Konden de bolsjewieken in juli de macht grijpen?

De door de regering en het Uitvoerend Comité verboden demonstratie had een grandioos karakter: op de tweede dag namen er niet minder dan 500.000 mensen aan deel. Soechanov, die geen krachttermen genoeg kan vinden om de “bloedige en gore” Julidagen te veroordelen, schrijft niettemin: “Afgezien van de politieke gevolgen kon men deze verbazingwekkende volksbeweging niet anders dan met verrukking beschouwen. Ook al achtte men ze funest, zo moest men toch het reusachtig elementair enthousiasme ervan bewonderen.” Naar de commissie van onderzoek vaststelde, zijn er in totaal 29 doden en 114 gewonden geweest, terwijl het aantal slachtoffers aan beide zijden even groot was.

Dat de beweging van onderop begon, onafhankelijk van de bolsjewieken en in zekere zin tegen de wil van deze, werd in de eerste uren ook door de verzoeningsgezinden zelf erkend. Reeds in de nacht van 3 juli, maar vooral de dag daarop, verandert de officiële zienswijze. De beweging wordt tot een opstand verklaard en de bolsjewieken tot de organisatoren ervan. “Onder de slogan ‘Alle macht aan de Sovjets’ ontwikkelde zich een echte opstand van de bolsjewieken tegen de toenmalige meerderheid in de Sovjet die uit partijen van de landsverdediging bestond,” schreef Stankevitsj die later in nauwe relatie met Kerenski stond. De beschuldiging een opstand verwekt te hebben, was niet slechts een listige kunstgreep in de politieke strijd: deze lieden hadden zich in de maand juni maar al te zeer van de machtige invloed van de bolsjewieken op de massa’s kunnen overtuigen en weigerden nu eenvoudig te geloven dat de beweging van arbeiders en soldaten buiten de bolsjewieken om gegaan zou zijn. Trotski poogde in het Uitvoerend Comité een uiteenzetting te geven: “Men beschuldigt ons ervan dat wij een bepaalde stemming onder de massa’s teweeg brengen. Dit is een foutieve voorstelling van de zaken, wij proberen slechts uitdrukking aan deze stemming te geven.” In de na de Oktoberomwenteling verschenen boeken van de tegenstanders, en vooral bij Soechanov, is de bewering te vinden dat de bolsjewieken klaarblijkelijk slechts ten gevolge van de nederlaag van de Juliopstand hun werkelijk doel verborgen hielden en zich achter het elementaire karakter van de massabeweging verschuilden. Maar is het mogelijk om het plan van een gewapende opstand die honderdduizenden mensen meesleurt als een schat verborgen te houden? Waren de bolsjewieken dan niet voor de Oktoberrevolutie genoodzaakt om volkomen openlijk tot de opstand op te roepen en zich voor de ogen van iedereen hierop voor te bereiden? Als niemand in juli dit plan ontdekt heeft, dan komt dit eenvoudig omdat het er niet was. Het binnentrekken van de mitrailleurs en de matrozen uit Kronstadt in de Peter-en-Paulsvesting met toestemming van het vaste garnizoen – op deze bezetting gingen de verzoeningsgezinden buitengemeen prat! – was geenszins een daad van gewapende opstandelingen. Het op het kleine eiland liggende gebouw – veeleer een gevangenis dan een militair steunpunt – kon bij een terugtocht weliswaar nog tot toevluchtsoord dienen, maar had voor een aanval geen nut.

Terwijl de betogers naar het Taurisch paleis oprukten, gingen zij achteloos de voornaamste regeringsgebouwen voorbij, terwijl een enkele Poetilovafdeling van de Rode Garde voldoende geweest zou zijn om deze te bezetten. De Peter-en-Paulsvesting bezetten zij, net zoals zij straten, posten en pleinen bezetten. Een extra reden daarvoor was de nabuurschap van de villa Ksjjessinskaja, welke men in geval van gevaar vanuit de vesting te hulp zou kunnen komen.

De bolsjewieken deden alles om de Julibeweging tot een demonstratie te beperken. Ging zij echter toch niet door de loop der gebeurtenissen verder? Het is moeilijker om op deze politieke vraag een antwoord te geven dan op een strafrechtelijke beschuldiging. Lenin schreef, toen hij de Julidagen direct na hun afloop analyseerde: “Een tegen de regering gerichte demonstratie – dat zou formeel de meest juiste kenschetsing van de plaatsgehad hebbende gebeurtenissen zijn. Maar het gaat er juist om dat het geen gewone demonstratie, maar iets veel groter dan een demonstratie en iets kleiner dan een revolutie was.” Indien de massa’s zich een gedachte eigen maken, dan willen zij deze ook verwezenlijken. Terwijl zij de bolsjewistische partij vertrouwden, hadden de arbeiders en vooral de soldaten zich toch nog niet de overtuiging eigen gemaakt dat men een actie slechts mag beginnen na daartoe opgeroepen te zijn door de partij en onder haar leiding. De in februari en april opgedane ervaring leerde veeleer het tegendeel. Toen Lenin in mei zei dat de arbeiders en boeren honderdmaal meer revolutionair waren dan onze partij, vatte hij ongetwijfeld de in februari en april opgedane ervaringen in een algemene conclusie samen. Maar ook de massa’s verwerkten deze ervaringen op hun eigen manier. Zij zeiden tot zichzelf dat zelfs de bolsjewieken alles op de lange baan schoven en trachtten te weerhouden. De betogers waren in de Julidagen volkomen bereid om – indien de loop der dingen dit meegebracht had – de officiële regering weg te jagen.

In geval van tegenstand van de kant van de bourgeoisie waren zij bereid om naar de wapens te grijpen. In zoverre was er hier in zekere zin sprake van een gewapende opstand. Indien deze niettemin niet eens gedeeltelijk, laat staan helemaal doorgezet werd, dan komt dit omdat de verzoeningsgezinden verwarring stichtten.

In het eerste deel van dit werk hebben wij uitvoerig de paradox van het Februariregime beschreven. De macht was uit de handen van het revolutionaire volk op de kleinburgerlijke democraten, de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen, overgegaan. Zij hadden zich deze taak niet zelf opgelegd. Zij hadden de macht niet veroverd. Tegen hun zin waren zij in de regering beland. Tegen de wil van de massa’s poogden zij de macht aan de imperialistische bourgeoisie af te staan. Het volk vertrouwde de liberalen niet, maar vertrouwde de verzoeningsgezinden die intussen zichzelf niet vertrouwden. En zij hadden gelijk van hun standpunt bezien. De democraten zouden, zelfs indien zij de macht volkomen aan de bourgeoisie uitgeleverd hadden, immers toch nog enige invloed behouden hebben. Indien zij echter de macht zelf in handen genomen hadden, zouden zij er niets van over gehouden hebben. De macht zou bijna automatisch van de democraten op de bolsjewieken overgegaan zijn. Er was geen ontkomen aan het noodlot, want de oorsprong lag in de innerlijke zwakte van de Russische democratie.

De Julibetogers wilden de macht op de sovjets doen overgaan. Daartoe was nodig dat de sovjets bereid waren om deze te nemen. Intussen behoorde zelfs in de hoofdstad, waar de meeste arbeiders en de actieve elementen in het garnizoen reeds hand in hand met de bolsjewieken gingen, krachtens de traagheidswet waaraan iedere volksvertegenwoordiging onderworpen is, de meerderheid in de sovjet nog tot de kleinburgerlijke partijen die een aanslag op de macht van de bourgeoisie als een aanslag tegen zichzelf beschouwden. De arbeiders en soldaten beseften zeer wel de tegenstelling, die er tussen hun opvattingen en de politiek van de sovjets, d.w.z. tussen het heden en het verleden, bestond. Terwijl zij in beweging kwamen voor de macht van de sovjets, vertrouwden zij de meerderheid van de verzoeningsgezinden geenszins. Maar zij wisten niet wat zij met hen aan moesten. Hen met geweld ten val brengen, zou betekend hebben dat men de sovjets uiteenjoeg in plaats van hen de macht te verschaffen. De arbeiders en soldaten trachtten, vooraleer zij de weg wisten te vinden, om de sovjets te vernieuwen, deze sovjets door een directe actie aan hun wil te onderwerpen.

In de proclamatie van de beide Uitvoerende Comités betreffende de Julidagen deden de verzoeningsgezinden vol verontwaardiging een beroep op de arbeiders en soldaten tegen de betogers die “met wapengeweld hun wil aan de door u gekozen vertegenwoordigers trachtten op te leggen.” Alsof betogers en kiezers niet twee benamingen waren voor dezelfde arbeiders en soldaten! Alsof de kiezers niet het recht hadden om hun wil aan de gekozenen op te leggen! En alsof deze wil uit iets anders bestaan had dan uit de eis om hun plicht te doen, namelijk in het belang van het volk de macht te grijpen. Terwijl zij zich om het Taurisch paleis verdrongen, schreeuwden de massa’s in de oren van het Uitvoerend Comité hetzelfde dat een onbekend arbeider met zijn eeltige vuist aan Tsjernov voorgehouden had: “Neem de macht, als men ze u geeft.” Als antwoord haalden de verzoeningsgezinden de Kozakken. De heren democraten gaven de voorkeur aan de burgeroorlog tegen het volk boven een vreedzame machtsovergang in hun eigen handen. Het waren de witgardisten die het eerst schoten. Maar de politieke sfeer van een burgeroorlog was geschapen door de mensjewieken en sociaal-revolutionairen.

Terwijl zij botsten op gewapende tegenstand van het orgaan waarop zij de macht wilden doen overgaan, verloren de arbeiders en soldaten het gestelde doel meer en meer uit het oog. De geweldige volksbeweging had haar eigenlijke politieke betekenis verloren. De Juliopmars bleef beperkt tot een demonstratie die gedeeltelijk met de middelen van een gewapende opstand doorgevoerd werd. Met evenveel recht zou men ook kunnen zeggen dat het gedeeltelijk een opstand was voor een doel dat met geen andere methoden dan die van een demonstratie te verwezenlijken was.

Terwijl zij de macht prijsgaven, stonden de verzoeningsgezinden deze toch niet zonder meer aan de liberalen af. Dit kwam zowel omdat zij bang voor hen waren – de kleinburger vreest de grootbourgeois – maar ook omdat zij beducht waren voor het lot van deze regering – een zuiver kadettenministerie zou terstond door de massa’s ten val gebracht worden. Sterker nog: zoals Miljoekov zeer juist opmerkt: “In de strijd tegen het eigenmachtig gewapend optreden maakt het Uitvoerend Comité van de Sovjet gebruik van het in de onrustige dagen van 20 tot 21 april afgekondigde recht om naar eigen goeddunken over de gewapende krachten van het Petrograds garnizoen te beschikken.” De verzoeningsgezinden gaan op de oude manier voort om heimelijk de macht van zich af te schuiven. Om gewapende tegenstand te bieden aan hen die op hun spandoeken de macht van de Sovjets eisen, ziet de Sovjet zich genoodzaakt, werkelijk de macht in handen te nemen.

Het Uitvoerend Comité gaat nog verder: het verkondigt in deze dagen officieel dat het soeverein is. “Indien de revolutionaire democratie het nodig zou oordelen dat de gehele regeermacht op de Sovjet overging,” zo luidt de resolutie van 4 juli, “dan zou slechts de voltallige vergadering van het Uitvoerend Comité hierover kunnen beslissen.” Terwijl het Uitvoerend Comité de demonstratie voor de macht van de Sovjets als een contrarevolutionaire opstand bestempelde, constitueerde het zich tegelijkertijd als hoogste macht en besliste over het lot van de regering.

Toen op 5 juli bij het aanbreken van de dag de “regeringsgetrouwe” troepen het Taurisch paleis betraden, meldde hun commandant dat zijn afdeling zich volkomen aan het Centraal Uitvoerend Comité onderwierp. Geen woord over de regering! Ook de rebellen waren immers bereid zich aan het Uitvoerend Comité als de eigenlijke regering te onderwerpen. Bij de overgave van de Peter-en-Paulsvesting moest het garnizoen ervan verklaren dat het zich aan het Uitvoerend Comité onderwierp. Niemand eiste onderwerping aan de officiële regering. Ook de van het front opgeëiste troepen stelden zich zonder voorbehoud ter beschikking van het Uitvoerend Comité. Hoe kwam het dat er dan toch bloed vloeide?

Indien de strijd op het einde van de middeleeuwen had plaats gevonden, zouden beide partijen, terwijl zij elkaar doodden, zich op dezelfde Bijbelspreuken beroepen hebben. Formalistische historici zouden later tot de gevolgtrekking gekomen zijn dat de strijd om een uitlegging van Bijbelteksten gevoerd was: de middeleeuwse handwerkers en de onontwikkelde boeren kenmerkten zich, naar men weet, door het eigenaardig fanatisme zich om filosofische details in de Openbaring van Johannes te laten doden, zoals de Russische Raskolniki zich lieten uitroeien om de vraag of de bekruising met twee dan wel met drie vingers moest geschieden. In werkelijkheid ging er in de middeleeuwen, evengoed als vandaag, een belangenstrijd onder de symbolische formules schuil, welke men slechts moet weten bloot te leggen. Hetzelfde gezang betekent voor de één lijfeigenschap, voor de ander vrijheid.

Er zijn echter veel meer recente en meer voor de hand liggende vergelijkingen te maken. Tijdens de Junidagen van 1848 weerklonk in Frankrijk aan beide zijden van de barricade een en dezelfde kreet: “Leve de Republiek.” Zo leek het de kleinburgerlijke idealisten toe dat de Junigevechten op een misverstand berustten, een misverstand dat in het leven geroepen was door de nalatigheid van de ene en door de heetgebakerdheid van de andere partij. In werkelijkheid wilden de bourgeois een republiek voor zich alleen en de arbeiders een republiek voor iedereen. Politieke leuzen lijken vaker als doel te hebben om de belangen te verbergen dan om ze bij hun ware naam te noemen.

Ondanks het volslagen paradoxaal karakter van het Februariregime dat de verzoeningsgezinden bovendien met marxistische en populaire frasen maskeerden, zijn de werkelijke klassenverhoudingen volkomen duidelijk. Men dient slechts de tweeslachtige natuur van de verzoeningsgezinde partijen goed in het oog te houden. De ontwikkelde kleinburgers steunden op de arbeiders en boeren, maar verbroederden met de grootgrondbezitters en de suikerfabrikanten met hun hoge titels. Het Uitvoerend Comité diende, terwijl het een onderdeel was van het Sovjetstelsel waardoor de eisen van de lagere klassen tot de officiële staat doordrongen, tegelijkertijd tot politieke dekmantel voor de bourgeoisie. De bezittende klassen “onderwierpen” zich aan het Uitvoerend Comité, voor zover het hen de macht gaf. De massa’s onderwierpen zich aan het Uitvoerend Comité omdat zij hoopten dat het een regeringsorgaan van de arbeiders en boeren zou worden. In het Taurisch paleis kruisten tegengestelde klassenbelangen elkaar. Waarbij deze, zowel als gene zich met de massa van het Uitvoerend Comité dekten: deze – uit gemis aan inzicht en vertrouwen, gene – uit koele berekening. De strijd ging intussen om niet meer of minder dan om de vraag wie het land zou regeren: de burgerij of de arbeidersklasse.

Indien echter de verzoeningsgezinden de macht niet in handen wilden nemen en de burgerij daartoe niet in staat was, konden dan in juli de bolsjewieken niet het heft in handen nemen? Gedurende de twee kritieke dagen ontglipte de macht over Petrograd volkomen aan de regeringsbureaus. Het Uitvoerend Comité bespeurde voor de eerste keer zijn volslagen onmacht. Het zou de bolsjewieken geen moeite gekost hebben om onder deze omstandigheden de macht te grijpen. Men zou ook op enkele punten in de provincie de macht hebben kunnen veroveren. Deed de bolsjewistische partij er dan wel goed aan om van de machtsovername af te zien? Zou het niet mogelijk geweest zijn om steunend op de hoofdstad en enkele industriedistricten de heerschappij later over het gehele land uit te breiden? Dit is een belangrijke vraag. Niets heeft bij het einde van de oorlog meer tot de triomf van het imperialisme en de reactie in Europa bijgedragen dan de enkele maanden van de Kerenskiade die het revolutionaire Rusland murw sloegen en ontzaglijk afbreuk deden aan het morele gezag van dat revolutionaire Rusland in de ogen van de strijdende legers en de arbeidersmassa van Europa. Die hadden immers een nieuw geluid van de revolutie gehoopt en verwacht. De geboorteweeën van de arbeidersrevolutie zouden vier maanden verkort zijn – een enorme tijd! – de bolsjewieken zouden het land minder uitgeput en het gezag van de revolutie in Europa minder ondermijnd aangetroffen hebben. Dit zou de Sovjets niet alleen reusachtige voordelen bij de onderhandelingen met Duitsland geboden hebben, maar ook een zeer grote invloed op het verloop van oorlog en vrede in Europa gehad hebben. Het vooruitzicht was maar al te aanlokkelijk! En toch had de partijleiding volkomen gelijk met niet de weg van een gewapende opstand in te slaan. Het is niet voldoende om de macht te grijpen. Men moet ze ook weten te behouden. Toen in oktober de bolsjewieken beseften dat hun tijd gekomen was, kwam de moeilijkste tijd voor hen pas na de machtsgreep. De uiterste krachtsinspanning van de arbeidersklasse was nodig om stand te houden tegen de talloze vijandelijke aanvallen. In juli waren zelfs de arbeiders van Petrograd nog niet tot deze zelfopofferende strijd bereid. Terwijl zij de mogelijkheid hadden om de macht te grijpen, boden zij deze aan het Uitvoerend Comité aan. Terwijl de arbeidersklasse van de hoofdstad in overgrote meerderheid reeds naar de bolsjewieken overhelde, had het de banden van de Februarirevolutie, waardoor het met de verzoeningsgezinden verbonden was, nog niet helemaal verbroken. Er heerste nog veelal de illusie dat met woorden en demonstraties alles te bereiken was; alsof het er om ging de mensjewieken en sociaal-revolutionairen een beetje schrik aan te jagen, om hen tot een gemeenschappelijk politiek optreden met de bolsjewieken te bewegen. Het meest geschoolde deel van de klasse gaf er zich niet eens rekenschap van langs welke weg men de macht zou moeten krijgen. Lenin schreef kort daarop: “De eigenlijke fout van onze partij in de dagen van 3 en 4 juli, die nu uit de gebeurtenissen gebleken is, was slechts … dat de partij meende dat een vreedzame politieke ontwikkeling mogelijk was door een wijziging in de politiek door de Sovjets, terwijl in werkelijkheid de mensjewieken en sociaal-revolutionairen zich door hun verzoeningsgezindheid reeds zo aan de bourgeoisie gekoppeld en met deze verbonden hadden en de bourgeoisie zo contrarevolutionair geworden was dat er van een vreedzame ontwikkeling geen sprake meer kon zijn.”

Terwijl de arbeidersklasse politiek geenszins homogeen en niet vastbesloten genoeg was, was dit nog minder het geval met het boerenleger. Door zijn houding op 3 en 4 juli had het garnizoen het de bolsjewieken mogelijk gemaakt om de macht te grijpen. Er waren echter nog neutrale troepenafdelingen in het garnizoen, die reeds in de avond van 4 juli naar de patriottische partijen begonnen over te hellen. Op 5 juli scharen de neutrale regimenten zich aan de kant van het Uitvoerend Comité en de naar de bolsjewieken overhellende regimenten trachten een neutrale houding aan te nemen. De autoriteiten hebben hierdoor de handen veel meer vrij gekregen dan door de aankomst van de troepen van het front. Indien de bolsjewieken op 4 juli overijld de macht in handen genomen hadden, zou het garnizoen van Petrograd deze niet alleen zelf niet behouden hebben, maar ook de arbeiders verhinderd hebben deze in geval van een aanval van buitenaf, die stellig onvermijdelijk was, te verdedigen.

Nog ongunstiger was het in het actieve leger gesteld. De strijd om vrede en land had dit, vooral sedert het Junioffensief, zeer toegankelijk gemaakt voor de bolsjewistische leuzen. Het zogenaamd “elementaire” bolsjewisme van de soldaten was echter voor deze geenszins identiek met een bepaalde partij, het Centraal Comité of de leiders daarvan. Uit brieven van soldaten uit die tijd leert men de stemming in het leger zeer goed kennen. “Bedenkt, heren ministers en hoogste leiders,” zo schrijft een ruwe soldatenhand van het front, “wij hebben niet veel verstand van partijen, maar de toekomst en het verleden liggen niet ver uit elkaar, de tsaar heeft u naar Siberië gezonden en in de gevangenis gezet, maar wij zullen u met de bajonet doodsteken.” Een verbitterde stemming tegen de leiders die bedriegen, gaat in deze regels gepaard met een erkenning van eigen onmacht: “Wij hebben niet veel verstand van partijen.” Het leger rebelleerde voortdurend tegen de oorlog en de officieren en het maakte daarbij gebruik van de leuzen uit het bolsjewistisch vocabularium. Maar om een opstand te beginnen voor een overgang van de macht op de bolsjewistische partij, daartoe was het leger nog lang niet in staat. De betrouwbare troepenafdelingen ter onderdrukking van Petrograd waren door de regering gevormd uit de troepen die het dichtst bij de hoofdstad lagen, zonder op een daadwerkelijke tegenstand van de overige troepen te stuiten, en de regering had de troepen kunnen transporteren zonder enig verzet van het spoorwegpersoneel. Het ontevreden, opstandige, licht ontvlambare leger bleef politiek nog onbetrouwbaar; er waren nog te weinig hechte bolsjewistische kernen in die aan de gedachten en de handelingen van de ongeordende soldatenmassa een vaste richting konden geven.

Aan de andere kant maakten de verzoeningsgezinden, bij hun streven om het front tegen Petrograd en het boerenachterland uit te spelen, met succes gebruik van die venijnige middelen die de reactie in maart vergeefs gepoogd had tegen de Sovjets te gebruiken. De sociaal-revolutionairen en mensjewieken zeiden tot de soldaten aan het front: het garnizoen van Petrograd verschaft u onder invloed van de bolsjewieken geen reserves meer; de arbeiders willen niet langer werken om in de behoeften van het front te voorzien; indien de boeren nu aan de oproep van de bolsjewieken gehoor geven en de grond in bezit nemen, dan blijft er niets over voor de soldaten aan het front. De soldaten moesten nog weer nieuwe ervaringen opdoen om te beseffen voor wie de regering de grond eigenlijk beschermde: voor de frontsoldaten of voor de grootgrondbezitters.

Tussen Petrograd en het actieve leger stond de provincie. De weerklank die de Juligebeurtenissen daar vond, kan op zichzelf als een goede, later opgestelde, maatstaf dienen bij de beantwoording van de vraag of de bolsjewieken in juli juist handelden door de directe strijd om de macht te vermijden. In Moskou was de polsslag van de revolutie al veel zwakker dan in Petrograd. In de bijeenkomst van het Moskous bolsjewistische comité vonden heftige debatten plaats: enkele tot de uiterste linkervleugel behorende personen, zoals bijvoorbeeld Boebnow, stelden voor het post-, telegraaf- en telefoonkantoor en het redactiegebouw van de “Roesskoje Slowo” te bezetten, d.w.z. de weg van een opstand in te slaan. Het naar zijn hele wezen zeer gematigde Comité wees deze voorstellen beslist van de hand, met de motivering dat de arbeidersmassa’s van Moskou absoluut niet tot een dergelijke actie gereed waren. Ondanks het verbod van de Sovjet werd besloten een demonstratie te houden. Grote arbeidersmassa’s marcheerden naar het Skobeljewplein onder dezelfde leuzen als in Petrograd, maar lang niet met dezelfde geestdrift. De weerklank in het garnizoen was niet overal even groot, slechts enkele troepenafdelingen sloten zich aan en slechts één daarvan volledig uitgerust. De artillerist Davydovski, die later een grote rol zou spelen in de Oktobergevechten, verklaart in zijn “Herinneringen” dat Moskou in de Julidagen onvoorbereid was en dat de mislukking bij de leiders van de demonstratie “een ongunstige stemming” achterliet.

Naar Ivanovo-Voznesensk, het textielcentrum, waar de Sovjet reeds onder bolsjewistische leiding stond. Daar drong het nieuws van de gebeurtenissen in Petrograd tegelijk met een gerucht over de val van de Voorlopige Regering door. In de nachtelijke zitting van het Uitvoerend Comité werd besloten als voorbereidende maatregel de telefoon en telegraaf onder controle te stellen. Op 6 juli werd het werk in de fabrieken gestaakt; ongeveer veertigduizend arbeiders, waarvan velen gewapend waren, namen aan de demonstratie deel. Toen bekend werd, dat de Petrogradse demonstratie niet tot de overwinning geleid had, ging de sovjet van Ivanovo-Voznesensk in allerijl tot de terugtocht over.

In Riga kwam het onder indruk van de berichten over de gebeurtenissen te Petrograd in de nacht van 6 juli tot een botsing tussen de bolsjewistisch gezinde Letlandse scherpschutters en het “bataljon des doods”, waarbij het patriottische bataljon tot de terugtocht gedwongen werd. De Sovjet van Riga nam in diezelfde nacht een resolutie ten gunste van de Sovjetmacht aan. Twee dagen later werd een zelfde resolutie in de hoofdstad van de Oeral, Jekaterinenburg, aangenomen. Het feit dat de slogan van de Sovjetmacht, die in de eerste maanden slechts in naam van de partij zelf aangeheven was, van nu af aan tot een programmapunt van afzonderlijke plaatselijke Sovjets werd, betekende ongetwijfeld een grote stap vooruit. Tussen de resolutie voor de Sovjetmacht en de opstand onder bolsjewistische vlag lag echter nog een grote kloof.

In sommige delen van het land waren de Petrogradse gebeurtenissen aanleiding tot het ontstaan van scherpe conflicten van lokale aard. In Nisjni Novgorod, waar de geëvacueerde soldaten zich lange tijd tegen het transport naar het front verzetten, wekten de uit Moskou gezonden jonkers met hun gewelddaden verontwaardiging bij de beide plaatselijke regimenten op. Het resultaat van een botsing waarbij doden en gewonden vielen, was dat de jonkers zich overgaven en ontwapend werden. De autoriteiten verdwenen. Vanuit Moskou rukte een strafexpeditie op, die uit drie soorten troepen bestond. Aan het hoofd ervan stonden: de bevelhebber van het militaire district Moskou, de impulsieve overste Verchovski, later Kerenski’s minister van oorlog, en de voorzitter van de sovjet van Moskou, de oude mensjewiek Chinintsjoek, een weinig krijgshaftig man die later leider van de coöperaties en daarna Sovjetgezant in Berlijn werd. Er viel echter niets meer voor hen te bestraffen, daar het door de opstandige soldaten gekozen comité de orde intussen reeds volkomen hersteld had.

Ongeveer in dezelfde nachtelijke uren en eveneens omdat zij weigerden om naar het front te gaan, muitten in Kiev de soldaten van het regiment “Hetman Poloebotjko” ter sterkte van vijfduizend man, namen bezit van de munitievoorraden, bezetten de vesting en de generale staf, arresteerden de commandant en de militiechef. De paniek in de stad duurde enkele uren totdat het de militaire autoriteiten, de Comités, de openbare instellingen en de organen van de centrale raad met vereende krachten gelukte om de gevangenen te bevrijden en het grootste deel van de opstandelingen te ontwapenen.

In het verre Krassnojarsk voelden de bolsjewieken zich ondanks de stemming in het garnizoen zo zeker van hun zaak, dat zij ondanks de in het land reeds opkomende golf van reactie op 9 juli een demonstratie organiseerden waaraan acht à tienduizend personen, voor het merendeel soldaten, deelnamen. Er werd vanuit Irkoetsk een afdeling van vierhonderd man met artillerie, onder leiding van de militaire districtscommissaris, de sociaal-revolutionair Krakovezki, naar Krassnojarsk gezonden. Gedurende de beide dagen die het regime van de dubbele heerschappij absoluut nodig had om te beraadslagen en te onderhandelen, werd de strafexpeditie zo door de propaganda van de soldaten ondermijnd dat de commissaris zich moest haasten om haar zo spoedig mogelijk naar Irkoetsk terug te brengen. Krassnojarsk vormde echter een uitzondering.

In de meeste gouvernementen en districtssteden was de toestand veel ongunstiger. In Samara bijvoorbeeld had de bolsjewistische organisatie bij het nieuws van de gevechten in de hoofdstad gewacht op een teken, ofschoon er nagenoeg op niemand te rekenen viel. Eén van de partijleden ter plaatse vertelt: “De arbeiders begonnen met de bolsjewieken te sympathiseren, maar men mocht niet verwachten dat zij zich in de strijd zouden storten; op de soldaten kon men nog minder rekenen. Wat de bolsjewistische organisatie betrof, deze was uiterst zwak.  Wij waren maar een klein troepje, in de Sovjet van arbeidersafgevaardigden telden de bolsjewieken slechts weinig man en in de soldaten-sovjets waren er klaarblijkelijk in het geheel geen, want deze bestond vrijwel uitsluitend uit officieren.” De voornaamste oorzaak daarvan, dat de weerklank in het land zo zwak en verbrokkeld was, was daarin gelegen dat de provincie, die zonder enige strijd de Februarirevolutie van Petrograd had overgenomen, veel langzamer dan de hoofdstad de nieuwe feiten en ideeën wist te verwerken. Het zou nog een tijd duren vooraleer de voorhoede de zware reserves politiek aan haar zijde zou kunnen brengen.

Het bewustzijn van de volksmassa’s, als beslissende instantie in de revolutionaire politiek, was derhalve op 1 juli zodanig dat een machtsgreep door de bolsjewieken uitgesloten was. Tegelijkertijd bracht het offensief aan het front de partij ertoe om zich tegen demonstraties te verzetten. Een ineenstorting van het offensief was absoluut zeker. Feitelijk was deze reeds begonnen. Het land wist dit echter nog niet. Het gevaar bestond dat de regering, in geval de partij een onvoorzichtigheid beging, zou trachten om de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van haar eigen waanzin op de bolsjewieken af te wentelen. Het was beter om het offensief geheel te laten verlopen. De bolsjewieken twijfelden er niet aan of er zou een zeer krasse ommekeer in de massa’s plaats hebben. Dan kon men zien wat er te doen viel. Dit was een volkomen juiste berekening. De gebeurtenissen voltrekken zich echter volgens hun eigen wetten en deze storen zich niet aan politieke berekeningen; ditmaal kwamen zij gruwelijk op het hoofd van de bolsjewieken neer.

De mislukking van het offensief aan het front nam op 6 juli het karakter van een catastrofe aan, toen de Duitse troepen het Russische front over een uitgestrektheid van twaalf werst [1 werst is iets meer dan 1 kilometer] breedte en tien werst diepte doorbraken. In de hoofdstad werd de doorbraak bekend op 7 juli, juist toen de vernietigingscampagne en de strafacties hun hoogtepunt bereikt hadden. Vele maanden later, toen de gemoederen reeds gekalmeerd waren en het inzicht zeker verhelderd was, schreef Stankevitsj, die zeker niet de boosaardigste tegenstander van het bolsjewisme was, toch nog over “de raadselachtige consequentie van de gebeurtenissen,” – in de vorm van de doorbraak bij Tamopol, direct na de Julidagen in Petrograd. Deze lieden zagen niet of wilden niet zien wat de werkelijke consequentie van de gebeurtenissen was, nl. dat het onder druk van de Entente begonnen en van bij de aanvang af hopeloze offensief slechts tot een militaire catastrofe kon leiden en tevens een uitbarsting van woede bij de door de revolutie teleurgestelde massa’s teweeg moest brengen. Maar was het van belang hoe het in werkelijkheid was? Het was maar al te verleidelijk om de demonstratie te Petrograd met de mislukking aan het front te verbinden. De patriottische pers verborg de nederlaag niet alleen niet, integendeel: zij overdreef deze zoveel mogelijk zonder daarbij zelfs voor het verklappen van oorlogsgeheimen terug te deinzen. Divisies en regimenten werden genoemd en hun posities aangegeven. “Na 8 juli,” erkent Miljoekov, “drukten de kranten opzettelijk openlijk telegrammen van het front af, welke de openbare mening in Rusland als een donderslag troffen.” Dat wilde men ook juist: schokken, schrik aanjagen, doen duizelen, om des te gemakkelijker het verband tussen de bolsjewieken en de Duitsers te kunnen leggen.

Provocaties hebben ongetwijfeld een rol gespeeld, zowel bij de gebeurtenissen aan het front, alsook in de straten van Petrograd. Na de Februariomwenteling had de regering een groot aantal vroegere gendarmes en politieagenten in het actieve leger geworpen. Geen van hen wilde natuurlijk oorlog voeren. Zij vreesden de Russische soldaten meer dan de Duitse. Om hun verleden te verdoezelen, imiteerden zij de meest radicale stemmingen in het leger, hitsten de soldaten tegen de officieren op, schetterden het hardst tegen de discipline en het offensief en gaven zich niet zelden voor bolsjewieken uit. Terwijl zij het gewone contact van medeplichtigen aan een misdrijf met elkaar hadden, vormden zij een bijzondere orde van lafheid en laaghartigheid. Door hen drongen de meest fantastische geruchten, waarin een ultrarevolutionaire geest gepaard ging met een Zwarte Honderd-mentalileit, in de troepen door en verspreidden zich snel onder deze. In kritieke ogenblikken gaven deze sujetten het eerst het teken tot een paniek. Meer dan eens werd in de pers op het destructieve werk van de politieagenten en gendarmes gewezen. Niet minder vaak treft men soortgelijke mededelingen in de geheime documenten van het leger zelf aan. De hogere legerleiding bleef echter zwijgen en gaf er de voorkeur aan om de Zwarte Honderd-provocateurs met de bolsjewieken op een lijn te stellen. Maar nu, na de ineenstorting van het offensief, werd deze list gewettigd en het blad van de mensjewieken deed zijn best om niet bij de smerigste chauvinistische blaadjes achter te blijven. Met hun geschreeuw over “anarcho-bolsjewieken”, Duitse agenten, vroegere gendarmes, … wisten de patriotten een tijdlang met succes het vraagstuk van de toestanden in het leger in het algemeen en de vredespolitiek te overstemmen. “Onze goede doorbraak aan het front van Lenin,” zo snoefde vorst Lvov openlijk, “is naar mijn vaste overtuiging van oneindig veel grotere betekenis voor Rusland dan de doorbraak van de Duitsers aan het zuidwestelijk front…” Het eerwaardige hoofd van de regering leek in dit opzicht op de kamerheer Rodsjanko: hij begreep evenmin wanneer men beter kan zwijgen.

Indien het op 3 en 4 juli gelukt was om de massa’s van de demonstratie te weerhouden, dan zou de actie toch onvermijdelijk als een gevolg van de doorbraak bij Tarnopol gekomen zijn. De tussenpoos van slechts enkele dagen zou echter belangrijke wijzigingen in de politieke toestand teweeggebracht hebben. De beweging zou terstond een grotere omvang gekregen hebben en niet alleen de provincie, maar ook in sterke mate het front meegesleurd hebben. De regering zou politiek machteloos geweest zijn en het zou veel moeilijker geweest zijn om de schuld op de “verraders” in het achterland te gooien. De toestand van de bolsjewistische partij zou in elk opzicht gunstiger geweest zijn. Ook in dit geval zou het echter niet om een directe verovering van de macht kunnen gegaan zijn. Men kan slechts een ding met zekerheid zeggen en dat is: indien de beweging een week later uitgebarsten was, zou de reactie zich in juli niet zo succesvol hebben kunnen ontwikkelen. Juist de “raadselachtige consequentie” van de tijdstippen van de demonstratie en de doorbraak keerde zich geheel tegen de bolsjewieken. De golf van woede en vertwijfeling die van het front kwam aanrollen, stuitte op de golf van teleurstelling die uit Petrograd kwam. De les die de massa’s in de hoofdstad gekregen hadden, was te hard opdat men aan een onmiddellijke hervatting van de strijd had kunnen denken. De bittere gevoelens die de zinloze nederlaag opgewekt had, moesten echter een uitweg vinden. En de patriotten slaagden er tot op zekere hoogte in deze stemming tegen de bolsjewieken te keren.

In april, juni en juli waren de voornaamste figuren, die optraden, steeds dezelfden: de liberalen, de verzoeningsgezinden en de bolsjewieken. De massa’s trachtten in al deze fasen de bourgeoisie uit de regering te verdringen. Het verschil in de politieke gevolgen die de inmenging van de massa’s in de gebeurtenissen had, was echter reusachtig groot. Het resultaat van de “aprildagen” was een verlies voor de bourgeoisie: de annexionistische politiek werd, althans met woorden, veroordeeld, de kadettenpartij vernederd, de portefeuille van buitenlandse zaken aan haar ontnomen. In juni bleef de beweging onbeslist: men richtte zich tegen de bolsjewieken, doch sloeg niet toe. In juli werd de bolsjewistische partij van verraad beschuldigd, neergeslagen en van alles beroofd. Terwijl in april Miljoekov uit de regering gegooid werd, ging in juli Lenin in de illegaliteit.

Waardoor werd een zo krasse ommekeer in de loop van tien weken veroorzaakt? Het is volkomen duidelijk dat er in de regeringskringen een belangrijke verschuiving naar de liberale bourgeoisie had plaatsgehad. De stemming onder de massa had zich intussen juist in deze periode, april-juli, zeer ten gunste van de bolsjewieken gewijzigd.

Deze twee tegenstrijdige processen ontwikkelden zich in zeer nauwe afhankelijkheid van elkaar. Hoe meer de arbeiders en soldaten zich om de bolsjewieken aaneensloten, des te krachtiger moesten de verzoeningsgezinden de bourgeoisie ondersteunen. In april hadden de leiders van het Uitvoerend Comité, bezorgd om hun invloed, de massa’s nog enigermate tegemoet kunnen komen en Miljoekov, hoewel voorzien van een solide reddingsgordel, overboord kunnen gooien. In juli sloegen de verzoeningsgezinden samen met de bourgeoisie en het officierenkorps op de bolsjewieken in. De wijziging in de machtsverhoudingen was derhalve ook ditmaal veroorzaakt door de ommezwaai van de macht die politiek het minst in staat was om tegenstand te bieden, nl. de kleinburgerlijke democratie, door haar krasse bocht in de richting van de burgerlijke contrarevolutie.

Indien dit echter zo is, deden de bolsjewieken er dan wel goed aan om zich bij de demonstratie aan te sluiten en de verantwoordelijkheid ervoor op zich te nemen? Op 3 juli had Tomski de gedachte van Lenin aldus geformuleerd: “Het is verkeerd om nu van een gewapende demonstratie te spreken zonder een nieuwe revolutie te willen.” Hoe kon de partij dan enkele uren later reeds zich aan het hoofd van de gewapende demonstratie stellen, terwijl zij daarbij geenszins tot een nieuwe revolutie opriep? De dogmaticus zal daarin een inconsequentie of, wat nog erger is, een politieke lichtzinnigheid zien. Zo beschouwde bijvoorbeeld Soechanov de zaak, in wiens “Aantekeningen” men menige ironische passage over de bochten van de bolsjewistische leiding aantreft. De massa’s grijpen echter niet volgens een of ander dogmatisch voorschrift in de gebeurtenissen in, maar enkel volgens de eigen politieke ontwikkeling. De bolsjewistische leiding had zeer goed begrepen dat slechts een nieuwe revolutie de politieke situatie kon doen veranderen. De arbeiders en soldaten waren echter nog niet tot dit inzicht gekomen. De bolsjewistische leiding zag heel goed dat men de zware reserves tijd moest gunnen om de nodige gevolgtrekkingen uit het avontuurlijk offensief te trekken. De meest vooruitstrevende groepen drongen echter de straat op juist onder invloed van dit avontuur. Een zeer verregaand radicalisme, wat doeleinden betreft, ging daarbij gepaard met illusies betreffende de methodes. De waarschuwingen van de bolsjewieken baatten niet. De Petrogradse arbeiders en soldaten konden de werkelijke toestand slechts uit eigen ervaring leren kennen. De gewapende demonstratie werd een leerschool hiervoor. De les kon echter gemakkelijk tegen de wil van de massa’s tot een beslissende slag en tevens tot een beslissende nederlaag worden. Onder deze omstandigheden mocht de partij niet afzijdig blijven. Zich de handen in onschuld wassen en strategische voorspellingen houden, zou eenvoudig betekend hebben de arbeiders en soldaten aan hun vijanden uit te leveren. De partij van de massa’s moest zich op de basis stellen waarop de massa’s zich gesteld hadden, om zonder ook maar enigszins hun illusies te delen, hen te helpen om met de geringst mogelijke verliezen de noodzakelijke lessen te trekken. Trotski antwoordde in de pers op de talloze kritieken van die dagen: “Wij achten het niet nodig ons tegenover wie ook te verantwoorden voor het feit dat wij niet met gekruiste armen afzijdig bleven en het aan generaal Polovzev overlieten zich met de betogers ‘in te laten’. Door onze inmenging kon in elk geval in geen enkel opzicht het aantal slachtoffers vergroot of de chaotische gewapende betoging in een politieke opstand veranderd worden.”

In alle vroegere revoluties treft men het voorbeeld van de “Julidagen” aan, met een verschillende, maar in de regel ongunstige, dikwijls catastrofale afloop. Een dergelijke fase is inherent aan de ontwikkeling van de burgerlijke revolutie, voor zover de klasse die het meest voor haar succes offert en de meeste verwachtingen van haar koestert, het minst van haar ontvangt. De wetmatigheid van dit proces is volkomen duidelijk. De bezittende klasse, die door de omwenteling aan de macht gekomen is en tot het inzicht neigt dat de revolutie daarmee reeds haar taak vervuld heeft, beijvert zich daarom voor alles om aan de reactionaire machten haar betrouwbaarheid te tonen. De “revolutionaire” bourgeoisie wekt verontwaardiging onder de volksmassa’s met dezelfde maatregelen, waardoor zij tracht de goedkeuring van de ten val gebrachte klasse te verkrijgen. Er komt zeer snel een ontgoocheling onder de massa’s, nog voordat de voorhoede op adem kan komen van de inspanning van de revolutionaire strijd. Het volk gelooft dat het door een nieuwe slag voltooien of corrigeren kan wat het vroeger niet flink genoeg gedaan heeft. Vandaar de drang naar een nieuwe revolutie, zonder enige voorbereiding, zonder bepaald programma, zonder behoorlijk rekening te houden met de reserves, zonder de gevolgen goed te overwegen. Aan de andere kant loert de pas aan de macht gekomen groep van de bourgeoisie als het ware op een wilde uitbarsting van onderop om definitief met het volk te kunnen afrekenen. Dit is de sociale en psychologische basis van die tweede gedeeltelijke revolutie, die in de geschiedenis meer dan eens tot uitgangspunt van een zegevierende contrarevolutie werd.

Op 17 juli 1791 schoot Lafayette op het Marsveld een vreedzame demonstratie van republikeinen neer, die getracht hadden zich met een verzoekschrift tot de Nationale Vergadering te wenden, welke de woordbreuk van de koning dekte, net zoals de Russische verzoeningsgezinden honderdzesentwintig jaar later de woordbreuk van de liberalen dekten. De royalistische bourgeoisie hoopte door een bloedbad op het juiste ogenblik met de revolutionaire partij voor altijd te kunnen afrekenen. De republikeinen die zich nog niet sterk genoeg voelden om te overwinnen, ontweken de strijd, hetgeen heel verstandig was. Zij haastten zich zelfs om zich van de petitionarissen af te scheiden, hetgeen ongetwijfeld laag en gemeen was. Het regime van de burgerlijke terreur noopte de Jacobijnen zich enige maanden stil te houden. Robespierre vond onderdak bij de meubelmaker Duplay, Desmoulins hield zich verborgen, Danton bracht enkele weken in Engeland door. De royalistische provocatie mislukte echter: het bloedbad op het Marsveld belette de republikeinse beweging niet om de overwinning te behalen. De Grote Franse Revolutie had derhalve haar “Julidagen”, zowel in de politieke betekenis van het woord, alsook overeenkomstig de kalender.

Zevenenvijftig jaren later vielen in Frankrijk de “Julidagen” in juni en kregen zij een veel grootser en tragischer karakter. De zogenaamde “Junidagen” van 1848 kwamen met onweerstaanbare kracht uit de Februariomwenteling voort. De Franse bourgeoisie kondigde in de eerste uren van haar overwinning het “recht op arbeid” af, zoals zij na 1789 vele heerlijke dingen verkondigde en zoals zij in 1914 nadrukkelijk verklaarde dat zij voor het laatst oorlog voerde. Uit het prachtige recht op arbeid ontstonden de jammerlijke nationale werkplaatsen, waar honderdduizend arbeiders die voor hun broodheren de macht veroverd hadden drieëntwintig sous per dag kregen. Reeds enkele weken later wist de republikeinse bourgeoisie, die met frasen zo vrijgevig, maar met duiten zo krenterig was, geen smalende woorden genoeg te vinden voor de “leeglopers” die op het nationale hongerrantsoen gesteld waren. In de rijkelijke februaribeloften en de stelselmatige provocaties voor juni komt het nationale karakter van de Franse bourgeoisie tot uiting. Ook afgezien daarvan zouden de Parijse arbeiders, met het februari-geweer in de hand, toch niet de tegenspraak tussen het fraaie programma en de jammerlijke werkelijkheid, dit ondragelijk contrast dat zij dagelijks in hun maag en in hun hoofd voelden, hebben kunnen slikken. Met welk een koele en bijna openlijke berekening liet Cavaignac voor de ogen van de gehele heersende klasse de opstand aangroeien, om des te definitiever met deze af te rekenen. Niet minder dan twaalfduizend arbeiders werden door de republikeinse bourgeoisie vermoord, niet minder dan twintigduizend arbeiders werden door haar gearresteerd, om de overigen van hun geloof aan het door haar afgekondigde “recht op arbeid” te genezen. Zonder een vast plan, zonder een bepaald programma, zonder behoorlijke leiding, lijken de Junidagen van 1848 een krachtige en onvermijdelijke reflex van de in zijn meest elementaire behoeften benadeelde en in zijn hoogste verwachtingen teleurgestelde arbeidersklasse. De opstandige arbeiders werden niet alleen neergeslagen, maar ook nog belasterd. De linkse democraat Flocon, een geestverwant van Ledru Rollin, een voorloper van Tsereteli, verzekerde aan de Nationale Vergadering dat de opstandelingen door de monarchisten en buitenlandse regeringen omgekocht waren. De verzoeningsgezinden van 1848 hadden niet eens de oorlogssfeer nodig om in de zakken van de rebellen Engels en Russisch goud te ontdekken. Zo baanden de democraten de weg voor het bonapartisme.

Het gigantisch oplaaien van de Commune verhield zich tot de Septemberomwenteling van 1870 als de Junidagen tot de Februarirevolutie van 1848. De opstand in maart van de Parijse arbeidersklasse was allerminst een kwestie van strategische berekening. Zij kwam voort uit een tragische samenloop van omstandigheden, waarbij nog een van die provocaties kwam waarin de Franse bourgeoisie, indien angst haar boosaardigheid nog aanwakkert, zo vindingrijk is. De arbeiders wilden Parijs, dat zij voor de eerste maal tot hun Parijs trachtten te maken, verdedigen tegen de plannen van de regeringskliek die er voor alles op uit was om het volk te ontwapenen. In de nationale garde vonden zij een gewapende organisatie die zeer veel had van het Sovjettype, en politieke leiding kregen zij door middel van haar centraal comité. Tengevolge van ongunstige objectieve omstandigheden en politieke fouten kwam Parijs tegenover het overige Frankrijk te staan: niet begrepen, niet ondersteund, voor een deel door de provincie direct verraden, viel het in handen van de woedende Versaillanen, die Bismarck en Moltke in de rug hadden. De gedemoraliseerde en verslagen officieren van Napoleon III toonden zich als onschatbare beulen in dienst van de liefelijke Marianne, die door de Pruisen met hun zware laarzen zojuist uit de omarmingen van de pseudo-Bonaparte bevrijd was. In de Parijse Commune groeide het instinctieve protest van de arbeidersklasse tegen het bedrog van de burgerlijke revolutie voor de eerste maal in de geschiedenis uit tot een arbeidersrevolutie. Maar er werd meteen terug een stap achteruit gezet.

De Spartacusweek in januari 1919 in Berlijn behoort tot dezelfde categorie van tussentijdse partiële revoluties als de Julidagen in Petrograd. Tengevolge van de dominerende positie die de arbeidersklasse in het Duitse volk en vooral in het economisch leven innam, had de Novemberrevolutie vanzelf de volledige staatsmacht aan de arbeiders- en soldatenraad verschaft. De arbeidersklasse was echter in politiek opzicht identiek met de sociaaldemocratie, die zichzelf weer met het burgerlijk regime identificeerde. De Onafhankelijke Sociaal-Democratische Partij nam in de Duitse revolutie dezelfde plaats in als in Rusland de sociaal- revolutionairen en de mensjewieken. Wat er ontbrak, was een bolsjewistische partij.

Iedere dag na 9 november wekte bij de Duitse arbeiders levendig het gevoel op dat iets hen ontviel, dat iets hen ontnomen werd, dat iets hen ontglipte. De wil om het eenmaal veroverde te behouden, de posities te versterken en tegenstand te bieden, werd van dag tot dag sterker. Deze defensieve strekking lag ook aan de Januarigevechten van 1919 ten grondslag. De Spartacusweek begon niet ten gevolge van strategische berekening van de partij, maar ten gevolge van de druk die de verontwaardigde onderste volkslagen uitoefenden. Het begon rond een ondergeschikte kwestie, namelijk het handhaven van een politiepresident op zijn post, maar in feite was dit het begin van een nieuwe revolutie. Beide organisaties die samen de leiding hadden, de spartacisten en de linkse onafhankelijken, werden door de gebeurtenissen verrast, gingen verder dan zij eigenlijk wilden, maar niet tot het einde toe. De spartacisten waren nog te zwak om zelfstandig leiding te geven. De linkse onafhankelijken deinsden terug voor de methodes die alleen tot het doel konden leiden, aarzelden, speelden opstand, terwijl zij diplomatieke onderhandelingen aan deze verbonden.

De Januarinederlaag komt, wat het aantal slachtoffers betreft, bijlange niet tot de reusachtige getallen van de “Junidagen” in Frankrijk. De politieke betekenis van een nederlaag moet echter niet alleen naar het aantal vermoorde en doodgeschoten personen afgemeten worden. Het is genoeg dat de jonge communistische partij daarbij fysiek onthoofd werd en de onafhankelijke partij getoond heeft dat zij door haar methoden niet in staat kon zijn om de arbeidersklasse tot de overwinning te leiden. Vanuit een ruimer gezichtspunt gezien hebben de “Julidagen” in Duitsland zich in meerdere etappes afgespeeld: januariweek 1919, maartdagen 1921, oktoberterugtocht 1923. De gehele verdere geschiedenis van Duitsland vloeit noodwendig uit deze gebeurtenissen voort: de niet doorgevoerde revolutie schakelde zich in het fascisme om.

Op het tijdstip waarop deze bladzijden geschreven worden – begin mei 1931 – bereidt de onbloedige, vreedzame, roemrijke (deze adjectieven blijven altijd dezelfde) revolutie in Spanje voor onze ogen haar “Junidagen” voor, volgens de Franse kalender, of haar “Julidagen”, volgens de Russische kalender. Zwelgend in frasen die meermaals zonder meer uit het Russisch vertaald lijken, belooft de Madrileense Voorlopige Regering ingrijpende maatregelen tegen de werkloosheid en het gebrek aan land, maar waagt het niet om ook maar een van de oude sociale wonden aan te roeren. De coalitiesocialisten helpen de republikeinen om de revolutie te saboteren. Is het te stout om een sterke toename van de verontwaardiging bij de arbeiders en boeren te voorspellen? De onverenigbare bewegingen van de massarevolutie aan de ene kant en het beleid van de nieuwe heersende klassen aan de andere kant – daarin ligt de bron van het onoplosbare conflict dat in zijn ontwikkeling de eerste revolutie, die van april, zal begraven of tot een tweede zal leiden.

Al besefte de kern van de Russische bolsjewieken in juli 1917 dat men niet verder moest gaan dan tot een bepaalde grens, zo was er toch geen eensgezindheid onder hen. Vele arbeiders en soldaten waren ertoe geneigd om in de acties, zoals deze zich ontwikkelden, een definitieve oplossing te zien. In zijn memoires, die vijf jaar later geschreven zijn, laat Metelew zich aldus over de betekenis van de gebeurtenissen uit: “Onze grootste fout bij deze opstand was dat wij aan het Uitvoerend Comité van de verzoeningsgezinden aanboden om de macht te grijpen. Men had niets moeten aanbieden, maar zelf de macht moeten grijpen. Onze tweede fout was dat wij bijna tweemaal vierentwintig uur in de straten defileerden, in plaats van onmiddellijk alle bureaus, paleizen, banken, stations en telegraafkantoren te bezetten, de gehele Voorlopige Regering gevangen te nemen.” Enzovoorts. Wat een opstand betreft, zou dit ongetwijfeld juist geweest zijn. Maar de Julibeweging tot een opstand maken, zou ongetwijfeld betekend hebben dat men de revolutie begroef.

De anarchisten, die tot de strijd opriepen, wezen erop dat “ook de Februariopstand zich zonder een bepaalde leiding van partijen voltrokken had.” De Februarirevolutie had een vastomlijnde, door de strijd van generaties uitgewerkte taak voor zich, en boven de Februariopstand stonden de oppositionele liberale wereld en de patriottische democratie die aanspraak maakten op de macht en die volkomen voorbereid waren. De Julibeweging daarentegen moest zich een geheel nieuwe historische weg banen. De gehele burgerlijke wereld, met inbegrip van de Sovjetdemocratie, stond onverbiddelijk vijandig tegenover haar. Dit fundamentele verschil tussen de voorwaarden van de burgerlijke en van de arbeidersrevolutie hadden de anarchisten niet gezien of althans niet begrepen.

Indien de bolsjewistische partij zich op een dogmatische beoordeling van de Julibeweging als een “voorbarige” beweging vastgelegd en de massa’s de rug toegekeerd had, zou de partiële opstand onvermijdelijk onder de verwarde en heterogene leiding van anarchisten, avonturiers, toevallige exponenten van de woede der massa’s geraakt zijn en in nutteloze stuiptrekkingen tot grote bloedvergieten geleid hebben. Omgekeerd: indien de partij door zich aan het hoofd van de mitrailleurs en de Poetilovarbeiders te stellen haar algemene kijk op de situatie prijsgegeven zou hebben en tot beslissende gevechten overgegaan zou zijn, zou de opstand zich ongetwijfeld zeer uitgebreid hebben en zouden de arbeiders en soldaten onder leiding van de bolsjewieken de macht veroverd hebben, maar slechts om het begin van de ineenstorting van de revolutie te vormen. Het vraagstuk van de macht in het gehele land zou, in tegenstelling tot de Februarirevolutie, niet door een overwinning in Petrograd beslist zijn. De provincie zou geen gelijke tred met de hoofdstad gehouden hebben. Het front zou de omwenteling niet begrepen en niet aanvaard hebben. Spoorwegen en telegraaf zouden ten dienste van de verzoeningsgezinden gestaan hebben tegen de bolsjewieken. Kerenski en het hoofdkwartier zouden een regering van het front en van de provincie gevormd hebben. Petrograd zou geblokkeerd zijn. Binnen de muren van de stad zou een ontbindingsproces begonnen zijn. De regering zou in de mogelijkheid verkeerd hebben om grotere soldatenmassa’s tegen Petrograd te doen oprukken. De opstand zou onder zulke voorwaarden met een tragedie van de Petrogradse commune geëindigd zijn.

Op het keerpunt in de geschiedenis in juli was het enkel de tussenkomst van de bolsjewistische partij die beide dreigende gevaren kon voorkomen: zowel het gevaar in de trant van de Junidagen van 1848 als het gevaar in de trant van de Parijse commune van 1871. Dankzij het feit dat de partij zich moedig aan het hoofd van de beweging stelde, werd het mogelijk de massa’s te weerhouden op dat ogenblik waarop de demonstratie zich tot een gewapend tweegevecht begon te ontwikkelen. De slag die in juli aan de massa’s en aan de partij werd toegebracht, was zeer gevoelig. Het was echter geen beslissende slag. Men telde de slachtoffers bij tientallen, niet bij tienduizendtallen. De arbeidersklasse kwam noch onthoofd, noch verbloed uit de beproeving te voorschijn. Zij had haar kader ongeschonden behouden, en dit kader had veel geleerd.

In de dagen van de Februariomwenteling was de arbeid van de bolsjewieken gedurende vele voorafgaande jaren aan het licht gekomen en de door de partij opgevoede vooruitstrevende arbeiders hadden hun plaats in de strijd ingenomen; maar een directe leiding van de kant van de partij was er nog niet. Tijdens de gebeurtenissen in april toonden de leuzen van de partij hun kracht, maar de beweging ontwikkelde zich spontaan. In juni openbaarde zich de reusachtige invloed van de partij, maar de massa’s traden nog binnen het kader van een officieel door de tegenstander bepaalde demonstratie op. En pas in juli komt de bolsjewistische partij, nadat zij de druk van de massa’s gevoeld heeft, tegen alle overige partijen op de straat en bepaalt niet alleen door haar leuzen, maar ook door haar organisatorische leiding het karakter van de beweging. De betekenis van een aaneengesloten voorhoede blijkt voor het eerst volkomen duidelijk tijdens de Julidagen, wanneer de partij – tegen een hoge prijs – de arbeidersklasse van verplettering behoedt en de toekomst van de revolutie en tevens haar eigen toekomst verzekert.

“Als technische proef,” schreef Miljoekov over de betekenis die de Julidagen voor de bolsjewieken hadden, “was het experiment ongetwijfeld buitengewoon nuttig voor hen. Zij zagen met welke elementen zij te doen hadden, hoe zij deze elementen moesten organiseren, en tenslotte, welke tegenstand de regering, de Sovjet en de troepen in staat waren te bieden. Het was duidelijk dat indien de tijd zou komen om het experiment te herhalen, zij dit meer systematisch en meer omzichtig zouden volbrengen.” De betekenis van de Juli-ervaringen voor de verdere ontwikkeling van de bolsjewistische politiek is hiermee goed weergegeven. Voordat de partij echter de lessen van juli kon benutten, moest zij nog enkele buitengewoon moeilijke weken doormaken. Dit waren weken waarin het kortzichtige vijanden toescheen alsof de kracht van het bolsjewisme definitief gebroken was.

Print Friendly, PDF & Email