Lenin: een biografische schets

Op 21 januari 1924 overleed Vladimir Ilyich Oeljanov, alias Lenin. Hij speelde een cruciale rol in de ontwikkeling van een revolutionaire kracht in Rusland die in staat was om de wereld dooreen te schudden met de machtsovername door arbeiders en boeren na de Oktoberrevolutie van 1917.

Eind 19e eeuw ontwikkelde in Rusland een laag van burgerlijke intellectuelen waarvan er een aantal socialistische ideeën begonnen op te nemen – zij het op een weinig ontwikkelde wijze. De zogenaamde volksvrienden of Narodniki namen een aantal elementen van utopische socialisten over. Een deel van hen ging over tot individueel terrorisme, o.a. met de moord op tsaar Alexander II in 1881, maar een ander deel splitste zich in 1879 af en vormde onder leiding van Plechanov de Narodnaya Volya (de wil van het volk). In 1883 stichtte Plechanov samen met Axelrod en Zasselitsj een embryonale organisatie die de Russische Sociaal-democratische Arbeiderspartij (RSDAP) zou worden.

Vladimir Ilyich Oeljanov werd in 1870 geboren in Simbirsk. Hij groeit op onder moeilijke omstandigheden, zo overleed zijn vader in 1886. Alexander, zijn oudere broer en Narodniki, werd in 1887 geëxecuteerd nadat hij deelnam aan een samenzwering om de tsaar te vermoorden. Vladimir Ilyich zag hier reeds op welke wijze de tactiek van het individueel terrorisme tot omgekeerde resultaten kan leiden… Vanaf 1893 raakt hij betrokken in een marxistische studiekring en verhuist hij naar St. Petersburg. Lenin publiceerde in 1893 reeds een eerste brochure onder de titel “Over het zogenaamde vraagstuk der markten”. De jonge jurist werd opgemerkt door de leiding van de marxisten als een bijzonder talentvolle aanwinst voor hun organisatie.

De revolutionaire activiteiten van Lenin werden echter niet enkel door de marxistische groep rond Plechanov opgemerkt. In 1896 werd Lenin opgepakt en bleef hij in de gevangenis tot hij in 1897 verbannen werd naar Shushenskoye in Siberië. Na die ballingschap vertrekt Lenin naar Europa waar hij als emigrant een belangrijke rol speelde in de ontwikkeling van de Russische marxisten.

Zo lag hij mee aan de basis van het blad Iskra (de vonk) dat geproduceerd werd in het buitenland door figuren als Plechanov, Martov en Trotski. Het blad werd verspreid onder groepen arbeiders in Rusland. Het idee was om de partij op te bouwen rond het blad dat een politieke vorming bood aan zowel de schrijvers als de lezers en tevens nieuws van arbeidersstrijd kon brengen.

Op het congres van de RSDAP in 1903 kwam het tot een splitsing tussen bolsjevieken (meerderheid) en mensjevieken (minderheid). In de lente van 1904 vatte Lenin de discussies van het congres samen in zijn boek “Eén stap voorwaarts, twee stappen achteruit”. De meningsverschillen gingen tussen het standpunt dat het congres het hoogste orgaan van de partij was en een pragmatische opportunistische positie. Martov en zijn aanhangers zeiden dat “iedere staker” een lid zou moeten kunnen zijn, maar in de praktijk hanteerden ze de lossere standaard voor lidmaatschap vooral voor hun academische vrienden, waardoor iedere professor en iedere student lid konden worden. Die konden lid worden zonder deelname aan het interne leven van de partij – zonder verantwoordelijkheden of verplichtingen.

In de daaropvolgende jaren vormden de Bolsjewieken duidelijk het arbeiderselement binnen de Sociaal-democratische partij. Bij de eerste Russische revolutie van 1905 waren de mensjewieken ervan overtuigd dat de kapitalistische klasse moest betrokken worden in de beweging omdat de volgende fase van de Russische ontwikkeling zou bestaan uit een democratische kapitalistische samenleving. De Bolsjevieken anderzijds benadrukten de onafhankelijkheid van de arbeidersklasse en de noodzaak om geen vertrouwen te hebben of zich te onderwerpen aan de kapitalisten, zelfs al werden de democratische taken van de revolutie benadrukt: het omverwerpen van de tsaar, het vraagstuk van de landbouwgrond oplossen, nationale bevrijding. De revolutie van 1905 leidde tot een nederlaag waarop verschillende jaren van reactie volgden.

Pas met de heropleving van arbeidersstrijd in 1912 werden de Bolsjewieken en de Mensjewieken ook formeel verschillende partijen. Deze splitsing werd bevestigd bij het uitbreken van de eerste Wereldoorlog waarbij Plechanov het Russische imperialisme steunde in de oorlog.

Bij de aanvang van de eerste wereldoorlog stonden de tegenstanders van de oorlog vrij geïsoleerd. Lenin was één van de deelnemers aan de conferentie in Zimmerwald waar hij gelijkgestemde activisten vond zoals Leon Trotski, Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht,… Het werd echter snel duidelijk dat de oorlog niets te bieden had voor een meerderheid van de bevolking, integendeel. In februari 1917 brak de zwakste schakel in het geallieerde front, Rusland. De oorlogsmoeheid van de Russische arbeiders en boeren zette zich om in een revolutionaire beweging die korte metten maakte met het rotte regime van de tsaar. Er kwam een burgerlijke Voorlopige Regering aan de macht, maar die bleek niet in staat een oplossing te bieden. Problemen als het nationaliteitenvraagstuk, de herverdeling van de landbouwgrond onder de boeren en de vraag naar arbeiderszelfbeheer werden niet opgelost.

Dit leidde opnieuw tot felle discussies binnen de bolsjevistische rangen. De februarirevolutie was naar haar politiek programma nog een burgerlijke revolutie, een revolutie gericht tegen het verrotte semi-feodale staatsapparaat van het absolutisme. Stalin en Kamenev beschouwden het als hun voornaamste taak “kritisch loyale steun” te verlenen aan de Voorlopige Regering.

In zijn Brieven van verre trachtte Lenin de in Rusland werkende bolsjevieken aan te sporen tot een actieve oppositie tegen de regering. De brieven werden gewoon door Stalin, Kamenev en Molotov achtergehouden. Maar Lenin moet een uitspraak van de oude Marx indachtig geweest zijn: in politiek is alles geoorloofd, ook een pakt met de duivel, zolang men de duivel maar manipuleert en niet omgekeerd. Van Martov, de leider van de mensjevieken, kreeg hij het idee om in te spelen op de hoop van het Duitse opperbevel dat een spoedige nederlaag van Rusland de druk op het Duitse leger in het Oosten zou verminderen waardoor een beslissend offensief aan het westelijk front Duitsland de totale overwinning zou bezorgen. De Duitse inlichtingen-diensten wisten maar al te goed van deze lugubere bolsjevieken “die bereid waren hun vaderland op te offeren voor hun sinistere politieke doeleinden.”

In feite was de militaire situatie aan het westelijk front voor het Duitse opperbevel zo hopeloos aan het worden dat het elk waterkansje zou aangrijpen om troepen uit het Oosten vrij te maken voor een laatste offensief in Frankrijk. Vanuit deze optiek verkreeg Lenin, nadat zowel de Franse als de Britse regering de vrije doortocht geweigerd hadden, van de Duitse autoriteiten de toelating om eind maart met een handvol partijgenoten in een verzegelde trein door Duitsland te reizen en zo naar Rusland terug te keren.

Toen Lenin op 3 april van de trein stapte in het Finland-station van Petrograd werd hij opgewacht door een opgewonden menigte van duizenden arbeiders en een minder opgewonden afvaardiging van mensjevistische en sociaalrevolutionaire leiders. Lenin ging onmiddellijk in tegen de lijn van de Pravda en sprak zich fel uit tegen de Voorlopige Regering. Hij lanceerde zijn ‘Aprilstellingen’. Op 8 april verwierpen 13 van de 15 leden van het Petrogradse bestuur van de partij de aprilstellingen. Door geduldigde en diplomatische discussies kon Lenin de partij uiteindelijk achter zich scharen. Intussen groeiden de Bolsjevieken tussen februari en juli 1917 van 24.000 tot 240.000 leden.

In oktober 1917 slaagden de Bolsjevieken erin het regime te verslaan. De bolsjevieken kozen ervoor om de machtsovername samen te laten vallen met het Tweede Alrussische Congres van de Sovjets op 26 oktober 1917. Vanaf de 20ste oktober legde het Militair Revolutionaire Comité (MRC) van de Petrogradse sovjet onder leiding van Trotski de laatste hand aan de praktische voorbereiding van de acties. Op 24 oktober beval Kerenski de arrestatie van het MRC. Op 25 oktober, om 2 uur ’s morgens gaf Trotski, vanuit het bolsjevistische hoofdkwartier in het Smolny-instituut, een in beslag genomen onderwijsinstelling voor adellijke jongedames, het startsein voor de machtsovername.

“De laatste fase, toen de opstandelingen de conventies van de dubbele heerschappij met hun dubbelzinnige legaliteit en verdedigingsfraseologie definitief lieten vallen, duurde precies 24 uur: van 2 uur in de nacht van de 25ste tot 2 uur in de nacht van de 26ste. In dit tijdvak maakte het MRC openlijk gebruik van de wapens om de stad te veroveren en de regering gevangen te nemen: er namen in het algemeen zoveel krachten aan de operaties deel, als nodig waren, om de beperkte taak te vervullen en in elk geval nauwelijks meer dan vijfentwintig à dertigduizend man.” (Trotski, Geschiedenis der Russische Revolutie, dl.III, p.1312)

Met een minimum aan bloedvergieten vielen de voornaamste strategische knooppunten van Petrograd in de handen van de opstandelingen. In Moskou, waar de contrarevolutie steviger wortels in de grond had gezonken, organiseerden mensjevistische en sociaalrevolutionaire leiders een witte garde die meedogenloos en willekeurig arbeiders begon neer te sabelen. Hier duurden de straatgevechten geen 24 uur, maar zes dagen: tot 2 november.

In ieder geval was het aantal te betreuren slachtoffers aan beide zijden een fractie van het aantal dat in de februaridagen was gebleven. Deze relatief onbloedige overwinning was het gevolg van de gedetailleerde planning en de pijnlijk secure politieke berekening van de bolsjevieken. Een dergelijke afwikkeling van de revolutie was nooit mogelijk geweest, wanneer de Oktoberrevolutie (zoals burgerlijke commentatoren vaak beweren) geen echte revolutie was geweest maar een staatsgreep.

In het jaar van de revolutie, 1917, wonnen de Bolsjewieken de steun van een meerderheid van de arbeiders en soldaten. De politieke groep die op een moeilijke wijze tot stand kwam in 1903, won in aanzien doorheen de verschillende strijdbewegingen en de Bolsjewieken toonden aan dat ze in staat waren om de machtsovername door de arbeidersklasse mogelijk te maken – een historische gebeurtenis die de rest van de wereld op haar grondvesten deed daveren.

De prille arbeidersstaat werd zwaar onder vuur genomen door alle imperialistische landen. De Sovjetunie werd van alle zijden belaagd en bleef geïsoleerd door het mislukken van de revoluties in Europa. De bolsjewieken waren genoodzaakt de staatsmacht steeds meer te centraliseren, zodat de staat zich tot de bevolking begint te verhouden “zoals de politieagent tegenover de wachtrij voor het rantsoenbedelinglokaal”. (Trotski). Schaarste die leidt tot corruptie vormt de voornaamste voedingsbodem voor de vorming van de staatsbureaucratie als parasitaire kaste.

Vanaf 1921 werd de Nieuwe Economische Politiek (NEP) ingevoerd. De gewapende tegenstand is overwonnen, maar de Sovjetunie lag in puin. Daarom was er een beperkte herinvoering van het kapitalisme ter heropbouw van Rusland. De bureaucratie vond geleidelijk een politieke uitdrukking in het optreden van Stalin en zijn vertrouwelingen. Dit leidde ertoe dat Trotski in 1923 de Linkse Oppositie oprichtte om de bureaucratie te bestrijden.

Lenin was inmiddels zwaar ziek. Eind 1922, begin 1923 waarschuwde hij reeds voor de groeiende macht van Stalin. Maar zijn gezondheid verhinderde een actieve deelname aan de vorming van een politieke oppositie tegen de opkomende bureaucratie. Op 4 januari suggereerde Lenin dat Stalin moest afgezet worden als algemeen secretaris van de partij. Nadien stelde hij Trotski voor om een blok te vormen tegen de bureaucratie en tegen Stalin en diens aanhangers. Dit werd enkel doorkruist door gezondheidsproblemen die uiteindelijk leidden tot het overlijden van Lenin op 21 januari 1924.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie