Verschuivingen in de massa’s

Het Februaribewind verstikte reeds in de vierde maand van zijn bestaan in zijn eigen innerlijke tegenstrijdigheden. De maand juni begon met het Al-Russisch Radencongres, dat een politieke dekmantel voor het offensief aan het front moest vormen. Het begin van het offensief viel in Petrograd samen met een grote demonstratie van de arbeiders en soldaten. Deze demonstratie was door de verzoeningsgezinden tegen de bolsjewieken georganiseerd, maar het sloeg om in een bolsjewistische demonstratie tegen de verzoeningsgezinden. De toenemende verontwaardiging van de massa’s bracht twee weken later een nieuwe demonstratie teweeg. Deze demonstratie was zonder enige oproep van bovenaf spontaan begonnen en leidde tot bloedige botsingen. Dit zou  onder de naam “julidagen” in de geschiedenis bekend worden. De halve opstand van juli, die juist midden tussen Februari- en Oktoberrevolutie in ligt, sluit de eerste af en is in zekere zin de generale repetitie voor de tweede. Wij beëindigen dit deel op de drempel van de “julidagen”. Wij moeten echter voordat wij overgaan tot de gebeurtenissen die zich in juni in Petrograd afspeelden eerst de processen onderzoeken die zich in de massa’s voltrokken.

Lenin gaf aan een liberaal die begin mei beweerd had dat hoe linkser de regering was, des te rechtser het land werd – de liberaal verstond onder land vanzelfsprekend de bezittende klassen – als antwoord: “Ik verzeker U, burger, het “land” van de arbeiders en arme boeren is wel duizendmaal linkser dan de Tsjernovs en Tsereteli’s en wel honderdmaal linkser dan wij. Als jij zal blijven leven, zal je dit zien.” Lenin was van mening dat de arbeiders en boeren “wel honderdmaal” linkser waren dan de bolsjewieken. Dit moest op zijn zachtst gezegd zonderling lijken: de arbeiders en soldaten ondersteunden immers nog de verzoeningsgezinden en bleven voor het merendeel op een zekere afstand van de bolsjewieken staan. Lenin ging echter dieper met zijn onderzoek. De sociale belangen van de massa’s, hun haat en hun verwachtingen zochten nog naar een formulering. De verzoeningsgezinden vormden de eerste etappe voor hen. De massa’s waren veel linkser dan een Tsjernov en een Tsereteli, maar waren zich nog niet bewust van hun radicalisme. Lenin had ook hierin gelijk dat de massa’s linkser waren dan de bolsjewieken. Want de partij gaf zich voor het overgrote deel geen rekenschap van de kracht van de revolutionaire hartstochten die in het ontwaakte volk gistten. De verontwaardiging van de massa’s werd versterkt door het rekken van de oorlog, het economisch verval en de boosaardige passiviteit van de regering.

De oneindige Europees-Aziatische vlakte was slechts dankzij de spoorwegen tot een land geworden. De oorlog had juist deze het ergst getroffen. Het transport werd steeds slechter. Het aantal kapotte locomotieven steeg op sommige trajecten tot vijftig procent. Er werden in het hoofdkwartier door geleerde ingenieurs referaten gehouden over het feit dat het spoorwegvervoer op zijn langst binnen een half jaar volkomen lam gelegd zou zijn. Men had met deze berekeningen in niet geringe mate de bedoeling een paniek te verwekken. Niettemin had het verval van het transportwezen werkelijk verontrustende afmetingen aangenomen, versperde het de trajecten, desorganiseerde dit het ruilverkeer en deed het de duurte toenemen.

De voorziening van de steden werd steeds moeilijker. De agrarische beweging had zich reeds over drieënveertig gouvernementen uitgestrekt. De broodaanvoer voor leger en stad nam op catastrofale wijze af. Weliswaar waren er in de meest vruchtbare gebieden nog tientallen en honderden miljoenen pond overtollig graan, maar de inkooptransacties tegen gefixeerde prijzen leverden zeer onbevredigende resultaten op. En zelfs het beschikbare graan was  als gevolg van de ontwrichting van het transportwezen moeilijk naar de centra te brengen. Sedert de herfst van 1916 kreeg het front gemiddeld slechts de helft van de vooraf bepaalde proviandtoevoer. Petrograd, Moskou en andere industriecentra kregen niet meer dan tien procent van het noodzakelijke.

Er waren bijna geen voorraden. Het levenspeil van de massa’s in de stad schommelde tussen ondervoeding en honger. De komst van de coalitieregering werd aangekondigd door het democratisch verbod om wit brood te bakken. Het zal nu meerdere jaren duren vooraleer “Frans brood” weer in de hoofdstad opduikt. Er was gebrek aan boter. In juni werd het suikerverbruik door rantsoenering in het gehele land beperkt.

Het door de oorlog ontwrichte ruilwezen kon niet vervangen worden door een regeling van staatswege, als die waartoe de verst ontwikkelde kapitalistische staten hun toevlucht hadden moeten nemen en die het Duitsland mogelijk maakte om de oorlog vier jaar uit te houden.

Catastrofale symptomen van economisch verval deden zich op ieder ogenblik voor. De daling van de productiviteit van de bedrijven werd, afgezien van de ontwrichting van het transportwezen, veroorzaakt door slijtage van de machines, gebrek aan grondstoffen en materialen, fluctuatie van het mensenmateriaal, onregelmatige financiering en tenslotte door de algemene onzekerheid. De meest belangrijke bedrijven waren op de oude manier van voor de oorlog werkzaam. De orders waren voor twee, drie jaren van te voren geplaatst. De arbeiders wilden intussen niet in een voortduren van de oorlog geloven. Dagbladen brachten duizelingwekkende getallen betreffende oorlogswinsten. Het technisch en administratief personeel in de bedrijven sloot zich in bonden aaneen en stelde zijn eisen op; de mensjewieken en sociaal-revolutionairen hadden in deze kringen de overhand. De orde in de bedrijven werd slechter. Alle banden verslapten. De vooruitzichten van de oorlog en het economisch leven werden onzeker, de eigendomsrechten raakten aan het wankelen, de winsten daalden, de gevaren namen toe, de ondernemers verloren in de revolutionaire omstandigheden de lust tot produceren. De burgerij ging in het algemeen de weg op van het economisch defaitisme. Zij beschouwde de tijdelijke verliezen en nadelen tengevolge van de economische stilstand als onkosten van de strijd met de revolutie die de grondslagen van de ‘cultuur’ bedreigde. Tegelijkertijd beschuldigde de regeringsgezinde pers de arbeiders dag in dag uit dat zij moedwillig saboteerden, het materiaal plunderden, de brandstof misdadig verspilden, … om de bedrijven tot stilstand te brengen. De leugenachtigheid van de beschuldigingen ging alle grenzen te buiten. En daar het de pers van de partij was die feitelijk aan het hoofd van de coalitieregering stond, sloeg de verontwaardiging van de arbeiders natuurlijk over op de Voorlopige Regering.

De industriëlen waren de in de revolutie van 1905 opgedane ervaring niet vergeten. Toen had de goed georganiseerde uitsluiting met daadwerkelijke ondersteuning van de regering niet alleen de strijd van de arbeiders om de achturendag doen mislukken, het had de monarchie ook onschatbare diensten bewezen bij het neerslaan van de revolutie. De kwestie van de uitsluiting werd ook ditmaal in de Raad van Handel en Industrie – het strijdorgaan van het trust- en syndicaatkapitaal had deze onschuldige naam – aan de orde gesteld. Een van de leiders van de industrie, ingenieur Auerbach, verklaarde later in zijn memoires waarom de gedachte aan een uitsluiting verworpen was:

“Het zou de schijn gehad hebben van een dolkstoot in de rug van het leger… De meesten zagen de gevolgen van een dergelijke stap bij gebrekkige ondersteuning van de kant van de regering buitengewoon somber in.” Het ongelukkige was dat een “doeltreffende macht” ontbrak. De Voorlopige Regering was door de Sovjets en de verstandige sovjetleiders waren door de massa’s lam gelegd; de arbeiders in de bedrijven waren gewapend; bovendien had bijna iedere fabriek een bevriend regiment of bataljon in de buurt. De uitsluiting kwam onder zulke omstandigheden de heren industriëlen “uit nationaal oogpunt funest” voor. Toch zagen zij geenszins van de aanval af, maar pasten deze slechts aan de omstandigheden aan, waarbij ze de aanval niet gelijktijdig en ineens doorvoerden, maar er een meer slinks karakter aan gaven. De industriëlen kwamen, volgens Auerbach’s diplomatieke formulering, “tenslotte tot het resultaat dat het leven het aanschouwelijk onderricht zou geven: de onvermijdelijke, opeenvolgende sluiting van de fabrieken, om zo te zeggen na elkaar – hetgeen men dan ook inderdaad spoedig kon waarnemen.” De raad van de verenigde industriëlen raadde m.a.w., terwijl hij de uitsluiting afwees omdat deze “aan een reusachtig grote verantwoordelijkheid” verbonden was, zijn leden aan de bedrijven onder daartoe geschikte voorwendsels de een na de ander te sluiten.

Het plan van de geleidelijke uitsluiting werd op een opmerkelijk systematische wijze doorgevoerd. De vertegenwoordigers van het kapitaal, zoals de kadet Kutler die minister in het kabinet-Witte geweest was, hielden indrukwekkende verhandelingen over de vernietiging van de industrie, waarbij zij de schuld niet op de drie oorlogsjaren maar op de drie revolutiemaanden gooiden. “Nog twee à drie weken,” voorspelde de ongeduldige “Rjetsj”, “en de fabrieken en werkplaatsen zullen de een na de ander sluiten.” Dit was een dreigement in de vorm van een voorspelling. Ingenieurs, professoren en journalisten begonnen in de gewone pers zowel als in de vakorganen een campagne waarin de beteugeling van de arbeiders een voorwaarde voor de redding genoemd werd. Minister Konovalov, een industrieel, verklaarde op 17 mei aan de vooravond van zijn demonstratief ontslag uit de regering: “Indien er in de naaste toekomst niet een ontnuchtering zal komen, zullen wij getuige zijn van tientallen en honderden sluitingen van bedrijven.”

De Raad van Handel en lndustrie eist midden juni van de Voorlopige Regering een “radicale breuk met het systeem van verdere uitbreiding van de revolutie.” Wij hebben deze eis ook reeds van de zijde van de generaals gehoord: “Staakt de revolutie.” De industriëlen stellen het duidelijker en exacter: “De wortel van het kwaad ligt niet alleen bij de bolsjewieken, maar ook bij de socialistische partijen. Alleen een vaste, ijzeren hand kan Rusland redden.”

De industriëlen gingen, nadat zij de politieke situatie voorbereid hadden, van het woord tot de daad over. In maart en april werden 129 kleinere ondernemingen met 9000 arbeiders gesloten; in mei 108 ondernemingen met hetzelfde aantal arbeiders; in juni reeds 125 ondernemingen met 38.000 arbeiders; in juli werpen 206 ondernemingen 48.000 arbeiders op straat. De uitsluiting ontwikkelt zich in een geometrische reeks. Dit was echter pas het begin. De textielsector in Moskou volgde Petrograd, de provincie volgde na Moskou. De ondernemers beriepen zich op het gebrek aan brandstof, grondstoffen, rnaterialen en kredieten. De bedrijfscomités grepen in en constateerden in vele gevallen moedwillige desorganisatie van de productie met de bedoeling druk op de arbeiders uit te oefenen of subsidies van de staat af te dwingen. Buitengewoon onbeschaamd gedroegen zich de buitenlandse kapitalisten die door bemiddeling van hun gezantschappen optraden. De sabotage was in enkele gevallen zo duidelijk dat de industriëlen als gevolg van de onthullingen van de bedrijfscomités genoodzaakt waren om de fabrieken terug te openen. Zo kwam de revolutie, terwijl zij het ene sociale conflict na het andere aan het licht bracht, weldra tot het belangrijkste conflict: dat tussen het maatschappelijk karakter van de productie en het privaatbezit van de productiemiddelen. De ondernemer sluit om de overwinning over de arbeiders te behalen zijn fabriek, alsof het zijn tabaksdoos en niet een voor het leven van de gehele natie noodzakelijke onderneming betrof. De banken die met succes de vrijheidslening boycotten, keerden zich tegen de aanslagen van de fiscus op het grootkapitaal. De bankiers “voorspelden” in een aan de minister van financiën gerichte brief in geval van radicale financiële hervormingen een afvloeien van kapitaal naar het buitenland en een verdwijnen van de deviezen in de safes. De bankpatriotten dreigden m.a.w. met een financiële uitsluiting ter aanvulling van de industriële. De regering trok alle voorstellen direct in. De organisatoren van de sabotage waren immers deftige heren die door oorlog en revolutie hun kapitaal riskeerden. Het waren geen matrozen van Kronstadt die behalve hun eigen hoofd niets te riskeren hadden.

Het Uitvoerend Comité moest wel inzien dat de verantwoordelijkheid voor het economisch lot van het land, vooral nadat de socialisten zich openlijk bij de regering hadden aangesloten, in de ogen van de massa’s op de regerende Sovjetmeerderheid rustte. De economische afdeling van het Uitvoerend Comité werkte een verstrekkend programma tot regeling van het economisch leven van staatswege uit. De voorstellen van de zeer gematigde economisten bleken onder invloed van de dreigende toestand veel radicaler te zijn dan de auteurs zelf. “Voor sommige industrietakken,” luidde het programma, “is de tijd rijp voor een handelsmonopolie van staatswege (brood, vlees, zout, leder); de andere zijn rijp voor de vorming van van staatswege geregelde trusts (steenkolen, petroleum, metaal, suiker, papier), en tenslotte eisen in de tegenwoordige verhoudingen bijna alle takken van industrie een regulerende medewerking van de staat zowel aan de verdeling van de grondstoffen en de te bewerken producten alsook aan de vaststelling van de prijzen… Tegelijkertijd is het nodig alle kredietinstellingen onder controle te plaatsen.”

Het Uitvoerend Comité nam bij gebrek aan inzicht van de politieke leiders op 16 mei de voorstellen van zijn economen nagenoeg zonder discussie aan en bekrachtigde ze met een eigenaardige waarschuwing aan het adres van de regering: deze moest “de taak van een planmatige organisatie van de volkshuishouding en de arbeid” op zich nemen, bedenkende dat tengevolge van het niet vervullen van deze taak “het oude regime had moeten vallen en de Voorlopige Regering had moeten gewijzigd worden.” De verzoeningsgezinden maakten zichzelf bang om moed te verzamelen.

“Het programma is reusachtig,” schreef Lenin, “zowel controle over en nationalisatie van de trusts, alsook bestrijding van de speculatie en arbeidsplicht… Men is gedwongen zich uit te spreken voor het programma van het “afschuwelijk” bolsjewisme, want een ander programma, een andere uitweg uit de werkelijk dreigende verschrikkelijke catastrofe is er niet…” Het was alleen maar de kwestie wie dit reusachtig programma zou verwezenlijken! De coalitie misschien? Het antwoord volgde prompt. Daags na het aannemen van het economisch programma door het Uitvoerend Comité trad de minister van handel en industrie, Konovalov, met veel lawaai af. Hij werd voorlopig vervangen door de ingenieur Paltsjinski, een niet minder trouw maar meer energiek vertegenwoordiger van het grootkapitaal. De socialistische ministers waagden het niet eens om hun liberale collega in ernst het programma van het Uitvoerend Comité voor te leggen. Tsjernov had immers tevergeefs getracht het verbod van landverkoop door te zetten bij de regering!

De regering stelde in antwoord op de toenemende moeilijkheden van haar kant een programma op tot ontlasting van Petrograd, d.w.z. om fabrieken en werkplaatsen naar het binnenland te verplaatsen. Het programma werd zowel met militaire overwegingen – het gevaar van een bezetting van de hoofdstad door de Duitsers – alsook met economische overwegingen – de grote afstand tussen Petrograd en de vindplaatsen van brandstof en grondstoffen – gemotiveerd. Deze ontlasting zou de liquidatie van de Petrogradse industrie voor vele maanden en jaren betekend hebben. Het politieke oogmerk was de voorhoede van de arbeidersklasse over het gehele land te verspreiden. Parallel daarmee vond het militair gezag het ene voorwendsel na het andere om de revolutionaire troepenafdelingen uit Petrograd te verwijderen.

Palstjinski deed alle mogelijke moeite om de arbeiderssectie van de Sovjet van de voordelen van de ontlasting te overtuigen. Het was onmogelijk dit doel zonder de arbeiders of tegen hun wil te verwezenlijken; de arbeiders stemden er echter niet mee in. De ontlasting schoot even weinig op als de regeling van de industrie. Het verval nam toe, de prijzen stegen, de heimelijke uitsluiting breidde zich uit en tegelijk daarmee de werkloosheid. De regering schoot niet op. Miljoekov schreef later: “Het ministerie zwom eenvoudig met de stroom mee, doch de stroom voerde in het bolsjewistisch vaarwater.” Ja, de stroom voerde inderdaad in het bolsjewistisch vaarwater.

De arbeidersklasse was de voornaamste drijfkracht van de revolutie. Tegelijkertijd schoolde de revolutie de arbeidersklasse. En dit was het, wat ze juist zozeer nodig had.

Wij hebben de beslissende rol van de arbeiders van Petrograd in de februaridagen gezien. De bolsjewieken namen de sterkste posities in de strijd in. Na de omwenteling komen zij echter plotseling op de achtergrond. De verzoeningsgezinde partijen treden in het politiek voetlicht. Zij geven de macht aan de liberale burgerij over. Het patriottisme is de leuze van het blok. De invloed hiervan is zo sterk dat minstens de helft van de leiding van de bolsjewistische partij ervoor capituleert. Met de aankomst van Lenin wijzigt de koers van de partij radicaal en tegelijkertijd neemt haar invloed snel toe. In de gewapende aprildemonstratie proberen de vooruitstrevende groepen arbeiders en soldaten reeds de ketenen van de verzoeningsgezinden te verbreken. Zij trekken zich echter na de eerste inspanning weer terug. De verzoeningsgezinden blijven aan het woord.

Later, na de Oktoberomwenteling, is er niet weinig geschreven over het onderwerp dat de bolsjewieken hun overwinning te danken hadden aan het boerenleger dat oorlogsmoe was. Dit is een zeer oppervlakkige verklaring. De tegenovergestelde redenering komt dichter bij de waarheid: indien de verzoeningsgezinden in de Februarirevolutie een dominerende rol konden spelen, komt dit vóór alles door de bijzondere positie die het boerenleger in het leven van het land innam. Wanneer de revolutie zich in vredestijd ontwikkeld had, zou de leidende rol van de arbeidersklasse van het begin af aan een meer uitgesproken karakter gekregen hebben. Zonder oorlog zou de revolutionaire overwinning later gekomen en, afgezien van de oorlogsslachtoffers, duurder gekocht zijn. Maar zij zou geen mogelijkheid gelaten hebben aan de verzoeningsgezinde en vaderlandslievende stemmingen om de overhand te nemen. De Russische marxisten die lang vóór de werkelijke gebeurtenissen reeds een verovering van de macht door de arbeidersklasse als onderdeel van de burgerlijke revolutie voorspeld hadden, waren in elk geval niet uitgegaan van tijdelijke stemmingen in het boerenleger maar van de klassenstructuur van de Russische maatschappij. Deze prognose was geheel en al uitgekomen. De fundamentele klassenverhoudingen werden slechts verbroken door de oorlog en tijdelijk had er een verschuiving in deze plaats onder de druk van het leger, d.w.z. van de organisatie van gedeklasseerde en gewapende boeren. Deze kunstmatige sociale formatie had juist de positie van de kleinburgerlijke verzoeningsgezinden buitengemeen versterkt en hen in staat gesteld tot de experimenten die acht maanden duurden en het land en de revolutie verzwakten.

De vraag naar de oorsprong en wortels van het verzoeningsgezinde regime is echter niet afdoende beantwoord met een verwijzing naar het boerenleger. Men moet in de arbeidersklasse zelf, in zijn samenstelling, in zijn politiek niveau de bijkomende oorzaken van het tijdelijk overwicht van de mensjewieken en sociaal-revolutionairen zoeken. De oorlog had ontzaglijke veranderingen in de samenstelling en de stemming van de arbeidersklasse teweeggebracht. Terwijl de voorafgaande jaren een tijd van opkomende revolutionaire vloed waren, had de oorlog dit proces op krasse wijze onderbroken. De mobilisatie was niet alleen vanuit militair, maar in eerste instantie vanuit politioneel oogpunt opgezet en doorgevoerd. De regering had zich gehaast om de industriële districten te zuiveren van de meest actieve en meest onrustige groep arbeiders. Men mag als vaststaand aannemen dat de mobilisatie in de eerste maanden van de oorlog tot 40 procent voor het merendeel geschoolde arbeiders aan de industrie onttrok. Dit beïnvloedde de productie zeer sterk en het bracht de industriëlen tot des te hartstochtelijker protesten naarmate de oorlogsindustrie hogere winsten opleverde. De verdere vernietiging van de arbeiderskaders werd stopgezet. Men stelde arbeiders die in de industrie nodig waren vrij van militaire dienst. Men vulde het door de mobilisatie ontstane tekort aan met personen die uit het dorp gekomen waren, volk uit de steden, weinig geschoolde arbeiders, vrouwen en halfvolwassenen. Het percentage vrouwen in de industrie steeg van 32 tot 40.

Het vernieuwings- en verdunningsproces van de arbeidersklasse voltrok zich zeker in de hoofdstad op grote schaal. Het aantal grootbedrijven met meer dan 500 arbeiders in het gouvernement Petrograd steeg in de oorlogsjaren van 1914 -1917 bijna met het dubbele. Tengevolge van de liquidatie van de fabrieken en werkplaatsen in Polen en vooral in de Baltische landen, voornamelijk echter tengevolge van de algemene uitbreiding van de oorlogsindustrie, waren er in Petrograd omstreeks 1917 ongeveer 400.000 arbeiders in de fabrieken geconcentreerd. Daarvan waren er 335.000 van honderdveertig reuzenbedrijven. De meest strijdlustige elementen van de arbeidersklasse van Petrograd hebben aan het front een niet geringe rol bij het ontstaan van de revolutionaire stemming in het leger gespeeld. Doch degenen die hen vervingen, gisteren nog dorpelingen, dikwijls welgestelde boeren en kooplui, die zich in de fabriek schuil hielden voor het front, benevens de vrouwen en kinderen, waren veel makker dan de geschoolde arbeiders. Hieraan dient nog toegevoegd te worden dat de geschoolde arbeiders, wanneer zij dienstplichtig geworden waren – en dit was met honderdduizenden het geval, een buitengewone voorzichtigheid in acht namen vanwege het gevaar naar het front gestuurd te zullen worden. Dit is de sociale basis van de vaderlandslievende stemmingen die zich nog onder de tsaar van een deel van de arbeiders meester gemaakt hadden.

Dit patriottisme was echter niet bestendig. Meedogenloze militaire en politionele druk, verdubbelde uitbuiting, nederlagen aan het front en economische ontwrichting dreven de arbeiders in de strijd. Gedurende de oorlog hadden de stakingen echter voornamelijk een economisch karakter en werden zij gekenmerkt door grotere gematigdheid dan vóór de oorlog. De verzwakking van de klasse werd nog verergerd door de verzwakking van haar partij. Na de arrestatie en verbanning van de bolsjewistische afgevaardigden ging men met behulp van een tevoren georganiseerde provocateurs-hiërarchie over tot de algehele verplettering van de bolsjewistische organisaties, waarvan de partij zich tot de Februari-omwenteling niet kon herstellen. De verzwakte arbeidersklasse moest gedurende de jaren 1915 en 1916 een elementaire school van strijd doormaken, voordat de partiële economische stakingen en demonstraties van hongerende vrouwen in februari 1917 in een algemene staking konden overgaan en het leger in de opstand konden betrekken.

De arbeidersklasse van Petrograd ging zo de Februarirevolutie in. De arbeidersklasse was niet alleen op zeer verschillende wijze samengesteld en nog niet tot een geheel verbonden, maar ook met een lager politiek peil, zelfs van zijn meest vooruitstrevende groepen. In de provincie was het nog slechter gesteld. Slechts deze door de oorlog veroorzaakte terugval van de arbeidersklasse in politiek analfabetisme en gedeeltelijk analfabetisme schiep de tweede voorwaarde tot de tijdelijke heerschappij van de verzoeningsgezinde partijen.

Een revolutie leert en wel snel. Daarin is haar kracht gelegen. Iedere week bracht de massa’s iets nieuws. Iedere twee maanden waren een tijdperk. Eind februari – de opstand. Eind april – optreden van gewapende arbeiders en soldaten te Petrograd! Begin juli – een nieuw optreden op veel grotere schaal en onder veel positievere leuzen. Eind augustus – de poging tot een staatsgreep van Kornilov, afgeslagen door de massa’s. Eind oktober – machtsgreep door de bolsjewieken. Onder deze gebeurtenissen die verbluffend zijn door hun wetmatig verloop voltrokken zich diepgaande, interne processen die de verschillende delen van de arbeidersklassen samensmolten tot een politiek geheel. De beslissende rol werd daarbij wederom door de staking vervuld.

Geïntimideerd door de bliksem van de revolutie die midden in het bacchanaal van oorlogswinsten ingeslagen was, waren de industriëlen in de eerste weken tot toegevingen aan de arbeiders bereid. De fabriekseigenaren te Petrograd verklaarden zich zelfs onder zeker voorbehoud en met bepaalde reserves voorstander van de achturendag. De gemoederen werden hierdoor echter niet gekalmeerd, daar het levenspeil onafgebroken daalde. Het Uitvoerend Comité zag zich in mei genoodzaakt vast te steIlen dat de toestand van de arbeiders bij de toenemende duurte “voor vele categorieën aan chronische honger grensde.” De stemming in de arbeiderswijken werd zenuwachtiger en meer gespannen. Het ontbreken van gunstige vooruitzichten werkte het meest deprimerend. De massa’s zijn in staat de meest zware ontberingen te verdragen indien zij maar weten waarvoor. Het nieuwe regime deed zich echter voortdurend meer aan hen voor als een verdoezeling van de vroegere verhoudingen waartegen zij in februari waren opgestaan. Dit wilden zij niet langer dulden.

Het zijn vooral de stakingen onder de meest achtergebleven en meest uitgebuite groepen arbeiders die een woest karakter aannemen. Wasvrouwen, schilders, kuipers, handelsbedienden, bouwvakarbeiders, zadelmakers, stukadoors, dagloners, schoenmakers, kartonwerkers, worstmakers, schrijnwerkers staken telkens weer gedurende juni. De metaalarbeiders daarentegen beginnen remmend op te treden. De meest vooruitstrevende arbeiders kwamen steeds meer tot het inzicht dat economische gedeeltelijke stakingen onder de omstandigheden van oorlog, economisch verval en inflatie geen noemenswaardige verbetering konden brengen, dat veranderingen in de grondslagen zelf noodzakelijk waren. De uitsluiting maakte de arbeiders niet alleen ontvankelijk voor de eis van controle over de industrie, maar bracht hen ook op de gedachte van de noodzakelijkheid om de fabrieken in handen van de staat te doen overgaan. Deze conclusie leek des te natuurlijker waar het merendeel van de particuliere bedrijven voor de oorlog werkte en daarnaast reeds staatsondernemingen van die aard bestonden. Reeds in de zomer van 1917 komen er uit alle delen van Rusland arbeiders- en beambtendelegaties naar de hoofdstad met het verzoek om de bedrijven te doen overnemen door de staat omdat de aandeelhouders de betalingen gestaakt hadden. De regering wilde daarvan echter niets horen. Derhalve moet men van regering veranderen. De verzoeningsgezinden werkten dit tegen. De arbeiders keerden het front tegen de verzoeningsgezinden.

De Poetilov-fabriek met zijn 40.000 arbeiders scheen in de eerste revolutiemaanden een burcht van de sociaal-revolutionairen te zijn. Zijn garnizoen hield echter niet lang stand tegen de bolsjewieken. Aan het hoofd van de aanvallers kon men meestal Volodarski waarnemen. Volodarski, die vroeger kleermaker was, een jood die vele jaren in Amerika doorgebracht en de Engelse taal goed geleerd had, was een schitterend volksredenaar, logisch, slagvaardig en vermetel. Het Amerikaans accent maakte zijn heldere stem die duidelijk klonk in vergaderingen, die door vele duizenden personen bezocht waren, vol uitdrukking. “Met zijn verschijnen in de Narvskiwijk,” vertelt de arbeider Ninitsjev, “begon in de Poetilov-fabriek de grond aan de heren sociaal-revolutionairen te ontzinken, en na nauwelijks twee maanden gingen de Poetilov-arbeiders hand in hand met de bolsjewieken.”

De uitbreiding van de stakingen en van de klassenstrijd in het algemeen deed bijna vanzelf de invloed van de bolsjewieken toenemen. De arbeiders moesten in alle gevallen, waar het om directe levensbelangen ging, tot de overtuiging komen dat de bolsjewieken geen bijbedoelingen hadden, niets verborgen en dat men op hen vertrouwen kon. Alle arbeiders, partijlozen, sociaal-revolutionairen, mensjewieken, richtten zich tijdens conflicten tot de bolsjewieken. Hieruit is het feit te verklaren dat de bedrijfscommissies, die de strijd om het bestaan van hun bedrijven tegen de sabotage van de administratie en de bezitters voerden, lang voor de Sovjet tot de bolsjewieken waren overgegaan. Op het congres van de bedrijfscommissies van Petrograd en omgeving stemden begin juni 335 van de 421 afgevaardigden voor de bolsjewistische resolutie. Dit feit ging in de grote pers onopgemerkt voorbij. Intussen betekende het dat de arbeidersklasse van Petrograd, nog voordat het met de verzoeningsgezinden gebroken had, feitelijk in alle fundamentele vraagstukken van het economisch leven naar de bolsjewieken was overgegaan.

Op het junicongres van de vakverenigingen werd vastgesteld dat er in Petrograd meer dan vijftig vakbonden met een totaal van minstens 250.000 leden waren. De metaalarbeidersbond telde ongeveer 100.000 arbeiders. Zijn ledental was alleen in de maand mei reeds verdubbeld. Nog sneller nam de invloed van de bolsjewieken in de vakverenigingen toe.

Alle tussentijdse verkiezingen voor de Sovjets brachten een overwinning voor de bolsjewieken. Op 1 juni waren er in de Sovjet van Moskou reeds 206 bolsjewieken tegen 172 mensjewieken en 110 sociaal-revolutionairen. Dezelfde verschuivingen hadden in de provincie plaats, maar dan langzamer. Het aantal partijleden steeg onophoudelijk. De Petrogradse organisatie telde einde april ongeveer 15.000 en einde juni meer dan 32.000 leden.

De arbeiderssectie van de Sovjet van Petrograd had in deze tijd reeds een bolsjewistische meerderheid. Bij de verenigde zittingen van beide secties deden de soldatenafgevaardigden echter de bolsjewieken in de verdrukking komen. De “Pravda” stelde steeds dringender de eis van algemene verkiezingen: “500.000 Petrogradse arbeiders hebben in de Sovjet viermaal minder vertegenwoordigers dan 150.000 soldaten van het Petrograds garnizoen.”

Lenin eiste op het Radencongres strenge maatregelen tegen de uitsluiting, plundering en planmatige ontwrichting van het economisch leven van de kant van de industriëlen en bankiers. “Publiceer de winsten van de heren kapitalisten, arresteer 50 of 100 van de rijkste miljonairs. Het is voldoende om ze enkele weken in arrest te houden – zelfs al is het onder even gunstige voorwaarden als die van Nicolai Romanov – eenvoudig met het doel om ze te dwingen de draden, de bedriegelijke manoeuvres, de vuiligheid en de baatzucht aan het licht te brengen die ook onder de nieuwe regering miljoenen aan ons land kosten.” Lenins voorstel kwam de Sovjetleiders afschuwelijk voor. “Is het mogelijk door toepassing van geweld tegenover enkele kapitalisten de wetten van het economisch leven te veranderen?” De omstandigheid dat de industriëlen door middel van een samenzwering tegen de natie hun wetten dicteerden, gold als volkomen normaal. Kerenski, die woedend Lenin aanviel, was er een maand tevoren niet voor teruggedeinsd om vele duizenden arbeiders te arresteren omdat ze anders over de “wetten van het economisch leven” dachten dan de industriëlen.

Het verband tussen economie en politiek kwam steeds duidelijker aan het licht. De staat die als mystiek beginsel probeerde op te treden, werkte steeds vaker in zijn meest primitieve vorm, d.w.z. in de vorm van afdelingen van gewapende personen. Ondernemers die weigerden concessies te doen of zelfs maar onderhandelingen te voeren, werden door de arbeiders op verschillende plaatsen in het land nu eens aan gewelddadig voorgeleid voor de Sovjet, dan weer aan huisarrest onderworpen. Het behoeft geen verwondering te wekken dat de arbeidersmilitie bij uitstek door de bezittende klassen gehaat werd.

Het oorspronkelijk besluit van het Uitvoerend Comité betreffende de bewapening van tien procent van de arbeiders was niet uitgevoerd. De arbeiders slaagden er echter toch in om zich gedeeltelijk te bewapenen, waarbij de meest actieve elementen tot de militie toetraden. De leiding van de arbeidersmilitie was in handen van de bedrijfscommissies geconcentreerd en de leiding van de bedrijfscommissies ging steeds meer in handen van de bolsjewieken over. Een arbeider van de Moskouse fabriek Psotavsjtsjik vertelt:

“Op 1 juni, onmiddellijk nadat de nieuwe bedrijfscommissie die merendeels uit bolsjewieken bestond was gekozen, werd een afdeling van tachtig man gevormd die onder leiding van een oude soldaat, kameraad Levakov, bij gebrek aan wapens met stokken werd uitgerust.”

De pers beschuldigde de militie van gewelddaden, opeisingen en onwettige arrestaties. Ongetwijfeld gebruikte de militie geweld: zij was immers juist daartoe gevormd. Haar misdaad bestond echter daarin dat zij geweld gebruikte tegen vertegenwoordigers van die klasse die het niet gewoon was en ook niet wilde worden om zelf het voorwerp van geweld te zijn.

Er kwam in de Poetilov-fabrieken, die de leidende rol in de strijd tot verhoging van het arbeidsloon speelden, op 23 juni een congres bijeen waaraan vertegenwoordigers van de centrale Sovjet van de bedrijfscommissies, van het centraal bureau van de vakverenigingen en drieënzeventig fabrieken deelnamen. Onder invloed van de bolsjewieken nam het congres een resolutie aan volgens welke de staking van het bedrijf in de gegeven omstandigheden zou kunnen leiden tot een “ongeorganiseerde politieke strijd van de Petrogradse arbeiders.” Derhalve werd aan de Poetilov-arbeiders voorgesteld “hun gerechtvaardigde woede te bedwingen” en zich tot een algemeen gezamenlijk optreden voor te bereiden.

De bolsjewistische fractie van het Uitvoerend Comite waarschuwde aan de vooravond van dit belangrijk congres: “Een massa van veertigduizend man… kan elke dag in staking en de straat op gaan. Zij zou reeds de straat op gegaan zijn indien onze partij er haar niet van had teruggehouden, terwijl er geen garantie bestaat dat het ook verder zal lukken om er haar van te weerhouden. Het optreden van de Poetilov-arbeiders zou onvermijdelijk – daarover is er geen twijfel mogelijk – het optreden van de meerderheid van de arbeiders en soldaten tot gevolg hebben.”

De leiders van het Uitvoerend Comité beschouwden zulke waarschuwingen als demagogie of sloegen er eenvoudig geen acht op. Zij wilden niet in hun rust gestoord worden. Zelf waren zij er nagenoeg geheel mee opgehouden fabrieken en kazernes te bezoeken, daar de arbeiders en soldaten alleen nog maar vijanden in hen zagen. Enkel de bolsjewieken hadden dat gezag, waardoor het hen mogelijk was de arbeiders en soldaten van verbrokkelde acties te weerhouden. De massa’s keerden zich echter in hun ongeduld dikwijls ook tegen de bolsjewieken.

Er doken in de fabrieken en op de vloot anarchisten op. Deze toonden hun complete ongeschiktheid, zoals ze dat altijd doen bij grote gebeurtenissen en onder grote massa’s. Zij konden gemakkelijk het staatsgezag verwerpen omdat zij de betekenis van de Sovjets als organen van de nieuwe staat in het geheel niet begrepen. Overigens zwegen zij, in verwarring gebracht door de revolutie, meestal eenvoudig over het vraagstuk van de staat. Hun zelfstandigheid demonstreerden zij voornamelijk op het gebied van knaleffecten. Het economisch slop en de toenemende verbittering van de arbeiders van Petrograd verschaften enige steun aan de anarchisten. Terwijl zij niet in staat waren de machtsverhoudingen in de staat serieus te beoordelen en bereid waren iedere stoot van onderop als het laatste redmiddel te beschouwen, beschuldigden zij de bolsjewieken dikwijls van angstvalligheid en zelfs van verzoeningsgezindheid. Maar verder dan tot enig gemor kwamen zij gewoonlijk niet. De weerslag die de anarchistische acties in de massa’s hadden, was voor de bolsjewieken van tijd tot tijd een graadmeter van de druk van de revolutionaire spanning.

De matrozen die Lenin ontvangen hadden aan het Finse station verklaarde twee weken later onder invloed van de patriottische druk die langs alle kanten op hen uitgeoefend werd: “Indien wij geweten hadden… langs welke weg hij tot ons gekomen is, dan zouden in plaats van geestdriftig hoera-geroep onze verontwaardigde kreten geklonken hebben: “Weg! Terug naar het land waardoor je tot ons gekomen bent…” De soldatensovjets in de Krim dreigden de een na de ander het binnendringen van Lenin op het vaderlandslievend schiereiland waarheen hij absoluut niet van plan was te reizen, gewapenderhand te verhinderen. Het Nolynskiregiment, de coryfee van 27 februari, besloot zelfs in zijn enthousiasme Lenin te arresteren zodat het Uitvoerend Comité zich genoodzaakt zag maatregelen daartegen te nemen. Dergelijke stemmingen waren tot aan het junioffensief nog niet geheel en al verdwenen en zij vlamden na de julidagen nu en dan weer op. Tegelijkertijd sloegen de soldaten van de meest afgelegen garnizoenen en van de verst verwijderde gedeelten van het front steeds driester een bolsjewistische toon aan, meestal zonder dit zelf eigenlijk goed te beseffen. Er waren slechts enkele bolsjewieken in de regimenten, maar bolsjewistische leuzen drongen steeds meer door. Zij ontstonden als het ware vanzelf in alle delen van het land. De liberale waarnemers zagen daarin niets anders dan onbeschaafdheid en chaos. De “Rjetsj” schreef: “Ons vaderland verandert letterlijk in een gekkenhuis waar bezetenen het heft in handen hebben en bevelen geven/ De mensen die het verstand nog niet verloren hebben, treden verschrikt terzijde en trekken zich terug.” De “gematigden” van alle revoluties hebben altijd dezelfde woorden gebruikt om hun hart uit te storten. De verzoeningsgezinde pers troostte zich ermee dat de soldaten, ondanks alle misverstanden, niets van de bolsjewieken moesten hebben. Intussen vormde het onbewust bolsjewisme van de massa’s, dat de ontwikkelingsgang weerspiegelde, de onweerstaanbare kracht van de partij van Lenin.

Soldaat Pirejko vertelt dat er bij de verkiezingen aan het front na discussies die drie dagen duurden, enkel sociaal-revolutionairen voor het radencongres werden gekozen, maar dat tegelijkertijd de soldatenafgevaardigden ondanks protest van de leiders een resolutie aangenomen hadden betreffende de noodzakelijkheid om tot onteigening van het adellijk grootgrondbezit over te gaan zonder eerst de Constituerende Vergadering af te wachten. In het algemeen waren de soldaten in kwesties die zij begrepen linkser dan de radicaalsten van de radicale bolsjewieken. Ditzelfde meende ook Lenin toen hij zei dat de massa’s “wel honderdmaal linkser dan wij” waren.

De boekhouder van een motorrijwielenfabriek ergens in het Taurische gouvernement vertelt dat de soldaten meermalen na de lezing van de burgerlijke kranten op de onbekende bolsjewieken scholden en direct daarna tot discussies over de noodzakelijkheid van een beëindiging van de oorlog en een onteigening van het grootgrondbezit overgingen. Dit waren dezelfde patriotten die gezworen hadden Lenin niet in de Krim toe te laten.

De soldaten van de reusachtige garnizoenen in het achterland waren rusteloos. De enorme opeenhoping van feestelijke, vol ongeduld een wijziging in hun lot afwachtende mensen, bracht een nervositeit teweeg die tot uiting kwam in een voortdurende neiging om hun ontevredenheid op straat te uiten, in een bij massa’s rondrijden in de trams en in een algemeen knabbelen op zonnepitten. De soldaat met zijn omgeslagen mantel en de schilletjes van zonnepitten op de lippen werd een van de meest gehate figuren in de burgerlijke pers. Hij, die tijdens de oorlog zo grovelijk gevleid en altijd alleen maar held genoemd was – hetgeen niet belette de held aan het front te kastijden – hij die na de Februari-omwenteling als bevrijder verheerlijkt was, werd plotseling een lafaard, verrader, geweldenaar en Duitse huurling. Er was letterlijk geen gemeenheid die de patriottische pers niet aan de Russische soldaten en matrozen in de schoenen schoof.

Het Uitvoerend Comité deed niets anders dan zichzelf rechtvaardigen, tegen anarchie strijden, excessen tegengaan, angstige vragen en boetpredikaties rondsturen. De voorzitter van de Sovjet in Tsarizyn – deze stad gold als een nest van “anarchobolsjewisme” – beantwoordde de vraag vanuit het centrum over de toestand met deze kernachtige zin: “Hoe linkser het garnizoen wordt, des te rechtser wordt de burger.” De Tsarizynse formule kon men op het gehele land toepassen. De soldaat wordt linkser, de bourgeois rechtser.

Elke soldaat die moediger dan de anderen uitte wat iedereen voelde, werd zolang van hogerhand voor bolsjewiek uitgescholden dat hij het tenslotte zelf geloofde. De gedachten van de soldaat kwamen van vrede en land op het vraagstuk van de macht. De bijval aan verschillende leuzen van het bolsjewisme werd omgezet in bewuste sympathie voor de bolsjewistische partij. In het Wolynskiregiment dat in april Lenin had willen arresteren, sloeg de stemming twee maanden later om ten gunste van de bolsjewieken. Evenzo in het regiment jagers en het regiment Litouwers. Het korps Letse jagers was door het absolutisme opgericht om gebruik te maken van de haat van de kleine boeren en landarbeiders tegen de Lijflandse baronnen. De regimenten vochten uitmuntend. Maar de klassenvijandelijke geest waarop de monarchie wilde steunen, ging zijn eigen weg. De Letse jagers behoorden tot de eersten die met de monarchie en later met de verzoeningsgezinden braken. Reeds op 17 mei schaarden de vertegenwoordigers van acht Letse regimenten zich bijna unaniem achter de bolsjewistische slogan “Alle macht aan de Sovjets.” Zij zullen in het verdere verloop van de revolutie nog een grote rol spelen.

Een onbekend soldaat schrijft van het front: “Vandaag, op 13 juni, hield onze troep een kleine vergadering en men sprak over Lenin en Kerenski. De soldaten zijn meestal voor Lenin, maar de officieren zeggen dat Lenin zelf een bourgeois is.” Na de catastrofe van het offensief werd Kerenski’s naam bitter gehaat in het leger.

Op 21 juni marcheerden er door de straten van Peterhof jonkers met spandoeken: “Weg met de spionnen”, “Leve Kerenski en Broessilov”. De jonkers waren natuurlijk voor Broessilov. De soldaten van het 4de bataljon overvielen de jonkers, gaven hen een pak slaag en joegen de demonstratie uiteen. Het doek ter ere van Kerenski verwekte de meeste haat.

Het junioffensief had de politieke ontwikkeling van het leger buitengewoon versneld. De populariteit van de bolsjewieken, de enige partij die van tevoren haar stem tegen het offensief verheven had, nam snel toe. Weliswaar drongen de bolsjewistische kranten slechts met grote moeite in het leger door. Hun oplage was zeer klein, vergeleken met de oplagen van de liberale en in het algemeen van de patriottische pers. “Nergens is ook maar één van jullie kranten te zien,” schrijft een ruwe soldatenhand naar Moskou, “wij vernemen alleen maar geruchten over jullie krant. Wij worden hier overspoeld met gratis burgerlijke kranten, men verspreidt ze in pakketten over het gehele front.” Het was echter net de patriottische pers die de bolsjewieken buitengemeen populair maakte. Iedere kreet van de onderdrukten tot in bezitname van land, tot afrekening met de gehate officieren werd door de kranten aan de bolsjewieken toegeschreven. De soldaten trokken hieruit de conclusie: de bolsjewieken zijn rechtvaardige mensen.

Begin juli bracht de commissaris van het 12de leger aan Kerenski rapport uit over de stemming onder de soldaten: “Tenslotte wordt alles op de bourgeoisministers en de Sovjet die zich aan de bourgeois verkocht heeft, geschoven. In het algemeen is de grote massa volkomen onwetend. Ik moet helaas vaststellen dat de laatste tijd zelfs de kranten nauwelijks gelezen worden, dat er een volkomen wantrouwen tegen het geschreven woord bestaat: ‘zij schrijven mooi’, ‘zij praten naar de mond’, …”  De rapporten van de vaderlandslievende commissarissen waren in de eerste maanden gewoonlijk een lofzang op het revolutionaire leger, zijn ontwikkeling en discipline. Maar toen na vier maanden van voortdurende ontgoochelingen het leger zijn vertrouwen in de regeringsredenaars en dagbladschrijvers verloren had, ontdekten dezelfde commissarissen een volslagen onwetendheid onder de soldaten.

Hoe linkser het garnizoen wordt, des te rechtser wordt de burger. Onder invloed van het offensief verrezen in Petrograd contrarevolutionaire verenigingen als paddestoelen uit de grond. Zij kozen namen waarvan de één nog mooier was dan de ander: Bond van de eer van het vaderland, Bond van de dienstplicht, Vrijheidsbataljon, Organisatie van de geest, enz. Onder deze fraaie uithangborden gingen de wensen en strevingen van de adel, van de officierenstand, van de bureaucratie, van de bourgeoisie schuil. Sommige van deze organisaties als de Oorlogsliga, de Bond van ridders van het St. Georgekruis of de Vrijwilligersdivisie vormden directe cellen van een militaire samenzwering. De ridders van de “eer” en van de “geest” wisten, doordat zij als vurige patriotten optraden, niet alleen met gemak de deuren van de geallieerde missies voor zich te openen, maar verkregen bovendien ook soms regeringssubsidies die aan de Sovjet als een “particuliere instelling” onthouden werden.

Een telg uit de familie van de krantenmagnaat Soevorin begon intussen de “Kleine krant” uit te geven, die als orgaan van het “onafhankelijk socialisme” een ijzeren dictatuur predikte en als kandidaat admiraal Koltsjak aanbeval. De meer degelijke pers zorgde, zonder de puntjes op de i te zetten, op alle manieren voor de populariteit van Koltsjak. De verdere lotgevallen van de admiraal bewijzen dat er reeds vanaf de voorzomer 1917 sprake was van een grootscheeps plan waaraan zijn naam verbonden was en dat er invloedrijke kringen achter Soevorin stonden.

De reactie liet het volgens de meest eenvoudige tactische berekening en afgezien van enkele op zich zelf staande flaters voorkomen alsof zij haar slagen uitsluitend tegen de leninisten richtte. Het woord “bolsjewiek” werd synoniem met alles wat des duivels was. Net als de tsaristische bevelhebbers vóór de revolutie de verantwoordelijkheid voor alle tegenslagen, ook die door hun eigen domheid, op Duitse spionnen en vooral op de joden afwentelden, werd nu, na het mislukken van het Junioffensief, de schuld voor alle tegenslagen en nederlagen op de bolsjewieken geschoven. De democraten van het genre Kerenski en Tsereteli verschilden daarin nagenoeg niet van de liberalen van het genre Miljoekov en de openlijke aanhangers van de lijfeigenschap zoals generaal Denikin.

Zoals altijd wanneer de conflicten tot het uiterste gespannen zijn maar het ogenblik van uitbarsting nog niet gekomen is, kwam de politieke machtsgroepering onverhulder en duidelijker aan het licht in toevallige en bijkomstige kwesties en niet zozeer in het fundamentele. Kronstadt diende in die weken als één van de bliksemafleiders voor de politieke hartstochten. De oude vesting die de meest trouwe wachtpost aan de zeepoort van de keizerlijke residentie moest zijn, had in het verleden meer dan eens de vlag van de opstand omhoog geheven. Ondanks de onbarmhartige straffen doofde de vlam van de opstand in Kronstadt nooit. Zij ontbrandde angstwekkend na de omwenteling. De naam van de zeevesting werd in de kolommen van de patriottische pers weldra synoniem voor de slechtste kanten van de revolutie, d.w.z. het bolsjewisme. In werkelijkheid was de sovjet van Kronstadt nog niet bolsjewistisch: hij was in mei samengesteld uit 107 bolsjewieken, 112 sociaal-revolutionairen, 30 mensjewieken en 97 partijlozen. Dit waren echter Kronstadtse sociaal-revolutionairen en Kronstadtse partijlozen die onder hoge druk leefden: voor het merendeel gingen zij in belangrijke kwesties samen met de bolsjewieken.

De matrozen van Kronstadt waren op politiek terrein noch tot manoeuvres, noch tot diplomatie geneigd. Zij hadden hun eigen stelregel: zo gezegd, zo gedaan. Het behoeft daarom geen verwondering te baren, dat zij tegenover de schijnregering voor vereenvoudigde methodes van actie waren. Op 13 mei bepaalde de Sovjet: “De Sovjet van arbeiders- en soldatenafgevaardigden vormt de enige macht in Kronstadt.”

De verwijdering van de regeringscommissaris, de kadet Pepelajew, die de rol van vijfde wiel aan de wagen vervulde, werd in de vesting amper opgemerkt. Een voorbeeldige orde werd bewaard. Kaartspel werd in de stad verboden, de kroegen werden gesloten of opgeheven. De Sovjet verbood het op straffe van “in beslagname van de eigendom en onmiddellijk transport naar het front” om zich dronken op straat te vertonen. Deze straf werd meermalen toegepast.

De matrozen die onder het verschrikkelijk regime op de tsaristische vloot en in de zeevesting gestaald waren en gewoon waren aan zware arbeid, offers, maar ook excessen, zij spanden nu alle krachten in om de revolutie waardig te zijn. Ze deden dit nu een nieuw leven voor hen gestart was, een leven waarin zij zich als de toekomstige meesters voelden. Enthousiast stortten zij zich in Petrograd op vriend en vijand en sleepten deze bijna met geweld naar Kronstadt om te tonen hoe revolutionaire zeelui in werkelijkheid zijn. Een dergelijke morele spanning kon natuurlijk niet eeuwig duren, maar zij bleef lange tijd bestaan. De zeelieden van Kronstadt werden tot een soort van strijdorde voor de revolutie. Maar van welke? In elk geval niet van de revolutie die door minister Tsereteli en zijn commissaris Pepelajew werd belichaamd. Kronstadt stond daar als een verkondiger van de naderende tweede revolutie. Het werd daarom gehaat door al diegenen die meer dan genoeg aan de eerste hadden.

De afzetting van Pepelajev, die op vreedzame wijze en onopvallend had plaatsgevonden, werd door de ordelievende pers zo ongeveer als een gewapende opstand tegen de staatseenheid geschilderd. De regering beklaagde zich bij de Sovjet. De Sovjet zond terstond een delegatie om invloed uit te oefenen op de matrozen. Knarsend kwam de machine van de dubbele heerschappij in beweging. De Sovjet van Kronstadt verklaarde met medewerking van Tsereteli en Skobeljev op 24 mei, en op aandringen van de bolsjewieken, dat hij om de strijd voor de Sovjetmacht voort te zetten praktisch verplicht was om zich te richten naar de Voorlopige Regering, zolang de Sovjetmacht niet in het gehele land gevestigd was. De volgende dag verklaarde de Sovjet onder druk van de over deze positie verontwaardigde matrozen dat er slechts een “nadere toelichting” van het standpunt van Kronstadt aan de ministers gegeven was, maar dat dit standpunt geheel ongewijzigd bleef. Dit was stellig een tactische fout waarachter niets anders dan een revolutionair verlangen schuilde.

De leiding besloot dit toeval te benutten om de mensen van Kronstadt een lesje te geven en hen tegelijkertijd voor de vroegere zonden te laten boeten. Als aanklager trad vanzelfsprekend Tsereteli op. Met een pathetisch beroep op zijn eigen verblijf in gevangenissen donderde hij vooral tegen de matrozen van Kronstadt omdat zij in de kazematten van de vesting tachtig officieren gevangen hielden. De gehele regeringsgezinde pers viel hem bij. Weliswaar moesten ook de kranten van de verzoeningsgezinden, d.w.z. van de ministers, toegeven dat het hier “om echte plunderaars van de schatkist van de staat” en om “mensen die het vuistrecht op afschuwelijke wijze uitgeoefend hadden” ging. Zelfs volgens de “Izvestia” (“Mededelingen”), het officieuze blad van Tsereteli, legden matrozen die als getuige gehoord waren verklaringen af over “de onderdrukking van de opstand van 1906 (door de gevangen genomen officieren), over massale fusillades, over sloepen die volgepropt waren met lijken van terechtgestelde matrozen en op zee tot zinken gebracht waren en over andere gruwelen… zij deelden dit zo eenvoudig mee alsof het om de meest gewone dingen ging.”

De matrozen van Kronstadt weigerden hardnekkig om de gearresteerden uit te leveren aan een regering die veel dichter stond bij de adellijke beulen en plunderaars van de schatkist dan bij de in het jaar 1906 en in andere jaren doodgemartelde matrozen. Het is niet toevallig dat de minister van justitie Pereversev, die door Soechanov zo zacht mogelijk uitgedrukt “één van de meest verdachte figuren uit de coalitieregering” genoemd wordt, stelselmatig de gemeenste vertegenwoordigers van de tsaristische gendarmerie uit de Peter-en-Paulsvesting bevrijdde. De democratische parvenus streefden er in de eerste plaats naar als edelmoedig beschouwd te worden door de reactionaire bureaucratie.

De matrozen van Kronstadt beantwoordden de beschuldigingen van Tsereteli in hun oproep: “De door ons in de revolutiedagen gevangen genomen officieren, gendarmes en politieagenten hebben zelf aan de vertegenwoordigers van de regering verklaard dat zij zich niet over de behandeling van de kant van de opzichters in de gevangenis te beklagen hebben. Inderdaad zijn de gevangenisgebouwen in Kronstadt verschrikkelijk. Het zijn echter dezelfde gevangenissen die het tsarisme voor ons gebouwd heeft. Wij hebben geen andere. En als wij de vijanden van het volk in deze gevangenissen vasthouden, dan gebeurt dit niet uit wraak maar uit overwegingen van revolutionair zelfbehoud.”

Op 27 mei berechtte de Sovjet van Petrograd de matrozen van Kronstadt. In een toespraak om de matrozen te verdedigen, wees Trotski Tsereteli er waarschuwend op dat in geval van gevaar, d.w.z. “wanneer een contrarevolutionair generaal zou proberen de revolutie de strop om te doen, de kadetten de strop zouden gereed maken terwijl de matrozen van Kronstadt klaar zouden staan om samen met ons te strijden en te sterven.” Deze waarschuwende voorspelling kwam reeds drie maanden later met verrassende nauwkeurigheid uit: toen generaal Kornilov de opstand ontketende en troepen tegen de hoofdstad liet oprukken, riepen Kerenski, Tsereteli en Skobeljev ter bescherming van het Winterpaleis om de matrozen van Kronstadt. Wat is de conclusie daaruit? De heren democraten verdedigden in juni de orde tegen anarchie, argumenten en waarschuwingen hadden geen vat op hen. Met een meerderheid van 580 tegen 162 stemmen en 74 onthoudingen wist Tsereteli in de Sovjet van Petrograd de resolutie door te drijven waarin de afvalligheid van het “anarchistisch” Kronstadt van de revolutionaire democratie verkondigd werd. De regering verbrak, zodra het ongeduldig afwachtende Mariinskipaleis op de hoogte gesteld was van deze excommunicatie, alle telefonische verbindingen voor particulier gebruik tussen de hoofdstad en de vesting. Zo wilde het vermijden dat het bolsjewistisch centrum invloed op de matrozen van Kronstadt kon uitoefenen. Tegelijk werd bevel gegeven om onmiddellijk alle opleidingsschepen uit Kronstadt te verwijderen en werd gevraagd naar een “onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van de Sovjet.” Het congres van boerenafgevaardigden dat terzelfdertijd beraadslaagde, probeerde het met de bedreiging om “de matrozen van Kronstadt levensmiddelen te onthouden.” De achter de rug van de verzoeningsgezinden loerende reactie zocht naar een definitieve en zo mogelijk bloedige oplossing.

“De roekeloze stap van de Sovjet van Kronstadt,” schrijft de jonge historicus Joegov, “kon ongewenste gevolgen hebben. Men moest een behoorlijke uitweg uit de toestand vinden. Met dit doel reisde Trotski naar Kronstadt, waar hij in de Sovjet optrad en een verklaring opstelde die door de Sovjet en later door Trotski ingediend met algemene goedkeuring door de meeting op het Ankerplein werd aangenomen.” De matrozen van Kronstadt handhaafden hun principiële stellingname en gaven in praktische kwesties toe.

De vreedzame bijlegging van het conflict bracht de burgerlijke pers buiten zichzelf van opwinding: er heerste anarchie in de vesting, de matrozen van Kronstadt drukten eigen geld – fantastische afbeeldingen werden in de bladen gereproduceerd – staatseigendom werd gestolen, vrouwen gesocialiseerd, plunderingen en drinkgelagen georganiseerd. De zeelieden die trots op hun strenge orde waren, balden de eeltige vuisten bij het lezen van de kranten die in miljoenen exemplaren de laster over hen door geheel Rusland verspreidden.

De justitieorganen van Pereversev lieten de voor hen terechtstaande officieren van Kronstadt de een na de ander vrij. Het zou zeer leerzaam zijn eens vast te stellen wie van de vrijgelatenen later aan de burgeroorlog deelnam en hoeveel matrozen, soldaten, arbeiders en boeren door hen doodgeschoten en opgehangen werden. Wij zijn helaas niet in staat deze leerzame statistiek hier te verschaffen.

Het gezag van de regering was gered. De matrozen kregen echter spoedig genoegdoening voor de ondergane krenkingen. Van alle kanten van het land kwamen resoluties ter begroeting van het rode Kronstadt binnen: van afzonderlijke linkse Sovjets, van bedrijven, regimenten, meetings. Het eerste regiment mitrailleurs demonstreerde op volle sterkte in de straten van Petrograd om zijn eerbied voor de matrozen van Kronstadt te betuigen “voor hun standvastige houding tegen de door hen gewantrouwde Voorlopige Regering.”

Kronstadt bereidde zich echter op een meer ernstige revanche voor. De hetze in de burgerlijke pers maakte het tot een factor van betekenis voor de gehele staat. “Het bolsjewisme wierp,” schrijft Miljoekov, “terwijl het zich verschanste in Kronstadt, met behulp van voortreffelijk geschoolde agitators zijn net van propaganda over Rusland uit. Afgezanten van Kronstadt werden zelfs naar het front gezonden waar zij de discipline ondermijnden, naar het achterland en naar het platteland, waar zij pogroms tegen de landgoederen op touw zetten. De Sovjet van Kronstadt voorzag de afgezanten van bijzondere legimitatiebewijzen: “N.N. wordt naar het …gouvernement gezonden om met beslissende stem aan de zittingen van de rayons-, districts- en dorpscomités deel te nemen, alsook vergaderingen te bezoeken en deze op iedere willekeurige plaats naar eigen goeddunken bijeen te roepen met het recht wapens te dragen en kosteloos op alle spoorwegen en stoomboten vervoerd te worden.” “De immuniteit van de persoon van de voormelde agitator wordt hierbij door de Sovjet van de stad Kronstadt gegarandeerd.”

Miljoekov vergeet, terwijl hij de ondermijningsarbeid van de Baltische zeelieden onthult, alleen maar te verklaren hoe en waardoor het mogelijk was dat enkele matrozen, voorzien van het merkwaardig mandaat van de Sovjet van Kronstadt, ondanks het aanwezig zijn van alwijze autoriteiten, instellingen en kranten ongehinderd in het gehele land rondreisden, overal eten en onderdak vonden, tot allerlei volksvergaderingen toegelaten werden en overal met aandacht aangehoord werden en de stempel van hun matrozenknuist op de historische gebeurtenissen drukten. Bij de in dienst van de liberale politiek staande historicus komt deze eenvoudige vraag helemaal niet op. Het wonder van Kronstadt was intussen slechts mogelijk doordat de matrozen veel beter de behoeften van de historische ontwikkeling tot uitdrukking wisten te brengen dan de geleerde professor. Het halfanalfabetisch mandaat bleek, om met Hegel te spreken, “wirksam” omdat het “vernünftig” was. De plannen die subjectief het knapst waren, bleken echter illusoir want de objectieve geest van de geschiedenis was er in het geheel niet in te vinden.

De sovjets bleven achter bij de bedrijfscommissies. De bedrijfscommissies op hun beurt achter bij de massa’s. De soldaten weer achter bij de arbeiders. Nog meer bleef de provincie achter bij de hoofdstad. Dit is de onvermijdelijke loop van het revolutionair proces dat duizend conflicten teweegbrengt om deze daarna als het ware toevallig, in het voorbijgaan, spelenderwijs te overwinnen en tegelijkertijd nieuwe teweeg te brengen. Ook de partij bleef achter bij de loop van de revolutie, d.w.z. die organisatie die allerminst mag achterblijven, vooral niet in een revolutie. In arbeiderscentra als Jekaterinenburg, Perm, Toela, Nisjni-Novgorod, Sormovo, Kolomna, Joesovka hadden de bolsjewieken zich pas eind mei van de mensjewieken afgescheiden. In Odessa, Nikolajev, Jelissavetgrad, Poltava en op andere punten van de Oekraïne bezaten de bolsjewieken zelfs midden juni nog geen zelfstandige organisaties. In Bakoe, Slatoest, Besjezk, Kostroma scheidden de bolsjewieken zich pas einde juni definitief van de mensjewieken af. Deze feiten lijken verwonderlijk indien men bedenkt dat de bolsjewieken reeds vier maanden later de macht zouden grijpen. Hoever was de partij tijdens de oorlog bij het interne proces in de massa’s, en hoever was de leiding Kamenev-Stalin in de maand maart bij de grote historische taak achterop gebleven! De meest revolutionaire partij die de menselijke geschiedenis tot op de huidige dag gekend heeft, werd toch nog door de revolutionaire gebeurtenissen verrast. Zij vormde zich om in het vuur van de strijd en ordende haar gelederen onder de drang van de gebeurtenissen zelf. De massa’s bleken op het beslissend moment “honderdmaal” linkser dan de meest linkse partij te zijn.

De toename van de invloed van de bolsjewieken die zich met de kracht van een natuurproces voltrok, vertoont bij nadere beschouwing tegenstrijdigheden en bochten, op- en neergangen. De massa’s zijn niet homogeen en bovendien leren zij alleen maar met het vuur van de revolutie om te gaan door er zich de vingers aan te branden en dan terug te deinzen. De bolsjewieken konden enkel de scholing van de massa’s versnellen. Zij voedden geduldig op. De geschiedenis heeft overigens hun geduld ditmaal niet lang op de proef gesteld. Terwijl de bolsjewieken onophoudelijk werkplaatsen, fabrieken en regiment en wisten te veroveren, hadden de verkiezingen voor de democratische Doema een grote en ogenschijnlijk toenemende meerderheid van de verzoeningsgezinden tot resultaat. Dit was een van de meest krasse en meest raadselachtige tegenstrijdigheden van de revolutie. Wel was de Doema van de zuiver proletarische wijk Vyborg trots op zijn bolsjewistische meerderheid, maar dit was een uitzondering. De sociaal-revolutionairen wisten bij de stedelijke verkiezingen in Moskou in juni nog meer dan zestig procent van de stemmen achter zich te krijgen. Dit aantal verbaasde hen zelf: het kon hen niet ontgaan dat hun invloed snel dalende was. Voor een goed begrip van de verhouding tussen de werkelijke ontwikkeling van de revolutie en haar weerspiegeling in de spiegel van de democratie zijn de Moskouse verkiezingen van buitengewoon groot belang. De vooruitstrevende groepen arbeiders en soldaten haastten zich reeds om zich los te maken van de verzoeningsgezinde illusies, terwijl de brede massa’s van de stedelijke kleinburgerij nu pas in beweging begonnen te komen. De democratische verkiezingen vormden voor deze verbrokkelde massa wellicht de eerste mogelijkheid, in elk geval een zeldzame mogelijkheid, om zich politiek te uiten. Terwijl de arbeider, de mensjewiek of sociaal-revolutionair van gisteren, zijn stem aan de partij van de bolsjewieken gaf en de soldaat meesleepte, kwamen de huurkoetsier, de postbode, de portier, de koopvrouw, de handelaar en zijn bediende en de onderwijzer door een zo heldhaftige daad als het uitbrengen van hun stem op de sociaal-revolutionair voor de eerste maal uit hun politiek niet-zijn te voorschijn. Al was het laat, zo stemden nu de kleinburgerlijke groepen op Kerenski, omdat de Februarirevolutie die hen nu pas bereikt had in hun ogen in hem belichaamd was. De Moskouse Doema schitterde met zijn sociaal-revolutionaire meerderheid van 60 procent als een uitdovende ster. Met de andere organen van het democratisch zelfbestuur was het evenzo gesteld. Terwijl zij nauwelijks ontstaan waren, werden zij reeds door de onmacht van hun te laat geboren zijn getroffen. Dit betekent dat de verdere loop van de revolutie afhing van de arbeiders en soldaten, en niet van het menselijk stof dat door de revolutionaire stormen opgeworpen was en in de wervelwinden van de revolutie danste.

Dit is de diepe en tegelijkertijd eenvoudige dialectiek van het revolutionair ontwaken van de onderdrukte klassen. De meest gevaarlijke dwaling van de revolutie bestaat daarin dat de democraat die maar mechanisch optelt, verleden, heden en toekomst samenvoegt en hierdoor formele democraten ertoe brengt de kop van de revolutie daar te zoeken waar zich in werkelijkheid haar staart bevindt. Lenin leerde zijn partij om de kop en staart te onderscheiden.

De boeren

De agrarische kwestie vormde de basis van de revolutie. In de archaïsche rechtsverhoudingen op het platteland, verhoudingen die direct uit de lijfeigenschap voortgekomen waren, in de traditionele macht van de grootgrondbezitter, in de nauwe banden tussen grootgrondbezitters, plaatselijke administratie en standenbestuur van het land, wortelden de meest barbaarse verschijnselen van het Russische leven, bekroond door de Raspoetinse monarchie. De moezjiek, die de steunpilaar van het eeuwenoude Aziatendom was, was tegelijkertijd één van zijn eerste slachtoffers.

In de eerste weken na de Februari-omwenteling roerde het dorp zich vrijwel niet. De meest actieve lichtingen waren aan het front. De oudere generaties, die thuis gebleven waren, herinnerden zich maar al te goed de strafexpedities als slot van een revolutie. Het dorp zweeg en derhalve zweeg ook de stad over het dorp. Het spook van de boerenoorlog zweefde echter reeds vanaf de maartdagen boven de landgoederen. Een kreet om hulp weerklonk uit de overwegend adellijke, d.w.z. meest achtergebleven en reactionaire gouvernementen, nog voordat het werkelijk gevaar gebleken was. De liberalen weerspiegelden uitstekend de angst van de grootgrondbezitters. De verzoeningsgezinden de stemming van de liberalen. “Een forceren van het agrarisch vraagstuk in de komende weken,” redeneerde de “linkse” Soechanov na de omwenteling, “is gevaarlijk en er bestaat ook niet de minste noodzaak daartoe.” Evenzeer meende Soechanov, naar wij reeds weten, dat het gevaarlijk was de kwestie van de vrede en de achturendag te forceren. Het was eenvoudiger de ogen voor de moeilijkheden te sluiten. Bovendien joegen de grootgrondbezitters ook nog angst aan met het perspectief dat een ontwrichting van de verhoudingen op het platteland een schadelijke invloed zou hebben op de voedselvoorziening van de steden. Het Uitvoerend Comité zond waarschuwende telegrammen naar het platteland. Het stelde dat men zich “niet tot een optreden op landbouwgebied ten nadele van de voedselvoorziening van de steden mocht laten verleiden.”

De grootgrondbezitters, die door de revolutie verschrikt waren, wachtten op vele plaatsen met de voorjaarsuitzaai. Bij het nijpend voedselgebrek in het land riep de niet bewerkte grond als het ware om een nieuwe meester. De boeren morden. De grootgrondbezitters gingen, daar zij de nieuwe regering niet vertrouwden, ertoe over ijlings hun bezittingen te liquideren. In de verwachting dat de gedwongen onteigeningen niet op hen, als boeren, toepassing zouden vinden, kochten de koelakken op grote schaal landerijen op. Vele verkopen van grond waren fictief. Men ging ervan uit dat de private eigendom onder bepaalde voorwaarden geëerbiedigd zou blijven. Met het oog hierop verdeelden de grootgrondbezitters hun landerijen in kleine stukken die zij op gefingeerde bezitters overdroegen. De grond werd niet zelden op naam van buitenlanders, burgers van de geallieerde of van neutrale landen, overgeschreven. De speculaties van de koelakken en de machinaties van de grootgrondbezitters dreigden tot het bijeenroepen van de Constituerende Vergadering niets van het grondbezit over te laten.

Het dorp bemerkte deze manoeuvres. Vandaar de eis: elke grondtransactie bij decreet verbieden. Pleitbezorgers van de boeren stroomden van heinde en ver naar de stad, naar de nieuwe autoriteiten, om land en waarheid te zoeken. De ministers botsten na afloop van gewichtige gesprekken niet zelden op de grauwe gestalten van boerenafgevaardigden. Soechanov vertelt hoe een pleitbezorger van de boeren met tranen in de ogen de burgerministers smeekte een wet te maken die het grondbezit beschermde tegen verkoop. “Ongeduldig viel de opgewonden bleke Kerenski hem in de rede: ‘Ik heb gezegd dat het in orde komt, dus zal het in orde komen… en het is niet nodig mij met wantrouwende ogen aan te kijken.’” Soechanov, die deze scene bijwoonde, voegt er aan toe: “Ik citeer woordelijk – en Kerenski had gelijk: de moezjieks keken met wantrouwende ogen naar de beroemde volksminister en leider.” In deze korte dialoog tussen de boer die nog smeekt, maar reeds niet meer vertrouwt, en de radicale minister die het wantrouwen van de boer afweert, ligt de onvermijdelijkheid van de val van het Februariregime.

De voorschriften over de landcommissies als organen ter voorbereiding van de agrarische hervorming waren opgesteld door de eerste minister van landbouw, de kadet Sjingarov. De hoogste landcommissie, met de liberaal-bureaucratische professor Postnikov aan het hoofd, bestond hoofdzakelijk uit narodniki, die vooral bang waren minder gematigd te lijken dan hun voorzitter. De plaatselijke landcommissies werden in de gouvernementen, gewesten en districten gevormd. Terwijl de Sovjets, die in het dorp slechts moeilijk vaste voet wisten te krijgen, als particuliere instellingen golden, hadden de landcommissies een officieel karakter. Hoe vager hun functies in werkelijkheid waren, des te moeilijker konden zij aan de druk van de boeren weerstand bieden. Hoe lager een commissie op de hiërarchische ladder stond, des te dichter stond zij bij het platteland en des te eerder werd zij een werktuig in handen van de boerenbeweging.

Einde maart bereikten de eerste verontrustende berichten over het optreden van boeren de hoofdstad. De commissaris te Nowgorod bericht telegrafisch over onlusten die de lagere officier Panasjoek verwekte naar aanleiding van “ongemotiveerde arrestaties van grootgrondbezitters.” In het gouvernement Tambov wordt een landgoed geplunderd door een boerenmenigte met enkele ontslagen soldaten aan het hoofd. De eerste berichten zijn ongetwijfeld overdreven, de grootgrondbezitters blazen klaarblijkelijk in hun klachten de botsingen op en lopen op de gebeurtenissen vooruit. Iets waarover echter geen twijfel kan bestaan, is de leidende rol die de soldaten die van het front en uit de garnizoenen in de stad terugkeren in de boerenbeweging spelen.

Een districtscommissie in het gouvernement Charkow besluit op 5 april huiszoekingen naar wapens bij de grondbezitters te doen houden. Men voelt hier reeds duidelijk de burgeroorlog naderkomen. Het ontstaan van onlusten in het Skopinskigebied, gouvernement Rjazan, wordt door de commissaris daaruit verklaard dat het Uitvoerend Comité van het naburig gebied een gedwongen verpachting van het grootgrondbezit aan de boeren gelastte. “De agitatie van de studenten tot handhaving van orde en rust tot aan het bijeenroepen van de Constituerende Vergadering had geen succes.” Zo vernemen wij dat “studenten”, die in de eerste revolutie opgeroepen hadden tot een agrarische terreur – dit was toentertijd de tactiek van de sociaal-revolutionairen – in 1917 daarentegen orde en rust predikten, hoewel zonder succes.

De commissaris van het gouvernement Simbirsk geeft een beeld van de groeiende boerenbeweging: de districts- en dorpscornmissies – hierover zullen wij later nog spreken – arresteren grootgrondbezitters, verbannen hen uit het gouvernement, verwijderen de arbeiders van de velden van de landheren, nemen de grond in beslag en stellen eigenmachtig de pachtsom vast. De door het Uitvoerend Comité gezonden afgevaardigden lopen naar de boeren over. Tegelijkertijd begint de beweging van de leden van de Mir (*) tegen de kolonisten, d.w.z. tegen de grote boeren die zich op grond van de wet van Stolypin van 9 november 1906 met aparte stukken land afgescheiden hadden. “De toestand in het gouvernement brengt de bebouwing van de velden in gevaar.” De gouvernementscommissaris van Symbirsk ziet reeds in april geen andere uitweg dan een onverwijlde proclamatie van de grond tot nationaal eigendom met de bepaling dat de wijze van landgebruik later vastgelegd zal worden door de Constituerende Vergadering.

Er komen klachten uit het gebied Kasjirski, dicht bij Moskou, dat het Uitvoerend Comité de bevolking ertoe verleidde zich landerijen van de kerk, van de kloosters en van de grootgrondbezitters toe te eigenen. In het gouvernement Koersk halen de boeren de krijgsgevangenen van het werk op de landgoederen weg en zetten hen zelf in de plaatselijke gevangenis gevangen. De boeren van het gouvernement Pensa nemen na de boerencongressen de resoluties van de sociaal-revolutionairen over land en vrijheid letterlijk op. Ze beginnen de overeenkomsten die kort voordien met de landeigenaren gesloten waren te schenden. Tegelijkertijd beginnen zij een veldtocht tegen de nieuwe regeringsorganen. Bij de samenstelling van de commissies in de districten en gebieden in de maand maart worden vooral vertegenwoordigers van de intelligentsia gekozen. Later gingen er echter, naar de commissaris van Pensa meldt, stemmen tegen hen op en midden april bestonden de commissies overal reeds uitsluitend uit boeren die openlijk een onwettig standpunt in de agrarische kwestie innamen.

Een groep van het naburig gouvernement Kazan beklaagt zich bij de Voorlopige Regering over de onmogelijkheid om verder te werken. Dat komt omdat de boeren de landarbeiders wegjagen, het zaad wegnemen, op vele plaatsen hun hele hebben en houden van de hoeven wegvoeren, de grondeigenaren beletten hout te kappen in hun bossen, met geweld en dood dreigen. “Er bestaat geen recht meer, iedereen doet wat hij wil, het verstandige deel wordt geterroriseerd.” De landeigenaren van Kazan weten reeds wie schuld aan de anarchie heeft: “De beschikkingen van de Voorlopige Regering zijn in het dorp niet bekend, maar de vlugschriften van de bolsjewieken zijn daarentegen op grote schaal verspreid.”

Er was intussen geen gebrek aan beschikkingen van de Voorlopige Regering. Vorst Lvov liet het per telegram op 20 maart aan de commissarissen over om districtscommissies als organen van de plaatselijke autoriteiten op te richten. Hij raadde hen aan de plaatselijke grondbezitters en alle intellectuele krachten van het dorp aan het werk te zetten. Het plan was om het gehele staatsbestuur te organiseren volgens het systeem van de vredeskamers. De commissarissen zagen zich echter spoedig genoodzaakt te klagen over de verdringing van de “intellectuele krachten.” De moezjiek wantrouwde klaarblijkelijk de rayons- en districts-Kerenski’s.

Op 3 april decreteert de plaatsvervanger van vorst Lvov, vorst Oeroessov – zoals we zien was het ministerie van binnenlandse zaken rijk aan hoge heren – geen willekeur te dulden en vooral de vrijheid van iedere landeigenaar om onbeperkt over zijn land te beschikken, d.w.z. de mooiste van alle vrijheden, te beschermen. Na tien dagen oordeelt vorst Lvov het noodzakelijk zich er zelf mee te bemoeien en de commissarissen te gelasten iedere daad van geweld en plundering “met alle wettige middelen te onderdrukken.” Weer twee dagen later beveelt vorst Oeroessov aan een gouvernementscommissaris maatregelen te treffen ter bescherming van de stoeterijen tegen daden van willekeur, doordat men de boeren inlicht… Op 18 april maakt vorst Oeroessov zich bezorgd omdat de krijgsgevangenen die op de landgoederen werken onmatige eisen beginnen te stellen en hij beveelt de commissarissen de brutale lieden te bestraffen op grond van de volmachten waarover vroeger de tsaristische gouverneurs beschikten. Het regent onafgebroken circulaires, beschikkingen, telegrafische bevelen. Op 12 mei somt vorst Lvov in een nieuw telegram de uitspattingen op die “maar niet willen ophouden in het hele land”: willekeurige arrestaties, huiszoekingen, ontzetting uit ambten, rentmeesterschappen, fabrieksleidingen, plunderingen, diefstallen, vrijbuiterij, gewelddaden tegen ambtelijke personen, belastingheffing van de bevolking, ophitsing van het ene deel van de bevolking tegen het andere, enz., enz. “Dergelijke daden moeten allen als stellig onwettig, in sommige gevallen zelfs als anarchistisch, beschouwd worden…” De kwalificatie is niet erg duidelijk, maar de conclusie is dat wel: “de meest energieke maatregelen treffen.” De gouvernementscommissarissen gaven de circulaires ijverig door aan de rayons, de rayonscommissarissen oefenden druk uit op de districtscommissie en allen samen toonden zij hun onmacht aan de moezjiek.

Bijna overal grijpen de in de nabijheid liggende troepenafdelingen in. Zeer dikwijls zijn zij het die beginnen. De beweging neemt zeer verschillende vormen aan, naar gelang van de plaatselijke verhoudingen en de mate waarin de strijd zich verscherpt. In Siberië, waar geen grootgrondbezitters zijn, eigenen de boeren zich goederen van de kerk en van de kloosters toe. Het is overigens ook in andere delen van het land slecht gesteld met de geestelijkheid. In het vrome gouvernement Smolensk zet men onder invloed van van het front terugkerende soldaten de pastoors en de monniken gevangen. De plaatselijke instellingen zien zich dikwijls genoodzaakt verder te gaan dan hen lief is, om te beletten dat de boeren nog radicalere maatregelen nemen. Een rayons-Uitvoerend Comité in het gouvernement Samara stelde begin mei het landgoed van graaf Orlov-Davydov onder overheidsbeheer, om hem op die manier tegen de boeren te beschermen. Daar het door Kerenski beloofde decreet betreffende het verbod van verkoop van land niet uitgevaardigd werd, begonnen de boeren op eigen gezag de verkoop van bezittingen te beletten, doordat zij de landmetingen niet toelieten. Het in beslag nemen van wapens bij de grootgrondbezitters, zelfs van jachtgeweren, neemt een steeds grotere omvang aan. “De boeren van het gouvernement Minsk,” klaagt de commissaris, “beschouwen de resoluties van het boerencongres als wet.” Hoe had men ze ook anders kunnen opvatten? Deze congressen waren immers de enige werkelijke macht op het platteland. Zo komt het grote misverstand tussen de sociaalrevolutionaire intellectuelen die zich verslikten in woorden, en de boeren die daden eisen, aan de dag.

Einde mei kwam de grote Aziatische steppe in beweging. De Kirgiezen, aan wie de tsaren de beste landerijen ontnomen hadden ten gunste van hun lakeien, staan nu op tegen de landeigenaren, terwijl zij hen de eis stellen de van diefstal afkomstige landgoederen zo snel mogelijk te liquideren. “Deze opvatting dringt door in de steppe,” meldt de commissaris van Akmolinsk.

Aan de andere kant van het land, in het gouvernement Lijfland, werd door het rayons-Uitvoerend Comité een onderzoekscommissie inzake de plundering op het landgoed van baron Stahl von Holstein gevestigd. De commissie vond de onlusten onbetekenend, de aanwezigheid van de baron in het rayon gevaarlijk voor de publieke rust en gelastte hem samen met de barones ter beschikking van de Voorlopige Regering naar Petrograd te zenden. Zo ontstond een van die talloze conflicten tussen plaatselijke autoriteiten en het centraal gezag, tussen lagere sociaal-revolutionairen en hogere sociaal-revolutionairen.

Het rapport van 27 mei uit het rayon Pavlovgrad in het gouvernement Jekaterinoslav schetst bijna idyllische toestanden: de leden van de plattelandscommissie lichten de bevolking in over alle misverstanden waardoor zij “allerlei excessen voorkomen.” Deze idylle zal echter maar enkele weken duren.

De prior van een van de kloosters in Kostroma beklaagt zich eind mei bij de Voorlopige Regering over de opeising van een derde van de kloosterlijke veestapel door de boeren. De eerwaarde monnik moest wat bescheidener zijn. Weldra zal hij ook van de overige tweederden afstand moeten doen.

In het gouvernement Koersk beginnen vervolgingen tegen de kolonisten die weigerden terug te keren in de dorpsgemeenten. De boeren willen voor de grote agrarische omwenteling, voor de nieuwe verdeling als een geheel optreden. Onderlinge scheidingen zouden een belemmering kunnen worden. De Mir moet als één man optreden. De strijd om het land van de grootgrondbezitters gaat derhalve met gewelddaden tegen de kolonisten, d.w.z. de plattelandsindividualisten, gepaard.

Op de laatste dag van mei wordt in het gouvernement Perm soldaat Samojlow gevangen genomen, die aangespoord had tot belastingweigering. De soldaat Samojlow zal spoedig anderen gevangen nemen. De boer Grisenko hakte bij de processie in een dorp van het gouvernement Charkow met een bijl het gewijde beeld van de heilige Nicolaus stuk. Zo neemt het protest de meest verschillende vormen aan en zet het zich om in daden.

Een zeeofficier en grondeigenaar geeft in de anonieme “Aantekeningen van een Witgardist” een interessante beschrijving van de evoluties van het dorp gedurende de eerste maanden na de omwenteling. Op alle posten werden vrijwel overal personen uit burgerlijke kringen gekozen. Allemaal waren ze er slechts op uit om de orde te handhaven. De boeren eisten weliswaar land, maar in de eerste twee, drie maanden zonder geweld te gebruiken. Men kon integendeel telkens weer uitlatingen horen als “wij willen niet plunderen, wij wensen tot overeenstemming te komen.” De luitenant meende echter in deze kalmerende verklaringen een “verkapt dreigement” te horen. Inderdaad begonnen de boeren, hoewel zij in de eerste tijd niet hun toevlucht namen tot geweld, toch ineens hun minachting te betonen tegenover de zogenaamde intellectuelen. De afwachtende houding duurde, volgens de woorden van de witgardist, tot mei/juni “waarna er een krasse ommekeer was, met name de tendens om zich tegen de bepalingen van het gouvernement te verezetten en de zaken naar eigen oordeel op te knappen.” De boeren lieten m.a.w. aan de Februarirevolutie een tijd van ongeveer drie maanden ter voldoening van de sociaalrevolutionaire wissel om daarna zelfstandig tot inning over te gaan.

De soldaat Tsjinenov, die zich bij de bolsjewieken had aangesloten, reisde na de omwenteling tweemaal van Moskou naar zijn geboorteplaats in het gouvernement Orel. In mei heersten de sociaal-revolutionairen in het district. De moezjieks betaalden op vele plaatsen nog de pacht aan de grootgrondbezitters. Tsjinenov organiseerde een bolsjewistische afdeling met soldaten, landarbeiders en armen van het dorp. De groep propageerde stopzetting van belastingbetaling en toedeling van goud aan personen die geen grond bezaten. Men maakte terstond een lijst van de weiden van de grootgrondbezitters op, verdeelde deze onder de dorpen en maaide ze af. “De sociaal-revolutionairen die in het districtscomité zaten, schreeuwden moord en brand over de onwettigheid van onze handelingen, maar zagen niet af van hun aandeel in het hooi.” Daar de districtsvertegenwoordigers uit angst voor de verantwoordelijkheid hun volmachten neerlegden, kozen de boeren andere, meer vastberaden afgevaardigden. Dit waren lang niet altijd bolsjewieken. De boeren scheurden door hun directe druk de sociaal-revolutionaire partij, doordat zij de revolutionair gezinde elementen scheidden van de bureaucraten en baantjesjagers. Nadat de boeren het gras van de landheren afgemaaid hadden, begonnen zij met de braakliggende velden en verdeelden de grond onder elkaar voor de winteruitzaai. De bolsjewistische groep nam het besluit de voorraadschuren van de grondbezitters te inspecteren en de broodvoorraden naar het hongerlijdende centrum te zenden. De beschikkingen van de groep werden uitgevoerd, daar zij in overeenstemming met de opvattingen van de boeren waren. Tsjinenov bracht bolsjewistische literatuur mee naar huis, waarvan niemand tevoren een flauw vermoeden gehad had. “De plaatselijke intellectuelen en de sociaal-revolutionairen verspreidden het gerucht dat ik veel Duits goud meebracht en de boeren omkocht.” Overal voltrekt zich, hier sneller, daar langzamer, hetzelfde proces. Elk district heeft zijn Miljoekovs, zijn Kerenskis en zijn Lenins.

In het gouvernement Smolensk werd de invloed van de sociaal-revolutionairen na het gouvernementscongres van de boerenafgevaardigden, dat zich zoals gewoonlijk voor een overgang van de grond in handen van het volk uitgesproken had, sterker. De boeren aanvaardden dit besluit onvoorwaardelijk, maar anders dan de leiders deden ze dit in volle ernst.

Het aantal sociaal-revolutionairen stijgt van nu af aan onafgebroken in het dorp. “Wie één of ander congres in de fractie van de sociaal-revolutionairen bijgewoond had,” deelt een politicus uit die streek mee, “hield zichzelf voor een sociaal-revolutionair of iets dergelijks…” In de stad van het rayon lagen twee regimenten, die eveneens onder invloed van de sociaal-revolutionairen stonden. De districtscommissies begonnen het land van de grootgrondbezitters te bebouwen en de weiden af te maaien. De gouvernementscommissaris, de sociaal-revolutionair Jefimov, stuurde dreigende bevelen. Het dorp stond versteld: dezelfde commissaris had toch op het gouvernementscongres gezegd dat de boeren zelf de macht vormden en dat slechts hij de vruchten van de grond mocht genieten die deze zelf bewerkte. Men moest echter rekening houden met de feiten. Op bevel van de sociaal-revolutionaire commissaris Jefimov werden in de komende maanden alleen in het rayon Jelninski reeds zestien van de zeventien districtscommissies aangeklaagd wegens in bezitneming van landerijen van de grootgrondbezitters. De romance van de populaire intellectuelen met het volk liep op deze eigenaardige manier ten einde. Er waren in het gehele rayon drie, vier bolsjewieken, stellig niet meer. Hun invloed nam echter snel toe en verdrong of verdeelde de sociaal-revolutionairen.

Begin mei werd een Al-Russisch boerencongres in Petrograd georganiseerd. De samenstelling was representatief en in vele gevallen volkomen willekeurig. Terwijl de arbeiders- en soldatencongressen de neiging hadden om bij de gebeurtenissen en de politieke ontwikkelingsgang van de massa’s  achter te blijven, behoeft het nauwelijks vermeld te worden hoe ver de vertegenwoordiging van de verdeeld zijnde boeren bij de werkelijke stemming in de dorpen achterbleef. Aan de ene kant fungeerden als afgevaardigden narodniki-intellectuelen van de meest rechtse soort, lieden die voornamelijk door handelscoöperatie of jeugdherinneringen met de boeren verbonden waren, terwijl het echte “volk” door de meer welgestelden uit het dorp, koelakken, handelaars, boerencoöperators vertegenwoordigd was. De sociaal-revolutionairen beheersten dit congres volkomen en wel door een uiterst rechtse vleugel. Soms moesten zij zich matigen, verschrikt door de onstellende mengelmoes van landhonger en politieke zwartehonderdmentaliteit onder de andere afgevaardigden. De algemene stellingname van het congres met betrekking tot het feodale grootgrondbezit was zeer radicaal: overgang van alle grond in gemeenschappelijk bezit van het volk ter bewerking en gebruik op voet van gelijkheid zonder enige vergoeding. Natuurlijk verstonden de koelakken onder op voet van gelijkheid slechts hun gelijkstelling met de grondeigenaren, maar geenszins met de landarbeiders. Het was nog voor de toekomst weggelegd dit kleine misverstand tussen het denkbeeldig narodniki-socialisme van de narodniki en het agrarisch moezjiek-democratisme op te helderen.

