Tienanmen 1989. Zeven weken die de wereld deed daveren

Op 15 april 1989 stierf Hu Yaobang, de voormalige secretaris-generaal van de Communistische Partij, aan een hartaanval. Dit was het signaal voor het begin van één van de grootste bewegingen in de moderne geschiedenis. Een beweging die groter werd dan de initiatiefnemers ooit hadden kunnen hopen en die dicht bij het omverwerpen van het dictatoriaal regime van de zogenaamde “Communistische Partij” kwam.

Op 17 april stapten ongeveer 700 studenten en leraars 15 kilometer van hun universiteit naar het Tienanmen-plein (het “Plein van de Hemelse Vrede”) in het centrum van de Chinese hoofdstad. Ze riepen “Lang leve Hu Yaobang! Lang leve democratie! Weg met de corruptie! Weg met de autocratie!” In de weken die daarop volgden, zouden die slogans in de hele wereld weerklank vinden. Miljoenen mensen zouden zich aansluiten bij de demonstraties in Peking en meer dan 110 andere steden in China.

De beweging werd uiteindelijk bloedig neergeslagen. Op de acties zongen de betogers vaak de Internationale en waren er slogans voor het socialisme. De stelling van het regime dat dit een burgerlijke contrarevolutie was, klopte niet. Vijf dagen na de eerste bescheiden betoging negeerden meer dan 200.000 mensen een betogingverbod op de dag van de begrafenis van Hu. Er werd een studentenstaking van onbepaalde duur aangekondigd in meer dan 20 universiteiten en hogescholen in Peking. Er werd ook een organisatie opgezet om de beweging te coördineren. Half mei begonnen de arbeiders zich eveneens te organiseren en werd de basis gelegd voor onafhankelijke vakbonden. De Chinese leiders waren vooral daar bang van. De Russische revolutionair Trotski stelde destijds dat een revolutie plaatsgrijpt als de massa’s directe invloed krijgen en zich bewust worden van hun macht om die invloed uit te oefenen. Dat is inderdaad wat er in China gebeurde in 1989. Het Chinese regime van Deng Xiaoping kreeg vanuit het westen veel lof voor het doorvoeren van elementen van kapitalisme, maar bleek tegenover de beweging in eigen land verward en onmachtig te staan. Regering en leger waren verdeeld.

Onze organisatie schreef op dat ogenblik: “Alle voorwaarden voor de vreedzame omverwerping van het regime waren aanwezig. Het enige wat ontbrak, was een duidelijk programma, strategie en tactiek” (Militant, 9 juni 1989). In de nacht van 3 op 4 juni richtte Deng Xiaoping met zijn medestanders van de harde lijn een bloedbad aan om de controle te herstellen. Deng mobiliseerde meer dan 200.000 soldaten om de hoofdstad binnen te vallen. Dat aantal soldaten komt ongeveer overeen met het aantal Amerikaanse soldaten dat werd gemobiliseerd om in 2003 Irak binnen te vallen.

Mensenrechtenorganisatie Amnesty International heeft het over minstens 1.000 doden bij confrontaties in het stadscentrum. In de weken en maanden na het neerslaan van de opstand werden meer dan 40.000 mensen opgepakt. Het waren vooral arbeiders die werden geviseerd, veel meer dan de studenten. Arbeiders die stakingen hadden georganiseerd of pogingen daartoe ondernamen, werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen of werden zelfs geëxecuteerd. De autonome federatie van arbeiders van Peking had opgeroepen tot een algemene staking in een poging om de militaire repressie te stoppen. De groep werd er door het regime van beschuldigd een gewapende opstand te hebben gepland tegen de regering. De aanhangers van de arbeidersfederatie werden massaal opgepakt.

Intussen is er in China al meer dan 20 jaar een verbod op berichtgeving over “liu si” (4 juni). Enkel de officiële versie van het regime mag aan bod komen. Volgens die versie vielen er geen doden en moest Deng ingrijpen om sociale chaos te vermijden en de verdere ontwikkeling van China te beschermen. De snelle economische groei van China in de jaren 1990 en het begin van deze eeuw vormde de historische rechtvaardiging voor de tussenkomst van het regime.

Het neerslaan van de opstand had niets te maken met een verzet tegen een terugkeer van het kapitalisme in China. Een aantal Chinese leiders probeerde dit zo voor te stellen, maar het was het regime zelf dat in toenemende mate neoliberale hervormingen doorvoerde in combinatie met een hernieuwd autoritair bewind. Diegenen die stellen dat kapitalisme en democratie hand in hand gaan, hebben het overigens niet makkelijk om te verklaren wat er in China gebeurd is in 1989 of waarom het Chinese model zo populair is bij Westerse multinationals. Vandaag lijken de jaren 1980 in China een gouden periode te zijn geweest op het vlak van openheid en mogelijkheid tot publieke discussie. Een petitie van de “Moeders van Tienanmen” (een groep van ouders en verwanten van mensen die omkwamen in 1989) stelde dat China een “hermetisch gesloten pot” is geworden.

Dit jaar was het Chinese regime extra op haar hoede. Het was immers de 20ste verjaardag van de opstand en bovendien vond deze plaats tegen de achtergrond van een economische crisis. Enkel in Hong Kong kon vrij betoogd worden bij de herdenking van 4 juni. Dit jaar waren er maar liefst 200.000 aanwezigen op deze actie. In de rest van China werden de veiligheidsmaatregelen opgedreven en was er een hardere repressie tegen pro-democratie activisten maar ook tegen linkse en socialistische oppositiestemmen.

Van waar kwam de beweging in 1989?

Studenten in Peking wilden actie voeren naar aanleiding van de 70ste verjaardag van de studentenbeweging van 4 mei 1919. Tegelijk wilden ze de acties volhouden tot aan het historisch bezoek van de Russische leider Gorbatsjov op 15 mei 1989. Gorbatsjov werd gezien als een voorstander van democratische hervormingen in het communistische (of beter gezegd: het stalinistische) blok. De studenten hadden een lange lijst met klachten opgesteld. Ze wilden hervormingen, maar vreesden wel dat dit zou gepaard gaan met de intrede van de markt in de economie zoals dit het geval was in Oost-Europa en steeds meer ook in China.

Het nieuws van de dood van Hu Yaobang zette de studenten ertoe aan om de actieplannen te versnellen. Er werd actie gevoerd onder het motto om “de doden te eren door kritiek te hebben op de levenden.” Hu was als partijleider opzij geschoven in januari 1987 nadat hij ervan werd beschuldigd dat hij te zacht was ingegaan tegen studentenbewegingen in Shangai en Peking in december 1986. De bureaucraten van de harde lijn aan de top van het regime waren bang voor politieke onstabiliteit. Ze dwongen Deng om zijn voormalige bondgenoot Hu op te offeren. Net als Deng was Hu een pionier van de pro-kapitalistische hervormingen sinds 1978.

Het ontslag van Hu leidde niet tot een koersveranderingen. Hu werd opgevolgd door Zhao Ziyang, een nog openlijker pro-kapitalistische hervormer. Hu leek inhoudelijk meer aan te leunen bij de Tsjechoslowaakse leider Alexander Dubček die in 1968 probeerde een “communisme met een menselijk gelaat” te ontwikkelen, maar daarbij op een invasie vanuit de Sovjetunie botste. De hervormingen in China in de jaren 1980 leidden tot grote veranderingen en gaven aanleiding tot verschillende bewegingen. Zo waren er in 1989 ernstige rellen en straatprotesten in Tibet. Dat protest werd repressief neergeslagen door Hu Jintao, de toenmalige partijbaas in Tibet. De repressie in Tibet was een voorbode voor wat zou plaatsvinden in Peking.

De snelle hervormingen hadden geleid tot een scherpe inflatie van 31%, het hoogste niveau sinds de revolutie in 1949. Meer dan een miljoen ondernemingen sloten de deuren als gevolg van besparingsoperaties van de regering. Dat versterkte het ongenoegen. Er werd aan de top van het regime meer dan een jaar gediscussieerd over de prijshervormingen van Zhao. Deng had deze politiek aanvankelijk gesteund omdat het de prijszetting door de overheid zou loslaten. Voorheen waren er enerzijds prijzen die door de overheid waren vastgelegd en anderzijds prijzen die door de markt werden bepaald. Dat systeem zorgde ervoor dat een deel van de bureaucratie goederen van de overheid kocht om het duurder te verkopen op de markt. Zhao wou daar een einde aan maken door de overheidscontrole op de prijzen los te laten. Het resultaat zou eruit bestaan dat de werkenden en armen meer zouden moeten betalen voor tal van goederen.

Een groot deel van de bevolking was tegen deze hervorming gekant en dat leidde tot politieke impasse aan de top. Enkele maanden na het neerslaan van de opstand werden de hervormingen alsnog doorgevoerd. Toen de dreiging van massale acties was gaan liggen, werd het “hervormingsproces” onverminderd verder gezet.

Stalinistisch systeem in crisis

De linkse socialist Stephen Jolly (vandaag gemeenteraadslid voor de Socialist Party in het Australische Melbourne) was in Peking in 1989. In zijn ooggetuigenverslag schreef hij: “Ik had het gevoel dat ik in het centrum van de wereld stond”. Het was duidelijk dat het resultaat van de beweging verregaande gevolgen zou hebben op de rest van de wereld.

In het westen was het neoliberaal offensief tegen de arbeidersklasse al begonnen, maar dit proces werd versneld door de crisis en ineenstorting van de stalinistische regimes. De stalinistische landen werden getroffen door aanhoudende en opeenvolgende crisissen sinds eind jaren 1970. De snelle industrialisering in de beginjaren – als gevolg van de voordelen van de centrale planning en het staatsbezit van de productiemiddelen – begon te stagneren door de verstikkende rol van de bureaucratie. Dat was onvermijdelijk omdat er geen actieve inbreng en betrokkenheid van bredere lagen was bij het organiseren van de samenleving en de economie. De combinatie van economische crisis, de repressieve aard van de stalinistische dictaturen en de aanvallen van de bureaucratie op de sociale verworvenheden leidden tot een groeiende onverschilligheid tegenover het “socialisme” dat als term werd geclaimd door de regimes in het Oostblok. Een groot aantal intellectuelen en elementen binnen de bureaucratie begonnen zich af te keren van het “socialisme.

In heel het stalinistisch blok, zowel in China, Hongarije, Polen als Joegoslavië, begonnen delen van de bureaucratie uit te kijken naar het kapitalisme als mogelijke reddingsboei om de eigen macht en privileges te beschermen. De machtsovername van Deng Xiaoping in 1978 na de nederlaag van de maoïstische “Bende van Vier” vormde een cruciaal keerpunt in China. Er kwam geen volledig uitgewerkt plan om het kapitalisme in China te herstellen, maar er was een “pragmatische” poging om een aantal kapitalistische elementen te introduceren binnen een bureaucratisch geplande economie. Elementen als hogere vergoedingen voor managers, beperking van de sociale bescherming van arbeiders, meer ruimte voor private investeringen en rijkdom kregen steeds meer een vrijgeleide. In de loop van de jaren 1980 ontwikkelde een vrij openlijk kapitalistische vleugel in het Chinese regime. Deng en Zhao waren daar boegbeelden van.

De gevolgen van de economische veranderingen waren verregaand. Tussen 1979 en 1983 werd de landbouw in China geprivatiseerd. De problemen in de landbouw werden niet aangegrepen voor een herorganisatie ervan op democratische wijze zoals marxisten dat zouden voorstellen, maar voor een privatisering. Dit had gevolgen op het vlak van onderwijs en gezondheidszorg op het Chinese platteland. Die elementen van sociale bescherming waren voorheen in grote mate afhankelijk van de collectieve boerderijen.

Een andere maatregel bestond uit het toestaan van een grote economische autonomie aan de Chinese kustprovincies die werden aangemoedigd om zich in te schakelen in de wereldeconomie. Er werden een aantal speciale economische zones opgezet die volledig op kapitalistische leest waren geschoeid. Nadien werden deze zones systematisch uitgebreid. Andere hervormingen ondermijnden de jobzekerheid en sociale voordelen van mensen die voor de staat werkten. In de officiële staatspropaganda werd sociale ongelijkheid geloofd als een instrument om de economische ontwikkeling te stimuleren. De “verwende” arbeiders kregen ervan langs omdat ze teveel sociale voordelen hadden. In 1986 werd de permanente werkzekerheid in de overheidssector afgeschaft. Deze veranderingen betekenden niet dat het kapitalisme opnieuw was ingevoerd, maar het zorgde wel voor een belangrijke uitholling van de fundamenten van de planeconomie en het ondermijnde de positie van de arbeidersklasse.

Karakter van de beweging in 1989

In China zelf is er door de afwezigheid van informatie en discussie vaak verwarring over de gebeurtenissen in 1989. Een aantal aanhangers van het Chinese regime stellen dat de beweging pro-Westers was en dat de betogers marionetten waren van het buitenlandse imperialisme. Dat idee wordt ook naar voor gebracht door neo-Maoïsten in China. Een aantal toenmalige leiders van de beweging hebben intussen effectief een openlijk pro-kapitalistische positie ingenomen.

Een aantal jongeren begint dit argument echter te verwerpen en ziet de gebeurtenissen op het Plein van de Hemelse Vrede als een echte volksopstand. Zoals de meeste massabewegingen was ook de beweging in China in 1989 complex en divers. Dat was onvermijdelijk, zeker tegen de achtergrond van een partijdictatuur en het ontbreken van onafhankelijke organisaties van de arbeidersklasse en andere onderdrukte lagen.

De beweging bestond uit mensen van alle politieke strekkingen. Er waren inderdaad elementen met illusies in de Westerse democratie en nog meer met illusies in het zogenaamde “Taiwanese model”. Maar dat was slechts één van de strekkingen in de beweging. Het was een invloedrijke strekking, maar niet van doorslaggevende aard. Anderen pleitten voor een vernieuwing van het socialisme waarbij sommigen uitkeken naar Gorbatsjov als bron van inspiratie. Maar vooral onder de arbeiders groeide het verzet tegen de markthervormingen en was er de wil om de staatseconomie te verdedigen. Dat werd gezien als de grootste verwezenlijking van de revolutie van 1949.

Naast de verschillende standpunten was er wel een gemeenschappelijk element dat bij alle betogers aanwezig was: de roep naar democratische rechten en als gevolg van die eis ook een groeiend verzet tegen het regime. Er was echter geen eensgezindheid over wat er in de plaats van dat regime moest komen. De aanzet voor de beweging kwam van intellectuelen en studenten die vandaag “neoliberaal” zouden worden genoemd, maar die toen meer genuanceerde standpunten verdedigden.

De meeste studentenleiders wilden het regime niet omver werpen maar enkel de krachtsverhoudingen binnen het regime veranderen ten gunste van Zhao en de hervormingsgezinde vleugel van de partij. “Ons doel was om de regering naar ons te laten luisteren en met ons te praten”, stelde studentenleider Wuerkaixi achteraf. “Dat was onze enige echte eis.”

Zodra de psychologische grens om openlijk in verzet te komen tegen het regime was overschreden, werd de studentenbeweging een aantrekkingskracht voor al het opgekropte ongenoegen in de samenleving. De deur werd open gezet voor krachten in de samenleving die andere opvattingen en doelstellingen hadden als de studentenleiders.

Onder de studenten was er verdeeldheid tussen de oudere en eerder geprivilegieerde laag die Zhao wilde ondersteunen en een jongere meer radicale vleugel die vond dat Zhao niet fundamenteel verschilde van de rest van de regering en bijgevolg deel van het probleem was. Veel jonge betogers richtten zich tegen de zonen en dochters van de topfiguren van het regime. De kinderen van zowel Deng als Zhao waren erg bedreven in het verzamelen van persoonlijke macht en rijkdom. Die kinderen werden op de korrel genomen door miljoenen betogers. Zo was er een populaire slogan: “Voorzitter Mao stuurde zijn zoon uit om te vechten [in Korea], Lin Biao stuurde zijn zoon uit om een coup te plegen, Deng Xiaoping stuurde zijn zoon uit om geld te verzamelen en Zhao Ziyang stuurde zijn zoon uit om winst te maken met de verkoop van televisietoestellen.”

Er doken ook maoïstische opvattingen op onder de betogers. Op een aantal betogingen in industriesteden werden portretten van Mao meegedragen als verwijzing naar de zogenaamd corruptieloze levensstijl van de bureaucratie in de tijd van Mao tegenover de levensstijl van de miljonairs onder Deng. Dit element was minder aanwezig in Peking waar veel studenten weigerachtig stonden tegenover Mao die werd gezien als nog meer autoritair als zijn opvolgers. Maar zelfs in Peking namen studenten elementen en slogans op die deden denken aan de Culturele Revolutie van Mao.

De studenten begonnen op 12 mei aan een hongerstaking. Dat was een omstreden actiemiddel en sommige liberale intellectuelen vonden het te radicaal. Op dat ogenblik raakten steeds bredere lagen van de bevolking betrokken bij de beweging en dat veranderde de koers ervan. Van een protestbeweging om één vleugel van de bureaucratie te steunen tegen een andere vleugel, werd de beweging steeds meer gekenmerkt door een openlijk protest tegen het volledige regime.

De beweging in Peking was uniek in het stalinistische blok. Daar evolueerde de beweging steeds meer in een anti-kapitalistische richting. Wang Hui stelde in 2006 in de New York Times dat deze beweging ontstond als “een reactie op de problemen als gevolg van de snelle herinvoering van het kapitalisme in China.”

In 1989 was een politieke revolutie om de verworvenheden van de Chinese revolutie te verdedigen en uit te breiden onder een nieuw regime met democratische arbeiderscontrole en beheer, zeker mogelijk geweest. Het onbrak evenwel aan een marxistische organisatie met wortels in de arbeidersklasse en de studentenbeweging die richting kon geven aan de beweging door deze te wapenen met een duidelijk programma en correcte tactieken. Zo’n kracht had een bewuste vertaling kunnen geven aan de onbewuste processen in de samenleving om zo een socialistisch alternatief op het kapitalisme en het stalinisme naar voor te brengen.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie