Opnieuw verschenen: ‘Marx in Brussel’, toegankelijke kennismaking met de jonge Marx

Het boek ‘Marx in Brussel’ van Edward De Maesschalck is niet nieuw. De eerste editie dateert al van 1983. Eerder dit jaar verscheen er een nieuwe editie van bij Standaard Uitgeverij. Het is een toegankelijk boek dat dankzij heel wat citaten en een historische schets een beeld brengt van de ideeën die Marx ontwikkelde terwijl hij in Brussel woonde en werkte. Dat was van 1845 tot 1848, een boeiende en bepalende periode waarin Marx en Engels onder meer het Communistisch Manifest uitschreven en de basis legden voor de organisatie van communisten in een eigen revolutionaire partij.

Vooraleer de Brusselse periode aan bod komt, brengt De Maesschalck een bondig overzicht van de vroege ontwikkeling van de inzichten van Marx. Hij beschrijft hoe de Jong-Hegelianen onder de indruk waren van een bredere kijk op alles en vooral van hoe verandering werkt. De dialectische methode zou de hoeksteen van het marxisme worden. Na zijn studies werkte Marx als journalist voor de Rheinische Zeitung in Keulen. Hij nam sociale thema’s op, zoals het lot van de wijnboeren langs de Moezel of de discussie over de diefstal van hout uit bossen van grootgrondbezitters. Marx merkte op dat er van diefstal sprake was omdat de collectieve eigendom van de bossen geprivatiseerd was waardoor het vrij sprokkelen van hout, een oude gewoonte, plots een misdrijf werd. “Wanneer iedere schending van het bezit zonder onderscheid, zonder nadere bepaling, diefstal is, zou dan niet alle privébezit diefstal zijn?” vroeg hij zich af.

Repressie dreef Marx naar Parijs en van daaruit naar Brussel. Het was in Parijs dat hij Friedrich Engels voor het eerst ontmoette. Daaruit zou een levenslange samenwerking en vriendschap voortkomen, in Brussel waren beiden zelfs even buren in de Verbondstraat, vandaag op grondgebied van Sint-Joost-Ten-Node, niet ver van Madou. Brussel telde op dat ogenblik 124.000 inwoners, waarvan 45% niet in Brussel was geboren. In de snel groeiende voorsteden (Elsene, Sint-Joost-Ten-Node en Molenbeek) waren 80% van de 40.000 inwoners ‘inwijkelingen’. Het ging om interne inwijking uit andere delen van België, maar ook om de komst van buitenlanders (Fransen, Duitsers, Nederlanders). In Molenbeek, waar er kleine fabrieken ontstonden, ging het vooral om Vlaamse arbeiders. Verder in het boek wordt ingegaan op de Belgische revolutie van 1830 en de revolutionaire dreiging van 1848, waarin de werkende massa’s een hoofdrol speelden (zelfs indien de burgerlijke historicus die De Maesschalck is die rol enigszins beperkt houdt).

De tegenstellingen in Brussel waren groot, maar het was vooral de ervaring van Engels met de fabrieken van Manchester die de klassenstrijd concreter maakte. De conclusie van Engels’ boek over de ‘toestand van de arbeidersklasse in Engeland’ (1845) was scherp: “Voor een vreedzame oplossing is het te laat. De klassen scheiden zich steeds scherper van elkaar, de geest van verzet maakt zich steeds meer van de arbeiders meester, de verbittering neemt toe, de afzonderlijke guerrillaschermutselingen concentreren zich tot belangrijker gevechten en demonstraties en een kleine stoot zal spoedig voldoende zijn om de lawine aan het rollen te brengen. Dan zal ongetwijfeld door het land de strijdkreet schallen: ‘Oorlog aan de paleizen, vrede aan de hutten!’ — dan zal het echter voor de rijken te laat zijn om zich nog in acht te kunnen nemen.”

De Maesschalck maakt een kunstmatig onderscheid tussen de ‘beschrijvende’ Engels en de ‘filosofische’ Marx. Nochtans gaan beide hand in hand. Bovendien zijn zowel de filosofische benadering als de analyses van de werkelijkheid gericht op maatschappijverandering. “De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt erop aan haar te veranderen,” schreef Marx in zijn Stellingen over Feuerbach.

Om tot verandering te komen, vertrekt het marxisme van de werkelijkheid. In ‘De Duitse Ideologie’ (1845) beschrijft Marx de materialistische benadering: “Geheel in tegenstelling tot de Duitse filosofie, die vanuit de hemel op de aarde neerdaalt, wordt hier van de aarde naar de hemel opgestegen. Dat wil zeggen, wij gaan niet uit van wat de mensen beweren, zich inbeelden, zich voorstellen, evenmin van de beweerde, gedachte, ingebeelde of voorgestelde mens, om vandaar uit bij de mensen van vlees en bloed uit te komen. Wij gaan uit van de werkelijke, werkzame mensen, en vanuit hun werkelijke levensproces wordt ook het ontstaan van de ideologische reflexen en echo’s van dit levensproces beschreven. Ook de schaduwbeelden in het brein van de mens zijn noodzakelijke sublimaten van hun materieel, empirisch constateerbaar en aan materiele voorwaarden gebonden levensproces. Daarmee behouden moraal, godsdienst, metafysica en alle overige ideologie en de daaraan beantwoordende bewustzijnsvormen niet langer de schijn van zelfstandigheid. Zij hebben geen geschiedenis, zij hebben geen ontwikkeling, maar de mensen die hun materiële productie en hun materieel verkeer ontwikkelen, veranderen mét hun werkelijkheid ook hun denken en de producten van hun denken. Niet het bewustzijn bepaalt het leven, maar het leven bepaalt het bewustzijn.”

Het doel daarbij is een klasseloze samenleving waarin “niemand één exclusieve sfeer van werkzaamheid heeft, maar iedereen zich in welke richting hij maar wil kan bekwamen, de maatschappij de algemene productie regelt en mij juist daardoor de mogelijkheid geeft, vandaag dit en morgen dat te doen, ‘s ochtends te jagen, ‘s middags te vissen, ‘s avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen, al naar gelang ik verkies, zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden. Deze verstarring van de sociale activiteit, deze consolidering van ons eigen product tot een objectieve macht over ons, die onze controle ontgroeit, onze verwachtingen doorkruist, onze berekeningen teniet doet, is een van de belangrijkste momenten in de historische ontwikkeling tot dusver.” (Duitse Ideologie)

De Maesschalck gaat de mist in als hij beweert dat dit toekomstperspectief van vrede, rust en vrije tijd “ten dele slechts gerealiseerd werd in onze huidige kapitalistische, maar gecorrigeerde consumptiemaatschappij.”  Op een ogenblik dat er terug oorlog in Europa is en de werkdruk voor velen zo onhoudbaar is dat er een vloedgolf van burn-outs is, komt die opmerking in het boek als een tang op een varken. Zo bevat het boek nog wel enkele opmerkingen van de auteur die duidelijk maken dat hij zeker geen marxist is. De lezer die interesse in het marxisme vertoont, kan  er zich als criticus ongetwijfeld boven zetten.

Interessant aan de Brusselse periode van Marx – en ook van Engels, zelfs indien hij er slechts korter woonde – is dat het marxisme daar stilaan een politieke stroming werd die zich onderscheidde van andere strekkingen die zich op het communisme beriepen. Waar vandaag de term ‘communisme’ omwille van de rampzalige ervaring met het stalinisme vooral doet denken aan grijze bureaucraten, lange wachtrijen en goelags, was in het midden van de 19de eeuw de utopische invulling dominant onder de communisten. In Brussel rekende Marx niet enkel op persoonlijk vlak af met zijn eigen verleden, ook politiek was er een afrekening met utopische en idealistische stromingen. “Onwetendheid heeft nog nooit iemand geholpen,” wierp hij de utopische communist Weitling voor de voeten. Met Weitling had Marx nochtans veel geduld, de kleermaker genoot respect als arbeidersleider. Tegenover kleinburgerlijke figuren zoals Proudhon werd veel sneller de hakmolen van de historisch-materialistische kritiek bovengehaald. Het boek ‘Armoede van de filosofie’ wordt door De Maesschalck voorgesteld als een “dik boek” dat bestemd was voor een “intellectuele bovenlaag”, maar we zouden het 200 pagina’s tellende boek gerust breder durven aanraden als inleiding op de politieke economie.

In Brussel werd de basis gelegd voor de organisatie van communisten in een revolutionaire partij. De opkomst van de georganiseerde arbeidersbeweging, niet in het minst de Chartisten-beweging in Groot-Brittannië, was de tijd hiervoor rijp. Na verschillende initiatieven rond kranten en verenigingen die elk hun nut hadden, werd de Bond der Communisten opgezet. Die bond omvatte afdelingen van minstens drie en maximaal 20 leden, kringen die de lokale afdelingen (‘gemeenten’) overkoepelden en zelf regionaal of nationaal overkoepeld werden. Internationaal was er een centraal comité en het hoogste orgaan was het congres, waarop minstens één afgevaardigde per afdeling aanwezig kon zijn. Om de bond een politiek fundament te geven, begon Engels te schrijven aan een ‘communistische geloofsbelijdenis’ in catechismus-stijl. Engels was er niet tevreden over en schoof het werk door naar Marx met de vraag om er een manifest van te maken. Dat is hoe het bekende ‘Communistisch Manifest’ tot stand kwam.

Het Manifest is een resultaat van de ontwikkeling van de inzichten van Marx en Engels die verder aangescherpt werden in de politieke strijd met utopische en sektarische strekkingen binnen het communisme. Het Manifest is bovendien een oproep tot actie en organisatie, het uitdrukkelijke doel was om de Bond der Communisten hiermee te wapenen. Ook hier gaat De Maesschalck uit de bocht als hij opmerkt dat de tegenstelling tussen burgerij en arbeidersklasse in het Westen nooit op de spits gedreven is en niet heeft geleid tot de revolutie die Marx voorspelde… Als een revolutie of een revolutionair potentieel niet tot een breuk met het kapitalisme leidt, heeft de burgerlijke historicus het blijkbaar niet opgemerkt.

Het is nuttig om te wijzen op de actieve betrokkenheid van Marx en Engels bij revolutionaire organisaties. Al te vaak beweren tegenstanders vandaag dat Marx een interessante filosoof was, maar dat het fout ging zodra er pogingen waren om dit in de praktijk om te zetten. Daarbij worden revolutionairen als Lenin en Trotski gemakshalve over dezelfde kam geschoren als het dictatoriale bureaucratische regime van Stalin en de stalinisten na hem. De discussie over waar het fout liep, zullen we hier niet voeren. Maar de poging om Marx te beperken tot een filosoof moet worden rechtgezet. Marx was een revolutionair en als dusdanig actief. Hij aarzelde ook niet om in te gaan op tactische kwesties voor revolutionairen. Zo schreef hij aan de Duitse communisten dat het opzetten van een petitie slechts zin had “indien zij meteen een dreigement vormt waarachter een compacte en georganiseerde massa staat.” 

Naar het einde van het boek brengt De Maesschalck het verhaal van de Franse revolutie van 1848 en vooral van de impact ervan op België met daarbij heel wat aandacht voor de radicale kringen waarin Marx vertoefde. De methode van massameetings, ook al kenmerkend voor het Chartisme, kende een opgang. De revolutiedreiging in 1848 maakte een einde aan het verblijf van Marx in België. De liberale grondwet en de politieke vrijheden waarmee België voorop liep in Europa waren slechts van toepassing voor zover het bewind van de burgerij niet betwist werd. De arrestatie van Karl en Jenny Marx werd het voorwerp van een parlementair debat. De liberale minister Charles Rogier zei in het parlement over Marx: “De vreemdelingen die wanorde en oproer komen aanstoken, die het land willen meeslepen buiten de limiet die het zichzelf gesteld heeft, die vreemdelingen zullen we verder met gestrengheid blijven behandelen.” Zo toonde Charles Rogier de limieten van de liberale democratie en gaf hij een antwoord op diegenen die Marx 150 jaar later zouden afdoen als louter een filosoof en niet als een revolutionair die actief voor maatschappijverandering opkwam.

Het boek ‘Marx in Brussel’ biedt een kennismaking met Marx en de context waarin hij als twintiger onder meer het ‘Communistisch Manifest’ schreef en de basis legde voor het wetenschappelijk socialisme. Het nut van dit boek is dat het lezers warm kan maken om effectief Marx te lezen.

Dit vind je misschien ook leuk...