De inname van de hoofdstad

Alles veranderde en er veranderde niets. De revolutie had het land ontwricht, het verval vergroot, sommigen angst aangejaagd, anderen verhard, maar nog niets ten einde toe doorgezet, niets gewijzigd. Het keizerlijke Petrograd bleek veeleer in een lethargische slaap verzonken dan dood. De revolutie had de gegoten standbeelden van de monarchie rode vaantjes in de hand gestoken. Grote rode dundoeken woeien boven de gevels van de regeringsgebouwen. De paleizen, ministeries en staven leefden echter geheel apart van hun rode vlaggen, die bovendien door de herfstregens duchtig verbleekt waren. De dubbele adelaars met de scepter en de rijksappel zijn zoveel mogelijk vernield, maar vaker nog weggehangen of haastig overgeschilderd. Zij schijnen zich verborgen te houden. Het gehele oude Rusland houdt zich verborgen met van woede op elkaar geklemde tanden.

De minder imposante figuren van de militiesoldaten op de hoeken van de straten herinneren nog het meest aan de revolutie, waardoor de “farao’s”, die op levende standbeelden geleken, weggevaagd waren. Bovendien noemt Rusland zich nu sinds ongeveer twee maanden een republiek. De tsarenfamilie bevindt zich in Tobolsk. Neen, de Februaristorm is niet spoorloos voorbijgegaan. De tsaristische generaals blijven echter generaals, de senatoren – senatoren, de geheimraden blijven hun waardigheid bekleden, de ranglijst blijft van kracht, de bonte randen om de mutsen en de kokardes herinneren aan de ambtelijke hiërarchie en gele knopen met een adelaar duiden studenten aan. En wat de hoofdzaak is: de grootgrondbezitters blijven grootgrondbezitters, het einde van de oorlog is niet te zien, de diplomaten van de Entente houden het officiële Rusland brutaler dan ooit aan de leiband.

Alles blijft bij het oude en toch herkent niemand zichzelf. De aristocratische wijken voelen zich op de achtergrond gedrongen, de wijken van de liberale bourgeoisie zijn dichter bij de aristocratie gekomen. Het volk is van een patriottische mythe tot een vreselijke realiteit geworden. Alles wankelt onder de voeten en brokkelt af. Het mysticisme laait krachtig op in die kringen, die nog niet zo lang geleden hoonlachten over het bijgeloof van de monarchie.

Beursmensen, advocaten en ballerina’s vervloeken de zedenverbastering die ingetreden is. Het geloof in de Constituerende Vergadering verdwijnt met de dag. Gorki voorspelde in zijn blad de naderende ondergang van de cultuur. De sedert de Junidagen toegenomen vlucht uit het woeste en hongerige Petrograd naar de meer rustige en zelfgenoegzame provincie neemt bij het uitbreken van de Oktoberrevolutie het karakter van een epidemie aan. Degelijke families die er niet in slaagden de hoofdstad te verlaten probeerden tevergeefs om zich van de werkelijkheid af te sluiten achter hun stenen muren en zinken daken.

De echo van de storm dringt van alle kanten binnen: door de markt waar alles duur en schaars wordt; door de ordelievende pers die een gehuil van haat en angst aangeheven heeft; door de levendig borrelende straat waar meermaals vanuit de vensters geschoten wordt en tenslotte door de ingang van het personeel, naar aanleiding van de dienstboden die niet meer geneigd zijn lijdzaam te dienen. Hier treft de revolutie misschien de gevoeligste plek: het verzet van de huisslaven verbreekt definitief de orde in het huishouden.

En toch tracht het gewone leven van elke dag als vanouds zijn gang te gaan. Leerlingen leren in de school uit de oude leerboeken, ambtenaren schrijven paperassen die niemand nodig heeft, dichters maken in het zweet huns aanschijns verzen die niemand leest, en verpleegsters vertellen sprookjes van Tsarevitsj Ivan. Dochters van edellieden en kooplieden die uit de provincie gekomen zijn, studeren muziek of zoeken een bruidegom. Het oude kanon verkondigt vanaf de muren van de Peter-en-Paulsvesting het middaguur. In het Mariinskitheater begint een nieuw ballet en de minister van buitenlandse zaken Teresjtsjenko, die sterker is in de choreografie dan in de diplomatie, vindt stellig tijd om de kanten muts van de ballerina te bewonderen en zo de stabiliteit van het regime te demonstreren.

De overblijfselen van de oude degelijkheid zijn nog zeer talrijk en voor geld is alles te krijgen. Gardeofficieren rinkelen nog luid met hun sporen en zoeken avonturen. In de afzonderlijke eetkamers van de dure restaurants vinden woeste drinkgelagen plaats. De afsluiting van het elektrisch licht om middernacht belet niet dat speelclubs floreren waar bij kaarslicht champagne fonkelt, doorluchtige plunderaars van de staatskas niet minder doorluchtige spionnen laten bloeden, monarchistische samenzweerders Joodse smokkelaars aftroeven en de astronomische bedragen woorvoor gespeeld wordt zowel een mateloze verkwisting alsook een mateloze inflatie aangeven.

Rijdt daar werkelijk een doodgewone tram, verwaarloosd, vuil, langzaam en opgepropt met mensen, uit dit in doodstrijd liggende Sint-Petrograd naar de in hartstochtelijke spanning levende arbeiderswijken? De helblauwe met goud opgelegde koepels van het Smolnyklooster duiden vanuit de verte aan waar de staf van de opstand gevestigd is: aan de rand van de oude stad, bij het eindpunt van de tramlijn, waar de Neva een scherpe bocht naar het zuiden maakt en het centrum van de voorsteden scheidt. Een lang grauw gebouw van drie verdiepingen, een kostschool voor de dochters van de adel, is nu de burcht van de sovjets. De eindeloze hol klinkende gangen zijn als het ware gebouwd voor een les in de perspectiefleer. Op de deuren van vele tientallen kamers langs de gangen hangen nog de geëmailleerde bordjes: “Leraarskamer”, “Derde Klas”, “Vierde Klas”, “Klasselerares”. Naast de oude bordjes of over deze heen zijn echter haastig vellen papier met geheimzinnige revolutielettertekens geplakt: C. C. v. d. S. R. P., S.-D.-mensjewieken, S.-D.-bolsjewieken, Linkse S.-R. Anarchisten-Communisten, Expeditie van het C. J. C., enz., enz., enz. Het oplettend oog van John Reed ontdekte op de muren plakkaten: “Kameraden, wees hygiënisch in het belang van uw eigen gezondheid.” Het Petrograd van oktober leeft onder een regenhemel. De straten zijn sinds lang niet gereinigd en zijn vuil. Op het plein van het Smolny zijn er reusachtige plassen. De soldaten nemen aan hun zolen het vuil mee in de gangen en de zalen. Niemand kijkt nu echter naar beneden naar de grond, iedereen kijkt vooruit.

Het Smolny commandeert steeds energieker en gebiedender, gedragen door de warme sympathie van de massa’s. De centrale leiding bestrijkt direct slechts de hogere delen van het revolutionaire systeem dat in zijn geheel tot taak heeft de omwenteling te voltrekken. Het voornaamste deel wordt door de massa – en als het ware vanzelf gedaan. De fabrieken en kazernes vormen in deze dagen en nachten de historische brandpunten. In de wijk Vyborg concentreren zich net zoals in februari de voornaamste krachten van de revolutie, maar anders dan in februari heeft deze nu zijn machtige en wel een openlijke, algemeen erkende organisatie. Vanuit de straten, fabriekskeukens, clubs en kazernes komen alle draden bijeen in het huisnummer 33 op het Sampsonjevski-Prospect, waar het bolsjewistisch wijkcomité, de sovjet van Vyborg en de staf zich bevinden. De wijkmilitie smelt samen met de Rode Garde. De wijk is volkomen in handen van de arbeiders. Indien de regering het Smolny zou neerslaan, zou de wijk Vyborg alleen reeds het centrum kunnen herstellen en een voortzetting van de aanval mogelijk maken.

De beslissing was nabij, maar de regeerders geloofden tot op het allerlaatste ogenblik, of ze deden althans alsof ze dit geloofden, dat er geen reden tot bezorgdheid was. Het Engelse gezantschap, dat redenen genoeg had om de gebeurtenissen in Petrograd nauwlettend te volgen, ontving volgens de toenmalige Russische gezant te Londen betrouwbare berichten over de komende revolutie. Teresjtsjenko beantwoordde de bezorgde vragen van Buchanan na het traditionele diplomatenontbijt met de stellige verzekering dat “zoiets” niet kon gebeuren en dat de regering de teugels vast in handen had. Het Russische gezantschap vernam de revolutie in Petrograd uit een bericht van het Engelse telegraafagentschap.

De mijnmagnaat Auerbach, die in die dagen de adjudant van de minister Paltsjinski opzocht, informeerde na een gesprek over meer ernstige dingen langs zijn neus weg naar de “donkere wolken aan de politieke horizon” en kreeg een volkomen geruststellend antwoord: “een naderend onweer, meer niet; het zal wel overtrekken en het zal weer opklaren, – slaap gerust.” Paltsjinski zelf zou nog slechts één of twee slapeloze nachten doorbrengen voordat hij gearresteerd werd.

Hoe ongegeneerder Kerenski met de verzoeningsgezinde leiders omsprong, des te minder twijfelde hij eraan of zij zouden op het ogenblik van gevaar tijdig te hulp komen. Hoe zwakker de verzoeningsgezinden werden, des te zorgvuldiger trachtten zij een atmosfeer van illusies om zich heen te handhaven. Terwijl zij vanaf hun hoge posten in Petrograd en de leiders in de provincie en aan het front elkaar wederkerig trachtten te bemoedigen, vervalsten de mensjewieken en sociaal-revolutionairen de publieke opinie en leidden, hun onmacht maskerend, niet zo zeer hun vijanden, dan wel zichzelf om de tuin.

Het logge, volkomen onpraktische staatsapparaat, dat een mengsel was van maart-socialisme en tsarenbureaucratie, was zeer geschikt om zichzelf een rad voor ogen te draaien. De nieuwbakken socialisten waren beducht om zich tegenover de bureaucraten niet voldoende als ervaren staatsmannen voor te doen. De bureaucraten waren bang een tekort aan eerbied voor de nieuwe ideeën aan de dag te leggen. Zo ontstond een officieel leugennet waarin generaals, advocaten, journalisten, commissarissen en adjudanten des te meer schitterden naarmate zij dichter bij de regering stonden. De bevelhebber van het militaire district Petrograd gaf een geruststellend rapport omdat Kerenski dit nodig had tegenover de troosteloze werkelijkheid.

De tradities van de dubbele heerschappij waren in dezelfde richting werkzaam. De lopende beschikkingen van de districtsstaf, die gecontrasigneerd waren door het Militair Revolutiecomité, werden immers zonder tegenspraak uitgevoerd. De wachten in de stad werden als altijd door de troepen van het garnizoen betrokken, en men kan wel zeggen dat de regimenten de wachtdienst sinds lange tijd niet zo ijverig vervuld hadden. Ontevredenheid onder de massa’s? “Oproerige slaven” zijn altijd ontevreden. Alleen het uitschot van de bevolking van de hoofdstad zou aan een poging om een oproer te veroorzaken kunnen deelnemen. De soldatensectie tegen de staf? Maar daarentegen staat de militaire sectie van het Centraal Uitvoerend Comité achter Kerenski. De gehele georganiseerde democratie, met uitzondering van de bolsjewieken, ondersteunt de regering. Zo werd de rooskleurige nimbus van maart tot een grijze mist die de werkelijke verhoudingen verdoezelde.

Pas na de breuk tussen het Smolny en de staf begon de regering het conflict ernstiger onder ogen te zien: er bestond natuurlijk geen direct gevaar, maar men moest ditmaal van de gelegenheid gebruik maken om af te rekenen met de bolsjewieken. Bovendien oefenden ook de burgerlijke bondgenoten druk uit. In de nacht van 24 oktober vatte de regering moed en bepaalde dat er een strafvervolging tegen het Militair Revolutiecomité ingesteld werd, de bolsjewistische kranten die tot de opstand opriepen werden verboden en betrouwbare troepen uit de omgeving en van het front werden opgeëist. De uitvoering van het in principe aangenomen voorstel om het gehele Militair Revolutiecomité gevangen te nemen werd uitgesteld: men moest zich voor een dergelijke grote onderneming eerst van de ondersteuning van het Voorlopig Parlement verzekeren.

Het gerucht van de door de regering genomen besluiten verspreidde zich terstond in de stad. In het gebouw van de hoogste staf naast het Winterpaleis hadden in de nacht van 24 oktober soldaten van het Pavlovski-regiment, een van de meest betrouwbare korpsen van het Militair Revolutiecomité, de wacht. Men sprak in tegenwoordigheid van de soldaten ervan om de “jonkers” te halen, de bruggen te openen en tot arrestaties over te gaan. Alles wat de Pavlovski-soldaten opvingen en konden onthouden, brachten zij terstond over naar de wijken en het Smolny. In het revolutionaire centrum wist men niet altijd de berichten van deze vrijwillige inlichtingendienst te benutten. Toch verrichtte hij waardevolle diensten. De arbeiders en soldaten in de hele stad vernamen de plannen van de vijand en hun bereidwilligheid om tegenstand te bieden, werd daardoor groter.

Vanaf het aanbreken van de morgen troffen de autoriteiten voorbereidingen om de vijandige acties te beginnen. Aan de “jonker”-scholen in de hoofdstad werd gelast om zich tot de strijd gereed te houden. Aan de in de Neva geposteerde kruiser “Aurora” met zijn bolsjewistisch gezind commando – zee te kiezen en zich bij de rest van de vloot te voegen. Troepen zijn uit de omtrek opgeëist: een bataljon stormtroepen uit Tsarskoje Selo, “jonkers” uit Oranienbaum en artillerie uit Pavlovsk. De staf van het Noordelijk front heeft bevel gekregen om onmiddellijk betrouwbare troepen naar de hoofdstad te sturen. Als voorzichtigheidsmaatregel met het oog op een eventuele strijd beveelt men de wachtposten bij het Winterpaleis te versterken, de brug over de Neva op te halen; aan de “jonkers” om de automobielen te controleren; uit het telefoonnet de toestellen van het Smolny uit te schakelen. De minister van justitie gaf bevel om van de tegen borgstelling vrijgelaten bolsjewieken diegenen die zich schuldig gemaakt hadden aan regeringsvijandig optreden meteen terug op te pakken. Deze slag was allereerst tegen Trotski gericht. Hoe zijn de tijden veranderd! Zowel Maljantovitsj als zijn voorganger Saroedny waren in het jaar 1905 Trotski’s advocaten geweest. Toen ging het eveneens om de leiding van de Petrogradse sovjet. Het karakter van de geuite beschuldigingen was in beide gevallen gelijk. Alleen voegden de verdedigers van eertijds die nu aanklagers geworden waren, er nog de kleinigheid van het Duitse geld aan toe.

De staf van het militaire district was intussen koortsachtig aan het werk geweest op typografisch gebied. Het ene document volgde op het andere: geen enkele demonstratie zou geduld worden; de schuldigen konden erop rekenen streng gestraft te zullen worden; een verbod aan de troepen van het garnizoen om zonder toestemming van de staf de kazernes te verlaten; “de commissarissen van de sovjet van Petrograd moeten allemaal verwijderd worden”; er moet een onderzoek ingesteld worden naar hun onwettig optreden, “opdat zij voor een krijgsraad gebracht zullen worden.” Er wordt echter niet in deze dreigende bevelen gezegd hoe en door wie zij uitgevoerd zullen moeten worden.

Onder bedreiging met persoonlijke aansprakelijkheid eiste de commandant van de bezitters van auto’s dat zij deze ter beschikking van de staf zouden stellen, “om onteigeningen op eigen gezag te voorkomen.” Niemand verroerde echter een vin om hieraan te voldoen.

Het Centraal Uitvoerend Comité was eveneens niet zuinig met waarschuwingen en dreigementen. Het wordt op de hielen gevolgd door: het Boeren Uitvoerend Comité, de stadsdoema, de Centrale Comités van de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen. Al deze instellingen hadden een rijke keuze van literaire omschrijvingen. Er was in de oproepen die de muren en schuttingen bedekten geregeld sprake van een groepje waanzinnigen, van het gevaar van bloedige gevechten en de onvermijdelijkheid van een contrarevolutie.

Om half zes ’s morgens verscheen een regeringscommissaris met een afdeling “jonkers” in de bolsjewistische drukkerij die de uitgangen bezetten en een bevel van de staf betreffende een onmiddellijk verbod van het voornaamste orgaan en het blad “De Soldaat” toonden. Wat nu? De staf? Bestaat die dan nog? Hier zouden geen bevelen zonder goedkeuring van het Militair Revolutiecomité erkend worden. Het baat echter niet: de stereotypen worden stukgeslagen en het gebouw verzegeld. De regering kan haar eerste succes boeken.

Een arbeider en een arbeidster van de bolsjewistische drukkerij komen ademloos naar het Smolny gelopen waar zij Podvojski en Trotski aantreffen: de arbeiders zullen zorgen dat de krant verschijnt indien het comité hen bescherming tegen de “jonkers” verleent. Het eerste antwoord op de aanval van de regering is dus gevonden. Er wordt een bevel aan het Litovski-regiment opgesteld om terstond een compagnie ter verdediging van de arbeiderspers te zenden. De afgezanten van de drukkerij dringen erop aan dat ook het 6de pioniersbataljon gehaald zal worden: die liggen dichtbij en zijn trouwe vrienden. Terstond wordt naar beide getelefoneerd. De Litovskstsy en de pioniers rukken onverwijld op. De zegels van het gebouw worden verbroken, de matrijzen opnieuw gegoten en men gaat met nieuwe moed aan het werk. Met enkele uren vertraging verschijnt de door de regering verboden krant onder bescherming van troepen van het comité dat zelf gevangengenomen moet worden. Dit betekent de opstand. Zo komt hij aan het rollen.

Tegelijkertijd wendde de kruiser “Aurora” zich tot het Smolny met de vraag of men zee moest kiezen of in de wateren van de Neva blijven. De matrozen die in augustus het Winterpaleis tegen Kornilov beschermd hadden, brandden nu van verlangen om met Kerenski af te rekenen. De order van de regering wordt op staande voet door het comité ingetrokken en het commando krijgt de order Nr. 1218: “De kruiser Aurora moet zich tegen een eventuele overval op het Petrogradse garnizoen van de kant van de contrarevolutionaire elementen met sleepboten, stoomboten en stoombarkassen beschermen.” De kruiser komt vol geestdrift het bevel waarop hij slechts gewacht had na.

Deze twee daden van verzet, die door de arbeiders en matrozen ingegeven en dankzij de sympathie van het garnizoen zonder enige moeilijkheid doorgevoerd waren, werden tot politieke gebeurtenissen van de allereerste rang. De laatste restanten van regeringsfetisjisme vielen uiteen. “Opeens werd het duidelijk,” zegt iemand die zelf aan de strijd deelnam, “dat de zaak reeds volbracht was.” Al was zij niet volbracht, dan bleek het toch in elk geval veel eenvoudiger te zijn dan men aan de vooravond dacht.

De poging om de krant te verbieden, het bevel tot gevangenneming van het Militair Revolutiecomité, de beschikking betreffende de verwijdering van de commissarissen, de uitschakeling van de telefoons van het Smolny, al deze speldenprikken zijn juist voldoende om de regering ervan te kunnen beschuldigen dat zij een contrarevolutionaire omwenteling voorbereidt. Al kan de opstand ook slechts als aanval zegevieren, zo ontplooit hij zich toch succesvoller naarmate hij zich meer als een verdediging voordoet. Een stukje ambtelijk zegellak op de deur van de bolsjewistische redactie is – als oorlogsmaatregel – onbelangrijk. Doch welk een voortreffelijk signaal tot de strijd! Eén telefoontje aan alle wijken en delen van het garnizoen brengt iedereen op de hoogte van het voorval: “De vijanden van het volk zijn in de nacht tot de aanval overgegaan… Het Militair Revolutiecomité leidt de verdediging tegen de aanval van de samenzweerders.” De samenzweerders dat zijn de officiële regeringsorganen. Deze kwalificatie klinkt eigenaardig uit de pen van revolutionaire samenzweerders. Zij is echter geheel in overeenstemming met de situatie en de gevoelens van de massa’s. Verdrongen uit alle stellingen, genoodzaakt de weg van een te late verdediging in te slaan, niet in staat om de daarvoor noodzakelijke krachten te mobiliseren of zelfs maar na te gaan of deze aanwezig zijn, gaat de regering over tot op zichzelf staande, ondoordachte en onsamenhangende daden die noodzakelijk in de ogen van de massa’s boosaardige aanvallen moeten lijken. Telefonisch beveelt het comité: “Het regiment strijdvaardig maken en verdere bevelen afwachten.” Dit is een regeringsgeluid. De commissarissen van het comité die verwijderd moeten worden, gaan met verdubbelde kracht voort diegenen te verwijderen die het hen nodig voorkomt te verwijderen.

De “Aurora” op de Neva betekende niet alleen een voortreffelijke strijdkracht in dienst van de opstand; maar hij was ook voorzien van een radiostation. Een onschatbaar voordeel! De matroos Koerkov herinnert zich: “Wij kregen van Trotski bevel om door de radio mee te delen dat de contrarevolutie tot de aanval was overgegaan.” De verdedigende vorm waarin het bericht gegoten was, diende ook hier om de oproep tot de opstand waarmee men zich nu tot het hele land wendde te verbloemen. Aan de garnizoenen die de toegangswegen tot Petrograd beschermden, wordt door de radiozender van de “Aurora” gelast om de contrarevolutionaire troepen tegen te houden en indien dit niet met overredingskracht lukt om geweld te gebruiken. Aan alle revolutionaire organisaties wordt de plicht opgelegd om onafgebroken bijeen te blijven en alle gegevens omtrent plannen en optreden van de samenzweerders te verzamelen. Er was, naar men ziet, ook aan de kant van het comité geen gebrek aan oproepen. Er was hier echter geen kloof tussen woord en daad, beide vulden elkaar aan.

Hoewel wat laat, gaat men ertoe over het Smolny beter te versterken. Toen hij om 3 uur in de nacht van 24 oktober het gebouw verliet, vielen John Reed machinegeweren bij de deuren en sterke patrouilles die de poort en de naburige kruispunten bewaakten op: de posten waren reeds de avond voordien met een compagnie van het Litovski-regiment en met een afdeling mitrailleurs met vierentwintig machinegeweren versterkt. In de loop van de dag werd de wacht voortdurend uitgebreid. “Men kon,” schrijft Sjljapnikov, “in de wijk van het Smolny soortgelijke tonelen waarnemen als in de eerste dagen van de Februarirevolutie voor het Taurisch paleis: hetzelfde gekrioel van soldaten, arbeiders en allerlei wapens. Op het ruime plein zijn reusachtige massa’s hout opgestapeld die als een veilige dekking tegen het geweervuur kunnen dienen. Vrachtauto’s met proviand en munitie komen aangereden.” “Het gehele Smolny was,” naar Raskolnikov vertelt, “in een militair kamp veranderd. Buiten voor de zuilengalerij staan kanonnen in stelling, daarnaast machinegeweren… Bijna op elke trede van de trap de maxims die op speelgoedkanonnetjes lijken. En in alle gangen… de snelle, luide, vrolijke stap van soldaten en arbeiders, matrozen en propagandisten.” Soechanov, die de organisatoren van de opstand niet ten onrechte een tekort aan omzichtigheid verwijt, schrijft: “Nu pas, op 24 oktober overdag en ’s avonds, begonnen er gewapende afdelingen Roodgardisten en soldaten in het Smolny aan te komen ter bescherming van de staf van de opstand… Tegen de avond van 24 oktober begon de bewaking van het Smolny op iets te lijken.” Deze kwestie is niet zonder belang. In het Smolny, van waaruit het verzoeningsgezinde Uitvoerend Comité zich onopgemerkt naar de lokaliteiten van de regeringsstaf kon begeven, zijn nu de gezamenlijke leiders van alle door de bolsjewieken geleide revolutionaire organisaties samengetrokken. Hier komt op deze dag de vergadering van het Centraal Comité van de bolsjewieken bijeen om de laatste beslissingen voor de slag te nemen. Elf leden zijn aanwezig. Lenin heeft zijn schuilplaats in de wijk Vyborg nog niet verlaten. Niet aanwezig is Zinovjev, die zich volgens de kernachtige uitdrukking van Dsersjinski “verborgen houdt en niet deelneemt aan het partijwerk.” Daarentegen is Kamenev, Zinovjevs geestverwant, zeer actief in de staf van de opstand werkzaam. Afwezig gebleven is ook Stalin: hij verschijnt in het geheel niet in het Smolny en brengt zijn tijd in de redactie van het voornaamste orgaan door. De zitting heeft zoals altijd plaats onder voorzitterschap van Sverdlov. De officiële notulen zijn kort, maar het voornaamste is erin te vinden. Zij zijn van onschatbare waarde om de voornaamste deelnemers aan de revolutie en de verdeling van de functies te leren kennen.

Het gaat erom in de loop van de komende vierentwintig uur Petrograd definitief te veroveren. D.w.z. zich meester te maken van die politieke en technische instellingen die nog in handen van de regering gebleven zijn. Het Sovjetcongres moet plaatsvinden onder een Sovjetregering. De praktische maatregelen voor de nachtelijke aanval zijn uitgewerkt of worden uitgewerkt in het Militair Revolutiecomité en de Militaire Organisatie van de bolsjewieken. Het Centraal Comité moet de laatste hand eraan leggen.

Allereerst wordt het voorstel van Kamenev aangenomen: “Vandaag mag geen enkel lid van het Centraal Comité zich zonder toestemming uit het Smolny verwijderen.” Er wordt bovendien besloten om hier een wacht, bestaande uit leden van het Petrogradse partijcomité, te vestigen. De notulen vervolgen: “Trotski stelt voor om aan het Militair Revolutiecomité twee leden van het Centraal Comité toe te voegen om verbindingen aan te knopen met de post-, telegrafie- en spoorwegbeambten en een derde lid om de Voorlopige Regering te bewaken.” Men besluit Dsersjinski naar het post- en telegraafkantoor en Boebnov naar het station af te vaardigen. Aanvankelijk is men van plan, klaarblijkelijk op initiatief van Sverdlov, om Podvojski met de bewaking van de Voorlopige Regering te belasten. In de notulen leest men: “Er worden bezwaren gemaakt tegen Podvojski; Sverdlov krijgt de opdracht.” Miljoetin, die voor economist doorgaat, wordt met de voedselvoorziening belast. Om te onderhandelen met de linkse sociaal-revolutionairen wordt Kamenev aangewezen, die de reputatie heeft van een handig hoewel soepel onderhandelaar: natuurlijk soepel naar bolsjewistische maatstaf. “Trotski stelt voor,” zo lezen wij verder, “om een reservestaf in de Peter-en-Paulsvesting te vestigen en met dit doel een lid van het Centraal Comité daarheen te zenden.” Besloten wordt om “met de algemene bewaking Lasjevitsj en Blagonravov en met het onderhouden van een geregelde verbinding met de vesting Sverdlov te belasten.” Tenslotte, om “aan alle leden van het Centraal Comité paspoorten voor de vesting te verstrekken.”

Wat de partij betreft, kwamen alle draden samen in handen van Sverdlov die de bolsjewistische kaders als geen ander kende. Hij verbond het Smolny met het partijapparaat, voorzag het Militair Revolutiecomité van de nodige medewerkers en werd op alle kritieke ogenblikken daarheen geroepen om raad te geven. Daar het ledental van het Comité te groot en gedeeltelijk ook wisselend was, werden de maatregelen die een meer geheimzinnig karakter droegen, uitgevoerd door de leiding van de Militaire Organisatie van de bolsjewieken of door Sverdlov, die officieus maar des te meer de werkelijke “secretaris-generaal” van de Oktoberrevolutie was.

De bolsjewistische afgevaardigden die in deze dagen voor het Sovjetcongres aankwamen, vielen eerst in handen van Sverdlov en bleven geen uur lang zonder werk. Op 24 oktober telde men in Petrograd reeds twee à driehonderd afgevaardigden uit de provincie en de meeste van hen werden op de een of andere manier in het raderwerk van de opstand opgenomen. Om twee uur ’s middags kwamen zij in het Smolny bijeen voor een fractievergadering om een rapport van het Centraal Comité van de partij aan te horen. Er waren twijfelaars onder hen, die net als Zinovjev en Kamenev de voorkeur zouden gegeven hebben aan een afwachtende politiek; en ook eenvoudig niet volkomen betrouwbare rekruten. Er kon geen sprake van zijn het plan van de opstand aan de fractie uiteen te zetten: hetgeen in een grote, hoezeer ook besloten vergadering besproken wordt, raakt onvermijdelijk naar buiten uit bekend. Men kan nog niet eens het defensieve mom van de opstand afrukken en wegwerpen zonder gevaar te lopen dat men onder sommige delen van het garnizoen verwarring zou stichten. Men moet echter tegelijkertijd te verstaan geven dat de beslissende strijd reeds begonnen is en dat het congres alleen nog maar de taak heeft om deze met succes te bekronen.

Met een beroep op het onlangs verschenen artikel van Lenin toont Trotski aan dat “een samenzwering niet in strijd is met de marxistische beginselen,” indien de objectieve verhoudingen een opstand mogelijk en onvermijdelijk maken. “De fysieke barrière op de weg naar de macht moet men door het toebrengen van een slag overwinnen.” De politiek van het Militair Revolutiecomité bleef echter tot nu toe tot een verdediging beperkt. Deze verdediging dient men natuurlijk zeer ruim op te vatten. Het waarborgen van de verschijning van de bolsjewistische bladen met behulp van de gewapende macht of het terughouden van de “Aurora” in de Neva – “is dat een verdedigingsmaatregel, kameraden?” – “Ja, dat is een verdedigingsmaatregel!” Indien de regering op de gedachte mocht komen om ons te arresteren, dan zijn er met het oog hierop machinegeweren op het dak van het Smolny opgesteld. “Ook dit is een verdedigingsmaatregel, kameraden.” En “wat moet er met de Voorlopige Regering gebeuren?”, zo luidt een schriftelijk ingediende vraag. “Indien Kerenski zou trachten om zich niet aan het Sovjetcongres te onderwerpen,” antwoordt de referent, “dan zou de tegenstand van de regering een politionele en geen politieke aangelegenheid” worden. Eigenlijk was dit reeds vrijwel het geval.

Op dit ogenblik wordt Trotski naar buiten geroepen om te spreken met een deputatie van de stadsdoema, die zo juist aangekomen. Er heerst weliswaar voorlopig nog rust in de hoofdstad, maar onrustbarende geruchten doen de ronde. De burgemeester stelt enkele vragen. Is de sovjet van plan een opstand te beginnen? En hoe moet het met de orde in de stad gaan? En wat zal er met de Doema gebeuren indien zij de revolutie niet erkent? Deze edelachtbare heren vragen wel wat veel. De kwestie van de macht, zo luidt het antwoord, staat ter beslissing van het Sovjetcongres. Of het tot een gewapende strijd zal komen, “hangt niet zozeer van de Sovjets af, dan wel van hen die tegen de uitgesproken wil van het gehele volk de staatsmacht in handen houden.” Indien het congres de macht van de hand zou wijzen, zal de Petrogradse Sovjet zich daaraan onderwerpen. De regering zoekt echter klaarblijkelijk zelf een conflict. Er is een bevel tot gevangenneming tegen het Militair Revolutiecomité uitgevaardigd. De arbeiders en soldaten kunnen daarop slechts met de meest verbitterde tegenstand antwoorden. Plunderingen en gewelddaden van misdadigersbenden? Het vandaag uitgevaardigd bevel van het comité luidt: “Bij de eerste de beste poging van obscure elementen om in de straten van Petrograd onlusten, plunderingen, steekpartijen of schietpartijen teweeg te brengen, zullen de schuldigen een kopje kleiner gemaakt worden.” Wat de stadsdoema betreft, zou men in geval van een conflict volgens de constitutionele methode te werk gaan, nl. deze ontbinden of nieuwe verkiezingen doen houden. De delegatie ging onbevredigd weg. Maar waarop had zij eigenlijk gerekend?

Het officiële bezoek van de vroede vaderen van de stad in het kamp van de opstandelingen was een maar al te openlijke demonstratie van onmacht van de regering. “Vergeet niet, kameraden,” zei Trotski, toen hij bij de bolsjewistische fractie teruggekeerd was, “dat wij nog maar enkele weken geleden, toen wij de meerderheid kregen, slechts een klein zaakje waren – zonder drukkerij, zonder kas en zonder filialen – en nu komt een deputatie van de stadsdoema naar het gevangengenomen Militair Revolutiecomité om zich te vergewissen van het toekomstig lot van de stad en de staat.”

De Peter-en-Paulsvesting, die politiek nog maar gisteren veroverd was, bereidt zich vandaag voor op de strijd. Het machinegeweerkorps, de meest revolutionaire troepenafdeling, wordt strijdvaardig gemaakt. IJverig worden de Coltmachinegeweren gepoetst: er zijn er tachtig. Machinegeweren worden op de vestingmuur opgesteld om de kaden en de Troïzkibrug te bestrijken. De wacht voor de poort wordt versterkt. Patrouilles zijn naar de omgeving uitgestuurd. Bij dit koortsachtig gedoe in de vroege morgenuren blijkt echter dat men nog niet volkomen zeker kan zijn van de toestand binnen de vesting. Een afdeling wielrijders brengt verwarring. Net als de cavaleristen die uit welvarende en rijke boeren gerekruteerd zijn, vormen ook de wielrijders die uit de burgerlijke tussengroepen voortkomen de meest conservatieve delen van het leger. Een mooi onderwerp voor idealistische psychologen: het is voldoende dat iemand, althans in een land zo arm als Rusland, in tegenstelling tot zijn medemensen op twee wielen met kettingtransmissie zit – of hij begint als zijn fietsband te zwellen van trots. In Amerika is er al een automobiel nodig voor een dergelijk resultaat.

Het bataljon dat men had laten aanrukken om de Julibeweging te onderdrukken, had toentertijd ijverig deelgenomen aan de inname van het Ksjessinskaja-paleis en was daarna als een buitengewoon betrouwbaar korps in de Peter-en-Paulsvesting ondergebracht. De wielrijders hadden, naar het bleek, niet deelgenomen aan de meeting die gisteren gehouden was en waar over het lot van de vesting beslist werd: de discipline was nog zo goed in het bataljon dat de officieren erin slaagden om de soldaten over te halen niet naar het vestingplein te gaan. Stellig rekenend op de wielrijders, verbeeldt de commandant van de vesting zich heel wat, spreekt herhaaldelijk telefonisch met de staf van Kerenski en wil klaarblijkelijk zelfs de commissaris van het Militair Revolutiecomité gevangen nemen. Deze verwarde toestand mag geen ogenblik langer duren! Op een bevel uit het Smolny snijdt Blagonravov de tegenstander de pas af: de commandant krijgt huisarrest en de telefoontoestellen worden uit alle officierswoningen weggehaald. Vanuit de staf van de regering wordt angstig gevraagd waarom de commandant niet meer antwoordt en wat er in het algemeen in de vesting gebeurt. Blagonravov meldt onderdanig door de telefoon dat de vesting van nu af aan slechts aan de bevelen van het Militair Revolutiecomité gehoorzaamde, waartoe ook de regering zich verder had te wenden.

In alle troepen van het garnizoen wordt met voldoening kennis genomen van de arrestatie van de commandant. De wielrijders tonen zich echter gereserveerd. Wat steekt er achter dit somber zwijgen van hen: loerende vijandigheid of laatste twijfels? “Wij besluiten een afzonderlijke meeting voor de wielrijders te organiseren,” schrijft Blagonravov, “en daartoe onze beste propagandistische krachten uit te nodigen, met name Trotski die zeer veel gezag en invloed onder de soldatenmassa’s heeft.” Tegen 4 uur ’s namiddags komt het gehele bataljon in het gebouw van het naburige circus Modern bijeen. Generaal-kwartiermeester Poradelov, die voor sociaal-revolutionair doorging, trad als spreker van de regering op. Zijn bezwaren waren zo voorzichtig dat zij dubbelzinnig klonken. Des te vernietigender was de aanval van de vertegenwoordigers van het Comité. Het einde van de laatste oratorische slag om de Peter-en-Paulsvesting was, naar men mocht verwachten, dat het bataljon met algemene stemmen op dertig na de resolutie van Trotski goedkeurde. Weer was een van de mogelijke gewapende conflicten voordat het tot strijd kwam zonder bloedvergieten opgelost. Dat is nu juist de Oktoberopstand. Dat is zijn stijl.

Men kon zich van nu af aan met een rustig gevoel van zekerheid op de vesting verlaten. Zonder enige moeilijkheden werden wapens uit het arsenaal geleverd. Gedelegeerden uit de bedrijven vormden een file in het Smolny, in het vertrek van het fabriekscomité, om wapens toegewezen te krijgen. De hoofdstad had in de oorlogsjaren menige file aanschouwd: nu ontstonden de eerste files om geweren. Vanuit alle wijken stroomden vrachtauto’s naar het arsenaal. “De Peter-en-Paulsvesting was niet meer te herkennen,” schrijft de arbeider Skorinko, “haar zo geprezen rust was door automobielgeronk, wielengeknars en geschreeuw verbroken. Het gedrang was vooral groot bij de opslagplaatsen… hier werden ook de eerste gevangenen aan ons voorbij geleid – officieren en jonkers.” Die dag kreeg het 180ste infanterieregiment, dat ontwapend was omdat het actief deel genomen had aan de Juliopstand, geweren.

De gevolgen van de meeting in het circus Modern bleken ook aan de andere zijde: de wielrijders die sinds de maand juli het Winterpaleis moesten verdedigen, verlieten eigenmachtig hun post en verklaarden dat zij de regering niet langer wilden verdedigen. Dit was een zware slag. De wielrijders moesten door “jonkers” vervangen worden. Steeds meer bleven de opleidingscholen de enige militaire steun van de regering. Het leger dat tot handhaving van de orde diende, werd hierdoor niet alleen veel kleiner, maar ook werd de sociale herkomst van dat leger hierdoor volkomen blootgelegd.

De arbeiders van de Poetilovwerf, en met hen vele anderen, stelden aan het Smolny voor om zo snel mogelijk tot een ontwapening van de “jonker”-scholen over te gaan. Indien deze maatregel na een zorgvuldige voorbereiding en na voorafgaand overleg met de bedieningsmanschappen van de scholen in de nacht van 25 oktober doorgevoerd was, zou het Winterpaleis de volgende dag zonder enige moeilijkheid ingenomen zijn. Indien de “jonkers” althans in de nacht van 26 oktober ontwapend waren, nadat het Winterpaleis ingenomen was, zou de tegenopstand op 29 oktober geen poging gewaagd hebben. De leiders betoonden echter nog maar al te veel “edelmoedigheid”, in werkelijkheid een overmaat van optimistische zekerheid, en ze luisterden niet genoeg naar de nuchtere stem van de volksmassa’s: ook hierin kwam de afwezigheid van Lenin tot uiting. De gevolgen van de verzuimen en fouten moesten later door de massa’s goedgemaakt worden met onnodige slachtoffers aan beide kanten. Er is in een ernstige strijd geen grotere wreedheid denkbaar dan misplaatste “edelmoedigheid”

In de bijeenkomst van het Voorlopig Parlement van die dag zong Kerenski zijn zwanenzang. De Russische bevolking en vooral die in de hoofdstad bevond zich de laatste tijd in een alarmtoestand: “Dagelijks drukken de bolsjewistische bladen oproepen tot een opstand af.” De spreker citeerde het artikel van de bij verstek veroordeelde politieke misdadiger Vladimir Oeljanov Lenin. De citaten spraken voor zichzelf en lieten overduidelijk zien dat bovengenoemde persoon tot een opstand opriep. En in welk een situatie? Op het ogenblik waarop de regering beraadslaagt over het vraagstuk van de overgang van de grond op de boerencomités en over maatregelen om een einde te maken aan de oorlog. De autoriteiten hadden tot nu toe gewacht met de samenzweerders neer te slaan om deze in de gelegenheid te stellen zelf hun fouten goed te maken. “Dat is juist het erge,” klinkt het uit de groep die door Miljoekov geleid wordt. Kerenski laat zich echter niet van zijn stuk brengen. “Ik geef er in het algemeen de voorkeur aan dat de regering wat langzamer, maar des te zekerder en op het goede ogenblik krachtiger optreedt.” Deze woorden klinken merkwaardig uit zijn mond! In elk geval was “het nu de hoogste tijd.” De bolsjewieken hadden niet alleen geen berouw getoond, maar twee compagnieën opgeëist en eigenmachtig wapens en patronen verdeeld. De regering wilde ditmaal een einde maken aan de excessen van het gepeupel. Ik zeg expres: “Gepeupel”. Rechts wordt deze belediging aan het adres van het volk met een stormachtig applaus ontvangen. Hij, Kerenski, had reeds bevel gegeven over te gaan tot nu onvermijdelijk geworden arrestaties. “Vooral dient men te letten op de redevoeringen van de voorzitter van de Petrogradse sovjet, Bronstein-Trotski.” Men diende te weten dat de regering over meer dan genoeg krachten beschikte en dat van het front voortdurend geëist werd dat er krachtige maatregelen tegen de bolsjewieken genomen zouden worden. Op dit moment overhandigt Konovalov de spreker een draadloos telegram van het Militair Revolutiecomité aan de troepen van het garnizoen: “Het regiment strijdvaardig maken en verdere bevelen afwachten.” Kerenski besluit plechtig: “Volgens de wet en de rechtspraak is dit een opstand.” Miljoekov verklaart: “Kerenski sprak deze woorden op de tevreden toon van een advocaat die er eindelijk in geslaagd is om zijn tegenstander op heterdaad te betrappen.” – “Die groepen en partijen die het gewaagd hebben om hun hand tegen de staat op te heffen, zullen wij onverwijld en volkomen vernietigen.” De gehele zaal met uitzondering van het linkse deel applaudisseert ostentatief. De spreker eindigt met de eis dat men vandaag nog, in deze zitting, antwoord zal geven. Hij vraagt of de regering bij de vervulling van haar plicht stellig op de ondersteuning van deze hoge vergadering kan rekenen?

Zonder de stemming af te wachten keerde Kerenski terug naar de staf. Hij was er naar eigen zeggen van overtuigd dat het geen uur zou duren vooraleer hij het nodige besluit zou krijgen, hij wist overigens zelf niet waartoe hij dit besluit zou gebruiken. Maar het liep anders. Van twee uur tot zes uur ’s avonds waren er in het Mariinskipaleis besprekingen in de fracties en tussen de fracties onderling over de tekst van de motie: de deelnemers hadden nog niet begrepen dat het om een verdwijning in het niets ging. Geen van de verzoeningsgezinde groepen wilde zich met de regering vereenzelvigen. Dan zei: “Wij mensjewieken zijn bereid tot de laatste druppel bloed de Voorlopige Regering te verdedigen; zij moet echter de democratie in de gelegenheid stellen zich om haar aaneen te sluiten.” Tegen de avond verenigden de verbrokkelde, gedemoraliseerde en van het zoeken naar een uitweg uitgeputte linkse fracties van het Voorlopig Parlement zich rond een door Dan aan Martov ontleende formule waarin de verantwoordelijkheid voor de opstand niet alleen op de bolsjewieken, maar ook op de regering geschoven werd, een onmiddellijke overgave van de grond en de bodem aan de landcomités, stappen bij de Geallieerden ten behoeve van vredesonderhandelingen enz. geëist werden. Zo trachtten de apostels van de gematigdheid op het allerlaatste ogenblik leuzen na te apen die zij gisteren nog als demagogisch en avontuurlijk gebrandmerkt hadden. Behalve de coöperatoren zegden enkel de kadetten en de Kozakken onvoorwaardelijk hun steun aan de regering toe: twee groepen die van plan waren Kerenski bij de eerste de beste gelegenheid ten val te brengen. Zij bleven echter in de minderheid. De steun van het Voorlopig Parlement had de regering ook niet veel kunnen opleveren. Toch heeft Miljoekov gelijk wanneer hij zegt dat de regering door het weigeren van deze ondersteuning haar laatste autoriteit verbeurde. De regering had immers enkele weken geleden zelf bepaald hoe het Voorlopig Parlement samengesteld zou zijn.

Terwijl men in het Mariinskipaleis naar een reddende formule zocht, kwam in het Smolny de Petrograd sovjet bijeen om zich van de gebeurtenissen op de hoogte te stellen. De rapporteur acht het ook hier noodzakelijk om eraan te herinneren dat het Militair Revolutiecomité niet als een orgaan van de opstand, maar met het oog op de verdediging van de revolutie ontstaan was. Het comité had Kerenski belet de revolutionaire troepen uit Petrograd te verwijderen en de arbeiderspers in bescherming genomen. “Is dat een opstand?” De “Aurora” ligt vandaag nog daar waar zij gisterennacht was. “Is dat een opstand?” – “Er bestaat bij ons een schijnregering die het volk niet vertrouwt en die zichzelf niet vertrouwt, want zij is innerlijk rot. Deze schijnregering wacht er slechts op door historische krachten weggevaagd te worden en plaats te maken voor een werkelijke regering van het revolutionaire volk.” Morgen zou het Sovjetcongres geopend worden. Het was de plicht van het garnizoen en de arbeiders om al hun krachten ter beschikking van het congres te stellen. Indien de regering echter zou pogen om de vierentwintig of achtenveertig uur die haar nog overbleven te benutten om de revolutie in de rug aan te vallen, verklaren wij nog eens dat de voorste gelederen van de revolutie elke slag zullen weten te pareren. Dit openlijk dreigement is tevens een politieke maskering van de slag die in de nacht te wachten staat. Trotski deelt tenslotte mee dat de fractie van de linkse sociaal-revolutionairen in het Voorlopig Parlement na het optreden van Kerenski en het muggenziften van de verzoeningsgezinde fracties een delegatie naar het Smolny gezonden en zich bereid verklaard had om officieel in het Militair Revolutiecomité te treden. De Sovjet zag met vreugde in deze bocht van de linkse sociaal-revolutionairen een weerslag van diepgaande processen: de groeiende omvang van de boerenoorlog en het succesvol verloop van de Petrogradse opstand.

Miljoekov schrijft ter toelichting op de mededeling van de voorzitter van de Petrogradse sovjet: “Trotski’s oorspronkelijk plan was waarschijnlijk eveneens om na voorbereidende maatregelen voor de strijd, de regering van aangezicht tot aangezicht te plaatsen tegenover de eendrachtige wil van het volk zoals deze tot uiting gekomen was op het Sovjetcongres, om zo aan de nieuwe regering de schijn van een wettige oorsprong te geven. De regering bleek echter zwakker te zijn dan hij verwacht had. En de macht viel hem vanzelf in de schoot, voordat het congres bijeenkwam en zich uiten kon.” Het is juist dat de zwakte van de regering alle verwachtingen overtrof. Het was echter van meet af aan het plan om de macht vóór de opening van het congres te grijpen. Miljoekov geeft dit trouwens elders zelf toe. “De werkelijke plannen van de leiders van de opstand,” schrijft hij, “gingen veel verder dan deze officiële verklaringen van Trotski… Men wilde het Sovjetcongres voor een voldongen feit plaatsen.”

Het zuiver militaire plan was oorspronkelijk de Baltische matrozen met de gewapende arbeiders van Vyborg te verenigen: de matrozen zouden per spoor aankomen en op het Finse station, dat in de wijk Vyborg gelegen is, uitstappen. De opstand zou zich vanuit dit verzamelpunt door toevoeging van meerdere afdelingen van de Rode Garde en troepen van het garnizoen over andere wijken uitbreiden, om na bezetting van de bruggen in het centrum door te dringen en de definitieve slag toe te brengen. Dit plan, dat als vanzelf uit de toestand voortvloeide en klaarblijkelijk door Antonov uitgewerkt was, was gebaseerd op de veronderstelling dat de tegenstander nog tegenstand van betekenis kon bieden. Deze voorwaarde kwam echter spoedig te vervallen: het was niet nodig om vanuit één enkel verzamelpunt op te treden; de regering bleek overal waar de opstandelingen meenden tegen haar te moeten optreden volkomen onbeschermd te zijn. Het strategische plan onderging ook wijzigingen wat betreft de termijnen en wel in tweeërlei opzicht: de opstand brak eerder uit en eindigde later dan men gedacht had. De aanslag van de regering in de loop van de morgen lokte terstond maatregelen van verzet met een defensief karakter van de kant van het Militair Revolutiecomité uit. De onmacht van de autoriteiten die daarbij aan het licht kwam, dreef het Smolny reeds in de loop van de dag tot aanvalsmaatregelen die echter een halfslachtig, gedeeltelijk gemaskeerd en voorlopig karakter droegen. De voornaamste slag zou, zoals oorspronkelijk bepaald was, ’s nachts toegebracht worden: in dit opzicht bleef het oorspronkelijk plan van kracht. Bij de uitvoering werd het echter gewijzigd, maar nu in tegenovergestelde richting. De bezetting van alle regeringsposten, allereerst van het Winterpaleis, waar de centrale regering zich verborgen hield, zou in de nacht gebeuren. De tijdsindeling is echter bij een opstand nog moeilijker dan in een geregelde oorlog. De leiders hadden voor het samentrekken van de krachten vele uren langer nodig gehad dan oorspronkelijk bepaald was en de operaties tegen het Winterpaleis, waarmee ’s nachts nog niet eens aangevangen kon worden, vormden een afzonderlijk hoofdstuk in de revolutie, dat pas in de nacht van 26 oktober, d.w.z. met een vertraging van ruim vierentwintig uur, afgesloten werd. Zonder ernstige tegenslagen is zelfs de meest schitterende overwinning niet te behalen!

Na het optreden van Kerenski in het Voorlopig Parlement trachtten de autoriteiten hun offensief uit te breiden. Afdelingen “jonkers” bezetten de stations. Op belangrijke kruispunten zijn wachtposten opgesteld met de opdracht om de particuliere auto’s die niet ter beschikking van de staat gesteld zijn op te eisen. Tegen 3 uur ’s namiddags werden de bruggen uit elkaar genomen, met uitzondering van de Slotbrug die onder sterke bewaking van “jonkers” voor het verkeer vrij bleef. Deze maatregel die de monarchie bij alle onlusten, laatst nog in de Februaridagen, toepaste, was door angst voor de arbeiderswijken ingegeven. Het uit elkaar nemen van de bruggen was in de ogen van de bevolking als het ware een officiële bevestiging van het feit dat de opstand begonnen was. De staven van de betreffende wijken beantwoordden de oorlogsdaad van de regering onmiddellijk op hun manier door gewapende afdelingen naar de bruggen te sturen. Het Smolny kon niets anders doen dan dit initiatief steunen. De strijd om de bruggen had voor beide partijen het karakter van een krachtmeting. Troepen gewapende arbeiders en soldaten oefenden nu eens met overredingen, dan weer met dreigementen, druk op de “jonkers” en Kozakken uit. De wachtposten verdwenen tenslotte zonder het op een conflict te laten aankomen. Enkele bruggen werden enkele malen achter elkaar geopend en gesloten.

De “Aurora” kreeg terstond van het Militair Revolutiecomité bevel om “met alle te zijner beschikking staande middelen het verkeer over de Nicolajevskibrug te herstellen.” De commandant van de kruiser poogde de uitvoering van dit bevel te beletten, maar nadat hij en alle officieren zogenaamd gevangen genomen waren nam hij bijzonder onderdanig het bevel over het schip op zich. Rijen matrozen rukten aan beide oevers op. Voordat de “Aurora” voor de brug voor anker kon gaan, was er, naar Koerkov vertelt, geen spoor meer van de “jonkers” te bekennen. De matrozen sloten de brug en zetten wachtposten uit. Alleen de Slotbrug bleef nog enkele uren in handen van de wachtposten van de regering.

Ondanks de kennelijke mislukking van de eerste acties poogden sommige regeringsorganen toch nog verder op te treden. Een afdelingsmilitie verscheen ’s avonds in een grote particuliere drukkerij om het blad van de Petrogradse sovjet “Arbeiders en Soldaten” in beslag te nemen. Twaalf uur geleden waren de arbeiders van de bolsjewistische drukkerij om dezelfde reden naar het Smolny gesneld om hulp te halen. Nu is dit niet meer nodig. Samen met twee toevallig aanwezige matrozen namen de arbeiders van de drukkerij de met kranten beladen auto weg, waarbij zich terstond een deel van de militiesoldaten bij hen aansloot. De inspecteur van de militie vluchtte. De ontnomen kranten werden goed en wel in het Smolny afgeleverd. Het Militair Revolutiecomité zond twee afdelingen van het Preobrazhensky-regiment ter bescherming. De verschrikte administratie gaf terstond de leiding van de drukkerij over aan de raad van de oudsten van de arbeiders.

Het kwam niet bij de justitie op om in het Smolny binnen te dringen tot het verrichten van arrestaties: het was maar al te duidelijk dat dit het teken tot de burgeroorlog geweest zou zijn met een bij voorbaat vaststaande nederlaag van de regering. Daarentegen werd echter meer langs administratieve weg in de wijk Vyborg, waar ook in betere dagen de autoriteiten zich zo min mogelijk lieten zien, een poging gedaan om Lenin gevangen te nemen. Laat in de avond drong een of andere overste met een dozijn “jonkers” in plaats van in de bolsjewistische redactie bij vergissing in een arbeidersclub binnen die zich in datzelfde huis bevond. De vechtjassen dachten om de een of andere reden dat Lenin in de redactie op hen wachtte. Vanuit de club bracht men meteen de staf van de Rode Garde in de wijk op de hoogte. Terwijl de overste op de verschillende verdiepingen ronddoolde en zelfs bij de mensjewieken terechtkwam, arriveerden Roodgardisten, arresteerden hem met de “jonkers”, brachten hem naar de staf van de wijk Vyborg en vandaar naar de Peter-en-Paulsvesting. Zo stuitte de met veel geschreeuw aangekondigde veldtocht tegen de bolsjewieken bij elke stap op onoverkomelijke moeilijkheden, leidde tot op zichzelf staande overvallen en onbelangrijke gebeurtenissen, vervloog en ging in rook op.

Het Militair Revolutiecomité was intussen onafgebroken werkzaam. Commissarissen hielden bij de troepen de wacht. Aan de bevolking werd bij afzonderlijke oproep bekend gemaakt tot wie men zich in geval van contrarevolutionaire of pogromistische aanslagen te wenden had: “Er zal dan onverwijld hulp geboden worden.” Een dringend bezoek van de commissaris van het Kexholm-regiment op het telefoonkantoor is voldoende om de toestellen van het Smolny weer aangesloten te krijgen. De telefoonverbinding die sneller dan alle andere is, maakte dat de acties een zeker en stelselmatig verloop konden hebben.

Terwijl het zijn commissarissen naar die regeringsgebouwen zond die nog niet onder zijn controle stonden, verbreedde en bevestigde het Militair Revolutiecomité de steunpunten van de komende aanval. Die dag overhandigde Dsersjinski aan de oude revolutionair Pestkovski een stukje papier dat een mandaat voor de post van commissaris op het hoofdtelegraafkantoor moest voorstellen. – “Hoe moeten wij het telegraafkantoor bezetten?” vroeg de nieuwe commissaris niet zonder verbazing. – “Daar houdt het Kexholm-regiment de wacht, dat aan onze kant staat!” Pestkovski had geen nadere verklaring nodig. Twee met geweren uitgeruste Kexholmers aan de stroomschakelaar zijn voldoende geweest om een tijdelijk compromis met de vijandige telegrafisten, onder wie geen enkele bolsjewiek was, tot stand te brengen.

Om negen uur ’s avonds bezette een andere commissaris van het Militair Revolutiecomité, Stark, met een kleine afdeling matrozen onder commando van de matroos Savin, een vroegere emigrant, het bijkantoor van de telegrafie, hetgeen niet alleen voor het lot van deze instelling zelf maar ook tot op zekere hoogte voor zijn eigen lot beslissend was: Stark was namelijk de eerste Sovjetdirecteur van het bijkantoor voordat hij Sovjetgezant in Afghanistan werd.

Waren deze twee bescheiden operaties daden van opstand of slechts toevallige gebeurtenissen in de dubbele heerschappij, hoewel dan van het verzoeningsgezind op het bolsjewistisch spoor geleid? Deze vraag kan men terecht voor casuïstisch houden. Zij is echter voor een algemene typering van de opstand niet zonder betekenis. Het is een feit dat zelfs het binnendringen van de gewapende matrozen nog een halfslachtig karakter droeg: formeel ging het voorlopig niet om een bezetting van het kantoor maar om het instellen van een censuur op de telegrammen. Zo werd tot aan de avond van 24 oktober de navelstreng van de “legaliteit” niet definitief doorgeknipt en dekte de beweging zich nog altijd met hetgeen er nog over was van de traditie van de dubbele heerschappij.

Het Smolny had bij de uitwerking van de plannen tot de opstand grote verwachtingen gekoesterd van de Baltische matrozen als een korps waar proletarische vastberadenheid gepaard ging met een degelijke militaire scholing. De aankomst van de matrozen in Petrograd was bij voorbaat vastgeknoopt aan het Sovjetcongres. Een eerdere aankomst van de Baltische matrozen zou betekend hebben dat men tot de opstand overging. Hieruit ontstond een moeilijkheid die tot vertragingen leidde.

In het Smolny kwamen in de loop van 24 oktober twee gedelegeerden van de sovjet van Kronstadt voor het congres aan, namelijk de bolsjewiek Flerovski en de anarchist Jartsjoek die met de bolsjewieken ging. Zij ontmoetten in een van de vertrekken van het Smolny Tsjoednovski, die juist van het front aangekomen was en zich met een beroep op de stemming onder de soldaten tegen een opstand in de onmiddellijke toekomst uitsprak. “Toen de woordentwist op zijn hoogtepunt was,” vertelt Flerovski, “trad Trotski de kamer binnen… Hij riep mij apart en ried mij aan terstond naar Kronstadt terug te keren: de gebeurtenissen ontwikkelden zich zo snel dat ieder op zijn post moest zijn… Ik voelde in deze korte instructie zeer sterk de tucht van de aanstaande opstand.” De woordentwist werd gestaakt, de licht ontvankelijke en hartstochtelijke Tsjoednovski onderdrukte zijn twijfel om mee te werken aan de uitwerking van de plannen voor de strijd. Flerovski en Jartsjoek werden op de voet gevolgd door een radiobericht: “Met de gewapende krachten van Kronstadt bij het aanbreken van de dag oprukken ter verdediging van het Sovjetcongres.”

Het Militair Revolutiecomité zond in de loop van de nacht door middel van Sverdlov een telegram naar Helsingfors aan Smilga, de voorzitter van het districtscomité van de sovjets in Finland: “Stuur statuten.” Dit betekende: stuur onmiddellijk vijftienhonderd van de beste tot aan de tanden gewapende Baltische matrozen. Al kunnen de Baltische matrozen pas in de loop van de volgende dag aankomen, er is toch geen reden om de strijd uit te stellen. Er zijn immers genoeg krachten ter plaatse aanwezig – en bovendien is het niet mogelijk: de operaties zijn reeds in volle gang. Indien van het front versterkingen de regering te hulp zouden komen, zouden de matrozen vroeg genoeg aanwezig zijn om deze in de flank of in de rug aan te vallen.

De tactische uitwerking van het schema voor de verovering van de hoofdstad is voornamelijk het werk van de Militaire Organisatie van de bolsjewieken. Officieren van de generale staf zouden vele leemten in het plan van de leken ontdekken. Afgestudeerden van de militaire academie plegen echter niet aan de voorbereiding van een revolutionaire opstand deel te nemen. Er is in ieder geval in het aller-noodzakelijkste voorzien. De stad is in sectoren voor de strijd ingedeeld, die onder de dichtstbijzijnde staven ressorteren. Op de belangrijkste punten zijn manschappen van de Rode Garde samengebracht en in verbinding gesteld met de naburige troepen, waar wachtcompagnieën gereed liggen. De doeleinden van elke afzonderlijke operatie en de krachten daarvoor zijn van tevoren vastgesteld. Alle deelnemers aan de opstand, van hoog tot laag – dit is juist zijn kracht maar op bepaalde momenten ook zijn zwakke plek – zijn er vast van overtuigd dat de overwinning zonder slachtoffers behaald zal worden.

De voornaamste operaties begonnen tegen twee uur ’s nachts. Met kleine militaire groepen die in de regel een kern van gewapende arbeiders of matrozen onder leiding van commissarissen hadden, werden gelijktijdig of na elkaar stations, elektrische centrales, militaire en gewone opslagplaatsen van levensmiddelen, de waterleiding, de Slotbrug, de telefooncentrale, de staatsbank en de grote drukkerijen bezet, de telegrafie en de post beveiligd en overal werden betrouwbare wachtposten opgesteld.

De berichten over de gebeurtenissen in deze oktobernacht zijn schaars en kleurloos: zij gelijken op een politierapport. Alle deelnemers aan de strijd zijn koortsachtig nerveus. Er is niemand en er is ook geen tijd om nauwkeurig op te letten en aantekeningen te maken. De berichten die bij de staven binnenkomen, worden niet of slechts slordig op papier gesteld, terwijl de notities ook wel verloren gaan. De latere herinneringen zijn saai en niet altijd even nauwkeurig, aangezien zij meestal van willekeurige deelnemers en ooggetuigen afkomstig zijn. Die arbeiders, matrozen en soldaten echter die de werkelijke organisatoren en leiders van de operaties tot de inname van de hoofdstad waren, kwamen spoedig aan het hoofd van de eerste afdelingen van het Rode Leger en lieten in de meeste gevallen spoedig hun leven op de verschillende tonelen van de burgeroorlog. De onderzoeker stuit bij de bestudering van het karakter en de opeenvolging van de verschillende gebeurtenissen op grote verwarringen die de krantenberichten enkel nog ingewikkelder maken. Het lijkt soms alsof het in de herfst van 1917 gemakkelijker was om Petrograd te veroveren dan om veertien jaar later dit proces te reconstrueren!

De eerste compagnie van het bataljon pioniers, dat het meest betrouwbare en meest revolutionaire was, werd belast met het innemen van het naburige Nicolajevskistation. Reeds na een kwartier was het station zonder dat er een schot gelost was met sterke wachtposten bezet: de regeringsgetrouwe posten waren eenvoudig spoorloos in de duisternis verdwenen. De koude, doordringende nacht is vol verdacht rumoer en geheimzinnige beweging. De kwellende onrust in hun binnenste onderdrukkend, houden de soldaten plichtsgetrouw voorbijgangers en voorbijrijdenden aan om zorgvuldig hun papieren te onderzoeken. Zij weten niet altijd, hoe te handelen, aarzelen – en laten meestal passeren. Hun gevoel van zekerheid neemt echter met het uur toe. Tegen 6 uur ’s morgens houden de pioniers twee vrachtauto’s met “jonkers” aan, ongeveer zestig man, ontwapenen deze en brengen hen naar het Smolny.

Hetzelfde bataljon krijgt bevel om vijftig man ter bescherming van een opslagplaats van proviand en éénentwintig man ter bewaking van de elektrische centrale te zenden. De ene order volgt op de andere, nu eens uit het Smolny, dan weer uit de wijk, niemand spreekt tegen, niemand moppert. Volgens het rapport van een commissaris worden de bevelen “onmiddellijk en nauwgezet” uitgevoerd. De bewegingen van de soldaten krijgen een nauwkeurigheid als in lang niet meer het geval geweest is. Hoezeer dit vermolmde garnizoen ook reeds verzwakt en alleen nog maar geschikt is om afgebroken te worden, ontwaakt deze nacht de oude soldatendril weer en wordt – voor de laatste maal – elke zenuw in dienst van het nieuwe doel gespannen.

Commissaris Oeralov kreeg twee opdrachten: (1) om de drukkerij van het reactionaire blad “Roesskaja Wolja” (“De Russische wil”) dat indertijd door Protopopov gesticht was, kort voordat hij laatste minister van binnenlandse zaken van Nicolaas II werd, te bezetten en (2) om een kolonne soldaten uit het Semjonovskigarde-regiment te halen dat de regering gewoontegetrouw nog als het hare beschouwde. De Semjonovsktsy werden gebruikt om een drukkerij te bezetten, de drukkerij om het bolsjewistische blad in groot formaat en met een grote oplage uit te geven. De soldaten waren reeds bezig zich ter ruste te begeven. De commissaris zette hen in het kort het doel van zijn komst uiteen: “Nauwelijks was ik uitgesproken of er klonk een algemeen hoerageroep. De soldaten sprongen van hun britsen en namen mij in hun midden.” Volgeladen met Semjovski-soldaten reed de vrachtauto naar de drukkerij. In de zaal met de rotatiepersen kwam in allerijl de nachtploeg van de arbeiders bijeen. De commissaris zette het doel van zijn komst uiteen. “Net als in de kazerne antwoordden ook hier de arbeiders met de kreet Hoera! en Leve de Sovjets!” De taak is volbracht. Vrijwel op dezelfde manier had ook de inname van andere instellingen plaats. Het was niet nodig geweld te gebruiken omdat er geen tegenstand geboden werd. De opstandige massa’s werkten met hun ellebogen en drongen de vroegere heren opzij.

De districtscommandant Polkovnikov meldde ’s nachts over de militaire telegraaflijnen naar het hoofdkwartier en naar de staf van het Noordelijk front: “Toestand in Petrograd verschrikkelijk. Straatdemonstraties en onlusten zijn er niet. Stelselmatig worden echter regeringsgebouwen en stations bezet en vinden er arrestaties plaats… De jonkers verlaten de wachtposten zonder tegenstand te bieden. Er bestaat geen zekerheid dat er geen poging gedaan zal worden om de Voorlopige Regering te arresteren.” Polkovnikov heeft gelijk: er bestaat inderdaad geen zekerheid.

In militaire kringen vertelde men dat de agenten van het Militair Revolutiecomité bij de commandant van Petrograd uit diens tafel parolen en aflossingsorders van de garnizoenswacht gestolen hadden. Dit zou wel eens mogelijk kunnen zijn, want in alle regeringsbureaus waren er onder het lagere personeel genoeg vrienden van de opstand te vinden. Toch is dit verhaal van de ontvreemde parolen naar alle waarschijnlijkheid echter verzonnen om een verklaring te geven voor het al te smadelijke gemak waarmee de bolsjewistische wachtposten de stad innamen.

Het garnizoen heeft gedurende de nacht bevel gekregen om de officieren die de macht van het Militair Revolutiecomité niet erkennen gevangen te nemen. In veel regimenten waren de officieren reeds uit zichzelf verdwenen om op een rustig plekje de onrustige dagen af te wachten. Bij andere troepen werden de officieren verwijderd of gearresteerd. Overal vormde men eigen revolutionaire comités of staven die met de commissarissen samenwerkten. Het is vanzelfsprekend dat deze geïmproviseerde legerleiding niet in alle opzichten tegen haar taak opgewassen was. Daarentegen was zij betrouwbaar. En de politieke factor was in de eerste plaats beslissend.

Toch legden de staven van sommige troepen bij al hun onervarenheid een krachtig militair initiatief aan de dag. Het comité van het Pavlovski-regiment zond zijn boodschappers naar de districtsstaf om te informeren wat daar gebeurde. Het reservebataljon chemici lette nauwkeurig op zijn onrustige buren, de jonkers van de Pavlovski- en Vladimirskischolen en de leerlingen van het kadettenkorps. De chemici ontwapenden van tijd tot tijd op straat “jonkers” en hielden daardoor bij deze de angst erin. De staf van het chemische bataljon wist door contact met het soldatencommando van de Pavlovskischool te bekomen dat het commando de sleutels tot de wapens in handen kreeg.

De getalsterkte van hen die direct bij de nachtelijke inneming van de hoofdstad betrokken waren, is moeilijk vast te stellen. Niet alleen omdat niemand hen geteld en opgetekend heeft, maar ook door de aard van de krijgsverrichtingen. De tweede en derde soort reserves smolten nagenoeg met het gehele garnizoen samen. Men behoefde echter slechts hier en daar zijn toevlucht tot de reserves te nemen. Enkele duizendtallen Roodgardisten, twee à drieduizend matrozen – hun aantal zal zich morgen met de aankomst van de matrozen uit Kronstadt en Helsingfors ongeveer verdriedubbelen – ongeveer twintig compagnieën en commando’s infanterie – dat waren de krachten van de eerste en tweede lichting met behulp waarvan de opstandelingen de hoofdstad innamen.

Om 3u20 ’s nachts meldde de chef van de politieke afdeling van het ministerie van oorlog, de mensjewiek Scher, over de directe telegraaflijn naar de Kaukasus: “Er wordt een zitting gehouden van het Centraal Uitvoerend Comité samen met de voor het Sovjetcongres aangekomen afgevaardigden, van wie de overgrote meerderheid uit bolsjewieken bestaat. Trotski werd met een ovatie onthaald. Hij verklaarde dat hij op een onbloedige afloop van de opstand hoopte, daar de macht in hun handen was. De bolsjewieken zijn tot een daadwerkelijk optreden overgegaan. Zij hebben de Nicojevskibrug bezet en daar pantserwagens doen aanrukken. Het Pavlovski-regiment heeft in de Milljonastraat naast het Winterpaleis posten geplaatst, houdt alle voorbijgangers aan, arresteert verschillende personen en brengt hen naar het Smolnyinstituut. Gearresteerd zijn minister Kartasjev en de secretaris van de Voorlopige Regering, Haperin. Het Baltische station is eveneens in handen van de bolsjewieken. Indien het front niet tussenbeide komt, beschikt de regering over geen enkele kracht om tegen aanwezige troepen tegenstand te bieden.”

De verenigde vergadering van het Uitvoerend Comité waarover luitenant Scher hier spreekt, werd na middernacht in het Smolny geopend. De afgevaardigden van het Sovjetcongres waren in de zaal als gast aanwezig. De corridors en gangen zijn met versterkte wachtposten bezet. Veldgrijze mantels, geweren, en in de ramen machinegeweren. De leden van de Uitvoerende Comités verdronken als het ware in de veelkoppige en vijandige massa uit de provincie. Het hoogste orgaan van “de democratie” leek reeds de gevangene van de opstand te zijn. De traditionele figuur van de voorzitter Tsjcheïdse ontbrak. Ook ontbrak de onmisbare referent Tsereteli. Verschrikt door de loop der gebeurtenissen hadden beiden enkele weken vóór de strijd hun verantwoordelijke posten neergelegd en waren ze naar hun vaderland Georgië afgereisd, ze lieten Petrograd aan zijn lot over. De leider van het verzoeningsgezinde blok bleef Dan. Hij bezat noch de listige goedmoedigheid van Tsjcheïdse, noch hoogdravende welsprekendheid van Tsereteli. Daarentegen overtrof hij beiden in starre kortzichtigheid. Eenzaam op de tribune van het presidium gezeten, opende de sociaal-revolutionair Goz de zitting. Dan nam het woord onder volkomen stilzwijgen van de zaal die Soechanov “mat” en John Reed “bijna dreigend” voorkwam. Het stokpaardje van de spreker was een kersverse resolutie van het Voorlopig Parlement waarin gepoogd werd tegenover de opstand de matte weerklank van zijn eigen leuzen te plaatsen. “Het zal te laat zijn als jullie dit besluit niet eerbiedigen,” zei Dan terwijl hij met de onvermijdelijke honger en de demoralisatie onder de massa’s dreigde. “Nooit was de contrarevolutie zo sterk als op dit ogenblik,” d.w.z. in de nacht van 25 oktober 1917! Geconfronteerd met grote gebeurtenissen ziet de verschrikte kleinburger slechts gevaren en moeilijkheden. De enige bron waaruit hij kracht put, is de pathos van de angst. “In de bedrijven en kazernes heeft de pers van de Zwarte Honderd veel meer succes dan de socialistische.” Waanzinnigen voeren de revolutie in het verderf, net zoals in 1905 “toen Trotski ook al aan het hoofd van de Sovjet van Petrograd stond.” Maar neen. Het Centraal Uitvoerend Comité zal een opstand niet toelaten: “Slechts over zijn lijk zullen de bajonetten van de strijdende partijen elkaar kruisen.” Men roept uit de zaal: “Maar het is toch al lang een lijk.” De hele zaal voelde hoe juist deze onderbreking was: over het lijk van de verzoeningsgezinden kruisten zich reeds de bajonetten van de burgerij en de arbeidersklasse. De spreker kan zich niet verstaanbaar maken door het vijandig rumoer. De president belt tevergeefs, heeft geen succes met zijn vermaningen en dreigementen helpen niet. Te laat, te laat…

Ja, dat is de opstand. In zijn antwoord namens het Militair Revolutiecomité, de bolsjewistische partij en de Petrogradse arbeiders en soldaten stapt Trotski eindelijk over de laatste formaliteiten heen. Ja. De massa’s zijn op onze hand en wij leiden hen ten aanval. “Indien jullie niet aarzelen,” roept hij over de hoofden van het Centraal Uitvoerend Comité heen de afgevaardigden voor het congres toe, “zal er geen burgeroorlog zijn, want de vijanden zullen zich meteen overgeven en jullie zullen de plaats innemen die jullie van rechtswege toekomt – de plaats van heer en meester over de Russische aarde.” De verschrikte leden van het Centraal Uitvoerend Comité vinden niet eens de kracht om te protesteren. De verdedigende taal van het Smolny had totnutoe, ondanks alles wat er voorviel, een zwakke schijn van hoop in hen wakker gehouden. Nu is ook deze uitgedoofd. In deze nachtelijke uren heft de opstand trots het hoofd op.

De aan incidenten zo rijke zitting eindigde tegen 4 uur in de morgen. Bolsjewistische sprekers verschenen op het podium om direct weer naar het Militair Revolutiecomité terug te keren, waar uit alle delen van de stad berichten binnenkwamen die merendeels gunstig waren: de cordons houden de wacht in de straten; de regeringsgebouwen worden de een na de ander bezet; de vijand biedt nergens tegenstand.

Het heette dat de telefooncentrale buitengewoon zwaar versterkt was. Tegen 7 uur ’s morgens werd ook deze echter zonder enige strijd door het commando van het Kexholm-regiment bezet. Nu behoefden de opstandelingen niet alleen niet meer om hun eigen verbinding bezorgd te zijn, maar kregen zij ook de mogelijkheid om de telefoonverbinding van de vijand te controleren. De toestellen van het Winterpaleis en de centrale staf werden trouwens terstond afgesneden.

Nagenoeg tezelfdertijd maakte een afdeling matrozen van de gardebemanning, die ongeveer veertig man telde, zich meester van het gebouw van de staatsbank aan het Jekaterininskikanaal. De beambte Ralzevitsj herinnert zich hoe de afdeling matrozen zeer snel te werk ging en bij de telefoontoestellen wachtposten opstelde om te beletten dat men om hulp van buiten zou vragen. De bezetting van het gebouw had zonder enige tegenstand plaats, ondanks de aanwezigheid van een sectie van het Semjonovski-regiment. Men kende aan de bezetting van de bank in zekere zin een symbolische betekenis toe. De kaders van de partij waren opgevoed met de marxistische kritiek op de Commune van 1871. De leiders van de Commune hadden het naar men weet niet gewaagd om hun hand naar de staatsbank uit te strekken. “Neen, wij zullen niet in diezelfde fout vervallen,” zeiden veel bolsjewieken reeds lang vóór 25 oktober tot elkaar. Het nieuws van de bezetting van de meest heilige van alle burgerlijke staatsinstellingen verspreidde zich meteen door de wijken, waar dit een warme golf van enthousiasme veroorzaakte.

In de vroege morgenuren werden het Warschau station, de drukkerij van de “Bisjevij Wedomowski” en, vlak voor de vensters van Kerenski, de Slotbrug bezet. Een commissaris van het Comité kwam in de Krestygevangenis en toonde aan de dienstdoende soldaten van het Volynse regiment een order betreffende de vrijlating van een aantal gevangenen volgens een lijst van de Sovjet van Petrograd. Het gevangenisbestuur probeerde tevergeefs nadere aanwijzingen van de minister van justitie te verkrijgen: deze had andere dingen aan zijn hoofd. De bevrijde bolsjewieken, onder wie de jonge Kronstadtse leider Rosjal, kregen allemaal meteen een bepaalde taak in de strijd aangewezen.

In de loop van de morgen bracht men in het Smolny een op het Nicolajevskistation door pioniers aangehouden troep “jonkers,” die op vrachtauto’s uit het Winterpaleis waren weggereden om proviand te halen. Podvojskivertelt: “Trotski verklaarde hen dat zij vrijgelaten werden onder voorwaarde dat zij beloofden niets meer tegen de Sovjetmacht te zullen ondernemen en dat zij dan naar hun werk in de school konden terugkeren. De knapen, die een bloedig gevecht verwacht hadden, waren stomverbaasd.” Het is de vraag in hoeverre het juist was hen meteen vrij te laten. De overwinning was nog niet definitief bevochten en de “jonkers” vormden de voornaamste kracht van de tegenstander. Aan de andere kant was het bij de twijfelende stemming in de krijgsscholen van belang om met daden te laten zien dat de “jonkers” bij een overgave op genade of ongenade geen straffen van de kant van de overwinnaar te duchten hadden. De argumenten vóór en tegen wogen tegen elkaar op.

Generaal Levitski meldde ’s morgens vanuit het ministerie van oorlog, dat nog niet door de opstandelingen bezet was, over de directe telegraaflijn naar het hoofdkwartier aan generaal Doechonin: “De troepen van het Petrograds garnizoen… gingen naar de zijde van de bolsjewieken over. Uit Kronstadt kwamen matrozen met een lichte kruiser aan. De opgehaalde bruggen werden door hen weer gesloten. De gehele stad is bezet met wachtposten, maar er vinden geen demonstraties plaats (!). De telefooncentrale is in handen van het garnizoen. De in het Winterpaleis ondergebrachte troepen doen slechts formeel dienst omdat zij besloten hebben niet actief op te treden. Men krijgt in het algemeen de indruk dat de Voorlopige Regering zich in de hoofdstad van een vijandelijke staat bevindt, een staat die de mobilisatie uitgevoerd heeft maar nog niet tot een daadwerkelijk optreden overgegaan is.” Een waardevol militair en politiek oordeel! De generaal loopt weliswaar op de gebeurtenissen vooruit als hij zegt dat er uit Kronstadt matrozen aangekomen waren: deze zullen pas binnen enkele uren aankomen. De brug is werkelijk door de “Aurora” gesloten. Naïef is de aan het slot van het rapport uitgesproken verwachting dat de bolsjewieken, “die reeds lang niet meer in staat zijn om met ons allen af te rekenen… het niet zullen wagen tegen de zin van het leger en het front te handelen.” Illusies met betrekking tot het front – dat was alles, wat zowel de generaals in het achterland, alsook de democraten in het achterland nog overgehouden hadden. Daarentegen zal het beeld van de Voorlopige Regering “die zich in de hoofdstad van een vijandelijke staat bevindt,” voor eeuwig in de geschiedenis blijven voortleven als de beste verklaring van de Oktoberrevolutie.

In het Smolny hadden onafgebroken zittingen plaats. Propagandisten, organisatoren, bedrijfs-, regiments-, en districtsleiders kwamen voor één – twee uur, soms zelfs slechts voor enkele minuten om nieuws te vernemen, zichzelf te controleren en naar hun post terug te keren. Bij kamer Nr. 18, waar de bolsjewistische Sovjetfractie gehuisvest was, heerste een onbeschrijflijk gedrang. De door vermoeienis uitgeputte bezoekers sliepen niet zelden even in de zittingzaal als ze hun hoofd moe tegen een van de witte zuilen leunden, of in de gang tegen de muur met het geweer stevig in de armen. Velen strekten zich eenvoudig op de vuile natte vloer uit. Lasjevitsj ontving de militaire commissarissen en gaf hen de laatste aanwijzingen. In het vertrek van het Militair Revolutiecomité, op de derde verdieping, werden de van alle kanten binnenkomende nieuwsberichten tot bevelen omgevormd: daar sloeg het hart van de opstand.

De centra in de wijken weerspiegelden het beeld van het Smolny, maar op kleinere schaal. In de wijk Vyborg, tegenover de staf van de Rode Garde, op het Sampsonjevski-Prospect was een heel legerkamp ontstaan: met paarden bespannen wagens, auto’s en vrachtauto’s versperden de straat. De verschillende instellingen in de wijk wemelden van gewapende arbeiders. De Sovjet, de Doema, de vakverenigingen, de fabriekscomités, alles in deze wijk stond in dienst van de opstand. In de bedrijven, de kazernes en de bureaus had in het klein hetzelfde plaats als in de gehele hoofdstad: sommigen werden afgezet, anderen benoemd. Wat er nog over was van oude verbindingen werd verbroken, nieuwe werden aangeknoopt en bevestigd. Zij die tot nu toe geaarzeld hadden, namen resoluties aan waarin zij zich onder de bevelen van het Militair Revolutiecomité stelden. Mensjewieken en sociaal-revolutionairen brachten samen met de bedrijfsleiders en de superieuren van de troepen de tijd door. Onafgebroken werden in vergaderingen inlichtingen gegeven, de strijdlust aangewakkerd en verbindingen bevestigd. De mensenmassa’s groepeerden zich om nieuwe spillen. De revolutie was in volle gang.

Wij hebben in dit boek gepoogd de voorbereiding van de Oktoberopstand stap voor stap te volgen: de toenemende ontevredenheid onder de arbeidersmassa’s, de overgang van de Sovjet naar de bolsjewistische vlag, de muiterij van het leger, de veldtocht van de boeren tegen de grootgrondbezitters, de wassende vloed van de volksbeweging, de groeiende angst en verwarring onder de bezittenden en de regeerders en tenslotte de strijd binnen de bolsjewistische partij om de opstand. De afsluitende revolutie lijkt na dit alles maar al te kort, te droog, te zakelijk en als het ware niet in overeenstemming met het historisch elan van de gebeurtenissen. De lezer voelt zich enigszins teleurgesteld. Hij lijkt op een bergbeklimmer die denkt dat de grootste moeilijkheden nog moeten komen, maar plots ontdekt dat hij reeds of bijna op de top staat. Waar is de opstand? Het beeld van de opstand ontbreekt. De gebeurtenissen voegen zich niet tot een beeld samen. De kleine, van tevoren beraamde en voorbereide operaties blijven naar plaats en naar tijd van elkaar gescheiden. Zij zijn verbonden door de eenheid van doel en oogmerk, maar niet tot één geheel door de strijd zelf. Men mist grote daden van de massa’s, men mist dramatische botsingen met de troepen. Men mist alles wat de met de gebeurtenissen uit de historie gevoede verbeeldingskracht aan de voorstelling van een opstand verbindt.

Het algemeen karakter van de omwenteling in de hoofdstad zal later met vele anderen ook Masaryk ertoe brengen te schrijven: “De Oktoberrevolutie… was geenszins een beweging van de volksmassa. Deze revolutie was het werk van leiders die achter de schermen van boven af werkten.” In werkelijkheid had geen andere opstand in de geschiedenis zozeer het karakter van een massabeweging als deze opstand. De arbeiders behoefden niet de straat op te gaan om een eenheid te worden: zij vormden toch reeds politiek en moreel een eenheid. Het was de soldaten zelfs verboden om de kazernes zonder vergunning te verlaten: het bevel van het Militair Revolutiecomité was op dit punt gelijk aan het bevel van Polkovnikov. Deze onzichtbare massa’s houden echter meer dan ooit gelijke tred met de gebeurtenissen. De bedrijven en de kazernes verliezen geen moment het contact met de leiding in de wijken en de wijken niet met het Smolny. De afdelingen van de Rode Gardisten voelen dat de steun van de bedrijven achter hen staat. De in de kazernes terugkerende soldaten vinden de aflossing gereed staan. Slechts doordat zij sterke reserves achter zich hadden, konden de revolutionairen met een zo groot zelfvertrouwen aan de vervulling van hun taak beginnen. De verbrokkelde regeringskrachten daarentegen, die bij voorbaat reeds door hun eigen isolement tot een nederlaag gedoemd waren, moesten zelfs de gedachte aan tegenstand prijsgeven. De burgerlijke klassen hadden barricades, branden, plunderingen en stromen bloed verwacht. In werkelijkheid heerste er een rust die vreselijker was dan de ergste donderbui. Geluidloos verschoof de maatschappelijke grondslag, als een draaitoneel dat de volksmassa’s op de voorgrond schoof en de heren van gisteren naar de onderwereld wegvoerde.

Reeds om tien uur ’s morgens – op 25 oktober – meende het Smolny het nieuws van de overwinning aan de hoofdstad en het land te kunnen brengen. “De Voorlopige Regering is ten val gebracht. De staatsmacht is in handen van het Militair Revolutiecomité overgegaan.” Dit bericht was in zeker opzicht voorbarig. De regering bestond nog, althans op het grondgebied van het Winterpaleis. Het hoofdkwartier bestond nog. De provincie had zich nog niet uitgesproken. Het Sovjetcongres was nog niet geopend. De leiders van de opstand zijn echter geen geschiedschrijvers: zij zijn genoodzaakt vooruit te lopen om voor de geschiedschrijvers de gebeurtenissen voor te bereiden. In de hoofdstad was het Militair Revolutiecomité reeds onbeperkt heer en meester. Er kon geen twijfel aan de goedkeuring van het congres bestaan. De provincie wachtte op het initiatief van Petrograd. Om de macht volkomen te veroveren, moest men als macht beginnen op te treden. In een oproep tot de militaire organisaties aan het front en in het achterland riep het comité de soldaten op om nauwkeurig op de gedragingen van de legerleiding te letten, de officieren die zich niet bij de revolutie aansloten te arresteren, en niet terug te deinzen voor het gebruiken van geweld indien men zou pogen om vijandige troepen tegen Petrograd te doen oprukken.

Stankevitsj, de opperste commissaris van het hoofdkwartier die de vorige avond van het front aangekomen was, ondernam ’s ochtends met een halve compagnie ‘jonkers’ van de genie een poging om de bolsjewieken uit de telefooncentrale te verjagen. Zo bleef hij in die wereld van passiviteit en ontbinding niet helemaal stil zitten. Bij deze gelegenheid ondervonden de jonkers voor het eerst in wiens handen het telefoonkantoor zich bevond. “Hier, van deze mensen kan men nog eens leren wat energie is,” roept de officier Sinegoeb tandenknarsend uit. “Hoe komen ze in hemelsnaam aan zulk een leiding!” De matrozen die in het gebouw van de telefooncentrale zitten, zouden gemakkelijk de “jonkers” vanuit de ramen kunnen neerschieten. De opstandelingen doen echter alle mogelijke moeite om bloedvergieten te vermijden. Stankevitsj van zijn kant verbiedt ten strengste het vuur te openen: men zou de “ jonkers” ervan kunnen beschuldigen dat zij op het volk schoten. De commanderende officier denkt bij zichzelf: “Indien wij orde scheppen, wie heeft er dan nog iets te beweren?” en hij besluit zijn overpeinzingen met de uitroep: “Vervloekte komedianten.” Dit is de juiste formulering van de houding van de officieren tegenover de regering. Sinegoeb stuurt op eigen initiatief soldaten naar het Winterpaleis om handgranaten en pyroxylinbommen te halen. In de tussentijd begint een monarchistisch luitenant voor de poort van de telefooncentrale een politieke discussie met een bolsjewistische soldaat. Net als de helden van Homerus trachten zij elkaar voor de aanvang van de strijd met krachttermen te overbluffen. De telefonisten, die tussen twee – voorlopig slechts met woorden gevoede – vuren geraakt zijn, krijgen last van de zenuwen. De matrozen sturen ze naar huis. “Wat is dat? Vrouwen?…” Met een hysterisch geschreeuw stormen zij uit de poort. “De verlaten Morskajastraat,” zo vertelt Sinegoeb, “werd plotseling levendig door de lopende en huppelende figuren.” De matrozen raken al spoedig een beetje thuis bij de toestellen. Op het plein van de centrale komt een pantserwagen van de Roden aangereden, zonder de verschrikte “ jonkers” enig leed aan te doen. Deze bezetten op hun beurt twee vrachtauto’s en barricaderen de poort van de centrale aan de buitenkant. Van het Nevski duikt een tweede pantserwagen op en dan nog een derde. Alles blijft beperkt tot manoeuvres en pogingen om elkaar wederzijds angst aan te jagen. De strijd om de centrale wordt zonder pyroxylin beslist. Stankevitsj heft het beleg op nadat hij vrije aftocht voor zijn “jonkers” bedongen heeft.

De wapens dienen in het algemeen voorlopig nog slechts als een uiterlijk teken van de macht: zij worden vrijwel niet gebruikt. Op weg naar het Winterpaleis ontmoet de halve compagnie van Stankevitsj een troep matrozen met geladen geweer. De tegenstanders werpen elkaar slechts vijandige blikken toe. Noch de ene, noch de andere partij wil vechten: de ene omdat zij zich van haar kracht bewust is, de andere omdat zij haar zwakte beseft. De opstandelingen en vooral de Roodgardisten gaan echter, waar zij de gelegenheid daartoe krijgen, ertoe over de vijanden te ontwapenen. De tweede halve compagnie van de “jonkers” van de genie werd door Roodgardisten en soldaten omsingeld, met behulp van pantserauto’s ontwapend en gevangengenomen. Gevochten werd er ook daarbij echter niet; de jonkers boden geen tegenstand. “Zo eindigde,” zegt de organisator, “voor zover mij althans bekend is de enige poging tot daadwerkelijk verzet tegen de bolsjewieken.” Stankevitsj heeft het hier enkel over de operaties buiten de wijk van het Winterpaleis.

Tegen de middag werden de straten rondom het Mariinskipaleis door troepen van het Militair Revolutiecomité bezet. De leden van het Voorlopig Parlement kwamen juist voor een zitting bijeen. Het presidium trachtte de laatste berichten te krijgen: de harten krompen ineen toen bleek dat de telefoontoestellen van het paleis afgesneden waren. De raad van ouden beraadslaagde wat er gedaan moest worden. De afgevaardigden fluisterden in de hoeken. Avksentjev probeerde te troosten met te zeggen dat Kerenski naar het front gereisd was, spoedig zou terugkeren en alles in orde zou brengen. Een pantserwagen hield voor de uitgang stil. Soldaten van het Litovski- en het Kexholm-regiment en matrozen van de gardebemanning betraden het gebouw, stelden zich langs de trap op en bezetten de eerste zaal. De leiders van de troep eiste van de aanwezigen dat zij onmiddellijk het paleis zouden verlaten. “De indruk was verpletterend,” constateert Nabokov. De leden van het Voorlopig Parlement besloten uiteen te gaan en “tijdelijk hun werk te onderbreken.” Achtenveertig rechtse afgevaardigden stemmen tegen: zij weten bij voorbaat dat zij in de minderheid zullen blijven. De afgevaardigden dalen rustig de prachtige trap af tussen twee hagen van geweren door. Ooggetuigen verklaren: “Er was niets dramatisch aan dit gebeuren.” – “Gewone, saaie, domme en kwaadaardige gezichten,” schrijft de liberale patriot Nabokov over de Russische soldaten en matrozen. Beneden bij de uitgang onderzochten wachtposten de legitimatiepapieren en lieten iedereen naar buiten gaan.

“Men verwachtte dat de leden gesorteerd en dat velen gearresteerd zouden worden,” schrijft Miljoekov, die zelf mee naar buiten mocht gaan, “maar de revolutionaire leiders hadden andere zorgen.” Dit niet alleen: de revolutionaire leiders hadden weinig ervaring. De opdracht van het comité luidde: “Eventueel aanwezige leden van de regering moeten gearresteerd worden.” Er was echter geen van hen aanwezig. De leden van het Voorlopig Parlement werden ongehinderd vrijgelaten en onder hen ook diegenen die weldra de burgeroorlog zouden organiseren.

De parlementaire bastaard die zijn laatste adem twaalf uur eerder uitblies dan de Voorlopige Regering had 18 dagen geleefd. Dat is de tijd tussen de uittocht van de bolsjewieken uit het Mariinskipaleis naar de straat, en het binnendringen van de gewapende massa’s vanop de straat in het Mariinskipaleis. “De Raad van de Russische republiek” was wel de meest lachwekkende van alle parodieën op een regering waaraan de geschiedenis zo rijk is.

De oktobrist Sjidlovski begaf zich, nadat hij het rampzalige gebouw verlaten had, de stad in om naar de gevechten te gaan kijken. Deze heren dachten dat het volk zou opstaan om hen te verdedigen. Er waren echter geen gevechten te ontdekken. Het publiek in de straten – de uitgelezen menigte van het Nevski-Prospect – lachte daarentegen, volgens Sjidkovski. “Heb je het al gehoord: de bolsjewieken hebben de macht gegrepen! Dat kan toch niet langer dan drie dagen duren! Ha, ha, ha!”. Sjidlovski besloot om die tijd dat de bolsjewistische heerschappij volgens de publieke opinie zou duren in de hoofdstad te blijven. De drie dagen werden er, naar men weet, heel wat meer.

Het publiek op het Nevski is trouwens pas tegen de avond begonnen met lachen. ’s Morgens was de stemming zo bezorgd geweest dat slechts enkele mensen in de bourgeoiswijken van de stad de straat op durfden. Tegen 9 uur liep de journalist Knisjnik op het Kamenoostrovski-Prospect om kranten te halen, maar er waren geen krantenverkopers te bekennen. Een klein troepje burgers vertelde elkaar dat de bolsjewieken in de loop van de nacht de telefoon, de telegraaf en de bank bezet hadden. Een patrouille soldaten hoorde dit en verzocht het publiek geen lawaai te maken. Ook zonder dit verzoek was echter iedereen ongewoon stil. Troepen gewapende arbeiders marcheerden voorbij. De trams reden als gewoonlijk, d.w.z. langzaam. “Het kleine aantal voorbijgangers maakte mij angstig,” schrijft Knisjnik over zijn indrukken op het Nevski. In de restaurants werd gegeten, maar bij voorkeur in de achterkamers. Om 12 uur ’s middags bulderde het kanon niet harder of zachter dan anders van de muren van de Peter-en-Paulsvesting die stevig door de bolsjewieken bezet was. Muren en schuttingen worden volgeplakt met oproepen waarin voor demonstraties gewaarschuwd wordt. Er komen echter reeds andere oproepen waarin de overwinning van de opstand bekend gemaakt wordt. Men vond nog geen tijd om deze aan te plakken en strooide ze vanuit automobielen. De zojuist gedrukte manifesten roken naar verse inkt, net als de gebeurtenissen zelf.

Afdelingen van de Rode Garde zijn uit hun wijken komen oprukken. De arbeiders met hun geweer, de bajonet boven de muts of hoed uitstekend, met riemen over hun burgermantel, dit beeld is onafscheidelijk verbonden met 25 oktober. Voorzichtig en nog wat onzeker schiepen de gewapende arbeiders orde in de hoofdstad, waarvan zij zich zojuist meester hadden gemaakt.

De rust in de straten werkte kalmerend. De burgers begonnen in de straten bijeen te komen. Tegen de avond heerste er minder onrust onder hen dan in de afgelopen dagen. Het werk in de staats- en andere openbare instellingen was weliswaar gestaakt. Vele winkels bleven echter open, andere sloten, maar meer uit voorzichtigheid dan noodzaak. Een opstand? Maakt men dan zo een opstand? De Februariwachtposten worden slechts door de Oktoberwachtposten afgelost.

Tegen de avond was het Nevski voller dan ooit met hetzelfde publiek dat de bolsjewieken een leven van drie dagen voorspelde. De soldaten van het Pavlovski-regiment joegen geen angst meer aan, ook al hadden ze zich versterkt met pantserwagens en zelfs met luchtafweerkanonnen. Er gebeurt inderdaad iets ernstig bij het Winterpaleis en men wordt daar niet doorgelaten. Maar de gehele opstand kan zich toch niet op het Slotplein concentreren? Een Amerikaanse journalist zag hoe grijsaards in kostbare bontjassen de vuist tegen de Pavlovsktsy balden en hoe opgedirkte vrouwen de soldaten met krijsende stem beschimpten. “De soldaten weerden zwakjes af met een verlegen lachje.” Zij voelden zich kennelijk niet op hun gemak op het elegante Nevski, dat heel spoedig zou omgedoopt worden in het “Prospect van 25 oktober.”

Claude Anet, een officieus Frans journalist in Petrograd, was oprecht verbaasd: die domme Russen voeren een revolutie heel anders uit dan wat hij in oude boeken gelezen had: de stad is rustig! Anet voert telefonische gesprekken, ontvangt bezoek en gaat uit. Soldaten die hij op het Mojka tegenkomt, marcheren in volmaakte orde, “net als onder het oude regime.” In de Milijonastraat zijn er talrijke patrouilles. Nergens valt er een schot. Het reusachtige plein van het Winterpaleis is op dit middaguur nagenoeg verlaten. Patrouilles in de Morskajastraat en op het Nevski-Prospect. De soldaten marcheren keurig en met onberispelijke uniformen. Op het eerste gezicht lijkt het niet twijfelachtig of het regeringstroepen zijn. Op het Mariinskiplein, vanwaar Anet naar het Voorlopig Parlement tracht te gaan, wordt hij aangehouden door soldaten en matrozen en dit “werkelijk zeer beleefd.” De beide aan het paleis grenzende straten zijn met auto’s en karren gebarricadeerd. Er bevindt zich ook een pantserwagen daarbij. Dit alles staat onder de bevelen van het Smolny. Het Militair Revolutiecomité zond patrouilles de stad in, plaatste wachten, ontbond het Voorlopig Parlement, heerste over de hoofdstad en schiep een orde “zoals men die sinds het uitbreken van de revolutie niet meer gekend had.” ’s Avonds deelt de portiersvrouw aan haar Franse huurder mee dat de Sovjetleiding telefoonnummers bekendmaakte waar men bij eventuele overvallen, verdachte huiszoekingen enz. elk ogenblik om militaire hulp kon vragen. “Waarlijk, wij waren beter dan ooit beschermd.”

Om 2 uur 35 ’s middags – de buitenlandse journalisten keken op hun horloge, de Russische stond het hoofd daar niet naar – werd een buitengewone zitting van de Sovjet van Petrograd geopend met een mededeling van Trotski die in naam van het Militair Revolutiecomité verklaarde dat de Voorlopige Regering opgehouden had te bestaan. “Men heeft ons gezegd dat de opstand de revolutie in stromen bloed zou doen ondergaan… Er is ons geen enkel slachtoffer bekend.” Er is in de geschiedenis geen voorbeeld te vinden van een revolutionaire beweging, waaraan zo reusachtige massa’s deelnamen en die zo onbloedig verliep. “Het Winterpaleis is nog niet genomen, maar in de eerstvolgende minuten zal over het lot daarvan beslist worden.” De komende twaalf uren zullen laten zien dat deze voorspelling te optimistisch was.

Trotski deelt mee dat er van het front troepen tegen Petrograd oprukken en dat men meteen Sovjetcommissarissen naar het front en door het gehele land moet zenden om iedereen op de hoogte te brengen van de omwenteling die plaatsgehad heeft. Uit de kleine rechtse hoek roept men: “Je loopt vooruit op de uitspraak van het Sovjetcongres.” De spreker antwoordt: “De uitspraak van het congres staat bij voorbaat vast door het geweldige feit van de opstand van de Petrogradse arbeiders en soldaten. Wij hebben slechts onze overwinning uit te bouwen.”

Lenin, die hier voor het eerst nadat hij zijn schuilplaats verlaten had in het openbaar optrad, ontvouwde in het kort in zijn rede het revolutionaire programma: het oude staatsapparaat stukslaan; een nieuw regeringsstelsel door middel van de Sovjets scheppen; maatregelen nemen om meteen de oorlog te beëindigen, daarbij steunend op de revolutionaire beweging in de andere landen; het grootgrondbezit afschaffen en daardoor het vertrouwen van de boeren winnen; een controle van de arbeiders over de productie instellen. “De derde Russische Revolutie moet tenslotte tot een overwinning van het socialisme leiden.”

Print Friendly, PDF & Email