Een marxistische kijk op de geschiedenis: het historisch materialisme

“De geschiedenis van de tot nu toe bestaande samenleving is de geschiedenis van de klassenstrijd. Vrije burger en slaaf, patriciër en plebejer, landheer en lijfeigene, ambachtsman en knecht, in één woord, onderdrukker en onderdrukte stonden in constante tegenstelling met elkaar, zetten een ononderbroken, nu eens verborgen, dan weer openlijke strijd verder, een strijd die telkens eindigde, ofwel in een een revolutionaire herinrichting van de samenleving in het algemeen, ofwel in de wederkerige ondergang van de strijdende klassen.”
Karl Marx en Frederick Engels: Het Communistisch Manifest

Deel 1: Hoe de samenleving werkt.

1. Geef de geschiedenis een betekenis: kijk eens achter de verhaaltjes

In de geschiedenislessen wordt alles voorgesteld als een aantal daden of feiten van “belangrijke mensen”: de rol van koningen en koninginnen, data van oorlogen en andere “belangrijke evenementen”. Geschiedenis in schoolboeken is als een verhaaltje – een opéénvolging van gebeurtenissen zonder een algemeen patroon.

Marxisten zeggen dat als je het verhaal van de geschiedenis een betekenis wil geven (los van wat mensen, beroemd of niet, deden of niet deden), je moet gaan kijken naar de algemene economische en sociale situatie. Die situatie bepaalt namelijk waarom er op bepaalde manieren gereageerd wordt.

Voorbeeld 1: de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861-1865

Wat wordt hierover verteld op school? Het feit dat Noordamerikanen, vochten tegen de Zuidelijke staten. Waarom ontstond deze oorlog? De meeste mensen zouden antwoorden dat het allemaal te maken had met de slavernij. De president van het Noorden, Abraham Lincoln, was tegen de slavernij, terwijl de zuiderlijken voorstander waren. Dat is dus de mythe: de noorderlijken vochten tegen de slavernij omdat ze dat slecht zouden vinden.

Marxisten echter zeggen dat er meer aan de hand was dan dat. In feite was er een groot conflict tussen de industriëlen uit het noorden, en de grote boeren uit het zuiden die de slaven bezaten. De meerderheid van die industriëlen waren racisten en niet erg sympathiek t.o.v. de slaven. De echte oorzaken van de oorlog lagen in dit economisch conflict tussen de twee verschillende delen van de Amerikaanse heersende klasse.

Deze methode van het bekijken van gebeurtenissen, de echte klasse- en sociale belangen trachten te achterhalen, is natuurlijk ook van toepassing op meer hedendaagse gebeurtenissen.

Voorbeeld 2: De Golfoorlog

Waarom startte de Amerikaanse president George Bush de Golfoorlog tegen Irak? Om het dappere kleine Koeweit te verdedigen tegen het monster Saddam? Volgens ons is dit niet het geval. Bush startte de oorlog om de economische en sociale belangen van de VS te verdedigen, inclusief de olie-aanvoer vanuit de regio. Dit is een ander voorbeeld van hoe we proberen de ware realiteit te vinden achter de oppervlakkige gebeurtenissen.

Dit is dus het eerste idee: Historisch materialisme gaat over het ontdekken van de klassebelangen die bepalen hoe mensen handelen in de geschiedenis.

Lees nu de volgende passage over de Engelse Burgeroorlog van 1641-1649, geschreven door iemand die erin meevocht, en denk over wat hierboven geschreven staat:

“Een heel groot deel van de ridders en heren van Engeland … blijven de koning aanhangen. Het grootste deel van de pachters van deze heren, en ook de meeste armen, die de anderen gepeupel noemen, volgden de burgerij en waren voor de koning. Aan de parlementaire zijde waren (naast henzelf) ook het kleiner deel van de burgerij uit de graafschappen, en het grootste deel van de vakmannen en bezitters en de middensoort van de bevolking, vooral deze in corporaties en graafschappen die afhankelijk waren van zo’n fabrieken.” (Kolonel Baxter: Autobiografie)

Wat Baxter wil zeggen, is dat het conflict ging tussen de koning en de aristocratie (gesteund door degenen die het meest van hen afhankelijk waren) aan de ene kant, en de groeiende middenklasse aan de andere kant. Dat is de marxistische analyse van de Engelse Burgeroorlog.

 

2. Verschillende types van samenleving

Het type samenleving dat we nu hebben – kapitalisme – begon zich te ontwikkelen zo’n 400 tot 500 jaar geleden, eerst in de Nederlanden en Engeland. Maar de menselijke samenleving bestond reeds honderdduizenden jaren eerder. In de samenleving voor het kapitalisme, was de manier waarop mensen leefden anders dan nu.

Voor het kapitalisme was het systeem dat bestond in West-Europa het feodalisme. In de plaats van de hedendaagse kapitalisten die fabrieken bezitten en arbeiders te werk stellen tegen een loon, was de heersende klasse onder het feodalisme de aristocratische stand die grote bezittingen hadden op het platteland. Die stonden bekend als de “adelheren”. De onderdrukte klasse bestond uit boeren die werkten op de grond van de heer. Ze hadden hun eigen stukje grond, maar ze moesten een aantal dagen per week voor de heer werken of hem een deel van hun eigen produktie afstaan.

In Europa was de dominante vorm van samenleving voor het feodalisme de slavernij – het type van samenleving van het klassieke Rome en Griekenland. Een groot deel van de bevolking was letterlijk bezit van de heersende edelen. Slaven deden hoofdzakelijk handenarbeid op het land (alhoewel sommige slaven in de steden werkten). Ze hadden geen persoonlijke rechten.

Met deze voorbeelden kunnen we zien dat naar mate de samenleving evolueert, naar mate ze rijker wordt, de manier verandert waarop ze wordt georganiseerd. Niettemin bestonden er voor de slavernij vormen van samenlevingen waar er geen heersende klasse was – dit is iets waar de kapitalisten van vandaag niet graag aan denken!

Het marxisme tracht iedere samenleving te analyseren in termen van hoe ze zich ontwikkelde begon, hoe ze functioneerde en hoe ze werd vervangen door een ander type maatschappij. De basis voor het organiseren van iedere samenleving, de manier waarop de economie werkt, noemen marxisten de productiewijze. Hierna zullen we dit verder uitwerken.

 

3. De productiewijze in de samenleving van het verlaten eiland

Tot dusver hebben we gezien dat Marxisten de volgende dingen zeggen:

De geschiedenis moet geanalyseerd naar gelang van de verschillende sociale- en klassebelangen. Er bestaan verschillende types samenlevingen, en de samenleving verandert doorheen de tijd. De basis waarop de samenleving georganiseerd wordt, is de productiewijze.

Laat ons op dat derde punt meer in detail ingaan.

Marx zegt dat mensen om in hun levensonderhoud te voorzien, in duidelijke relaties treden, en dat deze relaties “onafhankelijk zijn van hun wil”. Doorheen heel de geschiedenis hebben alle mensen in samenlevingsvormen geleefd en samengewerkt om voedsel, kledij en behuizing te bekomen. Zelfs wanneer de eerste mensen in stammen op de Afrikaanse vlaktes rondzwierven op zoek naar voedsel, hadden ze nog steeds een vorm van sociale organisatie en werkten ze samen.

Stel je nu voor dat tien mensen terecht komen op een verlaten eiland.

Ze werken samen om te jagen, hutten te bouwen en om voedsel te verbouwen. Eerst produceren ze juist genoeg om te overleven- ze zijn immers niet gewoon om op een verlaten eiland te leven! Maar geleidelijk aan worden ze betere jagers en boeren. Ze produceren een “meerproduct” (of “surplus”) bovenop hun directe behoeften.

Veronderstel dat er beslist wordt dat twee van de tien mensen niet langer zullen werken maar zich zullen toeleggen op de organisatie en administratie van het werk. In plaats van een tiende van de productie te krijgen, krijgen ze meer- namelijk het surplus boven de directe behoefte.

Onze tien mensen op het verlaten eiland hebben een mini-samenleving gevormd. Ze hebben een productiewijze en er is een duidelijke sociale relatie. In plaats van een samenleving waarin iedereen gelijk is, hebben we het begin van een mini-klassensamenleving.

Stel je nu voor dat een burgerlijke socioloog naar het eiland komt om hun samenleving te analyseren. Hij kan ze bekijken vanuit verschillende standpunten- het type hutten dat ze bouwen, het feit dat ze regelmatig ceremonies houden om het schip dat hen bracht te aanbidden, hoe ze hun gezicht schilderen, … Marxisten zouden zeggen: OK, al deze zaken zijn relevant maar het sleutelelement is de basisvorm van sociale organisatie, is de productie in het belang van de twee mensen die erin geslaagd zijn om zichzelf als leiders van het eiland te vestigen.

Stel je nu voor dat tien marxisten op een verlaten eiland terecht komen…

Ze werken samen in de productie en delen alles op gelijke wijze. Ze kennen geen heersers. Ze discussiëren en stemmen over moeilijke problemen en prioriteiten. Deze voorbeeldige groep heeft een primitief-communistische samenleving gevormd. Hun sociale relaties in de productie, de wijze waarop ze zichzelf organiseren om in hun levensonderhoud te voorzien, zijn helemaal anders.

Er moet hierbij één iets opgemerkt worden: een samenleving op een verlaten eiland kan zichzelf organiseren als een primitieve clan of als een primitief communistisch systeem, maar ze kan zich niet organiseren als een kapitalistische samenleving. De fundamentele rijkdom van de samenleving, de productietechnieken, staan niet ver genoeg. Met tien mensen en eenvoudig jagen en handwerk kun je geen banken, bedrijven, aandeelhouders, kapitaal of kapitalisme hebben.

 

4. Klassen en uitbuiting: de Neolithische Revolutie

Hiervoor is er al ingegaan op drie verschillende types samenleving die in West-Europa bestaan hebben gedurende de laatste 5000 jaar: de slavenmaatschappij, het feodalisme en het kapitalisme.

In andere delen van de wereld hebben er eigenlijk heel verschillende types van klassenmaatschappijen bestaan gedurende die periode. Slavernij, feodalisme en kapitalisme worden allemaal gekenmerkt door het feit dat er een heersende klasse is die bezitter is van het productieproces of het controleert. Marxisten noemen dit de productiemiddelen. Door het feit dat zij de productiemiddelen bezitten of controleren kan de heersende klasse de arbeid van de onderdrukte klasse uitbuiten, of ze nu slaven zijn, lijfeigenen of arbeiders onder het kapitalisme.

Voor de slavenmaatschappij echter, honderdduizenden jaren geleden, heeft de mens zichzelf georganiseerd in stammen die geen heersende klasse hadden die de anderen uitbuitten. Natuurlijk hadden vele van deze stammen leiders en ouderen met autoriteit: maar dat was geen economisch bevoordeelde sociale groep, geen klasse. Stabiele sociale klassen, waaronder, uitbuiters en uitgebuitenen, zijn een gevolg van de grote verandering die plaatsgreep in de menselijke samenleving ongeveer 6000 jaar geleden. Dit was de meest fundamentele verandering in de menselijke geschiedenis, de “Neolitische Revolutie”.

Wat was er gebeurd?

Om een lang verhaal kort te maken: in de regio die we nu kennen als Irak (Mesopotamië) werd overgeschakeld van rondtrekken om dieren te doden en bessen te plukken naar een levensvorm waarbij men zich ergens vestigde. De vroegere jagers-verzamelaars leerden op die manier dieren tam maken en gewassen telen. Het werd een primitieve vorm van veeteelt, land- en tuinbouw. Natuurlijk was dit in het begin een harde strijd. Maar na een tijd leerde men dat dit economisch veel productiever was. In plaats van voortdurend in strijd te zijn om genoeg te produceren om in leven te blijven, begon men nu zelfs overschot te produceren. Men begon in vaste nederzettingen te wonen, die alsmaar groter werden en tenslotte kwamen er zelfs steden.

De overschot die de mensen van toen produceerden was niet genoeg om voor iedereen de hoeveelheid consumptie te verdubbelen of te verdriedubbelen. Er groeide echter een groep priesters die begonnen de leiding te nemen van de organisatie van die nieuwe vestigingen en de controle verkregen over en het gebruik van het economische overschot. Die priesters waren de kern van de eerste heersende klasse. Door het organiseren van de samenleving konden ze het economisch surplus beheersen en in toom houden.

Iets anders wat we moeten vermelden over de Neolitische Revolutie is dat wanneer een samenleving rijker wordt, wanneer de eerste dorpen en steden gebouwd werden, de productie ook gecompliceerder wordt. Wanneer de landbouw efficiënter wordt, moeten minder mensen werken op het land. Anderen zijn nu in staat om een ambacht uit te oefenen, om dingen als potten en juwelen te produceren. Met andere woorden: verschillende types van arbeid komen naar voor.

Nu een ander citaat van Geoffrey de Ste. Croix, iemand die schreef over de klassenstrijd in de Oud-Griekse wereld.

“Klasse (eigenlijk een relatie) is de manier waarop uitbuiting wordt belichaamd in de sociale structuur. Met uitbuiting bedoel ik de toeëigening van een deel van het product van de arbeid van anderen … Een klasse is een groep mensen die in de samenleving geïdentificeerd worden door hun positie in het hele systeem van sociale productie, gekenmerkt boven alles door hun relatie (in eerste instantie in termen van de graad van bezit of controle) tot de voorwaarden van productie (d.w.z. de middelen en arbeid van de productie) en tot andere sociale klassen… De individuen die een een gegeven klasse vormen kunnen of kunnen niet zich gedeeltelijk of volledig bewust zijn van hun identiteit en gelijke belangen als een klasse, en ze kunnen wel of niet strijd voeren tegen de leden van de andere sociale klasse.”

Wat Ste. Croix wil zeggen is dat je klassen niet kan scheiden van uitbuiting: als je een hoge en lage klasse hebt, dan wordt de één uitgebuit door de ander. En die uitbuiting gebeurt via de controle over of het bezit van de productiemiddelen.

 

Deel 2: onderbouw en bovenbouw

 

1. Hoe de verschillende delen van de samenleving samen passen.

Marxisten wordt dikwijls verweten dat ze teveel de nadruk te leggen op de rol van de economische factoren. Om dit punt grondig te onderzoeken moeten we enkele concrete voorbeelden nemen.

Voorbeeld:

Een goed uitgangspunt is het huidig rechtssysteem. Wanneer je iets op afbetaling koopt en je houdt je niet aan de maandelijkse aflossingen, dan zal ofwel het goed teruggevorderd worden door de verkoper, of zal je voor het gerecht verschijnen (of beide). Wanneer je voor het gerecht verschijnt, zal de rechter tegen jou beslissen.

Waarom? Waarom zal de rechter niet zeggen dat je het recht hebt de goederen te houden en er niet voor te betalen? Het antwoord is natuurlijk dat het volledige rechtssysteem gebaseerd is op het beschermen van privé-bezit, en dat komt overeen met het type samenleving waarin we leven – het kapitalisme. Wanneer we een rechtssysteem hadden dat vijandig zou staan tegenover privé-bezit, dan zou het hele systeem in elkaar vallen. Niemand zou nog in staat zijn een contract te sluiten of een lening aan te gaan. Winkeldiefstal zou dan wettelijk zijn. Banken en bedrijven zouden in elkaar vallen. Dit maakt alles duidelijker:

Het rechtsysteem moet aangepast zijn aan het systeem van bezit, het bestaande systeem.

Dit wordt herkend in de bekende zin die zegt “er is een wet voor de rijken, een ander voor de armen”: natuurlijk, daarvoor zijn wetten gemaakt!

Laat ons eens zien naar het politieke systeem. Kijk naar elk belangrijk kapitalistisch land – de VS, Frankrijk, Duitsland. Alle regeringspartijen in deze landen zijn pro-kapitalistische partijen. De volledige politieke cultuur (met uitzondering van enkele kleine partijen zoals de onze die tegen het systeem zijn) is er voorstander van het kapitalisme:

Het politieke systeem is aangepast aan het economische.

Dat is wat Marx bedoelt met “de politieke en rechterlijke bovenbouw” die groeit op de economische basis.

De rechterlijke en politieke systemen zijn rechtstreekse producten van het economisch systeem, waar het gemakkelijk is om op te sporen wat de belangen zijn van de heersende klasse. We kunnen teruggaan en kijken naar het rechtssysteem onder het feodalisme en de vorm van politiek die er toen was. We zullen zien dat het de landelijke aristocratie en de koning verdedigde.

Marx zei: “De heersende ideeën in gelijk welke maatschappij zijn de ideeën van de heersende klasse”.

Klopt dat en over welke ideeën hebben we het? Als je hier bij ons om het even welk TV-journaal bekijkt of een dagblad leest, zul je er nergens iets horen of lezen over de noodzaak van een ander systeem. De ideeën van de heersende klasse wordt ook verspreid via TV en de kranten, die natuurlijk ook juist gecontroleerd worden door enkele kapitalisten.

Directe propaganda is niet de enige manier waarop die ideeën worden overgebracht, zelfs in de nieuwsbladen. De ideeën van de heersende klasse – die we “ideologie” noemen – zijn aanwezig in iedere laag van de maatschappij, ook in de arbeidersklasse. Vaak wordt het gezien als “gezond verstand”. Denk maar aan een aantal veel gebruikte uitspraken zoals:
– “Mannen zijn sterker dan vrouwen”
– “Ongelijkheid tussen mensen is normaal: het zit in de aard van de mens”
– “Armoede zal er altijd zijn”
– “Vakbonden zijn slecht voor de economie”
– “Homoseksuele seks is onnatuurlijk”

De ideeën van de heersende klasse zullen zich ook aanpassen aan de veranderende omstandigheden, ook door strijd tegen die ideeën. Zo zullen 100 jaar geleden de volgende uitspraken veel instemming hebben gevonden in de Belgische maatschappij:
– “Het is enkel natuurlijk dat blanken de wereld overheersen”
– “De blanken zijn superieur aan andere rassen”
– “Zwarte volkeren zijn minderwaardig”
– “Mannen zijn superieur aan vrouwen zowel op fysiek als op intellectueel vlak”

Nu zijn deze ideeën niet algemeen aanvaard, hoewel er veel mensen zijn die erin geloven. Slechts zelden zul je deze ideeën terugvinden in de kranten en in de toespraken van toppolitici. Waarom?

Ten eerste uiteraard omdat er een politieke strijd tegen deze ideeën is gevoerd. Maar vooral omdat de materiële omstandigheden veranderd zijn. Belgisch Congo bestaat niet langer, België heerst niet langer over het hart van Afrika en hetzelfde geldt voor de andere voormalige kolonies. Ideeën over de rol van de vrouw zijn veranderd door de veranderde omstandigheden: vrouwen hebben op een massale manier de arbeidsmarkt vervoegd. Ideeën over de complete minderwaardigheid van vrouwen passen niet langer in de veranderde situatie – hoewel vrouwenonderdrukking en seksisme nog steeds bestaan.

Er is dus een rechtstreeks verband tussen de sociale (kapitalistische) productieverhoudingen, de heersende klasse (de kapitalistische klasse of de burgerij), de wettelijke en politieke (pro-kapitalistische) bovenbouw en de heersende ideeën, (pro-kapitalistische, anti-arbeidersklasse, racistische en sexistische) ideologie. Ze “passen” allemaal samen. Wanneer deze elementen niet langer in een min of meer harmonieuze manier samengaan, begint de maatschappij in crisis te raken.

Er is een ander aspect van de ideologie van de heersende klasse waarmee we rekening moeten houden. Uiteraard bestaan er meningsverschillen binnen de kapitalistische klasse zelf – hoewel niet over fundamentele zaken. Ze kunnen wel een andere inschatting hebben over hoe ze de problemen van het huidig systeem het best kunnen oplossen. Denk maar aan de verschillende burgerlijke partijen zoals de VLD en de CVP, die een aantal politieke verschilpunten hebben. Soms kunnen deze verschillen vrij scherp zijn, maar ze gaan nooit buiten de grenzen van de kapitalistische ideologie.

Natuurlijk vinden we in de maatschappij veel ideeën en verschillende activiteiten terug die niet gemakkelijk te analyseren zijn:

Voorbeeld:
Wat met cinema, muziek, schilderijen, TV-programma’s, kunst in het algemeen? Houden die allemaal een pro-kapitalistische ideologie in zich?

Dit is een moeilijke vraag. Het antwoord is “ja en neen” – het hangt ervan af. Laat ons een gemakkelijk voorbeeld nemen: James Bond-films. Deze films zijn volledig en openlijk doordrongen van de pro-kapitalistische ideologie. Anderzijds zou kan je moeilijk zeggen dat een bepaald schilderij van een landschap of een gewoon liedje onderdeel zijn van de “burgerlijke ideologie”. Anderzijds moeten we steeds zien naar de voedingsbodem in de maatschappij die het mogelijk maakt dat de muziek of de kunst bepaalde ontwikkelingen kent.

Marxistische ideeën over hoe de wetgeving, de politiek en de ideeën in het algemeen samenhangen met de economische basis van de maatschappij, zijn niet enkel toepasbaar op het kapitalisme. Zo hebben de marxisten bijvoorbeeld de rol van de katholieke kerk in het feodalisme geanalyseerd als een sleutelfactor in het ideologische “cement” van de feodale maatschappij die de heerschappij van de grondadel en de monarchie rechtvaardigde.

Dat wil echter niet zeggen dat je zomaar alle aspecten van de wetgeving, politiek en kunst kunt voorspellen, enkel op basis van het feit dat een samenleving feodaal of kapitalistisch is. Die vorm van een samenleving geeft enkel een paar algemene tendenzen aan. Zo is het Frans wettelijk systeem zeer verschillend van het Britse. In Frankrijk (en ook in België) ben je (min of meer) schuldig tot je onschuld bewezen is. In Groot-Brittannië ben je (in theorie) onschuldig tot je schuld bewezen is. Om deze verschillen te verklaren, moeten we de geschiedenis van deze wetssystemen in detail bestuderen. Het feit dat Groot-Brittannië en Frankrijk beide kapitalistische landen zijn, brengt ons niet dichter bij de uitleg voor deze verschillen. Een ding is echter opvallend: zowel de Franse als de Britse systemen zijn gebaseerd op de verdediging van de privé-eigendom. Ze “passen” beide in de fundamentele productieverhoudingen.

 

2. De Staat

Iets wat we tot nu toe erbuiten hebben gelaten in de discussie over de evolutie van de maatschappij, is de staat – het gehele bureaucratische apparaat die de dominantie van de heersende klasse bewaakt. De rol van de staat is in een afzonderlijk onderdeel in deze vormingscyclus opgenomen. Toch enkele centrale opvattingen:

 

    1. De staat is een apparaat om de heersende klasse te verdedigen
    2. De staat is in laatste instantie “een groep gewapende mensen”. Met andere woorden: als het erop aankomt is de politie en de gewapende macht de kern van de staat.
    3. De staat bestond niet voor de klassenmaatschappij, maar ontstond door de verdeling van de maatschappij in verschillende klassen.

 

 

Deel 3: de heersende klasse en revolutie

Hoe verandert een type van maatschappij in een compleet ander type? Hoe komt het dat het feodalisme verdween en vervangen werd door het kapitalisme – waarom leven we niet nog steeds onder het feodalisme?

Hier moeten we de manier waarop de maatschappij georganiseerd is in herinnering brengen.

Een bepaald niveau van productietechnieken doet bepaalde sociale productieverhoudingen ontstaan.

We nemen opnieuw het verlaten eiland. We zeiden reeds dat er verschillende manieren waren waarop de mensen daar zich konden organiseren op basis van hun productie die bestaat uit jagen, vissen, vruchten plukken en enkele handvaardigheden (de exacte details doen er hier niet toe). We zeiden echter ook dat kapitalisme daar niet kon bestaan omdat je voor kapitalisme een geldeconomie, kapitaal, industrie, banken, een ontwikkelde arbeidsdeling, enz. nodig hebt. Dit is onmogelijk in ons extreem onderontwikkeld verlaten eiland (zolang het geïsoleerd blijft van de rest van de wereld). Het niveau van de productietechniek of, anders gezegd, het ontwikkelingsniveau van de productiekrachten bepaalt de grenzen van het type maatschappij dat kan bestaan.

In “De heilige familie” (1845) stelt Marx dit idee op een zeer scherpe manier voor: “De handmolen (om bloem te malen en dergelijke) geeft je de feodale heer, de stoommolen geeft je de industriële kapitalist”. Er is een grote kern van waarheid in deze zin, maar zo gesteld is het overdreven. De ontwikkeling van de productiekrachten stelt bepaalde grenzen aan het type van sociale verhoudingen die kunnen bestaan, maar bepaalt hen niet in detail. We weten nu dat het niveau van productietechniek kenmerkend voor het feodalisme – voornamelijk gebaseerd op de landbouw van de landelijke boeren – in andere delen van de wereld een ander maatschappij-type deed ontstaan, dat niet zoals in Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland gebaseerd was op de heerschappij van de landheren, maar op de heerschappij van een gecentraliseerde staatsbureaucratie onder leiding van een koning (of zoals in het Ottomaanse Rijk, in Turkije en Noord-Afrika, een sultan).

In het algemeen moeten het niveau van de productietechniek en de types van sociale verhoudingen min of meer harmonieus samenpassen, en dat moet dan samengaan met de wettelijke, politieke en ideologische “bovenbouw”. Wat gebeurt echter als die “samenhang” begint uiteen te vallen?

In de overgang van feodalisme naar kapitalisme creëerde de groei van de productiviteit in de landbouw de basis voor het verhuizen van een deel van de boeren van het platteland naar de stad. De groei van de handel deed in de steden handelaars ontstaan de over grote geldkapitalen beschikten die ze konden investeren: de ontdekking (of beter: plundering) van koloniale gebieden als Zuid-Amerika concentreerde nieuwe rijkdom, waaronder hoge aantallen waardevolle metalen als goud en zilver, die als munten konden worden gebruikt. De maatschappij was klaar voor de ontwikkeling van een industriële kapitalistische klasse – de burgerij – die zich in het feodalisme ontwikkelde. Terwijl de productie ontwikkelde, kwam de ontwikkeling van de productiekrachten in botsing met de bestaande productieverhoudingen – de dominantie van de feodale heren, van de landadel. Zoals Marx zei: “Een periode van revolutie volgde hierop”.

De periode van revolutie waarvan hier sprake is, is uiteraard de periode van de burgerlijke, kapitalistische revoluties tegen het feodalisme – zoals de Franse revolutie van 1789, de Engelse revolutie van 1641-’49 die de monarchie omverwierp en Oliver Cromwell aan de macht bracht, de eenmaking van Italië (de Risorgiamento) o.l.v. Garibaldi in de jaren 1840. De Verenigde Staten kenden twee burgerlijke revoluties of meer bepaald twee fazen van een uitgerokken burgerlijke revolutie – eerst de revolte tegen de Britse kroon o.l.v. George Washington wat leidde tot de Onafhankelijkheidsverklaring van 1778. Als tweede fase zagen we de Burgeroorlog van 1861-’65 waarin de noorderse industriële kapitalisten het land éénmaakten door de vernietiging van de slavenarbeid in het zuiden en een eengemaakt land op basis van de kapitalistische productieverhoudingen creëerden.

Door het wegvegen van de feodale en pre-kapitalistische sociale verhoudingen en staatsstructuren creëert de burgerlijke revolutie de basis voor het uitbreiden en verzekeren van de dominantie van het kapitalisme. De feodale adel werd ofwel vernietigd, ofwel geïntegreerd in de nieuw samengestelde kapitalistische klasse (zoals in Groot-Brittannië gebeurde). Grote delen van de lijfeigenen, de landelijke boeren, werden van het land en naar de steden gedreven. Ze werden er de loonarbeiders, het proletariaat, de kern van de nieuwe arbeidersklasse. De overgang van het feodalisme naar het kapitalisme vond plaats via een revolutie. Zoals Marx zei: de burgerij komt op dat historisch stadium naar voor als de meest revolutionaire klasse.

 

Deel 4: Vrijheid en determinisme

Volgens Marx: “maken mensen hun eigen geschiedenis, maar niet onder de voorwaarden die ze zelf gekozen hebben”. Dit moet samengebracht worden met twee andere stellingen van Marx, namelijk dat productieverhoudingen “onontbeerlijk en onafhankelijk van hun wil (die van mensen)” zijn, en de notie dat wat menselijke wezens doet verschillen van dieren het bewustzijn is.

Stel je een lijfeigene in het feodale graafschap Vlaanderen voor die gelooft in een socialistische gemeenschap en het systeem haat. Dat moet wel een zeer ontwikkelde en vooruitziende lijfeigene zijn! De lijfeigene is gevangen in een reeks van feodale sociale relaties, gedomineerd door zijn feodale heer. Hoewel, vermits de lijfeigene een bewust wezen is, kon hij bewuste actie ondernomen hebben, bijvoorbeeld het organiseren van een boerenopstand. Hij kon dat echter niet onder voorwaarden die hij zelf gekozen had – de individuele lijfeigene kon het feodalisme niet wegwensen door een wilsdaad. Menselijke wezens beschikken over keuzes, ze hebben een vrije wil, maar hun actieterrein is beperkt door de economische, sociale en politieke omstandigheden waarin ze zich bevinden.

Ondanks de beperkingen die de omstandigheden opleggen, verloopt de geschiedenis onder invloed van actieve menselijke agenten die een vrije wil hebben. Mensen hebben keuzen. Het idee van een socialistische lijfeigene is echter zeer onwaarschijnlijk omdat de ideologie van het socialisme nog niet bedacht was. We zijn allemaal producten van de tijd waarin we leven. Vandaag kunnen we niet denken in termen van een nieuwe ideologie of theorie die 1000 jaar later ontwikkeld zal worden. We hebben dus een vrije wil, maar enkel binnen bepaalde beperkingen.

Het probleem vanuit het standpunt van de marxistische theorie is dat, zoals Marx en Engels het uitdrukten, de politiek-wettelijk-ideologische “bovenbouw” in wisselwerking staat met de economische basis van de maatschappij. Mensen kunnen proberen de bestaande sociale relaties te veranderen en ze slagen daar soms in. Zo wordt verteld (waarschijnlijk is dat correct) dat delen van de feodale adel van Engeland zichzelf wilden omvormen tot een nieuwe, landelijke, kapitalistische klasse en dat ze bewust vochten voor de introductie van kapitalistische sociale verhoudingen in de landbouw.

Dit is slechts een voorbeeld van hoe de ontwikkeling van ideeën een wisselwerking heeft met de economische basis van de maatschappij. Ideeën, uitvindingen,… zijn cruciaal voor de ontwikkeling van nieuwe productietechnieken, die op hun beurt de productieverhoudingen helpen veranderen. Nieuwe ideeën over gelijkheid en sociale rechtvaardigheid creëren bewegingen die vechten tegen het bestaande systeem. Zoals Marx zei kunnen ideeën, als ze miljoenen mensen mobiliseren, zelf een materiële kracht worden.

Dit gaat vooral op voor de strijd voor het socialisme. De kapitalistische revolutie werd uitgevochten met de feodale heren op de basis van een religieuze ideologie. De socialistische revolutie is de eerste revolutie in de geschiedenis die gebaseerd is op een totaal bewuste poging om de sociale productieverhoudingen te veranderen en hen onder de controle van de samenleving te brengen. De manier waarop de productieverhoudingen, de staat, politiek en ideologie samenhangen, zal totaal getransformeerd worden.