Over de kwestie van het overgangsprogramma en onze eisen met betrekking tot nationalisatie

Archieftekst uit 2009.

nationalisatieDe kapitalistische wereldcrisis is een bevestiging van de correctheid van het marxisme en plaats marxisten tegelijkertijd voor nieuwe uitdagingen. De dramatische veranderingen die zich voordoen op maatschappelijk vlak zullen het bewustzijn van de massa’s en de verhouding tussen de klassen beïnvloeden. Dit betekent dat de voorstelling en het formuleren van een socialistisch programma via agitatie en propaganda nieuwe vragen opwerpt.

Wanneer de wereld een nieuw tijdperk ingaat – en dat vindt vandaag voor onze eigen ogen plaats – is de grootste vijand van een revolutionaire beweging de routine, de traagheid, het starre vasthouden aan oude formules. Grote veranderingen moeten in een marxistische organisatie als gevolg hebben dat de methode van werken en haar programma in vraag gesteld wordt en aangepast wordt aan de nieuwe uitdagingen. Daarom vindt er in de SAV sinds enige tijd een debat plaats over de vraag hoe de kwestie van socialisme op een verstaanbare manier ingang kan vinden in de arbeidersklasse en de klassenstrijd. Welke slogans en eisen stellen we op en hoe worden deze opgenomen? Deze discussies vormen niet de uitdrukking van politieke meningsverschillen, ook wanneer de discussie levendig en soms zelfs controversieel gevoerd wordt. Het is een essentieel onderdeel van het leven binnen en de verdere ontwikkeling van een marxistische organisatie en haar programma. Deze debatten moeten, zeker in periodes van grote veranderingen, een permanent onderdeel vormen van het leven en de activiteit van een revolutionair-marxistische organisatie.

Wanneer we spreken over een verdere ontwikkeling van een marxistisch programma, dan bedoelen we daarmee niet de basis van het marxistisch programma. Dat kan men in één woord samenvatten: socialisme. De crisis van het kapitalisme en alle daarmee oorzakelijk samenhangende problemen van massawerkloosheid over milieuvervuiling tot en met oorlog zijn binnen de context van het kapitalisme niet op te lossen. Op basis van het privébezit van productiemiddelen, marktwerking en productie om winstmaximalisatie, is er geen harmonische ontwikkeling van de samenleving mogelijk op internationaal vlak en kunnen de groeiende klassentegenstellingen niet overwonnen worden. Socialisme is een noodzakelijkheid geworden, zoals Rosa Luxemburg het reeds op het begin van de 20e eeuw formuleerde.

Toch bestaat een marxistisch programma uit meer dan enkel socialisme. Het bestaat uit een reeks eisen, strijdpunten, strategie en tactiek, die samen een weg naar het socialisme tonen – en op een manier worden geformuleerd zodat ze onder de arbeidersklasse en jongeren steun kan vinden en op deze basis een materiële kracht kan worden. Een marxistisch programma is daarom onlosmakelijk verbonden met de methode op basis waarvan het wordt opgesteld.

Deze methode noemen we de “overgangsmethode” en we stellen een “overgangsprogramma” op. Met overgangsprogramma bedoelen met niet een tekst – ook niet het onder deze naam bekende oprichtingsdocument van de Vierde Internationale in 1938. De methode, die in de document wordt toegepast en daarin door Trotski wordt uitgelegd, werd in de revolutionair-marxistische beweging reeds voor Trotski ontwikkeld en toegepast. Trotski’s verdienste bestond uit de ontwikkeling van een omvattende formulering van het concept van de overgangseisen.

Reeds in het Communistisch Manifest vinden we op het einde van het tweede deel een reeks van eisen die de taken van de arbeidersklasse na de politieke machtsovername beschrijft. Deze eisen worden vaak als voorbeelden van overgangseisen gegeven, ook wanneer deze eerder de taken na de machtsovername beschrijven en niet de taken bij de overgang naar deze machtsovername.

Lenin’s tekst “De dreigende catastrofe en hoe die te bestrijden” uit het revolutiejaar 1917 is een ander document dat het karakter van een overgangsprogramma heeft. Vooral op het derde en vierde wereldcongres van de Communistische Internationale (Komintern) vonden er intensieve debatten plaats over het programma. Die mondden uit in de vraag aan alle afdelingen om nationale programma’s op te stellen waarin overgangseisen een centrale rol moesten spelen.

Het Komintern-debat

Een overgangsprogramma is niet hetzelfde als een programma voor socialisme, in die zin dat het niet de aan de grondslag liggende principes van het marxisme en een socialistische samenleving naar voor brengt.

Een overgangsprogramma formuleert de taken die naar de machtsovername van de arbeiderklasse leiden. Het erkent de tegenstelling tussen enerzijds de rijpheid van de objectieve voorwaarden voor het socialisme en anderzijds de onrijpheid van de arbeidersklasse.

Na de verloren revoluties in Duitsland, Hongarije en Italië net na WOI discussieerde de Komintern over de noodzaak om de massa’s eerst voor de Communistische Partij te winnen vooraleer men de macht zou kunnen veroveren. Deze discussie leidde tot de discussie over de eenheidsfrontmethode en de overgangseisen.

Algemeen gesproken maken overgangseisen de brug tussen het bewustzijn van de arbeidersklasse en het doel van de machtsovername bij de ineenstorting van het kapitalisme. Het uitgangspunt bij het opstellen van een eis is daarbij niet het bewustzijn van de arbeidersklasse, maar de objectieve noodzakelijkheid van het socialisme en de objectieve materiële mogelijkheden. Het moet dus altijd duidelijk zijn in welke richting de overgang ons brengt. Het betekent dat het socialisme niet mag worden weggemoffeld omdat er geen massaal socialistisch bewustzijn aanwezig is. De vraag die zich in deze situatie stelt, is hoe de brug gebouwd wordt tussen het socialisme en het bestaand bewustzijn. Het overgangsprogramma heft de scheiding tussen minimum- en maximumprogramma, zoals het door de oude sociaaldemocratie voor WOI werd beoefend, op.

Natuurlijk vonden deze discussies in de Komintern en de Vierde Internationale in andere historische periodes, tijdens revolutionaire of pre-revolutionaire situaties, plaats.

Trotski schreef in 1938 de beroemde zin: “De historische crisis van de mensheid is terug te brengen tot de crisis van haar revolutionaire leiding”. Het Comittee for a Workers International (CWI) heeft de afgelopen 20 jaar gesteld dat deze crisis in de huidige periode een veel omvattender en diepere betekenis heeft gekregen. Zowel de leiding, alsook het bewustzijn en de organisatie van de arbeidersklasse zijn door deze crisis geraakt. Op basis daarvan hebben wij de “dubbele taak” van marxisten als conclusie ontwikkeld. Enerzijds de opbouw van de revolutionair-marxistische organisatie, anderzijds de verbreding van een socialistisch bewustzijn en de opbouw van brede organisaties van de arbeidersklasse, zoals nieuwe arbeiderspartijen in vele landen.

Minimumeisen

We moeten uiteraard opmerken dat het overgangsprogramma niet als doel heeft om de eisen van het minimumprogramma, de directe eisen, overboord te gooien. Het gaat er ook niet om een discussie te voeren over het karakter van één specifieke eis. Om van een eis een echte overgangseis te maken, moeten we kijken naar het geheel van het eisenprogramma.

Dit wordt ook duidelijk met volgend citaat. Een resolutie van het derde wereldcongres van de Komintern stelt: “Niet het overlevings- en concurrentievermogen van de kapitalistische industrie, noch de draagkracht van de kapitalistische financiële sector moet door de communistische partijen in overweging worden genomen, maar wel de grenzen aan de noden die de arbeidersklasse niet dragen kan en mag. Wanneer de eisen voortvloeien uit de levendige behoeften van de brede arbeidersklasse, wanneer de massa’s van het gevoel vervuld zijn dat ze zonder de realisatie van deze eisen niet verder kunnen leven dan verwordt de strijd om deze eisen het startpunt voor de strijd om de macht. In de plaats van het minimumprogramma van de reformisten en centristen beklemtoont de Communistische Internationale de strijd voor de concrete behoeften van het proletariaat, via een systeem van eisen, die in hun totaliteit de macht van de burgerij teniet doen, het proletariaat organiseert en de etappes in de strijd om de dictatuur van het proletariaat vormen en waarvan elk in het bijzonder uitdrukking geeft aan een behoefte van de brede massa’s, zelfs als deze massa’s zich nog niet bewust op de positie van de dictatuur van het proletariaat stellen.”

In het “Overgangsprogramma” van 1938 schrijft Trotski: “De IVe Internationale verwerpt de eisen van het oude minimumprogramma niet als ze enige levenskracht hebben behouden. Zij verdedigt onvermoeibaar de democratische rechten en sociale verworvenheden van de arbeiders. Zij doet dit werk van elke dag echter in een juist, reëel, t.t.z. een revolutionair perspectief. In de mate dat de oude minimale deeleisen van de massa’s botsen met de destructieve en degraderende tendens van het decadente kapitalisme – en dat gebeurt elke keer – schuift de IVe Internationale een systeem van overgangseisen naar voor, die als bedoeling hebben zich meer en meer openlijk en resoluut tegenover de eigenlijke basis van het burgerlijke systeem. Het oude minimumprogramma wordt telkens weer voorbijgestreefd door het overgangsprogramma, waarvan de taak erin bestaat de massa’s systematisch te mobiliseren voor de proletarische revolutie.”

Vandaag geldt ook dat deeleisen enkel op basis van massamobilisaties mogelijk zijn en snel de systeemvraag en de kwestie van de macht kunnen opwerpen. Dit niet omdat de materiële mogelijkheden ontbreken voor hun invoering, maar omdat de kapitalisten het invoeren van deze eisen weigeren vanuit hun winstlogica. Marx schreef dat de minimumeisen van de sociaaldemocratie “in de kapitalistische samenleving realiseerbaar waren en daarom revolutionair werkten omdat de kapitalistische samenleving deze realiseerbare, voor de arbeidersklasse noodzakelijke eisen, elke keer opnieuw weigerde.”

Overgangseisen

Wat zijn overgangseisen? De ondertitel van het “Overgangsprogramma” luidt: “de mobilisatie van de massa’s door overgangseisen ter voorbereiding van de machtsverovering”. De belangrijkste begrippen in deze zin zijn: mobilisering en machtsverovering.

Overgangseisen zijn niet enkel of in eerste instantie materiële eisen, waarvan de realisatie enkel mogelijk is na de afschaffing van het kapitalisme. Dit is zeker een belangrijk element en het geldt voor eisen zoals de glijdende loonschaal, een radicale arbeidsduurverkorting, een minimumloon en minimumrente.

Ook fundamenteel zijn eisen die de eigendomsvraag stellen, zoals de eis om onteigening van bepaalde ondernemingen (bijvoorbeeld deze die massa-ontslagen plannen), het terugdraaien van privatiseringen en het overdragen van banken en grote bedrijven aan publieke eigendom. We zullen deze eisen natuurlijk telkens als noodzakelijke instrumenten ter verdediging van jobs, diensten enzovoort voorstellen.

Maar voor overgangseisen en voor een overgangsprogramma is het mobiliserend karakter van de eisen beslissend. Dit betekent ook dat eisen de vragen over de klassenstrijd, de strijdorganen, de zelfstandige activiteit en zelforganisatie van de arbeidersklasse moeten beantwoorden. Het betekent ook dat materiële eisen in zo’n samenhang opgesteld moeten worden en de manier om de eis ook om te zetten niet uit het oog mag worden verloren. Een overgangsprogramma dient daartoe dat de arbeidersklasse een klassenbewustzijn ontwikkelt, van een “klasse op zich” naar een “klasse voor zich” wordt, dus een historisch subject wordt.

Het betekent ook dat eisen niet op een passieve manier aan derden worden gericht. Noch aan de burgerlijke staat noch aan de vakbondsleiding. Dit betekent natuurlijk niet dat er geen eisen in deze richting gesteld kunnen worden.

De titels in het eerste hoofdstuk van de oprichtingsprogramma van de IVe Internationale luidden:
Glijdende loonschaal en glijdende uurschaal
Vakbonden
Fabriekscomités
Arbeiderscontrole
Onteigening
Stakingsposten, arbeidersmilities, etc.

Deze titels drukken de oriëntatie uit op de creatie van strijdorganen en machtscentra voor de arbeidersklasse. Het doel is dat de arbeidersklasse haar lot in eigen handen neemt.

Maar ook deze eisen moeten bij het bewustzijn van de arbeidersklasse en de fase van de arbeidersstrijd aansluiting vinden. De houding en omgang van marxisten tegenover de vragen van de vakbonden en fabriekscomité zijn in de loop der jaren bijvoorbeeld gewijzigd.

Lenin en Trotski waren ervan uitgegaan dat de vakbonden niet in staat zouden zijn om de meerderheid van de arbeidersklasse te organiseren. Fabriekscomités zouden aldus in tijden van verscherpte klassenstrijd daartoe dienen om de breedste lagen van de arbeidersklasse mee te organiseren. Na WOII slaagden reformistische vakbonden erin om de organisatiegraad in enkele landen tot boven de 50%, in sommige gevallen zelfs tot boven de 80% te brengen. Daardoor werd de eis voor fabriekscomité deels opgeheven. Peter Taaffe schrijft, in een tekst midden de jaren ’90 over het overgangsprogramma, dat in Groot-Brittannië de Shop Stewards Committees (syndicale delegaties) in de praktijk de functie van fabriekscomités hebben overgenomen. Vandaag stelt zich de kwestie opnieuw tegen de achtergrond van veranderingen binnen de arbeidersklasse, verzwakte vakbonden in vele landen en de ontwikkeling van nieuwe industrieën en bedrijven met een lage organisatiegraad. We hebben de laatste maanden meermaals de vraag om onafhankelijke stakerscomités naar voor geschoven. Deze eis is zeker niet bij elke staking en op elk tijdstip passend, maar fundamenteel moeten we een manier vinden om slogans naar voor te schuiven die de arbeiders helpen de controle te verkrijgen over hun eigen strijd. Tegelijkertijd moeten we daar de cruciale eisen voor democratische en strijdbare vakbonden aan toevoegen.

Ook onze eis voor een nieuwe arbeiderspartij is een centraal onderdeel van ons programma in veel landen. In 1938 gold dit voor de VS, maar voor de rest in slechts weinig landen vanwege het bestaan van grote sociaaldemocratische en communistische arbeiderspartijen.

De eis voor arbeidersmilities, die door sommige ultra-linkse groepen bij elke gelegenheid opgeworpen wordt, correspondeert niet met het bewustzijn van de arbeidersklasse noch met huidige fase van klassenstrijd. En niet enkel dit: onder de huidige condities is deze eis zelfs een hindernis om arbeiders de brug te laten nemen in de richting van socialisme. We kunnen daarover enkel zeggen: elke groente kent zijn seizoen. De kwestie van arbeidersmilities stelt zich vandaag in het revolutionair proces in Venezuela en daar stellen onze kameraden slogans in die zin op. In de ontwikkelde kapitalistische staten is dit niet het geval. We leggen dit idee echter wel uit in historische artikels en teksten, die bijvoorbeeld ons programma inzake Venezuela uitleggen. Daarmee maken we duidelijk dat we in essentie met de idee van arbeidersmilities akkoord gaan.

Wanneer we willen uittesten of een programma een overgangskarakter heeft, is het cruciaal dat het eerst en vooral een verbinding maakt met de actuele strijd en het bestaand bewustzijn. Ten tweede moet het de eigendomsvraag stellen en ten derde de mobilisatie, de strijd en de ontwikkeling van het klassenbewustzijn ten goede komen. Onze brochure “Wie we zijn en wat we willen” [een brochure van onze Duitse zusterorganisatie vergelijkbaar met onze brochure “LSP: een partij om de maatschappij te veranderen”] bevat veel concrete eisen maar voldoet zeker ook aan de voorwaarden van een overgangsprogramma. Het leidt consequent tot de slotconclusie van de eigendoms- en machtsverhouding en de zelforganisatie van de arbeidersklasse.

Maar we kunnen onze methode om de materiële eisen te verbinden met de kwestie van de arbeidersmacht zeker nog verbeteren. Dit geldt zeker voor de belangrijke kwestie van arbeiderscontrole.

Bij de eis van arbeidsduurverkorting met behoud van loon en bijkomende aanwervingen stelt de vraag zich wie beslist over deze bijkomende aanwervingen en hoe bijgevolg een opdrijven van het arbeidsritme kan worden verhinderd. Daarvoor kunnen we het opzetten van controlecomités verkozen door het personeel naar voor schuiven, comités die vetorecht hebben met betrekking tot de vragen over de jobomschrijvingen.

Een ander voorbeeld is de strijd in bedrijven, zoals bij Bosch-Siemans-Hausgerätewerk (BSH) in Berlijn in 2006. In deze strijd hebben we de bezetting van het bedrijf voorgesteld. Het kan in zo’n strijd zinvol zijn om de voortzetting van de productie onder eigen beheer van het personeel aan te brengen. Maar deze moet dan wel in verbinding staan met de eis voor de nationalisatie van het bedrijf, respectievelijk de hele firma en ook met de nood aan een geplande economie om illusies te verhinderen in coöperatieve oplossingen.

Nationalisatie onder arbeiderscontrole- en beheer

In het kader van de nieuwe wereldsituatie stelt zich ook de vraag hoe we onze eisen inzake nationalisatie van de productiemiddelen en voor arbeiderscontrole- en beheer naar voor brengen. Vooraleer we over de voorstelling van ons programma spreken, is het noodzakelijk te stellen dat de inhoud van ons programma duidelijk is. Vandaag is er onder linksen veel discussie en onduidelijkheid over deze eis. Zo zijn er linksen, die vanuit een abstracte oppositie tegen “openbaar/staats” in het algemeen, tegen nationalisatie zijn. Die spreken dan eerder van vermaatschappelijking, coöperatie of gemeenschapsbezit. Sommigen geven daarmee uitdrukking van het feit dat ze slechts na de overwinning op het kapitalisme de eigendomsvraag van de productiemiddelen willen stellen, anderen spreken zich bewust uit voor gemengde eigendomsvormen.

Marxisten zijn voor de nationalisatie van de productiemiddelen. Ook hier en nu, dus binnen het kader van de nog bestaande kapitalistische samenleving. En ook na een succesvolle socialistische revolutie in de dan op te bouwen arbeidersstaat. Omdat enkel een staat – ten minste zolang de staatstructuren nog niet volledig zijn afgebouwd – in staat is de belangen van de volledige gemeenschap in de economie in rekening te brengen, de nodige financiële balans tussen verschillend economische sectoren te organiseren, investeringen zinvol te plannen, de marktregels uit te schakelen en de verdeling van de geproduceerde goederen te zorgen. De vroegere openbare Post was, met alle beperkingen, een voorbeeld voor de mogelijkheden van een staat. Verlieslatende delen van de Post werden met middelen van rendabeler onderdelen gefinancierd om de dienstverlening voor de massa’s betaalbaar te houden.

Er bestaat tegelijkertijd ook een probleem met het begrip “nationalisatie” omdat het bij delen van de arbeidersklasse negatieve connotaties oproept met zowel de stalinistisch-bureaucratische nationalisaties in o.a. de DDR, alsook met de bureaucratisch kapitalistische, en dus winstgeoriënteerde, nationalisaties in het Westen. Deze confrontatie kunnen we niet uit de weg gaan, we kunnen enkel proberen een manier te vinden om de inhoud van onze eis te benadrukken en deze in het middelpunt van het debat te plaatsen. Dit hebben we in het verleden gedaan door andere begrippen te gebruiken met als doel in dialoog te kunnen gaan met de arbeidersklasse: zo hadden we het over “overgaan in publieke eigendom” en in “gemeenschapshanden“. Of we gebruikten slogans zoals: “Opel in handen van de arbeiders” of we spraken over onteigening. Het is absoluut belangrijk om in zo’n kwesties flexibel te zijn en het kan correct zijn begrippen te gebruiken die interpreteerbaar zijn. Maar we moeten deze altijd met onze inhoud invullen. Het begrip “gemeenschapseigendom” kan ook coöperatieve eigendom betekenen. Onteigening benoemt slechts dat men de huidige eigenaar wil ontdoen van zijn eigendom, maar het zegt op zich niets over de nieuwe eigendomsvorm. Het begrip “vermaatschappelijking” daarentegen is theoretisch gezien als overgangseis verkeerd omdat het de indruk kan scheppen dat er in de huidige situatie een samenleving mogelijk is die niet op basis van een staat functioneert. We gebruiken deze term beter niet omdat het geen klaarheid met zich meebrengt. Dit betekent echter niet dat we tegen het gebruik van dit begrip zouden argumenteren wanneer het in een vergadering van arbeiders zou worden gebruikt. We zouden een manier zoeken om er een correcte marxistische inhoud aan te geven.

Beperkingen door kapitalisme en stalinisme

Het is belangrijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen onze eis voor nationalisatie enerzijds en anderzijds de stalinistische versie evenals de toenemende vormen van kapitalistische nationalisaties. Daartoe is de toevoeging van “democratische arbeiderscontrole en -beheer” van cruciaal belang. Deze termen moeten ook flexibel in verschillende concrete situaties naar voor worden gebracht. Onze formuleringen worden ook mede bepaald of we een speech houden bij arbeiders van een met sluiting bedreigd bedrijf of we bijvoorbeeld een pamflet verspreiden aan een congres van Die Linke om programmavoorstellen te becommentariëren. Het kan soms noodzakelijk zijn om kortere en meer toegespitste formuleringen te gebruiken. Bijvoorbeeld: “nationalisaties in het belang van de arbeiders” of “nationalisaties, niet om hun winst te redden, maar om jobs te redden”. In onze algemene propaganda kan het gebruik “socialistische nationalisaties, geen kapitalistische” zinvol zijn. Dit geldt niet zeker niet in een agitatorische speech aan de poort van de scheepswerf in Rostock (Oost-Duitsland). Het kan echter wel tot klaarheid leiden in een speech op een regionaal congres van Die Linke. Tegelijkertijd moeten we duidelijk maken dat we er tegen zijn om nationalisaties enkel als tijdelijke maatregel te gebruiken en we er tegen zijn om enkel verlieslatende bedrijven of economische sectoren te nationaliseren.

Ook de kwestie van de schadeloosstelling moeten we concretiseren. In het verleden hebben we de eis aldus geformuleerd: “slechts schadeloosstelling bij bewezen noden”. Dit was eerder een retorische formulering omdat de kapitalisten en grote aandeelhouders niet echt behoeftig waren. Gezien het feit dat je een groter aandelenbezit onder arbeiders hebt, moeten we vandaag eisen dat de schadeloosstelling enkel voor kleine aandeelhouders wordt voorzien tot een nog vast te leggen bedrag.

De eis van nationalisatie onder arbeiderscontrole en beheer is een overgangseis. Dit betekent dat we deze niet enkel binnen het kader van een arbeiderstaat of een socialistische samenleving plaatsen. We stellen het ook voor in concrete situaties waar we hier en nu de nationalisatie van bepaalde bedrijven of sectoren eisen. Met de huidige crisis zullen er situaties ontstaan waar de nationalisatie van een bepaald bedrijf de centrale eis wordt van een bepaalde strijd. Tegelijkertijd is het niet uitgesloten dat de kapitalistische staat zich gedwongen ziet te nationaliseren. In zo’n gevallen moeten wij concreet antwoorden hoe wij de kwestie van controle en beheer van zo’n genationaliseerd bedrijf zien.

Wanneer het om de algemene propagandistische eis van de nationalisatie van de 150 grootste banken en bedrijven gaat, is het voldoende de algemene formulering van arbeiderscontrole en -beheer te gebruiken. In onze brochure “wie we zijn en wat we willen” schrijven we “door verkozen vertegenwoordigers van het personeel en vertegenwoordigers van de arbeidersklasse”. De eis van nationalisatie verwijst direct naar de noodzakelijkheid van socialistische verandering van de samenleving, werpt de vraag op van de planning van de economie, reconversie van de economie in sommige sectoren, etc. Maar wat zeggen wij tegen de strijdende Opel-arbeiders wanneer we hen voorstellen om hier en nu – zonder dat de socialistische revolutie in zicht is – voor de nationalisatie van hun bedrijf te strijden. Er zijn linksen, zoals destijds bijvoorbeeld Ernest Mandel, die elke deelname aan het beheer van genationaliseerde bedrijven in het kader van het kapitalisme weigerden. Ze gingen ervan uit dat dit bij de arbeidersvertegenwoordigers in de beheersorganen enkel maar kon leiden tot het overnemen van de winstlogica en vormen van medebeheer waren zoals we deze in Duitsland vandaag kennen. Mandel beargumenteerde dat de arbeiders zich in het kader van het kapitalisme van arbeidersbeheer moeten onthouden.

Wij stellen dat zo’n negatieve houding in een concrete situatie in de strijd om de nationalisatie of in het geval van de nationalisatie moeilijk te verantwoorden is en dat men daardoor juist in de richting van reformistische modellen van medebeheer gedreven wordt.

Zoals in de teksten van deze brochure wordt uitgelegd bestaat er geen Chinese Muur tussen kwesties van democratische controle en beheer. De algemeen geldende stelling dat arbeiderscontrole een fase in de klassenstrijd binnen het kader van het kapitalisme vertegenwoordigt, terwijl arbeidersbeheer enkel na de machtsovername van de arbeidersklasse mogelijk is, kan niet op een statische manier worden toegepast. Er kunnen situaties ontstaan (en die hebben bestaan) waar de strijd voor arbeidersbeheer in genationaliseerde bedrijven binnen het kader van het kapitalisme gevoerd wordt en zelfs met succes. Deze kwestie stelt zich zonder twijfel vandaag in enkele van de genationaliseerde bedrijven in Venezuela, heeft zich in het verleden in Groot-Brittannië na WOII gesteld en in Mexico in de jaren ’30. Daarover gaan de teksten in deze brochure. In zulke situaties kunnen revolutionairen niet de noodzaak van het opzetten van arbeidersraden als organen van de arbeidersmacht en beheer opwerpen, wanneer de fase van de klassenstrijd daar niet aan beantwoordt. Trotski heeft er naar aanleiding van de Mexicaanse ervaringen op gewezen dat het dan de taak van arbeidersorganisaties is om de posities binnen de beheerraden te gebruiken als platform voor revolutionaire propaganda en elke vorm van klassencollaboratie te weigeren. Deze benadering maakt duidelijk dat deze vraag nauw samenhangt met de strijd voor de onafhankelijkheid en de democratisering van arbeidersorganisaties en de strijd voor de opbouw van een revolutionaire partij.

Ten laatste geldt vandaag vooral dat de strijd voor arbeiderscontrole onlosmakelijk samenhangt en aanvangt met controle over de eigen organisaties en strijd. Deze is vandaag een bepalende slogan in onze politiek. Ze start bij de strijd om de democratisering van de vakbonden, gaat over het opbouwen van stakings- en bezetterscomités en leidt tot de vraag van arbeiderscontrole over de productie in bijvoorbeeld bezette bedrijven.

Drievoudige pariteit

Op basis van deze overwegingen hebben wij in het verleden de eis om het beheer van genationaliseerde bedrijven omschreven in de formule van één derde vertegenwoordigers van het personeel, één derde van de brede vakbondsbeweging en één derde van de regering. Deze formule garandeerde dat er een meerderheid aan arbeiders was in de beheersorganen en dat tegelijkertijd door de vertegenwoordigers van de brede vakbondsbeweging de belangen van de werknemers in de volledige sector en zelfs de volledige arbeidersklasse vertegenwoordigd waren. Via de staat werd dan de volledige samenleving vertegenwoordigd.

Deze formule hebben we in de jaren ’90 niet meer naar voor gebracht omdat de kwestie van nationalisatie zich bijna nooit concreet stelde en daardoor eerder een propagandistische eis werd. Daarbij kwam nog dat op basis van de verrechtsing van de vakbondsleiding er twijfel bestaat of er in zo’n model een werkelijke meerderheid de belangen van de arbeidersklasse zou verdedigen. Ook wat betreft de vertegenwoordiging van de staat was het vroeger, wanneer de sociaal-democratie nog een arbeiderspartij met burgerlijke leiding was, makkelijker om zich in te beelden dat ook arbeidersbelangen via een vertegenwoordiging van zo’n regering zou kunnen worden doorgezet. Deze beperkingen moeten we in rekening brengen wanneer we vandaag concrete eisen opstellen inzake het beheer van genationaliseerde bedrijven, maar de uitgangspunten blijven dezelfde. Daarbij kan het concrete antwoord van onderneming tot onderneming verschillen: een fietsenfabriek is iets anders dan de Deutsche Bank en een brouwerij iets anders dan Opel.

Principieel moeten we het voorstel van een paritaire beheer behouden,waarbij de arbeiders van het bedrijf, de sector, de regering en ook vertegenwoordigers van andere betrokken bevolkingsgroepen een rol spelen. Het feit dat arbeidersvertegenwoordigers een meerderheid uitmaken blijft centraal staan. Het probleem van het gerechtvaardigde wantrouwen in van bovenaf opgelegde vakbondsvertegenwoordigers kunnen we oplossen. Daarvoor moeten we expliciet eisen dat vakbondsvertegenwoordigers democratisch van onderuit verkozen worden, eventueel met de noodzakelijke goedkeuring van de ook democratisch verkozen vertegenwoordigers van het personeel. Dit betekent dat de vraag naar democratische en strijdbare vakbonden wordt gesteld. Formeel kunnen zo’n verkiezingen plaatsvinden op speciaal bijeengeroepen congressen van afgevaardigden. De afgevaardigden voor zulke congressen moeten verkozen worden op algemene vergaderingen in de bedrijven, permanent afzetbaar zijn en niet meer dan hun normale loon verder ontvangen.

Regeringsvertegenwoordigers moeten ook vertegenwoordigd zijn, omdat de staat als eigenaar haar plichten moet nakomen. Er moet geld beschikbaar zijn, de afname van de geproduceerde goederen moeten worden gegarandeerd en een voor de samenleving zinvolle verdeling van de middelen moeten worden georganiseerd. En onder de massa van de bevolking zou het niet aanvaard worden – behalve in revolutionaire periodes – indien de verkozen regering geen inspraak zou hebben in de staatsbedrijven.

De te verwachten kritiek van de ultra-linksen, dat we op deze basis de idee van nationalisaties binnen het kader van de kapitalisme verdedigen, bevestigen we graag. Omdat we de strijd voor het behoud van jobs en bedrijven niet uitstellen tot de socialistische revolutie. Tegelijkertijd moeten we uitleggen dat de socialistische omvorming van de samenleving niet gebeurt via een stelselmatige uitbreiding van de genationaliseerde industrie. We zijn echter voorstander van nationalisaties in het kader van het kapitalisme en stellen een vorm voor die tegelijkertijd breekt met dit kapitalistisch kader. Dit is de dynamische methode van het overgangsprogramma.

Deze eis wordt in dialoog met die arbeiders die hierom strijden als uitgangspunt gebruikt voor een discussie over de noodzakelijkheid van een andere regering en een andere staat. Daarbij gaan we flexibel om met de vraag van de drievoudige pariteit en maken we daar geen fetisj van. Bij huisvestingsmaatschappijen moeten huurders vertegenwoordigd zijn, in de chemische en auto-industrie is het zinvol milieuverenigingen te betrekken en bij brouwerijen en de groothandel kunnen vertegenwoordigers van de kleinhandel aanwezig zijn.

 

Print Friendly, PDF & Email