Politieke onstabiliteit blijft. Strijd tegen neoliberale besparingsbeleid zal op straat gevoerd worden

De economische crisis en het besparingsantwoord daarop doorheen het continent hebben de autoriteit van de Europese Unie en de gevestigde partijen verder ondermijnd. Dat bleek uit de resultaten van de Europese verkiezingen met een opkomst die erg laag blijft (43%) en een stevige score voor een breede waaier van Eurosceptische partijen. In die landen waar het verzet tegen het besparingsbeleid tot georganiseerde strijd leidde – voornamelijk in het zuiden van Europa – was er een vooruitgang van linkse krachten (onder meer Syriza in Griekenland, PCP in Portugal, IU en Podemos in Spanje en ook de ‘lijst Tsipras’ in Italië). Elders kwam het ongenoegen op een meer negatieve wijze tot uiting met sterke resultaten voor onder meer het FN (Frankrijk), UKIP (Groot-Brittannië), Deense Volkspartij,…

Analyse van de verkiezingsresultaten door het Uitvoerend Bureau van LSP.

 

De groeiende polarisatie onder druk van de crisis komt ook tot uiting bij de gevestigde partijen. In ons land leidt het tot een discussie over het model om structurele besparingen door te voeren. In zijn afscheidsinterviews stelde Jean-Luc Dehaene dat de volgende regeringen de ‘opportuniteit’ van enkele jaren zonder verkiezingen moeten gebruiken om hard het mes te zetten in de sociale verworvenheden. Geen besparingen met de kaasschaaf, maar met het botte mes. In de verkiezingscampagne werden verschillende nuances inzake besparingsritme voorgesteld. Die opties blijven ook na de verkiezingen overeind. Eén zaak staat vast: er komen besparingen op alle niveaus en daar zal strijd tegen nodig zijn.

Economische realiteit even opzij geschoven

Tijdens de verkiezingscampagne leek de economische crisis ondergesneeuwd. De meeste berichten hadden het over economisch herstel. Het einde van de tunnel was nog maar eens in zicht. Het herstel consolideren, zou wel een besparingsbeleid vergen om ‘onze’ concurrentiepositie te versterken. Dat dit ‘herstel’ enkel de rijksten nieuwe grote winsten oplevert, werd er niet bij verteld.

Zonder een eenmalig verlies door een afschrijving van 9,7 miljard door GDF Suez, waren de Bel20 bedrijven goed voor 15,5 miljard euro winst in 2013. Daarvan werd 10 miljard euro als dividenden uitgekeerd aan de aandeelhouders. De toplui kregen 8,6% meer dan in 2012, voorzitters van Bel20 bedrijven vingen een gemiddelde vergoeding van 282.892 euro. De 1% rijksten in ons land zijn goed voor 12,63% van alle netto vermogen (de gezamenlijke waarde van alle onroerend en roerend vermogen min de uitstaande schulden) of evenveel als de 53% armsten. De 5% rijksten hebben evenveel vermogen als de 75% armsten.

Een peiling toonde aan dat de gemiddelde Belg denkt dat de 20% armsten goed zijn voor 7,7% van het vermogen en de 20% rijksten voor 40,6%. In werkelijkheid gaat het om 0,17% en 61,2%. De kloof tussen arm en rijk is groter dan algemeen wordt aangenomen. De superrijken zijn rijker dan gedacht, de groep die moeite heeft om de eindjes aan elkaar te knopen is veel groter dan gedacht. Eén op de zeven Belgen is arm. Over een periode van vier jaar raakte bijna 30% van de Belgen al eens in armoede, 20% van de gepensioneerden heeft een inkomen onder de armoedegrens, 40% van de gehandicapten moet leven van een tegemoetkoming onder de armoedegrens,…

Iedere verdere economische neergang trekt de levensstandaard van de meerderheid van de bevolking verder naar beneden. De kans op verdere neergang is reëel. Zelfs in de propaganda over het economisch herstel wijst men op complicerende factoren, zoals een gebrek aan investeringen, vertraging in de zogenaamde groeilanden en gevaren als gevolg van spanningen rond onder meer Oekraïne die de energieprijzen onder druk kunnen zetten. Economisch wanhopige tijden gaan gepaard met wanhopige propaganda.

Traditionele partijen houden met moeite stand

De wanhopige propaganda heeft een impact, maar het effect ervan neemt af. Dat bleek ook uit het Belgische verkiezingsresultaat. Na een laatste campagneweek met een enorm offensief tegen N-VA, heeft die partij de voorspelde tsunami alsnog gerealiseerd. Met 32% haalt N-VA een hogere score dan in de laatste peilingen en worden de resultaten van de gemeenteraadsverkiezingen geëvenaard (zelfs indien er hier en daar een beperkte achteruitgang was, zoals in de stad Antwerpen waar met De Wever en Homans van 37% in 2012 wordt terug gevallen op 34% en 32% voor de federale en regionale verkiezingen). De anti-N-VA campagne heeft deels een omgekeerd effect gehad. Dat is een indicatie van de aftakelende autoriteit van de drie traditionele politieke families.

Langs Vlaamse zijde halen christendemocraten, liberalen en sociaaldemocraten samen ongeveer 48%. In 2010 haalden ze voor het eerst geen 50% meer. In vergelijking met 2010 houden ze stand, wat ze zelf als een grote overwinning voorstellen. Maar deze stabilisatie gebeurt op een historisch dieptepunt. De drie komen nipt aan een meerderheid in het Vlaams parlement (64 op 124 zetels) en onder de Nederlandstalige afvaardiging in de Kamer (45 van de 87 zetels). Langs Franstalige kant halen de drie traditionele politieke families nog 70% van de stemmen, maar ook dat neemt af. Verkozenen van FDF, PTB-GO en PP illustreren dat ook langs franstalige kant de draagkracht van de traditionele partijen aftakelt.

Het verlies van de PS is beperkter dan voor de verkiezingen werd aangenomen. Dit verlies – in Brussel lichte winst en voor het Waals parlement ondanks lichte achteruitgang een zetel winst – was niet het resultaat van een links beleid. Na 25 jaar regeringsdeelname is de armoede toegenomen en zijn er meer werklozen. De 1% rijksten gingen erop vooruit, de overgrote meerderheid van de bevolking ging erop achteruit. Met de PS aan het stuur van de regering was het niet langer mogelijk om zich te verstoppen achter het argument dat het de schuld van het ‘rechtse Vlaanderen’ was. De dreiging van een regering onder leiding van N-VA was het enige argument waarmee de PS kon standhouden. De propaganda van N-VA over de keuze tussen een PS-model en een N-VA-model heeft ook de PS goed gedaan. De herinnering aan de politieke crisis van 2010 en het beeld dat ons land relatief ongeschonden uit de economische crisis is gekomen, speelden eveneens een rol in het oppeppen van de traditionele partijen.

Onstabiliteit van de alternatieven

De resultaten zijn minder voorspelbaar en er zijn soms opmerkelijk grote verschuivingen met nieuwe partijen die een snelle opmars en neergang kennen. Tien jaar geleden, met de regionale verkiezingen van 2004, kende het Vlaams Belang een electoraal hoogtepunt met 24,15%. Nu haalt het VB nog amper drie Kamerzetels (2 in Antwerpen en 1 in Oost-Vlaanderen). Lijst Dedecker ging bij deze verkiezingen volledig kopje onder, terwijl het in 2008 nog tot 15% scoorde in de peilingen.

N-VA plaatst zich tot op zekere hoogte in dit rijtje, zonder dat het besmet is met het neofascistische karakter van het VB of het ego-avonturisme van Dedecker, zelfs indien er in de marge elementen hiervan aanwezig zijn. Wat deze formaties gemeen hebben, is dat ze inspelen op een breed ongenoegen. Ook op Europees vlak kwam dit tot uiting in sterke scores voor diverse extreemrechtse en rechts-populistische krachten.

Op basis van collectieve strijd zal het klassenbewustzijn verscherpt worden en zal de ruimte voor een echt alternatief in de vorm van een massale arbeiderspartij met een socialistisch programma vergroten. Ondertussen moeten we afrekenen met een breed spectrum van allerhande populistische formaties die gedurende zekere tijd de bovenhand kunnen halen met hun individuele ‘oplossingen’ of zogenaamde ‘anti-establishment’-imago.

Tegen deze achtergrond is een terugkeer van het Vlaams Belang of een gelijkaardige formatie niet uitgesloten. In de huidige vorm wordt dat wellicht moeilijk, de partij valt terug op drie Kamerzetels, zes Vlaamse verkozenen, één Brusselse verkozene en bijzonder nipt een Europese zetel voor voorzitter Annemans. Meer dan de helft van het personeel van de partij zal op straat staan. In zijn bastion Antwerpen haalt het Vlaams Belang nog 7% en moet het voor de Kamer zes en voor het Vlaams parlement vijf andere partijen laten voorgaan.  In een poging om alsnog in het middelpunt van de belangstelling te staan, ging vooral Dewinter over tot scherpe provocaties in de campagne. Het zou verkeerd zijn om te denken dat het negeren van racistische provocaties zal leiden tot het verdwijnen ervan. Dat drie Griekse neonazi’s in het Europees Parlement verkozen raakten, kan als waarschuwing tellen. Met hoe meer  provocaties Dewinter weg komt, hoe verder hij en zijn troepen zullen gaan.

Dat er ruimte is voor extreemrechts blijkt ook langs Franstalige kant. De rechts-populistische Parti Populaire van Modrikamen haalt een verkozene in de Kamer en in het Waals parlement. In Charleroi haalt de PP 7% terwijl de reactionaire beroepsprovocateur Laurent Louis er met zijn ‘Debout les Belges’ 5% haalt en het door het Vlaams Belang opgezette ‘Faire Place Nette’ 3,5%. Laurent Louis kreeg volk op de been voor zijn meetings ondanks het agressieve antisemitische karakter van zijn campagne. Het gevaar van antisemitisch geweld bleek overigens nog aan de vooravond van de verkiezingen met een bloedige aanslag in het Joods museum in Brussel waarbij vier doden vielen.

Extreemrechts afschrijven of de strijd ertegen opgeven, is niet aan de orde van de dag. Het gevarieerder karakter van de extreemrechtse en populistische formaties vereist een degelijke analyse die een correcte inschatting maakt van het gevaar – het volstaat niet om iedereen zomaar als fascist af te doen – en daaraan gekoppeld een actieve mobilisatie rond een sociaal programma om de voedingsbodem van deze formaties aan te pakken.

Groene winst en verlies

Ecolo werd zwaar afgestraft in deze verkiezingen. De regeringsdeelname op regionaal niveau heeft de partij geen goed gedaan. De campagne van de PS voor een nuttige stem om de N-VA te stoppen evenmin. Bovendien was er ter linkerzijde een concurrent in de vorm van de PTB. Ecolo verliest de helft van zijn Brusselse zetels, 10 van de 14 Waalse zetels en 2 van de 8 Kamerzetels.

Langs Nederlandstalige kant kende Groen wel vooruitgang. De partij profileerde zich als linkse oppositiepartij met nadruk op sociale thema’s zoals de lange wachtlijsten in de sociale sector. Het partijprogramma was dan wel niet erg links, het profiel van Groen was dat wel. Bovendien kon de partij gebruik maken van de sterke acties rond de Antwerpse mobiliteitsproblemen. Anderzijds maakte Groen-voorzitter Van Besien meteen duidelijk dat hij wil meeregeren. Na deze vooruitgang kan hij blijkbaar niet snel genoeg de ervaring van Ecolo in het Brusselse en Waalse parlement achterna gaan.

Vooruitgang voor radicaal links

Met 2 zetels in de Kamer, 2 in het Waals parlement en 4 in het Brussels parlement heeft PVDA/PTB niet het door de hoge peilingen gecreëerde verwachte resultaat behaald. Vooral in Antwerpen werd meer verwacht, maar eindigde de partij van Peter Mertens op een zucht van de kiesdrempel. Met scores van 11,5% in Luik en 8,7% in Charleroi, waar PVDA telkens de derde partij is na PS en MR, of 8,9% in Antwerpen en 4,9% in Gent heeft PVDA wel opmerkelijke scores neergezet waarbij ook in vergelijking met de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 vooruitgang werd geboekt.

Ondanks een professionele campagne en nooit geziene toegang tot de media, had de PVDA in de laatste dagen van de campagne moeite om overeind te blijven, laat staan om de thema’s van de verkiezingen te bepalen. De druk van een nuttige stem tegen de N-VA en de pogingen van alle partijen om zich sociaal voor te doen, hebben ongetwijfeld een rol gespeeld. Anderzijds tonen de resultaten aan dat er links van de sociaaldemocratie en de groenen ruimte is. Het was in dat kader dat wij voorstelden om eenheidslijsten met een naam als PVDA-Eenheid op te stellen of om kandidaten op PVDA+/PTB-GO te plaatsen. Jammer genoeg werden die voorstellen afgewezen en was er in Brussel zelfs geen bereidheid tot lijstverbinding. Nochtans weet iedere syndicalist dat je er in een strijd sterker staat als je alle militante krachten mee betrekt.

We hopen dat de 8 verkozenen van PVDA mee het publieke debat naar links zullen trekken en een rol zullen spelen in de opbouw van het straatverzet tegen het neoliberale beleid. Een politieke stem kan immers niet losgekoppeld worden van sociale strijd. We hopen dat de PVDA met haar verkozenen voluit zal gaan voor het versterken van de acties tegen het besparingsbeleid en zich niet laat afremmen door ‘linkse samenwerking’ met de sociaaldemocratie en de groenen. Onze roep naar een front van verzet tegen de besparingen blijft overeind, na deze electorale vooruitgang is PVDA goed gepositioneerd om daar een centrale rol in te spelen.

In Brussel namen wij aan de verkiezingen deel met Gauches Communes. We voerden vooral in Sint-Gillis een politiserende campagne met inhoudelijke pamfletten. Het behaalde resultaat is erg bescheiden, voor de Kamer haalden we in Sint-Gillis 1,12%. De druk voor een ‘nuttige stem’ uitte zich niet alleen in het resultaat van de PS maar ook in dat van PTB-GO. Onze politiserende campagne heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat het totale resultaat van de radicale linkerzijde in Sint-Gillis de hoogste van alle Brusselse gemeenten is.

Welke regering er ook komt, besparingen komen eraan!

Vlak voor de stembusgang verschenen de eerste analyses van economische denktanks over het gevaar van aanhoudende politieke crisis. De Tijd titelde “Londense City vreest voor Belgische politieke impasse” (21.5). In het artikel werd de vrees voor een herhaling van een ellenlange regeringsvorming geuit.

De voorkeur van De Wever en delen van het patronaat bij VOKA gaat ongetwijfeld naar een harde rechtse meerderheid rond N-VA in Vlaanderen. Maar een dergelijke regering haalt geen meerderheid langs Franstalige kant en bovendien zou CDH hiervoor van de PS moeten losgekoppeld worden. De Wever droomt van een regering zoals die van Martens in de jaren 1980 en rekent erop dat dit vandaag ook zonder steun van één van de twee grote vakbonden kan. De poging om een dergelijke regering op de been te krijgen, maakt weinig kans. De meer vooruitziende elementen van de burgerij stellen wellicht meer vertrouwen in een stabiele tripartite, desnoods met een Vlaamse regering waar N-VA wel inzit en na een periode waarin De Wever moet bewijzen dat hij geen rechtse regering op de been kan krijgen. De PS gaat voor een tripartite en gaat eerder voor het model van de regering-Dehaene met zijn Globaal Plan.

Welke regeringen we ook krijgen, we gaan naar harde besparingen. Daar zijn alle gevestigde partijen het over eens. Zij lijken daar overigens beter op voorbereid te zijn dan de arbeidersbeweging. De banden tussen de vakbondsleiders en de besparingspartijen hebben ons de afgelopen jaren niets opgeleverd, het neoliberale beleid werd niet gestopt. Dat leidt tot demoralisatie en het zet de mogelijkheid van collectieve strijd voor vooruitgang op het achterplan, wat ruimte laat voor andere ‘oplossingen’. Als we de aanvallen niet bestrijden met een democratisch beslist oplopend actieplan dat vertrekt van een brede informatie- en mobilisatieronde, dan zullen we de besparingen niet kunnen stoppen, maar dreigen ook de electorale mogelijkheden voor rechts en extreemrechts nog te groeien.

Het zou verkeerd zijn te denken dat een derde van de Vlamingen overtuigd is van een hard neoliberaal en repressief besparingsbeleid, voor velen was het een foertstem tegen het establishment. Dat is geen verrechtsing maar een groeiende afkeer tegenover de huidige gang van zaken, evenwel zonder duidelijkheid over hoe het dan wel beter kan. In de laatste week van de campagne benadrukten ook de Vlaamse partijen plots hun ‘sociaal’ karakter met verzet tegen aanvallen op de index en de beperking van de uitkeringen in de tijd tegenover N-VA, maar ook die laatste partij benadrukte plots dat het de laagste pensioenen zou verhogen en ontkende in alle toonaarden het asociale karakter van zijn programma.

Het potentieel voor een sterk verzet op straat is aanwezig. Dat zagen we de afgelopen weken reeds met de onverwacht grote mobilisaties voor de overkapping van de Antwerpse ring. Het gaat nog om acties waarbij er verwarring is over de exacte eisen en actiemethoden, maar het massale karakter ervan is een trendsetter.

Doorheen strijdbewegingen kunnen we kiezers van N-VA overtuigen. Wie anders dan de linkerzijde kan immers een consequent alternatief op het huidige besparingsbeleid naar voor brengen? Waar links dit op offensieve wijze deed – zoals de campagne van Syriza voor een linkse regering in 2012 – leverde het uitstekende electorale resultaten op. Maar als we de offensieve perspectieven niet onderbouwen met een consequent programma van socialistische maatschappijverandering, komen we er ook niet.

De uitdagingen voor de arbeidersbeweging zijn groot. De burgerij zal nu maneuvreren om na te gaan hoe ze het beste een besparingsbeleid kan voeren, met de harde hand of iets zachter. Laat ons niet wachten om ons verzet te organiseren!

 


Model-Martens: besparen zonder sociaaldemocraten

Na een periode van politieke crisis tussen 1978 en 1981 werd een compromis gesloten om met de roomsblauwe regering van Martens en Gol een besparingsbeleid te voeren dat werd getolereerd door het ACV, met wiens topman Jef Houthuys alles werd doorgepraat in Poupehan. De Belgische frank werd gedevalueerd en er waren verschillende indexsprongen. Toen de nieuwe begrotingsminister Verhofstadt in 1986 met een nieuw hard besparingsplan ter waarde van 3,5 miljard euro kwam, werd het moeilijk voor het ACV om de troepen te blijven stoppen.

Bij de ambtenarenacties van 1983 stond het ABVV er nog alleen voor, het verzet tegen het Sint-Annaplan in 1986 dreigde zo massaal te worden dat de druk op het ACV onhoudbaar werd. Op een nationale ABVV-betoging op 31 mei 1986 waren er 250.000 aanwezigen. ACV-topman Houthuys stuurde ‘da joenk’ Verhofstadt wandelen.

Het harde neoliberale beleid van de rooms-blauwe regeringen zorgde ervoor dat de lonen met gemiddeld 12 tot 15% afnamen, de uitkeringen zelfs met 20%. Tegelijk stegen de bedrijfswinsten met 57%. Na de val van de regering, officieel rond de communautaire kwestie, volgde een nieuwe crisis waarna er een regering met sociaaldemocraten kwam.

Model-Dehaene: besparen met sociaaldemocraten

Na het verdwijnen van rooms-blauw in 1987 werden de sociaaldemocraten ingeroepen om mee te besparen. De economische situatie gaf wat ademruimte om dit voor te bereiden. In 1993 sloeg Dehaene toe met zijn Globaal Plan. Onder druk van onderuit werd dit beantwoord met de grootste algemene staking sinds 1936.

Het Globaal Plan maakte deel uit van het Europese besparingsbeleid dat door het verdrag van Maastricht werd opgelegd. Christendemocraten en sociaaldemocraten maakten een besparingsplan van – zo blijkt achteraf – 500 miljard frank (12,5 miljard euro). Dat gebeurde onder meer door de index aan te passen (met de invoering van de gezondheidsindex) en met een loonstop.

De vakbondsleiding deed amper iets met de woede aan de basis en liet zich eerder leiden door onderlinge tegenstellingen. Het bleef bij een eenmalige actie, ondanks het enorme potentieel. In het parlement stemden alle christendemocraten en “socialisten” voor het Globaal Plan, een toiletpauze op dit cruciale ogenblik kostte Dirk Van der Maelen nadien wellicht meer dan één ministerpost. De beweging tegen het Globaal Plan stierf een stille dood.

En vandaag?

Bij het overlijden van Jean-Luc Dehaene werd meermaals naar zijn ‘model’ verwezen. De Wever had het zowel over de jaren 1980 en de regeringen-Martens als over het Globaal Plan. Hij stelde dat men in de tijd “nog beslissingen durfde te nemen” en verwees naar de “drie indexsprongen en het Globaal Plan.” Beide modellen bevatten een besparingsbeleid, het ene al wat sneller en brutaler dan het andere. De Wever grijpt terug naar ‘da joenk’ Verhofstadt toen die nog als ‘baby-Thatcher’ bekend stond. De PS kijkt liever naar het staatsmanschap van Dehaene en diens roomsrode ‘Globaal Plan’. Deze discussie gaat over het ritme van de aanvallen, niet over de besparingen zelf.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie