Waarom ‘Wat te doen’ van Lenin lezen?

De vraag ‘Wat te doen?’ blijft meer dan 100 jaar na de publicatie van het boek van Lenin actueel. Meer nog: de dringendheid ervan wordt elke dag groter naarmate de crises van het kapitalisme leiden tot een steeds meer existentiële bedreiging voor de mensheid. Vechten voor een andere toekomst, blijft de uitdaging. De vragen over hoe dat te doen, zijn groot. Pogingen om te bouwen aan een socialistische samenleving hebben vooralsnog geen einde gemaakt aan de wereldwijde overheersing van het kapitalisme.
In een zoektocht naar antwoorden en hefbomen voor onze strijd voor een socialistische samenleving blijft ‘Wat te doen’ van Lenin nuttige lectuur. Niet vanuit een persoonsverheerlijking of omdat Lenin het antwoord op alles zou bieden. Toen hij in 1905 – op een ogenblik van revolutionaire opgang in Rusland met bijhorende explosieve groei van de socialistische beweging – door medestanders werd bekritiseerd op basis van argumenten uit ‘Wat te doen’, riep Lenin op om alle schema’s te vergeten. Dat was amper drie jaar na het schrijven van ‘Wat te doen’! Dat korte tijdsverloop is in deze echter niet de essentie, wel dat er in 1905 een andere context was waarin revolutionairen actief waren.
Het begrijpen en onderzoeken van die context is bepalend voor marxisten. Wie in de strijd tegen de barbarij van het kapitalisme vandaag enkel naar Lenin kijkt, heeft een probleem. Als de deus ex machina voor verandering al meer dan 100 jaar dood is, zullen we niet ver geraken. Naar Lenin terugkijken doen we om lessen te trekken uit de methode van analyseren en om ons de grote lijnen eigen te maken van de ideeën die naar voren kwamen in de kringen van revolutionairen die er in 1917 in slaagden om de werkende klasse gesteund door de boeren aan de macht te brengen in Rusland.
De lezer vandaag is niet meer vertrouwd met de omstandigheden en politieke strekkingen binnen de kringen van linkse activisten in Rusland aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw. Dat maakt de lectuur moeilijker. De voorbeelden en verwijzingen dienen voor Lenin als verduidelijking voor wat hij verdedigde, terwijl het voor de doorsnee hedendaagse lezer zodanig nieuwe referenties zijn dat het minder evident is om door de bomen het bos te zien. We kunnen enkel aanraden om je niet vast te rijden in de voorbeelden en verder te proberen kijken naar de algemene lessen van het boek.
***
Wat staat centraal in ‘Wat te doen’? Twee elementen halen we er graag uit.
Ten eerste de onlosmakelijke band tussen programma en organisatie. Het programma van een revolutionaire organisatie is niet gewoon een reeks eisen of voorstellen, het is ook de ambitie voor een andere samenleving en de benaderingen en methoden om tot die maatschappijverandering te komen. Een programma is iets levendig dat doorheen strijd vorm krijgt en verandert. Het erkennen van de levendige ervaring van klassenstrijd op vlak van benadering en dus programma staat haaks op de kijk van diegenen die een partijprogramma zien als een ‘lijn’. Dé partijlijn waar niet van mag afgeweken worden, was als concept schering en inslag onder het stalinisme. De levendige debatten, als gevolg van actieve betrokkenheid in strijd, in de partij van Lenin hebben niets gemeen met die insteek.
Eenheid in een organisatie wordt gecreëerd door duidelijkheid over programma, benadering en praktische taken die daaruit voortkomen. Als een programma iets levendig is, dan de revolutionaire organisatie ook. Deze heeft constant nood aan hernieuwing en aanpassing aan de strijd tegen het kapitalisme. Dit vergt debat en uitwisseling van soms tegenstrijdige ideeën en voorstellen.
Als tweede centrale element in ‘Wat te doen?’ is er het onvoorwaardelijke vertrouwen van Lenin in de capaciteit van de werkende klasse om zichzelf te emanciperen en te bevrijden van het juk van de kapitalistische uitbuiting en de onderdrukking die eigen is aan deze uitbuiting. Lenin pleit voor eerlijkheid in de revolutionaire benadering vanuit het vertrouwen dat de voortrekkers van strijd in de werkende klasse dit begrijpen en vanuit de overtuiging dat ze ermee gebaat zijn. Geen spindoctors of brand-managers bij Lenin, maar ‘what you see is what you get’.
Dit is meteen ook belangrijk als antwoord op één van de vaakst voorkomende kritieken op ‘Wat te doen?’, met name dat Lenin zou pleiten voor een kleine elite die vanuit een voorhoede de revolutie zou maken in de plaats van de klasse. De noodzaak om revolutionairen te organiseren, komt bij Lenin niet voort vanuit het idee dat een kleine groep revolutionairen volstaat om tot een geslaagde revolutie te komen. Gevormde revolutionairen weten dat een revolutie de actieve betrokkenheid van de massa’s vereist en hun vorming bestaat er net in om in alle mogelijke omstandigheden, zowel in opgang van strijd als in tijden van rechtse reactie die de linkerzijde in het isolement duwt, aansluiting te vinden bij bredere lagen van de klasse om deze te versterken richting socialistische maatschappijverandering. Revolutionairen weten dat aansluiting bij bredere lagen noodzakelijk is om door de klassenstrijd tot een succesvolle breuk met het kapitalisme te komen. Deze impact en betrokkenheid zorgen ervoor dat een idee een materiële factor wordt. Hierover is er veel verwarring binnen de revolutionaire linkerzijde. Sommigen willen vooral voor zichzelf en hun directe omgeving (vaak de echokamers van de zogenaamde ‘sociale’ media) bewijzen dat ze radicaal zijn, maar slagen er niet in om in reële strijd enig verschil te maken. Anderen verschuilen zich achter het heersende bewustzijn van bredere lagen zonder er richting aan te geven. Steeds weer komt het neer op de kwestie van een programma voor socialistische verandering: een programma dat iets levendig is en doorheen strijd wordt opgebouwd om deze strijd te versterken en voor de consolidatie van elke stap vooruit door de noodzaak van verandering van de hele samenleving te stellen. Een revolutionair kader is iemand die kritisch denkt, initiatief toont en op basis van collectieve ervaringen en inzichten onafhankelijk kan handelen in steeds veranderende complexe omstandigheden.
In de nasleep van de Russische revoluties van 1917 merkte Lenin op: “We willen niet dat de massa’s het zomaar van ons aannemen. De massa’s overkomen hun fouten door ervaring.” Dat staat haaks op de benadering van een voorhoede die een benadering oplegt. Het betekent echter evenmin dat we maar gewoon laten begaan. Strijd voor standpunten en voorstellen is belangrijk, des te meer op ogenblikken van revolutionaire uitbarstingen. Lenin omschreef de revolutie als een “festival van uitgebuitenen en onderdrukten”, waarbij in Rusland de partij en de massa’s grotendeels samenvallen na 1917 en de partij op sommige ogenblikken nog amper echt georganiseerd was. Dat is geen toeval: op een moment van revolutie staat de voorhoede niet geïsoleerd. Ook de toevoeging van ‘onderdrukten’ was bewust. Naarmate de inzichten omtrent onder meer nationale onderdrukking groter werden, groeide ook het besef van het revolutionaire potentieel van de strijd tegen deze onderdrukking.
Revolutionairen hebben betrokkenheid in actie en strijd nodig zoals een lichaam zuurstof. Revolutionairen beperken zich niet tot commentaar vanop de zijlijn en evenmin tot deelname aan actie als doel op zich. Strijd leidt tot sterkere inzichten van de deelnemers eraan, onder meer door het collectieve aspect ervan en door het feit dat strijd op zich een uitdrukking van een veranderde situatie is. Van daaruit is het mogelijk om verdere stappen richting volledige maatschappijverandering te populariseren en er dus een krachtsverhouding voor op te bouwen.
Wat is de rol van een revolutionaire organisatie hierin? De beeldspraak die Lenin gebruikt is die van bouwvakkers die een huis bouwen. Het is geen goed idee om elk op zichzelf zonder enig plan stenen op elkaar te leggen, er is nood aan een plan en aan samenwerking. Er zijn hulpmiddelen nodig voor de coördinatie tussen de bouwvakkers. “De hele kunst van de politiek ligt in het vinden en zo stevig mogelijk vastgrijpen van de schakel die het minst waarschijnlijk uit onze handen zal worden geslagen, degene die op dat moment het belangrijkst is, die die de bezitter het meest garandeert dat hij de hele keten in bezit heeft. Als we een team van ervaren metselaars hadden die zo goed hadden leren samenwerken dat ze hun stenen precies konden leggen zoals vereist zonder een richtlijn (wat, abstract gesproken, geenszins onmogelijk is), dan zouden we misschien een andere schakel kunnen vastpakken. Maar het is jammer dat we tot nu toe geen ervaren metselaars hebben die getraind zijn in teamwork, dat stenen vaak worden gelegd waar ze helemaal niet nodig zijn, dat ze niet volgens de algemene lijn worden gelegd, maar zo verspreid zijn dat de vijand de structuur kan vernietigen alsof deze van zand is gemaakt en niet van stenen.” Kortom, een revolutionaire organisatie bundelt de energie van militanten om deze richting te geven in de opbouw van een krachtsverhouding waarmee we het kapitalisme kunnen breken. Dat doen we best ernstig, zoniet breekt het kapitalisme ons.
De beeldspraak staat mijlenver van een starre organisatie waar alles in steen gebeiteld is en waar de wil van een kleine toplaag wet is. Het staat ook mijlenver van het idee dat er één model van organisatie is. De partij van Lenin zag er in de revolutie van 1905 anders uit dan in de periode van reactionaire tegenwind en isolement in de laatste jaren van het eerste decennium van de 20e eeuw. Constante elementen waren het vertrouwen in de capaciteit van de werkende klasse en het potentieel van zelforganisatie, het zo collectief en open mogelijk bespreken van elke ervaring en volgende stap (waarbij discipline in het gezamenlijk handelen het resultaat is van een inzicht in noodzakelijkheid en wederzijds vertrouwen), een brede kijk die betrokkenheid rond vastberaden principes aanmoedigt en het organiseren van een bewuste kern (de ‘voorhoede’ of voortrekkers) in dialectisch verband met bredere lagen (waarbij dit verband verschilt naargelang de periode).
In de geschiedenis van de Bolsjewieken kunnen enkele grote periodes worden aangeduid: de opbouw van de eerste kaders (1900-1904), de revolutie en opgang van strijd waarbij verschillende marxistische strekkingen sterk en snel groeiden (1905-1907), de reactie en neergang van links waarbij de verdeeldheid erg groot was (1907-1912), de opbouw van strijd tot een bijna-revolutionaire situatie wat doorbroken werd door het uitbarsten van de oorlog, de februarirevolutie van 1917 met een uitbarsting van massale strijd en complicaties in die strijd, de oktoberrevolutie en de uitdagingen van de opbouw van een andere samenleving.
Bij elke verandering van periode, waarbij de afbakening uiteraard niet altijd exact is, botste de partij van Lenin op conservatisme in de organisatie. Dat kon enkel overwonnen worden met een brede kijk en bijhorende politieke analyse. Om de Wereldoorlog te begrijpen, was een studie van het imperialisme bijvoorbeeld cruciaal. Heel wat van de belangrijkste werken van Lenin (zoals ‘Imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme’ en ‘Staat en revolutie’) werden tijdens de oorlog geschreven. Dit gebeurde niet omdat er tijd voor was, ongetwijfeld waren er veel organisatorische taken in een partij die een terugtocht kende. Het gebeurde omdat het nodig was om de oorlog te begrijpen en om de machtsovername voor te bereiden. De analyse dat oorlog de vroedvrouw van revolutie kan zijn, kwam voort uit historische ervaringen en de bredere kijk die eigen is aan marxisten. Bij het uitbreken van de oorlog greep Lenin terug naar een grondige lectuur van Hegel. Deze bredere kijk en dialectische benadering ontbreken in de stalinistische karikatuur die heerste in de Sovjet-Unie en die vandaag nog vaak de mainstream beeldvorming van marxisme bepaalt. Revolutionaire activisten houden zich best ver weg van een soort nostalgische kijk naar een karikatuur van het marxisme. Het origineel is immers een pak interessanter, tenminste voor wie maatschappijverandering nastreeft.
De bredere kijk zorgt er ook voor dat alle vormen van onderdrukking deel worden van de strijd voor verandering. Lenin merkt op: “Het bewustzijn van de arbeidersklasse kan geen waarachtig politiek bewustzijn zijn, indien de arbeiders niet hebben geleerd om op ieder en elk geval van willekeur en onderdrukking, gewelddadigheid en misbruik te reageren, onverschillig welke klassen deze gevallen ook mogen betreffen; en daarbij moeten zij juist van sociaaldemocratisch en niet vanuit enigerlei ander standpunt reageren. Het bewustzijn van de arbeidersmassa’s kan geen waarachtig klassenbewustzijn zijn, tenzij de arbeiders leren om aan de hand van concrete en bovendien in ieder geval van actuele politieke feiten en gebeurtenissen, alle andere klassen van de maatschappij in alle verschijningsvormen van het intellectueel, moreel en politiek leven gade te slaan, tenzij zij leren om de materialistische analyse en materialistische beoordeling van alle zijden van de werkzaamheid en het leven van alle klassen, lagen en groepen van de bevolking in de praktijk toe te passen.” Dit is geen detail: de gevoelige houding van de bolsjewieken rond nationale onderdrukking was cruciaal voor de overwinning van de oktoberrevolutie. Met ‘gevoelige houding’ bedoelen we niet enkel begrip hebben voor de positie van onderdrukten (hoe belangrijk dat ook is), maar vooral het inzicht in het revolutionair potentieel van verzet tegen onderdrukking en de noodzaak om daar deel van te zijn.
***
Een inleiding op ‘Wat te doen?’ moet het uiteraard ook hebben over de kritieken van andere marxisten op deze tekst. Dat doen we in deze uitgave met de bijdrage van Hal Draper. Rosa Luxemburg baseerde haar kritiek vooral op de ervaringen in de Duitse partij, waar de leiding van bovenaf een meer reformistische koers doordrukte. Een ‘dictatuur van de leiding’ (in de hedendaagse betekenis van het woord dictatuur) was voor Luxemburg dan ook verre van aantrekkelijk. Niet dat ze tegen democratisch centralisme was, de Poolse partij van Luxemburg en Leo Jogiches was eveneens volgens de principes van het democratisch centralisme georganiseerd. Trotski dacht ten tijde van ‘Wat te doen?’ nog dat een compromis tussen de verschillende strekkingen van de revolutionaire linkerzijde mogelijk was en helde uit genegenheid voor de oude leiders aanvankelijk over naar de mensjewieken. Nadien zou hij opmerken dat zijn werk ‘Onze politieke taken’ (1904) fout was. Revolutionairen die hun eigen vergissingen niet kunnen (h)erkennen, staan zwakker in hun analyses en getuigen van een gebrekkige kennis van de dialectiek.
De stijl van Lenin was soms erg brutaal, wat onder de huidige omstandigheden niet meer aanvaard zou worden. Dit neemt niet weg dat Lenin steeds nadruk legde op de ontwikkeling van revolutionairen en sterke lokale afdelingen. Zijn standpunten werden vaak in vraag gesteld, artikels werden geweigerd voor publicatie. Zelfs in oktober 1917 kwamen bolsjewistische leiders als Zinovjev en Kamenev publiekelijk naar buiten met kritieken op de revolutieplannen. Het idee van Lenin als dictator met een ijzeren greep op de leiding is een karikatuur die verspreid werd door de tegenstanders van de revolutie alsook door diegenen die zich op de revolutie baseerden om deze te verraden. Het stalinisme was een karikatuur van het leninisme, maar had de verwijzing naar Lenin nodig om de eigen autoriteit in stand te houden.
Een revolutionaire organisatie is noodzakelijk om de energie van bewegingen op de langere termijn te richten en tegelijk om bewegingen op de koers van maatschappijverandering en socialisme te zetten. Dit is nooit een rechtlijnig verhaal. Het kapitalisme is creatief in het blijvend opleggen van zijn heerschappij. Een revolutionaire organisatie betekent politieke discussie en betrokkenheid in strijd, vertrekkend van vertrouwen in de creativiteit en het potentieel van de werkende klasse in al haar diversiteit. Het betekent het bundelen van ervaringen waarbij een revolutionaire organisatie het geheugen van de klassenstrijd versterkt.
Vandaag leven we in andere tijden dan begin 20e eeuw in Rusland. Er zijn andere en meer diverse manieren om ideeën te verspreiden. Er zijn nieuwe inzichten rond pedagogische methoden die ook voor politieke vorming en kennisoverdracht belangrijk zijn. De technologische en wetenschappelijke kennis is vandaag veel groter. In de strijd tegen het kapitalisme maken we daar best optimaal gebruik van. Verwacht van ‘Wat te doen?’ geen afgewerkt antwoord op alle vragen over een revolutionaire organisatie. Steeds verwonderd blijven en openstaan voor nieuwe inzichten, ook als je dit werk ontdekt of opnieuw leest, is een essentieel kenmerk van hoe revolutionairen in de wereld staan om deze te veranderen.