De oorsprong en ontwikkeling van het kastenstelsel

casteHieronder publiceren we een tekst over het ontstaan van het kastenstelsel in Zuid-Azië. Hiermee willen we achtergrond bieden voor de discussie die aan de Ugent is losgebarsten over de posities van professor Balu die in India collega’s van lagere kasten beledigde en verklaarde dat kasten niet bestaan maar uitgevonden zijn door het kolonialisme. Het dossier hieronder is geschreven door TU Senan.

Arbeidsdeling en kaste

De verhouding tussen mens en natuur komt tot uiting in het arbeidsproces dat de interactie met de natuur steeds verandert. De ontwikkeling van arbeidsinstrumenten, van de hand tot het gebruik van steen, brons, ijzer, … of de ontwikkeling van de productiekrachten, gebeurt op natuurlijke wijze en doorheen sociale interacties. De vorming van sociale groepen dwingt mensen met om samen te werken om te voorzien in een specifieke nood van de productiemethode. Deze methode leidt tot bepaalde vormen van sociale verhoudingen.

Verbeteringen van de productie leiden tot veranderingen in de sociale verhoudingen. Regels van deze sociale verhoudingen werden pas veel later in wetten gegoten, deels om tot eengemaakte regels te komen om de productie van overschotten te behouden. De strijd om de controle over die overschotten leidt tot een klassensamenleving, maar dit is geen automatisch of mechanisch proces.

Met de vooruitgang van de productiemogelijkheden ontstonden gesofisticeerde samenlevingen zoals het dorpsleven van waaruit kleine steden ontwikkelden, deels als gevolg van externe handel. Dit leidt niet automatisch tot een hiërarchische klassensamenleving. Het sociaal beheer van de arbeid en van de productie van overschotten bestond al voor de ontwikkeling van de klassensamenleving (Sameq Beri, Hunter-gatherers in Malaysia). Hoe de geproduceerde overschotten gecontroleerd worden, verschilt op basis van verschillende factoren, niet enkel door de druk van de constante ontwikkeling van de productiekrachten maar ook door de interacties tussen verschillende sociale groepen.

De sociale arbeidsdeling vormt een belangrijke stap vooruit in de toename van de productiemogelijkheden van de samenleving. Deze ontwikkeling moet niet louter gezien worden als het toekennen van verschillende jobs aan verschillende mensen om het productieproces hiërarchisch te organiseren. De organisatie van de productie vereist dat de arbeid opgedeeld wordt in taken die opgenomen worden door werkenden die niet noodzakelijk in een hiërarchische verhouding tot elkaar staan. De arbeidsdeling kan verschillende graden van complexiteit kennen en verschilt van samenleving tot samenleving en van periode tot periode.

In het oude Zuid-Azië was de productie georganiseerd op een basis waarbij elke werkende een duidelijk toegewezen taak had. Dit had tal van voordelen voor de zelfredzaamheid van de gemeenschap. De reproductie van deze taakverdeling kan al in een vrij vroeg stadium geleid hebben tot erfelijkheid van bepaalde specifieke taken en jobs met bijhorende ‘specifieke vaardigheden’. “De omzetting van de deelarbeid in de levensroeping van een mens stemt overeen met de neiging in vroegere gemeenschappen om de beroepen erfelijk te maken.” (Marx, Kapitaal, deel 1)

Dit was een stap vooruit op de jager-verzamelaarsamenleving, maar het beperkte de menselijke mogelijkheden. Marx legde uit dat dit proces “het menselijke denken beperkt tot het kleinst mogelijke kompas, waardoor het een instrument van onderdrukking wordt, aan de ketens van traditionele regels vastgemaakt en ontdaan van alle grootsheid en historische energie.” (British Rule in India, New York Daily Tribune 25 juni 1853). Binnen de grenzen van de historische periode en met de beperkingen van de productiemiddelen, ontstonden verschillende vormen van samenleving met verschillende klassenverhoudingen. Sociale verhoudingen in de vorm van sociale ‘regels’ om de productie mogelijk te maken, kunnen de arbeidsdeling verstenigen in een hiërarchische verhouding. De erfelijke arbeidsdeling in de vorm van kasten werd een deel van de regel en het werd op dat ogenblik ook opgenomen in de religie die toen heerstte.

De speciale vormen van productie – de manier waarop verschillende groepen in de hiërarchie verschillende delen van het land controleerden terwijl er ook nog gemeenschappelijke grond was – en het instandhouden van vaardigheden die van generatie op generatie werden doorgegeven, droegen bij tot de rigiditeit van de vorm van arbeidsdeling die opkwam in Zuid-Azië. Zoals Marx uitlegde, was het Aziatische systeem een van de oudste ter wereld, een systeem dat “het langste en koppigste standhield.” Anders gezegd leidden veranderingen in het productiesysteem niet tot het verdwijnen van alle oude verhoudingen die constant werden versterkt doorheen religie. De constante terugkeer van een bepaalde vorm van sociale verhouding droeg bij tot de rigiditeit van de Aziatische samenleving. De relatieve kleine omvang van deze groepen, inzake gebied dat gecontroleerd wordt en omvang van de bevolking, moet ook in rekenschap gebracht worden.

Sociale hiërarchie in een klassensamenleving wordt bepaald door factoren zoals hoe de verschillende werkenden aan het productieproces verbonden zijn, wie het overschot controleert, … Een hiërarchie ten koste van de volledige samenleving leidt geleidelijk tot verschillende sociale posities, rijkdom, bezit van land, … Deze ‘zelfontwikkelende’ sociale situaties werden omgevormd tot het “nooit veranderende natuurlijke lot”, waardoor het kwam tot een “brutale verering van de natuur, waaruit blijkt hoe dit een stap achteruit is van het feit dat de mens over de natuur heerst, waarbij de mens op zijn knieën ging voor de aanbidding van Hanoeman, de aap, en Sabbala, de koe.” (Marx, British Rule in India, 1853).

Diegenen die onderaan stonden in de productie werden in de hiërarchie naar achter geduwd. Maar ook dit was geen rechtlijnig of eenvoudig proces. Met de opkomst van klassen ontstond de strijd tussen de klassen. Deze strijd heeft altijd bestaan. Er was ook steeds een zekere mobiliteit tussen verschillende hiërarchische groepen en interactie tussen verschillende groepen van samenlevingen. Kaste kan dan ook niet gezien worden als een systeem om de zuiverheid van een bepaald ‘ras’ of ‘etnie’ te behouden. De rigiditeit van het kastensysteem is niet absoluut. Dat zou voorbij gaan aan de levende processen en de strijd onder de lagere kasten – niet alleen voor een hogere positie maar ook voor het zich toe-eigenen van de productie waarbij een nieuwe samenleving wordt gevormd.

Latere ontwikkelingen

In bijna alle oude samenlevingen bestond er een vorm van hiërarchisch kastensysteem. Deze ‘kaste’ verschilt van de moderne vorm van het Sathi-systeem dat op het Indisch subcontinent bestaat. De belangrijkste kenmerken – het rigide systeem dat via erfelijkheid wordt doorgegeven, nu algemeen omschreven als ‘kaste’ – ontwikkelde later met de ontwikkeling van religie op het subcontinent. Dit gebeurde ongeveer 2.000 jaar geleden en wordt vaak gezien als onderdeel van de confrontaties tussen inheemse en nieuwe migrerende bevolkingen.

In sommige oude samenlevingen (maar niet in allemaal) speelde religie ook de rol van een morele regulator met godsdienstige regels, de tempel en de priesters als equivalenten van de huidige grondwet, rechtbanken en rechters. Dit werd constant aangepast. De ontwikkeling van rigide stelsels werd versterkt door godsdienst, zoals het Varna stelsel (Manu Smriti) dat specifieke taken en plichten bepaalde voor elke kaste. Het verzet van de onderdrukte kasten werd tegengegaan met de dreiging van vergelding door een ‘hogere macht’. Priesters die deze regels oplegden, kwamen zelf aan het hoofd de samenleving te staan. Buitenstaanders die na strijd gevangen genomen waren of die van een andere samenleving kwamen of een andere, etnie, huidskleur, … moesten beneden de ladder starten.

Zelfs in dit stadium was de mobiliteit tussen kasten niet altijd strikt, of werden de regels van de grenzen van de kasten en de erfelijkheid ervan niet altijd strikt toegepast. Nochtans werd het wel door godsdienstige regels opgelegd. Er was een sterk patriarchale samenleving waarbij vrouwen van alle kasten steeds onderaan de sociale ladder stonden. Met de veranderende productiemethoden en sociale verhoudingen, onderging de kastenhiërarchie ook veranderingen. Dit gebeurde onder meer onder druk van nieuwe en fundamentele uitdagingen: binnendringende buitenstaanders, nieuwe godsdiensten, eisen voor religieuze hervormingen, …

Discussie en onderzoek naar de oorsprong en ontwikkeling van het kastensysteem worden vaak overschaduwd door politieke en religieuze motieven. Dit komt deels door de dominantie van de hoogste kasten. De onderdrukkende kaste is in veel gevallen ook dominant binnen de heersende klasse en controleert de sleutelposities in de staat, het onderwijs en alle beroepen met een hoge status in India. Maar er begint verandering op te treden. Recent baanbrekend genetisch onderzoek droeg bij tot een versterking van het wetencshappelijk begrip. Zo was er een studie door het Broad Institute van het MIT en van Harvard (zie: broadinstitute.org en nature.com/nature/journal/v461/abs/nature08365.html). Dit onderzoek wees erop dat de eerste tekenen van een kastensysteem ongeveer 2000 jaar geleden bestonden. Het onderzoek weerlegde ook de mythe dat de exclusiviteit van kasten steeds in stand werd gehouden door religieuze elites. De meer rigide vorm van het kastenstelsel kreeg pas later in de geschiedenis een grotere impact. Dit gebeurde onder meer door de ontwikkeling van brutale Hindoebewegingen die ingingen tegen andere godsdiensten, de pogingen om het hindoeïsme te versterken gingen gepaard met een versterking van het kastensysteem.

Er waren verschillende bewegingen die het hindoeïsme bestreden. Het boeddhisme vindt zijn oorsprong in de strijd tegen onderdrukkende hindoeïstische praktijken, vooral het kastensysteem. Toen het koninkrijk dat het boeddhisme als heersende religie gebruikt ten val kwam, ontwikkelde het hindoeïsme binnen het nieuwe koninkrijk dat ontstond (in de jaren 300-400). Het leidde tot een brutale reactie tegen de vijanden en een krachtiger opleggen van religieuze regels door de Brahmanen (hoogste kaste). De beweging Saivite Bhakti begon in 1.000-1.300 in Bengalen en trok geleidelijk verder op naar het zuiden. Tegen het jaar 1.500 waren alle variaties van het boeddhisme uit India verdwenen, vaak met bloedbaden en het brutaal opleggen van de regels van Saivite. Deze regels zijn voor het grootste deel nog steeds aanwezig op het continent. Het leidde ook tot het boeddhistische verzet tegen het Saivisme in Sri Lanka. Nadien werd dit omgevormd tot een antagonisme tegen de Tamils in het algemeen.

Tot op vandaag worden gelijkaardige interpretaties van de vroege Vedic literatuur naar voor gebracht. De meeste praktijken ondergingen veranderingen, maar een echte betwisting van de feodale praktijk was er niet. Reeds bij de vroege ontwikkeling van het kapitalisme in het westen onderging het christendom een periode van hervorming, waarbij het zich aanpaste aan de moderne kapitalistische verhoudingen. Met andere religies was dit niet het geval, onder meer met het hindoeïsme dat dominant was op het Indische subcontinent. Neokoloniale verhoudingen en de beperking van industrialisering, democratische rechten, … droegen eraan bij dat de oude feodale verhoudingen stand konden houden. Maar het zou ook fout zijn om te stellen dat er niets veranderde aan de sociale verhoudingen. Sommige academici negeren de geschiedenis en proberen te bewijzen dat het kastensysteem zoals dit vandaag bestaat rechtstreeks uit de oude tijden komt en altijd bestaan heeft in de vormen die we nu kennen. Dit is fout.

In de koloniale periode onderging het kastensysteem grote veranderingen, zeker onder het Britse bewind. Marx en anderen bestudeerden de ontwikkeling van het kapitaal en de verandering van samenlevingen. Marx stelde dat India de oude feodale verhoudingen achter zich kon laten doorheen een industriële ontwikkeling onder het kapitalisme.

Het Britse rijk was inderdaad verplicht om een zekere industriële ontwikkeling tot stand te brengen en om de infrastructuur voor transport te verbeteren zodat handel mogelijk werd. Het spoorwegnet doorkruiste aanvankelijk de feodale opdelingen. In de eerste fase van het Britse bewind zagen de onderdrukte kasten een eerste kans na eeuwen van onderdrukking om hun voorwaarden te verbeteren, zelfs indien dit betekende dat ze hard moesten werken. Voor het eerst hadden missionarissen het makkelijk om nieuwe gelovigen te vinden en werden er kerken en scholen gebouwd in gebieden waar de onderdrukte kasten leefden. Maar dit proces was van korte duur. De Britse heersers begrepen snel dat het bestaande kastensysteem in India in hun voordeel kon uitgespeeld worden.

Het Britse rijk werd begin jaren 1800 geconfronteerd met snel stijgende loonkosten. In de Franse revolutie van 1789 doken eisen voor gelijkheid op. Deze eisen kregen navolging, ook in de kolonies. Het was een inspiratiebron voor de slavenopstand in Saint-Domingue (Haïti) in 1791. De strijd voor de afschaffing van de slavernij kreeg snel momentum. Het Britse rijk verloor veel soldaten in de strijd tegen Frankrijk en tegelijk was er groeiend verzet in eigen land. In 1795 namen meer dan 150.000 arbeiders deel aan protestacties in Engeland. Onder druk van bewegingen en protest kwam er in 1807 een officieel verbod op slavernij, pas in 1833 werd deze regel ook effectief volledig toegepast.

In de verafgelegen kolonies probeerde het Britse rijk de macht te consolideren. In 1815 kregen de Britten uiteindelijk de volledig controle over Sri Lanka in handen waarna er theeproductie werd begonnen in de heuvels – thee was een belangrijke grondstof op dat ogenblik. Het tekort aan arbeidskrachten en de afschaffing van de slavernij maakte dat het niet meer mogelijk was om op legale wijze slaven aan het werk te zetten. Het kastensysteem vormde een nuttig alternatief. We zien het tot op vandaag in de vreselijke omstandigheden waarin theeplukkers wonen – krotten die eerder aan tenten dan aan huizen doen denken – en de strakke kastenopdeling in de theeproducerende gebieden van Sri Lanka.

De Britten voerden een specifiek stelsel in, de Zamindar, om gemakkelijker belastingen te innen. Daarvoor werd beroep gedaan op de lokale landeigenaars, vaak mensen van hogere kasten. De meest onderdrukte landloze lagere kasten werden aan de willekeur van de grote landeigenaars overgeleverd. De Britse heersers maakten ook stelselmatig gebruik van kastenverschillen bij het opdelen van het harde werk aan de spoorwegen. Toen het Britse bewind onder vuur lag, werd zelfs overwogen om grondgebied op te delen op basis van kastenlijnen (Bengalen).

De stelsels in India en in Sri Lanka hadden veel gelijkenissen maar waren niet identiek. Het Britse bewind had in een eerste fase een grote impact op het kastensysteem in Sri Lanka. De onderdrukte kasten kregen toegang tot onderwijs, konden geld verdienen en grond kopen. De Britten gebruikten Tamils van hogere kasten in de administratie. Deze kasten behielden hun prestigieuze positie, maar waren doorgaans niet direct betrokken in opkomende sectoren zoals de visserij of de verkoop van alcohol. Diegenen die wel in de opkomende sectoren actief waren, zagen hun inkomen groeien en konden bepaalde privileges afdwingen. In 1832 besloten de Britten dan nog om een cumul van een job in de administratie en het hebben van een eigen zaak te verbieden.

In het zuiden was de Govigama kaste dominant in de Britse administratie. Deze kaste begon op economisch vlak pluimen te laten ten voordele van de Karava kaste. Deze Karava kaste in het zuiden (in het noorden en oosten de Karayar) was actief in de visserij en bouwde snel een economische positie uit. (Zie: Kumari, Jayawardena, ‘Nobodies to somebodies: the rise of colonial bourgeois in Sri Lanka’). Maar de snelle groei van kapitaal kwam er pas toen de theehandel op volle toeren draaide. De Karava kaste en anderen hadden tegen dan een zekere positie uitgebouwd. Dit drong het kastensysteem naar de achtergrond. Maar het effect was opmerkelijk verschillend in de Singalese en de Tamil gemeenschappen. Het boeddhisme was traditioneel steeds tegen het kastensysteem en kent geen strikte religieuze regels die een huwelijk tussen mensen van verschillende kasten verbieden. De ontwikkelende dominantie van het kapitaal begon al snel de verhoudingen onder de Singalese bevolking te bepalen. Onder de Tamils was dit niet het geval, daar was het hindoeïsme dominant. Dit is overigens een bijkomende reden waarom er onder Tamils veel religieuze bekeringen zijn, met moslims, christenen en boeddhisten.

Ondanks zijn rijkdom werd de Karayar kaste gediscrimineerd door de dominante Vellalar kaste. De meest onderdrukte delen van de bevolking hadden in tegenstelling tot de Karayar al helemaal geen mogelijkheid om een rol op te eisen in de ontwikkelende samenleving. Zij konden geen job in de Britse administratie krijgen en gelijk welke zaak beginnen, was evenmin mogelijk. De meest onderdrukte kaste kon integenstelling tot India niet rekenen op het gewicht van hun aantal. Ze waren slechts goed voor ongeveer 3% van de Tamil bevolking. Tot de dominante Karayar kaste behoorde ongeveer de helft van de bevolking, de Karayar waren goed voor 9%.

De band tussen de heropleving van het hindoeïsme en het kastensysteem bleek ook in de onafhankelijkheidsstrijd in India tegen het Britse bewind. Het eerste verzet tegen de Brittten kwam er op een ogenblik dat delen van de hoogste kaste/klasse meer privileges opeisten. De beweging die ontstond uit protest spitste zich al gauw toe op de eis van onafhankelijkheid. Het religieuze verzet zorgde voor de mogelijkheid van massale mobilisatie door de eerste leiders die zich tegen het Britse bewind keerden. Aurobindo in India, Dharmapala in het zuiden van Sri Lanka of Arumugam Pillai in het noorden werden opgeleid door missionarissen en gebruikten hun eigen religie om tegen de Britten in te gaan. Arumugam Pillai versterkte elementen uit de traditie van het Saivisme, vooral op het vlak van kaste onder de Tamils in Sri Lanka. Hij had het altijd over de drie p’s die moesten neergedrukt worden: Parai drums (zeker als die gebruikt werden door de onderdrukte kasten), Pen (vrouwen) en Panchama (de meest onderdrukte kaste). Pillai verzette zich sterk tegen het toelaten van meisjes en kinderen van de laagste kasten in de scholen. De christelijke missionarissen hadden een impact in de kolonies, vaak geen positieve maar wel positief was de opening van het onderwijs voor de meest onderdrukte delen (kaste en klasse) van de bevolking. Vaak werd dit gekoppeld aan de eis van een bekering. Missionarissen hielpen indirect bij het versterken van het godsdienstige verzet van de onderdrukkende kaste tegen het Britse bewind, ze creëerden zekere illusies en hoop onder delen van de meest onderdrukte kasten.

De meest onderdrukte kasten hadden pas beperkte mogelijkheden onder de regering van Srimavo Bandaranaya toen die overging tot een programma van grootschalige nationalisaties. Het maakte dat kleine bedrijven zich moesten aanpassen en er werd een zekere waardigheid met bijhorend regelmatig inkomen bezorgd aan diegenen die onderaan de samenleving stonden. Voor het eerst was er een significant deel van de onderdrukte kasten in staat om de kastenbanden te doorbreken. Daarna hadden oorlogen en vluchtelingenstromen, net zoals het verbod op bepaalde kastenpraktijken in de door de LTTE (Tamil Tijgers) gecontroleerde gebieden, een zekere impact in het terugdringen van kastenpraktijken. Maar vrijwillige gemengde huwelijken over kastenverschillende heen waren er niet.

Het kastensysteem werd soms naar de achtergrond verdreven, maar verdween nooit helemaal van het toneel. De fundamenten van feodale verhoudingen werden niet voldoende gewijzigd om het kastensysteem te laten verdwijnen. De zogenaamde ontwikkeling onder het Britse bewind was vooral gericht op het organiseren van import, er was geen volledige industriële ontwikkeling. Toen de Britse heersers de middelen van de kolonies naar zich toe trokken, vormden ze meteen een obstakel voor de ontwikkeling van lokale kapitalisten en de opkomst van industrie. Dit fenomeen werd door Leon Trotski uitgelegd toen hij de revoluties in Rusland analyseerde. De wet van de gecombineerde en ongelijke ontwikkeling maakte een vervollediging van de democratische taken in de koloniale landen onmogelijk. Trotski merkte op de imperialistische greep op de kolonies niet kon gebroken worden zonder een sterke arbeidersbeweging die ingaat tegen de heerschappij van het kapitaal om een geplande economie te vestigen. Ondanks verschillende gradaties van ontwikkeling in de koloniale (en nadien neokoloniale) landen, is het kapitalisme er niet in staat om de werkenden, boeren en armen volledig te bevrijden uit feodale verhoudingen. Meer nog, de kastenverschillen worden nu verder uitgespeeld door de inheemse kapitalisten.

In Sri Lanka beginnen de verhoudingen inzake grondbezit wat te veranderen. Een laag van landloze onderdrukte kasten kan grond kopen met geld dat teruggestuurd is door geëmigreerde familieleden in Europa. Dit is echter een kleinschalige ontwikkeling. Mensen van de meest onderdrukte kasten hadden het door hun economische positie moeilijker om weg te vluchten. Ze bleven in Sri Lanka en ondergingen een dertigjarige oorlog en nu ook toenemende kastenonderdrukking. Sinds het zogenaamde ‘einde’ van de oorlog in 2009 is er een toename van onderdrukking op basis van kaste. Het vergroot het belang van een discussie over hoe we een einde kunnen maken aan dit rotte systeem en met welke perspectieven en tactieken zoiets kan.

Print Friendly, PDF & Email