in het boek ‘De permanente revolutie.’ Vanuit historisch oogpunt wordt de kwestie, naar wij hopen, voldoende toegelicht in ‘De geschiedenis van de Russische Revolutie.’ In deze tekst houdt de kwestie van de permanente revolutie ons slechts in zoverre bezig als Stalin haar met de naam van Rosa Luxemburg verbindt. We zullen meteen zien hoe de ongelukkige theoreticus het klaarspeelt om een voor zichzelf dodelijke val te zetten.

Nadat hij aan de geschillen van de mensjewieken met de bolsjewieken in de kwestie van de leidende krachten van de Russische revolutie aanhaalde en het klaarspeelde om in enkele regels een hele reeks vergissingen te maken, die wij hier even buiten beschouwing laten, schrijft Stalin: “Hoe hebben de Duitse links-sociaaldemocraten Parvus en Rosa Luxemburg zich in deze geschillen gedragen? Zij creëerden het utopische en half-mensjewistische schema van de permanente revolutie… Verder werd dit half-mensjewistische schema van de permanente revolutie door Trotski (gedeeltelijk door Martov) aangegrepen en tot een wapen in de strijd tegen het leninisme veranderd.” Zo ziet de verrassende geschiedenis van het ontstaan van de theorie van de permanente revolutie er dus volgens de laatste historische onderzoekingen van Stalin uit. Maar, o wee, de onderzoeker is vergeten naar zijn eigen vroegere werken te kijken. In 1925 stelde dezelfde Stalin in zijn polemiek tegen Radek: “Het is onjuist dat de theorie van de permanente revolutie… in 1905 door Rosa Luxemburg en Trotski opgesteld werd. In werkelijkheid werd deze theorie door Parvus en Trotski opgesteld.”

Deze verklaringen kan men lezen op blz. 185 van de Russische uitgave van de “Vragen van het leninisme.” Het is te hopen dat zij ook in de uitgaven in alle andere talen behouden zijn gebleven.

In 1925 verklaarde Stalin dus dat Rosa Luxemburg niet schuldig was aan het begaan van de doodzonde om de theorie van de permanente revolutie te ontwikkelen. “In werkelijkheid werd deze theorie door Parvus en Trotski opgesteld.” In 1931 vernemen we van dezelfde Stalin dat “Parvus en Luxemburg (…)het utopische en half-mensjewistische schema van de permanente revolutie creëerden.” Trotski had geen schuld aan de schepping van de theorie, hij heeft die slechts “aangegrepen.” Dat gebeurde tevens door… Martov! Weer is Stalin op heterdaad betrapt. Waarom schrijft hij over kwesties waar hij niets van begrijpt? Of speelt hij in principiële kwesties van het marxisme bewust met valse kaarten? De keuze kan niet beperkt worden tot deze twee opties: in werkelijkheid is zowel het ene als het andere het geval. De stalinistische vervalsingen zijn bewust, voor zover zij op dat gegeven ogenblik door zuiver berekenende, persoonlijke belangen gedicteerd zijn. Tezelfdertijd zijn zij slechts half bewust voor zover de oorspronkelijke onwetendheid de theoretische willekeur niets in de weg legt. Maar feit blijft feit. In de strijd met de “bende van het trotskisme” botste Stalin in 1931 op een nieuwe persoonlijke vijand: Rosa Luxemburg. Hij aarzelde geen ogenblik om haar te belasteren waarbij hij, voor hij de sluizen van zijn grofheid en deloyaliteit openzette, niet eens de moeite deed om na te gaan wat hij zelf vijf jaar eerder over deze kwestie had gezegd.

De nieuwe versie van de geschiedenis van de theorie van de permanente revolutie is vooral ingegeven door het streven om nog meer gepeperde spijs voor te zetten dan voorheen. Om het theoretische en historische kooksel nog wat pikanter te maken, wordt Martov er met de haren bijgetrokken. Martov stond met een onveranderlijke vijandigheid tegenover de theorie en de praktijk van de permanente revolutie. Hij benadrukte meer dan eens dat de opvattingen van Trotski over de revolutie door zowel de bolsjewieken als de mensjewieken werden verworpen. Maar het heeft geen zin om daar stil bij te blijven staan.

Het is inderdaad fataal dat er geen enkele belangrijke kwestie over de internationale revolutie is waarin Stalin geen twee geheel tegenstrijdige meningen heeft verkondigd. We weten dat hij in april 1924 in zijn ‘Vragen van het leninisme’ de onmogelijkheid van de opbouw van het socialisme in één land bewees. In de herfst van hetzelfde jaar verving hij deze passage in een nieuwe oplage van het boek door het bewijs (dat willen zeggen door de aankondiging) dat de arbeidersklasse het socialisme in één land “kan en moet” opbouwen. De rest van de tekst bleef onveranderd. In de kwestie van de arbeiders- en boerenpartij, de onderhandelingen van Brest-Litovsk, de leiding van de Oktoberrevolutie, de nationaliteitenkwestie, … speelde Stalin het klaar in de loop van enkele jaren, dikwijls enkele maanden, lijnrecht tegenover elkaar staande meningen te verkondigen. Het zou foutief zijn de schuld aan een slecht geheugen te geven. De reden ligt hier dieper. Stalin mist de methode om wetenschappelijk te denken, het principiële onderscheidingsvermogen ontbreekt helemaal. Hij behandelt iedere vraag alsof zij nu voor het eerst ontstaat en bovendien los staat van alle andere vragen. Stalins beoordeling hangt af van zijn ogenblikkelijk acuut belang. De hem overstelpende tegenstellingen zijn de vergelding voor zijn vulgair empirisme. Voor hem staat Rosa Luxemburg niet in het perspectief van de Duitse, Poolse en internationale arbeidersbeweging van de laatste halve eeuw. Neen, zij is voor hem telkens een nieuwe, geïsoleerde persoonlijkheid, waarvan hij zich in iedere nieuwe fase moet afvragen: is dat een vriend of een vijand? Een juist instinct zei de theoreticus van het socialisme in één enkel land dit keer dat de schaduw van Rosa Luxemburg een onverzoenlijke vijand is. Dat verhindert deze grote schaduw overigens niet om de banier van de arbeidersrevolutie te blijven.

Vanuit de gevangenis schreef Rosa Luxemburg in 1918 een zeer strenge en in hoofdzaak foutieve kritiek op het beleid van de bolsjewieken. Maar ook in deze, haar meest onjuiste arbeid, zijn haar adelaarsvleugels zichtbaar. Dit is haar algemene opinie over de Oktoberrevolutie: “Alles wat de partij aan moed, kracht, handelen, revolutionair vooruitzien en bekwaamheid kan tonen, dat alles hebben Lenin, Trotski en hun kameraden geheel volbracht. De revolutionaire eer en bekwaamheid van het handelen die de sociaaldemocratie in het Westen ontbreken, bleken bij de bolsjewieken aanwezig te zijn. Hun Oktoberopstand was niet alleen de werkelijke redding van de Russische Revolutie, maar ook de redding van de eer van het internationale socialisme.” Is dat werkelijk de stem van het centrisme? Luxemburg onderwierp op de volgende bladzijden de politiek van de bolsjewieken in de agrarische kwestie, de leuze van de nationale zelfbeschikking en het opgeven van de formele democratie aan een scherpe kritiek. In deze kritiek die zowel tegen Lenin als tegen Trotski gericht is, maakt zij, terloops opgemerkt, tussen hun opvattingen geen enkel onderscheid en Rosa Luxemburg verstond het te lezen, te begrijpen en verschillen op te merken. Het kwam niet eenmaal bij haar op om mij ervan te beschuldigen dat ik mijn opvattingen over de boeren veranderd zou hebben, doordat ik mij met Lenin in de agrarische kwestie verenigde. Daarbij kende zij deze opvattingen goed, want ik had ze in haar Pools tijdschrift in 1909 grondig beschreven… Rosa Luxemburg eindigde haar kritiek met de eis: “in de politiek van de bolsjewieken het wezenlijke van het onwezenlijke, het fundamentele van het toevallige te onderscheiden.” Voor fundamenteel houdt zij de macht van de beweging van de massa’s, haar wil tot het socialisme. “In dit opzicht,” schreef zij, “waren Lenin en Trotski de eersten die de internationale arbeidersklasse een voorbeeld gaven. Zij zijn ook nu de enigen die openlijk kunnen zeggen: ‘Ik heb het gedurfd!’”

Ja, er zijn voldoende redenen voor Stalins haat tegen Rosa Luxemburg. Maar dat versterkt enkel onze plicht om de nagedachtenis van Rosa te beschermen tegen de laster van Stalin die overgenomen werd door de ingehuurde functionarissen in zowel het westen als het oosten. We moeten het waarlijk mooie, heldhaftige en tragische voorbeeld van Rosa in zijn volle grootheid en inspirerende kracht doorgeven aan de jonge generaties van de arbeidersklasse.

Prinkipo, 28 juni 1932.

 

Print Friendly, PDF & Email