Waarde, meerwaarde, welvaart en verzet tegen het asociaal beleid van De Wever

‘Over welvaart’ is het nieuwe boek van premier De Wever. Het komt na ‘Over identiteit’ en ‘Over woke’. De verzamelde journalisten vallen in zwijm voor een premier die 147 pagina’s weet vol te pennen om zijn asociale beleid te verdedigen. Inhoudelijke kritieken kwamen er weinig. Veel te weinig als je de inhoud analyseert.

Over waarde

Een gezond uitgangspunt voor een dergelijk boek is de vraag wat welvaart is en hoe het tot stand komt. De Wever pakt dit filosofisch aan, waarbij er zelfs Griekse mythes aan te pas komen. Welvaart wordt omschreven als het bevredigen van behoeften, welzijn als de uiting daarvan op lichamelijk, geestelijk en sociaal vlak. We krijgen te horen dat geld niet altijd gelukkig maakt, maar dat je wel gelukkiger bent als je er hebt. Er stond een deur wagenwijd open en De Wever dacht dat het nuttig was om die verder open te trappen.

Feit is dat dit niets zegt over de bron van welvaart. Verder in het boek komt De Wever in de buurt van een verklaring. Hij vermeldt drie “productiefactoren” (eigenlijk bronnen van waarde): arbeid, kapitaal en natuur. Vragen zoals wat waarde is en hoe de waarde van een goed wordt bepaald, komen niet aan bod in dit boek.

Over de rol van arbeid en de natuur is er geen betwisting. De arbeidskracht van werkenden voegt waarde toe en is de hoeksteen van productie. Dat de natuur de basis is voor onder meer tal van grondstoffen staat eveneens vast. Dat het scheef zit in de verhouding tussen mens en natuur zien we elke dag met de gevolgen van klimaatverandering. Volgens De Wever is ook kapitaal een bron van waarde, met name de hulpmiddelen zoals machines, geld en kennis (pagina 68). Machines zijn echter gemaakt door andere arbeiders. Geld is zoals De Wever elders uitlegt een maatstaf van waarde, nu wordt de maatstaf plots zelf een bron van waarde. Investeringen maken gebruik van eerder gemaakte winsten. Kennis wordt er ook bijgehaald door De Wever, wellicht in de zin van ‘menselijk kapitaal’. Met begripsverwarring legt hij de basis om uiteindelijk een schaamteloze verdediging van de belangen van de kapitalisten te voeren, helaas zowel met woorden als daden. Onderwijs en kennis zijn het resultaat van investeringen van de samenleving, de middelen hiervoor worden gehaald bij eerder geproduceerde waarde. Onderwijs is voor De Wever alvast niet belangrijk genoeg om er echt in te investeren. De pensioenen van leerkrachten omschreef hij in een interview met De Standaard als te hoog… 

Indirect erkent De Wever de centrale rol van arbeidskracht als bron van waarde. In zijn afkeer van stakingen en de arbeidersbeweging in het algemeen, roept hij uit dat “niet stakers maar makers ons zullen redden.” Wie zijn die makers? Een stakingsdag kost “onze samenleving” “miljoenen euro’s”, aldus De Wever (p.94). Met andere woorden: het zijn de werkenden die met hun arbeidskracht elke dag miljoenen euro’s opbrengen. De kapitalisten en hun politieke marionetten erkennen dit als ze klagen over hun miljoenenverlies op dagen dat onze arbeidskracht ingetrokken wordt.

Eigenlijk onderneemt De Wever een poging om meerwaarde en waarde zodanig van elkaar los te koppelen dat meerwaarde niet langer gezien wordt als het resultaat van menselijke arbeidskracht en de natuur, maar als iets gecreëerd door de kapitalisten die zich de meerwaarde hebben toegeëigend. Tegelijk weerlegt De Wever dit zelf als hij in zijn verzet tegen protectionisme opmerkt dat waarde niet gecreëerd wordt door een loutere opeenstapeling van geld. Als het hem uitkomt wordt meerwaarde op zich gezien als een bron van welvaart, waarbij meer welvaart leidt tot meer mogelijkheden van sociale bescherming. Anders gezegd: de werkende klasse heeft er belang bij dat ze meer van de door haar geproduceerde waarde aan de kapitalisten afstaat, want op de een of andere manier sijpelt dat uiteindelijk door naar haarzelf.

De trickle-down economics van Reagan wordt herkauwd. Dat doet De Wever niet op een letterlijke manier na het overduidelijke falen ervan in de praktijk. In plaats daarvan draait hij de constructie om: als de rijksten rijk genoeg zijn, is de sokkel breed genoeg om er wat van door te geven aan de pijlers van sociale bescherming die op deze sokkel zouden rusten. Om de sokkel breed genoeg te krijgen, kijkt De Wever naar de “onzichtbare hand” van de vrije markt die “spontaan en efficiënt” orde creëert. Daarnaast moeten de pijlers van de sociale bescherming afslanken om de sokkel van de welvaart steviger te maken, aldus de premier. Een amper verbloemde manier om een transfer van arm naar rijk te bepleiten.

Een scherpe afbouw van sociale bescherming, volgens De Wever een absolute noodzaak om de sokkel van de ‘welvaart’ te redden, zou op langere termijn leiden tot meer sociale bescherming. In dat kader verwijst De Wever onder meer naar de eerste generaties arbeiders die gebukt gingen onder ellende en armoede bij de industrialisering, maar uiteindelijk een verhoging van hun levensstandaard kenden. Dat dit laatste gebeurde door harde strijd van onderuit, wordt grotendeels over het hoofd gezien door De Wever.

De Wever neemt de retoriek van de kapitalisten vandaag over en probeert er een eeuwigdurende vaststaande waarheid van te maken die dermate in steen gebeiteld is dat er enkel leiderschap en visie nodig zijn om orde op zaken te stellen. Dat is het punt waarop hij zelf op het toneel verschijnt. Leiderschap en visie dienen vervolgens enkel om de zakken van de kapitalisten verder te vullen. Om deze cirkelredenering in de markt te zetten, worden er desnoods wat Griekse mythen bijgesleurd. Zo moet het een intellectueel profiel krijgen. Ook dat is de moderne tijd: imago en framing in de markt zetten, levert op. 

Wat is ondertussen de realiteit na 40 jaar van neoliberaal beleid? Hoeveel middelen zijn er doorgesijpeld naar de armsten? De cijfers van het Oxfam-rapport in het kader van het Wereldeconomisch Forum in Davos in januari spreken voor zich:

  • In 2025 steeg het vermogen van miljardairs met meer dan 16% tot 18,3 biljoen dollar. Sinds 2020 steeg hun vermogen met 81%, terwijl de helft van de wereldbevolking in armoede leeft.
  • De 17 Belgische miljardairs op de Forbes-lijst hebben meer vermogen dan de 3,6 miljoen armste Belgen bij elkaar. 
  • De rijkste 1% in België bezit 22% van het vermogen, wat meer is dan de minst rijke 75% van de bevolking samen.

Na 40 jaar economisch beleid dat van de zwaksten afneemt om aan de rijksten cadeau te doen, blijkt dat de sokkel van de welvaart waar De Wever het over heeft nog steeds niet voldoende vetgemest is om wat kruimels van sociale bescherming mogelijk te maken. Waarom zou het resultaat met een licht herkauwde versie van de politiek van Reagan, Thatcher en Verhofstadt nu plots anders zijn? Steeds hetzelfde doen en een ander resultaat verwachten, wordt al eens gezien als een definitie van waanzin. Daar verdenken we De Wever niet van. Het is erger: hij wil net hetzelfde resultaat als dat van de afgelopen decennia.

Over verandering

Een tweede fundamentele zwakte die steevast terugkomt in de werken van De Wever is zijn visie op verandering. Steeds weer gaat hij uit van een niet-materialistische visie waarbij niet de maatschappelijke ontwikkelingen de inzichten in grote lijnen bepalen, maar gaat hij er omgekeerd van uit dat het denken bepalend is voor het zijn. Ideeën bepalen voor hem de geschiedenis, waarbij deze het resultaat zijn van individuele inzichten en niet van maatschappelijke ontwikkelingen en materiële realiteit waarin ideeën ontstaan en ingang vinden.

Op die manier kan hij verklaren dat de invoering van elementen van sociale zekerheid niet het resultaat was van harde klassenstrijd, maar van de geniale inzichten van politieke leiders als Bismarck of paus Leo XIII. Zij zouden de basis gelegd hebben voor sociale correcties op de vrije markt.

Volgens De Wever was meer stelselmatige sociale bescherming pas mogelijk op het ogenblik dat er voldoende welvaart was en er een natiestaat was om de herverdeling ordentelijk te organiseren. Dit is een erg institutionele kijk die voorbijgaat aan de realiteit van klassenstrijd en krachtsverhoudingen. In de 19e eeuw werden de afschaffing van kinderarbeid of de invoering van een 8-urige werkdag door de kapitalisten als onmogelijk voorgesteld en zelfs als niet in het belang van de werkenden zelf. Als er toch enige sociale vooruitgang was, kwam dit niet door de visie en het leiderschap van de kapitalisten en hun politici. Het was het resultaat van harde sociale strijd van de werkende klasse.

Ter illustratie: enkelvoudig algemeen stemrecht voor mannen kwam er in de golf van sociale strijd (een golf waarin het tot revoluties kwam in onder meer Rusland en Duitsland) na de Eerste Wereldoorlog, veralgemening van betaalde vakantie kwam er in de golf van sociale strijd in 1936 (een golf waarin de Spaanse revolutie plaatsvond en Frankrijk op de rand van een revolutie stond). Oh ja, de conservatieve nationalisten in wier traditie De Wever zich plaatst, stonden daarbij telkens aan de andere kant van de barricades.

In ‘Over woke’ schreef De Wever: “Anders dan het marxisme wil doen geloven, zijn het ideeën die de geschiedenis bepalen.” Hij had het daarbij over de ideeën die leven bij “de top van de samenleving”, waarbij hij zichzelf gemakshalve als ‘outsider’ op enige afstand van die top van industriëlen, kapitalisten en regeringsleiders plaatste. Deze ideeën trekt hij los van de economische en materiële omstandigheden waarin ze ontstaan en al dan niet ingang vinden.

Niet alleen wordt het proces van verandering op deze manier erg verwrongen bekeken, deze redenering dient ook om andere factoren een sleutelpositie te geven. Meer bepaald groepsidentiteit of volk. Om aan zichzelf en zijn nationalisme een centrale plaats in maatschappelijke ontwikkelingen toe te schrijven en er zelfs een motor van verandering van te maken, moet de geschiedenis wel bepaald worden door ideeën.

Over propaganda

Het voornaamste doel van dit boek is een rechtvaardiging van het gevoerde asociale Arizona-beleid. Enerzijds worden zieken, werklozen en gepensioneerden als profiteurs voorgesteld, anderzijds laat De Wever uitschijnen dat zij nu eenmaal moeten besparen om bescherming van toekomstige generaties mogelijk te maken. Het argument van de toekomstige generaties is een plaat die al heel wat generaties wordt opgezet, maar blijkbaar nooit wordt afgezet. De generatie die begin jaren 1980 de broekriem moest aanhalen in het belang van de toekomstige generaties, is ondertussen stilaan met pensioen en ziet hetzelfde argument terugkomen om de sociale bescherming van hun kleinkinderen onderuit te halen.

Om dit beleid goed te praten, wordt alle propaganda bovengehaald. Het gaat over werklozen die decennialang niet werken, zieken die profiteren en uiteraard de onvermijdelijke treinbestuurder die op 55 jaar met pensioen kan. In 2023 waren er welgeteld zeven treinbestuurders of treinbegeleiders die met minstens 30 jaar rijdende dienst op 55 jaar met pensioen konden. Zeven! Toch worden die tot zeven maal zeventig keer opgevoerd door De Wever en zijn kompanen. Het voorbeeld wordt uitgemolken om vervroegde uittreding voor alle zware beroepen zo goed als onmogelijk te maken. En dat is slechts een opstap om de pensioenleeftijd zelf verder de hoogte in te duwen: straks hebben steeds meer werkenden de ‘pensioenbonus’ nodig om aan een leefbaar pensioen te komen waardoor de leeftijd van 67 plaatsmaakt voor een verhoging op individuele basis. Zo werkt propaganda: een feit wordt uit zijn context gelicht, de omvang van het feit wordt gemakshalve niet vermeld en vervolgens wordt dat gebruikt om algemene aanvallen door te voeren. ‘Feitenvrije’ propaganda is geen fenomeen dat zich beperkt tot de andere kant van de Atlantische Oceaan.

Het doel van het huidige beleid is om ons langer en meer te laten werken. Onze toegenomen productiviteit wordt niet in rekenschap genomen. Dat we meer waarde produceren op kortere tijd is voor hen geen argument om ons langer te laten genieten van welverdiende rust na een loopbaan. Dat we meer bijdragen aan de sociale zekerheid wordt vergeten, of achter onze rug wordt die bijdrage cadeau gedaan aan de werkgevers. Kortom: de productiviteitswinst is voor hen, de lasten ervan (onder meer op vlak van gezondheid) zijn voor ons.

Om de lonen verder te drukken, worden de zwaksten aangevallen en gedwongen om toch iets van werk te doen. Als dit gebeurt aan lage lonen, zet het druk op alle lonen. Waarom zou een gemeente iemand in vaste dienst nemen voor de groendienst als hetzelfde werk kan gebeuren door iemand met verplichte gemeenschapsdienst in ruil voor een uitkering met een kleine toeslag?

In dit boek stelt De Wever voor om sociale bescherming sterk af te bouwen, tot het niveau van ‘bed, brood en bad’. En zelfs dat niveau wordt in de praktijk aangevallen. Hij klaagt dat sociale voorzieningen van een “privilege” geëvolueerd zijn tot “juridisch verankerde basisrechten”, waardoor er beperkingen worden gesteld aan de afbraak! Aanvallen op mensenrechten zijn een hoeksteen van het Trumpiaanse beleid, ook in België. De Wever klaagt dat het grondwettelijk vastgelegde standstill-principe ervoor zorgt dat “rechters het laatste woord krijgen over democratisch besliste maatregelen ter verstrenging van sociale stelsels.” (pagina 91). Hij hekelt de kritieken van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State. Niet dat de arbeidersbeweging van de juridische wereld verlossing moet verwachten, dat kan enkel door een voldoende sterke krachtsverhouding die we zelf opbouwen op ons terrein. Dat is hoe sociale bescherming in het verleden is afgedwongen en hoe we het kunnen verdedigen en uitbreiden.

Voor De Wever zijn er bij de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd alleen winnaars. Aan het lot van de werklozen zelf wordt uiteraard niet gedacht. Deze propaganda vindt een zekere ingang, zeker in een context van toenemende werkdruk en koopkracht die onder druk staat. Zelfs onder wie rechtstreeks geraakt wordt door bijvoorbeeld de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd, is dit het geval. Toen journalisten met werklozen spraken die hun uitkering verliezen, hoorde je vaak dat die vonden dat er iets moest gebeuren maar niet gedacht hadden dat ze zelf onder die maatregel zouden vallen. Dat is een meer algemeen gegeven: er wordt vaak in abstracte termen over ‘profiteurs’ geklaagd, maar uiteindelijk blijkt het te gaan om gewone werkmensen die het al eens moeilijk hebben. Denk aan de poetsvrouw die als 60-jarige nog maar 13 uur in de week kan werken omdat haar rug niet mee wil en nu na twee jaar haar inkomensgarantie-uitkering verliest omdat ze niet halftijds werkt en onvoldoende dagen per jaar gewerkt heeft om aan een voldoende lange loopbaan te komen.

Het verband tussen het toenemend aantal langdurig zieken en het ouder worden van wie werkt, wordt niet gelegd. In 1999 was 25% van de werkenden ouder dan 45 jaar, in 2019 was dit 42%. Meer dan driekwart van de langdurig zieken is 45 jaar of ouder. Het feit dat we langer moeten werken en de verhoging van de werkdruk worden niet eens vermeld door De Wever. Het lot van wie ziek is, interesseert hem niet. Een beetje dokter weet dat je een ziekte aanpakt door te kijken naar de oorzaak ervan. Niet zo bij De Wever: hij wil het voorschrijfgedrag van artsen strenger monitoren en ziekenfondsen afrekenen op “hun succes om zieken terug naar werk te leiden.” Er liggen volgens hem “aanzienlijke winsten” op het “strenger toezicht op misbruik en overconsumptie.” Een preventieve aanpak van ziekte staat niet in op de agenda van De Wever.

Maatschappelijke problemen worden door de propaganda én het beleid herleid tot individuele kwesties. Na de werkloosheidsuitkering en de ziekteuitkering neemt De Wever in ‘Over welvaart’ ook uitdrukkelijk het leefloon in zijn vizier. De aanvallen zullen niet stoppen, deze regering gaat steeds verder tenzij ze gestopt wordt! Als De Wever het over ‘groepsidentiteit’ heeft of over het sociale weefsel van een samenleving, dient dit enkel om de rode loper nog meer uit te rollen voor de kapitalisten.

Nog een laatste opmerking over propaganda. Het wegzetten van Code Rood als ‘gewelddadige actiegroep’ is compleet over de top. Waar en wanneer heeft Code Rood zich gewelddadig opgesteld? Vreedzaam actievoeren aan vervuilende bedrijven volstaat om de toorn van De Wever over je heen te krijgen. Straf: hij vergelijkt Code Rood met acties van de ‘luddieten’, uitbarstingen van woede tegen de eerste machines waarbij die kapotgeslagen werden. Het kapotslaan van machines in de 19e eeuw wordt met enige empathie bekeken door De Wever, vreedzaam actievoeren in de 21e eeuw volstaat om het label van ‘gewelddadige actiegroep’ opgeplakt te krijgen.

Over marxisme

De Wever kan het niet laten om met de regelmaat van de klok over Marx en het marxisme te schrijven en te spreken. Dit gebeurt steeds op dezelfde wijze: er wordt een karikatuur gemaakt en vervolgens wordt die bestreden. Dat spaart heel wat energie uit: het marxisme ernstig bestuderen hoeft niet en enige zorgvuldigheid in de argumentatie kan overboord gegooid worden.

Marxisten zijn volgens De Wever verantwoordelijk voor het aftakelen van de Europese beschaving. “Europa verloor niet alleen macht, maar ook het geloof in macht. Meer nog: na mei ’68 en de opkomst van het postmodernisme werd ‘macht’ in de ogen van een groot deel van de intellectuele elite zelfs inherent verdacht – louter een instrument van onderdrukking.” De conservatieve premier klaagt over het feit dat koloniale onderdrukking niet langer als iets positief wordt gezien. En dat is de schuld van die vreselijke marxistische schurken. “Wat begon bij Franse neomarxisten die dunne sigaretten rookten op Parijse terrassen, sijpelde langzaam door naar de mainstream publieke cultuur.”

De dunne sigaretten en de Parijse terrassen laten we gemakshalve buiten beschouwing. De gustibus non est disputandum, aldus de Latijnse zegswijze. Ook de kritiek op Marx dat hij leefde van bijdragen die hij kreeg van Engels zullen we maar aan de kant schuiven als goedkope framing. Essentiëler is de stelling van De Wever dat het marxisme staat voor een systeem waarin de macht verschuift van de bezittende klasse naar de politieke klasse. Dat was volgens hem de kern van Marx’ theorie zoals “nauwgezet toegepast” in het Oostblok. Een theorie die zorgde voor een verstikking van de economie en bovendien geen gelijkheid opleverde.

Eens te meer blijkt een onnauwkeurige hantering van termen. ‘Politieke klasse’ kan in volkse taal uiteraard gehanteerd worden, ‘kaste’ is echter correcter. Klasse is een term die wijst op een gemeenschappelijke rol in het productiesysteem. De Wever en co vormen geen klasse op zich, ze zijn de politici van de klasse van de kapitalisten. Het ontstaan van een bureaucratische toplaag in de Sovjet-Unie die steeds meer macht en daaraan verbonden privileges naar zich toetrok, wordt door De Wever gezien als de “kern van Marx’ theorie”. Waar heeft Marx dit zo omschreven? Dat komen we natuurlijk niet te weten. Een beetje historicus zou toch enige analyse van de opkomst van het stalinisme kunnen geven en zien waar het hemelsbrede verschil tussen stalinisme en marxisme zich bevindt. Niet zo bij De Wever. Hij is volledig verblind door de rook van de fijne sigaretten op Parijse terrassen.

Volgens De Wever schreef Marx in ‘Het Kapitaal’ over de revolutie van het proletariaat die tot doel heeft om alle middelen om te produceren in publiek bezit te nemen. ‘Het Kapitaal’ handelt echter over waarde, waren, geld, meerwaarde … Op de leeslijst van 16 boeken (waarvan 3 van hemzelf) die De Wever op het einde van zijn boek plaatst, is ‘Het Kapitaal’ er alvast één die hij niet gelezen heeft. Wat evenmin klopt is dat marxisten alle productiemiddelen onder democratische controle en bezit van de werkende klasse willen plaatsen. Het nationaliseren van elke bakker of beenhouwer is niet aan de orde, het gaat om de centrale productiemiddelen die een groot deel van ons leven domineren. Die nationaliseren onder democratische controle en bezit van de werkende klasse, zou het mogelijk maken om een democratische planning op te maken gericht op de behoeften en noden van de meerderheid van de bevolking. Kortom, de ultieme nachtmerrie van De Wever en zijn broodheren.

Over sociaal verzet

De Wever beschouwt zichzelf als een groot staatsman die met visie en leiderschap de geschiedenis ingaat als een nieuwe Gaston Eyskens, Wilfried Martens of Jean-Luc Dehaene. Die drie CVP’ers gebruikt hij uitdrukkelijk als voorbeelden. Zij voerden harde besparingen uit met de Eenheidswet in 1960, de neoliberale aanvallen van de jaren 1980 en het Globaal Plan van midden jaren 1990. De Wever zegt dat het nu tijd is voor een beleid op hetzelfde niveau en zelfs verregaander omdat enkele maatregelen van zijn voorgangers (zoals de devaluatie van de Belgische Frank) niet meer kunnen. 

‘Over welvaart’ maakt duidelijk dat De Wever en Arizona van plan zijn om te blijven gaan. Er is nu al sprake van tien jaar besparingen. Als we dat willen stoppen, wachten we best niet tot ze al jarenlang hun gangen hebben kunnen gaan. Dat zou teveel sociale ellende opleveren voor onze klasse. In de propaganda klinkt het dat er niet naar sociaal protest geluisterd wordt en zelfs dat stakingen geen impact hebben. In ‘Over welvaart’ moet De Wever toegeven dat stakingen pijn doen. Het raakt de kapitalisten waar het pijn doet, in hun portemonnee.

De Wever rijdt voor de rijken en verklaart hen tot de sokkel van de welvaart. Daarvoor valt hij de zwaksten aan om uiteindelijk de volledige arbeidersbeweging te breken. Als hij naar Singapore kijkt als model, gaat het ongetwijfeld ook om het autoritaire bewind van Lee Kuan Yew. Met ‘operation coldstore’ in 1963 werden bijvoorbeeld vakbondsleiders en studentenactivisten opgepakt zonder enige vorm van proces. Geen gedoe met basisrechten in die operatie…

Voor de arbeidersbeweging is het nuttig om terug te kijken naar het verzet tegen de harde besparingen die De Wever als voorbeeld stelt. De Eenheidswet van Gaston Eyskens werd beantwoord met de grote staking van 1960-61. Daarmee werd het vertrouwen en de zelforganisatie van de werkende klasse enorm versterkt. De staking kwam op een punt dat revolutionaire verandering mogelijk was, maar het ontbrak aan een leiding om die verandering door te voeren waardoor er geen overwinning werd geboekt. In de jaren 1980 botste het rechtse beleid van de regering Martens-Verhofstadt op breed gedragen protest. Na een aanloop van vele van elkaar losstaande acties zonder veel richting kwam het in 1986 tot een massale betoging tegen het St Annaplan. De druk was niet langer houdbaar en Martens trad af, waarna de liberalen voor lange tijd uit de regering verdwenen. In 1993 was de algemene staking tegen het Globaal Plan één van de grootste uit onze geschiedenis. In 2014 zou dit herhaald worden tegen de vorige regering die door N-VA en MR werd gedomineerd.

Als de politieke vertegenwoordigers van het patronaat zich opmaken om het beleid van Eyskens, Martens en Dehaene te herhalen, kunnen we maar beter lessen trekken uit de stakingsbewegingen en het sociaal protest daartegen. Dat is immers wat ook nu aan de orde is. Een informatiecampagne zoals ‘Operatie waarheid’ in 1960 of de pensioenkranten van 2018, helpt om collega’s en vrienden te betrekken. Een oplopend actieplan zoals in 2014 maakt dat we onszelf niet jarenlang voorbijlopen zoals tussen 1983 en 1986. Het protest tegen het St Annaplan in 1986 ging gepaard met dynamische jongerenacties, de staking tegen het Globaal Plan in 1993 werd versterkt door antiracistische jongeren die actie voerden tegen extreemrechts na zwarte zondag in 1991. In 2014 stonden jongeren opnieuw vooraan in protest. Personeelsvergaderingen en grote stakingspiketten versterken de betrokkenheid.

‘Over welvaart’ van De Wever maakt duidelijk dat de arbeidersbeweging nood heeft aan inhoudelijke argumenten en vormingen (bvb op basis van de sociaal-economische barometer van het ABVV), gekoppeld aan het uitwerken van alternatieven waarbij maatschappijverandering en socialisme gepopulariseerd kunnen worden. Daarnaast kunnen we lessen trekken uit vorige stakingsbewegingen om onze strategie en aanpak te versterken. Het doel voor De Wever is het versterken van het vermogen van een kleine elite aan de top. Ons doel moet zijn om de beschikbare rijkdom onder democratisch bezit en controle van de werkende klasse te plaatsen zodat een rationele planning mogelijk wordt. Kortom, een socialistische samenleving.

Recensie door Geert