Wat gebeurt er met Cuba na Castro?

Zal Cuba dezelfde weg opgaan als Rusland en Oost-Europa na de val van de Berlijnse Muur in 1989 met een terugkeer naar het kapitalisme? Die vraag kwam recent op de voorgrond door de ziekte van Fidel Castro en de tijdelijke machtsoverdracht aan zijn broer Raúl Castro in augustus. Het VS-imperialisme wil uiteraard een ‘regimeverandering’, en dan niet enkel een andere regering maar ook een ander sociaal systeem.

In juli stelde een speciaal rapport van de Commissie voor Hulp aan een Vrij Cuba (niet toevallig gecontroleerd door de regering-Bush) dat 80 miljoen dollar werd opzijgezet om haar doelstellingen te bereiken.In tegenstelling tot vroegere rapporten werden delen van dit rapport niet gepubliceerd “wegens veiligheidsredenen”. Dat lijkt erop te wijzen dat een toekomstige militaire interventie van de VS in Cuba niet uitgesloten is. De ziekte van Castro leidde tot grootse feesten onder delen van de 650.000 Cubaanse bannelingen in de VS, uiteraard vooral bij de parasiterende rijke elite die maar al te graag haar “eigendommen” terug in bezit zou nemen. Ze hopen dat dit snel gebeurt na de dood van Fidel Castro.

Aan de andere kant zijn er miljoenen arbeiders en armen, in het bijzonder in de neokoloniale wereld en Latijns-Amerika, die hopen dat de voorspellingen van het ineenstorten van het Cubaanse regime onterecht zullen blijken. De Cubaanse revolutie heeft van bij haar aanvang in januari 1959 en doorheen haar geplande economie een beeld gegeven van wat mogelijk is voor de mensheid als de samenleving uit het keurslijf van grootgrondbezit en kapitalisme raakt. Fidel Castro en Che Guevara waren toen en nu nog steeds heroïsche figuren voor veel arbeiders en jongeren doorheen heel de wereld.

Tegen de achtergrond van een brutaal neoliberaal offensief van het kapitalisme in de jaren 1990 en het begin van deze eeuw, slaagde Cuba er in om haar reputatie te versterken. De verwezenlijkingen op vlak van gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs zijn spectaculair in vergelijking met wat voorheen de norm was onder het bewind van de grootgrondbezitters en kapitalisten. Zelfs op een ogenblik dat tal van politici en commentatoren de ziekte van Castro aangrijpen om zich uit te spreken tegen het systeem en de revolutie in Cuba, moeten de ernstigste journalisten erkennen dat er heel wat verwezenlijkingen zijn in Cuba.

Zo moest het Spaanse blad El Pais recent erkennen dat Cuba indrukwekkend scoort op een aantal vlakken. Er zijn 200.000 leraars op een bevolking van 11,4 miljoen mensen. Dit betekent dat er voor iedere 57 mensen een leraar is, één van de beste ratio’s van leraars ter wereld en zeker in de neokoloniale wereld. Na de aardbeving in Pakistan en Kasjmir in 2005 stuurde Cuba 2600 dokters en technici om te helpen in de meest getroffen gebieden. Op zes maanden tijd behandelden ze 1.700.000 patiënten of 73% van de slachtoffers met een ziekte. De Cubaanse dokters stonden in voor 14.500 operaties. Daarbovenop werden 1.000 beurzen uitgereikt aan jongeren uit de meest getroffen gebieden om geneeskunde te studeren in Cuba. 32 tijdelijke ziekenhuizen werden door de Cubaanse regering geschonken aan de bevolking om het hoofd te kunnen bieden aan enkele dringende behoeften. In Indonesië stuurde Cuba na de aardbeving van mei 2006 135 gezondheidswerkers die instonden voor 100.000 patiënten. Er werden twee ziekenhuizen gebouwd en achtergelaten door de Cubanen. In 107 verschillende derde wereldlanden werken er 36.000 Cubaanse gezondheidswerkers. Daarbovenop werd door Venezuela en Cuba een gezamenlijk project opgezet om zes miljoen Latijns-Amerikanen gratis operaties aan te bieden als ze deze niet kunnen betalen. Cuba bood ook 100.000 plaatsen aan de Cubaanse universiteit aan om Latijns-Amerikaanse dokters gratis op te leiden.

De bezittende klassen vrezen wereldwijd dat dit voorbeeld (een geplande economie, ook al wordt ze niet georganiseerd of gecontroleerd door de arbeidersklasse maar door een bureaucratie) nog aantrekkelijker zal worden voor brede lagen van armen in een periode van economische crisis van het wereldkapitalisme. Ondanks die verwezenlijkingen is het behoud van de geplande economie echter niet gegarandeerd, zeker niet bij een eventueel overlijden van Fidel Castro. Zijn imago als held van de revolutie, samen met de figuur van Che Guevara en de stevige sociale verwezenlijkingen van de revolutie, hebben pogingen tot contra-revolutie kunnen tegenhouden. Zelfs in de meest moeilijke omstandigheden van de ‘speciale periode’ van de jaren 1990.

Aan een zijden draadje

Na het herstel van het kapitalisme in Rusland, waren er enorme economische problemen in Cuba. Castro stelde hierover: “In geen enkele andere periode bevond gelijk welk land zich in een situatie zoals de onze, het socialistische blok was verdwenen en kwam wij bleven onder een genadeloze blokkade van de VS lijden. Niemand kon zich inbeelden dat iets zeker en vast zoals de zon ooit zou verdwijnen, maar met de Sovjetunie gebeurde dit wel. “Fidel Castro: A biography, Volker Skierka, p.282). Hij stelde verder: “We zullen onszelf verdedigen, omringd door een oceaan van kapitalisme in deze speciale periode”. Een andere schrijver stelde recent: “Er kwam een rantsoenering van het voedsel, maar er was zowat geen boter, melk was er enkel voor kleine kinderen, ouderen en behoeftigen. Er was slechts 250 gram brood per persoon per dag. Zeep, detergent, WC-papier of lucifers waren er amper.”

De economie ging met 2,9% achteruit in 1990, 10% in 1991, 11,6% in 1992 en 14,9% in 1993. Er was ondervoeding op grote schaal, terwijl dit sinds de revolutie niet meer was voorgekomen. De historische verwezenlijkingen van gratis onderwijs en medische zorgen werden bewaard, maar er kwam een hard besparingsprogramma waar brede lagen onder leden. Eén van de belangrijkste besparingen was het verminderen van de energieconsumptie met 50%. Zoals een commentator het stelde: “De Cubaanse samenleving kwam bijna letterlijk stil te staan – tot de commandante [Castro] het idee had dat de massa’s naar de toekomst konden rijden met paardenkarren en fietsen.” Castro maakte van de nood een deugd en verklaarde: “De speciale periode heeft ook positieve kanten, zoals het feit dat we nu in het tijdperk van de fiets komen. In zekere zin is ook dat een revolutie.”

Ongetwijfeld was fietsen goed voor de gezondheid van de Cubanen, net zoals de afwezigheid van McDonalds of andere fastfoodketens. Maar het besparingsprogramma volstond niet om te voldoen aan de verwachtingen van de jongeren en de arbeiders om ook toegang te hebben tot moderne technologie, producten, een hogere levensstandaard en vrijheid. Cuba moest noodgedwongen terugvallen op haar eigen middelen en was in staat om geleidelijk aan vooruitgang te boeken met onder meer de ontwikkeling van biotechnologie waardoor Cuba reeds in de vroege jaren 1990 de grootste exporteur werd van biotechnologische producten die worden toegepast in de medische sector, onder meer tegen meningitis, hepatitis B en andere ziektes. In tegenstelling tot multinationals uit de VS en Europa maakte Cuba reeds in 1991 winst met deze sector en was het een concurrent voor de grote bedrijven door aan lage prijzen te leveren aan voornamelijk derdewereldlanden. Deze succesvolle sector van de Cubaanse productie staat echter slechts in voor zo’n 3 tot 5% van de totale export uit het land.

De mogelijkheden van Cuba om te concurreren in de farmaceutische sector was onlosmakelijk verbonden met het behoud van een degelijke gezondheidssector, een direct gevolg van de geplande economie. Er waren nog steeds 340.000 personeelsleden en 64.000 dokters in Cuba doorheen de ‘speciale periode’. Op dit ogenblik zijn er zelfs 70.000 dokters, of één per 193 inwoners. In Duitsland is dat één per 313 inwoners. Castro was in staat om de levensverwachting in Cuba in stand te houden, terwijl dit bijvoorbeeld in de vroegere Sovjetunie drastisch achteruitging na het herstel van het kapitalisme. “De levensverwachting in het deel van de Sovjetunie dat nu Rusland is, daalde tot 56 jaar, 20 jaar minder dan in Cuba.” Ondanks die elementen ervaart Cuba omwille van haar isolement nog steeds belangrijke tekorten, zelfs op medisch gebied.

Bovendien begon de werkloosheid, voorheen een ongekend fenomeen, scherp toe te nemen met een werkloosheidscijfer van minstens 8% op 4 miljoen arbeiders. Een Spaanse instelling schatte destijds dat: “in mei 1999 zowat één derde van de Cubaanse arbeiders ofwel geen werk had ofwel ondertewerkgesteld was.” In 1999 stelde de Economische Commissie voor Latijns Amerika van de VN (CPAAL) dat: “de Cubaanse revolutie in 1999 het punt bereikte waar het zich 40 jaar eerder bevond, in 1959.” In de vroege jaren 1990 hing het lot van de revolutie aan een zijden draadje en dat voor het eerst sinds de invasie op de Varkensbaai. De dreiging van contra-revolutie met de terugkeer van kapitalisten en grootgrondbezitters vanuit Miami was reëel. Dat zou leiden tot een nieuwe dominantie door het VS-imperialisme.

Castro moest noodgedwongen toegevingen doen aan de ‘markt’, dus aan het kapitalisme. Met de ‘dollarisering’ ontwikkelde zich een parallelle economie die zorgde voor relatieve privileges voor wie in de toeristische sector werkte en waar in dollars werd betaald, of voor wie in samenwerkingsverbanden met buitenlandse bedrijven werkte. De sterkste voorstanders van een geplande economie, zoals de dokters en leraars, werden wel nog in pesos betaald en leden daar zwaar onder. De gekende linkse schrijver Richard Gott schreef dat “het staatsmonopolie over buitenlandse handel werd afgeschaft in 1992 en de grondwet werd aangepast om toe te laten dat overheidsbezittingen werden overgedragen aan joint ventures met buitenlandse partners.” Dit betekende dat Cuba op weg was naar een terugkeer naar het kapitalisme, als het tot op zekere hoogte dat punt al niet had bereikt.

Het klopt dat er in 1995 een amendement kwam op de Cubaanse grondwet waarbij het werd verboden dat buitenlands kapitaal 100% van de aandelen van bedrijven zou verwerven. Maar dit werd in de praktijk niet gevolgd. Castro verklaarde zelf: “Er zijn geen rigide voorschriften. We zijn bereid om ieder voorstel te bekijken.” Maar ondanks al deze moeilijkheden, behield Cuba in essentie een geplande economie. Import en export werd gedaan door Cubaanse bedrijven en andere instellingen die daartoe werden geregistreerd bij de Cubaanse kamer van koophandel. Buitenlandse bedrijven moesten toelating krijgen van het ministerie om activiteiten aan de dag te kunnen leggen.

Onderhuids ongenoegen

Er was een zekere decentralisatie. Naar schatting 350 bedrijven kregen toelating om te importeren en te exporteren. Er kwam ruimte voor het buitenlands kapitaal en haar steunpunten in Cuba. Maar een aantal beperkingen bleven standhouden en de import moest goedgekeurd worden. Castro maakte in 2000 duidelijk dat dergelijke toegevingen aan het kapitalisme heel wat beperkingen met zich meebrengen. Aan de directeur van UNESCO, Frederico Mayor Zaragoza, stelde hij: “Als algemeen principe geldt dat niets in Cuba geprivatiseerd wordt als het geschikt is voor bezit door de natie of een arbeiderscollectief. Onze ideologie en onze voorkeur is dat het socialisme niet mag lijken op het egoïsme, de privileges en de ongelijkheden van de kapitalistische samenleving. In ons land is het niet zo dat de toplaag veel bezit, en niets wordt weggegeven aan vrienden of medewerkers. Niets dat efficiënt kan gebruikt worden met een groot profijt voor onze samenleving, zal eindigen in de handen van privé-personen, of dit nu Cubanen zijn of anderen.”

Het klopt echter niet dat er geen ongelijkheid was in Cuba. De regelmatige campagnes tegen corruptie en privileges die onder meer gevoerd worden door Castro, wijzen op een andere realiteit. De dollarisering van de economie was in feite een nederlaag voor de revolutionaire trots en zorgde voor meer verdeeldheid in de Cubaanse samenleving met een verdere groei van een geprivilegieerde elite. Een wetsverandering zorgde ervoor dat kleine handelsactiviteiten konden worden opgezet en het leidde tot de ontwikkeling van een relatief welvarende kleinburgerij in de stedelijke gebieden. Zoals heel wat gelijkaardige hervormingen die werden doorgevoerd door de stalinistische regimes voor hun val in 1989 in Oost-Europa, de voormalige Sovjetunie of vandaag in China, leidde dit tot de ontwikkeling van een kapitalistische sector. De besparingen zorgden bovendien voor ongenoegen. De sterkere controles van het Cubaanse regime op de dollar kwamen er onder druk van de bevolking in het land.

Dit volstond echter niet. Het onderhuidse ongenoegen leidde zelfs tot rellen in het centrum van Havana waarin duizenden mensen betrokken waren in augustus 1994. Er waren vooral jongeren die op straat kwamen en stenen gooiden naar de hotels. Voor het eerst waren er ook slogans tegen Castro: “We zijn het beu, we willen vrijheid, weg met Fidel”. De actievoerders botsten op 300 politie-agenten die waarschuwingsschoten losten in de lucht en er leek een scherpe confrontatie te komen tot “plots, de grote leider zelf [Castro] te voorschijn kwam en een discussie begon met de jongeren. De massa werd snel rustiger en luisterde naar hem, waarna de actie werd afgeblazen.” Dat is een voorbeeld van de enorme autoriteit van Castro en de revolutie op dat ogenblik en wellicht is dat ook vandaag nog evenzeer het geval. Op dat ogenblik volstond het om de beweging stil te leggen, maar het ongenoegen bleef onderhuids wel nog aanwezig.

Strijd tegen corruptie

De Cubaanse economie heeft zich wat hersteld, deels als gevolg van de economische hulp van Hugo Chavez en Venezuela, handelsakkoorden met China,… Maar er zijn nog steeds tekorten die gepaard gaan met corruptie. Castro erkende dit vlak voor hij ziek werd. Hij baseerde zich op 30.000 jongeren, sociale werkers, om een “strijd van ideeën” te lanceren om het systeem in Cuba te verdedigen en als middel om te strijden tegen corruptie. Deze kracht steunt Castro en de revolutie en doet denken aan de mobilisatie van Mao Zedongs Rode Garde tijdens de Culturele Revolutie van 1966. Voor zijn ziekte probeerde Castro een proces op gang te brengen van hercentralisatie en het beperken van de pro-kapitalistische toegevingen van de jaren 1990. Dat was mogelijk op basis van de steun uit Venezuela en de middelen die uit het toerisme komen. Castro was zich ook bewust van de gevolgen van zijn eventuele overlijden. Hij was bang dat dit zou leiden tot een versterking van de corruptie en wou daarom een soort van Cubaanse versie opzetten van Mao’s Culturele Revolutie, maar uiteraard niet op een zelfde schaal of met dezelfde hooligan-methoden.

In vijf van de 14 provincies werd de leiding van de Communistische Partij vervangen. Hetzelfde lot werd ondergaan door de ministers van lichte industrie, hoger onderwijs en controle. Een aantal leden van de het 21 personen tellende Politburo werden aan de kant gezet wegens ‘fouten’ zoals het ‘misbruik van vertrouwen’. In een toespraak aan de universiteit van Havana stelde Castro dat er heel wat problemen zijn van corruptie in de economie die door de overheid wordt gecontroleerd. Hij stelde dat dit een bedreiging vormt voor het ‘communistische’ systeem. “We kunnen onszelf vernietigen en dat zal onze schuld zijn”. De jonge sociale werkers, met zwarte of rode T-shirts, worden gemobiliseerd om bijvoorbeeld in benzinestations de verkoop van de weinige benzine te controleren. Daarbij werd duidelijk dat voorheen zowat de helft van de verkochte benzine niet in de boeken terug kwam.

De vraag is natuurlijk hoe het mogelijk is dat in een ‘democratisch’ socialistisch Cuba waar de macht in theorie gevestigd is bij de massa’s en hun organisaties, nu plots zo’n grootschalige corruptie kan worden aangetoond. Na deze operatie werd de nieuwe Cubaanse “rode garde” gemobiliseerd voor missies om staatsbedrijven te controleren, waar er heel wat misbruiken werden vastgesteld. Ook delen van het leger worden ingezet in de strijd tegen de corruptie. Het leger controleert de haven van Havana waar volledige containers ‘verdwenen’ toen de haven door burgers werd gecontroleerd. Castro is duidelijk bang van het voorbeeld van de val van de Sovjetunie en hoopt een systeem te ontwikkelen waardoor Cuba een gelijkaardige weg kan vermijden.

Het inzetten van studenten en speciale brigades zal het probleem echter niet oplossen. De kwesties van corruptie, diefstal en bureaucratie zijn geen randfenomenen. Het karakter op zich van de Cubaanse samenleving op zich vormt een probleem: de macht is geconcentreerd bij vertegenwoordigers van de staat, het leger en de Communistische Partij, wat bij tekorten leidt tot misbruik. In de vroege jaren 1990 werd het land geconfronteerd met een catastrofale economische situatie. De Cubaanse leiding met Fidel begon toen een discussie over het veranderen van de grondwet om onder meer rechtstreekse verkiezingen te organiseren. Dat was echter nog steeds in de context van één kandidaat per zetel in het parlement. Die kandidaat zou uiteraard een trouw partijlid zijn. In het beste geval was het een vorm van ‘democratie’ waarbij de kiezers een kandidaat konden kiezen uit een lijst, maar dan van slechts één partij. Tegelijk waren de leden van het Centraal Comité, het Politburo en de Staatsraad onderworpen aan een vetorecht van Fidel Castro.

Dit leidde tot een beperking van de bureaucratie, zo halveerde het aantal secretarissen van het Centraal Comité van 19 tot 9, maar dit was niet fundamenteel genoeg om het probleem van de machtsconcentratie bij de bureaucratische elite aan te pakken. Heel wat topbureaucraten bleef genieten van privileges tegenover de massa’s. Castro zelf is persoonlijk niet corrupt, ook al werd recent door het magazine Forbes op een absurde wijze beweerd dat Castro één van de rijkste mensen ter wereld zou zijn, en hij kent geen zichtbare of openlijke privileges. Maar het probleem gaat niet om één persoon of een klein aantal mannen en vrouwen die allemaal de geplande economie willen behouden. Het probleem is dat de echte macht bij een kleine toplaag ligt. De grote meerderheid van de arbeiders worden opzijgeschoven en hoogstens geraadpleegd, maar ze hebben geen echte macht.

Arbeidersdemocratie

70 jaar geleden stelde Leon Trotski in ‘De Verraden Revolutie’: “Zal de bureaucraat de arbeidersstaat verslinden, of zal de arbeidersklasse korte metten maken met de bureaucraat? … De arbeiders zijn niet zozeer bang dat ze door het buitengooien van de bureaucratie de weg zouden openen naar kapitalistische restauratie.” (De Verraden Revolutie, HS 11, marxisme.be). Voor grote delen van de bevolking vat dit wellicht de sfeer samen die op Cuba heerst. Maar het ongenoegen neemt toe, zeker onder de nieuwe generaties. 73% van de Cubaanse bevolking werd geboren na de overwinning van de revolutie van 1859. Een groot deel van de nieuwe generatie is vervreemd en zorgt ervoor dat voor sommigen van hen de revolutie niet gezien wordt als iets van hen zelf. Castro lijkt dit probleem niet te erkennen en is ook niet in staat om maatregelen te nemen die de verworvenheden van de revolutie veilig stellen. Hij verklaarde: “Ik denk niet dat het echt nodig is om meer dan één partij te hebben… Hoe kon ons land standhouden als het opgedeeld was in tien delen? … Ik denk dat de uitbuiting van de ene mens door de andere moet verdwijnen vooraleer er echte democratie kan zijn.”

Maar zonder echte arbeidersdemocratie – het stoppen van het éénpartijstelsel, echte verkiezingen met arbeidersraden waarvoor iedereen (ook trotskisten) kandidaat kan zijn, strikte controles op de inkomens, met permanente afzetbaarheid van alle verkozen vertegenwoordigers – is de Cubaanse revolutie in gevaar, zeker als Castro verdwijnt. Cuba is geen ‘socialistische’ staat. Zelfs een gezonde arbeidersstaat met arbeidersdemocratie in één land, of enkele landen, zou nog steeds een overgangsvorm zijn tussen het kapitalisme en het beginpunt voor socialisme.

Cuba is geen gezonde arbeidersstaat zoals dit werd begrepen door Lenin en Trotski, en de marxisten die na hen kwamen. Het is ook geen arbeidersstaat met bureaucratische afwijkingen, zoals sommigen recent stelden. Zo’n regime bestond in de eerste periode na de Russische revolutie tussen 1917 en 1923. De bolsjewieken moesten, volgens Lenin, omwille van de culturele achterlijkheid van Rusland “het oude tsaristische staatsapparaat overnemen met een dun laagje socialistisch vernis.” Dit probleem kon enkel overkomen worden door een wereldwijde verspreiding van de Russische revolutie. In de staat die na 1923 bestond, vochten Trotski en de Linkse Oppositie voor ‘hervormingen’, maatregelen om de ‘bureaucratische afwijkingen’ te beperken. Maar de consolidatie van de bureaucratische elite, gepersonaliseerd door de opkomst van Stalin, zorgde ervoor dat er niet zozeer nood was aan ‘hervormingen’ maar aan het omverwerpen van de stalinistische staat en de bureaucratie in Rusland om stappen te kunnen zetten in de richting van het socialisme.

Cuba en haar revolutie hadden heel wat andere kenmerken dan de Russische Revolutie en Castro was niet Stalin (zie hierover onder meer het boek “Cuba: Socialism and Democracy”). Maar het bestaan van een kaste, een bureaucratie, met haar eigen belangen die ingaan tegen het behoud van de Cubaanse revolutie en verdere vooruitgang ervan, worden nu bevestigd door de waarschuwingen van Castro voor de toekomst en de maatregelen die hij voor zijn ziekte had opgezet tegen de bureaucratie.

Cuba is wat Trotski een ‘gedeformeerde arbeidersstaat’ noemde, een geplande economie waar de macht in handen is van een geprivilegieerde kaste van bureaucraten. Sommigen stellen dat Cuba vandaag een “arbeidersstaat met bureaucratische afwijkingen” is, en dat er bijgevolg slechts hervormingen nodig zijn en geen ‘politieke revolutie’. Maar de historische ervaring toont aan dat een heersende, geprivilegieerde laag van de samenleving, of het nu kapitalisten zijn of een bureaucratische elite, zich bewust is van haar macht en ervoor zal vechten om die te behouden, desnoods met de meest brutale methoden die mogelijk zijn.

De noodzaak van een politieke revolutie in Rusland, zoals werd naar voor gebracht door Trotski, was een wetenschappelijke omschrijving van wat nodig was om de geplande economie te bevrijden van de greep van de spilzieke inhalige bureaucratie. Het was geen dagelijks actieprogramma waarbij de Trotskisten in Rusland op straat trokken om campagne te voeren voor een ‘politieke revolutie’. Ze kwamen op straat, maar om op te komen voor arbeidersdemocratie.

Het socialisme zou beginnen met een hoger niveau van productie en technieken dan het hoogste niveau dat ooit werd bereikt onder het kapitalisme. Het begin van het socialisme zou dus een hoger niveau van techniek en een hogere levensstandaard bereiken dan in de VS. Dat kan enkel door een wereldwijde planning van de productie onder de controle van de arbeidersklasse. Maar het gebrek aan arbeidersdemocratie zorgt ervoor dat het onmogelijk is om in één land of enkele landen over te gaan naar een socialistisch systeem. Dat kan, zoals in de Sovjetunie destijds, ertoe leiden dat er niet wordt overgegaan naar socialisme maar dat er een degeneratie komt die uiteindelijk leidt tot een ineenstorting en uiteindelijk het herinvoeren van het kapitalisme. Het echte gevaar van een geïsoleerde arbeidersstaat ligt, volgens Trotski, niet zozeer in een militaire inval maar in de goedkope invoer door het imperialisme. Een grote toevloed van toeristen, zeker van de miljoenen Amerikanen met dollars, zou grote problemen veroorzaken voor Cuba en de elementen van kapitalisme die er reeds aanwezig zijn versterken.

Verdeeldheid in het regime

Het was niet slim vanuit het standpunt van het VS-imperialisme in de jaren 1990 onder Clinton om met de Helms-Burton wetten Cuba verder te isoleren en te belegeren, waardoor het in haar actuele positie is terecht gekomen. Deze wetgeving bepaalde dat een toekomstige regering niet zomaar de onteigeningen uit de jaren 1960 kan erkennen, zoals dit overigens gebeurde door de kapitalistische regering van Duitsland na de hereniging. Duitsland erkende alle onteigeningen door de overheid en zelfs door de Sovjettroepen na Wereldoorlog 2. Als Helms-Burton letterlijk zou worden toegepast, zou dit betekenen dat een toekomstig kapitalistisch Cuba niet hetzelfde zou kunnen doen als Duitsland. Hierdoor zou Cuba terugkeren “naar de oude eigendomsverhoudingen, wat even catastrofaal zou zijn als de verplichting om compensaties te betalen naar de actuele waarde.” (Fidel Castro: A Biography, Volker Skierka, p313)

Een andere commentator stelde: “Helms-Burton was een duidelijke wet bestemd voor de toekomstige controle over een toekomstig Cuba: de bedoeling is geen democratisering van het politieke systeem en de instellingen, maar de herinbezitname van het eiland door haar buren uit het noorden. Als grote delen van de Cubaanse economie terug in handen komen van private Amerikaanse bedrijven, zou dit niet enkel een herstel betekenen van de (niet gewilde) voorwaarden die bestonden voor de revolutie. De bevolking van het eiland zou bovendien moeten instaan voor de interest, en de interest op de interest, gedurende generaties. De voordelen zouden gaan naar de afstammelingen van de maffiosi die hun bezittingen verkregen door geweld en repressie, corruptie, diefstal, belastingontduiking en dubieuze eigendomsclaims.” (ibid. p314) De Helms-Burton wetten hebben het Cubaanse systeem versterkt, in die zin dat die bureaucraten die de geplande economie wilden afbouwen geen ruimte kregen om hun hervormingen waardig door te voeren.

Er is verdeeldheid binnen de bureaucratische elite van Cuba. Er is een deel dat zich wil ‘open’ stellen voor het kapitalisme in een ‘democratische’ vorm. Er is ongetwijfeld een andere vleugel die wil opkomen voor het behoud van de geplande economie. Marxisten zouden, zoals Trotski het aanraadde, deelnemen aan een principieel blok met dit deel van de Cubaanse leiding en de bureaucratie. Ze zouden bovendien massaal Cubaans verzet mee helpen mobiliseren tegen iedere bedreiging van een herinvoering van het kapitalisme. Door haar aard zou dit blok echter onvermijdelijk de kwestie stellen van hoe Cuba kan bevrijd worden van de doodlopende straat van de bureaucratie zodat de revolutie kan veilig gesteld worden. Sommige marxisten verlaten het standpunt van politieke revolutie om de bureaucratische elite te vervangen. In plaats daarvan worden frasen naar voor gebracht over arbeidersdemocratie. Maar dat is pure demagogie. Het idee van een politieke revolutie en arbeidersdemocratie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Terwijl Trotski kritische steun gaf aan bepaalde maatregelen die de bureaucratische elite bereid was te nemen om de geplande economie te verdedigen om hun eigen positie veilig te stellen. Maar dat betekende niet dat afstand werd gedaan van het idee van politieke revolutie. Trotski stelde: “De revolutie die de bureaucratie voorbereid tegen zichzelf, zal geen sociale revolutie zijn zoals de revolutie van 1917. Het is geen kwestie van het veranderen van de economische fundamenten van de samenleving, of het vervangen van eigendomsverhoudingen door andere. De geschiedenis heeft niet enkel sociale revoluties gekend die bijvoorbeeld het burgerlijke regime in de plaats van het feodale regime stelden, maar ook politieke revoluties die zonder het vernietigen van de economische fundamenten van de samenleving, de oude heersende elite aan de kant schoven (1830 en 1848 in Frankrijk, februari 1917 in Rusland,…).”

Het vervangen van een geprivilegieerde kaste die ongetwijfeld bestaat in Cuba door arbeidersdemocratie hoeft niet noodzakelijk gewelddadig te zijn, maar het moet diepgaand zijn waarbij echte controle en beheer aan de massa’s wordt gegeven in plaats van een top-down controle die vandaag wordt uitgeoefend door de Cubaanse leiding, zelfs indien het wordt doorgevoerd door charismatische leiders.Arbeidersdemocratie in Cuba zou de hand reiken aan de Latijns-Amerikaanse massa’s. Er zou zowat onmiddellijk een echte democratische arbeidersconfederatie kunnen gevormd worden tussen Cuba en Venezuela, zeker indien de revolutie in dat laatste land wordt vervolledigd en nadien ook in Bolivië. Dat is de enige weg vooruit om de verworvenheden van de Cubaanse revolutie veilig te stellen. Zonder een geplande economie, zal Cuba decennia teruggeslagen worden in de geschiedenis en zal de hoop op een socialistische revolutie in Latijns-Amerika en wereldwijd een enorme slag worden toegebracht. Het behoud van deze revolutie mag niet in de handen van één man worden geplaatst, of een groep mannen en vrouwen, maar in de handen van een politiek bewuste Cubaanse arbeidersklasse.

 

Peter Taaffe

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie