Voorstel tot nucleair akkoord met Iran weerspiegelt veranderingen in Midden-Oosten

In de nasleep van de rampzalige bezetting van Irak moet Obama balanceren tussen regionale machten

iranp5Indien het voorstel tot nucleair akkoord, het ‘Gezamenlijk Actieplan’, tussen de P5+1 (de vijf permanente leden van de VN Veiligheidsraad en Duitsland) en Iran erdoor komt, dan zou dit een belangrijke verandering in de verhoudingen tussen deze landen vormen. Zelfs indien de uiteindelijke ratificatie van dit ‘politiek begrip’ wordt uitgesteld, vormen de onderhandelingen zelf een uitdrukking van de veranderende posities in de regio’s.

Analyse door Robert Bechert (geschreven eind april)

Rampzalige gevolgen van inval in Irak

Deze poging om tot een akkoord te komen, is in essentie het gevolg van de veranderende krachtsverhoudingen op wereldvlak en de blijvende nasleep van de door de VS en Groot-Brittannië geleide invasie van Irak.

De economische groei en groeiende internationale invloed van China heeft de wereldpositie van de VS uitgehold. Tegelijk heeft de rampzalige nasleep van de invasie in Irak bijgedragen tot het einde van de korte periode vanaf de jaren 1990 waarin de VS het wereldtoneel domineerde. De invasie was rampzalig, eerst en vooral voor de miljoenen inwoners van Irak maar daarnaast ook voor de architecten van de oorlog. De beperkingen van de VS en de al sterk afgenomen Britse macht werden scherp aangetoond. De hoop van deze regeringen om een nieuwe orde in het Midden-Oosten te vestigen door vijandige krachten uit te schakelen of te neutraliseren, werd doorprikt. Dat blijkt nu opnieuw duidelijk in het voorstel tot akkoord met Iran.

De bevolking van Irak kreeg het hard te verduren, de inval leidde tot een groot aantal dodelijke slachtoffers. Dit versterkte de ellende voor de bevolking en zorgde voor nieuwe conflicten. Voor de aansterkers en verdedigers van het avontuur van Bush en Blair was dit een strategische nederlaag en een enorme verspilling van middelen. De inval in Irak destabiliseerde de volledige regio en het zorgde ook voor een versterking van de regionale macht van Iran. Dat was niet bepaald wat Washington voor ogen had. Dit was een belangrijke nederlaag voor de westerse machten die na de omverwerping van de Sjah van Iran in 1979 probeerden om het regime te isoleren. Onder Reagan en Thatcher werd Saddam gesteund in de oorlog tussen Iran en Irak van 1980 tot 1989, een oorlog die door Saddam was begonnen.

In een artikel dat zich vooral tegen het akkoord keerde, zonder er een alternatief op naar voor te brengen, stelden de voormalige Amerikaanse ministers Kissinger en Shultz dat de “de onderhandelingen 12 jaar geleden begonnen als een internationale poging om te vermijden dat Iran een nucleair arsenaal zou kunnen opbouwen, maar nu eindigt met een akkoord waarin de nucleaire capaciteit wordt erkend, zelfs indien het in de eerstkomende tien jaar niet om een volledige capaciteit gaat.” (Wall Street Journal 9 april 2015). Dit compromis was niet wat Washington en Londen op het oog hadden in 2003.

Nasleep van de ‘Arabische lente’

De revoluties van 2011 in Noord-Afrika en het Midden-Oosten brachten de westerse machten aanvankelijk zware slagen toe. Enkele belangrijke bondgenoten in de regio, vooral Moebarak, werden immers aan de kant geschoven. Er werd gevreesd dat de revoluties zich verder zouden verspreiden naar andere landen en verder zouden gaan dan het omverwerpen van autocraten en dictators, de angst was er dat ze in sociale revoluties zouden overgaan.

De eerste revolutionaire golf werd op een zijspoor gezet, waardoor heel wat kansen voor de arbeidersklasse en de armen om met onderdrukking en kapitalisme te breken verloren gingen. Maar de daaropvolgende contrarevolutie zorgde niet voor het herstel van de vorige positie van het imperialisme. Het imperialisme heeft aan invloed ingeboet naarmate de contrarevolutie ook ruimte bood aan centrifugale krachten op basis van nationale, religieuze of andere verdeeldheden. Deze ontwikkeling is het duidelijkste in het opdelen van Libië en Syrië. Het zorgde voor meer ellende en instabiliteit doorheen de regio. Het feit dat ISIS en andere fundamentalistische groepen tegen deze achtergrond een explosieve vooruitgang kenden, versterkte de problemen voor het imperialisme.

De belangrijkste imperialistische machten voelden de zwakte van hun traditionele Arabische bondgenoten en vreesden de snelle opmars van ISIS. Ze zagen zich gedwongen om uit te kijken naar nieuwe bondgenoten. Vandaar de westerse steun voor de leiders van het autonome Koerdische gebied van Irak. In Irak ontstond er bovendien een onofficiële verstandhouding tussen de VS en Iraanse krachten om een door sjiieten gedomineerde regering te steunen in de strijd tegen ISIS.

Het is tegen deze achtergrond dat inspanningen achter de schermen opgedreven werden om tot een toenadering met Iran te komen. Het voorstel tot akkoord is een belangrijke stap in die richting.

De wereldmachten, vooral de westerse imperialisten, hebben de hulp van Iran nodig tegen de dreiging van ISIS en andere soennitische fundamentalisten in Irak en Syrië. Maar deze tactiek dreigt tegelijk de nauwe banden met Saoedi-Arabië en de Golfstaten onder druk te zetten, veel van deze regimes steunden diverse soennitische fundamentalisten. Het gaat om autocratische en grotendeels feodale heersers die in Iran een concurrent zien en vrezen dat Iran een beslissende rol kan spelen in Irak en vervolgens via de sjiietische bevolking in landen als Bahrein en Saoedi-Arabië een grotere invloed zal uitbouwen. Dat is een van de redenen waarom de VS Iran al waarschuwde dat het zich niet mag mengen in de ontwikkelende burgeroorlog in Jemen.

Een aantal westerse strategen die een grotere angst voor Iran hebben, vrezen dat dit akkoord onvoldoende zal bijdragen aan het verzwakken van het Iraanse nucleaire programma. Kissinger en Schultz geven uitdrukking aan de afgezwakte positie van het westen als ze stellen dat de ontwikkeling van een nucleair programma in Iran ertoe leidt dat de “oorlogsdreiging het westen meer belemmert dan Iran.” In zekere zin volgt Obama nochtans slechts een gelijkaardige strategie als Kissinger zelf toen hij in 1972 een akkoord tussen de Amerikaanse en Chinese leiders voorbereidde.

Alle grote wereldmachten zijn rivalen en brengen hun eigen belangen naar voor in regio’s als de Stille Oceaan of Oekraïne. Dit akkoord met Iran wordt gesteund door de P5+1, maar dan wel telkens om verschillende redenen. Sommige westerse bondgenoten in de regio, vooral Israël en Saoedi-Arabië, verzetten zich tegen het akkoord omdat ze aan regionale macht vrezen in te boeten. De Saoedi’s vrezen in bovendien dat een groeiende Iraanse invloed een stimulans zal zijn voor de sjiitische minderheid in Saoedi-Arabië om in actie te komen. De Israëlische regering vreest te moeten inbinden op zijn invloed op de westerse machten.

Evenwichtsoefening voor Obama

De regering van Obama balanceert tussen de verschillende machten. In dezelfde week dat het ontwerp van akkoord met Iran werd getekend, herstartte de Amerikaanse regering de jaarlijkse militaire hulp van 1,3 miljard dollar aan Egypte, werd Amerikaanse steun gegeven aan de Saoedische luchtaanvallen in Jemen en kwam er steun voor wat een soennitische Arabische militaire macht moet worden.

In de VS zelf kwam er verzet tegen het akkoord met Iran vanwege de Republikeinen die daartoe aangemoedigd werden door de Israëlische premier Netanyahu. Dit verzet heeft te maken met electorale doeleinden en in sommige gevallen ook met een meningsverschil over het buitenlandse beleid. Ze hopen in te spelen op wat nog overblijft van breed gedragen Amerikaanse woede tegen Iran naar aanleiding van de gijzeling van diplomatieke staf van de VS gedurende 444 dagen inn 1979/1980 alsook op de vrees die zeker onder de joodse en de fundamentalistisch christelijke bevolking leeft voor de toekomst van Israël.

Ook in het Iraanse regime is er verdeeldheid. Een combinatie van groeiende binnenlandse vraag naar verandering, regionale instabiliteit, economische sancties en nu ook dalende olieprijzen zorgde ervoor dat de voorstanders van een akkoord over een meerderheid lijken te beschikken.

Maar er zijn conflicten binnen het regime. De huidige ‘hoogste leider’ Ali Khamenei lijkt steun te geven aan president Rouhani die een akkoord wil sluiten. Maar meer kritische elementen rond de religieus-conservatieve ‘principiëlen’ hebben hun strijd niet opgegeven, zeker niet nu er in februari verkiezingen zitten aan te komen voor zowel het parlement als de Raad van Experten, waar overigens ook de hoogste leider wordt verkozen. In hoeverre die oppositie reëel is, dan wel een rookgordijn van het regime om het onderste uit de kan te halen bij de onderhandelingen, is niet duidelijk.

Wel duidelijk is de groeiende roep voor verandering en zeker onder de jongeren wordt de religieuze kaste die sinds 1979 regeert steeds meer in vraag gesteld. De verdeeldheid in het regime en de ongemakkelijke positie ervan komen tot uiting in zowel de aanhoudende repressie als de kleine toegevingen. De aankondiging van het akkoord werd alvast verwelkomd door spontane feesten in de straten doorheen het land. Mensen zongen, juichten en dansten. Velen hielden foto’s van president Rouhani omhoog. De populariteit van het akkoord zorgt ervoor dat het regime oppositie riskeert te creëren, mogelijk zelfs groter dan de massaprotesten na de presidentsverkiezingen van 2009, moest het de ratificatie van het akkoord zomaar blokkeren.

Het gefeest kwam er door het vooruitzicht dat een akkoord de schadelijke internationale sancties tegen Iran zal verzachten. Het versterkt de hoop op verandering, zeker tegen de achtergrond van de dalende olieprijzen die de economie en de levensstandaard hard raken.

De inflatie viel recent terug van het hoogtepunt van 40% tot ongeveer 16%. Maar de verantwoordelijke van de officiële door het regime gecontroleerde arbeidersorganisatie verklaarde dat 70% van de bevolking onder de armoedegrens leeft. De minister van Arbeid had het over 12 miljoen mensen die honger lijden. De druk op de levensstandaard heeft zelfs geleid tot arbeidersprotest, onder meer in de automobielsector en een “stil protest” van tienduizenden leraars doorheen het land begin maart.

Potentiële markt

Iran telt een bevolking van meer dan 80 miljoen mensen en is de 18de grootste economie ter wereld. Het is niet alleen een regionale macht maar ook een potentiële markt. Veel buitenlandse bedrijven bereiden zich actief voor om het land binnen te stormen zodra de sancties opgehoffen worden. De krant New York Times haalde vorig jaar een topman van een oliebedrijf aan die stelde: “Na dit akkoord zullen we een ongelofelijke boom kennen.” Enkele weken na het akkoord was er een publieke bijeenkomst met een groep van Amerikaanse investeerders in Teheran, de eerste dergelijke bijeenkomst die openlijk plaatsvond sinds 1979.

Als het akkoord er door komt, zullen de sancties wellicht slechts geleidelijk opgehoffen worden. Ondanks de hoge verwachtingen bij de bevolking zal dit wellicht niet leiden tot een blijvende economische groei, de situatie van de wereldeconomie is immers niet gunstig.

Maar de verandering kan de Iraanse arbeidersklasse meer vertrouwen geven om strijd aan te gaan. Dat kan een belangrijke ontwikkeling zijn. Naast die van Egypte en Turkije is de Iraanse arbeidersklasse een van de grootste uit het Midden-Oosten. Iran kent een relatief ontwikkelde samenleving, zowel in Iran als Turkije leeft ongeveer 70% van de bevolking in stedelijke gebieden. Een grootschalige terugkeer van de strijdbare tradities van de Iraanse arbeidersklasse zou een belangrijke impact hebben in de hele regio. Het zou mogelijk het voorbeeld van massastrijd terug op de voorgrond plaatsen. Als het gepaard gaat met socialistische ideeën zou het een uitweg kunnen bieden uit de armoede en het geweld die kenmerkend zijn voor het Midden-Oosten onder het bewind van de feodale heersers, religieuze zeloten en kapitalisten.

Print Friendly, PDF & Email