Testament. Lenin’s laatste brieven.

INLEIDING

De volgende brieven maken deel uit van de laatste werken van Lenin en vormen een aanduiding van hoe Lenin de toekomst van de Sovjetregering zag. Hij benadrukt er de noodzaak van verandering in de leiding en waarschuwt voor de mogelijk desastreuze gevolgen indien de noodzakelijke stappen niet gezet werden. Lenin geeft een scherpe kritiek op de partijleiding en op Stalin in het bijzonder. Die hield de publicatie van deze brieven op ruime schaal gedurende jaren tegen. Er was een publicatie van deze brieven in de Bulletins die gedrukt werden voor de afgevaardigden op het XVe congres van de Bolsjewieken. Maar achteraf werd geprobeerd om dit ‘Testament’ als een vervalsing te bestempelen. Een aantal oude Bolsjewieken kreeg onder het stalinisme de doodstraf wegens het bezit van een kopie van dit “contra-revolutionair document”.

De brieven zijn opgesplitst in drie thema’s:
1. Brieven aan het congres inzake de organisatie van het Centraal Comité. Het is in deze brieven dat Lenin een waarde-oordeel velt van Stalin: “Kameraad Stalin heeft in zijn functie als algemeen secretaris een enorme macht naar zich toe getrokken, en ik ben er niet zeker van dat hij die altijd met de nodige voorzichtigheid weet te gebruiken.” Lenin vraagt om Stalin over te plaatsen en uit zijn functie van algemeen secretaris te zetten. Tenslotte eiste Lenin de verontschuldigingen van Stalin naar aanleiding van de beledigingen die hij aan de vrouw van Lenin had gericht. Lenin dreigde alle persoonlijke banden met Stalin door te snijden.
2. Een tweede reeks brieven handelt over de Commissie voor staatsplanning waar Lenin het standpunt van Trotski bijtreedt over de noodzaak om die Commissie meer bevoegdheden toe te kennen. Lenin legt daarbij sterk nadruk op het organiseren van een communistische leiding om de Commissie in goede banen te leiden. Hij waarschuwt voor een overdreven aandacht aan het puur administratieve waarbij de politieke doelstellingen op de achtergrond komen.
3. Een derde reeks brieven heeft betrekking op het nationaliteitenvraagstuk waarin Lenin zwaar uithaalt naar de repressie die had plaatsgevonden naar aanleiding van een brutaal optreden van de Sovjetunie in de Kaukasus. Lenin sprak zich daarbij sterk uit tegen de verantwoordelijken voor het brutale optreden.

Uit deze brieven, die het politieke testament van Lenin vormen, valt duidelijk op te maken dat Lenin niet gerust was op de ontwikkelingen in de Sovjetunie. Door het ontbreken van buitenlandse steun en de burgeroorlog (waarbij tal van buitenlandse legers het land aanvielen – ook het Belgische leger was betrokken bij deze militaire operatie), bleef de Sovjetunie geïsoleerd in moeilijke omstandigheden. Hierdoor kon de bureaucratie zich ontwikkelen vanuit het staatsapparaat, een apparaat dat grotendeels overgenomen was van het tsarisme. In zijn testament schetst Lenin eigenlijk de voorwaarden en de eerste elementen van de opkomst van wat naderhand het stalinisme werd genoemd, een degeneratie van de arbeidersstaat waarbij de bureaucratische kaste aan de top iedere vorm van arbeidersdemocratie aan banden legde.

Omwille van zijn fysieke toestand en zijn overlijden in 1924, heeft Lenin de punten die hij aanhaalde in onderstaande brieven niet verder kunnen ontwikkelen. Maar hetgeen aangehaald wordt, vormt een belangrijke basis voor de verdere analyse van de ontwikkeling van het stalinisme zoals het naderhand uitgewerkt werd door Trotski.

 


 

Deel 1. Brieven over de samenstelling van het Centraal Comité

Brief aan het congres

Ik beveel ten stelligste aan dat er op dit congres een aantal veranderingen aangebracht worden in onze politieke structuur.

Ik wil ingaan op de overwegingen waaraan ik het meeste belang hecht.

Boven aan de lijst komt mijn voorstel om het aantal leden van het Centraal Comité te verhogen met enkele tientallen of zelfs honderd. Volgens mij zal het CC zonder deze hervorming in gevaar komen gedurende gebeurtenissen die niet in ons voordeel zijn (en dat is iets wat we niet kunnen voorspellen).

Vervolgens stel ik voor dat het congres mits het vervullen van bepaalde voorwaarden, de beslissingen van de commissie voor staatsplanning omzet in wetgevende initiatieven en daarmee op dit punt tegemoet komt aan de vraag van kameraad Trotski – tot op zekere hoogte en onder bepaalde voorwaarden.

Met betrekking tot het eerste punt, namelijk de verhoging van het aantal CC-leden, moet dit volgens mij gebeuren om het prestige van het CC te versterken, om onze administratieve machine grondig te verbeteren en om te vermijden dat conflicten tussen kleine delen van het CC een te groot belang krijgen in de toekomst van de partij.

Het schijnt me toe dat onze partij het recht heeft om van de arbeidersklasse 50 tot 100 CC-leden te eisen en het moet mogelijk zijn om die te verkrijgen zonder de middelen van de klasse onnodig aan te tasten.

Zo’n hervorming zou de stabiliteit van onze partij aanzienlijk versterken en de strijd tegenover de omringende vijandige staten vergemakkelijken, hetgeen volgens mij wellicht meer en meer aan belang zal winnen in de komende jaren. Ik denk dat de stabiliteit van onze partij enorm zou versterkt worden door zo’n maatregel.

Lenin
23 december 1922
genoteerd door M.V.

Vervolg van de nota’s op 24 december 1922

Met de stabiliteit van het Centraal Comité, waarover ik het eerder had, bedoel ik maatregelen tegen een splitsing, voor zover zo’n maatregelen kunnen genomen worden. Natuurlijk had de Witte Garde in Russkaya Mysl (het ging daarbij blijkbaar om S.S. Oldenburg) gelijk toen hij aanvankelijk in het spel van de witte garde tegen de Sovjetunie gokte op een splitsing in de partij en toen hij ten tweede rekende op belangrijke meningsverschillen in onze partij om die splitsing te veroorzaken.

Onze partij baseert zich op twee klassen en daardoor is haar instabiliteit mogelijk en is de neergang onvermijdelijk als er geen akkoord is tussen die twee klassen. In dat geval zal gelijk welke maatregel, en alle discussie over de stabiliteit van ons CC, futiel zijn. Geen enkele maatregel kan in zo’n geval een splitsing vermijden. Maar ik hoop dat dit een te ver toekomstbeeld is en een te onwaarschijnlijke gebeurtenis om er te moeten op ingaan.

Ik zie stabiliteit als een garantie tegen een splitsing in de onmiddellijke toekomst en ik heb het voornemen om hier in te gaan op een aantal ideeën inzake persoonlijke kwaliteiten.

Vanuit dit standpunt zijn de belangrijkste factoren op vlak van stabiliteit CC-leden als Stalin en Trotski. Ik denk dat de verhoudingen tussen hen een belangrijke factor zijn bij het gevaar van een splitsing, die kan vermeden worden, en daartoe zou het o.a. nuttig zijn om het aantal CC-leden te verhogen tot 50 of 100.

Kameraad Stalin heeft in zijn functie als algemeen secretaris een enorme macht naar zich toe getrokken, en ik ben er niet zeker van dat hij die altijd met de nodige voorzichtigheid weet te gebruiken. Aan de andere kant onderscheidt kameraad Trotski zich niet alleen door uitstekende capaciteiten… Persoonlijk is hij, geloof ik, het meest bekwame lid van het huidige Centrale Comité, maar hij lijdt aan een teveel aan zelfvertrouwen en aan verknochtheid aan de zuiver bestuurlijke kant van de dingen. Deze twee eigenschappen van de twee belangrijkste leiders van het huidige Centrale Comité kunnen tot een splitsing leiden, en als onze partij geen maatregelen neemt om dit te voorkomen, kan die vrij onverwacht plaatsvinden.

Ik zal geen verdere inschatting geven van de persoonlijke kwaliteiten van andere leden van het CC. Ik herinner er enkel aan dat de oktoberepisode met Zinoviev en Kamenev natuurlijk geen toeval was, maar we kunnen hen daar niet persoonlijk voor schuldig achten, net zoals we de periode dat hij niet bij de Bolsjewieken was niet persoonlijk kunnen verwijten aan Trotski.

Inzake de jonge CC-leden wil ik iets zeggen over Boecharin en Pyatakov. Zij zijn volgens mij de meest vooruitstaande figuren (onder de jongeren) en het volgende moeten ze in hun geheugen griffen: Boecharin is niet enkel een erg waardevolle en belangrijke theoreticus van de partij, hij wordt ook terecht beschouwd als de favoriet van de hele partij, maar zijn theoretische opvattingen kunnen slechts met de nodige reserve als volledig marxistisch beschouwd worden, hij heeft iets scholastisch (hij heeft nooit een studie gedaan van de dialectiek en heeft het volgens mij nooit volledig begrepen).

Pyatakov is ongetwijfeld een man met uitstekende kwaliteiten, maar hij is teveel bezig met de administratieve kant van het werk om echt bezig te zijn met de ernstige politieke zaken.

Deze opmerkingen gelden uiteraard enkel voor de huidige situatie, en veronderstellen dat beide uitstekende en toegewijde partijleden geen kans zouden vinden om hun kennis te versterken en hun eenzijdigheden te corrigeren.

Lenin, 25 december 1922
Genoteerd door M.V.

Toevoeging aan de brief hierboven

Stalin is te grof, en deze fout, die in de betrekkingen tussen ons, communisten, heel goed te verdragen is, wordt onverdraaglijk als zij de algemene secretaris betreft. Daarom stel ik de kameraden voor dat zij een manier bedenken om Stalin over te plaatsen en een andere man op deze plaats te plaats te benoemen die zich slechts op één punt gunstig van kameraad Stalin onderscheidt: hij moet toleranter, loyaler, beleefder en attenter voor zijn kameraden zijn, minder grillig, enzovoorts. Deze kwestie lijkt misschien ontzettend onbelangrijk. Maar ik geloof dat ze, als we een scheuring willen vermijden, en als we wat ik hiervoor over de wederzijdse betrekkingen tussen Trotski en Stalin schreef, in gedachten houden, geen futiliteit is, of verder gezegd, ze is een futiliteit die van doorslaggevende betekenis zou kunnen worden.

Lenin, 4 januari 1923
Genoteerd door L.F.

Persoonlijk
Kopie aan de kameraden Kamenev en Zinoviev

Kameraad Stalin,

Je bent zo grof geweest om mijn vrouw aan de telefoon te beledigen en grof taalgebruik daarbij te hanteren. Hoewel ze jou gezegd had dat ze bereid was om dit te vergeten, maakte ze het voorval toch bekend aan Zinoviev en Kamenev. Ik heb niet het voornemen om zo snel te vergeten wat tegen mij wordt gedaan, en het moet niet gezegd worden dat hetgeen tegen mijn vrouw gedaan wordt ook tegen mij gedaan wordt. Ik vraag je dan ook om na te denken of je bereid bent om hetgeen je gezegd hebt in te trekken en je verontschuldigingen aan te bieden, of als je er de voorkeur aan geeft dat de relaties tussen ons volledig worden afgebroken.

Lenin
5 maart 1923

[Lenin had op 21 december 1922, met toestemming van zijn dokters, een brief gedicteerd aan Trotski met betrekking tot het monopolie op buitenlandse handel. Stalin was op het CC van 18 december 1922 verantwoordelijk gemaakt voor het toezicht op het medische regime van Lenin en was bijzonder kwaad dat die brief verstuurd was. Hij schold Kroepskaya, de vrouw van Lenin, uit en dreigde ermee om de zaak voor de Controle Commissie te brengen. Hierop vroeg de vrouw van Lenin bescherming van Kamenev tegenover de “inmenging in mijn persoonlijk leven, het offensief taalgebruik en de bedreigingen.” Pas in maart 1923 werd Lenin van het incident op de hoogte gebracht.]

Vervolg van de nota’s op 26 december 1922

De verhoging van het aantal CC-leden tot 50 of zelfs 100 moet volgens mij een dubbel, of zelfs een driedubbel doel hebben: hoe meer CC-leden, hoe meer mensen zullen gevormd worden in het werk van het CC en hoe minder gevaar er zal zijn voor een splitsing omwille van een zekere indiscretie. Het opnemen van veel arbeiders in het CC zal ertoe leiden dat deze helpen om onze administratieve machine te verbeteren, onze administratie is immers vrij slecht. We hebben de administratie geërfd van het oude regime aangezien het onmogelijk was om het op zo’n korte tijd te reorganiseren, zeker onder de condities van oorlog, hongersnood,… Dat is waarom de “critici” die wijzen op de gebreken in onze administratie om ons belachelijk te maken of zwart te maken, op een kalme wijze kunnen geantwoord worden dat zij niet het minste begrip hebben van de situatie van de revolutie vandaag. Het is onmogelijk om de volledige administratie te reorganiseren op vijf jaar tijd, zeker niet in de omstandigheden waarin onze revolutie plaats vond. Het is al een verwezenlijking dat we op vijf jaar tijd een nieuw type staat gecreëerd hebben waarbij de arbeiders de boeren leiden in de gezamenlijke strijd tegen de burgerij; en in een vijandige internationale omgeving is dit op zich een gigantische verwezenlijking. Maar deze kennis mag ons niet blind maken voor het feit dat we in feite de oude staatsmachine van de tsaar en de burgerij overgenomen hebben, en dat we met het vooruitzicht van vrede en het voorzien van de basisbehoeften tegenover de hongersnood, al ons werk moeten richten op het verbeteren van de administratie.

Ik denk dat een paar tientallen arbeiders als leden van het CC beter dan wie dan ook in staat zijn om ons staatsapparaat te controleren, te verbeteren en te herschapen. De Arbeiders- en Boereninspectie die deze taak aanvankelijk opgelegd kreeg, heeft aangetoond dat zij die taak niet aankan en deze inspectie kan enkel gebruikt worden als hulpmiddel of onder bepaalde voorwaarden voor assistentie van de CC-leden. De arbeiders die we opnemen in het Centraal Comité moeten volgens mij bij voorkeur arbeiders zijn die geen lange staat van diensten in Sovjet-organen hebben (in dit deel van mijn brief omvat de term arbeiders ook steeds de boeren), omdat die arbeiders zich aangepast hebben aan de tradities en de vooroordelen waartegen strijd moet gevoerd worden.

De arbeiders in het CC moeten arbeiders zijn van de lagere regionen dan diegenen die de laatste vijf jaar opgang hebben gemaakt in de organen van de Sovjets, ze moeten dichter staan bij de basis van arbeiders en boeren die niet in de categorie van directe of indirecte uitbuiters vallen. Ik denk dat zo’n arbeiders door het deelnemen aan alle zittingen van het CC en het Politiek Bureau en door het lezen van alle documenten van het CC een groep toegewijde aanhangers van het Sovjetsysteem kan vormen om eerst en vooral stabiliteit te geven aan het CC zelf en ten tweede efficiënt kan werken aan de vernieuwing en de verbetering van het staatsapparaat.

Lenin, 26 december 1922
Genoteerd door L.F.

Vervolg van de nota’s op 29 december 1922.

Door haar aantal leden te verhogen, moet het CC volgens mij ook – en misschien zelfs voornamelijk – aandacht schenken aan het controleren en verbeteren van onze administratie die absoluut niet goed is. We moeten daarbij de diensten inschakelen van hoog gekwalificeerde specialisten, de taak om die specialisten te leveren moet toegekend worden aan de Arbeiders- en Boereninspectie.

Hoe kunnen we het inzetten van deze specialisten, mensen met een adequate kennis, combineren met de nieuwe leden van het CC? Dat probleem moet in de praktijk opgelost worden. Mij lijkt het dat de Arbeiders- en Boereninspectie (als gevolg van haar ontwikkeling en onze perplexe houding tegenover haar ontwikkeling) ontwikkeld is tot wat we nu zien, met name een tussenpositie tussen een speciaal Volkscommissariaat en een speciale functie voor de leden van het CC; tussen een instelling die alles en iedereen controleert en die bestaat uit eerste klasse inspecteurs die goed moeten betaald worden (dit is zeker vandaag belangrijk in een periode waar alles moet betaald worden en de inspecteurs direct tewerkgesteld worden door de instellingen die hen betalen).

Als het aantal CC-leden verhoogd wordt op een aangepaste wijze, en dit CC het management van de staat jaar in jaar uit op zich neemt met de hulp van hoog gekwalificeerde specialisten en leden van de Arbeiders- en Boereninspectie die een grote autoriteit hebben op alle vlakken, dan zullen we er volgens mij in slagen om het probleem aan te pakken dat we gedurende lange tijd niet hebben kunnen aanpakken.

Samengevat, hoogstens 100 leden in het CC en niet meer dan 400-500 assistenten, leden van de Arbeiders- en Boereninspectie, die hun inspectieactiviteiten uitvoeren onder de leiding van het CC.

Lenin, 29 december 1922
Genoteerd door M.V.

 


 

Deel 2. Discussie over het toekennen van wetgevende macht aan de Commissie voor staatsplanning

Dit idee werd, schijnbaar lange tijd geleden, gesuggereerd door kameraad Trotski. Ik was er toen tegen omdat ik dacht dat er een fundamenteel tekort aan coördinatie van onze wetgevende instellingen zou zijn. Maar na een grondiger nazicht van de kwestie meen ik dat het in feite een goed idee bevat, met name dat de Commissie voor staatsplanning een min of meer aparte plaats inneemt los van onze wetgevende instellingen, hoewel het als een instelling van ervaren mensen, experts, vertegenwoordigers van de wetenschap en technologie, in een betere positie is om een correct beeld te vormen van de zaken.

We staan echter ver af van het principe dat de Commissie voor staatsplanning de overheid kritisch geanalyseerd materiaal bezorgt en de staatsinstellingen over staatszaken moeten beslissen. Ik denk dat in de huidige situatie waar de zaken ongewoon gecompliceerd geworden zijn, en wanneer het nodig is om steeds opnieuw kwesties te regelen waarvoor soms de opinie van de experts van de Commissie voor staatsplanning vereist is, al dan niet over bepaalde punten van beslissingen, in zo’n situatie is het volgens mij nodig dat we de bevoegdheid van de Commissie uitbreiden.

Ik kan me inbeelden dat dit zou betekenen dat de beslissingen van de Commissie voor staatsplanning niet zouden kunnen verworpen worden dor de gewone procedures in de Sovjetinstellingen, maar dat een speciale procedure zou ontworpen worden. Zo zou de kwestie kunnen onderworpen worden aan een zitting van het Al-Russische Centraal Uitvoerend Comité dat een hernieuwd nazicht van de beslissing overweegt overeenkomstig een speciale procedure waarbij het op basis van nota’s nagaat of de beslissing van de Commissie moet omgevormd worden. Tenslotte zouden bijzondere tijdslimieten moeten vastgelegd worden voor de procedure tegenover beslissingen van de Commissie voor staatsplanning.

Op dit vlak kunnen, en moeten we volgens mij tegemoet komen aan de wensen van kameraad Trotski, maar niet in de zin dat één van onze politieke leiders, of de voorzitter van de Hoge Raad voor Economie,… voorzitter moet worden van de Commissie voor staatsplanning. Ik denk dat persoonlijke zaken vandaag te nauw verweven worden met principiële kwesties. Ik denk dat de aanvallen die gemaakt worden tegen de huidige voorzitter van de Commissie, kameraad Krzhizhanovski, en zijn assistent, kameraad Pyatakov, – aanvallen die langs twee lijnen verlopen: enerzijds horen we beschuldigingen van laksheid, gebrek aan onafhankelijke oordeelvorming en het gebrek aan een ruggengraat, anderzijds horen we verhalen van uitzinnige grofheid, drilmethoden, gebrek aan wetenschappelijke achtergrond,… – ik denk dat deze aanvallen de twee zijden van de kwestie uitdrukken waarbij deze tot het extreme worden doorgetrokken. In feite hebben we in de Commissie voor staatsplanning een zorgvuldige combinatie nodig van twee types van karakter waarbij kameraad Pyatakov een voorbeeld is van het ene en kameraad Krzhizhanovsky van het andere.

Ik denk dat de Commissie voor staatsplanning moet geleid worden door iemand die enerzijds een wetenschappelijke vorming heeft, ofwel technisch ofwel agronomisch, met decennialange praktische ervaring op deze gebieden. Ik denk dat het iemand moet zijn die niet zozeer kwaliteiten heeft als administrator, maar wel over een brede ervaring moet beschikken en in staat moet zijn om de diensten van anderen in te schatten.

Lenin, 27 december 1922
Genoteerd door M.V.

28 december 1922

Ik heb gezien dat een aantal van onze kameraden met directe invloed op de staatszaken, overdreven nadruk leggen op de administratieve kant van de zaak, wat natuurlijk noodzakelijk is in bepaalde gevallen, maar wat niet mag verward worden met de wetenschappelijke kant van de zaak, met een zicht op een breder geheel van feiten, met de capaciteiten om mensen aan te werven,…

In iedere staatsinstelling, in het bijzonder bij de Commissie voor staatsplanning, is de combinatie van die twee kwaliteiten essentieel. Toen kameraad Krzhizhanovsky me vertelde dat hij de diensten van kameraad Pyatakov had aangeworven voor de Commissie en hij zich verzoend had met kameraad Pyatakov over het werk, had ik enerzijds twijfels hierover maar anderzijds hoopte ik dat we zo een combinatie zouden krijgen van de twee types van staatsmannen. Of deze hoop gerechtvaardigd was, zal moeten blijken uit een iets langere ervaring, maar in principe denk ik dat er ongetwijfeld een dergelijke combinatie van temperamenten en types (van mannen en kwaliteiten) noodzakelijk is voor het correct functioneren van staatsinstellingen. Ik denk dat het hier even slecht is om de “administratie” te overdrijven als om gelijk welk onderdeel te overdrijven. De verantwoordelijke van een staatsinstelling moet beschikken over een grote persoonlijkheid en voldoende stevige wetenschappelijke en technische kennis om het werk van anderen te kunnen controleren. Dat is de basis. Zonder deze basis kan het werk niet goed gedaan worden. Anderzijds is het belangrijk dat de verantwoordelijke in staat is om een administratie te voeren en bijgestaan wordt op dat vlak. De combinatie van deze twee kwaliteiten in één persoon, zal moeilijk te vinden zijn en is niet noodzakelijk.

Lenin, 28 december 1922
Genoteerd door L.F.

29 december 1922

De Commissie voor staatsplanning ontwikkelt blijkbaar op alle vlakken tot een commissie van experts. Zo’n instelling kan niet geleid worden dan door iemand met ervaring en met een volwaardige wetenschappelijke vorming op technologisch vlak. Het administratieve element moet in essentie van ondergeschikt belang zijn. Een zekere onafhankelijkheid en autonomie voor de Commissie voor staatsplanning is essentieel voor het prestige van deze wetenschappelijke instelling en is afhankelijk van één iets, met name het bewustzijn van haar werknemers en hun bewuste wil om onze planning van economische en sociale ontwikkeling in de realiteit om te zetten.

Die laatste kwaliteit zal vandaag natuurlijk slechts bij uitzondering gevonden worden, aangezien de meerderheid van de wetenschappers die deel uitmaken van de Commissie, onvermijdelijk beïnvloed zijn door burgerlijke ideeën en burgerlijke vooroordelen. Hen daarop controleren moet gebeuren door verschillende personen die het presidium van de Commissie kunnen vormen. Dit moeten communisten zijn die een dagdagelijkse controle uitoefenen op de toewijding van de burgerlijke wetenschappers aan onze zaak doorheen hun werk waarbij ook toegezien wordt dat ze hun burgerlijke vooroordelen verliezen en geleidelijk aan socialistische standpunten aannemen. Deze werking langs de nauw met elkaar verbonden lijnen van wetenschappelijke controle en pure administratie zou ideaal zijn voor de verantwoordelijken van de Commissie voor staatsplanning in onze republiek.

Lenin, 29 december 1922
Genoteerd door M.V.

Is het logisch om het werk van de Commissie voor staatsplanning op te delen in verschillende jobs? Moeten we in tegendeel niet proberen om een groep van permanente specialisten die systematisch gecontroleerd worden door het presidium van de Commissie en die een hele reeks problemen kunnen oplossen? Ik denk dat die tweede optie het meest redelijke is en we moeten proberen het aantal tijdelijke en dringende taken te beperken.

Lenin, 29 december 1922
Genoteerd door M.V.

 


 

Deel 3. Het nationaliteitenvraagstuk of de “autonomisering”

Ik veronderstel dat ik erg onzorgzaam omgesprongen ben tegenover de arbeiders van Rusland als ik niet energiek en beslissend genoeg ben tussengekomen in de notoire discussie over autonomie, waarbij dit vraagstuk naar het schijnt officieel het vraagstuk van de socialistische Sovjet-republieken wordt genoemd.

Toen dit vraagstuk vorige zomer opdook, was ik ziek. En dan in de herfst was ik teveel bezig met mijn herstel en op de plenaire vergaderingen van oktober en december had ik de kans om op dit vraagstuk in te gaan, maar ik was niet in staat om aanwezig te zijn op de vergadering van oktober (toen de kwestie naar voor kwam) en december, waardoor de kwestie me bijna volledig is voorbijgegaan.

Ik had enkel de tijd voor een gesprek met kameraad Dzerzhinski die van de Kaukasus komt en me uitgelegd heeft wat de situatie is in Georgië. Ik slaagde er ook in om een paar woorden te wisselen met kameraad Zinoviev en om zo mijn inschatting van de kwestie mee te geven. Op basis van wat mij verteld is door kameraad Dzerzhinski, kan ik enkel uiterst bezorgd zijn. Als het zo ver gekomen is dat Ordjonikidze tot het extreme kon gaan bij het gebruik van fysiek geweld, zoals mij werd verteld door kameraad Dzerzhinski, dan kunnen we ons voorstellen in welke moeilijke situatie we hier terechtgekomen zijn. Het is duidelijk dat de hele discussie over “autonomisering” totaal verkeerd was en bovendien met een slechte timing.

Er wordt gezegd dat een ééngemaakt apparaat noodzakelijk was. Van waar kwam die verzekerdheid hieromtrent? Kwam het niet van hetzelfde Russische staatsapparaat dat we, zoals ik eerder reeds gezegd heb, overgenomen hadden van het tsarisme en slechts beperkt aangepast hadden met de Sovjet-opvattingen?

Ongetwijfeld moest die maatregel een beetje uitgesteld worden tot we min of meer konden beschikken over een eigen apparaat. Maar nu moeten we in volle bewustzijn het tegendeel toegeven, het apparaat dat we het onze noemen is in feite nog steeds erg vreemd aan ons. Het is burgerlijk en tsaristisch en er was nog geen mogelijkheid om er in de loop van de voorbije vijf jaar van af te raken bij gebrek aan hulp van andere landen en omdat we meestal “bezig” waren met militaire operaties en de strijd tegen de hongersnood.

Het is logisch dat in deze omstandigheden de “vrijheid om af te scheiden van de unie”, waarop we ons baseren, slechts een papieren notie is waarbij we niet in staat zijn om de niet-Russen voldoende te verdedigen tegenover de Groot-Russische chauvinisten, die in feite op tirannieke wijze optreden zoals het typisch is voor Russische bureaucraten. Ongetwijfeld zal een beperkt aandeel van de sovjet-arbeiders verdrinken in die vloed van Groot-Russisch chauvinisme zoals vliegen in melk verdrinken.

Ter verdediging van deze maatregel wordt gezegd dat het Volkscommissariaat dat bevoegd is voor de nationale psychologie en de nationale opvoeding afzonderlijke organen vormen. Maar de vraag rijst of deze Volkscommissariaten echt onafhankelijk van elkaar kunnen gemaakt worden? En ten tweede: waren we voorzichtig genoeg om maatregelen te nemen om de niet-Russen te beschermen tegen de Russische overheersing? Ik denk niet dat we zo’n maatregelen genomen hebben, ook al konden en moesten we dit gedaan hebben.

Ik denk dat Stalins haast en zijn bezetenheid met de pure administratie, samen met zijn wrok tegen het notoire nationalistische socialisme [Stalin verweet de minderheid van staten dat ze niet “internationalistisch” waren omdat ze geen eenheid wensten te vormen met Rusland], een fatale rol gespeeld hebben. In politiek speelt wrok meestal een slechte rol.

Ik vrees ook dat kameraad Dzerzhinski die naar de Kaukasus trok om de “misdaad” van die “nationalistische socialisten” te onderzoeken, vooral duidelijk gemaakt heeft dat hij vanuit een Russisch standpunt redeneert (het is algemeen geweten dat mensen van andere nationaliteiten die Russisch geworden zijn, te grote nadruk leggen op het Russische standpunt) en dat de onpartijdigheid van zijn commissie duidelijk genoeg gemaakt werd door de “aanpak” van Ordonikidze. Ik denk dat geen enkele provocatie of zelfs belediging zo’n Russische optreden rechtvaardigt en dat kameraad Dzerzhinski onvergefelijk fout was toen hij een lichtzinnige houding innam over deze kwestie.

Voor alle burgers van de Kaukasus was Ordonikidze een autoriteit. Hij heeft geen recht om de geprikkeldheid te vertonen waarnaar hij en Dzerzhinski verwezen. Integendeel, Ordonikidze had zich met een terughoudendheid moeten opstellen die we niet kunnen eisen van gewone burgers, en nog minder van een man die beschuldigd wordt van een “politiek” misdrijf. En om eerlijk te zijn, die nationalistische socialisten waren burgers die beschuldigd werden van een politiek misdrijf, de aard van de beschuldigingen was zo dat geen andere omschrijving mogelijk was.

We hebben hier een belangrijke principekwestie: hoe moeten we internationalisme begrijpen?

Lenin, 30 december 1922
Genoteerd door M.V.

Vervolg van de nota’s op 31 december 1922

In mijn artikels over het nationale vraagstuk heb ik al gezegd dat een algemene benadering van de kwestie van het nationalisme meestal niet bruikbaar is. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen nationalisme van een onderdrukkende natie en nationalisme van een onderdrukte natie, het nationalisme van een grote natie en dat van een kleine natie.

Tegenover die tweede vorm van nationalisme, zijn grote landen in bijna alle gevallen schuldig geweest aan een groot aantal gewelddaden. Bovendien maken we ons in heel wat gevallen schuldig aan geweld en beledigingen zonder dit op te merken. Het volstaat om te herinneren aan mijn Volga-periode om te weten hoe niet-Russen behandeld worden, hoe de Polen ‘Polyachiska’ genoemd werden, hoe de Tataren de bijnaam ‘Prinsen’ kregen, hoe de inwoners van de Oekraïne ‘Khokhols’ genoemd werden en hoe de Kaukasiërs steeds Kapkasiërs waren.

Dat is waarom internationalisme van de onderdrukkers of de “grote” landen zoals ze genoemd worden (ook al zijn ze enkel groot op het vlak van hun geweld en als geweldenaars), niet enkel moet bestaan uit de formele gelijkheid van naties, maar zelfs in een ongelijkheid van de onderdrukkende natie, de “grote natie”, om in balans te zijn met de ongelijkheden die naar voor komen in de praktijk. Wie dat niet begrijpt, heeft geen begrip van de echte proletarische houding tegenover het nationale vraagstuk en is in essentie nog steeds kleinburgerlijk op dit punt en zal daarom afdalen tot een burgerlijk standpunt.

Wat is belangrijk voor het proletariaat? Voor een proletariër is het niet enkel belangrijk, het is essentieel, dat verzekerd wordt dat niet-Russen het grootst mogelijke vertrouwen hebben in de proletarische klassenstrijd. Hoe kunnen we dat verzekeren? Niet door een magere formele gelijkheid. Op de één of andere wijze is het nodig, door de houding of door toegevingen, om het wantrouwen van de niet-Russen te compenseren. Om de verdachtmakingen en de beledigingen van de regering van de “dominante” natie in het verleden te overstijgen.

Ik denk dat het niet nodig is om dit erg gedetailleerd uit te leggen aan Bolsjewieken en communisten. En ik denk dat we nu inzake de Georgische natie, een typisch voorbeeld zien van hoe een proletarische houding betekent dat we voorzichtig en doordacht moeten zijn en bereidheid moeten tonen voor toegevingen. De Georgiër [Stalin] die dit onderdeel van de kwestie negeert of onzorgvuldig verwijten lanceert over “nationalistische socialisten” (terwijl hij zelf een “nationalistische socialist” is, zij het een Groot-Russische), gaat in tegen de belangen van de proletarische klassesolidariteit aangezien er geen zo’n sterke rem bestaat voor die klassesolidariteit als de nationale onrechtvaardigheid. “Beledigde” naties zijn nergens gevoeliger voor dan het gevoel van gelijkheid en de inbreuken op die gelijkheid, zelfs als het plaatsvindt door onzorgzaamheid of als de gelijkheid gebroken wordt door hun proletarische kameraden. Dat is waarom het beter is om zelf toegevingen te doen en een openheid te vertonen tegenover nationale minderheden, in plaats van uiteindelijk die toegevingen te worden opgedrongen. Dat is waarom het in het belang van de klassenstrijd is dat we nooit een formele houding innemen over het nationale vraagstuk, maar steeds vertrekken van de specifieke houding van de proletariërs van de onderdrukte naties tegenover de onderdrukkende natie.

Lenin, 31 december 1922
Genoteerd door M.V.

Vervolg van de nota’s op 31 december 1922

Welke praktische maatregelen moeten nu genomen worden?

Eerst moeten we de unie van socialistische republieken behouden en versterken. Dit staat buiten kijf. Deze maatregel is voor ons allemaal noodzakelijk en het is noodzakelijk voor het internationale proletariaat in haar strijd tegen de wereldwijde burgerij en voor haar verdediging tegenover de burgerlijke intriges.

Ten tweede is het noodzakelijk om de unie van socialistische republieken te behouden voor haar diplomatiek apparaat. Dat apparaat is trouwens een belangrijk onderdeel van ons staatsapparaat. We hebben niet toegelaten dat ook maar één invloedrijke persoon van het oude tsaristische apparaat toegang kreeg tot de diplomatie. Alle onderdelen met enige autoriteit zijn samengesteld uit communisten. Dat is waarom het al de reputatie van een betrouwbaar communistisch apparaat heeft afgedwongen waarbij op grotere schaal komaf gemaakt is met de invloed van de oude tsaristische burgerij en de kleinburgerlijke elementen dan wat het geval is bij andere Volkscommissariaten.

Ten derde moet een voorbeeldstraf opgelegd worden aan kameraad Ordonikidze (ik zeg dit met spijt aangezien ik één van zijn persoonlijke vrienden ben en met hem heb samengewerkt in het buitenland) en het onderzoek van al het materiaal dat verzameld werd door de commissie van Dzerzhinski moet opnieuw van voor af aan gebeuren om de enorme hoeveelheid aan fouten en vooringenomen oordelen die er ongetwijfeld in staan, te corrigeren. De politieke verantwoordelijkheid voor deze Groot-Russische nationalistische campagne moet bij Stalin en Dzerzhinski gelegd worden.

Ten vierde moeten strikte regels ingevoerd worden op vlak van het gebruik van de nationale taal in niet-Russische republieken van onze unie, en het toezicht op deze regels moet met bijzondere zorg gebeuren. Het behoeft geen twijfel dat ons apparaat is wat het is, en er zullen onder het mom van eenheid in de spoordiensten, bij de belastingen,… tal van Russische misbruiken zijn. Er is speciale aandacht nodig voor de strijd tegen die misbruiken, en een grote zorgzaamheid is vereist voor diegenen die deze strijd voeren. Een gedetailleerde gedragscode zal noodzakelijk zijn, en enkel de inwoners van de kwestieuze republieken kunnen zo’n code succesvol opstellen. En zelfs dan kunnen we niet op voorhand zeker zijn dat op basis van dit werk op het volgende congres van de Sovjets geen stap achteruit zal moeten gezet worden, waarbij de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken enkel behouden wordt voor militaire en diplomatieke zaken, naast volledige onafhankelijkheid voor de individuele Volkscommissariaten.

We mogen niet vergeten dat de decentralisatie van de Volkscommissariaten en het gebrek aan coördinatie tussen Moskou en andere centra, voldoende kan gecompenseerd worden door de autoriteit van de partij als die autoriteit op voldoende voorzichtige en onpartijdige wijze naar voor komt. De negatieve gevolgen van een gebrek aan eenheid tussen de verschillende nationale apparaten en het Russische apparaat zijn veel beperkter dan de uitdagingen die niet enkel ons te wachten staan, maar de hele Internationale en de honderden miljoenen inwoners van Azië die ons in de nabije toekomst zullen volgen op het toneel van de geschiedenis. Het zou een onvergefelijk opportunisme zijn om aan de vooravond van het ontwaken van het Oosten ons prestige bij deze volkeren te ondermijnen, zelfs al is het door een lichte grofheid of onrechtvaardigheid tegenover onze eigen niet-Russische nationaliteiten. De noodzaak om op te komen tegen de imperialisten van het Westen die de kapitalistische wereld verdedigen, is één zaak. Daar kan geen twijfel over bestaan en het is overbodig dat ik mijn onvoorwaardelijke steun aan die strijd verleen. Het is echter een andere zaak als we onszelf verlagen tot zelfs maar beperkte elementen van een imperialistische houding tegenover onderdrukte nationaliteiten en daardoor onze principiële positie ondermijnen, en ook onze principiële verdediging van de strijd tegen het imperialisme ondermijnen. Maar de toekomst van de wereldgeschiedenis zal tonen dat de dag komt dat de ontwakende volkeren uit het imperialisme opstaan en de beslissende maar lange en harde strijd beginnen voor hun nationale bevrijding.

Lenin, 31 december 1922
Genoteerd door M.V.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie