Terugblik op de Franse Revolutie van 1789

In de zomer van 1989 publiceerde de voorloper van onze krant een dossier over de Franse Revolutie naar aanleiding van de 200ste verjaardag die toen gevierd werd. Het dossier door Eric Byl blijft een nuttig overzicht bieden van de geschiedenis en context van die Franse Revolutie.

De geschiedenis wordt ons steeds weer voorgesteld als een zinloze opeenvolging van koningen en heersers, een opsomming van oorlogen en revoluties met als enig resultaat de vervanging van de ene heerser door de andere. Dat de “belangrijke” mannen en vrouwen door de overgrote meerderheid van de bevolking – die onder mensonterende omstandigheden leefde – gevoed en gekleed werden, vindt men niet eens het vermelden waard.

Het gevolg van de Franse Revolutie was schijnbaar niets meer dan de aflossing van de heersende feodale aristocratie door de heerschappij van de burgerij. Maar de Franse Revolutie was veel meer dan dat. Ze moet gezien worden in een reeks van burgerlijke revoluties die een einde stelden aan het feodalisme en een nieuwe stap in de ontwikkeling van de mensheid mogelijk maakten.

Kapitalistische ontwikkeling binnen het feodalisme

De feodale productiewijze kan allerlei vormen aannemen. Al die vormen hebben echter één gemeenschappelijk kenmerk: het inkomen van de heersende klasse komt voort uit het privébezit van de productiemiddelen, in dit geval de grond.

Om in de meest elementaire behoeften van de maatschappij te voorzien, vereist het feodalisme dat de overgrote meerderheid van de bevolking het land bewerkt. Juist doordat de feodale heren het surplus, dat door de rest van de bevolking geproduceerd wordt, verbrassen, wordt de ontwikkeling van nieuwe technieken onmogelijk.

Hoe konden de feodale heren hun inkomen dan verhogen? De bevolking nog meer uitbuiten was onmogelijk, er restte hen dus slechts één oplossing: meer mensen uitbuiten. Daarom verkeerde de feodale maatschappij voortdurend in staat van oorlog! Maar op dialectische wijze betekende dit nog meer verspilling van de maatschappelijke rijkdom en zorgden de oorlogen ervoor dat de feodale maatschappij in haar achterlijkheid verstikt bleef.

Bovendien legde de aristocratie allerlei taksen en toltarieven op aan de handel. Daardoor belemmerden ze de groei ervan en vertraagde ze de ontwikkeling van de industrie. Middelen die de handelaars en de kapitalisten hadden kunnen investeren in de industrie, werden afgeroomd door de aristocratie die bovendien vasthield aan haar politieke en juridische macht die haar inkomen veilig stelde.

Toen de economische macht van de opkomende kapitalisten begon toe te nemen, stootten zij op allerlei politieke belemmeringen, waarbij hen elke inspraak door de aristocratie geweigerd werd.

Ondanks al de beperkingen van de monarchie en de aristocratie kon het kapitalisme zich in de 18e eeuw steeds sterker ontwikkelen. Het ontstaan van een wereldmacht, vooral na de ontdekking van Amerika, gaf een enorme impuls aan de handel. Handelaars vergaarden fortuinen. Woekeraars werden rijk door te lenen aan de boeren, de aristocratie en de koningen. Maar deze fortuinen werden nog niet echt afgewend om een grootschalige industrie op te bouwen. De productie bleef vooral in handen van kleine ambachtslui aan wie de handelaars geld leenden om de productie op gang te houden en om ze in hun greep te krijgen.

Het overgrote deel van de bevolking bestond nog steeds uit boeren. Ze gingen gebukt onder de belastingen die hen door de koningen opgelegd werden, de tienden die ze aan de kerk moesten betalen en de feodale bijdrage die ze aan de aristocratie moesten betalen. Minder dan 1/3 bezat een eigen lapje grond. Zelfs die minderheid kon het eigen gezin met de opbrengst ervan slechts onder de meest ellendige omstandigheden in leven houden. Ze waren verspreid en ongeletterd, ze keken uit naar de leiding van de grote steden.

In steden (waar in 1789 15% van de bevolking leefde) vormden de sans-culotten de overgrote meerderheid. Ze waren een mengeling van kleine handelslui, ambachtslieden, gildewerkers, boeren die tijdens de winter werk zochten in de steden en vooral losse arbeiders (dagloners, tuiniers, water- en houtdragers enz.). Grote fabrieken waren zeldzaam en werkten met een semimilitaire discipline.

De vakbonden kregen moeilijk een voet aan de grond bij de sans-culotten. Wanneer zij in beweging kwamen, was dit niet zozeer als producenten, maar veeleer als consumenten die reageerden tegen een stijging van de voedselprijzen. De sans-culotten beantwoordden aan het stadium waarin het kapitalisme zich toen bevond. Ze bestonden vooral uit kleine ambachtslui en dagloners die onder de opkomende kapitalistische industrialisatie aan het verdwijnen waren.

Crisis van het Ancien Régime

Het failliet van de staat bracht de tegenstellingen die zich in de Franse maatschappij aan het ontwikkelen waren tot een explosie. Terwijl de Franse monarchie in allerlei nutteloze oorlogen betrokken was, pikte de Engelse regering – waar reeds in 1640 een burgerlijke revolutie had plaatsgevonden – het leeuwendeel van de kolonies in. De uitbuiting ervan maakte het hen nog meer mogelijk om hun eigen industrialisatie verder te financieren.

De jonge Franse burgerij werd weggeconcurreerd door de goedkope goederen uit Engeland. Dit versterkte nog meer het ongenoegen van de burgerij met de monarchie die schuld op schuld stapelde voor oorlogen waaruit de burgerij niet het minste voordeel haalde. In 1788 bedroegen de militaire uitgaven 26% van het totaal. Bisschoppen, legerofficieren en rechters, bijna alle aristocraten genoten vrijstelling van belasting zodat de burgerij en het gewone volk de rekening betaalden. Deze situatie maakte dat de vertegenwoordigers van de burgerij niet alleen in eigen naam maar ook in naam van het gewone volk konden optreden.

Louis XVI was, om zijn schulden af te betalen, verplicht de fiscale vrijstelling van de geprivilegieerde standen aan te vallen. De aristocratie, daarbij deels steunend op het gewone volk, reageerde hiertegen in 1787 en 1788. Op die manier ontstond een scheuring in de rangen van de heersende klasse. De geschiedenis toont steeds weer hoe een beweging van onderaf voorafgegaan wordt door een splitsing in de heersende klasse. Dit zagen we ook in het Britse parlement in 1640, bij de Russische aristocratie met de moord op Raspoutin en ook bij de studenten- en arbeidersbeweging in China tussen de harde stalinistische lijn van Deng en L Peng en de meer liberale strekking van Zhao Ziyang. Het weerspiegelt de verschillende strategieën die bepaalde delen van de heersende klasse of kaste willen volgen om de crisis te bestrijden.

Als antwoord op de aristocratische revolte ging ook de koning beroep doen op bredere lagen van de maatschappij. Hij besloot in mei 1789 tot het bijeenroepen van de Staten Generaal, een raadgevend orgaan waarop het absolutisme al sinds 1614 geen beroep meer had gedaan. De Staten Generaal bestonden uit drie kamers, één per stand, namelijk de aristocratie, de clerus en de derde stand. Elke kamer had één stem, zodat de heersende klasse steeds zeker was van een meerderheid.

De kapitalisten monopoliseerden de vertegenwoordiging van de derde stand. Ze eisten hoofdelijke stemming en dubbele vertegenwoordiging. Op die manier hoopten ze een deel van de Parijse clerus en de liberale aristocratie, die in kapitalistische ondernemingen geïnvesteerd hadden, voor zich te winnen.

Maar van zodra ze hun gemeenschappelijke belangen in gevaar kwamen, sloten de monarchie en de aristocratie hun rangen. In juni 1789 riepen de kapitalisten in de Staten Generaal zichzelf uit tot Nationale Vergadering, hierin bijgetreden door een minderheid van de Parijse clerus en de liberale aristocraten.

Massabeweging

Geen enkele heersende klasse zal echter afstand doen van haar privileges zonder ervoor te vechten. Lodewijk XVI verzamelde 20.000 soldaten, vooral Duitsers en Zwitsers, rond Parijs en Versailles.

Door de sociale crisis en de stijgende broodprijzen kwamen de Parijse sans-culotten voor de eerste keer in actie. Wapenwinkels werden geplunderd en tolkantoren werden platgebrand. Ook de boeren, die in deze gebeurtenissen de leiding van de steden zagen, bewapenden zich en bestormden de kastelen die ze als belangrijkste uitdrukking zagen van hun feodale verplichtingen.

Het feodalisme werd feitelijk afgeschaft, niet door de burgerlijke vertegenwoordigers van de Nationale Vergadering, maar door de massale actie van de sans-culotten en de boeren. De burgerij had een beweging op gang gebracht die verder ging dan ze gewild had. Wilde ze deze beweging echter onder controle houden, dan moest ze zich aan het hoofd ervan plaatsen.

Er bestond nauwelijks een grootschalige industrie. Indien er een ontwikkeld industrieel proletariaat bestaan had dan zou dit onvermijdelijk de strijd aangegaan zijn met haar eigen, materiële belangen te verdedigen tegen die van de patroons. De sans-culotten vormden echter geen homogene klasse. Ze bestonden meestal uit losse arbeiders en kleinburgers die, ondanks hun strijdbaarheid, niet in staat waren om een duidelijk alternatief te bieden op het kapitalisme. Hoewel de onafhankelijke beweging van de sans-culotten de burgerij afschrikte, kon haar strijd objectief slechts de belangen van de burgerij dienen. De burgerij richtte dan ook een burgerwacht op die de eigendom van alle bezitters moest beschermen tegen “gevaarlijk geachte maatschappelijke categorieën.”

Desondanks leidde de burgerij op 14 juli, onder druk van de sans-culotten die op zoek waren naar wapens, de stormloop op de Bastille. Vooral het overlopen naar de revolutie van twee detachementen Franse gardisten, maakte de inname van de Bastille mogelijk. In de geschiedenis zien we telkens weer hoe delen van het staatsapparaat overlopen naar het kamp van de revolutie, van zodra duidelijk word dat deze beweging bereid is de macht over te nemen van de oude heersende klasse.

De burgerij richtte een lokaal burgerlijk bestuur op: de Commune, die een orgaan was van de opkomende burgerij in de steden, het embryo van een nieuwe maatschappij in de feodale maatschappij. In 1871 zou de Commune van Parijs het orgaan van de eerste arbeidersregering, het prototype van de Russische sovjets worden.

Op 4 augustus 1789 vernietigde de Nationale Vergadering bij decreet het feodalisme en aanvaardde ze de “Verklaring van de Rechten van de mens en van de burger”. Dit was de feitelijke overlijdensakte van het Ancien Regime.

De boeren werden vrij, maar zouden volgens die akte nog generaties lang compensaties moeten betalen voor de grond die konden afkopen. Naast de aristocraten bezaten immers ook elementen van de burgerij grond die er de gebruikelijke rechten op eisten. Voor de burgerij was de revolutie daarmee ver genoeg gegaan.

Dubbelmacht

De koning weigerde echter de besluiten van de Nationale Vergadering te erkennen. Er ontstond nu een situatie van “dubbelmacht”. De vertegenwoordigers van de burgerij waren nog onzeker, die van de aristocratie en de monarchie te zwak om toe te slaan. Er was een nieuwe beweging van de sans-culotten nodig om hieraan een einde te stellen. Ze wisten dat de koning in Versailles steeds weer zou proberen om de krachten van de contrarevolutie te verzamelen en ze wilden hem als gevangene van Versailles naar Parijs brengen. Maar de burgerij had de monarchie nodig als kracht tegen de macht van het volk en wou niet verder gaan dan het instellen van de constitutionele monarchie, waarbij het stemrecht beperkt bleef tot de bezittende klasse. De koning begreep dat hij verplicht was het voorstel van de burgerij te aanvaarden.

Daarmee was het kapitalisme in Frankrijk nu een feit. Er werd een eengemaakt systeem van maten en gewichten ingevoerd. De nationale markt werd voltooid, waardoor productie op grotere schaal mogelijk werd. De tolgrenzen werden opgeheven, leger en bureaucratie werden gezuiverd en waren verantwoording verschuldigd aan de burgerij.

Om de controle over het volk te behouden konden ‘passieve burgers’ – die geen bezittingen hadden – niet stemmen voor de ‘Wetgevende Vergadering’. Ze waren ook niet verkiesbaar voor de Nationale Garde (de Garde van de burgerij). In 1790 werd de wet Le Chapelier gestemd waardoor stakingen illegaal werden. Deze nieuwe orde maakte onmiddellijk haar klassenkarakter duidelijk.

Ondertussen begreep de burgerij wel het belang van de godsdienst om het volk zand in de ogen te strooien. Maar de kerk bezat 2/5 van de grond. Speculanten droomden ervan om deze gronden goedkoop op te kopen. De kloosters werden gesloten en de Parijse priesters werden door de staat betaalde ambtenaren. Maar onder druk van de paus en de bisschoppen, die hun grond en privileges in gevaar zagen, weigerde de helft van de priesters de Wetgevende Vergadering te steunen. De kortzichtige politiek van de speculanten, die gericht was op snelle winsten, bedreigde het nieuwe regime. De godsdienst moest wel haar greep op de landelijke massa’s behouden, maar nu stond de helft van de priesters vijandig tegenover de burgerlijke maatschappij.

In juni 1791 probeerden de koning en de koningin naar het buitenland te vluchten. Alleen de waakzaamheid van het revolutionaire volk hield hen tegen en bracht hen terug naar Parijs. Daardoor groeiden de tegenstellingen tussen de revolutie en het Ancien Régime naar een nieuw hoogtepunt. Deze groeiende polarisatie vond zijn weerslag in de Nationale Vergadering die in ‘links’ en ‘rechts’ splitste.

Deze woorden sloegen oorspronkelijk op de plaats waar de revolutionaire en de reactionaire partijen zaten. Rechts zaten de Feuillants, een verzameling van reactionaire edelen, geestelijken en monarchisten. Links zaten de Jacobijnen met vooral de Parijse Cordeliers o.l.v. Danton. Maar de voornaamste partij in de Vergadering was op dat ogenblik de ‘Centrum’ partij van Brissot, algemeen gekend als de Girondijnen omdat velen van hen uit de Gironde, een streek in West Frankrijk, kwamen.

Ondertussen was een deel van de aristocratie wél uitgeweken naar het buitenland waar zij allerlei complotten smeedde. Daarbij hoopte ze op hulp van een interventie van buitenlandse monarchieën.

Maar ook de burgerij dacht dat ze belang had bij een oorlog. Ze had de enorme belastingen van de monarchie verlaagd zonder iets in de plaats te stellen en hoopte dan maar  de schatkist te kunnen vullen via het veroveren van nieuwe markten en door de annexaties van nieuwe gebieden.

Bovendien heerste er bij een deel van bevolking een stemming om een oorlog tegen de Europese reactie te voeren. Daarom lanceerden de Girondijnen de slogan van een “revolutionaire oorlog”. Maar ook de koning wou oorlog, maar dan om een buitenlandse interventie te provoceren die op een militaire nederlaag van de revolutionairen zou uitlopen.

De enige die het gevaar van zo’n oorlog voor de revolutie inzag was Robespierre. Hij begreep dat eerst de adel in het binnenland moest verslagen worden, dat het hof moest overmeesterd worden en het leger moest uitgezuiverd worden. Dit leger was bovendien gedesorganiseerd door de vlucht naar het buitenland van de aristocratische officieren. De troepen hadden bovendien geen wapens of uitrusting meer en er was ook geen munitie. De oorlog werd dan ook een mislukking. Toen in juli 1792 o.a. het Russisch leger Frankrijk binnenviel stond de burgerij voor een dilemma. De enige manier waarop ze de oorlog kon winnen was door het volk te bewapenen.

De Girondijnen, die de oorlog begonnen, waren echter zelf doodsbang voor het gewapend volk.

De massa’s redden de revolutie

Maar vanaf begin 1792 waren er voedselrellen uitgebroken als gevolg van de tekorten die door de oorlog ontstaan waren. Op 10 augustus bestormde het volk het koninklijk paleis, de Tuilerieën. De koning werd afgezet en Frankrijk werd een republiek. Overal waren comités opgezet die samen een revolutionaire commune vormde, los van de oorspronkelijke commune en in tegenstelling ermee via het algemeen stemrecht verkozen.

De sans-culotten eisten permanente afzetbaarheid van hun verkozenen, met voor zover mogelijk directe betrokkenheid door het volk bij het bestuur. Deze ‘Commune’ bestond uit republikeinse militanten uit de provincies, de Parijse Nationale Garde en de democratische Parijse secties. Ze functioneerde als generale staf voor de republikeinse opstand van augustus 1792 net zoals het revolutionaire comité van de Petrogradse Sovjet tijdens de Russische Revolutie.

Nu de verraders niet langer de leiding van het leger in handen hadden, konden de Russische troepen gestopt worden en begon het Franse leger opnieuw op te rukken. De revolutie leek opnieuw gestabiliseerd. De sans-culotten hadden echter hun job gedaan, en waren voor de burgerij niet langer nodig. Hun organen van direct bestuur werden terug ingekapseld binnen de kanalen van de parlementaire democratie waar de kapitalisten zeker waren van hun controle.

Maar de stabilisatie was van korte duur. Begin 1793 leed Frankrijk opnieuw militaire nederlagen. De inflatie nam toe. Het brood werd weer duurder. De priesters maakten hiervan gebruik om de boeren in de richting van de contrarevolutie te duwen.

De Jacobijnse dictatuur van Robespierre

Het gevaar dat de revolutie zou desintegreren en in elkaar storten was reëel. De Girondijnen weigerden echter om opnieuw een beroep te doen op het volk. Deze weigering speelde in de kaart van de Jacobijnen die inspeelden op het ongenoegen dat onder de massa’s leefde. Toen ze de meerderheid in de Parijse Commune kregen, kondigden ze een maximumprijs voor brood af. De Jacobijnen stonden onder druk van de linksen, de Enragés o.l.v. Jacques Roux die een programma verdedigde in het belang van de Parijse massa’s dat ondermeer vaste prijzen en een oorlog tegen de speculanten in het belang van de kleine consumenten eisten. In de eerste maanden van 1793 won deze strekking steeds meer aanhang. Het enige resultaat van de maximum- broodprijs was echter de uitputting van de voorraden.

Na het confisqueren van de gronden van de adel en de clerus werd de speculatie met voedselvoorraden dé manier waarop de kapitalistenklasse haar economische macht opbouwde. Nu ze geen superwinsten meer kon maken door voedsel te verkopen, zag ze geen enkel probleem in het uithongeren van Parijs.

De Jacobijnen reageerden met het opzetten van een Revolutionair Centraal Comité, de overname van de Nationale Vergadering van het land en de afzetting en arrestatie van de Girondijnen.

Om hun posities te verzekeren, moesten de Jacobijnen zware toegevingen doen aan de sans-culotten. Speculatie en privé-luxe werden beperkt om alle beschikbare middelen aan het front te kunnen inzetten. Tussen juni 1793 en juli 1794 werden een duizendtal contrarevolutionairen geguillotineerd. In 1793 werd een grondwet ingevoerd met het algemeen stemrecht voor mannen. Er werden projecten opgezet die jaren vooruit waren op hun tijd o.a. voor algemeen onderwijs, een stelsel van pensioenen en sociale zekerheid, een plan voor de verdeling van de grond van verdachte aristocraten onder ‘verdienstelijke patriotten’, enz. Maar het bleef bij de plannen die t.g.v. de oorlog uitgesteld werden.

Het ‘revolutionaire leger’ van de sans-culotten organiseerde graanopeisingen om de bevoorrading van de steden te verzekeren. Er werden vertegenwoordigers naar rebellerende gebieden gestuurd om de burgeroorlog om te buigen tot een oorlog van armen tegen rijken. Sans-culotten werden gemobiliseerd en bewapend. Ze legden aan de burgerij verplichte leningen op om de oorlog te financieren en deelden gratis republikeinse tijdschriften uit aan de soldaten. De officieren werden democratisch verkozen op basis van bekwaamheid en niet langer op basis van privileges.

Alhoewel de ‘maximumwet’ inging tegen de belangen van het privébezit en een beperking was van de vrije markt, beschouwden noch de Jacobijnen, noch de vertegenwoordigers van de sans-culotten deze maatregel als een stap in de richting van de afschaffing van het privé-bezit.

Frankrijk was een maatschappij van kleine producenten in de steden en op het platteland die ervan droomden om ooit zelf tot de rijke burgerij te behoren. Hierin lag de beperktheid van de sans-culotten.

Maar daarvoor moest de ‘maximumwet’ ook een mislukking worden. Toen in de lente van 1794 opnieuw tekorten ontstonden, ontwikkelde zich een enorme zwarte markt voor brood. De regering stond voor de keuze: ofwel bestreed ze de speculanten met terreur, maar dan kregen de sans-culotten nog meer macht, ofwel gaf ze toe aan de grootgrondbezitters. T.g.v. de revolutie had zich een laag van rijke boeren die voor de markt produceerden ontwikkeld. Bovendien had de inbeslagname van de gronden van de clerus en de aristocratie de ontwikkeling van de kapitalistische boerderijen versneld. Het waren vooral deze kapitaalkrachtige boeren die een graanstaking uitlokten om de regering tot toegevingen te dwingen. De ‘maximumwet’ werd afgeschaft.

Een deel van de sans-culotten begon nu echter eisen te stellen die het privébezit aantastten. De eis voor overname van handel en industrie begon meer en meer weerklank te vinden. Baboeuf, die later communist werd, riep op tot de herverdeling van de eigendom. De sociale samenstelling van de sans-culotten en het feit dat ze nog geen volwassen proletariaat vormden, maakten echter dat deze ideeën slechts op een tijdelijk en geen permanente aanhang konden rekenen.

Omdat de privéindustrie nog niet voldoende ontwikkeld was om voldoende wapens te produceren en het leger bovendien met schulden zou overladen worden, zetten de Jacobijnen staatsbedrijven op voor de productie van wapens.

De import werd genationaliseerd en het staatsmonopolie van de buitenlandse handel werd ingevoerd om op die manier alle middelen te kunnen inzetten voor militaire doelstellingen. De algemene mobilisatie werd afgekondigd. Het vervoer werd genationaliseerd, er werden hospitalen gebouwd, de kerken werden gesloten en de klokken omgesmolten tot kanonnen.

Al deze maatregelen waren echter maar tijdelijk en bedoeld om de belangen van het kapitaal op lange termijn veilig te stellen.

De Burgerij was echter vol weerzin voor de revolutionaire organen van de sans-culotten. Ze gingen opnieuw over tot het institutionaliseren ervan binnen de ‘revolutionaire regering’ om ze weer onder controle te krijgen. De sans-culotten werden misleid en stelden een blind vertrouwen in de Jacobijnse regering. De ‘Enragés’ waren ondertussen totaal geïsoleerd en werden uitgeschakeld.

Toen de sans-culotten hun vergissing inzagen was het te laat. Hun revolutionaire organen waren opgeslorpt in de centrale regering. Hun controle op de Nationale Garde werd teruggeschroefd. Het revolutionaire leger van de sans-culotten werd ontbonden.

Alle strijdorganen van de sans-culotten waren ontmanteld. Het ogenblik voor de reactie was aangebroken. In de laatste maanden van de regering van Robespierre werden meer dan duizend, vooral militante sans-culotten – verklikt door een netwerk van spionnen en informanten – op de guillotine onthoofd om op die manier de macht van het volk in te perken.

In de ‘maximumwet’ stond ook een paragraaf over het maximum van de lonen. Dit was onder druk van de arbeiders tot nog toe niet toegepast. Nu echter wel met een catastrofale val in de levensstandaard van de arbeiders tot gevolg.

De Thermidoriaanse reactie

Vanuit het standpunt van de burgerij had Robespierre zijn taak volbracht. Nu de sans-culotten gedemoraliseerd waren en Robbespiere dus niet meer kon steunen op de massa’s, werd hij in de Nationale Vergadering opzij gezet (Thermidor). Hijzelf en de belangrijkste leden van de ‘revolutionaire regering’ werden geguillotineerd.

De Jacobijnse clubs en alle vergaderplaatsen van de sans-culotten werden gesloten. De nieuwe regering wakkerde de inflatie aan om op die manier de rijkdom te herverdelen, weg van de sans-culotten en de overblijfselen van de oude heersende klasse die leefde van een vast loon, naar de fortuinen van de burgerij.

Onder de slogan ‘brood en de grondwet van 1793’ kwamen de sans-culotten in maart en mei van 1795 opnieuw massaal op straat. Een tijdlang bezetten ze Parijs. Maar ze hadden geen enkel perspectief om de maatschappij te hervormen en ze probeerden de burgerij te overtuigen via discussies. De beweging werd echter verpletterd door koningsgezinde troepen. Op één week tijd werden 1.200 arrestaties verricht. Daarmee was de volksbeweging voorgoed ontwapend.

De beweging van maart en mei 1795 overtuigde de heersende klasse ervan dat ze opnieuw een uitvoerende macht moest instellen. De Directoire die door de grondwet van 1795 ingesteld werd en tot en met 1799 duurde, geleek op de zwakke vormen van Bonapartisme waarmee Duitsland in de periode net voor de machtsovername van Hitler geregeerd werd.

De staat ging zich meer en meer boven de maatschappij verheffen en een eigen macht opbouwen. Verkiezingen werden afgeschaft en er werd bij volmacht geregeerd. Omdat de regering niet meer op de massa’s kon steunen was ze verplicht om steeds meer naar het leger te grijpen als arbiter in het beslechten van sociale conflicten. Het algemeen stemrecht werd opnieuw afgeschaft en het cijnskiesrecht heringevoerd. Daardoor hadden slechts 30.000 van de 25 miljoen inwoners stemrecht.

Een stabiele burgerlijke republiek was nu onmogelijk geworden. De Jacobijnse dictatuur vormde, ondanks al haar beperktheden, het hoogtepunt van de revolutie. Ze schafte de overblijfselen van het feodalisme af en vernietigde de contrarevolutie door te steunen op de massa’s. Sinds 1794 werd de reactie sterker, maar de fundamenten van de revolutie bleven behouden. Zelfs toen de ultra’s onder de aristocraten, de clerus en de koninklijke familie in 1815 terugkeerden, hielden deze fundamenten stand.

De blijvende verworvenheden van de revolutie bestonden erin dat de politieke en economische macht overging in de handen van de burgerij. Na 1815 konden de Bourbons de ontwikkeling van het kapitalisme niet tegenhouden, hoezeer ze ook volhielden dat er sinds 1788 niets veranderd was. De echte verworvenheid van elke sociale revolutie is de overgang van de economische macht van de ene klasse naar de andere.

Thermidor was een contrarevolutie in die zin, dat ze de democratische verworvenheden van de revolutionaire beweging vernietigde. Maar de nieuwe regering was verplicht om de nieuwe economische orde te verdedigen tegen contrarevolutie. Het was een politieke contrarevolutie zoals de opkomst van Stalin in de Sovjet-Unie. Ook Stalin moest de overwinning van de geplande economie verdedigen, dit was immers de basis voor de inkomens en privileges van de bureaucratie.

Belang vandaag

De burgerlijke revolutie van 1789 maakte het mogelijk om de productiemiddelen te ontwikkelen tot op het niveau dat het mogelijk wordt om de behoeften van alle mensen ruim voldoende te bevredigen. Daardoor zou de mens meer aandacht kunnen besteden aan zichzelf en uiteindelijk mens kunnen worden. In die zin heeft de burgerlijke revolutie de ontwikkeling van het kapitalisme, de materiële voorwaarde voor een hogere maatschappijvorm, het socialisme gecreëerd.

Maar de Franse Revolutie heeft meteen ook de eerste socialistische denkers voortgebracht. Er waren voordien reeds socialistische denkers zoals Thomas More (begin 16e eeuw). Maar met Baboeuf werd communisme voor het eerst een beweging. Voor de eerste keer namen communisten een klassenstandpunt in en streefden ze ernaar door een revolutionaire omverwerping van de bestaande heerschappij hun eigen systeem in te voeren. In die zin was Baboeuf de eerste moderne socialist.

Het socialisme van Baboeuf werd echter beperkt door de ontwikkelingsgraad van Franse maatschappij en haar arbeidersklasse. Baboeuf was, met de sans-culotten, in het bijzonder de kleine ambachtslieden die te lijden hadden onder de concurrentie van grote industrie, een tegenstander van die industrie en wou terug naar een maatschappij van kleine producenten,. Hij begreep het belang van een massabasis voor het socialisme niet en dacht in termen van samenzwering. Dit maakte nooit een kans, want ze was van bij het begin reeds verraden door spionnen en provocateurs.

Zijn ideeën lagen aan de basis voor de Carbonari, geheime gemeenschappen die gedurende 25 jaar vochten tegen de onderdrukking in Frankrijk en Italië. Dit inspireerde onder meer de Chartisten in Engeland en Blanqui, wiens organisatie de Bond der Rechtvaardigen oprichtte. In 1847 veranderden ze hun naam in Communistenbond en aanvaardden ze het Communistisch Manifest van Marx en Engels  als hun programma. Op die manier legde Baboeuf de basis voor de internationale socialistische arbeidersbeweging. Daarmee heeft de Franse Revolutie niet alleen de materiële voorwaarden en de klasse die het socialisme moet doorvoeren, maar ook de ideeën van het socialisme zelf voortgebracht.

Print Friendly, PDF & Email