Het stakingsrecht is afgedwongen door strijd

Uittreksel uit het boek ‘Het stakingsrecht verdedigen’ door Geert Cool

Hoe collectieve acties werden verboden – met dezelfde argumenten als de liberalen vandaag

Het is op basis van arbeidersstrijd dat het stakingsrecht werd afgedwongen. Bij de opkomst van het industriële kapitalisme werd alles eraan gedaan om de organisatie van arbeiders te verbieden. De vrijheid van ondernemen werd centraal gesteld en stond tegenover het recht van de arbeiders om zich te organiseren.

De industriële revolutie zorgt ervoor dat de burgerij de touwtjes in handen neemt, maar daarbij bleven wel de repressieve instrumenten behouden om deze te kunnen inzetten tegen de arbeiders. Zo maakte de burgerij veelvuldig gebruik van de zogenaamde ‘Wet Le Chapelier’, een wet die er aanvankelijk op gericht was om collectieve afspraken bij contracten te vermijden, maar die al snel gebruikt werd om collectief overleg van arbeiders te verbieden. De wet Le Chapelier uit 1791 stelde dat iedere samenscholing van arbeiders was verboden omdat dit inging tegen de “vrije uitoefening van nijverheid en arbeid”. Eind 19de eeuw werd de wet Le Chapelier geïntegreerd in artikel 310 van het Strafwetboek.

Letterlijk: de wet Le Chapelier (14-17 juni 1791)

Artikel 4. Indien, tegen alle principes van de vrijheid en van de grondwet in, burgers behorend tot dezelfde beroepen, ambachten of stielen, onderling overleg plegen of onderling overeenkomsten zouden afsluiten, die er zouden op gericht zijn slechts tegen een welbepaalde prijs in hun beroepssector mee te werken, dan zullen deze overeenkomsten en dit overleg, al dan niet onder ede aangegaan, als ongrondwettelijk verklaard worden, als een aanslag op de vrijheid en op de verklaring van de rechten van de mens, en derhalve zullen zij van geen enkele waarde zijn.

Artikel 8. Alle samenscholingen van ambachtslui, arbeiders, gezellen, dagloners of die op hun aansporing zijn tot stand gekomen tegen de vrije uitoefening van de nijverheid en de arbeid door om het even welke persoon,… zullen beschouwd worden als oproerige samenscholingen en als dusdanig uiteengedreven worden door de openbare macht…

Deze wet werd gebruikt om gezamenlijk overleg onder arbeiders te vervolgen. Tussen 1830 en 1866 werden in België op deze basis 1.611 arbeiders vervolgd, waarvan er 946 een gevangenisstraf kregen, 144 een geldboete en 521 werden vrijgesproken. In de zogenaamde werkrechtersraden (voorloper van de arbeidsrechtbanken) zetelden enkel patronale vertegenwoordigers. Tenslotte was er ook een werkmansboekje dat verplicht was. Dit was een boekje dat de werknemer bij het indiensttreden aan de werkgever moest overhandigen zodat deze hierin nota’s kon maken. Na het einde van de tewerkstelling werd het (meestal) teruggegeven, alleszins was het nodig om een nieuwe job te kunnen beginnen. Met opmerkingen over het ‘subversief’ karakter van een werknemer in het werkmansboekje, waren de kansen op een nieuwe job natuurlijk uitermate beperkt.

De repressie tegenover de arbeidersbeweging is maar één element dat verklaart waarom er nog amper sprake is van arbeidersorganisaties op dit ogenblik. Het belangrijkste element is echter dat de enorme woede onder de arbeiders nog niet duidelijk gekanaliseerd wordt, bij gebrek aan een visie op de rol van een organisatie en de kracht van een georganiseerde beweging. De arbeidersklasse was dan wel een ‘klasse an sich’ (een groep mensen die omwille van haar plaats in het productieproces een specifieke maatschappelijke klasse vormt), maar nog geen ‘klasse für sich’ (een klasse die zich bewust is van haar maatschappelijke positie en van daaruit gezamenlijk in actie kan komen). Dit maakte het voor de burgerij gemakkelijker om arbeidersprotest neer te slaan, of te kanaliseren voor eigen doeleinden. Dat was bijvoorbeeld het geval met de Belgische revolutie van 1830.

Bij de opkomst van het kapitalistische productiesysteem werd geprobeerd iedere vorm van arbeidersorganisatie tegen te gaan. Zolang de arbeiders individueel konden worden aangepakt, was het mogelijk om de arbeiders tegen elkaar op te zetten om hen zo tot lagere lonen te dwingen. Dat werd natuurlijk versterkt door het feit dat de werkplaatsen in de 19e eeuw nog relatief klein waren, waardoor het moeilijker was om arbeiders te organiseren. Toch waren er eerste kleine initiatieven die op het einde van de 19e eeuw leidden tot de vorming van een massa-partij, de BWP, en een samensmelting van verschillende vakbonden in de Syndicale commissie van de BWP. Andere vakbonden bleven daarbuiten omdat ze katholiek waren.

In de praktijk dwongen die vakbonden en politieke organisatie van de arbeiders hun recht af om collectief actie te voeren. Ze organiseerden betogingen en meetings, ondanks het feit dat dit veelal verboden werd. Hun antwoord op dat verbod was de kracht van het aantal, de massale impact van de acties zorgde ervoor dat een verbod in de praktijk onmogelijk werd.

De organisatie en eenmaking van de vakbeweging werd versterkt door het offensieve optreden van het patronaat tegen stakingen. Zo was er bij een staking in de textiel in Verviers in 1906 een complete lock-out, de patroons sloten hun bedrijven omdat er gestaakt werd zodat iedereen werd ontslagen. 153 van de 154 textielbedrijven sloten de deuren en 20.000 arbeiders werden werkloos. Hetzelfde gebeurde bij een staking van de Antwerpse dokwerkers in 1907, toen 10.000 arbeiders protesteerden tegen een lock-out en staakten van juni tot september 1907.

Het patronale offensief versterkte de eenmaking van de vakbonden. In 1914, vlak voor WO1, had de Syndicale Commissie ongeveer 130.000 leden en meer dan 100 vrijgestelden.

Hoe het stakingsrecht afgedwongen werd – door strijd en revolutie

Het is pas na WO1 dat het stakingsrecht en vakbondsrecht werden erkend in België. Dit was natuurlijk tegen de achtergrond van de bewegingen na de oorlog, waarvan de Russische Revolutie één van de hoogtepunten was. Overal in Europa waren er bewegingen en in verschillende landen kwamen de arbeiders in opstand. De burgerij had schrik voor de kracht van de georganiseerde arbeidersbeweging en moest toegevingen doen.

Dat gebeurde onder meer door de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen), maar ook door de vakbondsvrijheid te erkennen. In 1921 kwam er een wet die de “vrijheid van vereniging” waarborgde: “Niemand kan gedwongen worden van een vereniging deel uit te maken of daarvan niet deel uit te maken.” Hierdoor werd het recht erkend om zelf te beslissen over lidmaatschap van een vakbond. Tegelijk werd een anti-stakingswet afgeschaft (het zogenaamde artikel 310 van het strafwetboek waardoor samenscholingen op het bedrijf niet mochten). Er kwam geen wetgeving om het stakingsrecht te organiseren omdat dit nu eenmaal moeilijk kan. Hoe kan de arbeidersbeweging beroep doen op het burgerlijke recht om collectieve acties te organiseren die ingaan tegen de logica van het kapitalistisch systeem dat aan de basis ligt van dat burgerlijk recht? Het enige wat gebeurde, was dat repressieve maatregelen tegenover stakingen en arbeidersorganisaties werden afgeschaft.

Na de oorlog waren er een reeks stakingsacties, o.a. in de metaalsector en onder de mijnwerkers in Wallonië of onder de havenarbeiders in Antwerpen. De acties waren gericht op het verkrijgen van een 8-urendag, loonsverhogingen, erkenning van de vakbonden, … De Belgische Werklieden Partij (BWP) verklaarde zich voorstander van onderhandelingen tussen vakbonden en patronaat en probeerde dit vanuit de regering te steunen. De angst voor een al te radicale beweging van arbeidersprotest leidde tot toegevingen. Zo kwam er in 1919 algemeen enkelvoudig stemrecht en kwam ook de 8-urenwerkdag tot stand (ook al duurde het tot 1928 vooraleer deze overal werd toegepast).

Dat was niet omdat de burgerij plots meende dat het wel nuttig zou zijn als de arbeiders minder lang zouden werken en zich bovendien zouden mogen organiseren, maar wel omdat de arbeidersklasse in een sterke krachtsverhouding stond tegenover de burgerij waardoor deze wel toegevingen moest doen om haar eigen positie te vrijwaren.

De Russische ervaring gecombineerd met slechte sociale omstandigheden in België, versterkten de linkse kritiek op het regeringsbeleid van onder meer de BWP. Ook binnen de BWP nam de spanning toe, wat uiteindelijk leidde tot een afsplitsing van een linkerzijde onder leiding van Jacquemotte, verantwoordelijke voor de bediendenbond in Brussel. Samen met een groep jongeren rond War Van Overstraeten (die uit de Socialistische Jonge Wacht kwam), vormde de groep van Jacquemotte in 1921 de Communistische Partij van België (KPB).

Opstandige stakingsbewegingen in 1932 en 1936

Pas in 1921 voelde de burgerij zich zelfzeker genoeg om de BWP uit de regering te verstoten en om een conservatief beleid te voeren. Dit gebeurde met de katholiek-liberale regering Theunis (1921-25). Dit had ademruimte kunnen geven aan de BWP om een consequente oppositie te voeren en te herstellen van het licht electoraal verlies in 1921. De oppositie bleek echter bijzonder zwak te zijn. De partij slaagde er zelfs in om geen steun te verlenen aan een staking in het staalbedrijf Ougrée-Marihaye in Seraing (najaar 1921). Ook de metaalbond weigerde deze staking te steunen, waarop de arbeiders op zichzelf aangewezen waren voor hun staking. Onder leiding van Julien Lahaut werd de staking verder gezet, waarop Lahaut uit de BWP werd gezet. De metaalbond verloor op het bedrijf duizenden leden en viel van 4.491 leden terug op 895. Lahaut, en met hem heel wat metaalarbeiders, vervoegde de communisten.

Het gebrek aan alternatief op het conservatieve beleid speelde de BWP maar ook de Syndicale Commissie parten. De vakbond werd meer opgenomen in het staatsapparaat, onder meer door het verantwoordelijk maken van de vakbonden voor de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen. Ook de coöperatieves stapten mee in de logica van het kapitalisme. Zo kocht de Bank van de Arbeid onder leiding van Anseele een katoenplantage in Congo.

Het ongenoegen van bredere lagen van de bevolking moest tot uitdrukking komen. Vanuit de BWP werd het verzet niet georganiseerd, zelfs niet gestimuleerd. Dat ondervonden de mijnwerkers in de Borinage die in 1932 een heroïsche staking organiseerden. De staking werd gesteund door de KPB en door de Socialistische Jonge Wacht (SJW, jongerenorganisatie van de BWP) maar tegengewerkt door de BWP. Op 4 juli 1932 betoogden 30.000 mijnwerkers in Brussel en nog eens 70.000 in Mons. De arbeiders controleerden een groot deel van Henegouwen waarbij ze zelf de touwtjes in handen namen. Zelfs het verkeer werd geregeld door arbeiders. Tegenover die dreigende arbeidersopstand, kondigde de regering een staat van beleg af met zware repressie. De volledige KPB-leiding werd bijvoorbeeld opgepakt. Onder druk van de basis, en vooral om een mogelijke uitbreiding te vermijden, zag de BWP zich gedwongen om op 12 juli 1932 de staking officieel te gaan steunen. Dit kon niet verhinderen dat op 16 juli 10.000 Kempische mijnwerkers eveneens in staking gingen als ondersteuning voor de kameraden uit de Borinage. De staking was erg radicaal en had een grote omvang, maar bij gebrek aan perspectief bloedde de staking in september 1932 toch dood. Eerdere voorstellen van de vakbondsleiding om het werk te hervatten, werden resoluut afgewezen door de arbeiders. Uiteindelijk werd een magere loonsverhoging van 1% afgedwongen.

De sociaaldemocratie had bij gebrek aan een antwoord op de economische crisis heel wat pluimen verloren. Uiteindelijk werd een mogelijk alternatief gevonden in het Keynesianisme. Dat is een economische leer die vertrekt vanuit het idee dat door overheidsinitiatieven op het vlak van infrastructuurwerken (aanleggen van wegen, bouwen van huizen,…) en de daarmee samen horende stijging van de koopkracht, de economie uiteindelijk terug kan aangezwengeld worden. Deze economische leer wil bovendien goedkope leningen bevorderen zodat ook op die basis een economische aanzwengeling mogelijk is. Door het versterken van de vraag, of toch van de potentiële vraag, wordt ervan uitgegaan dat een periode van economische crisis kan overbrugd worden. Er wordt met andere woorden vertrokken van het idee dat crisis ontstaat door een tijdelijk onevenwicht tussen consumptie en productie. Door de consumptie aan te wakkeren, zou dat onevenwicht verdwijnen.

Deze opvattingen vormden de basis voor het Plan van de Arbeid dat werd opgesteld door Hendrik De Man en al snel werd omgedoopt tot het Plan De Man. Dit plan werd op het kerstcongres van de BWP in 1933 enthousiast aangenomen door de partij en het leidde tot een massale campagne rond het plan met meetings, pamfletten, affiches, toneelopvoeringen,… De propagandacampagne rond het Plan De Man werd in 1934 doorkruist door het faillissement van de Bank van de Arbeid, de coöperatieve bank van de socialistische beweging. De bank was niet opgewassen tegen de economische crisis en moest de prijs betalen voor een aantal roekeloze investeringen.

Het Plan De Man werd uiteindelijk quasi volledig afgevoerd toen de BWP in 1935 toetrad tot een regering van nationale eenheid onder leiding van Van Zeeland, waarbij het regeringsprogramma niet gebaseerd was op het Plan. De BWP en De Man raakten steeds meer onder de invloed van autoritaire ideeën. In 1937 had De Man het over de nood aan een “socialisme national” en werd hij een vertrouwenspersoon van koning Leopold III, die in De Man een bondgenoot vond om een autoritair regime rond de koning te verdedigen.

Bij de verkiezingen van 1936 verloren alle traditionele partijen, waaronder ook de BWP. Samen verloren de drie grote partijen 17%, de BWP nam daar 5% van voor haar rekening. Bij deze verkiezingen was er een sterke vooruitgang van de KPB ter linkerzijde en van Rex en het VNV ter rechterzijde.

De verkiezingen van 1936 zorgden voor heel wat spanningen. In Antwerpen werden twee socialistische propagandisten tijdens een plaktocht vermoord door fascisten. Dit leidde tot een staking van de dokwerkers gedurende 24 uur op de dag van de begrafenis. Een week later gingen de dokwerkers opnieuw in staking, ditmaal rond economische eisen. De oproep werd ook gevolgd door de diamantbewerkers en sloeg zelfs over naar Luik. Daar was er onder meer een bedrijfsbezetting bij FN in Herstal, de eerste grote bedrijfsbezetting in de syndicale geschiedenis. De stakingsacties stuitten op repressie, wat de acties enkel verder deden uitbreiden. Ondanks oproepen van de socialisten en de christendemocraten om de kalmte te bewaren, kwam het tot een algemene staking.

De staking bleek een succes te zijn. In sectoren waar gevaarlijke of zware arbeid werd geleverd, kwam er een arbeidsduurvermindering tot 40 uur per week. De lonen stegen met 7% à 8%. Er kwam een minimumloon. Voor het eerst kwam er betaalde vakantie waardoor ook de arbeiders voor het eerst recht hadden op verlof.

Na Wereldoorlog Twee: internationale erkenning van het stakingsrecht

Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren stakingsacties in ons land verboden, wat overigens niet kon verhinderen dat er wel acties waren. Zo waren er in de bedrijven acties tegen het gebrek aan voedsel en de schaarste in het algemeen. In mei 1941 staakten 70.000 Luikse arbeiders die hiermee een loonsverhoging van 8% afdwongen. In november 1942 werd in Luik gestaakt tegen deportaties, in februari 1943 waren er 10.000 stakers in Charleroi tegen de deportatie van 800 arbeiders. De acties waren spontaan, het waren vooral strijdbare delegees en arbeiders die het voortouw namen en zelfstandig optraden.

Na de Tweede Wereldoorlog volgden nieuwe toegevingen aan de arbeidersbeweging, onder meer door de druk van het gevaar van revolutie van onderuit. De communistische partij KPB werd in de regering opgenomen, met onder meer de voorzitter van het Onafhankelijkheidsfront Fernand Demany als minister. De KPB dacht via regeringsdeelname stabiliteit in België te bekomen. Er kwamen sociale toegevingen, onder meer met het Sociaal Pact dat omgezet werd in de Besluitwet op de Sociale Zekerheid (28 december 1944), waarin de basis werd gelegd voor het stelsel van sociale zekerheid zoals we dat nog steeds kennen.

Het stakingsrecht werd uitdrukkelijk erkend in internationale verdragen, maar ook in rechtspraak. Het Hof van Cassatie stelde op 23 november 1967 dat een staking geen verbreking van de arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft, maar enkel de schorsing ervan. Dat is een technische formule die neerkomt op de erkenning van het stakingsrecht, ook bij een uitdrukkelijk politieke staking zoals die van 1960-61 waar de uitspraak van het Hof van Cassatie betrekking op had. Er werd vastgesteld dat een stakende werknemer het werk niet neerlegt om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De uitspraak van Cassatie weerhield rechters er niet van om in de jaren 1970 nog ontslagen van strijdbare delegees met dat contractuele argument goed te keuren. Dit gebeurde niet toevallig op een ogenblik van voornamelijk spontane stakingen die niet door de vakbondsleiding gesteund werden.

Naar aanleiding van een staking in de Antwerpse petroleumsector in 1976 tegen het ontslag van Miel De Bruyne, een strijdbare delegee, stelde het Hof van Cassatie dat een staking op zich geen onrechtmatige daad kan zijn. Het hoogste rechtscollege wees op de impliciete erkenning van het stakingsrecht in de Wet Prestaties Algemeen Belang in Vredestijd. Deze wet regelt de vitale werkzaamheden op een ogenblik van een collectief conflict, denk maar aan de opvorderingen van personeel in de ziekenhuizen om dringende gezondheidszorg te garanderen of personeel dat nodig is om de veiligheid te garanderen. Ook de Arbeidsovereenkomstenwet bevatte reeds een impliciete erkenning van het stakingsrecht in het verbod om een werknemer te vervangen op het ogenblik dat de arbeidsovereenkomst geschorst is door een staking.

Internationaal werd het stakingsrecht meermaals impliciet en expliciet erkend. Artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) uit 1950 stelde: “Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.” In de zaak Enerji Yapi Yol Sen erkende het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 2009 dat de rechten in dit artikel 11 van het EVRM ook het stakingsmiddel omvatten. Artikel 6.4 van het Europees Sociaal Handvest uit 1961 – maar in ons land pas geratificeerd in 1990, besparingsverdragen worden doorgaans een pak sneller in nationale wetgeving omgezet – erkent het recht van werknemers en werkgevers om collectief op te treden bij een belangengeschil.
De erkenning van het stakingsrecht deed de aandacht van de werkgevers verschuiven naar de “begeleidende omstandigheden”, feitelijkheden zoals het opzetten van een stakerspost of een wegblokkade die plots los gezien werden van het stakingsrecht op zich. Er waren uitspraken waarin onder meer stakersposten of piketten werden erkend als onderdeel van het stakingsrecht. Dit gebeurde onder meer door Cassatie in 1997 en het Hof van Beroep in Antwerpen in 2004. Op internationaal vlak erkende het Europees Hof van Justitie dat een wegblokkade waarbij het verkeer wordt tegengehouden onderdeel kan zijn van het recht op collectieve actie (Schmidberger arrest van 2003 over een actie op de Oostenrijkse Brennerpas).

Krachtsverhoudingen bepalend

Op basis van strijd en een krachtsverhouding is het recht op collectieve actie, waaronder het stakingsrecht, afgedwongen. De belangrijkste stappen vooruit kwamen er op ogenblikken dat de burgerij bang was voor opstandige bewegingen van de arbeidersklasse, onder meer na beide Wereldoorlogen. De gerechtelijke erkenning van het stakingsrecht volgde nadien, maar was net zoals de internationale regelgeving nooit van doorslaggevend belang voor de praktijk van een erkenning van het stakingsrecht. Nog voor er sprake was van Europese regels of van een technische erkenning van het stakingsrecht door het Hof van Cassatie, was dit recht in de praktijk afgedwongen.

Doorheen het beperkte historische overzicht hierboven werd duidelijk dat de rechtbanken en -hoven net zomin als de internationale instellingen bepalend waren voor het bekomen van het stakingsrecht. Bij het verdedigen van dit recht moeten we daar rekening mee houden. Een inzicht in hoe onze rechten afgedwongen zijn, versterkt ons in de verdediging ervan nu deze onder vuur liggen.

Als de rechterzijde vandaag tot een offensief tegen het stakingsrecht overgaat, heeft dit veel te maken met de defensieve positie waar de arbeidersbeweging de afgelopen decennia inzat. Het verdwijnen van de stalinistische karikaturen van socialisme in het Oostblok maakte een einde aan wat gezien werd als een ‘reëel bestaand alternatief’. Neoliberale ideologen grepen het aan om het ‘einde van de geschiedenis’ uit te roepen, het kapitalisme had overwonnen. De werkgevers zagen een kans om geruggesteund door het ideologische offensief hun agenda sterker op te leggen. De leiding van de arbeidersbeweging wankelde, een deel ging bijzonder ver in het aanvaarden van de logica van het kapitalisme.

Zeker waar de arbeidersbeweging harde nederlagen leed, zoals met de Britse mijnwerkersstaking onder Thatcher in de jaren 1980, werd ook het recht op actievoeren hard aan banden gelegd. Bij ons werden stappen in die richting gezet, onder meer met GAS-boetes waarmee vreedzame acties ontmoedigd en bestraft worden of met allerhande regels voor het erkennen van betogingen. Naar aanleiding van de vervolging van activisten die protesteerden tegen genetisch gemodificeerde organismen, de aardappelactivisten die een GGO-veld bestormd hadden, stelden enkele progressieve professoren in een opiniestuk: “De ruimte om actie te voeren staat onder druk. Denk aan de GAS-boetes waarmee steeds vaker vreedzame acties worden ontmoedigd en bestraft. Nochtans is actievoeren een cruciaal middel in het arsenaal van sociale bewegingen om onze democratie te blijven voeden en verdiepen. De ‘normale’ politieke en juridische kanalen volstaan vaak niet om sociale verandering te stimuleren. Ook al zijn fundamentele rechten als vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering in onze grondwet ingeschreven, niet alle stemmen wegen even zwaar door. Veel van de sociale verworvenheden die we vandaag vanzelfsprekend vinden, hebben we te danken aan de acties en de ongehoorzaamheid van mensen die zich verenigden om die veranderingen af te dwingen. Of waren de mensen die staakten en op straat kwamen voor algemeen stemrecht ook lid van een criminele bende?” (De Standaard 2 juni 2014).

De erkenning van het stakingsrecht is geen morele kwestie, het is het resultaat van een krachtsverhouding waarbij de arbeidersbeweging rechten afdwingt op basis van zijn aantal en zijn organisatiegraad.

Print Friendly, PDF & Email