De enige weg

Geschreven: 1932. Bron: Nederlandstalige Trotski Bibliotheek 3. Revolutionair-Socialistische Publicaties, Groningen 2007. Door Karel ten Haaf. Facsimile-uitgaven van teksten van Trotski in het Nederlands. Overgenomen vanop marxists.org

 

Bonapartisme en fascisme

Laten wij proberen ons kort voor de geest te brengen, wat gebeurd is en waar wij staan. Dank zij de sociaaldemocratie beschikte de Brüning-regering over de bijstand van het parlement om met behulp van noodverordeningen te regeren. De sociaaldemocratische leiders zeiden: “Op deze wijze zullen wij het fascisme de weg naar de macht versperren.” De stalinistische bureaucratie zei: “Neen, het fascisme heeft reeds overwonnen, het Brüning-regime is juist fascisme.” Het ene zowel als het andere was foutief. De sociaaldemocraten gaven het passieve terugwijken voor het fascisme als strijd tegen het fascisme uit. De stalinisten stelden de zaak zo, alsof de overwinning van het fascisme reeds in het verleden lag. De strijdkracht van de arbeidersklasse werd van beide kanten ondergraven en de overwinning van de vijand vergemakkelijkt en naderbij gebracht.

Wij hebben destijds de Brüning-regering als bonapartisme (karikatuur van het bonapartisme) gekenschetst, d.w.z. als een regime van militair-politionele dictatuur. Zodra de strijd tussen twee sociale groepen — de bezittenden en de bezitlozen, de uitbuiters en de uitgebuiten — de hoogste spanning bereikt, zijn de voorwaarden van de heerschappij van bureaucratie, politie en soldaten aanwezig. De regering wordt “onafhankelijk” van de maatschappij. Wij herinneren er nog eens aan: steekt met twee vorken symmetrisch in een kurk dan kan deze zelfs op een speldenknop blijven staan. Dit is precies het schema van het bonapartisme. Zeker, een dergelijke regering blijft knecht van de bezitters. Doch zit de knecht op de rug van de meester, dan schuurt hij hem de nekwond en aarzelt niet zijn heer als het nodig is met de schoen over het gezicht te gaan.

Men kon aannemen dat Brüning zich tot de definitieve oplossing zou handhaven. Doch in de loop van de gebeurtenissen is nog een schakel gekomen: de von Papenregering. Als wij precies wilden zijn, dan zouden wij aan onze oude beschrijving een verbetering moeten aanbrengen: de Brüning-regering was een voor-bonapartistische regering. Brüning was slechts een voorloper. In volmaakte vorm is het bonapartisme in de von Papen-Schleicherregering te voorschijn gekomen.

Waarin bestaat het onderscheid? Brüning verzekerde geen groter geluk te kennen dan Hindenburg en paragraaf 48 (1) te “dienen”. Hitler “ondersteunde” met de vuist Brünings rechterheup. Met de linker ellenboog hield Brüning zich echter vast aan de schouder van Weis. In de Rijksdag vond Brüning een meerderheid die hem van de noodzakelijkheid ontsloeg rekening te houden met de Rijksdag.

Hoe meer Brünings onafhankelijkheid van het parlement groeide, des te onafhankelijker voelde zich de spits van de bureaucratie van Brüning en de achter hem staande politieke groeperingen. Men had thans nog slechts definitief de banden met de Rijksdag te verbreken. De regering von Papen kwam voort uit een onbevlekte bureaucratische ontvangenis. Met de rechter ellenboog steunt zij op Hitlers schouder. Met de politievuist verweert zij zich van links tegen de arbeidersklasse. Daarin ligt het geheim van haar “bestendigheid”, d.w.z. het feit, dat zij op het ogenblik van haar ontstaan niet ineenstortte.

De Brüning-regering had een paaps-bureaucratisch-politioneel karakter. De Rijksweer bleef nog in de reserve. Als onmiddellijke handhaver van de orde diende naast de politie het “ijzeren front”. In de opheffing van de afhankelijkheid van het “ijzeren front” bestond juist het wezen van de staatsgreep Hindenburg-von Papen. De generaalskliek schoof daarbij automatisch naar de eerste plaats.

De sociaaldemocratische leiders waren volkomen gefopt. Zo betaamt het hen ook in perioden van sociale crises. Deze kleinburgerlijke intriganten schijnen slechts flink in omstandigheden waarin flinkheid niet vereist wordt. Nu trekken zij ’s nachts het deken over het hoofd, zweten en hopen op een wonder: per slot zal men misschien niet alleen het hoofd kunnen redden, doch ook de zachte meubeltjes en de kleine onschuldige spaarduitjes. Doch wonderen zijn er niet… Ongelukkig is echter ook de communistische partij door de gebeurtenissen volkomen overrompeld. De stalinistische bureaucratie was niet in staat iets vooruit te zien. Nu spreken Thälmann, Remmele, e.a. bij iedere gelegenheid “van de staatsgreep van de 20ste juli”. Hoe staat het nu? Eerst beweerden zij dat het fascisme er reeds was en daar over spreken als iets van de toekomst, dat zouden alleen de “contrarevolutionaire trotskisten” kunnen. Nu blijkt dat bij de overgang van Brüning naar Papen — voorlopig niet naar Hitler, doch alleen naar Papen — een gehele “staatsgreep” noodzakelijk was. Doch de klassenbetekenis van Severing, Brüning en Hitler was “een en dezelfde” volgens deze wijze heren. Waarom dan een staatsgreep? Hiermee hield het gewirwar echter niet op. Ofschoon het onderscheid tussen bonapartisme en fascisme nu duidelijk genoeg voor de dag gekomen is, spreken Thälmann, Remmele, e.a. van de fascistische staatsgreep van 20 juli. Gelijktijdig waarschuwen zij de arbeiders voor het naderende gevaar van Hitlers, d.w.z. ook de fascistische omwenteling. Tenslotte wordt de sociaaldemocratie nog steeds als sociaalfascistisch bestempeld. De zich ontwikkelende gebeurtenissen lopen dus daarop uit, dat verbasterde fascisten elkaar de macht afnemen met behulp van “fascistische” staatsgrepen. Is het niet te begrijpen dat de gehele stalinistische theorie er zich bijzonder voor leent het menselijke brein te verstoppen?

Hoe minder voorbereid de arbeiders waren, des te meer moest de verschijning van de von Papenregering op het toneel de indruk van kracht wekken: volledig voorbijgaan van de partijen, nieuwe noodverordeningen, aflossing van de Rijksdag, represailles, staat van beleg in de hoofdstad, opheffing van de Pruisische “democratie”. En met wat een gemak! Een leeuw doodt men met de kogel; een vlo vernietigt men tussen de vingernagels; sociaaldemocratische ministers ontslaat men met een enkel gebaar.

Alleen, ondanks de schijn van geconcentreerde krachten, is de von Papenregering op zichzelf nog zwakker dan haar voorgangster. Het bonapartistische regime kan een betrekkelijk bestendig en duurzaam karakter slechts dan verkrijgen, als het een revolutionaire periode afsluit; wanneer de krachtsverhouding reeds in de strijd beproefd was; wanneer de revolutionaire klassen zich reeds uitgeput maar de bezittende klassen zich echter nog niet van de vrees bevrijd hebben: zal de dag van morgen geen nieuwe schokken brengen? Zonder deze voorwaarde, d.w.z. zonder voorafgaande uitputting van de energie van de massa in de strijd, is het bonapartistische regime niet in staat zich te ontplooien.

Door de von Papenregering hebben de baronnen, kapitaalmagnaten en bankiers de poging ondernomen hun zaken door middel van politie en leger veilig te stellen. De gedachte de gehele macht aan Hitler af te staan, die steunt op de begerige en ontketende benden van het kleinburgerdom, is voor hen absoluut niet verblijdend. Zij twijfelen er natuurlijk niet aan, dat Hitler ten langen leste een gedwee werktuig van hun heerschappij zou zijn. Doch dit is verbonden met schokken, met het risico van een langdurige burgeroorlog en grote onkosten. Het fascisme voert zeker, zoals het Italiaanse voorbeeld toont, tenslotte tot de militair-bureaucratische dictatuur van het bonapartistische type. Doch het heeft daarvoor, zelfs in het geval van een volledige overwinning een reeks van jaren nodig; in Duitsland een langere termijn dan in Italië. Het is duidelijk, dat de bezittende klassen de voorkeur zouden geven aan een economische weg, d.w.z. de weg van Schleicher en niet van Hitler, afgezien nog daarvan dat Schleicher zichzelf de voorkeur geeft.

Het feit dat de bron van bestaan van de von Papenregering bestaat in de neutralisering van de onverzoenlijke kampen, betekent natuurlijk geenszins dat de krachten van de revolutionaire arbeidersklasse en van de reactionaire kleinburgerij op de weegschaal van de geschiedenis elkaar opheffen. De gehele kwestie verschuift zich hier naar het gebied van de politiek. Door de mechaniek van het “ijzeren front” verlamt de sociaaldemocratie de arbeidersklasse. Met de politiek van het zinloze stellen van ultimatums verspert de stalinistische bureaucratie de arbeiders de revolutionaire uitweg. Bij een juiste leiding van de arbeidersklasse zou het fascisme zonder moeite vernietigd worden en voor het bonapartisme geen kier openblijven. Jammer genoeg is de toestand niet zo. De verlamde kracht van de arbeidersklasse heeft de bedrieglijke vorm van een “kracht” van de bonapartistische kliek aangenomen. Aldus ziet de huidige politieke formulering er uit.

De von Papenregering is het onpersoonlijke snijpunt van grote historische krachten. Haar zelfstandig gewicht ligt dicht bij de nul. Daarom kon zij niet anders dan van haar eigen gesticulatie schrikken en duizelig worden door de aan alle kanten om haar heen ontstane leegte. Daarmee en daarmee alleen is te verklaren dat bij de daden van de regering tot nu toe tegenover één deel vermetelheid twee delen lafheid stonden. Tegenover Pruisen, d.w.z. tegenover de sociaaldemocratie, speelde de regering een zeker spel: zij wist dat deze heren geen weerstand zouden bieden. Doch nadat zij de Rijksdag ontbonden had, schreef zij nieuwe verkiezingen uit en waagde het niet deze uit te stellen. Na afkondiging van de staat van beleg haastte zij zich te verklaren: dit zal de sociaaldemocratische leiders slechts de strijdloze capitulatie vergemakkelijken.

Intussen is er toch een Rijksweer? Wij zijn niet geneigd haar te vergeten. Engels kenschetste de staat als gewapende afdelingen van mensen met materiële aanhangsels in de vorm van gevangenissen, enz. Met betrekking tot de tegenwoordige regeringsmacht kan men zelfs zeggen dat alleen de Rijksweer werkelijk bestaat. Toch is de Rijksweer geenszins een gewillig en veilig werktuig in handen van die groep mensen aan wier spits von Papen staat. In werkelijkheid is de regering eerder een soort politieke commissie van de Rijksweer. Doch bij al haar overwicht op de regering kan de Rijksweer toch niet op een zelfstandige politieke rol aanspraak maken. Honderdduizend soldaten, hoe samengesmeed en gehard zij ook mogen zijn (wat nog gecontroleerd moet worden), zijn niet in staat een door de diepste sociale tegenstellingen uiteengescheurde natie van 65 miljoen te commanderen. De Rijksweer is slechts een niet eens beslissend element in het spel van de krachten.

De nieuwe Rijksdag weerspiegelt op zijn wijze niet slechts die politieke situatie in het land die tot het bonapartistische experiment geleid heeft. Het parlement zonder meerderheid met onverzoenlijke vleugels biedt een aanschouwelijk en onweerlegbaar argument ten gunste van de dictatuur. Nog eens treden met alle duidelijkheid de grenzen van de democratie naar voren. Waar het om de grondvesten van de maatschappij zelf gaat, beslist niet de parlementaire rekenkunde: de strijd beslist.

Wij zullen niet uit de verte gaan raden welke weg in de eerste dagen de pogingen van de regeringsvorming zullen opgaan. Onze hypothesen zouden bovendien met vertraging komen en bovendien beslissen de mogelijke overgangsvormen en combinaties niet de kwestie. Een blok van rechts met het centrum zou de “legalisatie” van de machtsverovering door de nazi’s betekenen, d.w.z. de meest geschikte dekking voor de fascistische staatsgreep. Welke verhouding in de naaste toekomst tussen Hitler, Schleicher en de centrumleiders zou ontstaan, is belangrijker voor henzelf dan voor het Duitse volk. Politiek betekenen alle denkbare combinaties met Hitler de oplossing van bureaucratie, gerecht, politie en leger in het fascisme.

Neemt men aan dat het centrum niet op een coalitie zal ingaan, waarin zij de rol van een rem in Hitlers locomotief met de breuk met de eigen arbeiders zou hebben te betalen, dan blijft in dit geval alleen de zuivere buitenparlementaire weg over. Een combinatie zonder het centrum zou het overwicht van de nazi’s nog gemakkelijker en sneller verzekeren. Zouden deze het niet direct met von Papen eens worden en niet tezelfdertijd tot de directe staatsgreep overgaan, dan zal het bonapartistische karakter van de regering nog scherper te voorschijn moeten komen: von Schleicher zou zijn “honderd dagen” hebben,… zonder de voorafgegane napoleontische jaren.

Honderd dagen — neen, wij meten wel te ruim. De Rijksweer beslist niet. Schleicher is niet voldoende. De buitenparlementaire dictatuur van jonkers en van de magnaten van het geldkapitaal kan slechts door de methoden van een langdurige en onbarmhartige burgeroorlog verzekerd worden. Zal Hitler deze taak kunnen vervullen? Dat hangt niet alleen van de boze wil van het fascisme af, doch ook van de revolutionaire wil van de arbeidersklasse.

Burgerij, kleinburgerij en arbeidersklasse

Iedere ernstige ontleding van de politieke toestand moet uitgaan van de wederzijdse betrekkingen van de drie klassen: de burgerij, de kleinburgerij (met inbegrip van de boeren) en de arbeidersklasse.

De economisch sterke grote burgerij is een verdwijnende minderheid van de natie. Om haar heerschappij te bevestigen, moet zij bepaalde betrekkingen met het kleinburgerdom onderhouden en daardoor meteen ook met de arbeidersklasse.

Voor het begrip van de dialectiek van deze onderlinge betrekkingen moet men drie historische tijdperken onderscheiden: bij de aanvang van de kapitalistische ontwikkeling, toen de burgerij voor de vervulling van haar taak revolutionaire methoden nodig had, in de bloeiperiode van het kapitalistische regime, toen de burgerij aan haar heerschappij geordende vreedzame conservatief-democratische vormen gaf; tenslotte bij de neergang van het kapitalisme, als de burgerij gedwongen is methoden van burgeroorlog tegen de arbeidersklasse aan te wenden om haar recht om uitbuiting te handhaven.

De politieke programma’s die deze drie tijdperken karakteriseren: het jacobijnendom, de reformistische democratie, (waarin de sociaaldemocratie begrepen is) en het fascisme zijn naar hun wezen programma’s van kleinburgerlijke stromingen.

Reeds deze omstandigheid alleen toont aan, welke kolossale, juister gezegd, welke beslissende betekenis de politieke zelfbestemming van kleinburgerlijke volksmassa’s voor het lot van de gehele burgerlijke maatschappij heeft!

Doch de onderlinge betrekkingen tussen de burgerij en haar voornaamste sociale steun, de kleinburgerij, berusten volstrekt niet op wederzijds vertrouwen en vredelievende samenwerking. Over het geheel genomen is de kleinburgerij een uitgebuite en benadeelde klasse. Zij staat tegenover de grote burgerij met gevoelens van afgunst en dikwijls van haat. De burgerij aan de andere kant, ook als zij gebruik maakt van de ondersteuning van de kleinburgerij, wantrouwt haar, want zij vreest terecht dat de kleinburgerij altijd geneigd is buiten de van boven getrokken grenzen te gaan.

Terwijl zij de weg baanden voor de burgerlijke ontwikkeling, botsten de jacobijnen bij iedere stap op de burgerij. Zij dienden haar in onverzoenlijke strijd tegen haar. Nadat zij hun beperkte historische rol hadden vervuld, kwamen de jacobijnen ten val, want de heerschappij van het kapitaal was vooruit bepaald.

Door een reeks van perioden heen bevestigde de burgerij haar macht in de vorm van de politieke democratie. Alweer niet vreedzaam en vrijwillig. De burgerij had doodsangst voor het algemeen kiesrecht. Tenslotte echter slaagde zij erin door middel van een verbinding van geweldmaatregelen en concessies, van honger, knoet en hervormingen, binnen het raam van de formele democratie niet alleen de kleinburgerij aan zich ondergeschikt te maken, doch in sterke mate ook de arbeidersklasse, door middel van de nieuwe kleine burgerstand van de arbeidersbureaucratie. In augustus 1914 was de imperialistische burgerij in staat met de bureaucratie dozijnen miljoenen arbeiders en boeren ten oorlog te voeren.

Doch juist met de oorlog vangt de duidelijke neergang van het kapitalisme aan en speciaal van zijn democratische heerschappijvorming. Het gaat nu niet meer om nieuwe hervormingen en aalmoezen, doch om inkrimping en opheffing van de oude. De politieke heerschappij van de burgerij raakt daardoor in tegenstelling niet alleen met de instanties van de arbeidersdemocratie (vakverenigingen en politieke partijen), doch ook met de parlementaire democratie, in wier raam de arbeidersorganisaties ontstaan zijn. Vandaar de veldtocht tegen het “marxisme” aan de ene kant en tegen het democratische parlementarisme aan de andere kant.

Zoals echter de aanvoerders van de liberale burgerij in hun tijd niet in staat waren door eigen kracht komaf te maken met de monarchie, het feodalisme en de kerk, zo zijn de magnaten van het financiële kapitaal niet in staat het door eigen kracht met de arbeidersklasse af te rekenen. Zij hebben de hulp van de kleinburgerij nodig. Daarom moet zij opgezweept, op de been gebracht, gemobiliseerd en bewapend worden. Toch heeft deze methode haar gevaren. Terwijl de burgerij zich van het fascisme bedient, vreest zij het. Pilsudski was in mei 1926 gedwongen de burgerlijke maatschappij te redden door een staatsgreep, welke tegen de partijen van de Poolse burgerij gericht was. De leider van de Poolse communistische partij Warski, die van Rosa Luxemburg niet bij Lenin doch bij Stalin terechtgekomen was, ging zover dat hij de staatsgreep van Pilsudski voor de weg naar de “revolutionair-democratische dictatuur” hield. En hij riep de arbeiders op Pilsudski te steunen.

Op een bijeenkomst van de Poolse Commissie op het Uitvoerend Bestuur van de Communistische Internationale op 2 juli 1926, zei de auteur van deze tekst over de gebeurtenissen in Polen:

“Algemeen gesteld is de machtsovername door Pilsudski het werk van de kleinburgerij, een ‘plebeïsche’ manier om de enorme problemen van de burgerlijke samenleving in een staat van neergang en ontbinding. Er is hier een directe gelijkenis met het Italiaanse fascisme.

“Deze twee stromingen hebben ongetwijfeld een aantal kenmerken gemeen: ze rekruteren hun stoottroepen eerst en vooral vanuit de kleinburgerij; zowel Pilsudski als Mussolini werkten met buiten-parlementaire middelen, met open geweld, met de methoden van burgeroorlog; beiden hadden niet de vernietiging maar de bescherming van de burgerlijke samenleving op het oog. Terwijl ze de kleinburgerij zich liet organiseren, kozen ze zelf openlijk de kant van de grote burgerij nadat ze de macht hadden overgenomen. Dit doet onwillekeurig aan een historische veralgemening denken, laat ons de evaluatie erbij halen die Marx maakte van het Jacobinisme als de plebeïsche methode om rekeningen te vereffenen met de feodale tegenstanders van de burgerij… Dat was tijdens een periode waarin de burgerij opkwam. Vandaag moeten we vaststellen dat, in een periode van teloorgang van de burgerlijke samenleving, de burgerij opnieuw nood heeft aan de ‘plebeïsche’ methode om haar taken te vervullen, taken die niet langer progressief zijn, maar volkomen reactionair. In die zin is fascisme een karikatuur van Jacobinisme.

“De burgerij is niet in staat om haar eigen macht te behouden door de middelen en methoden van de parlementaire staat die het zelf gecreëerd heeft; de burgerij heeft het fascisme nodig als wapen om zichzelf te verdedigen, alleszins toch op kritieke ogenblikken. Dat neemt niet weg dat de burgerij de ‘plebeïsche’ methode om haar problemen op te lossen niet verkiest. De burgerij was altijd afkerig tegenover het Jacobinisme, dat op bloedige wijze de weg voorbereidde voor de ontwikkeling van de burgerlijke samenleving. De fascisten staan onmetelijk dichter bij de decadente burgerij dan de Jacobijnen bij de opkomende burgerij. Toch is de nuchtere burgerij geen grote voorstander van de fascistische wijze om haar problemen op te lossen. Hoewel die methode wordt voortgebracht door de belangen van de burgerlijke samenleving, zijn er gevaren aan verbonden. Daarom zijn er tegenstellingen tussen het fascisme en de burgerlijke partijen.

“De grote burgerij houdt evenveel van het fascisme als een man met kiespijn ervan houdt om zijn tand te laten trekken. De nuchtere kringen van de burgerlijke samenleving hebben aandachtig het werk van de tandarts Pilsudski gevolgd, maar hebben zich op het laatste ogenblik verzoend met het onvermijdelijke, ondanks alle bedreigingen en alle vormen van onderhandelingen. Op die manier wordt het idool van de kleinburgerij omgevormd tot de politieagent van het kapitaal.”

Deze pogingen om aan het fascisme de historische plaats aan te wijzen van de politieke aflossing van de sociaaldemocratie werden bestreden met de theorie van het “sociaalfascisme”. Aanvankelijk kon deze theorie gezien worden als een theorie die getuigt van een aanmatigende schreeuwerige maar onschadelijke domheid. De verdere gebeurtenissen toonden aan welk een verderfelijke invloed de theorie van Stalin op de gehele ontwikkeling van de Communistische Internationale uitoefende.(2)

Vloeit uit de historische rol van het jacobijnendom, de democratie en het fascisme voort dat de kleinburgerij gedoemd is tot het einde van haar dagen werktuig in de handen van het kapitaal te blijven? Als de dingen zo lagen, zou de heerschappij van de arbeiders in een reeks van landen waar de kleinburgerij de meerderheid van de natie vormt onmogelijk zijn en zeer verzwaard worden in andere landen waar de kleinburgerij een beduidende minderheid vormt. Gelukkig liggen de verhoudingen niet zo. De ervaring van de Parijse Commune heeft al binnen de grenzen van een stad en de ervaring van de Oktoberrevolutie op een beduidend bredere basis en voor langere tijd bewezen dat het verbond van de groot- en de kleinburgerij niet onverbrekelijk is. Indien de kleinburgerij niet in staat is tot een zelfstandige politiek (waarom in het bijzonder ook de kleinburgerlijke “democratische dictatuur” niet verwezenlijkt kan worden) dan blijft voor haar de keuze tussen burgerij en arbeidersklasse.

In het tijdperk van de groei en de bloei van het kapitalisme liep de kleinburgerij, ondanks scherpe uitbarstingen van ontevredenheid, over het algemeen gehoorzaam in het kapitalistische gareel. Er bleef haar niets anders over. Doch in de verhoudingen van kapitalistische neergang en economische radeloosheid probeert de kleinburgerij zich van de boeien van de oude heren en gebieders in de maatschappij vrij te maken. Zij is in staat haar lot met dat van de arbeidersklasse te verbinden. Daartoe is slechts nodig dat de kleinburgerij vertrouwen krijgt in de bekwaamheid van de arbeidersklasse om de maatschappij in nieuwe banen te leiden. Dit vertrouwen kan de arbeidersklasse alleen inboezemen door zijn kracht, de zekerheid van zijn handelen, doelmatige aanval op zijn vijanden, de resultaten van zijn revolutionaire politiek. Doch wee, wanneer de revolutionaire partij niet op haar taak voorbereid is! De strijd van elke dag verhoogt de onzekerheid van de burgerlijke maatschappij. Stakingen en politieke onlusten verbergen de economische toestand van het land. De kleinburgerij zou bereid zijn tijdelijk toenemende ontbering te verdragen, als het door haar ervaring tot de overtuiging zou komen dat de arbeidersklasse in staat is haar in nieuwe banen te leiden. Indien echter de revolutionaire partij ondanks de scherper wordende klassenstrijd steeds weer onbekwaam blijkt om de arbeidersklasse rond zich te verenigen, als zij slingert, verward is, zichzelf tegenspreekt, dan verliest de kleinburgerij haar geduld en gaat zij de revolutionaire arbeiders als de verwekkers van haar eigen ellende zien.

Hierop werken alle burgerlijke partijen en ook de sociaaldemocratie. Zodra de sociale crisis een ondraaglijke scherpte begint aan te nemen, treedt een speciale partij op, die direct tot doel heeft de kleinburgerij witgloeiend te maken en haar haat en vertwijfeling tegen de arbeidersklasse te richten. Deze historische rol vervult in Duitsland het nazisme, een brede stroming wier ideologie gevormd wordt door alle vuile uitwasemingen van de vervallende burgerlijke maatschappij.

De politieke verantwoordelijkheid voor de groei van het fascisme draagt natuurlijk de sociaaldemocratie allereerst. Sedert de imperialistische oorlog is het werk van deze partij erop gericht de idee van een zelfstandige politiek uit het bewustzijn van de arbeidersklasse te verdrijven, het te doordringen van het geloof in de eeuwigheid van het kapitalisme, en het telkens op de knieën te brengen voor de vervallende burgerij. De kleinburgerij kan de arbeider volgen wanneer zij in hem de nieuwe heer ziet. De sociaaldemocratie leert de arbeider lakei te zijn. De kleinburgerij weigert een lakei te volgen. De politiek van het reformisme ontneemt aan de arbeidersklasse de mogelijkheid de plebejische massa van de kleinburgerij te leiden en verandert die reeds daardoor in kanonnenvoer van het fascisme.

Politiek is voor ons de vraag niet afgedaan met de verantwoordelijkheid van de sociaaldemocratie. Al sedert het begin van de wereldoorlog hebben wij deze partij tot een agentschap van de imperialistische burgerij in de arbeidersklasse verklaard. Uit deze nieuwe oriëntering van de revolutionaire marxisten ontstond de Comintern, die tot taak had om de arbeidersklasse onder de vlag van de revolutie te verenigen en het daardoor de mogelijkheid te verschaffen van de leidende invloed op de onderdrukte massa van de kleinburgerij van stad en land.

De naoorlogse periode was in Duitsland meer dan waar ook een tijd van economische radeloosheid en van burgeroorlog. Zowel internationale als binnenlandse verhoudingen dreven het land op de weg naar het socialisme. Iedere stap van de sociaaldemocratie toonde haar onmacht aan, het reactionaire wezen van haar politiek, de omkoopbaarheid van haar leiders. Welke voorwaarden zijn dan nog nodig voor de ontwikkeling van de communistische partij? En toch is het Duitse communisme na de eerste jaren van belangrijke successen een tijdperk ingegaan van slingeringen, zigzags, elkaar afwisselend opportunisme en avonturiersdom. De centristische bureaucratie heeft de voorhoede van de arbeidersklasse stelselmatig verzwakt en haar belet de klasse met zich mee te trekken. Daarmee heeft zij aan de arbeidersklasse als geheel de mogelijkheid ontnomen de onderdrukte massa’s van de kleinburgerij met zich mee te krijgen. De directe en onmiddellijke verantwoordelijkheid voor de groei van het fascisme draagt voor de arbeidersvoorhoede de stalinistische bureaucratie.

Verbond of strijd tussen de sociaaldemocratie en het fascisme?

De wederzijdse betrekkingen tussen de klassen in de vorm van een eens en voor altijd afgesloten schema te begrijpen, is betrekkelijk eenvoudig. Enorm veel moeilijker is de beoordeling van de concrete betrekkingen van de klassen in iedere gegeven positie.

De Duitse grote burgerij slingert op het ogenblik — een toestand die de grote burgerij in het algemeen zelden beleeft. Het ene deel is definitief tot de overtuiging van de onvermijdelijkheid van de fascistische weg gekomen en zou de operatie willen bespoedigen. Het andere deel hoopt de toestand met behulp van de bonapartistische, militair-politionele dictatuur meester te kunnen blijven. Een terugkeer naar de “democratie” van Weimar wenst niemand in dit kamp.

Het kleinburgerdom is uit elkaar gevallen. Het nazisme, dat de verpletterende meerderheid van de middelste lagen onder zijn vlag verenigd heeft, wil de gehele macht in handen nemen. De democratische vleugel van het kleinburgerdom, die nog steeds miljoenen mensen omvat, wenst een terugkeer naar de democratie van Ebert. Ondertussen is dit deel bereid de bonapartistische dictatuur tenminste passief te ondersteunen. De sociaaldemocratie redeneert als volgt: onder de druk van de nazi’s zal de von Papen-Schleicher-regering gedwongen zijn een tegengewicht te vormen en dat moet door de versterking van haar linkervleugel; intussen zal misschien een verzachting van de crisis volgen; bij het kleinburgerdom misschien “ontnuchtering” optreden; het kapitaal zal misschien zijn enorme druk op de arbeidersklasse verzachten, — en zo zal met Gods hulp alles weer in orde komen.

De bonapartistische kliek wenst feitelijk niet de volledige overwinning van het fascisme. Zij staat zeker niet afkerig tegen een zekere ondersteuning vanwege de sociaaldemocratie. Maar daarvoor zou zij de arbeidersorganisaties moeten ‘dulden’, wat slechts te verwezenlijken is als er tenminste een zekere graad van legaal bestaan van de communistische partij wordt toegelaten. Bovendien zou de ondersteuning van de militaire dictatuur door de sociaaldemocratie de arbeiders vast en zeker in de rijen van het communisme stoten. Terwijl de regering steun zoekt tegen de bruine duivel, zou zij spoedig onder de slagen van de rode Beëlzebub geraken.

De officiële communistische pers verklaart dat de ondersteuning van Brüning door de sociaaldemocratie von Papen de weg gebaand zou hebben en de halve ondersteuning van von Papen zal de komst van Hitler bespoedigen. Dat is volkomen juist. Op dit punt zijn er tussen ons en de stalinisten geen meningsverschillen. Doch juist dit betekent dat de politiek van het reformisme zich in tijden van sociale crisis niet meer alleen tegen de massa’s maar ook tegen het reformisme zelf richt. In dit proces is nu het kritieke moment aangebroken.

Hitler steunt Schleicher. De sociaaldemocratie verzet zich niet tegen von Papen. Zou deze toestand werkelijk lange tijd verzekerd zijn, dan zou de sociaaldemocratie in de linkervleugel van het bonapartisme veranderen en aan het fascisme de rol van de rechtervleugel overlaten. Theoretisch is het natuurlijk niet uitgesloten dat de huidige crisis van het Duitse kapitalisme tot geen definitieve oplossing leidt, d.w.z. noch met de overwinning van de arbeidersklasse eindigt, noch met de triomf van de fascistische contrarevolutie. Als de Communistische Partij haar politiek van zinloze ultimatums voortzet en zo de sociaaldemocratie van het onvermijdelijke verval redt; als Hitler in de nabije tijd niet tot de omwenteling overgaat en daarmee de onvermijdelijke ontbinding van eigen rijen veroorzaakt; als de economische conjunctuur stijgt, voordat Schleicher valt — dan zou de bonapartistische combinatie van paragraaf 48 van de grondwet van Weimar — van de rijksweer, van de half oppositionele sociaaldemocratie en van het half oppositionele fascisme — zich misschien staande houden (tot een nieuwe sociale stoot die in ieder geval spoedig te verwachten zou zijn). Maar we staan nog ver van een dergelijke toevallige samenloop van omstandigheden die het onderwerp van de sociaaldemocratische dromerijen vormt. Zo’n samenloop is ook volstrekt niet verzekerd. In het weerstandsvermogen en uithoudingsvermogen van het von Papen-Schleicher-regime geloven ook de stalinisten nauwelijks. Alles wijst erop dat de driehoek Wels-Schleicher-Hitler uit elkaar zou vallen voordat hij zich nog goed gevormd heeft.

Zou deze driehoek misschien door de combinatie Hitler-Wels vervangen worden? Volgens Stalin zijn ze “tweelingen en geen antipoden”. Laten wij aannemen dat de sociaaldemocratie, zonder zich voor haar eigen arbeiders te ontzien, haar ondersteuning aan Hitler zou willen verkopen. Het fascisme heeft daar echter geen behoefte aan. Het heeft geen behoefte aan het dulden, maar wel aan de afschaffing van de sociaaldemocratie. De Hitler-regering kan haar taak alleen verwezenlijken als zij de tegenstand van de arbeidersklasse gebroken heeft en alle mogelijke organen van een dergelijke tegenstand opzij geschoven heeft. Daarin bestaat de historische rol van het fascisme.

De stalinisten bepalen zich tot een puur psychologische, juister gezegd morele waardering van die laffe en hebzuchtige kleinburgers die de sociaaldemocratie leiden. Kan men dan werkelijk aannemen dat deze verraders zich van de burgerij zouden afscheiden en tegen haar zouden optreden? Een dergelijke idealistische methode heeft weinig met het marxisme gemeen. Het marxisme gaat niet uit van wat de mensen denken en wat zij wensen, doch vooral van in welke omstandigheden zij geplaatst zijn en hoe deze omstandigheden zullen veranderen. De sociaaldemocratie ondersteunt het burgerlijke regime niet om de winsten van de kolen-, staal- en andere magnaten, doch om de winst, die zij zelf als partij met betrekking tot haar groot en machtig apparaat behaalt. Zeker, het fascisme bedreigt op geen enkele manier het burgerlijke regime, dat ook door de sociaaldemocratie wordt verdedigd. Maar het fascisme brengt die rol in gevaar die de sociaaldemocratie in het burgerlijke regime vervult en de inkomsten die de sociaaldemocratie voor deze rol ontvangt. De sociaaldemocratie verliest dit element geen enkel ogenblik uit het oog, maar de stalinisten lijken deze kant van de zaak te vergeten.

Toen wij er ongeveer drie jaar geleden op wezen dat naar alle waarschijnlijkheid de onverenigbaarheid van sociaaldemocratie en fascisme het uitgangspunt zou vormen van de komende politieke crisis in Oostenrijk en in Duitsland, toen wij daarop steunend de theorie van het “sociaalfascisme” verwierpen die het naderende conflict niet bloot legde doch verborg, toen wij op de mogelijkheid wezen dat de sociaaldemocratie en een beduidend deel van haar apparaat door de gang van de gebeurtenissen in een strijd met het fascisme getrokken zou worden en dit voor de communistische partij een gunstig uitgangspunt voor de verdere aanval zou worden, beschuldigden ons zeer veel communisten — niet alleen gehuurde beambten, doch ook eerlijke revolutionairen — van “idealisering” van de sociaaldemocratie. Er bleef niets anders over dan de schouders op te halen. Het is moeilijk met mensen te strijden wier gedachten daar ophouden waar voor de marxisten de kwestie pas begint.

In gesprekken bracht ik dikwijls het volgende voorbeeld. De Joodse burgerij van het tsaristische Rusland vormde een uiterst verschrikt en gedemoraliseerd deel van de gehele Russische burgerij. En toch dwongen de Zwarte Honderd (3) pogroms, die zich voornamelijk tegen de Joodse armoede richtten, ook de burgerij naar zelfverdediging te grijpen. Zeker, zij bewees ook op dit terrein geen bijzondere dapperheid. Ten aanzien van het dreigende gevaar verzamelde de liberale Joodse burgerij bv. aanzienlijke sommen voor de bewapening van revolutionaire arbeiders en studenten. Op deze wijze kwam een tijdelijke praktische overeenkomst tot stand tussen de meest revolutionaire arbeiders die bereid waren met het wapen in de hand te strijden en de verschrikte bourgeoisgroep die in het gedrang geraakt was.

Vorig jaar schreef ik dat de communisten in de strijd met het fascisme verplicht zijn een praktische schikking te treffen met niet alleen de duivel en diens grootmoeder, maar zelfs met Grzesinski (4). Deze zin ging door de gehele stalinistische wereldpers: was er een beter bewijs voor het “sociaalfascisme” van de linkse oppositie? Vele kameraden hebben mij vooruit gewaarschuwd:

“Zij zullen zich aan deze zin vastklampen.”

Ik antwoordde hen:

“Hij is ook daarvoor geschreven, dat zij zich aan hem vastklampen. Mogen zij zich aan hete ijzers vastklampen en hun vingers verbranden. Domkoppen moeten een les krijgen.”

Het verloop van de strijd heeft ertoe geleid dat von Papen Grzesinski met de gevangenis kennis liet maken. Vloeide deze episode uit de theorie van het sociaalfascisme en uit de voorspellingen van de stalinistische bureaucratie voort? Neen, zij sprak deze volkomen tegen. Onze beoordeling van de toestand had intussen met een dergelijke mogelijkheid rekening gehouden en haar een zekere plaats gegeven.

Maar de sociaaldemocratie is ook ditmaal weer de strijd ontweken, zal een stalinist ons tegenwerpen. Ja, zij is hem ontweken. Wie verwacht had dat de sociaaldemocratie over de hoofden van haar leiders heen zelfstandig de strijd zou opnemen – en dat onder de voorwaarde dat de Communistische Partij zelf niet bekwaam voor de strijd leek – die moest uiteraard een ontgoocheling beleven. Wij hebben nooit op dergelijke wonderen gehoopt. Daarom kunnen wij ook geen “ontgoocheling” met betrekking tot de sociaaldemocratie beleven.

Grzesinski heeft zich niet in een revolutionaire tijger veranderd, dat geloven wij graag. Maar er is nog altijd een verschil tussen de positie waarin Grzesinski vanuit zijn vesting politieafdelingen ter bescherming van de “democratie” op revolutionaire arbeiders losliet en de positie waarin de bonapartistische redders van het kapitalisme Grzesinski zelf in de gevangenis zet. En moeten wij politiek niet met dit verschil rekening houden en het gebruiken? Laten wij tot het boven aangehaalde voorbeeld terugkeren: het is niet moeilijk het onderscheid te begrijpen tussen een Joodse fabrikant, die aan de tsaristische soldaten voor het neerslaan van stakers in zijn fabriek drinkgeld geeft en dezelfde fabrikant die de stakers van gisteren geld geeft voor het aanschaffen van wapens tegen pogrommisten. De burgerij blijft dezelfde. Maar uit het verschil in situatie ontspruit het verschil in handelwijze. De bolsjewieken leidden de staking tegen de fabrikanten. Later namen zij van dezelfde fabrikant geld aan voor de strijd tegen de pogroms. Dat belette natuurlijk de arbeiders niet om, als het uur gekomen was, hun wapens tegen de burgerij te richten.

Betekent dit alles dat de sociaaldemocratie als geheel tegen het fascisme zal strijden?

Daarop antwoorden wij: een deel van de sociaaldemocratische beambten zal zonder twijfel naar de fascisten overlopen; een aanzienlijk deel zal zich in het uur van het gevaar onder het bed verschuilen. Ook de arbeidersmassa’s zullen niet in hun geheel strijden. Van te voren te raden welk deel van de sociaaldemocratische arbeiders in de strijd betrokken zal worden en wanneer en welk deel van het apparaat het met zich mee zal sleuren, is absoluut onmogelijk. Dat hangt van vele omstandigheden af, o.a. ook van de houding van de communistische partij. De eenheidsfrontpolitiek heeft tot taak degenen die willen strijden, af te zonderen van degenen die het niet willen; degenen voorwaarts te drijven die weifelen; tenslotte de leiders die geneigd zijn te capituleren, te compromitteren in de ogen van de arbeiders en zodoende de strijdvaardigheid van de laatsten te versterken.

Hoeveel tijd heeft men verloren — doelloos, zinloos, schandelijk! Hoeveel zou te bereiken zijn geweest, zelfs alleen in de laatste twee jaren. Het was toch bij voorbaat volkomen duidelijk dat het monopoliekapitaal en zijn fascistische troepen de sociaaldemocratie met vuisten en knuppels op de weg van de oppositie en van de zelfverdediging zouden drijven. Men had dit vooruitzicht voor de gehele arbeidersklasse moeten uitspreiden, het initiatief van het eenheidsfront moeten nemen en dit initiatief bij iedere nieuwe etappe vast in handen moeten houden. Men had noch moeten huilen, noch moeten schreeuwen. Men had rustig open spel kunnen spelen. Het was voldoende geweest de onvermijdelijkheid van iedere volgende schrede van de vijand heel duidelijk te formuleren en een praktisch programma van het eenheidsfront, zonder overdrijving en beknibbeling doch ook zonder zwakheid en toegevendheid op te stellen. Hoe sterk zou de communistische partij vandaag staan als zij zich het ABC van de leninistische politiek eigen had gemaakt en met het nodige uithoudingsvermogen toegepast had!

Eenentwintig fouten van Thälmann

Midden juli verscheen een brochure met antwoorden van Thälmann op 21 vragen van sociaaldemocratische arbeiders met betrekking tot de creatie van het “rode eenheidsfront”. De brochure begint met de woorden:

“Machtig stormt het antifascistische eenheidsfront voorwaarts!”

Op 20 juli riep de communistische partij de arbeiders tot de politieke staking op. De oproep vond geen enkele weerklank. Zo openbaarde zich binnen vijf dagen de tragische afgrond tussen bureaucratische mooie woorden en politieke werkelijkheid.

De partij had bij de verkiezingen van 31 juli 5,3 miljoen stemmen bekomen. Terwijl zij deze uitslag als een geweldige overwinning rondbazuinde, bewees de partij hoezeer de nederlaag haar aanspraken en hoop verkleind had. Bij de presidentsverkiezingen van 13 maart kreeg de partij bijna 5 miljoen stemmen. In de loop van vier en een halve maand — en wat voor maanden! — heeft zij dus nog geen driehonderdduizend stemmen gewonnen. De communistische pers herhaalde in maart honderden keren dat het stemmenaantal onvergelijkelijk veel groter geweest zou zijn indien het Rijksdagverkiezingen waren geweest. Bij de presidentsverkiezingen hielden honderdduizenden sympathiserende het voor overbodig tijd te verliezen voor een “platonische” demonstratie. Neemt men dit commentaar van maart in aanmerking — en het verdient in aanmerking genomen te worden — dan blijkt dat de partij in de laatste vier en een halve maand bijna in het geheel niet gegroeid is.

In april heeft de sociaaldemocratie Hindenburg gekozen, die hierop een onmiddellijk tegen haar gerichte staatsgreep ten uitvoer bracht. Men zou menen dat dit feit alleen al voldoende had moeten zijn om het gebouw van het reformisme tot in zijn grondvesten te doen wankelen. Daarbij komt de verdere verscherping van de crisis met al haar verschrikkelijke gevolgen. Uiteindelijk heeft de sociaaldemocratie op 20 juli, elf dagen vóór de verkiezingen, klagelijk ingebonden voor de staatsgreep van de door haar gekozen rijkspresident. In dergelijke perioden groeien revolutionaire partijen koortsachtig. Wat de in stalen klemmen gedrongen sociaaldemocratie ook onderneemt, zij moet de arbeiders van zich weg en naar links stoten. In plaats van echter met zevenmijlslaarzen voorwaarts te gaan, markeert het communisme de pas, slingert het, is het op de terugtocht en na iedere schrede voorwaarts maakt het een halve pas terug. Over een overwinning te schreeuwen, alleen omdat de communistische partij op 31 juli geen stemmen ingeboet heeft, betekent definitief de zin voor de werkelijkheid te verliezen. Om te begrijpen waarom en hoe de revolutionaire partij bij erg gunstige politieke omstandigheden zichzelf tot vernederende onmacht veroordeelt, moet men Thälmanns antwoorden aan de sociaaldemocratische arbeiders lezen. Dat is een vervelende en onaangename taak, maar zij kan duidelijk maken wat er in de hoofden van de stalinistische leiders omgaat.

Op de vraag: “Hoe beoordelen de communisten het karakter van de von Papenregering”? geeft Thälmann verscheidene, elkaar tegensprekende, antwoorden. Hij begint met te wijzen op “het gevaar van de onmiddellijke stichting van de fascistische dictatuur.” Deze bestaat dus nog niet? Hij spreekt volkomen terecht over regeringsleden als “vertegenwoordigers van het trustkapitaal, van de generaalskliek en van het jonkerdom.” Een minuut later heeft hij het over dezelfde regering als “dit fascistische kabinet” en hij eindigt zijn antwoord met de bewering dat de “von Papenregering… zich de onmiddellijke vestiging van de fascistische dictatuur tot doel gesteld heeft.”

Terwijl hij de sociale en politieke verschillen tussen bonapartisme, d.w.z. het op militair-politionele-dictatuur steunende regime van de “landvrede” en fascisme, d.w.z. het regime van de openlijke burgeroorlog tegen de arbeidersklasse, buiten beschouwing laat, behoudt Thälmann zich de mogelijkheid voor te begrijpen wat er voor zijn ogen geschiedt. Is het kabinet von Papen een fascistisch kabinet? Van welk “fascistisch gevaar” is er dan sprake? Als de arbeiders Thälmann geloven en denken dat von Papen zich de vestiging van de fascistische dictatuur tot doel (!) stelt, dan zal het waarschijnlijke conflict tussen Hitler en von Papen-Schleicher de partij precies zo overrompelen als destijds het conflict tussen von Papen en Otto Braun.(5)

Op de vraag: “Meent de KPD het eerlijk met het eenheidsfront?”, antwoordt Thälmann natuurlijk bevestigend en als bewijs beroept hij zich erop dat de communisten geen processies naar Hindenburg en von Papen ondernemen.

“Neen, wij stellen de vraag van de strijd en wel tegen het gehele systeem, tegen het kapitalisme. En hier ligt de kern van de eerlijkheid van ons eenheidsfront.”

Thälmann begrijpt klaarblijkelijk niet waarover het gaat. De sociaaldemocratische arbeiders blijven juist sociaaldemocraten omdat zij nog altijd in de geleidelijke, reformistische weg van de omwenteling van het kapitalisme in het socialisme geloven. Daar zij weten dat de communisten voor de revolutionaire omverwerping van het kapitalisme zijn, vragen de sociaaldemocratische arbeiders:

“Stellen jullie het eenheidsfront eerlijk voor?”

Daarop antwoordt Thälmann:

“Natuurlijk eerlijk, want voor ons gaat het er om het gehele kapitalistische systeem omver te werpen.”

Vanzelfsprekend denken wij er niet aan iets voor de sociaaldemocratische arbeiders te verbergen. Toch moet men altijd de omvang van de dingen kennen en voor de politieke proporties zorgen. Iedere handige propagandist zou het volgende geantwoord hebben:

“Jullie zetten in op de democratie. Wij geloven dat de uitweg alleen in de revolutie ligt. Toch kunnen en willen wij de revolutie niet zonder jullie maken. Hitler is nu de gemeenschappelijke vijand. Na de overwinning op hem, zullen wij samen met jullie de balans opmaken en zien waarheen de verdere weg wezenlijk voert.”

De toehoorders, hoe eigenaardig dit op het eerste gezicht ook  mag klinken, zijn niet alleen toegevend voor de spreker, ze vielen hem ook dikwijls bij. Het geheim van de toegevendheid berust echter daarop dat Thälmanns luisteraars niet alleen behoren tot de antifascistische actie, maar ook bij de stemming voor de communistische partij kiezen. Het gaat om voormalige sociaaldemocraten die naar de kant van het communisme overgegaan zijn. Dergelijke rekruten kan men slechts welkom heten. Doch het bedrieglijke van de gehele onderneming bestaat daarin dat een gesprek met arbeiders die met de sociaaldemocratie gebroken hebben voor een gesprek met de sociaaldemocratische massa uitgegeven wordt. Deze goedkope maskerade is uiterst kenschetsend voor de gehele tegenwoordige politiek van Thälmann & Co!

Hoe het ook zij — de voormalige sociaaldemocraten stellen vragen die feitelijk de sociaaldemocratische massa betreffen.

“Of de antifascistische actie een communistische partijwinkel is?”, vragen zij. Thälmann antwoordt:

“Neen!”

Het bewijs? De antifascistische actie “is geen organisatie doch een massabeweging.” Alsof het niet juist de taak van de communistische partij zou zijn de massabeweging te organiseren. Nog beter is het tweede bewijs: de antifascistische actie staat boven de partijen, want (!) zij richt zich tegen de kapitalistische staat: “Karl Marx heeft reeds bij de behandeling van de lessen van de Parijse Commune met alle scherpte als taak van de arbeidersklasse de kwestie van de vernietiging van het burgerlijke staatsapparaat op de voorgrond gesteld.”

0, rampzalige citaten! Doch de sociaaldemocraten wilden immers, ongeacht Marx, de burgerlijke staat verbeteren en niet vernietigen. Zij zijn geen communisten doch reformisten. Tegen zijn bedoeling bewijst Thälmann juist datgene wat hij moest weerleggen — het partijkarakter van de “antifascistische actie”.

De officiële leider van de communistische partij begrijpt noch de positie, noch de politieke denkwijze van de sociaaldemocratische arbeiders. Hij begrijpt niet waarvoor het eenheidsfront er is. Met iedere zin levert hij aan de reformistische leiders wapens en drijft de sociaaldemocratische arbeiders naar hen toe.

De onmogelijkheid van iedere gemeenschappelijke schrede met de sociaaldemocratie belicht Thälmann op de volgende wijze:

“Daarbij moeten wij (?) duidelijk erkennen dat de sociaaldemocratie, zelfs als zij nu een schijnoppositie lijkt te voeren, op geen enkel ogenblik haar eigenlijke coalitiegedachte en haar overeenkomsten met de fascistische burgerij zal opgeven.”

Zelfs als dit juist zou zijn, bleef het desniettemin de taak dit aan de sociaaldemocratische arbeiders door de ervaring te bewijzen. Doch het is ook in wezen fout. Als de sociaaldemocratische leiders geen afstand wilden doen van overeenkomsten met de burgerij, dan doet intussen de fascistische burgerij afstand van de overeenkomsten met de sociaaldemocratie. Dit feit kan beslissend worden voor het lot van de sociaaldemocratie. Bij de overgang van de macht van von Papen op Hitler zal de burgerij de sociaaldemocratie op geen enkele wijze kunnen sparen. De burgeroorlog heeft zijn wetten. De heerschappij van de fascistische terreur zal slechts de afschaffing van de sociaaldemocratie kunnen betekenen. Mussolini is daar juist mee begonnen om des te vrijer de revolutionaire arbeiders te kunnen neerslaan. In ieder geval is zijn huid de “sociaalfascist” dierbaar. De communistische eenheidsfrontpolitiek moet tegenwoordig van de zorgen van de sociaaldemocratie voor haar eigen huid uitgaan. Dat zal de meest realistische en tevens de in haar gevolgen meest revolutionaire politiek zijn.

Als de sociaaldemocratie zich echter “op geen enkel ogenblik” van de fascistische burgerij zal scheiden (ofschoon Matteoti zich van Mussolini “afgescheiden” heeft), moeten de sociaaldemocratische arbeiders die aan de antifascistische actie willen deelnemen, dan niet uit hun partij treden? Zo luidt een vraag. Daarop antwoordt Thälmann:

“Het is voor ons communisten vanzelfsprekend dat sociaaldemocratische of rijksbanier-arbeiders aan de antifascistische actie kunnen deelnemen zonder dat zij uit hun partij behoeven te treden.”

Om zich vrij van sektarisme te tonen, voegt Thälmann er aan toe:

“Als jullie met miljoenen in een gesloten front zouden toestromen, zouden wij dit met vreugde begroeten. Zelfs indien er over bepaalde vragen met betrekking tot de rol van de SPD naar onze mening nog onduidelijkheden zouden bestaan.”

Gouden woorden! ‘Wij houden uw partij voor een fascistische, jullie houden die voor democratisch. Maar laten we niet over details strijden! Het is voldoende dat jullie ‘in miljoenen’ tot ons komen zonder uw fascistische partij te verlaten.’ En ‘onduidelijkheden over bepaalde vragen’ vormen geen beletsel. De onduidelijkheden in de hoofden van de almachtige bureaucraten is steeds hinderlijk.

Om dieper op de kwestie in te gaan, voegt Thälmann er aan toe:

“Wij stellen de vraag niet van partij tot partij, doch naar de klassen.”

Evenals Seydewitz is Thälmann bereid afstand te doen van het partijbelang in het belang van de klasse. Het ongeluk bestaat daarin dat een dergelijke tegenstelling voor een marxist niet kan. Indien het programma van de marxist geen wetenschappelijke formulering van de belangen van de arbeidersklasse is, dan is die partij geen fluit waard.

Naast de grove principiële fouten zijn Thälmanns woorden ook op praktisch vlak onzinnig. Hoe kan men de vraag niet van “partij tot partij” stellen, terwijl toch het wezen van de vraag daar net in bestaat? Miljoenen arbeiders volgen de sociaaldemocratie. Andere miljoenen de communistische partij. Op de vraag van de sociaaldemocratische arbeiders:

“Hoe bereiken wij gemeenschappelijke acties tussen uw en onze partij tegen het fascisme?” antwoordt Thälmann “als klasse en niet als partijen”. “Stroomt in miljoenen naar ons toe!”

Is dat geen klagelijke woordenpraal?

“Wij communisten”, vervolgt Thälmann, “willen geen eenheid tot iedere prijs.” Wij kunnen niet in het belang van de eenheid met de sociaaldemocratie “de klasseninhoud van onze politiek verloochenen… en afstand doen van stakingen, acties van werklozen, huurdersacties en revolutionaire massabescherming.”

De onzinnige eenheid met de sociaaldemocratie bemoeilijkt het aangaan van de overeenkomst over bepaalde praktische acties. Uit de onvermijdelijkheid van de laatste revolutionaire storm van morgen wordt de ontoelaatbaarheid van gemeenschappelijke acties tot staking of zelfverdediging op vandaag afgeleid. Wie uit de gedachten van Thälmann wijs kan worden, zou een onderscheiding verdienen. De luisteraars houden aan:

“Is in de strijd tegen de regering von Papen en tegen het fascisme een bondgenootschap van KPD en SPD mogelijk?”

Thälmann voert twee, drie feiten aan om te bewijzen dat de sociaaldemocratie niet tegen het fascisme strijdt en hij concludeert:

“Iedere (!) kameraad van de SPD zal ons gelijk geven (?) wanneer wij zeggen dat een bondgenootschap tussen KPD en SPD op grond van deze feiten en ook (!) uit principiële overwegingen (!) onmogelijk is.”

Weer stelt de bureaucraat als bewezen voorop wat juist bewezen moet worden. De partijpolitiek wordt helemaal belachelijk zodra Thälmann antwoord geeft op de vraag naar het eenheidsfront van organisaties die miljoenen arbeiders tellen. De sociaaldemocraten moeten juist erkennen dat een samengaan met hun partij onmogelijk is, hun partij is immers fascistisch. Kan men aan de sociaaldemocratische leiders een betere dienst bewijzen?

‘Wij communisten die elke gemeenschap met de leiders van de SPD afwijzen… verklaren steeds weer dat wij bereid zijn tot de antifascistische strijd met de strijdwillende sociaaldemocratische en rijksbanier-kameraden en met de tot strijd bereide organisaties van de basis.’ Waar houden die organisaties zich op? En wat te doen wanneer die formaties zich moeten schikken in de discipline en voorstellen en onderhandelingen met leidende instanties moeten beginnen? Tenslotte zijn er tussen de onderste en bovenste verdiepingen ook nog tussenverdiepingen. Kan men van te voren zeggen waar de scheidingslijn ligt tussen hen die willen strijden en degenen die aan de strijd ontsnappen? Dat kan alleen door de daad bepaald worden en niet door daarop vooruitlopende onderstellingen. Welke betekenis heeft het toch zich aan handen en voeten te binden?

In de ‘Rote Fahne’ van 29 juli worden in een bericht over vergaderingen van de Rijksbanier (6)de opmerkelijke woorden van een sociaaldemocratische groepsleider vermeld:

“De wil naar een antifascistisch eenheidsfront leeft in de massa. Wanneer daarmee door de leiders geen rekening wordt gehouden, dan zal ik over hen heen naar het eenheidsfront gaan.”

Het communistische blad brengt deze woorden zonder commentaar. Toch bevatten zij de sleutel tot de gehele eenheidsfronttactiek. De sociaaldemocraat wil gemeenschappelijk met de communisten tegen de fascisten strijden. Hij twijfelt al aan de goede wil van zijn leiders.

“Als die leiders het afwijzen,” zegt hij, “dan zal ik zonder hen handelen.”

Er zijn tientallen, honderden, duizenden, miljoenen van zulke sociaaldemocraten. De taak van de communistische partij is hen aan te tonen of de sociaaldemocratische leiders willen strijden of niet. Alleen de ervaring kan die bewijzen leveren, de nieuwe verse ervaring in een nieuwe situatie. Die ervaring kan niet tot een enkele ervaring beperkt blijven. Men moet de sociaaldemocratische leiders aan een proefneming blootstellen: in het bedrijf, de werkplaats, in de stad en op het land, in de gehele staat, vandaag en morgen. Men moet zijn voorstel herhalen, daarvoor nieuwe vormen vinden bij nieuwe gezichtspunten die aan de nieuwe toestand aangepast zijn.

Maar Thälmann wil dat niet. Op grond van de “aangewezen principiële verschillen tussen de KPD en de SPD wijzen wij onderhandelingen met de leiders met de SPD af.”

Deze treffende motivering wordt door Thälmann herhaaldelijk gebezigd! Als er geen “principiële tegenstellingen” zouden zijn, dan zouden er geen twee partijen zijn. En als er geen twee partijen zouden zijn, dan was de kwestie van het eenheidsfront niet aan de orde. Thälmann wil te veel bewijzen. Minder zou in dit geval beter zijn.

Betekende, zo vragen de arbeiders, de stichting van de RVO (Revolutionaire Vakbondsoppositie) “niet een splitsing van de georganiseerde arbeidersklasse?” Neen, antwoordt Thälmann en ten bewijze haalt hij de brief van Friedrich Engels uit 1895 tegen de esthetisch-sentimentele filantropen aan. Wie verschaft Thälmann zulke gevaarlijke citaten? De RVO zou voor de eenheid en niet voor de opdeling in het leven zijn geroepen. Ook zou de arbeider zijn vakvereniging volstrekt niet moeten verlaten bij toetreding van de RVO. Integendeel zou het beter zijn indien RVO-leden in de vakverenigingen bleven om daar oppositionele arbeid te verrichten. Thälmanns woorden mogen overtuigend zijn voor communisten die zich de strijd tegen de sociaaldemocratische leiding tot taak hebben gesteld. Maar als antwoord voor sociaaldemocratische arbeiders die zich bezorgd maken over de eenheid van de vakverenigingen klinken de woorden van Thälmann als hoon. ‘Waarom hebben jullie onze vakverenigingen verlaten en jullie afzonderlijk georganiseerd?’ — vragen de sociaaldemocratische arbeiders. Wanneer jullie in onze afzonderlijke organisaties willen komen om tegen de sociaaldemocratische leiding te strijden, verlangen wij van jullie niet om uit de vakverenigingen te gaan, zo antwoordt Thälmann. Een treffend antwoord: de spijker op de kop.

“Bestaat er democratie in de KPD?”

Zo vragen de arbeiders, tot een ander thema overgaande. Thälmann antwoordt bevestigend. En of! Maar tegelijk voegt hij daaraan op onverwachte wijze toe:

“In de legaliteit zowel als in de illegaliteit, vooral dan moet de partij op haar hoede zijn voor spionnen, provocateurs en agenten van de politie.”

Deze toevoeging wordt niet toevallig ten beste gegeven. De nieuwste leerstelling die door een brochure van een geheimzinnige Büchner aan de wereld wordt verkondigd, rechtvaardigt de vernietiging van de democratie met de belangen van de strijd tegen spionnen. Wie tegen de soevereiniteit van de bureaucratie van Stalin protesteert, die moet op zijn minst als verdacht worden beschouwd. De politieagenten en provocateurs van alle landen zijn begeesterd door deze theorie. Zij behoeven maar tegen de oppositionelen te hitsen om de aandacht van zichzelf af te leiden en aldus in troebel water te kunnen vissen.

Het bloeien van de democratie is volgens Thälmann al bewezen door het feit dat “op wereldcongressen en conferenties van de Executieve de problemen behandeld worden.” Hij verzuimt mee te delen wanneer het laatste wereldcongres plaats vond. Wij zullen er dan maar aan herinneren: het was juni 1928, meer dan vier jaren geleden! Blijkbaar zijn er sindsdien geen belangrijke vragen naar voren gekomen. Waarom roept, terloops gezegd, Thälmann geen buitengewone partijdag van de KPD bijeen om die vragen op te lossen die het lot van de Duitse arbeidersklasse bepalen? Toch zeker niet uit overmaat van partijdemocratie?

Zo volgt de ene bladzijde de andere. Thälmann antwoordt op 21 vragen. Ieder antwoord — een fout. In totaal — 21 fouten, afgezien nog van de kleine. Daarvan zijn er vele.

Thälmann vertelt dat de bolsjewieken in het jaar 1903 met de mensjewieken gebroken zouden hebben. In werkelijkheid vond de definitieve splitsing in 1912 plaats. Maar ook zij kon niet beletten dat de Februarirevolutie van 1917 in een groot deel van het land verenigde bolsjewistische en mensjewistische organisaties aantrof. Nog in het begin van april 1917 kwam Stalin op voor de vereniging van de bolsjewieken met de partij van Tsereteli — geen eenheidsfront maar samensmelting! Dit werd door de aankomst van Lenin verhinderd. Thälmann zegt dat de bolsjewieken de nationale vergadering in het jaar 1917 uiteen hadden gejaagd. In werkelijkheid gebeurde dit begin 1918. Van de geschiedenis van de Russische revolutie en van de bolsjewistische partij is Thälmann volstrekt niet op de hoogte.

Erger is dat hij de grondslagen van de bolsjewistische tactiek niet begrijpt. In zijn ‘Theoretische Artikel’ waagt hij zelfs het feit te bestrijden dat de bolsjewieken een overeenkomst met de mensjewieken en sociaal-revolutionairen tegen Kornilov hadden gesloten. Als bewijs komt hij voor de dag met een of ander aan hem verstrekt citaat dat met de zaak niets te maken had. Hij vergeet echter te antwoorden op de vragen: waren er gedurende de putsch van Kornilov in het gehele land comités van volksverdediging? Voerden die de strijd tegen Kornilov? Maakten van deze comités vertegenwoordigers van de bolsjewieken, mensjewieken en sociaal-revolutionairen deel uit? Ja, ja, ja. Namen toen mensjewieken en sociaal-revolutionairen deel aan de macht? Vervolgden zij de bolsjewieken als agenten van de Duitse generale staf? Zaten duizenden bolsjewieken in de gevangenis? Was Lenin in de illegaliteit verborgen? Ja, ja, ja. Welke citaten kunnen deze historisch vaststaande feiten weerleggen?

Het blijft aan Thälmann overgelaten zich naar hartenlust op Manuilski, Losowski en Stalin zelf te beroepen (als die ten minste zijn mond open doet), doch het leninisme en de geschiedenis van de Oktoberrevolutie kan hij best met rust laten: dat is voor hem een boek dat met zeven zegels gesloten blijft.

In aansluiting hiermee moet men nog een belangrijke vraag opwerpen, met name over Versailles. De sociaaldemocratische arbeiders vragen of de communistische partij geen politieke concessies doet aan het nazisme. In zijn antwoord blijft Thälmann de leuze van de “nationale bevrijding” verdedigen en naast de leuze van sociale bevrijding plaatsen. De reparaties — dat wat daarvan over blijft — zijn voor Thälmann even belangrijk als het privaat bezit van de productiemiddelen. Deze politiek is daarvoor verzonnen om de aandacht van de arbeiders van de voornaamste problemen af te leiden, de slag tegen het kapitalisme te verzwakken en hen te dwingen de voornaamste vijand en de veroorzaker van de ellende over de grenzen te zoeken. Intussen vinden we nu meer dan ooit “de voornaamste vijand in het eigen land.” Von Schleicher heeft die gedachte nog sterker uitgedrukt: “overal”, verklaarde hij op 26 juli in de radio, moet men “met de binnenlandse zwijnenhond afrekenen.” Deze soldatenformule is heel goed. Wij nemen haar graag over. Alle communisten zouden zich haar eigen moeten maken. Terwijl de nazi’s de aandacht afleiden naar Versailles, moeten de revolutionaire arbeiders hen met de woorden van von Schleicher antwoorden: “Neen, bovenal moet men met de binnenlandse zwijnenhond afrekenen!”

De politiek van Stalin-Thälmann getoetst aan haar eigen ervaring

Op kritische ogenblikken wordt de tactiek op haar waarde getest. De sterkte van het bolsjewisme bestond daarin dat zijn leuzen en methoden hun krachtigste bevestiging vonden zodra de loop van de gebeurtenissen belangrijke beslissingen nodig maakte. Wat betekenen richtlijnen, waarvan men zich los moet maken zodra de toestand een ernstig karakter gaat krijgen?

De realistische politiek steunt op de natuurlijke ontwikkeling van de klassenstrijd. Sektarische politiek wil aan de klassenstrijd bepaalde regels voorschrijven. Een revolutionaire situatie betekent dat er een scherpe ontwikkeling van de klassenstrijd is. Juist daarom oefent de realistische politiek van het marxisme in de revolutionaire situatie grote aantrekkingskracht op de massa uit. Omgekeerd wordt de sektarische politiek zwakker naarmate de vlucht van de gebeurtenissen machtiger is. De aanhangers van Blanqui en Proudhon die verrast waren door de beweging van de Parijse Commune deden het tegendeel van hetgeen zij gepredikt hadden. De anarchisten waren gedurende de Russische Revolutie genoodzaakt de Sovjets, dus de machtsorganen, te erkennen, enz. enz.

De Comintern steunt op massa’s die in het verleden door het marxisme gewonnen en door de autoriteit van de Oktoberrevolutie samengesmeed werden. De politiek van de huidige leidende stalinistische fractie probeert de klassenstrijd te commanderen in plaats van hem politiek tot uitdrukking te brengen. Dit is het kenmerk van het bureaucratendom en daarin komt het met de sektariërs overeen, waarvan het zich door andere eigenschappen scherp onderscheidt. Dank zij het sterke apparaat, de materiële middelen van de Sovjetstaat en de autoriteit van de Oktoberrevolutie, slaagt de stalinistische bureaucratie er in om in betrekkelijk rustige tijden aan de arbeidersvoorhoede lang een kunstmatige gedragslijn op te dringen. Naarmate de klassenstrijd dichter naar de burgeroorlog ontwikkelt, komen de bureaucratische voorschriften steeds vaker in botsing met de onverbiddelijke werkelijkheid. Bij scherpe veranderingen in de toestand geraakt de hoogmoedige en opgeblazen bureaucratie gemakkelijk uit het lood. Als zij niet kan commanderen, capituleert zij. De politiek van het partijbestuur van Thälmann van de laatste maanden zal ooit bestudeerd worden als het voorbeeld van de meest erbarmelijke en smadelijkste domheid.

Sedert de “derde periode” stond onomstotelijk vast dat er geen sprake kon zijn van afspraken met de sociaaldemocratie. Het was niet alleen ontoelaatbaar het initiatief van het eenheidsfront te nemen, zoals het derde en vierde wereldcongres dat verlangden — men zou ook elk voorstel van de sociaaldemocratie voor gemeenschappelijke actie moeten afwijzen. De reformistische leiders waren “genoeg ontmaskerd”. De vroegere ondervinding was voldoende. In plaats van politiek te voeren, zou men aan de massa geschiedenis moeten vertellen. Met voorstellen naar de reformisten gaan, zou neerkomen op het toegeven dat zij tot het voeren van strijd in staat waren. Dat zou al sociaalfascisme zijn. Zo klonk de laatste drie tot vier jaren de oorverdovende melodie van het ultralinkse draaiorgel. Maar zie, in de Pruisische landdag stelde de communistische fractie op 22 juni op onverwachte wijze voor iedereen en voor zichzelf een overeenkomst met de sociaaldemocratie en zelfs met het centrum aan de orde. Hetzelfde speelde zich in Hessen af. Gelet op het gevaar dat de nazi’s het presidium van de landdag in handen zouden krijgen, werden alle beproefde richtlijnen naar de duivel gejaagd. Is dat niet verbazingwekkend! Is dat niet vernederend?

De verklaring van deze bokkensprongen is niet zo moeilijk. Het is bekend dat vele oppervlakkige liberalen en radicalen hun leven lang spotten over de godsdienst en de hemelse machten, om in het aangezicht van de dood of bij zware ziekte een geestelijke te laten roepen. Zo ook in de politiek. De kern van het centrisme is het opportunisme. Onder de invloed van uiterlijke omstandigheden (traditie, druk van de massa, politieke concurrentie) is het centrisme in bepaalde tijden genoodzaakt sier te maken met radicalisme. Het moet daarbij zichzelf overwinnen, zijn politieke natuur geweld aandoen. Doordat het zich met alle kracht aanspoort, bereikt het niet zelden de uiterste grens van het formele radicalisme. Zodra echter het uur van ernstig gevaar slaat, komt ook de ware natuur van het centrisme weer naar buiten. In een zo belangrijke kwestie als de verdediging van de Sovjetunie steunde de stalinistische bureaucratie altijd sterker op burgerlijke pacifisten, Engelse vakverenigingsbestuurders en Franse radicalen dan op de revolutionaire beweging van de arbeidersklasse. Zodra een gevaar naderbij kwam, gaven de stalinisten niet alleen hun ultralinkse frases maar zelfs de levensbelangen van de internationale revolutie prijs — in de naam van de vriendschap met onzekere en valse “vrienden” uit de orden van de advocaten, schrijvers en eenvoudige salonhelden. Eenheidsfront van bovenaf? Welneen! Tegelijkertijd echter hengelt de oppercommissaris voor dubbelzinnige zaakjes, die Münzenberg heet, naar de slippen van allerlei liberale kletsmajoors en radicale smeerpoetsen “voor de verdediging van de Sovjetunie”.

De stalinistische bureaucratie van Duitsland en andere landen — behalve de Sovjetunie — is hoogst ontevreden over de compromitterende leiding van Barbusse (7) in de zaak van het wereldcongres tegen de oorlog. Op dit vlak zouden Thälmann en Foster er de voorkeur aan geven radicaal te zijn. Maar in eigen nationale aangelegenheden doet ieder van hen precies hetzelfde als de Moskouse autoriteiten: bij het naderen van een ernstig gevaar werpen zij het opgeblazen en vervalste radicalisme overboord om hun ware, opportunistische natuur te tonen.

Was het initiatief van de communistische landdagfractie op zichzelf fout en ontoelaatbaar? Wij geloven van niet. De bolsjewieken hebben meermalen aan de mensjewieken en sociaal-revolutionairen in 1917 voorgesteld:

“Neem de macht, wij zullen u tegen de burgerij ondersteunen als zij tegenstand biedt.”

Compromissen zijn toelaatbaar, in bepaalde verhoudingen zelfs plicht. De gehele kwestie bestaat daarin, aan welk doel het compromis dienstbaar moet worden gemaakt, hoe het zich aan de massa toont, welke zijn grenzen zijn. Het compromis te beperken tot de Landdag of de Rijksdag, daarvan een zelfstandig doel te maken, of een sociaaldemocraat dan wel katholiek-democraat in plaats van een fascist president wordt, betekent geheel en al in het parlementaire moeras terecht komen. Totaal anders wordt de zaak als de partij de stelselmatige en planmatige strijd om de sociaaldemocratische arbeiders op de grondslag van de eenheidsfrontpolitiek tot taak stelt. In dat geval zou een parlementaire overeenkomst tegen de fascistische overmacht in het presidium, enz. slechts een bestanddeel zijn van de overeenkomst voor buitenparlementaire strijd tegen het fascisme. Vanzelfsprekend zou de communistische partij er de voorkeur aan geven de gehele kwestie met een slag buiten het parlement op te lossen. Maar voorkeur geven alleen is niet genoeg als het aan de krachten ontbreekt. De sociaaldemocratische arbeiders hebben hun geloof in de toverkracht van de verkiezing op 31 juli getoond. Van dit feit moet men uitgaan. Vroegere fouten van de KPD hebben aan de reformistische leiders de sabotage van het eenheidsfront buitengewoon vergemakkelijkt. Een technisch parlementaire overeenkomst — of zelfs slechts het voorstel van zulk een overeenkomst — moet de communistische partij bevrijden van de aanklacht dat zij met de fascisten tegen de sociaaldemocratie zou samenwerken. Dat is geen zelfstandige actie, maar alleen het vrijmaken van de weg naar een strijdovereenkomst, of althans tot de strijd voor zulk een overeenkomst van de massaorganisaties.

Het verschil van de beide lijnen is duidelijk. De gemeenschappelijke strijd met de sociaaldemocratische organisaties kan en moet bij zijn ontplooiing een revolutionair karakter aannemen. De mogelijkheid van toenadering tot de sociaaldemocratische massa kan en moet men in zekere verhoudingen zelfs met parlementaire overeenkomsten van leiders betalen. Voor een bolsjewiek is dat echter alleen entreegeld. De stalinistische bureaucratie doet andersom: zij wijst niet alleen de strijdovereenkomst af, doch erger nog, zij vernielt boosaardig elke overeenkomst die ontstaat. Tezelfdertijd stelt zij aan sociaaldemocratische afgevaardigden een parlementaire overeenkomst voor. Dat betekent dat zij op het ogenblik van het gevaar haar eigen ultralinkse theorie en praktijk voor onbruikbaar verklaart, maar die niet vervangt door de politiek van het revolutionaire marxisme doch door een beginselloze parlementaire combinatie in de geest van het kleinere kwaad.

Men zal ons wel zeggen dat de Pruisische en Hessische episoden fouten van de afgevaardigden waren die door het Centraal Bestuur weer zijn goed gemaakt. Om te beginnen mocht een principieel zo belangrijk besluit niet zonder het partijbestuur genomen worden. De fout valt geheel op het partijbestuur terug. Ten tweede: hoe is het te verklaren dat de “staalharde” “in haar uitkomst juiste” bolsjewistische politiek na maanden van groot geraas, van polemiek, van smaad en uitsluitingen op het kritische ogenblik plotseling plaats maakt voor een opportunistische “fout”?

De zaak blijft beperkt tot de landdag. Thälmann-Remmele hebben in een veel belangrijker en kritischer aangelegenheid zich van henzelf en hun eigen school losgemaakt. Op de avond van 20 juli nam het partijbestuur van de KPD het volgende besluit:

“De communistische partij richt voor het front van de arbeidersklasse tot de SPD, de ADGB en de AFA (8) bond de vraag of zij bereid zijn gemeenschappelijk met de KPD de algemene werkstaking voor de arbeiderseisen door te voeren.”

Dit belangrijke en onverwachte besluit maakte het partijbestuur in zijn circulaire van 26 juli zonder commentaar bekend. Kan men een meer vernietigend oordeel over zijn gehele tot dusver gevoerde politiek vellen? De KPD gaat naar de reformistische leiders met het voorstel van gemeenschappelijke acties. De partij gaat naar leiders die de vorige dag nog sociaalfascistisch en contrarevolutionair genoemd werden. Op grond daarvan zijn communisten uitgesloten. Op deze grondslag heeft men de strijd tegen het “trotskisme” gevoerd. Hoe kon dan dit partijbestuur plotseling, ineens op de avond van 20 juli, aanvaarden wat het daags te voren verbannen had? En tot welke tragische positie heeft de bureaucratie de partij gevoerd als het partijbestuur het durfde wagen met het verrassende besluit voor de dag te komen zonder zich te verklaren of te rechtvaardigen! Aan zulke veranderingen wordt de politiek getoetst. Het partijbestuur van de Duitse communistische partij heeft in werkelijkheid op de avond van 20 juli aan de gehele wereld gezegd:

“Onze koers deugde niet.”

Een onvrijwillige maar volkomen juiste vaststelling. Ongelukkigerwijze kon ook het voorstel van 20 juli dat de voorafgaande politiek omver stootte, in geen geval een positief succes hebben. Een oproep tot de leiders — ongeacht het antwoord van die leiders — kan slechts dan revolutionaire betekenis krijgen wanneer hij van onderop voorbereid werd, dus op de gehele politiek steunt. Maar de stalinistische bureaucratie herhaalde voor de sociaaldemocratische arbeiders dag in, dag uit:

“Wij communisten wijzen elke gemeenschap met SPD-leiders af” .

Het onvoorbeide, onverwachte en ongemotiveerde voorstel van 20 juli was slechts geschikt om de communistische leiding bloot te stellen. Het openbaarde haar inconsequentie, gebrek aan ernst, neiging voor paniek en avontuurlijke sprongen. De politiek van de centristische bureaucratie helpt doorlopend de tegenstanders en vijanden. Zelfs wanneer onder de druk van de gebeurtenissen nog honderdduizend arbeiders plaats nemen onder de communistische vaan, gebeurt dit ondanks de politiek van Stalin-Thälmann. Juist daarom is de dag van morgen voor de partij op geen enkele wijze verzekerd.

Wat zegt men in Praag over het eenheidsfront?

“Toen in het jaar 1926 de Communistische Internationale met de sociaaldemocratische leiders een eenheidsfront vormde”, schreef het centrale orgaan van de Tsjecho-Slowaakse communistische partij op 27 februari van dit jaar, zogenaamd namens een arbeiderscorrespondent uit het bedrijf, “deed zij dit om hen te ontmaskeren voor de massa van de aanhangers en toentertijd was Trotski er zeer op tegen. Thans, nu de sociaaldemocratie door haar voortdurend verraad aan de arbeidersstrijd zo in ongenade is geraakt, slaat Trotski het eenheidsfront met haar leiders voor… Trotski is nu tegen het Engels-Russische comité van 1926 maar voor het een of ander ‘Engels-Russisch comité’ van 1932.”

Deze regels brengen ons direct tot de kern van de kwestie. In 1926 probeerde de Comintern de reformistische leiders met behulp van de eenheidsfrontpolitiek te “ontmaskeren” en dat was juist. Sedertdien is de sociaaldemocratie echter “in ongenade geraakt”. Hoe zo? Er volgen haar nog steeds meer arbeiders dan de communistische partij. Het is treurig, doch waar. De taak de reformistische leiders te ontmaskeren, blijft dus onopgelost. Als de methode van het eenheidsfront in 1926 goed was, waarom zou zij dan in 1932 slecht zijn?

“Trotski is voor een Engels-Russisch comité van 1932. Tegen een Engels-Russisch comité van 1926.”

In 1926 werd het eenheidsfront van boven af gevormd tussen de leiders van de Sovjetvakverenigingen en de Britse Trade-Unionisten, niet voor bepaalde praktische acties van de massa’s die gescheiden waren door staatsgrenzen en sociale bepalingen, doch op de grondslag van een vriendschappelijk-diplomatiek, pacifistisch-uitwijkend “programma”. Gedurende de mijnwerkers-  en later de algemene staking kon het Engels-Russische comité in het geheel niet bij elkaar komen, want de “bondgenoten” trokken in twee tegenovergestelde richtingen: de Sovjetvakverenigingen streefden er naar de stakers bij te staan, de Britse Trade-Unionisten probeerden de staking te breken.

De door de Russische arbeiders ingezamelde aanzienlijke bedragen wees de Generale Raad als “vervloekt geld” af. Pas nadat de staking definitief verraden en gebroken was, kwam het Engels-Russisch comité weer op een banket bijeen om nietszeggende frases uit te wisselen. Zo diende de politiek van het Engels-Russische comité om de reformistische stakingsbrekers te dekken voor de arbeidersmassa’s.

Nu spreken wij over iets totaal anders. In Duitsland staan de sociaaldemocratische en communistische arbeiders op dezelfde grond, voor hetzelfde gevaar. Zij zijn tezamen in bedrijven, vakverenigingsbonden, stempellokalen, enz. Het gaat hier niet om een met de mond beleden akkoord van leiders, doch om zeer concrete vragen betreffende het onmiddellijk in de strijd betrekken van de massaorganisaties.

De eenheidsfrontpolitiek op nationale grondslag is tienmaal moeilijker dan plaatselijk. De eenheidsfrontpolitiek op internationale grondslag honderdmaal moeilijker dan nationaal. Zich verenigen met Britse reformisten voor een zo algemene leuze als “Verdediging van de Sovjetunie” of “Verdediging van de Chinese revolutie” betekent het blauw van de hemel praten. In Duitsland dreigt daarentegen het onmiddellijke gevaar van de vernietiging van de arbeidersorganisaties, de sociaaldemocratische inbegrepen. Te verwachten dat de sociaaldemocratie voor de verdediging van de Sovjetunie tegen de Duitse burgerij zal strijden, zou een illusie zijn. Men kan echter absoluut verwachten dat de sociaaldemocratie voor de verdediging van haar mandaten, haar vergaderingen, kranten, kassen en tenslotte van haar eigen schedel strijden zal.

Maar ook in Duitsland bevelen wij in geen geval aan te vervallen in aanbidding van het eenheidsfront. Een overeenkomst is een overeenkomst. Zij blijft zo lang bestaan als zij het praktische doel waarvoor zij afgesloten werd dient. Beginnen de reformisten de beweging te remmen of te saboteren, dan moeten de communisten zich steeds de vraag stellen: is het geen tijd de overeenkomst te vernietigen en de massa’s onder eigen vanen verder te leiden? Een dergelijke politiek is niet gemakkelijk. Wie heeft echter ooit beweerd dat het een eenvoudige zaak was de arbeidersklasse naar de overwinning te voeren? Toen de Tsjecho-Slowaakse partijkrant 1926 tegenover 1932 stelde, bewees het alleen zijn domheid zowel met betrekking tot hetgeen zes jaar geleden gebeurde als hetgeen nu gebeurt.

De “arbeiderscorrespondent” van het denkbeeldige bedrijf schenkt ook zijn aandacht aan het door mij gelanceerde voorbeeld van de overeenkomst van de bolsjewieken met de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen tegen Kornilov.

“Toen”, schrijft hij, “streed Kerenski werkelijk een zekere tijd tegen Kornilov en hielp de arbeidersklasse tezelfdertijd om Kerenski neer te slaan. Dat de Duitse sociaaldemocratie vandaag niet tegen het fascisme strijdt, ziet ieder klein kind.”

De in niets op een “klein kind” gelijkende Thälmann beweert dat een overeenkomst van de Russische bolsjewieken met de mensjewieken en sociaal-revolutionairen tegen Kornilov absoluut nooit bestaan heeft. De Tsjecho-Slowaakse partijkrant volgt, zoals wij nu zien, een andere weg. De overeenkomst wordt niet ontkend. Volgens zijn opvatting was de overeenkomst gerechtvaardigd omdat Kerenski werkelijk tegen Kornilov gestreden heeft, terwijl de sociaaldemocratie het fascisme de weg naar de macht bereidt. De idealisering van Kerenski is hier zeer verrassend. Wanneer begon Kerenski tegen Kornilov te strijden? Op hetzelfde ogenblik waarop Kornilov de kozakkensabel over Kerenski’s eigen hoofd zwaaide, d.w.z. op de avond van de 26 augustus 1917. Nog een dag te voren stond Kerenski met Kornilov in een directe samenzwering met het doel om de Petrogradse arbeiders en soldaten neer te slaan. Als Kerenski tegen Korlinov begon te “strijden”, of juister gezegd een tijdlang geen weerstand bood aan de strijd tegen Kornilov, dan was dat alleen omdat de bolsjewieken hem geen andere uitweg lieten. Dat Kornilov en Kerenski, allebei samenzweerders, met elkaar braken en in open conflict geraakten, was in zekere mate een verrassing. Dat het tussen het Duitse fascisme en de sociaaldemocratie tot een botsing moest komen, kon en moest men vooruit zien al was het alleen maar op grond van de Italiaanse en Poolse ervaring. Waarom mocht men de overeenkomst met Kerenski tegen Kornilov sluiten en waarom is het ongeoorloofd een overeenkomst met de sociaaldemocratische massaorganisaties te prediken, te verdedigen, voor te staan en voor te bereiden? Waarom moet men dergelijke overeenkomsten overal vernietigen, waar zij tot stand gekomen zijn? Zo handelen echter juist Thälmann & Co.

De Tsjecho-Slowaakse partijkrant heeft zich natuurlijk enthousiast op mijn woorden geworpen, dat men een overeenkomst over strijdacties ook met de duivel, zijn grootmoeder en zelfs met Noske en Grzesinski zou kunnen sluiten.

“Ziet, communistische arbeiders”, schrijft het blad, “jullie moeten zich dus met Grzesinski verstaan, die reeds zovelen van uw kameraden neergeschoten heeft. Verstaat u slechts met hem hoe hij gemeenschappelijk met u tegen de fascisten zal strijden, met wie hij samen op banketten en in de bestuursraden van de fabrieken en banken zit.”

De gehele kwestie wordt hier naar het terrein van valse sentimentaliteit verschoven. Een dergelijke tegenwerping is een anarchist waardig, een oude Russische linkse sociaal-revolutionair, een “revolutionaire pacifist” of zelfs een Münzenberg. Van marxisme blijkt hier geen spoor.

Voor alles: is het juist dat Grzesinski een arbeidersbeul is? Onvoorwaardelijk juist. Maar was Kerenski dan niet in veel grotere mate een beul van de arbeiders en boeren als Grzesinski? Intussen billijkt de Tsjecho-Slowaakse krant achteraf de praktische overeenkomst met Kerenski.

De beul bij ieder werk dat zich tegen de arbeiders richt ondersteunen, is misdaad zo niet verraad: daarin bestond het verbond tussen Stalin en Tsjang Kai-sjek. Zou dezelfde Chinese beul zich echter morgen in oorlog met de Japanse imperialisten bevinden, dan zouden praktische strijdovereenkomsten van de Chinese arbeiders met de beul Tsjang Kai-sjek volkomen toelaatbaar en zelfs… plicht zijn.

Zat Grzesinski samen met fascisten aan banketten? Ik weet het niet, maar kan er wel direct inkomen. Maar Grzesinski zat later in de Berlijnse gevangenis, weliswaar niet in naam van het socialisme, maar alleen omdat hij niet zeer geneigd was zijn warm plaatsje aan bonapartisten en fascisten af te staan. Had de communistische partij tenminste maar een jaar geleden duidelijk verklaard: tegen de fascistische moordenaars zijn wij zelfs bereid om samen met Grzesinski te strijden; indien zij aan deze formule een strijdkarakter verleend, haar in redevoeringen en artikelen ontwikkeld, diep in de massa gedragen had, dan zou Grzesinski zich in juli tegenover de arbeiders ter verdediging van zijn capitulatie niet op de sabotage van de communistische partij hebben kunnen beroepen. Hij had dan of op deze of gene actieve schrede moeten ingaan of zich in de ogen van de eigen arbeiders hopeloos bloot moeten geven. Is dat niet duidelijk?

Zeker, zelfs wanneer Grzesinski door de logica van zijn positie en de druk van de massa’s in de strijd zou betrokken worden, zou hij een uiterst onbetrouwbaar, door en door gemeen bondgenoot zijn. Zijn voornaamste gedachte zou daarin bestaan zo snel mogelijk van de strijd of halve strijd naar de overeenkomst met de kapitalisten over te gaan.

Maar de in beweging gebrachte massa’s, zelfs de sociaaldemocratische, houden in geen geval zo spoedig op als gekrenkte politie-presidenten. De toenadering tussen de sociaaldemocratische en de communistische arbeiders door de strijd zou de communistische partijleiders een veel grotere invloed op de sociaaldemocratische arbeiders geven, vooral tegenover het gemeenschappelijke gevaar. En daarin bestaat juist het einddoel van het eenheidsfront.

De gehele politiek van de arbeidersklasse op de overeenkomst met de reformistische organisaties of nog erger op de abstracte leuze van “eenheid” terug te brengen, kunnen slechts centristen zonder ruggengraat van het slag van de SAP (9). Voor de marxisten is de eenheidsfrontpolitiek slechts een van de methoden in het verloop van de klassenstrijd. Onder zekere voorwaarden wordt deze methode volkomen onbruikbaar. Het zou onzinnig zijn om met de reformisten een overeenkomst over de socialistische omwenteling te willen sluiten. Er zijn echter voorwaarden, waaronder het afwijzen van het eenheidsfront, die de revolutionaire partij voor vele jaren ten gronde richten kan. Zo ziet de toestand in Duitsland er nu uit.

Zoals we eerder schreven, bevat het eenheidsfront de grootste moeilijkheden en gevaren op internationaal vlak. De formulering van de praktische taken en de organisatie van de massacontrole verlopen op dat vlak immers moeilijker. Het is wel mogelijk bijvoorbeeld in de strijd tegen de oorlog. Maar de uitzichten op gemeenschappelijke acties zijn beperkter, de mogelijkheden van reformisten en pacifisten om uitvluchten te vinden of tot bedrog over te gaan zijn onmetelijk veel groter. Daarmee willen wij natuurlijk niet beweren dat het eenheidsfront op dit gebied uitgesloten zou zijn. Integendeel, wij eisten dat de Comintern zich direct tot de IIe en de Amsterdamse Internationale zou wenden met het voorstel van een gemeenschappelijk anti-oorlogscongres. Het zou daarbij de taak van de Comintern geweest zijn om de meest concrete verplichtingen, toepasselijk voor de verschillende omstandigheden, uit te werken. Indien de sociaaldemocratie op een dergelijk congres had moeten ingaan, dan zou de kwestie van de oorlog bij een juiste politiek van onze kant als een scherpe wig in haar rijen gedreven kunnen worden.

De eerste voorwaarde hiervoor is: volledige klaarheid, politiek zowel als organisatorisch. Het gaat om een overeenkomst van arbeidersorganisaties met miljoenen aanhangers, die nu nog door diepe principiële tegenstellingen gescheiden zijn. Geen verdachte bemiddelaars, geen diplomatieke maskerades en lege pacifistische formules!

De Comintern is er echter ook deze keer in geslaagd om in strijd met het abc van het marxisme te handelen: terwijl zij weigerde met de reformistische Internationalen in openlijke onderhandelingen te treden, opende zij achter de coulissen onderhandelingen met Friedrich Adler (10) door middel van pacifistische mooipraters en het warhoofd eerste klas Henri Barbusse. Als resultaat van deze politiek verzamelde Barbusse in Amsterdam halfgemaskeerde communistische of “verwante”, “sympathiserende” organisaties en groepen samen met pacifistische alleenstaande personen van alle landen. De eerlijkste en oprechtste onder de laatsten — en dat is de minderheid — kunnen ieder afzonderlijk voor zichzelf zeggen:

“Ik en mijn verwarring.”

Wie had deze maskerade nodig, deze jaarmarkt van intellectuele hoogmoed die onmiddellijk een politieke poppenkasterij werd? (11)

Laten wij echter tot Praag terugkeren. Vijf maanden na het verschijnen van het boven besproken artikel drukte dezelfde krant het artikel af van partijleider Gottwald. Daarin werd een oproep gedaan aan de Tsjechische arbeiders van de verschillende stromingen om een strijdovereenkomst aan te gaan. Het fascistische gevaar bedreigt geheel Midden-Europa; het aanstormen van de reactie zou alleen afgeslagen kunnen worden door de eensgezindheid van de arbeidersklasse; men mocht geen tijd verzuimen, het was reeds “vijf minuten voor twaalf”. De oproep is zeer hartstochtelijk geschreven. Volkomen overbodig verzekert Gottwald, net als Seydewitz en Thälmann, dat hij niet de belangen van de partij najaagt doch de belangen van de klasse. Een dergelijk tegenover elkaar stellen past absoluut niet in de mond van een marxist. Gottwald brandmerkt de sabotage van de sociaaldemocratische leiders. Onnodig te zeggen dat hier de waarheid geheel aan zijn kant is. Helaas zegt de auteur niets over de politiek van het Centrale Comité van de Duitse Communistische Partij. Klaarblijkelijk besluit hij deze politiek niet te verdedigen, maar waagt hij het evenmin of ze te bekritiseren. Gottwald zelf behandelt de kernvraag intussen niet beslist, maar wel redelijk juist. Nadat hij de arbeiders van de verschillende stromingen opgeroepen heeft zich in de bedrijven met elkaar te verstaan, schrijft Gottwald:

“Velen van u zullen misschien zeggen: verenig jullie daar ‘boven’, wij ‘beneden’ zullen het wel makkelijk eens worden.”

“Wij geloven”, gaat de schrijver verder, “dat het belangrijkste is dat de arbeiders ‘beneden’ zich met elkaar verstaan. En wat de leiders betreft: wij hebben reeds gezegd dat wij ons zelfs met de duivel verbinden als het slechts tegen de heersers en in het belang van de arbeiders zal zijn. En wij zeggen jullie openlijk: als jullie leiders ook slechts een ogenblik hun verbond met de burgerij opgeven, ook maar in één vraag werkelijk tegen de heersers zullen optrekken — zullen wij het begroeten en hen in deze zaak ondersteunen.”

Hier is bijna al het noodzakelijke gezegd en bijna zoals het gezegd moet worden. Gottwald is zelfs de vermelding van de duivel niet vergeten, wiens naam de redactie van dezelfde krant vijf maanden geleden in vrome verontwaardiging bracht. Weliswaar heeft Gottwald de schoonmoeder van de duivel buiten beschouwing gelaten. God zij met haar, ter wille van het eenheidsfront zijn wij bereid haar te offeren.

Gottwalds politieke overwegingen zijn, naar wij hopen, niet alleen voor Tsjecho-Slowakije, maar ook voor Duitsland van toepassing. Zo zou het ook daar gezegd moeten worden. Aan de andere kant kan zou de partijleiding noch in Berlijn noch in Praag zich mogen beperken tot de simpele verklaring van haar bereidheid tot het eenheidsfront met de sociaaldemocratie, zij zou deze bereidheid energiek, ondernemend, bolsjewistisch, door zeer praktische voorstellen en acties moeten bewijzen. Juist dat eisen wij. Gottwalds artikel vond, dank zij de omstandigheid dat er een realistische en niet een ultimatistische noot uit klinkt, direct weerklank bij sociaaldemocratische arbeiders. Op 31 juli verscheen in dezelfde partijkrant onder meer een brief van een werkloze boekdrukker die onlangs uit Duitsland teruggekeerd was. De brief laat een arbeidersdemocraat kennen die zonder twijfel met vooroordelen van het reformisme behept is. Des te belangrijker is het er op te letten hoe de politiek van de Duitse communistische partij zich in zijn bewustzijn weerspiegelt.

“Toen in de herfst van het vorige jaar kameraad Breitscheid”, zo schrijft de drukker, “tot de communistische partij de eis richtte gemeenschappelijke acties met de sociaaldemocratie te beginnen, riep hij daarmee bij de ‘Rote Fahne’ een ware storm van verontwaardiging op. Toen zeiden de sociaaldemocratische arbeiders tot elkaar: ‘Nu weten wij hoe ernstig de bedoelingen van de communisten met betrekking tot het eenheidsfront zijn.’”

Hier horen we de werkelijke stem van een arbeider! Een dergelijke stem draagt tot de oplossing van de kwestie meer bij dan tientallen artikelen van pennenlikkers zonder principes. Breitscheid had inderdaad geen enkel eenheidsfront voorgesteld. Hij joeg de burgerij slechts schrik aan met de mogelijkheid van gemeenschappelijke acties met de communisten… Indien het Centrale Comité van de Communistische Partij de kwestie direct op de juiste wijze gesteld had, dan zou de sociaaldemocratische partijleiding in een moeilijke positie gedrongen zijn. Maar het Centrale Comité van de Communistische Partij haastte zich zoals altijd om zichzelf in een moeilijke positie te brengen. In de brochure ‘Wat Nu?’ schreef ik over Breitscheids optreden:

“Is het niet duidelijk dat men Breitscheids dubbelzinnig en diplomatisch voorstel onverwijld met beide handen had moeten aangrijpen om van zijn kant een concreet, goed doorgewerkt programma van de gemeenschappelijke strijd tegen het fascisme op te stellen en een gemeenschappelijke vergadering van beide partijleidingen onder deelneming van de leiding van de moderne vakverenigingen te eisen? Tegelijkertijd had men dit programma energiek naar onderen moeten uitdragen in alle lagen van beide partijen en in de massa’s.”

Door zijn negatieve reactie op de proefballon van de reformistische leider veranderde het Centrale Comité van de KPD in het bewustzijn van de arbeiders het dubbelzinnige voorstel van Breitscheid in een direct aanbod van het eenheidsfront en blies de sociaaldemocratische arbeiders de gevolgtrekking in:

“Wij willen gemeenschappelijke acties maar de communisten saboteren.”

Kan men zich een meer verkeerde en dommere politiek voorstellen? Kon men Breitscheids manoeuvre beter ondersteunen? De brief van de Praagse drukker bewijst met merkwaardige duidelijkheid dat Breitscheid met behulp van Thälmann zijn doel volkomen bereikt heeft.

De Tsjecho-Slowaakse partijkrant probeerde er tegenstelling en verwarring in te ontwaren, dat wij in het ene geval een overeenkomst afwijzen en in het andere geval haar echter erkennen en voor noodzakelijk houden iedere keer opnieuw omvang, leuzen en methoden van de overeenkomst al naargelang de concrete omstandigheden te bepalen. De krant begrijpt niet dat men in de politiek, evenals op alle andere ernstige gebieden, goed weten moet: wat, wanneer, waar en hoe. Ook kan het geen kwaad te begrijpen: waarom.

In onze “programmakritiek” hebben wij vier jaren geleden enige elementaire regelen van eenheidsfrontpolitiek opgesteld. Het is niet nutteloos ze hier nog eens in herinnering te brengen:

“De mogelijkheid van het verraad steekt steeds in het reformisme. Dat betekent natuurlijk niet dat het reformisme en het verraad op ieder ogenblik precies hetzelfde zijn. Men kan met de reformisten tijdelijk een overeenkomst sluiten, als deze een pas voorwaarts doen. Met hen echter een blok vormen als zij verschrikt over de ontwikkeling van de beweging verraad plegen, betekent een misdadige toegevendheid tegenover de verraders en het verraad met een sluier bedekken.”

“De belangrijkste definitieve en onveranderlijke regel van iedere manoeuvre luidt: Gij zult nimmer de eigen partijorganisatie met een vreemde vermengen, verenigen of verbinden, hoe ‘vriendschappelijk’ deze nu ook mag zijn. Onderneem nooit stappen die direct of indirect leiden tot het ondergeschikt maken van de partij aan andere partijen of aan organisaties van andere klassen, waarbij de vrijheid van de eigen agitatie wordt beperkt of waardoor, zelfs indien het slechts gedeeltelijk is, de verantwoordelijkheid voor de politieke lijn van een andere partij wordt gedeeld. Vermeng geen vlaggen, laat staan dat je knielt voor een vreemde vlag.”

Na de ervaring met het Barbusse-congres zouden wij er nog een regel aan toevoegen: “Overeenkomsten mag men slechts openlijk voor de ogen van de massa’s treffen, van partij tot partij, van organisatie tot organisatie. Bedien u nooit van dubbelzinnige makelaars. Geef diplomatieke zaken met burgerlijke pacifisten niet uit voor een arbeiderseenheidsfront.”

De klassenstrijd in het licht van de conjunctuur

Als wij uitdrukkelijk geëist hebben onderscheid te maken tussen bonapartisme en fascisme, dan is dat in geen geval uit theoretische verwaandheid. Termen dienen om begrippen af te grenzen, begrippen om in de politiek de reële krachten te onderscheiden. De vernietiging van het fascisme zou voor het bonapartisme geen ruimte over laten en hopelijk direct leiden tot de socialistische revolutie. Doch de arbeidersklasse is onvoldoende uitgerust voor de revolutie. De wederzijdse betrekkingen tussen sociaaldemocratie en bonapartistische regering aan de ene kant,  tussen bonapartisme en fascisme aan de andere kant bepalen — zonder over de principiële vragen te beslissen — op welke wijze en in welk tempo de strijd tussen de arbeidersklasse en de fascistische contrarevolutie voorbereid zal worden. De tegenstellingen tussen Schleicher, Hitler en Weis bemoeilijken in de gegeven omstandigheden de overwinning van het fascisme en openen voor de communistische partij een nieuw en waardevol krediet: een krediet van tijd.

“Het fascisme zal in alle kalmte aan de macht geraken,” hoorden wij meer dan eens van de stalinistische theoretici. Deze formule moest zeggen dat de fascisten legaal, vreedzaam, door coalitie de macht zouden veroveren, en dus geen staatsgreep nodig hadden. De gebeurtenissen hebben deze prognose reeds te niet gedaan. De von Papenregering is door een staatsgreep aan de macht gekomen en versterkte zich met een staatsgreep in Pruisen. Neemt men aan dat de coalitie tussen nazi’s en centrum de bonapartistische von Papenregering met “grondwettige” methoden ten val zal brengen, dan beslist dit op zichzelf nog niets. Tussen het “vreedzame” inlijven van Hitler in de macht en de oprichting van het fascistische regime ligt nog een lange weg. De coalitie zou een verlichting van de staatsgreep betekenen, hem echter niet vervangen. Na het definitief uit de weg ruimen van de grondwet van Weimar zou de belangrijkste taak blijven bestaan: het uit de weg ruimen van de organen van de arbeidersdemocratie. Wat betekent uit dit gezichtspunt “in alle kalmte”? Niets anders dan het uitblijven van de tegenstand van de arbeiders. De bonapartistische staatsgreep van von Papen heeft feitelijk geen vergelding gevonden. Zal ook niet Hitlers fascistische omwenteling zonder vergelding blijven? Juist om deze vraag draait, bewust of onbewust, het raden naar de door Hitler te volgen weg.

Indien de KPD een overweldigende kracht zou ontplooien en de arbeidersklasse onmiddellijk op de macht zou toegaan, zouden alle tegenstellingen in het kamp van de bezitters tijdelijk uitgewist zijn: fascisten, bonapartisten en democraten zouden op één front tegen de arbeidersrevolutie staan. Zo is het echter niet. De zwakte van de communistische partij en de verbrokkeling van de arbeidersklasse stellen de bezittende klassen en de haar dienende partijen in staat haar tegenstellingen naar buiten te dragen. Enkel door zich op deze tegenstellingen te baseren, kan de KPD sterker worden.

Zal het fascisme in het industriële Duitsland misschien in het geheel niet besluiten zijn aanspraken op de volle macht te laten gelden? Zonder twijfel is de Duitse arbeidersklasse onvergelijkelijk talrijker en potentieel sterker dan de Italiaanse. Ofschoon het fascisme in Duitsland een talrijker en beter georganiseerd leger vormt als destijds in Italië, moet de taak van de liquidatie van het “marxisme” de Duitse fascisten nochtans moeilijk en riskant schijnen. Bovendien is het niet uitgesloten dat Hitlers politiek culminatiepunt reeds gepasseerd is. De al te lange periode van het afwachten en de nieuwe barrière op de weg in de vorm van het bonapartisme verzwakken het fascisme zonder twijfel, versterken zijn innerlijke spanningen en kunnen zijn druk beduidend verminderen. Hier betreden wij echter het terrein van tendensen die nu nog op geen enkele wijze te berekenen zijn. Alleen de levendige strijd kan deze vragen beantwoorden. Op voorhand aannemen dat het nazisme halverwege zal blijven staan, zou zeer lichtvaardig zijn.

De theorie van de kalme wijze is consequent doorgevoerd niets beter dan de theorie van het “sociaalfascisme”; juister gezegd, zij is slechts haar keerzijde. De tegenstellingen tussen de bestanddelen van het vijandelijke kamp worden in beide gevallen volkomen verwaarloosd, de op elkaar volgende etappes van het proces weggewist. De communistische partij is geheel en al terzijde gelaten. Niet voor niets was de theoreticus van de kalme wijze – Hirsch — tevens theoreticus van het “sociaalfascisme”.

De politieke crisis van het land ontwikkelt zich op de grondslag van de economische crisis. Maar de economie blijft niet onbeweeglijk. Waren wij gisteren verplicht te zeggen dat de conjunctuurcrisis slechts de fundamentele, organische crisis van het kapitalistische systeem verscherpt, nu moeten wij eraan herinneren dat de algemene neergang van het kapitalisme schommelingen in de conjunctuur niet uitsluit. De tegenwoordige crisis zal niet eeuwig duren. De vraag naar Duitse waren komt vooral van de agrarische landen, vooral vanuit Zuid-Europa. Die landen hangen op hun beurt af van de vraag van industriële landen naar grondstoffen en levensmiddelen. Duitsland zal dus gedwongen zijn af te wachten: de levensstroom zal eerst door zijn kapitalistische concurrenten en agrarische tegenstanders moeten vloeien voordat hij op Duitslands eigen prestaties overgaat. Maar de Duitse burgerij kan niet wachten. Nog minder kan de bonapartistische kliek wachten. Terwijl zij belooft de stabiliteit van de muntstandaard niet aan te tasten, leidt de von Papenregering een diepgaande inflatie in. Tegelijk met redevoeringen over de wedergeboorte van het economische liberalisme neemt zij de administratieve beschikking over de economische cyclus op zich; in naam van de vrijheid van het particulier initiatief, onderwerpt zij de belastingbetalers onmiddellijk aan de particuliere ondernemers.

De as waarom het regeringsprogramma draait, is de hoop op een op til zijnde wending in de conjunctuur. Wordt deze niet tijdig verwezenlijkt, dan zullen de twee miljard als twee druppels water op een gloeiende plaat verdampen. Het plan van von Papen heeft in veel grotere mate een speculatief karakter dan het huidige haussespel op de beurs te New York. De gevolgen bij de ineenstorting van het bonapartistische spel zullen in ieder geval veel catastrofaler zijn.

Het eerste en gevoeligste resultaat van het van elkaar splijten van de plannen van de regering en de feitelijke marktbeweging zal bestaan in het dalen van de mark. De door de inflatie vermeerderde sociale euvelen zullen een ondragelijk karakter aannemen. Het bankroet van het economische programma van von Papen zal vervanging door een ander en beter programma vereisen. Door welk? Blijkbaar door het programma van het fascisme. Is het eenmaal mislukt de conjunctuur door de bonapartistische therapie voorwaarts te drijven, dan moet men het met de fascistische chirurgie proberen. De sociaaldemocratie zal zich intussen “links” gedragen en uiteenvallen. De communistische partij zal, als zij het zelf niet verhindert, groeien. Kortom het zal een revolutionaire situatie betekenen. De vraag van de overwinningskansen mondt onder deze voorwaarden voor driekwart in de communistische strategie uit. De revolutionaire partij moet echter ook voor een ander perspectief uitgerust zijn, namelijk dat van een sneller intreden van de conjunctuurwending. Nemen wij aan dat het de von Schleicher-von Papenregering zal gelukken zich tot het begin van de opleving van handel en industrie staande te houden. Zou zij daarmee gered zijn? Neen, het begin van een stijgende conjunctuur zou het definitieve einde van het bonapartisme en misschien nog van iets meer betekenen.

De krachten van de Duitse arbeidersklasse zijn niet uitgeput, maar ondermijnd: door offers, nederlagen, ontgoochelingen, begonnen in 1914; door de systematische trouwbreuk van de sociaaldemocratie; door het zichzelf in diskrediet brengen van de communistische partij. Zes, zeven miljoen werklozen hangen als een zware last aan de voeten van de arbeidersklasse. De noodverordeningen van Brüning en von Papen hebben geen tegenstand ondervonden. De staatsgreep van 20 juli is zonder vergelding gebleven.

Men kan met volle zekerheid voorspellen dat de ommekeer in de conjunctuur een machtige verhoging van de nu afnemende activiteit van de arbeidersklasse zou betekenen. Op het ogenblik dat het bedrijf ophoudt met arbeiders te ontslaan en nieuwe aanneemt, ontwaakt het zelfvertrouwen van de arbeiders: zij zijn weer nodig. De ingedrukte veer begint zich weer te ontspannen. De arbeiders gaan steeds gemakkelijker in strijd voor de verovering van verloren posities dan voor de verovering van nieuwe. En de Duitse arbeiders hebben te veel verloren. Noch door noodverordeningen, noch door het gebruiken van de rijksweer zal men massastakingen kunnen liquideren, die gedurende de opgang ontstaan. Het bonapartistische regime, dat zich slechts door ‘godsvrede’ staande kan houden, zal als eerste offer van de conjunctuurverandering vallen.

Er is nu al een groeiende stakingsbeweging waar te nemen in verschillende landen (België, Engeland, Polen, ten dele de Verenigde Staten, maar niet in Duitsland). De waarde te bepalen van de uitbrekende massastakingen in het licht van de economische conjunctuur is niet gemakkelijk. De statistiek stelt conjunctuurschommelingen met onvermijdelijke vertraging vast. De opleving moet feit worden vooraleer men haar kan registreren. De arbeiders bemerken een ommekeer van de conjunctuur doorgaans eerder op dan de statistici. Nieuwe orders of zelfs verwachting van nieuwe orders, het instellen van de ondernemingen op vergroting van de productie of tenminste een onderbreking in de ontslagen, doen onmiddellijk de weerstandskracht en de aanspraken van de arbeiders stijgen. De verdedigingsstaking van de textielarbeiders in Lancashire is onloochenbaar door een zekere wending in de textielindustrie in het leven geroepen. Wat de Belgische staking betreft, deze speelt zich klaarblijkelijk op de grondslag van de zich nog steeds verdiepende crisis in de kolenmijnen af. Aan het rijk aan wendingen zijnde karakter van de huidige periode van de wereldconjunctuur beantwoordt de ongelijkheid van de economische oorzaken van de laatste stakingen. In het algemeen wijst het groeien van massabewegingen eerder op een merkbaar wordende conjunctuurverandering. In ieder geval zal de werkelijke opleving van de conjunctuur reeds bij haar eerste schreden een grote ontplooiing van de massastrijd te voorschijn roepen.

De heersende klassen van alle landen verwachten wonderen van de industriële opbloei: daarvan getuigt de reeds begonnen beursspeculatie. Indien het kapitalisme werkelijk de fase van een nieuwe bloei of ook maar van een langzame doch langdurige opkomst zou ingaan, moest dit natuurlijk stabiliteit van het kapitalisme en gelijktijdige versterking van het reformisme ten gevolge hebben. Er is echter niet de minste aanleiding tot de hoop of de vrees dat de op zichzelf onvermijdelijke opleving van de conjunctuur de algemene tendensen van het verval van de wereldeconomie en in het bijzonder de Europese economie zal kunnen overwinnen. Ontwikkelde het vooroorlogse kapitalisme zich op de grondslag van vergrote warenproductie, het tegenwoordige kapitalisme betekent met al zijn conjunctuurschommelingen een vergrote productie van ellende en van catastrofen. De nieuwe conjunctuurcyclus zal de onvermijdelijke hergroepering van krachten binnen de afzonderlijke landen zowel als binnen de kapitalistische kampen in het geheel voltrekken, voornamelijk van Europa naar Amerika toe. Maar deze opleving zal de kapitalistische wereld al snel voor onoplosbare tegenstellingen plaatsen en haar tot nieuwe, nog verschrikkelijker stuiptrekkingen veroordelen.

Zonder een vergissing te riskeren, kan men de volgende voorspelling doen: de economische opleving zal voldoende zijn om het zelfvertrouwen van de arbeiders te bevestigen en een nieuwe stuwkracht aan hun strijd te verlenen, zij zal echter in geen geval toereikend zijn om het kapitalisme, in het bijzonder het Europese, de mogelijkheid van een wedergeboorte te bieden.

De praktische veroveringen die de nieuwe conjunctuurvlucht van het vervallende kapitalisme voor de arbeidersbeweging zal openen, zullen gedwongen een uiterst beperkt karakter dragen. Zal het Duitse kapitalisme op de top van de nieuwe economische opleving die voorwaarden voor de arbeiders weer tot stand kunnen brengen die vóór de tegenwoordige crisis bestonden? Alles dwingt er toe deze vraag van tevoren ontkennend te beantwoorden. Des te sneller zal de ontwaakte massabeweging de politieke weg moeten inslaan.

De eerste etappe van de industriële opleving zal reeds uiterst gevaarlijk zijn voor de sociaaldemocratie. De arbeiders zullen zich in de strijd storten, om terug te winnen wat zij verloren hebben. De sociaaldemocratische leiders zullen opnieuw hoop krijgen op het herstel van de ‘normale’ orde. Hun voornaamste zorg zal het herstel van hun coalitietalent zijn. Leiders en massa’s zullen naar tegenovergestelde kanten trekken. Om de nieuwe crisis van het reformisme ten volle te exploiteren, behoeven de communisten een juiste oriëntering in de veranderingen van de conjunctuur en een tijdige uitwerking van een praktisch actieprogramma dat voor alles van de in de crisisjaren geleden verliezen van de arbeiders uitgaat. De overgang van de economische strijd naar de politieke zal een bijzonder geschikt ogenblik zijn voor de vestiging van kracht en invloed van de revolutionaire arbeiderspartij.

Toch is succes op deze, zowel als op andere wijzen slechts onder één voorwaarde te behalen: bij juiste toepassing van de eenheidsfrontpolitiek. Voor de KPD betekent dit vooral: ophouden met tussen twee stoelen te zitten op het gebied van de vakbeweging; vaste koers naar de moderne vakverenigingen; betrekking van het tegenwoordige kader van de RVO in het vakverenigingswerk; het inluiden van een systematische strijd door middel van de vakverenigingen om de invloed op de bedrijfsraden; voorbereiding van een brede campagne onder de slogan van de arbeiderscontrole over de productie.

De weg naar het socialisme

Kautsky, Hilferding e.a. verklaarden de laatste jaren meer dan eens dat zij nooit deel gehad hadden aan de theorie van de kapitalistische ineenstorting die de revisionisten eens aan de marxisten toeschreven en die de aanhangers van Kautsky vandaag dikwijls aan de communisten toedichten.

De aanhangers van Bernstein schilderden twee perspectieven: een onwezenlijk, zogenaamd orthodox “marxistisch”, waarbij het kapitalisme op mechanisme wijze zou ineenstorten als gevolg van de innerlijke tegenstellingen; en een tweede, zogenaamd ‘realistisch’ perspectief van geleidelijk evolutie naar het socialisme.  Hoe tegenstrijdig deze beide schema’s op het eerste gezicht ook zijn, toch hebben zij een gemeenschappelijke trek: het ontbreken van de revolutionaire factor. Terwijl zij de hun toegedichte karikatuur van de automatische ineenstorting van het kapitalisme ontkenden, bewezen de marxisten dat de arbeidersklasse onder de invloed van de zich verscherpende klassenstrijd de revolutie veel vroeger zal voltrekken dan de objectieve tegenstellingen van het kapitalisme tot zijn automatische ineenstorting kunnen leiden.

Deze meningenstrijd speelde zich nog aan het eind van de vorige eeuw af. Men moet evenwel erkennen dat de kapitalistische werkelijkheid sedert de oorlog in zeker opzicht veel meer de Bernsteinse karikatuur van het marxisme genaderd is, dan wie ook vermoeden kon, vooral de revisionisten zelf. Zij hadden het spook van de ineenstorting alleen geschilderd om de onwezenlijkheid ervan te demonstreren. Intussen blijkt het kapitalisme inderdaad des te dichter bij de automatische ineenstorting te komen naarmate het revolutionaire ingrijpen van de arbeidersklasse in het lot van de maatschappij vertraagd wordt. De theorie van het algehele verval vormde het voornaamste bestanddeel van de theorie van ineenstorting. De marxisten beweerden met een zekere voorzichtigheid dat de verscherping van de sociale tegenstellingen niet onvoorwaardelijk hetzelfde zou zijn als een absolute daling van het levenspeil van de massa’s. In werkelijkheid ontwikkelt zich juist dit laatste proces. Waarin zou de ineenstorting van het kapitalisme scherper tot uiting kunnen komen dan in chronische werkloosheid en afbraak van sociale verzekering, d.w.z. in de weigering van de maatschappijorde om de eigen slaven te voeden?

De opportunistische remmen in de arbeidersklasse hebben zich machtig genoeg getoond om de elementaire krachten van het afgeleefde kapitalisme nog tientallen jaren te geven. Als resultaat trad niet de idylle van de vredelievende overgang van het kapitalisme naar het socialisme in, maar wel een toestand die zeer dicht bij het sociale verval kwam.

De verantwoordelijkheid voor de huidige toestand probeerden de reformisten lange tijd op de oorlog te schuiven. In de eerste plaats heeft de oorlog de vernietigingstendensen van het kapitalisme niet getroffen, doch haar slechts naar buiten gedragen en bespoedigd. In de tweede plaats zou de oorlog zijn vernietigingswerk niet verricht kunnen hebben zonder politieke ondersteuning door het reformisme. In de derde plaats bereiden de hopeloze tegenstellingen van het kapitalisme van verschillende kanten nieuwe oorlogen voor. De historische verantwoordelijkheid zal het reformisme niet van zich kunnen afschuiven. Terwijl zij de revolutionaire energie van de arbeidersklasse verlamt en remt, verleent de internationale sociaaldemocratie aan het proces van de kapitalistische ineenstorting de blindste, ongebreideldste, catastrofaalste en bloedigste vormen.

Natuurlijk kan van een verwezenlijking van de revisionistische karikatuur van het marxisme slechts in beperkte zin, met betrekking tot een bepaalde historische periode gesproken worden. De uitweg uit het ineenstortende kapitalisme zal evenwel, zij het met grote vertraging, niet op de wijze van de automatische ineenstorting tot stand komen doch op revolutionaire wijze.

De huidige crisis heeft met een laatste bezemveeg de resten van de reformistische utopieën weggevaagd. De opportunistische praktijk bezit tegenwoordig geen enkele theoretische dekking. Aan Wels, Hilferding, Grzesinski, Noske is het tenslotte volkomen onverschillig welk onmetelijk aantal catastrofen nog op de schedels van de volksmassa’s zal neerkletteren, als hun eigen belangen maar gespaard blijven. Maar de kwestie is juist deze dat de crisis van het burgerlijke regime ook de reformistische leiders treft.

“Staat, grijp toe!” riep kort geleden nog de sociaaldemocratie, terwijl zij voor het fascisme terugweek. En de staat greep toe: Otto Braun en Severing vlogen de straat op. Nu, schreef de sociaaldemocratische ‘Vorwärts’, moet iedereen de voordelen van de democratie boven het dictatuurregime erkennen. Ja, de democratie had aanzienlijke voordelen, overwoog Grzesinski, terwijl hij de gevangenis van binnen leerde kennen.

Uit deze ervaring vloeide de conclusie voort:

“Het is tijd tot de socialisering te komen!”

Tarnow, gisteren nog dokter van het kapitalisme, besloot plotseling zijn doodgraver te worden. Nu het kapitalisme de reformistische ministers, politie- en opperpresidenten in werklozen veranderde, was het volkomen uitgeput. Wels schrijft een programma-artikel:  ‘Het uur van het socialisme heeft geslagen’! Er mankeert nog aan dat Schleicher de afgevaardigden hun salaris ontneemt en de voormalige ministers hun pensioenen — en Hilferding zal een studie over de historische rol van de algemene staking schrijven.

De “linkse” wending van de sociaaldemocratische leiders verbluft door haar domheid en valsheid. Dit betekent echter volstrekt niet dat het manoeuvre van te voren tot een fiasco veroordeeld is. Deze met misdaden beladen partij staat nog steeds aan het hoofd van miljoenen arbeiders. Vanzelf zal zij niet ten val komen. Men moet haar ten val kunnen brengen.

De KPD zal verklaren dat de Wels-Tarnow-koers naar het socialisme een nieuwe vorm van massabedrog is en dat zal juist zijn. Zij zal de geschiedenis van de sociaaldemocratische “socialiseringen” van de laatste veertien jaren vertellen. Dat zal nuttig zijn. Maar het is onvoldoende: de geschiedenis, ook de jongste, kan niet de actieve politiek vervangen.

De vraag van de revolutionaire of reformistische weg naar het socialisme probeert Tarnow op de simpele vraag van het “tempo” van de omwentelingen af te wentelen. Dieper kan men als theoreticus niet zinken. Het tempo van de socialistische omwentelingen hangt in werkelijkheid af van de stand van de productiekrachten van het land, zijn cultuur, van de omvang van de hem opgedrongen onkosten voor de verdediging, enz. Maar socialistische omwentelingen, de snelle zowel als de langzame, zijn slechts dan mogelijk als aan de top van de maatschappij een in het socialisme geïnteresseerde klasse staat en aan de leiding van deze klasse een partij die niet in staat is de uitgebuitenen te bedriegen en die steeds bereid is de tegenstand van de uitbuiters te onderdrukken. Men moet aan de arbeiders verklaren dat daarin juist het regime van de heerschappij van de arbeidersklasse bestaat.

Maar ook dat is niet voldoende. Als het om de dringende uitdagingen van de wereldwijde arbeidersklasse gaat, mag met niet zoals de Comintern het bestaan van de Sovjetunie vergeten. Met betrekking tot Duitsland is de taak nu niet om voor de allereerste keer aan een socialistische opbouw te beginnen, maar om Duitslands productiekrachten, zijn cultuur, zijn technisch en organisatorisch genie met de reeds aan de gang zijnde socialistische opbouw in de Sovjetunie te verbinden.

De KPD beperkt zich enkel tot de verheerlijking van de Sovjetunie, waarbij zij grof en gevaarlijk overdrijft. Zij is echter volkomen onbekwaam de socialistische opbouw in de Sovjetunie, zijn geweldige ervaringen en waardevolle veroveringen met de problemen van de arbeidersrevolutie in Duitsland te verbinden. De stalinistische bureaucratie is van haar kant het allerminst in staat de KPD in deze hoogst belangrijke kwestie bij te staan; haar perspectieven zijn tot één enkel land beperkt.

Tegenover de staatskapitalistische projecten van de sociaaldemocratie, die zonder samenhang en laf zijn, moet men een algemeen plan van de gemeenschappelijke socialistische opbouw van de Sovjetunie en van Duitsland stellen. Niemand eist dat men direct een gedetailleerd plan uitwerkt. Een eerste ruw ontwerp is voldoende. Grondslagen zijn noodzakelijk. Dit plan moet zo snel mogelijk een onderwerp van discussie in alle organisaties van de Duitse arbeidersklasse worden, vooral in de vakbonden. Men moet daarbij de vooruitstrevende krachten onder de Duitse technici, statistici en volkseconomen betrekken. De in Duitsland zo breed verspreide uiteenzettingen over planmatige economie — uiteenzettingen die de hopeloosheid van het kapitalisme weerspiegelen — blijven vandaag zuiver academisch, bureaucratisch levenloos en betweterig. Enkel de communistische voorhoede kan de behandeling van de kwestie uit de tovercirkel voeren. De socialistische opbouw is reeds bezig — voor deze arbeid moet men een brug over de staatsgrenzen slaan. Hier volgt het eerste plan: bestudeer het, verbeter het, preciseer het! Arbeiders, kies bijzondere commissies voor dit plan, stel haar op door met de vakbonden en de economische organen van de sovjets in verbinding te treden! Richt op de grondslag van de Duitse vakverenigingen, bedrijfsraden en andere arbeidersorganisaties een centrale commissie op, die met het Gosplan (12) van de Sovjetunie in verbinding moet treden. Betrek in deze arbeid Duitse ingenieurs, organisatoren, volkseconomen!

Dit is de enige juiste manier om de kwestie van de planmatige economie vandaag te behandelen, in 1932 na het vijftienjarig bestaan van de Sovjets en na veertien jaar stuiptrekken van de Duitse kapitalistische republiek.

Niets is gemakkelijker dan de sociaaldemocratische bureaucratie bespottelijk te maken, te beginnen bij Weis die een hooglied op het socialisme aangeheven heeft. Maar men mag niet vergeten dat de reformistische arbeiders ernstig staan tegenover de kwestie van het socialisme. Men moet tegenover de reformistische arbeiders ernstig kunnen staan. Hier verheft zich weer in zijn gehele omvang het probleem van het eenheidsfront. Als de sociaaldemocratie zich tot taak stelt (in woorden: wij weten dat!) niet het kapitalisme te redden maar het socialisme op te bouwen, dan moet zij een overeenkomst zoeken, niet met het centrum maar met de communisten. Zal de communistische partij een dergelijke overeenkomst afwijzen? In geen geval. Zij zal integendeel zelf een overeenkomst voorstellen, haar voor de massa’s eisen ter inlossing van de zo pas afgegeven socialistische wissel.

De aanval van de communistische partij op de sociaaldemocratie moet nu op drie lijnen geschieden. De taak om het fascisme te verslaan, behoudt haar gehele scherpte. De beslissende slag van de arbeidersklasse met het fascisme zal tegelijkertijd de botsing met het bonapartistische staatsapparaat betekenen. Dat maakt de algemene staking tot een onontbeerlijk strijdwapen. Men moet haar voorbereiden. Men moet een bijzonder algemeen stakingsplan uitwerken, d.w.z. een plan van de mobilisering van de krachten voor zijn doorvoering. Uitgaand van dit plan een massacampagne ontplooien. Op grond van deze campagne aan de sociaaldemocratie een overeenkomst voor doorvoering van de algemene staking in bepaalde politieke verhoudingen voorstellen. Op iedere nieuwe etappe herhaald en meer concreet gemaakt, zal dit voorstel in zijn ontwikkeling voeren tot de stichting van sovjets als hoogste organen van het eenheidsfront.

Dat het tot wet verheven economisch plan-von Papen aan de Duitse arbeidersklasse nog nooit voorgekomen ellende brengt, erkennen in woorden ook de leiders van de sociaaldemocratie en van de vakverenigingen. In de pers schrijven zij met een energie die men van hen reeds lang niet meer gehoord heeft. Tussen hun woorden en hun daden ligt een afgrond, wij weten dit wel, maar men moet de kunst verstaan hen aan het woord te houden. Men moet een systeem van gemeenschappelijke strijdmaatregelen tegen het regime van de noodverordeningen en van het bonapartisme uitwerken. Deze strijd die door de gehele situatie aan de arbeidersklasse opgedrongen is, laat zich volgens zijn aard niet in het raam van de democratie voeren. Een toestand waarin Hitler een leger van 400.000 man bezit, von Papen-von Schleicher naast de rijksweer het halfprivate ‘Stahlhelm’ leger van 200.000 man, de burgerlijke democratie het gedeeltelijk getolereerde rijksbanierleger, de communistische partij het verboden ‘roodfront’ — een dergelijke toestand maakt op zich zelf het probleem van de staat tot een probleem van de macht. Een betere revolutionaire school kan men zich niet voorstellen!

De communistische partij moet tot de arbeidersklasse zeggen: door parlementair spel is von Schleicher niet te verslaan. Wil de sociaaldemocratie de bonapartistische regering met andere middelen ten val brengen, dan is de communistische partij bereid de sociaaldemocratie met alle kracht te helpen. De communisten verplichten zich hierbij van te voren tegen een sociaaldemocratische regering geen enkel geweldmiddel te gebruiken voor zover deze steunt op de meerderheid van de arbeidersklasse en voor zover zij de communistische partij de vrijheid van agitatie en organisatie waarborgt. Een dergelijke opstelling zal voor iedere sociaaldemocratische en partijloze arbeider duidelijk zijn.

De derde lijn tenslotte is de strijd om het socialisme. Ook hier moet men het ijzer smeden zolang het heet is en de sociaaldemocratie door een concreet plan van samenwerking met de Sovjetunie tegen de wand duwen. Het noodzakelijke daarover is hiervoor al gezegd.

Natuurlijk zijn deze strijdperiodes, die in het gehele strategische perspectief van verschillende betekenis zijn, van elkaar niet te scheiden maar gaan zij in elkaar over. De politieke crisis van de maatschappij eist de verbinding van afzonderlijke kwesties met de gehele kwestie: daarin ligt juist het wezen van de revolutionaire situatie.

De enige weg

Kan men verwachten dat het Centrale Comité van de Communistische Partij zelfstandig een bocht naar de juiste weg zal nemen? Zijn gehele verleden bewijst dat het daartoe niet in staat is.

Nauwelijks is het begonnen zich te verbeteren of het apparaat zag zich voor het perspectief van het “trotskisme” geplaatst. Als Thälmann het zelf niet direct begrepen heeft, dan heeft men hem in Moskou uitgelegd dat men het “deel” ter wille van het “geheel” moet weten te offeren, d.w.z. de belangen van de Duitse revolutie ter wille van de belangen van het stalinistische apparaat. De schuchtere pogingen om de politiek te herzien, verdwenen snel opnieuw naar de prullenmand. De bureaucratische reactie triomfeert opnieuw over de gehele lijn.

De kwestie ligt natuurlijk niet aan Thälmann. Indien de huidige Comintern haar nationale afdelingen de mogelijkheid zou geven te leven, te denken en zich te ontwikkelen, dan zouden deze in de laatste vijftien jaren reeds lang eigen kaders van leiders uitgezocht hebben. Maar de bureaucratie heeft een systeem van benoeming van leiders en hun ondersteuning door kunstige reclame opgericht. Thälmann is een product van dit systeem en tegelijk zijn offer.

De in hun ontwikkeling verlamde kaders verzwakken de partij. Hun tekortkomingen vullen zij aan met represailles. De zwenkingen en de onzekerheid van de partij gaan onvermijdelijk op de gehele klasse over. Men kan de massa’s niet tot koene acties oproepen als de partij zelf van revolutionaire vastberadenheid beroofd is.

Zelfs als Thälmann morgen een telegram van Manuilski over de noodzakelijkheid van een wending naar de weg van het eenheidsfront ontvangt, zou deze nieuwe zigzag van de top weinig nut hebben. De leiding is te gecompromitteerd. Een juiste politiek eist een gezond regime. De partijdemocratie, tegenwoordig een speeltuig van de bureaucratie, moet als werkelijkheid weer verrijzen. De partij moet een partij worden, dan zullen de massa’s haar geloven. Praktisch betekent dit op de dagorde te stellen: een buitengewone partijdag en een buitengewoon congres van de Comintern.

Aan de partijdag moet vanzelfsprekend een algemene discussie voorafgaan. Alle grenzen van het apparaat moeten opgeheven worden. Iedere partijorganisatie, iedere afdeling, heeft het recht iedere communist, lid van de partij of door haar uitgesloten, naar haar vergaderingen op te roepen en aan te horen, wanneer zij dit noodzakelijk acht voor het uitwerken van haar mening. De pers moet in de dienst  van de discussie gesteld, in ieder partijblad moet dagelijks voldoende ruimte voor kritische artikelen geboden worden. Eigen perscommissies, op massavergaderingen van partijleden gekozen, moeten erover waken dat de kranten de partij dienen en niet de bureaucratie.

De discussie zal zeker niet weinig tijd en kracht eisen. Het apparaat zal zich erop beroepen: in een dergelijke kritieke periode kan de partij zich toch niet de ‘luxe van de discussie’ veroorloven. De bureaucratische redders menen dat de partij in moeilijke omstandigheden te zwijgen heeft. De marxisten daarentegen geloven dat hoe moeilijker de positie, des te belangrijker de zelfstandige rol van de partij is.

De leiding van de bolsjewistische partij genoot in het jaar 1917 zeer groot aanzien. Desondanks waren er in het gehele jaar 1917 diepgaande partijdiscussies. Op de vooravond van de Oktoberomwenteling debatteerde de gehele partij hartstochtelijk over welk van de twee delen van het Centrale Comité gelijk had: de meerderheid die vóór de opstand was of de minderheid die tegen de opstand was. Er waren diepe meningsverschillen, maar er kwamen geen uitsluitingen of represailles. In deze discussies werden de partijloze massa’s betrokken. In Petrograd vaardigde een vergadering van partijloze arbeidersvrouwen een delegatie naar het Centrale Comité af om diens meerderheid te ondersteunen. Zeker, de discussie vergde tijd. Daarvoor echter groeide uit de openbare discussie, zonder bedreigingen, leugens en vervalsingen, de algemene, onwankelbare zekerheid van de juistheid van de politiek, d.w.z. dat wat de overwinning mogelijk maakte.

Welke loop zullen de dingen in Duitsland nemen? Zal het kleine rad van de oppositie erin slagen om tijdig het grote partijrad te keren? Zo ziet de kwestie er momenteel uit. Dikwijls klinken pessimistische stemmen. In de verschillende communistische groeperingen, in de partij zelf, zowel als in haar invloedssfeer zijn er niet weinig elementen die tot zichzelf zeggen: in alle belangrijke vragen neemt de linkse oppositie op de juiste wijze stelling. Doch zij is zwak. Haar kaders zijn gering in aantal en politiek onervaren. Kan dan een dergelijke organisatie met een klein weekblad (‘Permanente Revolutie’) zich met succes tegenover de machtige Cominternmachine plaatsen?

De lessen van de gebeurtenissen zijn sterker dan de stalinistische bureaucratie. Wij willen degenen zijn die deze lessen voor het aangezicht van de communistische massa’s uitleggen. Daarin ligt onze historische rol als fractie. Wij verlangen niet als Seydewitz & co. dat de revolutionaire arbeidersklasse ons zomaar gelooft. Wij wijzen ons een meer bescheiden rol toe: wij bieden de communistische voorhoede onze hulp aan bij de uitwerking van de juiste lijn. Voor deze arbeid verzamelen en leiden wij eigen kaders op. Dit voorbereidingsstadium kan niet overgeslagen worden. Iedere nieuwe strijdetappe zal de meest nadenkende en de meest kritische elementen en lagen in de arbeidersklasse naar onze zijde trekken.

De revolutionaire partij begint met een idee, een programma, dat zich tegen de machtigste apparaten van de klassenmaatschappij richt. De kaders scheppen niet de idee; doch de idee schept de kaders. De vrees voor de macht van het apparaat is een van de meest in het oog springende eigenschappen van dat bijzonder opportunisme dat de stalinistische bureaucratie aanleert. De marxistische kritiek is sterker dan allen en alle apparaten.

Welke organisatorische vormen de verdere ontwikkeling van de linkse oppositie zal aannemen, hangt van vele omstandigheden af: van de kracht van de historische slagen, de graad van de weerstandskracht van de stalinistische bureaucratie, van de activiteit van gewone communisten, van de energie van de oppositie zelf. Maar de principes en methoden die wij voorstaan, zijn door de grootste gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis gecontroleerd, zowel door haar overwinningen als door haar nederlagen. Zij zullen hun weg vinden.

De successen van de oppositie in alle landen, waaronder ook in Duitsland, zijn onbetwistbaar en algemeen bekend. Doch zij ontwikkelen zich langzamer dan velen van ons verwachtten. Men kan dit betreuren, maar men mag er zich niet over verwonderen. Iedere communist die naar de linkse oppositie begint te luisteren, zet de bureaucratie cynisch voor de keuze: óf de hetze tegen het ‘trotskisme’ mee te maken óf uit de rijen van de Comintern te vliegen. Voor de partijbeambten gaat het om baantjes en salarissen: op deze toetsen weet het stalinistische apparaat onberispelijk te spelen. Maar onmetelijk belangrijker zijn de duizenden eenvoudige communisten die zichzelf verscheuren tussen hun gehechtheid aan de ideeën van het communisme en de dreigende uitsluiting uit de rijen van de Comintern. Vandaar dat er in de rijen van de officiële communistische partij zeer veel onvolmaakte, bange of bedekte oppositionelen zijn.

Deze buitengewone samenloop van historische voorwaarden verklaart voldoende de langzame, organisatorische groei van de linkse oppositie. Tegelijkertijd draait, ondanks deze langzaamheid, het geestelijke leven van de Comintern meer dan ooit om de strijd tegen het ‘trotskisme’. De theoretische tijdschriften en theoretische krantenartikelen van de communistische partij in de Sovjetunie, maar ook van de andere nationale afdelingen van de Comintern, zijn hoofdzakelijk gewijd aan de strijd tegen de linkse oppositie, nu eens openlijk dan weer bedekt. Van nog meer frappante betekenis is die razende organisatorische hetze die het apparaat tegen de oppositie voert: vernietiging van haar vergaderingen door knuppelmethoden; aanwending van al het andere fysische geweld; coulissenovereenkomsten met burgerlijke pacifisten, Franse radicalen en vrijmetselaars tegen de ‘trotskisten’; verspreiding van giftige laster uit het stalinistische centrum, enz. enz. De stalinisten bespeuren veel eerder en weten beter dan de oppositionelen in welke mate onze ideeën de pijlers van hun apparaat ondergraven. De methoden van zelfverdediging van de stalinistische fractie snijden echter aan twee kanten. Tot een zeker moment werken zij intimiderend. Maar tegelijk bereiden zij een massareactie tegen het systeem van laster en geweld voor.

Toen in juli 1917 de regering van de mensjewieken en sociaalrevolutionairen de bolsjewieken als agenten van de Duitse generale staf bestempelde, had deze beruchte maatregel aanvankelijk een sterke impact op de soldaten, de boeren en de achtergebleven arbeiderslagen. Toen echter alle verdere gebeurtenissen de bolsjewieken duidelijk gelijk gaven, begonnen de massa’s tot zichzelf te zeggen: men heeft dus de leninisten bewust belasterd, zo gemeen tegen hen hetze bedreven, alleen omdat zij gelijk hadden? En de gevoelens van achterdocht tegen de bolsjewieken veranderden in gevoelens van warme toegenegenheid en liefde voor hen. Ofschoon onder andere voorwaarden, voltrekt dit zeer ingewikkelde proces zich ook nu. Door de afschuwelijke ophoping van laster en represailles is de stalinistische bureaucratie stellig in staat een tijdlang de eenvoudige partijleden te intimideren; gelijktijdig echter bereidt zij voor de bolsjewiek-leninisten een geweldige rehabilitatie voor in de ogen van de revolutionaire massa’s. Tegenwoordig kan daarover niet meer de minste twijfel bestaan. Ja, nu zijn wij nog zeer zwak. De communistische partij heeft nog massa’s, doch geen theorie en geen strategische oriëntatie. De linkse oppositie heeft haar marxistische oriëntatie uitgewerkt maar nog geen massa’s. De overige groepen van het ‘linkse’ kamp bezitten noch het een, noch het ander. De Leninbond, die een ernstige principiële politiek door individuele fantasieën en grillen van Urbahns dacht te vervangen, sukkelt hopeloos voort. De Brandlerianen gaan ondanks hun apparaat stap per stap achteruit; kleine tactische recepten kunnen een revolutionaire strategische positie niet vervangen. De SAP heeft zich kandidaat gesteld voor de revolutionaire leiding van de arbeidersklasse. Een ongegronde pretentie! Zelfs de ernstigste vertegenwoordigers van deze ‘partij’ overschrijden, zoals Fritz Sternbergs laatste boek bewijst, niet de grenzen van het linkse centrisme. Hoe ijveriger zij een ‘zelfstandige’ leer proberen te scheppen, des te meer bewijzen zij leerlingen van Thalheimer te zijn. Deze school is even hopeloos als een lijk.

Een nieuwe historische partij kan niet alleen ontstaan omdat een aantal oude sociaaldemocraten met grote vertraging overtuigd geraken van het contrarevolutionaire karakter van de politiek van Ebert-Wels. Een nieuwe partij kan evenmin geïmproviseerd worden door een groep van ontgoochelde communisten, die nog met niets hun rechten op de arbeidersleiding bewezen hebben. Voor het ontstaan van een nieuwe partij zijn aan de ene kant grote historische gebeurtenissen nodig, die de ruggengraat van de oude partijen zouden breken, en aan de andere kant een door de ervaring van de gebeurtenissen uitgewerkte, principiële houding en een beproefd kader.

Terwijl wij met volle kracht voor de wedergeboorte van de Comintern en de continuïteit van haar verdere ontwikkeling strijden, neigen wij het allerminst naar het enkel aanbidden van de vorm. Het lot van de wereldrevolutie van de arbeidersklasse staat voor ons boven het organisatorische lot van de Comintern. Indien de slechtere variant verwezenlijkt wordt, indien ondanks al onze bemoeiingen de tegenwoordige officiële partijen door de stalinistische bureaucratie ten val gebracht worden; indien dit in zekere zin zal betekenen weer van voren af aan te beginnen, dan zal de nieuwe Internationale haar stamboom van ideeën en haar kaders van de linkse communistische oppositie afleiden.

En daarom zijn de korte kritieken van “pessimisme” en “optimisme” niet van toepassing op ieder werk dat wij volbrengen. Het staat boven de afzonderlijke etappes, de gedeeltelijke nederlagen en de gedeeltelijke overwinningen. Onze politiek is een politiek op lange termijn.

Nawoord

Deze brochure, waarvan de delen op verschillende tijdstippen geschreven werden, was reeds beëindigd toen een Berlijns telegram het bericht van de botsing tussen de overweldigende meerderheid van de Rijksdag en de von Papenregering bracht. De concrete ontwikkeling van de verdere gebeurtenissen zullen wij in de kolommen van ‘Permanente Revolutie’ proberen te volgen. Hier willen wij slechts enige algemene conclusies onderstrepen die aanvechtbaar schenen toen wij met de brochure begonnen en sedertdien dankzij de feiten onaanvechtbaar geworden zijn:

1. Het bonapartistische karakter van de von Schleicher-von Papenregering is door haar geïsoleerde positie in de Rijksdag volkomen blootgelegd. De onmiddellijk achter de presidentsregering staande agrarisch-kapitalistische kringen vormen een onvergelijkelijk lager percentage van de Duitse natie dan het percentage van de voor von Papen in de Rijksdag afgegeven stemmen.

2. De tegenstelling tussen von Papen en Hitler is de tegenstelling tussen de agrarisch-kapitalistische vooraanstaanden en het reactionaire kleinburgerdom. Zoals de liberale burgerij zich ooit van de revolutionaire beweging van het kleinburgerdom bediende terwijl het tegelijk met alle middelen vermeed dat deze beweging de macht veroverde, is het monopoliekapitaal vandaag bereid Hitler als lakei te betalen maar niet als meester te erkennen. Zonder dwingende noodzakelijkheid wil zij de volle macht niet aan het fascisme overhandigen.

3. Het feit dat de verschillende fracties van de groot-, middel- en kleinburgerij openlijk de strijd om de macht voeren zonder een uiterst riskant conflict te vermijden, bewijst dat de burgerij zich niet onmiddellijk bedreigd ziet door de arbeidersklasse. Niet alleen de nazi’s en het centrum, doch ook de vooraanstaanden van de sociaaldemocratie hebben het conflict om de grondwet slechts gewaagd in het vaste vertrouwen dat het niet in een revolutionair zou omslaan.

4. De enige partij, wier stemming tegen von Papen door revolutionaire bedoelingen gedicteerd was, is de communistische partij. Maar tussen revolutionaire bedoelingen en revolutionaire veroveringen ligt nog een lange weg.

5. De logica van de gebeurtenissen is zodanig dat de strijd om het “parlement” en de “democratie” voor ieder sociaaldemocratisch arbeider een machtsvraag wordt. Daarin ligt de voornaamste inhoud van het gehele conflict van het standpunt van de revolutie. De machtsvraag is de vraag van de revolutionaire eenheid van actie van de arbeidersklasse. De eenheidsfrontpolitiek tegenover de sociaaldemocratie moet erop gericht zijn reeds in de nabije toekomst op basis van democratische arbeidersvertegenwoordiging de oprichting van strijdorganen van de klasse, d.w.z. arbeiderssovjets, mogelijk te maken.

6. Ten aanzien van de geschenken aan de kapitalisten en de afschuwelijke aanval op het levenspeil van de arbeidersklasse moet de communistische partij de leuze van arbeiderscontrole over de productie naar voor schuiven.

7. De fracties van de bezittende klassen kunnen alleen onder elkaar vechten omdat de revolutionaire partij zwak is. De revolutionaire partij zou onmetelijk sterker kunnen worden als zij de botsingen tussen de bezittende klassen op de juiste wijze zou uitbuiten. Hiertoe moet men de verschillende groepen weten te onderscheiden naar sociale samenstelling en naar politieke methoden, en niet alles op een hoop werpen. De theorie van het “sociaalfascisme”, die volkomen en definitief bankroet is, moet als ondeugdelijke rommel weg geworpen worden.

 

Voetnoten

  1. Wikipedia hierover: “Om te kunnen regeren had men bedacht om met artikel 48 van de grondwet te werken. Dat artikel gaf de Rijkspresident het recht, om in geval van nood, decreten te tekenen. Vond Brüning voor een belangrijk wetsvoorstel in het parlement geen meerderheid, dan liet hij het door de Rijkspresident als decreet in kracht treden. Toch werkte dit niet zonder hulp van de sociaaldemocraten: de Rijksdag kon namelijk een decreet weer afschaffen. Dat probeerden de extremisten, maar de sociaaldemocraten steunden hun pogingen niet, omdat ze vreesden dat op een val van Brüning een dictatuur zou volgen. Wel was Brüning door zijn politiek van bezuiniging zeer onpopulair.”
  2. Terwijl de stalinistische pers de hierboven geciteerde redevoering voor de partij en de Comintern verborg, ondernam zij een van haar gebruikelijke veldtochten. Manuilski schreef dat ik het gewaagd zou hebben de fascisten gelijk te stellen met de jacobijnen, die toch onze revolutionaire voorvaderen waren. Het laatste is min of meer juist. Helaas hebben deze voorvaderen vele nakomelingen, die niet in staat zijn hun hersens te gebruiken. Een nagalm van de oude strijd treft men in de nieuwste getuigenissen van Münzenberg tegen het trotskisme aan. Doch wij willen dit hier uitschakelen. (voetnoot door Trotski)
  3. De Zwarte Honderd waren monarchistische benden opgeleid door de tsaristische politie, die na 1905 revolutionairen en linkse intellectuelen vermoordden en jodenpogroms organiseerden.
  4. Zie: Eenheidsfront tegen het fascisme
  5. Deze regels werden in het begin van augustus voor de onderhandelingen tussen Hindenburg-von Papen en Hitler geschreven. (voetnoot door Trotski)
  6. Wikipedia schrijft hierover: “De Rijksbanier Zwart-Rood-Goud, Bond van Duitse Oorlogsveteranen en Republikeinen was een Duitse organisatie ten tijde van de Weimarrepubliek ter verdediging van de republiek tegen haar vijanden. Hoewel het lidmaatschap van de Rijksbanier voor alle Duitsers openstond, werd de organisatie gedomineerd door leden van de SPD.”
  7. Henri Barbusse (1873-1935) ontwikkelde in de Eerste Wereldoorlog pacifistische en communistische standpunten. Hij raakte als schrijver bekend met zijn boek ‘Le Feu’. Zijn sympathie en actieve betrokkenheid met het communisme combineert hij met allerhande andere standpunten, zo zag hij Jezus als stichter van het communisme. Hij schreef een biografie van Stalin die een lofbetuiging was. Tijdens een reis in de Sovjetunie overleed hij op 62-jarige leeftijd.
  8. ADGB en AFA: vakbondsfederaties.
  9. De SAP (Socialistische Arbeiderspartij) werd opgezet toen in 1931 een aantal linkse activisten uit de SPD werden gesloten of ontslag namen. Enkele linkse sociaaldemocraten besloten te verenigen met onder meer een deel van de voormalige KPD-militanten van de KPO (Oppositie van de Communistische Partij) rond Brandler. Aanvankelijk zaten zes leiders van de SAP in het parlement. Bij de verkiezingen van juli 1932 haalde de partij amper 72.630 stemmen en gingen alle zes de zetels verloren.  Het grootste probleem was dat de SAP verward was en amper enige impact op de arbeidersbeweging had.
  10. Friedrich Wolfgang Adler (1879 – 1960) was een Oostenrijkse sociaaldemocraat. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij gekant tegen de deelname van de SPÖ aan de oorlog. In 1916 vermoordde hij de Oostenrijkse minister-president en werd hij veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf. Hij kwam in 1918 vrij bij de revolutionaire beweging. Nadien was hij een tijdlang algemeen-secretaris van de Socialistische Internationale. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij naar de VS.
  11. De omstandigheid dat de Brandlerianen (zie hun Stuttgarter “Tribune” van 27 augustus) zich ook in deze kwestie zorgvuldig van ons afzonderden en de maskerade van Stalin, Manuilsky, Losowski, Münzenberg ondersteunden, verraste ons allerminst. Nadat zij in Saksen in 1923 een voorbeeld van hun eenheidsfrontpolitiek toonden, ondersteunden Brandler-Thalheimer hierna de stalinistische politiek tegenover de Kwo Min Tang en het Engels-Russische comité. Waarom zouden zij de gelegenheid laten voorbij gaan om onder de vaan van Barbusse te treden? Anders zou immers hun politiek gezicht niet compleet zijn. (voetnoot door Trotski)
  12. Wikipedia schrijft hierover: “Gosplan of Staatsplanningscommissie was de commissie voor economische planning in de Sovjetunie en het belangrijkste staatsorgaan van de planeconomie van de Sovjetunie. De naam Gosplan staat voor Gosoedarstvenny komitet po planirovaniejoe (“Staatscommissie voor Planning”). Een van haar belangrijkste taken was het opstellen van de vijfjarenplannen. Het staatsorgaan had haar hoofdkantoor in het gebouw waar nu de Federatieraad van Rusland zetelt. Gosplan had als organisatie een slechte naam in het westen vanwege het feit dat ze steeds meer macht verwierf en omdat van bovenaf werd bepaald wat van de organisatie werd verwacht. Dit leidde er onder Stalin bijvoorbeeld toe dat pessimistische leden van het Gosplan konden worden vervangen door anderen die meer positievere prospectussen gaven op economische groei.”

Print Friendly, PDF & Email

Post navigation

Geef een reactie