Europa: instabiliteit, stagnatie en scherpere klassenstrijd

28511244455_13a3a6d0e5_oDe stem voor een Brexit was een enorme schok voor de neoliberale EU. Na de Griekse schuldencrisis en de vluchtelingenkwestie blijven de heersende elites zich van crisis naar crisis slepen. Het continent gaat gebukt onder economische vertraging en stagnatie. Miljoenen werknemers kregen de laatste 10 jaar geen enkele loonopslag. Een belangrijk deel, vooral onder de jongeren, zag zijn lonen en levensstandaard er aanzienlijk op achteruitgaan. Dit is de economische basis voor de enorme instabiliteit en klasserevolte – voorlopig zonder duidelijke leiding – die in referenda en stakingen tot uiting komt. Een verslag door Peter Delsing van de discussie over Europa op onze zomerschool.

Als je de burgerlijke media mag geloven, hebben vooral racisten en “dommeriken” in Engeland voor de Brexit gestemd. Bepaalde lagen hebben zeker uit racistische motieven tegen de EU gestemd, maar het was overweldigend een revolte op klassenbasis. Zelfs de Bank of America stelde dat deze uitslag “de grootste verwerping van ongelijkheid totnutoe was”. In 86% van de voormalige Engelse industriegebieden stemden de arbeiders voor Leave. Het argument dat ze daaraan economisch zouden verliezen werd schouderophalend beantwoord met: “wat hebben wij nog te verliezen”. De officiële Brexit-discussie werd gedomineerd door de rechtse Leave en Remain kampen en het antimigratiethema. Als Corbyn namens Labour zou hebben opgeroepen voor een hernationalisatie van het spoor en andere industrieën, voor een degelijk minimumloon en een socialistische exit, dan zou hij het rechtse UKIP enorm in de problemen hebben gebracht. Met deze aanpak zou hij ook jongere kiezers die tegen het racisme van de officiële Leave campagne wilden stemmen, hebben kunnen overtuigen. Corbyn greep echter niet terug naar zijn vroegere verzet tegen de EU. Hij liet zich door de rechterzijde gijzelen in het Remain kamp.

De meeste vakbondsleiders in Engeland voerden ook campagne voor Remain. Daarmee moesten ze de neoliberale EU als “socialer” afschilderen dan die in werkelijkheid is. Enkel een handvol vakbonden zoals de linkse spoorbond RMT en de bakkersvakbond spraken zich uit voor een exit. De overkoepelende TUC en de vakbondsbureaucratie gooiden het op een akkoord met de Tories, die met nieuwe antistakingsmaatregelen dreigden. Zo stelden ze dat 50% diende akkoord te zijn met een staking in een bedrijf om die legaal te kunnen organiseren. Anderzijds wilden de Tories het automatisch afhouden van vakbondslidgeld van het loon afschaffen. De rechtse TUC-leiding beloofde steun aan de pro-EU campagne als de regering deze laatste maatregel zou laten vallen. Zo zouden ze wel hun geld krijgen, maar zouden ze minder “gehinderd” worden door stakingen. Achteraf toonden de bureaucratische vakbondsleiders zich “ontgoocheld” over de Brexitstem. Daarmee staan ze lijnrecht tegenover grote delen van hun basis. Daar waar er door vakbonden tegensprekelijke discussies op de werkvloer werden georganiseerd, haalde de Leave stem het meestal.

Economie in het slop en toenemend euroscepticisme

Als economisch project zit de EU en de eurozone zwaar in de problemen. Het kapitalistische Europa lijkt de werkenden en jongeren enkel zeer lage groei en besparingen op te leveren. Het BBP per hoofd van de bevolking in cruciale landen als Frankrijk en Italië tuimelde tot meer dan 10% onder het niveau van 2008. Ondanks de lage rente en de massale stimulansplannen van de Europese Centrale Bank wordt er amper geïnvesteerd door de kapitalisten.

De Italiaanse en andere banken kunnen nog steeds een nieuwe crisis veroorzaken. De Italiaanse banksector is verrot met slechte, niet terugbetaalbare leningen die tot 20% van het BBP oplopen. De overheidsschuld staat op 135% van het BBP en de werkgelegenheid onder volwassenen ligt op het laagste niveau in de EU. De oudste bank ter wereld werd al twee keer gered, maar moet mogelijk nog eens worden gered. De EU en het Duitse kapitaal willen echter verbieden dat de banksector met staatshulp overeind wordt gehouden. Als het verzwakte Italië uit de eurozone zou vallen, zou dat het einde van een “eengemaakt” kapitalistisch Europa betekenen.

Wat de politieke crisis in Italië betreft: de Democratische Partij van Renzi moest o.a. in Rome de duimen leggen voor de populistische Vijfsterrenbeweging, die zelf meer en meer in een neoliberale richting evolueert. Renzi kreeg de hervorming van de arbeidswet er makkelijker door dan de Franse regering. Zonder serieus verzet van de vakbonden schandalig genoeg. Mogelijk slaagt Renzi erin om rond de banksector de problemen nog wat voor zich uit te duwen. Maar hij kan ook door een politieke crisis – rond de hervorming van de senaat en een referendum hierrond – ten val worden gebracht.

De besparingen en vervreemding van de massa van de bevolking leiden tot een groeiend euroscepticisme. In 10 belangrijke EU-landen – die 80% van de bevolking en 82% van het BBP uitmaken – ging het aantal mensen met een positieve houding tegenover de EU er de laatste jaren op achteruit. In Frankrijk en Spanje is de meerderheid eurosceptisch. In Griekenland is het anti-EU gevoel veruit het sterkst: 71% is tegen. Maar liefst 92% van de Grieken verwerpt de manier waarop de EU haar economisch beleid voert! Voor de passage van de neoliberale trojka was een meerderheid in Griekenland pro-EU. De recente Brexitstem werd door veel werkenden en jongeren in Griekenland gezien als een enorme stimulans voor hun strijd tegen de neoliberale EU. Dit toont aan hoe internationale gebeurtenissen een snel en bijna automatisch effect kunnen hebben op het bewustzijn van de arbeidersklasse.

Verdeeldheid aan top maatschappij

De burgerij en haar strategen zijn verdeeld over de weg vooruit. In Engeland kwam dat het prangendst tot uitdrukking. De Tories zijn verdeeld tussen een vleugel die pro-EU is en een andere strekking die zich wil baseren op de natiestaat. Premier Cameron moest de smadelijke nederlaag in het referendum betalen met zijn aftreden. Maar ook bij de rechtse Leave leiders was het verwarring troef: UKIP-leider Farage bood zijn ontslag aan en Boris Johnson weigerde mee te dingen naar het voorzitterschap van de Conservatieve Partij!

In Duitsland komt de coalitie van Merkels CDU en de SPD niet meer aan 50% in de peilingen. Merkel boette in aan populariteit. Binnen haar partij woedt een strijd over de aanpak van de asielkwestie. Het extreemrechtse AFD bestookt de rechterflank van de CDU. Ondertussen zakte de sociaaldemocratische SPD weg onder de 20% in de peilingen: de prijs voor haar deelname aan een burgerlijke coalitie.

Binnen de EU zien we dat de vluchtelingenkwestie tot tegenstellingen leidt binnen de heersende klasse. Het aantal vluchtelingen dat naar Europa komt is een kleine minderheid van de vluchtelingen wereldwijd. Het gaat om 1 tot 1,5 miljoen mensen op 500 miljoen Europeanen, maar het verzwakte kapitalisme kan hierop geen antwoord bieden. De crisis dreigt zelfs te leiden tot het opbreken van Schengen en de herinvoering van grenscontroles. Wij pleiten voor het recht op asiel voor de slachtoffers van kapitalistische oorlogen en uitbuiting, maar plaatsen de gezamenlijke strijd tegen besparingen, voor meer middelen en jobs, tegen oorlog en voor socialistische oplossingen voor de crisis centraal.

De opgang van terrorisme toont de barbarij van een maatschappij in verval. Op momenten van crisis komen deze elementen sterker naar voren, zolang de massa’s en de arbeidersbeweging geen uitweg tonen. De reactionairen versterken elkaar in een opbod van blind geweld en de versterking van het repressieve karakter van de burgerlijke staat.

De staatsgreep in Turkije is een strijd tussen twee vleugels binnen de staat. Een laag van militairen beweert in te gaan tegen de groeiende machtsaanspraken van Erdogan en de AKP, in naam van een “seculiere staat”. Onder de massa van de bevolking is er geen enkele sympathie voor deze staatsgreep. Na een oproep van Erdogan kwamen duizenden van zijn aanhangers en rechtse islamisten op straat tegen de coup. Maar ze vormen ook een bedreiging voor de linkse oppositie, vakbondsactivisten en Koerdische militanten. De zuivering van duizenden rechters, militairen, onderwijzers, etc. is ook gericht tegen alle vormen van oppositie tegen Erdogan. De arbeidersklasse kan geen steun geven aan een van deze kampen. Ze moet zich verzetten tegen de neoliberale politiek, tegen de aanval op de democratische rechten en vrijheden en tegen de onderdrukking van de Koerden.

Binnen de EU is er ook een groeiende spanning met Oost-Europese regimes, zoals in Polen en Hongarije, die een rechts, nationalistisch beleid voeren met elementen van bonapartisme. Polen stond lang model als de neoliberale voorbeeldleerling van het post-stalinistische tijdperk. Maar daar is sinds het aantreden van de rechts-conservatieve regering niet veel meer van te merken. Journalisten werden weggezuiverd uit de staatsomroep. Het regime probeert op basis van rechts populisme de positie van het eigen kapitaal te versterken. Zo pleit het voor Poolse banken onder “Poolse controle”. Het wil belastingen heffen op buitenlandse kapitalisten om de eigen kapitalisten te beschermen. Er is sprake van een Orbanisering zoals in Hongarije. Ook met een aantal afwijkingen op het neoliberalisme, zoals opnieuw de verlaging van de pensioenleeftijd in Polen. De regering verhoogt er ook de kinderbijslag door middel van een schuldenpolitiek, die op zijn beurt tot een nieuwe crisis kan leiden. In Polen is er een begin van verzet van de arbeidersbeweging, zoals in de ondergefinancierde gezondheidszorg. Er groeit ook een een beweging tegen het uitbannen van abortus, die op Facebook al snel 100.000 volgelingen telde en op een dag tijd 7000 mensen op de been bracht voor het parlement.

De elementen van bonapartisme blijven niet beperkt tot Oost-Europa of Turkije. In Frankrijk kon de regering-Hollande de zwaar betwiste arbeidswet enkel doordrukken door het parlement opzij te zetten. Voor het eerst sinds 1936 worden er in Frankrijk zo openlijk vakbondsmilitanten gearresteerd in sociale conflicten. In verschillende landen, zoals in België, proberen de heersende klassen het stakingsrecht te beperken om de krachtsverhouding met de arbeidersklasse fundamenteel te wijzigen en een hardere verarmingspolitiek door te drukken.

De instabiliteit en het wegvallen van de steun voor de traditionele partijen leidt tot meer ongewone constructies. Bijvoorbeeld tot minderheidsregeringen in sommige landen, met steun van een oppositiepartij in het parlement. In Spanje waren er op korte tijd twee verkiezingen. Ofwel komt er een minderheidsregering van de rechtse PP, gesteund vanuit de oppositie, ofwel een grote coalitie met de sociaaldemocratische PSOE. Het is echter niet uitgesloten dat er in het najaar opnieuw verkiezingen komen.

In Oostenrijk waren er zelfs presidentsverkiezingen zonder een kandidaat van de christendemocratie of de sociaaldemocratie! De burgerlijke democratie zit er in een diepe crisis. De strijd ging tussen de extreemrechtse FPO en de Groenen. Als de FPO aan de macht zou komen, zou dat – aangezien de potentiële kracht van de arbeidersbeweging nog intact is – niet onmiddellijk de vestiging van een “fascistische dictatuur” betekenen. Zo’n ontwikkeling zou wel extreemrechts geweld op straat aanmoedigen tegen migranten en linksen. De vakbonden en linkse organisaties zouden massale campagnes moeten opzetten om fascistisch geweld te isoleren en de kop in te drukken.

Nieuwe linkse formaties en klassenstrijd

In een aantal landen zagen we stakingen en algemene stakingen ontwikkelen. In België herontdekte de arbeidersbeweging de idee van een actieplan. In Frankrijk gingen miljoenen in actie tegen de hervorming van de arbeidswet. Soms leefde er echter de opinie bij de meest strijdbare lagen – zoals de dokwerkers of de chemiearbeiders – dat hun actie voldoende zou zijn om de regering te stoppen. Hierdoor werd de slogan van de algemene staking te weinig gebruikt om de reële kracht op te bouwen om Hollande te stoppen. In Engeland zagen we dat nieuwe lagen de methodes van de arbeidersbeweging opnamen, zoals met de doktersstaking.

De meest frapante ontwikkeling ter linkerzijde vandaag is ongetwijfeld de strijd binnen Labour tussen de linkse Corbyn en de rechterzijde van carrièrepolitici. Het was een historisch accident dat de wel zeer minieme linkerzijde binnen Labour op deze manier de deur kon openwrikken voor een toestroom van linkse en jonge leden. Het waren rechtse Labour leden die meenden dat Corbyn wel kandidaat mocht zijn voor het voorzitterschap, om de kiesstrijd wat spannender te maken. Dat is het wel geworden! Er kwam een instroom van nieuwe leden op basis van Corbyns linkse standpunten rond een minimumloon, toegankelijk onderwijs, de strijd tegen ongelijkheid en de rijkste 1%, tegen privatiseringen, etc.

Corbyn won glansrijk de voorzittersverkiezingen en wordt sindsdien gesaboteerd door de rechtse Labour parlementairen. Die willen de carrièremachine die Labour was geworden helemaal niet omvormen tot een democratisch instrument van werkenden en jongeren in strijd. Jammer genoeg nam Corbyn aanvankelijk een verzoenende houding aan tegenover de rechterzijde, die vanuit het “schaduwkabinet” en elders complotteerde om zijn val te bewerkstelligen.

Corbyn reageerde aanvankelijk zwak op die aanvallen. Onder druk van de rechterzijde stapte hij af van zijn verzet tegen de EU, sprak zich niet uit tegen Labour gemeenteraden die besparingen doorvoerden en verzette hij zich tegen de herselectie van Labour parlementairen door hun eigen afdeling. Een fundamenteel democratisch recht, als die parlementairen zich niet houden aan de door een meerderheid besliste koers. Keer op keer bleek uit discussies met de beweging rond Corbyn, Momentum, dat deze trend de rechterzijde zogenaamd niet wilde provoceren. Dit vanuit de idee dat de parlementsverkiezingen in 2020 moesten worden gewonnen en dat dit niet kon met een verdeelde of uit elkaar vallende partij.

Dat was echter gerekend zonder de beslistheid van de rechterzijde en hun echo’s in de burgerlijke media. De Brexitstem werd het signaal voor een openlijke couppoging van de rechtse parlementaire Labour fractie, uit schrik voor vervroegde verkiezingen die Corbyn wel eens zou kunnen winnen. Ondanks de retoriek dat Corbyn “niet verkiesbaar” zou zijn – dat meenden ze eerst van de man zelf ook in de voorzittersverkiezingen – is dat immers de grote vrees van de rechterzijde. Door hun continue sabotage en weinig inhoudelijke kritiek hopen ze van electoraal verlies een zelfvervullende voorspelling te maken. Het gaat om een onverzoenlijke strijd tussen de neoliberale trend en de linkse fractie rond Corbyn. Er bevinden zich twee partijen in dezelfde Labour Party.

De zusterpartij van LSP in Engeland, de Socialist Party, bepleitte van meet af aan een grote conferentie om Labour als open, inclusieve en federale partij te herlanceren. Een massapartij die openstaat voor elke trend en elk individu die zich tegen de besparingen verzet. Dat zou een enorm enthousiasme teweegbrengen. Zelfs als de rechterzijde zou afsplitsen en er in het parlement een 30- of 40-tal linkse vertegenwoordigers zouden overblijven, zou dat een uitstekende basis zijn voor een nieuwe massapartij van de arbeidersklasse. Vandaag met de couppoging van rechts begrijpt een bredere laag de nood van ons standpunt rond herselectie.

Corbyn wordt door een nieuwe instroom van leden en protest op straat meer naar links geduwd. Hij kan de voorzittersverkiezingen opnieuw winnen. Maar zijn positie zal pas veilig zijn voor de rechtse aanvallen als er een duidelijke breuk komt met de rechterzijde en er een nieuw soort, meer democratische arbeiderspartij wordt opgebouwd. Ondertussen zien we door die strijd een grotere interesse in de analyses van de Socialist Party, bij een laag die merkt dat onze benadering ernstig is, een verschil kan maken en gemakkelijker de stap zet om lid te worden.

Zoals het CWI voorspelde is de basis voor nieuwe linkse figuren of formaties veel instabieler dan in de naoorlogse periode van economische groei. De keuze tussen kapitalisme en democratisch socialisme wordt – gezien de stagnatie en neergang van het systeem – veel sneller gesteld. Ideologische en politieke onduidelijkheid wordt onmiddellijk afgestraft. Het “linkse” Syriza en Alexis Tsipras kozen voor het kapitalisme. Ze voeren vandaag neoliberale besparingen door waar de vorige Griekse regeringen enkel van konden dromen. Dit leidde in Griekenland tot een tijdelijke terugval van de beweging en de opkomst van de nazi’s van Gouden Dageraad als derde partij in de peilingen.

Podemos en het linkse IU kwamen in Spanje recent in een kartel op. Ze drukken de hoop op verandering uit voor een laag van werkenden en armen. De 5 miljoen stemmen voor het kartel drukt een potentieel uit. Maar het is wel een miljoen stemmen minder voor deze linkse partijen. Podemos nam aanvankelijk een aantal nationalisaties op in haar programma, van communicatie, energie en transport. De laatste periode is hier echter geen sprake meer van of werden de eisen verwaterd. De leiding zwoer teveel bij internetdemocratie en bracht te weinig echte discussie op gang in de partij. De verkiezingsslogans werden vager en nietszeggender. Deels drukt het verlies aan stemmen mogelijk ook een zeker economisch herstel uit in Spanje. Onze leden oriënteren zich in Spanje op de linkse formaties en bepleiten een benadering van betrokkenheid in strijd van onderuit, principiële linkse eenheidsfronten (IU sluit een coalitie met de neoliberale PSOE niet uit) en komen op voor een socialistische breuk met het zieke kapitalisme.

In Duitsland schoof Die Linke helaas op naar rechts. Het wil in coalities stappen met burgerlijke partijen om het kapitalisme te beheren. Daardoor wordt de partij door velen niet meer gezien als protestpartij. Op een aantal plaatsen is er echter wel nog links oppositiewerk mogelijk binnen Die Linke. Een lid van onze Duitse zusterorganisatie SAV – Lucy Redler – werd verkozen in het nationaal comité van Die Linke. Ze brengt er de idee naar voren dat de partij zich moet ontwikkelen op basis van strijd en niet enkel via electoraal werk. Er is een oriëntatie nodig op de arbeidersbeweging en een echt socialistisch programma.

Ook de SP in Nederland en de PVDA in België streven helaas naar coalities met partijen die het neoliberalisme niet duidelijk verwerpen, zoals de sociaaldemocratie en de groenen. Aan stakingspiketten wordt de idee van een electorale versterking van de partij naar voren gebracht. Jammer genoeg wordt niet de idee dat de arbeidersbeweging zelf de regering kan doen vallen verdedigd, op basis van een oplopend actieplan van goed voorbereide stakingen. De werkenden kunnen een programma en eisen beginnen uitwerken vanuit de beweging zelf, in de richting van een democratische nationalisatie en planning van de productie. Dat is de benadering die LSP en het CWI zouden verdedigen.

In Ierland nam onze zusterpartij, de Socialist Party, soms de taken op die een bredere strijdpartij op zich zou nemen. We leidden er de massale strijd tegen de waterbelasting, die eindigde met een overwinning: de opschorting van de belasting. In het parlement heeft de Socialist Party nu 3 vertegenwoordigers, wat aantoont dat je je politieke profiel als marxistische partij niet hoeft te verlagen om verkozen te worden in het parlement. Die positie werd opgebouwd doorheen de rol die onze zusterpartij speelde in verschillende strijdbewegingen.

Sommige nieuwe linkse formaties schoven naar links na de capitulatie van Syriza, in het bijzonder rond de benadering van de EU. Het Links Blok uit Portugal en IU uit Spanje menen nu dat de EU niet te hervormen valt. Maar dat stelt de vraag naar een alternatief. Voor het CWI kan dat alleen maar van de arbeidersbeweging komen en streven naar een vrijwillige federatie van socialistische staten. Strijd breekt eerst nationaal uit, maar enkel economische samenwerking tussen arbeidersregeringen kan de maatschappij op een hoger niveau ontwikkelen dan het aftakelende kapitalisme. We denken niet – zoals de leiding van Die Linke en Mélenchon van het Franse Front de Gauche – dat er simpelweg “andere verdragen” nodig zijn om de EU “heruit te vinden”. De EU was van meet af aan een kapitalistisch project. We hebben democratie op de werkplaatsen nodig en – op die basis – democratisch verkozen comités van de arbeidersklasse op regionaal en nationaal niveau. Zo’n socialistische regeringen zouden ook internationaal met elkaar samenwerken en Europa economisch en politiek meer harmonieus laten ontwikkelen.

Rechts populisme en neofascisme

Bij gebrek aan strijdbare partijen van de arbeidersklasse met een inplanting in de wijken en bedrijven, kan rechts populisme, racisme en neofascisme groeien als schimmels op een wegterend systeem. Vandaag zien we dat partijen als het FN in Frankrijk, de FPÖ in Oostenrijk, … een pseudo-sociale retoriek hanteren in een poging om stemmen te halen bij de werkende klasse. Dat vacuüm wordt gelaten door de verburgerlijking van de sociaaldemocratie. Delen van het FN in Frankrijk zijn voor de neoliberale hervorming van de arbeidswet, waartegen miljoenen werknemers en jongeren op straat kwamen. Marine Le Pen zwijgt er liefst zoveel mogelijk over. Ook de FPÖ stelt zich voor als “partij van de gewone man en vrouw”.

Het is mogelijk dat Marine Le Pen in de presidentiële verkiezingen volgend jaar in de tweede ronde uitkomt tegen de rechtse Sarkozy of Juppé. Dit zou een “derde ronde” van verzet op straat noodzakelijk maken vanwege de arbeidersbeweging en de jongeren.

Bij de basis van deze partijen vind je nog steeds neonazi’s maar de dominante methode is die van het rechts populisme bij de meer electoraal succesvolle extreemrechtse formaties. Het feit dat de FPÖ naar electorale aanvaardbaarheid streeft, geeft meer openlijke neonazi’s in Oostenrijk de kans om zich meer op straat te manifesteren. In Duitsland namen de haatmarsen van Pegida af en ook in België oogstte het neofascistische Vlaams Belang geen bredere aanhang op straat, integendeel. Volgehouden en succesvolle tegenmobilisaties kunnen extreemrechts terugdringen, als ze tegelijk een antwoord bieden op de sociale voedingsbodem voor racisme en extreemrechts.

Neen aan neergang en barbarij – voor een socialistische wereld

Het kapitalisme zit in een periode van snelle en abrupte veranderingen. Economisch biedt het geen enkele vooruitgang meer aan de massa van de bevolking. Tegelijk zorgde de post-stalinistische periode voor een terugval in het socialistisch bewustzijn. De idee dat een alternatief mogelijk was op de kapitalistische markt werd ondermijnd. Dit had een effect op de doelstellingen van bredere arbeidersstrijd en op nieuwe linkse formaties. De nieuwe links-reformistische stromingen zijn ideologisch veel zwakker dan die uit de jaren ’70 of ’80, door de periode waar we uitkomen.

Nieuwe partijen en leidingen zullen veel sneller worden uitgetest en verlaten als ze niet voldoen. Dit vereist taktische flexibiliteit maar vasthoudendheid wat het programma betreft. Voor de marxistische stroming die het CWI vertegenwoordigt, komt het erop aan om zowel de brede beweging te helpen uitbouwen als de revolutionaire trend. We willen bouwen aan een internationale van massapartijen met een socialistisch programma, om een einde te kunnen stellen aan een kapitalisme dat enkel nog sociale neergang, miserie en barbarij te bieden heeft.

Print Friendly, PDF & Email