Een terugblik op de Eerste Intifada (1987-1993)

Op 9 december 1987 begon een volksopstand in de bezette gebieden en nadien ook in de Arabische steden en dorpen in Israël. Het was het begin van de Eerste Intifada. De onmiddellijke aanleiding was een dodelijk verkeersongeval met een Israëlische vrachtwagen en een Palestijnse taxi op de Gazastrook. De onderliggende oorzaak was de impasse waarin de strijd voor de Palestijnse bevrijding zich bevond.

De strategie van de PLO van Yasser Arafat faalde. Die strategie was erop gericht om steun te zoeken bij de Arabische landen om een gewapende bevrijdingsstrijd van buitenaf te voeren. De Arabische landen waren verdeeld en hadden allemaal een eigen agenda, waarbij de Palestijnse zaak niet door woog. De Jordaanse koning Hussein onderhandelde bijvoorbeeld in het geheim met de Israëli’s om een deel van de Westelijke Jordaanoever te verwerven, hij zag die regio als een provincie van zijn koninkrijk.

De opstand werd mee geleid door de interne clandestiene leiding van het Palestijns verzet. De beweging nam echter een dermate grote omvang aan dat er een situatie van dubbelmacht kwam. De Israëlische autoriteiten en de Palestijnse lokale autoriteiten hadden geen enkele controle meer. Ze konden enkel iets opleggen indien de beweging ermee instemde. De reële macht lag bij de volkscomités in de steden, dorpen en vluchtelingenkampen. Hierdoor ontstond er ook een lokale leiding. De beweging was zo krachtig dat koning Hussein de banden tussen Jordanië en de Westelijke Jordaanoever verbrak. Sinsdien was de “Jordaanse oplossing” van de baan en was een Palestijnse onafhankelijkheid de enige realistische oplossing.

Er was een harde repressie tegen de massabeweging. Daarbij vielen 1.162 Palestijnse doden (waaronder 241 kinderen). Duizenden anderen werden gewond. De repressie slaagde er echter nooit in om de beweging volledig te breken. Er werden vrouwencomités opgezet om de bevoorrading te organiseren toen de Israëlische autoriteiten het verzet probeerden te breken door de bevolking uit te hongeren.

De opstand leidde in de Israëlische samenleving tot een polarisering tussen diegenen die de kaart van de repressie wilden trekken en diegenen die het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk wilden erkennen. Er werd getwijfeld en het leger trok aan het langste eind. Zowat 1.500 soldaten weigerden om op te treden in de Palestijnse gebieden.

De PLO-leiding begreep vanuit het buitenland het gevaar van de situatie. Vanuit Tunesië had deze leiding geen enkele greep op de gebeurtenissen. Bovendien riskeerde ze opnieuw aan de deur gezet te worden, maar deze keer door de Palestijnse bevolking en niet door het Israëlische regime. Daarom tekende de PLO de Oslo-akkoorden die een beperkte autonomie toekenden voor enkele delen van de bezette gebieden. Yasser Arafat gebruikte zijn autoriteit om de leiding in Palestina zelf ervan te overtuigen om de beweging stop te zetten. De volkscomités werden vervangen door ambtenaren en de PLO-politie. De Palestijnse Autoriteit kwam tot stand.

Het Israëlische regime zette de bevolking van de bezette gebieden steeds meer voor voldongen feiten (de bouw van nieuwe kolonies,…). De onderhandelingen over het statuut van de bezette gebieden werd steeds uitgesteld. Deze wanhopige situatie vormde de basis voor de Tweede Intifada.

De nederlaag van de Eerste Intifada kwam voort uit de houding van haar politieke verlengstuk, de PLO, die een burgerlijke staat wou vestigen in Palestina. De nederlaag leidde tot wanhoopsacties waaruit Hamas groeide. Om een overwinning te boeken zal er een politiek instrument nodig zijn dat zich baseert op de eenheid van arbeiders en jongeren in de strijd voor een socialistisch alternatief. Een dergelijke formatie zou bondgenoten zoeken onder de arbeiders en jongeren in Israël.

 

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie