De massa’s onder vuur

Revolutionaire gebeurtenissen worden direct door veranderingen in het bewustzijn van de strijdende klassen veroorzaakt. De materiële verhoudingen in de maatschappij bepalen slechts de richting van deze processen. De veranderingen in het maatschappelijk bewustzijn hebben uiteraard een deels verborgen karakter. Pas zodra zij een bepaalde spanning bereikt hebben, komen de nieuwe stemmingen en gedachten tot uiting als massa-acties, wat leidt tot een nieuw maar uiterst labiel maatschappelijk evenwicht. De loop van de revolutie werpt in elke nieuwe fase het probleem van de macht op, om het direct daarna weer te verdoezelen – totdat het opnieuw opgebracht wordt. Hetzelfde geldt voor de gang van de contrarevolutie, met dit verschil dat de film hier in de omgekeerde richting afdraait.

Hetgeen in de hogere regerings- en Sovjetkringen gebeurt, is geenszins zonder betekenis voor de loop van de gebeurtenissen. Men kan echter de werkelijke betekenis van een politieke partij slechts begrijpen en de manoeuvres van de leiders ontwaren door de diepgaande innerlijke processen in het bewustzijn van de massa’s bloot te leggen. De arbeiders en soldaten hadden in juli een nederlaag geleden, maar in oktober reeds veroverden zij in een onoverwinnelijke stormloop de macht. Wat heeft er zich in deze vier maanden in hun hoofden afgespeeld? Hoe hebben zij de slagen die op hen neersuisden ondergaan? Met welke gedachten en gevoelens zagen zij de openlijke poging van de bourgeoisie om de macht te veroveren? Wij zullen tot de Julinederlaag moeten teruggaan. Men moet dikwijls een beetje teruggaan, om een betere aanloop te hebben. En wij staan voor de Oktobersprong.

Bij de officiële Sovjetgeschiedschrijvers heeft de in zekere zin compleet verstarde mening post gevat, alsof de Juliveldtocht tegen de partij – represailles samen met lasteringen – vrijwel spoorloos aan de arbeidersorganisaties voorbijgegaan zijn. Dit is volkomen onjuist. Wel was de neerslachtigheid in de partijgelederen en het wegstromen van de arbeiders en soldaten uit de partij niet van lange duur, het duurde slechts enkele weken. Het herstel had zo snel en vooral zo krachtig plaats dat dit alleen reeds de herinnering aan de dagen van druk en neerslachtigheid voor een groot deel uitwiste. Een overwinning laat in het algemeen de nederlagen die aan haar voorafgingen in een ander daglicht zien. Hoe meer notulen van plaatselijke partijorganisaties gepubliceerd worden, des te sterker blijkt de teruggang van de revolutie in juli die in deze dagen te smartelijker gevoeld werd waar de voorafgaande opgang zo krachtig geweest was.

Elke nederlaag – een gevolg van bepaalde machtsverhoudingen – wijzigt op haar beurt deze machtsverhoudingen ten nadele van de overwonnen partij, want het zelfvertrouwen van de overwinnaar neemt toe, maar de overwonnene verliest het geloof in zichzelf. Het inzicht in eigen kracht vormt echter een uiterst belangrijk element van de objectieve machtsverhoudingen. De arbeiders en soldaten van Petrograd die bij hun opmars aan de ene kant op het verwarde en tegenstrijdige karakter van hun eigen doeleinden en aan de andere kant op de achterlijkheid van de provincie en het front gestuit waren, hadden een directe nederlaag geleden. De gevolgen van de nederlaag kwamen daarom het eerst en het sterkst tot uiting in de hoofdstad. Geheel onjuist is echter de bewering die men in de bovengenoemde officiële literatuur zo dikwijls aantreft alsof de Julinederlaag vrijwel onopgemerkt aan de provincie voorbijgegaan was. Dit is theoretisch onwaarschijnlijk en het wordt door de feiten en documenten tegengesproken. Bij belangrijke kwesties keek het gehele land telkenmale onwillekeurig naar Petrograd. Het kon niet anders of de nederlaag van de arbeiders en soldaten in de hoofdstad moest juist op de meest radicale groepen in de provincie een ontzaglijke indruk maken. Schrik, ontgoocheling, apathie doorstroomden verschillende delen van het land op verschillende manieren, maar ze waren overal te bespeuren.

De teruggang van de revolutie kwam het eerst tot uiting in het zwakker worden van de tegenstand van de massa’s tegen de vijanden. Terwijl de troepen die naar Petrograd gebracht waren op bevel van hogerhand soldaten en arbeiders ontwapenden, maakten bendes die voor een deel uit vrijwilligers bestonden hiervan gebruik om ongestraft overvallen op arbeidersorganisaties te doen. Na de verwoesting van het redactiegebouw van de “Pravda” en de bolsjewistische drukkerij werd het vakverenigingsgebouw van de metaalarbeiders verwoest. De volgende slagen zijn tegen de wijksovjets gericht. Ook de verzoeningsgezinden blijven niet gespaard: op 10 juli wordt er een overval gedaan op een instelling van die partij die geleid werd door minister van Binnenlandse Zaken Tseretelli. Het kost Dan heel wat zelfverloochening om naar aanleiding van de aankomst van de troepen te schrijven: “Wij zijn nu getuige van een nieuwe overwinning van de revolutie in plaats van haar ondergang.” De overwinning ging zover dat, naar de mensjewiek Proesjitzki meedeelt, voorbijgangers die op arbeiders geleken en van bolsjewisme verdacht werden gevaar liepen om gruwelijk mishandeld te worden. Een duidelijk symptoom van de enorme verandering in de gehele toestand!

Het lid van het bolsjewistisch comité te Petrograd, Lazis, die later een bekend medewerker van de Tsjeka werd, tekende in zijn dagboek op: “9 juli. Al onze drukkerijen in de stad zijn verwoest. Niemand durft onze kranten en vlugschriften drukken. Wij nemen onze toevlucht tot het installeren van een geheime drukkerij. Het Vyborgkwartier is een toevluchtsoord voor iedereen geworden. Het Petrogradse Comité en de vervolgde leden van het Centraal Comité zijn hierheen verhuisd. In het portiershuisje van de fabriek Reno beraadslaagt het Comité met Lenin. Deze beraadslagingen lopen over de algemene staking. De meningen bij ons in het comité zijn verdeeld. Ik was voor het uitroepen van de staking. Lenin stelde, nadat hij de toestand uiteengezet had, voor om ervan af te zien… 12 juli. De contrarevolutie zegeviert. De sovjets zijn machteloos. De losgelaten “jonkers” treden zelfs reeds tegen de mensjewieken op. Bij een deel van de partij heerst onzekerheid. De stroom van nieuwe leden is opgehouden… van een uittocht uit onze partij is echter nog geen sprake.” Na de Julidagen “hadden de sociaal-revolutionairen een grote invloed in de Petrogradse bedrijven,” schrijft de arbeider Sissko. Het isolement van de bolsjewieken deed vanzelf de betekenis en het zelfbewustzijn van de verzoeningsgezinden toenemen. Op 16 juli bericht de afgevaardigde van het district Vassiliiostrov in de bolsjewistische stedelijke conferentie dat de stemming daar “in het algemeen” goed was met uitzondering van enkele bedrijven. “In de Baltische fabriek worden wij door de sociaal-revolutionairen en mensjewieken verslagen.” Het was hier ver gekomen; het bedrijfscomité bepaalde dat de bolsjewieken aan de begrafenis van de gedode Kozakken moesten deelnemen, hetgeen zij ook deden… De officieel vastgestelde afname van ledental van de partij is echter niet groot: er bedankten in het gehele district ongeveer honderd van de vierduizend leden openlijk voor hun lidmaatschap. Veel groter was het aantal van hen die zich in de eerste dagen stilletjes terugtrokken. “De Julidagen brachten aan het licht,” herinnerde zich later de arbeider Minitsjev, “dat er in onze gelederen mensen waren die uit angst voor hun hachje hun lidmaatschapskaart van de partij inslikten en de partij afzwoeren. Er waren echter niet veel van zulke mensen…” laat hij er geruststellend op volgen. “De gebeurtenissen in juli,” schrijft Sjljapnikov, “en de gehele campagne van gewelddaden en laster tegen onze organisaties, waarvan deze vergezeld gingen, hebben de toename van onze invloed, die begin juli reusachtig sterk geworden was, onderbroken… Onze partij zelf was gedeeltelijk illegaal en voerde een verdedigingsstrijd, daarbij voornamelijk steunend op de vakverenigingen en de fabriekscomités.”

De beschuldiging tegen de bolsjewieken dat zij in dienst van Duitsland stonden, moest zelfs op de arbeiders van Petrograd, althans op een groot deel van hen, wel indruk maken. Wie aarzelde, deinsde terug. Wie op het punt stond om zich aan te sluiten, begon te aarzelen. Zelfs van degenen die zich reeds aangesloten hadden, gingen velen weer weg. Naast de bolsjewieken hadden ook arbeiders die tot de sociaal-revolutionairen en mensjewieken behoorden op grote schaal aan de Julidemonstratie deel genomen. Na de slag keerden zij het eerst weer terug tot hun partij: het leek hen nu toe alsof zij werkelijk met hun overtreding van de discipline een fout begaan hadden. Een grote groep partijloze arbeiders en meelopers van de partij wendde zich eveneens onder indruk van de van hogerhand verkondigde en in een juridisch kleed gegoten laster af.

De maatregelen van weerwraak hadden in deze gewijzigde politieke situatie een buitengewoon fatale uitwerking. Olga Ravitsj, een van de oude en actieve medewerksters in de partij en lid van het Petrograds comité, zei later in haar rapport: “De organisatie was door de Julidagen zo volkomen vernietigd dat er in de volgende drie weken geen sprake kon zijn van welke arbeid ook.” Ravitsj heeft het hier hoofdzakelijk over het openlijke partijwerk. Geruime tijd slaagde men er niet in het partijblad uit te geven: geen drukkerij was er voor te vinden voor de bolsjewieken te werken. De tegenstand ging hierbij niet altijd van de eigenaar uit: in een drukkerij dreigden de arbeiders te staken indien de bolsjewistische krant gedrukt werd en zo moest de eigenaar het reeds gesloten contract verbreken. Een tijdlang kreeg Petrograd het blad van Kronstadt.

De groep van de mensjewieken-internationalisten vormde in die dagen de uiterste linkervleugel in de strijd. De arbeiders luisterden graag naar de redevoeringen van Martov, in wie tijdens deze periode van terugtocht het vechtinstinct ontwaakte nu het er niet om ging nieuwe wegen aan de revolutie te banen, maar om het behoud van hetgeen er nog over was van haar veroveringen. De moed van Martov was een moed der wanhoop. “Er is nu stellig een streep onder de revolutie gezet,” zei hij in een vergadering van het Uitvoerend Comité… “Indien het reeds zo ver gekomen is dat… de stem van de boeren en de arbeiders in de Russische revolutie niet meer gehoord kan worden, willen wij openlijk van het toneel verdwijnen en deze uitdaging niet zwijgend en gelaten aannemen, maar in een eerlijke strijd verdwijnen.” Dit voorstel om in een eerlijke strijd van het toneel te verdwijnen, deed Martov aan diegenen onder zijn partijgenoten die, zoals Dan en Tsereteli, de overwinning van de generaals en de Kozakken over de arbeiders en soldaten als een overwinning van de revolutie over de anarchie beschouwden. Tegenover de ophitsing die er tegen de bolsjewieken ontketend was, en de laffe kruiperigheid van de verzoeningsgezinden tegenover de Kozakken deed de houding van Martov in die moeilijke weken hem zeer in de achting van de arbeiders stijgen.

De Julicrisis had een buitengewoon verwoestende uitwerking op het garnizoen van Petrograd. De soldaten bleven in politiek opzicht ver op de arbeiders achter. De soldatensectie in de Sovjet was nog altijd een steunpunt van de verzoeningsgezinden, terwijl de arbeiderssectie reeds op de hand van de bolsjewieken was. Het feit dat de soldaten spoedig geneigd waren met de wapens te dreigen, was niet met dit feit in tegenspraak. Zij speelden bij demonstraties een meer agressieve rol dan de arbeiders, maar deinsden bij nederlagen eerder terug. De vijandigheid tegen de bolsjewieken laaide in het garnizoen van Petrograd hoog op. “Na de nederlaag,” vertelt de vroegere soldaat Mitrevitsj, “ga ik niet terug naar mijn compagnie, want ik zou daar wel eens doodgeslagen kunnen worden zolang de storm niet geluwd is.” Juist in de meest revolutionaire regimenten die in de Julidagen voorop gegaan waren en daarom het meest te lijden gehad hadden, daalde de invloed van de partij zozeer dat het daar zelfs na drie maanden nog niet mogelijk was de organisatie weer op te bouwen: deze troepenafdelingen verbrokkelden als het ware moreel onder invloed van de al te krachtige stoot. “Na de Julinederlaag,” schrijft bovengenoemde Minitsjev, “waren niet alleen kameraden die tot de meest vooraanstaanden in onze partij behoorden, maar ook enkele districtscomités, erg onvriendelijk tegenover de Militaire Organisatie gestemd.”

In Kronstadt verloor de partij tweehonderdvijftig leden. De stemming in het garnizoen van de bolsjewistische vesting was erg gedaald. De reactie maakte zich ook meester van Helsingfors. Avksentjev, Boenakov en de advocaat Sokolov kwamen daar aan om de bolsjewistische schepen te bekeren. Zij hadden enig succes. Het lukte door arrestaties van leidende bolsjewieken, door gebruikmaking van de van hogerhand verspreide laster en met dreigementen een verklaring van trouw, zelfs van de bolsjewistische pantserkruiser “Petropavlovsk”, los te krijgen. Alle schepen wezen echter de eis om de aanstichters uit te leveren af.

In Moskou was de gang van zaken niet veel anders. “De ophitsing in de burgerlijke pers,” schrijft Pjatnetzki, “bracht een panische schrik bij enkele leden van het Moskouse comité teweeg.” Het ledental van de organisatie nam na de Julidagen af. “Nooit zal ik,” schrijft de Moskouse arbeider Ratechin, “dat hachelijk ogenblik vergeten. Het plenum (van de sovjet van het district Samoskvorez) komt bijeen… Ik kijk om mij heen en zie dat er maar weinig van onze bolsjewistische kameraden aanwezig zijn… Steklov, een van de energieke kameraden, komt vlak naast mij staan en vraagt stamelend of het waar is dat Lenin en Zinovjev in een verzegelde wagon hierheen gebracht zijn en of het waar is dat zij voor Duits geld…? Mijn hart krimpt van droefnis bij het horen van deze vragen. Een andere kameraad treedt op ons toe, Konstantinov: “Waar is Lenin? Men zegt, dat hij gevlogen is… Wat zal er nu gebeuren? Enzovoorts.” Deze levendige beschrijving doet ons goed zien wat de radicale arbeiders in die dagen doormaakten. “Het verschijnen van de door Alexinski gepubliceerde documenten,” schrijft de Moskouse artillerist Davydvski, “bracht een ontzaglijke verwarring in de brigade teweeg. Zelfs onze batterij, die de meest bolsjewistische was, begon onder invloed van de laffe leugen te wankelen… Het was alsof wij het vertrouwen volkomen verloren hadden.”

“Na de Julidagen,” schrijft W. Jakovleva, die toentertijd lid van het Centraal Comité was en het werk van het grote district Moskou leidde, “werd er in alle rapporten uit de provincie de nadruk niet alleen op de sterke daling van de stemming onder de massa’s, maar zelfs op een zekere vijandigheid onder deze tegenover onze partij gelegd. Het kwam meermalen voor dat onze sprekers afgeranseld werden. Het ledental nam sterk af en sommige organisaties, vooral in de zuidelijke gouvernementen, hielden geheel op te bestaan.” Tegen midden augustus was er nog geen noemenswaardige verandering. Men werkt onder de massa’s om de invloed te behouden, maar een groei van de organisatie is niet te bespeuren. In de gouvernementen Rjasan en Tambov lukte het niet, nieuwe verbindingen te krijgen, er ontstaan geen bolsjewistische cellen en in het algemeen blijven de sociaal-revolutionairen en mensjewieken er heer en meester.

Jewreïnow, die in het proletarische Kinesjma werkte, herinnert zich hoe moeilijk de toestand na de Julidagen werd toen in een druk bezochte vergadering van alle openbare instellingen de kwestie van een uitsluiting van de bolsjewieken uit de sovjet aan de orde gesteld werd. De uittocht uit de partij nam van tijd tot tijd zo’n omvang aan dat de organisatie pas weer gewoon kon gaan werken nadat er nieuwe leden waren toegetreden. In Toela verloor de organisatie, dankzij de vroegere strenge selectie van leden, geen enkel lid. Maar haar contact met de massa’s werd minder. In Nisjnij Novgorod begon na de onder leiding van de overste Versjovski en de mensjewiek Chintsjoek uitgevoerde strafexpeditie een sterke teruggang: bij de verkiezingen voor de stedelijke Doema wist de partij slechts vier afgevaardigden gekozen te krijgen. In Kaloega hield de bolsjewistische fractie rekening met de mogelijkheid dat zij uit de sovjet uitgesloten zou worden. Op sommige punten van het district Moskou waren de bolsjewieken genoodzaakt om niet alleen uit de sovjets maar ook uit de vakverenigingen te treden.

In Saratov, waar de bolsjewieken zeer vriendschappelijke betrekkingen met de verzoeningsgezinden onderhielden en einde juni nog van plan geweest waren om bij de verkiezingen voor de stedelijke Doema gemeenschappelijke lijsten in te dienen, waren de soldaten na de Julistorm zo tegen de bolsjewieken opgehitst dat zij in verkiezingsvergaderingen binnendrongen, de bolsjewistische vlugschriften uit handen rukten en de propagandisten afranselden. “Het werd moeilijk voor ons,” schrijft Lebedjev, “om in verkiezingsvergaderingen op te treden. Meermalen schreeuwde men tegen ons: Duitse spionnen, provocateurs! Veel Saratovse bolsjewieken waren moedeloos: velen bedankten als lid, anderen hielden zich op de achtergrond.”

In Kiev, dat van oudsher de reputatie van een Zwarte Honderd-centrum had, nam de hetze tegen de bolsjewieken buitengewoon heftige vormen aan en strekte zij zich spoedig ook over de mensjewieken en sociaal-revolutionairen uit. De teruggang van de revolutionaire beweging was hier zeer sterk merkbaar: bij de verkiezingen voor de stadsdoema kregen de bolsjewieken in het geheel slechts zes procent van de stemmen. In de stedelijke conferenties klaagden de rapporteurs erover dat er overal apathie en passiviteit te bespeuren was. Men zag zich genoodzaakt het partijblad in plaats van dagelijks, wekelijks te laten verschijnen.

De ontbinding en overplaatsing van revolutionaire regimenten moesten op zichzelf reeds niet alleen het politieke peil van de garnizoenen doen dalen, maar ook ontmoedigend op de arbeiders ter plaatse werken, die zich veiliger voelden wanneer er bevriende troepen achter hen stonden. Zo bracht de overplaatsing van het 57ste regiment uit Tver een grote verandering in de politieke situatie, zowel onder de soldaten alsook onder de arbeiders, teweeg: zelfs in de vakverenigingen werd de invloed van de bolsjewieken gering. In nog meerdere mate bleek dit in Tiflis waar de mensjewieken hand in hand met de generale staf de bolsjewistische troepenafdelingen door volkomen neutrale regimenten vervingen.

De politieke reactie nam op sommige punten, al naargelang de samenstelling van het garnizoen, het peil van de arbeiders en andere toevallige omstandigheden, paradoxale vormen aan. Zo werden in Jaroslawl in juli de bolsjewieken bijna geheel uit de sovjet van arbeiders verdrongen, terwijl zij in de sovjets van de soldatenafgevaardigden een dominerende invloed behielden. Op sommige punten lieten de Juligebeurtenissen inderdaad bijna geen sporen achter en remden zij de groei van de partij niet. Voor zover dit te beoordelen is, was dit het geval daar waar de algemene terugtocht samenviel met het optreden van nieuwe, meer achterlijke groepen op het revolutionair toneel. Zo kon men in sommige textieldistricten in juli een grote toevloed van arbeidsters tot de organisatie waarnemen. Dit doet echter niet af aan het feit dat er in het algemeen van een teruggang sprake was.

De onmiskenbare, ja zelfs overdreven, scherpe reactie op deze gedeeltelijke nederlaag was in zekere zin een tol die de arbeiders en vooral de soldaten moesten betalen voor hun al te gemakkelijk, al te snel, al te onophoudelijk toetreden tot de bolsjewieken in de afgelopen maanden. De opmerkelijke ommekeer in de stemmingen onder de massa’s bracht vanzelf en op doeltreffende wijze een selectie in de partijleiding teweeg. Op diegenen die in deze dagen niet getwijfeld hadden, kon men zich ook verder verlaten. Zij vormden de kern in de werkplaatsen, de bedrijven en de wijken. Aan de vooravond van de Oktoberrevolutie keken de organisatoren bij benoemingen en opdrachten meer dan eens om zich heen, zich afvragend hoe de persoon in kwestie zich in de Julidagen gehouden had.

Aan het front waar de verhoudingen meer openlijk zijn, kreeg de Julireactie een buitengewoon heftig karakter. Het hoofdkwartier maakte van de gebeurtenissen in de eerste plaats gebruik om afzonderlijke troepen van “de plicht tegenover het vrije vaderland” te vormen. Bij elk regiment werden eigen stormtroepen georganiseerd. “Ik heb de soldaten van de stormtroepen meer dan eens gezien,” vertelt Denikin, – “zij waren altijd in gedachten verzonken en somber. In de regimenten stond men terughoudend of zelfs vijandig tegenover hen.” De soldaten zagen in de “troepen van de plicht” niet ten onrechte cellen van een pretorianengarde. “De reactie zat niet stil,” zo rapporteerde de sociaal-revolutionair Degtjarjew, die zich later bij de bolsjewieken aansloot, over het Roemeense front. Talrijke soldaten werden als deserteurs gearresteerd. De officieren staken het hoofd op en begonnen de legercomités minachtend te behandelen, terwijl hier en daar de officieren zelfs probeerden om het brengen van eerbewijzen weer in te voeren. De commissarissen zuiverden het leger. “Bijna elke divisie had,” schrijft Stankevitsj, “haar eigen bolsjewiek die bij het leger meer bekend was dan de divisiechef zelf. Geleidelijk verwijderden wij de ene beroemdheid na de andere.” Tegelijkertijd werden aan het gehele front ongehoorzame troepenafdelingen ontwapend. De officieren en commissarissen steunden daarbij op de Kozakken en op de bij de soldaten gehate afzonderlijke commando’s.

Op de dag waarop Riga viel, besloot een congres van commissarissen van het Noordelijk front en vertegenwoordigers van legerorganisaties, dat het noodzakelijk was meer stelselmatig strengere represaillemaatregelen toe te passen. Er hadden fusilleringen plaats op grond van verbroedering met de Duitsers. Vele commissarissen deden, onder invloed van verwarde voorstellingen uit de Franse Revolutie, hun best om een ijzeren vuist te tonen. Zij begrepen niet dat de jacobijnse commissarissen op de volksmassa’s steunden, de aristocraten en de bourgeois niet spaarden en dat slechts hun plebejische strengheid hun gezag verschafte en het hen mogelijk maakte een strenge discipline in het leger te handhaven. De commissarissen van Kerenski hadden geen steun in het volk, geen moreel aureool om zich. Zij waren in de ogen van de soldaten slechts agenten van de bourgeoisie en slavendrijvers van de Entente. Zij konden een tijdlang het leger intimideren – dit lukte hen inderdaad tot op zekere hoogte – maar zij waren niet in staat het tot nieuw leven te wekken.

Begin augustus kwam er in het bureau van het Uitvoerend Comité in Petrograd een rapport binnen, volgens hetwelk er een gunstige verandering in de stemming van het leger ingetreden was. Er hadden oefeningen plaats; aan de andere kant was er echter een grotere rechteloosheid, willekeur en druk te bespeuren. Buitengewoon acuut werd de kwestie van de officieren: “Deze zijn volkomen geïsoleerd en vormen eigen, afgesloten organisaties.” Ook in andere mededelingen wordt bevestigd dat er uiterlijk aan het front meer orde gekomen was en dat de soldaten hadden opgehouden te muiten om elke onbetekenende en toevallige aanleiding. Hun ontevredenheid met de gehele toestand als zodanig werd echter des te groter. In de voorzichtige en diplomatieke rede die de mensjewiek Koetsjin in de Landelijke Vergadering hield, kon men achter de kalmerende woorden angstvallige bezorgdheid horen. “Er heeft ongetwijfeld een verandering plaats, ongetwijfeld wordt het kalmer. Maar, burgers, er is ook iets anders. Er is het gevoel van een zekere ontgoocheling en dit gevoel baart ons eveneens buitengewoon veel zorg…” De tijdelijke overwinning over de bolsjewieken was allereerst een overwinning over de nieuwe verwachtingen van de soldaten, over hun geloof in een betere toekomst. De massa’s werden voorzichtiger en het leek alsof de tucht verbeterde. Maar de kloof tussen de regeerders en de soldaten werd dieper. Wie of wat zal hij morgen verzwelgen?

De Julireactie vormt als het ware de definitieve scheidingslijn tussen de Februari- en de Oktoberrevolutie. Arbeiders, garnizoenen in het achterland, het front en voor een deel zelfs, naar later blijken zal, de boeren weken terzijde en deinsden terug, als door een slag getroffen. De slag was in werkelijkheid meer een psychische dan een fysieke, maar dit maakte de uitwerking ervan niet minder. In de eerste vier maanden waren alle processen in de massa slechts in één en dezelfde richting gegaan, namelijk naar links. Het bolsjewisme groeide, werd sterker en driester. Nu stuitte de beweging echter op een dam. Het blijkt nu inderdaad dat men op de weg van de Februarirevolutie niet verder kwam. Velen leek het toe dat de revolutie in het algemeen uitgeput was. In werkelijkheid was slechts de Februarirevolutie volkomen uitgeput. Deze innerlijke crisis in het bewustzijn van de massa’s leidde samen met de onderdrukking en de laster tot verwarring en terugtochten die dikwijls in een paniek ontaardden. De tegenstanders werden brutaler. In de massa’s zelf kwam alles wat achterlijk, traag en met de schokken en ontberingen ontevreden was, naar boven. Deze terugrollende golven in de stroom van de revolutie vertoonden een onweerstaanbare kracht: het lijkt alsof zij aan de wetten van de sociale hydrodynamica onderworpen zijn. Het is onmogelijk een dergelijke terugrollende golf tegen te houden – men kan niet anders doen dan tegen haar standhouden, zich niet laten wegspoelen, standhouden totdat de golf van reactie ten einde is, en tegelijkertijd steunpunten voor een nieuw offensief voorbereiden.

Indien men keek naar de afzonderlijke regimenten die op 3 juli onder bolsjewistische leuzen opgetrokken waren en een week later eisten dat de agenten van de keizer streng gestraft zouden worden, dan leek het dat de geciviliseerde sceptici recht hadden om triomferend uit te roepen: Daar zijn nu uw massa’s, daar is nu uw standvastigheid en uw inzicht! Dit is echter een goedkoop scepticisme. Indien werkelijk de gevoelens in de massa’s onder invloed van toevallige omstandigheden zouden wisselen, zou de enorme wetmatigheid die de ontwikkeling van grote revoluties kenmerkt onverklaarbaar zijn. Hoe sterker de miljoenen van het volk gegrepen worden, des te stelselmatiger is de ontwikkeling van een revolutie en met des te meer zekerheid kan men de continuïteit van de volgende fasen voorspellen. Men dient daarbij enkel niet te vergeten dat de politieke ontwikkeling van de massa’s zich niet volgens een rechte lijn, maar langs een ingewikkelde curve voltrekt: dit is immers eigenlijk de loop van alle materiële processen. De arbeiders, soldaten en boeren werden door de objectieve omstandigheden onweerstaanbaar naar de bolsjewieken gedreven. De massa’s sloegen echter deze weg in, vechtend met hun eigen verleden, met hun geloof van gisteren en gedeeltelijk ook nog van vandaag. Op moeilijke keerpunten en in ogenblikken van tegenslag en ontgoocheling komen de oude, nog niet verstikte vooroordelen weer boven, en de tegenstanders grijpen deze natuurlijk als een reddend anker aan.

Alles wat bij de bolsjewieken onbegrijpelijk, ongewoon en raadselachtig was – nieuwe gedachten, vermetelheid, verloochening van alle oude en nieuwe autoriteiten – dit alles werd nu plotseling op een eenvoudige, bij al haar onzinnigheid zelfs nog overtuigende wijze verklaard: Duitse spionnen! Deze tegen de bolsjewieken gerichte beschuldiging was eigenlijk een speculeren op het slaafse verleden van het volk, op de erfenis van onwetendheid, barbarij en bijgeloof, – en deze speculatie was gevaarlijk. De grote patriottische leugen bleef gedurende de maanden juli en augustus een politieke factor van de eerste rang en vergezelde alle vraagstukken van de dag. De golven van laster verspreidden zich overal in het land door middel van de pers van de kadetten, maakten zich meester van de provincie en de randgebieden en drongen door tot in de verste uithoeken. Eind juli eiste de bolsjewistische organisatie te Ivanovo-Voznesensk nog altijd dat er een meer krachtdadige campagne tegen de ophitsing gevoerd zou worden! Het vraagstuk van de eigenlijke betekenis die de laster in de politieke strijd in de tegenwoordige maatschappij heeft, is nog altijd niet sociologisch onderzocht.

En toch was de reactie bij de arbeiders en soldaten weliswaar nerveus en heftig, maar noch diepgaand, noch van lange duur. De radicale bedrijven van Petrograd begonnen zich reeds in de eerste dagen na de nederlaag te herstellen, zij protesteerden tegen de arrestaties en de laster, klopten aan de deuren van het Uitvoerend Comité en herstelden de verbindingen. In de wapenfabriek te Sestrarezk, die bestormd en ontwapend was, namen de arbeiders spoedig weer het roer in handen; in een algemene vergadering op 20 juli werd besloten om aan de arbeiders het loon voor de dagen van de demonstratie geheel tot het aanschaffen van lectuur voor het front te gebruiken. De bolsjewieken in Petrograd hervatten, volgens de verklaring van Olga Ravitsj, ongeveer op 20 juli weer het openlijke propagandawerk. In de vergaderingen die door niet meer dan twee à driehonderd mensen bezocht worden, wordt in de verschillende wijken van de stad gesproken door drie personen: Sloetzki, die later in de Krim door de Witten vermoord werd, Volodarski, die door de sociaal-revolutionairen in Petrograd vermoord werd, en Jewdokimow, een Petrograds metaalarbeider, een van de beste sprekers van de revolutie. In augustus krijgt de propaganda van de partij een grote omvang. Volgens een aantekening van Raskolnikov gaf Trotski, die op 23 juli gearresteerd was, in de gevangenis de volgende beschrijving van de toestand in de stad: “De mensjewieken en sociaal-revolutionairen… gaan voort met hun woeste ophitsing tegen de bolsjewieken. De arrestaties van onze kameraden duren voort. Toch is er geen neerslachtigheid in onze partij. Integendeel, allen zien de toekomst vol hoop tegemoet en zijn van mening dat de represailles de populariteit van de partij slechts kunnen doen toenemen. Ook in de arbeiderswijken is geen moedeloosheid te bespeuren.” Inderdaad, reeds zeer spoedig nam een arbeidersvergadering van zevenentwintig bedrijven van de wijk Peterhof een resolutie aan om te protesteren tegen de onverantwoordelijke regering en haar contrarevolutionaire politiek. De proletarische wijken leefden weer op.

Terwijl men in regeringskringen, in het Winterpaleis en in het Taurisch paleis, een nieuwe coalitie poogde in elkaar te zetten, het daarover eens werd, de coalitie weer verbrak en opnieuw aaneenplakte, had er in diezelfde dagen, ja dezelfde uren, van 21 en 22 juli, in Petrograd een zeer belangrijke gebeurtenis plaats die in de officiële wereld bijna onopgemerkt voorbijging, maar welke de vorming van een andere, meer degelijke coalitie aankondigde, namelijk die van de Petrogradse arbeiders met de soldaten van het actieve leger. Afgevaardigden van het front kwamen in de hoofdstad met protesten van hun troepenafdelingen tegen de wurging van de revolutie aan het front. Vele dagen lang klopten zij vergeefs aan bij het Uitvoerend Comité. Men liet hen niet toe, wees hen af en probeerde hen kwijt te raken. Er kwamen intussen nieuwe afgevaardigden aan, die dezelfde ervaring opdeden. De afgewezenen ontmoetten elkaar in de gangen en wachtkamers, beklaagden zich bij elkaar, scholden en probeerden samen een uitweg te vinden. Zij werden daarbij door de bolsjewieken geholpen. De afgevaardigden besloten overleg te plegen met de arbeiders, soldaten en matrozen in de hoofdstad die hen met open armen ontvingen, onderdak verschaften en verzorgden. Vertegenwoordigers van negenentwintig regimenten van het front, negentig bedrijven van Petrograd, van de matrozen van Kronstadt en de omliggende garnizoenen namen deel aan de bijeenkomst die door niemand van hogerhand bijeengeroepen, maar van onderop gegroeid was. De afgevaardigden van de loopgraven, onder wie ook enkele jongere officieren, vormden het centrum van de bijeenkomst. De Petrogradse arbeiders luisterden aandachtig naar de soldaten van het front, bang om een woord te verliezen. Ze vertelden hoe het offensief en de gevolgen daarvan de revolutie verslonden. Grijze soldaten, die stellig geen propagandisten waren, beschreven in ongekunstelde termen het dagelijks leven aan het front. Deze details maakten een ontzaglijke indruk, want zij lieten duidelijk zien hoe het vóór-revolutionaire en zo gehate verleden weer binnendrong. Het contrast tussen de verwachtingen van gisteren en de werkelijkheid van vandaag maakte op iedereen een even smartelijke indruk. Hoewel de sociaal-revolutionairen ogenschijnlijk de overhand onder de soldaten aan het front hadden, werd toch een scherpe bolsjewistische resolutie met bijna algemene stemmen aangenomen: slechts vier man onthield zich van de stemming. De resolutie die aangenomen werd, zal geen dode letter blijven: eenmaal teruggekeerd zullen de afgevaardigden de waarheid vertellen over hoe zij door de leiders van de verzoeningsgezinden afgewezen werden en hoe zij door de arbeiders opgenomen werden – de soldaten in de loopgraven zullen hun eigen berichtgevers geloven, want die liegen niet.

In het garnizoen van Petrograd zelf begon er op het einde van de maand, vooral na de vergadering met de vertegenwoordigers van het front, een verandering in te treden. Weliswaar ontwaakten de regimenten die het ergst geleden hadden nog altijd niet uit hun apathie. Maar daarentegen steeg in die regimenten die het langst een patriottische houding aangenomen en gedurende de eerste maanden van de revolutie de tucht gehandhaafd hadden, de invloed van de partij zienderogen. Ook de Militaire Organisatie, die zeer onder de slagen geleden had, begon zich te herstellen. Zoals altijd na nederlagen het geval was, keek men in de partij niet erg welwillend naar de leiders van het militaire werk en rekende hen zowel de werkelijk gemaakte alsook de vermeende fouten en overdrijvingen aan. Het Centraal Comité bond de Militaire Organisatie nauwer aan zich, stelde haar door middel van Sverdlov en Dsersjinski meer direct onder controle, en het werk kwam weer op gang, weliswaar langzamer dan vroeger maar zekerder.

Eind juli namen de bolsjewieken in de Petrogradse bedrijven reeds weer hun oude positie in: de arbeiders sloten zich onder de oude vlag aaneen, doch het waren nu andere arbeiders, rijpere, d.w.z. meer voorzichtig, maar ook meer vastberaden. “Wij hebben een reusachtige, bijna onbeperkte invloed in de bedrijven,” deelde Volodarski op 7 juli op de bolsjewistische partijdag mee. “Het partijwerk wordt voornamelijk door de arbeiders zelf verricht… De organisatie is van onderop gegroeid en wij hebben daarom alle reden om te geloven dat zij niet uiteen zal vallen.” De jeugdorganisatie telde in die tijd ongeveer vijftigduizend leden en kwam steeds meer onder bolsjewistische invloed. Op 7 augustus nam de arbeiderssectie van de Sovjet een resolutie betreffende de afschaffing van de doodstraf aan. Als protest tegen de Landelijke Vergadering droegen de Poetilovarbeiders één dag loon aan de arbeiderspers af. Op het congres van de fabriekscomités wordt met algemene stemmen een resolutie aangenomen waarin de Moskouse vergadering “een poging tot organisatie van de contrarevolutionaire krachten” genoemd wordt… Ook Kronstadt herstelde van zijn wonden. Op 20 juli eist een meeting op het Ankerplein dat de macht over zal gaan op de sovjets, dat de Kozakken alsook de gendarmes en politieagenten aan het front verwijderd zullen worden, dat de doodstraf afgeschaft zal worden, dat de afgevaardigden van Kronstadt in Tsarskoje Selo toegelaten zullen worden, om er zich van te overtuigen of Nicolaas II streng genoeg behandeld wordt, dat het bataljon des doods ontbonden zal worden, dat de burgerlijke bladen in beslag genomen zullen worden enzovoorts. Tezelfdertijd gaf de nieuwe admiraal Tyrkov, nadat hij het bevel over de vesting overgenomen had, bevel de rode vlaggen van de oorlogsschepen neer te halen en de Andreasvlaggen te hijsen. De officieren en een deel van de soldaten deden hun schouderstukken weer aan. De matrozen van Kronstadt protesteerden. Een regeringscommissie tot onderzoek naar de gebeurtenissen van 3 tot 5 juli moest onverrichterzake uit Kronstadt naar Petrograd terugkeren: zij was met gefluit, kreten van protest en zelfs dreigementen ontvangen.

Er had een verandering plaats op de gehele vloot. “Eind juli en begin augustus,” schrijft een van de Finse leiders Salesjki, “zag men duidelijk dat het de reactie niet alleen niet gelukt was de revolutionaire krachten van Helsingfors te breken, integendeel – er bleek hier een scherpe ruk naar links en een sterk groeiende sympathie voor de bolsjewieken.” Het waren vooral de matrozen die het initiatief tot de Julidemonstratie genomen hadden, buiten de partij om en deels zelfs tegen de partij die zij van slapheid en bijna van verzoeningsgezindheid verdachten. De ervaring met het gewapend optreden had hen geleerd dat de kwestie van de macht niet zo eenvoudig op te lossen was. De halfanarchistische stemmingen maakten plaats voor vertrouwen in de partij. Het rapport dat een afgevaardigde van Helsingfors eind juli uitbracht, is in dit opzicht buitengewoon interessant: “Op de kleine schepen hebben de sociaal-revolutionairen de grootste invloed, op de grotere oorlogsschepen, de kruisers en pantserkruisers zijn alle matrozen bolsjewieken of sympathiseren zij althans met deze. Zo was (ook vroeger reeds) de stemming onder de matrozen op de “Petropavlovsk” en de “Republiek”, en na 3 tot en met 5 juli zijn ook de “Gangoet”, de “Sebastopol”, de “Rjoerik”, de “Andrej”, de “Perwoswany”, de “Diana”, de “Gromoboj” en de “Indië” naar onze zijde overgegaan. Wij kunnen derhalve over een reusachtige strijdmacht beschikken…” De matrozen hebben uit de gebeurtenissen van 3 tot 5 juli veel geleerd, doordat zij daaruit gezien hebben dat een goede stemming niet alleen voldoende is om het doel te bereiken.

