Wat nu?

Uittreksel uit de brochure ‘Wat nu?’ zoals verschenen in Leo Trotzki, ‘De permanente of de verraden revolutie. Een keuze uit het werk van Leo Trotzki samengesteld door Ernest Mandel’, Kritiese Bibliotheek Van Gennep, 1971. De oorspronkelijke tekst dateert uit 1932. Taalkundig verder aangepast.

 

Het Elfde Plenum van het Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale oordeelde het noodzakelijk een einde te maken aan de onjuiste opvattingen die steunden op ‘de liberale constructie van een tegenstelling tussen het fascisme en de burgerlijke democratie, evenals tussen de parlementaire vormen van de dictatuur van de burgerij en de openlijk fascistische vormen…’

De betekenis van deze stalinistische filosofie is zeer duidelijk: van de marxistische negatie van de absolutie tegenstelling leidt deze de negatie af van elke tegenstelling, zelfs van een relatieve. Dat is een typische dwaling van het vulgaire radicalisme. Maar als er tussen de democratie en het fascisme geen enkele tegenstelling bestaat, zelfs niet op het gebied van de vormen van de heerschappij van de burgerij, dan zouden deze regimes doodeenvoudig moeten samenvallen. Vandaar de conclusie: sociaaldemocratie = fascisme. Men noemt de sociaaldemocratie echter “sociaalfascisme”. Wat betekent in dit verband dan het woord ‘sociaal’? Tot nu toe heeft niemand ons dat duidelijk gemaakt.(1)

De aard van de dingen verandert echter niet door beslissingen van het Plenum van het Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale. Er bestaat wel degelijk een tegenstelling tussen de democratie en het fascisme. Deze tegenstelling is geenszins ‘absoluut’, of om met het marxisme te spreken, zij betekent geenszins dat er twee klassen onverzoenlijk tegenover elkaar staan.

De sociaaldemocratie, die vandaag de hoofdvertegenwoordiger is van het burgerlijke parlementaire systeem, steunt op de arbeiders. Het fascisme wordt gesteund door de kleinburgerij. De sociaaldemocratie kan geen invloed hebben zonder de massa-organisaties van de arbeiders. Het fascisme kan zijn macht niet anders consolideren dan door de arbeidersorganisaties te vernietigen. Het regime is gebaseerd op het vernietigen van het parlement. Voor de monopolistische burgerij vertegenwoordigen het parlementaire en het fascistische systeem slechts twee verschillende werktuigen voor haar overheersing; zij neemt haar toevlucht tot de een of de ander, afhankelijk van de historische omstandigheden. Maar voor de sociaaldemocratie zowel als voor het fascisme heeft de keuze van het ene of het andere werktuig een eigen betekenis. Meer dan dat: voor hen is het politiek gezien een kwestie van leven of dood.

Op het moment dat de ‘normale’ militaire en politiemiddelen van de dictatuur van de burgerij, samen met de parlementaire dekmantel, niet langer toereikend zijn om het evenwicht in de samenleving te bewaren, breekt het uur van het fascisme aan. Door tussenkomst van het fascisme zet het kapitalisme de massa’s van de wild geworden kleinburgerij en groepen van het gedeclasseerde en gedemoraliseerde lompenproletariaat in beweging, al die ontelbare menselijke wezens die het kapitaal zelf tot wanhoop en razernij brengt. Van het fascisme eist de burgerij dat het zijn werk grondig verricht; vanaf het ogenblik dat zij haar toevlucht heeft genomen tot burgeroorlog-methoden, verlangt ze de vrede voor een aantal jaren achtereen. En door de kleinburgerij te gebruiken als stormram, en door alle hindernissen op zijn weg te vernietigen, doet het fascisme zijn werk grondig. Nadat het fascisme heeft gezegevierd, worden alle organen en instellingen van de macht in een stalen greep gebracht door het kapitaal; de uitvoerende, administratieve en educatieve macht van de staat: het hele staatsapparaat, samen met het leger, de gemeenten, de universiteiten, de scholen, de pers, de vakbonden en de coöperaties. Wanneer een staat fascistisch wordt, betekent dat niet alleen dat de regeringsmethoden en vormen veranderd worden volgens de patronen die door Mussolini zijn ingezet – de veranderingen op dit gebied spelen uiteindelijk een minder belangrijke rol – maar het betekent allereerst en bovenal dat de arbeidersorganisaties worden vernietigd; dat de arbeidersklasse amorf wordt gemaakt, en dat er een bestuurssysteem geschapen wordt dat diep in de massa’s doordringt en dat dient om de onafhankelijke kristallisatie van de arbeidersklasse te frustreren. Juist daarin ligt het wezen van het fascisme.

Het bovenstaande wordt geenszins tegengesproken door het feit dat er tussen het democratische en fascistische regime voor een bepaalde tijd een overgangsregime wordt gevestigd, dat de kenmerken van beide in zich verenigt: zo is over het algemeen de wet van de vervanging van het ene maatschappelijke systeem door een ander, zelfs als ze elkaar onverzoenlijk vijandig zijn. Er zijn perioden waarin de burgerij zowel op de sociaaldemocratie als op het fascisme steunt, dat wil zeggen waarin zij zich gelijktijdig bedient van electorale en terroristische methoden. In zekere zin was ook de regering Kerenski zo opgebouwd tijdens de laatste maanden van haar bestaan, toen zij deels steunde op de sovjets en tegelijkertijd een complot smeedde met Kornilov. Zo is ook de regering Brüning aan het koorddansentussen twee onverzoenlijke kampen waarbij ze zich in evenwicht houdt met noodmaatregelen in plaats van met een stok. Maar een dergelijke toestand van de staat en van de administratie heeft een tijdelijk karakter. Het is een teken van de overgangsperiode, waarin de missie van de sociaaldemocratie al bijna krachteloos is terwijl noch het communisme, noch het fascisme op dat moment reeds gereed is om de macht te grijpen.

De Italiaanse communisten, lange tijd gedwongen de problemen van het fascisme te bestuderen, hebben telkens weer geprotesteerd tegen de verspreiding van de verkeerde interpretatie van deze opvattingen. Ten tijde van het zesde Congres van de Comintern formuleerde Ercoli (Togliatti) nog opvattingen over het fascisme die nu als ‘trotskistisch’ gebrandmerkt worden. Ercoli omschreef het fascisme toen als zijnde het meest grondige en consequente systeem van reactie en hij verklaarde:

“Dit regime houdt zich niet staande door de wreedheid van zijn terroristische daden, niet door het vermoorden van grote aantallen arbeiders en boeren, niet door het op grote schaal toepassen van een verscheidenheid aan foltermethoden, niet door de strengheid van de veroordelingen, maar het hangt af van de systematische vernietiging van elke vorm van onafhankelijke organisatie van de massa’s.”

Hierin heeft Ercoli volkomen gelijk: het wezen en de taak van het fascisme bestaat in een volledige onderdrukking van alle arbeidersorganisaties en in het voorkomen van hun opleving. In een ontwikkelde kapitalistische maatschappij kan dit doel niet door politiemethoden alleen worden bereikt. Er bestaat slechts één methode voor, te weten tegenover de druk van de arbeidersklasse – op het ogenblik dat het verzwakt – rechtstreeks de druk van de wanhopige massa’s van de kleinburgerij te stellen. Het is dit bijzonder systeem van de kapitalistische reactie dat de geschiedenis is ingegaan onder de naam fascisme.

“Alle kwesties aangaande de betrekkingen tussen het fascisme en de sociaaldemocratie horen op hetzelfde gebied thuis (de onverzoenlijke houding van het fascisme ten aanzien van het bestaan van arbeidersorganisaties). Het is dit aspect dat het fascisme duidelijk onderscheidt van alle andere reactionaire regimes die tot nu toe in de hedendaagse kapitalistische wereld zijn gevestigd. Het verwerpt elk compromis met de sociaaldemocratie; het vervolgt deze onophoudelijk; het berooft deze van alle legale bestaansmiddelen, het dwingt deze te emigreren.”

Zo luidt een artikel dat door Ercoli gepubliceerd werd in het leidende orgaan van de Comintern! Vervolgens fluisterde Manuilski in Molotovs oor het grootse concept van de ‘derde periode’. Frankrijk, Duitsland en Polen werden aangewezen als ‘het front van het revolutionaire offensief’. Als onmiddellijke taak werd de greep naar de macht uitgeroepen. En omdat tegenover de opstand van de arbeidersklasse alle partijen, behalve de communistische, contrarevolutionair zijn, was het niet langer noodzakelijk een onderscheid te maken tussen het fascisme en de sociaaldemocratie. De theorie van het sociaalfascisme werd geboren. En de functionarissen van de Comintern verloren geen tijd met zich opnieuw aan te passen. Ercoli haastte zich te bewijzen dat, hoe dierbaar de waarheid hem ook was, Molotov hem dierbaarder was, en hij schreef een verslag ter verdediging van het sociaalfascisme.

“De Italiaanse sociaaldemocratie”, verkondigde hij in februari 1930, “wordt fascistisch met het grootste gemak.” Helaas, nog gemakkelijker worden de functionarissen van het officiële communisme strooplikkers.

Zoals te verwachten was, werd onze kritiek op de theorie en de toepassing van de ‘derde periode’ voor contrarevolutionair verklaard. Niettemin dwongen de wrede ervaringen die de voorhoede van de arbeidersbeweging duur kwamen te staan, ook op dat gebied tot een rechtsomkeer. De ‘derde periode’ werd aan de dijk gezet, evenals Molotov trouwens. Maar de theorie van het sociaalfascisme bleef achter als de eenzame rijpe vrucht van de ‘derde periode’. Hier konden geen veranderingen plaatsvinden: alleen Molotov was gebonden aan de derde periode, maar Stalin zelf was verstrikt in het sociaalfascisme.

‘Die Rote Fahne’ begint haar onderzoek over het sociaalfascisme met de woorden van Stalin:

“Het fascisme is de militaire organisatie van de burgerij, die steunt op de actieve bijstand van de sociaaldemocratie. De sociaaldemocratie is objectief gesproken de gematigde vleugel van het fascisme.”

Objectief gesproken heeft Stalin de gewoonte wanneer hij een poging tot generalisatie doet, de eerste zin met de tweede tegen te spreken en in de tweede een conclusie te trekken die volstrekt niet uit de eerste volgt. Het valt niet te betwisten dat de burgerij op de sociaaldemocratie steunt en dat het fascisme een militaire organisatie van de burgerij is, dit is al lange tijd geleden opgemerkt. De enige gevolgtrekking daaruit is dat zowel de sociaaldemocratie als het fascisme werktuigen zijn van de grote burgerij. Hoe de sociaaldemocratie daarbij een ‘vleugel’ van het fascisme wordt, is een raadsel. Even diepzinnig is een andere uitspraak van dezelfde schrijver:

“het fascisme en de sociaaldemocratie zijn geen vijanden, ze zijn tweelingen.”

Nu kunnen tweelingen elkaars bitterste vijanden zijn; anderzijds hoeven bondgenoten niet noodzakelijk op dezelfde dag en uit dezelfde ouders geboren te zijn. Stalins constructies missen zelfs alle elementaire logica, om over dialectiek nog maar te zwijgen. Hun kracht ligt in het feit dat niemand het waagt ze tegen te spreken.

