De inname van het Winterpaleis

Kerenski ontving Stankevitsj, die van het front aangekomen was om rapport uit te brengen, in een opgewekte stemming: hij keerde juist uit de Raad van de Republiek terug waar hij de bolsjewistische opstand ontmaskerd had. “De opstand?” – “ Ja, weet je dan niet dat wij een gewapende opstand hebben?” Stankevitsj lachte: de straten zijn immers volkomen rustig. Hoe kan een echte opstand er nu zo uitzien? In elk geval moest men nu eens een einde aan die eeuwige onrust maken. Hiermee is Kerenski het volkomen eens: hij wachtte slechts op de resolutie van het Voorlopig Parlement.

Om 9 uur ’s avonds kwam de regering in de Malachietzaal van het Winterpaleis bijeen om plannen te beramen voor een “krachtige en definitieve liquidatie van het bolsjewisme.” Stankevitsj, die om de zaak te bespoedigen naar het Mariinskipaleis gezonden was, berichtte vol verontwaardiging over de zojuist aangenomen motie die er in zeker opzicht één van wantrouwen was. Zelfs de bestrijding van de opstand zou volgens de resolutie van het Voorlopig Parlement niet tot de taak van de regering, maar tot die van een afzonderlijk comité tot redding van de staat behoren. Kerenski verklaarde opgewonden dat hij onder dergelijke omstandigheden “geen minuut langer aan het hoofd van de regering wilde blijven.” De verzoeningsgezinde leiders werden terstond telefonisch naar het paleis geroepen. Zij waren door de mogelijkheid van een aftreden van Kerenski niet minder verrast dan Kerenski door hun resolutie. Avksentsjev poogde zich te rechtvaardigen: zij hadden de resolutie immers als “zuiver theoretisch en toevallig opgevat en er niet aan gedacht dat deze praktische gevolgen zou kunnen hebben.” Ja, zij zagen nu zelf wel in, dat de resolutie “wellicht niet zo erg gelukkig geredigeerd was.” Deze lieden lieten geen gelegenheid voorbijgaan om te tonen wat zij waard waren.

Het nachtelijk onderhoud van de democratische leiders met het hoofd van de staat lijkt volkomen ongeloofwaardig, indien men op de zich ontplooiende opstand let. Dan, die een van de voornaamste doodgravers van het Februaribewind was, verlangt dat de regering terstond, nog in diezelfde nacht, plakkaten in de stad zou laten aanplakken met de mededeling dat zij van de bondgenoten geëist had vredesonderhandelingen te beginnen. Kerenski antwoordt dat de regering dergelijke raadgevingen niet nodig heeft. Men kon er inderdaad van verzekerd zijn dat hij aan een sterke divisie de voorkeur gegeven zou hebben. Deze kon Dan echter niet verschaffen. Kerenski doet natuurlijk zijn best om de verantwoordelijkheid voor de opstand op zijn tegenpartij bij de onderhandelingen te schuiven. Dan antwoordt dat de regering de betekenis van de gebeurtenissen onder invloed van haar “reactionaire staf” overdreef. Men behoefde in elk geval nog geenszins af te treden: de ongelegen resolutie was noodzakelijk om een verandering in de stemming onder de massa’s teweeg te brengen. De bolsjewieken zullen “morgen reeds” gedwongen zijn om hun staf te ontbinden indien de regering aan de raadgevingen van Dan gehoor geeft. “Juist op dat ogenblik,” voegt Kerenski er met gerechtvaardigde ironie aan toe, “bezette de Rode Garde het ene regeringsgebouw na het andere.”

Het vruchtbaar onderhoud met de linkse vrienden was nog niet afgelopen toen er bij Kerenski vrienden van rechts in de vorm van een delegatie van de sovjet van de Kozakkenlegers verschenen. De officieren deden alsof het van hen afhing hoe de drie in Petrograd liggende Kozakkenregimenten zich zouden gedragen. Ze stelden Kerenski voorwaarden die lijnrecht tegen de voorwaarden van Dan ingingen: geen enkele concessie aan de Sovjets, terwijl er ditmaal definitief met de bolsjewieken afgerekend moest worden, en niet zoals in juli toen er nodeloos slachtoffers onder de Kozakken gevallen waren. Kerenski, die zelf niets liever wilde dan dit, beloofde alles wat zij van hem eisten en verontschuldigde zich tegenover zijn medeonderhandelaars voor het feit dat hij tot nu toe voorzichtigheidshalve Trotski als voorzitter van de Sovjet van de afgevaardigden nog niet gearresteerd had. De gedelegeerden verlieten hem met de verzekering dat de Kozakken hun plicht zouden vervullen. Spoedig vaardigde de staf een bevel aan de Kozakkenregimenten uit: “In naam van de vrijheid, de eer en de roem van het vaderland en tot redding van het ondergaande Rusland moeten het Centraal Uitvoerend Comité en de Voorlopige Regering ondersteund worden.” Deze trotse regering die zo angstvallig over haar onafhankelijkheid tegenover het Centraal Uitvoerend Comité gewaakt had, ziet zich telkens weer genoodzaakt om zich in de ogenblikken van gevaar nederig achter de rug hiervan te verschuilen. Legerorders vol smeekbeden worden ook tot de “jonker”-scholen in Petrograd en omgeving gericht. De spoorwegen hebben aanwijzingen gekregen: “De van het front naar Petrograd komende troepenafdelingen moeten zonder enige bepaalde volgorde, zonodig met stopzetting van het personenverkeer, onverwijld verder vervoerd worden.”

Nadat de regering alles gedaan had wat in haar vermogen was en om twee uur ’s nachts uit elkaar gegaan was, bleef bij Kerenski in het paleis slechts diens zaakgelastigde, de liberale Moskouse koopman Konovalov, achter. De districtscommandant Polkovnikov kwam tot hem met het voorstel om terstond met behulp van de regeringsgetrouwe troepen een expeditie te organiseren om het Smolny te bezetten. Kerenski ging grif op dit prachtig plan in. Er was echter uit de woorden van de commandant absoluut niet op te maken op welke krachten hij dacht te steunen. Nu pas begreep Kerenski, naar hij zelf erkende, dat de rapporten van Polkovnikov van de laatste tien tot twaalf dagen over de volkomen bereidheid van zijn staf tot een strijd tegen de bolsjewieken “elke redelijke grondslag misten.” Alsof Kerenski voor een juiste beoordeling van de politieke en militaire situatie werkelijk geen andere bronnen gehad had dan de rapporten van een middelmatig overste, die, niemand wist waarom, aan het hoofd van het militaire district was komen te staan. Tijdens de sombere overpeinzingen van het hoofd van de regering bracht een commissaris van de gouverneur, Rogovski, een aantal nieuwe berichten: enkele schepen van de Baltische vloot waren volkomen strijdvaardig de Neva opgevaren; sommige van deze hadden voor de Nicolajevskibrug het anker laten vallen en deze bezet; troepen opstandelingen rukten tegen de Slotbrug op. Rogovski vestigde de aandacht van Kerenski vooral op het feit dat “de bolsjewieken hun gehele plan in de meest volkomen orde uitvoerden, zonder ergens op tegenstand van de regeringstroepen te stuiten.” In elk geval blijkt uit het gesprek niet welke troepen als regeringstroepen beschouwd moesten worden. Kerenski en Konovalov snelden uit het paleis naar de staf: “Men had geen minuut te verliezen.” Het indrukwekkende rode gebouw van de staf wemelde van officieren. Deze kwamen hier niet voor aangelegenheden betreffende de troepen, maar om zich voor deze te verbergen. Overal slopen in het gewoel van militairen burgers rond die niemand kende. Het nieuws van Polkovnikov overtuigt Kerenski definitief van de onmogelijkheid om op de commandant en diens officieren te kunnen vertrouwen. Het hoofd van de regering besluit om “iedereen die plichtsgetrouw is” rond zich te verzamelen. Terwijl hij zich herinnert dat hij partijlid is – zoals velen zich pas op hun sterfbed herinneren dat ze lid van een kerk zijn – eist Kerenski telefonisch dat de sociaal-revolutionaire strijdbonden onmiddellijk gezonden zullen worden. Voordat deze plotselinge oproep tot de gewapende krachten van de partij succes kon hebben – nog daargelaten of dit in het algemeen mogelijk was – moest deze volgens Miljoekov “alle meer rechtse elementen die Kerenski vijandig gezind waren afstoten.” Zijn isolement, dat reeds in de dagen van de Kornilovopstand zo duidelijk aan het licht gekomen was, kreeg nu een nog fataler karakter. “Pijnlijk langzaam verstreken zij, die lange uren van deze nacht,” zegt Kerenski opnieuw zoals in augustus. Geen enkele versterking kwam opdagen. De Kozakken beraadslaagden en de vertegenwoordigers van de regimenten zeiden dat men weliswaar – in het algemeen gezegd – een actie kon beginnen, waarom ook niet, maar dat daartoe machinegeweren, pantserauto’s en vooral infanterie nodig waren. Zonder aarzelen beloofde Kerenski hen de pantserwagens die zich juist opmaakten om hem te verlaten, en de infanterie waarover hij niet meer te beschikken had. Hij kreeg ten antwoord dat de regimenten spoedig alles zouden overwegen en “de paarden begonnen te zadelen.” De strijdkrachten van de sociaal-revolutionaire partij gaven geen enkel levensteken. Bestaan zij nog? Waar is in het algemeen de grens tussen schijn en wezen. Het officierenkorps dat in de stad bijeen was, gedroeg zich “steeds uitdagender” tegen de opperbevelhebber en het hoofd van de regering. Kerenski beweert zelfs dat er onder de officieren gesproken werd over de noodzakelijkheid om hem te arresteren. Het gebouw van de staf bleef nog altijd onbeschermd. Er werden officiële onderhandelingen in tegenwoordigheid van vreemden gevoerd, afgewisseld door opgewonden particuliere gesprekken. De stemming van wanhoop en ondergang sloeg van de staf op het Winterpaleis over. De “jonkers” waren zenuwachtig en het commando van de pantserauto’s opgewonden. Bij de massa’s geen hulp en bij de regering een vreselijke radeloosheid. Is onder dergelijke omstandigheden een ondergang niet onvermijdelijk?

Om 5 uur ’s morgens liet Kerenski de leider van het ministerie van oorlog in de staf komen. Generaal Manikovski werd bij de Troïzkibrug door patrouilles aangehouden, naar de kazerne van het Pavlovskiregiment gebracht, maar daar na een kort verhoor vrijgelaten: de generaal had waarschijnlijk ervan weten te overtuigen dat zijn arrestatie tot een ontwrichting van het gehele administratieve apparaat zou kunnen leiden en de soldaten aan het front zou kunnen schaden. Ongeveer tezelfdertijd werd bij het Winterpaleis de auto van Stankevitsj aangehouden, maar ook hij werd door het regimentscomité vrijgelaten. “Het waren opstandelingen,” vertelt de arrestant, “die echter zeer besluiteloos waren. Ik deelde dit telefonisch vanuit mijn huis aan het Winterpaleis mee, maar ontving vandaar de geruststellende verklaring dat er een misverstand in het spel was.” In werkelijkheid berust het op een misverstand dat Stankevitsj vrijgelaten was: enkele uren later poogde hij, naar wij reeds weten, de bolsjewieken uit de telefooncentrale te verdrijven.

Kerenski eiste van het hoofdkwartier te Mohilev en van de staf aan het Noordelijk front te Pskov dat terstond betrouwbare troepen zouden worden afgezonden. Doechonin verzekerde via de directe telegraafverbinding vanuit het hoofdkwartier dat alle maatregelen genomen waren om de troepen tegen Petrograd te laten oprukken en dat sommige troepen daar reeds moesten zijn aangekomen. Zij kwamen echter niet aan. De Kozakken waren nog altijd bezig “de paarden te zadelen.” De toestand in de stad werd elk uur slechter. Toen Kerenski en Konovalov, om op adem te komen, naar het paleis terugkeerden, bracht een koerier het spoedbericht dat alle telefoontoestellen in het paleis afgesneden waren en dat de Slotbrug, vlak voor de ramen van Kerenski, door matrozen bezet was. Het plein voor het Winterpaleis bleef echter nog altijd leeg: “er is geen spoor van Kozakken te bekennen.” Kerenski snelt weer naar de staf. Ook daar is echter slechts treurig nieuws. De “jonkers” waren door de bolsjewieken aangemaand om het paleis te ontruimen en waren zeer opgewonden. Pantserauto’s zouden het strijdtoneel verlaten hebben omdat zij op een zeer ongelegen moment ontdekten dat sommige onmisbare onderdelen “ontbraken”. Nog altijd is er geen bericht van de troepen die gestuurd zouden zijn. De naburige toegangen tot het paleis en de staf liggen volkomen onbeschut: indien de bolsjewieken niet binnendrongen, dan kwam dit slechts doordat zij niet goed van de toestand op de hoogte waren. Het gebouw dat sinds de avond vol met officieren was, liep snel leeg: ieder zocht zijn eigen heil. Er verscheen een delegatie “jonkers”: zij waren bereid hun plicht verder te vervullen “indien er op enkele versterkingen kon gerekend worden.” Versterkingen waren er echter juist niet.

Kerenski ontbood de ministers dringend naar de stad. De meesten van hen hadden geen automobielen ter beschikking: deze gewichtige verkeersmiddelen die een nieuw tempo aan de moderne opstand verlenen, waren óf door de bolsjewieken weggenomen óf door een cordon van opstandelingen van de ministers afgesneden. Alleen Kisjkin kwam en later voegde zich Maljantovitsj bij hen. Wat zal het hoofd van de regering doen? Meteen de troepen tegemoet rijden om met hen alle hinderpalen te overwinnen: niemand weet iets anders te bedenken.

Kerenski beveelt om zijn “schitterende open luxeauto” voor te doen komen. Hier voegt zich echter een nieuwe factor in de reeks van gebeurtenissen, in de vorm van de onverbrekelijke solidariteit waarmee de Ententeregeringen in voor- en tegenspoed met elkaar verbonden zijn. “Het bericht van mijn afreis kwam op een voor mij onverklaarbare wijze ter kennis van de geallieerde gezantschappen.” De vertegenwoordigers van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten gaven direct de wens te kennen dat het uit de hoofdstad vluchtend hoofd van de regering begeleid zou worden door een auto met Amerikaanse vlag. Kerenski zelf oordeelde dit voorstel overbodig en zelfs belemmerend, maar accepteerde het als bewijs van solidariteit van de Geallieerden.

De Amerikaanse gezant David Francis geeft een andere lezing aan de gebeurtenissen, een versie die minder sprookjesachtig klinkt. Een Amerikaanse automobiel zou door de straten tot aan het gezantschap gevolgd zijn door een auto met Russische officieren die eisten dat de auto van het gezantschap beschikbaar gesteld zou worden voor de reis van Kerenski naar het front. Nadat de beambten van het gezantschap overleg gepleegd hadden met elkaar, kwamen zij tot het besluit om zich naar de omstandigheden te schikken, daar de auto feitelijk reeds “onteigend” was – hetgeen absoluut niet waar was. De Russische officier zou ondanks de protesten van de heren diplomaten geweigerd hebben om het Amerikaanse vlaggetje te verwijderen. Dit is ook niet te verwonderen, want alleen dit kleurig lapje bezorgde onschendbaarheid aan de automobiel. Francis keurde de handelwijze van de beambten van het gezantschap goed, maar gaf bevel om daar “met niemand over te spreken.”

Indien men de twee versies, die beide in zekere zin de waarheid behelzen, met elkaar vergelijkt, krijgt men een tamelijk duidelijk beeld: natuurlijk hebben niet de Geallieerden Kerenski de auto opgedrongen, maar heeft hij er zelf om verzocht. Aangezien de diplomaten echter een concessie moesten doen aan de huichelarij dat zij zich niet in binnenlandse aangelegenheden mengden, werd afgesproken dat de auto “onteigend” was en dat het gezantschap tegen het misbruik van de vlag “geprotesteerd” had. Nadat deze delicate aangelegenheid geregeld was, nam Kerenski in zijn eigen wagen plaats; de Amerikaanse volgde als reserve. “Het hoeft niet gezegd te worden,” vertelt Kerenski verder, “dat iedereen op straat, zowel voorbijgangers als soldaten, mij meteen herkenden. Ik groette als altijd, een beetje achteloos en glimlachend.” Een onvergelijkelijk toneel: achteloos en glimlachend – zo ging het Februariregime het dodenrijk binnen. Bij de uitgangen van de stad stonden overal wachtposten en patrouilles gewapende arbeiders. Bij het zien van de voortrazende auto’s stormden de Roodgardisten de straatweg op, maar zij kwamen niet tot schieten. Men vermeed in het algemeen nog te schieten. Misschien weerhield ook het Amerikaanse vlaggetje daarvan. De auto’s joegen veilig en wel voorbij.

“Zijn er dan in Petrograd geen troepen die bereid zijn om de Voorlopige Regering te verdedigen?” vroeg Maljantovitsj, die tot op dat moment in het rijk der eeuwige rechtsnormen geleefd had, verwonderd. – “Ik weet het niet.” Konovalov maakte een afwerend handgebaar. “Dat is vreselijk,” voegde hij er aan toe. – “En wat zijn dat voor troepen die daar komen?” vroeg Maljantovitsj verder. – “Ik geloof een bataljon wielrijders.” De ministers zuchtten. In Petrograd en omgeving telde men tweehonderdduizend soldaten. Het is slecht gesteld met een regime, indien het hoofd van de regering onder bescherming van een Amerikaans vlaggetje een bataljon wielrijders tegemoet moet rijden.

De ministers zouden stellig nog dieper gezucht hebben indien zij geweten hadden dat het 3de bataljon wielrijders dat van het front afgezonden was op het station Peredolska halt maakte en bij de Sovjet van Petrograd telegrafisch informeerde met welk doel het eigenlijk gehaald werd. Het Militair Revolutiecomité bracht het bataljon een broederlijke groet en gaf het de raad terstond gedelegeerden te zenden. De autoriteiten zochten, maar vonden de wielrijders niet. De afgevaardigden van de wielrijders kwamen dezelfde dag in het Smolny aan.

Het Winterpaleis zou volgens het vooraf opgesteld plan in de nacht van 25 oktober samen met alle andere belangrijke posten in de hoofdstad bezet worden. Reeds op 23 oktober werd voor de bezetting van het paleis een afzonderlijk comité van drie gevormd, met Podvojski en Antonov als leidende figuren. Ingenieur Sadovski, die in militaire dienst was, was als derde uitverkoren, maar viel spoedig weg omdat hij door garnizoensaangelegenheden in beslag genomen was. Hij werd vervangen door Tsjoednovski, die in mei samen met Trotski uit het concentratiekamp in Canada aangekomen en als soldaat drie maanden aan het front geweest was. Een zeer groot aandeel aan de operatie nam Lasjevitsj, een oude bolsjewiek die het in het leger tot onderofficier gebracht had. Drie jaar later herinnerde Sadovski zich hoe in zijn klein kamertje in het Smolny Podvojski en Tsjoednovski over de kaart van Petrograd gebogen heftig kibbelden over het beste veldtochtplan tegen het paleis. Eindelijk besloot men de wijk van het Winterpaleis in een dichte ovaal, waarvan de lengteas door de Nevaoever gevormd werd, in te sluiten. Aan de kant van de rivier zou de omsingeling met de Peter-en-Paulsvesting, de “Aurora” en andere schepen, die uit Kronstadt en van de actieve vloot gerekwireerd waren, afgesloten worden. Om eventuele aanvalspogingen van de Kozakken en de “jonkers” in de rug te voorkomen of deze bij voorbaat te verlammen, werd besloten sterke revolutionaire troepen als dekking op te stellen.

Het plan was in het algemeen te log en te ingewikkeld voor de taak die men te vervullen had. De voor de voorbereiding bestemde tijd was te kort. Kleine misverstanden en rekenfouten deden zich, zoals dit altijd pleegt te gebeuren, elk ogenblik voor. Hier was de richting verkeerd aangegeven, daar kwam de leider van de operatie die de instructies gaf te laat. Nog weer elders was het wachten op de reddende pantserwagen. De troepen doen oprukken, deze met de Roodgardisten verenigen, de gebieden van de strijd bezetten, deze met elkaar en met de staf verbinden – dit alles vereiste veel meer tijd dan de leiders die over de kaart van Petrograd gebogen kibbelden vermoed hadden.

Toen het Militair Revolutiecomité tegen 10 uur ’s morgens proclameerde dat de regering ten val gebracht was, had zelfs de directe leider van de operatie nog niet volkomen duidelijk begrepen hoe groot de vertraging was. Podvojski voorspelde dat het Winterpaleis “niet later dan 12 uur” zou vallen. Tot nu toe was alles op militair gebied zo vlot verlopen dat niemand aan deze termijn meende te moeten twijfelen. Op het middaguur bleek echter dat het beleg nog altijd niet volkomen was en dat de Kronstadtse matrozen nog ontbraken, terwijl de verdediging van het paleis verder georganiseerd werd. Het tijdverlies leidde, zoals dit pleegt te gebeuren, tot nieuwe vertragingen. Onder sterke druk van het comité werd de bezetting van het paleis op 3 uur bepaald en ditmaal “definitief.” Zich baserend op de nieuwe tijdsbepaling sprak de rapporteur van het Militair Revolutiecomité in de zitting, die de Sovjet deze dag hield, de verwachting uit dat de val van het Winterpaleis de eerstvolgende minuten te wachten was. Er verstreek echter weer een uur en de beslissing bleef uit. Podvojski, die zelf van ongeduld brandde, verzekerde telefonisch dat het paleis om 6 uur in elk geval genomen zou zijn. Het vroegere vertrouwen ontbrak echter. En inderdaad, het sloeg 6 uur, maar de beslissing viel niet. Geprikkeld door de aansporingen van het Smolny weigerden Podvojski en Antonov verder een tijdstip aan te geven. Dit wekte ernstige bezorgdheid. Men achtte het politiek noodzakelijk dat vóór de opening van het Sovjetcongres de gehele hoofdstad in handen van het Militair Revolutiecomité was: dit zou de taak tegenover de oppositie op het congres vergemakkelijken, doordat deze dan voor een voldongen feit geplaatst werd. Intussen was het uur van de opening van het congres aangebroken, uitgesteld en weer aangebroken; het Winterpaleis hield stand. Zo was het beleg van het paleis door zijn slepend karakter voor niet minder dan twaalf uren de voornaamste zorg van de opstandelingen.

De opperleiding van de operatie bleef in het Smolny, waar Lasjevitsj alle draden in handen had. De staf te velde bevond zich in de Peter-en-Paulsvesting, waar Blagonravov de verantwoordelijke leider was. Er waren drie lagere leidingen: een op de “Aurora,” een tweede in de kazerne van het Pavlovskiregiment en een derde in de kazerne van de vlootbemanning. De leiding op het slagveld zelf hadden Podvojski en Antonov, die beiden zo ongeveer in rang gelijk stonden.

In het gebouw van de hoogste staf waren nog drie personen over de kaart gebogen: de districtscommandant overste Polkovnikov, de chef van de staf generaal Bagratuni en generaal Alexejev die als hoogste autoriteit bij de conferentie gehaald was. Ondanks deze zo zeer geschoolde leiding waren de plannen van de verdediging veel vager dan die van de opstand. Weliswaar wisten de onervaren maarschalken van de opstand hun troepen niet snel samen te trekken en tijdig slag te leveren. De troepen waren echter aanwezig. De maarschalken van de verdediging hadden slechts vage verwachtingen in plaats van troepen: misschien zullen de Kozakken tot inkeer komen; misschien zijn er trouwe troepen in de naburige garnizoenen te vinden; misschien zal Kerenski troepen van het front meebrengen. Polkovnikovs stemming is ons uit zijn nachtelijk telegram aan het hoofdkwartier bekend. Hij beschouwde de zaak als verloren. Alexejev, die nog minder tot optimisme geneigd was, verliet spoedig de hopeloos verloren post.

Er werden afgevaardigden van de “jonker”-scholen naar de staf ontboden om contact te houden, men trachtte hen moed in te spreken met de verzekering dat er spoedig troepen uit Gatsjina, Tsarskoje Selo en van het front zouden aan komen. Men hechtte echter geen geloof aan deze vage beloften. Deprimerende geruchten deden in de militaire scholen de ronde: “Er heerst een paniekstemming in de staf en niemand steekt een vinger uit.” Zo was het inderdaad. Kozakkenofficieren die naar de staf gekomen waren met het voorstel om de pantserwagens uit de Michajlovmanege te halen, vonden Polkovnikov zittend op een vensterbank in een toestand van volkomen uitputting. De manege bezetten? “Bezet jij die maar, ik heb niemand, ik alleen kan niets doen.”

Tijdens de langzame mobilisatie van de scholen ter verdediging van het Winterpaleis kwamen de ministers voor een vergadering bijeen. Het plein voor het paleis en de naburige straten waren nog vrij van opstandelingen. Gewapende soldaten hielden op de hoek van de Morskajastraat en het Nevski voorbijrijdende automobielen aan en lieten de inzittenden uitstappen. De menigte verdiepte zich in geruchten en vermoedens of het soldaten van de regering of van het Militair Revolutiecomité waren. De ministers profiteerden ditmaal in alle opzichten van hun impopulariteit: niemand interesseerde zich voor hen en vrijwel niemand herkende hen onderweg. Iedereen kwam bijeen, behalve Prokopovitsj die toevallig in een huurrijtuig gearresteerd was maar in de loop van de dag weer vrijgelaten werd.

In het paleis waren nog de vroegere bedienden achtergebleven. Zij hadden veel moeten aanschouwen, hadden opgehouden zich nog over iets te verbazen, maar waren nog niet van de schrik bekomen. Streng gedresseerd, in blauwe livrei met een rode kraag en gouden tressen, handhaafden deze figuren uit het verleden een atmosfeer van orde en bestendigheid in het prachtig gebouw. Zij waren die zorgwekkende morgen waarschijnlijk de enigen die de ministers nog enige illusie van macht gaven. Pas om 11 uur besloot de regering eindelijk een van haar leden met de leiding van de verdediging te belasten. Generaal Manikovski had reeds bij het aanbreken van de dag voor de hem door Kerenski toegedachte eer bedankt. De andere militair onder de leden van de regering, admiraal Verderovski, was nog minder krijgshaftig gestemd. Er moest een burger met de verdediging belast worden, namelijk de minister van economische zaken Kisjkin. Er werd terstond een door iedereen ondertekend decreet betreffende zijn benoeming aan de Senaat opgesteld: deze mensen hadden nog tijd om zich met bureaucratische beuzelarijen bezig te houden. Daarentegen dacht niemand eraan dat Kisjkin als lid van de kadettenpartij bij de soldaten in het achterland en aan het front buitengewoon gehaat was. Kisjkin koos op zijn beurt als adjudanten Paltsjinski en Rutenberg. Paltsjinski was als beschermeling van de industriëlen en bewerker van uitsluitingen gehaat onder de arbeiders. Ingenieur Rutenberg was adjudant van Savinkov geweest, die zelfs door de allen en alles omvattende sociaal-revolutionaire partij als aanhanger van Kornilov geroyeerd was. Polkovnikov die men van verraad beschuldigde, werd ontslagen. In zijn plaats werd generaal Bagratuni, die in geen enkel opzicht van hem verschilde, benoemd.

Ofschoon de stadstelefoon van het Winterpaleis en de staf afgesneden was, bleef het paleis door zijn eigen aansluitingen in verbinding met de voornaamste regeringsbureaus, in de eerste plaats met het ministerie van oorlog, van waaruit een directe lijn naar het hoofdkwartier liep. Het is waarschijnlijk, dat in de haast ook niet alle stadstoestellen afgesneden waren. In militair opzicht was dit weliswaar van geen betekenis, moreel – maakte het de toestand van de regering veeleer slechter, want het ontnam haar elke illusie.

De leiders van de verdediging eisten sedert het aanbreken van de morgen plaatselijke versterkingen, in afwachting van die van het front. Sommigen in de stad poogden hen te helpen. Doctor Feit, lid van het Centraal Comité van de sociaal-revolutionaire partij, die hierbij zeer nauw betrokken was, sprak enkele jaren later op een terechtzitting over de “zeldzame, bliksemsnelle wijzigingen in de stemming onder de troepen.” Uit de meest betrouwbare bron werd gemeld dat de een of andere troepenafdeling bereid was om ter verdediging van de regering op te staan, maar een directe telefonische vraag was voldoende en de ene troep na de andere weigerde botweg. “Het resultaat is u bekend,” zei de oude narodnik, “niemand rukte op en het Winterpaleis werd genomen.” In werkelijkheid hadden er geen bliksemsnelle wijzigingen in het garnizoen plaatsgrepen. De laatste illusies van de regeringspartijen stortten echter in werkelijkheid bliksemsnel ineen.

De pantserwagens waarop men in het Winterpaleis en in de staf vooral gerekend had, vielen in twee groepen uiteen: een bolsjewistische en een pacifistische; een regeringsgroep was er in het geheel niet. Een halve compagnie ingenieurs-“jonkers” ontmoette op weg naar het Winterpaleis met hoop en vrees in het hart twee pantserwagens: vrienden of vijanden? Het bleek dat deze neutraal bleven en op straat rondreden om botsingen tussen de partijen te voorkomen. Er was slechts één van de zes in het Slot gestationeerde pantserauto’s achtergebleven om de bezittingen van het Slot te bewaken; de vijf overige waren weg. Het aantal bolsjewistische pantserwagens groeide met het succesvol verloop van de opstand, terwijl het neutrale deel van het leger daarmee versmolt: dit pleegt altijd het lot van het pacifisme in elke ernstige strijd te zijn.

Het middaguur nadert. Het reusachtig plein voor het Winterpaleis is nog altijd leeg. De regering is niet in staat het te vullen. De troepen van het Comité bezetten het niet, daar zij te veel in beslag genomen worden door de uitvoering van het te gecompliceerde plan. Troepen, afdelingen arbeiders en pantserwagens komen in een wijdere kring bijeen. De wijk van het Slot begint te lijken op een besmet gebied dat men aan de buitenkant afsluit, ver van de eigenlijke haard van besmetting.

Het binnenplein van het Winterpaleis dat naar het plein leidt, ligt net als het binnenplein van het Smolny vol met houtstapels. Rechts en links staat 71/2 c.M. veldgeschut. Op meerdere plaatsen geweren in rotten. De kleine wacht van het paleis staat vlak tegen het gebouw aangedrongen. Zowel op het binnenplein als op de benedenverdieping liggen twee vaandrigscholen uit Oranienbaum en Peterhof, die op lange na niet voltallig zijn, en een troep van de Konstantinovse artillerieschool met zes kanonnen.

In de loop van de dag komt een bataljon “jonkers” van de technische school aan, dat onderweg een halve compagnie verloren heeft. Het beeld dat de plaats van aankomst oplevert, is niet geschikt om de strijdlust van de “jonkers” erg aan te moedigen, waaraan het hen volgens Stankevitsj trouwens ook onderweg reeds ontbrak. Het bleek dat er nagenoeg volslagen gebrek aan levensmiddelen in het Slot was: daarvoor was niet eens tijdig gezorgd. Een vrachtauto met brood was door patrouilles van het Comité aangehouden. Een deel van de “jonkers” had wachtdienst, terwijl de anderen door stilzitten, onzekerheid en honger gekweld werden. Nergens was een leidende hand te bespeuren. Op het plein voor het Slot en op de kade begonnen groepjes ogenschijnlijk vreedzame voorbijgangers op te duiken die in het voorbijgaan onder bedreiging met hun revolvers aan de op post staande “jonkers” de geweren ontrukten.

Er duiken “propagandisten” onder de “jonkers” op. Zijn deze van buitenaf binnengedrongen? Neen, naar alle waarschijnlijkheid zijn het nog rustverstoorders onder de “jonkers” zelf. Ze slaagden erin onrust teweeg te brengen onder de mensen uit Oranienbaum en Peterhof. De comités van de scholen belegden in de witte zaal van het Slot een bijeenkomst en verlangden een vertegenwoordiger van de regering om inlichtingen te geven. Alle ministers verschenen met Konovalov aan het hoofd. De besprekingen duurden een heel uur. Konovalov werd telkens in de rede gevallen en – zweeg. De minister van landbouw Maslov trad als oude revolutionair op. Kisjkin zette de “jonkers” uiteen dat de regering besloten had tot het uiterste stand te houden. Volgens Stankevitsj probeerde een “jonker” uiting te geven aan de bereidwilligheid van de troepen om desnoods voor de regering te sterven, maar “de klaarblijkelijke koelheid van de andere kameraden temperde zijn enthousiasme.” De redevoeringen van andere ministers werkten direct prikkelend op de “jonkers” die onderbraken, schreeuwden en zelfs begonnen te fluiten. De “jonkers” van het blauwe bloed verontschuldigden het optreden van de meerderheid van hun kameraden met hun lage sociale afkomst: “dat zijn allemaal boerenpummels, vrijwel analfabeten, onbeschaafd vee … gemeen volk.”

De bijeenkomst van de ministers met de “jonkers” in het belegerde paleis eindigde niettemin verzoenend: de “jonkers” verklaarden zich bereid om te blijven nadat men hen een actieve leiding en een juist overzicht van de gebeurtenissen toegezegd had. De directeur van de technische school, die tot commandant van de verdediging benoemd was, ging met zijn potlood de plattegrond van het Slot na en zette de namen van de troepen erop. De aanwezige krachten werden over verschillende tonelen van de strijd verdeeld. Een groot deel van de “jonkers” werd op de eerste verdieping ondergebracht, van waaruit zij door de vensters het Slotplein onder vuur konden houden. Het was hen echter verboden om als eerste het vuur te openen. Een bataljon van de technische school bezet het binnenplein ter dekking van de artillerie. Er worden troepen afgezonderd om verschansingen te maken. Een verbindingsgroep, bestaande uit vier man van elke troepenafdeling, wordt gevormd. Een afdeling artillerie wordt met de verdediging van de poort in geval van een doorbraakpoging belast. Op het binnenplein en voor de poort worden houten verschansingen opgeworpen. Er begon een beetje orde te komen. De wachtposten begonnen zich meer op hun gemak te voelen.

De burgeroorlog is, vooral in de eerste tijd voordat geregelde legers gevormd zijn en voordat deze gestaald zijn, een oorlog vol zenuwachtigheid. Zodra er een kleine vermeerdering van activiteit bij de “jonkers” te bespeuren viel, met name toen ze achter barricades verschanst het plein met geweervuur schoonveegden, overschatte men in het kamp van de aanvallers de krachten en middelen van de verdedigers. Ondanks de ontevredenheid van de Roodgardisten en soldaten besloten de leiders de bestorming uit te stellen tot de opmars van de reserves; het was vooral wachten op de aankomst van de matrozen uit Kronstadt.

De hierdoor ontstane pauze van enkele uren verschafte de belegerden kleine versterkingen. Nadat Kerenski aan de delegatie van de Kozakken infanterie beloofd had, kwam de sovjet van de Kozakkenlegers bijeen, kwamen de regimentscomités bijeen en kwamen algemene regimentsvergaderingen bijeen. Men besloot dat twee compagnieën en één machinegeweercommando van het Oerals regiment, dat in juli van het front gekomen was om de bolsjewieken neer te slaan, meteen naar het Winterpaleis zouden oprukken en de overigen – niet voordat de beloften, d.w.z. tot levering van infanterieversterkingen, werkelijk ingelost waren. Ook met de twee compagnieën verliep alles echter niet zonder moeilijkheden. De jongeren onder de Kozakken verzetten zich en de “ouden” sloten de jongeren zelfs in de paardenstal op, opdat deze hen niet zouden hinderen om zich voor de opmars gereed te maken.

Pas bij het invallen van de duisternis, toen men hen reeds niet meer verwachtte, verschenen er baardige soldaten uit de Oeral in het paleis. Zij werden als reddende engelen ontvangen. Zelf keken zij echter somber. Zij waren het niet gewend om in paleizen te vechten. En het was ook niet erg duidelijk wat nu eigenlijk wel waar was.

Na enige tijd verschenen volkomen onverwacht ongeveer veertig man ridders van St. George, onder bevel van een ritmeester van de staf met een kunstbeen. Vaderlandslievende invaliden als laatste reserves van de democratie… Het wordt al gemoedelijker. Spoedig kwam nog de stormcompagnie van een vrouwenbataljon daarbij. Het meest bemoedigend werkte het feit dat deze versterkingen zonder enige strijd wisten door te breken. De cordons van de belegeraars konden of waagden niet om hen de toegang tot het paleis te versperren. Klaarblijkelijk is de tegenstander dus te zwak. “Godzijdank, de zaak begint te lopen,” troostten de officieren elkaar en de “jonkers.” De pas aangekomenen kregen een bepaalde taak in de strijd toegewezen en losten de vermoeiden af. De soldaten uit de Oeral keken echter afkeurend naar de “vrouwen” met geweren. En waar blijft nu de infanterie?

De belegeraars lieten klaarblijkelijk tijd voorbijgaan. De matrozen uit Kronstadt kwamen te laat, hoewel niet door eigen schuld: zij waren te laat geroepen. Na een ingespannen nachtelijke voorbereiding scheepten zij zich tegen de morgen in. De mijnenveger “Amoer” en het onderzoekingsvaartuig “Jastreb” begeven zich direct naar Petrograd. De oude pantserkruiser “Sarja Svobody” zou na de landing van de bemanning in Oranienbaum, waar de jonkers ontwapend moesten worden, ligplaats nemen bij de ingang van het Morskojkanaal, om in geval van nood de Baltische spoorlijn onder vuur te houden. Vijfduizend matrozen en soldaten verlieten in de vroege morgen het eiland Kotlin om bij de sociale revolutie te landen. In de kajuit van de officieren heerst een somber stilzwijgen: men voert deze mensen aan om voor een zaak te strijden die men eigenlijk haat. De commissaris van de afdeling, bolsjewiek Flerovski, verklaart hen: “Wij rekenen niet op uw sympathie, maar wij verlangen dat je op uw post bent. Wij zullen u nodeloze kwellingen besparen.” Het korte zeemansantwoord luidt: “Vooruit dan maar.” Allen namen hun plaats in, de commandant besteeg de brug.

Bij het opvaren van de Neva – een jubelend hoera: de matrozen ontvangen de hunnen. Vanaf de in het midden van de rivier liggende “Aurora” schalt een orkest. Antonov begroet de nieuw aangekomenen met een korte toespraak: “Hier zien jullie het Winterpaleis… Dat moet genomen worden.” Er had in de afdeling Kronstadtse matrozen vanzelf een selectie van de meest vastberadenen en stoutmoedigen plaats. Deze matrozen in hun zwarte uniformen, met geweren en patroontassen, zullen tot het einde toe doorzetten. Snel wordt de landing bij de Konogvardejski-boulevard uitgevoerd. Slechts een wacht blijft op het schip achter.

Er zijn nu meer dan genoeg krachten. Op het Nevski – sterke cordons, op de brug van het Jekaterininskikanaal en op de brug van de Mojka pantserauto en luchtdoelartillerie gericht op het Winterpaleis. Aan de andere kant van de Mojka hebben arbeiders machinegeweren verdekt opgesteld. Een pantserwagen houdt de wacht in de Morskajastraat. De Neva en haar bruggen zijn in handen van de aanvallers. Tsjoednovski en tweede luitenant Dasjkevitsj hebben bevel gekregen om troepen uit de garderegimenten naar het Marsveld te zenden. Blagonravov moet van de vesting uit over de bruggen contact met de cordons van het Pavlovskiregiment krijgen. De matrozen die uit Kronstadt aangekomen zijn, treden met de vesting en de eerste vlootbemanning in verbinding. De bestorming zal na een artillerievuur beginnen.

Intussen komen er van de actieve Baltische vloot vijf oorlogsschepen, een kruiser, twee grote en twee kleine torpedoboten. “Hoezeer wij ook aan de reeds aanwezige strijdkrachten genoeg gehad zouden hebben,” schrijft Flerovski, “deed toch het geschenk van de actieve vloot de stemming onder ons allen zeer verbeteren.” Admiraal Verderevski kon vanuit de ramen van de malachietzaal de indrukwekkende revolutionaire flottielje zien, welke niet alleen het paleis en zijn omgeving, maar ook de voornaamste toegangen tot de stad beheerste.

Tegen 4 uur ’s middags ontbood Konovalov telefonisch alle politici die op de hand van de regering waren naar het paleis: de belegerde ministers hadden wat morele steun nodig. Van al wie uitgenodigd was, verscheen enkel Nabokov. De overigen gaven er de voorkeur aan telefonisch van hun medegevoel blijk te geven. Minister Tretjakov beklaagde zich over Kerenski en hun lot: het hoofd van de regering is gevlucht en heeft zijn collega’s onbeschermd in de steek gelaten. – Maar misschien zullen er versterkingen komen? – Misschien. Hoe komt het echter dat deze er nog niet zijn? Nabokov betuigde zijn deelneming, keek heimelijk op zijn horloge en haastte zich weg. Hij ging op tijd weg. Kort na zessen werd het Winterpaleis eindelijk door de troepen van het Militair Revolutiecomité nauw ingesloten: er was nu geen doorgang meer, noch voor versterkingen, noch voor enkelingen.

De ovaal van het beleg werd nauwer en korter uit de richting van de Konogvardejski-boulevard, de Admiraliteitskade, de Morskajastraat, het Nevski Prospekt, het Marsveld, de Milljonajastraat en de Slotkade. Machtige cordons liepen van de tuinhekken van het Winterpaleis die reeds in handen van de belegeraars waren, van de boog tussen het Slotplein en de Morskajastraat, van de gracht bij de Hermitage, van de in de nabijheid van het paleis liggende hekken van de Admiraliteit en het Nevski. Aan de andere kant van de rivier loerde dreigend de Peter-en-Paulsvesting. Vanaf de Neva keken de 15 c.M. kanonnen van de “Aurora.” Torpedoboten patrouilleerden op de rivier stroomop- en stroomafwaarts. De opstand bood in die uren het beeld van militaire manoeuvres op grote schaal.

Er verschenen pantserwagens op het Slotplein, dat ongeveer drie uren geleden door de “jonkers” schoongeveegd was, en deze bezetten de in- en uitgangen. De oude patriottische namen waren nog op de pantsering te zien onder de nieuwe namen die men er snel met rode verf op geschilderd had. De aanvallers op het plein gingen zich onder de bescherming van de stalen monsters steeds veiliger voelen. Een pantserwagen reed tot zeer dicht bij het hoofdportaal van het paleis, ontwapende de op post staande “jonkers” en reed ongehinderd weer weg.

De belegerden konden ondanks de blokkade die eindelijk voltooid was, nog altijd telefonisch met de buitenwereld in verbinding blijven. Weliswaar had om 5 uur een afdeling van het Kexholmregiment het gebouw van het ministerie van oorlog, waardoor het Winterpaleis met het hoofdkwartier verbinding had, bezet. Ook daarna bleef echter klaarblijkelijk een officier nog enkele uren aan het Hughestoestel op de zolderkamer van het ministerie, dat door de overwinnaars vergeten was bij hun onderzoek van het gebouw. Deze verbinding baatte echter toch ook niet. De antwoorden van het Noordelijk front werden steeds vager. Er kwamen geen versterkingen aan. Het geheimzinnig bataljon wielrijders bleef onvindbaar. Kerenski zelf was spoorloos verdwenen. De vrienden in de stad beperkten zich tot steeds meer laconische betuigingen van deelneming. De ministers waren neergedrukt. Waarover viel er nog te spreken, waarop kon men nog hopen? Zij hadden genoeg van elkaar en van zich zelf. Sommigen zaten stompzinnig neer, anderen liepen van de ene hoek naar de andere. Zij keken terug op het verleden, op zoek naar een schuldige. Deze was niet moeilijk te vinden: de democratie! Deze heeft hen in de regering geplaatst, hen een grote last opgelegd en hen op het ogenblik van gevaar zonder hulp achter gelaten. Kadetten en socialisten waren het ditmaal volkomen eens: Ja, de democratie is de schuldige. Weliswaar hadden beide groepen, toen zij de coalitie aangingen, zelfs aan de toch zo dicht bij hen staande Democratische Vergadering de rug toegekeerd. De centrale gedachte van de coalitie was immers de onafhankelijkheid van de democratie. Maar hoe dit ook zij: waartoe bestaat de democratie, als het niet is tot redding van de in nood geraakte burgerlijke regering? De minister van landbouw Maslov, een rechtse sociaal-revolutionair, schreef een stuk dat door hem zelf als postuum aangeduid werd, waarin hij plechtig beloofde niet anders te zullen sterven dan met een vloek aan het adres van de democratie op de lippen. Zijn collega’s haastten zich telefonisch de Doema op de hoogte te brengen van dit noodlottig voornemen. Wat zijn dood betreft bleef het slechts bij het plan, maar aan vloeken was er geen gebrek.

Boven, naast het verblijf van de commandant, bevond zich een eetzaal waar lakeien van het hof de heren officieren een “kostelijk maal met wijn” serveerden. Men kon hier voor een ogenblikje de narigheden vergeten. De officieren gingen de promotiekansen na, maakten afgunstige vergelijkingen en vloekten over de langzame carrière onder de nieuwe regering. Vooral Kerenski moest het ontgelden; gisteren had hij nog in het Voorlopig Parlement gezworen op zijn post te sterven en vandaag was hij, als ziekenverpleegster gekleed, uit de stad gevlucht. Enkele officieren poogden de leden van de regering ervan te overtuigen dat het bieden van verdere tegenstand zinloos was. De energieke Paltsjinski maakte hen voor bolsjewieken uit en poogde zelfs hen te arresteren.

De “jonkers” wilden weten wat er verder moest gebeuren en eisten van de regering dat deze een antwoord zou geven waartoe ze niet in staat was. Tijdens de nieuwe besprekingen tussen de “jonkers” en de ministers kwam Kisjkin uit de generale staf aan met het daarheen door een wielrijder uit de Peter-en-Paulsvesting overgebrachte en aan de generaal-kwartiermeester Poradelov overhandigde ultimatum, dat ondertekend was door Antonov en dat luidde: zich overgeven en het garnizoen van het Winterpaleis ontwapenen, anders zullen de kanonnen van de vesting en de oorlogschepen beginnen te schieten: twintig minuten bedenktijd. Deze termijn was te kort. Poradelov wist nog tien minuten te verkrijgen. De militaire leden van de regering, Manikovski en Verderevski, losten de zaak eenvoudig op. Indien men niet kan vechten, moet men aan een overgave denken, d.w.z. het ultimatum aannemen. De burger-ministers bleven echter halsstarrig. Tenslotte besluit men het ultimatum niet te beantwoorden, maar zich tot de stadsdoema als het enig wettelijk orgaan in de hoofdstad te wenden. De oproep aan de Doema was een laatste poging om het in slaap gesuste democratisch geweten weer wakker te roepen.

Poradelov, die meende dat het noodzakelijk was om het verzet op te geven, verzocht van zijn post ontheven te worden: hij “was niet meer overtuigd van de juistheid van de door de Voorlopige Regering ingeslagen weg.” Aan de twijfel van de overste kwam een einde nog voordat zijn ontslag kon worden aangenomen. Na het verstrijken van de termijn van een half uur bezette een afdeling Roodgardisten, matrozen en soldaten onder leiding van een vaandrig van het Pavlovskiregiment, zonder op tegenstand te stuiten, de generale staf en arresteerde de moedeloos geworden generaal-kwartiermeester. Het was eigenlijk reeds lang mogelijk geweest om de generale staf in te nemen; het gebouw was van binnen volkomen onverdedigd. Vóór het verschijnen van de pantserwagens op het plein waren de belegeraars echter beducht dat zij door een uitval van de “jonkers” uit het Winterpaleis afgesneden zouden kunnen worden.

Het Winterpaleis voelde zich na het verlies van de staf nog eenzamer dan tevoren. De ministers verhuisden vanuit de malachietzaal, vanwaar men op de Neva keek en het oog als het ware wel op een kanon van de “Aurora” moest vallen, naar een van die vele vertrekken in het paleis die op het binnenplein uitkeken. De lichten werden gedoofd. Slechts op één tafel brandde een eenzame lamp, die aan de kant van het raam met een krant afgedekt was.

“Wat staat het paleis te wachten indien de “Aurora” het vuur zal openen?” vroegen de ministers aan hun collega’s van de marine. “Het zal tot een puinhoop geschoten worden,” verklaarde de admiraal zeer spontaan, niet zonder een gevoel van trots op de artillerie van de marine. Verderevski voelde er meer voor zich over te geven en wilde graag de burgers die te onpas de held uithingen angst aanjagen. De “Aurora” schoot echter niet. Ook de vesting zweeg. Misschien zullen de bolsjewieken het toch niet wagen hun dreigement uit te voeren?

Generaal Bagratuni, die Polkovnikov opgevolgd was omdat deze laatste niet standvastig genoeg was, achtte de tijd gekomen om te verklaren dat hij ervan afzag om nog langer zijn plicht als districtscommandant te vervullen. De generaal werd op bevel van Kisjkin als “onwaardig” afgezet en hem werd verzocht het paleis meteen te verlaten. De vroegere commandant liep, toen hij uit de poort naar buiten trad, in de armen van matrozen die hem naar de Baltische vlootbemanning brachten. Het had de generaal slecht kunnen vergaan indien niet Podvojski, die de fronten voor de laatste aanval inspecteerde, de ongelukkige legeraanvoerder onder zijn hoede genomen had.

Vanuit de naburige straten en kaden keken velen toe hoe het paleis, dat zo-even nog in het licht van honderden elektrische lampen geschitterd had, plotseling in duisternis gehuld werd. Er bevonden zich ook vrienden van de regering onder de kijkers. Een strijdmakker van Kerenski, Redemeister, schreef: “De duisternis waarin het Winterpaleis werd gedompeld, was geheimzinnig dreigend.” De vrienden deden geen pogingen om het geheim te ontraadselen. Men moet ook toegeven dat zij niet veel kans daartoe hadden.

Verborgen achter de stapels hout hielden de “jonkers” angstvallig de cordons op het Slotplein in het oog en reageerden op elke beweging van de vijand met geweer- en machinegeweervuur. Men antwoordde hen op dezelfde wijze. De schietpartij nam tegen de nacht in hevigheid toe. De eerste doden en gewonden vielen. De slachtoffers waren echter slechts weinig in aantal. Op het plein, op de kade en in de Milljonajastraat drongen de belegeraars zich tegen de balustrades, verborgen zich achter vooruitspringende gedeelten, verstopten zich in nissen en drukten zich tegen de muren. Bij de reserve warmden soldaten en reservisten zich aan de brandstapels die met het invallen van de duisternis begonnen te roken. En scholden een beetje op de traagheid van de leiders.

In het Winterpaleis hadden de “jonkers” post gevat in de gangen, op de trappen en op het binnenplein; de posten buiten stonden tegen de balustrades en de muren gedrukt. Het gebouw dat duizenden kon herbergen, bevatte slechts enkele honderden aanwezigen. De reusachtige ruimten achter het cordon van de verdedigers leken uitgestorven. Het merendeel van het personeel hield zich verborgen of was weggelopen. Vele officieren hadden zich in de buffetzaal verborgen, waar zij de bedienden, die zich nog niet uit de voeten hadden kunnen maken, ertoe dwongen steeds weer nieuwe legers flessen wijn aan te dragen. Het drinkgelag van de officieren in het stervend paleis kon niet verborgen blijven voor de “jonkers”, de Kozakken, de invaliden en de stootbrigadiers. De ontknoping werd niet alleen buiten het gebouw, maar ook daarbinnen voorbereid.

De officier van een korps artillerie meldde plotseling aan de commandant van de verdediging dat de kanonnen op de affuiten geplaatst waren en dat de “jonkers,” overeenkomstig het bevel van de directeur van de Konstantinovskischool, wegtrokken. Dit was een verraderlijke daad! De commandant poogde zich te verzetten: hij alleen had hier te bevelen. De “jonkers” wisten dit ook wel, maar gaven er de voorkeur aan om de directeur van de school te gehoorzamen, die op zijn beurt onder druk van de commissaris van het Militair Revolutiecomité handelde. Het grootste deel van de artilleristen verliet met vier van de zes kanonnen het paleis. Toen zij op het Nevski door een patrouille soldaten werden aangehouden, poogden zij tegenstand te bieden, maar werden door de afweertroepen van het Pavlovskiregiment, die met een pantserwagen toesnelden, ontwapend en met twee kanonnen naar de kazerne van het regiment gestuurd; de twee overige kanonnen werden op het Nevski en op de Mojkabrug, met de mond tegen het Winterpaleis gericht, opgesteld.

De twee compagnieën uit de Oeral wachtten tevergeefs op de komst van nieuwe kameraden. Savinkov, die nauw met de sovjet van de Kozakkenlegers verbonden en door deze zelfs naar het Voorlopig Parlement afgevaardigd was, deed met behulp van generaal Alexejev moeite om de Kozakken in beweging te brengen. De leiders van de Kozakkensovjet konden echter, zoals Miljoekov terecht opmerkt, “evenmin over de Kozakkenregimenten beschikken als de staf over de troepen van het garnizoen.” Nadat de zaak van alle kanten besproken was, verklaarden de Kozakkenregimenten definitief dat zij zonder infanterie niet zouden vechten en ze boden hun diensten aan het Militair Revolutiecomité aan om de eigendommen van de staat te bewaken. Tegelijkertijd besloot het Oeralregiment afgevaardigden naar het Winterpaleis te zenden om de twee compagnieën naar de kazerne terug te halen. Dit voorstel was geheel overeenkomstig de stemming die er onder de “ouden” van de soldaten uit de Oeral ontstaan was. Niets anders dan vreemden om zich heen: “jonkers,” onder wie heel wat Joden, invalide officieren en dan nog de stootbrigadiersters. Met boze, dreigende gezichten pakten de Kozakken hun ransels. Overreding baatte niet. Wie bleef nog over om Kerenski te beschermen? “Joden en vrouwen… het Russische volk is echter daar, aan de kant van Lenin blijven staan.” Bij de Kozakken kwam er een verbinding met de belegeraars tot stand en deze openden voor hen een doorgang die tot nu toe niet aan de verdediging bekend geweest was. Tegen negen uur ’s avonds verlieten de soldaten uit de Oeral het Winterpaleis. Zij lieten enkel hun machinegeweren achter bij de verdedigers van een zaak die hopeloos was.

De bolsjewieken waren reeds eerder langs dezelfde weg, nl. vanaf de Milljonajastraat, in het paleis doorgedrongen om de tegenstander te ondermijnen. Steeds vaker stuitte men in de gangen op geheimzinnige, naast “jonkers” lopende figuren. De tegenstand was nutteloos. De opstandelingen hadden de stad en de stations in hun macht, versterkingen waren er niet en in het paleis “loog men eenvoudig naar oude gewoonte verder.” Wat nu te doen, vroegen de “jonkers.” De regering weigert directe bevelen te geven. De ministers zelf blijven bij hun vroeger besluit dat de anderen mogen handelen zoals zij willen. Dit betekende dat er een vrije aftocht uit het paleis geproclameerd werd voor iedereen die dat wenste. De regering gaf bij haar optreden noch blijk van inzicht noch van wilskracht. De ministers wachtten in lijdzaamheid hun lot af. Maljantovitsj vertelde later: “Ten ondergang gedoemde mensen die slechts nu en dan allen samen of in kleine groepjes voor een kort onderhoud bijeenkwamen; eenzamen, door iedereen verlaten, doolden als in een reusachtige muizenval rond. Er was een leegte om ons en een leegte in ons. En steeds meer kwam men tot doffe onverschilligheid.”

Antonov-Ovssejenko heeft met Blagonravov afgesproken dat er een rode lantaarn in de mast van de vesting gehesen zal worden, zodra de omsingeling van het Winterpaleis voltooid is. Op dit signaal lost de “Aurora” een schot in de lucht om angst aan te jagen. Indien de belegerden zich niet overgeven, begint de vesting het paleis te beschieten met schoten uit licht veldgeschut. Geeft het Winterpaleis zich ook dan nog niet over, dan opent de “Aurora” een echt vuur uit haar kanonnen. Het doel van deze volgorde was om het aantal slachtoffers en beschadigingen tot een minimum te beperken, indien het niet zou lukken om deze geheel te vermijden. De ingewikkelde uitvoering van de op zich zelf eenvoudige taak dreigde echter tot tegenovergestelde resultaten te leiden. Er moeten onvermijdelijk moeilijkheden bij de uitvoering rijzen. Zij beginnen reeds bij de rode lantaarn: deze is niet bij de hand. Men zoekt, verliest tijd, vindt haar eindelijk. Het is echter niet zo eenvoudig haar zo aan de mast te bevestigen dat zij van alle kanten te zien is. Steeds weer nieuwe pogingen worden gedaan met een twijfelachtig resultaat. En de kostbare tijd gaat verloren. De grootste moeilijkheden beginnen echter met de artillerie. Volgens de mededeling van Blagonravov kon men de beschieting van het paleis op het eerste signaal ’s middags reeds beginnen. In werkelijkheid liep het heel anders. Daar er geen vaste artillerie in de vesting was, ziet men af van het voorlaadkanon dat het middaguur aankondigde en was men genoodzaakt veldgeschut op de vestingmuren op te stellen. Dit deel van het programma was tegen de middag feitelijk uitgevoerd. Het was echter slecht gesteld met de bediening van het geschut. Men wist van tevoren dat de compagnie artilleristen die in juli niet aan de zijde van de bolsjewieken gevochten had weinig betrouwbaar was. Nog kort geleden had zij op bevel van de staf gehoorzaam een brug bewaakt. Al was er ook geen stoot in de rug van haar te duchten, zo wenste zij toch niet voor de Sovjets in het vuur te gaan. Toen het uur tot handelen aangebroken was, meldde een vaandrig dat de kanonnen verroest waren, de compressors zonder olie waren en dat het niet mogelijk was te schieten. Hoogstwaarschijnlijk waren de kanonnen inderdaad niet in orde, maar dat is niet het belangrijkste: de artilleristen onttrokken zich eenvoudig aan de verantwoordelijkheid en leidden de onervaren commissaris om de tuin. Antonov kwam ziedend van woede in een barkas aangevaren. Wie stuurt het plan in de war? Blagonravov vertelt hem van de lantaarn, de olie en de vaandrig. Beide begeven zich naar de kanonnen. Nacht, duisternis en op de binnenplaats plassen tengevolge van de pas gevallen regen. Van de andere oevers van de rivier dringt van de kant van het Winterpaleis een heftig geweervuur en geknetter van machinegeweren door. Blagonravov raakt in het donker de weg kwijt. Antonov dwaalt door plassen wadend, brandend van ongeduld, struikelend en in de modder vallend, op de donkere binnenplaats achter de commissaris aan. “Bij een van de zwak flakkerende lantaarns,” vertelt Blagonravov… “bleef Antonov plotseling staan en keek mij onderzoekend over zijn bril heen scherp aan. Ik las een verholen onrust in zijn blik.” Antonov speurde een ogenblik verraad waar slechts lichtvaardigheid was.

Tenslotte heeft men de plaats waar de kanonnen staan, gevonden. De artilleristen blijven erbij: roest… compressors… olie. Antonov laat manschappen om de kanonnen te bedienen van de marinetroepen halen en het signaal moet dan maar uit het ouderwetse kanon dat het middaguur aankondigt gegeven worden. De artilleristen zijn echter verdacht lang bezig met het signaalkanon. Zij voelen zeer goed dat ook de leiding, hoewel deze nu niet meer verwijderd aan de telefoon maar hier vlak naast hen is, niet vastberaden genoeg is om tot een artilleriegevecht over te gaan. Reeds in de moeilijkheden bij de voorbereiding van de artilleriebeschieting speurt men de gedachte dat het misschien toch nog mogelijk is dat deze achterwege blijft.

Iemand komt door de duisternis van het paleisplein aangesneld, nadert steeds meer, struikelt, valt in de modder, vloekt, maar niet boos, doch verheugd, en schreeuwt buiten adem: “Het Winterpaleis heeft zich overgegeven. De onzen zijn daarbinnen!” Omhelzingen van blijdschap. Hoe gelukkig dat er een vertraging ontstaan was! Dat hadden wij wel gedacht. De compressors zijn plotseling vergeten. Maar waarom houdt die schietpartij aan de andere kant van de rivier niet op? Verzetten zich wellicht nog enkele groepen “jonkers” tegen de overgave? Of is er een misverstand? Het goede nieuws bleek een misverstand te zijn: niet het Winterpaleis is genomen, maar de generale staf. Het beleg van het paleis duurt voort.

Na een geheime overeenkomst met een groep “jonkers” van de school te Oranienbaum slaagt Tsjoednovski erin het paleis door te dringen om te onderhandelen. Deze tegenstander van de opstand laat geen gelegenheid voorbijgaan om zich in het vuur te storten. Paltsjinski laat de vermetele gevangen nemen, maar is onder druk van de school van Oranienbaum genoodzaakt om zowel Tsjoednovski als een deel van de “jonkers” los te laten. Zij slepen enkele ridders van St. George mee. De plotselinge verschijning van de “jonkers” op het plein brengt de cordons in verwarring. Wanneer de belegeraars dan echter vernemen dat het mensen zijn die zich overgeven, komt er geen einde aan de vreugdekreten. Er heeft zich echter slechts een kleine minderheid overgegeven. De rest zet de verdediging van achter hun dekkingen voort. De schoten van de aanvallers nemen toe. Het schelle elektrische licht op de binnenplaats maakt het gemakkelijker op de “jonkers” te mikken. Met moeite slagen ze erin de lantaarns te doven. Een onbekende schakelt het licht weer aan. De “jonkers” schieten op de lantaarns, vinden vervolgens een monteur en dwingen hem de stroom uit te schakelen.

De stootbrigadiersters geven plotseling hun voornemen te kennen om een uitval te doen. Zij hadden gehoord dat in de staf de schrijvers naar de zijde van Lenin overgegaan waren en dat deze, nadat zij een deel van de officieren ontwapend hadden, generaal Alexejev, de enige man die Rusland redden kon, gearresteerd hadden: men moest hem tot elke prijs bevrijden. Het gelukt de commandant niet hen van hun hysterisch plan te weerhouden. Op het ogenblik van de uitval vlamt het licht van de hoge elektrische lantaarns terzijde van de poort weer op. De officier stort zich op zoek naar een monteur woedend op de bedienden: hij ziet in de vroegere lakeien van de tsaar revolutionaire agenten. Nog minder vertrouwt hij de monteur van het Slot: “Ik zou je allang naar de andere wereld geholpen hebben als we je niet nodig hadden.” Ondanks de bedreigingen met de revolver kan de monteur niet helpen, zijn schakelbord is stroomloos, de elektrische centrale door matrozen bezet en deze beschikken over het licht. De stootbrigadiersters houden het vuur niet uit en geven zich voor het merendeel over. De commandant van de verdediging zendt een luitenant om aan de regering te melden dat de uitval van de stootbrigadiersters tot hun ondergang leidde en dat het paleis wemelde van propagandisten. De mislukking van de uitval doet een pauze ontstaan, ongeveer van 10 tot 11 uur: de belegeraars zijn klaarblijkelijk bezig de artilleriebeschieting voor te bereiden.

De onverwachte pauze wekt enige hoop bij de belegerden. De ministers pogen weer hun aanhangers in de stad en op het platteland moed in te spreken: “De regering is met uitzondering van Prokopovitsj voltallig op haar post. De toestand is als gunstig te beschouwen… Het paleis wordt beschoten, maar slechts met geweervuur en zonder enig resultaat. We constateren dat de vijand te zwak is.” In werkelijkheid is de vijand almachtig, maar komt hij er niet toe om zijn kracht te gebruiken zoals hij dit zou kunnen doen. De regering zendt een communiqué rond over het ultimatum, over de “Aurora”, over het feit dat zij, de regering, de macht slechts aan de Constituerende Vergadering kon overgeven, alsook over het feit dat de eerste aanval op het Winterpaleis afgeslagen was. “Laat leger en volk het antwoord geven.” De ministers zeiden niet op welke manier dit antwoord gegeven moest worden.

Lasjevitsj zond intussen twee artilleristen van de marine naar de vesting. Deze zijn weliswaar niet erg ervaren, maar het zijn bolsjewieken die bereid zijn om zelfs uit de verroeste kanonnen zonder olie in de compressors te schieten. En dit wordt juist van hen verlangd. Het geluid van de artillerie is momenteel belangrijker dan haar trefzekerheid. Antonov beveelt om te beginnen. Men houdt hardnekkig vast aan de vooraf bepaalde volgorde. “Na het signaalschot van de vesting,” vertelt Flerovski, “bulderde de Aurora. Het gebulder en de vuurstraal zijn bij een los schot veel sterker dan bij een scherp schot. De nieuwsgierigen stormden van de granieten balustrade van de kade weg, wierpen zich op de grond en kropen voort…” Tsjoednovski haast zich de vraag te stellen of men de belegerden niet zou voorstellen om zich over te geven? Antonov stemt terstond met hem in. Wederom een pauze. Een groep stootbrigadiersters en “jonkers” geeft zich over. Tsjoednovski wil hen de wapens laten houden, maar Antonov protesteert tijdig tegen deze al te grote edelmoedigheid. Nadat zij de geweren voor de poort op een hoop gelegd hadden, verwijderden de capitulanten zich onder escorte door de Milljonajastraat.

Het Winterpaleis houdt nog altijd stand. Er moet een eind aan gemaakt worden! Het bevel is gegeven. Het vuur is geopend, hoewel geen heftig en nog veel minder een doeltreffend vuur. Van de gedurende anderhalf à twee uur geloste vijfendertig schoten waren er slechts twee treffers en ook deze beschadigden slechts het pleisterwerk. De overige schoten gingen over het paleis heen, gelukkig zonder schade in de stad aan te richten. Kwam dit werkelijk door onkunde? Men vuurde toch over de Neva heen regelrecht op een zo groot doel als het paleis: daarvoor is geen grote kennis vereist? Moet men niet veeleer aannemen dat zelfs de artilleristen van Lasjevitsj met opzet over het doel heen schoten in de hoop op een afloop zonder verwoestingen en doden? Men kan moeilijk de motieven nagaan waardoor de beide naamloze matrozen geleid werden. Zijzelf hebben nooit meer van zich laten horen: zijn zij in het eindeloze Russische dorp opgegaan of hebben zij, als zo velen van de Oktoberstrijders, hun leven gelaten in de burgeroorlog van de volgende maanden en jaren?

Kort na de eerste schoten bracht Paltsjinski een granaatsplinter aan de ministers. Admiraal Verderevski herkende de splinter als de zijne, als een van de marine: van de “Aurora”. De kruiser had echter slechts losse schoten gelost. Dat was afgesproken, dat verklaart Flerovski en dat rapporteerde later een matroos aan het Sovjetcongres. Vergiste de admiraal zich? Vergiste de matroos zich? Hoe kan men een kanonschot controleren dat in het holst van de nacht door een opstandig schip gelost is tegen het tsarenpaleis waar de laatste regering van de bezittenden de laatste adem uitblies?

Het garnizoen van het paleis schrompelde sterk ineen. Terwijl het op het ogenblik van de aankomst van de soldaten uit de Oeral, de invaliden en de stootbrigadiersters vijftienhonderd, misschien zelfs tweeduizend man geteld had, had het er nu slechts duizend of misschien nog een veel kleiner aantal. Slechts een wonder kon nog redding brengen. Maar zie, daar komt in de hopeloze sfeer van het Winterpaleis weliswaar geen wonder, maar dan toch het nieuws van de nadering van een wonder. Paltsjinski meldt dat men zo juist uit de stadsdoema getelefoneerd had, dat de burgers opbraken om de regering te bevrijden. “Zeg aan iedereen,” beveelt hij aan Sinegoeb, “dat het volk onderweg is hierheen.” De officier snelt over de trappen en de gangen met het verheugende nieuws. Hij ontmoet dronken officieren die met hun sabels vechten, overigens zonder dat er bloed vloeit. De “jonkers” heffen het hoofd op. Van mond tot mond gaande wordt het nieuws steeds meer gekleurd en aangedikt. Politici, kooplieden, het volk met de geestelijkheid aan het hoofd zijn onderweg, om het paleis te ontzetten. Het volk met de geestelijkheid aan het hoofd: “Dat zal een mooi gezicht zijn!” De laatste resten van energie flakkeren nog eens op. “Hoezee, leve Rusland!” De “jonkers” uit Oranienbaum die reeds op het punt gestaan hadden om weg te trekken, kwamen op hun besluit terug en bleven.

Het duurt echter lang voor het volk met de geestelijkheid komt. Het aantal propagandisten in het paleis neemt toe. Dadelijk zal de “Aurora” beginnen te vuren, fluistert men in de gangen, en dit gefluister gaat van mond tot mond. Plotseling – twee ontploffingen. Matrozen slopen in het paleis binnen en wierpen van de galerij twee handgranaten waardoor twee jonkers licht gewond werden. De matrozen werden gearresteerd en de gewonden werden door Kisjkin, die arts van beroep was, verbonden.

De vastberadenheid van de arbeiders en matrozen is groot, maar zij is nog niet tot verbittering overgegaan. Om zich dit niet op de hals te halen, passen de belegerden, die verreweg de zwakste partij zijn, er wel voor op de in het paleis binnendringende agenten van de vijand streng te behandelen. Fusillades hebben er niet plaats. De ongenode gasten duiken nu niet meer afzonderlijk, maar groepsgewijs op. Het paleis gelijkt steeds meer op een zeef. Wanneer de “jonkers” zich op de indringers storten, laten deze zich ontwapenen. “Wat een lafaards!” zegt Paltsjinski vol verachting. Neen, deze mensen zijn niet laf. Er is een grote moed voor nodig om ertoe te besluiten in het paleis vol officieren en “jonkers” binnen te dringen. Er blijft de vermetelen in het doolhof van het onbekende gebouw, in de donkere gangen, tussen ontelbare muren, waarvan men niet weet waarheen zij leiden en wat er achter deze dreigt, niets anders over dan zich over te geven. Het aantal gevangenen stijgt. Nieuwe groepen breken door. Spoedig is het niet altijd meer duidelijk wie zich overgeeft en wie ontwapent. De artillerie hamert.

Met uitzondering van de direct aan het Winterpaleis grenzende wijk ging het straatleven tot diep in de nacht gewoon door. Schouwburgen en bioscopen speelden. Het leek alsof het de degelijke en beschaafde kringen van de hoofdstad niet aanging dat hun regering beschoten werd. Redemeister zag bij de Troïzkibrug rustig naderende voorbijgangers die door de matrozen aangehouden werden. Er was niets bijzonders te zien. Redemeister hoorde van kennissen die uit de richting van het Volkshuis kwamen, onder het gedreun van de kanonnade, dat Sjaljapin in “Don Carlos” voortreffelijk geweest was. De ministers bleven in de muizenval ronddolen.

“Men heeft geconstateerd dat de aanvallers zwak zijn.” Misschien komen er nog tijdig versterkingen en houdt men nog een uur stand? Kisjkin riep in het holst van de nacht de secretaris van de minister van financiën, Chroesjtsjev, die eveneens kadet was, aan de telefoon en verzocht hem de partijleiders mee te delen dat de regering toch een beetje ondersteuning nodig had om tot het aanbreken van de morgen te kunnen volhouden, wanneer immers Kerenski eindelijk met de troepen zou moeten aankomen. “Wat is dat voor een partij,” vroeg Kisjkin zich verontwaardigd af, “die niet eens in staat is om driehonderd gewapende mannen te sturen?” Inderdaad, wat is dat voor een partij? De kadetten die in Petrograd bij de verkiezingen tienduizenden stemmen wisten te verenigen, konden op het moment van doodsgevaar voor het burgerlijk regime geen driehonderd strijders leveren. Indien de ministers op de gedachte gekomen waren om in de bibliotheek van het Slot de materialist Hobbes op te slaan, hadden zij in diens dialogen over de burgeroorlog kunnen lezen dat men moed noch verwachten noch eisen mag van rijk geworden kooplieden “die slechts hun eigen ogenblikkelijk voordeel zien en volkomen de kluts kwijt raken, alleen reeds bij de gedachte aan de mogelijkheid dat zij geplunderd zouden kunnen worden.” Hobbes zal echter wel niet in de bibliotheek van de tsaar te vinden geweest zijn. Ook stond het hoofd van de ministers niet naar geschiedenisfilosofie. Kisjkins gesprek was het laatste telefoongesprek vanuit het Winterpaleis.

Het Smolny eist beslist dat het tot een ontknoping komt. Men mag het beleg niet tot morgen rekken, de stad in spanning houden, het congres zenuwachtig maken en alle successen op losse schroeven zetten. Lenin zendt woedende briefjes. Vanuit het Militair Revolutiecomité volgt de ene oproep op de andere. Podvojski geeft antwoorden die getuigen van ergernis. Men zou de massa’s tot de stormloop kunnen doen overgaan, want er zijn genoeg mensen die daartoe bereid zijn. Hoeveel slachtoffers zal dit echter tengevolge hebben? En wat zal er van de ministers en de “jonkers” worden? Het is echter al te dringend noodzakelijk om de zaak ten einde te brengen. Er blijft niets anders over dan de artillerie van de marine een woordje te laten meespreken. Een matroos van de “Aurora” brengt uit de Peter-en-Paulsvesting een papiertje waarop staat dat men terstond het paleis moet gaan beschieten. Nu is toch alles gereed? Het zal niet aan de artilleristen van de “Aurora” liggen indien de zaak mislukt. Het ontbreekt de leiders echter nog altijd aan vastberadenheid. Men doet een nieuwe poging tot uitstel. “Wij hadden besloten nog een kwartier te wachten,” schrijft Flerovski, “omdat wij instinctief de mogelijkheid van een wijziging in de toestand voelden.” Onder instinct is hier de vurige hoop te verstaan dat de zaak met louter demonstratieve middelen beslist zou kunnen worden. En het “instinct” heeft ditmaal niet gefaald: na afloop van het kwartier komt een nieuwe bode aangesneld, regelrecht uit het Winterpaleis: het paleis is genomen!

Het paleis had zich niet overgegeven, het werd bestormd op een moment dat de weerstandskracht van de vijand reeds volkomen gebroken was. Er waren, nu niet meer door geheime gangen, maar over het verdedigde binnenplein, ongeveer honderd vijanden in de gang binnengedrongen, die de gedemoraliseerde wacht voor een deputatie van de stadsdoema gehouden had. Zij konden echter toch nog ontwapend worden. Een groep “jonkers” verwijderde zich in de verwarring. De overigen, of althans een deel van hen, verrichtten nog verder hun wachtdienst. De barrière van bajonetten en geweervuur tussen de aanvallers en de verdedigers is echter definitief verdwenen.

Het aan de Hermitage grenzend deel van het paleis is reeds met vijanden overstroomd. De “jonkers” pogen hen in de rug aan te vallen. In de gangen zijn er geheimzinnige ontmoetingen en botsingen. Iedereen is tot aan de tanden gewapend. Revolvers in de opgeheven hand. Handgranaten aan de gordels. Niemand schiet echter en niemand slingert granaten, want vriend en vijand zijn zo vermengd dat zij niet van elkaar te scheiden zijn. Maar het lot van het Winterpaleis is in elk geval reeds beslist!

Arbeiders, soldaten en matrozen rukken buiten in gelederen en groepen op, verdrijven de “jonkers” van de barricaden, dringen over de binnenplaats binnen, treffen op de trappen samen met de jonkers, dringen deze terug, werpen hen neer en jagen hen voor zich uit. Een nieuwe golf volgt hen reeds. Het plein stort zich uit op de binnenplaats, de binnenplaats stort zich uit in het paleis en stroomt over trappen en gangen. Op de vervuilde parketvloer tussen matrassen en broden liggen mensen, geweren en granaten. De overwinnaars vernemen dat Kerenski daar niet is, en een bitter gevoel van teleurstelling mengt zich even bij hun levendige vreugde. Antonov en Tsjoednovski zijn in het paleis. Waar is de regering? Hier bij deze deur, waarbij “jonkers” in een laatste houding van verzet verstarren. De commandant van de wachtposten stormt bij de ministers binnen met de vraag of deze bevelen dat men zich tot het laatste toe zal verzetten? Neen, neen, de ministers bevelen dit niet. Het paleis is toch immers bezet. Men wil geen bloed vergieten. Men moet voor het geweld wijken. De ministers willen zich waardig overgeven en gaan om de tafel zitten zodat het lijkt alsof er een zitting aan de gang is. De commandant van de verdediging had intussen het paleis overgegeven en daarbij bedongen dat het leven van de “jonkers,” waarop trouwens niemand van zin was een aanslag te doen, gespaard zou worden. Over het lot van de regering weigerde Antonov enige onderhandeling te beginnen.

De “jonkers” voor de laatste bewaakte deur worden ontwapend. De overwinnaars stormen in de kamer van de ministers binnen. “Voor iedereen uit en trachtend de opdringenden tegen te houden, liep een kleine, onaanzienlijke man; zijn kleren waren in de war en de breedgerande hoed stond scheef. Op zijn neus bleef met moeite een lorgnet staan, maar de kleine ogen schitterden van overwinningsroes en woede tegen de overwonnenen.” Met deze kleinerende woorden wordt Antonov geschilderd. Het is gemakkelijk te begrijpen dat zijn kleren en zijn hoed in de war waren. Men hoeft slechts aan de nachtelijke tocht door de plassen van de Peter-en-Paulsvesting terug te denken. Een triomferend gevoel was er ongetwijfeld in zijn ogen te lezen; maar stellig geen woede tegen de overwonnenen. “Ik verklaar u, leden van de Voorlopige Regering, voor gearresteerd,” verkondigde Antonov in naam van het Militair Revolutiecomité. De klok wijst tien minuten na twee in de nacht van 26 oktober. “De leden van de Voorlopige Regering buigen zich voor het geweld en geven zich over om bloedvergieten te voorkomen,” antwoordde Konovalov. Het nodige ceremonieel is in acht genomen.

Antonov riep vijfentwintig gewapende lieden op, die uit de afdelingen die het eerst in het paleis binnengedrongen waren, gehaald werden, en belastte hen met de bewaking van de ministers. De gearresteerden werden, nadat er een protocol opgemaakt was, naar buiten gebracht op het plein. De menigte, onder wie doden en gewonden gevallen waren, ontbrandt inderdaad in woede tegen de overwonnenen. “Doodschieten! Dood!” Sommige soldaten pogen handtastelijkheden tegen de ministers te beginnen. Roodgardisten kalmeren de woestelingen: bezoedelt de proletarische overwinning niet! Gewapende arbeiders omringen de gevangenen en het escorte met een dichte haag. “Voorwaarts mars!” Men behoeft niet ver te gaan; door de Milljonajastraat en over de Troïzkibrug. De opwinding onder de menigte maakt echter de korte weg lang en vol gevaren. Minister Nikitin schreef later niet ten onrechte dat de gevolgen zonder het energiek optreden van Antonov “zeer ernstig” hadden kunnen zijn. De stoet werd tot overmaat van ramp op de brug aan een ongeregelde beschieting blootgesteld: de gevangenen en het escorte moeten zich op de grond laten vallen. Ook hier ondervond echter niemand nadeel: men schoot klaarblijkelijk over hen heen, om schrik aan te jagen. Het enge clublokaal van het garnizoen van de vesting, dat met een enkele walmende petroleumlamp verlicht wordt – het elektrische licht weigerde vandaag de dienst – is gevuld met enkele tientallen mensen. Antonov roept in bijzijn van de commissaris van de vesting de ministers bij hun naam op. Zij zijn met achttien, de secretarissen meegerekend. De laatste formaliteiten zijn beëindigd en de gevangenen worden naar de cellen van het historisch Troebetzkoibastion weggeleid. Van de verdedigers is niemand gearresteerd: de officieren en de “jonkers” zijn vrijgelaten op hun erewoord dat zij niets tegen de Sovjetmacht zullen ondernemen. Slechts weinigen hebben hun woord gehouden.

Meteen na de inname van het Winterpaleis verspreidden zich geruchten over fusillades van “jonkers,” verkrachtingen van stootbrigadiersters en plunderingen van de schatten van het paleis in burgerlijke kringen. Al deze legenden waren reeds lang weerlegd toen Miljoekov in zijn Geschiedenis schreef: “De stootbrigadiersters die niet door kogels omgekomen of door de bolsjewieken gevangen genomen waren, moesten die avond en die nacht verschrikkelijke dingen van de kant van de soldaten ondergaan, zij werden mishandeld en doodgeschoten.” In werkelijkheid werd niemand doodgeschoten en had dit met het oog op de stemming van beide partijen in die tijd ook niet kunnen gebeuren. Nog meer ondenkbaar waren gewelddaden, vooral in het paleis, dat behalve door enkele willekeurige individuen door honderden revolutionaire arbeiders met het geweer in de hand betreden werd.

Pogingen tot plundering kwamen inderdaad voor, maar bij deze bleek juist de tucht onder de overwinnaars. John Reed, die geen dramatische gebeurtenis in de revolutie verzuimde en het Winterpaleis onmiddellijk na de eerste cordons betrad, vertelt hoe in de kelders een groepje soldaten met hun geweerkolven de deksels van kisten openbrak en vandaar tapijten, linnen, porselein en glas naar buiten sleepte. Het is niet onmogelijk dat hier onder het mom van soldaten echte plunderaars aan het werk waren, plunderaars die zich in het laatste jaar van de oorlog altijd onder het soldatenuniform plachten te verbergen. De plunderingen waren juist begonnen toen iemand riep: “Kameraden, nergens aankomen, dit alles is eigendom van het volk.” Een soldaat zette zich aan een tafel bij de uitgang neer met pen en inkt; twee Roodgardisten met revolvers plaatsten zich naast hem. Iedereen die naar buiten ging, werd onderzocht en elk geroofd voorwerp afgenomen en genoteerd. Zo werden de beeldjes, flessen met inkt, kaarten, dolken, stukken zeep en struisveren opgestapeld. Ook de “jonkers” wier zakken met geplunderde rommel volgepropt waren, werden aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. De soldaten overstelpten de “jonkers” met scheldwoorden en dreigementen, maar daar bleef het bij. Intussen werd een paleiswacht met de matroos Prichodjo aan het hoofd gevormd. Overal werden posten geplaatst. Het paleis werd van vreemde elementen gezuiverd. Na enkele uren wordt Tsjbednovski tot commandant van het Winterpaleis benoemd.

Waar was echter het volk gebleven dat zich onder aanvoering van de geestelijkheid in beweging gezet had om het paleis te bevrijden? Wij zijn genoodzaakt om iets te zeggen over deze heldhaftige poging, waarvan het nieuws de gemoederen van de “jonkers” een ogenblikje zo geschokt had. De stadsdoema was het centrum van de antibolsjewistische krachten. Haar gebouw op het Nevski was als een kokende ketel. Partijen, fracties, subfracties, groepen, groepjes en invloedrijke personen zonder meer beraadslaagden daar over het misdadig avontuur van de bolsjewieken. Aan de in het Winterpaleis smachtende ministers werd van tijd tot tijd telefonisch meegedeeld dat de opstand onder de druk van de algemene verontwaardiging onvermijdelijk moest verstikken. Het ene uur na het andere verstreek over dit moreel isolement van de bolsjewieken. Intussen begon de artillerie te spreken. Minister Prokopovitsj, die in de loop van de morgen gevangen genomen en spoedig weer vrijgelaten was, klaagt er met een door tranen verstikte stem bij de Doema over dat hem nu de mogelijkheid ontnomen is het lot van zijn collega’s te delen. Men betuigt hem oprechte deelneming en dit eist de nodige tijd.

Uit de overstelpende reeks ideeën en redevoeringen groeit eindelijk onder stormachtige bijval van de gehele zaal een praktisch plan: de Doema zal voltallig naar het Winterpaleis trekken om zo nodig samen met de regering onder te gaan. Sociaal-revolutionairen, mensjewieken en coöperators zijn allen evenzeer bereid om de ministers te redden of samen met hen te vallen. De kadetten, die in het algemeen niet veel voor gevaarlijke ondernemingen voelen, willen ditmaal samen met de anderen hun leven laten. Plattelanders die toevallig in de zaal aanwezig zijn, journalisten van de Doema en velen uit het publiek vragen in min of meer verheven bewoordingen om het lot van de Doema te mogen delen. Dit wordt hen toegestaan.

De bolsjewistische fractie poogt een prozaïsche raad te geven, nl. in plaats van in het donker de dood zoekend door de straten te dwalen, liever de ministers telefonisch te gelasten zich over te geven zonder het op bloedvergieten te laten aankomen. De democraten zijn echter verontwaardigd: de agenten van de opstand zouden hen niet alleen de macht maar ook het recht op een heldendood willen ontnemen! De afgevaardigden van de stad besluiten om een persoonlijke stemming te houden om zich voor de geschiedenis te rechtvaardigen. Tenslotte komt de dood, zelfs een roemrijke dood, nooit te laat. Tweeënzestig afgevaardigden van de stadsdoema bekrachtigen: Ja, wij gaan werkelijk om onder de puinhopen van het Winterpaleis om te komen. Hierop antwoorden veertien bolsjewieken dat het beter is om met het Smolny te overwinnen dan met het Winterpaleis om te komen en ze begeven zich meteen naar de zitting van het Sovjetcongres. Slechts drie mensjewieken-internationalisten blijven binnen de vier muren van de Doema achter: zij weten niet waarheen te gaan en waarvoor te sterven.

De Doema stond reeds op het punt haar laatste tocht te beginnen toen het gerinkel van de telefoon haar het nieuws bracht dat het gehele Uitvoerende Comité van de boerenafgevaardigden onderweg was om zich bij haar aan te sluiten. De vreugde kon niet op. Nu is het beeld volmaakt: de vertegenwoordigers van de honderd miljoenen boeren gaan samen met de vertegenwoordigers van alle klassen van de bevolking in de steden om door de hand van een nietig groepje onderdrukkers te sterven. Er is geen gebrek aan woorden en applaus.

Na de aankomst van de boerenafgevaardigden zette de stoet zich eindelijk op het Nevski in beweging. Aan het hoofd van de stoet lopen de eerste burgemeester Schreider en minister Prokopovitsj. John Reed ontdekte onder de deelnemers de sociaal-revolutionair Avksentjev, de voorzitter van het Boeren Uitvoerend Comité, en de mensjewistische leiders Chintchoek en Abramovitsj, van wie de eerste als rechts en de tweede als links gold. Prokopovitsj en Schreider droegen twee lantaarns. Zo was het telefonisch met de ministers afgesproken opdat de “jonkers” de vrienden niet voor vijanden zouden houden. Prokopovitsj droeg bovendien een paraplu, zoals trouwens vele anderen. Geestelijkheid was er niet. De geestelijkheid was in het aan fantasie zo arme brein van de jonkers ontsproten uit vage herinneringen van de vaderlandse geschiedenis. Er was echter ook geen volk. Het ontbreken hiervan drukte zijn stempel op het gehele optreden: drie- tot vierhonderd “vertegenwoordigers,” maar niemand van degenen die zij vertegenwoordigden. “Het was een donkere nacht,” herinnert de sociaal-revolutionair Sensinov zich, “de lantaarns op het Nevski brandden niet. Wij liepen in een ordelijke stoet en men hoorde slechts ons gezang van de Marseillaise. Uit de verte klonken kanonschoten: de bolsjewieken zetten de beschieting van het Winterpaleis voort.”

Bij het Jekaterininskikanaal heeft zich dwars over het Nevski-Prospect een cordon gewapende matrozen opgesteld die de stoet van de democraten de weg verspert. “Wij zullen voorwaarts gaan,” verklaren de ten dode gewijden, “wat kunnen jullie ons doen?” De matrozen antwoordden hen zonder omhaal dat zij geweld zouden gebruiken: “Ga naar huis en laat ons met rust.” Een van de deelnemers aan de stoet stelde voor om hier meteen ter plaatse om te komen. Deze mogelijkheid was echter niet voorzien in het besluit dat in de Doema bij hoofdelijke stemming genomen was. Minister Prokopovitsj klom op een of andere verhoging en richtte zich “met zijn paraplu zwaaiend” – in de herfst regent het in Petrograd nog al eens – tot de betogers met de oproep om deze sombere en misleide mensen die werkelijk naar de wapens kunnen grijpen niet in verleiding te brengen. “Laten wij naar de Doema terugkeren om middelen tot redding van het land en van de revolutie te beramen.”

Dit was waarlijk een verstandig voorstel. Weliswaar bleef het oorspronkelijk plan daardoor onuitgevoerd. Maar wat is er met gewapende vlegels te beginnen die de leiders van de democratie beletten om een heldendood te sterven? “Wij bleven een tijdje staan, werden door en door koud en besloten om te keren,” schrijft Stankevitsj, die eveneens aan de optocht deelnam, zwaarmoedig. De stoet begaf zich, ditmaal zonder Marseillaise, maar integendeel gedrukt zwijgend over het Nevski terug naar het doemagebouw. Daar zou zij eindelijk “de middelen tot redding van het land en van de revolutie vinden.”

Na de inname van het Winterpaleis beheerste het Militair Revolutiecomité de hoofdstad volkomen. Zoals echter bij een lijk de nagels en de haren doorgroeien, vertoonden er zich bij de afgezette regering tekenen van leven door middel van de officiële pers. De “Bode van de Voorlopige Regering,” die nog op 24 oktober bericht had over het ontslag van de geheimraden “met behoud van uniform en pensioen,” verstomde plotseling op 25 oktober, hetgeen trouwens niemand opmerkte. Op 26 oktober verscheen zij echter opnieuw alsof er niets gebeurd was. Op de eerste bladzijde heette het: “Het nummer van 25 oktober is door elektriciteitsstoring niet verschenen.” Overigens ging, behalve de stroom, het staatsleven zijn gewone gang. De “Bode” van de regering die zich in het Troebetzkoibastion bevond, bevatte een bericht over de benoeming van een tiental nieuwe senatoren. In de rubriek administratieve mededelingen werd in een circulaire van de minister van binnenlandse zaken Nikitin aan de gouvernementscommissarissen de raad gegeven om “zich niet te laten misleiden door valse geruchten over gebeurtenissen in Petrograd waar alles rustig was.” De minister had niet helemaal ongelijk: de revolutiedagen verliepen tamelijk rustig, afgezien van de kanonnade, die trouwens tot akoestische effecten beperkt bleef. En toch heeft de geschiedschrijver geen ongelijk als hij beweert dat op 25 oktober niet alleen de stroom in de landsdrukkerij uitgevallen was, maar ook een belangrijke bladzijde in de geschiedenis van de mensheid begonnen was.

Print Friendly, PDF & Email