Marxisme en de positie van de vrouw in de samenleving

De laatste tientallen jaren kwamen er grote veranderingen in de positie van de vrouwen in de samenleving en de opvattingen hierover. Meer vrouwen dan ooit tevoren gaan uit werken. Ze verwerpen meer en meer de traditionele opvattingen over hun rol in de samenleving en de discriminaties die ze ondergaan. Op hetzelfde moment lanceren rechtse partijen in Europa en de VS ideologische offensieven met de bedoeling de klok terug te draaien naar meer traditionele rolpatronen o.a. tegen eenoudergezinnen, met betrekking tot de echtscheiding en tegen de welvaartstaat. Een begrip van het conflict rond de positie van de vrouwen is voor het marxisme van vitaal belang om tot een correcte inschatting te komen van de historische periode waarin we leven en de meest waarschijnlijke ontwikkelingen.

 

Enkele feiten over de vrouw in de kapitalistische samenleving:

Gemiddeld verdienen vrouwen 72% van mannenlonen. Zowel in handenarbeid als in bediendenwerk verdienen vrouwen minder dan mannen.

Het aandeel van de vrouwen in de beroepsbevolking is toegenomen tot ongeveer 50% waarbij de meeste nieuw geschapen jobs naar vrouwen gaan. Dit is niet omdat ze de jobs uitoefenen die normaal door mannen worden gedaan – op dat vlak zijn er maar enkele kleine verschuivingen in die richting. De oorzaak ligt in de deregulering: de groei van de dienstensector en de achteruitgang van de zware verwerkende nijverheid. Vrouwenjobs zijn nog steeds geconcentreerd in sectoren waar ze traditioneel werkten en die een weerspiegeling vormen van het soort werk dat vrouwen thuis uitvoeren. 75% van alle vrouwelijke arbeiders werken in de dienstensector meestal als kokkin, kuisvrouw, verpleegster, opdienster, secretaresse en kapster. Van zij die in de verwerkende industrie werken zijn 50% geconcentreerd in de voedings-, drank-, textiel- en schoenindustrie en de lichte elektronica. Zelfs in de sectoren die gedomineerd worden door vrouwen vindt men hen niet terug in de topjobs. Zo vormen vrouwen bijvoorbeeld 81% van de leerkrachten in kleuter- en lager onderwijs maar slechts 57% van de directeurs zijn vrouwen!

Vrouwen doen het overweldigende aandeel van de huishoudelijke taken zelfs als beide partners full-time werken.

Uit een onderzoek naar de verdeling van huishoudelijke taken bleek een grotere taakverdeling dan bij vroegere generaties vermits meer vrouwen buitenhuis werken en traditionele ideeën doorbroken werden. De meerderheid van zowel mannen als vrouwen denken dat de jobs die overwegend door vrouwen gedaan worden gelijk zouden moeten verdeeld worden. Maar dit is niet het geval. Vrouwen spenderen per week meer dan 8 uren aan koken en boodschappen zelfs als ze voltijds werken. Mannen hebben ook twee uur meer vrije tijd in het weekend dan vrouwen. Vrouwen raken nog meer achterop als er kinderen geboren worden. De vrije tijd waarvan de vaders genieten valt van 50,1 naar 31,6 uren per week, voor de moeders gaat dit van 46,6 naar 22,5 uren. (de meeste cijfers hebben hier betrekking op de Britse situatie, er wordt echter vanuit gegaan dat de cijfers in België niet zo verschillend zijn van die Britse cijfers)

In de meeste organisaties, beroepen en werkplaatsen zijn vrouwen een steeds kleinere minderheid naarmate je hoger in de structuren doordringt. Dit geldt ook voor vakbonden waar vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in vergelijking met hun gewicht in het ledenaantal.

Vrouwen zijn vaak het slachtoffer van geweld als gevolg van hun positie als vrouw. Zo heeft één vrouw op drie geweld ondergaan vanwege een mannelijk gezinslid of partner. Cultuur in de kapitalistische samenleving staat bol van voorstellingen van vrouwen die de bijdrage die ze leveren aan de samenleving ontkent of kleineert, vaak vrouwen voorstellend als seksobjecten voor het plezier en de dominantie van de mannen of als middelen om producten te verkopen. In vele gebieden op aarde worden vrouwen gekocht en verkocht als bruiden, niet alleen binnen de landbouwsamenlevingen maar tussen de ex-koloniale wereld en de ontwikkelde kapitalistische landen, waar bijvoorbeeld Fillippijnse vrouwen op internet te koop worden aangeboden aan Westerse mannen. Sekstoerisme is nu geïntegreerd in de economieën van verschillende ex-koloniale landen. Dit alles is het product van een ideologie die mannen en vrouwen verstarde en beperkte rollen toewijst, die de rol van de vrouwen minimaliseert, die hun zelfvertrouwen ondermijnt en die de indruk poogt te geven dat dit alles natuurlijk en onvermijdelijk is.

 

Is deze ongelijkheid natuurlijk?

Kapitalisme en vroegere maatschappijen die gebaseerd zijn op privé-eigendom verklaren de plaats van de vrouw door hun “natuurlijke minderwaardigheid”. Deze verklaringen variëren van mythologische verklaringen zoals in de bijbel waar de vrouw geschapen wordt omdat Adam eenzaam is. Eva wordt geschapen uit een losse rib en tengevolge van haar zwakheid van karakter is achteraf alles misgelopen. Andere verklaringen, toen godsdienst week voor wetenschap als middel om de kapitalistische politiek te rechtvaardigen, waren dat vrouwenhersenen kleiner zouden zijn dan die van de mannen, dat hun schouders en heupen een andere vorm hebben, dat ze beheerst worden door hun emoties, dat ze fysisch zwakker of minder rationeel zijn dan de mannen. De meeste van die verklaringen, alhoewel van tijd tot tijd zeer populair, lijken vandaag belachelijk of hypocriet. Het loonverschil tussen mannen en vrouwen werd bijvoorbeeld gerechtvaardigd omdat het werk van de mannen fysiek meer belastend was. Maar als lonen en wedden tussen mannen werden afgewogen, was fysieke kracht ondergeschikt aan behendigheid, scholing of intellectuele activiteit.

Het gezin

De meest relevante verklaringen van de rol van de vrouw zijn verbonden met het gezin. In de ideologische offensieven van rechts schuift men de stelling naar voren dat het kerngezin zoals we het vandaag kennen – een man, een afhankelijke vrouw en afhankelijke kinderen- altijd bestaan heeft en de natuurlijke en beste wijze vormt om de samenleving te organiseren.

Het lage loon van de vrouwen is gerechtvaardigd omdat werk secundair is tegenover de gezinstaak. Een vrouw zal het grootste deel van haar volwassen leven financieel afhankelijk blijven van een mannelijke kostwinner doorbrengen zodat men haar enkel een “aanvullend loon” moet uitbetalen. Een poging om van deze vrouwenrol af te wijken, door bijvoorbeeld vrijgezel te blijven of te leven als éénoudergezin, kan leiden tot sociale problematische gevolgen.

Welke rol speelt het gezin als maatschappelijke instelling?

Wanneer de meeste mensen over het gezin nadenken, denken ze aan hun relaties – moeders, vaders, partners, kinderen, …. Blijkbaar hebben persoonlijke relaties, vriendschappen en praktische samenwerking tussen mensen altijd bestaan. Het is een van de hoofdkenmerken van de menselijke ontwikkeling. Maar het is belangrijk om te begrijpen dat als politici en commentatoren naar het gezin verwijzen, ze dit doen naar het gezin als maatschappelijke instelling: het gezin als “hoeksteen” van de samenleving. Het is een organisatie-eenheid die een onderdeel vormt van de maatschappelijke structuur van het kapitalisme.

(a). De ideale familie uit de burgerlijke ideologie is een eenheid gebaseerd op de economische afhankelijkheid van de “niet-productieve” leden van het gezin en op de individuele kostwinner, meestal de man, die dan vereenzelfdigd wordt met het gezinshoofd.

De voor de hand liggende gevolgtrekking hiervan is, tot nut van het kapitalisme, dat de volledige financiële lasten van het gezin gedragen worden zonder de hulp van de staat te moeten inroepen. Het gezin heeft natuurlijk niet de materiële of psychologische middelen om zulke lasten te dragen. Op verschillende momenten in de geschiedenis leidt dit tot uithongering, ondervoeding en ziekte. De isolatie van vrouwen thuis als enige zorgdragers voor de voorschoolse kinderen is een hoofdbron voor depressie en zenuwziekten. Enige verlichting werd geboden door de welvaartstaat. Dit was gedeeltelijk een erkenning door de bazen dat er toegevingen moesten gedaan worden om arbeidskracht te scheppen en zo de industrie draaiende te houden en de sociale optand te vermijden. Het is ook het gevolg van de strijd van de mannen en de vrouwen van de werkende klasse die vonden dat het gezin dergelijke lasten niet kan dragen. De lokale sociale voorzieningen zijn vooral voor vrouwen gunstig geweest. Niettemin werd vanaf het begin de economische afhankelijkheid van de vrouwen in de vergoedingssystemen ingebakken. Dit was gebaseerd op een versterking van het patriarchale gezin. Zo werden weduwen behandeld als “fatsoenlijke armen”, terwijl gescheiden vrouwen bekeken werden als verantwoordelijk voor hun eigen armoede en de kleinst mogelijke uitkering kregen na onderzoek naar hun middelen van bestaan.

Financiële afhankelijkheid van vrouwen t.o.v. hun partner is centraal in de kapitalistische visie op het gezin. Waar mogelijk pogen ze een financiële band te behouden als persoonlijke relaties opbreken. Onderhoudsgeld voor vrouwen verdwijnt geleidelijk naarmate meer vrouwen buitenhuis zijn gaan werken en een volledige breuk wilden met de gefaalde voorbije relaties. Onderhoudsgeld werd terug ingevoerd met de bedoeling om de man te dwingen zijn ex-partner en hun kinderen financieel te blijven steunen zodat ze geen beroep zouden moeten doen op staatsgelden.

(b) Binnen het gezin deden de vrouwen onbetaalde huishoudelijke arbeid als dienstverlening aan de andere familieleden zoals koken, schoonmaken, wassen en herstellen van kleren. De vrouw zorgt ook voor de kinderen en in bepaalde gevallen voor de oude of zieke gezinsleden.

Sommige verzekeringsmaatschappijen schatten de onbetaalde huishoudelijke arbeid van vrouwen op 28200 frank per week! Geen van deze rollen is noodzakelijk voor het behoud van goede persoonlijke relaties. Het is niet nodig om 24 uren per dag, zeven dagen per week voor de fysieke noden van een kind te zorgen om er een goede persoonlijke band mee te hebben. In feite zouden vele moeders verklaren dat het een positief voordeel zou bieden om niet zo een voortdurende zorg te moeten uitvoeren. Deze rol die vele vrouwen fysiek en emotioneel uitput, uitgevoerd in het isolement van de woning, werd in bepaalde mate verlicht door de beperkte ontwikkeling van dagverblijven en thuishulp voor bejaarden, door het onderwijs en kinderdagverblijven en door een waaier van andere voorzieningen. Dit schepte ook banen, vaak gedaan door vrouwen tegen een laag loon, maar binnen een sociale functie en niet in isolement. Om deze redenen hebben vrouwen vaak het hardst gevochten om welvaartsvoorzieningen in te stellen of te behouden. Het terugschroeven van de welvaartstaat bedreigt de kleine vooruitgang die de vrouwen in de naoorlogse bloeiperiode gekend hebben. Onvoldoende fondsen voor verzorging in de gemeenschap betekenen een terugkeer van de vrouw naar verzorging staken ten behoeve van de gezinsleden binnen het isolement van de woning in het kader van een waaier van ingewikkelde problemen en noden die ze niet kunnen voldoen. Dit is een van de redenen voor het huidige ideologische offensief met betrekking tot het gezin. Het is een ruwe rechtvaardiging voor de besnoeiïngen in de openbare uitgaven om dergelijke werkzaamheden af te wentelen op de vrouwen gezien hun zogezegd natuurlijke rol in het gezin.

(c) Het gezin is ook traditioneel een controle-eenheid. Het was georganiseerd als een hiërarchie met de man als gezinshoofd met daaronder de vrouw en de kinderen.

In het verleden weerspiegelde de wet de macht die de man had over de vrouw en ouders over hun kinderen, met inbegrip van fysieke kracht en dwang. Het nog niet zo lang dat verkrachting binnen het huwelijk erkend wordt als een misdaad en dat geweld binnen het gezin gezien wordt als iets anders dan de uitoefening van het gezag van de man. Het is op die traditie dat politici zich beroepen als ze oproepen tot een versterking van het gezin. Het is een instelling, geloven ze, die zijn leden moet vertrouwd maken met respect en het gehoorzamen aan gezag. In een klassenmaatschappij geldt dat niet enkel ten aanzien van het gezinshoofd maar ook tegenover de autoriteiten in de samenleving – de overheid en de patroons.

In de “Verraden Revolutie” belicht Trotski deze aspecten van het gezin om te verklaren waarom het Stalinisme op dezelfde gezinsvorm steunt als de kapitalistische samenleving. Om de bureaucratische macht in de USSR te consolideren lanceerde Stalin een ideologische cultus rond het gezin. “Deze terugval neemt niet alleen de vorm aan van een walgelijke hypocrisie maar ze gaat ook aanzienlijk verder dan ijzeren economische noodwendigheden vragen. (Dit is een verwijzing naar het terugschroeven van de gemeentelijke voorzieningen van diensten en verzorgingstaken die vrouwen anders moesten doen binnenshuis). (…) Het meest dwingende motief voor de huidige familiecultus is onbetwistbaar de nood van de bureaucratie aan een stabiele hiërarchie in de relaties en voor het disciplineren van de jeugd door middel van 40.000.000 (een verwijzing naar het aantal gezinnen) steunpunten voor autoriteit en gezag”.

 

Heeft het gezin zoals we nu kennen altijd bestaan?

Gedurende vele jaren is er een levendig debat geweest over de fundamentele oorzaken van de vrouwenonderdrukking. De meningen lijken zich op twee stellingen te baseren en bevatten soms elementen van beide. Enerzijds is er een uitleg gevonden in de oorsprong en de rol van het patriarchaat, de geïnstitutionaliseerde dominantie van mannen in de samenleving. Anderzijds is de onderdrukking van vrouwen nauw verbonden met de ontwikkeling van privé-eigendom en klassenmaatschappijen.

Het ene sluit het andere niet uit. Het is mogelijk, terwijl men de specifieke onderdrukking van de vrouwen erkent, hierbij inbegrepen de vrouwen van de heersende klasse, om te verklaren dat de onderdrukking is ontstaan uit de klassenmaatschappij zelf. Alhoewel er opinies aan beide uiteinden van dit spectrum bestaan, erkennen de meeste analyses het bestaan en het belang van beide stellingen. Het meningsverschil rijst op over wat nu doorslaggevend is. Dit debat heeft belang omdat naarmate privé- eigendom en klassenmaatschappij doorslaggevend zijn voor de vrouwenonderdrukking dit mee de mate zal bepalen waarin socialisme, de klassenstrijd en de omverwerping van het kapitalisme als relevant voor de vrouwenbevrijdingsstrijd zullen gezien worden.

Engels schreef zijn boek “Over de oorsprong van het gezin, het particuliere eigendom en de staat”, op een moment dat de officiële ideologie verwees naar een natuurlijke arbeidsverdeling tussen vrouwen als de verzorgsters (slaven van hun biologische ingesteldheid), beperkt in wat ze doen en zelfs in wat ze denken, door hun rol als kinderverweksters en kinddraagsters, terwijl mannen van nature uit aan het openbare leven deelnemen, buitenshuis gaan werken als kostwinners en beschermers van de van hun afhankelijke gezinsleden. Elke poging om hiervan af te wijken door de vrouwen zou volgens de toenmalige heersende ideologie verschrikkelijke gevolgen hebben via morele en mentale ziekten.

De hypocrisie van deze visies werd duidelijker toen het kapitalisme het fabriekssyteem vestigde en de zich ontwikkelende textiel- en dienstenindustrie de vrouwen uit de gezinssfeer wegtrok als goedkope arbeidskrachten. Terwijl de heersende klasse en de groeiende middenklasse volgens hun eigen ideologie probeerden te leven, werden vrouwen uit de arbeidersklasse betrokken in organisatie en strijd.

Zelfs voor bepaalde vrouwen uit de midden- en bovenste lagen werd het “huisarrest” te veel en ze begonnen een gevecht voor wettelijke gelijkheid, toegang tot alle beroepen, om de economische en sociale posities van de mannen van hun eigen klasse te kunnen delen. Heel tijdelijk kwamen ze voor dezelfde zaken op als vrouwen uit de arbeidersklasse, bvb. voor het algemeen stemrecht. Dergelijke allianties over de klassengrenzen heen, alhoewel ze tijdelijk effectief kunnen zijn, werden meestal verbroken door meningsverschillen over de methodes die in de strijd moesten gebruikt worden: bijvoorbeeld over de vraag of men moest opkomen voor algemeen stemrecht of om het cijnskiesrecht voor mannen ook tot de vrouwen uit te breiden.

Het was in deze periode van verandering dat Engels, gebruik makend van de gegevens die hem in die tijd tot zijn beschikking stonden, probeerde aan te tonen dat in de vroegste maatschappijvormen de vrouwen niet die minderwaardige posities hadden die hun nu door het kapitalisme toegewezen worden en dat de systematische onderdrukking van veel recentere datum was. Zoals de titel van zijn hoger genoemd boek suggereert, verbond hij deze ontwikkeling met die van het privé-eigendom (de privé-eigendom van de productiemiddelen) en van de staat.

 

Natuur of cultuur?

De basisstelling van het Marxisme over het debat “biologie” versus “milieu” is dat biologie natuurlijk een rol speelt in de mogelijkheden en beperkingen van wat mensen kunnen doen. Maar één van de hoofdkenmerken van de ontwikkeling van de menselijke samenleving is de rol die gespeeld wordt door de cultuur, dus door de technologie, kennis, tradities en ideeën. Zelfs al zou het zo zijn dat de ongelijkheid van de vrouwen gebaseerd was op de arbeidsdeling tussen mannen en vrouwen met betrekking tot het baren van kinderen dan bestaat er geen enkele reden waarom dit beslissend zou moeten blijven in een moderne maatschappij. De strijd voor moederschapsrechten en kinderopvang illustreert het potentieel dat bestaat voor het doorbreken van dergelijke arbeidsverdeling. Het is een maatschappelijke en politieke beslissing of dit al of niet moet gebeuren. In zijn “Stellingen over Feuerbach” schreef Marx:

“De materialistische doctrine dat mensen het product zijn van de omstandigheden en hun opvoeding en dat bijgevolg veranderde mensen het product zijn van andere omstandigheden en een gewijzigde opvoeding, vergeet dat het de mensen zijn die de omstandigheden veranderen”.

 

Waarom is het van belang om te weten wat in vroegere maatschappijvormen gebeurde?

Als het waar is, wat sommigen argumenteren, dat de rol en de positie van de vrouwen in de biologie geworteld zit, dan is het duidelijk moeilijker om hun positie te wijzigen dan in het geval hun rol voorkomt uit de wijze waarop een bepaalde maatschappij georganiseerd is. Als we van die laatste stelling uitgaan zou de mogelijkheid bestaan om de positie van de vrouwen te veranderen door de productiewijze en de sociale structuren te wijzigen.

Omgekeerd, als we beloven dat de fundamentele machtsstructuur er vooral is om de heerschappij van de mannen over de vrouwen te bestendigen, dan is de vrouwenbevrijdingsstrijd er één van vrouwen tegen mannen. Als de basismachtsstructuur de klasseheerschappij bestendigt, maar als deel van die klasseheerschappij in de instellingen ook een betere positie voor de mannen inbouwde, dan zou de strijd van de vrouwen rond hun eigen onderdrukking gebeuren maar ze zou de neiging hebben om met de klassenstrijd samen te groeien. Terzelfdertijd zou een gevecht tegen het kapitalisme zich richten tegen de discriminatie en de specifieke onderdrukking van de vrouwen.

 

Wat gebeurde in de vroegste maatschappijvormen?

Alhoewel antropologie en archeologie in zijn tijd minder ontwikkeld waren dan nu, worden de meeste conclusies van Engels bevestigd door recente studies.

De vroegste maatschappijvormen worden meestal omschreven als samenlevingen van jagers-verzamelaars. Deze naam drukt de arbeidsverdeling uit die een kenmerk was van deze samenlevingen waarbij vrouwen plantaardig voedsel verzamelden en mannen jaagden. Dit bleek een bijzonder succesrijke taakverdeling vermits de mogelijkheid van de mens om op een zo gevarieerd dieet te overleven hun toeliet om bijna elk deel van de planeet te koloniseren.

Zij die ongelijkheid als fundamenteel voor de menselijke samenleving bestempelen, verwijzen naar deze arbeidsverdeling als bewijs dat ze biologisch en “natuurlijk” is. Maar dit betekent deze vroegste maatschappijvormen bekijken door de bril van het kapitalisme. Het is niet omdat mensen een verschillende rol spelen in de samenleving dat ze daarom moeten ongelijk zijn. Noch is er enige fundamentele reden waarom het baren en opvoeden van kinderen, vitaal voor het voortbestaan van de samenleving, dezen die hiervoor verantwoordelijk zijn naar een minderwaardige positie moet verwijzen. Zoals we zullen, verklaren ligt de reden hiervoor in de klassenmaatschappij.

Agressie of samenwerking.

Aan deze argumenten wordt de theorie van “de man als jager” verbonden ter rechtvaardiging van de minderwaardige positie van de vrouw. Sommigen argumenteren dat omdat vlees schaars was – plantaardig voedsel maakte meestal op zijn minst 75% van het dieet uit – vlees, mannen een hogere status moesten bezitten. Alhoewel deze schaarste er kan toe geleid hebben dat vlees geprezen werd en de verschijning ervan gevierd, is er evenzeer bewijs dat in andere maatschappijen (in het bijzonder deze die tuinbouw ontwikkelden) de rol van de vrouw hoog in achting stond evenals het baren van kinderen. Dit op zich is nog geen argument voor een verschil in status of voor onderdrukking. In feite is een van de meest opmerkelijke kenmerken van de vroegste maatschappijvormen het ontbreken van hiërarchieën. In overlevingseconomieën is de bijdrage van iedereen van vitaal belang voor het voortbestaan van leven. Er werd geen meerproduct geproduceerd zodat er geen middelen waren waardoor verschil in status zou kunnen uitgedrukt worden en geen gespecialiseerde rollen waardoor men macht zou kunnen uitoefenen.

Een populair argument is dat de bereidheid voor de mannen om geweld en dominantie te gebruiken een fundamenteel kenmerk is van de menselijke samenleving. Dit zou niet alleen de arbeidsverdeling veroorzaken maar ook het ware karakter van mannen en vrouwen. Mannen worden omschreven als dominant en agressief, vrouwen als volgzaam en verzorgend.

Raymond Dart die naast ander materiaal o.a. een essay schreef met als titel “De roofzuchtige overgang van aap naar mens” en Desmond Morris in “De naakte aap” hebben ruwe verkeerde voorstellingen gepopulariseerd van de “natuur” van zowel mens als dier. Ze vonden een weerklank zowel bij rechts, die hun ideeën gebruiken om wapenuitgaven te rechtvaardigen, als bij sommige feministen, die de onderdrukking van de vrouwen hiermee willen verklaren. Zulke argumenten zijn een verkeerde voorstelling van de Darwinistische opvatting over de “survival of the fittest” in de richting van de meest agressieve in plaats van de meest aangepaste. Jagen wordt voorgesteld als een daad van agressie of geweld. Dit toont een onwetendheid over het karakter van de vroegste samenlevingen en over het jagen zelf.

In vele van de vroegste samenlevingen bestond het jagen voornamelijk uit het wegsnijden van delen van dieren die dood aangetroffen werden. Ten tweede zijn er bestaande jagers-verzamelaars-samenlevingen waarbij vrouwen deelnemen aan het opsporen van dieren tijdens het verzamelen en aan het vangen van kleine dieren. De kennis van jagers over het gedrag en de gewoonten van de dieren en hun samenwerking en sluiptalenten zijn van overwegend belang als ze dicht genoeg willen komen om het dier te doden. De hoeveelheid geweld is minimaal. Er is in deze theorie een poging om verschillende vormen van gedrag met elkaar te verwarren: de daad om een dier waarvoor je anders geen agressie zou vertonen te doden en de daden van agressie verbonden met sociaal geweld en oorlog.

Agressie en geweld behoren duidelijk tot de brede waaier van menselijke daden en houdingen. Ze zijn niettemin niet minder fundamenteel voor de vroegste samenlevingen als vele andere gedragingen. Als één menselijke karaktertrek zou moeten uitgekozen worden als grootste bijdrage tot de ontwikkeling van de menselijke samenleving, is het de samenwerking, met zijn invloed op de ontwikkeling van taal, technologie, sociaal leven en het delen van middelen en kennis. Er zou een evolutionair nadeel bestaan voor een soort waar geweld voortdurend zou gericht zijn op leden van dezelfde groep, zeker als het leven zo precair was.

Vergelijkingen werden ook gemaakt met agressie onder dieren, vogels en vissen. Zulke vergelijkingen kunnen in elk geval misleidend zijn vermits mensen een hoog ontwikkelde cultuur hebben. Niettemin zou een onderzoek naar het gedrag van dieren, vogels en vissen leiden tot een algemene conclusie dat agressie en territoriumafbakening geen constanten zijn maar verbonden zijn met levensstijl. Vissen rond koraalriffen die over een beperkte ruimte en voedsel beschikken zullen bijvoorbeeld hun territorium agressief verdedigen terwijl vissen die meer ruimte hebben en in scholen leven minder agressie tegenover elkaar vertonen. In andere voorbeelden zal hetzelfde dier of dezelfde vogel meer of minder agressief zijn naargelang de nestruimte, voedselbeschikbaarheid, enz… met andere woorden vormt agressie slechts één vorm van gedragspatroon als antwoord op het omringende milieu.

Moderne antropologie toont aan dat de conclusies die Engels trok in zijn boek en in “De rol van de arbeid bij de overgang van aap naar mens” in grote lijnen correct waren. Het was het maken van werktuigen, werktuigen en geen wapens, en het belang van de arbeid die mensen een belangrijk voordeel verleenden in hun mogelijkheid om hun omgeving te scheppen en te veranderen. Deze werktuigen omvatten niet alleen de schrepers en snijwerktuigen voor het snijden van vlees en het afschrapen van dierenhuiden maar ook de graafstokken en de draagtassen gebruikt door de vrouwen, die vermits ze uit minder duurzaam materiaal bestonden gemakkelijker verdwenen zijn.

Bestonden er gezinnen?

Hoewel Engels naar “huwelijken” refereert in vroege maatschappijen, beschrijven hij en de meeste recente antropologen niet het nucleaire gezin van de kapitalistische maatschappij maar paringsrelaties, die dikwijls slechts tijdelijk waren en geen impact hadden op de economische positie van vrouwen en kinderen.

Vroege samenlevingen waren los georganiseerd rond groepen van bloedverwanten. Deze groepen namen echter dikwijls ook andere niet-gerelateerde individuen op. Deze groepen waren werkrelaties. De economische zekerheid van gelijk welk individu in de groep hing af van de leefbaarheid van de groep als geheel. Hoewel Engels, op basis van de informatie waarover hij destijds beschikte, een schema van relaties naar voor brengt die ontwikkelden van algemene “promiscuïteit” tot paringsrelaties als voorbode voor de monogamie, maakt een overzicht van de sindsdien ontwikkelde antropologie duidelijk dat relaties flexibeler en gevarieerder waren dan dit. Het was een zaak van keuze binnen de context van de levensstijl van de groepen zelf. Niet alle samenlevingen ging door dezelfde stadia tot andere factoren tussenkwamen.

Vroege samenlevingen tonen een grote variatie van verhoudingen. De nood tot overleven in een bepaalde omgeving was fundamenteel. Sociale relaties die werkten en de situatie verbeterden in de gegeven omgeving werden aangenomen.

Engels refereerde naar het “moederrecht” of “matrilineaire” maatschappijen – waar de afstamming volgens de vrouwelijke lijn verliep.

Engels hechte daar aandacht aan omdat hij schreef in een maatschappij die patrilineair en sterk patriarchaal was, om aan te tonen dat dit niet altijd het geval is geweest. In feite bestaan beide afkomstsystemen in de vroege samenlevingen en in bestaande jacht- en verzamelaars-samenlevingen. Samenlevingen die gedomineerd worden door de jacht zijn veelal patrilineair, terwijl maatschappijen die evolueerden van verzamelen tot vroege vormen van land- en tuinbouw matrilineair waren.

Dit duidt op een sociale regulering, niet op een machtsstructuur. Het was de manier waarop individuen relateerden tot de groep. Omdat lidmaatschap van de groep voortkwam uit je relatie tot je moeder betekent het nog niet dat vrouwen of de moeders daarom macht hadden over de rest van de groep. Het waren geen matriarchale maatschappijen.

In deze maatschappijen werden de beslissingen genomen door hen die ze uitvoerden en consensus werd gebruikt om beslissingen te nemen die de hele gemeenschap betrokken. De mensheid spendeerde het grootste deel van haar bestaan in deze maatschappijen tot de ontwikkeling van de klassenmaatschappij zo’n 8.000 à 10.000 jaar geleden.

Hoe kwam daar verandering in?

De krachten die aanleiding gaven tot de fundamentele kenmerken van het gezin als een sociale instelling kwamen op tijdens de evolutie van deze vroege maatschappijen. Sommige jacht- en verzamelaarssamenlevingen waren zeer veerkrachtig en bestonden, op basis van dezelfde levensstijl, tot aan het opkomen van de moderne maatschappij, of tenminste tot het imperialisme hun levensstijl veranderde of vernietigde. Anderen verspreidden zich over nieuwe gebieden waardoor ze zich tegenover nieuwe uitdagingen geplaatst zagen in de strijd voor voedsel. In het gebied dat we nu kennen als het Midden- en het Verre Oosten ontwikkelden zich in de riviervalleien zeer productieve landbouw- en veeteeltsamenlevingen. Terwijl deze maatschappijen productiever werden, ontwikkelden zich interne tegenstellingen die leidden tot massale sociale veranderingen.

Naargelang ze een overschot produceerden, de bevolking aangroeide en de gebieden waarin ze zich vestigden uitbreidden, vond een grote differentiatie van de rollen plaats, wat toeliet dat een laag van specialisten in bepaalde ambachten en een laag ontstond van mensen die zich enkel bezig hielden met de administratie. In het begin beheerden deze lagen het overschot of de toegang tot watervoorraden ten behoeve van de maatschappij. In sommige samenlevingen beheerden ze een speciale stock die gebruikt werd in moeilijke tijden, voor festivals of om bezoekers in hun behoeften te voorzien. Gezien maatschappijen op een verschillend tempo ontwikkelden, werd een deel van het overschot gebruikt voor oorlogen tegen en plunderingen en kolonisatie van buurgebieden.

Het is waarschijnlijk dat zij tot de groepen behoorden die tot een heersende klasse ontwikkelden. Er waren ook verschillende ontwikkelingen onder de verwantschapsgroepen, afhankelijk van de productiviteit en de vruchtbaarheid van bepaalde stukken grond. Stap voor stap veroorzaakten deze ontwikkelingen tegenstellingen tussen de productie van rijkdom en gezamenlijke eigendom. Gebruiksgoederen werden, naarmate het overschot ontwikkelde, vervangen door ruilgoederen. Er waren verschillende andere ontwikkelingen die tegelijkertijd plaatsvonden: specialisatie van de arbeid met betrekking tot handel, oorlog om handel te controleren, intensief werk op het land en ongelijke toegang tot de grond en op langere termijn de privatisering ervan, competitie tussen verwantschapsgroepen die leidden tot individuele families als economische eenheden, institutionalisering van politieke functies, afscheiding tussen de publieke en private sferen, verschil in economische status uitgedrukt in klassen en de onderdrukking van vrouwen als deel van een patriarchale gezinsstructuur.

De geïnstitutionaliseerde onderdrukking van de vrouw was een onderdeel van deze overgang naar de klassenmaatschappij. Engels trok na zijn onderzoek van deze overgang de volgende conclusie:

“Het monogame huwelijk doet dus volstrekt niet zijn intrede in de geschiedenis als de verzoening van man en vrouw en nog veel minder als haar hoogste vorm. Integendeel. Het treedt op als de onderdrukking van het ene geslacht door het andere, als de verkondiging van een tot nu toe in de gehele voorgeschiedenis onbekende tegenstelling van de geslachten… Het huwelijk was een grote historische vooruitgang, maar tevens begint daarmee naast slavernij en particuliere eigendom het tot nu toe voortdurende tijdperk, waarin iedere vooruitgang tevens een betrekkelijke achteruitgang is, waarin het welzijn en de ontwikkeling van de enen plaatsheeft ten koste van het lijden en de achteruitgang van de anderen.”

 

De Romeinse slavenmaatschappij

In de Romeinse slavenmaatschappij begon een belangrijke ontwikkeling voor het gezin in de westerse maatschappijen, en als gevolg van het imperialisme voor het grootste deel van de wereld. Door de invloed van de Romeinse cultuur op het christendom, vinden vele van de wetten en de tradities die betrekking hebben met het gezin in de kapitalistische maatschappij hun oorsprong in de Romeinse “familia”.

Het Romeinse gezin van de rijke klassen was een wettelijk, religieus en opvoedingsinstituut. Het was een huishouden waarbinnen de private eigendom en de economische activiteit georganiseerd wordt. Tot de familie werden gerekend het mannelijke gezinshoofd, zijn vrouw en kinderen, leerlingen en slaven. Het hoofd van de familie had de macht om de familieleden fysiek te straffen en kon zelfs beslissen over leven en dood van alle familieleden. Seksuele overtredingen van vrouwen werden hard gestraft, van mannen helemaal niet. Van in het begin werden geweld en dwang in de familie ingebouwd als een sociale instelling. Het feit dat geweld niet méér voorkwam en voorkomt is te wijten aan de beide rollen van de familie die met elkaar in conflict komen: de familie als een sociale instelling en de familie als de manier waarop de meerderheid van de mensen hun persoonlijke relaties onderhouden.

In deze samenlevingen werden goederen niet enkel geproduceerd voor gebruik, maar ook voor ruil. Vrouwen werden zelf gezien als goederen. Ze werden gebruikt in huwelijken om allianties te vormen die families verrijkten. Hun kuisheid was van groot belang. Het gezinshoofd wilde zeker te zijn dat zijn eigendom niet werd verspreid door claims van “buitenechtelijke” kinderen. Vrouwen werden in het algemeen thuis opgesloten en bewaakt. Het huwelijk en de echtscheiding, enkel mogelijk op het initiatief van de man, waren zakelijke contracten. Overspel, zowel als verkrachting, was een misdaad tegen de eigendom. Zelfs vandaag gaan echtscheidingswetten en -procedures zich niet zozeer over het beëindigen van een persoonlijke relatie die zo vriendschappelijk en gemakkelijk mogelijk moet worden beëindigd, maar met de verdeling van de eigendom en met het hoederecht over de kinderen, die tot deze eeuw, in rijke families altijd naar de vader ging.

Hiërarchische, patriarchale families werden volledig ondersteund door de staat. Maar dit was het familiesysteem van de heersende klasse. Zoals Marx uitlegt in “De Duitse Ideologie” wordt deze familievorm “de burgerlijke familie” genoemd omdat “huwelijk, eigendom, de familie… de praktische middelen zijn waarmee de burgerij haar dominantie instelde”. Deze vorm van huishouden was dus de manier waarop de kapitalistische klasse haar bestaan als een bezittende klasse organiseerde. Dit is een belangrijk punt. De familie, en daarmee de onderdrukking van de vrouw, vloeide voort uit de eigendomsrelaties en het productiesysteem. Het was niet haar oorzaak.

Uiteraard was deze familie niet van toepassing op de slaven die geen eigendom bezaten maar beschouwd werden als de eigendom van anderen. Slaven hadden geen recht op een persoonlijk of familiaal leven. Partners werden apart verkocht als de eigenaar dat besliste. Ouders konden gescheiden worden van hun kinderen. Maar omdat de heersende klasse religie, wet, opvoeding en andere vormen van communicatie controleerde, werd deze gezinsvorm voorgesteld als het ideaal voor de samenleving als geheel. Verschillende propagandacampagnes werden gevoerd, de één met meer succes dan de andere, vooral via religie, om deze familie op te dringen aan de rest van de samenleving. Deze familievorm is niet “natuurlijk”, integendeel. Het vereiste draconische wetten en de uitsluiting van vrouwen – tenminste de vrouwen van de heersende klasse – uit het publiek leven en uit het werk.

 

Waarom werden mannen de dominante sekse en waarom verzetten vrouwen zich niet?

Naargelang de maatschappij verder ontwikkelde in wat een langdurige overgangsperiode was, werd de arbeidsdeling tussen de verschillende families en tussen mannen en vrouwen meer complex, wat verschillende resultaten oplevert. De meeste rijkdom van veel van de samenlevingen in deze overgangsperiode kwam voort uit veehoederij en landbouwvormen die geassocieerd waren met de arbeid van mannen. Terwijl een zeer lucratieve handel ontstond als resultaat van deze activiteiten samen met oorlog, werd de weelde die daaruit voortvloeide met mannen geassocieerd.

Er is geen bewijs dat er ooit een revolte plaatsvond tegen deze institutionalisering van de mannelijke dominantie. De jacht- en verzamelaarsmaatschappijen kenden geen staat, er was geen machtssysteem dat kon omvergeworpen worden of de oude maatschappij kon verdedigen. De vrouwen die erin het dichtst betrokken waren hadden ook voordeel bij de nieuwe ontwikkelingen. Zij behoorden tot die verwantschapsgroepen die boven de rest van de maatschappij stegen en weelde en macht verzamelden. Hun bestaan werd relatief comfortabeler en zekerder.

Dit proces veroorzaakte een contradictie voor vrouwen uit de heersende klasse, een contradictie die ook vandaag nog bestaat. Enerzijds worden ze onderdrukt als vrouwen. Ze worden geconfronteerd met geweld binnen het gezin, met verkrachting en met de culturele stereotypes van vrouwen binnen de kapitalistische maatschappij. Anderzijds hebben ze op economisch en sociaal vlak voordeel bij het klassensysteem, bij de uitbuiting van de arbeidersklasse. Als ze gelijkheid willen en bevrijding als vrouwen, moeten ze zich aansluiten bij de arbeidersklasse in haar strijd tegen kapitalisme – een keuze dat slechts weinig vrouwen uit de heersende klasse maken.

Toen de onderwerping geïnstitutionaliseerd werd, waren er protesten van vrouwen. We drukken hier een toespraak af van een Romeinse consul uit ongeveer 200 v.c., gegeven na een betoging van vrouwen tegen nieuwe beperkingen op hun kleding en hun activiteiten. Het is niet enkel een voorbeeld van hun houding tegenover vrouwen maar verbindt ook hun protest aan dat van de onderdrukte klassen.

“Romeinen, als iedere man er zich had van verzekerd dat zijn eigen vrouw naar hem opkijkt en zijn autoriteit binnen het gezin respecteert, zouden we niet half zoveel problemen hebben met vrouwen in het algemeen. Maar nu, nadat we vrouwelijke insubordinatie hebben laten triomferen in onze huizen, zien we dat onze privileges publiekelijk met de voeten getreden worden. We zijn er niet in geslaagd onze vrouwen individueel te controleren en nu deinzen we terug voor een groep van hen. (We kunnen niet toelaten dat) ons wetten worden opgelegd door betogende vrouwen, zoals vroeger gebeurde door een afscheiding van het gewone volk… De vrouw is een gevaarlijk en ongecontroleerd dier en het is nutteloos om de teugels te vieren en niet te verwachten dat ze uit de band springt. Als je hen toelaat volledige gelijkheid met mannen te bereiken, denk je dat ze dan gemakkelijker zullen zijn om mee te leven? Helemaal niet.”

Naast de vrouwen verloor uiteraard ook de grote meerderheid van de mannen de controle over hun eigen levens, gezien ze onderdeel werden van de onderdrukte klasse. De wetten en de gebruiken gaven hen macht in hun eigen families, het huishoudelijk werk was ongelijk verdeeld net zoals de formele rechten in de maatschappij. Maar de familie legde ook de verantwoordelijkheid voor het welzijn van afhankelijke vrouwen en kinderen op hun schouders. Mannen werden verondersteld hun hele volwassen leven te werken en wanneer werkloosheid hen niet in staat stelde deze rol te vervullen, leden ze onder een slechte gezondheid, depressies tot zelfmoord toe. Het economisch moeten voorzien in de behoeften van vrouw en kinderen wordt door de kapitalisten ook gezien als een vorm van discipline die hen tweemaal zal doen nadenken vooraleer ze, bijvoorbeeld, tot staking overgaan. Hoewel de vrouwen uit de heersende klasse volledig uit de productieve arbeid werden teruggetrokken, was dat niet het geval voor boerenvrouwen of vrouwen uit de arbeidersklasse die steeds tijdelijk en seizoenswerk hebben gedaan of in zekere mate betrokken waren in tewerkstelling in het kapitalisme. Rond de eeuwwisseling bestond de rol van een moeder er niet enkel in te verzekeren dat de lonen van hun mannen zo hoog mogelijk waren, maar ze vulden deze inkomsten vaak ook aan door hun eigen tijdelijk werk.

Samen met de ontwikkeling van het gezin werd de positie van de vrouw als eigendom of als een waar en de scheiding van familierelaties – die bij de heersende klasse voornamelijk dienden voor de productie van erfgenamen – en seks en persoonlijke relaties, begeleid door de opkomst van prostitutie, pornografie, geweld tegen vrouwen en de culturele stereotypes die vandaag nog steeds bestaan. Het zijn twee zijden van dezelfde medaille.

 

De familie in de kapitalistische maatschappij

Hoewel we deze familievorm omschrijven als de “burgerlijke” familie, heeft de heersende klasse steeds geprobeerd haar eigen ideeën en instellingen aan de rest van de maatschappij op te dringen. Verschillende propagandacampagnes werden gevoerd, vooral tijdens cruciale stadia in de ontwikkeling van het feodalisme en het kapitalisme. Zo werd de godsdienst gebruikt, in een poging van de monarchie om de feodale heren te ondermijnen, om de man als het hoofd van de individuele familie naar voor te schuiven en een parallel te trekken met de koning als hoofd van de maatschappij, waarbij de banden tussen individuele families en de feodale heren verzwakt werden. De Britse vorst James I zei in 1606
“Koningen moeten vergeleken worden met vaders in een familie”. Een gelijkaardige campagne werd in het begin van de 18e eeuw in Frankrijk gevoerd, wat de filosoof Montesquieu tot de uitspraak bracht dat er duidelijk een verband was tussen de “slavernij van vrouwen” en de “despotische regering”.

De familie als een sociale instelling is een kenmerk van alle maatschappijen die gebaseerd zijn op de privé-eigendom, hoewel de vorm soms veranderd is. Zo maakte de uitgebreide familie van de landbouwmaatschappijen plaats voor het kerngezin waar aan de industrialisatie en de mobiliteit van de arbeid behoefte had. Het kapitalisme nam de familie – en andere feodale instellingen – over en vormde het naar eigen behoefte, maar zette tegelijkertijd ook andere ontwikkelingen in gang die de familie als een sociale instelling ondermijnden en de basis legden voor de bevrijding van vrouwen.

Het belangrijkste hierin is zeker dat het kapitalisme vrouwen betrok in productieve arbeid buitenshuis. Hoewel dat op zichzelf vrouwen niet bevrijdt -het betekent gewoon méér werk- ontwikkelt het echter ook het bewustzijn van de mogelijkheden van collectieve actie om voor hun rechten te vechten. Door het sociaal contact in de werkplaats zien vrouwen dat veel van hun “persoonlijke” problemen, bijvoorbeeld geweld in het gezin of problemen in verband met het grootbrengen van kinderen, eigenlijk geen persoonlijke maar sociale problemen zijn. Het verhoogt hun zelfvertrouwen – ze stoppen ermee zichzelf de schuld te geven – en het biedt de mogelijkheid om door collectieve actie oplossingen te vinden voor deze problemen. Vrouwelijke arbeiders hebben de vakbondsbeweging altijd gezien als een plaats om niet enkel kwesties van de werkplaats, maar ook sociale problemen naar voor te brengen.

Vrouwelijke arbeiders waren betrokken in de oprichting van de eerste vakbonden en in strijd. Het verschil met vandaag is de mate en de relatieve voortduring waarbij vrouwen betrokken zijn in de arbeidskracht. Zelfs voor die vrouwen die zelf geen betaal de tewerkstelling hebben, zorgde de afhankelijkheid van het loon van arbeiders voor een tendens van betrokkenheid ondanks de moeilijkheden die veroorzaakt worden door hun rol in de familie, hun isolatie in de individuele huishoudens en het vooroordeel waarmee ze vaak geconfronteerd worden in de arbeidersbeweging als weerspiegeling van de ideologie die het kapitalisme promoot.

De ontwikkeling van de welvaartstaat bood vrouwen een inzicht in wat mogelijk zou zijn indien de middelen en de controle erover gegeven werden aan hen die de diensten gebruikten en erin werkten. De ontwikkeling van sociale woningen en huursubsidies stelde veel vrouwen in staat geweld te ontvluchten of een echtscheiding te verkrijgen, waar ze het voordien moeilijker hadden om gebruik te maken van wetsveranderingen. Crèches en kleuterscholen stelden meer vrouwen in staat om buitenshuis te werken, een zekere mate van onafhankelijkheid te verkrijgen maar ook zag men de voordelen die dit had voor de ontwikkeling van hun kinderen. Bejaardenzorg betekende dat het mogelijk werd voor bejaarden om een sociaal leven te hebben én zorg zonder zich een last te voelen voor hun familieleden en tegelijkertijd hun persoonlijke relaties voort te zetten. De gezondheidszorg, een hogere levensstandaard en een betere huisvesting zorgden ervoor dat vrouwen gezonder waren en veiliger zwangerschappen genoten. De welvaartstaat en de openbare diensten hadden ook een enorm effect op het leven van vrouwen uit de middenklasse, gezien het hun een kans op nieuwe tewerkstelling bood en ze tegelijkertijd een reeks diensten bood waarvan ze veel gebruik maakten.

Door de dubbele onderdrukking waaronder arbeidersvrouwen en veel vrouwen uit de middenklasse lijden, kan de strijd waarin ze zich engageren verschillende vormen aannemen. Hun strijd voor bijvoorbeeld lonen en arbeidscondities gaat rond dezelfde kwesties en via dezelfde organisaties als die van mannen. Rond andere punten varieert het. Zo zullen vrouwen bijvoorbeeld meer aandacht geven aan kwesties als de welvaartstaat of geweld binnen het gezin, enz.

 

Desintegreert de familie?

De zogenaamde desintegratie van de familie is een favoriet thema voor politici en burgerlijke commentatoren. De stijging van het aantal echtscheidingen, het aantal samenwonende koppels en alleenstaande ouders worden verantwoordelijk geacht voor een hele reeks sociale problemen, die te wijten zouden zijn aan “onverantwoordelijkheid”. De “vrije moraal” van de jaren ’60 zou daar de oorzaak voor zijn.

Samenwonen, hertrouwen en buitenechtelijke kinderen zijn echter niet nieuw. Historici schatten dat tussen het midden van 18e en het midden van de 19e eeuw zoveel als een vijfde van de koppels in Engeland en Wales samenwoonden, zowel als een voorloper als een alternatief op het huwelijk. De graad van onwettigheid steeg tot nooit geziene niveau’s. Ongetwijfeld hebben de welvaartstaat en de verhoogde participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt veel vrouwen in staat gesteld onafhankelijk te leven, zelfs al gebeurde dit in extreme armoede.

De familie is dus nooit universeel gevestigd geweest als de enige manier om een huishouden en een relatie te organiseren. Daarbovenop ondermijnde het de persoonlijke relaties omdat het als een sociale instelling ongelijkheid tussen de partners vestigde en het gebruik van dwang en geweld toestond. Veel vrouwen rebelleerden tegen deze behandeling en gezinnen vielen uiteen, of er nu een groei of een recessie was in de economie.

Ook financiële problemen kunnen relaties ondermijnen. In een Britse enquête van 1990 over de vraag wat bepalend was in een gelukkig huwelijk, antwoordde 86% met “de kwaliteit van de persoonlijke relaties”, 34% met “een degelijk inkomen” en 33% zei “degelijke huisvesting”. Ander onderzoek in hetzelfde jaar toonde aan dat werkloosheid van mannen leidde tot een stijging van 70% in de waarschijnlijkheid van echtscheiding.

Het zou te bot zijn om te zeggen dat bijvoorbeeld werkloosheid leidt tot geweld binnen het gezin of tot echtscheidingen. Vrouwen worden ook geraakt door werkloosheid, armoede, slechte huisvesting, isolatie. Zij reageren echter gewoonlijk niet met het gebruik van geweld tegen hun partner. Het zou ook een schandvlek werpen op werklozen. Geweld binnen het gezin speelt zich ook af in de rijkste families.

Het is vaak een combinatie van factoren die ertoe leiden dat een relatie uiteenvalt. Mensen willen ongetwijfeld hun leven organiseren op de manier die hen zowel op persoonlijk als op praktisch vlak het best past. De grootste moeilijkheid wordt veroorzaakt door de heersende klasse die deze verscheidenheid niet wil erkennen en erop staat het werk, de sociale zekerheid, huisvesting, kinderzorg, faciliteiten en middelen zodanig te organiseren alsof het traditionele gezin universeel is, omdat dat hun belangen het best dient.

 

Welk verschil zou het socialisme maken?

Door het samenbrengen van de economische bronnen van de maatschappij door middel van een geplande economie, zou een socialistische maatschappij de huidige rijkdom – en de productie van nieuwe rijkdom – beschikbaar stellen voor de hele maatschappij. Een deel van die rijkdom zou gebruikt worden voor het voorzien van diensten om de lasten die het kapitalisme op de schouders plaatst van de individuele familie, vooral van vrouwen, weg te nemen.

Zo zou bijvoorbeeld het voorzien in kinderzorg voor alle kinderen wiens ouders dat wensen, het de ouders mogelijk maken te werken en te studeren zowel als vrije tijd zonder hun kinderen te hebben. Kinderen zouden ook hun voordeel halen uit het contact met een bredere laag van volwassenen en kinderen in een veilige, stimulerende omgeving. Dit zou de relaties tussen ouders en kinderen eerder verbeteren dan ondermijnen. Terwijl meer vrouwen buitenshuis werkten, is de fast-food-business gegroeid van het frietkraam tot het massale aanbod van diepvriesmaaltijden vandaag. Deze zaken zijn erop gericht winst te maken en de variatie en de kwaliteit van het voedsel kunnen zeer zeker in vraag worden gesteld. Onder het socialisme zou het mogelijk zijn in een goede kwaliteit en in goedkope restaurants te voorzien opdat er een echte keuze zou zijn tussen klaargemaakt voedsel en thuis koken. Door een einde maken aan de huisvestingscrisis zouden mensen in staat zijn een relatie te beginnen en te beëindigen enkel op basis van de kwaliteit van de persoonlijke relatie, zonder de vrees voor dakloosheid of het leven in een krot.

Vrouwen zouden ook economische onafhankelijkheid kunnen bekomen – op basis van een inkomen voor iedereen – en de armoede kunnen overkomen waarin veel arbeidersvrouwen nu hun leven moeten spenderen en hen zo een echte keuze in relaties kunnen bieden.

Socialisme is echter veel meer dan enkel een billijker economisch systeem. De verandering in de economische relaties, de afschaffing van de klassenmaatschappij en de opbouw van een samenleving gebaseerd op democratische betrokkenheid en samenwerking zouden ook de sociale relaties in die samenleving veranderen – weg van de hiërarchie en de onderdrukking en misbruik van één groep door de andere. Zowel mannen als vrouwen zouden in staat zijn positieve rollen voor zichzelf te vinden binnen de bredere maatschappij en zouden daarin hun zelfvertrouwen terugwinnen, in plaats van zelfvertrouwen te moeten halen uit het uitoefenen van macht over een ander. Dit zou een weerspiegeling vinden in de ideologie en de cultuur van een socialistische maatschappij.

De verandering van de maatschappij zou vrouwen bevrijden van de dubbele onderdrukking die ze ervaren in de kapitalistische maatschappij. De rol van de familie als een sociale instelling zou vervangen worden door gemeenschappelijke voorzieningen en verantwoordelijkheid voor het welzijn van alle leden van die samenleving wat persoonlijke relaties zou ontlasten van de hedendaagse druk die hen vaak ondermijnt en beperkt.