Hoe werkt het kapitalistisch systeem? Inleiding tot de politieke economie

Overal waar je kijkt, zie je hetzelfde. Files aan de loketten van het OCMW, laagbetaalde deeltijdse jobs, shopping-centers waar ooit fabrieken stonden. Mensen doen alles om het hoofd boven water te houden. Dit is Europa in de 21ste eeuw.

Hoewel de heersende klasse beweert dat economie te ingewikkeld is voor gewone mensen en dat ze het toch niet begrijpen, vinden marxisten economie heel belangrijk. Economie legt uit hoe de rijkdom van onze maatschappij geproduceerd en verdeeld wordt. Vandaag worden zaken die mensen nodig hebben niet gemaakt en als ze wel gemaakt worden, kunnen we ze in veel gevallen niet betalen.

Voor miljoenen mensen zou een degelijke woning een goede start zijn. De keuze voor gewone mensen is enkel tussen hoge terugbetalingen voor leningen, of sociale woningen die in slechte staat zijn, of overgeleverd zijn aan de goede wil van de huisbaas. Wanneer we meer loon vragen, wordt ons verteld dat het onbetaalbaar is, dat we moeten wachten tot de economie sterker is en dat de “loonkosten” daar een rem op zijn. De regeringspolitiek kan de economie beïnvloeden, maar de kapitalistische regeringen kunnen de fundamentele problemen niet oplossen: uitbuiting, werkloosheid, massale armoede en periodieke economische crisissen. Daarom vechten socialisten – naast de strijd voor de beste omstandigheden die zijn mogelijk onder kapitalisme – voor de omverwerping van dit systeem en de vervanging ervan door het socialisme. Een begrip van hoe het kapitalisme werkt is belangrijk als we die strijd willen voeren.

 

Deel 1: Wat is kapitalisme?

Kapitalisme is gebaseerd op het privé-eigendom van de productiemiddelen (de bedrijven, de arbeidsplaatsen en het financiële systeem).

Kapitalisten verkrijgen hun inkomen uit dit eigendom, door winst uit hun investeringen te halen, in plaats van door hun arbeidskracht te verkopen zoals de arbeider. Sommige delen van de economie kunnen publiek eigendom zijn, maar de grote privé-bedrijven vormen het belangrijkste deel van de economie.

Het privé-eigendom begon haar levensloop niet met het kapitalisme:

Ook de slavenmaatschappij en het feodalisme waren op het privé-eigendom gebaseerd. Ook toen werden gewone mensen uitgebuit. Slaven werkten enkel voor voedsel en onderdak; lijfeigenen werkten een deel van de week op de landgoederen van de landheer of gaven een deel van hun oogst aan hem (of beide). De manier waarop arbeiders onder het kapitalisme uitgebuit worden, is anders. De lijfeigene had meestal een stukje land in bezit of had er rechten op. Voedsel en andere levensnoodzakelijkheden werden meestal door henzelf gemaakt. De arbeiders van vandaag kunnen hun eigen voedsel niet meer kweken of hun eigen kleren maken. Ze worden gedwongen voor een baas te werken om de eindjes aan elkaar te knopen.

Daarom noemde Marx het kapitalisme de “veralgemeende warenproductie”. Dat is het idee van het “marktsysteem”: alles staat te koop. Men noemt het de “vrije markt”. Er is echter niets vrij aan de markt als je een laag-betaalde job hebt. En kan er vrijheid zijn in een wereld waar alles opgedeeld is tussen een aantal grote bedrijven?

 

Deel 2: Arbeiders creëren de rijkdom

Een enkele blik op het inkomen en de levensstijl van de grote bazen en de rijken, één blik op de grote en vaak zeer mooie gebouwen in onze steden, kan slechts tot één conclusie leiden. België is geen arm land.

Wie heeft echter die rijkdom gecreëerd? Wie heeft de flats en de paleizen, de auto- en spoorwegen gebouwd? De bron van alle rijkdom in de kapitalistische maatschappij is de arbeid van de arbeidersklasse. De “arbeiders klasse” bestaat niet enkel uit fabrieksarbeiders die handenarbeid verrichten; het is de grote meerderheid van de bevolking die leven door hun arbeidskracht te verkopen. Als we spreken over de arbeidersklasse bedoelen we zowel de arbeiders als de bedienden.

Arbeiders hebben geen kapitaal of investeringen zoals de kapitalisten. We kunnen enkel de eindjes aaneen knopen door onze arbeidskracht te verkopen voor een loon. Sommige arbeiders kunnen misschien een aantal aandelen bezitten, maar ze zullen nog steeds moeten werken om voldoende inkomen te verkrijgen. Werklozen en deeltijdse arbeiders behoren nog steeds tot de arbeidersklasse – het is de fout van het systeem dat ze het recht op werk niet verkrijgen.

Het is de arbeid die zaken hun waarde geeft in de marxistische zin van het woord. De natuur levert de grondstoffen, de lucht, het water, de mineralen en het voedsel dat we nodig hebben om te leven. We kunnen echter de meerderheid van de natuurlijke bronnen niet rechtstreeks gebruiken – ze moeten bewerkt worden om ze voor ons nuttig te maken. Regen bijvoorbeeld kan enkel waarde krijgen wanneer het bewerkt wordt tot drinkwater.

 

Deel 3: Wij maken het geld

Rondlopen in een supermarkt kan zeer frustrerend zijn, vooral als je niet vindt wat je zoekt. Wat opvalt in een supermarkt is de enorme variatie in de prijzen voor de goederen. Waarom zijn alle prijzen anders?

Kapitalistische economen beweren dat het allemaal afhangt van “vraag en aanbod”. Als ik 1.000 ijsjes heb en slechts 1 persoon wil er één kopen, dan zullen ze zeer goedkoop zijn. Als ik slechts 1 ijsje heb en 1.000 mensen willen het kopen, zal dat ijsje voor een klein fortuin verkocht worden. Niemand kan dit ontkennen tot op een bepaald punt. Alles zal echter gelijkgeschakeld worden. Als 1.000 mensen ijsjes willen, zal dat meer verkopers ter ore komen.

Wat een waar duurder maakt dan het andere, hangt in laatste instantie niet af van vraag en aanbod, maar van de arbeidstijd die in de productie ervan steekt.

Dit is de kern van de arbeidstheorie van de waarde die Marx meehielp te ontwikkelen. De wet van vraag en aanbod kan uitleggen waarom een Rolls Royce op het ene moment aan 45.000 EUR verkocht wordt en op het andere moment aan 40.000 EUR. Ze kan echter niet verklaren waarom een Rolls Royce altijd duurder zal zijn dan een ijsje. Dit komt doordat er veel meer arbeidstijd in de productie van een Roll Royce kruipt dan in het maken van een ijsje.

Voorbeeld: 
Een voorbeeld van hoe de arbeidstheorie van de waarde werkt: het kan vier uur duren om een tafel te maken en slechts twee uur om een stoel in elkaar te timmeren. Bij deze arbeidstijd moeten we de tijd tellen die in de productie van het hout kroop, in de schroeven en in de gereedschappen die ervoor gebruikt worden. In het voorbeeld hieronder maakt dat de tafel dubbel zo duur als de stoel.

Arbeidstijd + Ruwe materialen etc. = totale tijd
Tafel: 4 uur + 4 uur = 8 uur
Stoel: 2 uur + 2 uur = 4 uur

Wat heeft dit met de prijzen van goederen te maken?

Geld lijkt ons leven te beheersen. Er is er nooit genoeg. De kern is echter dat het de arbeidersklasse is die het geld maakt. Geld is de maat van de waarde. In plaats van “het aantal minuten arbeidstijd” dat het duurt om een blik bonen te maken, hangt er een prijskaartje aan: geld is de uitdrukking van de waarde in de echte wereld. Het is uiteraard zeer onpraktisch als iedereen met elkaar goederen zou ruilen: de kapitalistische maatschappij heeft een uitdrukking nodig voor de waarde van een goed. Er is een uitdrukking nodig die door iedereen gebruikt wordt en dus een uniform systeem vormt. Geld is een dergelijke uitdrukking van de ruilwaarde. Marx noemde het de “universele ruilwaarde”.

In de reële wereld kan de hoeveelheid geld die in circulatie is in een bepaald land totaal onevenredig worden met de waarde van de goederen en diensten die geproduceerd worden. Dit leidt tot enorme problemen voor de kapitalisten. In de moderne economie bestaat er speculatie en zwendel. Soms drukt een regering extra geld om dringende problemen op te lossen. Denk maar aan Mobutu die zijn leger wilde betalen met nieuwe briefjes van 50 miljoen Zaïre en er dus maar wat liet drukken…

Maar als er meer geld is dan de echte waarde van de goederen, is inflatie daarvan het resultaat: het geld wordt minder waard. Als er meer en meer geld in de economie vloeit, dan wordt het waardeloos. Dit noemt men geldontwaarding of inflatie.

Tijdens de “hyperinflatie” in Duitsland in de jaren twintig dreven mensen handel met sigaretten i.p.v. met geld. Geld is verbonden met de echte waarde die door de arbeiders geproduceerd wordt. Zoals een elastiek kan het uitgerekt worden, maar op een bepaald moment schiet het terug tot de echte waarde zoals die door de arbeid afgemeten wordt.

 

Deel 4: Wij produceren de winsten

We hebben het al over kapitalisme gehad, maar wat is “kapitaal”? Een koffer vol briefjes van 50 EUR onder je bed is leuk om hebben, maar het is geen kapitaal. Kapitaal is geld, machines en materialen die samengebracht worden om arbeiders aan het werk te zetten.

Arbeiders zijn de bron van de rijkdom. Maar bovenal zijn arbeiders de bron van de nieuwe weelde die de levensstijl en de investeringsplannen van de bazen mogelijk maakt. Hoe is dit mogelijk? De oplichting gebeurt niet openlijk. Als iemand 38 uur werkt, krijgt hij/zij het “gebruikelijke loon” en komt hij/zij thuis met geld goed voor 38 uur werk. Het is een van de grote mythes van het kapitalisme, dat werk gebaseerd is op een “goed dagloon voor een goede dag werk”. Als we een blik werpen op de werkdag, kunnen we de mist doen opklaren.

De werkdag:
> noodzakelijke arbeid (lonen): 4 uur
> meerwaarde: 4 uur

Een persoon kan 8 uur per dag werken. In die periode wordt 8 uur arbeidstijd gespendeerd in de productie van goederen of diensten. De werknemer zal nooit die 8 uur uitbetaald krijgen in de vorm van loon. Als de werknemer de volledige opbrengst zou krijgen van hetgeen hij/zij gemaakt heeft, zou er geen winst zijn en zou het bedrijf failliet gaan.

In het voorbeeld krijgt de persoon slechts 4 uur betaald. Hij/zij kan echter niet na 4 uur naar huis gaan: de arbeider moet nog verder werken voor de baas – gratis. Iedere dag, in feite ieder uur van de dag, maken arbeiders hun bazen rijker. Ze hebben er geen zeg in hoe die rijkdom gebruikt moet worden. Ze kunnen hun lonen enkel verbeteren door ervoor te vechten. Deze extra arbeid brengt meerwaarde voort. Deze meerwaarde wordt opgedeeld in de huur van de werkplaats aan de huisbaas, intrest aan de bankier en winsten voor de baas. Alles dat in de winkels verkocht wordt, heeft een beetje meerwaarde in zich. Alles wat gekocht wordt, maakt de bazen rijker. Kapitaal accumuleert en groeit. Bazen investeren niet omdat ze mensen werk willen geven – ze investeren enkel om meer winst te maken. Als er geen winst is, dan is er geen productie. En winst komt voort uit de onbetaalde arbeid van de arbeidersklasse.

Sommigen zeggen dat het de consumenten zijn en niet de arbeiders die uitgebuit worden.

Dit argument zou betekenen dat bazen meer geld vragen dat het eigenlijk kost – ze beroven de consument. Het is zeker geen leugen om te zeggen dat winkels ons steeds zullen proberen te bestelen als ze dat kunnen. Maar nieuwe rijkdom komt niet hoofdzakelijk uit dat soort praktijken.

Voorbeeld:
Als ik een auto heb die 1.000 EUR waard is en ik verkoop ze voor 1.500 EUR, dan heb ik 500 EUR gewonnen en de koper heeft 500 EUR verloren. Er is een transfer van geld van de koper naar mij. Er is echter geen nieuwe rijkdom gecreëerd. Een kapitalist begint met een hoop geld. Hij huurt een werkplaats, koopt machines, stelt arbeiders tewerk en houdt er aan het einde meer aan over dan toen hij begon. Dit komt voort uit de onbetaalde arbeid van de arbeidersklasse: de meerwaarde of het “maatschappelijk meerproduct”.

Wat bepaalt hoeveel er naar de arbeider moet gaan en hoeveel naar de baas?

De baas zal proberen de lonen en de “noodzakelijke arbeidstijd” (de tijd waarin de arbeider goederen of diensten produceert die een waarde hebben gelijk aan het loon dat uitbetaald wordt) zo laag mogelijk te houden om de winsten op te drijven. Uiteindelijk wil hij net genoeg loon geven om de arbeider gezond genoeg te houden om terug te komen werken en om een nieuwe generatie arbeiders te laten opgroeien. Maar zelfs dat is geen vaststaand gegeven. In periodes van hoge werkloosheid zal het de baas niet kunnen schelen als de arbeider ongezond wordt door de lage lonen – zolang er anderen zijn om zijn/haar plaats in te nemen. Vandaag hebben arbeidersgezinnen twee inkomens nodig om genoeg geld te hebben om een gezin te onderhouden en dus een nieuwe generatie arbeiders op de wereld te zetten. De werkende klasse moet de balans in de andere richting duwen. Door zich te organiseren in een vakbond kunnen de arbeiders de bazen dwingen hun lonen te verhogen.

Een argument dat dikwijls gebruikt wordt is dat het door te hoge lonen is dat er economische crisis is.

Bijgevolg zou een loonsverhoging leiden tot economische crisis. Als we echter kijken naar de werkdag zien we dat dit niet juist is. Bij een loonsverhoging wordt de “koek” op een andere manier verdeeld. De verhouding tussen de noodzakelijke arbeid en de meerwaarde verschuift dan in het voordeel van de arbeiders. De arbeiders krijgen meer en de bazen minder. De totale waarde van de goederen is niet veranderd. Bijna iedere strijd in de werkplaatsen komt neer op een strijd over die grenslijn tussen de lonen en de meerwaarde. Ieder conflict over de koffiepauze, over premies en overwerk gaat over hoeveel “gratis arbeid” de arbeiders voor de baas verrichten.

32-urenweek

Door de arbeid te herverdelen, bvb. in een 32-urenweek, zonder loonsverlies en met bijkomende aanwervingen, wordt het aandeel dat aan de arbeider betaald wordt vergroot. Het is een logische eis als oplossing voor de werkloosheid. Maar het houdt ook in dat de meerwaarde voor de bazen zou dalen. Dat is ook de reden waarom we aan de eis van een 32-urenweek altijd koppelen dat dit moet zonder loonsverlies en zonder het opdrijven van de flexibiliteit (dus met bijkomende aanwervingen). De patroons zullen natuurlijk niet zomaar toegeven aan deze eis en hun winsten afstaan. Daarom kan een eis als de 32-urenweek enkel afgedwongen worden door een strijd van de arbeidersklasse.

Twee voorbeelden van een werkdag:

A.

  • Noodzakelijke arbeid (lonen): 4 uur
  • Meerwaarde: 4 uur

B.

  • Noodzakelijke arbeid (lonen): 4 uur
  • Meerwaarde: 8 uur

In voorbeeld A van de werkdag krijgt de baas 4 uur meerwaarde. Door de werkdag langer te maken en de lonen hetzelfde te houden loopt de meerwaarde op tot 8 uur (voorbeeld B). Dit wordt absolute meerwaarde genoemd. In het feodalisme werkten de lijfeigenen op het land met de seizoenen en in het daglicht. Het werk was hard en de honger was nooit ver weg. Maar de productie van voedsel stopte wanneer er genoeg was. Onder het kapitalisme wordt nacht dag, worden de werkuren enkel beperkt door vakbondsmacht en de nood om te slapen.

Het feit dat veel arbeiders anderhalve of dubbele beloning krijgen voor overuren toont aan dat meerwaarde bestaat. De bazen kunnen meer betalen en nog steeds winst maken. Veel arbeiders zouden een 32-urenweek willen maar worden in laagbetaalde deeltijdse jobs gedwongen door het gebrek aan echte jobs en aan voorzieningen zoals goedkope kinderopvang. Deze deeltijdse en tijdelijke jobs bezorgen arbeiders weinig rechten, waardoor ze zeer winstgevend zijn voor de baas. Een andere manier waarop de bazen de meerwaarde kunnen verhogen is door de productiesnelheid op te drijven, bijvoorbeeld door de band een tandje hoger te zetten of via “just-in-time” en dergelijke.

De werkdag

A.

  • Noodzakelijke arbeid (lonen): 4 uur
  • Meerwaarde: 4 uur

B.

  • Noodzakelijke arbeid (lonen): 2 uur
  • Meerwaarde: 6 uur

In werkdag A is er 4 uur meerwaarde. Als de productiesnelheid verdubbeld wordt, maakt de arbeider zijn/haar loon in half zoveel tijd. In werkdag B zijn de lonen niet verlaagd, maar door dubbel zo hard te werken heeft de arbeider in 2 uur (i.p.v. in 4 uur) genoeg geproduceerd om zijn loon te behalen. Door de productiesnelheid op te drijven, krijgt de baas 6 uur meerwaarde i.p.v. 4. Dit wordt relatieve meerwaarde genoemd.

Hoe drijft de kapitalist de productie op?

Hij kan de arbeiders dwingen harder te werken. Hij kan daar ofwel brute terreurtaktieken voor gebruiken, ofwel met premie-systemen werken om de arbeiders te verleiden. Premie-systemen zullen zelden de arbeiders compenseren voor de extra meerwaarde die geproduceerd wordt, anders zou de baas ze niet introduceren. De meeste systemen met premies werken ook nog eens verdelend – ze zetten de ene arbeider op tegen de andere. De baas zal arbeiders tot op het merg willen uitzuigen. Maar het menselijk lichaam heeft zijn grenzen. Op een bepaald moment zullen we kwaad worden. En bazen hebben honger voor meer winst dan ons zweet kan leveren.

 

Deel 5: De machine beheerst ons leven

Het geheim van de ontwikkeling van het kapitalisme ligt in het gebruik van machines. Iemand die moderne machines gebruikt zal in het algemeen altijd productiever en dus winstgevender zijn dan een arbeider met oude (of zonder) machines. Zo is de industrie in Vlaanderen over het algemeen inderdaad moderner dan de traditionele sectoren in Wallonië. Van stoomkracht tot de meest moderne computergeleide productiesystemen, het is altijd het zelfde liedje geweest. Het versnellen van de productie om zo snel mogelijk de loonkosten te produceren en dus de meerwaarde per arbeider massaal te verhogen. In moderne auto-fabrieken worden de lonen zo snel geproduceerd dat de arbeiders voor een groot deel van het jaar gratis werken voor de baas.

Nieuwe technologie biedt het potentieel om de werkweek te verkorten tot een paar uur. Onder kapitalisme betekent die “arbeidsbesparende techniek” echter een mes in onze rug.

De kosten van de machines zijn zo hoog dat de baas de productie opdrijft om schulden af te betalen. En de machines vervangen arbeid. Dit feit bleef verborgen gedurende de grote economische groei van 1950-1973. Terwijl grote investeringen plaatsvonden in lopende band-systemen (bvb. in auto-fabrieken), waren nog steeds grote aantallen arbeiders nodig om de machines te bemannen. De hedendaagse technologie heeft echter steeds minder arbeiders nodig. De huidige fabrieksarbeiders werken zich dood. De rest verveelt zich in de werkloosheid, niet in staat goederen en diensten voort te brengen die nuttig zijn voor de maatschappij.

 

Deel 6: De dienstensector

Heel wat mensen werken niet in de productieve industrie. Er is een groei in “diensten” als financiën en winkels geweest. Veel arbeiders in de dienstensector produceren meerwaarde voor de bazen.

Arbeiders in McDonald’s produceren winst door het feit dat ze hamburgers kunnen bakken aan een heel laag loon. Mensen moeten niet iets kunnen “maken” om meerwaarde te produceren. Een assistente in een privé-crèche produceert winst voor haar baas, net als een fabrieksarbeider. Een groot deel van de dienstensector is betrokken in het verkopen van goederen en diensten. Winkels presenteren goederen op een aantrekkelijke manier opdat mensen ze zouden kopen. Veel financiële maatschappijen spenderen enkel hun tijd aan het aan de man brengen van geld bij kapitalisten en arbeiders. Deze diensten zijn grotendeels “onproductief” in de kapitalistische zin dat ze geen meerwaarde produceren. De bazen in deze sector maken winst door een deel van de meerwaarde in te pakken die geproduceerd wordt in de bedrijven waaraan ze diensten leveren. Het maakt hen in ieder geval niet vriendelijker voor hun personeel!

De “logica” van de winst stelt ook dat een overheidssector per definitie “onproductief” is en dus maar geprivatiseerd moet worden. De arbeiders in de openbare diensten worden betaald uit de inkomsten van de regering. Ze maken dus geen meerwaarde voor de bazen. Nationalisatie en de welvaartstaat werden in het verleden door de arbeidersstrijd afgedwongen. De kapitalisten waren bereid een deel openbare sector te accepteren om de arbeidersklasse te voorzien van ziekteverzorging en onderwijs. Ze hadden ook transport nodig en goedkope elektriciteitsvoorzieningen van de staat om hen te helpen winst maken.

Het doel van de privatiseringen is sociaal nuttige jobs direct in het winstsysteem te brengen. Dit geeft de rijken een dubbele winst: de mogelijkheid een extra winst te boeken (enkel die delen van de openbare diensten die erg winstgevend zijn worden geprivatiseerd) én belastingsverlagingen tegenover de staat (de bedrijven moeten voor vroegere openbare diensten niet langer beroep doen op de overheid, maar kunnen rekenen op hun eigen bedrijven). De dienstverlening aan de bevolking staat uiteraard onderaan op de lijst van prioriteiten.

 

Deel 7: Ze gokken met ons geld

In de beginperiode van het kapitalisme was het familiebedrijf een normale zaak. Vermits “efficiëntere” bedrijven andere opslokten, begonnen de grote bedrijven de wereld te beheren.

Terwijl de meerwaarde steeds groter werd, konden financiële instellingen het geld dat door arbeid werd gecreëerd, beginnen verhandelen. Grote banken werden giganten. Bouw- en verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen zijn ontwikkeld om het geld te verhandelen en er winst op te maken. De moderne kapitalist heeft het bedrijf waarin hij investeert misschien nooit van binnen gezien! De beurs maakt aandelenlijsten van de grote bedrijven en de regeringsstocks. Het tijdverdrijf van de kapitalisten bestaat erin met ons geld te gokken door die aandelen uit te kiezen waarmee ze denken het meeste geld te kunnen verdienen. De grootste casino’s bevinden zich op de “financiële markten”. Door het kopen en verkopen van munten wordt dagelijks 30 biljoen oude Belgische franken (30.000.000.000.000!) over de hele wereld verhandeld. En dan vertellen ze ons dat er geen geld is voor sociale zekerheid!

 

Deel 8: De markt werkt niet

Als het kapitalisme winst blijft maken, waarom stort de economie dan ineen? Waarom is er massale werkloosheid? Wat is er mis met de “markteconomie”?

Op een bepaald moment dachten sommige kapitalistische economen dat een economische crisis te wijten was aan zonnevlekken of aan de planeet Venus. Anderen zeggen dat het aan het seizoen ligt (in oktober bvb. doen de beurzen altijd lastig). Vandaag wordt de schuld ook dikwijls op de computers gestoken.

De waarheid ligt echter in de essentie van het kapitalisme zelf. De kapitalistische productie heeft grenzen. Wanneer die grenzen bereikt worden, gaan fabrieken dicht en worden mensen op straat gegooid. Deze crisissen worden veroorzaakt omdat er teveel kapitaal is om de winsten op peil te houden (dit wordt “overaccumulatie” genoemd).

Hoe kan er nu “teveel kapitaal” zijn? Onder een socialistisch plan kan er nooit “teveel” zijn. Investeringen zouden gewoon doorgaan om de behoeften van de mensen te bevredigen. Het kapitalisme hangt echter af van winst en de winstvoet: als die niet hoog genoeg zijn, wordt de productie gewoon gestopt, los van de behoeften van de bevolking.

“Overaccumulatie” vertoont zich op verschillende manieren. We geven er hier twee:

1) De tendens van de dalende winstvoet

Kapitalisten investeren hoge sommen in machines om de meerwaarde die iedere arbeider produceert te vergroten. Terwijl de arbeiders enorme winsten produceren, kan er een trend zijn waarbij de kosten van de machines de winstvoet voor de bazen doet dalen.

2) Problemen in de markt

Arbeiders worden niet voor een volledige werkdag betaald. Ze kunnen dan ook niet alle goederen die ze produceren terugkopen. Het kapitalisme probeert dit te overkomen door de verkoop van extra goederen tussen leden van de kapitalistische klasse onderling. Uiteindelijk zorgt het kapitalisme voor “overproductie”: er wordt meer geproduceerd dan de maatschappij kan kopen. In de kapitalistische markteconomie is er geen democratische controle op de productie. Dit kan leiden tot crisis.

Economische groei gevolgd door een recessie is in het kapitalisme even natuurlijk als ademen voor een mens. Arbeiders bouwen de productie op gedurende een periode van groei, om ze later te zien afbreken. Op het hoogtepunt van een economische ‘boom’ stoot het kapitalisme op grenzen dat het niet kan doorbreken. Investeringen leiden tot verhoging van de kosten voor machines, wat op zijn beurt weer kan leiden tot een verlaging van de winstvoet. Het gebrek aan koopkracht kan de verkoop schade toebrengen. Bankiers en regeringen hebben angst voor de toekomst en verhogen de intrestvoeten: leningen worden duurder. Door de kosten voor leningen te verhogen, stijgen dan natuurlijk de kosten voor de industriële kapitalist (die z’n investeringen financiert met leningen) en wordt zijn winst aangevreten.

Inflatie kan toeslaan als de financiers de industrie links laten liggen en overgaan tot speculatie op de geld- en eigendomsmarkten. Er is een “overaccumulatie” van kapitaal en het kaartenhuisje stort ineen. In de diepte van een recessie draaien de fabrieken minder uren of sluiten ze, de werkloosheid is hoog en de winkels hebben constant solden. Banken voeren lage intrestvoeten in om mensen aan te zetten tot leningen. Kapitalisten zullen enkel investeren als ze er geld kunnen uitslaan. Op het moment dat bedrijven verlies boeken, of een zeer lage winst, zullen kapitalisten hun geld eruit wegtrekken en elders hun heil zoeken – dikwijls buiten de industrie en in financiële markten. Bedrijfssluitingen en massale ontslagen zijn daarvan de resultaten. Dit gebeurde de laatste decennia in de Waalse staalindustrie.

Zoals er “booms” en recessies zijn op korte termijn, zijn er ook langdurige trends in het kapitalisme. Van ’50 tot ’73 kenden we een periode van stijle groei en hoge winsten. De oliecrisis en problemen met de VS-dollar zorgden echter voor verandering. De onderliggende redenen zaten dieper. Grootschalige lopende band-productie zorgde voor stijgende winsten en volledige tewerkstelling in de belangrijkste kapitalistische landen. Deze methodes waren echter niet in staat de stijgende winsten tot in het oneindige te blijven toestaan. Tegen het einde van de jaren ’60 begon een einde te komen aan de hoge winstvoet en de productiviteitsverbeteringen. De controle van de VS over de wereld stond onder druk van Japan en Duitsland.

Sinds ’73 leven we in een depressie: een lange periode van problemen en crisissen voor het kapitalisme. De groei en de winstvoet zijn laag in vergelijking met de voorgaande periode. Er werd nieuwe technologie ontwikkeld in de werkplaatsen maar dat loste de problemen niet op. De massale investeringen in machines drijven de kosten op en doen daardoor de rentabiliteit verminderen. Nieuwe technologie onder het kapitalisme heeft nieuwe ontslagen tot gevolg. De enorme werkloosheid in de ontwikkelde kapitalistische landen betekent minder koopkracht en dus minder geld om producten te kopen.

 

Verklarende woordenlijst:

Absolute meerwaarde: de meerwaarde die geproduceerd wordt door de werkdag langer te maken

Kapitaal: geaccumuleerde rijkdom die gebruikt wordt om arbeidskracht uit te buiten en meerwaarde te creëeren. Waarde die waarde voortbrengt: het groeit (“accumuleert”) door uitbuiting

Kapitalisme: de productiewijze die gebaseerd is op de productie van waren, met een klassensysteem van loonarbeid en privé-eigendom van de productie-middelen

Waar: een zaak die geproduceerd wordt voor verkoop op de markt. De waarde ervan wordt gemeten aan de hand van de “gemiddelde maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd” die nodig is om het te produceren – de gemiddelde productietijd onder de gegeven sociale omstandigheden.

Constant kapitaal: kapitaal dat in machines en grondstoffen zit, ook wel “dode arbeid” genoemd

Krediet: het algemeen systeem van lenen voor winst

Ruilwaarde: de waarde van een waar vergeleken met andere waren. Bijvoorbeeld: 1 jas = 2 paar broeken = 50 EUR. Ze wordt gemeten door de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd van de te ruilen goederen.

Arbeidskracht: het vermogen om te produceren. Voor de prijs ervan (lonen) zie: noodzakelijke arbeidstijd

Noodzakelijke arbeidstijd: het deel van de werkdag waarin de goederen geproduceerd worden die nodig zijn om de loonkosten te betalen.

Organische samenstelling van het kapitaal: de verhouding tussen de waarde van dode arbeid (machines en grondstoffen) en arbeidskracht in een kapitalistische industrie of economie

Uitbuitingsgraad (of meerwaarde): de hoeveelheid onbetaalde arbeid (meerwaarde) tegenover de hoeveelheid betaalde arbeid

Winstvoet: de meerwaarde tegenover de totale kosten van de productie

Relatieve meerwaarde: meerwaarde gecreëerd door de arbeidstijd te verminderen om iets te produceren (op kortere tijd wordt evenveel geproduceerd).

Meerwaarde: intrest en winst, de onbetaalde arbeid van de arbeidersklasse.

Gebruikswaarde: het nut van een bepaald object

Waarde: de “lijm” die de kapitalistische economie samenbindt. De waarde van een ding is gemeten door de arbeidstijd die in de productie ervan vervat zit. Het toont zich in vergelijking met andere producten, als ruilwaarde. Drie vormen: goederen, geld en kapitaal.

Variabel kapitaal: lonen. Het deel van het totaal kapitaal dat gebruikt wordt om arbeidskracht te kopen.