Klimaatonderhandelingen: 25 jaar gebakken lucht

Earth-Summit-199225 jaar al spreken gevestigde politici over de noodzaak om de globale opwarming aan te pakken. De eerste onderhandelingen begonnen in de aanloop naar de Klimaattop van 1992. De meeste politici zijn het vandaag eens dat de menselijke activiteiten aan de basis van de potentieel rampzalige klimaatverandering. Maar er werd niets gedaan om de dreiging af te wenden. Dat komt omdat deze politici met handen en voeten gebonden zijn aan het door winst gedreven kapitalistische systeem. Een dossier door BEN ROBINSON uit Socialism Today.

De VN-conferentie in Parijs is de meest recente in de lijst van onderhandelingen en topbijeenkomsten. Deze bijeenkomsten tonen het failliet van het kapitalisme, een systeem dat er niet in slaagt om een antwoord te bieden op de klimaatramp die het veroorzaakt. Het ritme van de toename van de vervuiling blijft toenemen, de discussies van diplomaten doorheen de wereld lijken niets te veranderen.

Dit is niet het geval omdat regeringen en NGO’s niet weten waar vervuiling vandaag komt. Het is een gevolg van de tegenstellingen waar de klimaatverandering hen mee confronteert. Klimaatverandering is een interne bedreiging die leidt tot veranderingen die nu al merkbaar zijn in de oceanen, stromingen, bossen en woestijnen, weerpatronen, vruchtbaarheid van grond of de poolkappen. Het is een wereldwijde bedreiging die wereldwijde acties vereist.

De individuele landen die aan deze onderhandelingen deelnemen, vertegenwoordigen de belangen van de heersende klassen in deze landen. Veel van deze heersende klassen zijn direct verantwoordelijk voor de uitstoot van broeikasgassen. Zeker de grote vervuilers – de VS, de EU en nadien ook China – nemen aan elke onderhandeling deel om de belangen van de rijke elite te verdedigen.

Er kwamen al heel wat interessante verklaringen van VN-conferenties (ook bekend als COP’s – Conferenties van Partijen ). Maar deze verklaringen en beloften waren doorgaans niet bindend en hadden geen concrete gevolgen. Het volstond niet om iets te doen aan grote vervuilers en hun regeringen.

Rio en de opkomst van het neoliberalisme

In 1992 erkende de VN-conferentie in Rio de nood aan gecoördineerde actie rond klimaatverandering. Er werd ingestemd met de wetenschappelijke consensus dat de wereldwijde temperatuur toeneemt als gevolg van menselijke activiteiten. Dit was vooral door een toename van de koolstofdioxide in de atmosfeer, waardoor een groter aandeel van de hitte van de zon vastzit in de atmosfeer. Dat heeft verregaande gevolgen voor het klimaat, niet alleen op vlak van de stijgende temperatuur. Het bedreigt ook de voedselproductie, een stijgende zeespiegel bedreigt de bevolking in laag gelegen gebieden, er is het gevaar van droogte en er zijn steeds meer extreme weersituaties.

Koolstofdioxide is niet het enige broeikasgas. Methaan is veel krachtiger in het vasthouden van de hitte van de zon. Het komt voort uit landbouwactiviteiten maar ook uit natuurlijke processen. De menselijke activiteit is de belangrijkste bron van uitstoot van koolstofdioxide en het vormt de belangrijkste factor in de door de menselijke activiteit veroorzaakte globale opwarming. Andere broeikasgassen die door menselijke activiteiten vrijkomen, worden doorgaans meegerekend als ‘equivalenten van koolstofdioxide’. De conferentie van Rio legde als eerste de doelstelling vast om de grens van opwarming vast te leggen op 2 graden celsius boven het niveau van voor de industrialisering.

Koolstofdioxide wordt vooral geproduceerd door energieproductie en industriële processen. De significante toename in de concentratie van koolstofdioxide in de atmosfeer is een gevolg van de industriële revolutie. Het werd proportioneel veel sterker met de ontwikkelingen op vlak van productie en energie sindsdien. De bedrijven die historisch vooraan stonden in de industriële ontwikkelingen, vooral bedrijven uit het westen, hebben financiële beloningen opgestreken maar zwijgen over de gevolgen op vlak van klimaatverandering, vervuiling, vernietigingen en uitbuiting doorheen het industriële proces.

De uitbuiting en vernieling legde de basis voor de rijkdom van de heersende klassen in het westen en het is ook de basis voor hun dominante positie als producent van broeikasgassen. In 2013 stelde een onderzoek dat in het magazine Climatic Change verscheen dat amper 90 bedrijven verantwoordelijk waren voor 63% van de wereldwijde uitstoot van koolstofdioxide en methaan tussen 1751 en 2010. Maar liefst 30% van de uitstoot komt van de 20 grootste bedrijven. Het gaat onder meer om BP, Chevron, Exxon, Shell, Gazprom, steenkoolbedrijven, … Er is dus niet zozeer een door de mensen aangedreven globale opwarming, maar een door grote bedrijven veroorzaakte opwarming.

De feiten over klimaatverandering en de noodzaak van actie hierrond, werden aanvaard op de conferentie van Rio. Maar die conferentie vond plaats op een ogenblik dat de wereld zich aanpaste aan nieuwe krachtsverhoudingen. De ontbinding van de stalinistische Sovjet-Unie maakte dat de VS als enige wereldmacht overbleef. Er was een triomfalisme rond het idee dat de VS de Koude Oorlog had ‘gewonnen’. Er was niet alleen triomfalisme, ook de neoliberale ideologie van Ronald Reagan en Margaret Thatcher, was dominant.

Volgens de toenmalige retoriek was de vrije hand van de markt allesoverheersend en de belangrijkste kracht in de samenleving. Ertegen ingaan, was onaanvaardbaar. Amerikaanse multinationals, maar ook andere, zagen enorme kansen voor winsten door de deregulering en privatiseringen als onderdeel van deze nieuwe wereldorde.

VS doen niet mee met Kyoto

Deze economische en politieke voorwaarden bepaalden de akkoorden op de eerste drie COP-conferenties: in Berlijn (1995), Genève (1196) en het hoogtepunt van Kyoto in 1997. Het protocol van Kyoto was gericht op het beperken van uitstoot door incentives van de markt. Er werd niet ingegaan op mogelijke collectieve acties, zoals het opvoeren van de middelen voor onderzoek naar groene technologie of een ultimatum voor de ontginning van fossiele energiebronnen. In de plaats daarvan bepaalde Kyoto doelstellingen voor de vermindering van de uitstoot van koolstofdioxide tegen 2012.

Deze doelstellingen hadden betrekking op de ontwikkelde kapitalistische landen, de landen waar het kapitalisme historisch voordeel haalde uit de koolfstofdioxide. Er werd gemiddeld een beperking van 6 tot 8% voorgesteld in vergelijking met de uitstoot in 1990. De doelstellingen waren een grote stap achteruit tegenover de vereisten die door wetenschappers voorop gesteld waren om een opwarming met 2 graden te voorkomen. Wetenschappers vroegen ongeveer 20% vermindering van de uitstoot.

De keuze van 1990 als graadmeter voor de beperking van de uitstoot was wellicht nog de grootste zwakte in het protocol van Kyoto. Het was het jaar voor de dramatische instorting van de industrie in de voormalige Sovjet-Unie, een instorting die zorgde voor een drastische daling van de uitstoot als gevolg van de chaotische terugkeer naar de markt en de afbouw van zowel de industrie als de levensstandaard. Deze daling duurde tot in 1998. Het zorgde ervoor dat er voor Kyoto ook maar iets kon uithalen al een aanzienlijke vooruitgang was geboekt. Deze beperking werd verder versterkt door de mechanismen in Kyoto om de uitstoot te beperken.

Het protocol van Kyoto voerde uitstootrechten in. Er waren rechten om een ton koolstofdioxide te produceren op basis van eerdere uitstoot. Indien bedrijven minder uitstoot hadden dan wat hen toegekend was als recht, dan konden ze de overschot van uitstootrechten verkopen. De hoeveelheid rechten kon daarna geleidelijk verminderd worden, waardoor de kost van vervuiling zou toenemen en het interessant zou worden om de uitstoot te beperken. Maar de uitstootrechten in Rusland en de voormalige stalinistische landen konden gemakkelijk verkocht worden, waardoor de kost nooit zodanig opliep dat het voor bedrijven interessanter werd om de uitstoot te beperken in plaats van uitstootrechten te kopen.

Een ander belangrijk instrument van Kyoto waren de projectgebonden mechanismen zoals CDM (Clean Development Mechanisms). Deze lieten grote vervuilers toe om uitstootkredieten te verdienen door groene projecten in de ontwikkelende wereld te ondersteunen. Zo kan financiële steun gegeven worden om een project van ontbossing te stoppen, zodat het bos uitstoot kan absorberen. Door geld te geven om het status quo te behouden, konden de bedrijven meer broeikasgassen uitstoten. Dit is dan nog zonder rekening te houden met de mogelijkheid van corruptie en gebrek aan toezicht.

Opeenvolgende VN-conferenties werkten de details van het akkoord van Kyoto verder uit. Dit leidde uiteindelijk tot een akkoord op COP11 in Montréal, Canada, in 2005. De impact van Kyoto was amper een obstakel voor de grote multinationals of hun winsten. De wereldwijde uitstoot bleef toenemen, de winsten bleven recordniveau’s doorbreken. Nog voor Kyoto van start ging, trokken grote vervuilers zoals Australië en de VS zich al terug.

De houding van de Amerikaanse regering is misschien nog het duidelijkste voorbeeld van waar de prioriteiten echt liggen. Het Amerikaanse kapitalisme kende een nooit geziene rijkdom en invloed, maar het weigerde het Kyoto-akkoord door te voeren. De beperkingen van de uitstoot moesten evenredig zijn met de omvang van de uitstoot, waardoor de VS een groot deel zou moeten realiseren. De VS zijn goed voor ongeveer 35% van de wereldwijde uitstoot. Het zou de Amerikaanse kapitalisten een nadelige positie bezorgen tegenover de Europese. Dit is waarom de VS niet met Kyoto meededen.

Indien er een kapitalistisch land in staat was om beslissende acties tegen klimaatverandering te ondernemen, dan was het wel de VS. Zowel op vlak van rijkdom als technologie waren de VS goed geplaatst. Maar de winsthonger overheerste. Nadat George W Bush een ratificatie van Kyoto uitsloot in 2001 trok hij met het land ten oorlog in Afghanistan en Irak. Een van de doelen hiervan was het versterken van de Amerikaanse dominantie over de wereldwijde olievoorraden.

Wie betaalt de rekening?

Het duurde 13 jaar vooraleer de VN overeenstemming vond dat er iets moest gebeuren. De eerste voorstellen leverden echter niets op. De uitstoot bleef toenemen en de klimaatverandering onder het kapitalisme bleef een groeiende impact hebben op de wereld. In 1998 waren er volgens VN-statistieken 25 miljoen klimaatvluchtelingen, voor het eerst meer dan oorlogsvluchtelingen. In 2007 toonde klimaatonderzoek aan dat de impact van veranderende weerpatronen een rol speelde in de droogte in Soedan en de Hoorn van Afrika, wat op zijn beurt een rol speelde in het bloedige conflict van Darfoer.

Zelfs de ontwikkelde kapitalistische landen zijn niet immuun. Het is niet mogelijk om een direct verband te leggen tussen een voorbeeld van extreem weer en de globale opwarming. Maar het is wel steeds waarschijnlijker dat extreem weer, zoals orkaan Katrina waarbij New Orleans en vooral de armen en kleurlingen geraakt werden, een resultaat is van klimaatverandering. De vraag wie hier de rekening voor moet betalen en hoe we ons op nieuwe crises moeten voorbereiden, kwamen aan bod op verschillende bijeenkomsten van de COP, zeker op vraag van ontwikkelende landen waar dergelijke rampen nog versterkt worden door de bestaande armoede.

De ontwikkelende landen stelden onder leiding van China en India dat de grootste vervuilers de kosten voor de armere landen mee moeten dragen. Die armere landen hebben minder ontwikkelde infrastructuur of middelen voor de ontwikkeling van groene technologie. China vroeg in het bijzonder internationale steun op verschillende bijeenkomsten van de COP. Het land stelde dat het middelen moest krijgen om de ontwikkeling verdere te zetten en tegelijk de uitstoot te beperken.

De zesde COP-bijeenkomst in het Duitse Bonn (2001) stemde in met de noodzaak van een fonds om landen bij te staan in de aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering. Op COP 12 in Nairobi, Kenya (2006), werd overeenstemming gevonden over de procedures voor dit aanpassingsfonds. Op COP 14 in Poznan, Polen (2008), werd een akkoord gesloten over een fonds om landen die door klimaatverandering geraakt worden bij te staan. COP 16 in Cancun, Mexico (2010), besloot om een Groen Klimaatfonds in te voeren met een doel om 100 miljard dollar per jaar op te halen. In 2013 werd bericht dat het fonds aan 10 miljard dollar per jaar kwam. COP 18 in Doha, Quatar (2012), voerde het aanpassingsfonds in waar alle landen die Kyoto aanvaard hadden aan moesten bijdragen. De VN schat dat het fonds tot 86 miljard dollar per jaar nodig heeft, maar het reeds opgehaalde geld zou slechts 300 miljoen dollar bedragen.

China wordt de grootste

De EU behaalde de doelstellingen van Kyoto. Maar dit kwam door een mengeling van factoren. De gevolgen van de val van het stalinisme zorgden ervoor dat er binnen de EU een voordeel was inzake uitstoot. De industrie in het vroegere Oost-Duitsland was grotendeels verdwenen en er was een grote reorganisatie van de industriële productie. Groot-Brittannië haalde de doelstellingen deels als gevolg van de harde oorlog van Thatcher tegen de militante mijnwerkersvakbond, een strijd die leidde tot het zo goed als volledige verdwijnen van de Britse steenkoolsector.

Een andere factor was de wereldwijde neerwaartse spiraal. Veel van de uitstootintensieve sectoren verdwenen naar landen met lagere arbeidskosten, in het bijzonder naar China. Indien de Britse import en export in de berekeningen zouden meegenomen worden, dan is de uitstoot sinds 1990 met ongeveer 100 miljoen ton toegenomen. Er kunnen gelijkaardige voorbeelden gegeven worden doorheen West-Europa. We zagen hoe China wereldwijd de belangrijkste industriële grootmacht werd waardoor China de VS voorbijstak als belangrijkste bron van uitstoot van koolstofdioxide.

De snelle industriële ontwikkeling eiste een hoge ecologische tol in China. Er is een sterke toename van de woestijnvorming, onder meer door het omleiden van rivieren en de aanleg van dammen om industriële centra van water en energie te voorzien. Afval wordt gewoon in rivieren gedumpt, waardoor naar schatting 700 miljoen Chinezen vervuild water drinken. Smog en stofwolken zijn dagelijkse kost in de grote steden. Een groot deel van de Chinese industrie draait op steenkool. Het land maakt gebruik van natuurlijke reserves. Daar bovenop is er nog een enorme uitbuiting van de werkenden. Deze uitbuiting stuurt de Chinese groei aan. Veel werkenden zijn overigens bij de eerste slachtoffers van de ecologische vernieling, zij voelen de gevolgen als eersten.

De groei van ontwikkelende landen op het vlak van vervuiling heeft de impact van bestaande COP-akkoorden verder ondermijnd. Deze akkoorden waren immers gebaseerd op de beperking van uitstoot in het westen. Tegen 2010 was de uitstoot van ontwikkelende landen bijna even groot als die van de ontwikkelde landen en nadien werd deze zelfs voorbijgestoken. Zowel Cindia als China keurden het verdrag van Kyoto goed, maar ze werden niet opgenomen in de doelstellingen om de uitstoot te beperken. De landen waarvoor Kyoto doelstellingen voorop stelde, zijn nu slechts goed voor minder dan 50% van de uitstoot aangezien zowel de VS als China ontbreken.

De Amerikaanse industrie kent nu meer internationale concurrentie. Alhoewel die industrie nog toonaangevend is op wereldvlak, zijn er toch meer en meer elementen die de positie van de VS ondermijnen. Het Amerikaanse prestige kreeg een forse deuk door de rampzalige militaire avonturen in het Midden-Oosten en de VS waren het epicentrum van de wereldwijde economische crisis die vanaf 2007-08 begon. Het ondermijnde de Amerikaanse positie ook aan de onderhandelingstafel rond klimaatverandering. Tegelijk zorgde het ervoor dat de grote Amerikaanse bedrijven tot minder toegevingen rond ecologische kwesties bereid zijn.

De Chinese elite is afhankelijk van sterke economische groei en weigert toegevingen te doen op vlak van de uitstoot. De zware nadruk van de Chinese onderhandelaars op fondsen voor groene ontwikkeling en compensatie voor landen die geraakt worden door klimaatverandering, leidde tot succes met het opzetten van een aanpassingsfonds en het Groene Klimaatfonds. Maar het gebrek aan middelen voor beide fondsen toont hoe weinig bereidheid er is om groene groei in China of elders effectief te ondersteunen.

Na Kyoto viel alles stil

De doelstellingen van Kyoto liepen in 2012 af. De afwezigheid van een nieuw akkoord dat hierop verder bouwde, zorgde ervoor dat een aantal ondertekenaars van Kyoto op de COP 18 in Doha beslisten om de bestaande doelstellingen gewoon verder aan te houden tot er een nieuw akkoord kwam. Diegenen die besloten om de doelstellingen van Kyoto verder te zetten, waren goed voor slechts 15% van de wereldwijde uitstoot. Dat volstaat niet om tot de drastische beperking van de uitstoot te komen die volgens wetenschappers nodig is.

De handel in uitstootrechten blijft groter worden en dwong tot actie. Bij het begin van de VN-conferenties en tijdens de verschillende toppen werd steeds herhaald dat het doel is om de globale opwarming onder de 2 graden celsius te houden. De uitstootbeperkingen van Kyoto volstonden niet, ze waren veel minder ambitieus dan wat volgens wetenschappers nodig is. Wetenschappelijk onderzoek dat op COP17 in Durban (2011) werd voorgesteld, toonde aan dat de uitstoot met 40% moet verminderen tegen 2021 om niet boven de 2 graden opwarming te komen.

In plaats van de dringendheid te erkennen en tot actie over te gaan, kwamen COP-bijeenkomsten niet eens meer tot een akkoord zoals dat van Kyoto. De aanvankelijke tijdschaal van een opvolger voor Kyoto op de conferentie in Parijs in 2015, werd niet gehaald. Voor de komende COP-conferenties wordt nu een tijdschaal gehanteerd om tot een nieuw akkoord te komen tegen 2020, wetenschappers stelden dat de uitstoot tegen 2021 met 40% moet verminderen…

Moest de situatie niet zo ernstig zijn voor de mensheid en de planeet, we zouden eens goed kunnen lachen met de komedie die opgevoerd wordt. In 2006 beschreef een journalist van de BBC de aanwezigen op de conferentie in Nairobi als ‘klimaattoeristen’ die naar de top kwamen “om Afrika te zien en te kijken naar de wilde dieren, de armen, de stervende Afrikaanse kinderen en vrouwen.”

Los van de vraag wie de afgevaardigden om de COP-bijeenkomsten zijn, is de dominantie van de belangen van de grote bedrijven op dergelijke bijeenkomsten duidelijk. Elke stap die tegen deze belangen dreigt in te gaan, wordt meteen beantwoord. Regeringen verdedigen slaafs deze belangen. Op vraag van de vorige Labour-regering in Groot-Brittannië kwam er een rapport over klimaatverandering. Nicholas Stern verklaarde daarin dat klimaatverandering “het resultaat is van het grootste marktfalen dat de wereld ooit zag.” Het hoogtepunt van het VN-proces was het akkoord van Kyoto waarmee slechts 60% van de vervuilers instemden tot acties die niet volstonden en waarin tal van achterpoortjes opengelaten werden. Conferenties eindigden vaak met officieel optimisme van de deelnemende regeringen en NGO’s, terwijl er in de praktijk niets werd bekomen.

Als we het aan de grote bedrijven en hun politici overlaten, dan wordt de mensheid om zeep geholpen. De politici blijven eindeloos palaveren. Ondertussen is er wel een groeiende beweging die opkomt voor radicale acties. Tijdens de conferentie in Kopenhagen in 2009 waren er 100.000 aanwezigen op betogingen. In New York waren er in 2014 honderdduizenden betogers die klimaatactie eisten. Deze beweging moeten we bewapenen met een socialistisch programma waarmee we werkenden en jongeren kunnen verenigen om de strijd tegen globale opwarming aan te gaan.

Print Friendly, PDF & Email