Leger en oorlog

In de maanden voor de revolutie was de discipline in het leger al sterk geschokt. Er zijn talrijke klachten van officieren uit die tijd te vinden: de soldaten gedroegen zich onbehoorlijk tegenover de superieuren, de behandeling van de paarden, van de legervoorraden, van de wapens zelfs was beneden alle kritiek, in de militaire treinen heerste wanorde. Niet overal was het even slecht gesteld. Maar alles ging in dezelfde richting: naar het verval.

Nu kwam daar nog de ontwrichting door de revolutie bij. De opstand van het garnizoen van Petrograd voltrok zich niet alleen zonder, maar tegen het officierenkorps. De officieren staken op de kritieke ogenblikken eenvoudig het hoofd in het zand. De Oktobristenafgevaardigde Sjidlovski had op 27 februari een onderhoud met officieren van het Preobrasjenskiregiment, klaarblijkelijk met de bedoeling om te trachten hun houding tegenover de Doema te weten te komen, maar hij trof bij de aristocraten van de garde een volkomen gemis aan inzicht in de gebeurtenissen aan, wat overigens wellicht voor een deel veinzerij was: zij waren immers allemaal ontstelde monarchisten. “Hoe groot was mijn verwondering,” bericht Sjidlovski, “toen ik de volgende morgen op straat het gehele Preobrasjenskiregiment, in voorbeeldige orde in rij en gelid marcherend, met muziek aan het hoofd, zonder een enkele officier zag.” Weliswaar kwamen er enkele troepenafdelingen naar het Taurisch paleis met hun superieuren, of liever gezegd, zij voerden deze met zich. De officieren voelden zich in deze feestelijke optocht als gevangenen. Gravin Kleinmichel, die als gevangene deze tonelen aanschouwd heeft, drukt zich preciezer uit: de officieren leken op schapen die men naar de slachtbank voert. De kloof tussen soldaten en officieren is niet door de Februarirevolutie ontstaan, zij is slechts door deze aan het licht gebracht. De opstand tegen de monarchie was in het bewustzijn van de soldaten allereerst een opstand tegen de superieuren. “Vanaf de morgen van 28 februari,” herinnert zich de kadet Nabokov, die in die dagen het officiersuniform droeg, “was het gevaarlijk om uit te gaan, omdat men bij de officieren de epauletten afrukte.” Zo zag de eerste dag van het nieuwe regime er in het garnizoen uit!

Het behoorde tot een van de eerste zorgen van het Uitvoerend Comité om de soldaten met de officieren te verzoenen. Dit betekende niets anders dan de troepen weer onder bevel van de oude officieren te stellen. De terugkeer van de officieren in de regimenten zou, volgens de woorden van Soechanov, het leger voor een “algemene anarchie of een dictatuur van de lugubere en losbandige soldateska” behoeden. Evenals de liberalen waren deze revolutionairen bevreesd voor de soldaten en niet voor de officieren. Intussen verwachtten de arbeiders samen met de “lugubere soldateska” alle kwaad juist van de kant van de officieren. De verzoening heeft daardoor niet lang geduurd.

Stankevitsj schetst de houding van de soldaten tegenover de na de omwenteling tot hen teruggekeerde officieren als volgt: “Het bleek dat de soldaten die in strijd met de voorschriften niet alleen zonder officieren, maar … in vele gevallen zelfs tegen de wil van de officieren de kazernes verlaten en die superieuren, die hun plicht deden, zelfs gedood hadden, een grote bevrijdende heldendaad volbracht hadden. Indien dit een heldendaad was en de officieren dit nu zelf zeggen, waarom hebben zij dan niet zelf de soldaten de straat op geleid – voor hen zou dit toch gemakkelijker en minder gevaarlijk geweest zijn? Maar nu de overwinning een feit is, sluiten zij zich bij de heldendaad aan. Doen zij dit echter wel oprecht en voor lange duur?” Deze woorden zijn des te leerzamer omdat hun auteur zelf behoorde tot die linkse officieren die er niet aan gedacht hadden om de soldaten de straat op te leiden.

De 28ste ’s morgens zei de commandant van een afdeling op het Sampsonjevski-Prospect tot zijn soldaten: “De regering die door allen gehaat was, is ten val gebracht.” Er was een nieuwe gevormd met vorst Lvov aan het hoofd, daardoor moest men aan de officieren blijven gehoorzamen. “En nu – ieder op zijn plaats in de kazerne, alsjeblieft.” Enkele soldaten riepen: “Tot uw orders,” maar het merendeel keek verwonderd: is dit alles? Toevallig had Kajoerov dit toneeltje bijgewoond. Het ging hem door merg en been. “Mag ik het woord, commandant…?” en zonder toestemming af te wachten, stelde Kajoerov de vraag: “Heeft er dan drie dagen lang in de straten van Petrograd arbeidersbloed gevloeid om de ene grootgrondbezitter door de andere te vervangen?” Kajoerov had ook hier de koe bij de horens gevat. De door hem gestelde vraag vormde de inhoud van de strijd in de komende maanden. In de tegenstelling tussen soldaat en officier weerspiegelde zich de vijandschap tussen boer en grootgrondbezitter.

In de provincie gaven de officieren, die klaarblijkelijk intussen instructies gekregen hadden, overal dezelfde voorstelling van de gebeurtenissen: de keizer was door de zorgen om het land uitgeput en had zich gedwongen gezien de drukkende regeringstaak aan zijn broeder over te dragen. Men las op de gezichten van de soldaten, zo klaagt een officier uit een afgelegen streek in de Krim, Nicolaas of Michael dat maakt geen verschil. Toen dezelfde commandant de volgende morgen echter genoodzaakt was de overwinning van de revolutie aan zijn bataljon mee te delen, leken de soldaten, volgens zijn eigen woorden, veranderd. Hun vragen, gebaren, blikken getuigden duidelijk van de “hardnekkige, langdurige arbeid die iemand aan deze sombere, grauwe, niet aan denken gewende hersenen besteed had.” Welk een kloof tussen de officieren die zich zo zonder moeite aan het laatste telegram uit Petrograd aanpasten, en deze soldaten die weliswaar met moeite, maar oprecht hun houding tegenover de gebeurtenissen bepaalden, terwijl zij deze zelfstandig op de eeltige hand wogen!

Het legercommando dat de omwenteling formeel erkend had, besloot eenvoudig de revolutie niet aan het front door te laten dringen. De chef van de staf in het hoofdkwartier beval de opperbevelhebbers van de fronten: in het geval dat er op de onder hen ressorterende gebieden revolutionaire delegaties, die generaal Alexejev botweg bendes noemde, zouden opduiken, moesten deze zonder aarzelen gevangen genomen worden en onmiddellijk ter plaatse voor een krijgsraad gebracht worden. De volgende dag eiste dezelfde generaal in naam van “Zijne Hoogheid”, grootvorst Nicolai Nicolajevitsj, van de regering “staking van alles, wat thans in de legerdistricten in het achterland geschiedt,” met andere woorden van de revolutie.

De legerleiding stelde het zolang mogelijk uit om het actieve leger van de omwenteling op de hoogte te brengen. Dit was minder uit trouw aan de monarchie dan wel uit angst voor de revolutie. Op sommige fronten stelde men echte quarantaines in: brieven uit Petrograd werden niet doorgelaten, aankomende personen werden vastgehouden. Zo ontstal het oude regime enige overtollige dagen aan de eeuwigheid. De tijding van de omwenteling bereikte de gevechtslinie niet voor 5/6 maart, maar hoe? Wij hebben het reeds vrijwel gezien: de grootvorst was tot opperbevelhebber benoemd, de tsaar had tot heil van het vaderland van de troon afstand gedaan, overigens was alles bij het oude gebleven. In vele loopgraven, misschien zelfs wel in de meeste, kwamen de berichten van de revolutie eerder via de Duitsers dan uit Petrograd. Konden de soldaten er nu nog aan twijfelen dat de gehele legerleiding een samenzwering gesmeed had om de waarheid te verbergen? En konden de soldaten ook maar enigszins vertrouwen schenken aan die officieren die na een of twee dagen een rode strik opstaken?

De chef van de staf van de Zwarte Zeevloot vertelt dat de tijding van de gebeurtenissen in Petrograd klaarblijkelijk in het begin geen noemenswaardige indruk op de matrozen maakte. Zodra de eerste socialistische couranten echter uit de hoofdstad aangekomen waren, “veranderde de stemming onder de bemanningen onmiddellijk, vergaderingen werden gehouden, misdadige opruiers kwamen uit hun schuilplaatsen te voorschijn.” De admiraal begreep eenvoudig niets van wat zich voor zijn ogen afspeelde. De verandering in de stemming was niet door de couranten teweeg gebracht. Deze verdreven slechts de twijfel van de matrozen aan de ernst van de omwenteling en veroorloofden hen openlijk hun ware gevoelens te uiten zonder angst voor straf van de kant van de superieuren. Dezelfde zegsman karakteriseert het politiek standpunt van de officieren van de Zwarte Zeevloot, en tevens dat van zichzelf, met de zin: “Het merendeel van de officieren geloofde dat het vaderland zonder tsaar te gronde zou gaan.” De democraten geloofden dat het vaderland ten onder zou gaan indien ze deze grote lichten niet terugbrachten naar de duistere matrozen.

De leiding van leger en vloot verdeelde zich spoedig in twee falanxen: de ene trachtte haar posten te behouden door zich aan de revolutie aan te bieden en tot de sociaalrevolutionaire partij toe te treden; een deel van hen probeerde later zelfs bij de bolsjewieken onder dak te komen. De anderen daarentegen verzetten zich, trachtten tegenstand te bieden aan de nieuwe orde, maar reeds bij het eerste ernstige conflict liepen zij zich te pletter en werden door de soldatenvloed weggespoeld. Dergelijke groeperingen zijn zo natuurlijk dat zij in alle revoluties opnieuw voorkomen. De onverzoenlijke officieren van de Franse monarchie, zij die volgens de uitdrukking van een van hen, gestreden hadden zolang zij konden, leden minder onder de ongehoorzaamheid van de soldaten dan onder het geflikflooi van hun adellijke collega’s. Tenslotte werd het merendeel van de oude legerleiding verdrongen, onderdrukt, en slechts een klein deel leefde zich in en paste zich aan. De officierenstand deelde in het lot van die klassen waaruit zij voortkwam, alleen op een meer dramatische wijze.

Het leger vormt in het algemeen een spiegelbeeld van de maatschappij die het dient, met dit verschil dat het aan de maatschappelijke verhoudingen een meer geconcentreerd karakter verleent doordat de positieve en negatieve trekken van deze in het leger hun meest krasse uitdrukking vinden. Het is geen toeval dat de oorlog in Rusland geen enkele beroemde militair voortgebracht heeft. De opperste legerleiding is door iemand uit haar midden zeer kras getypeerd. “Veel avonturiers, veel onbeschaafdheid, veel egoïsme, intriges, baantjesjagerij, onbekwaamheid en kortzichtigheid,” schrijft generaal Salesski, “maar zeer weinig kennis, gaven, bereidwilligheid, om zichzelf of ook zelfs maar zijn comfort of zijn gezondheid aan gevaren bloot te stellen.” Nicolai Nicolajevitsj, de opperbevelhebber, blonk slechts uit door zijn hoge gestalte en zijn allerdoorluchtigste grofheid. De kracht van generaal Alexejev, een troosteloze middelmaat van een hoofdofficier van de administratie, lag alleen maar hierin, dat hij een nietsnut was. Kornilov, de moedige houwdegen, werd zelfs door zijn vereerders voor een domoor gehouden. Verchovski, Kerenski’s minister van oorlog, stelde later over Kornilov: een hart van een leeuw met een schaapskop. Broessilov en admiraal Koltsjak overtroffen de overigen wel enigszins aan intellect, maar dit was ook het enige. Denikin had wel karakter, maar was voor het overige een volkomen doorsnee generaal die vijf of zes boeken gelezen had. Daarna volgden Joedenitsj, Dragomirov, Loekomski; sommigen spraken Frans, anderen niet, sommigen waren gewoontedrinkers terwijl anderen sterke drinkers waren, maar allemaal waren ze volslagen nullen.

Niet alleen echter het adellijk, ook het burgerlijk en democratisch Rusland was sterk in het officierenkorps vertegenwoordigd. De oorlog deed de kleinburgerlijke jeugd bij tienduizenden als officieren, legerbeambten, artsen, ingenieurs in de rangen van het leger binnenstromen. Deze kringen, die bijna altijd voor een doorzetten van de oorlog tot aan de overwinning waren, beseften de noodzakelijkheid van zekere ingrijpende maatregelen, maar onderwierpen zich tenslotte aan de reactionaire hogere groepen, onder het tsarisme – uit angst, na de omwenteling – uit overtuiging – zoals de democratie in het achterland zich onderwierp aan de bourgeoisie. De verzoeningsgezinde officieren deelden later het onzalige lot van de verzoeningsgezinde partijen, met dit verschil dat de situatie aan het front veel scherper vormen aannam. In het Uitvoerend Comité kon men zich lange tijd met dubbelzinnigheden handhaven, onder de ogen van de soldaten was dit moeilijker.

Onderlinge afgunst en conflicten tussen democratische en aristocratische officieren die niet in staat waren het leger te vernieuwen, vormden nog een nieuwe kiem van ontbinding. Het aangezicht van het leger bepaalde het oude Rusland en dit was door en door het aangezicht van de lijfeigenschap. De officieren bleven de gehoorzame boerenjongen zonder eigen oordeel, in wie het bewustzijn van menselijke persoonlijkheid nog niet ontwaakt was, voor de beste soldaat houden. Dit vormde de “nationale” Soevorovsche traditie van het Russische leger, dat op primitieve akkerbouw, lijfeigenschap en dorpsgemeenschap gebaseerd was. Soevorov vermocht in de achttiende eeuw nog wonderen met dit materiaal te doen. Met de voorliefde van een landheer idealiseerde Leo Tolstoj in zijn Plato Raratajew het oude type van de Russische soldaat dat zich zonder tegenstand aan de natuur, de willekeur en de dood onderwerpt (“Oorlog en vrede”). De Franse Revolutie die de schitterende doorbraak van het individualisme op alle gebieden van menselijke activiteit mogelijk maakte, heeft aan de Soevorovse krijgskunst een einde gemaakt. Zowel in de negentiende als in de twintigste eeuw, in het tijdvak tussen de Franse en de Russische Revolutie, werd het tsaristische leger, als een leger van lijfeigenen, telkens weer verslagen. De op deze “nationale” bodem ontstane legerleiding kenmerkte zich door verachting voor de persoon van de soldaat, door een passieve mandarijnengeest, onkunde in zijn vak, volkomen gemis aan heldhaftigheid en absolute diefachtigheid. Het gezag van de officierenstand steunde op uiterlijke onderscheidingstekenen, op een ritueel van eerbetoon, een systeem van represailles en zelfs een eigen taal, het platte dialect van de slavernij – “tot uw orders”, “present”, waarin de soldaat moest spreken met een officier. Terwijl de tsaristische maarschalken de revolutie met de mond accepteerden en de eed van trouw zwoeren aan de Voorlopige Regering, schoven zij eenvoudig hun eigen zonden op de gevallen dynastie. Genadig stemden zij erin toe dat Nicolaas tot zondebok voor het gehele verleden gemaakt werd. Maar verder – geen stap! Hoe zouden zij ook kunnen begrijpen dat het morele wezen van de revolutie bestaat in de geestelijke ontwikkeling van die mensenmassa, op wier geestelijke passiviteit hun gehele welzijn berustte. Denikin, die tot bevelhebber van het front benoemd was, verklaarde in Minsk: “Ik aanvaard de revolutie volkomen en zonder voorbehoud. Niettemin beschouw ik het revolutioneren van het leger en het brengen van demagogie in zijn gelederen verderfelijk voor het land.” Een klassieke formulering van de stompzinnigheid van de generaal! Wat de doorsnee generaals betreft, verlangden deze, volgens de uitdrukking van Saleski, maar een ding: raakt ons niet aan – de rest is ons onverschillig! De revolutie moest hen echter wel aanraken. Als leden van bevoorrechte klassen hadden zij niets te winnen, maar alles te verliezen. Zij werden bedreigd niet alleen met verlies van hun voorrechten als officier, maar ook met verlies van hun grondbezit. Onder de dekmantel van loyaliteit tegenover de Voorlopige Regering begonnen de reactionaire officieren een des te verbitterder strijd tegen de Sovjets. Toen zij tot de overtuiging kwamen dat de revolutie onweerstaanbaar in de soldatenmassa’s en de erfgoederen drong, zagen zij daarin een ongehoorde woordbreuk van de kant van Kerenski, Miljoekov en zelfs Rodsjanko. Om van de bolsjewieken maar niet eens te spreken.

De levensvoorwaarden op de oorlogsvloot borgen in veel grotere mate dan die in het leger onophoudelijk kiemen van een burgeroorlog in zich. Het leven van de matrozen in de drijvende stalen kisten, waarin men hen met geweld voor enige jaren samenperste, verschilde zelfs wat de verzorging betreft weinig van het leven van gevangenen. En daarnaast de officieren, meestal personen uit de bevoorrechte klassen, die de dienst op zee vrijwillig als beroep gekozen hadden, het vaderland met de tsaar, de tsaar met zichzelf identificeerden en in de matroos het meest waardeloze bestanddeel van het oorlogsschip zagen. Twee werelden, die aan elkaar vreemd en voor elkaar gesloten waren, leefden in nauw contact, zonder elkaar een ogenblik uit het oog te verliezen. De schepen van de vloot hadden hun ligplaats in industriële havensteden met een groot aantal arbeiders, wat voor de bouw en herstellingen van de schepen noodzakelijk was. Bovendien waren er onder het machinekamerpersoneel en de technici op de schepen zelf niet weinig geschoolde arbeiders. Dit alles maakte de oorlogsvloot tot een revolutionaire mijn. In de omwentelingen en militaire opstanden van alle landen waren de matrozen het meest ontvlambare element; bijna altijd probeerden zij bij de eerste de beste gelegenheid op gruwelijke wijze met hun officieren af te rekenen. De Russische matrozen vormden geen uitzondering.

In Kronstadt ging de omwenteling vergezeld van een bloedige uitbarsting van wraak tegen de officieren, die uit angst voor hun eigen verleden getracht hadden de revolutie voor de matrozen te verbergen. Als een van de eerste offers viel de vlootcommandant, admiraal Wieren, die terecht gehaat was. Een deel van het commando werd door de matrozen gevangen genomen. De officieren die men in vrijheid liet, werden ontwapend.

In Helsingfors en Sweaborg liet admiraal Nepenin tot de nacht van 4 maart geen berichten uit het opstandige Petrograd door en bedreigde matrozen en soldaten met represailles. De opstand die een dag en een nacht duurde, ontbrandde hier des te woedender. Vele officieren werden gearresteerd. De meest gehate liet men onder het ijs zwemmen. “Oordeelt men naar Skobeljevs beschrijving van de houding van de superieuren in Helsingfors en bij de vloot,” schrijft Soechanov, die helemaal niet mild was tegenover de “lugubere soldateska”, “dan kan men er zich slechts over verwonderen dat de excessen hier zo onbeduidend waren.”

Ook bij de troepen op het land bleef een bloedige afrekening niet uit. Deze had met enige tussenpozen plaats. In het begin was het wraak voor het verleden, voor de laaghartige folteringen van de soldaten. Er was geen gebrek aan herinneringen, die schrijnden als wonden. Sinds 1905 was in het tsaristische leger de zweepslag officieel als disciplinaire straf ingevoerd. De officieren lieten volkomen willekeurig soldaten, niet zelden zelfs huisvaders onder hen, slaan. Maar niet altijd ging het alleen maar om het verleden. Op het Al-Russische Congres der Sovjets rapporteerde de referent over de toestand in het leger dat er nog in de tijd tussen 15 en 17 maart bevelen tot het toepassen van lijfstraf op soldaten in het actieve leger gegeven werden. Een Doema-afgevaardigde die van het front teruggekeerd was, vertelde dat Kozakken hem bij afwezigheid van hun officieren verklaard hadden: “Zij spreken van een legerorder (klaarblijkelijk de beroemde “legerorder Nr. 1”, die nog ter sprake zal komen). Die is gisteren gekomen en vandaag heeft de commandant mij in het gezicht geslagen.” De bolsjewieken trachtten even dikwijls als de verzoeningsgezinden de soldaten van excessen af te houden. Bloedige wraakuitingen waren echter even onvermijdelijk als de terugslag na een schot. De liberalen hadden in elk geval geen enkele andere reden om de Februarirevolutie onbloedig te noemen dan dat zij hun de macht verschaft had.

Enige officieren lokten scherpe conflicten uit vanwege de rode strikken die in de ogen van de soldaten het symbool van de breuk met het verleden waren. Naar aanleiding hiervan werd de commandant van het Soemasche regiment gedood. Een korpscommandant die van de pas aangekomen reservisten geëist had de rode strikken af te leggen, werd door de soldaten gevangen genomen en naar de hoofdwacht geleid. Er waren ook talrijke botsingen vanwege de portretten van de tsaar die niet uit de openbare gebouwen verwijderd werden. Was dit gehechtheid aan de monarchie? In de meeste gevallen was het slechts twijfel aan de duurzaamheid van de revolutie en persoonlijke herverzekering. De soldaten zagen echter niet ten onrechte achter de portretten het loerende spook van het oude regime.

Niet door vooraf beraamde maatregelen van bovenaf, maar door heftige spontane bewegingen van onderop werd het nieuwe regime in het leger gevestigd. De handhaving van de krijgstucht door de officieren was noch afgeschaft, noch beperkt; zij verdween in de loop van de eerste weken van maart eenvoudig vanzelf. “Het was duidelijk,” zegt de chef van de staf van de Zwarte Zeevloot, “dat indien een officier het gewaagd zou hebben een matroos een disciplinaire straf op te leggen, er geen krachten voorhanden zouden geweest zijn om deze straf te executeren.” Dit is juist een van de kenmerken van een werkelijke volksrevolutie.

Met het wegvallen van de handhaving van de krijgstucht kwam de praktische onbekwaamheid van de officieren openlijk aan de dag. Stankevitsj, aan wie men noch opmerkingsgave, noch belangstelling voor het oorlogsbedrijf kan ontzeggen, geeft ook in dit opzicht een vernietigend oordeel over de legerleiding. De opleiding had nog altijd volgens de oude reglementen plaats die absoluut niet voldeden aan de eisen van de oorlog. Zulke oefeningen waren slechts een beproeving voor het geduld en de gehoorzaamheid van de soldaten. De officieren trachtten natuurlijk de schuld voor hun eigen onbekwaamheid af te wentelen op de revolutie.

Terwijl zij spoedig tot een meedogenloze afrekening overgingen, waren de soldaten toch ook licht tot kinderlijk vertrouwen en zelfverloochenende dankbaarheid geneigd. De afgevaardigde Filomenko, een geestelijke en liberaal, was gedurende zeer korte tijd voor de frontsoldaten de drager van de vrijheidsideeën en de zielenhoeder van de revolutie. Oude kerkelijke voorstellingen vermengden zich op wonderlijke wijze met het nieuwe geloof. De soldaten droegen de geestelijke op hun handen, hieven hem omhoog boven hun hoofden, zetten hem voorzichtig in de slee en hij kon later, geestdriftig doordravend, in de Doema berichten: “Wij konden maar geen afscheid nemen van elkaar. Zij kusten onze handen en voeten.” Het leek de afgevaardigde dat de Doema bij het leger reusachtig veel gezag had. In werkelijkheid had de revolutie gezag en zij was het die haar verblindende glans op enige willekeurige figuren afstraalde.

De symbolische zuivering die Goetsjkov in de legerleiding verricht had – ontslag van enige tientallen generaals – kon de soldaten niet bevredigen en verwekte tegelijkertijd een gevoel van onzekerheid onder de hogere officieren. Iedereen was bang niet goed te voldoen, het merendeel zwom met de stroom mee, trachtte in de gunst te komen, – en balde in stilte de vuist. Nog slechter was het gesteld met de lagere en laagste officieren, die oog in oog met de soldaten stonden. Hier had in het geheel geen zuivering door de regering plaats. Omdat zij legale wegen wilden blijven bewandelen, schreven de artilleristen van een frontbatterij aan het Uitvoerend Comité en de Rijksdoema over hun commandant: “Broeders… Wij verzoeken eerbiedig, de vijand in ons midden, Wantsjejaza te verwijderen.” Daar zij geen antwoord kregen, traden de soldaten in de regel met eigen middelen op: dienstweigering, verwijdering, zelfs arrestaties. Dan pas schrokken de autoriteiten, verwijderden de personen die gearresteerd waren of een pak slaag gekregen hadden, menigmaal probeerden zij ook de soldaten te bestraffen, vaker lieten zij deze ongestraft om de zaak niet nog gecompliceerder te maken. Dit alles schiep een ondraaglijke toestand voor de officieren. Zonder klaarheid in de toestand van de soldaten te brengen.

Zelfs door veel actieve officieren, bij wie het lot van het leger ter harte ging, werd de noodzakelijkheid van een algemene zuivering in de legerleiding bepleit. Anders was, naar zij verzekerden, een hernieuwde strijdvaardigheid van de troepen uitgesloten. De soldaten verschaften niet minder overtuigende argumenten aan de Doema-afgevaardigden. Als zij vroeger beledigd werden, moesten zij bij de superieuren bezwaren indienen waaraan dan gewoonlijk geen aandacht geschonken werd. Wat moest men nu doen? De oude superieuren waren immers gebleven en ook met de bezwaren zou het derhalve wel op dezelfde manier blijven gaan. Deze vraag was zeer moeilijk te beantwoorden, geeft een afgevaardigde toe. In deze eenvoudige vraag was intussen het hele lot van het leger vervat en zij bepaalde de toekomst van het leger bij voorbaat.

Men mag zich de onderlinge verhoudingen in het leger niet als overal in het land, bij alle wapensoorten en troependelen, gelijk voorstellen? Neen, er was een zeer grote verscheidenheid. Terwijl de matrozen van de Baltische vloot op het eerste nieuws van de revolutie met een straf gericht tegen de officieren reageerden, namen de officieren in het garnizoen van Helsingfors begin april nog leidende posities in de soldatenraden in en trad hier bij parades een achtenswaardige generaal in naam van de sociaal-revolutionairen op. Zulke tegenstellingen van haat en vertrouwen waren talrijk. Maar het leger vormde niettemin een stelsel van communicerende vaten en de politieke gevoelens van de soldaten en matrozen werden meer en meer gelijk.

De discipline werd nog enigszins gehandhaafd zolang de soldaten op snelle en doeltreffende maatregelen rekenden. Toen de soldaten echter zagen dat – volgens de woorden van een afgevaardigde van het front – alles bij het oude bleef, het oude juk, de slavernij en duisternis, de oude smaad – ontstonden er onlusten. De natuur die niet op de gedachte gekomen is het merendeel van de mensheid van een olifantenhuid te voorzien, heeft helaas de soldaten van een zenuwstelsel voorzien. Revoluties dienen ertoe om van tijd tot tijd aan deze dubbele fout te herinneren.

Ook in het achterland waren het – net zoals aan het front – toevallige aanleidingen die tot conflicten leidden. Aan de soldaten was, “evenals aan alle andere burgers,” het recht van vrij bezoek aan theaters, vergaderingen, concerten enz. toegekend. Vele soldaten legden dit uit als een recht op kosteloos schouwburgbezoek. De minister zette hun uiteen dat men de vrijheid in figuurlijke zin moest opvatten. Opstandige volksmassa’s hebben echter nog nooit neiging tot platonisme of kantianisme aan de dag gelegd.

Het versleten weefsel van de discipline scheurde eerst langzamerhand op verschillende tijdstippen in verschillende garnizoenen en verschillende troependelen. Het scheen de commandant niet zelden toe alsof in zijn regiment of in zijn divisie alles in orde gebleven was tot aan de aankomst van de kranten of van een of andere agitator van elders. In werkelijkheid voltrok zich een diepgaand en onvermijdelijk proces.

De liberale afgevaardigde Janoesjkevitsj kwam van het front terug met de algemene conclusie dat de desorganisatie het grootst was in de groene troepenafdelingen waar er vooral boeren waren. In de revolutionaire troepenafdelingen kan men het met de officieren heel goed vinden. Inderdaad werd de discipline het langst gehandhaafd op de twee polen: bij de bevoorrechte cavalerie die bestond uit meer welvarende boeren, en bij de artillerie, in het algemeen bij de technische troepen met een hoog percentage arbeiders en intellectuelen. Het langst boden de Kozakken weerstand, dit waren grondbezitters die bang waren voor de agrarische revolutie, bij welke de meerderheid van hen slechts te verliezen en niets te winnen had. Enkele afdelingen Kozakken hebben ook na de omwenteling meermalen onderdrukkingswerk verricht. In het algemeen betrof het verschil echter slechts het tempo en de tijdsduur van het ontbindingsproces.

De beklemmende strijd had zijn opgang en neergang. De officieren probeerden zich aan te passen. De soldaten begonnen wederom af te wachten. Doch door de tijdelijke verzachtingen, gedurende de dagen en weken van pauze in de strijd, bereikte de sociale haat die het leger van het oude regime tot ontbinding bracht een steeds hogere spanning. Steeds vaker flitste deze op in tragische weerlichten. In Moskou werd in een circus een vergadering van oorlogsinvaliden, soldaten en officieren, gehouden. De redenaar, een verminkte, liet zich vanaf het spreekgestoelte scherp uit over de officieren. Er ontstond protestgeschreeuw, gestamp met voeten, stokken en krukken. Is het dan zo lang geleden, heren officieren, dat jullie de soldaten met roeden en vuisten vernederd hebben? Gewonde, gekwetste, verminkte mensen stonden tegenover elkaar, verminkte soldaten tegenover verminkte officieren, meerderheid tegenover minderheid, krukken tegenover krukken. Dit als een nachtmerrie werkend toneel in de arena van het circus kondigde reeds de nadering van de woeste burgeroorlog aan.

Boven alle onderlinge verhoudingen en tegenstellingen, zowel in het leger als in het land, zweefde die ene kwestie die men kortweg met het woord ‘oorlog’ aanduidde. Van de Baltische tot de Zwarte Zee, van de Zwarte tot de Kaspische Zee, en verder tot in het binnenland van Perzië, op het onafzienbare front, stonden achtenzestig infanterie- en negen cavaleriekorpsen. Hoe moest het nu met deze gaan? En wat met de oorlog?

Het leger was bij het begin van de revolutie wat oorlogsuitrusting betreft aanzienlijk versterkt. De binnenlandse productie van oorlogsmateriaal was gestegen en tegelijkertijd was de toevoer van oorlogsmateriaal van de kant van de geallieerden, vooral voor de artillerie, over Moermansk en Archangel vermeerderd. Geweren, kanonnen en geschut waren er in veel grotere getale dan in de eerste jaren van de oorlog. Men begon met de vorming van nieuwe infanteriedivisies. De genietroepen werden uitgebreid. Op grond hiervan probeerden enkele veldheren later te bewijzen dat Rusland aan de vooravond van de overwinning stond en dat slechts de revolutie deze verhinderd had. Twaalf jaren eerder hadden Koeropatkin en Linevitsj met dezelfde argumenten beweerd dat Witte hen verhinderd had de Japanners te verpletteren. In werkelijkheid was Rusland in het begin van het jaar 1917 verder dan ooit van een overwinning verwijderd. Naast de verbeterde oorlogsuitrusting vertoonde zich einde 1916 een nijpend tekort aan levensmiddelen in het leger; tyfus en scheurbuik maakten meer slachtoffers dan de veldslagen. De ontwrichting van het transportwezen bemoeilijkte steeds meer de troepenverschuivingen en dit alleen reeds verijdelde strategische plannen die met belangrijke verplaatsingen van troepenmassa’s verbonden waren. Tenslotte veroordeelde het grote gebrek aan paarden de artillerie dikwijls tot passiviteit. Maar dit was niet de hoofdzaak: de morele toestand van het leger was hopeloos. Men kan deze aldus formuleren: het leger bestond als leger niet meer. Nederlagen, terugtochten, gruweldaden van de kant van de machthebbers hadden de geest van de troepen volkomen bedorven. Dit was niet met administratieve maatregelen goed te maken, evenmin als men het zenuwstelsel van het land kon veranderen. De soldaat keek nu op de hopen geschut neer met een zelfde walging als op een hoop bedorven vlees: dit alles leek hem overbodig, onbruikbaar, bedrog en diefstal. De officier kon hem niets overtuigends zeggen en waagde het niet meer hem de tanden in te slaan. De officieren achtten zichzelf door de legerleiding bedrogen en voelden zich niet zelden tegelijkertijd tegenover de soldaten verantwoordelijk voor de superieuren. Het leger was ongeneeslijk ziek. Het was nog in staat in de revolutie een woordje mee te spreken. Voor de oorlog bestond het echter praktisch niet meer. Niemand geloofde in de overwinning, officieren evenmin als soldaten. Niemand, noch het leger, noch het volk, wilde verder strijden.

Weliswaar werd er in de regeringsbureaus, waar men buiten het werkelijke leven stond, nog altijd over grote operaties, over het lenteoffensief of over de verovering van de Turkse Zeestraten gesproken. Men stelde zelfs voor dit doel in de Krim een groot detachement samen. Officiële berichten vermeldden dat de beste elementen voor de landing uitgezocht waren. Men zond gardetroepen uit Petrograd. Volgens de officier die deze troepen op de 25ste februari, dat is twee dagen voor de omwenteling, begon op te leiden, was dit ‘reservemateriaal’ echter beneden alle peil. Er was niet de minste strijdlust in deze onverschillige blauwe, bruine en grijze ogen… “Hun gedachten en hun wensen waren uitsluitend gericht op vrede.”

Er zijn veel soortgelijke getuigenissen. De revolutie heeft slechts aan het daglicht gebracht wat reeds voor haar ontstaan was. De slogan “Weg met de oorlog” werd daarom een van de voornaamste van de Februaridagen. Zij ging uit van de vrouwendemonstraties, van de arbeiders van de wijk Vyborg en van de kazernes van de garde.

Op hun rondreizen aan het front in het begin van maart werd aan de afgevaardigden telkens weer door soldaten, vooral van de oudere lichtingen, de vraag gesteld: “En wat zegt men over de grond?” De afgevaardigden antwoordden ontwijkend dat het grondvraagstuk in de Constituerende Vergadering zou worden opgelost. Doch daar weerklinkt een stem die de heimelijke gedachte van allen vertolkte: “Wat de grond betreft, als ik er niet meer zijn zal, heb ik ook geen grond nodig.” Dit was het uitgangspunt van het soldatenprogramma van de revolutie: eerst vrede, dan grond.

Op het Al-Russische Congres van de Sovjets, dat eind maart gehouden werd en waar aan patriottische frasen geen gebrek was, vermeldde een afgevaardigde die direct de soldaten uit de loopgraven vertegenwoordigde met grote oprechtheid hoe het front het nieuws van de revolutie opgenomen had: “Alle soldaten zeiden: God zij dank, nu zal het misschien snel vrede zijn.” De soldaten in de loopgraven eisten aan deze afgevaardigde aan het congres mee te delen: “Wij zijn bereid ons leven voor de vrijheid te offeren, maar niettemin, kameraden, willen wij het einde van de oorlog.” Dit was een stem uit de werkelijkheid, vooral in het tweede deel van de boodschap. Geduld, dat willen wij nog wel een beetje hebben, maar laten die daar boven zich haasten met de vrede!

De tsaristische troepen in Frankrijk, d.w.z. in een voor hen volkomen vreemde omgeving, waren met dezelfde gevoelens bezield en maakten dezelfde fasen van ontbinding als het leger in het vaderland door. “Toen wij hoorden dat de tsaar afstand gedaan had,” verklaarde een bejaarde soldaat, een boer die noch lezen noch schrijven kon, aan een officier, “dachten wij direct bij ons zelf, nu is het ook uit met de oorlog. Het is immers de tsaar die ons in de oorlog gestuurd heeft. Wat heb ik aan vrijheid, als ik verder in de loopgraven moet verrekken?” Deze oprechte soldatenfilosofie is niet van buitenaf ingegeven: zulke eenvoudige en overtuigende woorden kan geen agitator bedenken.

De liberalen en de halfliberale socialisten trachtten de revolutie nadien als een patriottische opstand voor te stellen. Miljoekov verklaarde de tweede maart aan Franse journalisten: “De Russische revolutie werd gemaakt om de hinderpalen die de Russische overwinning in de weg stonden, uit de weg te ruimen.” Hier gaat huichelarij gepaard met zelfbedrog, ofschoon de huichelarij daarbij dan toch stellig het grootst is. Openlijke reactionairen zagen beter. Von Struve, een panslavist van Duitse afkomst, een Lutheriaanse orthodox en Marxiaanse monarchist, gaf de oorzaak van de omwenteling beter aan, hoezeer hij dit ook vanuit een reactionaire haat deed. “Voorzover volksmassa’s, vooral soldatenmassa’s, aan de revolutie deelnamen,” schreef hij, “was dit geen vaderlandslievende uitbarsting, maar een eigenmachtige, pogromachtige demobilisatie en was het direct tegen een voortzetting van de oorlog gericht, d.w.z. zij werd ondernomen om de oorlog te doen eindigen.”

Deze woorden houden naast een juiste gedachte toch ook laster in. De pogromachtige demobilisatie kwam in werkelijkheid uit de oorlog zelf voort. De revolutie had deze niet geschapen, maar in werkelijkheid zelfs onderbroken. De desertie die aan de vooravond van de revolutie buitengewoon omvangrijk was, hield in de eerste weken na de omwenteling op. Het leger wachtte af. In de hoop dat de revolutie vrede zou brengen, was de soldaat bereid het front nog te verdedigen. Anders kon de nieuwe regering immers ook geen vrede sluiten.

“De soldaten geven als hun vaste mening te kennen,” vermeldt op 23 maart de chef van een divisie grenadiers, “dat wij slechts tot verdediging, maar niet tot aanvallen in staat zijn.” In militaire rapporten en politieke berichten wordt deze gedachte in verschillende toonaarden herhaald. De lage officier Krylenko, een oude revolutionair en later opperbevelhebber bij de bolsjewieken, vermeldt dat de soldaten in die tijd het vraagstuk van de oorlog oplosten met de formule: “Het front in stand houden, geen aanval ondernemen.” Plechtiger, maar volkomen openlijk uitgedrukt betekende dit ook: de vrijheid verdedigen.

“Men mag de bajonetten niet afnemen!” Onder invloed van allerlei verwarde en tegenstrijdige stemmingen weigerden in die tijd de soldaten niet zelden de bolsjewieken zelfs maar aan te horen. Zij geloofden, wellicht tengevolge van enkele minder gelukkige redevoeringen, dat de bolsjewieken zich niet bekommerden om de verdediging van de revolutie en dat zij de regering konden hinderen bij het sluiten van de vrede. De sociaalpatriottische kranten en agitators versterkten hen hoe langer hoe meer in deze opvatting. Hoezeer de soldaten de bolsjewieken soms het spreken beletten, zo wezen zij echter van de eerste dag van de revolutie af elke gedachte aan een offensief beslist van de hand. De politici van de hoofdstad meenden, dat dit een of ander misverstand was, dat men door gepaste druk op de soldaten uit de weg zou kunnen ruimen. De agitatie voor een voortzetting van de oorlog nam reusachtig toe. De burgerlijke pers beschreef in miljoenen exemplaren de taak van de revolutie in het kader van een oorlog tot aan de volledige overwinning. De verzoeningsgezinden zongen in dit koor mee, eerst zacht, dan luider. De invloed van de bolsjewieken, die op het moment van de omwenteling zeer gering was, werd nog kleiner toen de duizenden arbeiders die naar het front gezonden waren omdat zij staakten, het leger verlieten. De drang naar vrede kwam op deze manier juist daar waar hij het meest heftig was, nagenoeg niet en onduidelijk tot uiting. Deze situatie maakte het voor de commandanten en commissarissen, die zich aan illusies wilden overgeven, mogelijk zich over de werkelijke stand van zaken inderdaad illusies te maken. In artikels en redevoeringen uit die tijd vindt men herhaaldelijk de bewering dat de soldaten weigerden tot het offensief over te gaan, klaarblijkelijk uitsluitend op grond van een valse uitlegging van de formule “zonder annexaties en oorlogsschattingen.” De verzoeningsgezinden hielden niet op te bewijzen dat een verdedigingsoorlog de aanval niet uitsloot, deze zelfs dikwijls gebood. Alsof het om een dergelijke scholastiek ging! Een offensief betekende hervatting van de oorlog. Het voorlopig handhaven van het front betekende wapenstilstand. De soldatentheorie en praktijk van de verdedigingsoorlog was de vorm van de stilzwijgende en later ook openlijke overeenkomst met de Duitsers: “Laat ons met rust en wij zullen U met rust laten.” Meer kon het leger reeds niet meer aan de oorlog binden.

De soldaten gingen op de oorlogszuchtige ophitsingen des te minder in, waar de reactionaire officieren klaarblijkelijk onder het mom van een voorbereiding van het offensief poogden de teugels strakker aan te trekken. Een uitdrukking die onder de soldaten gebruikelijk werd, was: “De bajonet tegen de Duitser, de geweerkolf tegen de binnenlandse vijand.” De bajonet betekende hier in ieder geval: verdediging. Aan de zeestraten dachten de soldaten in de loopgraven niet. Het verlangen naar vrede vormde een machtige ondergrondse stroming die spoedig naar buiten zou dringen.

Miljoekov dacht oprecht dat er reeds voor de revolutie negatieve verschijnselen in het leger ‘waargenomen’ werden en dat het leger ook na de revolutie in staat was om de door de Entente voorgeschreven taak te vervullen. “De bolsjewistische propaganda,” schreef hij in zijn hoedanigheid van historicus, “drong niet onmiddellijk tot het front door. De eerste maand of de eerste anderhalve maand na de revolutie bleef het leger gezond.” De gehele kwestie wordt hier bekeken uit het oogpunt van propaganda, alsof hiermede het historische proces volkomen uitgeput is. Onder het mom van een vertraagde strijd tegen de bolsjewieken, aan wie hij een mystieke invloed toeschrijft, voert Miljoekov hier een strijd tegen de feiten zelf. Wij hebben al gezien hoe het in werkelijkheid met het leger gesteld was. Wij willen nu eens zien hoe de aanvoerders zelf hun strijdvaardigheid in de eerste weken en zelfs dagen na de omwenteling beoordeelden.

De opperbevelhebber van het Noordelijk front, generaal Roesski, deelde op de 6de maart aan het Uitvoerend Comité mee dat de soldaten absoluut gehoorzaamheid aan hun superieuren weigerden; de aankomst van populaire leiders aan het front was beslist noodzakelijk om het leger enigszins te kalmeren.

De chef van de staf van de Zwarte Zeevloot vertelt in zijn memoires: “Het was mij vanaf de eerste dagen van de revolutie duidelijk geworden dat men de oorlog niet langer kon voortzetten, dat hij verloren was.” Ook Koltsjak was, volgens zijn eigen woorden, dezelfde mening toegedaan en hij bleef slechts frontcommandant om de officieren tegen gewelddaden te beschermen.

Graaf Ignatjev, die een hoge post bij de garde bekleedde, schreef in maart aan Nabokov: “Men moet er zich duidelijk rekenschap van geven dat de oorlog geëindigd is, dat wij niet meer kunnen en willen strijden.” Verstandige mannen moesten een middel verzinnen om de oorlog ongemerkt te liquideren, anders naderde een catastrofe… Goetsjkov zei in die tijd aan Nabokov dat hij massa’s van zulke brieven ontving; enkele zeer zeldzame en op het eerste gezicht gunstiger oordeelvellingen worden in de regel onmiddellijk weer door aanvullende mededelingen ongedaan gemaakt. “Het verlangen van de troepen naar een overwinning is gebleven,” bericht de commandant van het tweede leger, Danilov, “bij sommige troependelen zelfs toegenomen.” Maar hij merkt tegelijkertijd op: “De discipline is verminderd… Het is gewenst aanvalsacties zolang uit te stellen totdat de toegespitste situatie voorbij zal zijn (ongeveer een tot drie maanden).” Dan volgt een verrassende toevoeging: “Van de nieuwe lichting arriveert slechts 50 procent. Indien zij verder op die manier wegsmelten en zich zo ongedisciplineerd gedragen, valt er op een succesvol offensief niet meer te rekenen.”

“De divisie is volkomen in staat tot verdedigingsacties,” meldt de wakkere bevelhebber van de 51ste infanteriedivisie – en hij voegt onmiddellijk hieraan toe: “Het is absoluut noodzakelijk het leger aan de invloed van de soldaten- en arbeidersafgevaardigden te onttrekken.” Dit was echter niet zo eenvoudig!

De bevelhebber van de 182ste divisie meldt aan de korpscommandant: “Iedere dag ontstaan er meer misverstanden. Het gaat eigenlijk om kleinigheden, maar verontrustend; de soldaten, en meer nog de officieren, worden daardoor steeds zenuwachtiger.”

Dit zijn nog maar op zichzelf staande, hoewel talrijke getuigenissen. Op 18 maart had echter in het hoofdkwartier een beraadslaging van het opperbevel over de toestand in het leger plaats. De conclusies van de centrale leidingen stemden overeen. “Aanvulling van de troepen door afzending van het benodigde aantal naar het front is in de komende maanden onmogelijk, want het gist bij alle reservetroepen. Het leger maakt een ziekte door. Het zal waarschijnlijk pas binnen twee tot drie maanden gelukken de betrekkingen tussen officieren en soldaten in orde te brengen (de generaals begrijpen niet dat de ziekte nog verder zal gaan). Men bespeurt tegenwoordig een ontzinken van de moed bij de officieren, gisting bij de troepen, talrijke deserties. De slagvaardigheid van het leger is verminderd en men mag er niet vast op rekenen dat de troepen in deze tijd voorwaarts zullen gaan.” Conclusie: “Het is nu onmogelijk om de voor de lente beraamde operaties door te zetten.” De toestand verslechtert in de volgende weken snel, de bewijzen hiervan stapelen zich op.

De commandant van het vijfde leger, Generaal Dragomirow, schrijft einde maart aan generaal Roesski: “De strijdlust is verminderd. Het ontbreekt de soldaten niet alleen aan iedere lust om tot de aanval over te gaan, maar ook het eenvoudig standhouden bij de verdediging is zoveel slechter geworden dat het een goede afloop van de oorlog in gevaar brengt… De politiek, die zich van alle lagen in het leger meester gemaakt heeft, … brengt de troepenmassa ertoe slechts een ding te wensen – beëindiging van de oorlog en terugkeer naar huis.”

Generaal Loekomski, een van de steunpilaren van het reactionaire hoofdkwartier, veranderde, ontevreden met de nieuwe gang van zaken, bij het begin van de revolutie van werkkring, werd korpscommandant en bevond volgens zijn rapport dat de discipline alleen nog maar bij de artillerie en de genietroepen, waarin veel kaderofficieren en soldaten waren, gehandhaafd bleef. “Wat de drie infanteriedivisies aangaat, deze waren bezig volkomen te vervallen.”

De desertie die tengevolge van de gewekte verwachtingen na de omwenteling verminderd was, nam tengevolge van de ontgoochelingen weer toe. In een week, van 1 tot 7 april, deserteerden volgens de mededelingen van generaal Alexejev ongeveer achtduizend soldaten van het Noord en Westfront. “Met grote verbazing,” schreef hij aan Goetsjkov, “lees ik de rapporten van onverantwoordelijke personen over de ‘voortreffelijke’ stemming in het leger. Waartoe dient dit? De Duitsers zullen zich niet laten misleiden en voor ons is het maar noodlottig zelfbedrog.”

Men dient in het oog te houden dat er voorlopig nog nergens ook maar enige mededeling over de bolsjewieken te vinden is: het merendeel van de officieren was deze vreemde naam nauwelijks tegengekomen. Indien er in de rapporten sprake is van de oorzaken van het ontbindingsproces in het leger, noemt men tijdschriften, agitators, sovjets, de “politiek” in het algemeen, in een woord, de Februarirevolutie.

Men komt nog enkele optimistische bevelhebbers tegen die de hoop koesteren dat alles nog in orde zal komen. Er waren er echter meer die opzettelijk de ogen voor de feiten sloten, om de nieuwe regering niet onaangenaam te zijn. Evenals ook omgekeerd een vrij groot aantal, vooral hoger geplaatste officieren, opzettelijk de symptomen van verval overdreef om afdoende maatregelen van de regering te verkrijgen, welke ze echter niet zelf met naam konden of wilden aanduiden. Het werkelijke beeld blijft echter onveranderd. De omwenteling trof een ziek leger aan en kneedde het onvermijdelijke vervalproces van dit leger in politieke vormen, welke iedere week meer onbarmhartig aan het licht kwamen. De revolutie deed niet alleen het hartstochtelijke verlangen naar vrede sterk toenemen, maar ook de haat van de soldatenmassa tegen de legerleiding en de heersende klassen in het algemeen.

Midden april bracht Alexejev persoonlijk aan de regering rapport uit over de stemming in het leger, waarbij hij kennelijk sterk overdreef. “Ik herinner mij goed,” schrijft Nabokov, “welk een gevoel van afgrijzen en wanhoop zich van mij meester maakte.” Men mag aannemen dat bij het uitbrengen van dit rapport, dat immers slechts op de eerste zes weken na de revolutie betrekking kan hebben, ook Miljoekov aanwezig was; het is zeer waarschijnlijk dat juist hij het was die Alexejev liet optreden om zijn collega’s en door deze de socialistische vrienden angst aan te jagen. Goetsjkov had inderdaad daarna een onderhoud met vertegenwoordigers van het Uitvoerend Comité. “Er zijn rampzalige verbroederingen begonnen,” weeklaagde hij. “Er zijn gevallen van openlijke ongehoorzaamheid geconstateerd. Bevelen worden eerst in legerorganisaties en in openbare vergaderingen besproken. Men wil in zulke troepenafdelingen niets weten van daadwerkelijke operaties… Indien mensen hopen dat het morgen vrede zijn zal,” zei Goetsjkov niet ten onrechte, “dan mag men niet verwachten dat zij vandaag geneigd zijn hun leven te geven.” De minister van oorlog trok hieruit de conclusie: “Men moet ermee ophouden hardop van vrede te spreken.” Daar de revolutie echter de mensen juist geleerd had hardop te zeggen wat zij vroeger slechts bij zichzelf gedacht hadden, betekende dit: men moet de revolutie verstikken.

De soldaat had weliswaar ook op de eerste dag van de oorlog noch willen sterven, noch willen strijden. Maar hij had dit niet gewild zoals een artilleriepaard geen zwaar stuk geschut door het moeras wil trekken. Evenmin als het paard had hij aan de mogelijkheid gedacht zich van de last die hem was opgelegd, te bevrijden. Er bestond geen verband tussen zijn wil en de oorlogsgebeurtenissen. De revolutie had hem dit verband geopenbaard. Zij betekende voor miljoenen soldaten het recht op een beter leven, voor alles het recht op leven in het algemeen, het recht zijn leven te beveiligen tegen kogels en geschutvuur en tegelijkertijd ook zijn gezicht tegen de vuist van de officier. In die zin werd ook hierboven gezegd dat het fundamentele psychologische proces in het leger bestond in het ontwaken van de persoonlijkheid. De beschaafde klassen zagen in de vulkanische uitbarsting van het individualisme, die niet zelden anarchistische vormen aannam, verraad aan de natie. Terwijl in werkelijkheid de natie zich in het woeste optreden van de soldaten, in hun ongebreidelde protesten, zelfs in hun bloedige excessen pas uit het ruwe, onpersoonlijke, prehistorische materiaal formeerde. De vloedgolf van massa-individualisme, die zo verfoeid werd door de bourgeoisie, was veroorzaakt door het karakter van de Februarirevolutie als een burgerlijke revolutie.

Dit was echter niet haar enige inhoud. Want behalve de boer en zijn zoon, de soldaat, nam ook de arbeider aan de revolutie deel. Deze voelde zich reeds lang een persoonlijkheid, ging in de oorlog niet alleen met haat tegen de oorlog, maar ook met de gedachte van strijd tegen deze, en de revolutie betekende voor de arbeider niet alleen het blote feit van de overwinning, maar ook de gedeeltelijke triomf van zijn ideeën. Het neerslaan van de monarchie was voor hem slechts de eerste stap en hij bleef niet bij deze stap, doordat hij op nieuwe doeleinden afging. Het was voor hem slechts de vraag, in hoeverre soldaat en boer hem zouden ondersteunen. “Wat heb ik aan grond, als ik er niet meer ben?” vroeg de soldaat. “Wat heb ik aan vrijheid,” praatte hij de arbeider na voor de voor hem gesloten deuren van de schouwburg, “als de sleutels tot de vrijheid bij de heren zijn?” Zo lichtten door de verwarde chaos van de Februarirevolutie heen al de strakke omtrekken van oktober.

Het uitvoerend comité

Wat op 27 februari in het Taurisch paleis onder de naam Uitvoerend Comité van de Sovjet van Arbeidersafgevaardigden ontstaan was, had eigenlijk weinig met deze naam gemeen. De Sovjet van Arbeidersafgevaardigden van 1905, de stamvader van het stelsel, was uit de algemene staking voortgekomen. Hij vertegenwoordigde direct de massa’s in de strijd. De stakingsleiders werden afgevaardigden in de Sovjet. De selectie van de deelnemers voltrok zich in de strijd. Het leidende orgaan werd voor de verdere leiding van de strijd gekozen. Het was juist het Uitvoerend Comité van 1905 geweest dat de gewapende opstand begon.

De Februarirevolutie haalde een overwinning dankzij de opstand van de regimenten, nog voordat de arbeiders Sovjets gevormd hadden. Het Uitvoerend Comité vormde zich eigenmachtig tegenover de Sovjet, onafhankelijk van de bedrijven en regimenten, na de overwinning van de revolutie. Wij zien hier het klassieke initiatief van de radicalen die bij de revolutionaire strijd zelf afzijdig blijven, maar bereid zijn de vruchten ervan te oogsten. De werkelijke arbeidersleiders verlieten de straten nog niet, zij ontwapenden sommigen, bewapenden anderen, consolideerden de overwinning. Zij die verder zagen, waren onmiddellijk verontrust door de berichten over het ontstaan van een Sovjet van Arbeidersafgevaardigden in het Taurisch paleis. Zoals de liberale burgerij in afwachting van een paleisrevolutie in de herfst van 1916 een reserveregering klaar had staan, om bij succes van de paleisrevolutie deze aan de nieuwe tsaar op te dringen, hadden ook de radicale intellectuelen bij de overwinning in februari 1917 een reserveregering gevormd. Aangezien ze allemaal in een ver verleden met de arbeidersbeweging in contact stonden en geneigd waren zich met de traditie van deze te dekken, gaven zij hun kind de naam van Uitvoerend Comité van de Sovjet. Dit was een van die gedeeltelijk opzettelijke vervalsingen waaraan de geschiedenis, en ook de geschiedenis van de volksopstanden, rijk is. Bij een revolutionaire wending van de gebeurtenissen en een doorbreking van de normale loop van de ontwikkeling nemen de “beschaafde” groepen die genoodzaakt zijn zich bij de macht aan te sluiten, graag hun toevlucht tot namen en symbolen die met de glorierijke herinneringen van de massa’s verbonden zijn. Woorden dienen dikwijls om het wezen van de dingen te verbergen, vooral indien de belangen van invloedrijke groepen dit eisen.

Het reusachtig grote gezag van het Uitvoerend Comité steunde reeds op de dag van zijn ontstaan op zijn vermeende afstamming van de Sovjet van 1905. Het door de eerste chaotische vergadering van de Sovjet gesteunde Comité oefende daarna een beslissende invloed zowel op de samenstelling van de Sovjet, alsook op de politiek van deze uit. Deze invloed was bedekter zodra niet meer de natuurlijke selectie van revolutionaire vertegenwoordigers meespeelde. Dat gebeurde in het heetst van de strijd. Maar de opstand was achter de rug, iedereen verkeerde in een overwinningsroes en maakte aanstalten om het leven op een nieuwe leest te schoeien. De harten en de gemoederen waren vertederd. Er waren maanden van nieuwe conflicten en gevechten nodig, onder nieuwe voorwaarden, en de daaruit voortspruitende veranderingen in de groeperingen van de mensen, opdat de Sovjets uit organen die de overwinning achteraf bekroond hadden tot werkelijke organen van de strijd en van de voorbereiding van een nieuwe opstand werden. Wij brengen deze kant van de zaak met grotere nadruk naar voren omdat zij tot nu toe volkomen op de achtergrond gebleven is.

Niet alleen de ontstaansvoorwaarden van het Uitvoerend Comité en van de Sovjet bepaalden echter het gematigd en verzoeningsgezind karakter ervan, er waren ook diepere en meer blijvende oorzaken aanwezig die in dezelfde richting werkten.

Er waren in Petrograd meer dan honderdvijftigduizend soldaten. Arbeiders en arbeidsters van alle categorieën waren er minstens viermaal zoveel. Niettemin waren er op elke twee arbeidersafgevaardigden in de Sovjet vijf soldatenafgevaardigden. De normen van het vertegenwoordigend stelsel waren zeer rekbaar en men kwam de soldaten op alle mogelijke manieren tegemoet. Terwijl de arbeiders één vertegenwoordiger op de duizend kozen, zonden kleinere troepenafdelingen er dikwijls twee. Het grijs van het soldatenpak werd de grondkleur van de Sovjet.

Ook de burgers waren echter lang niet allemaal door arbeiders gekozen. Vele personen kwamen op persoonlijk verzoek, door protectie of eenvoudig door hun eigen sluwheid in de Sovjet, radicale advocaten en artsen, studenten, journalisten, die verschillende twijfelachtige groepen en meestal alleen maar hun eigen eerzucht vertegenwoordigden. Deze evidente vervalsing van het karakter van de Sovjet werd graag geduld door de leiders die er niet afkerig van waren om de al te sterke concentratie van rauwe materie uit de fabrieken en de kazernes te verdunnen met het lauwe water van het beschaafde kleinburgerdom. Veel van deze avonturiers, toevallige figuren, zelfbenoemde messiassen en professionele aan het spreekgestoelte verbonden zwetsers verdrongen met het nodige ellebogenwerk de zwijgzame arbeiders en de twijfelende soldaten.

Indien dit in Petrograd al zo was, kan men zich gemakkelijk voorstellen hoe het er uitzag in de provincie, waar de overwinning geheel en al zonder strijd behaald was. Het hele land wemelde van soldaten. De garnizoenen van Kiev, Helsingfors en Tiflis stonden in aantal niet bij Petrograd ten achter; in Saratov, Samara, Tambov, Omsk waren er telkens 70 tot 80.000 soldaten, in Jaroslav, Jekaterinoslav, Jekaterinenburg telkens 60.000, in een gehele reeks steden 50, 40 en 30.000. De Sovjetvertegenwoordiging was in de verschillende plaatsen anders opgebouwd, maar zij kende overal aan de soldaten een bevoorrechte positie toe. Dit kwam politiek door het streven van de arbeiders zelf om de soldaten zoveel mogelijk tegemoet te komen. Even graag betoonden de leiders zich tegemoetkomend tegenover de officieren. Behalve het grote aantal luitenants en lagere officieren, die in de eerste tijd door soldaten gekozen werden, gaf men dikwijls, vooral in de provincie, afzonderlijke afgevaardigden aan het commando. Het resultaat hiervan was dat de militairen in vele Sovjets een overweldigende meerderheid hadden. Soldatenmassa’s, die nog geen tijd gehad hadden om een eigen politiek karakter te krijgen, bepaalden door hun afgevaardigden het karakter van de sovjets.

Iedere vertegenwoordiging heeft een element van wanverhouding in zich. Dit is vooral daags na een omwenteling groot. Als afgevaardigden van de politiek onbeholpen soldaten traden in de eerste tijd personen op die de soldaten en de revolutie volkomen vreemd waren, allerlei intellectuelen en halve intellectuelen, die zich in de garnizoenen in het achterland verborgen hielden en daarom als extreme patriotten optraden. Zo ontstond de kloof tussen de stemming van de kazerne en die van de Sovjets. De officier Stankevitsj, tegenover wie de soldaten van zijn bataljon na de omwenteling somber en wantrouwend stonden, kon in de soldatensectie met succes over het actuele onderwerp, over de discipline, spreken. “Waarom zijn de stemmingen in de Sovjet,” zo vroeg hij zich zelf af, “milder en prettiger dan bij het bataljon?” Deze naïeve argeloosheid bewijst ten overvloede hoe moeilijk de ware gevoelens van de onderste groepen zich een uitweg banen.

Niettemin begonnen de meetings van de soldaten en arbeiders al vanaf de 3de maart van de Sovjet te eisen dat ze onmiddellijk de Voorlopige Regering van de liberale burgerij terzijde zou schuiven en zelf de macht in handen zou nemen. Het initiatief lag ook hier bij de Vyborgse wijk. Hoe zou er ook een andere eis kunnen zijn die voor de massa begrijpelijker was en haar meer aan het hart ging? Deze agitatie hield echter spoedig op: niet alleen omdat de vaderlandsverdedigers haar krachtig van de hand wezen; erger was dat de bolsjewistische leiding zich in de eerste helft van maart feitelijk voor het bewind van de dubbele heerschappij boog. Behalve de bolsjewiek kon echter niemand de machtskwestie op de spits drijven. De Vyborgse leiders moesten de terugtocht aanvaarden. De Petrogradse arbeiders schonken intussen geen ogenblik vertrouwen aan de nieuwe regering en beschouwden deze niet als de hunne. Zij luisterden echter met aandacht naar de soldaten, met de bedoeling zich niet scherp tegenover hen te stellen. De soldaten daarentegen, die zich juist de eerste beginselen van de politiek begonnen eigen te maken, vertrouwden weliswaar naar boerenaard de heren niet, maar luisterden oplettend naar hun vertegenwoordigers, die van hun kant vol ontzag naar de gezaghebbende leiders van het Uitvoerend Comité luisterden; wat de laatsten betreft, deze deden niets anders dan naar de pols van de liberale burgerij luisteren. Alles hield zich juist op dit luisteren van beneden naar boven staande — tot nader order.

De stemmingen van de onderste groepen braken zich echter toch baan en de machtskwestie, die men kunstmatig uit de weg gegaan was, drong zich iedere keer weer, hoewel in bedekte vorm, op. “De soldaten weten niet naar wie zij moeten luisteren,” klaagden districten en provincie, die op deze manier de ontevredenheid met de dubbele heerschappij ter kennis van het Uitvoerend Comité brachten. De delegaties van de Baltische en van de Zwarte Zeevloot verklaarden op de 16de maart dat zij bereid waren in zoverre met de Voorlopige Regering rekening te houden als deze met het Uitvoerend Comité zou samen gaan. Zij waren met andere woorden van plan in het geheel geen rekening met haar te houden. Hoe verder men komt, hoe meer men deze toon hoort. “Leger en bevolking hebben slechts gevolg te geven aan bevelen van de Sovjet,” bepaalt het 172ste reserveregiment en formuleert tegelijkertijd het omgekeerde richtsnoer: “Aan bevelen van de Voorlopige Regering, welke strijdig zijn met de besluiten van de Sovjet, mag men geen gevolg geven.” Met gemengde gevoelens van tevredenheid en bezorgdheid bevestigde het Uitvoerend Comité deze toestand. Tandenknarsend duldde de regering hem. Beiden bleef niets anders over.

Al in het begin van maart ontstaan er Sovjets in alle belangrijke steden en industriecentra. Van daaruit verspreiden zij zich gedurende de eerstvolgende weken over het gehele land. Zij beginnen pas in april en mei de dorpen door te breken. In naam van de boeren spreekt in de aanvang vrijwel uitsluitend het leger.

Het Uitvoerend Comité van de Petrogradse Sovjet kreeg natuurlijk betekenis voor de gehele staat. De overige Sovjets richtten zich naar de hoofdstad en besloten de een na de ander tot een voorwaardelijke ondersteuning van de Voorlopige Regering. Ofschoon de betrekkingen tussen de Sovjet van Petrograd en die van de provincie zich in de eerste maanden zonder wrijvingen ontwikkelden, zonder conflicten en ernstige misverstanden, vloeide de noodzakelijkheid van een organisatie voor de gehele staat uit de gehele toestand voort. Een maand na het neerslaan van het absolutisme werd de eerste conferentie van de Sovjets bijeengeroepen; zij was niet voltallig en eenzijdig samengesteld. Ofschoon twee derden van de honderdvijfentachtig vertegenwoordigde organisaties tot de lokale Sovjets behoorden, waren het toch overwegend soldatensovjets; samen met de vertegenwoordigers van de frontorganisaties hadden de afgevaardigden van het leger, die merendeels officieren waren, een verpletterende meerderheid. Er werden redevoeringen over de voortzetting van de oorlog tot de uiteindelijke overwinning gehouden en terechtwijzingen aan het adres van de bolsjewieken gericht, ondanks het meer dan gematigd optreden van deze. De conferentie vulde het Uitvoerend Comité van Petrograd met zestien conservatieven uit de provincie aan en legde zo zijn algemeen staatskarakter vast.

De rechtervleugel was nog meer versterkt geworden. Van nu af aan schrikte men de ontevredenen steeds vaker af met de provincie. Het besluit over de regeling van de samenstelling van de Petrogradse Sovjet, dat nog op de 14de maart aangenomen was, werd vrijwel niet doorgevoerd. Besluiten zouden immers niet door de lokale Sovjet, maar door het Al-Russisch Uitvoerend Comité genomen worden. De officiële leiders namen een bijna ongenaakbare positie in. Enigszins belangrijker besluiten werden in het Uitvoerend Comité of, juister gezegd in de regerende kern daarvan, genomen na voorafgaand overleg met de kern van de regering. De Sovjet stond er buiten. Men behandelde deze als een meeting: “De politiek wordt niet daar, niet in de algemene vergaderingen gemaakt, en al deze “plenums” hebben niet de minste praktische betekenis” (Soechanov). De zelfingenomen bestuurders waren van mening dat de Sovjets eigenlijk hun rol vervuld hadden nadat zij de leiding aan hen hadden toevertrouwd. De naaste toekomst zal laten zien dat dit niet zo was. De massa kan zeer geduldig zijn, maar zij is helemaal geen leem dat men naar believen kneden kan. En in revolutionaire tijden leert zij snel. Daarin is juist de kracht van de revolutie gelegen.

Om de verdere ontwikkeling van de gebeurtenissen beter te kunnen begrijpen, moeten wij even blijven stilstaan bij de voornaamste kenmerken van die twee partijen die vanaf het begin van de revolutie een nauw bondgenootschap gesloten hadden, in de Sovjets en in de democratische gemeenteraden, die op de congressen van de zogenaamde revolutionaire democratie overheersten en zelfs hun, weliswaar meer en meer wegslinkende meerderheid wisten te behouden tot in de Constituerende Vergadering, die tot een laatste weerglans van hun verdwenen macht werd, zoals het avondrood nog op een bergtop licht voordat de zon ondergaat.

Omdat de Russische burgerij te laat kwam om democratisch te zijn, wilde de Russische democratie zich juist socialistisch voordoen. De democratische ideologie was in de loop van de negentiende eeuw hopeloos verouderd. Op de drempel van de twintigste eeuw was er voor het Russisch radicaal intellect een socialistische kleur nodig, wilde zij bij de massa’s ingang vinden. Dit is een algemene historische oorzaak van het ontstaan van middenpartijen: die van de mensjewieken en die van de sociaal-revolutionairen. Elk van deze had intussen haar eigen genealogie en haar eigen ideologie.

De opvattingen van de mensjewieken berustten op een marxistische basis. Het marxisme werd hier tengevolge van de reeds genoemde historische achtergeblevenheid van Rusland niet zozeer een kritiek van de kapitalistische maatschappij, als wel een motivering van de onvermijdelijkheid van de burgerlijke ontwikkeling van het land. De geschiedenis heeft, als zij dit nodig had, handig de gecastreerde theorie van de proletarische revolutie benut om met behulp van deze brede kringen van muffe narodniki-intellectuelen in burgerlijke geest te vereuropeaniseren. Aan de mensjewieken werd in dit proces een belangrijke rol toebedeeld. Terwijl zij de linkervleugel van het burgerlijke intellect vormden, verbonden zij deze met de meest gematigde tussengroepen van die arbeiders, die tot de legale arbeid in de Doema en in de vakverenigingen geneigd waren.

De sociaal-revolutionairen daarentegen bestreden het marxisme theoretisch, terwijl zij het gedeeltelijk volgden. Zij hielden zich zelf voor de partij die het bondgenootschap tussen intellectuelen, arbeiders en boeren verwezenlijkte, natuurlijk geleid door het kritische verstand. Hun ideeën vormden op economisch gebied een onverteerbaar mengelmoes van verschillende historische bestanddelen die de tegenstellingen tussen de bestaansvoorwaarden van de boeren en die van het in snelle kapitalistische ontwikkeling verkerend land weerspiegelden. De sociaal-revolutionairen zagen de toekomstige revolutie noch als burgerlijk, noch als socialistisch, maar als “democratisch”: zij vervingen de sociale inhoud door een politieke formule. Zij bakenden zich op deze manier een route tussen burgerij en proletariaat af en kenden zichzelf bijgevolg ook de rol van scheidsrechter over beide toe. Na februari waren de sociaal-revolutionairen schijnbaar zeer dicht tot deze positie genaderd. Zij hadden nog uit de eerste revolutie contact met de boeren. In de eerste maanden van het jaar 1917 nam het gehele intellect in de dorpen de traditionele formule van de narodniki over: “Land en Vrijheid”. In onderscheid met de mensjewieken die altijd een zuiver stedelijke partij gebleven waren, schenen de sociaal-revolutionairen een machtig steunpunt in het dorp gevonden te hebben. Sterker nog, zij hadden ook in de stad de overhand: zowel in de Sovjets door de soldatensecties, als in de democratische gemeenteraden, waar zij de absolute meerderheid van stemmen hadden.

De macht van de partij leek onbegrensd. In werkelijkheid was het slechts een politieke vergissing. Een partij waar iedereen voor stemt, behalve die minderheid die weet voor wie zij moet stemmen, is geen partij, zoals de taal waarin de zuigelingen van alle landen spreken geen nationale taal is. De partij van de sociaal-revolutionairen trad op als de plechtige aanduiding van alles wat onrijp, ongevormd en verward aan de Februarirevolutie was. Iedereen die uit het voorrevolutionaire verleden niet voldoende redenen had om voor kadetten of bolsjewieken te stemmen, stemde voor de sociaal-revolutionairen. De kadetten stonden echter in het gesloten kamp van de bezitters. De bolsjewieken waren nog te gering in aantal, onbegrepen en zelfs angstaanjagend. Sociaalrevolutionairen kiezen betekende de revolutie over het algemeen kiezen en verplichtte tot niets. In de steden betekende het streven van de soldaten om te komen tot die partij die aan de kant van de boeren staat, het streven van het achtergebleven deel van de arbeiders om zich aan te sluiten bij de soldaten en het streven van de stedelijke kleine luiden om zich niet van de soldaten en boeren los te maken. De lidmaatschapskaart van de sociaalrevolutionair gaf in die periode tijdelijk het recht om van de instellingen van de revolutie gebruik te mogen maken en behield haar geldigheid tot het inruilen tegen een andere kaart van meer betekenis. Niet ten onrechte werd van de grote partij, die alles en iedereen omvatte, gezegd dat zij een grote nul was.

Sinds de eerste revolutie leidden de mensjewieken de noodzakelijkheid van een bondgenootschap met de liberalen uit het burgerlijke karakter van de revolutie af en stelden dit bondgenootschap boven de samenwerking met de boeren als een onbetrouwbare bondgenoot. De bolsjewieken daarentegen bouwden het gehele vooruitzicht van de revolutie op het bondgenootschap van proletariaat en boeren tegen de liberale burgerij op. Daar de sociaal-revolutionairen zich voornamelijk als een boerenpartij beschouwden, had men een bondgenootschap van bolsjewieken en narodniki kunnen verwachten als tegengewicht voor het bondgenootschap van de mensjewieken en de liberale burgerij. In werkelijkheid zien wij in de Februarirevolutie de tegenovergestelde groepering: mensjewieken en sociaal-revolutionairen treden op in een zeer nauw bondgenootschap dat aangevuld wordt door hun gemeenschappelijk blok met de liberale burgerij. De bolsjewieken staan op het officieel politiek terrein volkomen geïsoleerd.

Dit op het eerste gezicht onverklaarbaar feit is in werkelijkheid volkomen wetmatig. De sociaal-revolutionairen waren helemaal geen boerenpartij, ondanks de algemene sympathie van het dorp voor hun leuzen. De wezenlijke kern van de partij, die haar werkelijke politiek bepaalde en waaruit ministeries en ambtenaren voortkwamen, was veel meer met de liberale en radicale kringen van de stad verbonden dan met de rebellerende boerenmassa’s. Deze leidende kern, die tengevolge van het toestromen van baantjesjagende sociaal-revolutionairen ontzaglijk uitgedijd was, kreeg een doodsangst voor de vlucht die de boerenbeweging, welke sociaalrevolutionaire leuzen volgde, nam. De nieuwbakken narodniki wensten weliswaar de boer alle goeds toe, maar de rode haan wilden zij niet. De angst van de sociaal-revolutionairen voor het opstandige dorp loopt parallel met de angst van de mensjewieken voor de stormloop van het proletariaat; de democratische angst was een volkomen getrouwe weerspiegeling van het volkomen reële gevaar dat de beweging van de onderdrukten voor de bezittende klassen opleverde en deze in een eensgezind kamp van burgerlijke feodale reactie bijeen bracht. Het blok van de sociaal-revolutionairen met de regering van de grootgrondbezitter Lvov kenmerkte hun breuk met de agrarische revolutie, zoals het blok van de mensjewieken met de industriëlen en bankiers van het type Goetsjkov, Teresjtsjenko en Konovalov gelijk stond met hun breuk met de proletarische beweging. Het bondgenootschap tussen mensjewieken en sociaal-revolutionairen betekende onder deze omstandigheden niet een samenwerking van proletariaat en boeren, maar een coalitie van partijen, die ten gunste van een blok met de bezittende klassen gebroken had met arbeidersklasse en boeren.

Uit het bovenvermelde is duidelijk hoe fictief het socialisme van de beide democratische partijen was. Dit wil echter nog niet zeggen dat hun democratisme echt was. Integendeel, de zwakheid van dit democratisme eiste juist een socialistische maskering. Het Russische proletariaat voerde de strijd om de democratie in onverzoenlijke tegenstelling tot de liberale burgerij. De democratische partijen, die een bondgenoot van de liberale burgerij waren, moesten onvermijdelijk met de arbeidersklasse in conflict komen. Dit zijn de sociale wortels van de verdere verbitterde strijd tussen de verzoeningsgezinden en de bolsjewieken.

Indien men de hierboven omschreven processen terugbrengt tot hun naakte klassenverhoudingen, waar zelfs de leiders van beide verzoeningsgezinde partijen zich niet volkomen bewust van waren, dan komen we ongeveer tot de volgende verdeling van historische functies. De liberale burgerij was al niet meer in staat de massa’s voor zich te winnen. Hierom vreesde zij de revolutie. De revolutie was echter voor de burgerlijke ontwikkeling noodzakelijk. Twee groepen scheidden zich van de grote burgerij af, welke uit de jongere broeders en zonen van deze bestonden. De ene groep richtte zich tot de arbeiders, de andere tot de boeren. Zij trachtten deze beiden tot zich te trekken, doordat zij oprecht en hartstochtelijk probeerden te bewijzen dat zij socialisten waren en vijanden van de burgerij. Op deze manier kregen zij werkelijk een grote invloed onder het volk.

De uitwerkingen van hun ideeën waren hun echter zeer spoedig over het hoofd gegroeid. De burgerij besefte het dodelijke gevaar en gaf het alarmsignaal. De groepen die zich van haar afgescheiden hadden, de mensjewieken en sociaal-revolutionairen, beantwoordden eensgezind de oproep van de familievader. Terwijl zij over de oude meningsverschillen heenstapten, schaarden zij zich schouder aan schouder en snelden, de massa’s de rug toekerend, de burgerlijke maatschappij te hulp.

De sociaal-revolutionairen waren, zelfs vergeleken bij de mensjewieken, van een verbluffende weekheid en slapheid. In alle gewichtige ogenblikken leken zij de bolsjewieken eenvoudig derderangskadetten toe. De tweede plaats werd in beide gevallen door de mensjewieken ingenomen. De wankele basis en verwardheid van de ideologie leidden tot een dienovereenkomstige selectie van personen; alle sociaalrevolutionaire leiders droegen het stempel van een onvoorbereid zijn, van oppervlakkigheid en sentimentele onbetrouwbaarheid. Men kan zonder overdrijving zeggen: een doorsnee bolsjewiek legde in de politiek, d.w.z. in de klassenverhoudingen, meer scherpzinnigheid aan de dag dan de meest beroemde sociaalrevolutionaire leider.

Bij gemis aan vaste criteria neigden de sociaal-revolutionairen tot ethische geboden. Het behoeft geen nader bewijs dat morele pretenties hen niet beletten om in de grote politiek kleine schurkerijen te begaan, wat over het algemeen kenmerkend is voor middenpartijen zonder een vaste basis, een duidelijke leer en een ware zedelijke kern.

In het bondgenootschap tussen mensjewieken en sociaal-revolutionairen namen de mensjewieken de leidende plaats in, ondanks de niet twijfelachtige meerderheid in getalsterkte van de sociaal-revolutionairen. In deze rolverdeling kwam op haar manier de hegemonie van de stad over het dorp tot uiting, het overwicht van de stedelijke kleinburgerij over de landelijke en tenslotte de geestelijke superioriteit van het “marxistisch” intellect boven het intellect dat zich aan de “Echt-Russische” sociologie hield en op de armzaligheid van de “Oud-Russische” historie prat ging.

Geen van de linkse partijen had, zoals wij weten, in de eerste weken na de omwenteling in de hoofdstad haar werkelijke staf. De algemeen erkende leiders van de socialistische partijen bevonden zich in de emigratie. De tweederangsleiders waren van het verre Oosten naar het centrum onderweg. Dit bracht bij de tijdelijke leiders een stemming van behoedzaamheid en afwachting teweeg, welke hen nader tot elkaar bracht. Geen enkele van de leidende groepen voerde in die weken haar ideeën consequent door. De partijstrijd in de Sovjet droeg een buitengewoon vreedzaam karakter: het was alsof het om schakeringen binnen een en dezelfde “revolutionaire democratie” ging. De leiding van de Sovjet onderging met de komst van Tsereteli uit de ballingschap (19 maart) weliswaar een sterke ruk naar rechts, in de richting van een directe verantwoordelijkheid voor de regering en de oorlog. Maar ook de bolsjewieken zwenkten midden maart onder invloed van Kamenev en Stalin, die uit de ballingschap aangekomen waren, scherp naar rechts, zodat de afstand tussen de meerderheid in de Sovjet en de linkse oppositie in begin april stellig kleiner was dan begin maart. De eigenlijke differentiatie begon wat later. Men kan zelfs de juiste datum noemen: de 4de april, de dag na de aankomst van Lenin in Petrograd.

De mensjewistische partij had aan het hoofd van haar verschillende richtingen een aantal vooraanstaande figuren, maar geen enkele revolutionaire leider. De uiterst rechtse vleugel, die door de oude leermeesters van de Russische sociaaldemocratie, Plechanov, Vera Sassoelitsj, Deutsch vertegenwoordigd werd, nam onder het absolutisme een patriottisch standpunt in. Vlak aan de vooravond van de Februarirevolutie schreef Plechanov, die zichzelf jammerlijk overleefde, in een Amerikaanse krant, dat stakingen en andere dergelijke strijdmethoden van de arbeiders in Rusland thans een misdaad waren. Grote groepen van de oude mensjewieken, waaronder figuren als Martov, Dan, Tsereteli rekenden zich tot de Zimmerwaldgroep en wezen de verantwoordelijkheid voor de oorlog af. Het internationalisme van de linkse mensjewieken was echter, evenals dat van de linkse sociaal-revolutionairen, in de meeste gevallen een dekmantel voor hun democratisch-oppositionele stellingname. De Februarirevolutie verzoende de meerderheid van deze “Zimmerwalders” met de oorlog, waarin zij van nu af aan een verdediging van de revolutie begonnen te zien. Het meest doelbewust sloeg Tsereteli deze weg in, terwijl hij Dan en anderen meesleepte. Aan Martov, die het begin van de oorlog in Frankrijk meemaakte en pas op de 9e mei uit het buitenland aankwam, kon het niet ontgaan dat zijn geestverwanten van gisteren na de Februarirevolutie daar beland waren waar Guesde, Sembat en anderen in het jaar 1914 begonnen waren, toen zij de verdediging van de burgerlijke republiek tegen het Duits absolutisme aanvaardden. Terwijl hij zich aan het hoofd stelde van de linkervleugel van de mensjewieken, aan welke het niet gelukte een enigszins belangrijke rol in de revolutie te spelen, bleef Martov in oppositie tegenover de politiek van Tsereteli en Dan, waarbij hij tegelijkertijd de toenadering van de linkse mensjewieken tot de bolsjewieken tegenwerkte. In naam van het officieel mensjewisme trad Tsereteli op, die een stellige meerderheid achter zich had: de patriotten van voor de revolutie verenigden zich gemakkelijk met de patriotten van de Februari-oproep. Plechanov had echter zijn eigen, volkomen chauvinistische groep, die buiten de partij en zelfs buiten de Sovjets stond. Martov’s fractie, die de gemeenschappelijke partij niet verliet, had geen eigen krant, zoals zij ook geen eigen politiek bezat. Martov raakte, zoals altijd tijdens grote historische gebeurtenissen, hopeloos de kluts kwijt en wist geen raad. Zowel in het jaar 1917, als in het jaar 1905, had de revolutie deze eminente man bijna niet opgemerkt.

De voorzitter van de mensjewistische Doemafractie, Tsjcheidse, werd bijna vanzelfsprekend voorzitter van de Petrogradse Sovjet en later van het centraal Uitvoerend Comité. Hij streefde ernaar met de grootste nauwgezetheid zijn plicht te doen, waarbij hij zijn voortdurende onzekerheid door een eenvoudige grappigheid maskeerde. Een onuitwisbare stempel van zijn geboortestreek lag op hem. Het bergachtige Georgië, het land van de zon, van de wijngaarden, boeren en de kleine adel, met een gering percentage arbeiders, heeft een grote groep linkse intellectuelen voortgebracht die zich, terwijl zij plooibaar, temperamentvol waren, toch in overgrote meerderheid niet boven een kleinburgerlijke horizon verhieven. Georgië zond naar alle vier de Doema’s mensjewieken als afgevaardigden en in alle vier fracties speelden zijn afgevaardigden de rol van leiders. Georgië werd de Gironde van de Russische revolutie. Terwijl men de girondijnen van de achttiende eeuw van federalisme beschuldigde, eindigden de girondijnen van Georgië, die met de verdediging van het een en ondeelbare Rusland begonnen waren, bij het separatisme.

De meest markante figuur die de Georgische Gironde voortgebracht heeft, was ongetwijfeld de vroegere afgevaardigde van de tweede Doema, Tsereteli, die onmiddellijk na zijn aankomst uit de verbanning niet alleen de leider van de mensjewieken, maar van de gehele toenmalige meerderheid in de Sovjet werd. Noch theoreticus, noch journalist, maar voortreffelijk redenaar, was en bleef Tsereteli het type van de Zuid-Franse radicaal. Hij zou zich onder een parlementair stelsel als een vis in het water gevoeld hebben. Hij was echter in een voorrevolutionair tijdvak geboren en had zich in zijn jeugd met een dosis marxisme vergiftigd. In ieder geval legde hij bij de revolutionaire gebeurtenissen de grootste bezieling van alle mensjewieken aan de dag en een streven om consequent te zijn. Juist daardoor heeft hij meer dan de anderen tot de val van het Februaribewind bijgedragen. Tsjcheidse onderwierp zich geheel aan hem, hoezeer hij ook in sommige ogenblikken bang werd voor zijn doctrinaire starheid, welke de vroegere revolutionaire tuchthuisboef nader bracht tot de conservatieve vertegenwoordigers van de burgerij.

De mensjewiek Skobeljew, die zijn fleurige populariteit aan zijn positie als afgevaardigde in de laatste Doema te danken had, maakte mede door zijn jeugdig voorkomen de indruk van een student, die op een dilettantentoneel de rol van een staatsman speelt. Skobeljew specialiseerde zich op het tegengaan van “excessen”, het beslechten van plaatselijke conflicten en over het algemeen op het praktisch herstellen van de scheuren in de dubbele heerschappij, totdat hij in mei de ongelukkige rol van minister van arbeid in de coalitieregering kreeg.

Een meer invloedrijke figuur onder de mensjewieken was Dan, een oude partijarbeider die altijd als tweede man na Martov gold. Terwijl over het algemeen de zeden en de geest van de Duitse sociaaldemocratie in haar periode van verval in het mensjewisme waren overgegaan, leek Dan veel op een lid van de Duitse partijleiding; een Ebert in kleiner formaat. De Duitse Dan heeft een jaar later in Duitsland met succes die politiek doorgevoerd die bij de Russische Ebert mislukt was. De oorzaak was echter niet in de mensen, maar in de omstandigheden gelegen.

Terwijl Tsereteli in het orkest van de meerderheid in de Sovjet de eerste viool speelde, speelde Liber met bloeddoorlopen ogen met alle kracht van zijn longen op een schelle klarinet. Dit was een mensjewiek uit de joodse arbeidersbond (Bund), met een langdurig revolutionair verleden, zeer oprecht, zeer temperamentvol, zeer welbespraakt, zeer bekrompen en hartstochtelijk ernaar strevend zich als onbuigzaam patriot en ijzeren staatsman te betonen. Liber werd letterlijk door haat tegen de bolsjewieken verteerd.

De falanx van mensjewistische leiders kan men met de vroegere ultralinkse bolsjewiek Vojtinski afsluiten, een zichtbare deelnemer aan de eerste revolutie die hij met overgave gediend had en die in maart uit patriottische overwegingen met de partij brak. Zoals het behoort werd Vojtinski, nadat hij zich bij de mensjewieken had aangesloten, bolsjewistenvreter van beroep. Het ontbrak hem slechts aan temperament om zich in de hetze tegen zijn vroegere partijgenoten met Liber te kunnen meten.

De staf van de narodniki was evenmin homogeen, maar op verre na niet zo veelbetekenend en interessant. De zogenaamde volkssocialisten, die de uiterst rechtse vleugel vormden, werden geleid door de oude emigrant Tsajkovski die in zijn strijdlustig chauvinisme op Plechanov geleek – zonder diens talent of diens verleden te bezitten. Naast hem stond de oude vrouw Bresjk-Bresjkovskaja, die de sociaal-revolutionairen de grootmoeder van de Russische revolutie noemden, doch die ijverig als stiefmoeder van de Russische contrarevolutie optrad. De bejaarde anarchist Kropotkin, die uit zijn jeugd een zwak voor de narodniki overgehouden had, gebruikte de oorlog om alles te verloochenen wat hij bijna een halve eeuw lang geleerd had: de tegenstander van de staat ondersteunde de Entente en indien hij de Russische dubbele heerschappij veroordeelde, deed hij dit niet in naam van de anarchie maar in naam van de alleenheerschappij van de burgerij. Deze ouden van dagen speelden echter veeleer een louter decoratieve rol, hoewel Tsajkovski later in de strijd tegen de bolsjewieken aan het hoofd van een van de witte regeringen stond die door Churchill ondersteund werden.

De voornaamste plaats onder de sociaal-revolutionairen, ver boven alle anderen, niet in de partij maar boven de partij, werd door Kerenski ingenomen, een man zonder enig partijverleden. Wij zullen in het vervolg meer dan eens met deze door de voorzienigheid uitverkoren figuur te maken hebben, wiens kracht in de tijd van de dubbele heerschappij de schakel vormde tussen de zwakte van het liberalisme en de zwakte van de democratie. Zijn formeel toetreden tot de sociaalrevolutionaire partij wijzigde niets in Kerenski’s minachtende houding tegenover partijen over het algemeen: hij beschouwde zich als de directe uitverkorene van de natie. Ook de sociaalrevolutionaire partij had echter in die tijd immers al opgehouden een partij te zijn en was een grote, waarlijk nationale nul. In Kerenski vond zij een passende leider.

De latere minister van landbouw en daarna tevens voorzitter van de Constituerende Vergadering, Tsjernov, was ongetwijfeld de meest representatieve figuur uit de oude sociaalrevolutionaire partij en gold niet ten onrechte als haar bezielende kracht, theoreticus en leider. Terwijl hij met grote, maar niet synthetische kennis uitgerust en veeleer een boekengeleerde dan een algemeen ontwikkeld mens was, had Tsjernov steeds een onbeperkte keuze van passende citaten tot zijn beschikking, welke lange tijd op de fantasie van de Russische jeugd gewerkt hadden, zonder veel aan deze te leren. Deze welbespraakte leider had slechts op een vraag geen antwoord bij de hand: naar wie en waarheen ga je? De eclectische formules van Tsjernov verenigden, opgedirkt met moraal en versjes, een zekere tijd het meest bonte publiek dat in kritieke tijden altijd in verschillende richtingen gesleurd werd. Het is niet verwonderlijk dat Tsjernov zijn methode van partijvorming zelf voldaan tegenover het “sektarisme” van Lenin stelde.

Tsjernov kwam vijf dagen later dan Lenin in Petrograd aan: Engeland had hem tenslotte doorgelaten. Op de talrijke begroetingen in de Sovjet antwoordde de leider van de grootste partij met de langste redevoering, over welke Soechanov, een halve sociaal-revolutionair, zich als volgt uitliet: “Niet alleen ik, maar ook vele sociaal-revolutionaire partijpatriotten fronsten de wenkbrauwen en schudden het hoofd: wat kletst die man vervelend, wat maakt hij zonderlinge grimassen en draait met zijn ogen en vertelt eindeloos volslagen nonsens.” Tsjernov’s verdere werkzaamheid in de revolutie was geheel in de trant van zijn eerste rede. Na enige pogingen om zich links van Kerenski en Tsereteli te profileren, gaf Tsjernov zich, van alle kanten ingesloten, zonder strijd over, ontdeed zich van zijn Zimmerwaldisme uit de emigratie, trad in de contactcommissie en later in de coalitieregering. Alles wat hij deed, miste doel. Hij besloot daarom de moeilijkheden uit de weg te gaan. Stemonthouding werd zijn politieke bestaansvorm. Zijn gezag smolt van april tot oktober nog sneller weg dan de gelederen van zijn partij. Ondanks alle verschillen tussen Tsjernov en Kerenski, die elkaar haatten, kwamen beiden volkomen voort uit het voorrevolutionaire verleden, in de oude Russische vermolmde maatschappij, in het krachteloze en pretentieloze intellect, dat ernaar hunkerde als leermeester van de volksmassa’s op te treden, deze als onmondigen te behandelen, hun weldaden te bewijzen, maar dat volkomen onbekwaam was deze te beluisteren, te begrijpen en van ze te leren. Zonder dit is er echter geen revolutionaire politiek mogelijk. Avksentjev, die door de partij op de hoogste posten van de revolutie geplaatst werd — voorzitter van het Uitvoerend Comité van de boerenafgevaardigden, minister van binnenlandse zaken, voorzitter van het voorparlement — was een volslagen karikatuur van een politicus: een charmante literatuurleraar aan het meisjesgymnasium in Orel — dit is alles wat men van hem kan zeggen. Inderdaad — zijn politieke werkzaamheid was veel gevaarlijker dan zijn persoon. Een grote rol, doch meer achter de coulissen, werd in de fractie van de sociaal-revolutionairen en in de regerende kern van de Sovjets gespeeld door Goz. Goz, een terrorist uit een bekende revolutionaire familie, was minder veeleisend en zakelijker dan zijn naaste politieke vrienden. Hij beperkte zich echter als zogenaamde “practicus” tot de huishoudelijke aangelegenheden en liet de grote kwesties aan de anderen over. Hieraan dient overigens toegevoegd te worden dat hij noch redenaar, noch schrijver was en dat zijn voornaamste kracht gelegen was in zijn persoonlijke autoriteit, welke hij met jaren dwangarbeid gekocht had.

Wij hebben nu werkelijk iedereen genoemd die men uit de leidende kringen van de narodniki noemen kan. Er volgen nog slechts bijkomstige figuren als Filippowski, van wie niemand kon verklaren hoe hij eigenlijk op de hoogste top van de Februari-Olympus gekomen was: men moet maar aannemen dat zijn uniform van zeeofficier daarbij de doorslaggevende rol gespeeld heeft.

Naast de officiële leiders van de twee heersende partijen waren er in het Uitvoerend Comité talrijke “wilden”, eenzaten, vroegere deelnemers aan de beweging in haar verschillende fasen, mensen die al lang voor de omwenteling zich uit de strijd hadden teruggetrokken en die zich nu, na een haastige terugkeer onder het vaandel van de zegevierende revolutie, niet haastten onder het juk van een partij te gaan. De wilden gingen in alle beslissende kwesties met de meerderheid van de Sovjet samen. In de eerste tijd hadden zij zelfs de leidende rol. Naarmate echter de officiële leiders uit ballingschap en emigratie terugkeerden, werden de partijlozen op de achtergrond gedrongen, de politiek nam vaste vormen aan, het partijmatige hernam zijn rechten.

De tegenstanders van het Uitvoerend Comité uit het reactionair kamp hebben later meer dan eens op het overwicht van de vreemdelingen in het Comité gewezen: Joden, Georgiërs, Letten, Polen enz. Ofschoon degenen die tot een vreemde nationaliteit behoren in verhouding tot het totale ledental van het Uitvoerend Comité een buitengewoon gering percentage vormden, namen zij ongetwijfeld in het presidium, in verschillende commissies, onder de referenten enz. een zeer vooraanstaande plaats in. Daar het intellect van de onderdrukte nationaliteiten, dat voornamelijk in de steden geconcentreerd was, sterk in de revolutionaire gelederen vertegenwoordigd was, hoeft men er zich niet over te verwonderen dat het aantal personen van vreemde nationaliteit onder de oudere generatie van de revolutionairen buitengewoon groot was. Ofschoon hun ervaring niet altijd op een hoog peil stond, maakte deze hen toch onmisbaar bij het tot stand brengen van nieuwe maatschappelijke vormen. De pogingen om de politiek van de Sovjets en het verdere verloop van de gehele revolutie uit het vermeende overwicht van de vreemdelingen af te leiden, zijn echter volkomen ongerijmd. Het nationalisme geeft ook hier blijk van verachting voor de werkelijke natie, d.w.z. het volk, doordat het dit in de tijd van zijn verheven nationaal ontwaken als een grote sukkel, overgeleverd aan vreemde en willekeurige handen, voorstelt. Waarom en hoe konden de niet-Russen echter zulk een wonderbaarlijke macht over de miljoenen Russen krijgen? De massa van een natie stelt inderdaad op het ogenblik van een diepgaande historische ommekeer niet zelden die elementen in haar dienst die gisteren nog onderdrukt waren en daarom het meest bereid zijn uitdrukking te geven aan de nieuwe streefdoelen. Niet de personen van vreemde nationaliteit leiden de revolutie, maar de revolutie gebruikt de personen van vreemde nationaliteit. Zo geschiedde het zelfs bij grote hervormingen van boven af. De politiek van Peter I hield niet op nationaal te zijn doordat zij de oude banen verliet en personen van vreemde nationaliteit en buitenlanders in haar dienst nam. De meesters van de Duitse voorstad en de Hollandse schippers gaven in die tijd aan de behoeften van de nationale ontwikkeling van Rusland beter uitdrukking dan de Russische popen, die vroeger door de Grieken aangesleept waren, of dan de Moskouse Bojaren, die eveneens over de buitenlandse overweldiging klaagden, ofschoon zij zelf afstamden van vreemdelingen, die de Russische staat gevormd hadden. Het intellect van vreemde nationaliteit was in ieder geval in het jaar 1917 over dezelfde partijen verdeeld als het echt Russische, het leed aan dezelfde gebreken en beging dezelfde fouten, waarbij juist de niet-Russen onder de mensjewieken en sociaal-revolutionairen met bijzondere ijver voor de verdediging en eenheid van Rusland opkwamen.

Zo zag het Uitvoerend Comité, het hoogste orgaan van de democratie, er uit. Twee partijen die hun illusies verloren, maar hun vooroordelen behouden hadden, met een staf van leiders die niet in staat waren van het woord tot de daad over te gaan, kwamen aan het hoofd van een revolutie die bestemd was om eeuwenoude ketenen te verbrijzelen en de grondslagen voor een nieuwe maatschappij te leggen. De gehele werkzaamheid van de verzoeningsgezinden werd een aaneenschakeling van pijnlijke tegenstrijdigheden, welke de volksmassa’s verzwakten en de schokkende burgeroorlog voorbereidden. De arbeiders, de soldaten, de boeren namen de gebeurtenissen ernstig op. Zij waren van mening dat de door hen geschapen Sovjets onmiddellijk moesten overgaan tot het opheffen van de noden die de revolutie veroorzaakt hadden. Allen kwamen tot de Sovjets. Ieder kwam aandragen met wat hem aanging. En wie had er geen noden? Men verlangde besluiten, hoopte op hulp, verwachtte gerechtigheid, eiste vergelding. Voorsprekers, reclamanten, rekwestranten, ontmaskeraars geloofden dat nu eindelijk de vijandige macht door een eigen macht vervangen was. Het volk schenkt vertrouwen aan de Sovjet, het volk is gewapend, dus is de Sovjet de regering. Zo begrepen zij de zaak — en hadden zij geen gelijk? Een onafgebroken stroom soldaten, arbeiders, soldatenvrouwen, kleinhandelaren, bedienden, moeders, vaders opende en sloot de deuren, zocht, vroeg, weende, eiste, dwong maatregelen te treffen — dikwijls precies aangevend welke — en zette de Sovjet om in een werkelijk revolutionaire macht. “Dit was absoluut niet overeenkomstig en paste helemaal niet in de plannen van de Sovjet zelf,” klaagt de ons reeds bekende Soechanov, die natuurlijk “uit alle macht dit proces trachtte tegen te gaan.” Met succes? Helaas, hij ziet zich gedwongen onmiddellijk te bekennen: “Het Sovjetapparaat begon onwillekeurig, vanzelf, tegen de wil van de Sovjet de officiële staatsmachinerie te verdringen, die steeds meer uitgeschakeld werd.” Wat deden echter de doctrinairen van de capitulatie, de mecaniciens van de uitschakeling? “Men was gedwongen er zich bij neer te leggen en sommige regeringsfuncties over te nemen,” erkent Soechanov somber, “en tegelijkertijd de fictie te handhaven alsof het Mariinskipaleis de leiding had.” Dit is het, waarmee deze lieden zich bezig hielden in een geruïneerd land, dat in vlammen van oorlog en revolutie stond: zij trachtten met schijnmaatregelen het prestige van een regering op te houden, welke het volk zelf uitgeschakeld had. De revolutie moge tenietgaan, maar leve de fictie! Tegelijkertijd klom echter de macht die deze mannen de deur uitjoegen door het raam weer naar binnen, waarbij zij iedere keer verrast en in een belachelijke of onwaardige positie gebracht werden.

Het Uitvoerend Comité had nog in de nacht van 28 februari de monarchistische pers verboden en een voorafgaande vergunning voor het verschijnen van kranten ingevoerd.

Protesten weerklonken. Het hardst schreeuwden zij die gewoon waren iedereen de mond te snoeren. Na enige dagen kwam het Comité weer voor de kwestie van de persvrijheid te staan: moest men het verschijnen van reactionaire kranten toestaan of niet toestaan? Er rezen meningsverschillen. Doctrinairen als Soechanov waren voor absolute persvrijheid. Tsjcheidse was het hier aanvankelijk niet mee eens: hoe kon men de wapens aan de doodsvijand overlaten tot een oncontroleerbaar gebruik? Het was, tussen twee haakjes, bij niemand opgekomen de beslissing aan de regering over te laten. Dit zou ook geen zin gehad hebben: de arbeiders erkenden slechts de bevelen van de Sovjets. Op 5 maart bevestigde het Uitvoerend Comité dat de rechtse pers verboden moest worden en dat het verschijnen van nieuwe couranten van de toestemming van de Sovjets afhankelijk gesteld moest worden. Reeds op de 10de werd deze verordening echter op aandrang van de burgerlijke kringen weer ingetrokken. “Drie dagen waren voldoende om tot bezinning te komen,” triomfeert Soechanov. Een ongemotiveerde triomf. De pers staat niet boven de maatschappij. Haar bestaansvoorwaarden geven in de revolutie de loop van de revolutie zelf weer. Indien deze het karakter van een burgeroorlog aanneemt of dreigt aan te nemen, zal geen van de strijdende partijen het bestaan van een vijandelijke pers daar waar zij invloed heeft, toelaten, zoals zij ook niet de controle over arsenalen, spoorwegen of drukkerijen vrijwillig uit handen geeft. De pers is slechts een van de wapensoorten in de revolutionaire strijd. Het recht op het vrije woord gaat in elk geval niet boven het recht op leven. De revolutie matigt zich echter zelfs dit aan. Men kan als wet opstellen dat revolutionaire regeringen des te liberaler, des te verdraagzamer, des te “grootmoediger” tegenover de reactie zijn, naarmate hun programma onbetekenender is, naarmate zij met het verleden verbonden zijn, naarmate haar rol conservatief is. En omgekeerd: hoe grootser de taak is, hoe groter in aantal de oude, gevestigde rechten en belangen, welke door haar aangetast worden, des te geconcentreerder is de revolutionaire macht en des te openlijker haar heerschappij. Dit moge goed of slecht zijn, het is langs deze weg, dat de mensheid tot nu toe vooruitgegaan is.

De Sovjet had gelijk toen hij de controle over de pers in handen wilde houden. Waarom heeft hij deze echter zo gemakkelijk prijsgegeven? Omdat hij in het algemeen van een ernstige strijd heeft afgezien. Hij zweeg over vrede, over grond en bodem, zelfs over de republiek. Nadat hij de macht aan de conservatieve burgerij had overgegeven, had hij noch langer aanleiding om de rechtse pers te vrezen, noch de mogelijkheid om tegen deze te strijden. In de plaats daarvan begon de regering echter met behulp van de Sovjet reeds na weinige maanden meedogenloos tegen de linkse pers op te treden. De couranten van de bolsjewieken werden de een na de ander verboden.

Op 7 maart declameerde Kerenski in Moskou: “Nicolaas II is in mijn handen… Een Marat van de Russische revolutie zal ik nooit worden… Nicolaas II zal zich onder mijn persoonlijk toezicht naar Engeland begeven…” Dames wierpen bloemen, studenten applaudisseerden. De massa’s echter spitsten de oren. Nog nooit had een ernstige revolutie, d.w.z. een die iets te verliezen heeft, de ten val gebrachte vorsten naar het buitenland laten gaan. Onafgebroken eisten de arbeiders en soldaten: arrestatie van de Romanovs. Het Uitvoerend Comité voelde dat er op dit punt niet te spotten viel. Er werd besloten dat de Sovjet de kwestie van de Romanovs ter hand zou nemen: hiermee werd openlijk toegegeven dat de regering geen vertrouwen verdiende. Het Uitvoerend Comité gaf aan alle spoorwegtrajecten het bevel om Romanov niet door te laten: dit was de reden waarom de trein van de tsaar zo rondzwierf. Een van de leden van het Uitvoerend Comité, de arbeider Gwosdjew, een rechtse mensjewiek, werd uitgezonden om Nicolaas gevangen te nemen. Kerenski was gedesavoueerd en met hem de regering. Zij trad echter niet af, maar onderwierp zich stilzwijgend. Reeds op de 9de maart berichtte Tsjcheidse aan het Uitvoerend Comité dat de regering van de gedachte om Nicolaas naar Engeland te zenden, had “afgezien.” De tsarenfamilie werd in het Winterpaleis in arrest gesteld. Zo nam het Uitvoerend Comité ongemerkt de macht in handen. Van het front kwam echter steeds dringender de eis om de vroegere tsaar naar de Peter-en-Paulusvesting over te brengen.

Revoluties betekenden steeds bezitsverschuivingen, niet alleen langs wettelijke weg, maar ook langs de weg van onteigeningen door de massa’s. De agrarische revolutie voltrok zich in de geschiedenis nooit anders: de legale hervorming volgde altijd pas na een opstandige brand. In de steden speelde de onteigening een kleinere rol: burgerlijke revoluties hadden niet het doel om het burgerlijke bezit te treffen. Er zal echter wel nooit een revolutie geweest zijn waarin de massa’s geen gebouwen die aan de vijanden van het volk behoorden, in bezit namen om ze een publieke bestemming te geven. Onmiddellijk na de Februari-omwenteling kwamen partijen uit de illegaliteit te voorschijn, ontstonden er vakbonden, werden er onafgebroken vergaderingen gehouden, alle stadswijken hadden hun Sovjet — iedereen had ruimte nodig. De organisaties namen bezit van onbewoonde villa’s van de tsaristische ministers of van leegstaande paleizen van de balletdanseressen van de tsaar. De betrokkenen maakten bezwaren of de autoriteiten grepen op eigen initiatief in. Daar de inbezitnemers echter in de grond van de zaak de macht bezaten, de officiële macht daarentegen slechts een schim was, waren de advocaten gedwongen zich tot het Uitvoerend Comité te wenden met een verzoek tot herstel van de geschonden rechten van de ballerina’s, wier eenvoudige bezigheden door de leden van de dynastie rijkelijk betaald waren uit de middelen van het volk. Men stelde, zoals het behoorde, de contactcommissie in werking, de ministers vergaderden, het Uitvoerend Comité beraadslaagde, er werden delegaties naar de inbezitnemers gezonden — de zaak bleef maandenlang aanslepen.

Soechanov deelt mede dat hij als “linkse man” op zich niets tegen de meest radicale inbreuken op het privaatbezit langs wettelijke weg had, doch dat hij daarentegen “een heftig vijand van iedere gewelddadige onteigening” was. Met zulke kunstgrepen verborgen de linkse pechvogels hun failliet. Een waarlijk revolutionaire regering zou ongetwijfeld in staat geweest zijn, door een tijdig decreet over rekwisities van lokaliteiten het aantal eigenmachtige inbezitnemingen tot een minimum te reduceren. De linkse verzoeningsgezinden hadden echter de macht aan de eigendomsfanatici afgestaan, om later tevergeefs aan de massa’s eerbied te prediken voor revolutionaire wettelijkheid onder de blote hemel. Het klimaat van Petrograd is niet gunstig voor platonisme.

De files voor brood gaven de laatste stoot tot de revolutie. Zij vormden ook de eerste bedreiging van het nieuwe bewind. Er was reeds in de oprichtingsvergadering van de Sovjet besloten om een voedselcommissie in te stellen. De regering maakte zich er weinig zorgen over hoe de hoofdstad gevoed moest worden. Zij was er niet afkerig van haar door honger te temmen. Het probleem van de voedselvoorziening viel ook later aan de Sovjet toe. Economen en statistici met enige praktische ervaring, die vroeger in dienst bij economische en administratieve organen van de burgerij geweest waren, stonden tot haar beschikking. In de meeste gevallen waren dit mensjewieken van de rechtervleugel, zoals Gromann en Tsjerevanin, of vroegere ver naar rechts afgezwaaide bolsjewieken als Basarov en Avilov. Nauwelijks voor het vraagstuk van de voedselvoorziening van de hoofdstad gesteld, zagen zij zich echter door de gehele situatie ertoe genoodzaakt om de meest radicale maatregelen tot onderdrukking van de speculatie en organisatie van de markt voor te stellen. In een reeks zittingen van de Sovjet werd een geheel systeem van “oorlogssocialistische” maatregelen aangenomen, dat het proclameren van alle broodvoorraden tot staatseigendom, vaststelling van maximumprijzen voor brood in overeenstemming met soortgelijke prijzen voor industrieproducten, productiecontrole van staatswege en georganiseerde warenruil met het dorp inhield. De leiders van het Uitvoerend Comité wisselden bezorgde blikken met elkaar; daar zij zelf niets wisten voor te stellen, sloten zij zich bij de radicale resoluties aan. De leden van de contactcommissie brachten deze daarna aarzelend ter kennis van de regering. De regering beloofde de zaak te zullen bestuderen. Noch vorst Lvov, noch Goetsjkov, noch Konovalov hadden echter lust te controleren, op te eisen, zichzelf en hun vrienden beperkingen op te leggen. Alle economische beschikkingen van de Sovjet strandden op het lijdelijke verzet van het staatsapparaat, voorzover zij niet door de plaatselijke Sovjet eigenmachtig verwezenlijkt werden. De enige praktische maatregel die de Petrogradse Sovjet op het gebied van de voedselvoorziening doorgevoerd had, bestond in de beperking van de consument door een vast rantsoen: anderhalf pond brood voor personen die lichamelijke arbeid verrichtten, een pond voor de overigen. Weliswaar bracht deze beperking nog vrijwel geen verandering in het werkelijke voedselbudget van de bevolking in de hoofdstad: — een pond, respectievelijk anderhalf pond — daarvan kan men nog leven. De ellende van de dagelijkse honger moet nog komen. De revolutie zal gedwongen zijn jaren-, niet maanden-, maar jarenlang de riem nauwer aan te halen om het vermagerde lichaam. Zij zal deze beproeving dragen. Momenteel kwelt niet de honger haar, maar de ongewisheid, de onbepaaldheid van de koers, de onzekerheid voor de dag van morgen. Economische moeilijkheden die verscherpt worden door tweeëndertig maanden oorlog, kloppen aan de deur van het nieuwe regime. Ontwrichting van het transportwezen, gebrek aan verschillende soorten grondstoffen, versleten zijn van een groot deel van de inventaris, dreigende inflatie, desorganisatie van de warenruil, dit alles gebiedt kordate en onmiddellijke maatregelen. Waar zij op economisch terrein tot deze kwamen, maakten de verzoeningsgezinden hun doorvoering politiek onmogelijk. Ieder economisch probleem dat zij onder ogen zagen, werd tot een veroordeling van de dubbele heerschappij en aan ieder besluit, dat zij te ondertekenen hadden, brandden zij zich lelijk de vingers.

De kwestie van de achturendag werd tot een belangrijke graadmeter van de krachten en verhoudingen. De opstand heeft gezegevierd, maar de algemene staking gaat voort. De arbeiders menen in ernst dat de wijziging in de regering ook een wijziging in hun lot moet brengen. Dit wekt bezorgdheid bij de nieuwe heersers, zowel liberalen als socialisten. Vaderlandslievende partijen en couranten heffen de kreet aan: “Soldaten in de kazernes, arbeiders aan de werkbank!” “Alles blijft dus bij het oude?” vragen de arbeiders. Voorlopig wel, antwoorden de mensjewieken bedeesd. Maar de arbeiders begrijpen: als er niet terstond veranderingen komen, dan zal dat later zeker niet gebeuren. De burgerij laat het aan de socialisten over de zaak met de arbeiders te regelen. Terwijl het zich erop beroept dat de behaalde overwinning “de positie van de arbeidersklasse in haar revolutionaire strijd voldoende verzekerd heeft” — en inderdaad: zijn niet liberale grondbezitters aan de macht? —, besluit het Uitvoerend Comité op 5 maart het werk in het rayon Petrograd te hervatten. Arbeiders aan de werkbank! Zo sterk was de macht van het gepantserde egoïsme van de hogere klassen, van de liberalen samen met hun socialisten. Deze mensen geloofden dat miljoenen arbeiders en soldaten, die onder de onverbiddelijke druk van ontevredenheid en hoop opgestaan waren, zich na de overwinning gehoorzaam met de oude levensvoorwaarden tevreden zouden stellen. Uit geschiedenisboeken hadden deze leiders de overtuiging geput dat het zo ook in vroegere revoluties gegaan was. Maar neen, zo was het zelfs in het verleden niet geweest. Indien de werkers weer in de stal werden teruggedreven, dan geschiedde dit slechts langs omwegen, door een reeks nederlagen en listen. Marat had goed de gruwelijke sociale keerzijde van politieke omwentelingen begrepen. Daarom is hij ook door de officiële geschiedschrijvers zo belasterd. “De revolutie wordt voltrokken en gesteund slechts door de laagste klassen van de maatschappij, door alle armen die door de onbeschaamde rijkdom als canaille veracht worden en die door de Romeinen met het hun eigen cynisme indertijd proletariërs genoemd werden,” schreef Marat een maand voor de omwenteling van 10 augustus 1792. En wat geeft de revolutie nu aan de armen? “Nadat de beweging aanvankelijk enig succes gehad heeft, blijkt zij ten slotte overwonnen te zijn, het ontbreekt haar nog altijd aan kennis, vastberadenheid, middelen, wapens, leiders, aan een bepaald plan van actie; zij blijft onbeschermd tegen de samenzweerders, die ervaring, handigheid en sluwheid bezitten.” Is het nu nog te verwonderen, dat Kerenski geen Marat van de Russische revolutie wilde zijn?

Een van de vroegere leiders van de Russische industrie, W. Auerbach, vertelt met verontwaardiging, dat “de onderkant van het volk de revolutie als een soort carnaval opvatte: het dienstmeisje bijvoorbeeld verdween voor hele dagen, ging met een rode strik wandelen, reed auto, keerde pas tegen de morgen terug, om zich te wassen en weer aan de boemel te gaan.” Het is opmerkelijk dat de ontmaskeraar die de demoraliserende werking van de revolutie wil aantonen, het gedrag van het dienstmeisje juist in die trant schetst, die, behalve misschien de rode strik, uitstekend het dagelijkse leven van een burgerlijke patriciërsvrouw weergeeft. Ja, de onderdrukten beschouwen de revolutie als een feestdag of als de vooravond van een feestdag en het eerste verlangen van de door haar gewekte huisslavinnen is, het juk van de dagelijkse neerdrukkende, beklemmende onvrijheid, waaraan geen uitweg is, te verlichten. De arbeidersklasse in haar geheel kon en wilde zich niet alleen met de rode strikken als overwinningssymbool voor anderen tevreden stellen. In de bedrijven van Petrograd heerste opwinding. Een groot aantal bedrijven verzette zich openlijk tegen de besluiten van de Sovjet. De arbeiders zijn zeer zeker bereid aan het werk te gaan, want zij zijn daartoe gedwongen; maar onder welke voorwaarden? De arbeiders eisten de achturendag. De mensjewieken beriepen zich op het jaar 1905, toen de arbeiders langs gewelddadige weg getracht hadden de achturendag in te voeren en een nederlaag geleden hadden: “De strijd op twee fronten — tegen reactie en kapitalisten — gaat de krachten van het proletariaat te boven.” Dit was hun leidende gedachte. De mensjewieken erkenden algemeen gesproken voor de toekomst de onvermijdelijkheid van een breuk met de burgerij. Deze louter theoretische erkenning verplichtte hen echter tot niets. Zij meenden dat men de breuk niet moest forceren. Daar de burgerij echter niet door hartstochtelijke frasen van redenaars en journalisten naar het reactionair kamp teruggedreven wordt maar door de zelfstandige beweging van de arbeidende klassen, verzetten de mensjewieken zich met alle macht tegen de economische strijd van de arbeiders en boeren. “De sociale kwesties zijn nu niet de meest belangrijke voor de arbeidersklasse,” leerden zij. “Zij strijdt nu voor de politieke vrijheid.” De arbeiders konden echter niet begrijpen waarin deze speculatieve vrijheid bestond. Zij wilden vóór alles een beetje vrije tijd. En zij brachten de ondernemers in het nauw. Welk een ironie: juist op 10 maart, toen de mensjewistische courant schreef dat de achturendag nu niet aan de orde was, gaf de fabrikantenvereniging, die tevoren reeds gedwongen geweest was met de Sovjet officieel te onderhandelen, haar toestemming tot de invoering van de achturendag en tot vorming van fabriekscomités. De industriëlen gaven van meer inzicht blijk dan de democratische strategen van de Sovjet. Dit is niet te verwonderen: de ondernemers stonden in de fabrieken van aangezicht tot aangezicht tegenover de arbeiders, die minstens in de helft van de Petrogradse bedrijven, waaronder juist de grootste, na acht uur arbeid eendrachtig de werkbanken verlieten. Zij namen zelf wat regering en Sovjet hen ontzegden. Toen de liberale pers ontroerd het gebaar van de Russische industriëlen van 10 maart 1917 met het gebaar van de Franse adel van 4 augustus 1789 vergeleek, was zij veel dichter bij de historische waarheid dan zij zelf mag hebben geloofd: evenals de feodalen op het einde van de achttiende eeuw, handelden de Russische kapitalisten onder druk en dwang en hoopten door een tijdelijke concessie in een toestand te komen om later het verlorene weer in te halen. Tegen de officiële leugen in erkende een kadettenpublicist openlijk: “Ongelukkig voor de mensjewieken hebben de bolsjewieken de fabrikantenvereniging reeds door terreur gedwongen om de onmiddellijke invoering van de achturendag te bewilligen.” Waarin de terreur bestond, weten wij reeds. De bolsjewistische arbeiders namen in deze beweging ongetwijfeld de voornaamste plaats in en wederom ging evenals in de beslissende dagen van februari de overgrote meerderheid van de arbeiders met hen.

De door de mensjewieken geleide Sovjet beschouwde de reusachtige overwinning, die eigenlijk tegen hen in bevochten was, met zeer gemengde gevoelens. De beschaamde leiders moesten echter nog een stap verder gaan en aan de Voorlopige Regering voorstellen nog voor de Constituerende Vergadering een decreet over de achturendag voor het gehele land uit te vaardigen. Net zoals de ondernemers weigerde de regering in afwachting van betere tijden in te stemmen met de eis.

In het district Moskou begon dezelfde strijd; alleen werd hij daar niet zo openlijk gevoerd. Ook hier verlangde de Sovjet, tegen de wil van de arbeiders in, dat de arbeid hervat zou worden. De resolutie tegen opheffing van de staking kreeg in een van de grootste fabrieken zevenduizend van de dertienduizend stemmen. De andere bedrijven reageerden ook ongeveer op dezelfde manier. Op de 10de maart nam de Sovjet weer een besluit, volgens welk de arbeiders onmiddellijk in de bedrijven moesten terugkeren. Ofschoon het werk daarop in de meeste fabrieken hervat werd, ontbrandde bijna overal de strijd om verkorting van de arbeidsduur. De arbeiders corrigeerden hun leiders via de daad. De lang tegenstribbelende Moskouse Sovjet was ten slotte op de 21ste maart gedwongen door een eigen besluit de achturendag in te voeren. De industriëlen onderwierpen zich terstond. In de provincie duurde de strijd nog tot in april. Bijna overal remden de Sovjets de beweging en werkten deze tegen; later begonnen zij onder druk van de arbeiders onderhandelingen met de ondernemers. Waar de ondernemers hun toestemming weigerden, waren de Sovjets gedwongen de achturendag eigenmachtig te decreteren. Wat een inbreuk op het stelsel!

De regering hield zich met opzet afzijdig. Intussen werd er een woedende campagne tegen de arbeiders ingezet, een campagne die door de liberalen geleid werd. Men besloot de soldaten tegen de arbeiders op te hitsen, om deze murw te maken. Een verkorting van de arbeidsdag betekende immers een verzwakking van het front. Mocht men tijdens een oorlog alleen maar aan zichzelf denken? Werden in de loopgraven de uren soms geteld? Indien de bezittende klassen met demagogie gaan werken, staan er geen grenzen op. De agitatie nam een woest karakter aan en werd spoedig naar de loopgraven overgebracht. De soldaat Pirejko deelt in zijn herinneringen van het front mee dat de agitatie die voornamelijk door nieuwbakken socialisten uit de officierenstand geleid werd, niet zonder uitwerking bleef. “Het was echter een grote handicap voor de officieren die trachtten de soldaten tegen de arbeiders op te hitsen, dat zij officieren waren. Nog te vers leefde in de herinnering van iedere soldaat, wat de officier vroeger voor hem geweest was.” In de hoofdstad nam de hetze tegen de arbeiders de scherpste vorm aan. Samen met de staf van de kadetten wisten de industriëlen onbeperkte middelen en krachten voor de agitatie in het garnizoen te vinden. “Om en bij de 20ste,” vertelt Soechanov, “kon men op alle hoeken van de straten, in de trams, op ieder plein arbeiders en soldaten in heftig twistgesprek met elkaar aantreffen.” Het kwam zelfs tot vechtpartijen. De arbeiders beseften het gevaar en wendden het handig af. Zij konden voor dit doel volstaan met de waarheid te vertellen, de cijfers van de oorlogswinsten te noemen, de soldaten de bedrijven en werkplaatsen met hun lawaai van machines en helse vuren van de ovens te tonen — hun eeuwig front, waarop zij talloze offers brachten. Op initiatief van de arbeiders werden geregelde bezoeken aan de bedrijven door delen van het garnizoen georganiseerd, vooral van die bedrijven die voor de landsverdediging werkten. De soldaat zag en hoorde, de arbeider toonde en verklaarde. De bezoeken eindigden met plechtige verbroederingen. De socialistische couranten publiceerden talrijke resoluties van troepenafdelingen over hun onverbrekelijke solidariteit met de arbeiders. Ongeveer midden april verdween dit onderwerp van strijd volkomen uit de kolommen van de couranten. De burgerlijke pers verstomde. Zo behaalden de arbeiders na de economische een politieke en morele overwinning.

De met de strijd om de achturendag verbonden gebeurtenissen waren voor de totale verdere ontwikkeling van de revolutie van grote betekenis. De arbeiders verkregen enkele vrije uren in de week voor lectuur, vergaderingen, maar ook voor schietoefeningen die met de oprichting van de arbeidersmilitie een geordend karakter kregen. Na een zodanig fikse les begonnen de arbeiders de Sovjetleiders eens nader te bekijken. Het gezag van de mensjewieken had sterk ingeboet. De bolsjewieken versterkten hun positie in de bedrijven, gedeeltelijk ook in de kazernes. De soldaat werd oplettender, nadenkender, voorzichtiger. Hij begreep dat er iemand op hem loerde. Het verraderlijk demagogische plan keerde zich tegen de makers zelf. In plaats van van elkaar te vervreemden en vijanden te worden, werden de arbeiders en soldaten nauwer aaneengesmeed.

Ondanks de idylle van het contact haatte de regering de Sovjet, zijn leiders, zijn voogdij. Zij toonde dit bij de eerste de beste gelegenheid. Daar de Sovjet zuivere regeringsfuncties uitoefende, en wel op verzoek van de regering zelf, zodra het erom ging de massa’s in toom houden, verzocht het Uitvoerend Comité om een bescheiden subsidie. De regering wees dit van de hand en volhardde, ondanks herhaald aandringen van de Sovjet. Bij haar weigering stelde zij dat ze aan een “particuliere instelling” geen rijksmiddelen kon toestaan. De Sovjet zweeg. Het budget van de Sovjet belastte de arbeiders, die het niet moe werden om geldinzamelingen voor de revolutie te organiseren.

Intussen trachtten beide partijen, liberalen en socialisten, de schijn op te houden van hun wederkerige vriendschap. Op het Al-Russisch Congres van de Sovjets werd het bestaan van een dubbele macht voor een verzinsel uitgemaakt. Kerenski verzekerde de gedelegeerden van het leger, dat er tussen Sovjet en regering volkomen eensgezindheid over taak en doel bestond. Tsereteli, Dan en andere Sovjetleiders beijverden zich evenzeer het bestaan van de dubbele heerschappij te ontkennen. Met leugens trachtte men een regime te versterken, dat zelf op leugens opgebouwd was.

Het regime wankelde echter reeds vanaf de eerste weken van zijn bestaan. De leiders waren onuitputtelijk in het bedenken van organisatorische combinaties: zij trachtten tegenover de massa’s op telkens weer andere vertegenwoordigers te steunen, op de soldaten tegenover de arbeiders, op nieuwe Doema’s, Zemstvo’s en coöperaties tegenover de Sovjets, op de provincie tegenover de hoofdstad en tenslotte op de officieren tegenover het volk.

Het Sovjetstelsel heeft generlei mystieke kracht. Het is absoluut niet vrij van de gebreken van elk vertegenwoordigend stelsel, gebreken die onvermijdelijk blijven zolang het systeem onvermijdelijk is. De kracht van de Sovjets lag hierin dat het de gebreken tot een minimum beperkte. Men kan met zekerheid zeggen — en de ervaring zal dit spoedig bevestigen — dat ieder ander vertegenwoordigend stelsel dat de massa’s atomiseert, de werkelijke wil van de massa’s oneindig veel slechter en met veel grotere vertraging in de revolutie tot uiting zou hebben gebracht. Van alle revolutionaire stelsels van vertegenwoordiging is de Sovjet het meest soepele, directe en doorzichtige. Niettemin is het toch maar een vorm; het kan niet meer geven dan wat de massa’s op ieder gegeven moment in staat zijn erin te leggen. Het kan echter de massa’s het inzicht in de begane fouten en de verbetering van deze vergemakkelijken. Juist daarin was een van de meest gewichtige waarborgen voor de ontwikkeling van de revolutie gelegen.

Welke waren echter de politieke plannen van het Uitvoerend Comité? Het is twijfelachtig of een van zijn leiders een consequent doordacht plan had. Soechanov verzekerde later, dat volgens zijn plan de macht slechts voor een korte tijd aan de burgerij zou worden afgestaan, totdat de democratie sterker geworden was en deze de macht vervolgens des te zekerder zou kunnen overnemen. Doch deze op zich naïeve constructie is klaarblijkelijk achteraf bedacht. Zij werd in ieder geval toentertijd door niemand geformuleerd. De aarzelingen van het Uitvoerend Comité hielden weliswaar onder leiding van Tsereteli niet op, maar zij werden tot een systeem gemaakt. Tsereteli verkondigde openlijk dat de regering zonder een sterke burgerlijke macht onvermijdelijk met de ondergang bedreigd werd. De democratie moest zich ertoe beperken druk op de liberale burgerij uit te oefenen, en er zich voor hoeden deze door onvoorzichtig optreden in de armen van de reactie te drijven; zij moest integendeel de liberale burgerij ondersteunen voorzover deze de veroveringen van de revolutie zou bevestigen. Tenslotte zou dit onzekere regime op een burgerlijke republiek met de socialisten als parlementaire oppositie uitlopen.

Dit vooruitzicht was voor de leiders minder een steen des aanstoots, dan wel het programma van actie. De verzoeningsgezinden beloofden aan de massa’s de burgerij door “druk” tot een democratische binnenlandse en buitenlandse politiek te dwingen. De heersende klassen hebben in de geschiedenis ongetwijfeld meer dan eens onder druk van de volksmassa’s concessies gedaan. De “druk” betekende echter in laatste instantie een bedreiging de heersende klasse te verdringen en haar plaats in te nemen. Doch de democratie had dit wapen juist niet in handen. Zij had zelf vrijwillig de macht aan de burgerij uitgeleverd. Wanneer er conflicten uitbraken, dreigde niet de democratie ermee de macht te zullen nemen, maar verwekte omgekeerd de burgerij angst met haar bedreiging van de macht te zullen afzien. Zo was de voornaamste hefboom van het pressieapparaat in handen van de burgerij. Hierdoor wordt ook duidelijk waarom de regering bij haar volkomen onmacht zich toch tegen alle ernstige plannen van de Sovjetleiders met succes kon verzetten.

Midden april bleek zelfs het Uitvoerend Comité een te groot lichaam te zijn voor de politieke werkzaamheden van de eigenlijk leidende kern, welke nu haar blikken definitief op de liberalen gevestigd had. Er werd een afzonderlijk bureau gevormd dat uitsluitend uit rechtse landsverdedigers bestond. Van nu af aan werd de grote politiek in intieme kring gebrouwen. Alles scheen terecht te komen en zich te consolideren. Tsereteli heerste onbeperkt in de Sovjets. Kerenski klom hoger en hoger. Juist nu begonnen zich echter beneden, bij de massa’s, de eerste verontrustende tekenen te vertonen. “Het is verbazingwekkend,” schrijft Stankevitsj, die relaties met de kring van Kerenski had, “dat juist op het moment dat het Comité zich organiseerde, dat het bureau dat uitsluitend uit partijen van de landsverdediging gekozen was, de verantwoordelijkheid voor het werk op zich nam, dat juist in die tijd het Comité de leiding over de massa’s die zich ervan afwendden begon te verliezen.” Verbazingwekkend? Neen, alleen maar wetmatig.

Dubbele heerschappij

Waarin bestaat het wezen van de dubbele heerschappij? In de historische literatuur vonden we geen behandeling van deze kwestie. Nochtans is dit van groot belang. De dubbele heerschappij is een eigenaardige maatschappelijke crisistoestand, die absoluut niet alleen voor de Russische revolutie van 1917 kenmerkend is, hoewel wij deze hier het duidelijkst kunnen waarnemen.

Antagonistische klassen bestaan er steeds in de maatschappij en de van de macht uitgesloten klasse streeft onvermijdelijk ernaar de koers van het staatsbestuur in meerdere of mindere mate in haar richting te drijven. Dit wil echter nog helemaal niet zeggen dat er een dubbele heerschappij of een heerschappij van velen in de maatschappij bestaat. Het karakter van een politiek bewind wordt direct door de verhouding van de onderdrukte tot de heersende klassen bepaald. De alleenheerschappij, die een noodzakelijke voorwaarde voor weerstandskracht van ieder bewind is, kan slechts zolang bestaan als de heersende klasse erin slaagt haar economische en politieke vormen als de enig mogelijke aan de gehele maatschappij op te leggen.

De gelijktijdige heerschappij van de jonkers en van de bourgeoisie – in Hohenzollernse of in republikeinse vorm – is, hoe hevig ook de conflicten tussen de beide mededingers naar de macht tijdelijk mogen zijn, nog geen dubbele heerschappij: zij hebben een gemeenschappelijke sociale basis, haar botsingen dreigen niet het staatsapparaat te breken. Het regime van de dubbele heerschappij ontstaat slechts uit de onverzoenlijke botsing van klassen, is bijgevolg slechts in een revolutionair tijdvak mogelijk en vormt een van de meest wezenlijke elementen hiervan.

Het politieke ontwikkelingsproces van de revolutie bestaat in de overgang van de macht van de ene klasse op de andere. De gewelddadige omwenteling komt op zichzelf gewoonlijk binnen een kort tijdsverloop tot stand. Maar geen historische klasse verheft zich uit de toestand van onderdrukking met een slag, om zo te zeggen van vandaag op morgen, al is het dan ook het etmaal van een revolutie, tot heersende klasse. Zij moet al tevoren tegenover de officieel heersende klasse een zeer onafhankelijke positie ingenomen hebben; sterker nog, zij moet de verwachtingen van de tussenklassen en tussengroepen, die met het bestaande ontevreden, maar tot een zelfstandige rol nog niet in staat zijn, op zich geconcentreerd hebben. De historische voorbereiding van een omwenteling leidt in het voorrevolutionaire tijdvak tot een situatie waarin de klasse die bestemd is het nieuw maatschappelijke systeem te verwezenlijken, zonder reeds meester in het land te zijn, feitelijk toch een groot deel van de staatsmacht in handen houdt, terwijl het officieel staatsapparaat nog in handen van de oude machthebbers blijft. Dit is het uitgangspunt van de dubbele heerschappij in elke revolutie.

Dit is echter niet haar enige vorm. Indien de nieuwe klasse die door de revolutie die zij niet wil aan de macht gebracht wordt, een oude, historisch pas laat tot ontwikkeling gekomen klasse is, indien zij misschien reeds voor haar officiële kroning afgeleefd is; indien zij eens zij aan de macht komt vaststelt dat haar mededinger reeds sterk genoeg is; dan leidt de politieke omwenteling tot vervanging van de ene dubbele heerschappij met een zeer labiel evenwicht door een andere, die soms nog minder weerstandskracht bezit. In de overwinning van de “anarchie” van de dubbele heerschappij bestaat dan juist in die nieuwe fase de taak van de revolutie of… van de contrarevolutie.

De dubbele heerschappij veronderstelt niet alleen niet een verdeling van de macht in gelijke helften of over het algemeen een of ander formeel evenwicht van beide machten, maar sluit deze in het algemeen gezegd zelfs geheel en al uit. Dit is geen constitutioneel maar een revolutionair feit. Het bewijst dat de verstoring van het maatschappelijke evenwicht de staatsbovenbouw reeds gespleten heeft. Een dubbele heerschappij ontstaat daar waar vijandelijke klassen steunen op staatsorganisaties die naar hun wezen reeds niet meer met elkaar te verenigen zijn – de ene bezig af te sterven en de andere bezig te ontstaan – die op het terrein van de leiding in de staat elkaar voortdurend in het nauw brengen. Welk deel van de macht hierbij aan elk van de strijdende klassen toevalt, wordt door de machtsverhoudingen en de loop van de strijd bepaald.

Een zodanige toestand kan niet voortduren. De maatschappij verlangt een machtsconcentratie en streeft door middel van de heersende klassen, of in dit geval van de twee gedeeltelijk heersende klassen, onverbiddelijk daarnaar. De machtssplitsing kondigt niets anders aan dan de burgeroorlog. Voordat de rivaliserende klassen en partijen echter tot deze besluiten, kunnen zij, vooral indien zij de inmenging van een derde macht duchten, gedwongen zijn het stelsel van de dubbele heerschappij tamelijk lang te dulden en in zekere zin zelfs te ondersteunen. Toch zal het onvermijdelijk weggevaagd worden. De burgeroorlog brengt de dubbele heerschappij duidelijk en wel territoriaal tot uitdrukking: iedere macht voert, terwijl zij zich een versterkte basis schept, een strijd om het overige grondgebied, dat niet zelden een dubbele heerschappij in de vorm van opeenvolgende invallen van de beide oorlogvoerende partijen te verduren heeft, totdat een van hen zich definitief vestigt.

De Engelse revolutie van de zeventiende eeuw vertoont – juist omdat zij een grote revolutie was die de natie tot in haar diepste grondslagen schokte – een duidelijk afwisselen van dubbele heerschappijen met scherpe overgangen van de ene tot de andere, in de vorm van een burgeroorlog.

Eerst staan tegenover de macht van de koning die steunt op de bevoorrechte klassen of de bovenste lagen van deze klassen, aristocraten en bisschoppen, de burgerij en de dicht bij deze staande groepen van de kleine landadel. Het presbyterianenparlement, dat op de Londense city steunt, is de regering van de burgerij. De voortdurende strijd tussen deze twee regeringen wordt in een openlijke burgeroorlog beslecht. Twee regeringscentra, Londen en Oxford, scheppen zich legers, de dubbele heerschappij neemt een territoriale vorm aan, al zijn de territoriale grenzen, zoals altijd in een burgeroorlog, zeer wisselend. Het parlement zegeviert. De koning is gevangen gezet en wacht zijn lot af.

Men zou kunnen denken dat de voorwaarden voor een alleenheerschappij van de presbyteriaanse burgerij aan het ontstaan zijn. Maar voordat nog de koninklijke macht gebroken is, wordt het leger van het parlement tot een zelfstandige politieke macht. Het verenigt in zijn gelederen de Independenten, vrome en vastberaden kleinburgers, handwerkers en landbouwers. Het leger mengt zich als een macht in het openbare leven, maar niet eenvoudig als gewapende macht, ook niet als pretorianengarde, maar als politieke vertegenwoordiging van een nieuwe klasse, die zich tegenover de rijke en welgestelde burgerij stelt. Dienovereenkomstig schept het leger een nieuw staatsorgaan, dat zich boven het militaire opperbevel verheft: de raad van de soldaten en afgevaardigden van de officieren (“agitators”). Er begint een nieuwe periode van de dubbele heerschappij: die van het presbyteriaanse parlement en van het independentenleger. De dubbele heerschappij leidt tot een openlijke botsing. De burgerij betoont zich onmachtig om tegenover het “modelleger” van Cromwell, d.w.z. tegenover de gewapende plebejers, een eigen leger te stellen. Het conflict eindigt met een zuivering van het presbyteriaanse parlement met de sabel van de independenten. Van het parlement blijft slechts een romp over, de dictatuur van Cromwell wordt ingesteld. De onderste lagen van het leger proberen onder leiding van de Levellers, van de uiterste linkervleugel van de revolutie, haar eigen waarlijk plebeïsch regime tegenover de heerschappij van de hoge militairen, van de groten van het leger, te stellen. De nieuwe dubbele heerschappij komt echter niet tot ontwikkeling. De Levellers, de onderste laag van de kleinburgers, hebben nog geen eigen historische weg en kunnen deze ook nog niet hebben. Cromwell speelt het spoedig met de tegenstanders klaar. Er ontstaat voor een reeks van jaren een nieuw labiel politiek evenwicht.

In de grote Franse Revolutie wordt de Constituerende Vergadering, waar de bovenste groep van de derde stand de ruggengraat van vormt, het centrum van de macht, zonder echter de koning zijn voorrechten geheel te ontnemen. Het tijdvak van de Constituerende Vergadering is het tijdvak van een scherpe dubbele heerschappij, die met de vlucht van de koning naar Varennes eindigt en formeel pas met de stichting van de republiek geliquideerd wordt.

De eerste Franse constitutie (1791), die op de fictie van een volkomen van elkaar onafhankelijke wetgevende en uitvoerende macht opgebouwd was, verborg in werkelijkheid – of trachtte dit althans voor het volk te verbergen – de feitelijke dubbele heerschappij: van de burgerij die zich na de inname van de Bastille door het volk definitief in de Nationale Vergadering verschanst had, en van de oude monarchie die nog op de hoge adel, clerus, ambtenaren en militairen steunde, om niet te spreken van de verwachtingen die zij in een buitenlandse interventie koesterde. Dit innerlijk tegenstrijdig bewind was onverbiddelijk tot ineenstorting gedoemd. Een uitweg kon er slechts komen hetzij in de vernietiging van de burgerlijke vertegenwoordiging met behulp van de Europese reactionaire machten, hetzij in de guillotine voor de koning en de monarchie. Parijs en Coblenz moesten hun krachten meten.

Voordat het echter nog tot oorlog en guillotine komt, treedt de Parijse Commune op het toneel, welke op de onderste lagen van de derde stand in de stad steunt en aan de officiële vertegenwoordigers van de burgerlijke natie steeds stoutmoediger de heerschappij betwist. Er ontstaat een nieuwe dubbele heerschappij, waarvan wij de eerste symptomen al in het jaar 1790 waarnemen, in een tijd waarin de midden-en grootburgerij nog in administraties en lokale instanties vastzit. Welk een merkwaardig en tegelijkertijd op laaghartige wijze bezoedeld beeld van de pogingen van de volksgroepen, om op te stijgen uit de diepte, uit de kelders en catacomben van de maatschappij, en die verboden arena te betreden waar mensen met pruiken en culottes over het lot van de natie beslissen. Het leek alsof het fundament zelf, getrapt door de verlichte bourgeoisie, levend geworden en in beweging gekomen was; uit de vormloze massa verhieven zich menselijke hoofden, strekten zich eeltige handen omhoog, hese maar moedige stemmen werden hoorbaar! De Parijse arrondissementen, de bastaarden van de revolutie, begonnen hun eigen leven te leven. Zij vonden erkenning – ze niet erkennen was onmogelijk! – en werden in secties omgezet. Onafgebroken ruimden zij echter de wettelijke beperkingen uit de weg, fris bloed stroomde hun toe van onderop en zij verleenden, tegen de wet in, toegang tot hun rijen aan de ontrechten, de armen, aan de sansculottes. Tegelijkertijd verlenen de gemeenten op het platteland bescherming aan de boerenopstand tegen het burgerlijk wettig gezag, dat het feodale bezit begunstigt. Zo verheft zich onder de voet van de tweede natie de derde.

De Parijse secties stonden aanvankelijk in oppositie tegenover de commune, waarin nog de eerwaardige burgerij heerste. De secties veroverden deze op 10 augustus 1792 met een stoutmoedige stormaanval. Van nu af aan stond de revolutionaire commune in tegenstelling tot de Wetgevende Vergadering en later tot de Conventie, die beide de loop en de taak van de revolutie niet bij konden houden en de gebeurtenissen slechts registreerden. Maar zij hadden geen leidende rol in die gebeurtenissen, omdat zij niet de energie, de vermetelheid, de eensgezindheid van die nieuwe klasse bezaten, die intussen uit de diepten van de Parijse arrondissementen omhoog gestegen was en een steunpunt in de meest achtergebleven dorpen gevonden had. Op dezelfde manier als de secties de commune veroverden, veroverde de commune door een nieuwe opstand de Conventie. Elk van deze fasen werd gekenmerkt door een scherp omlijnde dubbele heerschappij, waarbij beide vleugels ernaar streefden een homogene en sterke macht te scheppen, de rechtervleugel langs de weg van de verdediging, de linkervleugel langs die van de aanval. De behoefte aan een dictatuur, die zowel de revolutie als de contrarevolutie kenmerkte, komt voort uit de ondraaglijke tegenstellingen van de dubbele heerschappij. Maar de overgang van de ene vorm naar de andere wordt langs de weg van een burgeroorlog voltrokken. Grote etappes van de revolutie, d.w.z. machtsverschuivingen naar nieuwe klassen of groepen, vallen daarbij in het geheel niet samen met de cyclussen van de vertegenwoordigende lichamen die achter de beweging van de revolutie aanlopen. Weliswaar smelt tenslotte de revolutionaire dictatuur van de sansculottes samen met de dictatuur van de Conventie, maar van welke? – Het is die van de door de terreur van de girondijnen, die haar gisteren nog beheersten, gezuiverde, beknotte, aan de heerschappij van de nieuwe maatschappelijke kracht aangepaste Conventie. Zo verheft zich de Franse revolutie door de fasen van de dubbele heerschappij heen in de loop van vier jaren tot haar hoogtepunt. Met de 9de Termidor begint zij wederom langs de treden van de dubbele heerschappij af te dalen. En weer gaat de burgeroorlog aan het afdalen vooraf, evenals hij vroeger het opstijgen begeleidde. Zo zoekt de nieuwe maatschappij een nieuw evenwicht van de krachten.

De Russische burgerij die tegen de Raspoetinbureaucratie streed en tegelijkertijd met deze samenwerkte, had in de oorlog haar politieke stellingen zeer versterkt. Zij had, doordat zij de nederlagen van het tsarisme uitbuitte, door middel van de Zemstvo- en stadsbesturen en de oorlogsindustriecomités een grote macht, beschikte zelfstandig over reusachtige staatsmiddelen en vormde eigenlijk een nevenregering. De tsaristische ministers klaagden tijdens de oorlog erover dat vorst Lvov het leger verzorgde, voedde en genas en zelfs kapperszaken voor soldaten oprichtte. “Men moet een einde daaraan maken of hun de gehele macht in handen geven,” zei minister Krivosjejin reeds in 1915. Hij vermoedde toen nog niet dat vorst Lvov na anderhalf jaar inderdaad “de gehele macht” zou krijgen, alleen niet uit de handen van de tsaar, maar uit die van Kerenski, Tsjcheidse en Soechanov. Daags nadat dit gebeurd was, ontstond echter een nieuwe dubbele heerschappij: naast de liberale partiële regering van gisteren die nu formeel wettig was, ontstond de weliswaar officieuze, maar des te meer reële regering van de arbeidende massa’s in de vorm der Sovjets. Op dit moment begint de Russische revolutie een gebeurtenis van wereldhistorische betekenis te worden.

Waarin bestaat nu de eigenaardigheid van de dubbele heerschappij van de Februarirevolutie? In de gebeurtenissen van de zeventiende en achttiende eeuw vormde de dubbele heerschappij iedere keer een natuurlijke fase van de strijd die de deelnemers werd opgedrongen door de tijdelijke machtsverhoudingen, waarbij elke partij ernaar streefde de dubbele heerschappij door haar eigen alleenheerschappij te vervangen. In de revolutie van 1917 zien wij hoe de officiële democratie de dubbele heerschappij bewust en opzettelijk vestigt en zich met alle macht ertegen verzet de macht alleen over te nemen. De dubbele heerschappij ontstaat – zo lijkt het op het eerste gezicht – niet als resultaat van de strijd van de klassen om de macht maar als resultaat van het vrijwillig afstaan van de macht door de ene klasse aan de andere. Voorzover de Russische democratie een uitweg uit de dubbele heerschappij zocht, zag zij deze in het opgeven van de macht. Dit noemden wij juist de paradox van de Februarirevolutie.

Men zou een zekere analogie kunnen vinden in de houding van de Duitse burgerij tegenover de monarchie in het jaar 1848. Deze analogie is echter niet volkomen. De Duitse burgerij wilde weliswaar tot iedere prijs op grond van een wederzijdse overeenkomst de macht met de monarchie delen, maar zij had niet volkomen de macht en wilde deze ook niet helemaal aan de monarchie afstaan. “De Pruisische burgerij was in naam in het bezit van de macht; zij twijfelde geen ogenblik eraan of de machten van de oude staat hadden zich zonder voorbehoud tot haar beschikking gesteld en zich in even zovele devoot toegewijden, die afstand gedaan had van hun eigen macht, veranderd” (Marx en Engels). De Russische democratie van 1917, die vanaf het eerste ogenblik van de omwenteling de gehele macht bezat, streefde niet eenvoudig ernaar om deze met de burgerij te delen, maar om de staat volkomen aan deze laatste uit te leveren. Dit zou kunnen betekenen dat de officiële Russische democratie in het eerste kwart van de twintigste eeuw tijd gehad had om politiek meer tot ontwikkeling te komen dan de Duitse liberale burgerij van het midden van de 19de eeuw. Dit is ook volkomen wetmatig, want het vormt de keerzijde van de opkomst in deze decennia van de arbeidersklasse, die de plaats van de handwerkers van Cromwell en van de sansculottes van Robespierre ingenomen heeft.

Gaat men dieper op de zaak in, dan blijkt de dubbele heerschappij van de Voorlopige Regering en van het Uitvoerend Comité louter een spiegelbeeld te zijn. Slechts de arbeidersklasse kon aanspraak op de nieuwe macht maken. Terwijl zij aarzelend op de arbeiders en soldaten steunden, waren de verzoeningsgezinden gedwongen om behulpzaam te zijn bij de dubbele boekhouding van de tsaar en de profeten. De dubbele heerschappij van de liberalen en de democraten was slechts een weerspiegeling van de voorlopig verborgen dubbele heerschappij van de burgerij en van de arbeidersklasse. Wanneer de bolsjewieken de verzoeningsgezinden van de leiding der Sovjets zullen verdringen – wat na enige maanden geschiedt – dan zal de verborgen dubbele heerschappij aan het licht komen en dit zal de vooravond van de Oktoberrevolutie zijn. Tot op dit ogenblik zal de revolutie in een wereld van politieke weerspiegelingen leven.

Terwijl zij zich door de tinnengieterij van de socialistische intellectuelen heen brak, werd de dubbele heerschappij van een fase in de klassenstrijd tot een leidende gedachte. Dit bracht haar juist in het middelpunt van de theoretische discussie. Alles heeft zijn nut. Het louter weerspiegelende karakter van de dubbele heerschappij in februari maakte het ons mogelijk die historische fasen beter te begrijpen waarin de dubbele heerschappij een bloeiperiode in de strijd tussen twee regeringen lijkt. Zo maakt het weerkaatste en zwakke licht van de maan het mogelijk om belangrijke gevolgtrekkingen aangaande het zonlicht te maken.

In de veel grotere rijpheid van de Russische arbeidersklasse, vergeleken met de stedelijke massa’s uit de oude revoluties, lag juist het fundamentele kenmerk van de Russische revolutie dat aanvankelijk tot de paradox van een onwerkelijke dubbele heerschappij geleid en dan de voltooiing van een werkelijk dubbele heerschappij ten gunste van de burgerij verhinderd had. De kwestie was namelijk deze: óf de burgerij verovert werkelijk het oude staatsapparaat en vernieuwt dit voor haar eigen doeleinden waarbij de Sovjets moeten verdwijnen, óf de Sovjets worden de grondslag van een nieuwe staat waarbij zij niet alleen het oude apparaat maar ook de heerschappij van die klassen waartoe het gediend heeft, liquideren. De mensjewieken en de sociaal-revolutionairen stuurden op de eerste oplossing aan. De bolsjewieken op de tweede. De onderdrukte klassen – aan welke het volgens de woorden van Marat in het verleden aan kennis, vaardigheid en leiding ontbroken had om het door hen begonnen werk tot een goed einde te brengen – waren in de Russische revolutie van de twintigste eeuw zowel met het een als met het ander en ook met het laatste uitgerust. De bolsjewieken behaalden de overwinning.

Een jaar na hun overwinning deed zich hetzelfde, bij andere machtsverhoudingen, opnieuw voor in Duitsland. De sociaaldemocratie stuurde op bevestiging van de democratische macht van de burgerij en liquidatie van de sovjets aan. Luxemburg en Liebknecht sloegen de weg naar de heerschappij van de sovjets in. De sociaaldemocraten behaalden de overwinning. Hilferding en Kautsky in Duitsland en Max Adler in Oostenrijk stelden voor om democratie en sovjetstelsel te “combineren” en de arbeidersraden in de grondwet op te nemen. Dit zou de potentiële of openlijke burgeroorlog tot een bestanddeel van het staatsbestuur gemaakt hebben. Een merkwaardiger utopie is niet denkbaar. Als enige rechtvaardiging voor haar dient de oude traditie in de Duitse landen: de Wurtembergse democraten van 1848 wilden reeds een republiek met een hertog aan het hoofd.

Is het verschijnsel van de dubbele heerschappij, waaraan tot nu toe niet voldoende aandacht geschonken is, in strijd met de marxistische staatstheorie, volgens welke de regering als het uitvoerend comité van de heersende klasse beschouwd wordt? Met evenveel recht zou men kunnen zeggen: is het schommelen van de prijzen onder invloed van vraag en aanbod in strijd met de waardetheorie? Wordt de theorie van de strijd om het bestaan weerlegd door de zelfopoffering van het vrouwtje dat haar jong verdedigt? Neen, in deze verschijnselen zien wij slechts een gecompliceerde kruising van dezelfde wetten. Indien de staat de organisatie van de klassenheerschappij is en de revolutie de val van de heersende klasse, dan moet de overgang van de macht van de ene klasse op de andere noodzakelijk tegenstrijdige staatkundige verhoudingen in het leven roepen, voor alles in de vorm van de dubbele heerschappij. De verhouding van de klassenkrachten is geen wiskundige grootheid die van te voren te berekenen is. Indien het oude regime aan het wankelen gebracht is, kan de nieuwe machtsverhouding slechts als resultaat van een krachtmeting in de strijd ontstaan. Dit is juist de revolutie.

Schijnbaar heeft deze theoretische excursie ons van de gebeurtenissen van het jaar 1917 weggevoerd. In werkelijkheid doet zij ons tot hun diepste kern doordringen. De dramatische strijd van de partijen en klassen draaide juist om het probleem van de dubbele heerschappij. Slechts vanuit een theoretisch standpunt kan men ze volkomen overzien en juist begrijpen.

De nieuwe macht

De Russische burgerij stond los van het volk, ze was veel nauwer verbonden met het buitenlands geldkapitaal dan met de werkende massa’s van het eigen land. Deze burgerij stond vijandig tegenover de zegevierende revolutie, maar aangezien ze zelf te laat op het toneel kwam, was het niet mogelijk om in eigen naam aanspraak op de macht te maken. Er was dus een vorm van rechtvaardiging nodig, de revolutie onderwerpt niet alleen de overgeërfde rechten aan onderzoek maar ook de nieuwe aanspraken. De voorzitter van het Voorlopig Comité, Rodsjanko, die in de eerste dagen na de omwenteling aan het hoofd van het revolutionaire land gekomen was, was allerminst in staat argumenten aan te voeren, die de massa’s konden overtuigen.

Rodsjanko was een page, een jongen die werd opgeleid tot schildknaap, onder Alexander II, officier van het regiment van de gardecavalerie, gouvernementsmaarschalk, kamerheer van Nicolaas I, door en door monarchist, rijke grootgrondbezitter, lid van de Oktobristenpartij, afgevaardigde in de Rijksdoema waar hij uiteindelijk tot voorzitter was gekozen. Dit gebeurde nadat Goetsjkov, die als “Jongturk” bij het hof gehaat was, zijn functie had neergelegd. De Doema hoopte door bemiddeling van de kamerheer gemakkelijker tot het hart van de monarchie door te dringen. Rodsjanko deed wat hij kon: openhartig verzekerde hij de tsaar de dynastie toegedaan te zijn, verzocht als gunst aan de troonopvolger voorgesteld te worden en stelde zich aan deze voor als “de grootste en dikste man van Rusland.”

Ondanks al deze byzantijnse goochelarijen lukte het de kamerheer niet om de tsaar voor een grondwet te winnen en de tsarina noemde Rodsjanko in haar brieven kortweg een schurk. Tijdens de oorlog bezorgde de voorzitter van de Doema de tsaar ongetwijfeld heel wat onaangename ogenblikken wanneer hij hem in persoonlijke gesprekken door enthousiaste overredingspogingen, patriottische kritiek en sombere vooruitzichten in het nauw bracht. Raspoetin zag in Rodsjanko een persoonlijk vijand. Koerlow, die dicht bij de bende van het hof stond, spreekt van de “brutaliteit gecombineerd met een onmiskenbare bekrompenheid,” die Rodsjanko kenmerkten. Witte uitte zich milder over de voorzitter van de Doema, maar niet veel gunstiger: “Geen dom mens, zeer verstandig; maar de voornaamste eigenschap van Rodsjanko is niet zijn verstand, maar zijn stem: hij heeft een voortreffelijke bas.”

Rodsjanko probeerde eerst de revolutie weg te spoelen; daarna weende hij toen hij vernam dat de regering van vorst Golizyn er vandoor gegaan was. Hij wees de macht die de socialisten hem kwamen aanbieden ontzet van de hand, besloot later om deze toch aan te nemen maar dan slechts als trouwe onderdaan die bij de eerste gelegenheid de verloren macht terug aan de monarch wilde geven. Het is niet de schuld van Rodsjanko dat deze mogelijkheid zich niet voorgedaan heeft. In plaats daarvan verschafte de revolutie met behulp van diezelfde socialisten de kamerheer een ruime mogelijkheid om zijn bas te laten bulderen voor de opstandige regimenten. Reeds op 27 februari hield de voormalige ritmeester van de gardecavalerie, Rodsjanko, de volgende toespraak tot het cavalerieregiment dat in het Taurisch paleis gekomen was: “Gelovige strijders, luistert naar mijn raad. Ik ben een oude man, ik zal u niet bedriegen, luistert naar de officieren, zij zullen u niets slechts leren en zullen in volkomen overeenstemming met de Rijksdoema handelen. Leve het heilige Rusland!” Alle gardeofficieren waren bereid zo’n revolutie te accepteren. Alleen de soldaten waren koppig: waarom was het dan nodig geweest ze te maken? Rodsjanko was bevreesd voor de soldaten, voor de arbeiders; hij hield Tsjcheïdse en andere linksen voor Duitse agenten en ook op het ogenblik dat hij aan het hoofd van de revolutie stond, keek hij om de paar minuten angstvallig rond zich heen om te zien of de Sovjet hem niet zou arresteren.

De figuur van Rodsjanko is een weinig belachelijk, maar niet toevallig: de kamerheer met de voortreffelijke bas belichaamde het verbond van de twee regerende klassen van Rusland, grootgrondbezitters en bourgeoisie, alsmede de bij hen aangesloten vooruitstrevende geestelijkheid. Rodsjanko zelf was zeer godsvruchtig en kende de kerkgezangen goed en de liberale burgers beschouwden, onafhankelijk van hun houding tegenover de orthodoxie, het bondgenootschap met de kerk even noodzakelijk voor de handhaving van orde en rust als het bondgenootschap met de monarchie. De eerwaardige monarchist die van samenzweerders, rebellen en tirannenmoordenaars de macht ontvangen had, zag er in die dagen erbarmelijk uit. De overige leden van het comité voelden zich niet veel beter. Verschillende van hen vertoonden zich in het geheel niet in het Taurisch paleis, daar zij de toestand niet voldoende opgehelderd achtten. De verstandigsten liepen op hun tenen om de brandstapel van de revolutie heen, kuchten van de rook en zeiden tot zichzelf: laat het eerst maar uitbranden; dan zullen wij proberen iets te beginnen. Toen het comité zich bereid verklaarde de macht aan te nemen, kwam het niet meteen tot een besluit om een regering te vormen. “Terwijl het afwachtte tot het moment voor de vorming van een regering zou aanbreken,” zoals Miljoekov zich uitdrukt, bepaalde het comité zich tot de benoeming van commissarissen uit de Doemaleden voor de hoge regeringsposten: dit liet nog de mogelijkheid voor een terugtocht open.

Voor het ministerie van binnenlandse zaken werd de onbeduidende, maar wellicht minder laffe, afgevaardigde Karaulov aangewezen, die op 1 maart een bevel tot inhechtenisneming tegen alle beambten van de openbare en de geheime politie en het gendarmeriecorps uitvaardigde. Dit verschrikkelijk revolutionair gebaar had een louter platonisch karakter, daar de politie reeds voordat enig bevel gegeven was, gevangen genomen was en de gevangenis voor haar het enige toevluchtsoord tegen een strafgericht vormde. Veel later zag de reactie in de demonstratieve daad van Karaulov het begin van alle verdere onheil.

Overste Engelhardt, gardeofficier, renpaarden- en grootgrondbezitter, werd tot commandant van Petrograd benoemd. In plaats van de dictator Ivanov, die van het front aangekomen was om de hoofdstad te bedwingen, te arresteren, stelde Engelhardt een reactionaire officier als chef van de staf tot zijn beschikking. Tenslotte waren het immers hun eigen mensen.

Voor het ministerie van justitie werd het “licht” van de Moskouse liberale advocatuur aangewezen, de welbespraakte en holle Maklakov, die voor alles aan de reactionaire bureaucraten te verstaan gaf dat hij geen minister bij genade van de revolutie wilde zijn. Met een blik op de binnentredende kameraad-koerier verklaarde hij in het Frans: “Le danger est à la gauche.” De arbeiders en soldaten moesten geen Frans te kennen om in al deze heren hun meest verbitterde vijand te voelen.

Rodsjanko bulderde echter niet lang aan het hoofd van het comité. Zijn kandidatuur voor voorzitter van de revolutionaire regering raakte vanzelf van de baan: de bemiddelaar tussen bezit en monarchie was te ongeschikt als bemiddelaar tussen bezit en revolutie. Toch verdween hij niet van het toneel zonder hardnekkig gepoogd te hebben de Doema als tegenwicht tegen de Sovjets weer nieuw leven in te blazen en in het centrum van alle experimenten van de burgerlijk-feodale contrarevolutie tot vereniging te blijven. Wij zuIlen nog van hem horen.

Op de 1ste maart ging het Voorlopig Comité over tot de vorming van een regering waarbij het dezelfde personen benoemde die de Doema sedert 1915 telkens weer aan de tsaar aanbevolen had als mannen die het vertrouwen van het land genoten: het waren grootgrondbezitters en industriëlen, oppositionele Doema-afgevaardigden, leiders van het vooruitstrevend blok. Het is een feit dat de samenstelling van de revolutionaire regering op een uitzondering na absoluut niet de door de arbeiders en soldaten voltrokken omwenteling weerspiegelde. De uitzondering vormde Kerenski. De slingerwijdte Rodsjanko-Kerenski is de officiële slingerwijdte van de Februarirevolutie.

Kerenski trad in de regering als het ware als gevolmachtigd gezant daarvan. Zijn houding tegenover de revolutie was echter de houding van een advocaat uit de provincie die in politieke processen optreedt. Kerenski was geen revolutionair, hij was slechts met de revolutie in aanraking gekomen. Toen hij dankzij zijn legale positie in de vierde Doema kwam, werd hij voorzitter van de kleurloze, iedere uitdrukking missende fractie van trudoviken, de bloedarme vrucht van een politieke kruising tussen liberalisme en narodniki. Hij bezat noch theoretische voorbereiding, noch politieke scholing, noch bekwaamheid tot universeel denken, noch politieke wil. Al deze eigenschappen werden vervangen door een vluchtige bevattelijkheid, een lichte ontvlambaarheid en dat redenaarstalent dat niet op verstand of wil werkt maar op het gevoel. Zijn optreden in de Doema in de geest van declamatorisch radicalisme, waarvoor aanleidingen te over waren, maakten Kerenski zo al niet populair, dan toch bekend. In de oorlog hield hij als patriot samen met de liberalen alleen reeds de gedachte aan een revolutie voor verderfelijk. Hij erkende de revolutie, toen zij gekomen was en zij hem, vastgeklonken aan zijn schijnbare populariteit, zo moeiteloos omhoog hief. De omwenteling was voor hem natuurlijkerwijs identiek met de nieuwe macht. Het Uitvoerend Comité had echter besloten dat de macht in een burgerlijke revolutie aan de burgerlijken moest behoren. Deze formule leek Kerenski reeds hierom onjuist toe omdat zij de deuren van de regering voor hem dichtsloeg. Kerenski was er natuurlijk van overtuigd dat zijn socialisme de burgerlijke revolutie even weinig zou hinderen als deze afbreuk zou doen aan zijn socialisme. Het Voorlopig Doemacomité besloot te trachten de radicale afgevaardigde los te maken van de Sovjet, en bereikte dit zonder veel moeite, doordat het hem de justitieportefeuille aanbood die Maklakov reeds van de hand had gewezen. Kerenski klampte in de wandelgangen zijn vrienden aan en vroeg hen: aannemen of niet aannemen? De vrienden twijfelden er niet aan dat hij vastbesloten was om deze post aan te nemen. Soechanov, die toentertijd Kerenski welgezind was, bespeurde bij hem, althans later in zijn herinnering, de overtuiging van een of andere hem wachtende missie… “en een buitengewone geprikkeldheid tegenover iedereen die deze missie nog niet ontdekt had.” Tenslotte raadden de vrienden, onder wie ook Soechanov, Kerenski aan de portefeuille aan te nemen: in ieder geval was het veiliger zo; men zou dan door één van de onzen kunnen te weten komen wat er daar bij de sluwe liberalen voorviel. Terwijl de leiders van het Uitvoerend Comité in stilte Kerenski tot deze zondeval brachten, waartoe hij overigens zelf sterk geneigd was, weigerden zij hem echter een officiële steun te verlenen. Soechanov herinnerde Kerenski er aan dat het Uitvoerend Comité zich immers reeds uitgesproken had en dat het “niet ongevaarlijk” was de kwestie nog eens in de Sovjet aan de orde te stellen, aangezien deze eenvoudig zou kunnen antwoorden: “De macht moet bij de Sovjetdemocratie behoren.” Dit is het woordelijk relaas van Soechanov… een ongelooflijk mengsel van naïviteit en cynisme. De geestelijke vader van het hele mysterie van de regeringsvorming bekent hier openlijk dat de stemming in de Petrogradse Sovjet reeds op 2 maart voor een formele overname van de macht geweest was, welke feitelijk al sinds 27 februari aan deze toebehoorde en dat de socialistische leiders slechts achter de rug van de arbeiders en soldaten om buiten hun wet en tegen hun wil in de macht ten behoeve van de bourgeoisie konden ontnemen. Het gesjacher van de democraten met de liberalen krijgt in het verhaal van Soechanov alle wezenlijke kenmerken van een misdaad tegen de revolutie en wel van een samenzwering tegen de heerschappij van het volk en zijn rechten.

Tegenover het ongeduld van Kerenski fluisterden de leiders van het Uitvoerend Comité dat het een socialist niet betaamde officieel ook maar een deel van de macht aan te nemen uit handen van de Doemaleden die zo juist uit handen van de socialisten de gehele macht verkregen hadden. Kerenski moest dit liever op eigen verantwoording doen. Waarlijk, deze heren vonden met nimmer falend instinct een zo zonderling en verkeerd mogelijke uitweg uit iedere situatie. Kerenski wilde echter niet als radicaal afgevaardigde in de regering treden; hij begeerde de mantel van gevolmachtigde van de zegevierende revolutie. Om niet op tegenstand te stuiten, wendde hij zich om goedkeuring noch tot de partij waartoe hij behoorde, noch tot het Uitvoerend Comité waar hij plaatsvervangend voorzitter was. Hij nam zonder de verantwoordelijke verwittigd te hebben het woord in de plenaire zitting van de Sovjet, die in de eerste dagen nog een chaotische vergadering vormde, om er een buitengewone verklaring af te leggen. In een toespraak die sommigen als verward en anderen als hysterisch omschreven, beide omschrijvingen zijn niet noodzakelijk met elkaar in tegenspraak, eiste hij voor sich het vertrouwen op en sprak hij zijn algemene bereidheid uit om voor de revolutie te sterven en alleszins om onmiddellijk de portefeuille van minister van justitie aan te nemen. De vermelding van de noodzakelijkheid van een volledige politieke amnestie en een vervolging van de tsaristische waardigheidsbekleders was voldoende om bij de onervaren en door niemand geleide vergadering een stormachtig applaus teweeg te brengen. “Deze farce,” schreef later Sjljapnikov, “wekte bij velen verontwaardiging en afkeer tegenover Kerenski op.” Maar niemand sprak hem tegen. Nadat zij de macht aan de bourgeoisie uitgeleverd hadden, vermeden de socialisten het, zoals wij weten, om deze kwestie aan de massa’s voor te leggen. Een stemming had niet plaats. Kerenski besloot het applaus als een uiting van vertrouwen op te vatten. Hij had gelijk op zijn manier. De Sovjet was ongetwijfeld voor het toetreden van socialisten in de regering omdat het daarin een stap tot liquidering van de burgerlijke regering zag, een regering waarmee de Sovjet het niet kon vinden. Terwijl hij op de een of andere manier de officiële leer van de macht omverwierp, nam Kerenski op de 2de maart de post van minister van justitie aan. “Hij was,” vertelt de oktobrist Sjidlovski, “zeer tevreden met zijn benoeming en ik herinner mij heel goed hoe hij in het vertrek van het Voorlopig Comité, achterovergeleund in een stoel, hartstochtelijk ervan sprak op welk een ontzaglijk hoog peil hij Ruslands justitie zou weten te brengen.” Dit heeft hij inderdaad enkele maanden later in het proces tegen de bolsjewieken bewezen.

De liberalen wilden de mensjewiek Tsjcheïdse het ministerie van arbeid op de hals schuiven, dit was een doorzichtige berekening. Tsjcheïdse wees dit resoluut van de hand en bleef voorzitter van de Sovjet. Terwijl hij minder opvallend was dan Kerenski, was Tsjcheïdse toch van een degelijker kaliber.

Miljoekov, de onbetwiste leider van de Kadettenpartij, werd de spil van de Voorlopige Regering, al stond hij formeel niet aan haar hoofd. “Miljoekov was absoluut niet te vergelijken met zijn overige collega’s uit de regering,” schreef de kadet Nabokov nadat hij reeds met Miljoekov gebroken had, “zowel als geestelijke kracht, als een man met een ongelofelijke, bijna onuitputtelijke kennis en een brede kijk.” Soechanov, die Miljoekov voor de ineenstorting van het Russische liberalisme persoonlijk verantwoordelijk stelde, schreef tegelijkertijd: “Miljoekov was toentertijd de centrale figuur, het hart en hoofd van alle burgerlijke politieke kringen… Zonder hem zou er in de eerste periode van de revolutie geen burgerlijke politiek geweest zijn.” Deze uitspraken zijn bij al hun opgeschroefdheid kenmerkend voor de onbetwiste superioriteit van Miljoekov boven de overige politici van de Russische bourgeoisie. Zijn kracht bestond in datgene wat ook zijn zwakte was: vollediger en volkomener dan de anderen drukte hij in de taal van de politiek het lot van de Russische bourgeoisie uit, d.w.z. haar historisch gemis aan een uitweg. Waar de mensjewieken jammerden dat Miljoekov het Russisch liberalisme ten gronde gericht had, kan men met meer recht beweren dat het liberalisme Miljoekov ten gronde gericht heeft.

Ondanks zijn voor de imperialistische doeleinden opgewarmd neoslavisme bleef Miljoekov steeds een burgerlijke Westerling. Het doel van zijn partij lag voor hem in een zegepraal van de Europese beschaving in Rusland. Maar hoe verder men kwam, des te meer werd hij bevreesd voor die revolutionaire wegen die door de volkeren van het Westen opgegaan waren. Van zijn westerse gezindheid bleef derhalve niets anders over dan een machteloze afgunst tegenover het Westen.

De Engelse en de Franse burgerijen hadden de nieuwe maatschappij naar hun eigen evenbeeld gevormd. De Duitse is later gekomen en zij moest lange tijd bij het aftreksel van de filosofie blijven zitten. De Duitsers hebben het woord “Weltanschauung” bedacht, dat noch de Engelsen, noch de Fransen bezitten. Terwijl de Westerse naties een nieuwe wereld schiepen, beschouwden de Duitsers deze. Maar de Duitse bourgeoisie, die inzake politieke activiteit zo armzalig was, schiep de klassieke filosofie – en dit is geen geringe prestatie. De Russische bourgeoisie kwam nog later. Zij had weliswaar het Duitse woord “Weltanschauung” in het Russisch vertaald, zelfs in meerdere variaties, maar daarmee toonde zij slechts nog krasser, tegelijk met haar politieke onmacht, haar bittere filosofische armzaligheid. Zij importeerde zowel ideeën als machines, hief voor de machines hoge invoerrechten en stelde rond de ideeën een quarantaine van angst in. Miljoekov was bestemd om aan deze kenmerken van zijn klasse een politieke uitdrukking te geven.

Voormalig professor in de geschiedenis te Moskou, schrijver van wetenschappelijke werken van betekenis, later stichter van de uit de bond van liberale grootgrondbezitters en de bond van linkse intellectuelen samengesmolten Kadettenpartij, miste Miljoekov volkomen de onverdragelijke, deels pedante, deels intellectuele karaktereigenschap van dat politiek dilettantisme dat het merendeel van de Russische liberale politici kenmerkt.

In de regel schaamden de Russische liberalen zich er tot het jaar 1905 voor liberalen te zijn. Een waas van narodnikisme en later van marxisme diende hen lange tijd als onmisbare dekmantel. In deze schuchtere, in wezen oppervlakkige capitulatie van tamelijk brede burgerlijke kringen, waaronder ook vele jongere industriëlen, voor het socialisme, kwam het gemis aan innerlijke zekerheid van een klasse tot uiting. Deze klasse was tijdig genoeg gekomen om miljoenen in haar handen te concentreren, maar te laat om zich aan het hoofd van de natie te stellen. De baardige vaders, rijk geworden boeren en kooplieden vergaarden bezit zonder over hun maatschappelijke rol na te denken. De zonen liepen de universiteiten af in het tijdvak van ideeëngisting vóór de revolutie en toen zij hun plaats in de maatschappij gingen innemen, aarzelden zij zich onder de in verder ontwikkelde landen reeds verbruikte, verbleekte en opgelapte banier van het liberalisme te scharen. Een tijdlang gaven zij een deel van hun ziel en zelfs een deeltje van hun inkomsten aan de revolutionairen. Dit is in nog meerdere mate het geval met de vertegenwoordigers van de vrije beroepen: voor een groot deel maakten zij in hun jonge jaren een periode van socialistische sympathieën door. Professor Miljoekov had echter nooit aan de kinderziekte van het socialisme geleden. Hij was door en door bourgeois en schaamde zich hiervoor niet.

Miljoekov gaf stellig in de eerste tijd van de revolutie niet volkomen de hoop op om door middel van de gematigde socialistische partijen op de revolutionaire massa’s te kunnen steunen. Witte vertelt dat de kadetten op de eis die hij bij de vorming van zijn constitutioneel kabinet in oktober 1905 aan hen stelde, om “de revolutionaire staart af te kappen,” hem geantwoord hadden dat zij evenmin van de gewapende krachten van de revolutie konden afzien als Witte zelf van het leger. In het wezen van de zaak was dit toen reeds grootspraak: om hun prijs op te drijven, joegen de kadetten Witte angst aan met de massa’s waarvoor zij zelf bang waren. Miljoekov was juist op grond van de ervaringen van het jaar 1905 tot de overtuiging gekomen: hoe sterk de liberale sympathiën van de socialistische groepen onder de intellectuelen ook mochten zijn, de werkelijke krachten van de revolutie, de massa’s, zouden hun wapens nooit aan de bourgeoisie uitleveren en een groter gevaar voor deze vormen naarmate zij beter gewapend waren. Terwijl hij openlijk verkondigde dat de rode vlag een rode lap was, beëindigde Miljoekov kennelijk opgelucht de roman die hij eigenlijk nooit ernstig begonnen was.

Het isolement van de zogenaamde “intelligentsia” van het volk was een van de traditionele onderwerpen van de Russische journalistiek, waarbij de liberalen in tegenstelling tot de socialisten onder intelligentsia alle “beschaafde”, d.w.z. bezittende, klassen verstonden. Nadat dit isolement zich tijdens de eerste revolutie op een zo catastrofale wijze aan de liberalen geopenbaard had, leefden de ideologen van de “beschaafde” klassen als het ware voortdurend in afwachting van ‘de dag van het laatste oordeel’. Een liberaal schrijver, een niet aan de politieke conventies gebonden filosoof, had de angst voor de massa uitgesproken met een bezetenheid die aan de reactionaire epilepsie van Dostojewski herinnert. “Zoals wij zijn, kunnen wij niet alleen niet aan een samensmelting met het volk denken – wij moeten het volk vrezen, meer dan alle terechtstellingen van de regering, en die macht zegenen die ons met haar bajonetten en gevangenissen voor de woede van het volk beschermt.” Konden de liberalen bij een zodanig politiek zelfbewustzijn er ook maar van dromen het revolutionaire volk te leiden? Op de gehele politiek van Miljoekov is de stempel van wanhoop gedrukt. De door hem geleide partij denkt er op het moment van de nationale crisis slechts aan hoe zij de slag zal vermijden, niet hoe zij hem zal leiden.

Als schrijver is Miljoekov zwaar op de hand, wijdlopig en vermoeiend. Niet anders is het met hem gesteld als redenaar. Decoratief is hij niet. Dit zou een voordeel kunnen zijn indien de benepen politiek van Miljoekov niet zo klaarblijkelijk een masker was of indien hij althans de objectieve steun van een grote traditie bezeten had, maar hij had niet eens een kleine traditie. De officiële politiek in Frankrijk, het voorbeeld van burgerlijk egoïsme en verraad, had twee sterke steunpunten: traditie en retoriek. Verenigd met elkaar omgeven zij ieder burgerlijk politicus, zelfs een zo prozaïsch factotum van het grootkapitaal als Poincaré, met een beschermend aureool. Het is niet Miljoekov’s schuld dat hij geen pathetische voorvaderen bezat en gedwongen was de politiek van het burgerlijk egoïsme op de grens tussen Europa en Azië door te voeren.

“Naast de sympathie voor Kerenski,” lezen wij in de memoires van de sociaalrevolutionair Sokolov over de Februarirevolutie, “bestond er van bij het begin een grote, openlijke en eigenaardige antipathie tegen Miljoekov. Het was en is mij ook nu nog onbegrijpelijk waarom deze eerbiedwaardige politicus zo onpopulair was.” Indien de filisters de oorzaak van hun geestdrift voor Kerenski en hun wrevel tegen Miljoekov hadden kunnen begrijpen, zouden zij opgehouden hebben filister te zijn. De kleinburger hield niet van Miljoekov omdat hij te prozaïsch en nuchter, zonder consideratie, het politieke wezen van de Russische bourgeoisie weergaf. De burger zag, terwijl hij zich in de Miljoekovsche spiegel bekeek, dat hij grauw, baatzuchtig, laf was, en voelde zich, zoals dat gebruikelijk is, door de spiegel beledigd.

Miljoekov, aan wie de ontevreden blikken van de liberale burger niet verborgen bleven, zei van zijn kant rustig en zeker: “De kleinburger is dom.” Hij uitte deze woorden zonder geprikkeldheid, bijna vriendelijk, als wilde hij zeggen: “Indien de kleinburger mij vandaag nog niet begrijpt, doet dit er niet toe, hij zal het later doen.” In Miljoekov leefde de goed gefundeerde zekerheid dat de burger hem niet zou verraden en, gehoorzamend aan de logica der dingen, hem zou volgen. Er was immers geen andere optie. En werkelijk: na de Februari-omwenteling volgden alle burgerlijke partijen, zelfs de rechtse leider van de kadetten, hoezeer die ook schold en soms vloekte.

Anders was het met de democratische politicus met een socialistisch tintje, Soechanov, gesteld. Dit was geen gewone kleinburger, maar een beroepspoliticus, vrij goed beslagen in zijn klein handwerk. Voor handig kon men deze politicus niet verslijten, want de voortdurende tegenspraak tussen dat wat hij wilde en dat wat hij bereikte, was te zeer in het oog lopend. Maar hij muggeziftte, stichtte verwarring, verveelde. Om hem tot meedoen te bewegen, moest men hem om de tuin leiden, doordat men niet alleen zijn volkomen zelfstandigheid erkende, maar hem zelfs van onmatig commanderen, van eigenmachtigheid beschuldigde. Hierdoor voelde hij zich gevleid en dit verzoende hem met de rol van handlanger. In een gesprek met deze socialistische slimmerd uitte Miljoekov de woorden: “De kleinburger is dom.” Dit was een fijne vleierij. Handig zijn slechts wij beiden: in werkelijkheid draaide Miljoekov juist op dit moment zijn democratische vriend een rad voor de ogen. Later zijn zij ook met dit rad ten val gebracht.

Door zijn persoonlijke onpopulariteit was het Miljoekov niet mogelijk zich aan het hoofd van de regering te stellen: hij aanvaardde buitenlandse zaken, wat ook in de Doema zijn specialiteit was.

Minister van oorlog van de revolutie werd de ons reeds bekende Moskouse grootindustrieel Goetsjkov, in zijn jeugd liberaal, geneigd tot het avontuurlijke, later vertrouwensman van de grootbourgeoisie bij Stolypin in de tijd van het neerslaan van de eerste revolutie. De ontbinding van de twee eerste Doema’s, waar de kadetten heerstten, leidde tot de staatsgreep van 3 juni 1907, welke tot doel had het kiesrecht te wijzigen ten gunste van de partij van Goetsjkov, die dan ook in de twee laatste Doema’s tot de revolutie de leiding behield. In het jaar 1911 legde Goetsjkov in Kiev bij de onthulling van een gedenkteken voor Stolypin, die door een terrorist gedood was, zwijgend een krans neer en boog tot diep op de grond: dit was een gebaar in naam van een klasse. In de Doema wijdde Goetsjkov zich hoofdzakelijk aan de vraagstukken van de “strijdmacht” en ging bij de voorbereiding van de oorlog hand in hand met Miljoekov. Als voorzitter van het centraal oorlogsindustriecomité verenigde hij de industriëlen onder de banier van de patriottische oppositie, waarbij hij tegelijkertijd de leiders van het vooruitstrevend blok, met inbegrip van Rodsjanko, geenszins belette aan legerleveranties te verdienen. Een revolutionaire aanbeveling was voor Goetsjkov de aan zijn naam verbonden gedeeltelijke legende van de voorbereiding van de paleisrevolutie. De vroegere chef van de politie beweerde daaromtrent dat “Goetsjkov het zich veroorloofde om in privégesprekken buitengewoon beledigende uitdrukkingen over de vorst te gebruiken.” Dit is zeer plausibel. Goetsjkov vormde in dit opzicht echter geen uitzondering. De godsvruchtige tsarina haatte Goetsjkov, was in haar brieven niet zuinig met grove beschimpingen aan zijn adres en sprak de hoop uit dat hij “aan een hoge boom” zou worden opgehangen. De tsarina had trouwens velen daartoe bestemd. Hoe het ook zij: de man die voor de beul van de eerste revolutie tot diep op de grond gebogen had, werd minister van oorlog van de tweede revolutie.

De kadet Sjingarev, een arts uit de provincie, die later afgevaardigde in de Doema geworden was, werd minister van landbouw. Zijn naaste geestverwanten uit de partij hielden hem voor een eerlijk, middelmatig mens of, zoals Nabokov zich uitdrukte, voor een Russisch intellectueel uit de provincie, gemeten niet met staats-, maar met gouvernements- of districtsmaatstaf. Het vaag radicalisme uit zijn jeugd had reeds lang gelegenheid gehad te vervluchtigen en Sjingarev beijverde zich vóór alles, om aan de bezittende klassen zijn rijpheid als staatsman te tonen. Ofschoon het oude programma van de kadetten van de “gedwongen onteigening van het land van de grootgrondbezitters tegen een billijke schadevergoeding” sprak, nam toch geen enkel grootgrondbezitter dit programma ernstig – vooral nu niet, in de jaren van oorlogsinflatie – en Sjingarev beschouwde het als zijn voornaamste taak om de oplossing van het agrarisch vraagstuk op de lange baan te schuiven en de boeren te troosten met het waandenkbeeld van een Constituerende Vergadering, die de kadetten niet wilden bijeenroepen. De Februarirevolutie moest zich de nek breken over de vraagstukken van grond en bodem en de oorlog. Sjingarev hielp daarbij zoveel hij maar kon.

Een jonge man, genaamd Teresjtsjenko, kreeg de portefeuille van financiën. ‘Waar hebben ze die vandaan gehaald?’ vroeg men elkaar verwonderd in het Taurisch paleis. Personen die op de hoogte waren, verklaarden dat hij bezitter was van suikerfabrieken, landgoederen, bossen en andere ontelbare rijkdommen die men op ongeveer tachtig miljoen goudroebel schatte. Hij was voorzitter van het oorlogsindustriecomité in Kiev, had een goede Franse uitspraak en was bovendien kenner van het ballet. Men voegde hier nog veelzeggend aan toe dat Teresjtsjenko als vertrouwensman van Goetsjkov bijna deelgenomen had aan de grote samenzwering die Nicolaas II zou afzetten. De revolutie die de samenzwering verijdeld had, hielp Teresjtsjenko.

Gedurende de vijf Februaridagen, toen revolutiegevechten zich in de koude straten van de hoofdstad afspeelden, sloop enige malen de figuur van een liberaal van goede huize als een schim aan ons voorbij, de zoon van de voormalige tsaristische minister Nabokov, een in haar zelfingenomen correctheid en egoïstische bekrompenheid bijna symbolische figuur. De beslissende dagen van de opstand had Nabokov in droeve en bezorgde afwachting binnen de vier muren van de kanselarij of van zijn familie doorgebracht. Nu was hij secretaris van de Voorlopige Regering, feitelijk minister zonder portefeuille. In de emigratie te Berlijn, waar de onzinnige kogel van een witgardist hem doodde, liet hij niet oninteressante aantekeningen over de Voorlopige Regering na. Dit moge hem als een verdienste worden aangerekend.

Wij vergaten echter de premier te vermelden, die trouwens in ernstige ogenblikken tijdens zijn korte ambtsvervulling door iedereen vergeten werd. Toen Miljoekov op 2 maart op een vergadering in het Taurisch paleis de nieuwe regering aanbeval, noemde hij vorst Lvov het voorbeeld van een door het tsaristisch bewind vervolgde Russische beroemdheid. Later, in zijn “Geschiedenis van de Revolutie”, merkt Miljoekov voorzichtig op dat “aan het hoofd van de regering de voor de meeste leden van het Voorlopig Comité weinig bekende” vorst Lvov gesteld werd. De historicus beijvert zich hier om de politicus van de verantwoordelijkheid voor de keuze te ontheffen. In werkelijkheid behoorde de vorst reeds lang tot de kadettenpartij, tot haar rechtervleugel. Na de ontbinding van de eerste Doema, op de beroemde zitting van afgevaardigden in Vyborg, die zich met de gebruikelijke oproep van het beledigd liberalisme tot de bevolking wendde om geen belastingen te betalen, was vorst Lvov weliswaar aanwezig, maar hij ondertekende de oproep niet. Nabokov vertelt in zijn memoires dat de vorst terstond na aankomst in Vyborg ziek geworden was en dat zijn ziekte toegeschreven werd aan de opwinding waarin hij verkeerde. Klaarblijkelijk was de vorst niet tegen revolutionaire emoties bestand. Uit politieke onverschilligheid, die op breeddenkendheid leek, tolereerde Vorst Lvov, die zeer gematigd was, in alle door hem geleide organisaties vroegere revolutionairen en socialistische patriotten die zich uit de voeten maakten voor de oorlog . Zij werkten niet slechter dan de overige ambtenaren, stalen niet en bezorgden de vorst tegelijkertijd een soort van populariteit. Een vorst, een rijk man en liberaal, dit imponeerde de doorsneeburger. Men had daarom reeds onder de tsaar vorst Lvov voor de post van eerste minister bestemd. Al met al moet men toegeven dat het hoofd van de regering der Februarirevolutie weliswaar een verheven, maar een kennelijke nul was. Rodsjanko zou in ieder geval schitterender geweest zijn.

De kroniek van de legendarische geschiedenis van de Russische staat begint met het verhaal hoe afgezanten van de Slavische stammen zich naar de Scandinavische vorsten begaven met het verzoek: “Kom, bezit en regeer ons.” De rampzalige vertegenwoordigers van de socialistische democratie veranderden de historische legende in een ware gebeurtenis, niet in de negentiende maar in de twintigste eeuw, met dit verschil slechts dat zij zich niet tot overzeese, maar tot binnenlandse vorsten wendden. Zo geraakten als resultaat van de zegevierende opstand van de arbeiders en soldaten enkele schatrijke grootgrondbezitters en industriëlen, onbeduidende, politieke dilettanten, zonder programma, met een vorst aan het hoofd die niet tegen opwindingen bestand was, aan de macht.

De samenstelling van de regering wekte bij de verschillende gezantschappen, in de burgerlijke en ambtelijke salons, alsook in de brede lagen van de middenstand, gedeeltelijk ook van het kleinburgerdom, bevrediging. Vorst Lvov, de oktobrist Goetsjkov, de kadet Miljoekov – deze namen klonken geruststellend. De naam Kerenski deed wellicht de Geallieerden de wenkbrauwen fronsen, maar hij verschrikte hen niet. Zij die verder zagen, begrepen: er heerst nog altijd revolutie in het land; bij een zo betrouwbaar disselpaard als Miljoekov kan een dartel bijdehands paard slechts nuttig zijn. Zo moest de Franse gezant Paléologue, die van Russische metaforen, hield wel denken.

De samenstelling van de regering bracht onder de arbeiders en soldaten van meet af aan vijandige gevoelens, op zijn best een teleurstellende verbazing, teweeg. De namen Miljoekov of Goetsjkov konden geen instemming vinden, noch in de fabrieken, noch in de kazerne. Er zijn talrijke bewijzen hiervan voorhanden. De officier Mstislavski vermeldt de sombere bezorgdheid van de soldaten over het feit dat de macht van een tsaar op een vorst overgegaan was: is het de moeite waard geweest daarom bloed te vergieten? Stankevitsj, die tot de intimi van Kerenski behoorde, maakte op de derde maart een rondgang door zijn sappeursbataljon, van compagnie tot compagnie, en prees de nieuwe regering die hij zelf voor de best mogelijke hield en waarvan hij met grote geestdrift sprak. Men voelde echter een koele stemming onder het gehoor. Slechts als de spreker Kerenski vermeldde, “ontvlamden” de soldaten “in waarachtige geestdrift.” De publieke opinie onder de kleinburgers van de hoofdstad had in die tijd reeds Kerenski tot voornaamste held van de revolutie gemaakt. De soldaten waren in meerdere mate dan de arbeiders geneigd in Kerenski een tegenwicht tegenover de burgerlijke regering te zien en verwonderden zich slechts daarover dat hij er alleen was. Kerenski was echter geen tegenwicht, maar een aanvulling, een dekmantel, een versiering. Hij verdedigde dezelfde belangen als Miljoekov, maar dan wel met een zaklamp.

Hoe was de werkelijke situatie in het land na de vestiging van de nieuwe macht?

De monarchistische reactie hield zich in haar schuilholen verborgen. De bezitters van iedere soort en richting groepeerden zich zodra de wateren van de zondvloed begonnen te vallen rond de banier van de kadettenpartij, die met een slag de enige niet-socialistische en tegelijkertijd de meest rechtse partij in het strijdperk geworden was.

De massa’s stroomden in drommen naar de socialisten, die in het bewustzijn van het volk één met de Sovjets waren. Niet alleen de arbeiders en soldaten van de grote garnizoenen in het achterland, maar ook de bonte burgerij van de steden: handwerkers, straatventers, kleine ambtenaren, huurkoetsiers, portiers, allerhande huispersoneel meden de Voorlopige Regering met haar bureau’s en zochten een macht die dichterbij en beter te bereiken was. In steeds grotere getale kwamen afgezanten van de boeren naar het Taurisch paleis. De massa’s stroomden naar de Sovjets als naar een zegepoort van de revolutie. Alles wat buiten de Sovjets bleef, viel meteen af van de revolutie en leek tot een andere wereld te behoren. Zo was het ook: buiten de Sovjets bleef de wereld van de bezitters, waarin nu alle kleuren tot een mat-rose tint samenvloeiden.

Niet de gehele arbeidende klasse koos de Sovjets, niet iedereen werd meteen wakker, niet elke laag van de onderdrukten geloofde meteen dat de revolutie hen ook aanging. In het bewustzijn van velen leefde nog slechts zwakjes een vage hoop. Tot de Sovjets wendde zich alles wat actief was in de massa’s, en tijdens een revolutie overwint meer dan iets anders de activiteit. Aangezien de activiteit van de massa’s van dag tot dag groeide, verbreedde de basis van de Sovjets zich onafgebroken. Dit was ook de enige reële basis van de revolutie.

Er waren twee helften in het Taurisch paleis: Doema en Sovjet. Het Uitvoerend Comité verdrong zich oorspronkelijk binnen de muren van enkele enge bureau’s waardoor een onafgebroken stroom mensen vloeide. De Doema-afgevaardigden waren geneigd zich in hun pronkkamers als heren te voelen. Spoedig vaagde de revolutionaire vloedgolf echter alle belemmeringen weg. De Sovjet verbreedde zich ondanks de volslagen besluiteloosheid van zijn leiders onafgebroken, terwijl de Doema steeds meer op de achtergrond gedrongen werd. De nieuwe machtsverhouding brak zich alom baan.

De afgevaardigden in het Taurisch paleis, de officieren in hun regimenten, de commandanten in hun staven, de directeuren en administrateurs van de bedrijven, spoorwegen, telegraafkantoren, de grootgrondbezitters of rentmeesters op de landgoederen, allen voelden zich van de eerste dag van de revolutie af onder een vijandige en voortdurende controle van de massa’s. De Sovjet was in de ogen van deze massa de georganiseerde uitdrukking van hun wantrouwen tegen al degenen die haar onderdrukt hadden. De zetters onderzochten ijverig de tekst van artikelen die zij moesten zetten, de spoorwegarbeiders controleerden bezorgd en waakzaam de militaire treinen, de telegrafisten lazen op een nieuwe manier de telegrammen door, de soldaten keken elkaar bij iedere verdachte beweging van de officier aan, de arbeiders wierpen de als zwarte-honderd-man bekende opzichter uit het bedrijf en hielden een liberale directeur scherp in het oog. De Doema werd vanaf de eerste uren van de revolutie en evenzo de Voorlopige Regering vanaf de eerste dagen van haar bestaan tot een reservoir waarin de klachten en bezwaren van de bovenlagen van de maatschappij hun protesten tegen “excessen”, hun weemoedige beschouwingen en sombere voorgevoelens samenvloeiden.

“Zonder de bourgeoisie kunnen wij het staatsapparaat niet veroveren,” meende de socialistische kleinburger met een angstige blik op de regeringsgebouwen waaruit het skelet van de oude staat met holle oogkassen staarde. Men vond een uitweg doordat men op het door de revolutie onthoofde apparaat een liberaal hoofd zette. Nieuwe ministers begaven zich in de tsaristische ministeries, namen daar bezit van het apparaat van schrijfmachines, telefoons, koeriers, stenotypistes en beambten, en overtuigden er zich dagelijks van dat de molen voor niets maalde.

Kerenski herinnerde zich later hoe de Voorlopige Regering “op de derde dag van de Al-Russische anarchie de macht in handen nam toen er op de hele oppervlakte van het Russische land niet alleen geen enkele macht meer bestond, maar zelfs letterlijk geen enkele politieagent overgebleven was.” De Sovjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden die de miljoenenmassa’s leidden, telden niet mee: dat zijn immers maar anarchistische elementen. De verwaarlozing van het land wordt door het verdwijnen van de politieagent getekend. In de geloofsbelijdenis van de meest linkse minister ligt de sleutel tot de gehele politiek van de regering.

De posten van gouverneur werden, volgens een beschikking van vorst Lvov, door voorzitters van de gouvernementszemstvobesturen bezet, die zich niet bijzonder van hun voorgangers onderscheidden. Niet zelden waren het grootgrondbezitters in de trant van de oude heren van de lijfeigenen die zelfs in de gouverneurs jacobijnen zagen. Aan het hoofd van de districten kwamen de voorzitters van de districtszemstvobesturen. De bevolking herkende onder de nieuwe benaming van “commissarissen” haar oude vijanden. “Dezelfde oude popen, alleen maar onder hoogdravende namen,” zoals eens Milton van de angstvallige reformatie van de presbyterianen zei. De gouvernements- en districtscommissarissen maakten zich meester van de schrijfmachines, typistes en beambten van de gouverneurs en ispravniks, om tot de overtuiging te komen dat deze hun generlei macht hadden nagelaten. Het leven in de gouvernementen en in de districten concentreerde zich om de Sovjets. Op deze manier doordrong de dubbele heerschappij alles van onder tot boven. De plaatselijke Sovjetleiders, eveneens sociaal-revolutionairen en mensjewieken, waren echter toch eenvoudiger van geest en gaven de macht die hen vanzelf door de gehele situatie opgedrongen werd niet altijd prijs. De werkzaamheid van de commissarissen in de provincie bestond dientengevolge voornamelijk in het uiten van klachten over de volslagen onmogelijkheid om hun volmachten geldend te maken.

De bourgeoisie voelde op de dag na de vorming van de liberale regering dat zij de macht niet verkregen, maar integendeel verloren had. Bij een volkomen fantastische willekeur van de Raspoetinkliek tot aan de omwenteling was toch de werkelijke macht van deze slechts beperkt geweest. De invloed van de bourgeoisie op de staatszaken was enorm. Ook de deelname van Rusland aan de oorlog was in meerdere mate een zaak van de bourgeoisie dan van de monarchie. De hoofdzaak lag echter daarin dat de tsaristische macht aan de bezitters hun fabrieken, landerijen, banken, huizen en kranten gewaarborgd had en daarom in de voornaamste levenskwestie hun regering geweest was. De Februarirevolutie veranderde de toestand in tweëerlei opzicht. Zij overhandigde plechtig aan de bourgeoisie de uiterlijke attributen van de macht, maar ontnam haar tegelijkertijd dat deel van de werkelijke heerschappij die zij voor de revolutie had. De vroegere beambten van het Zemstvobestuur, waar vorst Lvov de baas was, en van het oorlogsindustriecomité, waar Goetsjkov commandeerde, werden nu onder de naam van sociaal-revolutionairen en mensjewieken meester van de toestand. In het land en aan het front, in de stad en in het dorp. Ze benoemden Lvov en Goetsjkov tot ministers en stelden daarbij voorwaarden alsof zij hen als knechten in dienst wilden nemen.

Anderzijds kon het Uitvoerend Comité, nadat het de burgerlijke regering in het zadel gelicht had, niet als een bijbelse God verkondigen dat de schepping voltooid was. Het haastte zich integendeel terstond de afstand tussen zichzelf en het werk van zijn hand te vergroten, doordat het verklaarde de nieuwe macht slechts in zoverre te willen ondersteunen als deze de democratische revolutie trouw zou dienen. De Voorlopige Regering was er zich volkomen van bewust dat zij zich zonder ondersteuning van de officiële democratie geen dag op de been zou kunnen houden. Deze ondersteuning was haar intussen alleen als loon voor een goed gedrag beloofd, d.w.z. voor het doorvoeren van doeleinden die haar vreemd waren en doeleinden die de democratie zelf juist niet had doorgevoerd. De regering wist nooit in hoeverre zij haar macht, die voor de helft smokkelwaar was, zou kunnen uitoefenen.  De leiders van het Uitvoerend Comité konden dit de regering niet altijd op voorhand zeggen, want ook zij hadden het moeilijk om in te schatten waarover er ongenoegen in hun eigen rangen zou bestaan als uitdrukking van het ongenoegen van de massa’s. De burgerij deed alsof de socialisten haar bedrogen. De socialisten van hun kant vreesden dat de liberalen met hun premature eisen de massa’s zouden aanstoken en de situatie die al moeilijk was nog complexer zouden maken. “In zoverre als” – deze dubbelzinnige formule drukte haar stempel op het gehele tijdvak voor oktober. Het werd de juridische formulering voor de innerlijke leugen die in het tweeslachtig regime van de Februarirevolutie vervat zat.

Om de druk op de regering op te voeren, verkoos het Uitvoerend Comité een speciale commissie die de beleefde, maar lachwekkende, naam ‘contactcommissie’ meekreeg. De organisatie van de revolutionaire macht was dus afhankelijk van het principe van wederzijdse overtuigingskracht. De bekende mystieke schrijver Meresjkovski kon enkel in het Oude Testament een precedent voor zo’n bewind vinden: de koningen van Israël hadden hun profeten. Maar de Bijbelse profeten kregen, net als de profeten van de laatste Romanov, tenminste hun suggesties recht vanuit de hemel waardoor de koning hen niet durfde tegen te spreken. Dit waarborgde de eenheid van de macht. Met de profeten van de Sovjet was het anders gesteld, zij predikten slechts onder ingeving van hun eigen benepenheid. De liberale ministers waren bovendien van mening dat er helemaal niets goeds van de Sovjet kon komen. Tsjcheïdse, Skobeljev, Soechanov en anderen gingen naar de regering en trachtten haar tot toegeven te bewegen, de ministers stribbelden tegen, de afgevaardigden keerden naar het Uitvoerend Comité terug, oefenden hier druk uit met behulp van de autoriteit van de regering, traden wederom in contact met de ministers en – begonnen weer van voor af aan. Deze ingewikkelde molen maalde niets.

In de contactcommissie beklaagde iedereen zich. Goetsjkov jammerde vooral tegenover de democraten over de chaos in het leger die veroorzaakt werd omdat men de Sovjet zijn gangen liet gaan. De minister van oorlog tijdens de revolutie “liet in de letterlijke zin heel wat tranen, of hij was alvast ijverig bezig zijn ogen te drogen met zijn zakdoek.” Hij dacht niet zonder reden dat het drogen van de tranen een van de functies van een profeet is.

Op de negende maart telegrafeerde generaal Alexejev, die de leiding had in het hoofdkwartier, aan de minister van oorlog: “Het Duitse juk is nabij indien wij nog verder aan de Sovjet toegeven.” Goetsjkov antwoordde op een huilerige toon: de regering beschikt helaas over geen enkele werkelijke macht; troepen, spoor, post, telegraaf zijn in handen van de Sovjet. “Men kan wel zeggen dat de Voorlopige Regering slechts bestaat zolang de Sovjet het gedoogt.”

De ene week na de andere verliep, maar de toestand verbeterde niet in het minst. Toen de Voorlopige Regering begin april Doema-afgevaardigden naar het front zond, beval ze hen tandenknarsend om geen meningsverschillen met de afgevaardigden van de Sovjet naar voor te brengen. Gedurende de hele reis voelden de liberale afgevaardigden het aan alsof ze onder konvooi stonden. Maar ze wisten ook dat ze, ondanks hun eerbiedwaardige geloofsbrieven, zonder dit konvooi niet alleen geen enkele soldaat konden aanspreken maar zelfs nog geen zitplaats op de trein zouden vinden. Dit prozaïsch detail uit de memoires van vorst Mansyrev vult voortreffelijk de briefwisseling van Goetsjkov met het hoofdkwartier over het wezen van de Februariconstitutie aan. Een reactionaire grappenmaker karakteriseerde de toestand niet ten onrechte als volgt: “De oude regering zit in de gevangenis, ik en de nieuwe staan onder huisarrest.”

Had de Voorlopige Regering dan geen andere steun dan de twijfelachtige hulp van de Sovjetleiders? Waar waren de bezittende klassen gebleven? Dit is een fundamentele vraag. De bezittende klassen, die uit hoofde van hun verleden met de monarchie verbonden waren, haastten zich na de omwenteling om zich te hergroeperen rond een nieuwe spil. De Raad voor industrie en handel, de vertegenwoordiging van het gezamenlijk kapitaal van het gehele land, had reeds op 2 maart het optreden van de Doema verwelkomd en verklaarde “volledig tot de beschikking” van het comité van de Doema te staan.

De Zemstvo’s en de stadsdoema’s sloegen dezelfde weg in. Op 10 maart riep zelfs de Raad van de verenigde adel, de steunpilaar van de troon, in pathetische maar laffe bewoordingen het gehele Russische volk op “zich te verenigen rond de Voorlopige Regering, als de enige wettelijke macht in Rusland.” Bijna tegelijkertijd begonnen de instellingen en organen van de bezittende klassen de dubbele heerschappij te bekritiseren en schoven, eerst schuchter dan steeds stoutmoediger, de verantwoordelijkheid voor de chaos op de Sovjets. Achter de heren volgden de hoogste ambtenaren, de liberale vrije beroepen, de staatsbeambten. Telegrammen, memoranda, en resoluties van dezelfde aard die in de generale staven gefabriceerd waren, kwamen vanuit het leger binnen. De liberale media openden een campagne “voor de eenheidsregering” die in de komende maanden het karakter van een trommelvuur tegen de Sovjetleiders aannam. Alles bijeen genomen zag het er erg indrukwekkend uit. Het grote aantal organisaties, bekende namen, resoluties, artikelen, de besliste toon. Dit alles miste zijn uitwerking op de ontvankelijke leiders van het Uitvoerend Comité niet.  En toch zat er geen werkelijke macht achter de dreigende parade van de bezittende klassen. “En de macht van het bezit dan?” vroegen de kleinburgerlijke socialisten aan de bolsjewieken. Bezit is een verhouding tussen mensen. Het vormt een reusachtige macht zolang het algemeen erkend blijft en ondersteund wordt door een dwangsysteem dat zich “wet en staat” noemt. Maar de essentie van de huidige situatie bestond er net uit dat de oude staat volkomen ineengestort was en de massa’s een vraagteken achter het gehele oude recht gezet hadden. In de fabrieken beschouwden de arbeiders zichzelf steeds meer als de eigenaars, de bazen daarentegen werden als een onwelkome gast gezien. De grootgrondbezitters voelden zich nog minder veilig, zij stonden tegenover de sombere, met haat vervulde boeren, ver verwijderd van de macht waarin de grootgrondbezitters als gevolg van de grote afstand aanvankelijk nog geloofden. De bezitters die beroofd waren van de mogelijkheid om over hun bezit te beschikken en zelfs om het te beschermen, hielden op bezitter te zijn en werden angsthazen die de regering niet konden steunen omdat ze zichzelf al moesten steunen. Ze begonnen spoedig de regering te vervloeken wegens haar zwakte, maar in feite vervloekten ze hun eigen lot.

De activiteiten van zowel het Uitvoerend Comité als de regering leken in die dagen tot doel te hebben om aan te tonen dat de kunst van het regeren in een tijd van revolutie bestaat uit zoveel mogelijk tijdverspilling. Bij de liberalen was dit bewuste berekening. Alle kwesties moesten volgens hun vaste overtuiging op de lange baan geschoven worden, behalve deze ene: de eed van trouw aan de Entente.

Miljoekov maakte zijn collega’s bekend met de geheime verdragen. Kerenski hoorde ze aan zonder iets te zeggen. Het schijnt dat slechts de opperprocureur van de Heilige Synode, de grillige Lvov die een neef van de premier maar zelf geen vorst was, heftig verontwaardigd was en de verdragen zelfs als “roofzuchtig en zwendelachtig” kwalificeerde, waarmee hij stellig bij Miljoekov een toegeeflijk lachje (“de kleinburger is dom”) uitgelokt zal hebben, waarna tot de orde van de dag werd overgegaan. De officiële regeringsverklaring beloofde de bijeenroeping van de Constituerende Vergadering binnen een zo kort mogelijke tijd, die echter opzettelijk niet bepaald werd. Er was in het geheel geen sprake van de staatsvorm. De regering hoopte nog het verloren paradijs van de monarchie te kunnen herstellen. De werkelijke betekems van de verklaring was echter gelegen in de verplichting de oorlog tot de uiteindelijke overwinning te blijven voeren en “vastberaden” de met de Geallieerden gesloten verdragen na te komen. Ten aanzien van het meest gevaarlijke probleem in het volksbestaan had de revolutie klaarblijkelijk slechts tot doel gehad om alles bij het oude te laten blijven. Daar de democraten aan de erkenning van de nieuwe regering door de Entente een bijna geheimzinnige betekenis hechtten – de kleinhandelaar is niets, zolang de bank hem niet als kredietwaardig beschouwt – slikte het Uitvoerend Comité stilzwijgend de imperialistische verklaring van 6 maart. “Geen enkel officieel orgaan van de democratie,” klaagde Soechanov een jaar later, …“reageerde openlijk op de daad van de Voorlopige Regering die onze revolutie in de ogen van het democratische Europa onmiddellijk bij haar geboorte bezoedeld heeft.”

Op de 8ste kwam eindelijk het decreet over de amnestie uit het ministers-laboratorium. Op dit tijdstip waren de deuren van de gevangenissen in heel het land reeds door het volk geopend, politieke bannelingen keerden terug in een stroom van vergaderingen, enthousiasme, militaire muziek, redevoeringen en bloemen. Het amnestiedecreet klonk als een late echo vanuit de regeringsbureau’s. Op de 12de werd de afschaffing van de doodstraf geproclameerd. Vier maanden later werd de doodstraf voor soldaten weer ingevoerd. Kerenski had beloofd de rechtspleging op een tot nu toe ongekende hoogte te brengen. In een verhit ogenblik voerde hij effectief een resolutie van het Uitvoerend Comité uit om vertegenwoordigers van de arbeiders en soldaten als leden van de vredegerechten toe te laten. Dit was de enige maatregel waarin men de polsslag van de revolutie voelde en die daarom bij alle eunuchen van de justitie ontzetting teweegbracht. Hiermee was het echter afgelopen. De advocaat Demjanov, die onder Kerenski een hoge post als minister bekleedde, eveneens een “socialist”, besloot naar eigen zeggen om zich aan het beginsel te houden dat alle voormalige beambten op hun post bleven. “De politiek van de revolutionaire regering mag niemand onnodig een haar krenken.” Dit was eigenlijk de gedragsregel van de gehele Voorlopige Regering die vooral bang was om ook maar iemand uit de heersende klassen, zelfs de tsaristische bureaucratie, een haar te krenken. Niet alleen de rechters, maar ook de advocaten van het tsarisme bleven op hun post. Het was zeker mogelijk dat de massa’s zich daardoor gekrenkt voelden. Maar dat ging enkel de Sovjets aan, de massa’s bleven buiten de gezichtskring van de regering.

Enkel de reeds genoemde temperamentvolle opperprocureur zorgde voor een zekere frisse wind. Hij bracht officieel verslag uit over de “idioten en schurken” die in de Heilige Synode zaten. De ministers luisterden gealarmeerd naar deze sappige omschrijvingen, maar de Synode bleef ondertussen een staatsinstelling en de Griekse Orthodoxie bleef de staatsgodsdienst. Zelfs de samenstelling van de Synode bleef ongewijzigd. Een revolutie moet het met niemand aan de stok krijgen!

De leden van de Raad van State, trouwe dienaars van twee of drie keizers, bleven zitting houden of behielden tenminste hun loon. Dit feit kreeg weldra symbolische betekenis. In de fabrieken en kazernes was er luid protest. Het Uitvoerend Comité maakte zich zorgen. De regering besteedde twee sessies aan de beraadslaging over het lot en het salaris van de leden van de Raad van State en kon tot geen besluit komen. Hoe zou men deze eerbiedwaardige mannen kunnen verontrusten,  temeer daar veel ministers goede vrienden hadden onder deze mannen?

De Raspoetinse ministers zaten nog in de gevangenis, maar de Voorlopige Regering haastte zich om hen een pensioen toe te kennen. Dit leek een hoon of een stem uit een andere wereld. De regering wilde het echter niet met haar voorgangers aan de stok krijgen, ook al had men deze in de gevangenis gezet.

De senatoren dommelden verder in hun geborduurde jassen, toen de nieuwe door Kerenski aangestelde linkse senator Sokolov het waagde om in een gewone zwarte jas op te dagen, werd hij rustig naar de uitgang begeleid. Deze tsaristische senatoren waren niet bang om de Februarirevolutie te beledigen nadat ze gemerkt hadden dat de regering van deze revolutie geen tanden had.

Marx zag de oorzaak voor de ineenstorting van de Maartrevolutie in Duitsland indertijd daarin gelegen dat deze “slechts wijziging bracht in de politieke toppen, terwijl zij alle lagen onder deze top onaangetast liet: de oude bureaucratie, het oude leger, de oude, in dienst van het absolutisme geboren, opgevoede en vergrijsde rechters.” De socialisten van het type Kerenski zochten redding in hetgeen Marx juist als de oorzaak van het falen beschouwde. De mensjewistische marxisten stonden aan de kant van Kerenski, niet die van Marx.

Het enige gebied waarop de regering initiatief en revolutionair tempo aan de dag legde, was de wetgeving op de aandelenhandel: een wijzigingsdecreet werd reeds op 17 maart uitgevaardigd. Beperkingen betreffende nationaliteit en geloof werden pas drie dagen later afgeschaft. Er waren niet weinig personen in de regering, die als ze al onder het oude regime geleden hadden, enkel onder het gebrek aan handel in aandelen leden. De arbeiders eisten ongeduldig de achturendag. De regering hield zich doof aan beide oren. Het was nu toch immers oorlog, iedereen moest zich voor het welzijn van het land opofferen. Bovendien was dit een zaak van de Sovjet: deze moest de arbeiders kalmeren.

Nog gevaarlijker was het met de kwestie van het grondbezit gesteld. Hier moest absoluut iets gedaan worden. De minister van landbouw, Sjingarev, beval op aansporing van de profeten de oprichting van plaatselijke landcomités, voorzichtigheidshalve zonder de functies en de taak ervan te omschrijven. De boeren dachten dat de comités hen land moesten geven. De grootgrondbezitters waren van mening dat de comités het bezit moesten beschermen. Zo werd de boerenstrop van meet af aan om de hals van het Februariregime aangetrokken, onverbiddelijker dan alle andere.

In overeenstemming met de officiële leer werden alle kwesties die de revolutie opgeworpen had, uitgesteld tot aan de Grondwetgevende Vergadering. Hoe kon immers verwacht worden van deze onberispelijke democraten dat ze de volkswil zouden tegemoet komen, nadat het hen – helaas – niet gelukt was om Michael Romanov aan boord te houden? De voorbereidende maatregelen voor de toekomstige volksvertegenwoordiging werden intussen met een zo bureaucratische degelijkheid en berekenend talmen getroffen dat de Grondwetgevende Vergadering slechts een schim werd. Pas op 25 maart, bijna een maand na de omwenteling – een maand van revolutie! – gelastte de regering de vorming van een langzaam werkende bijzondere commissie tot uitwerking van een kieswet. Deze trad echter niet in werking. In zijn door en door onware “Geschiedenis van de Revolutie” deelt Miljoekov schuchter mee dat de bijzondere commissie omwille van verschillende vertragingen onder de eerste regering haar werk niet kon aanvatten. De vertragingen behoorden tot het wezen van de commissie en tot haar plichten. Haar taak bestond erin de Grondwetgevende Vergadering uit te stellen tot betere tijden, tot de overwinning, tot de vrede of tot de Kornilovse kalender.

De Russische bourgeoisie die te laat op de wereld gekomen was, had een bloedhekel aan de revolutie. Haar haat ontbeerde echter kracht. Het was zaak af te wachten en te manoeuvreren. De bourgeoisie hoopte de revolutie af te matten, daar het haar niet mogelijk was haar neer te slaan en te verstikken.

De paradox van de Februarirevolutie

De opstand triomfeerde. Maar aan wie gaf zij de aan de monarchie ontnomen macht? Hier komen we tot het centrale probleem van de Februari-omwenteling: hoe en waarom geraakte de macht in handen van de liberale burgerij?

De Doemakringen en de burgerlijke “wereld” hechtten totaal geen belang aan de op 23 februari begonnen onlusten. De liberale afgevaardigden en de vaderlandslievende journalisten kwamen zoals altijd in de salons bijeen, discussieerden over Triëst en Fiume en legden steeds weer de nadruk op de betekenis van de Dardanellen voor Rusland. Terwijl het decreet over de ontbinding van de Doema reeds ondertekend was, beraadslaagde de Doemacommissie nog altijd ernstig over de kwestie van de overdracht van de voedselvoorziening aan het stedelijk bestuur. Minder dan twaalf uren voor de opstand van de gardebataljons hoorde de “Vereniging van de Slavische gemeenschap” rustig het jaarverslag aan. “Pas toen ik uit deze vergadering te voet naar huis terugkeerde,” vermeldt een van de afgevaardigden, “werd ik verrast door een onbehaaglijke stilte en leegte in de anders zo levendige straten.” Een onbehaaglijke leegte vormde zich om de vroegere heersende klassen en beklemde ook reeds het hart van hun toekomstige opvolgers.

Op de 26ste werd zowel voor de regering als voor de liberalen de ernst van de beweging duidelijk. Op die dag werden tussen ministers en Doemaleden onderhandelingen gevoerd over een overeenkomst, waarvan de sluier ook later nooit door de liberalen opgelicht is. Protopopow verklaarde bij zijn verhoor dat de leiders van het Doemablok net zoals voorheen de benoeming eisten van een nieuw kabinet samengesteld uit mensen die het vertrouwen van het volk genoten. “Deze maatregel zou het volk misschien kalmeren.” Zoals we weten, bracht 26 februari echter een zekere stagnatie in de ontwikkeling van de revolutie. De regering voelde zich korte tijd sterker. Toen Rodsjanko bij Golizyn verscheen om hem tot aftreden te bewegen, wees de premier tot antwoord op een op tafel liggende map die het reeds opgesteld decreet over de Doemaontbinding bevatte, met de ondertekening van Nicolaas maar zonder datum. De datum werd door Golizyn ingevuld. Hoe kon de regering op het moment van toenemende revolutionaire druk tot zulk een stap besluiten? Hierover had zich bij de regerende bureaucratie reeds lang een vaste opinie gevormd: “Of wij een blok vormen of niet, voor de arbeidersbeweging maakt dat niets uit. We kunnen die beweging met andere middelen de baas blijven en totnutoe heeft het ministerie van binnenlandse zaken dit steeds klaargespeeld.” Zo sprak Goremykin reeds in augustus 1915. Anderzijds rekende de bureaucratie er op dat de Doema in geval van ontbinding niet tot stoutmoedige stappen zou besluiten. De minister van binnenlandse zaken, vorst Tstsjerbatov, zei ook al in augustus 1914 toen een ontbinding van de ontevreden Doema overwogen werd: “De Doemaleden zullen wel niet tot openlijke ongehoorzaamheid besluiten. Zij zijn immers voor het merendeel lafaards die bang zijn voor hun hachje.” De vorst drukte zich niet erg kieskeurig uit, maar het bleek wel correct te zijn. De bureaucratie voelde derhalve in de strijd tegen de liberale oppositie voldoende vaste grond onder de voeten.

De 27ste ’s morgens kwamen de door de snel op elkaar volgende gebeurtenissen verontruste afgevaardigden tot de reeds afgezegde zitting bijeen. Het merendeel vernam hier pas dat de Doema ontbonden was. Dit was te meer onverwacht gekomen daar er de vorige avond nog vredesonderhandelingen gevoerd waren. “Niettemin,” schrijft Rodsjanko met trots, “onderwierp de Doema zich aan de wet, nog altijd hopend een uitweg uit de verwarde situatie te vinden. Zij nam geen enkel besluit over de vraag of zij uit elkaar zou gaan of met geweld tot een zitting bijeen zou komen.” De afgevaardigden kwamen bijeen voor een officieuze vergadering waarin zij aan elkaar hun onmacht verklaarden. De gematigde liberaal Sjidlovski herinnerde later niet zonder leedvermaak aan het door de linkse kadet Nekrassow, de latere strijdmakker van Kerenski, ingediende voorstel: “Instelling van een militaire dictatuur door overdracht van de gehele macht aan een populaire generaal.” Intussen deden de voornaamste leiders van het vooruitstrevend blok, die bij de officieuze bijeenkomst van de Doema ontbraken, een daadwerkelijke poging tot redding. Zij deden de naar Petrograd geroepen grootvorst Michael het voorstel om de dictatuur op zich te nemen, de ministerraad tot aftreden te dwingen en van de tsaar over de directe leiding heen de “genadige” benoeming van een verantwoordelijk kabinet te eisen. Terwijl de eerste garderegimenten in opstand kwamen, ondernamen de leiders van de liberale burgerij een laatste poging om met hulp van de dynastieke dictatuur de opstand te onderdrukken en tegelijk op de kap van de revolutie een overeenkomst met de monarchie te sluiten. “De besluiteloosheid van de grootvorst,” zo klaagt Rodsjanko, “droeg ertoe bij dat men het gunstige moment liet voorbij gaan.”

De partijloze socialist Soechanov, die in die tijd een politieke rol in het Taurisch paleis begon te spelen, getuigt ervan hoe licht de radicale intellectuelen geloofden waar ze zelf op hoopten. “Men deelde mij het meest frappante politieke nieuwtje uit de morgenuren van deze onvergetelijke dag mee,” vertelt hij in zijn uitvoerige memoires, “namelijk dat het decreet over de Doemaontbinding gepubliceerd was en dat de Doema dit met een weigering om uit elkaar te gaan beantwoordde en een voorlopig comité gekozen had.” Dit schrijft een man die het Taurisch paleis bijna niet verlaten heeft en daar de bekende afgevaardigden in zijn onmiddellijke nabijheid had. Evenals Rodsjanko verklaart Miljoekov in zijn “Geschiedenis van de Revolutie” categorisch: “Na een aantal hartstochtelijke redevoeringen werd daar besloten niet uit Petrograd weg te reizen, doch in geen geval is het besluit genomen dat de Rijksdoema als instelling uit elkaar zou mogen gaan, zoals de ontstane legende luidt.” “Niet uit elkaar gaan” zou betekend hebben: dan toch enig, zij het laattijdig, initiatief nemen. “Niet afreizen” betekende: de handen in onschuld wassen en afwachten welke loop de gebeurtenissen zouden nemen. Er zijn voor het goede vertrouwen van Soechanov zeker verzachtende omstandigheden. Het gerucht dat de Doema het revolutionair besluit genomen had om zich tegen het decreet van de tsaar te verzetten, werd haastig door de Doemajournalisten verspreid per bulletin, dat in die tijd tengevolge van de staking de enige wijze van publicatie was. Daar de opstand in de loop van de dag gezegevierd had, haastten de afgevaardigden zich geenszins om het misverstand uit de weg te ruimen, maar ondersteunden de illusies van hun linkse vrienden: pas in de emigratie gingen zij ertoe over de waarheid vast te stellen. Een schijnbaar bijkomstig maar uiterst belangrijk voorval. De revolutionaire rol van de Doema op 27 februari was een mythe die voortkwam uit de politieke lichtgelovigheid van de radicale intellectuelen die door de revolutie tegelijk verblijd en verschrikt waren en die niet geloofden in de bekwaamheid van de massa’s om de zaak goed tot een goed einde te brengen, en er dan maar op uit waren zo snel mogelijk aansluiting bij de grootbourgeoisie te zoeken.

In de memoires van de afgevaardigden die tot de meerderheid in de Doema behoorden, is gelukkig een bericht behouden gebleven over hoe de Doema zich tegenover de revolutie gedroeg. Volgens het relaas van vorst Mansyrew, een rechtse kadet, bevonden zich onder de afgevaardigden die op de 27ste in grote getale bijeen gekomen waren geen leden van het presidium, partijleiders of leiders van het vooruitstrevend blok. Zij waren reeds van de ontbinding van de Doema en van de opstand op de hoogte. Ze gaven er de voorkeur aan zich zo lang mogelijk schuil te houden, terwijl zij bovendien klaarblijkelijk juist in deze uren onderhandelingen met grootvorst Michael over de dictatuur voerden. “In de Doema heerste algemene verwarring en radeloosheid,” zegt Mansyrew. “Zelfs de opgewonden debatten verstomden; in plaats daarvan vernam men slechts zuchten en korte replieken zoals: “Het is ver gekomen,” of ook wel openlijke bekentenissen van angst.” Zo meldt een gematigde afgevaardigde die luider dan alle anderen gezucht heeft. Reeds na een uur, toen de leiders gedwongen waren in de Doema te verschijnen, bracht de secretaris van het presidium het verheugende maar ongemotiveerde bericht: “De onlusten zullen spoedig onderdrukt zijn, er zijn maatregelen genomen.” Het is mogelijk dat met die maatregelen de onderhandelingen over de dictatuur bedoeld werden.

Maar de Doema is terneergeslagen en wacht op het verlossend woord van de leider van het vooruitstrevend blok. “Wij kunnen momenteel hierom alleen al geen beslissingen nemen,” verklaarde Miljoekov, “omdat de omvang van de onlusten ons evenmin bekend is als het feit aan wiens zijde het merendeel van de Peterburgse troepen, van de arbeiders en van de openbare instellingen staat. Men moet nauwkeurige inlichtingen over dit alles verkrijgen en dan pas de toestand bespreken; nu is het voorbarig.” Om twee uur in de middag van de 27ste februari is het voor het liberalisme nog altijd “voorbarig”! “Inlichtingen inwinnen,” betekende zich de handen in onschuld wassen en de afloop van de strijd afwachten. Miljoekov had echter zijn rede nog niet beëindigd, die hij overigens begonnen was om nergens mee te eindigen, toen Kerenski hoogst opgewonden de zaal binnenstormde. “Reusachtige volks- en soldatenmassa’s trekken naar het Taurisch paleis,” verkondigde hij, “zij willen aan de Doema de eis stellen de macht over te nemen!…” De radicale afgevaardigde weet precies wat de reusachtige volksmassa’s eisen. In werkelijkheid is hij het zelf, Kerenski, die vooral verlangt dat de Doema, die in stilte nog altijd op een onderdrukking van de opstand hoopt, de macht overneemt. De mededeling van Kerenski brengt “algemene verbazing en radeloze blikken” teweeg. Hij is echter nog niet uitgesproken als een in doodsangst binnenstormende suppoost van de Doema hem onderbreekt. De voorste rijen soldaten stonden reeds voor het paleis, de wacht bij de ingang had hen de toegang geweigerd, de commandant van de wacht was zwaar gewond. Een minuut later blijkt dat de soldaten reeds in het paleis zijn. Later zal men in redevoeringen en artikelen vertellen dat de soldaten gekomen waren om de Doema te begroeten en in haar handen de eed af te leggen. Momenteel verkeert echter alles in een dodelijke paniek. Het water staat tot aan de lippen. De leiders fluisteren met elkaar. Men moet tijd winnen. Inderhaast doet Rodsjanko het hem ingefluisterd voorstel een Voorlopig Comité te kiezen. Bijval. Iedereen zou zich echter liever zo snel mogelijk uit de voeten maken; hun hoofden staan niet naar verkiezingen. De niet minder dan de anderen verschrikte voorzitter stelt voor de Raad der Ouden met de samenstelling van het comité te belasten. Wederom bijvalsbetuigingen van enkele nog in de zaal achtergeblevenen, het merendeel is reeds verdwenen. Dit was de eerste reactie van de door de tsaar ontbonden Doema op de zegepraal van de opstand.

Intussen schiep de revolutie in hetzelfde gebouw, maar in zijn minder prachtvol gedeelte, een ander orgaan. De revolutionaire leiders behoefden dit niet te bedenken. De ervaring van de Sovjets van 1905 had het voor altijd in het bewustzijn van de arbeiders gegrift. Bij iedere opleving van de beweging, zelfs in de oorlog, leefde bijna automatisch de Sovjetidee op. En ofschoon de opvatting van de rol van de Sovjets bij bolsjewieken en mensjewieken volkomen verschillend was – de sociaal-revolutionairen hadden in het algemeen geen vast standpunt – was het alsof de organisatievorm zelf buiten discussie stond. De uit de gevangenis bevrijde mensjewieken, de leden van het oorlogsindustriecomité, kwamen in het Taurisch paleis samen met de leiders van de vakverenigingen en van de coöperaties van dezelfde rechtervleugel, alsook met de mensjewistische Doema-afgevaardigden Tsjcheïdse en Skobeljew, en vormden op staande voet een voorlopig uitvoerend comité van de Sovjet van arbeidersafgevaardigden, dat in de loop van de dag voornamelijk met gewezen revolutionairen aangevuld werd, die weliswaar het contact met de massa’s verloren maar toch een “naam” behouden hadden. Het uitvoerend comité, dat ook bolsjewieken in zich opnam, riep de arbeiders op onverwijld afgevaardigden te kiezen. De eerste zitting was ’s avonds in het Taurisch paleis belegd. Zij vond inderdaad om negen uur ’s avonds plaats; zij keurde de samenstelling van het uitvoerend comité goed en vulde dit aan met officiële vertegenwoordigers van alle socialistische partijen. Niet hierin was echter de betekenis van de eerste bijeenkomst van de afgevaardigden van het overwinnend proletariaat van de hoofdstad gelegen. Gedelegeerden van de opstandige regimenten traden in de zitting met begroetingsredevoeringen op. Onder hen waren ook de grauwe soldaten die eveneens door de revolutie gekneusd waren en die nog nauwelijks konden praten. Maar zij vonden juist woorden die geen enkele volksredenaar had kunnen vinden. Dit was één van de meest aangrijpende tonelen van de revolutie die nu haar kracht begon te voelen. De enorm grote ontwaakte massa, de grootsheid van haar taak, de trots over de behaalde successen, de jubelende schroom voor de dag van morgen die nog heerlijker zou moeten worden dan die van heden. De revolutie mist nog haar ritueel, de straat ligt nog in rook, de massa’s kennen de nieuwe liederen nog niet, de zitting verloopt nog in wanorde, zonder vaste banen als een rivier bij hoog water, de Sovjet struikelt over zijn eigen enthousiasme. De revolutie is reeds machtig, maar nog kinderlijk naïef.

In deze eerste zitting wordt besloten het garnizoen en de arbeiders tot een gemeenschappelijke Sovjet van arbeiders- en soldatenafgevaardigden te verenigen. Wie stelde dit het eerst voor? Het zal van verschillende, of liever gezegd, van alle kanten gekomen zijn als weerklank op de verbroedering tussen arbeiders en soldaten, die op deze dag voor het lot van de revolutie beslissend geweest is. Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat volgens de woorden van Sjljapnikov de sociaalpatriotten aanvankelijk tegen het betrekken van het leger in de politiek geprotesteerd hadden. Vanaf het ogenblik van haar ontstaan, begint de Sovjet in de vorm van het uitvoerend comité als regeermacht te handelen. Zij kiest een voorlopige commissie voor de voedselvoorziening en draagt aan deze de verzorging van de opstandelingen en van het garnizoen in het algemeen op. Zij stelt zich een voorlopige revolutionaire staf ter zijde – alles heet in deze dagen voorlopig – waarover wij reeds gesproken hebben. De Sovjet besluit staatsbank, rijksschatkist, munt en agentschappen voor de uitgifte van staatspapieren terstond door revolutionnaire wachtposten te bezetten om de geldmiddelen aan de beschikking van de ambtenaren van de oude regering te onttrekken. De taak en de functies van de Sovjet groeien onder de druk van de massa’s voortdurend. De revolutie krijgt haar onbetwist centrum. De arbeiders, soldaten en weldra ook de boeren zullen zich van nu af aan alleen nog maar tot de Sovjet wenden – zij wordt in hun ogen het centrum van alle verwachtingen en van alle gezag, de belichaming van de revolutie zelf. Maar ook vertegenwoordigers van de bezittende klassen zullen, hoewel tandenknarsend, bij de Sovjet bescherming, aanwijzingen en een beslissing bij conflicten zoeken.

Reeds in de eerste uren van de overwinning, toen de nieuwe revolutionaire macht zich met fabelachtige snelheid en onoverwinnelijke kracht vormde, keken die socialisten die aan het hoofd van de Sovjet gekomen waren, bezorgd om zich heen, op zoek naar de echte “meester”. Zij beschouwden het als vanzelfsprekend dat de macht zou overgaan op de burgerij. Hier is het belangrijkste politieke knooppunt van het nieuwe regime. Een van de draden leidt naar het uitvoerend comité van de arbeiders en soldaten, de andere naar het centrum van de burgerlijke partijen.

Om drie uur ’s middags, toen de overwinning in de hoofdstad reeds vaststond, koos de Raad der Ouden uit de partijen van het vooruitstrevend blok met inbegrip van Tsjcheïdse en Kerenski het “Voorlopig Comité van leden van de Doema.” Tsjcheïdse bedankte, Kerenski draaide en keerde zich om. De naam van het comité duidde voorzichtigheidshalve aan dat het niet om een officieel orgaan van de Rijksdoema ging, maar om een officieus orgaan van de Doemaleden ter beraadslaging. De leiders van het vooruitstrevend blok hadden maar één vraag volkomen doordacht: hoe zich van verantwoordelijkheid af te maken zonder zich de handen te binden? De taak van het comité was angstvallig tweeslachtig geformuleerd: herstel van de orde en contact met lichamen en personen. Geen woord erover welke orde de heren dachten te herstellen en met welke lichamen zij contact dachten te hebben. Zij strekten de hand nog niet openlijk naar de huid van de beer uit: wat als hij nog niet helemaal dood, maar alleen zwaar gewond zou zijn? Pas om elf uur in de avond van de 27ste februari, pas toen – volgens de verklaring van Miljoekov – de gehele omvang van de revolutionaire beweging te zien was, besloot het voorlopig comité een verdere stap te gaan en de macht die de regering ontvallen was, in handen te nemen. Ongemerkt veranderde het nieuwe orgaan van een comité van Doemaleden tot een comité van de Doema. Er is geen beter middel om staatsrechtelijke successen te verzekeren dan vervalsing. Miljoekov verzwijgt echter de hoofdzaak: de leiders van het in de loop van de dag gevormd Uitvoerend Comité hadden reeds tijd gevonden zich naar het Voorlopig Comité te begeven en dit dringend te verzoeken de macht over te nemen. Deze vriendschappelijke aanmoediging miste haar uitwerking niet. Naderhand verklaarde Miljoekov het besluit van het Doemacomité daaruit dat de regering zich klaarblijkelijk opmaakte om betrouwbare troepen tegen de opstandelingen te dirigeren en dat “het in de straten van de hoofdstad tot zware veldslagen dreigde te komen.” In werkelijkheid beschikte de regering reeds in het geheel niet meer over troepen, de omwenteling was reeds voltrokken. Rodsjanko schreef later: “De Doema zou, indien zij de overname van de macht had geweigerd, in haar geheel door de muitende troepen gearresteerd en vermoord zijn en de macht zou terstond op de bolsjewieken zijn overgegaan.” Dit is natuurlijk onzinnig overdreven, volkomen in de geest van de achtbare kamerheer, maar toch wordt de stemming van de Doema die de overgave van de macht als een politieke verkrachting voelde er juist door weergegeven.

In deze stemming was het niet gemakkelijk tot een besluit te komen. Rodsjanko aarzelde sterk, hij die altijd maar weer de anderen uithoorde: “Wat zal het zijn – oproer of geen oproer?” De monarchistische afgevaardigde Sjoelgin antwoordde hem volgens zijn eigen woorden: “Er is in het geheel geen oproer. Blijf kalm als trouw onderdaan. Indien de ministers er vandoor gegaan zijn, moeten zij toch door iemand vervangen worden… Er zijn twee uitwegen mogelijk: alles zal zich ten goede keren, de keizer zal een nieuwe regering benoemen en wij zullen hem de macht teruggeven. Indien alles zich echter ten kwade keert, zullen als wij de macht niet nemen, anderen deze grijpen, namelijk zij die reeds een aantal schurken in de fabrieken gekozen hebben…” Men moet zich niet ergeren aan het geschimp van de reactionaire gentleman tegen de arbeiders: de revolutie heeft deze heren flink de les gelezen. De moraal is duidelijk: overwint de monarchie, dan zullen wij aan haar kant staan – overwint de revolutie, dan zullen wij alle moeite doen om haar afbreuk te doen.

De beraadslaging duurde lang. De democratische leiders wachtten opgewonden op het besluit. Eindelijk trad Miljoekov uit de kamer van Rodsjanko. Hij zag er stralend uit. Terwijl hij op de Sovjetdelegatie toetrad, deelde hij mee: “Het besluit is genomen, wij nemen de macht over…” “Ik vroeg niet, wie is dat – wij,” schrijft Soechanov vol geestdrift, “ik vroeg niets meer. Maar ik besefte om zo te zeggen ten volle de nieuwe toestand. Ik voelde hoe het schip van de revolutie, ten prooi aan de elementen, door de winden heen en weer geslingerd, nu zijn zeil hees en in de vreselijke storm weerstandskracht en stuur herkreeg.” Welk een opgeschroefde vorm voor de prozaïsche bekentenis van slaafse afhankelijkheid van de kleinburgerlijke democratie van het kapitalistisch liberalisme! En welk een misdadige miskenning van de politieke vooruitzichten: het overgeven van de macht aan de liberalen zal niet slechts geen weerstandskracht aan het schip van staat verlenen, maar het wordt integendeel van meet af aan een bron van machteloosheid van de revolutie, van de grootste chaos, van de verbittering van de massa’s, van het ineenstorten van het front en later van de grootste verbittering van de burgeroorlog.

Indien men naar vroeger eeuwen kijkt, lijkt het feit van de machtsovername door de burgerij wetmatig. In alle vroegere revoluties streden op de barricades arbeiders, handwerkslui, gedeeltelijk ook studenten, soldaten gingen tot haar over, doch de macht trok dan de degelijke burgerij aan zich, nadat die met inachtneming van zo groot mogelijke voorzichtigheid de barricadegevechten vanuit haar vensters gevolgd had. De Februarirevolutie van 1917 onderscheidt zich echter van alle vroegere revoluties door een sterk sociaal karakter en een hoog politiek peil van de revolutionaire klasse, door het vijandig wantrouwen van de opstandelingen tegen de liberale bourgeoisie, tengevolge waarvan op het moment van de overwinning een nieuw revolutionair machtsorgaan ontstond: de Sovjet die steunde op het gewapend geweld van de massa’s. De overgang van de macht in handen van de politiek geïsoleerde en ongewapende burgerij behoeft daarom nadere verklaring.

Eerst en vooral moet dieper ingegaan worden op de machtsverhouding die als gevolg van de omwenteling was ontstaan. Was de Sovjetdemocratie misschien door de objectieve omstandigheden gedwongen om van de macht af te zien ten gunste van de grootbourgeoisie? De bourgeoisie zelf was niet deze mening toegedaan. Wij weten reeds dat zij niet alleen van de revolutie niet de macht verwacht had, maar integendeel haar als een dodelijk gevaar voor haar eigen maatschappelijke positie beschouwde. “De gematigde partijen hebben de revolutie niet alleen niet gewild,” schreef Rodsjanko, “zij hebben haar eenvoudig gevreesd.” In het bijzonder was de partij van de volksvrijheid (kadetten), die op de linkervleugel van de gematigde groepen stond en de meeste aanrakingspunten met de revolutionaire partijen in het land had, meer dan alle andere door de naderende catastrofe verontrust. De ervaring van 1905 had de liberalen genoeg geleerd dat de overwinning van de arbeiders en boeren voor de bourgeoisie niet minder gevaarlijk zou kunnen blijken te zijn dan voor de monarchie. Men zou menen dat de loop van de Februari-opstand dit slechts had kunnen bevestigen. Hoe verward in vele opzichten de politieke ideeen van de revolutionaire massa’s in die dagen ook waren, zo was toch de scheidingslijn tussen de arbeiders en de bourgeoisie scherp getrokken.

De dicht bij de liberale kringen staande privaatdocent Stankevitsj, die geen vijand maar een vriend van het vooruitstrevend blok was, karakteriseerde de stemming in de liberale krjngen op de tweede dag na de omwenteling die zij niet hadden kunnen verhinderen. “Officieel vierde en roemde men de revolutie, riep de vrijheidsstrijders “hoera” toe, tooide zich met rode linten en marcheerde onder rode banieren… Maar in zijn binnenste, in gesprekken met elkaar was men ontzet, geschokt, voelde men zich overgeleverd aan een vijandelijk element dat in onbekende richting ging. Onvergetelijk blijft de figuur van Rodsjanko, deze dikke en voorname heer, toen hij, zijn waardigheid ophoudend, maar met een verstarde uitdrukking van ernstig lijden en vertwijfeling op zijn bleek gezicht, in de gangen van het Taurisch paleis door de massa’s uitgelaten soldaten liep. Officieel heette het: de soldaten zijn gekomen om de Doema in haar strijd tegen de regering te ondersteunen, maar feitelijk had de Doema vanaf de eerste dag afgedaan. Dezelfde uitdrukking stond op de gezichten van alle leden van het Voorlopig Doemacomité en van die kringen die hen omgaven. Men zegt dat vertegenwoordigers van het vooruitstrevend blok thuis hysterisch huilden van machteloze vertwijfeling.” Deze levendige getuigenis is waardevoller dan alle sociologische onderzoekingen over de machtsverhouding. Volgens zijn eigen verklaring huiverde Rodsjanko van machteloze woede bij het aanschouwen hoe willekeurige soldaten, “onbekend op wiens bevel,” arrestaties van waardigheidsbekleders van het oude regime verrichtten en deze in de Doema brachten. De kamerheer kreeg de rol van gevangenisdirecteur tegenover mensen met wie hij weliswaar enkele meningsverschillen had, doch die voor hem toch altijd mensen van zijn eigen kring bleven. De door deze “willekeur” onthutste Rodsjanko nodigde de gevangengenomen Sjtsjeglovitov in zijn werkkamer uit, maar de soldaten weigerden beslist de gehate waardigheidsbekleder uit te leveren. “Toen ik mijn gezag trachtte te doen gelden,” vertelt Rodsjanko, “vormden de soldaten een kring om hun gevangene en wezen met een uitdagend, brutaal gezicht op hun geweren; daarna werd Sjtsjeglovitov zonder meer weggevoerd.” Is er een betere bevestiging van de woorden van Stankevitsj denkbaar, volgens wie de regimenten die zogenaamd tot ondersteuning van de Doema gekomen waren, deze in werkelijkheid uit de weg ruimden?

De Doemaleden konden minder dan wie ook eraan twijfelen dat de macht van het begin af aan bij de Sovjet berustte. De Oktobristenafgevaardigde Sjidlovski, een van de leiders van het progressieve blok, schrijft in zijn memoires: “Door de Sovjet werden alle post- en telegraafkantoren, het radiostation, alle Peterburgse stations, alle drukkerijen bezet, zodat men zonder hun toestemming noch een telegram kon afzenden, noch uit Petrograd wegreizen, noch een oproep drukken.” Deze duidelijke omschrijving van de machtsverhouding behoeft slechts in een opzicht verbetering: de verovering van de post- en telegraafkantoren, spoorwegen, drukkerijen enz. door de Sovjets betekent slechts dat de arbeiders en beambten van deze bedrijven zich aan niemand anders dan aan de Sovjet wilden onderwerpen. De klacht van Sjidlovski wordt op de beste wijze geïllustreerd door een voorval dat zich tijdens de onderhandelingen over de regering afspeelde waarbij de leiders van de Sovjet en de Doema met elkaar discussieerden. De gemeenschappelijke zitting werd onderbroken door de dringende mededeling dat Rodsjanko een telefoongesprek vanuit Pskov moest beantwoorden, de tsaar bevond zich daar na zijn dwaaltochten op de spoorbanen. De almachtige Doemavoorzitter verklaarde dat hij niet alleen naar het telegraafkantoor wilde rijden. “De heren arbeiders- en soldatenafgevaardigden moeten mij een geleide meegeven of met mij meerijden, anders zal men mij daar in het telegraafkantoor gevangen nemen…” “Nu ja! Jullie hebben de macht en het geweld,” ging hij opgewonden voort, “jullie kunnen mij natuurlijk laten arresteren… Wellicht zullen jullie ons allemaal laten arresteren, wij weten het niet…!” Dit voorval gebeurde op 1 maart, nog geen 48 uur nadat het Voorlopig Comité dat door Rodsjanko geleid werd, de macht had “overgenomen.”

Maar hoe kwamen de liberalen dan toch onder deze omstandigheden aan de macht? Wie – en wat – had hen gemachtigd een regering te vormen als resultaat van de revolutie die zij geducht, die zij tegengewerkt en die zij getracht hadden te onderdrukken, die revolutie die door vijandige massa’s uitgevoerd was en wel met zo’n vastberadenheid en vermetelheid dat de Sovjet van de arbeiders en soldaten, die uit de opstand voortkwam, natuurlijk en onbetwist meester van de toestand leek?

Laten wij nu de andere partij eens aanhoren, die welke de macht uit handen gegeven heeft. “Het volk was geenszins op de hand van de Doema,” schrijft Soechanov over de februaridagen. “Het interesseerde zich niet voor haar en dacht er niet aan haar – politiek of technisch – tot centrum van de beweging te maken.” Deze erkenning is des te merkwaardiger omdat haar auteur in de eerstvolgende uren al zijn krachten zal aanwenden om de macht over te geven aan het comité van de Rijksdoema. “Miljoekov begreep zeer goed,” zegt Soechanov verder over de onderhandelingen van de 1ste maart, “dat het volkomen in de macht van het uitvoerend comité stond aan de regering van de grootbourgeoisie de macht over te dragen of deze niet aan haar over te dragen.” Kan men zich categorischer uitdrukken? Kan een politieke situatie duidelijker gekenschetst zijn? En toch verklaart Soechanov in volkomen tegenspraak met de situatie en met zichzelf: “Een macht die het tsarisme vervangt, kan slechts een burgerlijke macht zijn… Op deze oplossing moet men blijven aansturen. Anders zal de omwenteling mislukken en de revolutie te gronde gaan.” De revolutie zal te gronde gaan – zonder Rodsjanko!

Het probleem van de reële verhouding tussen de sociale krachten wordt hier door een vooropgezet schema en een uitgedachte terminologie vervangen: dit is juist de kern van het intellectuele doctrinarisme. En wij zullen later zien dat dit doctrinarisme geenszins platonisch was: het vervulde een volkomen reële politieke functie, hoezeer ook geblinddoekt.

Wij hebben niet toevallig Soechanov geciteerd. In deze eerste periode was de drijvende kracht van het uitvoerend comité niet diens voorzitter, Tsjcheïdse, een eerlijk en bekrompen provinciaal, maar veeleer Soechanov, iemand die in het algemeen gezegd het minst geschikt was als revolutionair leider. Half narodnik, half marxist, veeleer een nauwgezet waarnemer dan een politicus, meer journalist dan revolutionair, meer prater dan journalist, was hij slechts in staat zich zo lang aan een revolutionaire opvatting te houden tot het er op aan kwam deze in de daad om te zetten. Als passief internationalist gedurende de oorlog besliste hij de eerste dag van de revolutie reeds dat men zo snel mogelijk de macht en de oorlog naar de burgerij moest doorschuiven. In het theoretisch, d.w.z. meer naar zijn eigen behoeften dan naar zijn bekwaamheid, verband leggen tussen de ene zaak en de andere, muntte hij boven de toenmalige leden van het uitvoerend comité uit. Zijn voornaamste kracht was echter zijn gave om de wezenlijke kenmerken van deze bonte en toch homogene gemeenschap in de taal van het doctrinarisme over te brengen: gemis aan vertrouwen op eigen krachten, angst voor de massa en een hoogmoedige houding tegenover de bourgeoisie. Lenin noemde Soechanov een van de beste vertegenwoordigers van het kleinburgerdom. Dit is wel het meest vleiende dat men over hem zeggen kan.

Men dient alleen niet te vergeten dat het hierbij voor alles om een nieuw kapitalistisch type kleinburgerdom gaat: om de handels-, industrie- en bankbeambten, om de beambten van het kapitaal enerzijds en om de arbeidersbureaucratie anderzijds, d.w.z. om die nieuwe middenstand in naam van wie de bekende Duitse sociaaldemocraat Edward Bernstein eind 19de eeuw de revolutionaire leer van Marx aan een herziening onderwierp. Om te antwoorden op de vraag hoe de arbeiders- en boerenrevolutie de macht aan de burgerij afstond, moeten we een schakel in de politieke keten inlassen: de kleinburgerlijke democraten en socialisten van het type Soechanov, de journalisten en politici van de nieuwe middenstand, die aan de massa’s leerden dat de bourgeoisie de vijand was, doch die zelf het meest bang ervoor waren de massa’s aan de leiding van deze vijand te onttrekken. De tegenstrijdigheid tussen het karakter van de revolutie en het karakter van de uit deze ontstane regering is te verklaren uit het tegenstrijdig karakter van de nieuwe kleinburgerlijke groep die tussen de revolutionaire massa’s en de kapitalistische bourgeoisie in stond. In het verloop van de verdere gebeurtenissen der revolutie zal de politieke rol van dit nieuwe type kleinburgerlijke democratie ons volkomen duidelijk worden. Voorlopig laten wij het bij deze enkele woorden.

De minderheid van de revolutionaire klasse neemt direct aan de opstand deel, en daarbij is de kracht van deze minderheid daarin gelegen dat de meerderheid haar ondersteunt, althans met haar sympathiseert. Uit de actieve en strijdlustige minderheid komen onder het vijandelijk vuur vanzelf de meest revolutionaire en opofferingsgezinde elementen naar voren. Het is natuurlijk dat de bolsjewistische arbeiders in de Februarigevechten vooraan stonden. De toestand wijzigt zich echter met de overwinning, en wel op dat ogenblik waarop de politieke consolidatie van deze begint. Ontzaglijk grotere massa’s dan die welke met de wapens in de hand gestreden hebben, worden dan voor de verkiezingen voor de organen en instellingen van de zegevierende revolutie opgeroepen en stromen toe. Dit is niet alleen zo met algemeen democratische instellingen als stadsdoema en Zemstvo of later de constituerende vergadering, maar ook met klasse-organen als de sovjets van arbeidersafgevaardigden. De overgrote meerderheid van de arbeiders, mensjewieken, sociaal-revolutionairen en partijlozen, ondersteunde de bolsjewieken op het moment van de directe botsing met het tsarisme. Niettemin begreep slechts een kleine minderheid van de arbeiders waarin de bolsjewieken van de andere socialistische partijen verschilden. Tegelijkertijd trokken echter alle arbeiders een scherpe scheidingslijn tussen zich en de bourgeoisie. Dit was beslissend voor de politieke situatie na de overwinning. De arbeiders kozen socialisten, d.w.z. personen die niet alleen tegen de monarchie, maar ook tegen de bourgeoisie waren. Zij maakten daarbij nagenoeg geen verschil tussen de drie socialistische partijen. Daar de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen echter over veel grotere kaders en intellectuelen beschikten, die van alle kanten toestroomden en een reusachtige reserve van agitatoren bezorgden, hadden de verkiezingen, zelfs in de fabrieken en bedrijven, een sterk overwicht van mensjewieken en sociaal-revolutionairen tot resultaat.

De druk van het ontwaakte leger ging in dezelfde richting, alleen met nog veel grotere kracht. Op de vijfde dag van de opstand sloot het garnizoen van Petrograd zich bij de arbeiders aan. Na de overwinning zou het de Sovjets moeten kiezen. Vol vertrouwen gaven de soldaten hun stem aan hen die voor de revolutie en tegen de monarchistische officieren waren en die in staat waren dit luid te verkondigen: vrijwilligers met een jaar dienst, schrijvers, artsen, jonge officieren uit intellectuele kringen, kleine militaire ambtenaren, d.w.z. de onderste laag van diezelfde “nieuwe middenstand.” Sinds maart waren zij bijna allemaal in de partij van de sociaal-revolutionairen getreden. Die partij was door haar geestelijke verwarring het meest in overeenstemming met de tweeslachtige maatschappelijke positie van deze elementen en hun politieke bekrompenheid. De vertegenwoordiging van het garnizoen was derhalve veel gematigder en burgerlijker dan de soldatenmassa zelf. Deze bespeurde echter het verschil niet; dit zou pas de ervaring van de komende maanden leren. De arbeiders wilden op hun beurt een zo nauw mogelijke aansluiting bij de soldaten om het bloedig gekochte bondgenootschap te versterken en de revolutie des te zekerder te bewapenen. Daar nu merendeels nieuwbakken sociaal-revolutionairen in naam van het leger spraken, moest dit het gezag van deze partij en dat van haar bondgenoten, de mensjewieken, in de ogen van de arbeiders doen stijgen. Zo kregen deze twee verzoeningsgezinde partijen de overhand in de Sovjets. Het is voldoende erop te wijzen dat zelfs in de Sovjet van de wijk Vyborg in de eerste tijd mensjewistische arbeiders de leidende rol vervulden. Het bolsjewisme borrelde in dat tijdvak nog  diep onder de oppervlakte van de revolutie. De officiële bolsjewieken vormden toen zelfs in de Peterburgse Sovjet nog maar een onbelangrijke minderheid die zich bovendien niet goed bewust was van haar taak.

Zo ontstond de paradox van de Februarirevolutie: de macht in handen van democratische socialisten. Zij hadden deze geenszins toevallig door een blanquistische aanslag weten te veroveren. Neen, zij was hen door de overwinnende volksmassa’s in het openbaar overgedragen. Deze massa’s ontzeggen niet alleen vertrouwen en ondersteuning aan de bourgeoisie, maar maken ook geen onderscheid tussen deze en de adel en bureaucratie. Zij stellen hun wapens uitsluitend ter beschikking van de Sovjets. Intussen maken de zo gemakkelijk aan het hoofd der Sovjets geraakte socialisten zich alleen maar bezorgd over deze vraag: zal de politiek geïsoleerde, door de massa’s gehate, de revolutie door en door vijandig gezinde bourgeoisie bereid zijn, uit onze handen de macht over te nemen? Haar bewilliging moet om iedere prijs verkregen worden. Daar de bourgeoisie echter klaarblijkelijk niet van haar burgerlijk programma kan afzien, moeten wij “socialisten” van ons programma afzien en zwijgen over monarchie, oorlog, land en grond – opdat de bourgeoisie het geschenk van de macht toch maar aanneemt. Terwijl de “socialisten” deze tactiek volgen, gaan zij tot bespotting van zichzelf ermee voort de bourgeoisie voor een vijand van hun klasse uit te maken. Zo wordt in de rituele vormen van de godsdienst een daad van ergerlijke godslastering begaan. De consequent doorgevoerde klassenstrijd is een strijd om de staatsmacht. Het is een wezenlijk bestanddeel van de revolutie de klassenstrijd consequent door te voeren. De revolutie is juist de directe strijd om de macht. Onze “socialisten” streven er echter niet naar de macht te ontrukken aan de zogenaamde klassenvijand, die ze niet eens bezit en ze op eigen kracht niet veroveren kan, – maar hem de macht om iedere prijs over te leveren. Is dit soms geen paradox? Het scheen te meer verbluffend omdat toentertijd de ervaring van de Duitse revolutie van 1918 er nog niet was en de mensheid nog geen getuige geweest was van het geweldige en veel succesvollere soortgelijke manoeuvre die de ‘nieuwe middenstand’ als leiding van de Duitse sociaaldemocratie volbracht.

Hoe verklaarden de verzoeningsgezinden hun houding? Het eerste argument was doctrinair: daar de revolutie een burgerlijke is, mogen de socialisten zich niet door een machtsgreep blameren – laat de bourgeoisie maar voor zichzelf opkomen. Dit klonk zeer onverzoenlijk. Inderdaad maskeerde het kleinburgerdom met deze schijnbare onverzoenlijkheid slechts zijn kruiperigheid voor rijkdom, beschaving, overwicht. Het recht van de grootbourgeoisie op de macht beschouwden de kleinburgers als hun oorspronkelijk recht, onafhankelijk van de machtsverhoudingen. Hieraan lag nagenoeg hetzelfde instinctieve gevoel ten grondslag dat een kleine koopman of een leraar er toe brengt op het station of in de schouwburg eerbiedig terzijde te gaan om… Rothschild voor te laten gaan. De doctrinaire argumenten dienden slechts om het eigen minderwaardigheidsgevoel te compenseren. Reeds na twee maanden, toen bleek dat de bourgeoisie de aan haar afgestane macht in geen geval op eigen kracht zou kunnen behouden, zetten de verzoeningsgezinden hun “socialistische” vooroordelen aan de kant en traden ze in een coalitieministerie. Niet om de bourgeoisie vandaar te verdringen, maar integendeel om haar te redden. En niet tegen haar wil, maar op haar eigen voorstel, dat als een bevel klonk: de bourgeoisie dreigde de democraten in geval van een weigering ermee hun de macht naar het hoofd te zullen werpen.

Het tweede argument voor het afwijzen van de macht leek meer praktisch, zonder in wezen veel sterker te zijn. De ons reeds bekende Soechanov beriep zich allereerst op het “verbrokkeld zijn” van de Russische democratie: toentertijd was geen enkele vaste en invloedrijke organisatie – noch partij-, noch vakverenigings-, noch zelfbestuursorgaan – in handen van de democratie. Dit lijkt een hoon! De Sovjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden worden door de socialist, die in naam van de Sovjets optrad, met geen enkel woord vermeld. Intussen ontstonden, dankzij de traditie van 1905, de Sovjets als paddestoelen uit de grond en waren zij terstond veel machtiger dan alle andere organisaties die later probeerden met haar te concurreren (gemeenteraden, coöperatieve verenigingen, gedeeltelijk ook vakverenigingen). Wat de boeren betreft, die een van nature versplinterde klasse vormen, zo waren deze tengevolge van de oorlog en de revolutie meer dan ooit georganiseerd: de oorlog bracht de boeren bijeen in het leger en de revolutie verleende aan het leger een politiek karakter! Niet minder dan acht miljoen boeren waren verenigd in compagnieën en escadrons, die onmiddellijk hun revolutionaire vertegenwoordigingen geschapen hadden en door bemiddeling van deze ieder moment telefonisch op de been gebracht konden worden. Lijkt dit soms op een “verbrokkeld zijn”?

Men zou weliswaar kunnen tegenwerpen dat op het moment van de beslissing van de machtskwestie de houding van het leger aan het front nog niet aan de democratie bekend was. Wij zullen niet op de kwestie ingaan of er ook maar in het minst reden bestond voor de vrees (of de hoop) dat de door de oorlog uitgeputte frontsoldaten bereid zouden blijken te zijn om de imperialistische bourgeoisie te ondersteunen. Het feit dat deze kwestie volkomen beslist werd in de eerstvolgende twee, drie dagen, in de tijd derhalve welke de verzoeningsgezinden achter de coulissen met de voorbereiding van een burgerlijke regering doorbrachten, is voldoende. “De omwenteling was op de 3de maart gelukkig volbracht,” erkent Soechanov. Ondanks het feit dat het gehele leger zich bij de Sovjets aangesloten had, stieten hun leiders de macht met alle kracht van zich af. Zij waren des te bevreesder van deze macht naarmate zij zich meer in hun handen concentreerde.

Maar waarom dan toch? Waarom waren deze democraten, ‘socialisten’, die direct steunden op mensenmassa’s als geen enkele democratie in de geschiedenis ooit achter zich kon verenigen – bovendien massa’s met een aanzienlijke ervaring, gedisciplineerd en bewapend, en georganiseerd in sovjets – waarom was deze almachtige en schijnbaar onoverwinnelijke democratie zo bang van de macht? Dit op het eerste gezicht moeilijke raadsel is zo op te lossen dat de democratie haar eigen basis niet vertrouwde en bang was voor de massa’s, ze twijfelde aan de duurzaamheid van hun vertrouwen en was vooral bang voor ‘anarchie’, zij vreesde na de machtsovername samen met deze macht een speelbal te worden van de zogenaamd ontketende elementen. De democratie voelde zich m.a.w. op het moment van de revolutionaire vloedgolf niet geroepen leidster van het volk te zijn, maar slechts linkervleugel van de burgerlijke orde, een naar de massa’s uitgestrekte voelhoren van deze. Zij noemde zich socialistisch en beschouwde zich zelfs als zodanig om niet alleen voor de massa’s maar ook voor zichzelf haar ware rol te verdoezelen: zonder dit zelfbedrog zou zij niet in staat geweest zijn deze rol te vervullen. Zo wordt de fundamentele paradox van de Februarirevolutie verklaard.

De 1ste maart ’s avonds kwamen de vertegenwoordigers van het Uitvoerend Comité, Tsjcheïdse, Steklov, Soechanov en anderen, bijeen voor een zitting van het Doemacomité om de voorwaarden voor een ondersteuning van de nieuwe regering door de Sovjets te bespreken. Het programma van de democraten ging de vraagstukken van de oorlog, de republiek, de grond en de bodem, de achturendag volkomen voorbij en was slechts gericht op een enkele eis: vrijheid van agitatie voor de linkse partijen waarborgen. Een voorbeeld van zelfverloochening voor volken en eeuwen: socialisten, die de gehele macht in handen hadden en van wie het afhing aan anderen vrijheid van agitatie toe te staan of niet, stonden hun macht aan de “klassenvijanden” af, onder voorwaarde dat deze hun vrijheid van agitatie waarborgden. Rodsjanko was bang om naar het telegraafkantoor te gaan en sprak tot Tsjcheïdse en Soechanov: “Jullie hebben de macht, jullie kunnen ons allemaal arresteren.” Tsjcheïdse en Soechanov antwoordden hem: “Neem de macht, maar arresteer ons niet wegens propaganda.” lndien men de onderhandelingen van de verzoeningsgezinden met de liberalen en alle fasen uit de onderlinge betrekkingen van de linker- en rechtervleugel van het Taurisch paleis in die dagen bestudeert, lijkt het alsof een troep toneelspelers uit de provincie op een geweldig groot toneel waarop zich een historisch volksdrama afspeelt, een vrij hoekje en een kleine pauze benut om een banale vaudeville op te voeren.

De leiders van de burgerij, dat moeten we erkennen, hadden zoiets nooit verwacht. Zij zouden stellig minder bevreesd geweest zijn voor de revolutie indien ze op dergelijke leiders hadden gerekend. Ze zouden zich weliswaar ook in dit geval misrekend hebben, maar dan tenminste samen met deze ‘leiders’ van na de revolutie. Uit angst, dat de bourgeoisie ook onder de aangeboden voorwaarden de macht van de hand zou kunnen wijzen, stelt Soechanov het dreigend ultimatum: “De ontketende elementen kunnen slechts door ons bedwongen worden, door niemand anders… Er is maar één uitweg: onze voorwaarden aannemen.” Met andere woorden: neemt het programma aan dat immers uw programma is; wij staan er echter voor in de massa’s, die ons de macht toevertrouwd hebben, in bedwang te houden. Arme bedwingers van natuurkrachten!

Miljoekov was verbaasd. “Hij dacht er niet aan,” schrijft Soechanov, “zijn voldoening en blijde verrassing te verbergen.” Toen de Sovjetgedelegeerden er echter, om nog meer nadruk aan hun woorden te verlenen, aan toevoegden dat hun voorwaarden “definitief” waren, werd Miljoekov sentimenteel en sprak hij hen moed in met deze woorden: “Ja, ik hoorde hen aan en dacht er over na, hoever onze arbeidersbeweging sinds het jaar 1905 vooruitgegaan was…” Op deze toon van een goedmoedige krokodil onderhandelde de Hohenzollernse diplomatie in Brest-Litovsk met de gedelegeerden van de Oekraïense Rada, door hun rijpheid als staatslieden naar behoren te erkennen, alvorens  hen te verslinden. Het is noch Soechanovs verdienste, noch Miljoekovs schuld, dat de bourgeoisie niet de Sovjetdemocratie verslonden heeft.

De bourgeoisie kreeg achter de rug van het volk om de macht. Zij bezat geen enkel steunpunt in de arbeidende klassen. Maar tegelijk met de macht kreeg zij als het ware uit de tweede hand een soort steunpunt. De mensjewieken en de sociaal-revolutionairen gaven, door de massa omhoog gestuwd, op eigen gezag een vertrouwensmandaat aan de bourgeoisie. Beziet men deze handelwijze in het kader van de formele democratie, dan ontstaat het beeld van een tweeklassenkeuze, bij welke mensjewieken en sociaal-revolutionairen als schakel optreden, d.w.z. als kiezers van kadetten. Beschouwt men echter de kwestie politiek, dan moet men zeggen dat de verzoeningsgezinden het vertrouwen van de massa’s geschonden hebben doordat zij diegenen tot de regering riepen tegen wie zij juist gekozen waren. En tenslotte doet de kwestie, vanuit een dieper sociaal standpunt beschouwd, zich aldus voor: de kleinburgerlijke partijen die in het dagelijks leven buitengewoon veeleisend en zelfingenomen waren, werden zodra de revolutie hen op de toppen van de macht gebracht had bang voor hun eigen onvolkomenheid en ze haastten zich om de macht aan de vertegenwoordigers van het kapitaal over te laten. In deze daad van onderwerping kwam op krasse wijze de ontstellende slapheid van de nieuwe middenstand en haar beschamende afhankelijkheid van de grootbourgeoisie tot uiting. In het bewustzijn, of zelfs alleen maar met het voorgevoel, dat zij toch niet in staat zouden zijn lange tijd de macht te behouden, maar dat zij deze spoedig aan rechts of aan links zouden moeten afstaan, besloten de democraten dat het dan toch in ieder geval beter was deze vandaag aan de solide liberalen af te staan, dan morgen aan de extreme vertegenwoordigers van het proletariaat. Ook in deze beschrijving blijft de rol van de verzoeningsgezinden ondanks haar maatschappelijke gebondenheid niettemin een trouweloze tegenover de massa’s.

Nadat zij hun vertrouwen aan de socialisten geschonken hadden, zagen de arbeiders en soldaten zich, onverwachts voor zichzelf, politiek onteigend. Zij begrepen het niet, waren verontrust, doch zagen niet terstond een uitweg. Zij werden door hun eigen vertrouwensmannen met argumenten gesust, waarop zij weliswaar geen antwoord bij de hand hadden, doch die tegen al hun gevoelens en bedoelingen ingingen: de revolutionaire doelstellingen van de massa’s vielen op het ogenblik van de Februari-omwenteling reeds niet met de verzoeningsgezinde strevingen van de kleinburgerlijke partijen samen. De proletariërs en boeren gaven hun stem aan de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen, niet als verzoeningsgezinden, maar als vijanden van de tsaar, de grootgrondbezitter en de kapitalist. Terwijl zij deze kozen, trokken zij echter een scheidingsmuur tussen zichzelf en hun doelstellingen op. Zij konden nu niet meer voortrukken, zonder op de door hen zelf opgerichte scheidingsmuur te stuiten en zonder deze eerst neer te halen. Dit was het verwonderlijke quid pro quo, dat in de klassenverhoudingen, zoals deze door de Februarirevolutie blootgelegd werden, vervat was.

Bij de voornaamste paradox kwam nog een andere. De liberalen verklaarden zich slechts bereid de macht uit handen van de socialisten over te nemen onder de voorwaarde dat de monarchie zich bereid zou verklaren de macht uit hun handen aan te nemen.

Terwijl Goetsjkov met de ons reeds bekende monarchist Sjoelgin naar Pskov reisde om de dynastie te redden, ging het probleem van de constitutionele monarchie het middelpunt van de onderhandelingen tussen de twee comités van het Taurisch paleis vormen. Miljoekov beijverde zich om de democraten, die hem de macht kwamen aanbieden, ervan te overtuigen dat de Romanovs nu geen gevaar meer konden vormen, dat Nicolaas natuurlijk moest worden afgezet, maar dat de tsarevitsj Alexej onder regentschap van Michael daarentegen tot heil van het land zou kunnen zijn. “De één een ziek kind, de ander een erg dom iemand.” Laten wij hieraan nog de typering toevoegen die de liberale monarchist Sjidlovski van de kandidaat voor de tsarentroon gaf: “Michael Alexandrovitsj onttrok zich op alle manieren aan iedere inmenging in de staatszaken en wijdde zich geheel en al aan de paardensport.” Een zonderlinge aanbeveling, vooral indien men ze voor de massa’s wilde herhalen. Na de vlucht van Lodewijk XVI naar Varennes verkondigde Danton in de jacobijnenclub dat een man die zwakzinnig was geen koning meer kon zijn. De Russische liberalen daarentegen geloofden dat een zwakzinnig vorst het beste sieraad voor een constitutioneel regime was. Dit was weliswaar een gemakkelijk argument, berekend voor de psychologie van de linkse sukkels, maar ook voor deze zelfs te grof. Er werd aan de brede groepen liberale burgers gesuggereerd dat Michael “Anglomaan” was, zonder precies aan te geven of men het over de paardenrennen of over het parlementarisme had. De hoofdzaak is en blijft dat er een “vast symbool van de macht” was, want anders zou het volk zich kunnen inbeelden dat de tijd van anarchie gekomen was.

De democraten hoorden dit aan, waren verbaasd, zonder dit te laten merken, en trachtten te overreden… tot het proclameren van de republiek? Neen, tot een niet vooruitlopen op de beslissing. Punt 3 van de voorwaarden van het Uitvoerend Comité luidde: “De Voorlopige Regering mag generlei stappen doen om de regeringsvorm nu reeds voor de toekomst te bepalen.” Miljoekov maakte van de kwestie van de monarchie een ultimatum. De democraten waren radeloos. Daar kwamen echter de massa’s te hulp. Op de meetings in het Taurisch paleis wilde niemand, noch de arbeiders, noch de soldaten, een tsaar, en het was niet mogelijk hen deze op te leggen. Niettemin trachtte Miljoekov tegen de stroom op te roeien en over de hoofden van de linkse bondgenoten heen troon en dynastie te redden. In zijn “Geschiedenis van de Revolutie” vermeldt hij zelf, met enige reserves, dat tegen de avond van de 2de maart de opwinding die door zijn mededeling over een regentschap van Michael ontstaan was, “sterk toenam”. Veel levendiger omschrijft Rodsjanko het effect dat de monarchistische manoeuvres van de liberalen bij de massa’s teweeg brachten. Nauwelijks uit Pskov teruggekeerd met de akte van afstand van Nicolaas ten gunste van Michael, begaf Goetsjkov zich op verlangen van de arbeiders van het station naar de spoorwegwerkplaatsen, omschreef het voorgevallene, las de akte van afstand voor en besloot met de woorden: “Leve Keizer Michael!” Het resultaat was volkomen onverwacht. De spreker werd volgens Rodsjanko’s verhaal onverwijld door de arbeiders gearresteerd, naar men zegt zelfs onder de bedreiging doodgeschoten te worden. “Met grote moeite slaagde men er met de hulp van de compagnie van de wacht van het naastbijzijnde regiment in om hem te bevrijden.” Zoals altijd overdrijft Rodsjanko in menig opzicht, maar de omschrijving is in wezen juist. Het land had de monarchie zo radicaal uitgebraakt dat het volk haar niet meer door het keelgat kon krijgen. De revolutionaire massa’s lieten de gedachte aan een nieuwe tsaar niet meer opkomen!

Bij deze stand van zaken wendden de leden van het Voorlopig Comité zich de een na de ander van Michael af, niet definitief, maar “tot de Constituerende Vergadering”: dan zou men wel verder zien. Enkel Miljoekov en Goetsjkov verdedigden de monarchie tot het laatste toe en stelden ook hun deelname aan het kabinet daarvan afhankelijk. Wat nu te doen? De democraten meenden dat men zonder Miljoekov geen burgerlijke regering kon vormen en zonder burgerlijke regering de revolutie niet kon redden. Er volgden eindeloze discussies en onderhandelingen. In de morgenzitting van de 3de maart won in het Voorlopig Comité de overtuiging meer en meer veld dat het noodzakelijk was “de grootvorst tot afstand te bewegen” – hij werd dus reeds als tsaar beschouwd! De linkse Kadet Nekrassov had de tekst van de troonafstand reeds gereed. Daar Miljoekov zich echter hardnekkig verzette, vond men tenslotte na een nieuwe hartstochtelijke strijd een oplossing: “Beide partijen delen de grootvorst hun gemotiveerde opvattingen mee en laten, zonder zich in verdere discussies te begeven, aan de grootvorst de beslissing over.” Op deze manier werd de “zeer domme man”, aan wie zijn door de opstand ten val gebrachte oudere broer, zelfs tegen de dynastieke voorschriften in, getracht had de troon toe te schuiven, tot scheidsrechter inzake de kwestie van de staatsvorm van het revolutionaire land gemaakt. Hoe ongelofelijk het ook moge schijnen, deze wedstrijd om het lot van de staat heeft werkelijk plaats gehad. Om de grootvorst te bewegen zich vanwege de troon los te rukken van de stallen, verzekerde Miljoekov hem dat de mogelijkheid bestond om buiten Petrograd een legermacht bijeen te brengen ter verdediging van zijn aanspraken. Miljoekov kwam met andere woorden, nadat hij nauwelijks de macht uit handen van de socialisten gekregen had, met het plan van een monarchistische staatsgreep naar voren. Na beëindiging van de talrijke besprekingen pro en contra, verzocht de grootvorst echter om bedenktijd. Michael nodigde Rodsjanko in een nevenvertrek en stelde hem op de man af de vraag: konden de nieuwe heersers hem alleen de kroon of ook zijn leven garanderen? De onvergelijkelijke kamerheer antwoordde dat hij de monarch slechts kon beloven zonodig samen met hem te sterven. Daartoe liet de pretendent zich niet vinden. Toen hij, na Rodsjanko omhelsd te hebben, naar buiten toetrad op de hem wachtende afgevaardigden, verklaarde Michael Romanov “tamelijk vastberaden” dat hij van het hem aangeboden hoge, maar gevaarlijke, ambt afzag. Toen sprong Kerenski, die bij deze onderhandelingen het geweten van de democratie vertegenwoordigde, geestdriftig van zijn stoel op: “Hoogheid, u bent een edel man!” en zwoer dat hij dit van nu af aan overal zou verkondigen. “Het pathos van Kerenski,” commenteert Miljoekov droogweg, “paste slecht bij het prozaïsche van het genomen besluit.” Dit valt niet te ontkennen. Voor pathos bood dit incident stellig geen plaats. De bovengemaakte vergelijking van een klucht in een hoekje van een ouderwets toneel moet aangevuld worden met de mededeling dat het toneel door een scherm in twee delen gedeeld was: in het ene smeekten de revolutionairen de liberalen om de revolutie te redden, in het andere baden de liberalen de monarchie om het liberalisme te redden.

De vertegenwoordigers van het Uitvoerend Comité waren uitermate verwonderd dat een zo ontwikkeld en scherpziend man als Miljoekov zich om een monarchie weerspannig toonde en zelfs bereid was van de macht af te zien indien men hem niet een Romanov erbij gaf. Miljoekovs monarchisme was echter noch doctrinair, noch romantisch. Het kwam integendeel uit een koele berekening van de verschrikte bezittenden voort. In haar nuchterheid bestond juist haar hopeloze zwakte. De geschiedschrijver Miljoekov kon er zich weliswaar op beroepen dat de leider van de Franse revolutionaire bourgeoisie, Mirabeau, in zijn tijd er eveneens naar streefde de revolutie met de koning te verzoenen. Ook daar vormde de angst van de bezittenden om hun bezit de kern: het was voorzichtiger dit met de monarchie te maskeren, zoals de monarchie zich met de kerk maskeerde.

De traditie van de koninklijke macht werd echter in Frankrijk in het jaar 1789 erkend door het gehele volk, afgezien nog daarvan dat Europa rondom nog monarchistisch was. Tegenover de koning stond de Franse bourgeoisie op dezelfde grondslag als het volk, in deze zin althans dat zij de vooroordelen van het volk tegen het koningschap benutte. Geheel anders was de situatie in 1917 in Rusland. Nog afgezien van de rampen en averijen van het monarchaal stelsel in verscheidene andere landen, was de Russische monarchie zelf reeds in 1905 onherstelbaar geschokt. Na de negende januari vervloekte pastoor Gapon de tsaar en diens “slangengebroed”. De Sovjet van arbeidersafgevaardigden van het jaar 1905 stond openlijk op republikeinse grondslag. De monarchale gevoelens van de boeren, waarop het tsarisme lange tijd gebouwd had en waarmee de bourgeoisie haar monarchisme maskeerde, bleken eenvoudig niet meer te bestaan. De militaire contrarevolutie die later de kop zou opsteken, te beginnen met Kornilov, was bijzonder hypocriet maar keerde zich toch demonstratief van het tsarisme af. Zo weinig bleef er nog over van het monarchisme. Dezelfde revolutie van 1905, die het monarchisme zo dodelijk trof, ondergroef echter ook voor altijd de wankele republikeinse tendenties van de vooruitstrevende bourgeoisie. Deze twee processen vulden elkaar aan terwijl zij met elkaar in tegenspraak waren. Terwijl zij vanaf de eerste ogenblikken van de Februarirevolutie haar ondergang voelde naderen, greep de bourgeoisie naar een strohalm. Zij had de monarchie niet nodig omdat het volk hierin geloofde, maar net omdat zij tegenover de opvattingen van het volk niets anders meer kon inbrengen dan een gekroond fantoom. De geciviliseerde klassen van Rusland betraden de revolutionaire arena niet als verkondigers van een rationele staat, maar als verdedigers van middeleeuwse instellingen. Daar zij noch in het volk, noch in zichzelf vertrouwen hadden, zochten zij deze hoger op, boven zichzelf. Archimedes wilde de aarde omwentelen als dit hem een steunpunt gaf. Miljoekov zocht daarentegen een steunpunt om het stukje feodale aarde voor een omwenteling te behoeden. Hij voelde zich daarbij dichter bij de verschrompelde tsaristische generaals en de hiërarchen van de orthodoxe kerk staan dan bij de tamme democraten die nergens zo bezorgd om waren als om de gunst van de liberalen. Onmachtig om de revolutie neer te slaan, nam Miljoekov het vaste besluit haar met listen de baas te worden. Hij was bereid veel te slikken: burgerlijke vrijheden voor de soldaten, democratische gemeenteraden, de constituerende vergadering, maar alles slechts onder één voorwaarde: dat men hem het archimedisch punt in de vorm van de monarchie liet. Hij had het plan de monarchie langzamerhand, stap voor stap, te maken tot de spil waarrond zich de generale staf, de vernieuwde bureaucratie, de kerkvorsten, de bezittenden, kortom allen die met de revolutie ontevreden waren, konden groeperen om rond het ‘symbool’ een reële monarchistische toom voor het volk tot stand te brengen naarmate het volk vermoeid zou raken van de revolutie. Als hij maar tijd kon winnen. Een ander leider van de Kadettenpartij, Nabokov, verklaarde later wat het grootste voordeel geweest zou zijn van een aanvaarding van de troon door Michael: de fatale kwestie van de bijeenroeping van de Constituerende Vergadering tijdens de oorlog zou van de baan geweest zijn. Op deze woorden moet men vooral letten: de strijd om het tijdstip van bijeenroeping van de Constituerende Vergadering nam in het tijdvak tussen februari en oktober een belangrijke plaats in, waarbij de kadetten hun bedoeling om de bijeenroeping van de volksvertegenwoordiging op de lange baan te schuiven nadrukkelijk loochenden, maar in werkelijkheid voortdurend en hardnekkig een politiek van uitstel volgden. Maar zij moesten daarbij op eigen krachten steunen: op de monarchale dekmantel konden ze uiteindelijk niet rekenen. Na de desertie van Michael had Miljoekov zelfs geen strohalm meer om zich aan vast te houden.