Argentinië. De terugkeer van de schuldencrisis en taken voor links

Een dossier over de politieke en economische situatie in Argentinië met een terugkeer van de schuldencrisis tegen de achtergrond van een groeiend ongenoegen met strijd en politieke radicalisering. Dat laatste kwam onder meer tot uiting in een opvallende score van 1,2 miljoen stemmen voor een front van trotskistische organisaties bij de laatste verkiezingen. Een analyse door DANNY BYRNE van het CWI.

De Argentijnse financiële crisis van 2000-2002 ligt inmiddels meer dan een decennium achter ons. Het was een crisis die leidde tot een van de grootste faillissementen van een nationale staat in de geschiedenis. Het dominante discours vertelt ons dat de periode van economische onrust en massastrijd werd beëindigd door het heldhaftige werk van de Kirchner-dynastie. Nestor Kirchner en Cristina Fernandez Kirchner zouden de situatie gekeerd hebben, waardoor het spook van de schuldencrisis verdween en de economie terug groei kende. Argentinië was een model van hoe een schuldencrisis bij de overheid kon overkomen worden.

Elf jaar later waarschuwen de internationale media evenwel opnieuw voor een schuldencrisis. Het gaat om dezelfde schulden. Dit is deel van een explosieve cocktail van crisis en sociale onrust die het land naar een nieuwe periode van sociale strijd brengen.

Speculanten brengen regering op rand van het bankroet

De vonk voor de hernieuwde schuldencrisis was een beslissing van het Amerikaanse Supreme Court die inging op de eisen van een aantal crediteurs onder leiding van de miljardair Paul Singer (die eerder bekend werd als aanhanger van George W Bush) voor de volledige terugbetaling van de betwiste overheidspapieren. Het gaat om crediteurs die weigerden om deel te nemen aan de schuldherschikking die door de Kirchners werd onderhandeld met 93% van alle obligatiehouders na het bankroet. De totale waarde van de onbetaalde schulden en interesten aan de crediteurs wordt op 15 miljard dollar geschat.

De beslissing leidde tot chaos op de markten en een dreiging van een nieuw bankroet. Dit werd zelfs bevestigd in een televisietoespraak van Cristina Fernandez. Ze reageerde met sterke taal met de weigering om zich te onderwerpen aan de “afpersing” door deze hefboomfondsen. Ze gaf ook toe dat het voldoen aan de eisen van de crediteurs “onmogelijk” was. De beslissing van de rechtbank opende zelfs de weg om beslag te leggen op publieke eigendommen zoals ambassadegebouwen of militaire schepen indien het land weigert om te betalen.

De terugkeer van het spook van het bankroet van Argentinië toont aan dat kapitalistische oplossingen voor schuldencrises niet mogelijk zijn. Dit bevat belangrijke lessen voor andere landen die op een gelijkaardige weg geduwd werden onder de druk van de huidige wereldcrisis. In plaats van de tegenstellingen achter de crisis op te lossen, hebben deze ‘oplossingen’ en akkoorden de wonden slechts tijdelijk ondergesneeuwd, terwijl er onderhuids een nieuwe en vaak diepere explosie van crises aan het broeien was. Een consistente oplossing is enkel mogelijk door te breken met de dictatuur van de markten en het kapitalisme en dit gewapend met een socialistisch alternatief.

Capitulatie van de regering voor het internationale kapitalisme

Een arbeidersregering zou de beslissing van het Amerikaanse Supreme Court niet aanvaarden omdat de publieke middelen zo broodnodig zijn om te investeren in openbare diensten en het herstel van de levensstandaard. De miljarden moeten niet verdwijnen in de zakken van schuldenspeculanten. Een dergelijke positie zou internationaal op een brede steun kunnen rekenen, niet alleen in Latijns-Amerika maar ook in de door de trojka geplunderde Europese landen. Maar hiervoor zou een breuk met het kapitalisme nodig zijn. De retoriek van de Argentijnse regering tegen de speculanten blijft beperkt tot woorden, er wordt niets gedaan. In deze context is de logica van de positie van de Argentijnse regering er een van akkoorden en compromissen.

vultureDe regering doet dit omdat een bankroet rampzalig zou zijn voor elke regering die de heerschappij van de markten aanvaard. Het regime van Kirchner probeert bovendien om op een goed blaadje bij de internationale markten te staan. Zo werden de onderhandelingen met de ‘club van Parijs’, een andere bende speculanten, net afgesloten waardoor er 10 miljard dollar publieke middelen werd weg gegooid.

In 2012 kreeg de regering van Cristina Fernandez wereldwijd de aandacht en sympathie van heel wat werkenden en jongeren toen de regering zich een meerderheid van de aandelen in het oliebedrijf YPF van de Spaanse firma Respol toe-eigende.  Deze  ‘nationalisatie’ had slechts betrekking op 51% van het bedrijf en leidde uiteindelijk tot een akkoord eerder dit jaar waarbij de regering toegaf aan de eisen van het internationale kapitalisme en 10 miljard dollar betaalde aan de voormalige eigenaars van het bedrijf .

Het argument van de regering is dat het inlossen van de eisen van de speculanten en investeerders ertoe zal leiden dat sommigen terugkomen om te investeren. Er wordt dus op de chantage ingegaan zodat ze zouden terugkomen om meer te plunderen. De huidige crisis geeft aan dat deze benadering niet houdbaar is. De regering kan tijdelijk een groep van aasgieren tevreden stellen, maar alle eisen van alle aasgieren samen volstaan om de economie de dieperik in te sturen.

Met deze benadering is het niet verwonderlijk dat de forse woorden van verzet tegen de obligatiehouders niet leidden tot een confrontatie met een weigering om te betalen maar tot een bocht van de regering die besloot om onderhandelingen te starten. Zelfs op die basis is een technisch bankroet van Argentinië evenwel niet uitgesloten.

Een precedent voor buitenlandse schuldencrises

De gevestigde media hadden het over een ‘precedent’ waarbij de overwinning van de hefboomfondsen een voorbeeld kan worden voor toekomstige schuldencrises. De investeerders willen winsten maken door nationale staten op de knieën te brengen en worden daarin gesteund door de uitspraak van het Amerikaanse Supreme Court. De keuze voor regeringen in landen die het slachtoffer worden van speculanten zal gelijkaardig zijn: ofwel breken met de dictatuur van de markten met stoutmoedige socialistische maatregelen zoals het nationaliseren van de banken en de financiële sector met ook een staatsmonopolie op buitenlandse handel om de economie en de levensstandaard te beschermen, of buigen voor de crediteurs en de schulden betalen door ‘opofferingen’ van de bevolking te vragen doorheen een besparingsbeleid.

In Griekenland is de leiding van Syriza naar de tweede optie aan het overhellen. Dat gaat in tegen de positie van diegenen die, zoals de militanten van onze Griekse zusterorganisatie, een positie verdedigen van een revolutionaire breuk met de trojka en de kapitalistische EU en voor een alternatieve socialistische Europese confederatie. Grote delen van de Europese linkerzijde in Griekenland, Portugal, Ierland, Spanje,… hebben het standpunt van het Latijns-Amerikaanse reformisme uit het verleden overgenomen. Er wordt gepleit voor het heronderhandelen, de weigering om interest te betalen en niet om de schulden niet af te betalen. We moeten hen vragen hoe een schuldenherschikking er kan uitzien in de context van een Europese crisis en hoe dit de tegenstellingen en rampzalige gevolgen van wat in Argentinië gebeurt kan vermijden?

Vergelijking tussen Griekse en Argentijnse schuldencrisis

Economische crisis en inflatie richten ramp onder arbeidersklasse aan

De terugkeer van de schuldencrisis komt er op een ogenblik dat de economische situatie in Argentinië niet bepaald gunstig is. Het land werd ooit geroemd als een model van groei waarbij de wereldwijde crisis niet leek toe te slaan. De vertraging van de ‘opkomende’ economieën en de prijsdalingen voor grondstoffen hebben Argentinië in een recessie gebracht. Van een groei van 8,9% in 2011 viel de economie terug naar een recessie in het eerste kwartaal van 2014.

De inflatie heeft de lonen aangetast. Er worden dit jaar loonsverhogingen van gemiddeld 27% voorspeld, maar de inflatie bedraagt tot 40%. Dit betekent dat arbeidersgezinnen het bijzonder moeilijk krijgen en het doet terugdenken aan de vernietigende impact van de hyperinflatie in de crisis van tien jaar geleden. In plaats van te blijven buigen voor het imperialisme en het kapitalisme, zou een arbeidersregering een reeks noodmaatregelen kunnen doorvoeren waaronder de nationalisatie van de banken en financiële instellingen onder democratische controle om de prijzen en de inflatie te controleren. Het zou de speculatie kunnen aanpakken en de werkende bevolking, de lonen en levensstandaard kunnen beschermen tegen de vernietigende crisis en inflatie.

Crisis van het Kirchnerisme

De huidige economische crisis is in zekere zin een goede uitdrukking van de algemene trends in Zuid-Amerika. Een aantal belangrijke economieën op het continent kenden een groei op basis van de golf van groeiende vraag naar grondstoffen als gevolg van de sterkte van de Chinese economie. Vandaag worden deze economieën met wat vertraging mee gesleurd in de wereldwijde crisis.

De crisis van het ‘Kirchnerisme’ en de huidige regering zijn een uitdrukking van de algemene crisis va het politieke model van populistische regeringen die zich van een linkse retoriek bedienen. Er zijn verschillende dergelijke regeringen in Latijns-Amerika. De opeenvolgende regeringen onder leiding van Kirchner baseerden hun economische beleid op hoge prijzen voor grondstoffen zoals soja, waarbij dit geld opleverde om beperkte sociale hervormingen door te voeren. Maar op geen enkel ogenblik kwamen er maatregelen die de belangen van de grote bedrijven of het imperialisme fundamenteel bedreigden, zoals significante nationalisaties of maatregelen om de rijken of de multinationals te bestraffen.

De Kirchners en hun aanhangers zien zichzelf als een voortzetting van de ‘Peronistische’ traditie die het land jarenlang domineerde sinds de jaren 1940. Ondanks gelijkenissen zijn er ook heel wat verschillen met het oorspronkelijke Peronistische model. Het Peronisme was in essentie een burgerlijke nationalistische en bonapartistische beweging die in laatste instantie het kapitalistische systeem verdedigde. Het was nooit een socialistische arbeidersbeweging, maar het Peronisme nam op bepaalde ogenblikken wel maatregelen tegen de grote kapitalisten om zo de brede steun die het onder de werkende bevolking en in de arbeidersorganisaties genoot te behouden. Het was een specifieke vorm van ‘bonapartisme’ waarbij gebalanceerd werd tussen de arbeidersklasse en de bazen en zelfs de steun van een deel van extreemrechts werd bekomen.

De nationalisaties en progressieve hervormingen onder Juan Peron zorgden voor een stijging van de levensstandaard en kregen steun van veel arbeiders en van de vakbonden. Veel van deze hervormingen werden nadien teruggeschroefd, ook door ‘Peronistische’ regeringen en zeker tijdens de 10 jaar dat Carlos Menem in de jaren 1990 aan de macht was. Maar het verregaande karakter van de oorspronkelijke hervormingen zorgde ervoor dat de massale steun decennialang intact bleef en het Peronisme zich kon consolideren als politieke traditie onder de arbeidersklasse.

Zeker onder Nestor Kirchner behield het Kirchnerisme een nauwe band met de rechtse vakbondsleiding, maar de greep op de arbeidersbeweging was nooit van een zelfde aard als voorheen het geval was met het Peronisme. Dit komt onder meer door het erg beperkte karakter van de hervormingen en de toegevingen aan de arbeidersklasse. Het eerste regime van Juan Peron baseerde zich op de krachtige economische groei in de naoorlogse periode toen Argentinië een van de sterkste economieën ter wereld kende. Dit liet veel verregaandere hervormingen onder het kapitalisme toe dan wat het Kirchnerisme kon aanbieden.

De ontwikkelende breuk tussen het Kirchnerisme en de arbeidersklasse was deels zichtbaar door de formele breuk tussen belangrijke vakbondsleiders en de regering tijdens de eerste termijn van Cristina Fernandez. De breuk van Hugo Moyano en Luis Barrionuevo, centrale leiders van de grootste vakbondsfederatie CGT en voormalige aanhangers van de regering, was in het bijzonder erg opvallen. Het gaat niet om strijdbare vakbondsleiders, maar hun breuk met de regering wijst op het asociale profiel van de regering en op het feit dat delen van de arbeidersklasse in strijd beginnen te gaan tegen deze regering. Het kwam tot twee krachtige 24-urenstakingen in november 2012 en april 2014.

Een woordvoerder van de regering, Jorge Capitanich, verklaarde vorige week dat hij hoopte dat de mensen vooral over de voetbal zouden spreken. Het wijst op de wanhoop van de regering en de heersende klasse die wat ‘ademruimte’ zoekt na de opkomst van strijd in de afgelopen periode.

In maart stonden de leraars vooraan in de strijd tegen hun dalende lonen als gevolg van de galopperende inflatie. In de provincie van Buenos Aires, waar 40% van de Argentijnen wonen, was er een 18-daagse algemene staking in het onderwijs. Deze beweging leidde tot een nieuwe nationale beweging van stakingen en protestacties. Het gaf ook uitdrukking aan een belangrijk kenmerk van deze nieuwe opgang van strijd: de tegenstelling tussen de strijdbare sfeer onder belangrijke delen van de arbeiders die bereid zijn om de strijd aan te gaan en de remmende factor die de vakbondsleiding vormt, onder meer omwille van hun banden met gevestigde politici.

Er waren bijeenkomsten van de basis waarbij strijdbare linkse organisaties zoals de FIT (Links Front van Arbeiders – zie verder) een belangrijke rol speelden en ingingen tegen de conservatieve leiders. Dit toont het potentieel voor de organisatie van een strijd van onderuit met een beweging voor een strijdbare syndicale positie. De rol van de rechtse leiders in het afremmen van de strijd bleek echter nog steeds beslissend te zijn, er werd geweigerd om de strijd van de leraars en de studenten in de verschillende provincies te verenigen in een nationale staking die de provinciale en nationale regeringen tot toegevingen kon dwingen.

Potentieel voor een massale beweging van onderuit

Maar er werden stappen in de juiste richting gezet en dit niet alleen onder de leraars. Er was een indrukwekkende bijeenkomst van strijdbare syndicalisten in maart met meer dan 4.000 aanwezigen vanuit de hele vakbeweging. Een dergelijke coördinatie van de strijdbare basis is uiteindelijk gericht op het omvormen van de vakbonden met een strijdbare socialistische leiding. De coördinatie is in eerste instantie belangrijk om de druk op de bestaande leiders op te voeren zodat ze verder gaan dan ze willen in het organiseren van acties. De bijeenkomst benadrukte de druk van onderuit in de oproep voor een nationale actiedag op 9 april. Dit speelde wellicht een rol in de beslissing van de vakbondsleiders om een algemene staking uit te roepen op 10 april.

Heel wat krachten van de revolutionaire linkerzijde – georganiseerd rond de FIT – wonnen vaak leidinggevende posities in de vakbonden en speelden een belangrijke rol in dit initiatief. Er is nu het potentieel om verder te gaan en een eengemaakt netwerk van strijdbare syndicalisten uit te bouwen rond eisen voor een strijdbare opstelling door de volledige vakbeweging. Er kan hierbij naar internationale voorbeelden gekeken worden, zoals het National Shop Stewards’ Network in Groot-Brittannië dat met een eengemaakte campagne de kwestie van een algemene staking op de tafel van zelfs de meest conservatieve vakbondsleiders kreeg.

Algemene staking van 10 april – ‘zondagsstaking’ versus actieve staking

De algemene staking van 10 april had een nog verlammender effect dan die van 20 november 2012. De enorme woede onder de bevolking zorgde ervoor dat de staking een brede steun genoot. De vakbonden die ervoor opriepen vertegenwoordigen nochtans slechts 40% van de beweging. Maar toch staakte een meerderheid van het personeel in de transportsector, het onderwijs en de industrie.

De uitbarsting van woede – die zichtbaar werd met duizenden mensen die wegblokkades opwierpen en steden doorheen het hele land plat legden – was ook voor de vakbondsleiders die voor de staking opriepen een verrassing. De oppositionele vakbondsleiders Moyano en Barrionueva dachten dat de staking de heersende politici nog eens rustig kon wijzen op hun bestaan, mogelijk met het oog op een nieuwe alliantie met een van de presidentskandidaten in 2015. Rond de belangrijkste politieke kwesties, zoals de miljardendeal van de regering met de speculanten, staan deze leiders op een zelfde standpunt als de regering.

Ze riepen op tot een ‘zondagsstaking’ op de dag van de algemene staking met nadruk op het passieve karakter van het protest. Duizenden arbeiders hielden het daar niet bij. Ze bleven niet gewoon thuis maar trokken onder leiding van de linkerzijde in de vakbonden en op politiek vlak de straat op onder de slogan van een ‘actieve staking’ met massale wegblokkades die de verlamming benadrukten en de werkenden een actieve rol in de mobilisaties gaven.

Deze actieve rol van de werkende bevolking moet nu verder uitgebouwd worden. Democratische algemene vergaderingen op de werkvloer en op lokaal vlak kunnen discussiëren over een mobilisatie van onderuit om een nieuwe staking af te dwingen. Dat kan een eerste stap zijn in de richting van een oplopend actieplan om een alternatief op de miserie van inflatie en plundering door speculanten op te leggen. Zo’n actieplan zou een reeks van algemene stakingen en massale mobilisaties moeten omvatten. Hugo Moyano en andere leiders discussiëren nu over de mogelijkheid van een nieuwe algemene staking in de loop van de komende weken, ook al zullen ze dit proberen te vermijden. Een campagne van onderuit zou een onmiddellijk effect kunnen hebben in de opstart van een nieuwe ronde van nationale strijd.

Succes van de FIT

De crisis van het Kirchnerisme heeft geleid tot een splitsing in de vakbeweging, maar het kent ook een politieke uitdrukking. De verdeeldheid in het kamp van Kirchner is groot, er zijn minstens vijf ‘Peronistische’ kandidaten voor de presidentsverkiezingen van 2015, waaronder voormalige ministers en bondgenoten van Kirchner en Fernandez. Geen enkele van deze ‘oppositiekandidaten’ vertegenwoordigt een linkse breuk met de neoliberale koers van het Kirchnerisme. Ze staan niet voor een fundamenteel andere benadering van de kwestie van de schulden, de onteigening van YPF of de bescherming van de lonen tegen inflatie.

De crisis van het Kirchnerisme kwam ook tot uiting in belangrijke vooruitgang voor de radicale linkerzijde. Het Links Front van Arbeiders (FIT), een alliantie van linkse organisaties onder leiding van de Arbeiderspartij (PO), Partij van Socialistische Arbeiders (PTS) en Socialistisch Links (IS), allen met een trotskistische traditie, behaalde in de parlementsverkiezingen van vorig jaar een belangrijke vooruitgang. Het front haalde 1,2 miljoen stemmen, goed voor drie nationale parlementsleden en regionale verkozenen in zeven provincies. Wellicht zal PO-leider Jorge Altamira de presidentskandidaat van de FIT in 2015 zijn. Hij staat op 4% tot 6% in de peilingen, een verdriedubbeling van het resultaat in 2011. Als dit resultaat in de parlementsverkiezingen zou herhaald worden, zou de FIT haar zetelaantal verdubbelen.

Dit opmerkelijke resultaat toont de radicalisering in de samenleving waarbij miljoenen mensen zoeken naar een coherent links alternatief op het Kirchnerisme in crisis. FIT komt niet openlijk op voor socialistische verandering maar neemt in het programma wel de belangrijkste aspecten van een socialistisch programma op en dit gericht op de strijd voor een arbeidersregering. Terwijl belangrijke linkse krachten van Griekenland tot Portugal, Mexico en Brazilië hun programma afzwakken en naar rechts opschuiven, is dit een verfrissend gegeven. Het toont ook aan dat een radicaal programma van sociale verandering een brede steun kan vinden. Het doorkruist het argument dat een afzwakking van het programma nodig is om gehoor te vinden bij de massa’s, een argument dat dominant is onder reformistische leiders van de arbeidersbeweging doorheen de hele wereld.

Hoe bouwen aan een nieuwe massale kracht van de arbeidersklasse?

De vraag hoe de FIT kan bijdragen tot de ontwikkeling van een massale arbeiderspartij en de politieke leiding kan vormen die nodig is om de samenleving te veranderen, moet doorheen de hele beweging bediscussieerd worden. De crisis van het Kirchnerisme vormt een historische kans voor de groei van een politieke kracht gebaseerd op de arbeidersklasse, de beweging en de belangen van de werkende bevolking. Deze kracht werd in het verleden tegengehouden door het specifieke karakter van het Peronisme. Maar met een correcte benadering en oriëntatie kan de FIT uitgroeien tot een kracht die op massale schaal een breuk met het verleden vormt.

Maar dit hangt natuurlijk af van de vraag hoe de kansen gegrepen worden. Revolutionaire trotskistische krachten kunnen een belangrijke positie onder de bevolking verwerven en onder bepaalde omstandigheden zelfs massale steun krijgen. Dit is zeker het geval in landen met een sterke trotskistische traditie onder de werkende bevolking – wat in Argentinië het geval is met de ‘MAS’ die een grote inplanting onder de werkende bevolking had voor de partij in crisis kwam en uiteenbarstte in de jaren 1990. De electorale resultaten van de FIT tonen het potentieel dat er niet enkel is voor de groei van individuele organisaties die er deel van uitmaken, maar ook voor de ontwikkeling van een massale arbeiderspartij.

Er zijn gelijkenissen met de situatie in Frankrijk op het begin van deze eeuw. Bij de presidentsverkiezingen van 2002 haalden de kandidaten van LCR en LO daar samen 10% van de stemmen, het ging om bijna 3 miljoen kiezers. De crisis van de voormalige sociaaldemocratische PS die niet eens in de tweede ronde geraakte, opende de mogelijkheid om een nieuwe massale kracht op te bouwen op basis van arbeidersstrijd. Destijds stelde het CWI dat er in Frankrijk een nieuwe brede linkse formatie moest komen op een federale basis waarbij alle groepen en tendensen bestaansrecht hadden en onafhankelijk konden campagne voeren maar rond een gezamenlijk socialistisch programma.

Een dergelijke kracht zou brede lagen van de werkenden en jongeren bijeengebracht hebben rond een nieuwe partij en het zou de revolutionaire linkerzijde vestigen als politieke factor die in staat is om de hegemonie van de gevestigde partijen te doorbreken. De LCR en LO volgden dit perspectief niet, ze trokken zich elk terug in hun eigen hoek. De daaropvolgende stagnatie van beide organisaties en de dramatische ineenstorting van de NPA is getuige van de gevolgen van zulke fouten.

Een gelijkaardige kans om verkiezingssuccessen te gebruiken als springplank naar de ontwikkeling van een nieuwe massale arbeiderskracht is aanwezig in Argentinië. Maar zoals de Franse ervaring aantoont, zal die kans niet altijd blijven bestaan.

Het succes van het front geeft aan dat geen enkele van de individuele componenten van de alliantie voldoende ontwikkeld was om de massale breuk met het Peronisme te kanaliseren door een groei van de eigen rangen. Het wijst op de nood aan een breder instrument.

Revolutionairen komen op voor massale revolutionaire partijen die leiding geven aan de strijd voor socialistische verandering.  Deze strijd kan soms doorheen een periode van georganiseerde revolutionaire tussenkomst in een bredere arbeidersformatie gaan waarbij deze formatie aanvankelijk geen volledig uitgewerkt revolutionair socialistisch karakter kent. Dit vereist van revolutionaire krachten soms dat ze een rol spelen in het opzetten van een bredere politieke organisatie van de arbeidersklasse waarbij revolutionaire krachten samenwerken met diegenen die van een reformistisch standpunt komen, zoals diegenen die nu breken met het Peronisme. Het betekent ook dat samen wordt gestreden met werkenden en leiders die nog illusies hebben in een reformistische oplossing voor de crisis van het kapitalisme. Geduldig de beperkingen van deze benadering uitleggen doorheen de gebeurtenissen en de strijd is essentieel om de steun van de meerderheid van de werkende bevolking over te winnen.

Een perspectief dat de ontwikkeling van een massale revolutionaire kracht ziet als het resultaat van een lineair proces van groei van kleine revolutionaire organisaties waarbij dit proces losstaat van de bochten en keerpunten in de klassenstrijd, zal de revolutionaire niet voorbereiden op de taken van de komende periode. Er is een ander perspectief nodig om massale steun te winnen voor een revolutionair perspectief van socialistische verandering op basis van democratisch publiek bezit van de sleutelsectoren van de economie en een arbeidersregering die de strijd voert voor een socialistische federatie in Latijns-Amerika als deel van een socialistische wereld. Dat is de enige haalbare oplossing voor de huidige crisis.

De oproep voor een nieuwe brede politieke beweging van de arbeidersklasse kan in Argentinië een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van een massaal socialistisch alternatief op het Kirchnerisme en het Peronisme. Een dergelijke beweging zou zich op federale basis moeten organiseren met het recht voor de verschillende organisaties en tendensen om zich vrij binnen deze beweging te organiseren. De verkiezingssuccessen van de FIT plaatsen deze alliantie in een uitstekende positie om een oproep te lanceren en dit te verbinden met de strijd aan de basis, op straat, op de werkvloer en in de vakbonden.

De rol van de componenten die deel uitmaken van de FIT was essentieel om tot het huidige succes te komen. Wij hebben meningsverschillen met de belangrijkste krachten binnen de FIT en dit rond belangrijke internationale analyses en rond het programma. Maar ernstige revolutionaire krachten hebben de plicht om na te gaan welke overeenstemming kan bereikt worden met andere krachten en dit op basis van een grondige discussie over programma, methoden en benadering. De ontwikkeling van de FIT en de rol van de organisaties die er deel van uitmaken, kan een beslissende rol spelen op de ontwikkelingen in Argentinië in de komende periode. Dit moet openlijk en eerlijk bediscussieerd worden om tot een eengemaakt standpunt te komen. Door deze discussie wereldwijd te voeren, kunnen de Argentijnse ontwikkelingen mogelijk leiden tot bijzonder interessante vooruitzichten voor de wereldwijde socialistische beweging.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie