Het overgangsprogramma. De doodsstrijd van het kapitalisme en de taken van de Vierde Internationale

Inhoud

  1. De objectieve voorwaarden voor de socialistische revolutie
  2. Het proletariaat en zijn leiding
  3. Minimum-programma en overgangsprogramma
  4. De glijdende loonschaal en de glijdende uurschaal
  5. De vakbonden in het overgangstijdperk
  6. De fabriekscomités
  7. Het “zakengeheim” en de arbeiderscontrole
  8. De onteigening van afzonderlijke kapitaalsgroepen
  9. De onteigening van de particuliere banken en het tot staatszaak maken van het kredietsysteem
  10. Stakingsposten, weerafdelingen, arbeidersmilitie, bewapening van het proletariaat
  11. Verbond van arbeiders en boeren
  12. Strijd tegen imperialisme en oorlog
  13. Arbeiders- en boerenregering
  14. De sovjets
  15. Onderontwikkelde landen en het overgangsprogramma
  16. Het overgangsprogramma in de fascistische landen
  17. De toestand in de USSR en de taken tijdens de overgangsperiode
  18. Tegen opportunisme en revisionisme
  19. Tegen het sektarisme
  20. Vrij baan voor de jeugd! Vrij baan voor de werkende vrouw!
  21. Onder het vaandel van de Vierde Internationale!

 


 

1. De objectieve voorwaarden voor de socialistische revolutie

Het belangrijkste kenmerk voor de algemene politieke toestand op wereldvlak is de historische crisis van de proletarische leiding.

De economische voorwaarden voor de proletarische revolutie hebben reeds lang het hoogste punt van rijpheid bereikt, dat onder het kapitalisme bereikt kan worden. De productieve krachten van de mensheid zijn opgehouden te groeien. Nieuwe uitvindingen en nieuwe technische vooruitgang brengen geen verhoging van de materiële rijkdom meer met zich mee. In de sociale crisis van heel het kapitalistische systeem leggen conjuncturele crisissen de massa’s steeds zwaardere ontberingen en steeds meer leed op. De groeiende werkloosheid verdiept op haar beurt de crisis van de staatsfinancies en ondergraaft de ontredderde valuta’s. Democratische evenals fascistische regeringen tuimelen van het ene bankroet in het andere.

De bourgeoisie zelf, ziet geen uitweg. In de landen, waar ze reeds gedwongen werd het fascisme als haar laatste troef uit te spelen, stort ze zich met gesloten ogen in een economische en militaire catastrofe. In de historisch bevoorrechte landen, d.w.z. in de landen, waar ze zich ten koste van de oude nationale accumulatie(s) nog voor een zekere tijd de luxe van de democratie veroorloven kan (Engeland, Frankrijk, de Verenigde Staten, enz…) bevinden zich alle traditionele partijen van het kapitaal in een toestand van radeloosheid, die soms aan wilsverlamming grenst. De “New Deal” vertegenwoordigt, ondanks zijn aanvankelijk tentoongespreide vastberadenheid, slechts een bijzondere vorm van radeloosheid, slechts mogelijk in een land, waar de bourgeoisie erin geslaagd is onmetelijke rijkdommen op te hopen. De huidige crisis, die nog helemaal niet ten einde is, leverde reeds het bewijs dat de “New Deal”-politiek [1] in de Verenigde Staten, evenmin als de Volksfront-politiek in Frankrijk [2], een uitweg uit het economische slop betekent.

De internationale verhoudingen laten geen beter beeld zien. Onder de groeiende druk van het kapitalistische verval hebben de imperialistische tegenstellingen de grens bereikt, waarop de verschillende conflicten en bloedige uitbarstingen (Abessinië [3], Spanje, Verre Oosten, Midden-Europa) onvermijdelijk op een wereldbrand moeten uitlopen.

De bourgeoisie is zich vanzelfsprekend bewust van het dodelijke gevaar dat een nieuwe oorlog voor haar heerschappij betekent. Maar ze is thans nog minder in staat de oorlog af te wenden, dan aan de vooravond van 1914.

Al het gepraat, dat de historische voorwaarden voor het socialisme nog “niet rijp” zouden zijn, is slechts een product van onwetendheid of van bewust bedrog. De objectieve voorwaarden voor de proletarische revolutie zijn niet slechts “rijp”, maar zijn al aan het rotten. Zonder sociale revolutie en wel in de eerstvolgende historische periode, wordt de hele menselijke beschaving met een catastrofe bedreigd. Alles hangt af van het proletariaat, d.w.z. in de eerste plaats van haar revolutionaire voorhoede. De historische crisis van de mensheid is terug te voeren op de crisis van de revolutionaire leiding.

2. Het proletariaat en zijn leiding

Economie, staat en politiek van de bourgeoisie, alsmede haar internationale betrekkingen zijn zwaar aangetast door de sociale crisis, die de pré-revolutionaire situatie van de maatschappij kenmerkt. De voornaamste hindernis bij de omzetting van de pré-revolutionaire situatie in een revolutionaire is het opportunistische karakter van de proletarische leiding, haar kleinburgerlijke angst voor de grote bourgeoisie en de verraderlijke band, die zij met haar aanhoudt, zelfs in haar doodsstrijd.

In alle landen is het proletariaat door diepe onrust aangegrepen. Miljoenen mensen geraken steeds opnieuw in revolutionaire beweging, maar telkens weer stoten zij op de tegenstand van haar eigen conservatieve bureaucratische apparaten.

Het Spaanse proletariaat heeft sinds april 1931 een reeks halfslachtige pogingen ondernomen om de macht te grijpen en het lot van de maatschappij in handen te nemen. Zijn eigen partijen echter — sociaal-democratisch, stalinistisch, anarchistisch en POUM — werkten ieder op hun manier als rem, en bereidden zo Franco’s overwinning voor.

De machtige golf van bezettingsstakingen in Frankrijk, vooral in juni 1936, toonde wel aan dat proletariaat klaar stond om het kapitalistische systeem ten val te brengen. Evenwel, de leidende organisaties — socialisten, stalinisten, de vakverenigingen — wisten onder het uithangbord van het Volksfront, tenminste voorlopig, de revolutionaire stroom in te dammen en tegen te houden. [4]

De tot nu toe ongekende grote golf van de “sit-down” (bedrijfsbezettings-)stakingen en de zeer snelle groei van de industriële vakverenigingen in de Verenigde Staten (de C.I.O.) zijn de meest onbetwistbare uiting van het instinctieve streven van de Amerikaanse arbeiders om zich tot op het niveau van de hun door de geschiedenis opgelegde taken te verheffen. Maar ook hier doen de leidende organisaties, de nieuw opgerichte C.I.O. inbegrepen, alles wat ze kunnen om het revolutionaire offensief van de massa’s in toom te houden en te verlammen.

Het definitieve overlopen van de Komintern [5] naar de kant van de burgerlijke orde, haar cynisch contra-revolutionaire rol in heel de wereld, in het bijzonder in Spanje, Frankrijk, de Verenigde Staten en andere “democratische” landen, heeft voor het wereldproletariaat verdere buitengewone moeilijkheden teweeggebracht. Zich verschuilend achter het vaandel van de Oktoberrevolutie doemt de Komintern, door haar politiek van Volksfronten, die een politiek van klassenverzoening is, de arbeidersklasse tot onmacht en effent zij de weg voor het fascisme.

“Volksfronten” enerzijds, fascisme anderzijds, zijn de laatste politieke middelen van het imperialisme in de strijd tegen de proletarische revolutie. Van historisch gezichtspunt uit zijn beide middelen evenwel slechts ficties. De ontbinding van het kapitalisme zet zich voort, in Frankrijk onder het teken van de Phrygische muts [6], in Duitsland onder het hakenkruis. De enige uitweg die nog rest is de omverwerping van de bourgeoisie.

De oriëntatie van de massa’s wordt enerzijds bepaald door de objectieve voorwaarden van het in ontbinding zijnde kapitalisme; anderzijds door de verraderspolitiek van de oude arbeidersorganisaties. Van beide factoren is de eerste natuurlijk de beslissende: de wetten van de geschiedenis zijn sterker dan de bureaucratische apparaten. Hoeveel verschillende methoden de sociaal-verraders ook hebben, van Blums [7] “sociale” wetgeving tot Stalins zwendelprocessen [8] toe, zij zullen er toch nooit in slagen de revolutionaire wil van het proletariaat te breken.

Steeds duidelijker zullen hun vertwijfelde inspanningen om het rad van de geschiedenis terug te draaien, de massa’s tonen, dat de crisis van de proletarische leiding, die tot crisis van de menselijke beschaving uitgegroeid is, alleen door de Vierde Internationale overwonnen kan worden.

3. Minimum-programma en overgangsprogramma

De strategische taak voor de eerstvolgende periode, een voor-revolutionaire periode van agitatie, propaganda en organisatie, bestaat in het overwinnen van de tegenstellingen tussen de rijpheid van de objectieve voorwaarden voor de revolutie en de onrijpheid van het proletariaat en zijn voorhoede (de ontreddering en ontgoocheling van de oude generatie, gebrek aan ervaring van de jongeren). De massa’s moeten bij hun dagelijkse strijd geholpen worden de brug te slaan tussen hun directe eisen en het programma van de socialistische revolutie. Deze brug moet bestaan uit een systeem van overgangseisen die vertrekken van de huidige situatie en het huidig bewustzijn van de brede lagen van de arbeidersklasse en onveranderlijk tot één en dezelfde conclusie voeren: de verovering van de macht door het proletariaat.

De klassieke sociaal-democratie, die haar activiteit ontplooide in het tijdvak van het progressieve kapitalisme, verdeelde haar programma in twee van elkaar onafhankelijke delen: het minimum-programma, dat zich tot hervormingen in het raam van de burgerlijke maatschappij beperkte, en het maximum-programma, dat voor een onbepaalde toekomst de vervanging van het kapitalisme door het socialisme beloofde. Tussen het minimum- en het maximum-programma bestond geen brug. De sociaal-democratie had zo’n brug ook helemaal niet nodig, want over socialisme sprak zij immers slechts op zon- en feestdagen.

De Komintern trad in de voetstappen van de sociaal-democratie in het tijdperk van het in ontbinding verkerende kapitalisme, waarin van systematische sociale hervormingen en van een verhoging van de levensstandaard van de massa’s geen sprake meer kan zijn, waarin de bourgeoisie steeds met de rechterhand het dubbele terugneemt van wat ze met de linkerhand heeft gegeven (belastingen, invoerrechten, inflatie, “deflatie”, hoge prijzen, werkloosheid, politiële reglementering van stakingen, enz.); waarin elke ernstige eis van het proletariaat en zelfs iedere progressieve eis van de kleinburgerij onvermijdelijk de grenzen van het kapitalistische eigendom en de burgerlijke staat overschrijdt.

De strategische taak van de Vierde Internationale bestaat niet in de hervorming, maar in de omverwerping van het kapitalisme. Haar politieke doel is de verovering van de macht door het proletariaat, om de onteigening van de bourgeoisie te realiseren. Deze strategische taak kan echter niet vervuld worden zonder de grootst mogelijke aandacht voor alle problemen in verband met de tactiek, zelfs voor kleine problemen en deelproblemen.

Alle delen van het proletariaat, al zijn lagen, beroepen en groepen moeten in de revolutionaire beweging meegesleept worden. Wat het huidige tijdvak onderscheidt is niet dat in deze periode de revolutionaire partij van het prozaïsche werk van alle dag bevrijd zou zijn, maar dat het nu mogelijk is deze strijd te voeren in onverbrekelijke samenhang met de taken van de revolutie.

De IVe Internationale verwerpt de eisen van het oude “minimum”-programma niet als ze enige levenskracht hebben behouden. Zij verdedigt onvermoeibaar de democratische rechten en sociale verworvenheden van de arbeiders. Zij doet dit werk van elke dag echter in een juist, reëel, t.t.z. een revolutionair perspectief. In de mate dat de oude “minimale” deeleisen van de massa’s botsen met de destructieve en degraderende tendensen van het decadente kapitalisme — en dat gebeurt elke keer — schuift de IVe Internationale een systeem van overgangseisen naar voor, die als bedoeling hebben zich meer en meer openlijk en resoluut op te stellen tegenover de eigenlijke basis van het burgerlijke systeem. Het oude “minimum-programma” wordt telkens weer voorbijgestreefd door het overgangsprogramma, waarvan de taak erin bestaat de massa’s systematische te mobiliseren voor de proletarische revolutie.

4. De glijdende loonschaal en de glijdende uurschaal

In de huidige omstandigheden, nu het kapitalisme in een stadium van ontbinding verkeert, leiden de massa’s het trieste leven van onderdrukten en lopen ze meer dan ooit het gevaar in de afgrond van de armoede geworpen te worden.

Zij zijn gedwongen hun stuk brood te verdedigen, niet in staat het te vergroten of te verbeteren. Het is niet mogelijk en niet nodig om hier de verschillende deeleisen op te sommen, die elke keer in bepaalde nationale, plaatselijke of professionele omstandigheden opduiken. Maar er zijn twee economische kwalen, waarin de groeiende absurditeit van het kapitalisme is samengevat, namelijk de werkloosheid en de levensduurte, die veralgemeende ordewoorden en strijdmethoden eisen.

De Vierde Internationale verklaart de onvoorwaardelijke oorlog aan de politiek van de kapitalisten, die eveneens voor een belangrijk deel de politiek van hun agenten, de reformisten, is, die ertoe neigt, de hele last van het militarisme, de crisis, de wanorde in de geldsystemen en alle andere kwalen van de kapitalistische doodsstrijd op de arbeiders te doen neerkomen. Zij eist werk en een menswaardig bestaan voor iedereen.

Noch geld-inflatie, noch geld-stabilisatie kunnen ordewoorden van het proletariaat zijn, want ze komen beide op hetzelfde neer. Tegen de levensduurte, die naarmate de oorlog dichterbij komt een steeds ongebreidelder karakter krijgt, kan men slechts strijden met het ordewoord van de glijdende loonschaal. De collectieve arbeidsovereenkomsten moeten het automatische stijgen van de lonen gekoppeld aan de stijging van de prijzen van de consumptie-artikels verzekeren.

Zonder gevaar zichzelf tot de ondergang te doemen, kan de arbeidersklasse niet dulden, dat een steeds groeiend deel van de arbeiders in chronisch werklozen worden veranderd, in ellendigen, die van de kruimels van een ondergaande maatschappij leven. Het recht op serieuze arbeid is het enige ernstige recht dat een arbeiders overblijft in een maatschappij die op uitbuiting is gebaseerd. Dit recht wordt hem echter op elk ogenblik ontnomen.

Tegen de werkloosheid, zowel de structurele als de conjuncturele werkloosheid, moet dringend tegelijk met het ordewoord van de openbare werken, het ordewoord van de glijdende urenschaal gesteld worden. De vakbonden en andere massa-organisaties moeten de strijd van hen die werk hebben en van hen die geen werk hebben door de banden van de solidariteit met elkaar verbinden. Het beschikbare werk moet verdeeld worden over alle beschikbare arbeiders, en door deze herverdeling wordt de lengte van de werkweek bepaald. Het loon van elke arbeider blijft natuurlijk hetzelfde als in de oude werkweek. Het loon, met een nauwkeurig gewaarborgd minimum, volgt de beweging van de prijzen. Geen enkel ander programma kan aanvaard worden voor de huidige, rampzalige periode.

De bezitters en hun advocaten zullen de “onmogelijkheid” om deze eisen te realiseren aantonen. De kleinere kapitalisten, vooral diegenen die geruïneerd zijn, zullen bovendien hun boekhouding tonen. De arbeiders zullen deze argumenten en verwijzingen echter resoluut van de hand wijzen. Het gaat hier niet om een “normale” botsing van tegengestelde materiële belangen, het gaat hier er om het proletariaat te bewaren voor verval, ontmoediging en ondergang. Het gaat om leven en dood van de enige scheppende en vooruitstrevende klasse en daarom om de toekomst van de mensheid. Indien het kapitalisme niet in staat is de eisen in te willigen, die onvermijdelijk voortkomen uit de kwalen die het zelf geschapen heeft, blijft dit stelsel niets anders over dan ten onder te gaan. De “mogelijkheid” of “onmogelijkheid” om die eisen te realiseren is in dit geval een kwestie van krachtsverhoudingen, die alleen door de strijd beslist kan worden. Op basis van deze strijd, welke ook zijn onmiddellijke praktische resultaten mogen zijn, zal het best het besef bij de arbeiders groeien, dat de kapitalistische slavernij vernietigd moet worden.

5. De vakbonden in het overgangstijdperk

In de strijd voor deel- en overgangseisen hebben de arbeiders meer dan ooit massa-organisaties, en vooral vakbonden nodig. De machtige groei van de vakbonden in Frankrijk en in de Verenigde Staten is het beste antwoord op de leer van de ultra-gauchisten over de passiviteit, die zegt dat de vakbonden “hun tijd hebben gehad”.

De bolsjewiki-leninisten staan in elke vorm van de strijd in de eerste rijen, zelfs als het alleen maar om materiële belangen of om de meest elementaire democratische rechten van de arbeidersklasse gaat. Ze nemen actief deel aan het leven van de massa-vakbonden en trachten deze vakbonden te versterken en hun strijdbaarheid te verhogen. Ze bestrijden bovendien hardnekkig alle pogingen om de vakbonden aan de burgerlijke staat ondergeschikt te maken en om het proletariaat te knevelen door “gedwongen arbitrage” en alle andere mogelijke vormen van politiële — niet alleen fascistisch, maar ook democratische — tussenkomst. Slechts door middel van dit soort werk is het mogelijk binnen de vakbonden een succesvolle strijd te voeren tegen de reformistische bureaucraten en eveneens tegen de stalinistische bureaucratie. De sektaire pogingen om kleine “revolutionaire” vakbonden als tweede uitgave van de partij te stichten of in stand te houden, betekenen in feite dat men de strijd voor de leiding van de arbeidersklasse opgeeft. Men moet hier een onwrikbaar principe in het oog houden: het laffe zelf-isolement buiten de massa-vakbonden, gelijkwaardig met het verraad aan de revolutie, is onverzoenbaar met lidmaatschap van de IVe Internationale.

Tegelijkertijd verwerpt en veroordeelt de IVe Internationale resoluut elk syndicaal fetisjisme dat eigen is aan “trade-unionisten” en “syndicalisten”. [9]

a. De vakbonden hebben geen afgerond revolutionair programma en kunnen dat ook niet hebben gezien hun taken, hun samenstelling en het karakter van hun ledenwerving; daarom kunnen ze de partij niet vervangen. Het oprichten van nationale revolutionaire partijen, afdelingen van de IVe Internationale, is de centrale opdracht in de overgangsperiode.

b. Zelfs de machtigste vakbonden organiseren niet meer dan 20 à 25% van de arbeidersklasse en dan nog hoofdzakelijk de hoogst gekwalificeerde en best betaalde lagen. De meest onderdrukte meerderheid van de arbeidersklasse wordt slechts episodisch, bij een uitzonderlijke opgang van de arbeidersbeweging, in de strijd betrokken. Op zulke momenten is het noodzakelijk ad hoc-organisaties op te richten, die heel de strijdende massa omvatten: stakingscomités, fabriekscomités en uiteindelijk sovjets.

c. Als organisaties van de hogere lagen van het proletariaat ontwikkelen vakbonden sterke tendensen die uit zijn op verzoening met het burgerlijk-democratische regime; getuige hiervan, de hele historische ervaring, met inbegrip van de recente ervaring in Spanje, met de anarcho-syndicalistische vakbonden. In periodes van scherpe klassenstrijd spannen de leidinggevende apparaten van de vakbonden zich in om meester te worden van de massabewegingen, om ze dan onschadelijk te maken. Dat gebeurt reeds bij eenvoudige stakingen, maar vooraal bij massa-stakingen die gepaard gaan met bedrijfsbezetting, die de principes van het burgerlijke bezit doen wankelen. In tijden van oorlog of revolutie, wanneer de situatie van de burgerij uiterst moeilijk wordt, worden de syndicale leiders gewoon burgerlijke ministers.

De afdelingen van de IVe Internationale moeten er daarom voortdurend naar streven, niet alleen het apparaat van de vakbonden te vernieuwen door op kritieke momenten moedig en vastbesloten nieuwe, strijdbare leiders op de plaats van de geroutineerde functionarissen en carrièristen te zetten, maar ook bij alle gelegenheden, waarin dat mogelijk is, autonome strijdorganisaties te scheppen, die beter aan de taken van de massa strijd tegen de burgerlijke maatschappij beantwoorden en desnoods ook voor de directe breuk met het conservatieve apparaat van de vakbonden niet terugschrikken. Indien het misdadig is de massa-organisaties de rug toe te keren om zich tevreden te stellen met sektaire ficties [10], dan is het niet minder misdadig passief te dulden, dat de revolutionaire massabeweging onderworpen wordt aan de controle van een kliek bureaucraten, die openlijk reactionair of heimelijk conservatief (“progressief”) optreedt. De vakbond is geen doel op zichzelf maar enkel een van de middelen in de opmars naar de proletarische revolutie.

6. De fabriekscomités

In het overgangstijdperk heeft de arbeidersbeweging geen regelmatig en gelijkmatig, maar een koortsachtig en explosief karakter. De ordewoorden evenals de organisatievormen moeten ondergeschikt zijn aan dit karakter van de beweging. Door de routine te mijden als de pest, moet de leiding steeds klaar staan om aandachtig te luisteren naar de initiatieven van de massa zelf.

De stakingen met fabrieksbezetting, een van de recentste uitingen van dit initiatief, overschrijden de grenzen van de normale kapitalistische maatschappij. Geheel onafhankelijk van de eisen van de stakers brengt de tijdelijke inbezitneming van de bedrijven de afgod van de kapitalistische eigendom een slag toe. Iedere staking met bezetting stelt in de praktijk de vraag: wie is meester in de fabriek, de kapitalist of de arbeiders?

Werpt de staking met bezetting deze vraag episodisch op, het fabriekscomité verleent er organisatorisch uitdrukking aan. Het door alle arbeiders en bedienden van het bedrijf verkozen fabriekscomité schept in één slag een tegengewicht tegen de wil van de directie.

Tegen de reformistische kritiek op de ondernemers van het oude slag, de zogenaamde “bedrijfskoningen” à la Ford — ter onderscheiding van de “goede”, “democratische” uitbuiters — stellen wij het ordewoord van fabriekscomités als middelpunt van de strijd tegen beiden.

De vakbondsbureaucraten zullen zich in de regel tegen de vorming van comités verzetten, zoals ze zich tegen elke moedige stap op de weg tot mobilisatie van de massa’s kanten. Echter, hoe groter de omvang van de beweging, hoe gemakkelijker het zal zijn om hun weerstand te breken. Waar reeds in “kalme” tijden alle arbeiders van een bedrijf tot de vakbond behoren (closed shop), zal het comité formeel met het vakbondsorgaan samenvallen, maar zal het zijn samenstelling vernieuwen en zijn functies uitbreiden. De voornaamste betekenis van de comités is echter, dat ze het middelpunt van strijd worden van die lagen van arbeiders, die de vakbond in het algemeen niet kan bereiken. Intussen zullen juist deze meest onderdrukte lagen de meest toegewijde troepen van de revolutie vormen.

Vanaf het ogenblik dat het comité verschijnt, bestaat er in de fabriek in feite een situatie van dubbele macht. Deze is, uit de aard der zaak, iets tijdelijks, daar zij twee onverzoenlijke stelsels in zich verenigt: het kapitalistische en het proletarische. De voornaamste betekenis van de fabriekscomités bestaat juist hierin, dat ze een zo al niet revolutionaire, dan toch voor-revolutionaire periode tussen het burgerlijke en het proletarische regime inleiden. Dat de propaganda voor fabriekscomités noch voortijdig, noch kunstmatig is, wordt het beste bewezen door de golf van bezettingsstakingen, die over verscheidene landen heen rolde. Nieuwe soortgelijke golven zullen in de nabije toekomst onvermijdelijk zijn. Als wij niet door de gebeurtenissen overrompeld willen worden, is het noodzakelijk op de juiste tijd de campagne voor fabriekscomités te beginnen.

7. Het “zakengeheim” en de arbeiderscontrole

Het liberale kapitalisme, dat op concurrentie en vrijhandel gebaseerd was, behoort volledig tot het verleden. Het monopoliekapitalisme dat in zijn plaats trad, heeft de anarchie van de markt niet alleen verminderd, maar heeft er integendeel een bijzonder karakter aan gegeven. De noodzaak van “controle” op de economie, van “leiding” door de staat en van “planning” wordt tegenwoordig — tenminste in woorden — door bijna alle richtingen van het burgerlijke en kleinburgerlijke denken, van het fascisme tot aan de sociaal-democratie toe, erkend. Bij de fascisten gaat het in hoofdzaak om een “planmatige” uitplundering van het volk voor oorlogsdoeleinden. De sociaal-democraten proberen de oceaan van de anarchie met de lepel van een “bureaucratische” planning leeg te scheppen. De ingenieurs en professoren schrijven artikels over de “technocratie”. De democratische regeringen stoten bij hun voorzichtige pogingen tot reglementering op de onoverwinnelijke sabotage van het groot-kapitaal.

De werkelijke verhouding tussen de uitbuiters en de democratische “controleurs” wordt het beste hierdoor gekarakteriseerd, dat de heren “hervormers”, gegrepen door een heilige vrees, blijven staan op de drempel van de trusts met hun industriële en commerciële geheimen.

Hier heerst het beginsel van de “niet-inmenging”. De afrekening van de afzonderlijke kapitalist met de maatschappij vormt het geheim van de kapitalist: de maatschappij heeft er niets mee te maken. Het zaken-“geheim” wordt nog altijd als in de tijd van het liberale kapitalisme door het belang van de “concurrentie” gerechtvaardigd. In werkelijkheid hebben de trusts geen geheimen voor elkaar. Tegenwoordig is het zakengeheim een voortdurend complot van het monopoliekapitaal tegen de maatschappij. Plannen om de alleenheerschappij van de “bedrijfskoningen” te beperken, zullen een erbarmelijke vertoning blijven, zolang de private eigenaars van de maatschappelijke productiemiddelen, het mechanisme van uitbuiting, roof en bedrog voor producenten en consumenten kunnen verbergen. De afschaffing van het “zakengeheim” is de eerste stap naar een werkelijke controle over de industrie.

De arbeiders hebben niet minder recht dan de kapitalisten, de “geheimen” van het bedrijf, van de trust, van de tak van de industrie, van de totale nationale economie te kennen. De banken, de zware industrie en het gecentraliseerde transportwezen moeten voor alles onder de loep genomen worden.

De allereerste taken van de arbeiderscontrole zijn: opheldering te verschaffen over de inkomsten en uitgaven van de maatschappij, te beginnen bij het op zichzelf bestaande bedrijf; vaststelling van het werkelijke aandeel van de afzonderlijke kapitalist en alle uitbuiters samen in het nationale inkomen; het aan het licht brengen van de geheime intriges en schurkenstreken van de banken en trusts; tenslotte opheldering voor de hele maatschappij over de ontzettende verkwisting van menselijke arbeid, die het resultaat is van de kapitalistische anarchie en van de wilde jacht op winst.

De ambtenaren van de burgerlijke staat kunnen deze arbeid niet verrichten, welke volmachten men ze ook geeft. De hele wereld was getuige van de onmacht van president Roosevelt en van de eerste minister Leon Blum tegenover het complot van de “zestig” of “tweehonderd families” [11]. Om de tegenstand van de uitbuiters te breken, is er druk van de kant van het proletariaat nodig. De fabriekscomités, en zij alleen, kunnen een werkelijke controle over de productie verzekeren; daarbij roepen ze — en wel als raadgevers, niet als “technocraten” — eerlijke en aan het volk verknochte deskundigen ter hulp: boekhouders, statistici, ingenieurs, geleerden, enz…

De strijd tegen de werkloosheid is ondenkbaar, zonder groot opgezette en doortastende organisatie van openbare werken. Toch kunnen openbare werken slechts dan van duurzame en progressieve betekenis zijn, zowel voor de maatschappij als voor de werklozen zelf, als ze deel uitmaken van een algemeen, zich over een groot aantal jaren uitstrekkend plan. In het kader van zo’n plan zullen de arbeiders de hervatting van het werk eisen, voor rekening van de maatschappij, in de particuliere ondernemingen die gesloten waren ten gevolge van de crisis. De arbeiderscontrole zal in deze gevallen door rechtstreeks beheer door de arbeiders vervangen worden.

De opstelling van zelfs het meest elementaire economische plan is — van het standpunt van de werkenden en niet van dat van de uitbuiters uit — ondenkbaar zonder arbeiderscontrole, zonder dat de arbeiders inzage krijgen in het hele, openlijke of verborgen raderwerk van de kapitalistische economie. De comités van de afzonderlijke bedrijven moeten voor iedere trust [12], voor iedere tak van de industrie, voor alle gebieden van het economische leven en uiteindelijk voor de hele nationale industrie, comités kiezen. Zo wordt de arbeiderscontrole tot een school van de planeconomie. Op basis van de ervaring met de controle zal het proletariaat er zich op voorbereiden, de genationaliseerde industrie rechtstreeks te leiden, als het uur daartoe geslagen heeft.

Aan de kapitalisten, voornamelijk de kleine en middelgrote, die zich soms zelf bereid verklaren, de arbeiders hun boekhouding te tonen — vooral om de noodzaak van een loonsverlaging te bewijzen — zullen de arbeiders antwoorden, dat de boekhouding van afzonderlijke ondernemers die helemaal of gedeeltelijk bankroet zijn, hen niet interesseert, maar wel de boekhouding van alle uitbuiters samen. De arbeiders kunnen en willen hun levensstandaard niet aan de belangen van afzonderlijke kapitalisten, die zelf het slachtoffer van hun regime geworden zijn, aanpassen. De taak van de arbeiders is het totale productie- en verdelingssysteem volgens meer rationele en meer waardige normen te reorganiseren. Is de afschaffing van het zakengeheim een noodzakelijke voorwaarde voor de arbeiderscontrole, deze controle is de eerste stap naar de socialistische leiding der economie.

8. De onteigening van afzonderlijke kapitaalsgroepen

Het socialistische programma van de onteigening, d.w.z. de politieke omverwerping van de bourgeoisie en de liquidatie van haar economische heerschappij, mag ons in geen geval hinderen, in de tegenwoordige overgangsperiode, bij diverse aanleidingen de eis te stellen tot onteigening van zekere, voor het nationale bestaan belangrijke takken van de industrie, of van bepaalde groepen van de bourgeoisie, namelijk de meest parasiterende.

Zo stellen wij tegenover het klaaglijk gejammer van de heren democraten over de dictatuur van de “zestig families” in Frankrijk, de eis van de onteigening van deze zestig of tweehonderd kapitalistische feodalen.

Om dezelfde reden eisen wij de onteigening van de monopolie-maatschappijen in de oorlogsindustrie, van de spoorwegen, van de belangrijkste bronnen van grondstoffen, enz…

Het verschil tussen deze eisen de vage reformistische slogan van de “nationalisatie” is als volgt:
1. wij wijzen de schadeloosstelling af;
2. wij waarschuwen de massa’s voor de charlatans van het volksfront, die in woorden nationalisatie voorstellen, maar in werkelijkheid agenten van het kapitaal blijven;
3. wij roepen de massa’s op zich slechts op hun revolutionaire kracht te verlaten;
4. wij verbinden het probleem van de onteigening met de vraag van de macht van arbeiders en boeren.

De noodzaak om het ordewoord van de onteigening te lanceren in de dagelijkse agitatie, dus in een concrete situatie, en niet alleen uit propagandistisch oogpunt, in zijn algemene vorm, ontstaat uit het feit, dat de verschillende takken van de industrie zich op verschillende trappen van ontwikkeling bevinden, een verschillende plaats in het leven van de maatschappij innemen en verschillende stadia van de klassenstrijd doorlopen. Slechts de algemene revolutionaire opbloei van het proletariaat kan de algehele onteigening van de bourgeoisie op de dagorde plaatsen. Het is het doel van de overgangseisen het proletariaat op het volbrengen van deze taak voor te bereiden.

9. De onteigening van de particuliere banken en het tot staatszaak maken van het kredietsysteem

Imperialisme betekent heerschappij van het financiekapitaal. Naast en vaak boven de concerns en trusts houden de banken het feitelijke commando over de economie in handen. In hun bouw weerspiegelen de banken in geconcentreerde vorm de hele structuur van het hedendaagse kapitalisme: in hen verenigen zich de tendensen tot het monopolie met de tendensen tot anarchie. Ze verwezenlijken wonderen van techniek, reusachtige ondernemingen, machtige trusts, maar ze veroorzaken ook de hoge prijzen, crisis en werkloosheid. Niet één ernstige stap kan men doen in de strijd tegen de willekeur van de monopolies en de kapitalistische anarchie, die elkaar in hun vernietigingswerk aanvullen, als men de commandoposten van de banken in handen van de grote financiers laat. Om een uniform, volgens een oordeelkundig plan opgebouwd en in het belang van het hele volk werkend investerings- en kredietsysteem te scheppen, moeten alle banken tot één enkel nationaal instituut verenigd worden.

Slechts de onteigening van de particuliere banken en de concentratie van het gehele kredietsysteem in handen van de staat, zal hieraan de vereiste reële, d.w.z. materiële, en niet alleen papieren en bureaucratische middelen voor een planmatige organisatie van de economie bieden. De onteigening van de banken betekent in geen geval onteigening van de bij de banken belegde gelden. Integendeel, één uniforme staatsbank kan de kleine spaarders veel voordeliger voorwaarden verschaffen dan de particuliere banken. Om dezelfde reden kan alleen de staatsbank aan boeren, ambachtslieden en kleine handelaren goedkope speciale kredieten verlenen. Nog belangrijker is echter, dat de gehele economie, vooral de zware industrie en het transport, als ze door één enkele generale staf voor de financies geleid wordt, de levensbelangen van de arbeiders en van alle andere werkenden zal dienen.

Echter, slechts dan zal de naasting van de banken door de staat deze weldadige resultaten ten gevolge hebben, als de staatsmacht zelf uit de handen van de uitbuiters overgaat in de handen van de werkers.

10. Stakingsposten, weerafdelingen, arbeidersmilitie, bewapening van het proletariaat

De bezettingsstakingen zijn een zeer ernstige waarschuwing van de kant van de massa’s, een waarschuwing die niet alleen gericht is aan de bourgeoisie, maar ook aan de arbeidersorganisaties, met inbegrip van de Vierde Internationale. In de jaren 1919-1920 maakten de Italiaanse arbeiders zich uit eigen beweging meester van de bedrijven en kondigden daarmee hun “leiders” het begin van de sociale revolutie aan. De “leiders” luisterden daar echter niet naar en het resultaat was de overwinning van het fascisme. [13]

De bezettingsstakingen zijn nog geen inbezitnemingen van de bedrijven naar het Italiaanse voorbeeld, maar toch een vastbesloten stap in de richting van zo’n inbezitneming.

In de huidige crisis kan het ritme van de klassenstrijd heel erg opgedreven worden en het ogenblik van de ontknoping zeer nabij zijn. Men moet echter niet denken dat er met één slag een revolutionaire situatie zal intreden. Integendeel, het naderen van zo’n situatie zal door een hele reeks weeën gekenmerkt zijn. Eén hiervan nu is de golf van bedrijfsbezettingsstakingen. Het is de taak van de afdelingen van de Vierde Internationale, de proletarische voorhoede te helpen om het algemene karakter en het ritme van ons tijdvak te begrijpen, en op het juiste tijdstip de strijd van de massa’s met steeds beslister ordewoorden en met organisatorische strijdmaatregelen vooruit te helpen.

Wanneer de strijd van het proletariaat zich toespitst, zal dit een verscherping van de repressiemethoden van de kant van het kapitalisme met zich meebrengen. Nieuwe golven van bezettingsstakingen kunnen en zullen ongetwijfeld van de kant van de bourgeoisie vastbesloten tegenmaatregelen uitlokken. In de leidende staven van de trusts worden nu reeds voorbereidingen daartoe getroffen. Wee de revolutionaire organisaties, wee het proletariaat, als ze zich opnieuw zullen laten overrompelen.

De burgerij stelt zich nergens tevreden met de officiële politie en het officiële leger. In de Verenigde Staten onderhoudt ze ook in kalme periodes gemilitariseerde afdelingen van ratten en particulieren bewapende benden in de fabrieken. Met moet bovendien hierbij nu de benden van de Amerikaanse nazi’s rekenen. De Franse burgerij heeft bij het eerste naderen van het gevaar half-legale en illegale fascistische afdelingen gemobiliseerd en dat ook binnen het officiële leger. Het is voldoende, dat de druk van de engelse arbeiders toeneemt, om ogenblikkelijk Lord Mosleys [14] benden te doen verdubbelen, verdrievoudigen, vertienvoudigen en een bloedige veldtocht tegen de arbeiders te beginnen. De burgerij geeft er zich rekenschap van, dat de huidige klassenstrijd in een burgeroorlog dreigt over te gaan. De voorbeelden van Italië, Duitsland, Oostenrijk, Spanje en andere landen hebben aan de magnaten en lakeien van het kapitaal veel meer geleerd, dan de officiële leiders van het proletariaat. De politici van de Tweede en Derde Internationale, alsmede de bureaucraten van de vakbonden sluiten bewust hun ogen voor het particuliere leger van de burgerij, anders zouden zij hun bondgenootschap met haar toch geen dag langer in stand houden. De reformisten enten de arbeiders systematisch de gedachte in, dat de heilige democratie het best beveiligd is, als de burgerij tot aan de tanden bewapend en de arbeidersklasse totaal ontwapend is.

Het is de plicht van de Vierde Internationale aan deze slaafse politiek voor eens en voor altijd een einde te maken. Over strijd tegen het fascisme schreeuwen de kleinburgerlijke democraten — waaronder sociaal-democraten, stalinisten en anarchisten — des te harder, naargelang zij er in werkelijkheid steeds laffer voor capituleren. Tegen de benden van het fascisme kunnen slechts bewapende arbeiders, die weten dat tientallen miljoenen werkenden achter hen staan en hen steunen, doelmatig verzet bieden.

De strijd tegen het fascisme begint niet bij de redactie van een liberaal blad, maar wel in de fabriek en deze strijd eindigt op straat. De horden ratten en particuliere gendarmes in de fabrieken zijn de oercellen van het fascistische leger. Stakingspiketten en arbeiders zijn de oercellen van het proletarische leger. Hiervan moeten we uitgaan. Bij iedere staking en iedere straatdemonstratie moet de gedachte gepropageerd worden dat het noodzakelijk is afdelingen van arbeiderszelfverdediging te vormen. Dit ordewoord moet in het programma van de revolutionaire vleugel van de vakbonden opgenomen worden. Men moet overal waar het mogelijk is in de praktijk zelfverdedigingsafdelingen opbouwen, te beginnen bij de jeugdorganisaties en ze leren met wapens om te gaan.

Een nieuwe golf van de massabeweging zal deze afdelingen niet alleen qua aantal vergroten, maar ze zal hen ook samenvoegen per wijk, stad, streek. Aan de gerechtvaardigde haat van de arbeiders tegen stakingsbrekers, gangsterbenden en fascisten, moet georganiseerde uitdrukking gegeven worden. Het ordewoord van de arbeidersmilitie, als enige ernstige garantie voor de onaantastbaarheid van de arbeidersorganisaties, -vergaderingen en -kranten, moet gegeven worden.

Slechts dankzij zo’n systematisch, hardnekkig, onvermoeibaar en moedig agitatie- en propagandawerk, voortdurend verbonden met de eigen ervaring van de massa, kan de traditie van gehoorzaamheid en passiviteit weggeveegd worden. Alleen zo kan men afdelingen van heldhaftige strijders vormen, die in staat zijn een voorbeeld voor alle werkenden te zijn. Alleen zo kan men de gewapende leden van de contra-revolutie een reeks tactische nederlagen toebrengen, kan men het zelfvertrouwen van de uitgebuitenen versterken, kan men het fascisme in de ogen van de kleinburgerij compromitteren en kan men de weg banen voor de verovering van de macht door het proletariaat.

Engels definieerde de staat als “afdelingen van gewapende mensen”. De bewapening van het proletariaat is een onontbeerlijk element van zijn vrijheidsstrijd. Als het proletariaat maar wil, dan zal het middelen en wegen vinden om zich te bewapenen. Ook op dit gebied moeten de afdelingen van de Vierde Internationale natuurlijk de leiding geven.

> Deel 2 van deze brochure


Voetnoten

  • [1] De “New Deal” politiek van Roosevelt bestond erin dat er massaal geïnvesteerd werd in het uitvoeren van publieke werken.
  • [2] Het “Volksfront” was een samenwerking tussen arbeidersorganisaties en delen van de burgerij.
  • [3] Thans Ethiopië.
  • [4] Meer over de situatie in Frankrijk vind je in Trotski’s werk “Wither France”
  • [5] Komintern: de Communistische Internationale of de Derde Internationale. Deze internationale groepering van revolutionaire socialisten werd opgezet in de nasleep van de Russische Revolutie van 1917. Ze werd ontbonden onder de stalinistische contrarevolutie
  • [6] Frans nationaal symbool omwille van de afbeelding van Marianne met Phrygische muts
  • [7] Léon Blum (1872-1950) werd in 1899 lid van de socialistische partij in Frankrijk. Vanaf 1919 was hij parlementslid. Het in 1934 gevormde Volksfront won de verkiezingen van 1936 en vormde een regering die een jaar stand hield.
  • [8] Bedoeld wordt de Moskouse processen. Deze processen waren een gevolg van de interne spanningen in de Communistische Partij omwille van de beperkingen van het stalinisme. Na de moord op de stalinist Kirov in 1934, werd een zuivering georganiseerd: in 1935 werden 40 leden van de lijfwacht van Stalin vervolgd, in 1936-38 waren er processen tegen o.a. Zinovjev, Kamenev, Smirnov, Radek, Sokolnikov, Rykov, Boecharin, Yagoda,… Zowat alle nog levende leden van het Politbureau van onder Lenin werden beschuldigd, met uitzondering van Stalin. Met deze processen probeerde Stalin zijn positie te versterken.
  • [9] Trotski verwijst hier naar diegenen die hun strijd beperken tot het louter syndicale en dit niet koppelen aan andere bewegingen, of aan een politiek programma.
  • [10] Dit is een verwijzing naar de poging van de stalinisten om eigen “rode” vakbonden op te zetten, een initiatief dat in vele landen erg beperkt bleef en verdeling binnen de vakbeweging in de hand werkte.
  • [11] Bedoeld wordt de grootste industriële families die de economie domineren.
  • [12] Trust: groep bedrijven, vergelijkbaar met wat vandaag begrepen wordt onder de term “multinational”.
  • [13] Geconfronteerd met een sociale catastrofe als gevolg van een oorlog, waarin gevochten werd om de belangen van een kleine nationale elite te verdedigen, was er een grote beweging met fabrieksbezettingen en betogingen. Tegen 1920 was de beweging op een hoogtepunt, maar bleef steken op het niveau van fabrieksbezettingen die niet onderling verbonden werden in een landelijke strijd met de eerste stappen om nationaal de macht in handen te nemen en het Sovjetvoorbeeld in Rusland te volgen. Het belangrijkste probleem was het gebrek aan een politiek verlengstuk: een arbeiderspartij nodig om op basis van de beweging een programma en activiteit te ontwikkelen die in staat was om een impact te hebben en met correcte eisen de beweging vooruit te stuwen. De sociaal-democraten waren te bang om conclusies te trekken uit de beweging en trokken zich terug. In de zomer van 1920 riepen ze op om de bedrijfsbezettingen te stoppen. De communisten stonden nog erg zwak en waren nog steeds verbonden aan de sociaal-democratische PSI. Ze waren niet in staat om een grote impact te hebben bij gebrek aan een duidelijk programma.
    De gevolgen waren rampzalig. Tegen eind 1920 waren de meeste bedrijfsbezettingen gestopt en was er een enorme desillusie. Vooral die lagen die niet op een directe manier betrokken waren bij de acties maar er wel naartoe uitkeken als hoop op verandering, werden het sterkst getroffen door ontgoocheling. Aangezien de arbeidersbeweging er niet in geslaagd was een uitweg uit de impasse te bieden, zochten vooral de middenstanders, de uitoefeners van vrije beroepen en de boeren naar een ander middel om de orde te herstellen.
  • [14] Lord Mosley was de leider van de Britse fascisten.
Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie