Loon, prijs en winst: hoofdstuk 13

13. De belangrijkste gevallen van strijd voor loonsverhoging of van verzet tegen verlaging

Laat ons nu ernstig de voornaamste gevallen onder de loep nemen, waarin een poging wordt gedaan om het arbeidsloon te verhogen of de verlaging ervan tegen te gaan.

1. We hebben gezien, dat de waarde van de arbeidskracht of, om in geijktere termen te spreken, de waarde van de arbeid bepaald wordt door de waarde van de levensbenodigdheden of de voor hun productie vereiste hoeveelheid arbeid. Wanneer nu in een gegeven land de waarde van de dagelijkse gemiddelde levensbenodigdheden van de arbeider zes uur arbeid vertegenwoordigt, uitgedrukt in drie shilling, moet de arbeider zes uur per dag werken om het equivalent van zijn dagelijkse levensonderhoud te produceren. Als de gehele arbeidsdag twaalf uur bedraagt, zou de kapitalist hem de waarde van zijn arbeid betalen, indien hij hem drie shilling betaalt. De halve arbeidsdag bestaat dan uit onbetaalde arbeid en de winstvoet beloopt 100%. ‘Veronderstel nu echter, dat als gevolg van een vermindering van de productiviteit meer arbeid nodig is om, laat ons zeggen, dezelfde hoeveelheid landbouwproducten te produceren, zodat de gemiddelde prijs van de dagelijkse gemiddelde levensbenodigdheden van drie op vier shilling stijgt. In dat geval stijgt de waarde van de arbeid met één derde of 33,33%. Er zouden acht uur van de arbeidsdag nodig zijn om het equivalent van het dagelijkse levensonderhoud van de arbeider overeenkomstig zijn oude levensstandaard te produceren. De meerarbeid zou daarmee van zes tot vier uur en de winstvoet van 100 tot 50% dalen. Wanneer de arbeider echter zou staan op een verhoging van het arbeidsloon, zou hij er louter op staan, de gestegen waarde van zijn arbeid te ontvangen, net als elke andere verkoper van een waar, zodra de kosten van zijn waar zijn gestegen, tracht haar toegenomen waarde betaald te krijgen. Als het arbeidsloon in het geheel niet of onvoldoende zou stijgen om de toegenomen waarden van de levensbenodigdheden te compenseren, zou de prijs van de arbeid beneden de waarde van de arbeid dalen en zou de levensstandaard van de arbeider er slechter op worden.

Er zou echter ook een verandering in omgekeerde richting kunnen plaatsvinden. Krachtens de toegenomen productiviteit van de arbeid zou dezelfde hoeveelheid dagelijkse gemiddelde levensbenodigdheden van drie tot twee shilling kunnen dalen of zouden er slechts vier in plaats van zes uren van de arbeidsdag nodig zijn voor het reproduceren van een equivalent van de waarde der dagelijkse levensbenodigdheden. De arbeider zou nu met twee shilling evenveel levensbenodigdheden kunnen kopen als voordien met drie shilling. De waarde van de arbeid zou dan wel gedaald zijn, maar deze verminderde waarde zou dezelfde hoeveelheid waren bestrijken als vroeger. De winst zou dan van drie tot vier shilling stijgen en de winstvoet van 100 tot 200%. Ofschoon de absolute levensstandaard van de arbeider dezelfde zou zijn gebleven, zou zijn relatieve arbeidsloon en daarmee zijn relatieve maatschappelijke positie bij die van de kapitalist vergeleken geringer zijn geworden. Mocht de arbeider zich tegen deze verlaging van het relatieve arbeidsloon verzetten, dan zou dat niet meer zijn dan een poging, voor zich zelf een bepaald aandeel in de vermeerdering van de productiekracht van zijn eigen arbeid te verzekeren en zijn vroegere relatieve positie op de maatschappelijke ladder te handhaven. De Engelse fabrikanten hebben b.v., na het afschaffen van de graanwetten en met flagrante schending van de gedurende de agitatie tegen de graanwetten plechtig afgelegde beloften, het arbeidsloon in het algemeen met 10% verlaagd. Het verzet van de arbeiders werd aanvankelijk onderdrukt, maar als gevolg van omstandigheden, waarop ik nu niet kan ingaan, werden die verloren 10% achteraf teruggewonnen.

2. De waarde van de levensbenodigdheden en derhalve de waarde van de arbeid kunnen dezelfde blijven, maar hun geldprijzen kunnen tengevolge van een voorafgaande verandering in de waarde van het geld een wijziging ondergaan.

Door de ontdekking van rijkere mijnen en dergelijke zou b.v. de productie van twee ons goud niet meer arbeid behoeven te kosten dan vroeger die van één ons. De waarde van het goud zou dan met de helft of 50% verminderd zijn. Daar nu de waarden van alle andere waren, uitgedrukt in hun vroegere geldprijzen, verdubbeld zouden zijn, zou dat ook met de waarde van de arbeid het geval zijn. Twaalf uur arbeid, vroeger uitgedrukt in zes shilling, zouden nu in twaalf shilling worden uitgedrukt. Zou het loon van de arbeider, in plaats van tot zes shilling te stijgen, drie shilling blijven, dan zou de geldprijs van zijn arbeid nog maar gelijk zijn aan de halve waarde van zijn arbeid en zou zijn levensstandaard schrikbarend dalen. Dit zou in meerdere of mindere mate ook dan plaatsvinden, wanneer zijn arbeidsloon weliswaar zou stijgen, doch niet in verhouding tot de waardevermindering van het goud. In zo’n geval zou er niets veranderd zijn, noch de productiekracht van de arbeid, noch vraag en aanbod, noch de waarden. Er zou niets veranderd kunnen zijn behalve de geldnamen van die waarden. Als men zegt, dat de arbeider in dit geval niet op een evenredige loonsverhoging zou mogen aandringen, dan wil dat zeggen, dat hij er zich bij moet neerleggen met namen in plaats van met zaken betaald te worden. De gehele geschiedenis bewijst, dat telkens wanneer een dergelijke geldontwaarding plaatsvindt, de kapitalisten zich deze gelegenheid niet laten ontgaan om de arbeider het vel over de oren te halen. Een uiterst talrijke school van politieke economen verzekert, dat als gevolg van de ontdekking van nieuwe goudvelden, van de betere exploitatie van de zilvermijnen en de goedkopere aanvoer van kwikzilver de waarde van de edele metalen weer gedaald is. Dit zou verklaren, waarom op het vasteland overal en tegelijkertijd pogingen worden ondernomen om een verhoging van de lonen te bewerkstelligen.

3. Wij hebben tot nu toe verondersteld, dat de arbeidsdag gegeven grenzen heeft. De arbeidsdag heeft op zich zelf echter geen constante grenzen. Het kapitaal heeft voortdurend de neiging die tot de uiterste, fysiek mogelijke lengte uit te rekken, omdat in dezelfde mate de meerarbeid en dientengevolge de daaruit voortvloeiende winst vermeerderd worden. Hoe meer succes het kapitaal heeft met het verlengen van de arbeidsdag, des te groter is de hoeveelheid arbeid, die het zich van anderen zal toe-eigenen. Gedurende de 17de en zelfs gedurende twee derde deel van de 18de eeuw was een tienurige arbeidsdag in geheel Engeland een normale arbeidsdag. Tijdens de oorlog tegen de Jakobijnen (15), die in werkelijkheid een oorlog was die door de Britse baronnen gevoerd werd tegen de Britse arbeidersmassa’s, vierde het kapitaal zijn orgieën en verlengde de arbeidsdag van 10 tot 12, 14, 18 uur. Malthus, die u beslist niet van huilerige sentimentaliteit zult verdenken, publiceerde omstreeks 1815 een pamflet, waarin hij verklaarde, dat, wanneer deze toestand zou voortduren, het leven van de natie direct in zijn wortel zou worden aangetast. Enkele jaren voordat de pas uitgevonden machines algemeen werden ingevoerd, omstreeks 1765, verscheen in Engeland een pamflet onder de titel An Essay on Trade. De anonieme schrijver, een gezworen vijand van de werkende klassen, weidt daarin uit over de noodzakelijkheid de grenzen van de arbeidsdag te verruimen. Tot dit doel stelt hij onder andere werkbuizen voor, die, naar hij zegt, `Huizen der Verschrikking’ moeten zijn. En wat is de duur .van de arbeidsdag, die hij voor deze `Huizen der Verschrikking’ voorschrijft Twaalf uur, precies dezelfde tijd, die in 1832 door kapitalisten, politieke economen en ministers niet alleen tot de bestaande, doch tot de noodzakelijke arbeidstijd van een kind beneden de twaalf jaar werd verklaard. (16)

Doordat de arbeider zijn arbeidskracht verkoopt – en onder het tegenwoordige systeem moet hij dat doen – verleent hij de kapitalist het recht deze kracht te verbruiken, zij het binnen bepaalde redelijke grenzen. Hij verkoopt zijn arbeidskracht om ze, afgezien van haar natuurlijke slijtage, in stand te houden en niet om haar te vernietigen. Doordat hij zijn arbeidskracht tegen haar dag- of weekwaarde verkoopt, geldt het als vanzelfsprekend, dat deze arbeidskracht in één dag of één week niet aan een slijtage, gelijk aan die van twee dagen of van twee weken wordt blootgesteld. Neem een machine, die £ 1000 waard is. Als ze in tien jaar wordt verbruikt, voegt ze aan de waarde van de waren, aan de productie waarvan ze meewerkt, jaarlijks £ toe. Als ze in vijf jaar verbruikt zou worden, zou ze jaarlijks £ 200 toevoegen. De waarde van haar jaarlijkse slijtage staat dus in omgekeerde verhouding tot de tijdsduur, waarin ze wordt verbruikt. Hierin verschilt echter de arbeider van de machine. Een machine wordt niet geheel in de zelfde verhouding, waarin ze wordt verbruikt, oud ijzer. De mens daarentegen heeft in een sterkere verhouding dan uit een louter numerieke vermeerdering van de arbeid zou blijken, te lijden onder een verval van krachten.

Als de arbeiders proberen de arbeidsdag tot zijn vroegere redelijke omvang terug te brengen of daar, waar zij de wettelijke vaststelling van een normale arbeidsdag niet kunnen afdwingen, het overwerk beteugelen door een loonsverhoging, niet alleen in verhouding tot het verlangde overwerk, maar in een grotere verhouding, doen zij daarmee niet meer dan een plicht tegenover zich zelf en hun geslacht. Alleen zij zijn het, die grenzen stellen aan de tirannieke inbreuken van het kapitaal. Tijd is de ruimte voor de ontwikkeling van de mens. Een mens, die niet over vrije tijd beschikt, wiens gehele leven – afgezien van zuiver fysieke onderbrekingen voor slaap, maaltijden enz. – opgeslokt wordt door zijn arbeid voor de kapitalist, is minder dan een lastdier. Hij is niet meer dan een machine voor het produceren van andermans rijkdom, lichamelijk gebroken en geestelijk verruwd. Desondanks toont de gehele geschiedenis van de moderne industrie aan, dat het kapitaal, wanneer het niet binnen de perken wordt gehouden, er genadeloos en zonder erbarmen op uit is de gehele arbeidersklasse in de toestand van diepste verwording te storten.

Bij het verlengen van de arbeidsdag kan de kapitalist een hoger arbeidsloon betalen en toch de waarde van de arbeid verminderen, ingeval de loonsverhoging niet in overeenstemming is met de grotere hoeveelheid afgedwongen arbeid en met de daardoor veroorzaakte snellere ontreddering van de arbeidskracht. Dat kan ook op een andere manier gebeuren. Uw burgerlijke statistici zullen u b.v. verklaren, dat het gemiddelde loon van de fabrieksarbeidersgezinnen in Lancashire gestegen is. Ze vergeten, dat in plaats van de arbeid van de man, het hoofd van het gezin, nu zijn vrouw en misschien drie of vier kinderen onder de Jagannath-wielen” (17) van het kapitaal geslingerd zijn en dat de stijging van hun totale arbeidsloon geenszins in overeenstemming is met de totale meerarbeid, die uit het gezin wordt geperst.

Zelfs bij de gegeven grenzen van de arbeidsdag, zoals die op het ogenblik in alle industrietakken bestaat die aan de fabriekswetten onderworpen zijn, kan een loonsverhoging noodzakelijk worden al was het alleen maar om de oude normale waarde van de arbeid in stand te houden. Door verhoging van de intensiteit van de arbeid kan een man ertoe gebracht worden in één uur evenveel levenskracht te verbruiken als vroeger in twee. Dat is in de industrietakken, die aan de fabriekswetgeving werden onderworpen, tot op zekere hoogte gebeurd door de machines sneller te laten lopen en door vermeerdering van het aantal machines, dat door één man thans moet worden bediend. Wanneer de toename van de arbeidsintensiteit of de in een uur verbruikte hoeveelheid arbeid in een redelijke verhouding staat tot de verkorting van de arbeidsdag, zal de arbeider daar nog bij winnen. Als die grens wordt overschreden, verliest hij in de ene vorm wat hij in de andere vorm wint; op die manier kunnen tien uren arbeid even verderfelijk worden als voordien twaalf uren. Als de arbeider tegen deze tendens van het kapitaal ingaat, doordat hij strijd voert voor een loonsverhoging die in overeenstemming is met de stijgende arbeidsintensiteit, verzet hij zich slechts tegen de waardevermindering van zijn arbeid en tegen de achteruitgang van zijn geslacht.

4. U weet allen, dat de kapitalistische productie zich in bepaalde periodieke cycli beweegt, over de oorzaken waarvan ik nu niet behoef uit te weiden. Ze doorloopt achtereenvolgens de toestand van stilstand, toenemende opleving, bloei, overproductie, crisis en stagnatie. De marktprijzen van de waren en de marktpercentages van de winst houden met deze fasen gelijke tred, nu eens onder hun gemiddelde dalend, dan weer daar boven uit stijgend. Als u de gehele cyclus bekijkt zult u ontdekken, dat de ene afwijking van de marktprijs opgeheven wordt door de andere en dat, als we het gemiddelde van de cyclus nemen, de marktprijzen van de waren gereguleerd worden door hun waarden. Mooi! Tijdens de fase van dalende marktprijzen, evenals gedurende de fasen van crisis en stagnatie, staat de arbeider, zo hij al niet op straat gegooid wordt, een verlaging van het arbeidsloon te wachten. Om niet aan het kortste eind te trekken, moet hij, zelfs tijdens een dergelijke daling van de marktprijzen, met de kapitalist erover onderhandelen in welke evenredige mate een loonsverlaging noodzakelijk geworden is. Als hij niet al gedurende de fase van bloei, wanneer er extra winsten worden gemaakt, voor een loonsverhoging heeft gevochten, komt hij, in doorsnee over een industriële cyclus gerekend, niet eens op zijn gemiddelde loon of de waarde van zijn arbeid. Het is het toppunt van ongerijmdheid te verlangen, dat hij, terwijl zijn arbeidsloon noodzakelijkerwijze door de ongunstige fasen van de cyclus benadeeld wordt, ervan af zou zien zich gedurende de fase van de bloei schadeloos te stellen. In het algemeen gesproken worden de waarden van alle waren slechts gerealiseerd doordat de voortdurend veranderende marktprijzen, voortspruitend uit de voortdurende fluctuatie van vraag en aanbod, elkaar opheffen. Op grondslag van het tegenwoordige systeem is de arbeid slechts een waar als alle andere’ waren. Hij moet dan ook dezelfde fluctuaties ondergaan om een gemiddelde prijs te behalen die met zijn waarde overeenkomt. Het zou absurd zijn de arbeid enerzijds als waar te behandelen en aan de andere kant te verlangen, dat hij buiten de wetten valt, die de warenprijzen reguleren. De slaaf ontvangt een geregelde vaste hoeveelheid om in zijn levensonderhoud te voorzien; de loonarbeider krijgt dat niet. Hij moet proberen in het ene geval een loonsverhoging binnen te krijgen, al was het alleen maar om zich in het andere geval ten minste schadeloos gesteld te weten voor een loonsverlaging. Als hij zich er tevreden mee zou stellen de wil en de voorschriften van de kapitalist als een duurzame economische wet te dulden, zou hem alle ellende van de, slaaf, zonder het verzekerde bestaan van die slaaf, ten deel vallen.

5. In al de gevallen, die ik aan een beschouwing heb onderworpen – en dat zijn er 99 van de 100 – hebt u gezien, dat een gevecht om een loonsverhoging slechts wordt gevoerd in het spoor van voorafgaande veranderingen en het noodzakelijke resultaat is van voorafgaande veranderingen in de omvang der productie, de productiekracht van de arbeid, de waarde van de arbeid, de waarde van het geld, de duur of de intensiteit van de uitgeperste arbeid, de fluctuaties van de marktprijzen, afhankelijk van fluctuaties van vraag en aanbod en in overeenstemming met de verschillende fasen van de industriële cyclus – kortom, als een afweerreactie van de arbeid tegen de voorafgaande actie van het kapitaal. Als u het vechten voor een loonsverhoging onafhankelijk van al deze omstandigheden neemt, als u slechts op de veranderingen van het loon let en alle andere veranderingen waaruit ze voortspruiten buiten beschouwing laat, gaat u van een verkeerd uitgangspunt uit en komt u tot verkeerde gevolgtrekkingen.

Voetnoten

(15) De reeks van oorlogen, die Engeland van 1793 tot 1815, in de periode van de Franse revolutie, tegen Frankrijk heeft gevoerd. Tijdens deze oorlogen stelde de Engelse regering een regiem van terreur in tegen de Engelse werkende bevolking. Ze onderdrukte verschillende opstanden en vaardigde wetten uit, die elke vorming van organisaties door arbeiders verboden.
(16) Van februari tot maart 1832 werd in het Lagerhuis gedebatteerd over de in 1831 ingediende wet op de beperking van de arbeidsdag voor kinderen en jeugdigen tot tien uur.
(17) Jagannath = een van de gestalten van de god Wizjnoe uit de Hindoegodsdienst. De Jagannath-cultus onderscheidde zich door een bijzonder fanatisme. Bij grote feesten wierpen gelovigen zich onder de wagen, waarop een afbeelding van Wizjnoe-Jagannath was geplaatst.

>> Inhoudstafel

Print Friendly, PDF & Email