Moskou slaat, al blijft het bij Petrograd achter, toch dezelfde weg in. “Langzamerhand ontwaakt men uit de verdoving,” verhaalt de artillerist Dawydowski, “de soldatenmassa komt tot zichzelf en wij gaan op het gehele front weer tot de aanval over. De leugen die een tijdlang de ontwikkeling van de massa’s naar links remde, heeft daarna de stroom tot ons slechts doen toenemen.” Terwijl men in de knel zat, werd de vriendschap tussen de bedrijven en de kazernes hechter. De Moskouse arbeider Strelkow vertelt van de nauwe betrekkingen die er langzamerhand tussen de fabriek Michelsen en een dichtbij gelegen regiment ontstonden. De arbeiders- en soldatencomités namen meermaals gezamenlijk besluiten inzake praktische kwesties die zich in het dagelijks leven in de fabriek en in het regiment voordeden. De arbeiders organiseerden ontwikkelingsavonden voor de soldaten, kochten bolsjewistische kranten voor hen en kwamen hen in het algemeen op alle mogelijke manieren tegemoet. “Wanneer men iemand laat aantreden,” vertelt Strelkow, “komen zij terstond naar ons toe om zich te beklagen… Wanneer er bij een straatbetoging een Michelsonarbeider ook maar één haar gekrenkt wordt, hoeft maar een soldaat het te vernemen of gehele troepen snellen te hulp.” En krenkingen waren er in die tijd te over, men hitste op met het Duitse geld, met verraad en met de hele verzoeningsgezinde laaghartige leugen.

Het Moskouse congres van de fabriekscomités dat einde juli gehouden werd, begon gematigd, ging echter bij zijn arbeid die acht dagen duurde sterk in linkse richting en nam aan het slot een resolutie aan die kennelijk bolsjewistisch getint was. De Moskouse afgevaardigde Podbielski rapporteerde in die dagen op de partijdag: “Zes van de tien wijksovjets bevinden zich in onze handen… Enkel de arbeidersmassa die standvastig het bolsjewisme blijft steunen, redt ons bij de tegenwoordige systematische ophitsing.” Begin augustus worden er bij de verkiezingen in de Moskouse bedrijven reeds bolsjewieken in plaats van de mensjewieken en sociaal-revolutionairen gekozen. De groeiende invloed van de partij bleek zeer duidelijk bij de algemene staking aan de vooravond van de vergadering. De officiële Moskouse “Izvestia” schreef: “Het wordt tijd dat men eindelijk eens begrijpt dat de bolsjewieken geen onverantwoordelijke groepen zijn, maar een van de afdelingen van de georganiseerde revolutionaire democratie waarachter de grote massa’s staan die wellicht niet altijd even gedisciplineerd, maar daarentegen onvoorwaardelijk trouw aan de revolutie zijn.”

De verzwakking van de posities van de arbeidersklasse in juli gaf de industriëlen moed. Het congres van de dertien voornaamste ondernemersorganisaties, waaronder ook de banken, stelde een comité in ter bescherming van de industrie dat de leiding van de uitsluitingen, alsook in het algemeen van de gehele aanvalspolitiek tegen de revolutie op zich nam. De arbeiders antwoordden met verzet. Een golf van grotere stakingen en andere conflicten rolde door het land. Terwijl de meest ervaren groepen van de arbeidersklasse voorzichtigheid nastreefden, traden de nieuwe en frisse groepen des te stoutmoediger in de strijd. Terwijl de metaalarbeiders een afwachtende houding aannemen om zich beter voor te bereiden, stormden de arbeiders van de textiel-, de gummi-, de papier- en de lederindustrie het slagveld op. De meest achterlijke en slaafse groepen arbeiders kwamen in beweging. Kiev werd verontrust door een heftige staking van de huisknechten en portiers: zij gingen van huis tot huis, doofden de lichten uit, namen de sleutels van de liften weg, openden de deuren, … Elk conflict, wat ook de aanleiding ervan was, had de neiging om zich uit te breiden over een gehele tak van industrie en een principieel karakter aan te nemen. De leerarbeiders van Moskou begonnen in augustus met ondersteuning van de arbeiders uit het gehele land een langdurige en hardnekkige strijd om het recht van de fabriekscomités, om arbeiders aan te stellen en te ontslaan. In vele gevallen, vooral in de provincie, kregen de stakingen een dramatisch karakter en leidden zij tot arrestaties van de ondernemers door de stakers. De regering predikte de arbeiders gelatenheid, ging een coalitie met de industriëlen aan, zond Kozakken naar het Donetzgebied en verdubbelde de prijzen voor brood en oorlogsleveringen. Terwijl deze politiek de verontwaardiging onder de arbeiders tot het uiterste deed toenemen, leverde zij tevens de ondernemers niets op. “Skobeljews opluchting,” jammert Auerbach, een van de leiders van de zware industrie, “heeft nog geen opluchting onder de commissarissen in de provincie gebracht… In het ministerie… vertrouwde men de eigen agenten in de provincie niet… Men liet arbeidersvertegenwoordigers naar Petrograd komen, sprak hen in het Marmeren Paleis toe, schold hen uit en trachtte tussen hen en de industriëlen en ingenieurs een verzoening tot stand te brengen.” Dit alles leidde echter tot niets: de arbeidersmassa’s kwamen in die tijd reeds meer en meer onder de invloed van leiders die meer vastberaden en minder scrupuleus als demagoog waren.

Economisch defaitisme was het voornaamste wapen van de ondernemers tegen de dubbele heerschappij in de bedrijven. Op een conferentie van de fabriekscomités die in de eerste helft van augustus gehouden werd, kwam de gehele op desorganisatie en stopzetting van de productie gerichte destructiepolitiek van de industriëlen aan het licht. Behalve van financiële machinaties maakte men op grote schaal gebruik van het verbergen van materiaal, sluiting van werkplaatsen, reparatie-inrichtingen, … John Reed, die als Amerikaans correspondent toegang had tot de meest verschillende kringen, vertrouwelijke inlichtingen van de diplomatieke vertegenwoordigers van de Entente kreeg en openlijke bekentenissen van de Russische burgerlijke politici moest aanhoren, geeft krasse bewijzen van de sabotage van de ondernemers. “De secretaris van de Petrogradse afdeling van de kadettenpartij,” schrijft Reed, “zei mij dat het economisch verval een onderdeel was van de campagne die gevoerd werd om de revolutie te discrediteren. Een diplomaat van de Entente, wiens naam ik niet mag noemen, bevestigde mij dit zelf. Er zijn mij kolenmijnen in de buurt van Charkow bekend die door de bezitters in brand gestoken of onder water gezet werden. Ik ken Moskouse textielfabrieken waar de ingenieurs het werk staakten en de machines onbruikbaar maakten. Ik ken spoorwegbeambten die door de arbeiders op heterdaad betrapt werden bij het beschadigen van locomotieven.” Zo was de gruwelijke economische werkelijkheid. Zij was geen onderdeel van de illusies van de verzoeningsgezinden, niet van de coalitiepolitiek, maar van de voorbereiding van de opstand door Kornilov.

De heilige alliantie kon zich aan het front evenmin doorzetten als in het achterland. “Arrestaties van enkele bolsjewieken brachten geen oplossing,” jammert Stankevitsj. “De misdadige geest zat in de lucht, maar zij was niet tastbaar, omdat de gehele massa ermee besmet was.” Indien de soldaten meer gereserveerd geworden waren, dan kwam dit slechts doordat zij hun haat tot op zekere hoogte hadden leren bedwingen. Werd het hun echter toch te machtig, dan kwamen hun werkelijke gevoelens des te krasser tot uiting. Een compagnie van het Doebenskiregiment, die op grond van haar weigering om een nieuw benoemde compagniescommandant te erkennen, ontbonden zou worden, bracht nog enkele compagnieën en tenslotte het gehele regiment tot muiten, en toen de regimentscommandant poogde de orde met wapengeweld te herstellen, werd hij met geweerkolven doodgeslagen. Dit had plaats op 31 juli. Ook al kwam het in de andere regimenten niet zo ver, dan kon het naar de mening van de officieren toch ieder ogenblik daartoe komen.

Midden augustus rapporteerde generaal Sjtsjerbatsjev aan het hoofdkwartier: “De stemming onder de infanterietroepen is, met uitzondering van de bataljons des doods, volkomen onzeker – dikwijls verandert zij binnen enkele dagen bij enkele infanterietroepen in lijnrecht tegenovergestelde zin.” Vele commissarissen begonnen in te zien dat er met de methoden van juli geen succes te bereiken was. “De instelling van revolutionaire krijgsraden aan het westelijk front,” meldde de commissaris Jamandt op 22 augustus, “brengt in de praktijk een grote onenigheid tussen de legerleiding en de massa van de bevolking teweeg en brengt deze krijgsraden zelf in diskrediet.” Het Kornilovse programma tot redding was reeds vóór de opstand van het hoofdkwartier voldoende beproefd en had tot een zelfde mislukking geleid.

De bezittende klassen waren voor niets zo beducht als voor symptomen van ontbinding onder de Kozakken: daar dreigde hun laatste lijfwacht ineen te storten. Kozakkenregimenten hadden in februari in Petrograd de monarchie zonder ook maar enige tegenstand uitgeleverd. Weliswaar hadden de Kozakkenautoriteiten bij zich thuis, in Novotsjerkassk, getracht het telegrafische bericht van de omwenteling achter te houden en op 1 maart met de gebruikelijke plechtigheid de mis voor Alexander II gehouden. De Kozakken waren, als het er op aan kwam, bereid het zonder tsaar te stellen en ontdekten zelfs republikeinse tradities in hun verleden. Maar verder wilden zij in geen geval gaan. De Kozakken hadden van meet af aan geweigerd afgevaardigden naar de Sovjet van Petrograd te zenden, om zich niet bij de arbeiders en soldaten aan te sluiten en een sovjet van de Kozakkenlegers gevormd die alle twaalf Kozakkenlegers in de persoon van hun leiders in het achterland omvatte. De bourgeoisie wilde op de Kozakken steunen tegen de arbeiders en boeren en ze slaagde daar ook gedeeltelijk in.

De politieke rol die de Kozakken speelden, werd bepaald door de bijzondere positie die zij in de staat innamen. De Kozakken vormden van oudsher een bijzondere geprivilegieerde lagere stand. De Kozakken betaalden generlei belasting en hadden de beschikking over een veel groter deel van de grond dan de boeren. In de bij elkaar gelegen districten Don, Koeban en Terek, had een bevolking van drie miljoen Kozakken drieëntwintig miljoen desjatinen land in handen. Terwijl er op 4,3 miljoen zielen van de boerenbevolking van diezelfde districten slechts zes miljoen desjatinen kwamen: per hoofd bij de Kozakken gemiddeld vijf maal meer dan bij de boeren. Onder de Kozakken zelf was de grond natuurlijk buitengewoon ongelijkmatig verdeeld. Er waren hier grootgrondbezitters en koelakken, machtiger dan in het noorden; er waren ook arme boeren. Iedere Kozak was verplicht om op de eerste oproep van de staat met zijn eigen paard en eigen uitrusting te verschijnen. Voor de rijke Kozakken werden deze uitgaven rijkelijk goed gemaakt door de belastingvrijheid. De lagere klassen gingen gebukt onder het juk van de Kozakkenplichten. Deze voornaamste gegevens werpen een voldoende licht op de tegenstellingen onder de Kozakken. De lagere groepen stonden dicht bij de boeren, de hogere bij de grootgrondbezitters. Tegelijkertijd werden hogere en lagere groepen verenigd door het besef van hun bijzondere positie en hun uitverkoren zijn, en zij waren gewoon om niet alleen op de arbeiders maar ook op de boeren uit de hoogte neer te zien. Dit was het juist wat de doorsnee Kozak zo geschikt maakte voor de rol van strafvoltrekker.

Tijdens de oorlogsjaren, toen de jongere generaties aan het front waren, hadden in de Kozakkendorpen de ouden, de dragers van conservatieve tradities die nauw verbonden waren met hun officieren, het heft in handen. Onder het mom van de weer herleefde Kozakkendemocratie vormden de Kozakkengrootgrondbezitters in de eerste maanden van de revolutie de zogenaamde legerbonden, die de Hetman, een soort president, en de “legerregeringen” moesten kiezen. De officiële commissarissen en sovjets van de niet-Kozakse bevolking hadden in de Kozakkendistricten generlei macht, want de Kozakken waren sterker, rijker en beter gewapend. De sociaal-revolutionairen trachtten gemeenschappelijke sovjets uit boeren- en Kozakkenafgevaardigden te vormen. Maar de Kozakken toonden zich hiertoe niet bereid aangezien zij niet ten onrechte bang waren dat de agrarische revolutie hen een deel van de grond zou ontnemen. Niet toevallig liet Tsjernov zich in zijn hoedanigheid van minister van landbouw ontvallen: “De Kozakken zullen zich een beetje moeten samendringen op hun grond.” Belangrijker was nog dat de boeren en de soldaten in de infanterieregimenten steeds vaker tot de soldaten zeiden: “Wij zullen uw grond wel weten te krijgen: het moet uit zijn met uw heerschappij.” Zo zag het er in het achterland, in de Kozakkendorpen, en in zekere zin ook in het garnizoen van Petrograd, het politieke centrum, uit. Hierdoor wordt ook het optreden van de Kozakkenregimenten bij de Julidemonstratie verklaard.

Aan het front was de toestand geheel anders. In totaal waren er in de zomer van 1917 honderdtweeënzestig regimenten en honderdeenenzeventig compagnieën bij de actieve Kozakkenlegers. Uit hun dorpen weggerukt, deelden de front-Kozakken de ellende van de oorlog met het gehele leger en maakten ze, hoewel veel langzamer, de evolutie van de infanterie door. Ze verloren hun geloof aan de overwinning, werden verbitterd door de chaos, morden tegen hun superieuren en snakten vol verlangen naar vrede en naar huis. Langzamerhand werden vijfenveertig regimenten en ongeveer vijfenzestig compagnieën uit het leger gevormd tot het verrichten van politiediensten aan het front en in het achterland. De Kozakken werden weer gendarmes. De soldaten, boeren en arbeiders ketterden tegen hen en herinnerden hen aan hun beulenwerk in het jaar 1905. Vele Kozakken die trots waren gaan worden op hun houding in februari, begonnen zich onbehagelijk te voelen. De Kozak begon zijn nagaika te vervloeken en weigerde meermaals om deze nog langer te dragen. Er waren weinig deserteurs onder de Don- en Koebankozakken; zij waren bang voor hun ouden in de dorpen. De superieuren konden in het algemeen de Kozakkentroepen veel langer in de hand houden dan de infanterie.

Van de Don en van Koeban kwamen er berichten aan het front dat de Kozakkenleiders samen met de ouden hun eigen regering gevormd hadden zonder eerst overleg te plegen met de Kozakken aan het front. Hierdoor werd de sluimerende sociale tegenstelling gewekt: “Als wij naar huis komen, zullen we het hen eens aan hun verstand brengen,” zeiden de frontsoldaten meer dan eens. De Kozakkengeneraal Krassnow, een van de leiders van de Donse contrarevolutie, beschrijft levendig hoe de hechte Kozakkentroepen aan het front uiteenvielen: “Men begon meetings te houden en de meest krasse resoluties werden aangenomen… De Kozakken hielden ermee op de paarden te verzorgen en geregeld te voederen. Aan het houden van oefeningen viel in het geheel niet te denken. De Kozakken tooiden zich met paarse sjaals, deden rode banden om en wilden van gehoorzaamheid aan de officieren niets weten.” De Kozak had echter lang geaarzeld, zich op het hoofd gekrabd en gezocht in welke richting hij zich kon wenden, voordat hij definitief hiertoe gekomen was. Het was daarom niet gemakkelijk om op het kritieke moment te voorspellen hoe deze of gene Kozakkentroep zich zou gedragen.

Op 8 augustus sloot de bond van legers aan de Don een bondgenootschap met de kadetten voor de verkiezingen voor de Constituerende Vergadering. Het nieuws daarvan drong terstond door in het leger. “Het bondgenootschap werd,” schrijft de Kozakkenofficier Janov, “bij de Kozakken ongunstig ontvangen. De kadettenpartij wortelde niet in het leger.” Inderdaad haatte het leger de kadetten en identificeerde hen met al wat de volksmassa’s onderdrukte. “De ouden hebben u aan de kadetten verkocht,” hoonden de soldaten. – “Wij zullen het hun aan hun verstand brengen!” Zo antwoordden de Kozakken. Kozakkentroepen aan het Westfront kenschetsten in een bijzondere verklaring de kadetten als “de gezworen vijanden en onderdrukkers van het arbeidende volk” en verlangden dat diegenen die het gewaagd hadden het bondgenootschap met de kadetten aan te gaan allemaal uit de legerbond zouden worden uitgesloten.

Kornilov, die zelf een Kozak was, rekende vast op de hulp van de Kozakken, vooral van de Donkozakken, en deed de voor de omwenteling bestemde troepenmacht voor een groot deel uit Kozakken bestaan. De Kozakken deden echter niets om “de boerenzoon” te hulp te komen. De Dorpskozakken waren bereid om thuis hun land hardnekkig te verdedigen, maar ze hadden geen zin om aan vreemde vechtpartijen deel te nemen. Ook het derde cavaleriekorps stelde de verwachtingen teleur. Terwijl de Kozakken vijandig tegenover de verbroedering met de Duitsers stonden, kwamen zij aan het Petrogradse front de soldaten en matrozen bereidwillig tegemoet: deze verbroedering deed het plan van Kornilov zonder bloedvergieten mislukken. Zo verzwakte en barstte de laatste steunpilaar van het oude Rusland, de Kozakken.

Intussen werd ver buiten de grenzen van het land, op Frans grondgebied, een “grootscheepse poging tot vernieuwing” van de Russische troepen, die buiten de invloedsfeer van de bolsjewieken lag en daarom te meer sprekend was, gedaan. In de zomer en de herfst drongen er in de Russische pers berichten van een onder de Russische troepen in Frankrijk ontbrande gewapende muiterij door, maar in de roes van de gebeurtenissen was er hier vrijwel geen aandacht voor. De soldaten van twee Russische brigades in Frankrijk zouden, volgens de officier Lissowski, reeds tegen januari 1917, vóór de revolutie dus, “tot de vaste overtuiging gekomen zijn dat zij allemaal in ruil voor munitie aan de Fransen verkocht waren.” De soldaten hadden dit nog niet zo verkeerd. Voor hun gastheren van de Entente hadden zij “niet de minste sympathie,” in hun officieren niet het minste vertrouwen. Het nieuws van de revolutie trof de brigade in het buitenland politiek niet geheel onvoorbereid – maar toch onverwacht. Nadere inlichtingen over de revolutie waren er van de officieren niet te verwachten: de verwarring bleek groter naarmate de officieren hoger in rang waren. Democratische patriotten doken uit de emigratie in de kampen op. “Meer dan eens,” schrijft Lissowski, “zag men hoe sommige diplomaten en officieren van de garderegimenten – ijverig stoelen lieten aanrukken voor vroegere emigranten.” Er werden bij de regimenten gekozen lichamen gevormd, waarbij spoedig een Lets soldaat de hoofdrol speelde als leider van het comité. Ook hier was derhalve de “vreemdeling” te vinden. Het eerste regiment dat in Moskou gevormd was en bijna geheel uit arbeiders, handelsbedienden en kantoorbedienden, in het algemeen uit proletarische en halfproletarische elementen samengesteld was, had een jaar geleden het eerst Frankrijk betreden en gedurende de winter dapper gevochten op de slagvelden in de Champagnestreek. Maar – de “slopende ziekte maakte zich het eerst juist van dit regiment meester.” Het tweede regiment met een veel groter percentage boeren bleef langer rustig. De tweede brigade, die bijna geheel uit Siberische boeren bestond, leek absoluut betrouwbaar. Reeds spoedig na de Februarirevolutie weigerde de eerste brigade gehoorzaamheid. Zij wilde noch om de Elzas, noch om Lotharingen vechten. Zij wilde niet voor het schone Frankrijk sterven. Zij wilde proberen in het nieuwe Rusland te leven. De brigade werd teruggevoerd naar het achterland en ondergebracht in het centrum van Frankrijk, in het kamp van La Courtine. “Temidden van de rustige villadorpen van de bourgeoisie,” vertelt Lissowski, “begon er in het reusachtige kamp een zeer ongewoon leven van de ongeveer tienduizend oproerige, gewapende Russische soldaten die geen officieren boven zich hadden en zich absoluut aan niemand wilden onderwerpen.” Kornilov kreeg de zeldzame gelegenheid om zijn tuchtigingsmethoden met behulp van Poincaré en Ribot, die sterk met hem sympathiseerden, toe te passen. De opperbevelhebber gaf telegrafisch bevel om de soldaten van La Courtine “tot gehoorzaamheid” te dwingen en hen naar Saloniki over te brengen. De muiters wilden zich echter niet overgeven. Op 1 september werd zware artillerie aangevoerd en in het kamp werden plakkaten met het barse telegram van Kornilov aangeplakt. Nu deed zich echter een nieuwe complicatie voor: in de Franse pers verscheen het bericht dat Kornilov zelf tot verrader en contrarevolutionair verklaard was. De muitende soldaten kwamen nu definitief tot de conclusie, dat er voor hen geen reden bestond om in Saloniki te sterven en dat nog wel op bevel van een verraderlijke generaal. De in ruil voor munitie verkochte arbeiders en boeren besloten stand te houden. Zij weigerden om met een vreemde, wie het ook zijn mocht, te spreken. Geen enkele soldaat verliet het kamp. De tweede Russische brigade werd tegen de eerste gezonden. Artillerie werd in stelling gebracht op de naburige berghellingen en de infanterie groef volgens de regels van de pionierskunst loopgraven en toegangswegen naar La Courtine. De omgeving werd door Alpenjagers hermetisch afgesloten opdat geen Fransman op het slagveld van de twee Russische brigades kon doordringen. Zo ensceneerden de militaire autoriteiten van Frankrijk op Frans grondgebied een Russische burgeroorlog die zij angstvallig met een haag van bajonetten afsloten. Dit was de generale repetitie. Daarna organiseerde het heersende Frankrijk de burgeroorlog op Ruslands grondgebied zelf dat met een prikkeldraadversperring geblokkeerd werd.

“Men begon het kamp regelrecht en stelselmatig te beschieten.” Enkele honderden soldaten traden uit het kamp naar buiten, bereid om zich over te geven. Zij werden weggeleid en het artillerievuur werd direct weer hervat. Zo ging het vier dagen en vier nachten lang. De soldaten van La Courtine gaven zich bij groepjes over. Op 6 september waren er in totaal nog slechts tweehonderd man overgebleven, vastbesloten om zich niet levend over te geven. Aan hun hoofd stond de Oekraïner Globa, een baptist en fanaticus: in Rusland zou men hem bolsjewiek genoemd hebben. Onder dekking van geschut, machinegeweer en geweervuur, dat tot één groot rumoer versmolt, begon een regelrechte bestorming. Tenslotte waren de muiters onderdrukt. Het aantal slachtoffers is nooit bekend geworden. De orde was weer hersteld. Reeds na enkele weken werd echter de tweede brigade die op de eerste gevuurd had door dezelfde ziekte aangegrepen…

De Russische soldaten hadden de verschrikkelijke besmettelijke ziekte over zee meegebracht in hun ransels, in de plooien van hun mantels, in het diepst van hun ziel. De gebeurtenis van La Courtine is daarom zo merkwaardig, omdat zij een als het ware opzettelijk in een luchtledig geschapen ideale gelegenheid biedt om de door het gehele verleden van het land voorbereide innerlijke processen in het Russische leger te bestuderen.

Print Friendly, PDF & Email