“Wat betreft de klasseninhoud, bestaan er geen verschillen tussen democratie en fascisme” (2), leert ons Werner Hirsch, Stalin beamend. De overgang van democratie naar fascisme kan het karakter aannemen van een ‘organisch proces’, dat wil zeggen, het kan ‘geleidelijk’ en ‘zonder bloedvergieten’ geschieden. Een dergelijke redenering zou iemand versteld kunnen doen staan, maar de epigonen hebben ons afgeleerd om nog ergens versteld van te staan.

Er zijn ‘geen klassenverschillen’ tussen democratie en fascisme. Klaarblijkelijk moet dit betekenen dat zowel de democratie als het fascisme burgerlijk van aard zijn. Wij hadden daar al zelfs vóór januari 1932 een vermoeden van. De heersende klasse leeft echter niet in een vacuüm. Zij staat in bepaalde relaties tot andere klassen. Tijdens een ‘democratisch’ regime steunt de burgerij in een ontwikkelde kapitalistische maatschappij voornamelijk op de arbeidersklassen, die in toom gehouden worden door de reformisten. In zijn meest afgewerkte vorm vindt dit systeem zijn uitdrukking in Engeland, bij een Labour-regering zowel als bij die van de Conservatieven. Onder een fascistisch regime, tenminste tijdens de eerste fase daarvan, steunt het kapitaal op de kleinburgerij die de organisatie van de arbeidersklasse vernietigt. Zie het voorbeeld van Italië. Bestaat er een verschil in de ‘klasseninhoud’ tussen deze beide regimes? Wanneer de vraag slechts gesteld wordt voor zover het de heersende klasse betreft, dan bestaat er geen verschil. Wanneer men de positie en de onderlinge betrekkingen van alle klassen in aanmerking neemt vanuit het gezichtspunt van de arbeidersklasse, dan blijkt het verschil enorm te zijn.

In de loop van vele tientallen jaren hebben de arbeiders binnen de burgerlijke maatschappij, en gebruikmakend daarvan en vechtend daartegen, hun eigen bolwerken en steunpunten van een arbeidersdemocratie opgebouwd: de vakbonden, de politieke partijen, de opvoedings- en sportclubs, de coöperatiegenootschappen,… De arbeidersklasse kan binnen de formele grenzen van de burgerlijke democratie niet aan de macht komen, maar kan dat alleen doen via de weg van de revolutie: dit is zowel theoretisch als praktisch bewaarheid. Maar deze bolwerken van arbeidersdemocratie binnen de burgerlijke staat zijn absoluut essentieel voor het inslaan van de revolutionaire weg. Het werk van de Tweede Internationale bestond juist uit het oprichten van dergelijke bolwerken in een tijdperk toen zij nog haar progressieve historische arbeid verrichtte.

Het fascisme heeft als fundamentele en enige taak het met de grond gelijkmaken van alle instellingen van de parlementaire democratie. Heeft dit wel of niet een ‘klassenbetekenis’ voor de arbeidersklasse? Daar moeten onze hoge theoretici maar een beetje over peinzen. Met het tot burgerlijk verklaren van het regime – hetgeen niemand bestrijdt – ziet Hirsch, samen met zijn meesters, een klein detail over het hoofd: de positie van de arbeidersklasse in dit regime. Zij vervangen het historische proces door een lege sociologische abstractie. Maar de klassenoorlog vindt plaats op een historische bodem, en niet in de stratosfeer van de sociologie. Het uitgangspunt in de strijd tegen het fascisme is niet de abstractie van de democratische staat, maar de levende organisaties van de arbeidersklasse, waarin alle ervaringen uit het verleden geconcentreerd zijn en die op de toekomst voorbereiden.

De stelling dat de overgang van democratie naar fascisme een ‘organisch’ en ‘geleidelijk’ karakter kan aannemen, kan slechts één ding – en niet meer dan één ding – betekenen, te weten: zonder opschudding en zonder slag of stoot kan de arbeidersklasse beroofd worden, niet alleen van al zijn materiële verworvenheden – niet alleen van een bepaalde levensstandaard, van zijn sociale wetgeving, van zijn burgerlijke en politieke rechten – maar zelfs ook van het essentiële wapen waarmee deze dingen veroverd werden, namelijk van zijn organisaties. De overgang ‘zonder bloedvergieten’ naar het fascisme impliceert in deze termen de meest verschrikkelijke capitulatie van de arbeidersklasse die er te bedenken valt.

Werner Hirsch’ theoretische discussies zijn niet toevallig; terwijl deze er toe dienen om de theoretische waarzeggerijen van Stalin nog verder te ontwikkelen, dienen ze er ook toe de hele tegenwoordige agitatie van de Communistische Partij algemeen te maken. De voornaamste inspanningen van de Partij hebben in feite slechts tot doel te bewijzen dat er geen verschil bestaat tussen Brünings regime en Hitlers regime. Thälmann en Remmele zien hierin de kern van de bolsjewistische politiek.

Evenmin is de zaak tot Duitsland alleen beperkt. De opvatting dat de fascistische overwinning niets nieuws oplevert wordt nu in alle afdelingen van de Comintern ijverig gepropageerd. In het januarinummer van het Franse tijdschrift ‘Cahiers du Bolchevisme’ lezen we:

“De trotskisten gedragen zich in de praktijk als [de sociaaldemocraat] Breitscheid; ze aanvaarden de beroemde sociaaldemocratische theorie van het ‘mindere kwaad’ volgens welke Brüning niet zo slecht is als Hitler, volgens welke het minder onaangenaam is van honger om te komen onder Brüning dan onder Hitler, en onvergelijkelijk meer verkieselijk is neergeschoten te worden door Grönder dan door Frick.”

Het is nog niet het stompzinnigste gedeelte, hoewel – ere wie ere toekomt – stompzinnig genoeg. Ongelukkigerwijs drukt het echter de essentie van de politieke filosofie van de Comintern uit. De stalinisten vergelijken de twee regimes vanuit het oogpunt van de vulgaire democratie. En inderdaad, zou men Brünings regime vanuit het criterium van ‘formele’ democratie beschouwen, dan zou men tot een conclusie komen die buiten alle kijf is: er blijft niets over van de trotse Weimar-grondwet dan alleen maar het vel en de botten. Maar wat ons betreft is hiermee de kwestie nog niet afdoende geregeld. De kwestie moet benaderd worden vanuit de hoek van de arbeidersdemocratie. Dit criterium is ook het enig betrouwbare van waaruit de kwestie beschouwd moet worden, wanneer en waar de ‘normale’ reactionaire politiemethoden van het in ontbinding verkerende kapitalisme vervangen worden door het fascistische regime.

Voetnoten

  1. Bij de metafysici (mensen die anti-dialectisch denken) heeft eenzelfde abstractie twee, drie of meer functies, zelfs functies die regelrecht tegengesteld zijn. ‘De democratie’ in het algemeen en ‘het fascisme’ in het algemeen verschillen in niets van elkaar, zoals men ons komt vertellen. Aan de andere kant bestaat er in de wereld een ‘heerschappij van de arbeiders en boeren’ (voor China, India, Spanje). Een arbeidersbewind? Nee! Een kapitalistische heerschappij? Nee! Wat dan? Een democratisch bewind… Het schijnt dat er op de wereld een pure democratie bestaat buiten de klassen om. Maar het Elfde Plenum heeft uiteengezet dat de democratie niet verschilt van het fascisme. Verschilt in dat geval het ‘democratische bewind’ van het… fascistische bewind? Alleen naïevelingen verwachten een rustig en eerlijk antwoord van de stalinisten op deze principiële kwestie: enige beledigingen meer, dat is alles wat men kan verwachten. En toch is het lot van de revolutie in het Oosten met een antwoord op deze kwestie verbonden! (voetnoot door Trotski)
  2. ‘Die Internationale’, januari 1932
Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie