Moordenaar Julien Lahaut bekent: “Ik schoot”

In 1950 werd de communistische voorman en parlementslid Julien Lahaut vermoord. De aanleiding werd gevormd door een kreet die Lahaut (mogelijk was het echter Henri Glinneur die riep en niet Lahaut) in het parlement lanceerde bij de eedaflegging van koning Boudewijn. Het parlement werd toen opgeschrokken door de leuze “Vive la république”. Na de koningskwestie was dat een gevoelige uitspraak en Lahaut bekocht het met zijn leven. De moordenaar van toen bekent nu dat hij de dader was.

Lahaut was een belangrijk figuur voor de linkerzijde in dit land. Voor WO2 speelde hij een cruciale rol in het vakbondsverzet in het Luikse. Na de oorlog werd hij voorzitter van de KPB (Communistische Partij van België). In de periode vlak na WO2 had de KPB een vrij grote steun in de samenleving, onder meer omwille van de rol die de partij had gespeeld in het verzet (ook al was de partij er niet bepaald op voorbereid bij het begin van de oorlog – dit onder meer omwille van een foute inschatting dat het stalinisme maakte van een oorlog). Ondanks de fouten van de KPB speelden militanten als Lahaut een belangrijke rol in het organiseren van protest en acties. Zo was er op 1 mei 1941 een staking van communisten en linkse socialisten in Luik. De eerste verjaardag van de bezetting leidde tot een staking bij Cockerill in Seraing. Lahaut speelde daar een belangrijke rol in.

In 1950 was Lahaut één van de communistische vertegenwoordigers in het Belgische parlement. De KPB scoorde vlak na WO2 goede scores bij de verkiezingen. De partij slaagde er niet in om dat potentieel waar te maken, onder meer door tot regeringen toe te treden en bewegingen af te remmen. Maar de aanwezigheid van linkse parlementsleden versterkte wel bijvoorbeeld de strijd van de arbeidersbeweging ten tijde van de koningskwestie. Strijdbare arbeiders en hun gezinnen wensten na de collaboratie van Leopold III niet dat de koning terug zou keren naar ons land. Het thema verhitte de gemoederen en het land leek in twee gesplitst te zijn met een scherpe tegenstelling tussen voor- en tegenstanders van de koning. Langs Franstalige kant was er een overwicht van tegenstanders, langs Vlaamse kant van voorstanders (met uitzondering van Antwerpen en Gent waar een meerderheid tegen de koning was). Het leidde tot een “Belgisch compromis”: de koning zou niet terugkomen, maar zijn zoon zou de fakkel overnemen. Het was het begin van een lange periode dat Boudewijn koning zou zijn.

De eedaflegging van Boudewijn leidde tot protest. Zelfs in het parlement weerklonk de leuze “Vive la république”. Lahaut werd hiervoor vermoord en als bij toeval slaagden de politiediensten er niet in om de daders te achterhalen. Het feit dat vandaag, 57 jaar later, journalisten in staat zijn om de daders te ontmaskeren en reeds lang bestaande pistes te bevestigen, doet enkel het vermoeden versterken dat het onderzoek naar de moord op Lahaut niet mocht gevoerd worden. Het kan bijna niet anders dan dat er inmenging van bovenaf was om het tegen te houden. Of toch alleszins om te maken dat de daders niet zouden gekend zijn. Waarom? In wiens opdracht handelden de daders dan wel? Dat is natuurlijk de cruciale vraag waarop nog steeds geen antwoord is gekomen. Het verloop van de discussie geeft wel aan dat die opdrachtgevers vrij hooggeplaatst moeten geweest zijn.

Sinds midden jaren 1980 werd ervan uitgegaan dat de moordenaar van Lahaut ene “Adolphe” uit Halle was. Later werd bekend dat dit François Goossens was. Die maakte deel uit van een verzetsgroepering die trouw zwoor aan de koning en die na de oorlog deelnam aan anticommunistische acties. Deze groep vreesde de invloed van de communisten en wou daar een dam tegen opwerpen, desnoods gewapenderhand met de wapens die het had overgehouden aan de verzetsperiode tijdens WO2. Dit soort gewapende groepen kon de steun genieten van onder meer de CIA. De afgelopen decennia was er heel wat te doen over de zogenaamde Gladio-netwerken (netwerken van hooggeplaatsten en gewapende groepen die zich verenigden in een geheime strijd tegen het communisme). De volledige omvang van dit Gladio-netwerk is tot op de dag van vandaag onbekend, maar het bestaan ervan wordt zelden nog ontkend.

Nu blijkt dat de echte moordenaar van Lahaut nog in leven is en zijn “eer” in het gebeuren komt opeisen. In een reportage die zal vertoond worden op Canvas doet de moordenaar zijn zeg. Hij vroeg om anoniem te blijven, maar aangezien het om iemand uit de entourage van François Goossens was, bleek het niet moeilijk om Eugène Devillé (86 jaar) uit Halle te ontmaskeren. Daarmee wordt de theorie bevestigd dat er sprake was van een politieke afrekening door koningsgezinden die het gemunt hadden op de communistenleider en republikein Lahaut. De moordenaars kwamen uit de hoek van de anti-communistische inlichtingendiensten en hadden klaarblijkelijk steun van hogerhand (misschien zelfs een bevel of vraag tot actie?). Na de moord kregen de daders bescherming, er wordt zelfs gesuggereerd dat ook de kerkelijke top in dit land daarbij betrokken was. In de Canvas-documentaire zou gewezen worden op een vergadering in een klooster in Halle midden 1951 met onder meer de rechterhand van kardinaal Van Roey. Maar om niet vervolgd te worden, zal er ook van elders steun nodig geweest zijn.

De moord op Lahaut blijft heel wat vragen oproepen die niet beantwoord zijn met de bekendmaking van de dader. Integendeel, die bekendmaking door journalisten is net extra stof voor vragen over de opdrachtgevers en de beschermheren van de moordenaars.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie