De revolutie die niet doorging. Lezing bij videoreconstructie van Mieke van de Voort

Hieronder de inleiding van een lezing op 26 november 2005 tijdens de videopresentatie van Mieke van de Voort bij de Open Atelierdagen in de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Op de website van het Open Atelier is het werk van deze kunstenaar te bezichtigen. Het bestaat uit fragmenten van haar videoreconstructie van de “Rode novemberweek” in 1918: het uitspannen van de paarden tijdens de oranjefurie op het Malieveld op 18 november, het zingen van “De Internationale” door de communistische veteraan Gerrit Porck (zoon van soldatenraadlid Gerrit Porck), en het wapperen van de rode vlag boven de poort van de Cavaleriekazerne (de hedendaagse Rijksakademie van Beeldende Kunsten) in de Sarphatistraat in Amsterdam. Onder de poort van de kazerne, op de plek waar Porck staat te zingen, heeft Mieke van de Voort een steen laten metselen ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de schietpartij voor de kazerne op 13 november 1918.

Mijn naam is Ron Blom en ik promoveerde op 31 maart 2004 op het proefschrift “Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ‘14-’18”. Een onderzoek dat niet alleen gepleegd werd uit een behoefte aan wetenschappelijk onderzoek. Het had evenzeer te maken met een politieke, een gevoelsmatige betrokkenheid. Ik ben gedurende mijn militaire diensttijd actief geweest in de soldatenvakbond VVDM en tegenwoordig ben ik lid van de socialistische organisatie Offensief. Ik moest dan ook regelmatig denken aan een motto van de door Italiaanse fascisten vermoorde marxist Antonio Gramsci: ‘De vergissing van de intellectueel bestaat hierin, dat hij gelooft dat men kan weten zonder te begrijpen en vooral zonder te voelen, zonder gepassioneerd te zijn (niet alleen voor het weten op zich, maar voor het object daarvan).’

Om te beginnen wil ik Mieke van de Voort hartelijk bedanken, omdat zij me hier voor de tweede maal in staat stelt iets te vertellen over de laatste revolutiepoging in Nederland. We hebben het hier over de fameuze oproep tot revolutie van SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra in november 1918. De Sociaal-Democratische Arbeiders Partij, de radicale voorloper van de PvdA, was de grootste socialistische politieke organisatie van die dagen. Troelstra deed zijn revolutiepoging vol passie en hij voelde zich gedreven door daadkracht en revolutionair sentiment.

Toch mislukte dit. Waarom slaagde hij, de SDAP en andere linksen er niet in om in Nederland een socialistische maatschappij te vestigen? Wat gebeurde er nu precies in de zogeheten Rode Week van november 1918?

Ik zal een poging doen tot het formuleren van een antwoord. Vanzelfsprekend kan dit niet uitputtend zijn gezien de beschikbare tijd. Echter we kunnen wellicht na de lezing hier nog wat dieper op in gaan door middel van het stellen van vragen en het voeren van discussie. Daarbij zullen we vanzelfsprekend ook stil staan bij de schietpartij, die hier op 13 november 1918 voor de deur plaats vond.

Na vier jaren van oorlog heerste er in de herfst van 1918 chaos in heel Europa. In de oorlog waren meer dan 10 miljoen doden gevallen. Een jaar eerder had er al een socialistische revolutie plaatsgevonden in Rusland. En nu was het ook onrustig geworden in het Duitse Rijk. Maar ook in ons land, dat als neutrale natie niet aan de gevechtshandelingen meedeed, was er grote ontevredenheid. Er was sprake van enorme werkloosheid, honger en de Spaanse griep waarde rond die duizenden slachtoffers vergde.

Bovendien begon ook in ons land de mobilisatiemoeheid toe te nemen. Zo brak er op 25 oktober een opstand uit onder soldaten in de Harskamp. Maar daar niet alleen. In een groot aantal andere plaatsen muitten de Nederlandse soldaten. Ze wilden niet langer ver van huis onder de wapenen blijven.

De diverse linkse organisaties hadden hun eigen soldaten- en matrozenclubs. Sommigen daarvan zoals de met de sociaal-democratie sympathiserende Bond van Nederlandsche Dienstplichtigen (BvND) en de Bond voor Minder Marinepersoneel (BvMMP) waren vooral vakbondsmatig actief. Zij steunden net zoals de SDAP de mobilisatie, omdat daarmee volgens hen de neutraliteit van Nederland gediend zou zijn. Dit was de zogeheten politiek van de godsvrede. De nationale eenheid boven de klassenverschillen. De meer radicale anarchistische en communistische stromingen (de in 1909 van de SDAP afgesplitste Sociaal Democratische Partij zou in 1918 een naamsverandering ondergaan en heette voortaan Communistische Partij) hadden hun eigen soldaten- en arbeidersraden. Geïnspireerd door het Russische en later het Duitse voorbeeld wilden ze organen creëren die een rol konden spelen bij het vervangen van het kapitalisme door een socialistische maatschappijvorm. Omdat de arbeiders- en soldatenraden onvoldoende invloedrijk waren speelden zij net als de op de sociaal-democratie georiënteerde BvND en BvMMP geen belangrijke rol bij de oktoberonlusten in de Nederlandse kazernes en legerplaatsen.

Op 11 november 1918, de dag dat de officiële wapenstilstand tussen de oorlogvoerende naties werd getekend, sprak Troelstra ’s avonds in het Rotterdamse Verkooplokaal op een partijmeeting. Er heerste een gepassioneerde sfeer. De socialistenleider voelde dit prima aan: ‘…hier noch elders woonde ik ooit een avond bij van zo grote historische betekenis als deze: wij komen hier om te spreken op het ogenblik, dat ook ons, de arbeidersklasse, de macht in handen zal geven! (luid applaus) …Bezoedelt deze grote tijd niet door onwaardige daden; laat er eenmaal worden gezegd: het Nederlandse proletariaat toonde zich berekend voor zijn taak, de Nederlandse proletarische revolutie is geweest het gloriepunt in de geschiedenis van Nederland! (langdurig geestdriftig applaus).” Troelstra riep op tot de vorming van een Opperste Raad van Arbeiders en Soldaten. De leider van de sociaal-democratische BvND, A.C. Butselaar had hem laten weten dat de soldaten van zijn bond de SDAP-leider zouden volgen. Dat wekte wel enige bevreemding. Tot dan toe hadden de met de SDAP samenwerkende soldaten- en matrozenorganisaties zich vanwege de godsvredepolitiek verre gehouden van het stichten van raden. Bovendien benadrukten de leidingen van de diverse sociaal-democratische organisaties dat zij niets te maken hadden met de muiterijen in de kazernes van oktober dat jaar. Kennelijk schatte Troelstra in dat de SDAP van links ingehaald zou worden door de radicalere anarchisten en communisten. Na de vergadering ging iedereen bezield maar rustig, weer uiteen.

De volgende dag hield Troelstra, als SDAP-fractieleider in de Tweede Kamer opnieuw een vurig betoog: “…thans is de tijd aan ons gekomen niet om te vragen 80 gram meer brood, niet om afgescheept te worden met kleine sociale hervormingen, die intussen altijd zo verschrikkelijk in dit parlement duren en zo droevig zijn het onderwerp van het politieke geharrewar der partijen, maar om thans, nu de politieke macht aan ons is, de sociale verbeteringen die wij met die macht kunnen verkrijgen, niet te vragen in een verlanglijstje, maar zelf met behulp van hen die met ons willen samenwerken, wie zij ook mogen zijn, zo spoedig mogelijk en zo afdoend mogelijk tot stand te brengen…”. De uren-durende rede van Troelstra maakte grote indruk.

Ook bij de heersende machten. De schrik zat er goed in bij het establishment. De eerste dagen hadden velen lijdzaam toegekeken en dat had de inlichtingendienst verontrust en op 12 november kwam de ‘contra-revolutie’ goed op gang. Namens de regering deelde minister-president Ruys de Beerenbrouck mee, dat besloten was tot demobilisatie met een financiële tegemoet­koming en dat de voedselsituatie verbeterd zou worden. De plotseling afgekondigde demobilisatie door de regering kwam tegemoet aan de meeste klachten van de militairen. Het kwam dan ook niet tot een grote steunbeweging onder de soldaten voor de revolutiepoging van Troelstra.

Betrouwbare troepen werden naar de grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag gestuurd. Tot slot werd de Bijzonder Vrijwillige Landstorm opgeroepen ter versterking van het regeringsgezag. Binnen het leger werkte men ook aan de contrarevolutie. Daar werd de ‘Bond van Regee­ringsgetrouwen’ opgericht. Pamfletten riepen soldaten op hier lid van te worden. De inlich­tingendienst werkte hiera­an mee. Op woensdag 13 novem­ber werden de militaire plannen voor een deel uit­gevoerd. Strateg­ische punten in Den Haag, Rotterdam en Amster­dam werden onder m­ilitaire bewaking gesteld. Gemeentes kregen de opdracht burge­rwachten te formeren. In een proclamatie riep de regering de bevolking op niet het voorbeeld van Rusland te volgen. In hetzelfde regerings­schrij­ven stonden allerlei beloftes, die tegemoet moesten komen aan de onder de bevolking levende onvrede..

De houding van de SDAP was op die dag inmiddels niet meer bepaald revolutio­nair te noemen. Troelstra werd in eigen kring onder ware druk gezet. Vele SDAP-prominenten distantieerden zich van hem, vooral omdat hij zich tegen de partijafspraken in te revolu­tionair had opge­steld. Zij wilden voortgaan op de weg van geleidelijke parlementaire hervormingen. Toch was de revolutiedeining nog niet geheel weg. Op SDAP-federatie- en afdelings­vergaderingen werd ’s middags en ’s avonds krasse taal gesproken. Met name in Amsterdam, Den Haag, Enschede en Zaan­dam waren er massale bijeenkomst­en. Velen verwachtten de omwenteling. Het feit dat het Revolu­tionair Sociali­stisch Comité, een samenwerkingsverband van onder andere anarchisten en communisten, die dag zijn mede­wer­king toezegde (zonder overigens tot samenwerking te komen), ver­hoogde de strijdlust.

Het RSC hield overdag eveneens in Amsterdam bijeenkomsten in de Handwerkers Vrien­denkring, die zeer druk bezocht waren. Zo woonden een 200-tal soldaten de meetings bij.. Na afloop was er ’s avonds een grote demonstratie van meer dan 3.000 mensen met aan de kop de communisten Henriëtte Roland Holst en David Wijnkoop. Het eindpunt van de demon­stratie had moeten zijn de Oranje-Nassau-kazerne, waar een lid van de Amsterdamse soldatenraad zou worden vastgehouden. In de Sarphati­straat, hier voor de deur, ging het echter mis. De Rijksakademie van Beeldende Kunsten is gevestigd in wat toen een Cavaleriekazerne was. Bij de ka­zerne aangekomen riepen de demonstranten de huzaren op zich aan te slui­ten. Onduidelijk is wat er toen precies gebeurde. Zeker is dat er geschoten werd vanuit de kazerne. Maar ook de revolutionairen lieten zich niet onbetuigd. Diverse leden van de Amsterdamse Soldaten- en Arbeidersraad, liepen mee met de massa, waaronder zo’n 400 soldaten en matrozen. Zij zongen socialistische liederen. Aangekomen bij de cavaleriekazerne probeerden zij om het toegangshek met een bijl te forceren. Een lid van de soldaten- en arbeidersraad trok een revolver om daarmee te schieten op de gewapende wacht aan de kazernepoort. Daarna gooide hij een granaat, die niet afging. Deze handgranaat was geleverd door een politie-infiltrant. Dat gebeurde ook in die dagen al. De revolutionairen hadden overigens zeer zeker de beschikking over scherpe granaten. Die hadden hun arbeiders- en soldatenraadkameraden werkzaam bij de nabij gevestigde munitiefabriek de Hembrug al reeds geruime tijd in handen. Zowel voor als na deze gebeurtenis verspreidden de ‘revolutionaire raden van arbeiders en soldaten’ ongeveer 5000 pamfletten gericht aan de militairen.

Het gevolg van de schietpartij was: vijf doden en achttien gewon­den. Na de schermutselingen hier voor de deur van Sarphatistraat 470 bereikte slechts het voorste gedeelte van de demonstratie de verderop gelegen Oranje Nassau-kazerne. De uitgedunde stoet werd daar ontbonden. Donderdag was na de tumultueus verlopen demonstratie een rustige dag. Het RSC riep op tot een nieuwe demonstratie, waar de commune van Amsterdam had moeten worden uitgeroepen. De meeting trok echter maar 100 mensen. Kennelijk had het incident bij de cavaleriekazerne de mensen afgeschrokken.

Ofschoon het incident in de Sarphatistraat slechts één van de vele demonstraties en manifestaties in het land was, was het ook tegelijkertijd een belangrijke krachtmeting waarbij het gebruik van vuurwapens niet geschuwd werd. De volgende dagen werd het duidelijk dat de revolutiepoging mislukt was. Troelstra gaf in de Tweede Kamer en ook op het in het weekend van 17 en 17 november gehouden SDAP-congres publiekelijk toe dat hij zich vergist had.

De dag na de rode nederlaag, op maandag 18 november, reed koningin Wilhelmina in een koets over het Malieveld in Den Haag. Een grote menigte van in het oranje geklede mensen wachtte haar op. Een groep militairen spande de paarden van de koets uit. Zij namen de plaats in van de dieren en trokken samen met een aantal burgers de koets verder. Achteraf werd duidelijk dat dit alles niet zo spontaan gebeurde als men wel wilde doen geloven. De soldaten hadden namelijk het bevel gekregen om de plaats van de paarden in te nemen.

Had het anders kunnen lopen? Wellicht. Er vonden in die periode nog wel besprekingen plaats tussen vertegen­woordigers van het RSC aan de ene kant en SDAP en NVV aan de andere kant. Het doel was om op één lijn te komen. Maar de SDAP bleek de uit­gangspunten van het RSC, het grijpen van de staatsmacht, niet te waarderen. De meerderheid van de SDAP-leiding bleek geen revolutie te willen, maar slechts inwilli­ging van haar programma. Een deel van de nagestreefde eisen werd ook binnen gehaald. Er kwam een acht-uren werkdag, sociale voorzieningen als de ouderdomsvoorziening en algemeen vrouwenkiesrecht.

De bloedige confrontatie voor het gebouw van de cavaleriekazerne in de Sarphatistraat 470 toonde de zwakheid van revolutionair links aan. De autoriteiten waren er in geslaagd om de revolutionair-socialisten te verlammen. De leiders waren geschrokken en trokken zich terug. De revolutionairen waren niet voorbereid op het voeren van straatgevechten, barrikadegevechten en ze waren simpelweg niet in staat om een plan ten uitvoer te brengen om de politieke macht over te nemen. Aan de andere kant we weten niet wat er gebeurd zou zijn als de Amsterdamse soldaten- en arbeidersraad de scherpe granaten gebruikt zou hebben in plaats van die zij door de politie-informant geleverd kregen.

De sociaal-democratische leider Troelstra, die met zijn revolutieoproep de rode week had doen beginnen vergiste zich niet alleen in de relatie tussen de sociaal-democraten en de burgermaatschappij. Hij overschatte ook de kracht en de invloed van de SDAP in de krijgsmacht. Slechts een kleine minderheid van de soldaten was bereid om zijn oproep te volgen. Vanwege de gebrekkige politieke invloed lukte het de socialisten niet om gebruik te maken van de toenemende onvrede in het leger. De muiterijen en de onrust in leger en burgermaatschappij konden niet omgevormd worden tot een serieuze bedreiging van de Nederlandse staat en de heersende orde.

De revolutieoproep van Troelstra was de laatste poging om een socialistische revolutie te doen plaatsvinden in Nederland. Betekent dit dat het kapitalisme het einde van de geschiedenis inluidt en dat het zogeheten marktsysteem gewonnen heeft. Ik denk van niet. Na de val van de Berlijnse Muur en het stalinistische systeem is er een nieuwe generatie van jongeren opgestaan die op zoek zijn naar een wereld zonder uitbuiting, zonder oorlogen en racisme en die geïnspireerd worden door socialistische denkers en doeners als Karl Marx en Friedrich Engels. Jonge werknemers, studenten, activisten in de anti-globaliseringsbeweging, vakbondsactivisten en “oudere” socialisten kunnen op wereldschaal samenwerken in een poging om die andere wereld te realiseren. Een socialistische maatschappij gebaseerd op vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Op die manier kunnen we een eerbetoon brengen aan de revolutionairen van die rode week in november 1918 zoals Henriette Roland Holst, die haar autobiografie de titel meegaf “Het vuur brandde voort”. We kunnen dat opvatten als een gepassioneerde aansporing om door te gaan.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie