Nepal. Welke weg vooruit na de grote massabewegingen van 2006 en 2009?

In mei dit jaar toonden de Nepalese massa’s eens te meer hun honger naar revolutionaire verandering. Ze kwamen met tienduizenden op straat na een oproep van de Verenigde Communistische Partij van Nepal (Maoïst) – UCPN (M). Die partij had opgeroepen tot een algemene staking en betogingen op 1 mei om het ontslag te eisen van de nieuwe premier Madhav Kumar Nepal.

De algemene staking bracht het land tot stilstand. Meer dan een half miljoen mensen betoogden door de hoofdstad Kathmandu. Op 6 mei werd Kathmandu omsingeld door een menselijke ketting die de 27 kilometer lange ring rond de stad vulde. Op dezelfde dag was er een grote bijeenkomst in de stad. Deze grote mobilisatie toonde de hoop op verandering en ook werd aangetoond dat de maoïsten nog steeds een grote steun krijgen onder de 30 miljoen bewoners.

Deze algemene staking (Bandth) was een initiatief van de maoïsten na een lang conflict met de voorlopige regering die er kwam na het einde van de 10 jaar durende burgeroorlog in Nepal. De maoïsten stapten uit de regering nadat hun leider en premier, Puspa Kamal Dahal (beter bekend als Prachanda), ontslag nam in mei 2009. Dat ontslag was een reactie op het feit dat zijn beslissing om het hoofd van het leger, Rookmangud Katawal, aan de kant te schuiven omdat hij zich verzette tegen de pogingen om de gewapende vleugel van de maoïsten, het Volksbevrijdingsleger (PLA), in het leger te integreren. Deze inspanningen werden gesaboteerd door de rechterzijde in het leger. De legerleiders die steeds erg loyaal waren tegenover de koninklijke familie hadden zich openlijk verbonden aan de rechtse partijen binnen de voorlopige regering. Deze versterking van de reactionaire krachten in het land werd gesteund door de regeringen van India en China. Het vormt een belangrijke bedreiging voor de belangen van de arbeiders en hun gezinnen. De geslaagde algemene staking en de massale bijeenkomsten tonen aan hoe deze bedreiging kan worden beantwoord. Het is overigens niet de eerste keer dat de Nepalese massa’s hun wil tot revolutionaire verandering toonden.

Massabeweging in april 2006 en erna

De belangrijkste veranderingen in de moderne geschiedenis van Nepal begonnen met de massabeweging van april 2006. Deze beweging leidde tot de afschaffing van het autoritaire monarchistische bewind. Ook deze beweging toonde de breed verspreide wil tot verandering. De massa’s wilden niet enkel de afschaffing van de monarchie, maar ook echte democratie en een einde van de armoede en ongelijkheid. De oproep voor de algemene staking van 2006 kwam er begin april op initiatief van de burgerlijke Nepali Congrespartij (NC), de Communistische Partij van Nepal (Verenigde marxist-leninisten) die bekend staat als de UML, en andere partijen van de Alliantie van Zeven Partijen (SPA). De oproep kreeg ook steun van de Verenigde Communistische Partij van Nepal (Maoïstisch), de UCPN (M). Geen enkele partij was voorbereid op de enorm explosieve situatie in het land. De woede kwam tot uitbarsten en trok de rest van de massa’s mee in actie.

De partijen in de SPA kwamen pas tegen de koning op toen die zich tegen hen keerde en het leger inzette om de volledige macht te grijpen. Voordien hadden een aantal leiders van de SPA probleemloos een rol gespeeld in dienst van de koning en steunden ze de aanvallen op de maoïsten. Onder druk van het enorme ongenoegen onder de arbeiders, boeren en armen en de actiebereidheid onder die lagen, hadden de rechtse partijen van de SPA geen keuze en moesten ze zich omvormen tot oppositiekrachten tegen de koning.

Op dat ogenblik hadden de maoïsten na een jarenlange strijd tegen het leger een groot deel van het platteland onder controle. Ze hadden zich steeds verzet tegen de monarchie en ze vonden steun bij de plattelandsbevolking en delen van de arbeidersklasse. Met een correct perspectief en programma en een stevige leiding had deze beweging kunnen leiden tot socialistische revolutionaire conclusies, er waren immers heel wat klassieke elementen van een revolutionaire situatie aanwezig. De massabeweging omvatte niet alleen de arbeiders en boeren, maar ook delen van de intellectuelen en de middenklasse die bereid waren om op te komen voor een nieuwe sociale orde. De heersende klasse was verward en haar macht stond onder druk. De koning en het leger waren niet voorbereid op de algemene staking en de massale opstand. Deze gunstige omstandigheden hebben echter niet automatisch geleid tot een omvorming van de samenleving.

Ook moet worden opgemerkt dat een socialistische revolutie in één land niet lang zal standhouden tenzij er uitbreiding van de revolutie is in andere landen. Bij een revolutie in een klein land als Nepal zullen er direct druk en aanvallen komen vanwege kapitalistische regeringen en in dit geval zeker van India. De socialistische revolutie kan zich niet beperken tot het nationale terrein maar moet zich internationaal uitbreiden om te kunnen overleven. Een oproep naar de internationale arbeidersklasse is dan ook van cruciaal belang.

De beweging had ook nood aan een organisatie, een leiding die de arbeiders en boeren en anderen bijeen bracht in comités geleid door de arbeiders om de revolutie voor te bereiden. De maoïstische leiders zagen niet hoe ze de beweging konden ontwikkelen om tot revolutionaire verandering te komen en ze kozen er ten onrechte voor om samen te werken met de rechtse SPA. Het feit dat de maoïsten beroep deden op de rechterzijde die voorheen verantwoordelijk was voor het in stand houden van de monarchie verzwakte de beweging. Het gaf ook vertrouwen aan de pro-kapitalisten. De maoïsten stelden dat er eerst een burgerlijke democratie in een kapitalistisch systeem moest komen en dat pas daarna de kwestie van socialisme op de agenda kan staan. Deze tweestadiatheorie negeert de vraag hoe echte democratische rechten kunnen worden afgedwongen en verdedigd in het belang van de arbeiders, tegen de achtergrond van de huidige kapitalistische crisis is dat des te meer een belangrijke vraag. En hoe kan het eerste stadium van kapitalistische ontwikkeling worden bereikt zonder uitbuiting van de arbeiders en armen?

Permanente revolutie

Het CWI heeft al vaak uitgelegd dat de “stadiatheorie” geen uitweg aanbiedt. In de neokoloniale landen is de nationale burgerij niet in staat om te breken met het imperialisme en de historische taken van de burgerlijke democratische revolutie te vervullen. Taken zoals het elimineren van de feodale en semi-feodale verhoudingen, het oplossen van de nationale kwestie en het vestigen van democratische structuren die een ontwikkeling van de industrie en de economie mogelijk maken, kunnen door de nationale burgerij niet worden vervuld in de neokoloniale landen. De burgerlijke democratische revolutie in Frankrijk waarmee een einde werd gemaakt aan het regime van koning Lodewijk XVI in 1793, betekende het begin van het einde van het feodalisme in heel de wereld. In veel geïndustrialiseerde landen in het westen speelde de kapitalistische klasse een rol in de revolte tegen het feodalisme en het voorbereiden van de weg voor een verdere ontwikkeling van het kapitalisme. Het argument dat een gelijkaardige ontwikkeling mogelijk is in de moderne periode en dat ieder land door dit “stadium” moet gaan vooraleer een socialistische omvorming van de samenleving op de agenda kan staan, is foutief. De Russische revolutie in 1917 en heel wat revolutionaire bewegingen nadien hebben aangetoond dat deze theorie verkeerd is.

In de tweede helft van de jaren 1920 duwde de stalinistische bureaucratie de Chinese revolutionairen in het zogenaamde blok van vier klassen – de arbeiders, boeren, intellectuelen en anti-imperialistische burgerij – om daarmee de revolutie te leiden. Dat heeft Tsjang-Kai-Shek toegelaten om ervoor te zorgen dat het burgerlijke blok kon overleven om nadien de revolutie bloedig neer te slaan in 1926-27. Het bloedbad dat dit met zich mee bracht, maakte duizenden slachtoffers onder de revolutionairen en arbeiders. Na de nederlaag van Tsjang-Kai-Shek in de Tweede Wereldoorlog vluchtten de kapitalisten en grootgrondbezitters uit China. Er ontstond een vacuüm waar het Rode Leger in kon stappen. Het Rode Leger was voornamelijk een boerenleger onder leiding van de bonapartist Mao Zedong. Mao probeerde tussen de verschillende klassen te schipperen en baseerde zich niet op de Russische arbeidersdemocratie van 1917 maar op het stalinisme. In zekere zin begon Mao waar Stalin was geëindigd.

Het karakter van het regime dat de macht greep, werd snel duidelijk. Ondanks het doorvoeren van landhervormingen en een geplande economie, voornamelijk onder druk van onderuit, werd er geen arbeidersdemocratie gevestigd en kwam er geen echte ontwikkeling van een socialistische revolutie. De beweging had zich gebaseerd op de boeren en andere feodale klassen waardoor de bureaucratie vast zat en zelfs strijd moest leveren om beperkte “democratische” hervormingen door te voeren. Dit bracht Mao Zedong er toe om een aantal kritieken te leveren op onderdelen van de stalinistische benadering en nadien (eind jaren 1950) zelfs te spreken over een zogenaamde “continue revolutie”. Dat was een reactie op de tegenstellingen de nog steeds bestonden in de samenleving en het verlammende effect van een opkomende bureaucratie naar het beeld van de Stalinistische bureaucratie in de Sovjetunie. Mao maakte bochten tussen centralisatie en decentralisatie en verschillende maatregelen zorgden ervoor dat er regionale en lokale bureaucratieën ontwikkelden. Het feit dat er geen echte breuk werd gemaakt met het stalinisme heeft het leven gekost van miljoenen Chinese arbeiders.

De nationale burgerij in onderontwikkelde landen heeft haar lot verbonden aan het internationale kapitalisme en zal geen leidinggevende rol spelen, ze zal hoogstens de hervormingen toelaten die de internationale kapitalisten in staat stellen om de middelen van het land beter te kunnen plunderen en om iedere poging tot landhervorming te blokkeren. De nationale burgerij zal een obstakel blijven voor de belangen van de arbeiders en armen. Indien deze krachten niet worden gebroken, dan is een echte ontwikkeling van de economie en oprechte democratie niet mogelijk. De historische taak om de democratische revolutie door te voeren moet worden vervuld door de arbeidersklasse. Deze marxistische benadering van hoe een revolutie kan ontwikkelen in een neokoloniaal land wordt het beste uitgedrukt door Leon Trotski’s theorie van de permanente revolutie. Trotski legt uit dat het doorvoeren van de democratische elementen van ontwikkeling in de koloniale en semi-koloniale landen enkel mogelijk is door de arbeidersklasse die ook de arme boeren achter zich verzamelt.

In een recente inleiding tot een nieuwe vertaling van Trotski’s boek “Permanente Revolutie” in het Urdu beschrijft Peter Taaffe deze processen:

“Het was Marx die op basis van de ervaring van de revoluties van 1848 voor het eerst sprak over het ‘permanente’ karakter van de revoluties. Hij schreef in 1850: “Het is in ons belang en onze taak om de revolutie permanent te maken tot alle meer of min bezittende klassen uit hun heersende posities zijn verdreven.” Trotski ging verder en kwam tot de conclusie dat de boeren zich achter het vaandel van de arbeidersklasse moeten scharen om samen de macht te grijpen waarna de arbeidersklasse haar socialistische taken kan uitvoeren op nationaal en internationaal vlak.

“Dit was een anticipatie van wat zou gebeuren in de Oktoberrevolutie van 1917. De arbeidersklasse nam de macht in Petrograd, het centrum van revolutionaire opstanden op dat ogenblik, en in Moskou. Er werd een oproep gedaan aan de massa’s op het platteland waarbij de boeren werden overgewonnen. De onteigende grootgrondbezitters sloegen de handen in elkaar met de kapitalisten, zowel de “liberale” als de reactionaire vleugels, in een poging om de Russische revolutie de kop in te drukken. De boeren sloten zich tijdens de drie jaar durende burgeroorlog aan bij de arbeiders en hun partij, de Bolsjewieken, omdat ze begrepen dat zij de enigen waren die hen grond zouden bezorgen. Zelfs de interventie van 21 imperialistische landen waardoor de revolutie op een bepaald ogenblik beperkt was tot de provincie van Muscovy rond Petrogrand en Moskou, kon de triomf van de revolutie niet stoppen..” (De permanente revolutie vandaag, door Peter Taaffe)

Dit citaat heeft het over het dilemma waarmee de maoïstische leiding in Nepal wordt geconfronteerd met de vraag of een socialistische revolutie mogelijk is in een land waar er nog geen numeriek krachtige arbeidersklasse bestaat en waar er zowel intern als extern militaire repressie en druk bestaat in het geval van een revolutie. In recent materiaal van het CWI, zoals de nieuwe inleiding op het boek “Che Guevara. Symbool van strijd” van Tony Saunois, maakten we duidelijk dat de arbeidersklasse in Nepal procentueel gezien sterker staat dan in het pré-revolutionaire Rusland. De samenstelling en het karakter van de arbeiders in het pré-revolutionaire Rusland was anders da in Nepal waar er geen industriële basis is. Maar los van haar omvang heeft de arbeidersklasse het potentieel om de socialistische omvorming van de samenleving te leiden.

De arbeidersklasse in Nepal blijft een beslissende rol spelen, dat werd duidelijk in de succesvolle algemene stakingen. De kracht van de arbeidersklasse om de samenleving tot stilstand te brengen werd daarbij aangetoond. Het organiseren en mobiliseren van de boeren is een cruciaal onderdeel in de opbouw van een massabeweging in het land. Maar dit moet verbonden worden aan de arbeidersbeweging, ook in stedelijke gebieden, die uiteindelijk een revolutionaire verandering kan doorvoeren. Het voeren van een boerenoorlog op het platteland kan een belangrijk hulpmiddel zijn om de strijd voor revolutionaire verandering te ondersteunen. Maar enkel indien de arbeidersklasse de controle over de samenleving overneemt, kunnen echte landhervormingen worde doorgevoerd en verdedigd. Zij zijn de enigen die in staat zijn tot het vervolledigen van de taken van de democratische revolutie.

In de neokoloniale wereld is de kapitalistische klasse verbonden aan de grootgrondbezitters. Ze is niet in staat om echte landhervormingen door te voeren. Dat is onmogelijk indien een coalitie wordt gevormd met de rechterzijde die de grondeigenaars verdedigt. De zogenaamde landhervormingen die werden doorgevoerd toen de maoïsten in de overgangsregering zaten, waren beperkt tot de grond die illegaal in handen van de grootgrondbezitters was gekomen. Deze tegenstellingen werden tot nu toe genegeerd door de maoïsten die blijven geloven dat ze een regering met een “socialistische oriëntatie” kunnen vormen in een coalitie met rechtse krachten die korte tijd geleden geen enkel probleem hadden met steun aan de monarchie.

Het idee dat de arbeidersbeweging kan worden versterkt door allianties over de klassen heen, is verkeerd. Het gaat niet om pure wiskunde waarbij aantallen bij elkaar worden opgeteld om de krachten voor de revolutie te vergroten. De wet van parallelle krachten is ook van toepassing op politiek vlak. Als politieke bondgenoten in een verschillende richting willen gaan, is het resultaat van de alliantie vaak dat er niets gebeurt. De belangen van de arbeiders verschillen op essentiële punten van de belangen van de kapitalisten en grootgrondbezitters. Deze staan diametraal tegenover elkaar. Een alliantie zal er enkel toe leiden dat de revolutionaire krachten worden verlamd. Onder die omstandigheden worden de belangen van de massa’s beter gediend door een onafhankelijke organisatie dan door een coalitie van krachten die in verschillende richtingen gaan. De stalinistische theorie van het volksfront en stadia vormden een excuus voor diegenen die voor een alliantie van verschillende klassen opkwamen om zich van een marxistische retoriek te bedienen. De aanhangers van het idee van een volksfront gaan voorbij aan het voorbeeld van wat Lenin en de Bolsjewieken deden tussen februari en oktober 1917.

De stadiatheorie waarbij de arbeiders onder controle worden gehouden om de burgerij een democratische revolutie te laten doorvoeren, heeft in verschillende landen geleid tot een nederlaag voor de revolutie. Het idee dat met de kapitalisten moet worden samengewerkt om “democratie” af te dwingen, betekent in werkelijkheid dat de onafhankelijke positie van de arbeiders wordt opgegeven om democratie voor een kleine minderheid af te dwingen en geen democratie voor de massa’s. Het is hetzelfde idee dat de Chinese revolutie van 1925-27 op een zijspoor zette. De huidige ondemocratische en steeds meer kapitalistische Chinese regering beweert nog steeds dat het de ideeën van hun grote leider Mao volgt, maar ze doet er intussen alles aan om de maoïsten in Nepal te onderdrukken.

Hetzelfde argument van de stadiatheorie heeft de ontwikkeling van revolutionaire krachten in India tegengehouden. Decennialang hebben de pro-kapitalistische leiders van de Communistische Partij van India (Marxistisch) – CPI (M) – een erg negatieve rol gespeeld door samen te werken met lokale en internationale kapitalisten in het aanvallen van de arbeiders. Ze waren direct en indirect verantwoordelijk voor agressie van de Indische regering tegen wie probeerde terug te vechten. Dat was erg duidelijk in Nandigram in het door de CPI(M) gecontroleerde West Bengalen waar de autoriteiten het vuur openden op de boeren waarbij heel wat doden vielen en 20.000 mensen moesten verhuizen om plaats te maken voor de Indonesische multinational Salim Groep. Ze stemden voor de wetgeving die de regering voorstelde om speciale economische zones op te zetten, zones die een extreme uitbuiting door multinationals mogelijk moeten maken. Ze steunen ook het Indische beleid tegen de maoïsten in Nepal. Ze doen dit ook in naam van het marxisme en met het argument van de tweestadiatheorie. Een lid van het politburo van de CPI(M), Jyoti Basu, die recent overleed, verklaarde: “Socialisme is onze agenda en het staat in ons programma, maar het kapitalisme zal ons de komende jaren worden opgelegd.” Steeds minder arbeiders, boeren en armen in India zien de CPI(M) als hun partij die hun strijd kan leiden. Deze partij, deze leiding, deze filosofie heeft niets met marxisme te maken. Deze partij is niet van nut in de strijd voor de bevrijding van de onderdrukten. Er zijn natuurlijk wel gewone leden die zoeken naar een alternatief en wie een echt marxistisch antwoord wil, moet breken met de CPI(M) en samenwerken met echte revolutionaire krachten zoals deze van New Socialist Alternative, de Indische CWI-afdeling.

De maoïsten in Nepal zouden wel eens hetzelfde lot kunnen ondergaan als de CPI(M) in India als ze dezelfde koers blijven volgen. De maoïstische leiders verklaren dat Nepal door een historische overgang van feodalisme naar kapitalisme gaat. Om het zogenaamde stadium van parlementaire democratie te vestigen, zouden er volgens hen “institutionele veranderingen” nodig zijn en daarom vermijden ze confrontaties met de rechtse krachten en komen ze op voor een machtsdeling met rechts. De SPA heeft deze kans aangegrepen om de eigen positie te stabiliseren. Door de kracht van de beweging had de SPA geen keuze en moest ze wel een einde maken aan de autocratische monarchie. Het hypocriete karakter van de SPA werd meteen duidelijk. De maoïsten legden nadruk op de afschaffing van de monarchie, maar de SPA wou niet zo ver gaan. De rechtse alliantie stelde voor om tot een compromis te komen waarbij de koning een ceremoniële functie zou vervullen. De maoïsten bleven echter aandringen op de volledige afschaffing van de monarchie en dat bereidde de weg voor naar de vestiging van een republiek en een grondwetgevende vergadering die een nieuwe grondwet moest opmaken.

De maoïsten waren minder vastberaden op andere punten en dat zou doorslaggevend zijn voor de aard van de nieuwe samenleving. Toen de maoïsten in juni 2006 een 12 puntenakkoord ondertekenden met de SPA om verkiezingen voor een grondwetgevende vergadering te organiseren, stemden ze in met een aantal punten waarmee de revolutionaire beweging en de maoïsten zelf werden gebroken. Ze stemden in met “een vastberaden houding inzake de bescherming van de nationale soevereiniteit, de geografische integriteit en de nationale eenheid van het land.” Dit versterkte de angst onder nationale minderheden en nationalistische elementen speelden daarop in om de bevolking op te zetten tegen de maoïsten. Er werden verschillende nationale bevrijdingsgroepen opgezet, zoals het Terai Bevrijdingsfront dat ontstond in 2007. De nationale eenheid mag niet in de weg van de rechten van minderheden staan, het recht op zelfbeschikking moet steeds worden gegarandeerd. De maoïsten gingen ook in met “vriendelijke relaties op basis van het principe van co-existentie met alle landen van de wereld en een goede burenrelatie met de omliggende landen, in het bijzonder met India en China.” Samenwerking met kapitalistische regeringen dus en geen klassenoproep tot internationale solidariteit van de arbeiders en armen. Dat is een cruciale fout aangezien het westerse en het regionale imperialisme vrij openlijk was en is over de pogingen om in de SPA een bondgenoot te zoeken in de strijd tegen de maoïsten aangezien die een bedreiging vormen voor hun belangen.

De leiders van de SPA hebben meermaals ontmoetingen gehad met de Indische autoriteiten die er op aandringen dat de maoïsten geen prominente posities kunnen innemen in de regering. De SPA gebruikte de welwillendheid van de maoïsten in de aanloop naar de eerste verkiezingen om zichzelf te stabiliseren en haar krachten te consolideren. Ze slaagden er in om te vermijden dat de maoïsten een meerderheid kregen, ook al haalden de maoïsten een enorm electoraal succes in de eerste verkiezingen (in 2008). De maoïstische overwinning was niet de volledige verrassing die rechtse commentatoren ervan hadden gemaakt. Een stem voor de maoïsten werd door veel werkenden gezien als een uitweg uit armoede en miserie. De maoïsten vormden een voorlopige regering in coalitie met de rechtse partijen, maar ze slaagden er niet in om tot een akkoord te komen inzake de nieuwe grondwet.

Er was nood aan de ontwikkeling van een onafhankelijke politieke kracht die de arbeiders, boeren en armen kon organiseren. Een coalitie met de SPA, een alliantie van partijen die de belangen van het internationale en regionale imperialisme dienen, was een obstakel om de belangen van de arbeiders en armen centraal te stellen. De maoïstische leiders slaagden er niet in om op voorhand te zien dat ze in een onmogelijke situatie zouden terecht komen. Deze onmogelijke situatie was het resultaat van hun perspectieven die beperkt werden door de tweestadiatheorie.

De tweestadiatheorie zelf wordt in vraag gesteld door de massa’s die de burgerlijke partijen in de voorlopige regering als vijanden zien. Onder druk van onderuit hebben de maoïstische leiders het falen van een aantal traditionele argumenten moeten erkennen. In een recent partijdocument wordt toegegeven dat de samenwerking met de rechterzijde in de voorlopige regering heel wat beperkingen met zich mee bracht. Het document stelt: “We moeten nederig toegeven dat we de verwachte en mogelijke verwezenlijkingen niet konden bereiken als gevolg van aan de ene kant het feit dat we moesten werken binnen het kader van de oude reactionaire staatsmachine…”

Als deze beperking wordt beseft, zou er iets moeten worden ondernomen om er op te antwoorden. De ideeën van de permanente revolutie zijn van cruciaal belang om de beweging te ontwikkelen. De maoïsten zien zich overigens steeds meer genoodzaakt om het trotskisme te bestuderen. De vice-voorzitter van de UCPN(M), Baburam Bhattarai (beter bekend als Laldhwaj), zou het volgende hebben gezegd: “In deze context moeten marxistische revolutionairen erkennen dat het trotskisme relevanter is geworden dan het stalinisme voor het proletariaat.” Moest dat ernstig worden genomen, dan zou het een belangrijke stap vooruit geweest zijn in het denken en de strategie van de maoïsten. Het lijkt er echter op dat ze nog steeds bang zijn om een “grote stap” te zetten in hun denken.

De overwinning van de Russische revolutie in oktober 1917 werd mogelijk omdat de bolsjewieken weigerden om steun te geven aan de voorlopige regering, een coalitie van arbeiderspartijen en burgerlijke partijen. Deze coalitie was niet in staat om een grondige landhervorming door te voeren, echte democratie in te voeren of andere burgerlijke democratische eisen in te willigen. Reactionaire contra-revolutionaire elementen hoopten deze voorlopige regering te kunnen gebruiken om de arbeiders en arme boeren tegen te houden en tijd te winnen om nadien de macht terug te verwerven. De bolsjewieken stonden vooraan in de strijd tegen de contra-revolutie en legden uit dat de sleutel tot succes voor de revolutie afhankelijk was van het aan de macht komen van de arbeidersklasse en armen.

Voor 1917 was er heel wat discussie over het karakter van de verdere revolutie. Trotski en Lenin waren het eens dat de arbeiders en boeren de belangrijkste krachten in de massabeweging zouden vormen om de taken van de kapitalistische democratische revolutie. Lenin bracht dit evenwel naar voor als een “algebraïsche formule” waarbij hij de vraag openliet welke klasse de alliantie zou domineren: de arbeidersklasse en de boeren. Maar Trotski ging verder en stelde dat de boeren in de geschiedenis nooit een onafhankelijke rol hebben gespeeld en dat ze altijd naar een leiding zoeken in stedelijke gebieden.

Lenin nam Trotski’s opvattingen over toen hij zich verzette tegen deelname aan de voorlopige regering in 1917. Hij moest in april een programma uitwerken om de revolutie tot een overwinning te brengen. Hij bracht daarin onder meer volgende elementen naar voor: geen steun aan de voorlopige regering, alle macht aan de sovjets, stop de oorlog, in beslag nemen van de grote landeigendommen, nationalisatie van de banken, arbeiderscontrole op de fabrieken, de vervanging van de politie en het leger door een arbeidersmilitie, de vervanging van de oude staatsbureaucratie door een arbeidersregime en het opzetten van een nieuwe internationale. Lenin begreep dat dit allemaal niet mogelijk was tenzij de arbeidersklasse de macht greep. Lenin schreef dit op een ogenblik dat een aantal bolsjewistische leiders in het land, waaronder Stalin, opkwamen voor steun aan de pro-kapitalistische voorlopige regering voor zover het de verworvenheden van de revolutie zou verdedigen en in de verre toekomst zou de arbeidersklasse dan wel eens de macht kunnen grijpen. Lenin stelde in zijn Aprilstellingen echter dat er geen enkele steun mocht worden gegeven aan de voorlopige regering. Daarmee volgde hij Trotski’s theorie van de permanente revolutie zoals deze was ontwikkeld door de ervaring van de revolutie van 1905. Dat is een cruciale les voor alle revolutionairen.

De maoïsten in Nepal bevinden zich op een belangrijk keerpunt. Ze worden tegengehouden door hun oude perspectieven. Ze moeten breken met hun traditionele standpunten en beweren nu dat ze voor een Nepalese versie van het marxisme staan, ze noemen dat de “Prachanda weg” (genoemd naar de voorzitter van de UCPN(M), Puspa Kamal Dahal alias Prachanda). Deze vorm van zogenaamd lokaal marxisme is net als dit het geval was met de maoïstische groepen in Peru een uitdrukking van een bocht naar rechts door de leiding van de partij. In Rusland kwamen de arbeiders niet aan de macht door een Russische versie van het marxisme, maar door een correct begrip en toepassing van het marxisme. Deze zogenaamd nieuwe versie van het marxisme moet overigens nog altijd een antwoord bieden op de kwestie van hoe de revolutie in Nepal kon worden doorgevoerd. Baburam Bhattarai stelde in een interview: “We slaagden er in om een einde te maken aan de feodale monarchie. Maar het sociaal-economisch systeem is niet radicaal veranderd. De noodzaak om de democratische revolutie te vervolledigen bestaat nog steeds en onze partij richt er zich op om deze democratische revolutie te vervolledigen rekening houdend met de specifieke elementen van Nepal en de wereldsituatie. We willen ervoor zorgen dat deze radicale hervorming plaats vindt door een democratisch en grondwettelijk proces, maar de mogelijkheden daartoe worden beperkt door de reactionaire krachten die zich opmaken om te strijden tegen de radicale krachten in het land. In die context lijkt de optie van een vreedzame ontwikkeling van de revolutie steeds meer achterhaald te zijn.”

Dit toont aan dat de maoïstische leiders de beperkingen erkennen, maar niet bereid zijn om hun perspectieven aan te passen en acties te ondernemen om de moeilijkheden te overkomen. Ze hopen nog steeds dat het proletariaat en de revolutionaire massa’s zullen samenwerken met de burgerij in het vestigen van een zogenaamde democratische revolutie in Nepal.

Maar de rechterzijde zal er alles aan doen om de beweging te verdelen zodat ze zelf aan de macht kunnen blijven. Ze zal niet aarzelen om het leger in te zetten of om het leger te gebruiken om een grondwettelijke staatsgreep te plegen door een nieuwe grondwet op te maken waarmee de revolutionairen van de macht kunnen worden gehouden. Hoe meer de maoïsten nu op de rem gaan staan, hoe meer de rechterzijde en de contrarevolutionaire krachten zich kunnen versterken door in te spelen op bestaande tegenstellingen en door meer tegenstellingen langs nationale, religieuze, etnische en kastenlijnen te creëren onder de arbeidersklasse en door de middenlagen tegen de arbeiders op te zetten. Dat zal ook een effect hebben op de UCPN(M). De vraag is hoe lang dit een verenigde partij zal blijven, er wordt onder meer gewezen op belangrijke meningsverschillen tussen de voorzitter en de vice-voorzitter van de partij. De opkomende tegenstellingen zijn in zekere zin een uitdrukking van de noodzaak om op te komen voor een correcte politieke koers.

Tijdens de protestbeweging in april 2006 gingen de maoïsten niet in tegen de massale rechtse propaganda en de pogingen om de beweging te verdelen omdat ze opkwamen voor een eenheid over de klassen heen tegen de dictatoriale monarchie. Nu beginnen ze steun te verliezen onder een aantal arbeiders en intellectuelen met hogere inkomens. Deze betere inkomens komen niet zo vaak voor, maar deze mensen hebben een groot sociaal gewicht in de Nepalese samenleving. De SPA probeert aansluiting te vinden bij deze lagen. Als er een beslissende stap wordt gezet naar sociale verandering, dan is het mogelijk om de middenlaag en intellectuelen over te winnen naar de kant van de arbeiders. Maar als er geen belangrijke stappen worden gezet, dan kunnen ze door de heersende kapitalistische klasse overtuigd worden om hun kant te kiezen. Daarom is het essentieel om stappen te zetten in de richting van een socialistische omvorming van de samenleving en om de kansen van de kapitalisten om steun te verwerven zoveel mogelijk te beperken.

“Laatste duw” en daarna

De zogenaamde “laatste duw”, de oproep voor een nieuwe algemene staking in mei dit jaar, leverde na zes dagen nets op. 22 partijen betuigden hun steun aan de nieuw aangestelde premier en veroordeelden de maoïsten en de staking. De voorlopige regering dreigde om het leger in te zetten tegen de stakers. De Indische en westerse regeringen gaven hun volledige steun aan de regering. De rechtse media lanceerden een massale propagandacampagne tegen de maoïsten. De zogenaamde “vredesbijeenkomst” van de oppositie trok 25.000 aanwezigen, vooral beter betaalde arbeiders, kleine zakenlui en intellectuelen.

Als resultaat van deze druk en uit vrees voor uitputting, besloten de maoïsten om de staking na zes dagen af te blazen. Er waren echter nog steeds bijeenkomsten en de maoïsten zeggen dat ze het nooit volledig hebben opgegeven en mogelijk naar een nieuwe algemene staking zullen gaan. Ze kunnen zo niet blijven doorgaan. De massabeweging kan niet op en af worden gezet, dat zal niet worden aanvaard door de massa’s. Het afblazen van de algemene staking zonder een overwinning is een stap achteruit voor de maoïsten. Tijdens de algemene staking stelden ze dat ze enkel zouden onderhandelen na het ontslag van de premier. De pro-kapitalistische partijen eisen nu dat de maoïsten hun jongerenvleugel ontbinden en een “burgerpartij” zouden worden vooraleer de premier ontslag neemt. Het is waarschijnlijk dat ze verder zullen opgesloten geraken in eindeloze onderhandelingen met de rechterzijde en vergeldingsacties. De maoïsten moeten de algemene staking niet langer meer gebruiken als middel voor onderhandelingen, maar wel als instrument om de samenleving te veranderen.

Een staking van onbepaalde duur stelt de vraag van de macht. Het toont wie de samenleving controleert. Zelfs een beperkte arbeidersklasse kan een volledig land platleggen. Maar een algemene staking volstaat niet om de macht aan de massa’s over te dragen. Enkel een duidelijke leiding met een revolutionaire strategie kan de massa’s aan de macht brengen. De algemene staking moet worden gebruikt om de arbeiders en boeren te vormen en te betrekken om de macht te grijpen. Zonder duidelijk perspectief riskeren ze de beweging te demoraliseren en uit te putten door steeds nieuwe stakingsacties. In landen als Nepal waar er geen degelijke infrastructuur is of faciliteiten voor de voedseltoevoer, zouden de massa’s uitgehongerd geraken indien een staking langere tijd blijft aanhouden. Dat is een reden waarom de staking na zes dagen wel moest worden afgeblazen.

De macht grijpen is voor de arbeidersklasse een beslissende stap naar de afschaffing van de klassensamenleving. Dat is iets wat de heersende burgerlijke klasse ten alle koste wil vermijden. De burgerij zal alle mogelijkheden waarover ze beschikt gebruiken, ook het leger. De arbeidersklasse en de revolutionaire partij kunnen niet succesvol zijn indien ze daar geen duidelijke strategie tegen hebben en de massa’s bewapenen en voorbereiden op de revolutie.

Tijdens de algemene staking waren er bijeenkomsten en culturele evenementen in de hoofdstad. Er was echter geen poging om stakerscomités op te zetten of arbeiderscomités waar de volgende stappen werden besproken en waar het beheer van de samenleving stilaan werd overgenomen. Er was geen open discussie over welke samenleving de arbeiders, boeren en armen willen, hoe dat kan worden bereikt en hoe het zou georganiseerd zijn. Er waren discussies onder de maoïstische leiders over de vraag of een “socialistische revolutie kan overleven in slechts één land, of er beroep kan worden gedaan op de burgerij om de revolutie door te voeren,… Maar deze discussies werden niet bediscussieerd onder bredere lagen van de bevolking. Het bleef bij retoriek of beperkte kritiek op de voorlopige regering en dat is niet genoeg. Tijdens de beweging van april 2006 eisten de maoïsten de afschaffing van de monarchie en de vestiging van een grondwetgevende vergadering. Vandaag beperkte ze zich tot de vraag naar een nieuwe grondwet met een federale structuur, voedselbonnen,… Ze waren eerder niet in staat om dit af te dwingen toen ze de macht negen maanden lang deelden met de SPA. Uiteindelijk trokken de maoïsten zich terug uit de regering. Een echte revolutionaire partij zou eerder hebben voorzien dat de rechterzijde niet in staat zou zijn om een revolutionaire grondwet op te maken en zou vroeger begonnen zijn met het mobiliseren van de massa’s om een revolutionaire grondwetgevende vergadering op te zetten. Zo’n vergadering zou worden verkozen om de belangen van de arbeiders, boeren en armen te dienen. De grondwetgevende vergadering zou zich uiteraard niet mogen beperken tot een regenboogcoalitie om de burgerij bij te staan in het opnemen van haar rol.

India en China

Een ander argument om de beweging tegen te houden, is de dreiging van militaire agressie door de Chinese en Indische regeringen indien een revolutie uitbreekt in Nepal. In mei 2009 maakte de Sri Lankese regering op brutale wijze een einde aan de oorlog met de Tamil Tijgers (LTTE). Dat was de langst durende oorlog van zuid-Azië en Sri Lanka deed voor haar oorlogsinspanningen beroep op zowel de Indische als de Chinese regering. Het geweld in de laatste periode van de oorlog werd gezien als een “Chinese oplossing” voor het conflict. Dat heeft de maoïsten in India en Nepal afgeschrikt. Er wordt zelfs niet overwogen dat de Chinese staat de maoïsten zou steunen in de strijd tegen de Indische en westerse invloed. Het zal geen stap vooruit zijn om in te spelen op tegenstellingen tussen verschillende grootmachten als alternatief op de opbouw van de arbeidersbeweging op wereldvlak. Dit zal immers niet leiden tot een beslissende overwinning voor de arbeidersklasse.

Het Chinese regime is bang dat een massale beweging van de arbeidersklasse navolging zou krijgen in eigen land. Dat was in 1956 ook de reden voor de brutale onderdrukking van de anti-stalinistische arbeidersrevolutie in Hongarije door de sovjetkrachten. Het vestigen van een arbeidersregering in Hongarije zou een grote bedreiging gevormd hebben voor de regimes in Moskou en in China. Dat was waarom de Chinezen steun gaven aan de Russische onderdrukking van de Hongaarse revolutie. Vandaag zou het Chinese regime niet aarzelen om een gelijkaardige rol te spelen indien een arbeidersregering tot stand dreigt te komen.

Na eeuwen van onderdrukking door westerse machten proberen regionale imperialistische machten zoals India en China op de voorgrond te treden in zuid Azië. Er s een groeiende invloed van beide landen in de hele regio. Nepal is een specifiek geval: het is één van de armste landen ter wereld en dat net tussen de twee lokale grootmachten die tevens de twee snelst groeiende economieën ter wereld vormen. Zowel India als China zijn geïnteresseerd in een controle op de Nepalese middelen en politiek.

Tibet grenst aan Nepal en kan een aanleiding vormen voor toenemende spanningen tussen China en de VS in de toekomst. Een recente ontmoeting van Barack Obama met de Dalai Lama werd niet bepaald positief onthaald in China. In maart 2008 waren er protestacties in Tibet en dat op enkele maanden voor de Olympische spelen in China. De protestacties kenden toen een uitbreiding naar Nepal waar er heel wat Tibetaanse wonen. De Chinese regering wil haar controle op de regio versterken en volgt een gelijkaardige rol als in Sri Lanka en Pakistan waar het miljarden dollars investeert. De Chinese regering wil een betrouwbare en stabiele bondgenoot in Nepal om haar economische belangen te dienen en de grens met Tibet te controleren. De rechtse Nepalese partijen zijn uitermate bereid om een dergelijke rol te spelen. Kush Kumar Joshi, de voorzitter van de federatie van Nepalese Handelskamers, kondigde aan dat ze speciale economische zones (SEZ) willen opzetten om Chinese en Iraanse investeringen aan te moedigen. De voorlopige regering van Nepal kondigde vorig jaar aan dat er voor het eerst een politiekantoor zal komen in plaatsen als Mustang en Manang aan de grens met Tibet.

De Indische regering geeft eveneens haar volledige steun aan de rechterzijde binnen de voorlopige regering van Nepal. De algemene staking van de maoïsten alarmeerde de Indische regering die de “dreiging van de maoïsten” nog steeds als de belangrijke bedreiging voor de veiligheid ziet. 55,4% van de import in Nepal komt uit India. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Indische premier Manmohan Singh zijn volledige steun betuigde aan het verzet van de Nepalese regering tegen de algemene staking.

Moest de revolutie geslaagd zijn in Nepal, dan had dit een enorme impact gehad op India. Daar is er heel wat strijd in speciale economische zones en in verschillende deelstaten. Er is veel strijd in de gebieden waar de maoïsten sterk staan. De Indische regering daarentegen staat dicht bij de rechtse partijen in Sri Lanka: de Nepalese Congress Party en de UML. President Ram Baran Yadav, de voormalige algemeen-secretaris van de Nepalese Congress Party en premier Madhav Kumar Nepal, de algemeen secretaris van de UML, zouden erg dicht bij de Indische regering staan. Madhav Nepal bracht verschillende bezoeken aan India vooraleer hij n 2006 het 12-puntenakkoord met de maoïsten ondertekende. Hij zou de voorwaarden van het akkoord eerst met de Indische autoriteiten hebben doorgepraat.

Net zoals de CPI(M) in India heeft de UML in Nepal absoluut geen revolutionair imago en is deze partij gebaseerd op electorale doelstellingen op korte termijn. De alliantie van Congress en de CP (UML) in Nepal is bijna een afspiegeling van de alliantie tussen Congress en de communistische partijen in India. Beide partjen hebben nauwe banden met de Indische autoriteiten en willen die ook verder zetten. In april was er een politieke rel toen een controversiële overeenkomst was gesloten om Nepalese paspoorten in India te laten drukken.

De maoïsten vormen een bedreiging voor de politieke en zakelijke belangen van India in Nepal. Die maoïsten willen immers strikte grenscontroles en de zakelijke belangen van India terug schroeven. Ze willen een einde maken aan het zogenaamde “vredes- en vriendschapsakkoord” waarmee in 1950 een overeenkomst werd gesloten om het water van de rivieren te delen. De maoïsten zien dat de Indiërs vijandig tegenover hen staan en beschouwen India nu als een groot probleem. Het falen om tot een nieuwe grondwet te komen, wordt bijvoorbeeld aan India toegeschreven. In de algemene staking was één van de slogans: “Marionettenregering, keer terug naar India.”

Onder deze omstandigheden is de angst voor een militaire interventie reëel. Met een correcte benadering is het mogelijk om dat te vermijden. Om mogelijke interventies van regionale machten te vermijden, is het noodzakelijk om een oproep te doen aan de arbeiders en armen in deze landen om solidariteitsacties te ondernemen en zich aan te sluiten bij hun voorbeeld. Als er een echte revolutie komt in Nepal dan zou een militaire interventie door India of China een reactie veroorzaken in die landen. Dat zou zeker het geval zijn in India waar er in heel het land strijd wordt gevoerd tegen de staat en de multinationals. Er zal daar de komende periode een explosie van strijd zijn waarbij massabewegingen kunnen ontwikkelen om de belangen van de armen en arbeiders te dienen. Revolutionaire verandering in Nepal zou besmettelijk zijn en onvermijdelijk een impact hebben op andere landen in de regio en daarbuiten. De oproep voor een socialistische federatie van zuid-Azië is dan ook cruciaal om de belangen van de arbeidersklasse in Nepal en de rest van de regio te dienen.

 

Dossier door TU Senan

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie