“Capitalism: a ghost story”. Het horrorverhaal van het kapitalisme door Arundhati Roy

De Indische Arundhati Roy is internationaal bekend als een kritische schrijfster die ook de controverse niet uit de weg gaat. Enkele van haar boeken verschenen in het Nederlands, onder meer ‘De God van de Kleine Dingen’. Haar boek over het kapitalisme in India is nog niet vertaald. Hieronder een recensie van dit boek door Mike Barker, eerder gepubliceerd in Socialism Today.

Arundhati Roy wordt terecht gezien als een vooraanstaande dissidente stem. Haar polemiek tegen onrechtvaardigheid in ‘Capitalism- A Ghost Story’ bevestigt die positie. Roy haalt hard uit naar het web van leugens van de heersende klasse. Het verhaal begint met het bezoek van Roy aan een monument van kapitalistische inhaligheid, het huis van de rijkste Indiër, Mukesh Ambani. Het huis telt ongeveer 600 personeelsleden. Roy was vooral verwonderd door de surrealistische tuin. “Niets had me voorbereid op een verticale laan – een 27 verdiepingen hoge muur van gras vastgemaakt aan een uitgebreid metalen kader. Het gras was hier en daar droog, stukken gras waren naar beneden gevallen. De Trickledown [het idee dat rijkdom naar beneden doordruppelt] had hier alvast niet gewerkt.”

Rijkdom is niet naar beneden doorgestroomd, maar er was wel enorme concentratie ervan aan de top. De superrijken hebben het nog steeds voor het zeggen in India. Het enige verschil is dat het nu Indiërs zijn en niet langer Britse kolonialen. Met 200.000 paramilitairen zijn de door de regering gesteunde milities bijzonder sterk. Ze vermoorden armen doorheen het centrum van India. Ze begaan misdaden en worden er niet voor gestraft. Het geweld versterkt enkel het verzet en doet de rangen van de maoïstische guerrilla aanzwellen, stelt Roy. Ze merkt terecht op dat geweld en repressie op zich er nooit in geslaagd zijn om de armen het zwijgen op te leggen. Het brengt haar tot een diepgaandere kijk op de ideologische middelen die onze heersers gebruiken om te vermijden dat wij opkomen voor onze belangen.

Arundhati Roy

In het boek richt Roy zich erg scherp tegen de wijze waarop de heersende klasse de liefdadigheid van de bedrijfswereld promoot. Ze geeft een korte geschiedenis van de grote rovers uit de VS. Ze gaat na hoe de Amerikaanse elite begin 20e eeuw al probeerde om burgerverzet in de VS op veiliger paden te brengen door liefdadigheid van bedrijven naar voor te schuiven als vervanging van de missieposten die de sociale controle van de kapitalisten en imperialisten moesten garanderen.

Een van de eerste boeken waar Roy naar verwijst, is Robert Arnove’s “Philanthropy and Cultural Imperialism: The Foundations at Home and Abroad” (1980). Dat werk legt nadruk op drie grote instellingen: Carnegie Corporation en de fondsen van Rockefeller en Ford. Een andere belangrijke bron voor Roy is het boek van Joan Roelof: ‘Foundations and Public Policy: The Mask of Pluralism’ (2003). In dat boek wordt de opkomst van liberale liefdadigheid onderzocht.

Waar voorheen de drie genoemde fondsen hoogdagen beleefden, is de toppositie inzake liefdadigheid vandaag voor het fonds van Bill Gates, maar ook andere fondsen hebben nog steeds een grote invloed. Roy heeft het over “instellingen die op legale wijze van belastingen vrijgesteld zijn en over enorme middelen beschikken waar geen verantwoording over verschuldigd is en waarover geen transparantie bestaat. Welke betere manier bestaat er om economische rijkdom om te zetten in politiek, sociaal en cultureel kapitaal, kortom om geld in macht om te zetten?”

Toen Carnegie begon tussen te komen in de arbeidersbeweging werd de rol van liefdadigheid voor de heersende klasse snel duidelijk. Carnegie was betrokken in het opzetten van de National Civic Federation (NCF) in 1900. Deze federatie vestigde elementen van welzijn (naast verdelende propaganda) met als doel om de eisen van de radicale vakbondsleden achterhaald te maken. De beruchte Samuel Gompers, de rechtse eerste voorzitter van de Americal Federation of Labor (AFL) in 1886 was de vice-voorzitter van NCF.

Instellingen van de heersende klasse speelden in de VS een grote rol in de strategie van de kapitalisten. Zo werd in 1924 het Council on Foreign Relations opgezet. Die instelling beweert vandaag nog steeds “de machtigste drukkingsgroep inzake buitenlands beleid” te zijn. Er wordt steun gegeven aan militaristisch gezinde denktanks zoals Rand. Er werden ook instellingen opgezet die een verzamelplaats werden voor liberale intellectuelen, zoals het Center for the Study of Democractic Institutions (opgezet in 1959) dat als doel had om “de koude oorlog te voeren zonder de uitwassen van het McCarthyisme.”

Andere inspanningen waar de grote drie “liefdadigheidsinstellingen” zich aanvankelijk sterk mee bezig hielden, waren de omverwerpingen van democratische regeringen zoals die van Salvador Allende in Chili in 1970-73. De instellingen gaven niet alleen steun aan economen die de school van Milton Friedman volgden, de zogenaamde ‘Chicago Boys’ die als adviseurs van het militaire regime van Pinochet eindigde, maar ze gaven ook steun aan linkse (maar verre van radicale) economen aan de Universiteit van Chili, de ‘dependistas’ die in de regering van Eduardo Frei (1964-1970) zaten. Toen Allende in 1970 werd verkozen, zag de Ford stichting de noodzaak van een directere interventie in Chili om de belangen van het Amerikaanse kapitalisme te verdedigen. Het fonds brak abrupt alle steun aan de dependistas af terwijl de neoliberale Chicago Boys wel veel middelen bleven krijgen. De neoliberale economen bleven tot vier jaar na de militaire staatsgreep betaald worden.

Arundhati Roy vergelijkt dit met India waar het Rockefeller Fonds in 1957 de Ramon Magsayay prijs voor gemeenschapsleiders in Azië in het leven riep. “De prijs werd genoemd naar Ramon Magsaysay, president van de Filippijnen en belangrijke bondgenoot van de VS in de campagne tegen het communisme in Zuidoost Azië.” De eerste prijs werd toegekend aan Vinoba Bhave, een volgeling van Ghandi die met zijn Bhoodan-beweging nadruk legde op gematigheid en klassenverzoening. Die positie ging in tegen het activisme van de meer radicale volgelingen van het Ghandisme.

Recent werd de prijs herdoopt tot de Ramon Magsaysay Opkomende Leiding Prijs. Roy wijst erop hoe drie winnaars van deze prijs voor ‘aanvaardbaar activisme’ een centrale rol speelden in de leiding van de zogenaamde anticorruptiebeweging van Anna Hazare. Hazare won de prijs zelf en kreeg er ook een van de Wereldbank wegens zijn “belangrijke publieke rol”. Hij staat gekend voor een elitair activisme dat met Ghandiaanse retoriek wordt overgoten. Zijn bedrijfsvriendelijke anti-corruptiebeweging leidde tot een nieuwe wet, de Jan Lokpal Bill, waarvan Roy zegt dat deze “elitair en gevaarlijk is”. De beweging van Hazare repte met geen woord over de “privatiseringen, de macht van de grote bedrijven of de [neoliberale] economische ‘hervormingen’.”

Het is niet uitzonderlijk dat de elite dergelijke ongevaarlijke bewegingen naar voor schuift. Het komt de heersende klasse goed uit dat ze een dergelijk pacifistisch voorbeeld kunnen promoten en zelf het monopolie op geweld behouden. Ghandi was een goed voorbeeld van zo’n voor de elite aanvaardbaar activisme. Leon Trotski schreef in 1939 aan de Indische arbeiders en stelde over Ghandi dat dit een “valse leider en een valse profeet is”. Hij bendrukte dat Ghandi in de eerste plaats de belangen van de Indische burgerij verdedigde. De harde kritieken van Roy op Ghandi komen niet aan bod in dit boek, maar we moeten opmerken dat ze haar kritieken niet zozeer baseert op klasse maar wel op kaste. Ze is daarbij beïnvloed door de anti-kastenactivist BR Ambedkar (1891-1956) die volgens Roy even kritisch was over socialisten als over aanhangers van Ghandi.

Eerlijk gezegd heeft Roy wel wat redenen om kwaad te zijn om de Indische ‘marxisten’. Ze groeide op in Kerala, een staat waar de politieke leiding jarenlang gedomineerd werd door communisten in de stalinistische traditie (verbonden met Moskou). Rond de kwestie van kaste falen de communistische partijen CPI en CPI-M. In het eerder gepubliceerd dossier ‘Klassenstrijd en onderdrukking op basis van kaste’ (http://www.socialisme.be/nl/21238/onderdrukking-op-basis-van-kaste-en-klassenstrijd) schreef TU Senan op deze site: “De communistische partijen beschikken in India over een massabasis maar waren nooit in staat om een klassenoppositie op een dergelijke wijze te organiseren dat ze ook in staat waren om woede tegen kastendiscriminatie te kanaliseren. De aanhoudende samenwerking met onderdrukkende kasten maakte dat steeds onmogelijk. De gedeeltelijke landhervormingen onder communistisch bewind in West-Bengalen of Kerala hadden een zekere impact op de kastenverhoudingen, maar het bleef erg beperkt aangezien de meerderheid van de mensen van de meest onderdrukte kasten landloos bleven.”

Maar Roy erkent dat niet alles verloren is. Ze verwijst naar het aanhoudende verzet in Kasjmir en schrijft: “Gewone mensen die slechts bewapend zijn met hun woede komen in opstand tegen de Indische veiligheidsmacht.” Er zijn heel wat zwakheden in de analyse van Roy, maar ze gaat niet volledig voorbij aan de rol van marxistische ideeën in de strijd op basis van klasse en kaste. Ze haalt in het boek meermaals het Communist Manifest van Marx en Engels aan. Ze herneemt het gekende citaat: “Wat de bourgeoisie produceert, zijn bovenal haar eigen grafdelvers. De val van de burgerij en de overwinning van het proletariaat zijn onvermijdelijk.” In het manifest gaat dit over de ontwikkeling van de arbeidersklasse waarbij het voormalige isolement van de werkenden verdwijnt door de vooruitgang onder het kapitalisme. Roy zet de formule op zijn kop en concludeert: “De echte grafdelvers van het kapitalisme kunnen eindigen als de waanzinnige kardinalen ervan die hun ideologie omvormden tot een geloof.”

Het is Roy’s afkeer van het marxisme, organisatie en een politieke koers op basis van klasse met een eerder anarchiserende tendens die aan de basis ligt van zwaktes in haar soms bijzonder krachtige politieke interventies. Zo was ze een van de centrale sprekers op het Wereldsociaal Forum in Mumbai in 2004. Daarbij bracht ze een erg scherpe kritiek op het VS-imperialisme, de Indische regering en alle politici die privatiseringen doorvoeren, met inbegrip van Nelson Mandela. Dat is niet evident op dit soort gelegenheden. Maar terwijl ze zei dat er niet alleen mocht gepraat worden, maar dat er ook actie nodig was, beperkte ze zich tot “een minimumagenda rond een niet nader bepaalde actie tegen een aantal multinationals.” New Socialist Alternative, onze Indische zusterorganisatie, voegde er destijds nog aan toe: “Ze gaf geen alternatief op het kapitalisme maar hield het op een pleidooi tegen ‘ideologie’ in het algemeen.”

Begin 2010 riskeerde Roy haar leven door naar het door Naxalieten gecontroleerde gebied te trekken. Dat zijn guerrillastrijders die tegen de regering vechten vanuit hun basissen in de bossen van Dandakaranya in het centrum van India. Roy stond kritisch tegenover dit gewapende verzet en erkende dat Charu Mazumdar (1918-72), de “oprichter en belangrijkste theoreticus van de Naxalieten”, een retoriek hanteerde die “bijzonder grof en bijna genocidaal was”. Roy negeert wat andere marxisten met een progressief programma stellen en schreef: “Charu Mazumdar was visionair inzake heel wat zaken die hij schreef of zei. De partij die hij opzette (en de vele splintergroepen ervan) heeft de droom van de revolutie overeind gehouden in India. Beeld je een samenleving in zonder die droom. Alleen daarvoor al mogen we hem niet te streng beoordelen.”

De benadering die Roy hanteert tegen kapitalistische uitbuiting leidt ertoe dat ze het romantische idee van een stammenopstand ziet als haalbaar alternatief op de marxistische strategie voor sociale verandering. Dit blijkt uit de ondertitel van het tweede essay in dit boek – ‘The Trickledown Revolution”. Daarbij brengt ze verslag uit van bezoeken aan verzetsstrijders op het platteland: “Het antwoord ligt niet in de excessen van het kapitalisme of het communisme. Het kan evengoed voortkomen uit het verleden van onze voorouders.” Roy verwijst naar strijders van stammen die “nog niet volledige gekoloniseerd zijn door de consumptiegerichte droom”. Ze schrijft: “Het is nodig om een zekere fysieke ruimte te laten voor het overleven van diegenen die op het eerste gezicht ons verleden bewaren, maar mogelijk ook de gidsen tot onze toekomst zijn.”

Met dergelijke misplaatste conclusies is het niet moeilijk om te begrijpen waarom de standpunten van Roy over een socialistische en egalitaire toekomst zo onduidelijk zijn. Dit blijkt nog het sterkste in het laatste essay, een korte toespraak voor de Occupybeweging in New York. Daarin erkent Roy: “We strijden niet om een systeem te hervormen dat volledig moet vervangen worden.” Maar vervolgens worden wel enkel hervormingen voorgesteld, te beginnen met een verbod op “cross-ownership in de zakenwereld.” De drie andere eisen van Roy waren radicaler. Maar ze gaan niet ver genoeg als ze een revolutionair programma tot sociale verandering wil voorstellen.

Dit komt omdat Arundhati Roy eisen zoals een verbod op de privatisering van essentiële grondstoffen en openbare diensten niet verbindt met de nood om de macht en controle uit de handen van de kapitalisten te halen en onder democratisch bezit van de werkende klasse te plaatsen. Desalniettemin is ‘Capitalism: A Ghost Story’ zeker lezenswaardig voor al wie een einde wil maken aan de dictatuur van het kapitaal en de nodeloze ellende die door deze dictatuur wordt aangebracht doorheen onze wereld.

Print Friendly, PDF & Email