Tunesië. Verkiezingsoverwinning van Ennahda verandert politieke landschap

Er was een massale mediacampagne op televisie, op de radio, in de kranten, op straat,… om de Tunesische bevolking ervan te overtuigen om deel te nemen aan de verkiezingen van 23 oktober. Het nieuwe parlement moet de grondwet herschrijven en een nieuwe voorlopige regering verkiezen om tenslotte de data voor parlements- en presidentsverkiezingen te bepalen. Achter het ‘succesverhaal’ van de verkiezingen gaat een toenemende woede van onderuit schuil.

Het opvallendste resultaat bij de verkiezingen was de overwinning van de islamitische partij Ennahda. Dit leidt tot een nieuwe complexe situatie tegen de achtergrond van een aanhoudende economische crisis en een enorme zucht naar verandering onder de massa’s.

Na decennia van dictatuur en schijnverkiezingen onder het regime van Ben Ali, waren deze verkiezingen voor veel Tunesiërs een eerste kans om deel te nemen aan ‘echte verkiezingen’ waarbij de vervalste resultaten nog niet op voorhand bekend waren. Dat is een belangrijk element om te verklaren waarom zoveel mensen aan de verkiezingen deelnamen. Velen wilden gebruik maken van het recht dat hen zo lang werd ontzegd. De revolutie heeft ook bredere lagen gepolitiseerd. Velen wilden stemmen omdat ze niet willen dat de heersende elite achter de schermen de touwtjes in handen blijft houden.

Maar zoals Dali, een Tunesische activist, uitlegt: “De opkomst is niet zo hoog als de media ons willen laten geloven. Het idee dat meer dan 90% ging stemmen, is een manipulatie van de cijfers. Dat cijfer is immers enkel gebaseerd op de 4,1 miljoen mensen die zich op voorhand lieten registreren. De werkelijke opkomst lag wellicht eerder rond de 60%.” Ondanks de relatief goede opkomst en de hoog gespannen verwachtingen voor deze eerste zogenaamd ‘democratische’ verkiezingen, is er effectief ook een zeker scepticisme aanwezig en een groot wantrouwen tegenover de politici. Zeker onder de jongeren en armsten is dat het geval.

Naar een regering van Ennahda

De volledige resultaten waren op het ogenblik van schrijven nog niet bekend, maar de islamistische partij Ennahda haalde wel voldoende om in zowat iedere regio de grootste partij te worden. De partij haalde ongeveer 90 van de 217 zetels en was goed voor 40% van de stemmen. Dat kan op het eerste gezicht verrassend lijken. De partij was amper zichtbaar in de massale protesten, ze speelde geen rol in de revolutie. Maar de partij maakt gebruik van de afwezigheid van een breed gedragen links alternatief. De afwezigheid van een linkerzijde met een duidelijk revolutionair programma om de revolutie verder te ontwikkelen en om een basis uit te bouwen onder bredere lagen, speelt een grote rol. Dali: “De retoriek van de linkerzijde is radicaal qua vorm, maar erg beperkt qua programmatorische inhoud. Dit had weinig impact bij de massa’s. Het heeft ervoor gezorgd dat er geen reële basis onder de armen werd opgebouwd, waardoor de islamisten de weg vrij hadden.”

Op basis van het netwerk van liefdadigheidsorganisaties in de armste wijken en steden en met de enorme financiële middelen die uit de Golfstaten komen, was Ennahda in staat om nationaal campagne te voeren en daarbij in te spelen op de frustraties onder de bevolking. Er werd ingespeeld op religieuze gevoelens en Ennahda nam een populistische sociale retoriek aan, zo werd beloofd om “590.000 jobs op vijf jaar tijd” te creëren. Ook beloofde de partij om een einde te maken aan de regionale verschillen. “Ik stemde voor Ennahda omdat de andere partijen willen dat 10% in luxe kan leven, terwijl de rest arm blijft”, stelde een oudere kiezer in een gesprek met een Franstalig dagblad.

De overwinning van Ennahda is ook gebaseerd op de belofte om het politieke leven een dosis morele waarden toe te brengen. De partij verzette zich tegen de “maffiocratie” en de corruptie, ook al zijn er evenzeer gevallen bekend van Ennahda die stemmen opkocht. Ook slaagde Ennahda er in om zich als martelaar voor te doen omdat de partij werd vervolgd onder het regime van Ben Ali waardoor veel leden in de gevangenis terecht kwamen, werden gemarteld of moesten vluchten. In een situatie waarbij zowat 40 van de meer dan 100 partijen voortkomen uit de vroegere heersende partij RCD, kon Ennahda zich opwerpen als een meer betrouwbare partij, een ‘breuk’ met het verleden.

Het feit dat een aantal tegenstanders van Ennahda het tij probeerden te keren met een nietszeggende seculier jargon zonder in te gaan op de dringende behoeften van de brede massa’s, heeft in dit land met een grotendeels islamitische bevolking eerder in de kaart van Ennahda gespeeld. Wij hebben daar steeds voor gewaarschuwd.

Socialisten moeten voorzichtig omspringen met de scheiding tussen staat en religie. We verdedigen het recht van mensen om hun eigen religieuze standpunten in te nemen en deze ook te kunnen uiten, maar dat moet dan wel los van de staat gebeuren. Omwille van historische redenen wordt secularisme door veel Tunesische moslims echter gezien als het ontzeggen van die rechten.

De veiligheidsdiensten van Ben Ali gingen over tot het vervolgen en intimideren van mensen die hun godsdienst beoefenden of die “teveel” godsdienstigheid aan de dag legden. Zo was het mogelijk dat mensen als verdachte werden beschouwd of zelfs werden opgepakt omdat ze in de moskee gingen bidden. Vrouwen werd het verboden om de hoofddoek te dragen in de universiteiten en de kantoren van de overheden. Velen herinneren zich dat Ben Ali na zijn machtsovername de islamistische dreiging aangreep om iedere vorm van vrijheid te beperken en geleidelijk een verschrikkelijke dictatuur te vestigen.

Veel partijen hebben hun campagne op dit onderwerp gebaseerd met een grote nadruk op de tegenstelling tussen de zogenaamde ‘vernieuwers’ en de aanhangers van een vorm van ‘obscurantisme’. Dit gebeurde onder meer door de PDM (Pole Démocrate Moderniste), geleid door Ettajdid (een centrumlinkse formatie die voortkomt uit de Tunesische Communistische Partij), en de PDP. Zij hebben heel wat kiezers, zeker onder de arbeidersklasse en de armsten, weg gejaagd. Deze twee partijen werden ook afgestraft omdat ze na de val van Ben Ali meteen meewerkten met de overgangsregering die vol zat met contrarevolutionaire figuren uit de dictatuur. De PDP betaalde een prijs voor haar samenwerking met de grote bedrijven en met voormalige leden van de RCD en andere restanten van het oude regime die in een aantal gevallen doordrongen tot de leiding van de partij. De PDP had een maand geleden nog de ambitie om de ‘grootste partij’ van Tunesië te worden, maar leed uiteindelijk een vernederende nederlaag wat meteen leidt tot een interne crisis.

Zoals Dali uitlegt: “Maandenlang hoorden we debatten die werden gedomineerd door burgerlijke krachten, mensen uit het oude regime en de rechtse media. Daarbij werd voorbijgegaan aan sociale en economische thema’s, de belangrijkste thema’s voor gewone mensen. Er werd gefocust op abstracte kwesties zoals identiteit, secularisme en religie. De mensen hebben in het algemeen gestemd voor partijen die niet aan deze ‘verdeel-en-heers’-strategie hebben deelgenomen en partijen die wel verwezen naar sociale thema’s en spraken over de reële kwesties.”

Dat is het geval met de CPR (Congès pour la République), opgezet door mensenrechtenactivist Moncef Marzouki, die algemeen wordt gezien als een eerlijke politicus en een principiële tegenstander van de dictatuur van Ben Ali. Het is ook van toepassing voor het Democratisch Forum voor Arbeid en Vrijheid (Ettakatol). Beide partijen deden het goed: ze haalden respectief 30 en 21 zetels.

Er was de onverwachte doorbraak van de lijst El Aridha onder leiding van de miljonair Hechmi Haamdi, een voormalige islamist die vervolgens een bondgenoot van Ben Ali werd om zich vervolgens tegen het regime te keren. Haamdi bezit een eigen televisiezender die vanuit Londen uitzendt. Hij beloofde goedkoop brood, een werkloosheidsuitkering, gratis openbaar vervoer voor ouderen, de bouw van sociale huisvesting en gratis gezondheidszorg. Daarmee haalde hij stemmen binnen van de allerarmsten in het land. Hij maakte ook gebruik van de steun die hij had opgebouwd via zijn netwerken met voormalige RCD’ers. Hij maakte gebruik van het feit dat hij uit Sidi Bouzid komt om een regionale kaart te trekken tegenover de relatief hogere levensstandaard in de noordelijke kuststeden. Dit alles deed hij zonder tijdens de verkiezingscampagne ook maar een voet op Tunesische grond te zetten.

De lijsten van Haamdi werden wegens onregelmatigheden geschrapt in zes regio’s, waardoor hij ook de andere lijsten moest intrekken. Haamdi stelde vervolgens dat de verkiezingen niet geldig waren en dat de 19 verkozenen van zijn partij niet zouden zetelen. Dit leidde vorige week tot rellen en protest in Sidi Bouzid, daarbij werden de regionale kantoren van Ennahda plat gebrand.

Dit maakt nogmaals duidelijk hoe sterk de wanhoop is onder de armste lagen van de bevolking. Het wijst er ook op dat de verkiezingen misschien wel democratischer waren dan onder Ben Ali, maar dat ze wel alle vuile elementen van de kapitalistische verkiezingen kenden. Het resultaat werd mee bepaald door hoeveel geld iedere partij en kandidaat had, er waren heel wat verschillende vormen van manipulatie. Dali stelde: “Er waren al meer dan 800 klachten van inbreuken op de verkiezingsregels, gevallen van verdachte financiering, het opkopen van stemmen, intimidatie van mensen om hen voor een bepaalde partij te laten stemmen, corruptie,… Deze beschuldigingen komen niet van de ‘grote verliezers’ zoals de PDP, die partij stelt dat de verkiezingen een model van democratie waren, maar wel van gewone mensen die kwaad zijn en niet willen dat de partijen de methoden van het oude regime blijven gebruiken.”

Wat nu?

Het verkiezingsresultaat werd algemeen verwelkomd door de belangrijkste kapitalistische machten en hun commentatoren in de media. Maar het feit dat Ennahda als grote politieke kracht op het toneel verschijnt is zorgwekkend. Het is duidelijk dat de leiding van deze partij in essentie de belangen van de grote bedrijven wil verdedigen. De partijleiders hebben in hun toespraken steeds benadrukte dat de economische partners, in het bijzonder de Europese kapitalisten, niets moeten vrezen. “We hopen snel terug te keren naar stabiliteit en investeringsvriendelijke omstandigheden”, stelde Abdelhamid Jlassi van de partijleiding. De leiding van Ennahda deed er alles aan om zich voor te stellen als een aanvaardbare, gematigde en pro-Westerse islamitische partij. De belangrijkste leider, Rached Ghannouchi, verwees steevast naar de heersende Turkse AKP van premier Erdogan. Hij wilde zijn partij voorstellen als een democratische centrum-rechtse partij “met een religieuze roots”.

Onder de geschoolde jongeren, de stedelijke middenklasse, maar ook onder delen van de arbeidersklasse (in het bijzonder de vrouwen) wordt gevreesd dat de overwinning van Ennahda hun rechten zal terugdringen met een islamitisering van de samenleving en reactionaire beperkingen op sociaal vlak (bvb inzake huwelijk, echtscheiding, erfrecht, alcohol, hoofddoeken,…). Dat gevaar is reëel, er bestaat binnen de partij immers een hardere vleugel die aan zelfvertrouwen wint door de overwinning van Ennahda en dat mogelijk zal aangrijpen om voor een hardere koers te pleiten.

De vrees voor een ‘verborgen’ agenda van Ennahda wordt versterkt door het feit dat een aantal groepen van Salafisten de afgelopen maanden hun spierballen hebben laten rollen. Zo werd een bioscoop aangevallen en was er een aanval op een televisiezender omdat materiaal werd getoond dat volgens deze Salafisten “godslasterend” was. Zij komen op voor een “islamitische revolutie” en aarzelen niet om linkse activisten en vrouwen fysiek aan te vallen.

De banden tussen Ennahda en deze fundamentalisten blijven erg nauw. Er is een sterk vermoeden dat een aantal van deze groepen worden gemanipuleerd en geïnfiltreerd door de veiligheidsdiensten die de angst voor het “fundamentalistische gevaar” willen versterken om chaos te creëren en een onderdrukking van iedere oppositie tegen het regime mogelijk te maken. Het historische conflict tussen de politieke islam in Tunesië en het oude seculiere autoritaire systeem van Ben Ali waarvan de restanten nog steeds een grote macht hebben, betekent dat er mogelijk confrontaties zullen komen tussen de nieuwe heersende islamitische partij, het politieapparaat, de top van de staatsbureaucratie en de netwerken van de oude RCD.

Ennahda heeft geen absolute meerderheid in het nieuwe parlement en zal het moeilijk hebben om een harde koers op te leggen in een land dat net de ervaring van een revolutie heeft gekend en waar er een sterke seculiere traditie heerst. Dali bevestigt: “Het islamitische gevaar wordt beperkt door het feit dat ze aan de macht komen na een revolutie waardoor de bevolking niet zomaar alles zal aanvaarden. De bevolking heeft geleerd dat het mogelijk is om terug te vechten als rechten onder vuur liggen.” De toegevingen die Ennahda mogelijk zal moeten maken bij het opstellen van de nieuwe grondwet en in het kader van de nieuwe heersende coalitie, kunnen leiden tot een afsplitsing van de hardere elementen die zich verzetten tegen de “te liberale” en “pro-Westerse” koers van de partij.

Anderzijds blijft Ennahda over een potentieel beschikken als de linkerzijde het initiatief niet in handen neemt en geen ernstig alternatief programma aan de arbeiders en armen aanbiedt om echte verandering te bekomen. Het is niet uitgesloten dat Ennahda op die basis de bovenhand blijft houden en beslist om een meer fundamentalistische koers te varen. In mei schreven we nog: “De dubbele opstelling van de partij is een uitdrukking van de interne tegenstellingen. De meest invloedrijke partijleiders lijken op dit ogenblik bereid te zijn om op imperialistische steun beroep te doen om zich meer respectabel voor te doen. Ze lijken de regels van de ‘democratie’ te aanvaarden en keren zich publiekelijk tegen de activiteiten van de fundamentalistische groepen. Hoe ver dit kan gaan, blijft onzeker. Afsplitsingen en bochten in de ene of de andere richting blijven mogelijk op basis van gebeurtenissen en als Ennahda verder moet gaan dan eenvoudige propaganda.”

Alle tegenstellingen zullen de komende maanden een rol blijven spelen.

Is de revolutie voorbij?

“De heersende klasse en haar spreekbuizen beweren dat deze verkiezingen het hoogtepunt en het eindpunt van onze revolutie vormen. De sociale en economische bekommernissen zijn slechts een detail, deze revolutie ging om vrije verkiezingen. En dat zou het einde van het verhaal zijn. Ze zullen nu proberen om het ‘succes’ van de verkiezingen aan te grijpen om het revolutionaire hoofdstuk af te sluiten en de politiek van de straat weg te halen naar de instellingen, van de creatieve energie van de massa’s naar de kaste van professionele politici die meestal geen enkele rol hebben gespeeld in de revolutie”, aldus Dali.

Dat is een uitdrukking van de afwezigheid van een partij van de arbeiders en armen die met een duidelijk programma bredere lagen kon mobiliseren in deze verkiezingsperiode. De PCOT (Communistische Arbeiderspartij) en de Beweging van Patriottische Democraten – de twee linkse partijen die aan de verkiezingen deelnamen – konden tot op zekere hoogte een dergelijke rol spelen. Ze halen samen vier zetels: drie voor de PCOT en een van de MPD. Jammer genoeg blijven ze beiden erg vaag over hun economisch programma en ging een momentum voorbij waarop ze de voorlopige regering van Essebsi expliciet hadden moeten uitdagen. Dat gebeurde veel te laat. De aarzelende opstelling om in te gaan tegen de verraderlijke rol van de bureaucratische leiding binnen de vakbondsfederatie UGTT en het gebrek aan een duidelijk socialistische retoriek, hebben geleid tot verwarring en een beperkte steun onder de arbeiders, boeren en armen.

