Loon, prijs en winst: hoofdstuk 14

14. De strijd tussen kapitaal, en arbeid en zijn gevolgen

1. Nu we hebben aangetoond, dat het periodieke verzet van de arbeiders tegen een loonsverlaging en hun periodieke zich herhalende pogingen een loonsverhoging af te dwingen niet losgemaakt kunnen worden van het loonsysteem en een noodzakelijk gevolg zijn juist van het feit, dat de arbeid in de categorie der waren thuishoort en derhalve onderworpen is aan de wetten, die de algemene beweging van de prijzen reguleren; nu we voorts hebben aangetoond, dat een algemene loonstijging een daling van de algemene winstvoet ten gevolge zou hebben, doch niet de gemiddelde prijzen van de waren of hun waarden zou beïnvloeden, dringt zich nu tenslotte de vraag op in hoeverre in deze onophoudelijke worsteling tussen kapitaal en arbeid voor laatstgenoemde kans op succes is weggelegd.

Ik zou met een veralgemening kunnen antwoorden en zeggen, dat, net als bij alle andere waren, de marktprijs van de arbeid zich op de duur zal aanpassen aan zijn waarde; dat de arbeider, wat hij ook moge doen, ondanks alle opgaande en neergaande bewegingen, dan ook in doorsnee slechts de waarde van zijn arbeid ontvangt, die zich oplost in de waarde van zijn arbeidskracht, welke bepaald wordt door de waarde van de levensbenodigdheden, die voor de instandhouding en de reproductie ervan nodig zijn; de waarde van die levensbenodigdheden tenslotte wordt gereguleerd door de hoeveelheid arbeid, die nodig is voor hun productie.

Er zijn echter bepaalde bijzondere kenmerken, die de waarde van de arbeidskracht of de waarde van de arbeid onderscheiden van de waarde van alle andere waren. De waarde van de arbeidskracht is samengesteld uit twee elementen – een zuiver fysiek en een historisch of maatschappelijk element. Haar uiterste grens wordt bepaald door het fysieke element, d.w.z. de arbeidersklasse moet, om zich in stand te houden en te reproduceren, om haar fysieke bestaan duurzaam veilig te stellen, de voor het leven en voor de voortplanting absoluut onontbeerlijke levensbenodigdheden ontvangen. De waarde van deze onontbeerlijke levensbenodigdheden vormt derhalve de uiterste grens van de waarde van de arbeid. Aan de andere kant is de lengte van de arbeidsdag eveneens door uiterste, hoewel zeer elastische grenzen beperkt. De uiterste grens ervan wordt bepaald door de lichaamskracht van de arbeider. Wanneer de dagelijkse uitputting van zijn levenskracht een bepaalde graad overschrijdt, kan ze niet steeds weer opnieuw, dag in dag uit, ingespannen worden. Overigens is, zoals gezegd, deze grens zeer elastisch. Een snelle opeenvolging van generaties met een zwakke gezondheid en van korte levensduur zal de arbeidsmarkt net zo goed van toevoer voorzien als een reeks robuuste en lang levende generaties.

Naast dit zuiver fysieke element wordt de waarde van de arbeid in elk land bepaald door een traditionele levensstandaard. Die betreft niet het zuiver fysieke leven, doch de bevrediging van bepaalde behoeften, voortkomend uit de maatschappelijke verhoudingen, waarin de mensen zijn geplaatst en waaronder ze opgroeien. De Engelse levensstandaard kan tot het Ierse peil verlaagd worden; het levenspeil van een Duitse boer tot dat van een boer uit Lijfland. Welk een belangrijke rol in dit opzicht gespeeld wordt door historische tradities en maatschappelijke gewoonten, kunt u leren uit het werk van de heer Thornton over `Overbevolking’, waar hij aantoont, dat het gemiddelde loon in verschillende landbouwgebieden van Engeland tot vandaag aan toe nog meer of minder belangrijke verschillen vertoont, al naar gelang de meer of minder gunstige omstandigheden, waaronder die gebieden zich uit de toestand van de horigheid hebben losgemaakt.

Dit historische of maatschappelijke element, dat deel uitmaakt van de waarde van de arbeid, kan versterkt of verzwakt worden, ja, het kan zelfs volledig uitgeschakeld worden, zodat er niets dan de fysieke grens overblijft. In de tijd van de oorlog tegen de Jakobijnen – die gevoerd werd, zoals de oude George Rose, die onverbeterlijke profiteur van belastingen en sinecuren, placht te zeggen, om de vertroostingen van ons heilige geloof te beschermen tegen de inbreuken door de Franse ongelovigen – drukten de eerzame Engelse pachtboeren, die in een van onze vroegere hoofdstukken met zulke zachte handschoenen zijn aangepakt, de lonen van de landarbeiders zelfs tot onder dat zuiver fysieke minimum en lieten het restant, dat voor de fysieke voortzetting van het geslacht noodzakelijk is, door middel van de Armenwetten opbrengen. Dit was een prachtige manier om de loonarbeider in een slaaf en Shakespeares trotse vrije boer in een pauper te veranderen.

Als u de standaardlonen of waarden van de arbeid in verschillende landen vergelijkt en als u ze in verschillende tijdperken van de geschiedenis van hetzelfde land vergelijkt, zult u zien dat de waarde van de arbeid zelf geen vaste, maar een variabele grootheid is, zelfs als we ervan uitgaan, dat de waarden van alle andere waren gelijk blijven.

Een soortgelijke vergelijking zou aantonen, dat niet alleen de marktpercentages van de winst, maar ook zijn gemiddelde voet zich wijzigen.

Wat echter de winsten aangaat – er is geen wet die hun minimum bepaalt. We kunnen niet zeggen, wat de uiterste grens van hun vermindering is. En waarom kunnen wij die grens niet vaststellen? Omdat wij, ofschoon we het minimum van de lonen kunnen vaststellen, niet hun maximum kunnen vaststellen. We kunnen alleen zeggen, dat – gegeven de grenzen van de arbeidsdag – het maximum van de winst in overeenstemming is , met het fysieke minimum van het arbeidsloon, en dat – gegeven het arbeidsloon – het maximum van de winst in overeenstemming is met een zodanige verlenging van de arbeidsdag als verenigbaar, is met de lichamelijke krachten van de arbeider. Het maximum van de winst wordt dan ook begrensd door het fysieke minimum van het arbeidsloon en het fysieke maximum van de arbeidsdag. Het, is duidelijk, dat tussen de beide grenzen van deze maximum winstvoet een eindeloze scala van variaties mogelijk is. De vaststelling van zijn feitelijke graad vindt slechts plaats door de onophoudelijke strijd tussen kapitaal en arbeid, waarbij de kapitalist er voortdurend naar streeft het arbeidsloon tot zijn fysieke minimum terug te brengen en de arbeidsdag tot zijn fysieke maximum uit te breiden, terwijl de arbeider voortdurend in tegenovergestelde richting druk uitoefent.

De vraag lost zich op in de vraag omtrent de krachtsverhoudingen van de strijdende partijen.

2. Wat de beperking van de arbeidsdag betreft – in Engeland, evenals in alle andere landen is die nooit anders dan door ingrijpen van de wetgever tot stand gekomen. Zonder de voortdurende druk van de arbeiders van buitenaf zou dit nimmer hebben plaatsgevonden. In elk geval echter was het resultaat niet te bereiken door onderhandse overeenstemming tussen de arbeiders en de kapitalisten. Juist deze noodzaak van algemene politieke actie levert het bewijs, dat het kapitaal in zijn zuiver economische optreden de sterkere partij is.

Wat de grenzen van de waarde van de arbeid betreft – de feitelijke vaststelling daarvan hangt altijd af van vraag en aanbod, ik bedoel de vraag naar arbeid van de kant van het kapitaal en het aanbod van arbeid door de arbeiders. In koloniale landen werkt de wet van vraag en aanbod voor de arbeider gunstig. Vandaar het betrekkelijk hoge loonpeil in de Verenigde Staten. (18) Het kapitaal kan daar proberen wat het wil, het kan niet verhinderen, dat de arbeidsmarkt voortdurend wordt ontvolkt doordat loonarbeiders voortdurend veranderen in onafhankelijke boeren, die in hun eigen onderhoud voorzien. De bezigheid van loonarbeider is voor een zeer groot deel van het Amerikaanse volk slechts een proeftijd, die, daar is men zeker van, na korte of lange tijd doorlopen zal zijn. Om deze koloniale stand van zaken te verhelpen, maakte de vaderlijke Britse regering zich een tijdlang datgene eigen, wat de moderne kolonisatietheorie wordt genoemd. Die bestaat daaruit, dat de prijs van de grond in de koloniën kunstmatig wordt opgeschroefd om een al te snelle verandering van de loonarbeider in een onafhankelijke boer te beletten.

Maar laten we nu eens kijken naar de oude geciviliseerde landen, waarin het kapitaal het gehele productieproces beheerst. Neem bij voorbeeld het stijgen van de landarbeiderslonen in Engeland van 1848 tot 1859. Wat was het gevolg daarvan? De boeren konden, zoals onze vriend Weston hun zou hebben aangeraden, noch de waarde van de tarwe, noch ook zijn marktprijzen verhogen. Ze moesten integendeel met de daling ervan genoegen nemen. Gedurende die elf jaren voerden zij evenwel allerlei machines in, pasten meer wetenschappelijke methoden toe, veranderden een deel van het akkerland in weidegronden, vergrootten de omvang van de bedrijven en daarmee de schaal van de productie. Daar zij door deze en andere middelen de vraag naar arbeid verminderden, door de productiekracht ervan te vergroten, zorgden zij ervoor dat er weer een relatief overschot aan plattelandsbevolking kwam. Dit is in landen met een gevestigde bevolking de algemene methode, volgens welke het kapitaal meer of minder snel op een loonstijging reageert. Ricardo heeft terecht opgemerkt, dat de machines een voortdurende concurrentiestrijd voeren met de arbeid en vaak slechts dan kunnen worden ingevoerd, wanneer de prijs van de arbeid een zekere hoogte heeft bereikt. De toepassing van machines is echter slechts een van de vele methoden om de productiekracht van de arbeid te vergroten. Precies dezelfde ontwikkeling, die ongeschoolde arbeid relatief overbodig maakt, vereenvoudigt aan de andere kant geschoolde arbeid en doet die daarmee in waarde dalen.

Men vindt dezelfde wet nog in een andere vorm. Met de ontwikkeling van de productiekracht van de arbeid zal de accumulatie van kapitaal worden bespoedigd, zelfs ondanks een betrekkelijk hoog loonpeil. Hieruit zou men de conclusie kunnen trekken zoals Adam Smith, in wiens tijd de moderne industrie nog in de kinderschoenen stond, inderdaad concludeerde, dat deze versnelde accumulatie van kapitaal de weegschaal ten gunste van de arbeider zou moeten doen doorslaan, doordat ze een toenemende vraag naar zijn arbeid zou verzekeren. Vanuit hetzelfde standpunt hebben vele thans levende auteurs er zich over verwonderd, dat, hoewel het Engelse kapitaal in de laatste twintig jaar zo veel sneller is toegenomen dan de Engelse bevolking, het arbeidsloon niet nog aanzienlijker is toegenomen. Gelijktijdig met de toename van de accumulatie vindt er evenwel een voortgaande verander n in de samenstelling ging van bet kapitaal plaats. Dat deel van het totale kapitaal, dat uit vast kapitaal bestaat’- machines, grondstoffen, productiemiddelen in elke denkbare vorm -, neemt in vergelijking met het andere deel van het kapitaal, dat aan arbeidsloon of aan de aankoop van arbeid wordt besteed, sterker toe. Deze wet is meer of minder nauwkeurig -vastgesteld door Barton, Ricardo, Sismondi, professor Richard Jones, professor Ramsay, Cherbuliez en anderen.

Als de verhouding van deze beide elementen van het kapitaal oorspronkelijk 1 op 1 was, zal ze, naarmate de industrie zich ontwikkelt, 5 op 1 worden, enz. Als een totaal kapitaal van 600 onderverdeeld is in 300 voor werktuigen, grondstoffen enz. en 300 voor arbeidsloon, behoeft het gehele kapitaal slechts te worden verdubbeld om een vraag naar 600 arbeiders in plaats van naar 300 te creëren. Bij een kapitaal echter van 600, waarvan 500 aan machines, materiaal enz. en slechts aan arbeidsloon is besteed, moet datzelfde kapitaal van 600 tot 3600 groeien om een vraag naar 600 in plaats van naar 300 arbeiders te scheppen. Op het punt van de vooruitgang van de industrie houdt de vraag naar arbeid dan ook geen gelijke tred met de accumulatie van kapitaal. Die vraag zal weliswaar nog toenemen, maar in een voortdurend geringer wordende verhouding ten aanzien van de toeneming van kapitaal.

Deze weinige aanwijzingen zullen voldoende zijn om aan te tonen, dat de gehele ontwikkeling van de moderne industrie de weegschaal steeds meer ten gunste van de kapitalist en ten nadele van de arbeider moet doen doorslaan, en dat de kapitalistische productie dientengevolge de algemene tendens vertoont het gemiddelde loonpeil niet te verhogen doch te verlagen of de waarde van de arbeid meer of minder tot op haar minimumgrens omlaag te drukken. Indien de tendens van de dingen in dit systeem nu eenmaal zo is, wil dat dan zeggen, dat de arbeidersklasse moet afzien van haar verzet tegen de daden van geweld van het kapitaal en haar pogingen moet opgeven om op de best mogelijke wijze gebruik te maken van voorkomende gelegenheden om haar toestand tijdelijk te verbeteren? Als ze dat zou doen, zou ze tot één egale massa van geruïneerde arme sloebers degraderen, voor wie geen verlossing meer baat. Ik meen te hebben bewezen, dat haar strijd om het loonpeil een verschijnsel is, dat onafscheidelijk is van het gehele loonsysteem; dat in 99 van de gevallen haar inspanningen om het loon te verhogen louter inspanningen zijn om de gegeven waarde van de arbeid te handhaven, en dat de noodzaak, met de kapitalist om de prijs ervan te onderhandelen, onafscheidelijk verbonden is met de omstandigheid, dat zij zich zelf als waar te koop moet aanbieden. Als de arbeidersklasse in haar dagelijkse botsingen met het kapitaal laf zou inbinden, zou zij zich zelf ontegenzeggelijk beroven van het vermogen de een of andere grotere beweging op gang te brengen.

Tegelijkertijd mag de arbeidersklasse, geheel los van het algemene knechtschap dat het loonsysteem met zich brengt, het definitieve effect van deze dag in dag uit durende strijd niet overschatten. Ze mag niet vergeten, dat ze tegen gevolgen strijdt, doch niet tegen de oorzaken van deze gevolgen; dat ze de neergaande beweging weliswaar verlangzaamt, maar de richting ervan niet verandert, dat zij lapmiddelen gebruikt, doch niet het euvel verhelpt. Ze mag dan ook niet uitsluitend opgaan in deze onvermijdelijke guerrillastrijd, die onophoudelijk voortkomt uit de eindeloze daden van geweld van het kapitaal of uit de marktschommelingen. Ze moet begrijpen, dat het tegenwoordige systeem, bij alle ellende waartoe het haar veroordeelt, tegelijkertijd de materiële voorwaarden en de maatschappelijke vormen verwekt, die noodzakelijk zijn voor een economische omvorming van de maatschappij. In plaats van het conservatieve motto: `Een rechtvaardig dagloon voor een rechtvaardig dagwerk !’ dient ze op haar vaandel de revolutionaire leuze te schrijven: `Afschaffing van het loonsysteem!’

Na deze zeer lange en, naar ik vrees, vermoeiende uiteenzetting, waartoe ik wel moest komen om het ter discussie staande onderwerp enigermate recht te laten wedervaren, zou ik willen eindigen met de volgende besluiten voor te stellen:

1. ten algemene stijging van het loonpeil zou een daling van de algemene winstvoet tot resultaat hebben, zonder evenwel, in het algemeen gesproken, de warenprijzen te beïnvloeden.

2. De kapitalistische productie vertoont in het algemeen de tendens het gemiddelde loonpeil niet te verhogen, doch te verlagen.

3. Vakverenigingen doen goed werk als verzamelpunten van het verzet tegen de gewelddaden van het kapitaal. Zij slagen ten dele niet in hun opzet, doordat zij van hun macht een onoordeelkundig gebruik maken. Zij slagen in het algemeen niet in hun opzet, doordat zij zich beperken tot een guerrillastrijd tegen de uitwerkingen van het bestaande systeem, in plaats van tegelijkertijd te proberen dit systeem te veranderen, in plaats van hun georganiseerde krachten te gebruiken als een hefboom voor de definitieve bevrijding van de arbeidersklasse, d.w.z. voor het definitief afschaffen van het loonsysteem.

 

Voetnoot

(18) In het eerste deel van ‘Het Kapitaal’ schrijft Marx: ‘Het gaat hier om werkelijke koloniën, om maagdelijke grond, die door vrije immigranten wordt gekoloniseerd. De Verenigde Staten zijn, economisch gesproken, nog altijd een koloniaal land van Europa. Overigens behoren hiertoe ook zulke oude kolonies, waar de opheffing van de slavernij de verhoudingen volledig ondersteboven heeft gekeerd.’ Nadat de grond in de koloniën overal als particuliere eigendom in bezit was genomen, werd de verandering van loonarbeiders in zelfstandige producenten onmogelijk

>> Inhoudstafel

Print Friendly, PDF & Email