Het congres van de Sovjet-heerschappij

Op 25 oktober zou in het Smolny het meest democratische van alle parlementen in de wereldgeschiedenis geopend worden en, wie weet, misschien ook wel het belangrijkste.

De plaatselijke sovjets zonden, nadat zij zich aan de invloed van de verzoeningsgezinde intellectuelen onttrokken hadden, vooral arbeiders en soldaten. Dit waren grotendeels mensen zonder klinkende namen, maar die metterdaad beproefd waren en ter plaatse het vaste vertrouwen hadden weten te verwerven. Als afgevaardigden van het actieve leger hadden vrijwel alleen eenvoudige soldaten de blokkade van de legercomités en de staven weten te doorbreken. Het merendeel van hen was pas met de revolutie tot politiek leven ontwaakt. De ervaring van acht maanden had hen gevormd. Hun kennis was niet groot, maar degelijk. Het uiterlijk van het congres leverde een beeld op van zijn samenstelling. De epauletten van de officieren, de brillen en dassen van de intellectuelen van het eerste congres waren vrijwel geheel verdwenen. De grijze kleur overheerste zowel in de kleding als op de gezichten. Alles was door de lange duur van de oorlog versleten. Vele arbeiders uit de stad hadden zich soldatenmantels toegeëigend. De afgevaardigden uit de loopgraven zagen er niet erg schilderachtig uit: in lange tijd niet geschoren, in oude verscheurde mantels met zware pelsmutsen op, waaruit niet zelden watten puilden over het verwarde haar. Grove, verweerde gezichten, plompe gesprongen handen, vingers geel van tabak, ontbrekende knopen, loshangende gordels, versleten, roodgele, in lang niet meer gepoetste laarzen. Het plebejische volk had voor het eerst een eerlijke, ongeschminkte vertegenwoordiging naar haar eigen evenbeeld afgevaardigd.

De statistieken van het congres, die in de uren van de opstand opgemaakt werden, zijn buitengewoon onvolledig. Men telde bij de opening 650 deelnemers met beslissende stem. De bolsjewieken hadden daarvan 93 afgevaardigden. Terwijl de afgevaardigden lang niet allemaal partijleden waren, maakten zij wel deel uit van de massa’s en die hadden geen andere weg meer dan de bolsjewistische. Vele van de afgevaardigden die eerst nog in twijfel verkeerden, rijpten snel in de gloeiende sfeer van Petrograd.

Hoe grondig hadden de mensjewieken en sociaal-revolutionairen het politieke kapitaal van de Februarirevolutie weten te verspillen! Op het Sovjetcongres in juni hadden de verzoeningsgezinden 600 stemmen op een totaal aantal van 832 gedelegeerden. Nu bedroeg de verzoeningsgezinde oppositie van diverse schakering nauwelijks één vierde van het congres. De mensjewieken telden samen met de dichtbij hen staande nationale groepen 80 man, waarvan ongeveer de helft links was. Van de 159, volgens andere opgaven 90, sociaal-revolutionairen vormden de linksen ongeveer drie vijfden, terwijl de rechtsen in de loop van de bijeenkomst steeds meer wegsmolten. Tegen het einde van het congres naderde het aantal afgevaardigden volgens meerdere opgaven ongeveer het getal van 900. Dit aantal, dat talrijke adviserende stemmen omvat, omvat aan de andere kant echter niet alle beslissende stemmen. De optekening gebeurde met onderbrekingen, documenten gingen verloren en de opgaven over het partijlidmaatschap zijn niet volledig. De overheersende positie van de bolsjewieken bleef in elk geval op het congres onbetwist.

Een enquête die onder de afgevaardigden gehouden werd, liet zien dat 505 Sovjets voor een overgave van de macht aan de Sovjets waren; 86 voor de macht van de “democratie”, 25 voor een coalitie, 21 voor een coalitie maar zonder kadetten. Hoezeer de cijfers zelfs in deze vorm spreken, geven zij toch een overdreven voorstelling van de invloed die de verzoeningsgezinden nog hadden: de sovjets van de meest achterlijke en de minst belangrijke punten waren voor de democratie en de coalitie.

Op 25 oktober hadden er vanaf het aanbreken van de dag fractievergaderingen in het Smolny plaats. Bij de bolsjewieken waren slechts zij aanwezig die geen taak in de strijd te vervullen hadden. De opening van het congres had later dan oorspronkelijk gepland plaats: de bolsjewistische leiding wil eerst met het Winterpaleis afrekenen. Ook de vijandelijke fracties spoorden echter niet tot haast aan: zij moesten eerst nog besluiten wat er te doen viel en dit was niet gemakkelijk. Er verstreken uren. In de fracties vochten weer kleinere fracties. Er had een splitsing onder de sociaal-revolutionairen plaats nadat een resolutie betreffende het verlaten van het congres met 92 tegen 60 stemmen verworpen was. Pas laat in de avond begonnen linkse en rechtse sociaal-revolutionairen in afzonderlijke vertrekken te vergaderen. De mensjewieken verzochten om acht uur om een nieuw uitstel: er waren teveel meningsverschillen onder hen. De nacht naderde. De operatie voor het Winterpaleis sleepte aan. Het was echter onmogelijk langer te wachten: men moest een duidelijk woord spreken tot het gespannen luisterend land.

De revolutie leerde de kunst van opeenhoping. Afgevaardigden, gasten en wachtposten verdrongen zich in de aula van het instituut voor adellijke jonge meisjes om voor telkens weer nieuw aangekomenen plaats te maken. Waarschuwingen voor het gevaar van een doorzakken van de vloeren, alsook vermaningen om minder te roken, werden in de wind geslagen. Men drong opeen en rookte dubbel zoveel. Met moeite baande John Reed zich een weg door de rumoerige menigte bij de deur. De zaal was niet verwarmd, maar de atmosfeer was er benauwd en warm.

Opeengeperst tot in de zaaldeuren en de zijgangen, alle vensterbanken bezettend, wachtten de afgevaardigden geduldig op het bellen van de voorzitter. Noch Tsereteli, noch Tsjcheïdse, noch Tsjernov waren op het podium. Slechts tweederangsleiders waren op hun begrafenis verschenen. Iemand van klein postuur in het uniform van een officier van gezondheid, opende ’s avonds om 10 uur 40 namens het Uitvoerend Comité de zitting. Het congres kwam onder zo “buitengewone omstandigheden” bijeen dat hij, Dan, in opdracht van het Centraal Comité, wilde afzien van het houden van een politieke rede: zijn partijgenoten werden immers op dit uur beschoten in het Winterpaleis, waar zij “vol zelfopoffering hun plicht als ministers vervulden.” De afgevaardigden hadden allerminst op de zegen van het Centraal Uitvoerend Comité gerekend. Zij keken vijandig naar het podium: indien deze mensen politiek nog bestaan, hoe staan zij dan tegenover ons en onze zaak?

De Moskouse afgevaardigde Avanesov stelt in naam van de bolsjewieken een presidium voor dat naar evenredigheid van de verschillende partijen samengesteld is: veertien bolsjewieken, zeven sociaal-revolutionairen, drie mensjewieken en één internationalist. De rechtsen weigeren terstond deel te nemen aan dit presidium. De groep van Martov behoudt zich de beslissing nog voor: zij is nog niet tot een besluit kunnen komen. Zeven stemmen gaan naar de linkse sociaal-revolutionairen over. Het congres volgt somber deze eerste conflicten.

Avanesov stelt de bolsjewistische kandidaten voor het presidium voor: Lenin, Trotski, Zinovjev, Kamenev, Rykov, Nogin, Skljanski, Krylenko, Antonov-Ovssejenko, Rjasanov, Moeranov, Loenatsjarski, Kollontaj en Stoetsjka. “Het presidium wordt,” schrijft Soechanov, “samengesteld uit de belangrijkste bolsjewistische leiders en zes (in werkelijkheid zeven) linkse sociaal-revolutionairen.” Zinovjev en Kamenev worden als personen met een gezaghebbende naam in de partij in het presidium opgenomen, ondanks hun strijd tegen de opstand; en Nogin als vertegenwoordiger van de Moskouse sovjet; Loenatsjarski en Kollontaj als toentertijd populaire propagandisten; Rjasanov als vertegenwoordiger van de vakverenigingen; Moeranov als oude bolsjewistische arbeider die zich tijdens het proces tegen de Doema-afgevaardigden dapper gedragen had; Stoetsjka als leider van de Letse organisatie; Krylenko en Skljanski als vertegenwoordiger van het leger; Antonov-Ovssejenko als leider van de Petrogradse gevechten. Het ontbreken van de naam van Sverdlov is te verklaren uit het feit dat hij zelf de lijst opgesteld had en niemand deze in de verwarring gecorrigeerd had. Voor de toenmalige gebruiken in de partij is het kenmerkend dat de gehele staf van de tegenstanders van de opstand in het presidium kwam, namelijk Zinovjev, Kamenev, Nogin, Rykov, Loenatsjarski en Rjasanov. Van de linkse sociaal-revolutionairen was toentertijd in geheel Rusland slechts de kleine, gebrekkige en moedige Spiridonova beroemd, die vele jaren dwangarbeid achter zich had wegens het doden van de beul van de boeren van Tambov. Andere beroemdheden hadden de linkse sociaal-revolutionairen niet. Daarentegen hadden de rechtsen vrijwel niets anders dan beroemdheden overgehouden.

Het congres begroet zijn presidium levendig. Lenin is niet op het podium. Terwijl de fracties bijeenkwamen en beraadslaagden, zat Lenin met een pruik en een grote bril in gezelschap van twee-, drie bolsjewieken in een nis. Dan en Skobeljev bleven op weg naar hun fractie voor de tafel van de samenzweerders staan, keken deze onderzoekend aan en herkenden klaarblijkelijk Lenin. Dit betekende dat het tijd werd om het masker af te leggen!

Lenin haastte zich echter niet om in het openbaar op te treden. Hij wilde voorlopig nog waarnemen, de draden vaster in handen krijgen en voorlopig achter de schermen blijven. Trotski schrijft in zijn in  1924 gepubliceerde mémoires: “In het Smolny had de eerste vergadering van het tweede Sovjetcongres plaats. Lenin verscheen daar niet. Hij bleef in een vertrek van het Smolny waarin, als ik mij goed herinner, om de een of andere reden geen of nagenoeg geen meubels stonden. Pas later spreidde iemand dekens op de vloer en legde daarop twee kussens. Samen met Vladimir Iljitsj rustten wij, naast elkaar liggend, uit. Reeds na enkele minuten riep men mij echter: “Dan spreekt, men moet antwoorden.” Toen ik na mijn repliek teruggekeerd was, legde ik mij weer naast Vladimir Iljitsj, die er natuurlijk niet aan gedacht had in te slapen. Hoe zou hij het ook gekund hebben? Elke vijf of tien minuten kwam iemand uit de zaal waar de zitting gehouden werd naar ons toe om mee te delen wat er gebeurde.”

De bel van de voorzitter komt in handen van Kamenev, een van die flegmatici die als het ware van nature aangewezen zijn om voorzitter te zijn. Er staan, naar hij verkondigt, drie kwesties op de agenda: organisatie van de regering; oorlog en vrede; bijeenroeping van de Constituerende Vergadering. Een ongewoon, dof, angstwekkend gekraak doorsnijdt van buiten het rumoer van de vergadering: de Peter-en-Paulsvesting bekrachtigde de agenda met een kanonschot. Een golf van spanning gaat door het congres, dat zich meteen begint te voelen wat het in werkelijkheid ook is, nl. de Conventie van de burgeroorlog.

Losovski, die tegen de opstand is, verlangt het rapport van de Petrogradse sovjet. Het Militair Revolutiecomité is echter te laat gekomen: het artilleristisch antwoord toont dat het rapport nog niet gereed is. De opstand is in volle gang. De bolsjewistische leiders verdwijnen voortdurend in het vertrek van het Militair Revolutiecomité om inlichtingen of om maatregelen te nemen. De echo van de gevechten dringt in de zaal door als laaiende vlammen. De armen gaan bij de stemmingen omhoog tussen bajonetten. De grijsblauwe, snijdende rook van de machorkatabak onttrekt de prachtige witte zuilen en de kronen aan het oog.

De schermutselingen tussen de beide partijen krijgen met de kanonnade op de achtergrond een onverwachte betekenis. Martov vraagt het woord. Het ogenblik waarop de weegschalen nog schommelen, is zijn ogenblik, de meest vindingrijke politicus van eeuwig aarzelen. Met zijn hese tuberculeuze stem reageert Martov direct op de metaalklank van het geschut: “Het is absoluut noodzakelijk om de strijd aan beide kanten te staken. Men begon de kwestie van de macht door middel van een samenzwering op te lossen… Alle revolutionaire partijen zijn voor een voldongen feit geplaatst… De burgeroorlog dreigt tot het uitbreken van een contrarevolutie te leiden. Een vreedzame oplossing van de crisis is slechts te bereiken door de vorming van een regering die door de gehele democratie erkend wordt.” Een vrij groot deel van het congres applaudisseert. Soechanov merkt spottend op: “Heel wat bolsjewieken die de geest van de leer van Lenin en Trotski niet in zich opgenomen hadden, zouden graag deze weg inslaan.” De linkse sociaal-revolutionairen en de groep van de verenigde internationalisten sluiten zich bij het voorstel tot vreedzame onderhandelingen aan. De rechtervleugel, maar misschien ook Martovs naaste geestverwanten, zijn ervan overtuigd dat de bolsjewieken het voorstel zullen verwerpen. Zij vergissen zich. De bolsjewieken sturen hun meest vredelievende en zachtaardige spreker, namelijk Loenatsjarski, naar het podium: “De bolsjewistische fractie heeft absoluut niets tegen het voorstel van Martov.” De tegenstanders staan verbluft: “Lenin en Trotski komen hun eigen massa’s tegemoet,” verklaart Soechanov, “en ontnemen de rechtsen daarmee tegelijkertijd de vaste grond onder de voeten.” Het voorstel van Martov wordt met algemene stemmen aangenomen. “Indien de mensjewieken en sociaal-revolutionairen nu weggaan, hebben zij zelf over hun lot beslist,” overweegt men in de groep van Martov. Men mocht daarom hopen dat het congres “de juiste weg tot het vormen van een democratisch eenheidsfront zou inslaan.” IJdele hoop! Een revolutie beweegt zich nooit volgens een rechte lijn.

De rechtse vleugel schendt terstond het zojuist goedgekeurd initiatief van vreedzame onderhandelingen. De mensjewiek Charasj, afgevaardigde van het 12de leger, met de sterren van een majoor op zijn kraag, legt een verklaring af: “Politieke huichelaars stellen voor over de kwestie van de macht te beslissen. Intussen wordt deze achter onze rug om beslist… De slagen tegen het Winterpaleis slaan spijkers in de doodkist van de partij die een dergelijk avontuur begonnen is…” Het congres beantwoordt de uitdaging van de majoor met een verontwaardigd gemor.

Luitenant Koetsjin, die in de Landelijke Vergadering te Moskou namens het front gesproken had, poogt ook hier met het gezag van de legerorganisaties invloed uit te oefenen: “Dit congres is ontijdig en zelfs onrechtmatig.” ‘In naam van wie spreek jij?’ roepen de verscheurde uniformmantels, waarop het mandaat met de modder uit de loopgraven geschreven staat. Koetsjin somt nauwkeurig elf legers op. Niemand laat zich echter hierdoor misleiden. Zowel aan het front, als in het achterland zijn de generaals van de verzoeningsgezinden zonder soldaten achtergebleven. De frontgroep, vervolgt de mensjewistische luitenant, “wijst elke verantwoordelijkheid voor de gevolgen van dit avontuur af”; dit betekent een volkomen breuk met de revolutie. “Van nu af aan wordt het toneel van de strijd naar de verschillende afzonderlijke gebieden verplaatst.” Dit betekent: vereniging met de contrarevolutie tegen de Sovjets. En tenslotte: “de frontgroep… verlaat dit congres.”

Vertegenwoordigers van de rechtsen bestijgen de een na de ander het spreekgestoelte. Zij hebben priesters en kerken verloren, maar de klokkenstoelen hebben zij nog in handen; zij haasten zich voor het laatst om de gebarsten klokken nog eens te laten luiden. De socialisten en democraten, die met alle mogelijke middelen een overeenkomst met de imperialistische burgerij tot stand gebracht hadden, wijzen vandaag nadrukkelijk een overeenkomst met het opstandige volk van de hand. Hun politieke berekening is duidelijk: de bolsjewieken zullen binnen enkele dagen neertuimelen. Men dient zich zo snel mogelijk van hen af te scheiden, zelfs hun val te bespoedigen, om daarmee zichzelf en de eigen toekomst zoveel mogelijk te verzekeren.

Chintsjoek, de vroegere voorzitter van de Moskouse sovjet en toekomstig Sovjetgezant te Berlijn, legt namens de fractie van de rechtse mensjewieken een verklaring af. “De militaire samenzwering van de bolsjewieken… stort het land in de burgeroorlog, jaagt de Constituerende Vergadering uiteen, dreigt met een militaire catastrofe en leidt tot een overwinning van de contrarevolutie.” De enige uitweg bestaat in: “onderhandelingen met de Voorlopige Regering over de vorming van een regering die op alle democratische groepen steunt.” Volkomen hardleers stellen deze mensen het congres voor om een streep door de opstand te halen en tot Kerenski terug te keren. De woorden van de vertegenwoordiger van de rechtse sociaal-revolutionairen zijn door het lawaai, het gebrul en zelfs gefluit nauwelijks te verstaan. In de verklaring van zijn partij wordt de onmogelijkheid van een samenwerking met de bolsjewieken verkondigd en het Sovjetcongres zelf, dat bijeengeroepen en geopend was door het verzoeningsgezind Centraal Uitvoerend Comité, onrechtmatig genoemd.

De demonstratie van de rechtsen jaagt geen vrees aan, maar werkt slechts verbitterend, opwindend. In het gemoed van de meeste gedelegeerden heeft zich maar al te veel bitterheid over de aanmatigende en bekrompen leiders, die eerst met frases en daarna met represailles zoet hielden, opgehoopt. Waren Dan, Chintsjoek en Koetsjin nog van plan, verder te schoolmeesteren en te commanderen? De Letlandse soldaat Peterson, met zijn door tuberculose rode wangen en van haat brandende ogen, ontmaskert Charasj en Koetsjin als houders van een ongeldig mandaat. “Genoeg resoluties en gezwets! Wij hebben daden nodig! De macht moet in onze handen zijn. De afgevaardigden die door niemand hierheen gezonden zijn, moeten het congres verlaten, – het leger staat niet aan hun kant!” Deze van hartstocht sidderende stem verlicht het gemoed van het congres, waarop tot nu toe slechts een hagel van beledigingen neergestort is. Andere vertegenwoordigers van het front snellen Peterson te hulp. “De Koetsjins vertegenwoordigen de opvatting van kleine troepjes die sinds april in de legercomités zitten. Het leger eist reeds lang dat zij opnieuw gekozen zullen worden.” – “De bewoners van de loopgraven verwachten vol ongeduld de overgang van de macht op de Sovjets.”

De rechtsen zijn echter nog in het bezit van de klokkenstoelen. De vertegenwoordiger van de “Bond” verklaart “alles wat er in Petrograd gebeurt voor een ramp” en roept de gedelegeerden op om zich aan te sluiten bij de Doema-afgevaardigden die van plan zijn om ongewapend naar het Winterpaleis te trekken om samen met de regering te sterven. “Honende opmerkingen, die deels een ruw, deels een venijnig karakter hebben, klinken boven het rumoer uit,” schrijft Soechanov. De pathetische spreker heeft zich klaarblijkelijk in zijn publiek vergist. Weg! Deserteurs! roepen afgevaardigden, gasten, Roodgardisten, soldaten van de wacht de vertrekkenden na. Ga maar naar Kornilov! Vijanden van het volk!

De aftocht van de rechtsen veroorzaakt geen leegte. De grijze afgevaardigden weigeren openlijk om zich bij de officieren en jonkers aan te sluiten voor de strijd tegen de arbeiders en soldaten. Van de fractie van de rechtervleugel verlieten ongeveer zeventig afgevaardigden, d.w.z. iets meer dan de helft, de zaal. De twijfelaars kwamen tot de middengroepen die besloten hadden het congres niet te verlaten. Terwijl voor de opening van de zitting het aantal sociaal-revolutionairen van alle richtingen 190 bedroeg, steeg in de eerstvolgende uren het aantal linkse sociaal-revolutionairen alleen al tot 180. Bij hen voegden zich al diegenen die het nog niet waagden om zich bij de bolsjewieken aan te sluiten, maar reeds bereid waren om deze te ondersteunen.

De mensjewieken en sociaal-revolutionairen waren zonder voorbehoud in de Voorlopige Regering of een of ander Voorlopig Parlement gebleven. Inderdaad, hoe kan men met de beschaafde wereld breken? Maar de sovjets – dat is toch slechts het volk. Sovjets zijn goed zolang men op hen kan steunen voor overeenkomsten met de burgerij. Hoe zou men echter sovjets kunnen dulden als die zich inbeelden heer en meester in het land te zijn? “De bolsjewieken bleven alleen,” schreef de sociaal-revolutionair Sensinov later, “en van af dat ogenblik begonnen zij slechts op het ruwe fysieke geweld te steunen.” Ongetwijfeld was het morele beginsel samen met Dan en Goz verdwenen. Het morele beginsel zal in een processie van driehonderd man met twee lantaarns naar het Winterpaleis trekken om op het ruwe fysieke geweld van de bolsjewieken te stuiten en – de terugtocht te aanvaarden.

Het door de Sovjet goedgekeurd voorstel tot vreedzame onderhandelingen bleef in de lucht zweven. Indien de rechtsen de gedachte van een overeenstemming met de zegevierende arbeidersklasse voor mogelijk gehouden hadden, zouden zij zich niet zo gehaast hebben om met het congres te breken. Martov moet dit begrijpen. Hij klampt zich echter vast aan de gedachte van een compromis waarmee zijn gehele politiek staat of valt. “Men moet het bloedvergieten staken…” begint hij opnieuw. – “Dat zijn slechts geruchten!” roept men uit de zaal. – “Het zijn niet alleen geruchten die tot hier doordringen,” antwoordt hij, “indien je naar de ramen gaat, zal je ook kanonschoten horen.” Dit is niet voor ontkenning vatbaar: wanneer het congres zwijgt, hoort men de schoten zelfs niet alleen bij de ramen.

In de door Martov voorgelezen verklaring, die door en door vijandig tegenover de bolsjewieken is en geen bepaalde conclusie bevat, wordt de revolutie als “alleen door de bolsjewistische partij met de middelen van een zuiver militaire samenzwering voltrokken” veroordeeld. Deze verklaring verlangt dat het congres zijn arbeid zal staken tot een overeenstemming met alle socialistische partijen bereikt is. De resultante van een parallellogram van krachten in een revolutie najagen is nog erger dan zijn eigen schaduw te willen vangen!

Op dit ogenblik verschijnt de bolsjewistische fractie van de stadsdoema, die ervan afgezien heeft de twijfelachtige dood voor de muren van het Winterpaleis te zoeken. Ze verschijnt onder leiding van Joffe, de toekomstige eerste Sovjetgezant te Berlijn, in de zitting. Het congres wordt nog voller en begroet vreugdevol zijn vrienden.

Men moet Martov echter op zijn nummer zetten. Trotski wordt met deze taak belast. “Na de uittocht van de rechtsen is zijn positie,” naar Soechanov erkent, “even sterk als Martovs positie zwak is.” De tegenstanders staan naast elkaar op het podium, van alle kanten omgeven door een dichte haag van opgewonden afgevaardigden. “Hetgeen plaatsgehad heeft,” zegt Trotski, “is een opstand en geen samenzwering. De opstand van de volksmassa’s behoeft geen rechtvaardiging. Wij hebben de revolutionaire energie van de Petrogradse arbeiders en soldaten gestaald. Wij hebben openlijk de wil van de massa’s voor een opstand en niet voor een samenzwering gesmeed… Onze opstand heeft gezegevierd. En nu stelt men ons voor: zie af van uw overwinning en ga een overeenkomst aan. Met wie? Ik vraag: met wie moeten wij een overeenkomst aangaan? Met die jammerlijke troepjes die weggelopen zijn?… Maar wij hebben hen in al hun grootheid gezien. Niemand in Rusland hebben zij achter zich. Met hen zouden miljoenen op dit congres vertegenwoordigde arbeiders, die zij niet voor de eerste keer en ook niet voor de laatste keer bereid zijn uit te leveren in ruil voor een gunst van de bourgeoisie, op voet van gelijkheid een overeenkomst aangaan? Neen, een overeenkomst is hier niet op haar plaats! Wij moeten zowel tot hen die hier weggegaan zijn, alsook tot hen die met zulke voorstellen komen, zeggen: jullie zijn armzalige alleenlopers, jullie zijn bankroet, jullie rol is uitgespeeld, scheer je weg naar waar je vanaf nu thuishoort: op de vuilnisbelt van de geschiedenis!”

“Dan gaan wij!” roept Martov zonder een stemming van het congres af te wachten. “Martov baande zich gekwetst en opgewonden,” klaagt Soechanov, “een doortocht naar de uitgang. Terwijl ik ertoe overging om onze fractie voor een buitengewone vergadering bijeen te roepen…” Hij was echter in het geheel niet opgewonden. Martov deed, als een Hamlet van het democratisch socialisme, een stap vooruit wanneer de revolutie in dalende lijn was, zoals in juli. Nu de revolutie bezig was een geweldige sprong voorwaarts te doen, ging Martov over tot de terugtocht. De aftocht van de rechtsen ontnam hem de mogelijkheid om in het parlement te manoeuvreren. Het werd hem onaangenaam te moede. Hij haastte zich het congres te verlaten om zich van de opstand los te maken. Soechanov verzette zich zoveel mogelijk. De fractie splitste zich in twee nagenoeg gelijke helften: met 14 tegen 12 stemmen won Martov.

Trotski stelt het congres een resolutie voor – een akte van beschuldiging tegen de verzoeningsgezinden: zij hebben de noodlottige aanval van 18 juni voorbereid; zij hebben de regering van het volksverraad gesteund; zij hebben het bedrog tegenover de boeren in het agrarische vraagstuk gedekt; zij hebben de ontwapening van de arbeiders doorgevoerd; zij zijn voor de zinloze voortzetting van de oorlog verantwoordelijk; zij hebben het de bourgeoisie mogelijk gemaakt om het economisch verval te doen voortgaan; nadat zij het vertrouwen van de massa’s verloren hadden, hebben zij zich verzet tegen de bijeenroeping van het Sovjetcongres; tenslotte hebben zij, toen zij in de minderheid geraakt waren, met de sovjets gebroken.

Opnieuw een verklaring buiten de agenda om: het geduld van het bolsjewistisch presidium is waarlijk grenzeloos. Een vertegenwoordiger van het Uitvoerend Comité van de Boerensovjets was met de opdracht gekomen om de boeren ertoe op te roepen om dit “ontijdig” congres te verlaten en naar het Winterpaleis te trekken “om samen met hen te sterven die daarheen gezonden werden, om onze wil in een daad om te zetten.” De oproepen om onder de puinhopen van het Winterpaleis te sterven, zijn reeds rijkelijk vervelend van eentonigheid. Een zojuist op het congres verschenen matroos van de “Aurora” verklaart spottend dat er geen puinhopen waren omdat de kruiser slechts in de lucht geschoten had. “Ga rustig door met uw werk.” Het congres kalmeert bij het aanhoren van deze geweldige matroos met zijn zwarte baard, die een belichaming is van de eenvoudige en gebiedende wil van de opstand. Martov met zijn grillige gevoelens en gedachten behoort tot een andere wereld: juist daarom breekt hij ook met het congres.

Nog een verklaring buiten de agenda om, ditmaal enigszins vriendschappelijk: “De rechtse sociaal-revolutionairen,” zegt Kamkov, “zijn weggegaan maar wij, linksen, zijn gebleven.” Het congres begroet de achtergeblevenen. Ook zij menen echter dat men een revolutionair eenheidsfront tot stand moet brengen en zijn tegen de scherpe resolutie van Trotski die de deur voor een overeenkomst met de gematigde democratie sluit.

De bolsjewieken betonen zich ook hierbij tegemoetkomend. Zo toegevend heeft men hen nog nooit gezien. Dit is niet verwonderlijk: zij zijn heer en meester en hebben er geen belang bij om voet bij stuk te houden. Opnieuw staat Loenatsjarski op het spreekgestoelte. “Het lijdt geen twijfel dat de taak die op ons is komen te rusten moeilijk is.” Het is noodzakelijk alle waarlijk revolutionaire elementen van de democratie te verenigen. Maar hebben wij bolsjewieken ook maar één stap gedaan die andere groepen afstoot? Hebben wij niet met algemene stemmen het voorstel van Martov aangenomen? Men heeft ons daarop met beschuldigingen en dreigementen geantwoord. Is het dan niet duidelijk dat zij die het congres verlaten hebben “zelfs hun verzoeningsgezinde arbeid staken en openlijk tot het kamp van de kornilovianen overgaan?”

De bolsjewieken dringen er niet op aan dat er onmiddellijk over de resolutie van Trotski gestemd zal worden: zij willen de pogingen om tot een overeenkomst op de basis van de Sovjet te geraken niet belemmeren. De methode van aanschouwelijk onderricht kan ook onder begeleiding van kanongebulder met succes toegepast worden! Net zoals vroeger het aannemen van het voorstel van Martov, onthult ook nu de concessie aan Kamkov slechts de onmacht van de laatste verzoenende pogingen. Anders dan de linkse mensjewieken verlaten de linkse sociaal-revolutionairen echter het congres niet: zij voelen al te direct de druk van het opstandige dorp op hen.

Men heeft elkaar wederkerig gepolst. De stellingen zijn ingenomen. De loop van het congres stokt. Moet men principiële decreten aannemen en een Sovjetregering vormen? Onmogelijk: de oude regering zit nog in het Winterpaleis, in de half duistere zaal waar de enige lamp op de tafel met een krant afgedekt is. Na 2 uur ’s nachts kondigt het presidium een pauze van een half uur af.

De rode veldheren benutten de korte pauze die hun gelaten is met succes. Er woei een nieuwe atmosfeer in het congres toen de zitting hervat werd. Kamenev deelt vanaf het spreekgestoelte het zojuist door Antonov telefonisch overgebrachte nieuws mee dat het Winterpaleis door de troepen van het Militair Revolutiecomité genomen was en dat met uitzondering van Kerenski de gehele Voorlopige Regering met dictator Kisjkin aan het hoofd gevangengenomen was. Alhoewel iedereen dit nieuws al mondeling van elkaar gehoord had, maakte de officiële mededeling meer indruk dan een saluutschot. De sprong over de kloof die de klasse van de regering scheidde, was gedaan. Terwijl zij in juli uit de villa Ksjessinskaja verjaagd waren, treden de bolsjewieken nu als heersers in het Winterpaleis binnen. Er bestaat in Rusland geen andere macht dan dit congres. De talloze verschillende gevoelens komen tot uiting in bijvalsbetuigingen en vreugdekreten: triomf, hoop, maar ook bezorgdheid. Telkens weer nieuwe, steeds warmere bijvalsbetuigingen. Het is volbracht! Zelfs de meest gunstige machtsverhoudingen bergen toch nog verrassingen in zich. De overwinning is echter absoluut zeker wanneer de vijandige staf gevangen genomen is.

Kamenev leest luid de lijst van degenen die gevangen genomen zijn voor. De meest bekende namen begroet het congres met vijandige of spottende kreten. Met buitengewone verbittering wordt de naam van Teresjtsjenko, de leider van het Russisch buitenlands beleid, aangehoord. En Kerenski? Kerenski? Men weet dat hij om 10 uur ’s morgens met weinig succes het garnizoen in Gatsjina toesprak. “Het is niet precies bekend waarheen hij zich sindsdien begeven heeft: volgens de lopende geruchten – naar het front.”

De meelopers met de omwenteling voelen zich niet erg op hun gemak. Zij beseffen dat de bolsjewieken van nu af aan vaster zullen komen te staan. Een van de linkse sociaal-revolutionairen protesteert tegen de arrestatie van de socialistische ministers. De vertegenwoordiger van de verenigde internationalisten waarschuwt dat de minister van landbouw Maslov wel eens in dezelfde cel terecht kon komen waarin hij onder de monarchie zat. “De politieke arrestatie,” antwoordt Trotski, die onder minister Maslov in diezelfde “Kresty” gezeten had als onder Nicolaas, “is geen kwestie van wraak; zij wordt gedicteerd… door doelmatigheidsoverwegingen. De regering… moet terechtstaan, in de eerste plaats wegens haar vaststaande verbindingen met Kornilov… De socialistische ministers hebben slechts huisarrest.” Het zou eenvoudiger en juister geweest zijn te zeggen dat de gevangenneming van de oude regering gedicteerd was door de noodzakelijkheden van de nog niet beëindigde strijd. Het ging om de politieke onthoofding van de vijand en niet om een straf voor oude zonden.

De parlementaire interpellatie betreffende de arrestaties wordt echter meteen door een andere, oneindig veel belangrijkere gebeurtenis gevolgd: het 3de bataljon wielrijders dat door Kerenski tegen Petrograd afgezonden is, is naar de zijde van het revolutionaire volk overgegaan! Dit al te mooie nieuws klinkt ongelooflijk. Maar het is toch zo: deze uitgelezen troepenafdeling die het eerst uit het gehele actieve leger gekozen werd, had zich nog voordat zij de hoofdstad bereikte bij de opstand aangesloten. Terwijl de vreugde over de arrestatie van de ministers nog in zekere zin getemperd was, maakt zich nu een onverdeelde en onweerstaanbare geestdrift van het congres meester.

Op het spreekgestoelte staat de bolsjewistische commissaris van Tsarskoje Selo naast de afgevaardigde van een bataljon wielrijders: beide zijn zojuist aangekomen om rapport uit te brengen aan het congres. “Het garnizoen van Tsarskoje Selo bewaakt de toegangswegen naar Petrograd.” De landsverdedigers hebben de Sovjet verlaten. “Alles kwam op ons neer.” Toen de Sovjet van Tsarskoje Selo kennis kreeg van de nadering van de wielrijders, bereidde hij zich op een verdediging voor. Er bleek echter geen reden te zijn voor bezorgdheid: “er is geen enkele vijand van het Sovjetcongres onder de wielrijders te vinden.” Spoedig zal er een ander bataljon in Tsarskoje aankomen, hetwelk men reeds een vriendschappelijke ontvangst bereidt. Het congres hoort deze berichten gretig aan.

De vertegenwoordiger van de wielrijders wordt met een storm, een wervelwind, een cycloon ontvangen. Van het Zuidwestelijk front had men het 3de bataljon onverwacht op telegrafisch bevel naar het Noorden gecommandeerd: “Petrograd verdedigen.” De wielrijders waren als het ware geblinddoekt opgerukt, slechts vaag vermoedend waarom het te doen was. Zij hadden op het station Peredolsk een troep van het 5de bataljon wielrijders, die eveneens naar Petrograd gebracht werden, ontmoet. Op een gemeenschappelijke meeting, die meteen daar in het station gehouden werd, bleek dat “er onder alle wielrijders niemand te vinden was die bereid was tegen zijn broeders te vechten.” Gemeenschappelijk besluit men gehoorzaamheid aan de regering te weigeren. “Ik verklaar u positief,” zegt de wielrijder, “dat wij de macht niet zullen verschaffen aan een regering die geleid wordt door bourgeois en grootgrondbezitters!” Het woord “positief”, dat door de revolutie algemeen werd in de volksmond, klinkt goed op dit moment!

Het is nog niet lang geleden dat men vanaf dit spreekgestoelte het congres met straffen van de kant van het front bedreigde. Nu heeft het front zelf haar “positief” woord gesproken. Laat de legercomités het congres saboteren. Laat het de eenvoudige soldatenmassa slechts bij uitzondering gelukt zijn hun afgevaardigden te sturen. Laat men in vele regimenten en divisies nog niet geleerd hebben een bolsjewiek van een sociaal-revolutionair te onderscheiden. Dit alles doet er niet toe! De stem van het station Peredolsk is de ware, vastberaden, onweerlegbare stem van het leger. Dit vonnis in onherroepelijk. De bolsjewieken en zij alleen hebben tijdig ingezien dat de militaire kok van het bataljon wielrijders veel meer het front belichaamt dan alle Charasjen en Koetsjins met hun verlopen mandaten. Er voltrekt zich een belangrijke wijziging in de stemming van de afgevaardigden. “Men begint te beseffen,” schrijft Soechanov, “dat de zaak vlot en gelukkig verloopt, dat de van rechts aangekondigde schrikbeelden niet zo gevaarlijk zijn en dat de leiders ook in alle andere dingen wel eens gelijk konden krijgen.”

De ongelukkige linkse mensjewieken kozen dit ogenblik uit om nog eens van zich te laten horen. Zij zijn, naar nu blijkt, nog niet weggegaan. Zij hebben slechts in hun fractie overlegd wat er te doen viel. Met de bedoeling om de twijfelende groepen mee te slepen, noemt Kapelinski, die de opdracht had om het genomen besluit aan het congres mee te delen, eindelijk hardop het meest openlijk argument voor de breuk met de bolsjewieken: “Bedenk dat er troepen naar Petrograd onderweg zijn. Er dreigt ons een ramp.” Wat, ben jij nog hier? Klinkt het uit verschillende hoeken van de zaal. Jij bent toch al eens weggegaan! De mensjewieken begeven zich in een klein troepje naar de uitgang, met honende kreten nageroepen. “Wij verwijderden ons,” jammert Soechanov, “en gaven de bolsjewieken vrij spel doordat wij hen het gehele toneel van de revolutie overlieten.” Er zou niet veel veranderd zijn als ze waren gebleven. In elk geval gaan zij terecht weg. De golven der gebeurtenissen sluiten zich meedogenloos boven hun hoofden.

Het werd nu tijd dat het congres zich met een oproep tot het volk richt. De zitting blijft zich echter net als voordien beperken tot verklaringen buiten de agenda om. De gebeurtenissen willen zich maar niet aan de agenda aanpassen. Om 5u19 ’s morgens beklimt Krylenko, wankelend van moeheid, met een telegram in de hand het spreekgestoelte. Het 12de leger begroet het congres en bericht de vorming van een Militair Revolutiecomité dat het toezicht over het Noordelijk front op zich nam. Pogingen van de regering om gewapende hulp te krijgen, zijn op de tegenstand van de troepen afgestuit. De opperbevelhebber van het Noordelijk front, generaal Tsjeremissov, heeft zich aan het comité onderworpen. De commissaris van de Voorlopige Regering, Vojtinski, is afgetreden en wacht op zijn opvolger. Delegaties van de naar Petrograd gezonden troepen verklaren de een na de ander aan het Militair Revolutiecomité dat zij zich bij het garnizoen van Petrograd aansluiten. “Er gebeurde iets onbeschrijfelijks,” schrijft Reed, “men weende en omarmde elkaar.”

Loenatsjarski krijgt eindelijk de gelegenheid om de oproep aan de arbeiders, soldaten en boeren voor te lezen. Het is echter niet een oproep zonder meer: reeds door de beschrijving van hetgeen geschied en hetgeen beoogd is, legt het in allerijl vervaardigd document de eerste steen voor het nieuwe staatsbewind. “De volmachten van het verzoeningsgezinde Centraal Uitvoerend Comité zijn geëindigd. De Voorlopige Regering is afgezet. Het congres neemt de macht in handen.” De Sovjetregering zou een onmiddellijke vrede aanbieden, de grond aan de boeren geven, het leger democratiseren, een controle over de productie instellen, tijdig de Constituerende Vergadering bijeenroepen en de verschillende volken van Rusland het zelfbeschikkingsrecht verzekeren. “Het congres bepaalt dat de gehele macht in de verschillende gebieden op de sovjets overgaat.” Elke zin die voorgelezen wordt, brengt een storm van bijval in de zaal teweeg: “Soldaten! Wees op uw hoede! Spoorwegarbeiders! Hou alle troepen die door Kerenski tegen Petrograd afgezonden worden op!… Jullie hebben het lot van de revolutie en het lot van de democratische vrede in handen!”

Wanneer zij over grond horen praten, spitsen de boeren de oren. Volgens de statuten vertegenwoordigt het congres slechts de arbeiders en soldatensovjets; er nemen echter ook afgevaardigden van enkele boerensovjets aan deel. Deze verlangen nu dat men ook hen in het document vermeldt. Zij krijgen terstond een beslissende stem. De vertegenwoordiger van de Petrogradse boerensovjet ondertekent “aller-bereidwilligst” de oproep. Het lid van het Uitvoerend Comité van Avksentjev, Beresin, die tot nu toe gezwegen had, deelt mee dat van de 68 boerensovjets die op een telegrafische rondvraag antwoordden, de helft zich voor een overgang van de macht op de Sovjets en de andere helft voor een overgang van de macht op de Constituerende Vergadering uitgesproken had. Indien de stemming onder de half ambtelijke gouvernementssovjets reeds zodanig is, hoe kan men er dan aan twijfelen of het aanstaande boerencongres zal de Sovjetmacht ondersteunen?

Terwijl de oproep de afgevaardigden in het algemeen nauwer aaneensluit, schrikt en stoot hij door zijn onherroepelijkheid menige meeloper af. Wederom defileren kleine fracties en afgesplinterde groepen op het spreekgestoelte. Voor de derde maal breekt een troepje mensjewieken, dat stellig het meest linkse is, met het congres. Het blijkt dat zij alleen maar weggaan om in de mogelijkheid te blijven verkeren om de bolsjewieken te redden: “anders richten jullie zichzelf, ons en de revolutie te gronde.” De vertegenwoordiger van de Poolse socialistische partij, Lapinski, blijft weliswaar op het congres, “om zijn eigen standpunt tot het einde toe te verdedigen,” maar hij sluit zich eigenlijk bij de resolutie van Martov aan: “de bolsjewieken zullen niets kunnen uitrichten met de macht die zij overnemen.” De verenigde Joodse arbeiderspartij onthoudt zich van stemming. Evenzo de internationalisten. Hoeveel zullen al deze verenigden echter samen tellen? De oproep wordt met algemene stemmen tegen 2 en met 12 onthoudingen aangenomen! De afgevaardigden weten nauwelijks hoe zij hun vreugde zullen uiten.

De zitting wordt eindelijk tegen zeven uur ’s morgens gesloten. Een koude, grauwe herfstmorgen breekt aan over de stad. De brandende houtvuren in de langzamerhand lichter wordende straten doven. De vale gezichten van de soldaten en de arbeiders met hun geweren zijn gesloten en ongewoon. Indien er astrologen in Petrograd geweest zijn, moeten zij belangrijke hemelverschijnselen waargenomen hebben.

De hoofdstad ontwaakt onder een nieuwe regering. Inwoners, ambtenaren en intellectuelen die niet zelf bij de gebeurtenissen betrokken zijn, storten zich ’s morgens op de kranten om te vernemen waar de nachtelijke golf hen heen gespoeld heeft. Het is echter niet gemakkelijk om zich een duidelijke voorstelling te maken van hetgeen er plaatsgehad heeft. Weliswaar berichten de bladen dat de samenzweerders zich van het Winterpaleis en de ministers hadden meester gemaakt, maar zij doen dit slechts terloops als betrof het een voorbijgaande gebeurtenis. Kerenski was naar het hoofdkwartier afgereisd en het front zou over het lot van de regering beslissen. De berichten over het congres brengen slechts de verklaringen van de rechtsen, noemen de namen van hen die het congres verlaten hebben en tonen de onmacht van hen die achtergebleven zijn. De politieke artikelen die nog vóór de inname van het Winterpaleis geschreven zijn, ademen een grenzeloos optimisme.

De geruchten op straat zijn niet geheel in overeenstemming met de toon van de bladen. De ministers zaten intussen toch maar in de vesting. Van de versterkingen van Kerenski was voorlopig niets te zien. Ambtenaren en officieren zijn opgewonden en beraadslagen met elkaar. Journalisten en advocaten bellen elkaar op. De redacties denken na. De salonorakels zeggen dat men de usurpators met een blokkade van algemene verachting moet omringen. De kooplieden verkeren in twijfel of zij hun winkels zullen openen of gesloten zullen houden. De nieuwe autoriteiten bevelen de winkels te openen. De restaurants worden schoongemaakt. De trams rijden. De banken worden door slechte vermoedens gekweld. De seismografen van de beurs vertonen een onrustige curve. Zeker, de bolsjewieken zullen zich niet lang kunnen handhaven, maar voordat zij vallen, kunnen zij veel onheil stichten.

De reactionaire Franse journalist Claude Anet schreef die dag: “De overwinnaars zingen een overwinningslied. En met het volste recht. Onder al deze zwetsers zijn zij het die gehandeld hebben… Vandaag oogsten zij de vruchten daarvan. Bravo! Flink zo.” Geheel anders beoordeelden de mensjewieken de toestand. “Er zijn in totaal vierentwintig uur sedert de overwinning van de bolsjewieken verlopen,” schreef het blad van Dan, “maar reeds begint het historisch noodlot zich bitter op hen te wreken… er is een leegte om hen die zij zelf geschapen hebben… zij zijn van iedereen geïsoleerd… het gehele ambtelijke en technische apparaat weigert hun de dienst… Zij storten juist op het ogenblik van hun zegepraal in de afgrond…”

Aangevuurd door de sabotage van de ambtenaren en ten gevolge van hun eigen lichtzinnigheid, meenden de liberalen en de verzoeningsgezinde kringen merkwaardig genoeg dat zij zelf vrijuit gingen. Men sprak en schreef over de bolsjewieken als in de Julidagen: “huurlingen van Wilhelm,” “de zakken van de Roodgardisten zijn vol met Duitse marken,” “Duitse officieren leiden de opstand…” De nieuwe regering moest deze lieden eerst haar ijzeren vuist tonen voordat zij in de macht van deze regering zouden geloven. De meest onbeschaamde bladen werden reeds in de nacht van 25 oktober in beslag genomen. Enkele andere werden in de loop van die dag verbeurd verklaard. De socialistische pers bleef voor het eerst gespaard: men moest de linkse sociaal-revolutionairen, maar ook enkele elementen in de bolsjewistische partij de tijd laten om tot de overtuiging te komen dat hun verwachtingen van een coalitie met de officiële democratie ijdel waren.

De bolsjewieken bouwden temidden van sabotage en chaos hun overwinning uit. De in de loop van de nacht gevormde tijdelijke militaire staf begon Petrograd in staat van verdediging te brengen voor het geval Kerenski een aanval zou doen. Militaire telefonisten werden naar de telefooncentrale opgevorderd, waar een staking uitbarstte. Aan de legers werd voorgesteld eigen Militaire Revolutiecomités te vormen. Naar het front en de provincie werden groepen propagandisten en organisatoren die na de overwinning vrijgekomen waren, gezonden. Het voornaamste orgaan van de partij schreef: “De Petrogradse sovjet is begonnen – nu zijn de andere sovjets aan de beurt.”

In de loop van de dag kwam er een bericht dat vooral de soldaten verbitterde, namelijk dat Kornilov gevlucht was. In werkelijkheid was de hooggeplaatste arrestant die in Bychov onder bescherming van de hem trouw gebleven Tekiners leefde en door het hoofdkwartier van Kerenski van alle gebeurtenissen op de hoogte gehouden werd, op 26 oktober tot het inzicht gekomen dat de zaak een ernstige wending nam en had hij zonder enige moeilijkheden zijn pseudo-gevangenis verlaten. De verbinding tussen Kerenski en Kornilov werd opnieuw duidelijk voor de massa’s. Het Militair Revolutiecomité riep telegrafisch de soldaten en de revolutionaire officieren op om beide opperbevelhebbers op te vangen en naar Petrograd te brengen.

Net als het Taurisch paleis in februari, werd nu het Smolny het middelpunt van alle functies van de hoofdstad en van de staat. Alle regeringsinstellingen zetelden hier. Van hieruit gingen de bevelen en hierheen kwam men om ze in ontvangst te nemen. Hier werden wapens opgeëist en hierheen werden de bij de vijanden in beslag genomen geweren en revolvers gebracht. Uit de verschillende wijken van de stad werden gevangenen binnengebracht. Reeds stroomden, recht zoekend, gekrenkte personen toe. Het burgerlijke publiek en de angstige huurkoetsiers maakten een grote omweg om de wijk van het Smolny.

De auto is een veel echter teken van de moderne macht dan scepter en kroon. Tijdens het regime van de dubbele heerschappij waren de auto’s in handen van de regering, het Centraal Uitvoerend Comité en particuliere eigenaars. Nu werden alle in beslag genomen motorrijtuigen in het kamp van de opstand geconcentreerd. De Smolnywijk leek een reusachtige openluchtgarage. De beste auto’s walmden van de slechte brandstof. De motorrijwielen knetterden ongeduldig en dreigend in de schemering. Pantserwagens huilden met hun sirene. Het Smolny leek de fabriek, het station en de elektrische centrale van de revolutie te zijn.

Een dichte stroom mensen bewoog zich over de trottoirs van de naburige straten voort. Houtvuren brandden bij de poorten. Arbeiders en soldaten onderzochten bij het flakkerend licht van deze nauwkeurig de passen. Enkele pantserwagens ratelden op het binnenplein met aangezette motoren. Niemand wilde stilstaan, noch machines, noch mensen. Bij elke ingang stonden machinegeweren, voorzien van talrijke patroonbanden. De eindeloze, zwak verlichte, duistere gangen weergalmden van het voetgedreun, de stemmen, het geroep. Komenden en gaanden snelden de brede trappen op en af. Door de dichte stroom van mensen liepen, ongeduldig en gebiedend, arbeiders van het Smolny, koeriers, commissarissen met mandaten of bevelen in de opgeheven hand, het geweer aan een band op de rug of de aktetas onder de arm.

Het Militair Revolutiecomité onderbrak zijn werk geen ogenblik, ontving afgevaardigden, koeriers, personen die uit eigen beweging inlichtingen kwamen geven, opofferende vrienden en ook wel bedriegers, zond commissarissen naar alle delen van de stad, drukte talloze stempels op bevelen en volmachten – dit alles onder een kruisvuur van inlichtingen, spoedberichten, telefoongerinkel en wapengekletter. Uitgeputte mensen die sinds lang niet geslapen en niets meer gegeten hadden, ongeschoren, in vuile kleren, met ontstoken ogen, schreeuwden met hese stem, gesticuleerden overdreven en vielen klaarblijkelijk alleen door de chaos die hen meesleurde en op zijn ongebreidelde vleugels meedroeg niet bewusteloos neer.

Avonturiers, plannenmakers, het ergste uitschot van het oude regime, snuffelden rond en trachtten in het Smolny binnen te dringen. Enkelen lukte dit ook. Zij wisten een of ander geheimpje van de administratie: wie de sleutel van de diplomatieke briefwisseling had, waar kassiersbriefjes geschreven werden, hoe men in het bezit van benzine of van een schrijfmachine komen kon en vooral, waar de beste wijnen van het Slot bewaard werden. Hen dreigde niet meteen de gevangenis of de kogel.

Sinds de schepping van de wereld waren er niet zoveel bevelen gegeven, mondeling, met potlood, op de schrijfmachine, telefonisch, de een na de ander – duizenden, myriaden bevelen – niet altijd door personen die daartoe bevoegd waren en zelden voor iemand die in staat was ze uit te voeren. Het wonderlijke was echter dat er een innerlijke betekenis in deze verdwaasde chaos lag: de mensen slaagden erin om zich aan elkaar verstaanbaar te maken het meest belangrijke en meest dringende werd toch gedaan. De eerste draden van het nieuwe bestuursapparaat werden gespannen om het oude te vervangen en de revolutie werd sterker.

Het Centraal Comité van de bolsjewieken werkte de gehele dag in het Smolny: het vraagstuk van de nieuwe regering in Rusland moest opgelost worden. Er werden geen notulen bijgehouden of deze zijn althans niet bewaard gebleven. Niemand bekommerde zich om de latere geschiedschrijvers, ook al werden die net heel wat werk bezorgd. Het ministerie moet in de avondvergadering van het congres gevormd worden. Mi-ni-ste-rie? Wat een gecompromitteerd woord! Het ruikt naar een hoge ambtelijke carrière of een bekroning van parlementaire eerzucht. Men komt overeen de regering Raad van Volkscommissarissen te noemen: dit klinkt in elk geval zuiverder. Daar de onderhandelingen over een coalitie van de “gehele democratie” voorlopig niet tot een resultaat geleid hebben, wordt het vraagstuk van de samenstelling van de regering naar partijen en personen veel eenvoudiger. De linkse sociaal-revolutionairen stellen zich aan en maken bezwaren: zij die zojuist met de partij van Kerenski gebroken hebben, weten zelf nog niet goed wat hun te doen staat. Het Centraal Comité accepteert als enige mogelijkheid het voorstel van Lenin om een regering te vormen die slechts uit bolsjewieken bestaat.

Martov diende zich in deze zitting als bedevaartganger voor de gevangen genomen socialistische ministers aan. Nog niet zo heel lang geleden had hij zich tot de socialistische ministers gewend voor de vrijlating van de bolsjewieken. Het rad was gedraaid. Het Centraal Comité liet bij monde van een lid, dat naar Martov gezonden was om te onderhandelen, naar alle waarschijnlijkheid Kamenev, nog eens zeggen dat de socialistische ministers in huisarrest gesteld zouden worden: klaarblijkelijk had men hen in de drukte vergeten ofwel hadden zij de voorrechten van de hand gewezen om ook in de Troebetzkoi-vesting trouw te blijven aan het beginsel van de ministeriële homogeniteit.

De zitting van het congres begon om 9 uur ’s avonds. De aanblik was in het algemeen vrijwel gelijk aan die van gisteren. Minder wapens, minder gedrang. Soechanov, die nu niet meer als afgevaardigde maar onder het publiek aanwezig was, had zelfs een zitplaats gevonden. In deze zitting zou over de vraagstukken van vrede, grond en regering beslist worden. Slechts drie vraagstukken: de oorlog beëindigen, het volk grond geven en de socialistische heerschappij vestigen. Kamenev begint met een verslag van het door het presidium in de loop van de dag verrichte werk: de doodstraf aan het front die door Kerenski ingevoerd was, is afgeschaft; de vrijheid van propaganda is in volle omvang hersteld; er is bevel gegeven om de wegens hun politieke overtuiging gevangengenomen soldaten en de leden van de landcomités uit de gevangenissen te bevrijden; alle commissarissen van de Voorlopige Regering zijn afgezet; er is bevel gegeven om Kerenski en Kornilov te arresteren en hierheen te brengen. Het congres keurt alles goed.

Opnieuw treden onder ongeduld en misnoegen van de zaal sommige afgebrokkelde groepjes van groepjes op: sommige verklaren dat zij “op het ogenblik van de overwinning van de opstand, maar niet op het ogenblik van de nederlaag” weggingen, terwijl anderen zich daarentegen erop beroemen dat zij blijven. De vertegenwoordiger van de Donetzmijnwerkers dringt erop aan zo spoedig mogelijk maatregelen te nemen opdat Kaledin niet het Noorden van kolen afsnijdt. Het zal nog lang duren vooraleer de revolutie geleerd heeft dergelijke omvangrijke maatregelen te nemen. Eindelijk kan men tot het eerste punt van de agenda overgaan.

Lenin, die het congres nog niet te zien gekregen heeft, krijgt het woord inzake het vraagstuk van de vrede. Bij zijn verschijning op het spreekgestoelte wordt hem een bijna eindeloze ovatie gebracht. De afgevaardigden uit de loopgraven kijken met grote ogen naar de geheimzinnige man, die men hen geleerd heeft te haten en die zij hebben leren liefhebben voordat zij hem kenden. “De handen vastgeklemd om de rand van de lessenaar en met zijn kleine ogen de menigte opnemend, staat Lenin in afwachting, klaarblijkelijk zonder op de ovatie te letten, waaraan maar geen einde komt en die minuten lang duurt. Toen de storm van bijval geluwd was, zei hij: “Wij beginnen nu met de opbouw van de socialistische orde.”

Er zijn geen notulen van het congres bewaard gebleven. De stenotypisten van het parlement, die ontboden waren om de beraadslagingen te notuleren, hadden samen met de mensjewieken en sociaal-revolutionairen het Smolny verlaten: dit was een van de eerste daden van sabotage. De aantekeningen van de secretarissen zijn in de roes der gebeurtenissen spoorloos verdwenen. Slechts haastige en tendentieuze krantenberichten die geschreven werden onder het gedreun van de artillerie en het tandenknarsen van de politieke strijd, zijn behouden gebleven. Vooral de redevoeringen van Lenin hebben zeer geleden: tengevolge van het snelle spreken en de ingewikkelde zinsconstructie zouden zij zelfs onder gunstiger omstandigheden niet gemakkelijk op te schrijven zijn. De eerste zin die John Reed Lenin in de mond legt, is in geen enkel krantenbericht te vinden. Hij is echter geheel in de geest van de spreker. John Reed kon hem niet verzinnen. Het kan niet anders of Lenin moet zo zijn optreden op het Sovjetcongres ingeleid hebben, eenvoudig, zonder pathos, met onwrikbare zekerheid: “Wij beginnen nu met de opbouw van de socialistische orde.”

Hiervoor is het echter in de eerste plaats nodig om een einde aan de oorlog te maken. Lenin had in de emigratie in Zwitserland de slogan aangeheven: de imperialistische oorlog in een burgeroorlog omzetten. Nu gaat het erom de zegevierende burgeroorlog in vrede om te zetten. De referent begint meteen met het voorlezen van het ontwerp van een verklaring die door de nu te kiezen regering afgelegd zal worden. De tekst wordt niet rondgedeeld. Het technisch apparaat is nog zeer gebrekkig. Het congres neemt elk woord van het document gretig in zich op.

“De arbeiders- en boerenregering die uit de revolutie van 25 en 26 oktober is voortgekomen en op de Sovjets van de arbeiders-, soldaten- en boerenafgevaardigden steunt, stelt aan alle oorlogvoerende volken en hun regeringen voor om onverwijld tot onderhandelingen over een rechtvaardige en democratische vrede over te gaan.” Rechtvaardige voorwaarden sluiten annexaties en oorlogsschattingen uit. Onder annexaties is een gewelddadige inlijving van vreemde volken of het vasthouden van deze tegen hun wil, zowel in Europa, als in de verre overzeese gebieden, te verstaan. “Tegelijkertijd verklaart de regering dat zij de bovengenoemde vredesvoorwaarden geenszins als het laatste woord beschouwt, d.w.z. dat zij bereid is om ook elke andere voorwaarde te onderzoeken,” maar zij verlangt alleen dat er zo snel mogelijk onderhandelingen in het openbaar begonnen zullen worden. De Sovjetregering schaft van haar kant de geheime diplomatie af en gaat over tot publicatie van de tot 25 oktober 1917 gesloten verdragen. Alles wat in deze verdragen ten doel heeft om de Russische grootgrondbezitters en kapitalisten hun voorrechten en voordelen te verzekeren en andere volken door de Groot-Russen te onderdrukken “wordt onvoorwaardelijk en terstond door de regering ongedaan gemaakt.” De regering stelt het sluiten van een onmiddellijke wapenstilstand van ministens drie maanden voor om de onderhandelingen te kunnen beginnen. De arbeiders- en boerenregering richt zich met haar voorstel gelijktijdig “tot de regeringen en de volken van alle oorlogvoerende landen, allereerst tot de klassenbewuste arbeiders van de drie meest ontwikkelde landen,” Engeland, Frankrijk en Duitsland, in de overtuiging, dat juist dezen “ons zullen helpen om met succes de zaak van de vrede en daarmee de zaak van de bevrijding van de arbeidende en uitgebuite massa van elke slavernij en elke uitbuiting te volbrengen.”

Lenin beperkt zich tot korte verduidelijkingen bij de tekst van de verklaring. “Wij mogen de regeringen niet negeren, daar dit tot een uitstel van het sluiten van de vrede zou kunnen leiden…, maar wij hebben niet het recht om ons niet tegelijkertijd ook tot de volken te wenden. Overal zijn regering en volk het oneens, maar wij moeten de volken helpen om zich in de vraagstukken van oorlog en vrede te mengen…” “Wij zullen natuurlijk ons programma van een vrede zonder annexaties en schadeloosstellingen met alle middelen verdedigen,” maar wij mogen onze voorwaarden niet als een ultimatum opstellen, om het de regeringen niet gemakkelijker te maken de onderhandelingen van de hand te wijzen. “Onderzoeken – dat betekent nog niet dat wij ze zullen aannemen.”

In het door de verzoeningsgezinden op 14 mei uitgegeven manifest was aan de arbeiders van de overige landen voorgesteld om in naam van de vrede de bankiers ten val te brengen; de verzoeningsgezinden zelf hadden echter niet alleen niet tot de val van hun eigen bankiers opgeroepen, maar zelfs een bondgenootschap ermee met aangegaan. “Nu hebben wij de regering van de bankiers ten val gebracht. Dit geeft ons het recht om ook de andere volken daartoe op te roepen. Wij hebben alle hoop op een overwinning: men moet niet vergeten dat wij niet in de binnenlanden van Afrika wonen, maar in Europa waar alles snel bekend kan worden.” Het onderpand voor de overwinning ziet Lenin, als altijd, in de omzetting van de nationale in een internationale revolutie. “De arbeidersbeweging zal zegevieren en zich een weg tot vrede en socialisme banen.”

De linkse sociaal-revolutionairen laten door hun vertegenwoordigers verklaren dat zij zich bij de voorgelezen verklaring aansluiten, omdat “de geest en betekenis van deze aan hen verwant is en zij deze begrepen hebben.” De verenigde internationalisten zijn voor de verklaring, maar onder de voorwaarde dat deze van een regering van de gehele democratie uitgaat. Lapinski begroet namens de Poolse linkse mensjewieken “het gezonde proletarische realisme” van het document, Dsersjinski van de sociaaldemocratie van Polen en Litouwen, Stoetsjka van de sociaaldemocratie van Letland, Kapsoeka van de Litouwse sociaaldemocratie sluiten zich onvoorwaardelijk bij de verklaring aan. Enkel de bolsjewiek Jeremejev opperde bezwaren en verlangde dat de vredesvoorwaarden een ultimatief karakter zouden krijgen; anders “zou men kunnen denken dat wij zwak waren en angst hadden.”

Lenin bestrijdt krachtdadig, ja zelfs min of meer verstoord, een ultimatieve formulering van de voorwaarden: wij zouden daarmee “onze vijanden slechts in de gelegenheid stellen de volle waarheid voor het volk te verbergen en zich achter onze onverzoenlijkheid te verschuilen.” Men zegt dat “onze niet ultimatieve vorm onze onmacht zou tonen.” “Het is tijd de burgerlijke huichelarij in de politiek te laten varen. Wij hoeven niet bang te zijn de waarheid over onze moeheid uit te spreken…” De latere Brest-Litovskse meningsverschillen komen hier reeds aan het licht.

Kamenev roept degenen die voor de verklaring zijn op hun kaart van afgevaardigde omhoog te steken. “Eén afgevaardigde,” schrijft Reed, “waagt het zich daartegen te verzetten, maar de uitbarsting van woede om hem heen dwingt hem zijn hand weer te laten zakken.” De oproep aan de volken en de regeringen wordt met algemene stemmen aangenomen. Het is volbracht! Deze daad treft alle aanwezigen door haar voor de hand liggende en in het oog lopende grootheid.

Soechanov, de oplettende, hoewel vooringenomen waarnemer, had meer dan eens de aandacht gevestigd op het trage verloop van de eerste zitting van het congres. Zowel de afgevaardigden, alsook het gehele volk waren ongetwijfeld vergaderingen, redevoeringen, resoluties, in het algemeen het niet opschieten, moe. Zij waren er niet zeker van dat dit congres in staat zou blijken de zaak te volbrengen. Zullen niet de grootse taak en de onoverwinlijke tegenstand ertoe nopen om ook ditmaal tot de terugtocht over te gaan? De berichten van de inname van het Winterpaleis en daarna van de overgang van de wielrijders tot de zijde van de opstand deden het gevoel van zekerheid toenemen. Deze beide feiten betroffen echter de loop van de revolutie. Nu pas werd in werkelijkheid haar historische betekenis duidelijk. De zegevierende opstand had voor het congres van de arbeiders en soldaten het hechte fundament van de macht gelegd. De afgevaardigden stemden ditmaal niet voor een resolutie, niet voor een oproep, maar voor een regeringsdaad van ontzaglijke betekenis.

Luister, volkeren! De revolutie biedt u de vrede aan. Men zal haar van schending van verdragen beschuldigen. Zij is echter trots hierop. Er is geen grotere verdienste denkbaar dan bondgenootschappen van bloedige roofzucht te verbreken. De bolsjewieken hebben dit gewaagd. Zij alleen hebben het gewaagd. Trots doet de borst zwellen. De ogen branden. Allen zijn opgestaan. Niemand roept meer. Het lijkt alsof niemand ademt. Het presidium, de afgevaardigden, de gasten, de wachtposten allen stemmen in met de hymne van de opstand en de verbroedering. “Plotseling, als door een gemeenschappelijke ingeving,” zal John Reed, ooggetuige en deelnemer, kroniekschrijver en dichter van de revolutie ons spoedig vertellen, “stonden wij allemaal op en hieven de opzwepende klanken van de Internationale aan. Een oude, vergrijsde soldaat huilde als een kind. Alexandra Kollontaj knipperde met de ogen om niet in tranen uit te barsten. De machtige klanken weerklonken door de zaal, drongen door vensters en deuren en stegen naar de hemel op.” Naar de hemel? Neen, veeleer naar de loopgraven in de herfst die het ongelukkig gekruisigd Europa doorsneden, naar zijn verwoeste steden en dorpen, naar de vrouwen en moeders in rouw. “Ontwaakt, verworpenen der aarde, ontwaakt verdoemd in hongersfeer!” De woorden van de hymne maken zich los van hun beperkte betekenis. Zij smolten samen met de regeringsdaad. Daarom klonk ook de kracht van een directe daad eruit. Eenieder voelde zich groter en meer betekenend in dit uur. Het hart van de revolutie breidde zich uit over de hele wereld. “De wereld steunt op nieuwe krachten…” De geest van zelfstandigheid, initiatief, stoutmoedigheid, die gelukzalige gevoelens die de onderdrukten in het gewone dagelijkse leven missen, dit alles bracht nu de revolutie… “Begeerte heeft ons aangeraakt!” Wij, de miljoenen, die de monarchie en de bourgeoisie ten val gebracht hebben, zullen nu een einde maken aan de oorlog. De Roodgardist uit de wijk Vyborg, de grijze frontsoldaat met zijn lidteken, de oude revolutionair, die jaren dwangarbeid achter zich heeft, de jonge matroos van de “Aurora” met zijn zwarte baard, allen zweren om de laatste, beslissende strijd tot het einde toe te willen doorzetten. “Sterft, gij oude vormen en gedachten!” In deze woorden die uit het menselijk gemoed opwelden, lagen reeds de latere jaren van burgeroorlog en de komende vijfjarenplannen van arbeid en ontberingen. “Wij zijn ’t moe naar andren wil te leven!” Indien de werkelijkheid van het verleden meer dan eens tot een lied werd, waarom zou dan niet een lied de werkelijkheid van morgen worden! De mantels uit de loopgraven lijken niet meer op tuchthuiskleren. De bontmutsen met de uitpuilende watten zitten anders boven de lichtende ogen. “En d’Internationale zal morgen heersen op aard!” Hoe zou zij ook anders dan uit ellende en vernedering, uit vuil en het bloed van de oorlog kunnen ontstaan?

“Het gehele presidium met Lenin aan het hoofd stond overeind en zong met opgewonden, vergeestelijkte gezichten en vurige ogen.” Zo getuigt de scepticus die somber kijkt naar een feest waar hij niet bij hoort. “Hoe graag wilde ik mij er bij aan sluiten,” erkent Soechanov, “en één zijn met deze massa en haar leiders in gevoelens en stemming. Maar ik kon niet…”

De laatste klanken van het refrein verklonken, maar nog altijd stond het congres als tot één mensenmassa versmolten, betoverd door de grootsheid van het doorleefde. De blikken van velen bleven gevestigd op de kleine en gedrongen gestalte van de man op het spreekgestoelte, met zijn ongewone kop, de eenvoudige trekken van het brede hoofd, dat nu door de geschoren kin veranderd was, met de doordringende blik van de kleine, enigszins Mongoolse ogen. Vier maanden was hij weg geweest en zijn naam was intussen bijna losgemaakt van het levende beeld. Maar neen, hij is geen legende, daar staat hij midden onder de zijnen – hoeveel tellen de “zijnen” nu! – met de papieren van de vredesboodschap aan de volkeren in zijn hand. Zelfs zij die het dichtst bij hem stonden, die zijn plaats in de partij goed kenden, beseften voor het eerst volkomen, wat hij voor de revolutie, voor het volk, voor de volken betekende. Hij was het die het opvoedde. Hij heeft het geschoold. Een stem uit het midden van de vergadering hief een hoera aan voor de leider. Het was alsof de zaal slechts op dit teken gewacht had. Leve Lenin! Oude opwindingen, overwonnen twijfel, trots op het begin, triomf van de overwinning, grote verwachtingen – alles smolt samen in een vulkanische uitbarsting van dankbaarheid en geestdrift. De sceptische ooggetuige merkt nuchter op: “Ongetwijfeld een enthousiaste stemming… Men begroette Lenin, riep hoera en wierp de mutsen in de lucht. De treurmars werd gezongen ter herdenking van de slachtoffers van de oorlog. En wederom applaus, geschreeuw en werpen met de mutsen.”

Wat het congres in deze minuten doormaakte, zou het gehele volk de volgende dag, hoewel niet zo geconcentreerd, doormaken. “Men moet zeggen,” schrijft Stankevitsj in zijn memoires, “dat het stoutmoedig optreden van de bolsjewieken, hun bekwaamheid om de prikkeldraadversperringen die vier jaar lang ons van onze buurvolkeren gescheiden gehouden had te verbreken, op zich een reusachtige indruk maakte.” Grover maar niet minder duidelijk, drukt baron Budberg zich in zijn dagboek uit: “De nieuwe regering van kameraad Lenin ontlastte zich met een decreet betreffende een onmiddellijke vrede… Het is momenteel een geniale zet om de soldatenmassa’s voor zich te winnen, ik kon dit aan de stemming in meerdere regimenten die ik vandaag bezocht heb, merken. Het telegram van Lenin over een onmiddellijke wapenstilstand voor drie maanden en een daarop volgende vrede heeft overal een reusachtige indruk gemaakt en een storm van vreugde teweeggebracht. Wij hebben nu de laatste kans op redding van het front verloren.” Onder redding van het door hen ten gronde gerichte front verstonden deze mensen reeds lange tijd slechts de redding van hun eigen maatschappelijke positie.

Indien de revolutie zo vastberaden geweest was om in maart en april de prikkeldraadversperringen te verbreken, zou zij toen nog in staat geweest zijn het leger een tijdlang bijeen te houden, aangenomen dat zij dit dan tegelijkertijd tot op de helft of tot op een derde verminderd had en zodoende voor de buitenlandse politiek een buitengewoon krachtige positie geschapen had. Het uur van moedige daden sloeg echter pas in oktober, toen het reeds uitgesloten was dat ook nog maar een deel van het leger, zelfs slechts voor een korte tijd, te redden was. Het nieuwe regime moest niet alleen de kosten van de oorlog van het tsarisme, maar ook van de verspillende lichtzinnigheid van de Voorlopige Regering dragen. Enkel het bolsjewisme kon in deze verschrikkelijke, voor alle andere partijen hopeloze situatie het land een uitweg bieden, doordat het door de Oktoberrevolutie onuitputtelijke bronnen van volksenergie ontsloot.

Lenin staat wederom op het spreekgestoelte, ditmaal met de stukken van het decreet betreffende de grond. Hij begint met beschuldigingen tegen de ten val gebrachte regering en de verzoeningsgezinde partijen die door hun op de lange baan schuiven van het agrarisch vraagstuk het land tot de boerenopstand gebracht hebben. “Leugenachtig en laf klinken hun woorden over pogroms en anarchie in de dorpen. Waar en wanneer werden ooit pogroms en anarchie door verstandige maatregelen teweeggebracht?” Het ontwerpdecreet is niet vermenigvuldigd om rondgedeeld te worden: de spreker houdt het enige exemplaar in origineel in zijn handen en het is, volgens de memoires van Soechanov, “zo slecht geschreven dat Lenin bij het lezen hakkelt, er niet uitkomt en tenslotte afbreekt. Iemand uit de op het podium opeengedrongen menigte komt hem te hulp. Lenin staat hem bereidwillig zijn plaats en het onleesbare papier af.” Deze oneffenheden doen echter in de ogen van het plebejisch parlement in het geheel niets af van de grootte van hetgeen zich afspeelt.

De kern van het decreet is in de twee regels van het eerste punt vervat: “Het feodale eigendomsrecht aan grond en bodem wordt onmiddellijk zonder enige schadeloosstelling afgeschaft.” Over de landerijen van de landgoederen, de kroon, de kloosters en de kerken met hun levende en dode inventaris beschikken tot aan de Constituerende Vergadering gemeentelijke landcomités en de distributiesovjets van de boerenafgevaardigden. Het in beslag genomen bezit wordt tot volksvermogen verklaard en onder bescherming van de plaatselijke sovjet gesteld. De grond van de arbeidende boeren en Kozakken is gevrijwaard tegen confiscatie. Het gehele decreet telt nog geen drie dozijn regels: het hakt de gordiaanse knoop eenvoudig door.

Bij de eigenlijke tekst is een enigszins uitvoeriger instructie gevoegd die geheel van de boeren zelf afkomstig is. In de “Izvestia van de Boerensovjets” was op 19 augustus een samenvatting van 242 instructies gepubliceerd die door de kiezers aan hun vertegenwoordigers op het eerste congres van de boerenafgevaardigden gegeven waren. Ondanks het feit dat de samenvattende instructie door sociaal-revolutionairen uitgewerkt was, had Lenin er zich niet van laten weerhouden het document zonder voorbehoud en volledig bij het decreet te voegen als een leidraad bij het verwezenlijken van de grote landbouwhervormingen. De samenvattende instructie luidt: “Het recht van privaateigendom op de grond wordt voor altijd afgeschaft.” – “Alle burgers… die de grond zelf willen bewerken, krijgen het recht om deze te gebruiken.” – “Loonarbeid is niet toegelaten.” – “Het bewerken van de grond moet op het beginsel van gelijkheid berusten, d.w.z. de grond wordt onder de arbeidenden, al naar plaatselijke omstandigheden, werk of behoeften, verdeeld.”

De sociaal-revolutionaire instructie moest bij een handhaving van het burgerlijke regime, laat staan van een coalitie met de grootgrondbezitters, noodzakelijk een utopie blijven, zo niet tot een bewuste leugen worden. Zij kon zelfs onder de heerschappij van de arbeidersklasse niet in alle opzichten verwezenlijkt worden. Het lot van de instructie wijzigde zich echter radicaal met de veranderde houding van de regering tegenover haar. De arbeidersstaat liet de boeren tijd om hun tegenstrijdig programma in de werkelijkheid te beproeven.

“De boeren houden vast aan hun kleinbedrijf, willen dit zoveel mogelijk gelijkmatig regelen en periodiek weer gelijk maken,” schreef Lenin in augustus. “Het zij zo. Geen verstandig socialist zal hierover met de arme boeren twisten. Indien de grond eerst maar in beslag genomen zal zijn, betekent dit dat de heerschappij van de banken gebroken is – indien de inventaris in beslag genomen zal zijn, betekent dit dat de heerschappij van het kapitaal gebroken is en daarna… na de overgang van de politieke macht op de arbeidersklasse, zal de praktijk zelf de weg wijzen.”

Zeer velen, en niet alleen onder de vijanden, maar ook onder de vrienden, hebben deze verziende, in hoge mate pedagogische stellingname van de bolsjewistische partij tegenover de boeren en hun agrarisch programma niet begrepen. De nivellerende verdeling van de grond, wierp bijvoorbeeld Rosa Luxemburg tegen, had met socialisme niets te maken. Ook de bolsjewieken maakten zich echter in dit opzicht natuurlijk geen illusies. Integendeel, reeds de constructie van het decreet getuigt van de kritische waakzaamheid van de wetgever. Terwijl in de verzamelde instructies staat dat de gehele grond, zowel die van de adel als die van de boeren, eigendom van het volk wordt, zwijgt het eigenlijke decreet geheel over de nieuwe vorm van de grondeigendom. Zelfs een niet al te eigenwijs jurist moet echter wel getroffen worden door het feit dat de nationalisatie van de grond, het nieuwe sociale beginsel met een wereldhistorische betekenis, vastgelegd wordt als instructie bij een oorspronkelijke wet. Dit is echter geen redactionele slordigheid. Lenin wilde zo min mogelijk de partij en de Sovjetmacht op het nog ongeëxploreerde historisch gebied bij voorbaat binden. Hij verenigde ook hier een uiterste voorzichtigheid met een weergaloze stoutmoedigheid. Het moest eerst nog uit de ervaring blijken hoe de boeren zelf de overgang van de grond in eigendom van het volk zouden opvatten. Terwijl men zich ver vooruit waagde, moest men zijn stelling ook voor een eventuele terugtocht verzekeren: de verdeling van het adellijk grootgrondbezit onder de boeren sloot, zonder volkomen tegen een burgerlijke contrarevolutie te beveiligen, onder alle omstandigheden een feodaal-monarchistische restauratie uit.

Van socialistische vooruitzichten kon slechts gesproken worden bij een vestiging en handhaving van de macht van de arbeidersklasse; deze macht was echter niet anders te handhaven dan door aan de boeren krachtige hulp te bieden bij het doorvoeren van hun revolutie. Doordat de verdeling van de grond de socialistische regering in politiek opzicht versterkte, was zij daarmee reeds als eerste maatregel volkomen gerechtvaardigd. Men moest de boeren nemen zoals de revolutie hen aangetroffen had. Pas het nieuwe regime zal in staat zijn hen te veranderen en ook niet plotseling, maar in de loop van vele jaren, in de loop van generaties, met behulp van een nieuwe techniek en een nieuwe economische organisatie. Het decreet in samenhang met de instructie betekende voor de heerschappij van de arbeiders de verplichting om nauwlettend de belangen van de arbeidende boeren, maar ook geduldig de illusies van deze als kleine bezitters, in het oog te houden. Het stond van tevoren vast dat nog velerlei fasen en wendingen zich in de agrarische revolutie zouden voordoen. De verzameling instructies was allerminst het laatste woord. Zij vormde slechts het punt waarvan de arbeiders wilden uitgaan om de boeren bij de verwezenlijking van hun radicale eisen te helpen en hen van verkeerde stappen te weerhouden.

“Wij zouden,” zei Lenin in zijn rede, “het besluit van de volksmassa’s niet kunnen negeren, zelfs indien wij het er niet mee eens waren… Wij moeten de volksmassa’s de volle scheppingsvrijheid laten… Het gaat erom dat de boeren tot de vaste overtuiging komen dat er in het dorp geen grootgrondbezitters meer zijn en dat de boeren alle kwesties zelf beslissen en hun leven zelf kunnen inrichten.” Opportunisme? Neen, revolutionair realisme.

Nog voordat de bijval verstomd was, trad de rechtse sociaal-revolutionair Pjanych van het Boeren Uitvoerend Comité op het podium met een woedend protest tegen het feit dat de socialistische ministers gevangen zaten. “Er heeft in de laatste dagen iets plaats,” schreeuwt de spreker en slaat als een bezetene met zijn vuist op de tafel, “wat in geen enkele revolutie nog geschiedde. Onze kameraden, de leden van het Uitvoerend Comité, Maslov en Salaskin, zijn gevangen gezet. Wij verlangen dat zij onmiddellijk in vrijheid gesteld zullen worden!” – “Indien ook maar een haar op hun hoofd gekrenkt wordt…” dreigt een andere afgezant in militair uniform. Beiden komen zij het congres als afgezanten uit het hiernamaals voor.

Op het tijdstip van de revolutie zaten beschuldigd van bolsjewisme in de gevangenis te Dvinsk ongeveer achthonderd man, in Minsk ongeveer zesduizend, in Kiev vijfhonderd vijfendertig, merendeels soldaten. En hoeveel leden van de boerencomités zaten in verschillende delen van het land achter slot en grendel! Tenslotte heeft een groot deel van de afgevaardigden op het congres zelf, te beginnen met het presidium, sinds juli in de gevangenissen van Kerenski vertoefd. Is het dan te verwonderen dat de vrienden van de Voorlopige Regering er niet op mochten rekenen met hun verontwaardiging de gemoederen in deze vergadering te bewegen? Tot overmaat van ramp stond een volslagen onbekende afgevaardigde, een boer uit Tver, met lang haar en in een schapenvacht van zijn plaats op, boog hoffelijk naar alle kanten en bezwoer het congres in naam van zijn kiezers, zelfs niet voor een arrestatie van het gehele Uitvoerende Comité van Avksentjev terug te deinzen: “dat zijn geen boerenafgevaardigden, maar kadetten… Zij behoren in de gevangenis.” Zo stonden deze twee figuren tegenover elkaar: de sociaal-revolutionair Pjanych, een ervaren parlementariër, vertrouwensman van de ministers en bolsjewiekenhater, en de naamloze boer uit Tver die namens zijn kiezers Lenin warm begroet had. Twee maatschappelijke groepen, twee revoluties: Pjanych sprak in naam van de Februarirevolutie, de boer uit Tver streed voor de Oktoberrevolutie. Het congres brengt de afgevaardigde in zijn schapenvacht een ware ovatie. De afgezanten van het Uitvoerend Comité verwijderen zich vloekend.

“De sociaal-revolutionaire fractie begroet het voorstel van Lenin als een zegepraal van haar opvattingen,” verklaart Kalegajev. Er was echter met het oog op het buitengewone gewicht van de kwestie een fractievergadering nodig. Een maximalist, vertegenwoordiger van de uiterst linkse vleugel van de uiteengevallen sociaal-revolutionaire partij, dringt erop aan dat men terstond tot stemming zal overgaan: “wij moeten hulde brengen aan een partij die meteen op de eerste dag, zonder haar tijd met praten te verdoen, overgaat tot het doorzetten van een dergelijke maatregel.” Lenin dringt erop aan dat de pauze in elk geval zo kort mogelijk zou zijn. “De voor Rusland zo belangrijke nieuwigheden moeten vóór morgen gepubliceerd worden. Geen verder uitstel!” Het decreet betreffende de grond – dat is niet alleen de grondslag van het nieuwe regime, maar ook het werktuig van de revolutie die nog voor de taak staat het land te veroveren. Niet toevallig noteert Reed op dit ogenblik een gebiedende stem die door de zaal roept: “Vijftien propagandisten naar kamer 17. Onmiddellijk! Zij moeten allemaal naar het front gaan!”

Om één uur ’s nachts beklaagt de afgevaardigde van de Russische troepen in Macedonië zich over het feit dat de verschillende elkaar opvolgende Petrogradse regeringen hen vergeten hadden. De leuzen van vrede en land zouden stellig door de soldaten in Macedonië ondersteund worden! Dit is een nieuw bewijs van de stemmingen in het leger, ditmaal in een verre uithoek in het Zuidoosten van Europa. Kamenev deelt mee dat het 10de bataljon wielrijders dat de regering van het front liet komen, vanmorgen in Petrograd binnengerukt was en zich net als zijn voorgangers bij het Sovjetcongres had aangesloten. Uit het levendig applaus blijkt dat telkens opnieuw herhaalde bevestigingen van eigen kracht nooit overbodig zijn.

Nadat met algemene stemmen en zonder enig debat een resolutie aangenomen is waarin gezegd wordt dat het een erezaak van de plaatselijke sovjets is om Joodse en andere pogroms niet te dulden, wordt het wetsontwerp betreffende de grond in stemming gebracht. Het congres neemt met één stem tegen en acht onthoudingen onder een nieuwe uitbarsting van enthousiasme het decreet aan dat een einde maakt aan de lijfeigenschap, deze fundamentele grondslag van de oude Russische cultuur. De agrarische revolutie is van nu af aan wet geworden. De arbeidersrevolutie krijgt hiermee een machtige basis.

Nu rest nog de laatste taak, namelijk de vorming van een regering. Kamenev leest het door het Centraal Comité van de bolsjewieken uitgewerkt ontwerp voor. Met de leiding van de afzonderlijke takken van de staatsdienst worden commissies belast, die tot taak hebben het door het Sovjetcongres verkondigd programma uit te voeren “in nauw verband met de massaorganisaties van de arbeiders, arbeidsters, matrozen, soldaten, boeren en beambten.” De regeermacht is geconcentreerd in handen van een college dat uit de voorzitters van deze commissie bestaat onder de naam van Raad van Volkscommissarissen. Het Sovjetcongres en zijn Centraal Uitvoerend Comité hebben de controle over de werkzaamheid van de regering.

Zeven leden van het Centraal Comité van de bolsjewistische partij zijn aangewezen voor de eerste Raad van Volkscommissarissen: Lenin als hoofd van de regering zonder portefeuille; Rykov als volkscommissaris van binnenlandse zaken; Miljoetin als volkscommissaris van landbouw; Nogin voor handel en industrie; Trotski als leider van buitenlandse zaken; Lomov – justitie; Stalin als voorzitter van de commissie voor de nationaliteiten. Het departement van oorlog en marine wordt aan een commissie bestaande uit Antonov-Ovssejenko, Krylenko en Dybenko toevertrouwd; de leiding van het commissariaat van arbeid is aan Sjljapnikov toebedacht; de volksontwikkeling zal door Loenatsjarski geleid worden; de zware en ondankbare taak van de voedselvoorziening wordt op Feodorovitsj gelegd; de post en telegrafie op de arbeider Glebov. De post van volkscommissaris van verkeerswezen blijft voorlopig onbezet: de deur is voor een overeenkomst met de spoorwegorganisaties opengelaten.

Alle vijftien kandidaten, vier arbeiders en elf intellectuelen, hebben in hun verleden jaren gevangenis, verbanning en emigratie gekend; vijf van hen zaten nog onder het regime van de democratische republiek in de gevangenis; de nieuwe premier is pas gisteren uit de democratische illegaliteit gekomen. Kamenev en Zinovjev zijn niet in de Raad van Volkscommissarissen opgenomen: de eerste was tot voorzitter van het nieuwe Centraal Uitvoerend Comité bestemd, de tweede – tot redacteur van het officiële Sovjetorgaan. “Toen Kamenev de lijst van de volkscommissarissen voorlas,” schrijft Reed, “volgde na iedere naam een storm van bijval, vooral na de namen van Lenin en Trotski.” Soechanov voegt hier nog Loenatsjarski bij.

Avilov, een vroegere bolsjewiek en medewerker aan het blad van Gorki, treedt met een grote rede als vertegenwoordiger van de verenigde internationalisten tegen de voorgestelde regeringslijst op. Nauwgezet somt hij de moeilijkheden op die de revolutie op het gebied van de binnen- en buitenlandse politiek te wachten staan. “Men moet er zich duidelijk rekenschap van geven… waarheen wij gaan… de nieuwe regering staat voor de oude kwesties: brood en vrede. Indien zij deze kwesties niet zal oplossen, zal zij ten val gebracht worden.” Brood is er weinig in het land: het is in handen van de welvarende boeren. Er is niets, hetgeen men in ruil voor brood zou kunnen aanbieden: de industriële productie neemt af. Het ontbreekt aan brandstof en grondstoffen. Het is moeilijk, ingewikkeld en gevaarlijk met dwangmaatregelen in bezit van het graan te komen. Men moet daarom een zodanige regering vormen waarmee niet alleen de arme maar ook de welgestelde boeren sympathiseren. Een coalitie is daartoe nodig.

“Nog moeilijker is het een vrede tot stand te brengen.” De Ententeregeringen zullen niet reageren op het voorstel van het congres tot een onmiddellijke wapenstilstand. De gezanten van de Geallieerden zijn bovendien van plan af te reizen. De nieuwe macht zal geïsoleerd zijn en haar vredesinitiatief zal in de lucht blijven hangen. De volksmassa’s in de oorlogvoerende landen zijn voorlopig nog ver van een revolutie verwijderd. De gevolgen kunnen tweeërlei zijn: óf een neerslaan van de revolutie door de troepen van de Hohenzollerns, óf een afzonderlijke vrede. De vredesvoorwaarden zullen in beide gevallen voor Rusland buitengewoon zwaar zijn. Slechts een “meerderheid van het volk” kan alle moeilijkheden overwinnen. Het ongeluk ligt echter in de verscheurdheid van de democratie, waarvan het linkse deel in het Smolny een zuiver bolsjewistische regering wil vormen, terwijl het rechtse deel in de stadsdoema een commissie voor openbaar welzijn organiseert. Tot redding van een revolutie moet een regering uit beide groepen gevormd worden.

De vertegenwoordiger van de linkse sociaal-revolutionairen, Karelin, spreekt zich in gelijke geest uit. Het is onmogelijk om het aangenomen programma uit te voeren zonder die partijen die het congres verlaten hebben. Weliswaar “hebben de bolsjewieken geen schuld aan dit weggaan.” Het programma van het congres moet de gehele democratie verenigen. “Wij willen geen weg inslaan die tot isolering van de bolsjewieken leidt, want wij weten dat het lot van de gehele revolutie met het lot van de bolsjewieken verbonden is: hun ondergang zal de ondergang van de revolutie betekenen.” Indien zij, de linkse sociaal-revolutionairen, niettemin het voorstel om in de regering te treden afwijzen, gebeurt dit met de beste bedoelingen, namelijk om de handen vrij te houden voor een bemiddeling tussen de bolsjewieken en de partijen die het congres verlaten hebben. “In deze bemiddeling… zien de linkse sociaal-revolutionairen op het huidige ogenblik hun voornaamste taak.” De linkse sociaal-revolutionairen zullen het werk van de regering tot oplossing van de dringende kwesties ondersteunen. Tegelijkertijd stemmen zij tegen de voorgestelde regering. Anders gezegd: de jonge partij stichtte zoveel verwarring als zij maar kon.

“Trotski trad op om een zuiver bolsjewistische regering te verdedigen,” deelt Soechanov, die volkomen met Avilov sympathiseerde en achter de schermen Karelin inspireerde, mee. “Hij was fascinerend, scherp en had in vele opzichten volkomen gelijk. Hij wilde echter niet inzien waarin de kern van de argumentatie van zijn tegenstander bestond…” De kern van de argumentatie was een ideale rechte lijn. In maart had men gepoogd deze tussen de burgerij en de verzoeningsgezinde Sovjet te trekken. Nu droomden Soechanov en de zijnen van een rechte lijn tussen verzoeningsgezinde democratie en de arbeidersheerschappij. Revoluties verlopen echter niet volgens een rechte lijn.

“Men heeft ons telkens weer met de mogelijkheid van een isolement van de linkervleugel afgeschrikt,” zegt Trotski. “Enkele dagen geleden, toen de kwestie van de opstand openlijk gesteld werd, zei men ons dat wij een zekere ondergang tegemoet gingen. En inderdaad, indien men op de politieke persberichten betreffende de machtsgroeperingen afgaat, dan heeft ons een zekere ondergang door de opstand gedreigd. Tegenover ons stonden niet alleen de contrarevolutionaire bendes, maar ook de landsverdedigers in diverse schakeringen; de linkse sociaal-revolutionairen werkten slechts met één van hun vleugels dapper met ons in het Militair Revolutiecomité samen; de rest van hen nam een afwachtende neutrale houding aan. En toch heeft onder deze ongunstige omstandigheden, waarin wij naar het leek door iedereen verlaten waren, de opstand gezegevierd…”

Indien de werkelijke krachten inderdaad tegen ons geweest waren, hoe had het dan kunnen gebeuren dat wij de overwinning vrijwel zonder bloedvergieten behaalden? Neen, wij waren niet geïsoleerd, maar de regering en de quasi-democraten waren dat. Zij hebben zichzelf met hun aarzelingen en met hun verzoeningsgezindheid buiten de rijen van de ware democratie gesteld. Wij hebben als partij het grote voordeel dat wij een coalitie met de klassen gesloten en een bondgenootschap van de arbeiders, soldaten en armste boeren tot stand gebracht hebben.

Politieke groeperingen verdwijnen, maar de fundamentele klassenbelangen blijven. De partij die in staat is de fundamentele eisen van de klasse te begrijpen en te vervullen, behaalt de overwinning. Wij kunnen trots zijn op de coalitie van ons overwegend uit boeren bestaand garnizoen met de arbeidersklasse. Deze coalitie is in de strijd beproefd. Het Petrogradse garnizoen en de arbeidersklasse zijn gemeenschappelijk in de grote strijd gegaan, een strijd die een klassiek voorbeeld in de geschiedenis van de revolutie van alle volkeren zal blijven.

Avilov heeft over de buitengewoon grote moeilijkheden gesproken die ons te wachten staan. Hij stelt een coalitie voor om deze moeilijkheden op te heffen. Hij doet echter hierbij geen enkele poging om dit nader uit te werken en te zeggen welk soort coalitie – van groepen, klassen, of eenvoudig een coalitie van dagbladen?

Men zegt dat de scheuring bij de democraten op een misverstand berust. Wanneer Kerenski stormtroepen tegen ons laat oprukken, wanneer men ons met goedvinden van het Centraal Uitvoerend Comité op het meest kritieke ogenblik van onze strijd tegen de burgerij van de telefoon berooft, wanneer men ons de ene slag na de andere toebrengt, – kan men dan werkelijk van misverstanden spreken?

Avilov zegt ons dat het brood schaars is, – dat men een coalitie met de landsverdedigers nodig heeft. Zou deze coalitie echter de hoeveelheid brood vergroten? De kwestie van het brood – dat is de kwestie van het programma van actie. De strijd tegen het economisch verval vereist een bepaald systeem van onderop, geen politieke groeperingen aan de top.

Avilov sprak van een bondgenootschap met de boeren. Maar nog eens: over welke boeren spreekt hij hier? Vandaag heeft hier een boerenafgevaardigde van het gouvernement Tver de arrestatie van Avksentjev verlangd. Men moet kiezen tussen deze Tverse boer en Avksentjev die de gevangenissen met leden van de boerencomités gevuld heeft. Wij wijzen een coalitie met de koelakken onder de boeren beslist van de hand in naam van een coalitie van de arbeidersklasse met de armste boeren. Wij gaan met de boeren van Tver tegen Avksentjev, wij staan tot het einde toe en onverbrekelijk aan hun kant.

Wie het spookbeeld van een coalitie najaagt, staat volkomen buiten het werkelijke leven. De linkse sociaal-revolutionairen zullen hun steun in de massa’s verliezen indien zij op de gedachte zouden komen onze partij tegen te werken. Elke groep die zich tegenover de partij van de met de armen in de dorpen verbonden arbeidersklasse stelt, isoleert zich van de revolutie.

Wij hebben openlijk voor het gehele volk de vlag van de opstand geheven. De politieke slogan van deze opstand is: Alle macht aan de Sovjets door het Sovjetcongres. Men zegt ons: jullie hebben met de omwenteling niet op het congres gewacht. Wij zouden graag gewacht hebben, maar Kerenski wilde niet wachten: de contrarevolutionairen hebben niet stil gezeten. Wij hebben het als partij als onze zaak beschouwd om voor het Sovjetcongres de reële mogelijkheid te scheppen om de macht in handen te nemen. Indien het congres door jonkers omsingeld was, hoe zou het dan de macht hebben kunnen grijpen? Tot het verwezenlijken van deze taak was een partij nodig die de macht aan de contrarevolutie kon ontnemen en u kon zeggen: “Hier is de macht, jullie hebben de plicht om deze te nemen!” (Stormachtige, bijna eindeloze bijval).

“Ondanks het feit dat de diverse landsverdedigers in de strijd tegen ons voor niets terugdeinsden, hebben wij hen niet van ons afgestoten, – wij hebben het congres in zijn geheel aangeboden de macht over te nemen. Hoe moet men de zaak verdraaien om na alles wat er voorgevallen is van dit podium af te spreken van onze onverzoenlijkheid! Indien de in kruitdamp gehulde partij tot hen komt en zegt: ‘laten wij de macht gemeenschappelijk nemen!’, dan lopen zij naar de stadsdoema en verenigen zich daar met de openlijke contrarevolutionairen. Zij zijn verraders van de revolutie, met hen zullen wij ons nooit verenigen!

“Avilov zegt dat er voor de strijd om de vrede een coalitie met de verzoeningsgezinden nodig is. Tegelijkertijd erkent hij dat de Geallieerden geen vrede willen sluiten… Volgens Avilov zouden de geallieerde imperialisten de democraat Skobeljev uitgelachen hebben. Maar als wij een bondgenootschap met de halfzachte democraten sluiten, dan zou de zaak van de vrede verzekerd zijn.

“Er bestaan twee wegen in de strijd om de vrede. De ene weg is de morele en materiële macht van de revolutie tegenover de regeringen van de bondgenoten en de vijanden te stellen. De tweede weg is een bondgenootschap met Skobeljev, hetgeen een bondgenootschap met Teresjtsjenko en een volkomen onderwerping aan het imperialisme van de Geallieerden betekent. Wij richten ons in ons vredesaanbod tegelijkertijd tot de regeringen en de volkeren. Dit is echter slechts een formele gelijkheid. We menen natuurlijk niet de imperialistische regeringen met onze oproepen te kunnen beïnvloeden; maar zolang zij bestaan, zullen wij ze niet negeren. Wij stellen echter onze gehele verwachting daarop dat onze revolutie een Europese revolutie ontketenen zal. Indien de opstandige volkeren van Europa het imperialisme niet zullen wurgen, dan zullen wij gewurgd worden – dat staat vast. Ofwel zal de Russische revolutie een storm van strijd in het westen teweegbrengen, ofwel zullen de kapitalisten van alle landen onze revolutie wurgen.”

“Er bestaat een derde weg,” klinkt het in de zaal.

“De derde weg,” antwoordt Trotski, “is de weg van het Centraal Uitvoerend Comité, dat aan de ene kant delegaties naar de West-Europese arbeiders stuurt en aan de andere kant een bondgenootschap met lieden als Kisjkin en Konovalov sluit. Dit is een weg van leugenachtigheid en huichelachtigheid die wij nooit zullen inslaan!

“Wij willen natuurlijk niet zeggen dat de vrede alleen op de dag van de opstand van de Europese arbeiders getekend kan worden. Het is ook mogelijk dat de burgerij, angstig voor de naderende opstand van de onderdrukten, zich haast om vrede te sluiten. Men kan hier geen vast tijdstip bepalen. Het is niet mogelijk concrete vormen te voorspellen. Het is echter belangrijk en noodzakelijk om een methode van strijd te bepalen die in wezen dezelfde blijft, zowel in de buitenlandse als in de binnenlandse politiek. Een bondgenootschap van de onderdrukten overal en altijd – dat is onze weg.”

“De afgevaardigden op het congres,” schrijft Reed, “huldigden hem met een heftige storm van bijval, vervuld van de verheven gedachte voorvechters van de gehele mensheid te zijn. Het kon in elk geval toen bij niemand van de bolsjewieken opkomen om te protesteren tegen het feit dat het lot van de Sovjetrepubliek in een officiële rede namens de bolsjewistische partij direct afhankelijk gesteld werd van de wereldrevolutie.”

De dramatische wetmatigheid van dit congres was daarin gelegen dat elke belangrijke daad eindigde met of zelfs onderbroken werd door een kort intermezzo, waarin plotseling een figuur uit het andere kamp op het toneel verscheen om te protesteren, met een ultimatum te dreigen of een ultimatum te stellen. De vertegenwoordiger van de Wiksjel, het Uitvoerend Comité van de Al-Russische bond van spoorwegpersoneel, wil terstond en onverwijld het woord hebben. Hij moet een bom in de vergadering werpen nog voordat de stemming over de regeringskwestie plaats heeft. De spreker, op wiens gezicht Reed een bittere vijandigheid las, begint met de aanklacht dat zijn organisatie, “de sterkste in Rusland,” niet tot het congres uitgenodigd was. “Dan heeft het Centraal Uitvoerend Comité u niet uitgenodigd,” roept men hem van alle kanten toe. Men dient er kennis van te nemen dat het oorspronkelijke besluit van de Wiksjel inzake ondersteuning van het Sovjetcongres herroepen is! De spreker haast zich om het reeds langs telegrafische weg in het gehele land verspreide ultimatum voor te lezen, namelijk dat de Wiksjel de machtsgreep door een partij veroordeelt; dat de regering verantwoordelijk moet zijn aan de “gehele revolutionaire democratie”; dat tot aan de vorming van een democratische regering uitsluitend de Wiksjel over het spoorwegnet beschikt. De spreker voegt hieraan toe dat contrarevolutionaire troepen niet naar Petrograd zullen worden doorgelaten en dat in het algemeen troepenbewegingen van nu af aan slechts op bevel van het oude Centraal Uitvoerend Comité zullen plaats hebben. De Wiksjel zou in geval van represaillemaatregelen tegen het spoorwegpersoneel Petrograd van levensmiddelen afsnijden.

Het congres kromp ineen als onder een slag. De machtigen van de spoorwegbond trachtten met de volksvertegenwoordiging als regering tegenover regering te onderhandelen. Terwijl de arbeiders, soldaten en boeren de leiding van de staat in handen nemen, wil de Wiksjel over de arbeiders, soldaten en boeren bevelen. Hij poogt het ten val gebrachte systeem van de dubbele heerschappij in het klein voort te zetten. Terwijl zij niet op hun getalsterkte, maar op de buitengewone economische en culturele betekenis van de spoorwegen in het land willen steunen, ontmaskeren de democraten van de Wiksjel daarmee de geringe betekenis van de formeel democratische criteria in de beslissende vraagstukken van de sociale strijd. Waarlijk, de revolutie is rijk aan schitterende lessen!

De verzoeningsgezinden hebben in elk geval het moment voor het toebrengen van de slag niet kwaad gekozen. De leden van het presidium kijken bezorgd. Gelukkig is de Wiksjel niet onbeperkt heer en meester over de verkeerswegen. Op het platteland behoren de spoorwegarbeiders tot de plaatselijke sovjets. Reeds hier, op het congres, stuit het ultimatum van de Wiksjel op tegenstand. “Het gehele spoorwegpersoneel in ons gebied,” zegt de afgevaardigde van Tasjkent, “is voor een overgang van de macht op de sovjets.” Een andere vertegenwoordiger van het spoorwegpersoneel noemt de Wiksjel een “politiek lijk.” Dit is stellig overdreven. Steunend op de zeer talrijke groep van hogere spoorwegbeambten heeft de Wiksjel meer levenskracht dan andere organisaties van de verzoeningsgezinden behouden. Hij behoort echter ongetwijfeld tot hetzelfde type als de legercomités of het Centraal Uitvoerend Comité. Hij is ten dode gedoemd. De arbeiders scheiden zich overal van de beambten af. De lagere beambten staan tegenover de hogere. Het aanmatigend ultimatum van de Wiksjel zal deze processen onvermijdelijk verhaasten. Neen, het zullen niet de stationschefs zijn die de trein van de Oktoberrevolutie ophouden!

“Er kan geen sprake van zijn dat het congres onrechtmatig is,” verklaart Kamenev met nadruk. “De samenstelling van het congres is niet door ons bepaald, maar door het oude Uitvoerend Comité… Het congres is het hoogste orgaan van de arbeiders- en soldatenmassa’s!” Men gaat eenvoudig over tot de orde van de dag!

De Raad van Volkscommissarissen is met een overweldigende meerderheid goedgekeurd. De resolutie van Avilov kreeg volgens de buitengewoon royale schatting van Soechanov ongeveer vijftig stemmen, voornamelijk van linkse sociaal-revolutionairen. Het congres keurt daarna eensgezind de samenstelling van het Centraal Uitvoerend Comité goed: van de 101 leden zijn er 62 bolsjewieken en 29 linkse sociaal-revolutionairen. Het Centraal Uitvoerend Comité zal later met vertegenwoordigers van de boerensovjets en de nieuw te kiezen legerorganisaties aangevuld worden. Het wordt aan de fracties die de Sovjet verlaten hebben overgelaten om hun afgevaardigden in evenredigheid naar het Centraal Uitvoerend Comité te sturen.

De agenda van het congres is afgehandeld. De Sovjetmacht gevormd. Zij heeft een programma. Men kan aan het werk gaan, en daar is er geen gebrek aan. Om 5u15 ’s morgens sluit Kamenev het Constituerende Congres van het Sovjetbewind. Naar de stations! Naar huis! Naar het front, naar de fabrieken en de kazernes, naar de mijnen en de afgelegen dorpen! De afgevaardigden zullen met de decreten van het congres het gist van de arbeidersrevolutie in alle delen van het land verspreiden.

Het voornaamste orgaan van de bolsjewistische partij, dat opnieuw de oude naam “Pravda” aangenomen had, schreef die morgen: “Zij willen dat wij alleen de macht overnemen, dat wij alleen de vreselijke moeilijkheden die het land te wachten staan, oplossen… Welnu, wij nemen de macht alleen over, steunend op de roepstem van het land en vertrouwend op de vriendschappelijke hulp van de Europese arbeidersklasse. Eenmaal in het bezit van de macht, zullen wij echter tegen de vijanden van de revolutie en tegen degenen, die haar saboteren, de ijzeren vuist gebruiken. Zij hebben van de heerschappij van Kornilov gedroomd… Wij geven hen de heerschappij van de arbeidersklasse.”

Print Friendly, PDF & Email