Voor de verkiezingen was er heel wat intimidatie van de regering tegenover protestacties, sit-ins en stakingen. De activisten op dergelijk protest werden omschreven als een minderheid die het verkiezingsproces wilde verstoren. Schandalig genoeg werd die retoriek ook gevolgd door de nationale vakbondsleiding die de verschillende regionale en sectorale leidingen vroeg om geen collectieve strijd te voeren in de aanloop naar de verkiezingen.

De aanvallen op het stakingsrecht, zelfs van binnen de vakbondsbeweging, werden amper beantwoord door de linkerzijde. Als we niet ingaan tegen de vakbondsleiding zal deze haar positie blijven gebruiken om arbeidersstrijd van onderuit tegen te gaan. Wat zal het volgende argument zijn? Dat stakende arbeiders de legitimiteit van de democratisch verkozen regering ondermijnen?

Linkse activisten en vakbondsmilitanten moeten niet wachten op het congres van de UGTT in december om daar een alternatief platform op te zetten. Ze moeten de huidige periode aangrijpen om de strijd voor de verwijdering van alle corrupte aanhangers van Ben Ali in de leiding te verwijderen. Die hebben immers voldoende aangetoond dat ze de ergste vijanden van de arbeidersklasse zijn. Om hen weg te krijgen, moeten we op de werkvloer bouwen aan democratische comités die een democratisering van de volledige vakbondsfederatie kunnen eisen en afdwingen.

Strijd in de komende periode

Ondanks de intimidaties zijn er nog steeds regelmatig stakingen en protestacties. De verkiezingen waren amper voorbij of er was een grote betoging in Redeyef, een militante mijnwerkersstad in de buurt van Gafsa. De betogers eisten rechtvaardigheid voor de martelaren die ook door de huidige autoriteiten werden genegeerd. De autoriteiten doen er alles aan om criminelen en moordenaars buiten vervolging te laten.

Op donderdag was er een nationale poststaking om hogere lonen te eisen. Na de verkiezingen zullen nieuwe acties uitbarsten, de arbeiders willen dat ‘democratie’ wordt vertaald in een fundamentele verandering in de arbeids- en levensomstandigheden.

De indruk van relatieve stabiliteit en de hoop op een vlotte ordentelijke democratische overgang, zou wel eens van korte duur kunnen zijn. De Tunesische samenleving wordt immers gekenmerkt door een diepgaande crisis en ze blijft gekenmerkt worden door diepgaande sociale tegenstellingen. Het dagelijkse leven van de Tunesische massa’s is amper veranderd. Het werd zelfs slechter.

De prijzen van basisbenodigdheden is toegenomen, vooral voedsel werd duurder. Dat komt deels door de speculatie in de distributie, alsook door de komst van mensen die de Libische oorlog ontvluchten en door paniek onder gewone gezinnen. De werkloosheidsgraad is toegenomen van 14% tot 19% sinds het begin van het jaar. En dat is nog maar het topje van de ijsberg, het zijn slechts de officiële cijfers.

In de armste regio’s loopt de werkloosheid soms tot meer dan 40% op. Begin september probeerden vijf mannen die al jarenlang tevergeefs werk zoeken zichzelf op te hangen op een plein in Kasserine, in het westen van het land.

Het gebrek aan werk, een cruciaal element in de revolutie, blijft een tijdbom. Een oudere vrouw die aan een kiesbureau aanschoof verklaarde op televisie: “Mag ik echt zeggen wat ik wil? Als die partijen geen werk geven aan onze kinderen, dan zullen we wapens opnemen om hen buiten te schoppen, dat zweer ik je.”

De sfeer van politieke vrijheid in het land blijft onzeker. Dat kan ook niet anders, het politieke establishment is niet degelijk opgeruimd. Het staatsapparaat zit nog vol met corrupte elementen die uit zijn op wraak en hun contrarevolutionaire agenda willen uitvoeren. De veiligheidsdiensten zijn nog steeds een bedreiging voor gewone mensen met dagelijks willekeurige arrestaties, geweld en martelingen.

Wordt de hoop ingelost?

Er is een breed verspreid gevoel dat als de politici de verwachtingen van echte verandering niet inlossen, er een nieuwe revolutie zal komen. Alles wijst er op dat er geen echte verandering zal komen, tenzij de massa’s zich actief organiseren. Dat is de meeste realistische les van de revolutionaire ervaring van de afgelopen tien maanden en van de overwinning van Ennahda.

De twee partijen die nu onderhandelen om een coalitie te vormen met Ennahda, de CPR en de FDTL, hebben hun bedoelingen al duidelijk gemaakt. Midden september verklaarde Moncef Marzouki, leider van de CPR, dat hij investeerders “met schone handen” welkom wil heten in zijn partij. De FDTL pleit voor een gunstig investeringsklimaat en spreekt over de noodzaak om de ‘sociale spanningen’ te temperen.

Alle partijen en iedere coalitie die gebaseerd is op het voorzetten van het kapitalisme zal geen stevige basis vinden voor een blijvend succes. De economische onrust waarmee het wereldkapitalisme wordt geconfronteerd, de armoedige lonen en de massale werkloosheid onder de Tunesische massa’s, maken een duurzame ontwikkeling van het land onmogelijk zolang de economie ten dienste staat van een kleine laag van grote bedrijven en banken. Door zich in het bestaande economische model van Tunesië in te schakelen, en dus in het model dat een ramp betekent voor miljoenen gewone mensen, zullen de gevestigde partijen geen oplossingen aanbieden voor de sociale behoeften van de arbeiders en de armen. En ze weten dat.

In een televisiedebat op donderdag pleitte Mustafa Ben Jafaar (FDTL) voor een brede regering van nationale eenheid. Hij stelde dat het niet eerlijk zou zijn indien enkele oppositiepartijen “voordeel kunnen halen uit de volkswoede”. De aanhoudende sociale en economische onstabiliteit zal leiden tot een onvoorspelbare politieke situatie waarin crisis en onzekerheid heersen. De revolutionaire sfeer onder de massa’s was de afgelopen periode misschien niet meer zichtbaar, maar is anderzijds nog steeds niet onder de controle van het establishment.

De revolutie in Tunesië is verre van voorbij. Nieuwe uitbarstingen van strijd zijn onvermijdelijk. Stabiliteit binnen het bestaande economische systeem is enkel mogelijk indien de hoop van de massa’s niet wordt ingelost.

Dali stelt: “De leiders van Ennahda zeggen nu dat de bevolking geduldig moet zijn, de mensen moeten wachten omdat er geen magische oplossing is voor hun problemen. Maar de mensen zullen niet wachten, de omstandigheden waarin we leven en werken laten dat niet toe. De revolutionaire beweging kan niet opgeven. De arbeiders, de vakbondsmilitanten en de activisten moeten zich op nieuwe strijd voorbereiden.

“De geschiedenis van alle revoluties toont aan dat verkiezingen geen doel op zich zijn. Als we het karakter van de winnende partijen bekijken, dan weten we dat de echte toekomst van de Tunesische bevolking niet zal worden bepaald door deze grondwetgevende vergadering. Het zal beslist worden op straat, op de werkvloer, in de vakbonden. De massa’s zullen de macht van deze grondwetgevende vergadering moeten ontkrachten om hun eigen macht op te leggen.”

De linkerzijde moet de arbeiders en jongeren vertegenwoordigen en uitleggen dat de hoop op verandering niet zal worden gerealiseerd op basis van het oude corrupte kapitalisme. Als ze eisen naar voor schuift voor volledige tewerkstelling, het verdelen van het werk, een programma van massale bouw van sociale woningen, nationalisatie van de industrie, de grond en de banken onder arbeiderscontrole en –beheer, dan kan de linkerzijde snel groeien en een factor worden. Een massale partij die de belangen vertegenwoordigt van de arbeiders en al wie door het kapitalisme wordt uitgebuit, is een noodzaak. Een dergelijke partij heeft nood aan een socialistisch programma dat staat voor de voortzetting van de revolutie en de internationale uitbreiding ervan.

 

Artikel door een correspondent

Geef een reactie

0
    0
    Je winkelwagen
    Er zit niets in je winkelwagenKeer terug naar de winkel