De minister van landbouw Tsjernov, die popelde van verlangen om aan het boerencongres een paasverrassing te koppelen, werkte zonder resultaat aan een ontwerpdecreet betreffende het verbod van landverkoop. De minister van justitie, Pereversev, die eveneens voor een soort sociaalrevolutionair doorging, had juist in de dagen van het congres bepaald dat de plaatselijke autoriteiten geen belemmeringen aan de verkopingen van grond in de weg mochten leggen. De boerenafgevaardigden mopperden daarom een beetje hierover. De zaak schoot echter in het geheel niet op. De Voorlopige Regering van vorst Lvov was niet geneigd om de landerijen van de grootgrondbezitters in bezit te nemen. De socialisten wilden niet de hand leggen op de Voorlopige Regering. De samenstelling van het congres was intussen van dergelijke aard dat het allerminst in staat was een uitweg te vinden uit de tegenstellingen die er waren tussen zijn begeerte naar land en zijn reactionaire gezindheid.

Op 20 mei sprak Lenin op het boerencongres. “Het leek,” zegt Soechanov, “alsof Lenin in een troep krokodillen verzeild was. De moezjieks luisterden echter opmerkzaam en stellig niet zonder sympathie. Zij waagden het echter niet deze te tonen.” Ditzelfde herhaalde zich in de soldatensectie, die buitengewoon vijandig tegenover de bolsjewieken stond. Ook Soechanov tracht na de sociaal-revolutionairen en mensjewieken een anarchistische tint aan Lenins tactiek in de agrarische kwestie te geven. Hij staat hierbij niet ver van vorst Lvov, die de aanslagen op de rechten van de grootgrondbezitters als anarchistische daden wilde beschouwen. Volgens deze redenering is de revolutie volkomen identiek met anarchie. De probleemstelling van Lenin ging in werkelijkheid veel dieper dan zij aan zijn critici toeleek. De Sovjets van boerenafgevaardigden met de onder deze ressorterende landcommissies zouden organen van de agrarische revolutie worden, allereerst om het feodale grootgrondgebied te liquideren. Lenin zag in de Sovjets organen van de toekomstige staatsmacht en wel van de meest geconcentreerde staatsmacht, namelijk van de revolutionaire heerschappij. Dit verschilt in elk geval hemelsbreed van anarchisme, d.w.z. van de theorie en praktijk van de regeringloosheid. “Wij zijn,” zei Lenin op 23 april, “voor een onmiddellijke overgave van de grond aan de boeren bij een zo krachtig mogelijke organisatie. Wij zijn absoluut tegen anarchistische inbezitnemingen. Waarom wij niet op de Constituante willen wachten? Het revolutionaire initiatief is belangrijk voor ons, maar de wettigheid moet het resultaat ervan zijn. Indien je wacht totdat de wet geschreven is, maar zelf intussen geen revolutionaire energie ontplooit, zullen jullie geen wet en geen grond verkrijgen.” Is in deze eenvoudige woorden niet de stem van alle revoluties te horen?

Het boerencongres koos na maandenlange beraadslagingen een uitvoerend comité als vaste instelling, bestaande uit tweehonderd robuste kleinburgers uit het dorp en narodniki van het professors- of handelaarstype, en aan het hoofd van dit gezelschap werden de decoratieve figuren Bresjkovskaja, Vsjajkovski, Vera Figner en Kerenski gesteld. Tot voorzitter werd Avksentjev gekozen, die in de wieg gelegd was voor regeringsbanketten, maar niet voor de boerenoorlog.

De belangrijkste kwesties werden van nu af aan behandeld in gemeenschappelijke zittingen van twee executieven: die van de arbeiders en soldaten en die van de boeren. Deze verbinding betekende een buitengewone versterking van de rechtervleugel die direct op de kadetten steunde. In alle gevallen, waarin men druk op de arbeiders wilde uitoefenen, de bolsjewieken wilde aanvallen, de “onafhankelijke republiek Kronstadt” met alle denkbare plagen wilde bedreigen, gingen eendrachtig de tweehonderd handen of liever gezegd vuisten van de boerenexecutieve omhoog. Deze mensen waren het er met Miljoekov volkomen over eens dat men met de bolsjewieken moest “afrekenen”. Aangaande het adellijk grootgrondbezit huldigden zij echter moezjiekopvattingen en niet-liberale theorieën en dit bracht hen in conflict met de burgerij en de Voorlopige Regering.

Het boerencongres was nauwelijks uit elkaar gegaan of het regende reeds klachten dat men de resoluties op het platteland voor ernstig opnam, waarbij de grond en de bezittingen van de grootgrondbezitters in beslag werden genomen. Het was absoluut onmogelijk om het onderscheid tussen woord en daad in de stompzinnige koppen van de moezjieks te hameren.

De sociaal-revolutionairen gaven verschrikt het signaal tot de terugtocht. Zij veroordeelden op hun congres in begin mei te Moskou plechtig iedere eigenmachtige inbezitneming van land: men moest op de Constituerende Vergadering wachten. De resolutie was echter niet in staat om de agrarische beweging tegen te houden of zelfs maar te verzwakken. Een bijkomende complicatie was dat er in de sociaalrevolutionaire partij heel wat elementen waren die bereid waren om tot op het einde samen met de boer tegen de grootgrondbezitter in te gaan, maar dat deze linkse sociaalrevolutionairen niet konden beslissen om officieel met de partij te breken en de moezjieks te helpen bij het overtreden van de wetten of bij het uitleggen ervan op hun eigen manier.

In het gouvernement Kazan, waar de boerenbeweging een buitengewoon stormachtig verloop had, maakten de linkse sociaal-revolutionairen zich eerder dan elders onafhankelijk. Kalegajev, de latere volkscommissaris van landbouw in de Sovjetregering in de periode van het blok van de bolsjewieken met de linkse sociaal-revolutionairen, stond aan hun hoofd. Vanaf midden mei begint in het gouvernement Kazan de systematische overgave van de grond aan de districtscommissie. Deze maatregel werd het meest consequent doorgevoerd in het rayon Spassk, waar een bolsjewiek aan het hoofd van de boerenorganisatie stond. De gouvernementsbeambten beklaagden zich bij het centraal gezag over de agrarische agitatie die door de bolsjewieken die uit Kronstadt overgekomen waren, gevoerd werd. Ze klaagden erover dat deze bolsjewieken zelfs de vrome non Tamara “wegens verzet” gearresteerd hadden.

Uit het gouvernement Voronezj rapporteerde de commissaris op 2 juni: “De gevallen van rechtschennis en onwettige daden vermeerderen met de dag in het gouvernement, in het bijzonder op agrarisch terrein.” Inbezitnemingen van land namen toe in het gouvernement Pensa. Een dorpscommissie in het gouvernement Kaloega nam de helft van de hooioogst van een klooster af; het rayoncomité besloot op de klacht van de prior dat de gehele hooioogst afgenomen moest worden. Het is geen uitzondering dat de hogere instantie radicaler is dan de lagere. De abdes Maria uit het gouvernement Pensa beklaagde zich over onteigening van kloosterlijk bezit. “De plaatselijke autoriteiten zijn onmachtig.”

In het gouvernement Vjatka legden de boeren beslag op het landgoed van de Skoropadskis, de familie van de latere Oekraïnse Hetman, en bepaalden “tot aan de definitieve oplossing van het vraagstuk van de grondeigendom” de bossen niet aan te tasten en de inkomsten uit het landgoed aan de staatskas af te dragen. Op vele plaatsen verlaagden de landcommissies niet alleen de pachtsom met het vijf- à zesvoudige, maar bepaalden bovendien dat deze niet aan de grondeigenaren maar tot aan de oplossing van het vraagstuk door de Constituerende Vergadering aan de commissies zou worden afgedragen. Dit was geen antwoord van advocaten maar van moezjieks, d.w.z. een ernstig antwoord op het talmen met de landbouwhervorming tot aan de Constituerende Vergadering. In het gouvernement Saratov begonnen de boeren, die gisteren nog de grootgrondbezitters verboden hadden het bos te kappen, dit zelf te doen. Steeds vaker nemen de boeren daar waar er weinig feodaal grootgrondbezit is landerijen van de kerk en van het klooster in bezit. De Letse landarbeiders in Lijfland gingen samen met de soldaten van het Letse bataljon over tot een planmatige inbezitneming van de landgoederen van de baronnen.

In het gouvernement Witebsk jammeren de houthandelaars dat de maatregelen van de landcommissies de houthandel ruïneren en de verzorging van het front in gevaar brengen. Niet minder altruïstische patriotten, namelijk de landeigenaren van het gouvernement Poltawa, betreuren het dat de onlusten op het platteland hen beletten het leger van proviand te voorzien. Tenslotte waarschuwt het congres van paardenfokkers in Moskou dat de inbezitnemingen van de boeren de nationale paardenfokkerij ernstig bedreigen. Tegelijkertijd beklaagt de opperprocureur van de Synode, dezelfde die de leden van de heilige instelling voor “idioten en schurken” uitgemaakt had, zich bij de regering daarover dat de boeren in het gouvernement Kazan niet alleen land en vee van de monniken afnemen, maar ook het voor de hostie benodigde meel. In het gouvernement Petrograd, vlakbij de hoofdstad, verjoegen de boeren de pachter van een landgoed en gingen dit zelf bebouwen. De waakzame vorst Oeroessov telegrafeert op 2 juni wederom naar alle uithoeken van het land: “Ondanks mijn eisen…”, enz., enz. “Ik verzoek opnieuw de meest krasse maatregelen te nemen.” De vorst vergat alleen maar aan te geven welke.

Terwijl het reusachtige werk van uitroeiing van de diepste wortels van middeleeuwen en lijfeigenschap zich in het gehele land voltrok, verzamelde de minister van landbouw Tsjernov in zijn bureau’s materiaal voor de Constituerende Vergadering. Hij had zich voorgenomen de hervorming niet anders dan op grond van de meest nauwkeurige gegevens over de bodemverdeling en allerlei andere statistieken door te voeren en trachtte daarom de boeren zo vriendelijk mogelijk te overtuigen om het resultaat van zijn studies af te wachten. Dit belette overigens de grootgrondbezitters niet om de boerenminister ten val te brengen, lang voordat hij met zijn gewichtige tabellen gereed was.

Nieuwe onderzoekers hebben op grond van de gegevens uit de archieven van de Voorlopige Regering berekend dat de agrarische beweging die in de maand maart met meer of minder heftigheid in slechts 34 rayons begon, in april reeds 174, in mei 236, in juni 280 en in juli 325 rayons omvatte. Deze getallen geven echter geen volledig beeld van de werkelijke groei van de beweging, daar de strijd in elk rayon van maand tot maand een massaler en hardnekkiger karakter krijgt.

In deze eerste periode, van maart tot juli, onthouden de boeren zich in overgrote meerderheid nog van gewelddadigheden tegen de grootgrondbezitters en van openlijke inbezitnemingen van land. Jakovlev, die het genoemde onderzoek leidde, momenteel volkscommissaris van landbouw in de Sovjet-Unie, verklaart de relatief vreedzame tactiek van de boeren uit hun vertrouwen tegenover de bourgeoisie. Deze verklaring is niet afdoende. De regering van vorst Lvov kon geenszins vertrouwen aan de boeren inboezemen, zelfs indien men van de voortdurende argwaan van de moezjiek tegen de stad, de autoriteiten, de geciviliseerde wereld afziet. Het feit dat de boeren in de eerste tijd nog niet hun toevlucht tot openlijke gewelddadigheden nemen, maar ernaar streven hun handelingen in de vorm van legale of bijna legale pressie te gieten, is veeleer te verklaren uit een wantrouwen tegen de regering bij een gemis aan vertrouwen op eigen kracht. De boeren beginnen zich pas te roeren, zij tasten rond, polsen de tegenstand van de vijand, en terwijl zij de grootgrondbezitters over de gehele linie in het nauw brengen, zeggen zij: “Wij willen niet plunderen, wij willen alles gemoedig ordenen.” Zij eigenen zich de weiden niet toe, zij maaien ze alleen maar af. Zij nemen de grond onder dwang in pacht, bepalen zelf de pachtsom, of “kopen”, eveneens met dwang, grond tegen ook weer door hen zelf vastgestelde prijzen. Al deze legale dekmantels hebben zowel voor de grootgrondbezitter als voor de liberale jurist weinig overtuigingskracht en zijn in werkelijkheid door een diepgaand, maar verborgen, wantrouwen tegen de regering ingegeven: langs minnelijke weg verkrijg je het niet, denkt de moezjiek bij zichzelf, met geweld is het gevaarlijk, dus moet men het maar met list proberen. Hij zou er de voorkeur aan gegeven hebben de grootgrondbezitter met diens eigen goedvinden te onteigenen.

“In al deze maanden,” concludeert Jakovlev, “overheersten zeer bijzondere, in de geschiedenis voorheen onbekende middelen van vreedzame strijd tegen de grootgrondbezitters. Deze middelen vloeiden voort uit het vertrouwen van de boeren in de bourgeoisie en in de regering van de bourgeoisie.” De middelen die hier als tot nu toe onbekend in de geschiedenis aangeduid worden, zijn in werkelijkheid typerend, onvermijdelijk en historische algemeen geldend voor het beginstadium van de boerenoorlog over de gehele wereld. Het streven om de eerste oproerige daden met hetzij kerkelijke, hetzij wereldlijke wettigheid te maskeren, is van oudsher een kenmerk van de strijd van iedere revolutionaire klasse, voordat deze genoeg krachten en vertrouwen verzameld heeft om de band die haar met de oude maatschappij verbindt te verbreken. Dit gaat in nog meer dan voor gelijk welke andere klasse op voor de boeren, want zelfs in hun beste perioden gaan deze slechts tastend voorwaarts en beschouwen zij hun vrienden uit de stad met wantrouwende blik. Zij hebben daarvoor gegronde redenen. Bij de eerste stappen van de agrarische beweging zijn agenten van de liberale en radicale bourgeoisie haar vrienden. Deze vrienden zijn, terwijl zij de boereneisen gedeeltelijk ondersteunen, niettemin bezorgd voor het lot van de privaateigendom en streven derhalve uit alle macht ernaar de boerenopstand in burgerlijk legale banen te houden.

Nog andere factoren werkten lang voor de revolutie in dezelfde richting. Verzoeningspredikers staan op uit het midden van de adel zelf. Leo Tolstoj heeft dieper dan wie ook in de ziel van de moezjiek gekeken. Zijn filosofie van een zich niet verzetten tegen het kwaad was een veralgemening van de eerste fase van de boerenrevolutie. Tolstoj droomde ervan dat alles “zonder roof, met wederzijds goedvinden” zou kunnen gebeuren. Aan deze tactiek gaf hij een religieuze grondslag in de vorm van een gelouterd christendom. Mahatma Ghandi vervult nu in India dezelfde rol. Hij doet dit slechts in een meer praktische vorm. lndien wij teruggaan in het verleden, vinden wij gemakkelijk dergelijke, zogenaamd in de geschiedenis “onbekende” verschijnselen onder de meest verschillende religieuze, nationale, filosofische en politieke dekmantels, te beginnen met de christelijke jaartelling en nog voor deze.

Het bijzonder karakter van de boerenopstand van 1917 bestond hoogstens daarin dat diegenen die zich socialist, ja zelfs revolutionair, noemden, als agenten van de burgerlijke wettigheid optraden. Maar niet zij waren het die het karakter van de boerenbeweging en het tempo van deze bepaalden. De boeren gingen slechts in zoverre samen met de sociaal-revolutionairen als zij aan deze formules voor de definitieve afrekening met de grootgrondbezitters ontleenden. Tegelijkertijd dienden de sociaal-revolutionairen hen tot dekmantel. Zij waren immers de partij van Kerenski, de minister van justitie en daarna van oorlog, en van Tsjernov, de minister van landbouw. Het talmen met het uitvaardigen van de noodzakelijke decreten werd door de sociaal-revolutionairen van de districts- en rayoncommissies verklaard uit de tegenstand van de grootgrondbezitters en liberalen en zij verzekerden aan de boeren dat de “onzen” in de regering alle mogelijke moeite deden. Natuurlijk had de moezjiek daartegen niets in te brengen. Hij hield het echter, daar hij zeker niet een al te groot vertrouwen had, voor noodzakelijk de “onzen” van onderop een handje te helpen. Hij deed dit zo grondig dat de “onzen” in de regering spoedig hun nek braken.

De zwakte van de bolsjewieken met betrekking tot de boeren was van voorbijgaande aard en was ontstaan doordat zij de illusies van de boeren niet deelden. Het dorp kon slechts door praktische ervaring en door ontgoochelingen tot het bolsjewisme komen: de kracht van de bolsjewieken was daarin gelegen dat er in de agrarische kwestie geen tegenspraak tussen woord en daad bij hen bestond, evenmin als in welke andere kwestie ook.

Het was niet mogelijk op grond van algemene sociologische beschouwingen a priori uit te maken of de boeren in staat zouden zijn om als een geheel tegen de grootgrondbezitters op te staan. De toename van kapitalistische tendenties in de landbouw in het tijdvak tussen de twee revoluties; de afscheiding van een vaste groep grote boeren uit de oorspronkelijke gemeenschap; de buitengewone toename van de door welgestelde en rijke boeren geleide dorpscoöperaties, dit alles maakte het niet mogelijk om van tevoren met zekerheid te zeggen welke van de twee richtingen in de revolutie de overhand zou krijgen: het landelijk standenantagonisme tussen boeren en adel of het klassenantagonisme onder de boeren zelf.

Lenin nam na zijn aankomst een buitengewoon voorzichtige houding in deze kwestie in. “De agrarische beweging,” zei hij op 14 april, “is nog slechts toekomst, niet reeds een feit… Men moet echter met de mogelijkheid rekening houden dat de boeren zich met de bourgeoisie verenigen.” Dit is geen toevallig geuite gedachte. Integendeel, Lenin herhaalt ze telkens weer bij verschillende gelegenheden. Op het partijcongres gaat hij op 24 april in zijn rede in tegen de “oude bolsjewieken” die hem ervan beschuldigden de boeren te onderschatten. Hij stelde: “Een proletarische partij mag nu niet zijn verwachtingen op een belangengemeenschap met de boeren baseren. Wij strijden ervoor dat de boeren aan onze kant komen. Maar zij staan, tot op zekere hoogte bewust, aan de kant van de kapitalisten.” Hieruit blijkt overigens hoever Lenin afstond van de theorie van de eeuwige belangenharmonie tussen proletariaat en boeren, een theorie die later aan hem zou toegeschreven worden.

Terwijl hij met de mogelijkheid rekening hield dat de boeren “als stand” nog als revolutionaire factor zouden optreden, bereidde Lenin zich niettemin in april voor op de slechtste van de twee mogelijkheden, nl. het hechte blok van grootgrondbezitters, bourgeoisie en brede boerenmassa’s. “Nu de moezjiek voor zich te willen winnen,” zei hij, “betekent zich aan de genade van Miljoekov overgeven.” En hij trekt daaruit de conclusie: “Het zwaartepunt moet op de Sovjets van landarbeidersafgevaardigden gelegd worden.”

De meest gunstige van de beide mogelijkheden is echter werkelijkheid geworden. De agrarische beweging werd van een onzekere toekomst tot een feit en vertoonde slechts korte tijd, maar dan ook buitengewoon scherp, het overwicht van de feodale boerenverhoudingen over het kapitalistisch antagonisme. De Sovjets van landarbeidersafgevaardigden werden op slechts weinig plaatsen van betekenis, voornamelijk in de Baltische provincies. Daarentegen werden de landcommissies tot organen van de gehele boerenklasse die onder hun invloed van vredeskamers tot werktuigen van de agrarische revolutie gemaakt werden.

Het feit dat de boerenklasse in haar geheel nog eenmaal, voor het laatst in de geschiedenis, in de mogelijkheid verkeert als revolutionaire factor op te treden, bewijst tegelijkertijd zowel de zwakte van de kapitalistische verhoudingen in het dorp, alsook de kracht van deze. De burgerlijke economie heeft nog geen tijd gevonden om de middeleeuwse en op slavernij gebaseerde agrarische verhoudingen in zich op te nemen. Tegelijkertijd ging de kapitalistische ontwikkeling zover vooruit dat zij de oude vormen van grondbezit voor alle groepen in het dorp even ondragelijk maakte. De samenvoeging van adellijke eigendommen met boereneigendommen, niet zelden opzettelijk aldus geconstrueerd dat de adellijke rechten een val voor de gehele dorpsgemeenschap werden; de verschrikkelijke verbrokkeling van de akkers; tenslotte het nieuwe antagonisme tussen grondgemeenschap en afzonderlijke kolonisten, – dit alles samen schiep de ondragelijke wirwar van agrarische verhoudingen waaraan door gedeeltelijke maatregelen langs wettelijke weg geen ontkomen was. De boeren beseften dit beter dan alle landbouwtheoretici. De levenservaring die zich in de loop van de generaties wijzigde, deed hen allen tot dezelfde conclusie komen: men moet de overgeërfde en verworven rechten op het land teniet doen, alle grensstenen omverwerpen en deze van historische overwoekeringen gezuiverde grond aan hen geven die hem bewerken. Dit was de betekenis van de moezjiek-aforismen: het land behoort aan niemand, het land is van God, en in dezelfde zin interpreteerden de boeren ook het sociaalrevolutionair programma van de socialisering van de grond. Er was hier, in tegenstelling tot de theorieën der narodniki, geen spoor van socialisme. De meest stoutmoedige agrarische revolutie overschreed op zichzelf niet de grenzen van de burgerlijke maatschappijorde. De socialisering, die zogenaamd aan elke werker “recht op land” zou verzekeren, was bij handhaving van onbeperkte marktverhoudingen klaarblijkelijk een utopie. Het mensjewisme gaf kritiek op deze utopie, maar dan vanuit burgerlijk-liberaal oogpunt. Het bolsjewisme daarentegen legde die vooruitstrevend-democratische tendens bloot die in de theorie van de sociaal-revolutionairen een utopische formulering kreeg. Het blootleggen van de werkelijke historische betekenis van het Russisch agrarisch probleem is een van de grootste verdiensten van Lenin.

Miljoekov schreef dat voor hem, als “socioloog en onderzoeker van de Russische historische ontwikkeling,” d.w.z. als mens die vanaf een grote hoogte op de gebeurtenissen neerziet, “Lenin en Trotski een beweging vertegenwoordigen die veel dichter bij Poegatsjev, Rasin en Bolotnikov – de 17de en 18de eeuw van onze geschiedenis – staat dan bij de laatste woorden van het Europees anarchosyndicalisme.” Het korreltje waarheid dat in deze bewering van de liberale socioloog vervat is – indien men althans het met de haren erbij gesleepte anarchosyndicalisme terzijde laat – richt zich niet tegen de bolsjewieken, maar veeleer tegen de Russische bourgeoisie, haar te laat komen, haar politieke onbeduidendheid. Het is niet de schuld van de bolsjewieken dat de grootste boerenbewegingen van de afgelopen eeuwen niet tot een democratisering van de sociale verhoudingen in Rusland geleid hadden – zonder de leiding van de steden kan dit niet verwezenlijkt worden! – evenmin als het de schuld van de bolsjewieken is dat de zogenaamde boerenbevrijding in het jaar 1861 door diefstal van gemene grond, slaafmaking van de boeren aan de staat en volkomen in standhouding van de standenordening voltrokken werd. Een ding is zeker: de bolsjewieken waren genoodzaakt in de eerste helft van de 20ste eeuw datgene door te voeren dat in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw niet doorgevoerd of zelfs niet begonnen was. De bolsjewieken moesten, voordat zij met hun eigen grote taak konden beginnen, de bodem zuiveren van het historisch afval van de oude historische klassen van vroeger eeuwen, een taak waarvan zij zich in elk geval zeer nauwgezet kweten. Dit zal ook Miljoekov wel niet durven ontkennen.

 

 

[*] Mir betekent in het Russisch zowel “dorpsgemeente”, als “wereld”.

Het offensief

Zowel in het leger als in het land voltrok zich een onafgebroken hergroepering van de krachten. De onderste lagen schoven naar links op, de bovenste naar rechts. Naarmate het Uitvoerend Comité een werktuig in handen van de Entente tot onderdrukking van de revolutie werd, veranderden de legercomités die tot stand gebracht waren als vertegenwoordiging van de soldaten tegen de legerleiding in handlangers van de legerleiding tegen de soldaten.

Het comité was zeer bont samengesteld. Er waren talrijke patriottische elementen die in alle oprechtheid de oorlog met de revolutie identificeerden. Ze gingen moedig over tot het offensief dat hun van boven af opgedrongen was en ze lieten hun leven voor een vreemde zaak. Zij stonden aan dezelfde kant als de helden met de grote mond, de ‘Kerenskis’ van de divisies en regimenten. Tenslotte waren er ook talrijke slimmeriken en kruipers, die zich op jacht naar voordeel in de comités wisten te redden voor de loopgraven. Iedere massabeweging brengt, vooral in haar eerste stadium, al deze menselijke variëteiten naar voren. De verzoeningsperiode was alleen maar buitengewoon rijk aan praatjesmakers en kameleons. Terwijl de mensen het programma samenstellen, vormt het programma op zijn beurt weer de mensen. De school van het contact wordt in een revolutie een school voor trucs en intriges.

Het regime van de dubbele heerschappij sloot de mogelijkheid om een militaire macht te vormen uit. De kadetten waren gehaat bij de volksmassa’s en waren genoodzaakt zich in het leger uit te geven voor sociaal-revolutionairen. Daarentegen kon de democratie het leger niet vernieuwen om dezelfde reden waarom zij ook de macht niet kon overnemen: het ene is onlosmakelijk met het andere verbonden. Soechanov vermeldt een merkwaardig feit dat een scherp beeld van de situatie geeft: de Voorlopige Regering heeft geen enkele betoging of parade in Petrograd gehouden. De liberalen en de generaals wilden niet dat de Sovjet aan een parade zou deelnemen. Maar ze waren er zich van bewust dat een parade zonder de Sovjet ondenkbaar was.

De hogere officieren leunden steeds nauwer aan bij de kadetten en wachtten af tot er weer meer reactionaire partijen zouden ontstaan. De kleinburgerlijke intellectuelen waren sterker aanwezig onder het lagere officierenkorps in het leger dan vroeger onder het tsarisme. Ze waren echter niet in staat een legerleiding naar hun evenbeeld te vormen, want ze hadden geen eigen karakter. Men kon, naar het gehele verdere verloop van de revolutie heeft laten zien, het legercommando ofwel kant en klaar van de adel en de bourgeoisie overnemen zoals de Witten deden, ofwel het op de grondslag van een proletarische selectie zelf scheppen en scholen zoals later de bolsjewieken volvoerden. De kleinburgerlijke democraten waren noch tot het eerste noch tot het laatste in staat. Zij waren genoodzaakt allen te overreden, te smeken, te bedriegen, en toen dit geen resultaat opleverde, gaven zij in vertwijfeling de macht over aan de reactionaire officieren opdat deze het volk de juiste revolutionaire ideeën zouden bijbrengen.

De wonden van de oude maatschappij gingen de één na de ander open en verwoestten het organisme van het leger. Het nationaliteitenvraagstuk in al zijn schakeringen – en Rusland was rijk hieraan – hield de soldatenmassa die voor meer dan de helft uit anderen dan Groot-Russen bestond steeds meer bezig. De nationale tegenstellingen smolten op verschillend gebied met de klassentegenstellingen samen en werden door deze doorkruist. De regeringspolitiek was op het terrein van het nationale vraagstuk evenals op alle andere gebieden onvast en verward en werkte daardoor dubbel verraderlijk. Sommige generaals speelden met nationale formaties zoals met het “muzelmannenkorps met Franse discipline” aan het Roemeense front. En de nieuwe nationale troepenafdelingen toonden in de regel werkelijk een grotere weerstandskracht dan die van het oude leger, want zij werden om een nieuwe gedachte en onder een nieuwe banier gevormd. Deze nieuwe aaneensmelting hield het echter niet lang uit: zij werd spoedig door de ontwikkeling van de klassenstrijd weer los gemaakt. Het proces van de nationale formaties, dat in de helft van het leger dreigde door te dringen, bracht dit reeds aan het wankelen, vernietigde de oude bestanddelen ervan, nog voordat de nieuwe zich konden vormen. Zo naderde het onheil van alle kanten.

Miljoekov schrijft in zijn ‘Geschiedenis’ dat het leger door “de tweestrijd” tussen “revolutionaire” en normaal-militaire discipline, tussen “democratisering” van het leger en “instandhouding van zijn strijdvaardigheid” verwoest is, waarbij men dan onder “normale” discipline die discipline moet verstaan die onder het tsarisme bestond. Men zou menen dat een historicus toch moest weten dat elke grote revolutie tot nu toe de ontbinding van het oude leger meebracht, niet als gevolg van een botsing van abstracte beginselen van de discipline, maar van levende klassen. De revolutie laat niet alleen strenge discipline in het leger toe, maar vestigt deze zelfs. Deze discipline kan echter niet gevestigd worden door vertegenwoordigers van de klasse die door de revolutie ten val gebracht werd.

“Het is een vaststaand feit,” schreef de ene wijze Duitser aan de andere op 26 september 1851, “dat desorganisatie van de legers en een volkomen verdwijnen van de discipline zowel voorwaarde als resultaat van iedere vroegere zegevierende revolutie waren.” In de gehele geschiedenis van de mensheid kan men dit eenvoudige en niet voor betwisting vatbare feit waarnemen. Doch met de liberalen hebben ook de Russische socialisten, die het jaar 1905 achter zich hadden, dit niet begrepen. Nochtans verwezen ze steeds naar bovengenoemde Duitsers als hun leermeesters. De ene was Friedrich Engels en de andere Karl Marx. De mensjewieken geloofden in alle ernst dat het leger nadat het een omwenteling volbracht had, de oude oorlog gewoon zou verderzetten onder dezelfde oude legerleiding. En deze mensen verweten de bolsjewieken utopisten te zijn!

Generaal Broessilov had begin mei in een bijeenkomst van het hoofdkwartier de werkelijke toestand van de legerleiding zeer nauwkeurig gekenschetst: 15 à 20 procent sloten zich uit overtuiging bij de nieuwe orde aan; een deel van de officieren begon met de soldaten samen te hokken en stookten hen tegen de legerleiding op, het merendeel echter, ongeveer 75 procent, was niet in staat zich aan te passen, voelde zich gekwetst, was in zijn schulp gekropen en wist niet wat te beginnen. De overgrote meerderheid van de officieren was bovendien ook vanuit zuiver militair standpunt bezien volslagen onbekwaam.

Bij de beraadslaging met de generaals excuseerden Kerenski en Skobeljew zich zoveel mogelijk met de revolutie, die – helaas – “voortduurt” en waarmee men rekening moet houden. Daarop moraliseert de zwarte-honderdgeneraal Goerko de ministers en werpt hen op: “Jullie zeggen dat de revolutie blijft duren. Luistert naar ons. Staakt de revolutie en laat ons, militairen, onze plicht tot het einde toe vervullen.” Kerenski deed alle mogelijke moeite om de generaals ter wille te zijn – totdat één van hen, de dappere Kornilov, hem bijna in zijn omhelzingen deed stikken.

Verzoeningsgezindheid betekent tijdens de revolutie een politiek van onrustig heen en weer geslinger tussen de verschillende klassen. Kerenski was een verpersoonlijking van dat heen en weer slingeren. Terwijl hij aan het hoofd stond van een leger dat zonder krachtig en homogeen regime volkomen onbestaanbaar was, werd Kerenski een direct werktuig van de ondergang van het leger. Denikin geeft een interessante lijst van personen uit de hogere legerleiding die afgezet werden zonder dat het gestelde doel bereikt was, alhoewel moet opgemerkt worden dat niemand en al zeker Kerenski niet wist wat dit doel was. Alexejev ontsloeg de opperbevelhebber van het front, Roesski, en de legercommandant, Radko-Dmitrjev, wegens zwakheid en toegeeflijkheid tegenover de comités. Broessilov verwijderde om dezelfde reden de bange Joedenitsj. Kerenski ontsloeg Alexejev zelf en de bevelhebbers van de fronten, Choerko en Dragomirov, wegens verzet tegen de democratisering van het leger. Om dezelfde reden verwijderde Broessilov generaal Kaledin en werd later zelf wegens te grote toegeeflijkheid tegenover de comités afgezet. Kornilov legde het bevel van het militaire district Petrograd neer, omdat hij het met de democratie niet kon vinden. Dit verhinderde niet dat hij tot bevelhebber aan het front en later tot opperbevelhebber benoemd werd. Denikin werd ontheven van zijn post als chef bij de staf van Alexejev, wegens uitgesproken sympathieën voor de lijfeigenschap. Maar snel daarna werd hij tot opperbevelhebber van het Westfront benoemd. Dit bokjespringen bewees hoe weinig men in regeringskringen wist wat men wilde. De bochten en sprongen gingen trapsgewijs naar beneden tot in de compagnie en versnelde de ondergang van het leger.

De commissarissen wantrouwden de officieren, maar eisen van de soldaten gehoorzaamheid tegenover de officieren. Toen het offensief op zijn hoogtepunt was, verklaarde een lid van de Sovjet in de Sovjetzitting te Mohilev, de zetel van het hoofdkwartier, in aanwezigheid van Kerenski en Broessilov: “88% van de officieren in het hoofdkwartier doen door hun optreden gevaar voor contrarevolutionaire gebeurtenissen ontstaan.” Voor de soldaten was dit geen geheim. Zij hadden hun officieren voor de omwenteling genoeg leren kennen.

In de rapporten van de hogere, zowel als van de lagere legerleidingen treft men dezelfde opvatting in verschillende variaties aan: in het algemeen staat men afwijzend tegenover het offensief, vooral de infanterie. Dikwijls wordt er nog aan toegevoegd: iets beter is het gesteld bij de cavalerie en het best nog bij de artillerie.

Einde mei, toen de troepen zich reeds tot het offensief opstelden, telegrafeerde de commissaris van het zevende leger aan Kerenski: “Bij de 12de divisie zijn het 48ste regiment in complete en het 45ste en 46ste regiment in halve frontsterkte uitgerukt, terwijl het 47ste regiment weigert uit te rukken. Van de regimenten van de 13de divisie is het 50ste regiment nagenoeg in volle sterkte uitgerukt. Het 51ste regiment belooft morgen uit te rukken, het 49ste is niet overeenkomstig de bevelen uitgerukt, het 52ste weigert uit te rukken en heeft al zijn officieren gearresteerd.” Hetzelfde kon men bijna overal waarnemen. Het antwoord van de regering op het rapport van de commissaris luidde: “Het 45ste, 46ste, 47ste en 52ste regiment ontbinden, officieren en soldaten die tot ongehoorzaamheid oproepen, vervolgen.” Dit klonk dreigend, maar het joeg geen angst aan. De soldaten die geen oorlog meer wilden voeren, waren noch voor de ontbinding van hun regimenten, noch voor de rechter bang. Men was bij het opstellen van de troepen niet zelden genoodzaakt het ene troependeel tegen het andere te gebruiken. Als onderdrukkingswerktuig dienden doorgaans, net als vroeger onder de tsaar, de Kozakken. Maar nu werden zij door socialisten geleid: het ging immers om de verdediging van de revolutie.

Op 4 juni, minder dan veertien dagen voor het begin van het offensief, meldde de chef van de staf van het hoofdkwartier: “Aan het Noordelijk front gist het nog steeds, de verbroedering gaat voort, de infanterie staat afwijzend tegenover het offensief. Aan het Westelijk front is de toestand onzeker. Aan het Zuid-Westelijk front valt een zekere verbetering in de toestand waar te nemen… Van het Roemeense front valt geen noemenswaardige verbetering te melden, de infanterie wil niet aanvallen…”

Op 11 juni 1917 schrijft de commandant van het 61ste regiment: “Er blijft mij en mijn officieren niets anders over dan ons te redden. Er is immers uit Petrograd een soldaat van de 5de compagnie aangekomen is, een leninist… Vele van de beste soldaten en officieren zijn er reeds vandoor gegaan.” Het verschijnen van een enkele leninist in het regiment was reeds voldoende om de officieren te doen weglopen. Het is duidelijk dat de betreffende soldaat de rol vervulde van de eerste kristal in een verzadigde oplossing. Het is overigens niet aannemelijk dat het hier beslist een bolsjewiek betrof. In die tijd noemde het legercommando iedere soldaat die sterker dan de anderen zijn stem tegen het offensief verhief, een leninist. Vele van deze leninisten geloofden nog oprecht dat Lenin door Wilhelm gestuurd was. De commandant van het 61ste regiment trachtte zijn soldaten met straffen van regeringswege schrik aan te jagen. Een soldaat gaf hem ten antwoord: “Wij hebben de oude regering ten val gebracht, wij zullen ook Kerenski wegjagen.” Dit waren nieuwe klanken. Zij werden versterkt door de agitatie van de bolsjewieken, maar ze liepen er tegelijk ver op vooruit.

Van de Zwarte Zeevloot die onder leiding van de sociaal-revolutionairen stond en in tegenstelling tot de matrozen van Kronstadt voor een steunpilaar van het patriottisme doorging, werd reeds eind april een delegatie van driehonderd man, met de flinke student Batkin die zich als matroos verkleed had aan het hoofd, het land in gezonden. Deze delegatie geleek in menig opzicht nog een maskerade; maar er was ook oprechte geestdrift. De delegatie propageerde de gedachte van een oorlog tot aan de overwinning overal in het land, maar de toehoorders waren van dag tot dag vijandiger. Terwijl de Zwarte Zeematrozen een toontje lager begonnen te zingen bij hun offensief-prediking, kwam er een Baltische delegatie naar Sebastopol om de vrede te propageren. De Noorderlingen hadden in het Zuiden meer succes dan de Zuiderlingen in het Noorden. Onder invloed van de matrozen van Kronstadt gingen de matrozen van Sebastopol op 8 juni ertoe over de legerleiding te ontwapenen en de meest gehate officieren gevangen te nemen.

In de zitting van het radencongres van 9 juni vroeg Trotski hoe het kon gebeuren dat “er op zo’n kritiek moment in deze model-Zwarte Zeevloot, die patriottische deputaties door het gehele land gezonden had, in dit nest van georganiseerd patriottisme, een dergelijke uitbarsting kon plaats hebben. Wat bewijst dat?” Hij kreeg geen antwoord.

Wanorde en onbesuisdheid in het leger putten allen – manschappen, officieren en comitéleden – uit. ledereen moest onverwijld een uitweg vinden. De leiding koesterde de verwachting dat door het offensief de chaos overwonnen en er klaarheid gebracht zou worden. Deze verwachting was in zekere zin gerechtvaardigd. Terwijl Tsereteli en Tsjernov in Petrograd met alle vormen van democratische retoriek pleidooien hielden voor een offensief, moesten de comités aan het front hand in hand met de officieren de strijd opnemen tegen het nieuwe regime in het leger zonder hetwelk de revolutie ondenkbaar was, maar dat tegelijk met de oorlog onverenigbaar was. De gevolgen van de bochten werden snel duidelijk. “De comités werden met de dag rechtser,” bericht een zeeofficier. “Maar tegelijkertijd zag men hun gezag onder de soldaten en matrozen voortdurend afnemen.” Soldaten en matrozen waren echter juist nodig voor de oorlog.

Met toestemming van Kerenski begon Broessilov stootbataljons uit vrijwilligers te vormen. Daarmee erkende hij het gebrek aan strijdvaardigheid van het leger openlijk. Er sloten zich daar meteen erg verchillende en doorgaans zeer avontuurlijke elementen bij aan. Zo was er kapitein Moeravjev die later, na de Oktoberomwenteling, naar de sociaal-revolutionairen overliep, om tenslotte na een veelbewogen leven en na het verrichten van in hun soort schitterende daden de Sovjetmacht te verraden en door een bolsjewistische of eigen kogel te vallen. Het is overbodig te zeggen dat de contrarevolutionaire officieren gretig hun toevlucht tot de stootbataljons als legale vorm van krachtenverzameling namen. Het idee vond bij de soldaten echter nagenoeg geen weerklank. Avonturiers schiepen vrouwenbataljons, “zwarte doodskophuzaren.” Eén van deze bataljons vormde in oktober Kerenski’s laatste gewapende steunpunt bij de verdediging van het Winterpaleis. Maar dit alles kon weinig tot de vernietiging van het Duitse militarisme bijdragen. Hierin bestond echter juist de taak die men zich gesteld had.

Het offensief dat het hoofdkwartier aan de geallieerden beloofd had voor de eerste dagen van de lente werd week na week uitgesteld. Maar de entente wees tenslotte een verder uitstel krachtig van de hand. De geallieerden waren niet kieskeurig in de middelen om een directe aanval af te dwingen. Er werden naast de pathetische bezweringen van Vandervelde ook bedreigingen met stopzetting van munitieleveranties geuit. De Italiaanse consul-generaal in Moskou verklaarde, niet in de Italiaanse maar in de Russische pers, dat de geallieerden in geval van het sluiten van een afzonderlijke vrede door Rusland volledige bewegingsvrijheid aan Japan in Siberië zouden toestaan. Liberale kranten drukten, niet in Rome maar in Moskou, vol patriottische geestdrift deze brutale dreigementen af, waarbij zij het zwaartepunt van de kwestie van een afzonderlijke vrede op het uitstel van het offensief legden.

De geallieerden legden zichzelf ook in ander opzicht geen dwang op. Zo zonden zij bijvoorbeeld welbewust uitschot aan de artillerie: 35 procent van de kanonnen die het buitenland geleverd had, waren na een paar keer schieten in twee weken onbruikbaar. Engeland legde moeilijkheden in de weg met de leningen. Daarentegen opende de nieuwe beschermer, Amerika, zonder medeweten van Engeland, aan de Voorlopige Regering een krediet van 75 miljoen dollar voor het komend offensief.

Terwijl de Russische bourgeoisie de dreigementen van de geallieerden ondersteunde en een wilde agitatie voor het offensief voerde, stelde zij zelf geen vertrouwen in dit offensief. Zij tekende niet eens in op de vrijheidslening. De ten val gebrachte monarchie maakte intussen van de gelegenheid gebruik om nog eens aan zich te doen herinneren: in een verklaring aan de Voorlopige Regering uitten de Romanovs de wens op de lening in te tekenen, waaraan zij toevoegden dat de grootte van de intekening er van zou afhangen in hoeverre uit de staatskas gelden tot onderhoud aan de leden van de tsarenfamilie zouden toegekend worden. Dit alles las het leger, dat wist dat zowel de meerderheid van de Voorlopige Regering als de meerderheid van de hogere officieren net als vroeger op een herstel van de monarchie hoopten.

De eerlijkheid gebiedt te vermelden dat niet iedereen in het kamp van de geallieerden het eens was met een Vandervelde, Thomas en Cachin die het Russische leger naar de afgrond dreven. Er werden ook waarschuwende stemmen gehoord. “Het Russische leger is slechts een façade,” zei generaal Petain. “Het zal ineenstorten zodra het in beweging komt.” In dezelfde geest liet zich ook de Amerikaanse missie uit. Andere overwegingen behielden echter de overhand. Men moest de geest van de revolutie doden. “De Duits-Russische verbroedering,” verklaarde later Painleve, “richtte zulke verwoestingen aan (faisait de tels ravages), dat een niet in beweging brengen van het Russische leger het risico van een zeer spoedige ontbinding van het leger meebracht.”

Op politiek terrein werd het offensief voorbereid door Kerenski en Tsereteli, aanvankelijk in het geheim zelfs voor de naaste geestverwanten. Terwijl de half ingewijde leiders nog verder over een verdediging van de revolutie bazelden, legde Tsereteli steeds meer de nadruk op de noodzakelijkheid om het leger voor een daadwerkelijk optreden gereed te houden. Langer dan de anderen verzette Tsjernov zich, d.w.z. hij schipperde. Men onderwierp in de zitting van de Voorlopige Regering van 17 mei de boerenminister, zoals hij zichzelf noemde, aan een hoogst pijnlijk verhoor, of het namelijk waar was dat hij in een vergadering met weinig sympathie over het offensief gesproken had. Het bleek dat Tsjernov zich aldus uitgedrukt had: het offensief ging hem, de politicus, niets aan, dat was een zaak van de strategen aan het front. Deze lieden speelden verstoppertje zowel met de oorlog als met de revolutie. Weliswaar slechts tot een bepaald moment.

De voorbereiding van het offensief ging natuurlijk vergezeld van een verscherpte strijd tegen de bolsjewieken. Deze werden er steeds vaker van beschuldigd naar een afzonderlijke vrede te streven. Het inzicht dat een afzonderlijke vrede de enige uitweg was, kwam uit de situatie zelf voort, d.w.z. uit de zwakte en uitputting van Rusland vergeleken met de overige oorlogvoerende landen. Maar niemand was nog in staat geweest de kracht van de nieuwe factor: van de revolutie, te meten. De bolsjewieken meenden dat men slechts dan aan het vooruitzicht van een afzonderlijke vrede kon ontkomen indien men moedig en definitief de kracht en het gezag van de revolutie tegenover de oorlog stelde. Hiertoe was het eerst en vooral noodzakelijk om het bondgenootschap met de eigen bourgeoisie te verbreken. Op 9 juni verklaarde Lenin op het radencongres: “Indien men beweert dat wij naar een afzonderlijke vrede streven, dan is dat niet waar. Wij zeggen: geen afzonderlijke vrede met geen enkele kapitalist, vooral niet met de Russische. In de Voorlopige Regering heerst daarentegen afzonderlijke vrede met de Russische kapitalisten. Weg met deze afzonderlijke vrede!” “Applaus”, staat er in de notulen. Dit was het applaus van een kleine minderheid op het congres, en juist daarom een buitengewoon stormachtig applaus.

In het Uitvoerend Comité ontbrak het sommigen nog aan vastbeslotenheid, anderen wilden zich eerst met een zeer gezaghebbend orgaan dekken. Op het laatste ogenblik werd besloten ter kennis van Kerenski te brengen dat het ongewenst was het bevel tot het offensief te geven voordat het radencongres over de kwestie beslist had. De verklaring die door de bolsjewistische fractie in de eerste zitting van het congres werd ingediend, luidde: “het offensief kan het leger slechts definitief desorganiseren omdat het de verschillende delen van het leger tegenover elkaar zal plaatsen.” Het “congres moet weerstand bieden aan de contrarevolutionaire druk ofwel de verantwoordelijkheid van deze politiek openlijk en geheel op zich nemen.”

Het besluit van het radencongres voor het offensief was louter een democratische formaliteit. Alles was reeds gereed. De artilleristen hielden de vijandelijke posities reeds lang in het vizier. In de legerorder aan leger en vloot van 26 juni zette Kerenski met een beroep op de hoogstgeplaatste, “door een aureool van overwinningen omgeven aanvoerders” de noodzakelijkheid van een onmiddellijke en krachtige slag uiteen en eindigde met de woorden: “Ik beveel u – Voorwaarts!”

Trotski sehreef in zijn artikel dat aan de vooravond van het offensief geschreven is en commentaar op de verklaring van de bolsjewistische fractie op het radencongres levert: “De regeringspolitiek ondergraaft de mogelijkheid van succesvolle militaire acties… De materiële voorwaarden voor het offensief zijn buitengewoon ongunstig. De voedselvoorziening van het leger weerspiegelt het algemeen verval van de volkshuishouding, waartegen de regering in haar huidige samenstelling niet in staat is ook maar een ingrijpende maatregel te treffen. De geestelijke voorwaarden van het offensief zijn nog ongunstiger… De regering… heeft aan het leger getoond… volkomen onbekwaam te zijn om Ruslands politiek onafhankelijk van de imperialistische geallieerden zelfstandig te bepalen. Een verdergaande ontbinding van het leger moet noodzakelijk het gevolg zijn… De massale desertie… houdt onder de huidige omstandigheden op eenvoudig het resultaat te zijn van boos opzet van een enkeling en wordt de uitdrukking van de volslagen ongeschiktheid van de regering om het revolutionaire leger door een groot doel bijeen te houden…” Terwijl hij verder erop wees dat de regering het niet waagde te besluiten tot een onmiddellijke afschaffing van het adellijk grootgrondbezit, d.w.z. tot de enige maatregel die de achtergebleven boer ervan zou kunnen overtuigen dat deze revolutie zijn revolutie was, eindigt het artikel met de woorden: “Onder deze materiële en geestelijke voorwaarden moet het offensief noodzakelijkerwijs het karakter van een avontuur krijgen.”

De legerleiding geloofde bijna algemeen dat het offensief, dat uit militair oogpunt hopeloos was, uitsluitend uit politieke overwegingen noodzakelijk was. Denikin meldde, nadat hij zijn front geïnspecteerd had, aan Broessilov: “Ik geloof niet in het succes van het offensief.” Tenslotte maakte de ondeugdelijkheid van de legerleiding iedere hoop ijdel. De officier en patriot Stankevitsj deelt mee dat een overwinning vanuit het oogpunt van technische voorbereiding uitgesloten was, afgezien van de morele toestand van de troepen: “Het offensief was beneden alle kritiek georganiseerd.” Een delegatie van officieren met de voorzitter van de officierenvereniging, de kadet Novosilzev, aan het hoofd, zocht de leiders van de kadettenpartij op en waarschuwde hen dat het offensief tot een mislukking gedoemd zou zijn en tot vernietiging van de beste troepenafdelingen zou leiden. De superieuren maakten zich met algemene frasen van de waarschuwingen af. “Men hoopte heimelijk,” zei de chef van de staf van het hoofdkwartier, de reactionaire generaal Loekomski, “dat het begin van de succesvolle gevechten wellicht de geestesgesteldheid van de massa’s zou doen veranderen en aan de superieuren de mogelijkheid zou bieden om de aan hun handen ontglipte teugels weer strakker aan te trekken.” Dit was het eigenlijke doel: de teugels strakker aantrekken.

Het was overeenkomstig een reeds lang geleden uitgewerkt plan oorspronkelijk de bedoeling om met de krachten van het Zuid-Westelijke front de voornaamste slag in de richting van Lemberg te leveren; aan het Noordelijk- en Westelijk front was slechts een ondergeschikte taak toegedacht. De aanval zou gelijktijdig op alle fronten beginnen. Spoedig bleek echter dat dit plan de krachten van het legercommando ver te boven ging. Er werd daarom besloten op de verschillende fronten, beginnend met de minder belangrijke, het één na het ander tot de aanval over te gaan. Maar ook dit bleek niet door te voeren. “Daarop besloot het opperbevel,” zegt Denikin, “van enig strategisch plan af te zien en het noodgedwongen aan de fronten over te laten de operaties aan te vangen naarmate zij daartoe gereed zouden zijn.” Alles werd aan de voorzienigheid overgelaten. De heiligenbeelden van de tsarina ontbraken alleen nog maar. Men poogde deze te vervangen door de heiligenbeelden van de democratie. Kerenski reisde rond, bezwoer, zegende. Het offensief begon: op 16 juni aan het Zuid-Westelijk front; op 7 juli aan het Westelijk front; op 8 juli aan het Noordelijk front, op 9 juli aan het Roemeense front. Het overgaan tot de aanval van de laatstgenoemde drie fronten, dat eigenlijk fictief was, viel reeds samen met het begin van ineenstorting van het belangrijkste d.w.z. het Zuid-Westelijk front.

Kerenski meldde aan de Voorlopige Regering: “Vandaag is het het grote feest van de revolutie. Op 18 juni is het Russische revolutionaire leger met de grootste geestdrift tot de aanval overgegaan.” “De lang voorbereide gebeurtenis is gekomen,” schreef de “Rjetsj”, het blad van de kadetten, “waardoor de mooie dagen van de Russische revolutie ineens weer teruggekeerd zijn.” Op 19 juni declameerde de grijsaard Plechanov op een patriottische meeting: “Burgers! Als ik u vraag welke dag het vandaag is, zullen jullie mij zeggen: maandag. Maar dat is een vergissing: vandaag is het zondag, een zondag voor ons land en voor de democratie van de gehele wereld. Rusland, dat het juk van het tsarisme afgeworpen heeft, heeft besloten ook het juk van de vijand af te werpen.” Tsereteli verklaarde op dezelfde dag op het radencongres: “Een nieuwe bladzijde in de geschiedenis van de grote Russische revolutie begint… niet alleen de Russische democratie moet de successen van ons revolutionair leger met blijdschap begroeten, maar ook… al diegenen die werkelijk een strijd tegen het imperialisme willen.” De patriottische democratie had alle sluizen van welsprekendheid opengezet.

De kranten brachten inmiddels het heuglijke nieuws: “De Parijse beurs begroet het Russisch offensief met een stijging van alle Russische waardepapieren.” De socialisten poogden de stabiliteit van de revolutie af te lezen uit de koerslijst. De geschiedenis leert echter dat de beurs zich beter voelt naarmate het de revolutie slechter gaat.

De arbeiders en het garnizoen van de hoofdstad waren geen ogenblik door de golf van kunstmatig opgewarmd patriottisme meegesleurd. Het Nevski-Prospect bleef het toneel daarvan: “Wij begaven ons op het Nevski,” vertelt de soldaat Tsjinenov in zijn memoires, “en poogden tegen het offensief te agiteren. De bourgeois stortten zich met paraplus op ons… Wij grepen de bourgeois, sleepten hen naar de kazernes… en zeiden hen dat zij morgen naar het front gezonden zouden worden.” Dit waren reeds symptomen van de naderende burgeroorlog. De Julidagen kwamen naderbij. Op 21 juni besloot het regiment mitrailleurs in Petrograd op een algemene vergadering: “Wij zullen in de toekomst slechts dan troepen naar het front zenden indien de oorlog een revolutionair karakter heeft…” Op het dreigement met ontbinding antwoordde het regiment, dat het zich niet zou laten afschrikken door de ontbinding “van de Voorlopige Regering en de organisaties die deze ondersteunden.” Wij vernemen hier weer een dreigende klank die ver vooruit liep op de bolsjewistische agitatie.

De kroniek van de gebeurtenissen vermeldt onder 23 juni: “Afdelingen van het IIde leger veroverden de eerste en de tweede vijandelijke loopgravenlinie…” En terstond daarop: “Er zijn in de fabriek van Baranovski (zesduizend arbeiders) nieuwe verkiezingen voor de Petrogradse sovjet gehouden. Er werden in de plaats van drie sociaal-revolutionairen drie bolsjewieken gekozen.”

De samenstelling van de Petrogradse sovjet was tegen het einde van de maand reeds sterk gewijzigd. Weliswaar nam hij op 20 juni nog een resolutie aan ter begroeting van de oprukkende troepen. Maar met welke meerderheid? 472 tegen 271 stemmen en 39 onthoudingen. Dit is een geheel nieuwe machtsverhouding die we nog niet tegengekomen zijn. De bolsjewieken vormen tezamen met de linkse groepjes mensjewieken en sociaal-revolutionairen reeds twee vijfden van de sovjet. Dit betekent dat de tegenstanders van het offensief een stellige meerderheid in de bedrijven en in de kazernes hebben.

De sovjet van de wijk Vyborg nam op 24 juni een resolutie aan waarvan ieder woord een mokerslag was: “Wij protesteren tegen de avonturiers van de Voorlopige Regering die tot een offensief voor de oude roofzuchtige verdragen overgaan… en wij schuiven de gehele verantwoordelijkheid voor deze offensiefpolitiek op de Voorlopige Regering en de mensjewistische en sociaal-revolutionaire partijen, die haar ondersteunen.” De wijk Vyborg, die na de Februari-omwenteling op de achtergrond gedrongen was, nam nu vol vertrouwen weer de eerste plaats in. De Vyborgse sovjet werd reeds geheel door de bolsjewieken beheerst.

Alles hing nu af van het verder verloop van het offensief, d.w.z. van de soldaten in de loopgraven. Welke veranderingen werden door het offensief in het bewustzijn van hen, die het offensief moesten volbrengen, teweeggebracht? Onbewust streefden zij naar vrede. Niettemin slaagden de regeerders er juist in om dit streven, althans bij een deel van de soldaten en dit gedurende een korte tijd, om te zetten in bereidwilligheid tot de aanval.

De soldaten hadden na de omwenteling een spoedige vredessluiting van de nieuwe regering verwacht en waren bereid tot dan het front te verdedigen. De vrede kwam echter niet. De soldaten begonnen, gedeeltelijk onder invloed van de bolsjewieken, voornamelijk echter op zoek naar een eigen weg, om tot vrede te geraken, pogingen tot verbroedering met de Duitsers en Oostenrijkers te doen. Nu begon er echter van alle kanten een hetze tegen de verbroedering. Bovendien bleek dat de Duitse soldaten nog lang niet gehoorzaamheid aan hun officieren weigerden. Zo nam de verbroedering die niet tot vrede geleid had weer af.

Intussen was er feitelijk een wapenstilstand aan het front die door de Duitsers benut werd voor enorme troepenverplaatsingen naar het Westfront. De Russische soldaten zagen hoe de vijandelijke loopgraven leegliepen, de machinegeweren verwijderd, de kanonnen weggevoerd werden. Hierop was juist het plan van de morele voorbereiding van het offensief gebaseerd. Men prentte de soldaten systematisch in dat de vijand volkomen verzwakt was en dat zijn krachten niet meer toereikend waren, dat hij in het westen door Amerika in het nauw gebracht werd en dat een lichte stoot van onze kant voldoende was om het vijandelijk front uiteen te doen vallen en vrede voor ons te verkrijgen. De regeerders zelf geloofden daar geen moment in. Zij vertrouwden er echter op dat het leger niet meer in staat zou zijn de oorlogsmachinerie stop te zetten nadat deze eenmaal in beweging gezet was.

Daar noch de diplomatie van de Voorlopige Regering, noch de verbroedering tot het doel geleid hadden, neigde een deel van de soldaten ongetwijfeld tot de derde weg: de stoot toebrengen waardoor de oorlog moest ophouden. Een afgevaardigde van het front gaf op het radencongres de stemming van de soldaten precies zo weer: “Voor ons ligt het Duitse front dat nu in hoge mate van troepen ontdaan is; er staan nu geen kanonnen tegenover ons; als wij erop los slaan en de vijand overhoop lopen, zijn wij dichter gekomen bij de vrede waarnaar wij allen snakken.”

De vijand bleek aanvankelijk inderdaad zeer zwak en trok zich terug zonder strijd te leveren, iets waartoe de aanvallers trouwens ook niet in staat zouden geweest zijn. De vijand stortte echter niet ineen, maar formeerde zich opnieuw en concentreerde zijn krachten. Nadat de Russische soldaten twintig à dertig kilometer voortgerukt waren, aanschouwden zij een toneel dat hen uit de ervaring van de afgelopen jaren maar al te goed bekend was: de vijand wachtte hen in de nieuwe versterkte stellingen af. En daar bleek ook dat de soldaten, al voelden zij er nog zo voor een stoot toe te brengen om de vrede te bereiken, geenszins de oorlog wilden. Terwijl zij met geweld, morele pressie en vooral misleiding in de oorlog gesleept waren, hielden zij des te verontwaardigder halt.

“Na een artilleristische voorbereiding, zo groot en krachtig als men van Russische kant nog niet aanschouwd had,” schrijft de Russische geschiedschrijver van de wereldoorlog, generaal Sajontsjkowski, “bezetten de troepen nagenoeg zonder verliezen de vijandelijke stelling en wilden niet verder oprukken. Er begon een massale desertie, gehele troepenafdelingen verlieten de stellingen.”

De Oekraïnse politicus Dorosjenko, voormalig commissaris van de Voorlopige Regering in Galicië, vertelt dat er na de inname van de stad Galitsj en Kaloesj “in Kaloesj terstond een vreselijk pogrom tegen de bevolking volgde, uitsluitend tegen Oekraïers en joden – de Polen liet men ongedeerd.” Het pogrom werd geleid door een of andere kundige hand die vooral in de richting van de Oekraïense instellingen voor culturele ontwikkeling in de stad wees. “De beste, door de revolutie het minst gedemoraliseerde troepenafdelingen,” die met de grootste zorgvuldigheid voor het offensief uitgezocht waren, namen aan het pogrom deel. Nog duidelijker toonden echter de leiders van het offensief, de vroegere tsaristische officieren, die beproefde organisators van pogroms waren, hun ware aangezicht.

De comités en commissarissen van het IIde leger telegraferen op 9 juli aan de regering: “Het Duitse offensief dat op 6 juli aan het front van het IIde leger begonnen is, ontwikkelt zich tot een ontzaglijke ramp… Er heeft in de stemming van de troepen, die tot voor kort met een heldhaftige inspanning van de minderheid in beweging gebracht werden, een krasse en catastrofale ommekeer plaats. Het elan tot de aanval is snel ineengezakt. Het merendeel van de troepenafdelingen bevindt zich in een toestand van steeds sneller voortgaande ontbinding. Er kan geen sprake meer zijn van superieuren en gehoorzaamheid, overredingen en vermaningen hebben hun kracht verloren, – zij worden met dreigementen of zelfs met doodschieten beantwoord.”

De opperbevelhebber van het Zuid-Westelijk front vaardigde met toestemming van de commissarissen en comités een bevel uit om op vluchtelingen te schieten.

Op 12 juli keerde de opperbevelhebber van het Westelijk front, Denikin, naar zijn staf terug met vertwijfeling in het hart en met het volledig besef dat het laatste sprankje hoop op een wonder verdwenen was.

De soldaten wilden niet vechten. De achtergebleven reservetroepen waartoe de troepenafdelingen zich richtten om aangevuld te worden, reageerden: “Waarom zijn jullie tot de aanval overgegaan? Wie heeft u dit bevolen? Men moet de oorlog beëindigen, maar niet aanvallen.” De commandant van het 1ste Siberische korps, dat voor een van de beste doorging, meldde dat de soldaten bij het invallen van de nacht in troepen compagniegewijs de niet aangevallen eerste linie begonnen te verlaten. “Ik begreep dat wij superieuren onmachtig waren om de elementaire geestesgesteldheid van de soldaten te veranderen, en heb bitter, bitter en lang geweend.”

Een compagnie weigerde zelfs om aan de vijand een pamfet over de inname van Galitsj toe te werpen, zolang er niet een soldaat aanwezig was die eerst de Duitse tekst in het Russisch kon vertalen. Dit feit laat zien hoe groot het wantrouwen van de soldaten tegenover de leiding was, zowel tegenover de oude als tegenover de nieuwe, die van februari. De eeuwenlang gedulde verguizingen en mishandelingen kwamen op vulkanische wijze tot uitbarsting. De soldaten voelden zich wederom bedrogen. Het offensief leidde niet tot de vrede, maar tot de oorlog. De soldaten wilden echter geen oorlog en zij hadden gelijk. De patriotten die zich in het achterland verborgen hielden, hetzten en brandmerkten de soldaten als lafaards. Maar de soldaten hadden gelijk. Zij werden geleid door een juist nationaal instinct, voortgekomen uit het bewustzijn van onderdrukte, bedrogen, geschonden, door revolutionaire hoop opgeheven en dan weer in de bloedige trog neergesmeten mensen. De soldaten hadden gelijk. De voortzetting van de oorlog kon het Russische volk niets brengen dan nieuwe offers, vernederingen, noden, niets dan verscherping van de binnenlandse en buitenlandse onderwerping.

De patriottische pers, niet alleen die van de kadetten, maar ook die van de socialisten, was in het jaar 1917 onvermoeid om de Russische soldaten, de deserteurs en lafaards af te zetten tegen de heldhaftige bataljons van de Grote Franse Revolutie. Deze vergelijkingen verraden niet alleen een gemis aan inzicht in de dialectiek van het revolutionair proces, maar ook een volkomen gemis aan historische kennis.

De eminente veldheren van de Franse Revolutie en het keizerrijk begonnen steeds met disciplinebreuk en desorganisatie; Miljoekov zou zeggen met bolsjewisme. De latere maarschalk D’Avoust overtrad als luitenant D’Avoust in de jaren 1789 tot 1790 maandenlang de discipline in het garnizoen Aisdenne, doordat hij de superieuren verjoeg. In geheel Frankrijk voltrok zich tot aan het midden van het jaar 1790 een proces van volkomen verval van het oude leger. De soldaten van het regiment te Vincennes dwongen de officieren om samen met hen de maaltijd te gebruiken. De vloot joeg haar officieren weg. In twintig regimenten hadden gewelddaden tegen de legerleiding plaats. In Nancy zetten drie regimenten hun officieren gevangen. Na 1790 houden de leiders van de Franse Revolutie niet op om telkens weer naar aanleiding van de militaire excessen op te merken: “De uitvoerende macht is de schuld ervan omdat zij de officieren die de revolutie vijandig gezind zijn niet afzet.” Het is merkwaardig dat zowel Mirabeau als Robespierre voor ontbinding van het oude officierenkorps pleitten. De eerste wilde zo snel mogelijk een straffe discipline instellen. De laatste wilde de contrarevolutie ontwapenen. Beiden hadden echter begrepen dat het oude leger afgedaan had. De Russische revolutie voltrok zich weliswaar, anders dan de Franse, gedurende een oorlog. Daaruit vloeit echter geenszins een uitzondering op de door Engels opgestelde historische wet voort. Integendeel, de omstandigheden van de langdurige en ongelukkige oorlog zouden het proces van revolutionaire ontbinding van het leger slechts versnellen en verscherpen. Het mislukt en misdadig offensief van de democratie deed het overige. De soldaten zeggen nu reeds algemeen: “Er is genoeg bloed vergoten! Waartoe die vrijheid en grond als wij er niet meer zullen zijn?” Wanneer de verlichte pacifisten proberen om de oorlog met rationalistische argumenten af te schaffen, maken zij zich eenvoudig belachelijk. Wanneer echter de gewapende massa’s beginnen verstandelijke argumenten tegen de oorlog in te brengen, betekent dit het einde van de oorlog.

Eerste coalitie

In strijd met alle officiële theorieën, verklaringen en opschriften bezat de Voorlopige Regering enkel op papier de macht. Ondanks de tegenstand van de zogenaamde democratie, ging de revolutie voorwaarts, bracht nieuwe massa’s op de been, versterkte de Sovjets, bewapende, hoewel in beperkte mate, de arbeiders. De plaatselijke regeringscommissarissen en de aan deze toegevoegde openbare comités waarin doorgaans vertegenwoordigers van burgerlijke organisaties de overhand hadden, werden noodzakelijk en zonder moeite door de Sovjets verdrongen.

Waar de vertegenwoordigers van het centraal gezag tegenstand probeerden te bieden, ontstonden heftige conflicten. De commissarissen beschuldigden de plaatselijke Sovjets ervan het centraal gezag te miskennen. De burgerlijke pers schreeuwde het uit: Kronstadt, Schlüsselburg en Zarizyn waren van Rusland afgevallen en waren zelfstandige republieken geworden. De plaatselijke Sovjets protesteerden tegen dergelijke onzin. De ministers geraakten in opwinding. Regeringssocialisten reisden naar de provincie, probeerden te overtuigen, dreigden, rechtvaardigden zich tegenover de bourgeoisie. Maar dit alles veranderde niets aan de machtsverhoudingen.

De onvermijdelijkheid van de processen die door de dubbele heerschappij ontstaan waren, kwam onder meer tot uiting in het feit dat deze processen in heel het land plaatsvonden, ook al gebeurde dit niet overal met hetzelfde ritme. De Sovjets werden van controlerende organen omgevormd tot besturende organen. Zij wilden niets weten van een scheiding van de macht, ze mengden zich in de legerleiding, in economische conflicten, voedsel- en transportkwesties en zelfs in juridische aangelegenheden. De Sovjets decreteerden onder druk van de arbeiders de achturendag, zetten overijverige reactionaire bestuurders af, ontsloegen de meest onverdragelijke commissarissen van de Voorlopige Regering, verrichtten arrestaties en huiszoekingen, verboden het verschijnen van vijandige bladen. De provinciale Sovjets gingen onder invloed van de steeds toenemende moeilijkheden op het gebied van de voedselvoorziening en de warenhonger over tot prijsregeling, uitvoerverboden voor bepaalde gouvernementen en opeising van voorraden. Daarbij stonden overal sociaal-revolutionairen en mensjewieken – die met verontwaardiging de bolsjewistische slogan “Alle macht aan de Sovjets” afwezen – aan het hoofd van de Sovjets.

In dit opzicht was het optreden van de Sovjet in Tiflis, het centrum van de mensjewistische Gironde die aan de Februarirevolutie leiders als Tsereteli en Tsjcheïdse had geleverd en nadien deze leiders asiel aanbood toen ze het in Petrograd verkorven hadden. De Sovjet van Tiflis werd geleid door Jordania, het latere hoofd van het onafhankelijke Georgië, moest telkens weer de principes van de in de Sovjet heersende mensjewieken schenden en handelen als een regeringsorgaan. De Sovjet confisqueerde een particuliere drukkerij, verrichtte arrestaties, verrichtte vooronderzoek en sprak vonnissen uit in politieke processen, stelde het broodrantsoen vast, bepaalde prijzen voor voedingsmiddelen en onontbeerlijke gebruiksartikelen. De tegenspraak die er vanaf de eerste dagen tussen de officiële leer en de praktijk van het leven bestond, werd in de loop van maart en april nog sterker.

In Petrograd werd de schijn nog hoog gehouden. De aprildagen toonden echter ondubbelzinnig de onmacht van de Voorlopige Regering. Zo werd duidelijk dat zij ook in de hoofdstad geen werkelijke macht achter zich had. De regering leidde in de laatste tien dagen van april slechts een moeizaam, kwijnend bestaan. “Met weemoed sprak Kerenski van het feit dat er geen regering meer was, dat deze niet meer werkte, maar alleen nog maar haar eigen toestand besprak.” (Stankevitsj). Men kan in het algemeen van deze regering zeggen dat zij tot aan de Oktoberdagen crisissen doormaakte en in de pauzen tussen de crisissen… bestond. Terwijl zij voortdurend “haar toestand besprak,” had zij daarbuiten geen tijd om zich aan haar werk te wijden.

Theoretisch waren er drie uitwegen denkbaar uit de crisis die door het voorproefje van de komende gevechten in april ontstaan was. Of de macht moest geheel overgaan op de burgerij. Dit was slechts door een burgeroorlog te verwezenlijken. Miljoekov had het geprobeerd, maar had gefaald. Of de macht moest geheel aan de Sovjets worden afgestaan. Dit was zonder enige burgeroorlog te bereiken, met een handomdraai, als men maar wilde. Maar de verzoeningsgezinden wilden het niet, terwijl de massa’s nog altijd hun geloof in de verzoeningsgezinden behielden – al was dit ook reeds aan het wankelen. Op deze manier waren de beide voornaamste uitwegen – zowel in burgerlijke als in proletarische richting – versperd. Als derde mogelijkheid bleef er over: de verwarde, gedeeltelijke, angstvallige, halfslachtige uitweg van het compromis, genaamd coalitie.

Eind april dachten de socialisten in de verste verte niet aan een coalitie. Deze mensen waren niet in staat om ook maar iets te voorzien. Met de resolutie van 21 april werd de dubbele heerschappij officieel van een feit tot een constitutioneel principe gemaakt door het Uitvoerend Comité. Maar de wijze uil was ook ditmaal te laat haar vlucht begonnen. De juridische wijding van de dubbele heerschappij in haar maartse vorm – tsaren en profeten – gebeurde op een moment dat deze vorm reeds door het optreden van de massa’s gebroken was. De socialisten probeerden de ogen voor dit feit te sluiten. Miljoekov vertelt hoe Tsereteli, toen de regering de kwestie van de coalitie stelde, verklaarde: “Welk nut is er voor jullie als wij tot uw rangen toetreden? Als jullie zich niet toegeeflijk opstellen, zouden we ons immers genoodzaakt zien om met de nodige ophef uit de regering te stappen.” Tsereteli probeerde de liberalen met zijn toekomstige ophef af te schrikken. De mensjewieken deden zoals steeds beroep op de belangen van de burgerij om hun houding te motiveren. Het water steeg echter tot de lippen. Kerenski joeg het Uitvoerend Comité angst aan: “De regering bevindt zich momenteel in een onhoudbare situatie; de geruchten van een mogelijk aftreden zijn geen politiek manoeuvre.” Tegelijkertijd begonnen de burgerlijke kringen druk uit te oefenen. De Moskouse stedelijke Doema sprak zich in een resolutie voor de coalitie uit. Op 26 april, toen het terrein voldoende geëffend was, sprak de Voorlopige Regering in een buitengewone oproep de noodzakelijkheid uit om “die actieve scheppende krachten in het land, die zich tot nu toe afzijdig gehouden hebben,” in het staatsapparaat te betrekken. De kwestie was nu in al haar scherpte gesteld.

De stemming tegen de coalitie was intussen nog sterk genoeg. De Sovjets van Moskou, Tiflis, Odessa, Jekaterinenburg, Nisjni-Nowgorod, Tver en andere plaatsen spraken zich einde april tegen een regeringsdeelname van de socialisten uit. Een mensjewistisch leider in Moskou formuleerde hun beweegredenen scherp: indien de socialisten in de regering treden, zal er niemand zijn om de massabeweging “in goede banen” te leiden. Het was echter moeilijk deze overweging bij de arbeiders en soldaten, tegen wie zij juist gericht was, ingang te doen vinden. De massa’s waren, voor zover zij nog niet hand in hand met de bolsjewieken gingen, overwegend voor een regeringsdeelname van de socialisten. Als het goed is dat Kerenski minister is, dan zijn zes Kerenski’s nog beter. De massa’s wisten niet dat dit een coalitie met de burgerij betekende en dat de burgerij de socialisten als dekking tegen het volk wilde gebruiken.

Gezien vanuit de kazerne zag de coalitie er anders uit dan vanuit het Mariinskipaleis. De massa’s wilden met de socialisten de burgerij uit de regering verdringen. Zo kwamen verschillende vormen van druk in tegengestelde richting tijdelijk samen.

Een aantal troepenafdelingen, waaronder ook de met de bolsjewieken sympathiserende pantserdivisie, stemde in Petrograd voor een coalitieregering. Hetzelfde gebeurde in overgrote meerderheid in de provincie. Bij de sociaal-revolutionairen overheerste de stemming voor een coalitie, maar zij waren bevreesd om zonder de mensjewieken in de regering te treden. Tenslotte was ook het leger voor de coalitie.

Op het radencongres in juni, enkele maanden later dus, vatte een afgevaardigde de positie aan het front inzake de regeringskwestie goed samen: “Wij geloofden dat de zucht die het leger slaakte toen het vernam dat de socialisten niet tot een regering wilden toetreden met mensen die ze niet vertrouwden, terwijl het gehele leger gedwongen was om verder te sterven met mensen die het niet vertrouwde, wij dachten toen echt dat onze zucht tot in Petrograd gehoord was.”

Net als in alle andere kwesties, was de oorlog ook in deze kwestie van doorslaggevend belang. De socialisten hadden aanvankelijk het idee om zowel de kwestie van de oorlog als die van de regering op de lange baan te schuiven en kalm af te wachten. Maar de oorlog wachtte niet. De bondgenoten wachtten niet. En ook het front wilde niet langer wachten. Net tijdens de regeringscrisis kwamen er afgevaardigden van het front bij het Uitvoerend Comité. Zij stelden de leiders de vraag: voeren wij oorlog of niet? Dat wilde zeggen: nemen jullie de verantwoording voor de oorlog op of niet? Het was onmogelijk te zwijgen. Dezelfde vraag werd in de vorm van bedekte dreigementen door de Entente gesteld.

Het Apriloffensief aan het West-Europese front kwam de Geallieerden duur te staan en leverde geen resultaten op. Het Franse leger begon onder invloed van de Russische revolutie en de mislukking van het offensief waarvan men zoveel verwacht had, te wankelen. Het leger “wendde en keerde zich” – naar de woorden van maarschalk Pétain. De Franse regering had absoluut een Russisch offensief nodig om dit dreigend proces tegen te gaan, en in afwachting van zo’n offensief was er nood aan een stellige belofte van een offensief. Dit moest niet alleen zorgen voor een materiële verlichting, het moest ook een einde maken aan het vredesaureool van de Russische revolutie. Het moest de hoop uit de harten van de Franse soldaten rukken. Het moest de revolutie compromitteren door deelname aan de misdaden van de Entente. Het moest de vlag van de opstand van de Russische arbeiders en soldaten door het bloed en het slijk van de imperialistische slachting sleuren. Alle krachten werden in beweging gezet om dit verheven doel te bereiken. Niet in de laatste plaats werkten daarbij de sociaalpatriotten van de entente mee. Men liet de meest beproefden van hen naar het revolutionaire Rusland komen. Zij kwamen aan, uitgerust met een ruim geweten en een losse tong. “De buitenlandse sociaalpatriotten werden in het Mariinskipaleis met open armen ontvangen…,” schrijft Soechanov. “Branting, Cachin, O’ Grady, de Brouckère en meerdere anderen voelden zich daar thuis en vormden met onze ministers een eenheidsfront tegen de Sovjet.” Men moet toegeven dat zelfs de verzoeningsgezinde Sovjet niet altijd op zijn gemak was met deze heren.

De geallieerde socialisten reisden de fronten af. “Generaal Alexejev,” schreef Vandervelde, “deed alles om onze pogingen en de vorige pogingen door afgevaardigden van de Zwarte Zeevloot, Kerenski en Albert Thomas te ondersteunen. Hij had het over een morele voorbereiding van het offensief.” De voorzitter van de Tweede Internationale en de vroegere chef van de generale staf van tsaar Nicolaas II spraken op deze manier een gemeenschappelijke taal in de strijd voor de verheven idealen van de democratie. Renaudel, één van de leiders van de Franse socialisten, kon met een zucht van verlichting uitroepen: “Nu kunnen wij zonder blozen spreken van een rechtvaardige oorlog.” Na drie jaren vernam de mensheid dat deze heren toch wel enige reden tot blozen hadden.

Op 1 mei besloot het Uitvoerend Comité eindelijk, nadat het alle stadia van aarzeling die maar denkbaar waren doorlopen had. Het besliste met 41 tegen 18 stemmen en 3 onthoudingen tot een deelname aan de coalitieregering. Enkel de bolsjewieken en een handvol mensjewieken-internationalisten stemden tegen.

Het is wel interessant dat de erkende leider van de burgerij, Miljoekov, slachtoffer was van deze toenadering. “Ik ben niet weggegaan, ik ben weggestuurd,” verklaarde hij later. Goetsjkov was al op 30 april vertrokken nadat hij weigerde de “Verklaring van de rechten van de soldaat” te ondertekenen. Hoe somber het er in die tijd al uitzag in de harten van de liberalen valt te concluderen uit het feit dat het centraal comité van de kadettenpartij besliste om met het oog op de redding van de coalitie Miljoekov op te offeren. “De partij heeft haar leider verraden,” schrijft de rechtse kadet Isgojev. Nu was er eigenlijk weinig keuze voor de kadetten. Dezelfde Isgojew merkt terecht op: “De partij van de kadetten kreeg eind april een klap. Zij kreeg een morele slag die zij niet meer te boven kon komen.”

Ook over het lot van Miljoekov was het laatste woord aan de entente. Engeland was het volkomen eens met de vervanging van de Dardanellenpatriot door een gedisciplineerde “democraat”. Henderson was naar Petrograd gekomen met de volmacht om zo nodig Buchanan als gezant op te volgen. Nadat hij zich van de toestand op de hoogte had gesteld, oordeelde hij dat dergelijke verandering overbodig was. Buchanan was inderdaad de juiste man op de juiste plaats. Hij was een beslist tegenstander van annexaties voor zover die niet strookten met de Britse aspiraties. “Indien Rusland Constantinopel niet nodig heeft,” fluistert hij zachtjes Teresjtsjenko in het oor, “dan kan dit het best zo snel mogelijk verkondigd worden.” Frankrijk ondersteunde Miljoekov aanvankelijk. Hier speelde Albert Thomas echter een belangrijke rol. Na Buchanan en de leiders van de Sovjet sprak hij zich eveneens tegen Miljoekov uit. Zo werd de door de massa’s gehate politicus in de steek gelaten door de geallieerden, de democraten en uiteindelijk ook zijn eigen partij.

Miljoekov had eigenlijk zo’n wrede executie niet verdiend, althans niet door deze handen. De coalitie eiste echter een zoenoffer. Miljoekov werd aan de massa’s voorgesteld als de boze geest die de algemene triomftocht naar de democratische vrede verhinderd had. De coalitie zuiverde zich door Miljoekov op te offeren met één slag van alle imperialistische zonden. De Petrogradse Sovjet keurde op 5 mei de samenstelling van de coalitieregering en het programma ervan goed. De bolsjewieken wisten tegen de coalitie in totaal honderd stemmen te behalen. “De vergadering begroette de redevoeringen van de ministers met stormachtige bijval…,” vermeldt Miljoekov ironisch. “Een avond eerder was Trotski, de vroegere leider van de eerste revolutie die uit Amerika aankwam, echter met even stormachtige ovaties ontvangen. Hij had de socialistische regeringsdeelname in scherpe bewoordingen veroordeeld en beweerde dat de ‘dubbele heerschappij’ niet verdwenen was, maar enkel naar ‘de regering verlegd’ was en dat de werkelijke alleenheerschappij die Rusland zou ‘redden’ pas zou beginnen na de ‘volgende stap’, de ‘overgave van de macht aan de arbeiders- en soldatenafgevaardigden.” Zo luidt de beschrijving van Miljoekov. Aan het slot van zijn rede stelde Trotski drie stelregels voor de politiek van de massa’s op: “Drie revolutionaire geboden: de bourgeoisie wantrouwen; de leiders controleren; slechts op eigen kracht vertrouwen.” Soechanov zegt over dit optreden: “Van meet af aan mocht hij niet op bijval rekenen.” En inderdaad, de spreker werd aan het slot van zijn toespraak veel koeler bejegend dan bij het begin. Soechanov, die buitengewoon fijngevoelig is voor intellectuele nuances, voegt hieraan toe: “Er liepen over Trotski, die nog geen lid was van de Bolsjewistische partij, al geruchten dat hij nog erger was dan Lenin.”

De socialisten namen zes van de vijftien ministerportefeuilles. Zij wilden in de minderheid zijn. Zij zetten het schaakspel voort, zelfs nadat zij besloten hadden openlijk deel uit te maken van de regering. Vorst Lvov bleef eerste minister, Kerenski werd minister van oorlog en marine, Tsjernov minister van landbouw. Miljoekov’s post als minister van buitenlandse zaken werd ingenomen door de kenner van het ballet, Teresjtsjenko, die tegelijkertijd vertrouwensman van Kerenski en Buchanan werd. Alle drie waren zij het er volkomen over eens dat Rusland het best zonder Constantinopel kon. Aan het hoofd van het ministerie van justitie kwam de onbeduidende advocaat Pereversev te staan, die later in verband met het Juliproces tegen de bolsjewieken tijdelijk een zekere beroemdheid kreeg. Tsereteli nam, om tijd over te houden voor het Uitvoerend Comité, genoegen met het ministerie van post en telegrafie. Skobeljev, die minister van arbeid werd, beloofde in zijn eerste enthousiasme, de winsten van de kapitalisten met honderd procent te verminderen – wat weldra een gevleugeld woord werd. Om het evenwicht te bewaren, benoemde men de Moskouse grootindustrieel Konovalov tot minister van handel en industrie. Hij introduceerde enige bekende figuren van de Moskouse beurs aan wie belangrijke posten werden toevertrouwd. Konovalov nam echter al na twee weken ontslag uit protest tegen de “anarchie” in de volkshuishouding, terwijl Skobeljew reeds eerder zijn aanvalsplan op de winsten had opgegeven en zich aan de strijd tegen de anarchie gewijd had. Hij onderdrukte stakingen en riep de arbeiders op zich te matigen.

De regeringsverklaring bestond, zoals dat bij een coalitie past, louter uit gemeenplaatsen. Zij sprak van een actieve buitenlandse politiek ten gunste van de vrede, de oplossing van het voedselvraagstuk en de voorbereiding tot een oplossing van het agrarisch vraagstuk. Dit waren louter holle frasen. Het enige punt dat ernstig was, was de voorbereiding van het leger “tot defensieve en offensieve acties, om een eventuele nederlaag van Rusland en zijn bondgenoten te verhinderen.” Deze taak was de eigenlijke betekenis van de coalitie, die als laatste inzet van de entente in Rusland tot stand gekomen was.

“De coalitieregering,” schreef Buchanan, “is onze laatste en vrijwel enige hoop op redding van de situatie aan dit oorlogsfront.” Zo stond achter de principes, redevoeringen, overeenkomsten en stemmingen van de liberale en democratische leiders van de Februarirevolutie, de imperialistische regisseur in de vorm van de entente. Terwijl zij zich genoodzaakt zagen ten behoeve van het de revolutie vijandig gezinde ententefront ijlings tot de regering toe te treden, namen de socialisten ongeveer een derde van de macht en van de gehele oorlog op zich.

De nieuwe minister van buitenlandse zaken moest twee weken lang de publicatie van de antwoorden van de geallieerde regeringen op de verklaring van 27 maart uitstellen, om het zodanig aan te passen dat het polemische karakter tegen de verklaring van de nieuwe regering voldoende gemaskeerd werd. De “actieve buitenlandse politiek ten gunste van de vrede” bestond van nu af aan daarin dat Teresjtsjenko ijverig de tekst van de diplomatieke telegrammen, die de oude regeringsbureau’s voor hem opstelden, redigeerde, “aanspraken” doorschrapte, “eisen van gerechtigheid” daarvoor in de plaats schreef of voor “waarborging van belangen” “welzijn van de volkeren” zette. Tandenknarsend zegt Miljoekov over zijn opvolger: “De geallieerde diplomaten wisten dat de “democratische” terminologie van zijn telegrammen een noodzakelijke concessie aan de eisen van het ogenblik was en hielden daar rekening mee.”

Thomas en de kort te voren aangekomen Vandervelde zaten intussen niet stil. Ze waren ijverig bezig om aan het “welzijn van de volkeren” een uitleg te geven die in overeenstemming was met de behoeften van de entente. Ze waren ook ijverig bezig om de onnozele sukkels uit het Uitvoerend Comité met succes te bewerken. “Skobeljew en Tsjernov,” meldde Vandervelde, “protesteerden krachtig tegen elke gedachte aan een voortijdige (“premature”) vrede.” Het is niet verwonderlijk dat Ribot, steunend op zulke handlangers, reeds op 9 mei aan het Franse parlement kon verklaren dat hij van plan was om “zonder ook maar iets prijs te geven” een bevredigend antwoord aan Teresjtsjenko te geven.

De werkelijke meesters van de toestand waren inderdaad niet van plan om ook maar iets prijs te geven. Juist in die dagen had Italië de onafhankelijkheid van Albanië geproclameerd en het tegelijkertijd onder Italiaans protectoraat gesteld. Dit was geen slechte les. De Voorlopige Regering dacht na over protest, niet zozeer in naam van de democratie maar wel vanwege het verstoord ‘evenwicht’ op de Balkan. Maar de regering legde zichzelf uiteindelijk in volkomen onmacht het zwijgen op.

Nieuw aan de buitenlandse politiek van de coalitie was alleen maar de haastige toenadering tot Amerika. Deze jeugdige vriendschap bood drie niet te onderschatten voordelen: de Verenigde Staten waren minder door militaire gemeenheden gecompromitteerd dan Frankrijk en Engeland; de trans-Atlantische republiek opende voor Rusland perspectieven wat betreft leningen en militaire uitrusting; eindelijk kwam Wilson’s diplomatie – een mengelmoes van oplichterij en democratische vroomheid – tegemoet aan de stylistische behoeften van de Voorlopige Regering. Wilson zond een missie onder leiding van de senator Root naar Rusland en stuurde een van zijn domineeboodschappen naar de Voorlopige Regering. Daarin verklaarde hij: “Geen volk mag met geweld onderworpen worden aan een heerschappij waaronder het niet wil leven.” Het doel van de oorlog werd door de Amerikaanse president niet erg nauwkeurig omschreven, maar het werd wel aanlokkelijk voorgesteld: verzekering van een duurzame vrede aan de wereld en welstand en geluk in de toekomst voor alle volkeren. Wat kon men meer willen? Dit was net wat Teresjtsjenko en co nodig hadden: nieuwe kredieten en pacifistische frasen. Met behulp van de eerste en onder het mom van de laatste kon men het offensief voorbereiden dat de Shylock aan de Seine, die als een bezetene met al zijn wissels in het rond zwaaide, eiste.

Reeds op 11 mei reisde Kerenski af naar het front en begon de agitatiecampagne voor het offensief. “De golf van enthousiasme in het leger stijgt en breidt zich uit,” berichtte de nieuwe minister van oorlog van de Voorlopige Regering, terwijl hij van enthousiasme over zijn eigen woorden struikelde. Op 14 mei vaardigt Kerenski een legerorder uit: “Jullie zullen gaan waarheen jullie leiders je brengen.” Om dit aan de soldaten wel bekend en weinig aanlokkelijk perspectief op te smukken, voegt hij eraan toe: “Jullie zullen op de spits van je bajonet de vrede dragen.” Op 22 mei werd de voorzichtige, maar volslagen onbekwame, generaal Alexejev van zijn functie als opperbevelhebber ontheven en door de meer soepele en ondernemende generaal Broessilov vervangen. De democraten bereidden met alle macht het offensief, d.w.z. de grote catastrofe van de Februarirevolutie, voor.

De Sovjet was het orgaan van de arbeiders en soldaten, d.w.z. van de boeren. De Voorlopige Regering was het orgaan van de burgerij. De contactcommissie was het orgaan van de verzoening. De coalitie vereenvoudigde het apparaat, doordat zij de Voorlopige Regering zelf tot een contactcommissie maakte. De dubbele heerschappij was daarmee echter geenszins opgeheven. Of Tsereteli lid van de contactcommissie dan wel minister van posterijen was – dit maakte geen verschil. Er bestonden in het land twee niet met elkaar te verenigen staatsorganisaties: de hiërarchie van de van bovenaf benoemde oude en nieuwe ambtenaren met als bekroning de Voorlopige Regering, en het stelsel van de gekozen Sovjets die zich uitstrekten tot in de verst verwijderde compagnie aan het front. Deze twee regeringsstelsels steunden op verschillende klassen die zich nog pas opmaakten om historische rekeningen met elkaar te vereffenen. De verzoeningsgezinden koesterden de hoop om door tot de regering toe te treden langzamerhand en langs vreedzame weg het radenstelsel in te voeren. Ze waren ervan overtuigd dat de macht van de Sovjets nu op de officiële regering zou overgaan. Kerenski verzekerde nadrukkelijk aan Buchanan dat “de Sovjets een natuurlijke dood zouden sterven.” Deze verwachting werd weldra de officiële leer van de verzoeningsgezinden. Zij hadden de opvatting dat het zwaartepunt overal van de Sovjets naar de nieuwe democratische zelfbestuursorganen verlegd moest worden. De Constituerende Vergadering zou de plaats van het Centraal Uitvoerend Comité innemen. De coalitieregering poogde derhalve de brug te vormen tot een burgerlijk parlementair republikeins bewind.

De revolutie wou en kon deze weg echter niet inslaan. Het lot van de nieuwe stedelijke Doema’s hield in dit opzicht een ondubbelzinnige voorspelling in. De Doema’s waren ontstaan op de grondslag van een zeer verstrekkend kiesrecht. Soldaten hadden hetzelfde kiesrecht als de burgerbevolking, vrouwen hetzelfde als mannen. Vier partijen namen aan de strijd deel. De “Nowoje Wremja” (“Nieuwe Tijd”), de oude officieuze krant van de tsaristische regering en een van de meest schunnige kranten van de wereld – dat wil wat zeggen! – riep de rechtsen, nationalisten, oktobristen op om voor de kadetten te stemmen. Toen echter de politieke onmacht van de bezittende klassen duidelijk aan het licht kwam, hief het merendeel van de burgerlijke bladen volgende slogan aan: “Kies wie je wil, als het maar geen bolsjewieken zijn!” In alle Doema’s en Zemstvo’s vormden de kadetten de rechtervleugel, de bolsjewieken de aangroeiende linkse minderheid. De meerderheid, en in de regel een overstelpende meerderheid, hadden de sociaal-revolutionairen en mensjewieken.

Schijnbaar moesten de nieuwe Doema’s, die zich van de Sovjets onderscheidden door een meer geperfectioneerde vertegenwoordiging, het meeste gezag hebben. De Doema’s hadden bovendien als publiekrechtelijke instellingen het enorme voordeel van een officiële ondersteuning van staatswege. Leger, verpleging, stedelijk transport, volksontwikkeling ressorteerden officieel onder de Doema’s. De Sovjets hadden als private instellingen noch een budget, noch rechten. En toch bleef de macht in handen van de Sovjets. De Doema’s waren voornamelijk slechts gemeentecommissies van de Sovjets. De wedstrijd tussen sovjetstelsel en formele democratie was, wat zijn eindresultaat betreft, te meer verbluffend omdat ze zich onder leiding van dezelfde partijen (de sociaal-revolutionairen en de mensjewieken) voltrok terwijl die zowel in de Doema’s als in de Sovjets een meerderheid hadden. Deze partijen meenden dat de Sovjets plaats moesten maken voor de Doema’s en ze probeerden alles te doen wat ze konden om dit te bewerkstelligen. De verklaring van dit merkwaardig verschijnsel, waarover in de roes van de gebeurtenissen zelf in het algemeen weinig werd nagedacht, is eenvoudig: gemeenteraden kunnen net als alle democratische instellingen in het algemeen slechts werkzaam zijn op de grondslag van stabiele maatschappelijke verhoudingen, d.w.z. van een bepaald eigendomssysteem. Het wezen van de revolutie bestaat echter daarin dat het juist het probleem van deze fundamentele grondslag aan de orde stelt: een probleem dat slechts door een eerlijk revolutionair kritisch onderzoek van de machtsverhoudingen van de verschillende klassen onderling op te lossen is. De Sovjets waren tegen de politiek van hun leiders in strijdorganisaties van de onderdrukte klassen die zich deels bewust, deels half bewust verenigden om de grondslagen van de maatschappijorde te veranderen. De gemeenteraden echter gaven aan alle bevolkingsklassen, die geabstraheerd waren tot “burgers”, een gelijke vertegenwoordiging en zij geleken in de revolutionaire omstandigheden veel op een conferentie van diplomaten die in conventionele huichelachtige bewoordingen tot overeenstemming trachten te komen, terwijl de vijandige groepen die erin vertegenwoordigd waren zich koortsachtig voorbereidden op de strijd. In de dagelijkse sleur van de revolutie konden de gemeenteraden hun schijnbestaan nog rekken. Maar op beslissende keerpunten in de ontwikkeling, ogenblikken waarop het ingrijpen van de massa’s de verdere loop van de gebeurtenissen bepaalde, moesten de gemeenteraden noodzakelijk uiteenvallen en hun samenstellende delen aan verschillende kanten van de barricaden staan. Men behoefde slechts de rol van de Sovjets en die van de gemeenteraden in de tijd tussen mei en oktober met elkaar te vergelijken om het lot van de Constituerende Vergadering tijdig te kunnen voorzien.

De coalitieregering aarzelde met de bijeenroeping van de Constituerende Vergadering. De liberalen, die in strijd met de democratische rekenkunde de meerderheid in de regering hadden, maakten geen haast om in de latere Constituerende Vergadering de onmachtige rechtervleugel te vormen, zoals nu in de nieuwe Doema’s. De “aparte zitting over de bijeenroeping van de Constituerende Vergadering” begon pas eind mei, drie maanden na de omwenteling, aan haar werkzaamheden. De liberale juristen hielden zich bezig met eindeloze haarkloverijen, roerden het democratisch bezinksel in alle mogelijke richtingen, kibbelden eindeloos over het kiesrecht van het leger en of de miljoenen deserteurs en de leden van de vroegere tsarenfamilie, hoogstens enkele tientallen mensen, stemrecht mochten krijgen of niet. Over het tijdstip van de bijeenroeping werd zoveel mogelijk gezwegen. Het werd in het algemeen als een tactloosheid, waartoe slechts de bolsjewieken in staat waren, beschouwd om deze kwestie in de commissie op te werpen.

Weken gingen voorbij, maar in strijd met de verwachtingen en voorspellingen van de verzoeningsgezinden verdwenen de sovjets niet. Terwijl deze door hun leiders in slaap gesust en in verwarring gebracht werden, werden ook zij weliswaar tijdelijk in hoge mate verzwakt, maar het eerste alarmsignaal bracht ze weer op de been en liet daarmee aan iedereen duidelijk zien dat de sovjets meester van de toestand waren. De sociaal-revolutionairen en mensjewieken zagen zich, ofschoon zij onafgebroken de sovjets trachtten te saboteren, toch in alle belangrijke gevallen genoodzaakt om de prioriteit van deze te erkennen. Dit kwam tot uiting o.a. daarin dat de beste krachten van beide partijen in de sovjets geconcentreerd waren. Aan de gemeenteraden en Zemstvo’s lieten zij slechts tweederangslieden, technici, administrateurs, … over. Ditzelfde verschijnsel kon men ook bij de bolsjewieken waarnemen. Alleen de kadetten, die tot de sovjets geen toegang hadden, concentreerden hun beste krachten in de zelfbestuursorganen. De rampzalige burgerlijke minderheid was echter niet in staat deze tot een steunpunt voor zich te maken.

Niemand beschouwde derhalve de gemeenteraden als zijn orgaan. Er kon over het toenemend antagonisme tussen arbeiders en fabrikanten, soldaten en officieren, boeren en gootgrondbezitters niet zo openlijk gediscussieerd worden in de gemeenteraden en Zemstvo’s als in eigen kring, in de Sovjet aan de ene kant en in de officieuze zittingen van de Rijksdoema en andere dergelijke bijeenkomsten van de burgerlijke politici aan de andere kant. Men kan het met zijn tegenstanders wel over kleinigheden eens worden, maar niet over kwesties waar het om leven en dood gaat.

Indien men uitgaat van de marxistische stelling dat de regering het uitvoerend comité van de heersende klasse is, moet men zeggen dat de ware comités van de om de macht strijdende klassen zich buiten de coalitieregering bevonden. Dit was bijzonder duidelijk wat betreft de sovjet, die als minderheid in de regering vertegenwoordigd was. Maar het ging evenzeer op voor de burgerlijke meerderheid. De liberalen verkeerden niet in de mogelijkheid in tegenwoordigheid van de socialisten ernstig en zakelijk die kwesties te bespreken die de bourgeoisie het meest bezighielden. De verdringing van Miljoekov, de erkende en onbetwiste leider van de bourgeoisie rond wie zich de staf van de bezittende klasse schaarde, had een symbolische betekenis doordat zij helemaal duidelijk maakte dat de regering excentriek in elke betekenis van het woord was. Alles draaide om twee brandpunten waarvan het ene rechts en het andere links van het Mariinskipaleis lag.

De ministers leefden in een atmosfeer van zelf gecreëerde conventies. Maar ze durfden zelfs in de regering hun werkelijke gedachten niet uit te spreken. De door de coalitie gemaskeerde dubbele heerschappij werd een school voor dubbelzinnigheid, dubbele moraal en iedere soort dubbelhartigheid. De coalitieregering maakte in de komende zes maanden een reeks crisissen, reorganisaties en hergroeperingen door. Maar zij behield haar uitdrukking van onmacht en valsheid tot aan haar dood.

 

“Aprildagen”

Op 23 maart namen de Verenigde Staten voor het eerst deel aan de oorlog. Op dezelfde dag had in Petrograd de teraardebestelling van de slachtoffers van de Februarirevolutie plaats. De demonstratie die treurig maar tegelijkertijd feestelijk blijmoedig was, vormde een machtig slotakkoord van de symfonie van de opstandige vijf dagen.

Iedereen kwam naar de teraardebestelling: zowel degenen die zij aan zij met de vermoorden gestreden hadden, alsook diegenen die zich van de strijd afzijdig hielden, en waarschijnlijk ook zij die hen zelf vermoord hadden maar het meest talrijk waren diegenen die niet aan de strijd hadden deelgenomen. Naast arbeiders, soldaten en kleine stedelingen waren er studenten, ministers, gezanten, degelijke burgers, journalisten, redenaars, kopstukken van alle partijen. Rode doodkisten golfden op de handen van de arbeiders en soldaten uit de verschillende wijken van de stad naar het Marsveld. Toen de kisten in het graf zonken, weerklonk van de Peter-en-Paulsvesting het eerste saluutschot dat de grote volksmassa deed opschrikken. De kanonnen donderden op een nieuwe wijze: onze kanonnen, ons saluut. De wijk Vyborg droeg éénenvijftig rode doodkisten. Dit was maar een gedeelte van de slachtoffers waarop het trots was. Boven de stoet van de Vyborgers, die het dichtst van alle was, staken talrijke bolsjewistische vlaggen uit. Zij woeien echter vreedzaam naast de andere. Op het Marsveld zelf bleven slechts de leden van de regering, van de Sovjet en van de Rijksdoema, die reeds verbleekt was maar zich nog hardnekkig tegen haar eigen begrafenis verzette. In de loop van de dag defileerden minstens achthonderdduizend mensen met banieren en muziekkorpsen voorbij de graven. En ofschoon volgens de mening van de hoogste militaire autoriteiten zo’n mensenmassa onmogelijk in de daarvoor vastgestelde tijd had kunnen voorbijtrekken zonder de grootste chaos en een katastrofaal gedrang te veroorzaken, verliep de manifestatie niettemin in de meest volkomen orde, zoals kenmerkend is voor dergelijke revolutionaire optochten waarbij het tevreden gevoel over de volbrachte grote daden overheerst samen met de hoop dat alles nu beter zal worden. Enkel door deze stemming werd de orde gehandhaafd, want de organisatie was nog zwak, onervaren en niet zeker van zichzelf.

Het feit van de teraardebestelling was, zou men denken, een afdoende weerlegging van de legende van de onbloedige revolutie. En toch gaf de stemming die bij de teraardebestelling heerste gedeeltelijk die atmosfeer weer van de eerste dagen waaruit deze legende ontstaan was.

Na vijfentwintig dagen – de Sovjets hadden in deze tijd veel aan ervaring en zekerheid gewonnen – had het feest van de eerste mei naar Europese tijdrekening (18 april volgens de oude tijdrekening) plaats. Alle steden in het land waren vol van vergaderingen en demonstraties. Niet alleen de industriebedrijven, maar ook de staats-, stads- en Zemstvoinstellingen vierden feest. In Mohilev, waar het hoofdkwartier zich bevond, liepen de ridders van het St. Georgekruis aan het hoofd van de demonstratie. De stafkolonne met de niet afgezette tsaristische generaals droeg haar doeken met meileuzen. Het feest van het proletarisch antimilitarisme smolt samen met de revolutionair getinte manifestatie van het patriottisme. De verschillende bevolkingsgroepen namen deel aan het feest, maar alles verenigde zich nog tot een weliswaar buitengewoon verward, gedeeltelijk onwaarachtig, maar in het algemeen groots geheel.

In de beide hoofdsteden en in de industriecentra overheersten de arbeiders bij het feest en onder de arbeidersmassa kwam reeds duidelijk – door banieren, doeken, redevoeringen en interrupties –  de vaste kern van het bolsjewisme naar voren. Over de reusachtige voorgevel van het Mariinskipaleis, waar de Voorlopige Regering zetelde, was een uitdagend rood doek gespannen met het opschrift: “Leve de Derde Internationale!” De autoriteiten die hun administratieve schuchterheid nog niet afgeworpen hadden, konden er niet toe besluiten dit onaangenaam en zorgwekkend doek te verwijderen. Het leek alsof iedereen feestvierde. Voor zover dat mogelijk was, vierde ook het actieve leger feest. Er kwamen berichten over vergaderingen, redevoeringen, vaandels en revolutionaire liederen in de loopgraven. Er was ook weerklank van Duitse kant.

De oorlog liep nog niet ten einde. Integendeel, hij breidde zich uit. Kort geleden, precies op de dag van de teraardebestelling van de slachtoffers van de revolutie, had immers een geheel continent zich in de oorlog begeven om deze nieuwe kracht te geven. Tezelfdertijd namen in alle delen van Rusland samen met de soldaten ook krijgsgevangenen aan de demonstraties deel, onder gemeenschappelijke banieren, dikwijls ook met gemeenschappelijke liederen in diverse talen. In dit onafzienbaar feest, dat geleek op een vloedgolf die de grenzen van klassen, partijen en ideeën wegspoelde, was de gemeenschappelijke demonstratie van de Russische soldaten en de Oostenrijkse en Duitse gevangenen een bijzonder hoopvolle factor die deed geloven dat de revolutie toch een betere wereld in zich borg. Evenals de teraardebestelling in maart verliepen ook de meifeesten in volkomen orde, zonder botsingen en slachtoffers, als een “nationaal” feest. Indien men echter opmerkzaam toehoorde, kon men gemakkelijk ongeduldige en zelfs dreigende klanken uit de soldaten- en arbeidersrijen vernemen. Het leven wordt voortdurend moeilijker. En inderdaad: de prijzen stegen onrustbarend, de arbeiders eisten vaste minimumlonen, de ondernemers verzetten zich, de conflicten in de bedrijven namen onafgebroken toe. De voedselvoorziening werd slechter, het broodrantsoen werd kleiner, zelfs voor gort werden kaarten ingevoerd. Ook in het garnizoen nam de ontevredenheid toe. De districtsstaf was van plan de soldaten onschadelijk te maken door de revolutionaire troepenafdelingen uit Petrograd te verwijderen. In de vergadering van het gehele garnizoen op 17 april verlangden soldaten die het vijandig plan doorzagen de stopzetting van het wegvoeren van troepenafdelingen. Deze eis zal in de toekomst bij elke nieuwe crisis van de revolutie telkens scherper gesteld worden. Maar de wortel van alle kwaad blijft de oorlog, waarvan het einde niet te overzien is. Wanneer zal de revolutie vrede brengen? Waarom blijven Kerenski en Tsereteli maar toekijken? Steeds aandachtiger gingen de massa’s luisteren naar de bolsjewieken, loerend, in afwachting keken zij naar hen, sommigen nog half vijandig, anderen reeds vol vertrouwen. Er was onder de discipline van de feestdag een gespannen stemming verborgen. Het gistte in de massa’s.

Niemand echter, ook niet de opstellers van het transparant op het Mariinskipaleis, vermoedde dat de komende twee, drie dagen reeds de sluier van de nationale eenheid die de revolutie omgaf meedogenloos zou verscheurd worden. De dreigende gebeurtenissen die velen als onvermijdelijk voorzien hadden maar die niemand zo spoedig verwacht had, kwamen als een verrassing. De buitenlandse politiek van de Voorlopige Regering, d.w.z. het probleem van de oorlog, gaf de stoot. Niemand anders dan Miljoekov heeft de lont in het kruitvat gestoken.

De geschiedenis van de lont en het kruit is deze: op de dag dat de Verenigde Staten in de oorlog betrokken raakten, ontvouwde de minister van buitenlandse zaken in de Voorlopige Regering, die nu moed gevat had, zijn programma aan de journalisten: verovering van Constantinopel, verovering van Armenië, verdeling van Oostenrijk en van Turkije, verovering van Noord-Perzië en daarbij natuurlijk nog het zelfbeschikkingsrecht van de naties. “Bij ieder optreden,” zo interpreteert de historicus Miljoekov de minister Miljoekov, “onderstreepte hij nadrukkelijk de pacifistische doeleinden van de bevrijdingsoorlog, maar hij bracht ze steeds in zo nauw mogelijk verband met de nationale taak en belangen van Rusland.” Het interview deed de verzoeningsgezinden opschrikken. “Wanneer zal de buitenlandse politiek van de Voorlopige Regering eindelijk ophouden huichelachtig te zijn?” vroeg de krant van de mensjewieken verontwaardigd. Waarom verlangt de Voorlopige Regering niet van de geallieerde regeringen dat men openlijk en beslist van annexatie afziet? Deze mensen beschouwden de openlijke taal van een rover als huichelarij. Zij zouden in een pacifistische camouflage van de roofzucht een bevrijden van huichelarij zien. Kerenski, die verschrikt werd door de onder de democratie veroorzaakte opwinding, haastte zich door middel van de persbureau’s te verkondigen dat het programma van Miljoekov slechts diens persoonlijke mening was. Het feit dat hij die deze persoonlijke mening verkondigd had minister van buitenlandse zaken was, werd klaarblijkelijk als een puur toeval beschouwd.

Tsereteli, die de gave bezat om iedere kwestie in een gemeenplaats om te zetten, legde nu de nadruk op de noodzakelijkheid van een regeringsverklaring waarin bepaald werd dat de oorlog voor Rusland uitsluitend een verdedigingsoorlog was. De tegenstand van Miljoekov en gedeeltelijk ook van Goetsjkov werd gebroken en op 27 maart kwam de regering met de volgende verklaring: “Het oorlogsdoel van het vrije Rusland is niet overheersing van andere volken, niet ontneming van hun nationaal bezit, niet gewelddadige verovering van vreemd grondgebied, maar volledige nakoming van de verplichtingen die wij tegenover onze bondgenoten op ons genomen hebben.” Op deze manier verkondigden de tsaren en profeten van de dubbele heerschappij hun wens om samen met de vadermoorders en overspeligen in de hemel te komen. Naast al het andere ontbrak het deze heren ook nog aan gevoel voor humor. De verklaring van 27 maart werd niet alleen door de gehele verzoeningsgezinde pers met instemming begroet, maar ook door de “Pravda” van Kamenev en Stalin, die vier dagen voor de aankomst van Lenin in een hoofdartikel schreef: “Klaar en duidelijk heeft de Voorlopige Regering… voor het gehele volk verklaard dat het doel van het vrije Rusland niet gelegen is in de overheersing van andere volken enz.” De Engelse pers interpreteerde terstond het afzien van Rusland van annexaties met instemming als een afstand doen van Constantinopel waarbij zij natuurlijk geen ogenblik eraan dacht de onthoudingsformule ook op zichzelf toe te passen. De Russische gezant in Londen sloeg alarm en verlangde van Moskou een afdoende nadere verklaring dat het principe “vrede zonder annexaties door Rusland niet onvoorwaardelijk gehuldigd werd, maar slechts voor zover het niet met onze levensvoorwaarden in strijd was.” Maar dit was juist de formule van Miljoekov; de belofte om datgene niet te roven wat wij toch niet kunnen gebruiken. In tegenstelling tot Londen ondersteunde Parijs niet alleen Miljoekov, maar zette hem zelfs door bemiddeling van Paléologue tot een meer vastberaden politiek tegenover de Sovjets aan.

De toenmalige premier Ribot, die wanhopig was door de klaagzangen van Petrograd, vroeg aan Londen en Rome, “of zij het niet noodzakelijk achtten van de Voorlopige Regering te eisen dat deze zou ophouden met dubbelzinnigheden (équivoque).” Londen antwoordde dat het verstandiger was “aan de naar Rusland gezonden Franse en Engelse socialisten tijd te laten om invloed op hun geestverwanten uit te oefenen.”

De geallieerde socialisten waren naar Rusland gezonden op initiatief van het Russisch hoofdkwartier, d.w.z. van de vroegere tsaristische generaals. “Wij rekenen op hen,” schreef Ribot over Albert Thomas, “om de besluiten van de Voorlopige Regering enige ruggesteun te verlenen.” Miljoekov beklaagde zich echter erover dat Thomas zich te nauwgezet aan de Sovjetleiders hield. Ribot antwoordde daarop dat Thomas “oprecht ernaar streefde” het standpunt van Miljoekov te steunen, maar hij beloofde zijn gezant tot een nog meer daadwerkelijke ondersteuning aan te zetten.

De door en door holle verklaring van 27 maart verontrustte niettemin de geallieerden die er een concessie aan de Sovjet in zagen. Uit Londen dreigde men het vertrouwen “in de strijdvaardigheid van Rusland” te verliezen. Paléologue maakte bezwaren tegen de “schuchterheid en vaagheid” van de verklaring. Dit had Miljoekov juist nodig. In de hoop hulp van de geallieerden te zullen krijgen, liet Miljoekov zich verleiden tot een gevaarlijk spel dat ver boven zijn krachten ging. Zijn voornaamste gedachte was de oorlog tegen de revolutie te keren, het eerste doel op deze weg was de democratie te demoraliseren. De verzoeningsgezinden beginnen echter juist in april steeds gejaagder en actiever in de kwesties van de buitenlandse politiek te worden, want van onderop werd onafgebroken druk op hen uitgeoefend. De regering had een lening nodig. De massa’s waren bereid om het land te verdedigen, maar ze waren enkel geneigd tot steun aan een vredeslening, niet aan een oorlogslening. Het was noodzakelijk om de massa’s minstens de schijn van vooruitzicht op vrede te bieden.

Tsereteli stelde, terwijl hij zijn politiek van gemeenplaatsen volgde, voor om van de Voorlopige Regering te eisen dat zij aan de geallieerden een met de binnenlandse politieke verklaring van 27 maart overeenkomstige nota zou richten.

Daartegenover verplichtte het Uitvoerend Comité zich om in de Sovjet een “vrijheidslening” te laten stemmen. Miljoekov ging op de zwendel in: lening tegenover nota, maar hij besloot het mes aan twee kanten te laten snijden. Onder het mom van een aanvulling van de “verklaring” deed de nota afbreuk aan de verklaring. Zij legde er de nadruk op dat de vredelievende frasen van de nieuwe regering er “niet in het minst aanleiding toe gaven te geloven dat de rol van Rusland in de totale strijd van de geallieerden door de omwenteling die zich voltrokken had, in betekenis verminderd was. Integendeel – het verlangen van het volk om de wereldoorlog tot de definitieve overwinning door te zetten is slechts sterker geworden…” De nota sprak verder de overtuiging uit dat de overwinnaars “het middel zouden vinden om die garanties en sancties te verkrijgen die noodzakelijk waren om bloedige botsingen in de toekomst te vermijden.” De woorden “garanties” en “sancties”, die op aandrang van Thomas opgenomen waren, betekenden in de dieventaal van de diplomatie, speciaal van de Fransen, niets anders dan annexaties en oorlogsschattingen.

Op de dag van het meifeest deelde Miljoekov zijn nota, die door de geallieerde diplomatie gedicteerd was, telegrafisch mee aan de regeringen van de Entente en pas daarna werd zij aan het Uitvoerend Comité meegedeeld en gelijktijdig aan de kranten. De contactcommissie was door de regering gepasseerd en de leiders van het Uitvoerend Comité werden herleid tot eenvoudige burgers. Al vernamen de verzoeningsgezinden uit de nota ook niets dat zij niet reeds eerder van Miljoekov gehoord hadden, ze konden deze opzettelijk vijandige daad toch niet over het hoofd zien. De nota ontwapende hen tegenover de massa’s en stelde hen direct voor de keuze tussen bolsjewisme en imperialisme. Was dat niet juist de bedoeling van Miljoekov? Alles pleit ervoor dat hij nog verdere bedoelingen had.

Reeds vanaf maart streefde Miljoekov met alle middelen ernaar het onzalig plan van een verovering van de Dardanellen door een Russische landing weer te doen herleven. Hij voerde daartoe talrijke onderhandelingen met generaal Alexejev en probeerde hem te overtuigen van een energieke doorvoering van de operatie, welke naar zijn mening de tegen annexaties protesterende democratie voor een voldongen feit zou plaatsen. De nota van Miljoekov van 18 april was als het ware een parallelle landing op de slecht verdedigde kust van de democratie. Twee acties – de militaire en de politieke – vulden elkaar aan en rechtvaardigden elkaar in geval van een overwinning. Op mogelijke overwinnaars wordt in het algemeen niet gerekend. Maar Miljoekov zou geen overwinnaar blijven. Er waren voor de landing tweehonderd tot driehonderdduizend soldaten nodig. De zaak strandde op een detail: de weigering van de soldaten om de operatie te realiseren. Zij waren bereid om de revolutie te verdedigen, maar niet om deze aan te vallen. De Dardanellenaanval van Miljoekov mislukte. En dit ondergroef al zijn verdere plannen. Men moet toegeven dat zij niet slecht opgezet waren… moest het tot een overwinning gekomen zijn uiteraard.

Op 17 april had in Petrograd een lugubere patriottische demonstratie van de oorlogsinvaliden plaats: een reusachtig aantal gewonden uit de hospitalen van de hoofdstad, soldaten zonder benen, zonder armen, in verband, bewoog zich voort naar het Taurisch paleis. Zij die niet lopen konden, werden op vrachtauto’s vervoerd. Op de vaandels stond: “Oorlog tot de overwinning.” Dit was een demonstratie van vertwijfeling van menselijke resten uit de imperialistische oorlog, die niet wilden dat de revolutie de door hen gebrachte offers voor nutteloos zou verklaren. Maar achter de demonstranten stond de kadettenpartij, of liever gezegd Miljoekov die zijn grote slag voor de dag erna voorbereidde.

Op 19 april, ’s nachts, beraadslaagde het Uitvoerend Comité in een buitengewone zitting over de nota die de vorige avond aan de geallieerde regeringen overhandigd was. “Na de eerste lezing,” vermeldt Stankevitsj, “werd unaniem en zonder verdere discussie door allen erkend dat de nota iets compleet anders was dan het Uitvoerend Comité verwacht had.” De regering was echter in haar geheel, met inbegrip van Kerenski, voor de nota verantwoordelijk. Men moest derhalve allereerst de regering redden. Tsereteli begon de nog niet ontcijferde nota te ontcijferen en telkens meer goede kanten aan haar te ontdekken. Skobeljev toonde diepzinnig aan dat men een “volledige overeenstemming” tussen de strevingen van de democratie en de regering in het algemeen niet kon verlangen. De wijzen braken zich het hoofd tot het aanbreken van de dag, maar ze vonden geen oplossing. Tegen de morgen ging men uiteen om na enkele uren opnieuw bij elkaar te komen. Men rekende klaarblijkelijk erop dat de tijd alle wonden heelt.

’s Morgens verscheen de nota in alle kranten. Het commentaar van de “Rjetsj” was een bewuste provocatie. De socialistische pers uitte zich in hoge mate geprikkeld. De mensjewistische “Rabotsjaja Gaseta” (Arbeidersblad), die met Tsereteli en Skobeljev nog geen tijd gevonden had om van de nachtelijke verontwaardiging te bekomen, schreef dat de Voorlopige Regering een “stuk” publiceerde “dat een hoon aan het streven van de democratie is.” De krant eiste van de Sovjet “krachtige maatregelen om de verschrikkelijke gevolgen ervan af te wenden.” In deze passages was duidelijk de toenemende invloed van de bolsjewieken te bespeuren.

Het Uitvoerend Comité hervatte zijn zitting, maar alleen om zich opnieuw te overtuigen van zijn eigen onvermogen om tot een besluit te komen. Er werd besloten om een buitengewone plenaire zitting van de Sovjet “ter informatie” bijeen te roepen, in werkelijkheid echter om de mate van ontevredenheid in de onderste groepen te peilen en tijd te winnen voor de eigen zwenkingen. Men beraamde in de tussentijd allerlei contactzittingen die de kwestie uit de wereld zouden helpen.

Onverwacht mengde zich echter een derde macht in dit formele gedoe van de dubbele heerschappij: de massa’s gingen met de wapens in de hand de straat op. Er doken tussen de bajonetten van de soldaten doeken op met de slogan: “Weg met Miljoekov!” Op andere doeken prijkte Goetsjkov. In de verontwaardigde betogers kon men nauwelijks de demonstranten van de eerste mei herkennen.

De geschiedschrijvers noemen deze beweging “elementair”, in deze beperkte zin dat geen enkele partij het initiatief tot de actie genomen had. De directe oproep om de straat op te gaan, was afkomstig van een zekeren Linde, die daarmee zijn naam in de geschiedenis van de revolutie bewaard heeft doen blijven. “De geleerde, mathematicus en filosoof” Linde stond buiten iedere partij, was met hart en ziel de revolutie toegedaan en wenste vurig dat zij in vervulling zou doen gaan wat zij beloofde. De nota van Miljoekov en het artikel van de “Pravda” hadden zijn verontwaardiging opgewekt. “Zonder met iemand overleg gepleegd te hebben,” vertelt zijn biograaf, “ging hij direct over tot de daad… begaf zich naar het Finse regiment, riep het comité bijeen en stelde voor om direct met het gehele regiment naar het Mariinskipaleis te trekken… Het voorstel van Linde vond instemming en reeds om drie uur ’s middags bewoog zich een indrukwekkende demonstratie van de Finnen met uitdagende leuzen door de straten van Petrograd. De soldaten van het 180ste reserveregiment, van de Moskouse, Pawlovski- en Kexholmregimenten, de matrozen van de 2de Baltische vloot, in totaal vijfentwintig à dertigduizend man, allen gewapend, volgden de Finnen. Er ontstond beweging in de arbeiderswijken, men legde het werk neer en ging, gegroepeerd naar de bedrijven, achter de regimenten de straat op.”

“Het merendeel van de soldaten wist niet waarom zij eigenlijk gekomen waren,” verzekerde Miljoekov, alsof hij de gelegenheid had om hen te ondervragen. “Behalve de troepen namen jeugdige arbeiders aan de demonstratie deel, die hardop (!) verklaarden dat men ieder van hen tien tot vijftien roebel daarvoor betaald had.” Uit welke bron het geld komt, is duidelijk: “De eis om de beide ministers (Miljoekov en Goetsjkov) te doen verdwijnen, was direct door Duitsland gesteld.” Miljoekov gaf deze diepzinnige verklaring niet in het vuur van de strijd in april, maar drie jaar na de Oktobergebeurtenissen die toch afdoende hadden laten zien dat niemand de haat van de volksmassa’s tegen Miljoekov met een hoog dagloon behoefde te betalen. De verrassende felheid van de aprildemonstratie is te verklaren als directe reactie van de massa’s op de zwendel van hogerhand. “Zolang de regering de vrede niet verkregen heeft, moet men zich verdedigen.” Dit werd weliswaar zonder enthousiasme, maar toch met volle overtuiging gezegd. Men nam aan dat er in de regeringskringen alles gedaan werd om de vrede naderbij te brengen. Weliswaar werd er van de kant van de bolsjewieken beweerd dat de regering de oorlog wilde voortzetten met roofzuchtige bedoelingen. Is dat echter wel aannemelijk? En Kerenski dan? “Wij kennen de Sovjetleiders vanaf februari, zij zijn het eerst tot ons in de kazernes gekomen, zij zijn voor de vrede. Lenin is uit Berlijn gekomen, maar Tsereteli was in de katorga. Men moet geduld hebben…” Tegelijkertijd aanvaardden de meest vooruitstrevende bedrijven en regimenten steeds meer de bolsjewistische leuzen van een vredespolitiek: publicatie van de geheime verdragen en breken met de veroveringsplannen van de entente, eerlijk aanbod van een onmiddellijke vrede aan alle oorlogvoerende landen. De nota van 18 april kwam midden deze verwarring en weifeling. Hoe moest het nu verder? Men is dus klaarblijkelijk in regeringskringen toch niet voor vrede maar voor de oude oorlogsdoeleinden? Wachten en lijden wij dan vergeefs? Weg met hen! Maar weg met wie? Hebben werkelijk de bolsjewieken gelijk? Onmogelijk. Maar hoe zit dat dan met die nota? Levert werkelijk iemand ons over aan de bondgenoten van de tsaar? Uit een eenvoudige vergelijking van de pers van de kadetten met die van de verzoeningsgezinden bleek dat Miljoekov het algemeen vertrouwen misbruikte en samen met Lloyd George en Ribot een veroveringspolitiek wilde voeren. Ook Kerenski had immers verklaard dat de aanslag op Constantinopel een “persoonlijke mening” van Miljoekov was. Zo ontstond de beweging.

Zij was echter niet homogeen. Enkele heethoofden onder de revolutionairen overschatten de omvang en het politiek inzicht van de beweging omdat zij zo heftig en verrassend uitbrak. De bolsjewieken ontwikkelden een grote energie bij de troepen en in de bedrijven. De eis “Weg met Miljoekov,” die als het ware het minimumprogramma van de beweging vormde, werd door hen aangevuld met leuzen tegen de Voorlopige Regering in het algemeen, waarbij de verschillende elementen een verschillende opvatting van deze leuzen hadden: sommigen als een propagandistische leuze, anderen als direct doel. De slogan “Weg met de Voorlopige Regering,” die door de gewapende soldaten en matrozen opgesteld werd, moest onvermijdelijk een stroming voor een gewapende opstand in de demonstratie teweeg brengen. Vrij grote groepen arbeiders en soldaten waren wel geneigd om de Voorlopige Regering direct weg te jagen. De pogingen om in het Mariinskipaleis binnen te dringen, de toegangen daarvan te bezetten en de ministers gevangen te nemen, gingen van hen uit. Tot redding van de ministers werd Skobeljev opgecommandeerd, die zijn taak met succes kon vervullen, temeer daar het Mariinskipaleis leeg was.

Tengevolge van de ziekte van Goetsjkov beraadslaagde de regering ditmaal in diens particuliere woning. Het was echter niet dit toeval dat de ministers voor een arrestatie behoed had; zij waren in het geheel niet ernstig daardoor bedreigd geweest. Het leger van vijfentwintig- à dertigduizend soldaten dat de straat op gegaan was om te strijden tegen hen die de oorlog wilden doen voortduren, zou volkomen toereikend geweest zijn om ook een meer solide regering ten val te brengen dan die geleid door vorst Lvov. De demonstranten hadden zich dit echter niet tot doel gesteld. Zij hadden eigenlijk alleen maar de bedoeling om met de gebalde vuist door het raam te dreigen opdat de hoge heren ermee zouden ophouden de tanden te laten zien tegen Constantinopel, en ernstig het vraagstuk van de vrede onder ogen zouden zien. De soldaten meenden daarmee Kerenski en Tsereteli tegen Miljoekov te ondersteunen.

In de zitting van de regering verscheen generaal Kornilov. Hij rapporteerde over de gewapende demonstraties en verklaarde als bevelhebber van het militaire district Petrograd dat hij over voldoende krachten beschikte om gewapenderhand de muiterij neer te slaan: men had hem slechts te bevelen. Koltsjak, die toevallig in deze zitting van de regering aanwezig was, deelde later, in het proces dat aan zijn fusillering voorafging, mee dat vorst Lvov en Kerenski tegen het plan van een militair strafgericht over de demonstranten geweest waren. Miljoekov sprak zich niet direct uit, maar concludeerde dat de heren ministers over de toestand mochten oordelen zoals zij wilden, maar dat dit niet zou verhinderen dat zij naar de gevangenis zouden worden overgebracht. Er was geen twijfel mogelijk dat Kornilov in overeenstemming met het kadettencentrum handelde.

Het lukte de verzoeningsgezinde leiders zonder veel moeite om de demonstrerende soldaten tot ontruiming van het plein voor het Mariinskipaleis over te halen en hen zelfs naar de kazernes terug te leiden. De opwinding die in de stad ontstaan was, bedaarde echter niet. Er verzamelden zich massa’s, er waren meetings op de hoeken van de straten en er hadden discussies plaats in de trams. Er was verdeeldheid tussen aanhangers en tegenstanders van Miljoekov. Burgerlijke sprekers agiteerden op het Nevski-Prospect en in de naburige straten tegen Lenin die door Duitsland gezonden was om de grote patriot Miljoekov ten val te brengen. In de buitenwijken en de arbeiderswijken poogden de bolsjewieken de verontwaardiging tegen de nota en de opstellers ervan over te doen slaan tegen de gehele regering.

Om zeven uur ’s avonds kwam het plenum van de Sovjet bijeen. De leiders wisten niet wat zij aan het van hartstochtelijke spanning trillend gehoor zouden zeggen. Tsjcheïdse deelde met veel omslag van woorden mee dat er na de zitting een samenkomst met de Voorlopige Regering zou plaats hebben. Tsjernov riep als schrikbeeld de naderende burgeroorlog op. Fedorov, een metaalarbeider, lid van het centraal comité van de bolsjewieken, antwoordde dat de burgeroorlog er al was en dat er aan de Sovjets niets anders overbleef dan zich op deze te baseren en de macht over te nemen. “Dit waren nieuwe en toentertijd erg schrikaanjagende woorden,” schrijft Soechanov. “Zij gaven de stemming volkomen weer en vonden ditmaal zo’n weerklank, als de bolsjewieken noch te voren, noch lange tijd daarna wisten te bereiken.”

Het hoogtepunt van de zitting werd echter, onverwacht voor iedereen, de rede van de vertrouwensman van Kerenski, de liberale socialist Stankevitsj: “Waarom zouden wij “opmarcheren”, kameraden?” vroeg hij. “Tegen wie zouden wij geweld gebruiken? De macht, dat zijn jullie toch zelf en de massa’s die achter jullie staan… Ziet, nog vijf minuten en het is zeven uur (Stankevitsj wijst met de vinger naar de klok, de gehele zaal kijkt in dezelfde richting). Beveel dat de Voorlopige Regering verdwijnt, dat zij aftreedt. Wij brengen het telefonisch over en binnen vijf minuten zal zij haar functie neerleggen. Waarom dan nog geweld, acties, burgeroorlog?” Stormachtig applaus, geestdriftige interrupties in de zaal. De spreker wilde de Sovjet met de krasse gevolgen van de ontstane situatie afschrikken maar hij schrok zelf van het effect van zijn rede. De waarheid van de woorden over de macht van de Sovjets waaraan men nauwelijks durfde te geloven, verhief de vergadering verre boven het armzalig gedoe van de leiders die vooral wilden bekomen dat de Sovjet geen besluit zou nemen. “Wie zal de regering vervangen?” antwoordde één van de sprekers op het applaus. “Wij? Maar onze handen beven…” Dit was een onvergelijkelijke typering van de verzoeningsgezinden, van de hoogdravende leiders met de bevende handen.

De voorzitter van de ministerraad, minister-president Lvov, publiceerde als het ware om Stankevitsj van de andere kant aan te vullen, daags daarop de volgende verklaring: “De Voorlopige Regering ondervond tot nu toe onafgebroken steun van de kant van het leidende orgaan van de Sovjet. De laatste twee weken… is de regering verdacht gemaakt. Onder zulke voorwaarden… is het voor de Voorlopige Regering het beste om af te treden.” Weer zien wij wat het Februari-Rusland in werkelijkheid geweest is!

De bijeenkomst van het Uitvoerend Comité met de Voorlopige Regering had in het Mariinskipaleis plaats. In zijn inleidende rede beklaagde vorst Lvov zich over de veldtocht die in socialistische kringen tegen de regering begonnen was en sprak half beledigd, half dreigend ervan af te zullen treden. De ministers schetsten de één na de ander de moeilijkheden, waaraan zij nochtans zelf met alle macht hadden bijgedragen. Terwijl hij aan de stortvloed van verzoeningsgezinde woorden de rug toekeerde sprak Miljoekov van het balkon af tot de kadettendemonstraties: “Toen ik de doeken met de opschriften “Weg met Miljoekov” zag…  was ik niet bang voor Miljoekov. Ik was bang voor Rusland.” Zo geeft de historicus Miljoekov de eenvoudige woorden weer die de minister Miljoekov tot de op het plein verzamelde menigte sprak. Tsereteli eiste van de regering een nieuwe nota. Tsjernov wist een geniale uitweg te vinden, doordat hij aan Miljoekov voorstelde over te gaan naar het ministerie van volksontwikkeling. Als geografisch object was Constantinopel in ieder geval minder gevaarlijk dan als object van de diplomatie. Miljoekov weigerde echter beslist, zowel om tot de wetenschap terug te keren als om een nieuwe nota te schrijven. De leiders van de Sovjet gaven al snel toe en verklaarden zich tevreden met een ‘nadere toelichting’ van de oude nota. Nu waren er enkel nog enkele frasen nodig om de leugens met voldoende democratische franjes op te smukken om de situatie – en daarmee tevens de portefeuille van Miljoekov – als gered te kunnen beschouwen.

De lastige derde wilde echter niet tot rust komen. Op 21 april was er een nieuwe golf van opwinding, nog machtiger dan die van de vorige dag. Het Petrograds bolsjewistisch comité riep nu reeds tot een demonstratie op. Ondanks de tegenagitatie van de mensjewieken en sociaal-revolutionairen zetten zich reusachtige arbeidersmassa’s uit Vyborg en daarna ook uit andere wijken in beweging naar het centrum. Het Uitvoerend Comité zond gezaghebbende personen, met Tsjcheïdse aan het hoofd, de demonstranten tegemoet om hen te kalmeren. De arbeiders wilden echter beslist hun woord doen en zij hadden iets te zeggen. Een bekend liberaal journalist beschreef in de “Rjetsj” de arbeidersdemonstratie op het Nevski: “Voorop ongeveer honderd gewapenden, achter deze ordelijke rijen ongewapende mannen en vrouwen – duizenden mensen. Aan weerskanten rijen toeschouwers. Gezang. Hun gezichten verbaasden mij. Deze duizenden hadden een gezicht, het bezeten fanatieke monnikengezicht uit de eerste eeuwen van het christendom, onverzoenlijk, meedogenloos bereid tot moord, inquisitie en dood.” De liberale journalist had de arbeidersrevolutie in de ogen gekeken en een ogenblik de geconcentreerde vastberadenheid van deze waargenomen. Hoe weinig gelijken deze arbeiders op die van Miljoekov-minderjarigen die voor vijftien roebel per dag door Ludendorff gekocht zijn!

Net als de vorige dag trokken de demonstranten ook nu niet op met het doel om de regering ten val te brengen, ofschoon het merendeel van hen stellig reeds ernstig hierover dacht en een deel bereid was vandaag reeds de demonstratie verder te doen gaan dan de meesten van de demonstranten wilden. Tsjcheïdse vermaande de demonstranten naar hun wijken terug te keren. De leiders antwoordden echter bars dat de arbeiders zelf wel wisten wat hun te doen stond. Dit was een nieuwe toon en Tsjcheïdse zal in de komende weken hieraan moeten wennen.

Terwijl de verzoeningsgezinden kalmeerden en susten, provoceerden en stookten de kadetten. Ofschoon Kornilov gisteren geen toelating tot gebruik maken van wapens gekregen had, gaf hij zijn plan niet alleen niet op, maar nam hij juist vandaag vanaf het aanbreken van de dag maatregelen om cavalerie en artillerie tegenover de demonstranten te stellen. De kadetten hadden, vast vertrouwend op de bravoure van de generaal, door middel van een strooibiljet hun aanhangers de straat op geroepen, met het klaarblijkelijk voornemen het tot een beslissend conflict te doen komen. Al was het dan ook zonder een succesvolle landing op de kusten van de Dardanellen, zette Miljoekov toch met Kornilov als voorhoede en de entente als gewichtige reserve zijn offensief voort. De achter de rug van de Sovjet om afgezonden nota en het hoofdartikel van de “Rjetsj” moesten de rol van de Emserdepêche van de liberale Rijkskanselier van de Februarirevolutie vervullen. “Iedereen die voor Rusland en zijn vrijheid is, moet zich om de Voorlopige Regering aaneensluiten en haar ondersteunen,” zo luidde de oproep van het Centraal Comité van de kadetten, waarin alle weldenkende burgers tot een strijd tegen de aanhangers van een onmiddellijke vrede de straat opgeroepen werden.

Het Nevski-Prospect, de voornaamste ader van de burgerij, werd een compacte kadettenmeeting. Een grote demonstratie met de leden van het Centraal Comité van de kadetten aan het hoofd trok naar het Mariinskipaleis. Men zag overal nieuwe, net vervaardigde doeken: “Vertrouw op de Voorlopige Regering”, “Leve Miljoekov!” De ministers zagen er uit als jarige kinderen: er was nu gebleken dat ook zij hun “volk” hadden, hetgeen te meer opviel omdat de afgezanten van de Sovjet al hun best deden om de revolutionaire meetings te ontbinden, de arbeiders- en soldatendemonstraties uit het centrum weg te leiden naar de buitenwijken en de kazernes en fabrieken te weerhouden van een uittocht.

De eerste en grote mobilisatie van de contrarevolutionaire krachten had plaats onder de vlag van verdediging van de regering. Vrachtauto’s met gewapende officieren, jonkers, studenten doken in het centrum van de stad op. De ridders van het St. Georgekruis marcheerden op. De rijke jeugd organiseerde op het Nevski een terechtzitting, waarbij de leninisten en “Duitse spionnen” op staande voet berecht werden. Er kwamen reeds botsingen voor en er vielen slachtoffers. Naar men meldde, kwam het tot een eerste bloedige botsing toen officieren poogden een spandoek met een slogan tegen de Voorlopige Regering aan arbeiders te ontrukken. De botsingen werden steeds verbitterder, er ontstond een schietpartij die bijna de gehele namiddag duurde. Niemand wist precies wie schoot en waarom geschoten werd. Maar er vielen reeds slachtoffers van deze deels onvoorbereide, deels boosaardige, deels panische schietpartij. De temperatuur steeg.

Neen, deze dag leek allerminst op een manifestatie van de nationale eenheid. Twee werelden stonden tegenover elkaar. De patriottische massa’s die door de kadettenpartij tegen de arbeiders en soldaten de straat op geroepen waren, kwamen uitsluitend uit burgerlijke bevolkingsgroepen, uit de officierenstand, uit de beambten en de intellectuelen voort. Twee stromen mensen, de ene voor Constantinopel en de andere voor de vrede, kwamen uit verschillende stadsdelen, botsten, verschillend wat hun sociale samenstelling betreft, naar hun uiterlijk reeds in geen enkel opzicht op elkaar lijkend, met vijandige opschriften op de doeken, tegen elkaar en gingen er toe over vuisten, stokken, zelfs vuurwapens te gebruiken.

Het Uitvoerend Comité kreeg het sensationele nieuws dat Kornilov op het Slotplein kanonnen liet opstellen. Op eigen initiatief van de districtscommandant? Neen, het karakter en de verdere loopbaan van Kornilov laten duidelijk zien dat de dappere generaal altijd door iemand om de tuin geleid werd – een functie die deze keer door de kadettenleiders vervuld werd. Zij hadden slechts met het oog op de inmenging van Kornilov en om deze inmenging noodzakelijk te maken ook hun massa’s de straat opgeroepen. Een jong historicus wijst er terecht op dat Kornilov’s poging om de militaire pupillen op het Slotplein te verzamelen niet samenviel met de werkelijke of vermeende noodzakelijkheid om het Mariinskipaleis tegen een vijandige menigte te verdedigen, maar met het hoogtepunt van de manifestatie van de kadetten.

Het plan Miljoekov-Kornilov mislukte echter, en wel op een smadelijke wijze. Al waren de leiders van het Uitvoerend Comité nog zo onnozel, zo kon het hen toch niet ontgaan dat het om hun bestaan ging. Reeds voor het binnenkomen van het nieuws van de bloedige botsingen op het Nevski had het Uitvoerend Comité telegrafisch aan alle troepenafdelingen van Petrograd en omgeving bevel gegeven om zonder order van de Sovjet geen troepen de straat op te sturen. Nadat de ware bedoelingen van Kornilov aan het licht waren gekomen, nam het Uitvoerend Comité nu, in strijd met alle vijandige verklaringen die het tevoren gedaan had, het roer vast in handen, doordat het niet alleen van de commandant een onmiddellijk terugtrekken van de troepen eiste, maar bovendien aan Skobeljev en Filippovski opdracht gaf om de uitgerukte troepen in naam van de Sovjet naar de kazernes terug te leiden. “Ga in deze onrustige dagen niet zonder order van het Uitvoerend Comité gewapend de straat op. Het Uitvoerend Comité heeft alleen het recht over u te beschikken.” Van nu af aan moet ieder bevel over troepentransporten behalve de gebruikelijke order op een officieel document van de Sovjet berusten en met de ondertekening van minstens twee daartoe gevolmachtigde personen bekrachtigd zijn. Het kon lijken alsof de Sovjet daarmee Kornilov’s optreden ondubbelzinnig als een poging van de contrarevolutie om de burgeroorlog te ontketenen, uitgelegd had. Maar ofschoon het Uitvoerend Comité met zijn order het districtscommando dwarsboomde, dacht het toch niet eraan om Kornilov zelf af te zetten. Mocht men de voorrechten van de regering aantasten? “De handen beefden.” Het jonge bewind was omgeven door ficties, zoals een zieke door kussens en compressen. Met het oog op de machtsverhouding was het meest leerzame feit de vaststelling dat niet alleen de troepenafdelingen maar ook de officierenscholen, nog voor zij het bevel van Tsjcheïdse kregen, weigerden om zonder bevel van de Sovjet uit te rukken. De snel op elkaar volgende en door de kadetten niet voorziene moeilijkheden waren een onvermijdelijk gevolg van het feit dat de Russische burgerij ten tijde van de nationale revolutie een antinationale klasse was. Dit kon een korte tijd door de dubbele heerschappij verborgen blijven, maar er was niets aan te veranderen.

De aprilcrisis zou, naar het zich liet aanzien, op een onbesliste partij uitlopen. Het Uitvoerend Comité slaagde erin om de massa’s op de drempel van de dubbele heerschappij tegen te houden. Van haar kant lichtte de dankbare regering nader toe dat onder “garanties” en “sancties” internationale gerechtshoven, beperking van de bewapeningen en andere heerlijke dingen verstaan moesten worden. Het Uitvoerend Comité maakte ten spoedigste van deze terminologische concessies gebruik om met 34 tegen 19 stemmen de kwestie als afgesloten te verklaren. Om de opgeschrikte gelederen te kalmeren, werden door de meerderheid ook nog de volgende voorschriften aangenomen: de controle over de werkzaamheid van de Voorlopige Regering moest versterkt worden; zonder voorafgaande overeenstemming met het Uitvoerend Comité mocht geen enkel belangrijk bevel uitgevaardigd worden; de samenstelling van de diplomatieke vertegenwoordiging moest radicaal gewijzigd worden. De feitelijke dubbele heerschappij werd juridisch in de constitutie geformuleerd. Het wezen van de dingen bleef echter ongewijzigd. De linkervleugel slaagde er niet eens in om van de verzoeningsgezinde meerderheid het ontslag van Miljoekov doorgedreven te krijgen. Alles zou bij het oude blijven. Over de Voorlopige Regering strekte zich de veel sterkere controle van de Entente uit, welke het Uitvoerend Comité geen ogenblik dacht aan te tasten.

Op de avond van 21 april maakte de Petrogradse sovjet de balans op. Tsereteli maakte melding van de nieuwe overwinning van de wijze leiders, waardoor aan alle verkeerde uitleggingen van de nota van 27 maart een einde gemaakt was. Kamenev stelde in naam van de bolsjewieken de vorming van een zuivere Sovjetregering voor. Kollontai, een populaire revolutionaire figuur, die gedurende de oorlog van de mensjewieken naar de bolsjewieken overgegaan was, stelde voor om in de wijken en voorsteden van Petrograd een volksstemming over de regeringskwestie te laten houden. Deze voorstellen trokken echter nauwelijks de aandacht van de Sovjet. De kwestie scheen afgedaan. Met een grote meerderheid werd de troostrijke resolutie van het Uitvoerend Comité aangenomen met 13 stemmen tegen. Weliswaar was het merendeel van de bolsjewistische afgevaardigden nog in de bedrijven, op straat, bij de demonstraties. Maar toch blijft het buiten kijf dat er bij de overgrote massa van de sovjet nog geen verandering in de bolsjewistische koers begonnen was.

De Sovjet bepaalde dat men zich in de komende twee dagen van straatdemonstraties moest onthouden. Het besluit werd met algemene stemmen aangenomen. Er kon bij niemand ook maar de geringste twijfel rijzen dat iedereen zich aan dit besluit zou onderwerpen. En inderdaad, arbeiders, soldaten, burgerlijke jeugd, de wijk Vyborg en het Nevski-Prospect – niemand waagde het om zich tegen de beschikking van de sovjet te verzetten. De rust keerde zonder enige dwangmaatregel terug. De sovjet behoefde zich maar meester van de toestand te voelen of hij was het ook inderdaad.

Intussen kwamen tientallen in de bedrijven en regimenten aangenomen resoluties met de eis van een onmiddellijk aftreden van Miljoekov, soms ook van de gehele Voorlopige Regering, bij de redactiebureau’s van de linkse bladen binnen. Niet alleen Petrograd was in beweging gekomen. In Moskou verlieten arbeiders de bedrijven, soldaten de kazernes en vervulden de straten met stormachtige protesten. Het Uitvoerend Comité ontving in de volgende dagen tientallen telegrammen van plaatselijke sovjets met protesten tegen de politiek van Miljoekov en toezegging van volledige ondersteuning van de sovjet. Soortgelijke verklaringen kwamen van het front binnen. Toch zou alles bij het oude blijven.

“Op 21 april,” beweerde Miljoekov later, “overheerste op straat een stemming die de regering goedgezind was.” Hij bedoelt klaarblijkelijk de straten die hij vanaf zijn balkon kon overzien nadat het merendeel van de arbeiders en soldaten naar hun wijken teruggekeerd waren. In werkelijkheid stond de regering volkomen alleen. Zij had geen ernstige macht achter zich. Wij hebben dit reeds van Stankevitsj en van vorst Lvov zelf gehoord. Wat betekenden echter Kornilov’s verzekeringen dat hij krachten genoeg had om met de muiters af te rekenen? Niets anders dan een buitengewone lichtzinnigheid van de eerwaardige generaal. Deze zal in augustus haar toppunt bereiken, als de samenzweerder Kornilov troepen die in het geheel niet bestaan tegen Petrograd zal laten oprukken. Kornilov probeerde immers nog steeds om vanuit het opperbevel conclusies te trekken over de troepen. Ongetwijfeld stond een meerderheid van de officieren achter hem. Dit betekent dat ze bereid waren om onder het mom van bescherming van de Voorlopige Regering de Sovjet de nek te breken. De soldaten echter stonden aan de kant van de Sovjet, waarbij zij veel linkser georiënteerd waren dan de Sovjet zelf. Maar omdat de Sovjet zelf de verdediging van de Voorlopige Regering op zich nam, kon Kornilov sovjetsoldaten met reactionaire officieren aan het hoofd laten aanrukken om de Voorlopige Regering te beschermen. Dankzij het stelsel van de dubbele heerschappij speelden allen blindemannetje met elkaar. Nauwelijks hadden echter de Sovjetleiders de troepen bevolen om de kazernes niet te verlaten of Kornilov bleef met de Voorlopige Regering in zijn hemd staan.

Toch viel de regering niet. De massa’s die tot de aanval overgegaan waren, waren er geenszins op voorbereid deze door te zetten. De verzoeningsgezinden konden bijgevolg nog proberen om het Februariregime tot zijn uitgangspunt terug te brengen. Alsof zij vergeten waren, of alsof zij slechts de anderen wilden doen vergeten, dat het Uitvoerend Comité zich genoodzaakt gezien had om het leger openlijk tegen de “wettige” regering te gebruiken, klaagden de “Mededelingen” van de Sovjet van 22 april: “De Sovjets hebben de macht niet willen grijpen. Intussen droegen vele spandoeken van de Sovjetaanhangers opschriften waarin de val van de regering en het overdragen van de gehele macht aan de Sovjets geëist werd…” Is het ook niet ergerlijk dat arbeiders en soldaten gepoogd hadden om de verzoeningsgezinden te verleiden tot het overnemen van de macht, d.w.z. die heren in ernst in staat geacht hadden om een revolutionair gebruik van de macht te maken?

Neen, de sociaal-revolutionairen en de mensjewieken wilden de macht niet. De bolsjewistische resolutie waarin de overdracht van de macht aan de Sovjets verlangd werd, kreeg naar wij gezien hebben in de Sovjet van Petrograd slechts een onbeduidend aantal stemmen. In Moskou kreeg de door de bolsjewieken op 22 april ingediende resolutie met een stem van wantrouwen tegen de Voorlopige Regering slechts vierenzeventig van de vele honderden stemmen. Weliswaar had de sovjet van Helsingfors, ofschoon daar sociaal-revolutionairen en mensjewieken in de meerderheid waren, op dezelfde dag een voor die tijd buitengemeen moedige resolutie aangenomen waarin hij aan de Sovjet van Petrograd gewapende hulp aanbood om de imperialistische Voorlopige Regering weg te jagen. Maar deze onder directe druk van de matrozen aangenomen resolutie vormde een uitzondering. In haar overgrote meerderheid bleef de Sovjetvertegenwoordiging van de massa’s die gisteren nog zo dicht bij een opstand tegen de Voorlopige Regering geweest waren, volkomen op de bodem van de dubbele heerschappij staan. Wat had dit te betekenen?

De opvallende tegenspraak tussen de beslistheid van de massa-aanval en de halfslachtigheid van de politieke weerspiegeling daarvan is niet toevallig. In een revolutionair tijdperk worden de onderdrukte massa’s gemakkelijker en sneller tot een directe actie gebracht dan geschoold om door een eigen vertegenwoordiging hun wensen en eisen in een juiste formulering kenbaar te maken. Hoe abstracter het stelsel van vertegenwoordiging is, des te verder blijft het achter bij het tempo van de gebeurtenissen dat de handelingen van de massa’s bepaalt. Het Sovjetstelsel, dat van alle vertegenwoordigende stelsels het minst abstract is, biedt in revolutionaire omstandigheden ontzaglijke voordelen: het is voldoende eraan te herinneren dat de democratische Doema’s die op grond van de bepalingen van 17 april gekozen waren, die door niets en door niemand beperkt waren, absoluut niet met de Sovjets bleken te kunnen concurreren. Bij alle voordelen van hun organische verbinding met de bedrijven en de regimenten, d.w.z. met de handelende massa’s, blijven echter de Sovjets toch een vertegenwoordiging en derhalve niet vrij van de conventies en vervalsingen van het parlementarisme. De tegenstrijdigheid in iedere volksvertegenwoordiging, ook in die van de Sovjet, bestaat daarin dat zij aan de ene kant noodzakelijk is voor de massa-acties, maar aan de andere kant gemakkelijk een conservatieve hinderpaal voor de actie wordt. De praktische uitweg uit de tegenstrijdigheid bestaat in een voortdurende vernieuwing van de vertegenwoordiging. Maar deze operatie die geenszins eenvoudig is, is vooral in de revolutie het gevolg van de daadwerkelijke actie en blijft derhalve bij deze ten achter. In ieder geval zaten er daags na de halve, of liever gezegd kwart-opstand van april – de halve zal pas in juli komen – dezelfde afgevaardigden in de Sovjet als daags tevoren en toen zij weer in hun oude omgeving kwamen, stemden ze voor de voorstellen van de oude leiders.

Dit wil echter geenszins zeggen dat de aprilstorm spoorloos aan de Sovjets en aan het februaristelsel in het algemeen, laat staan aan de massa’s zelf, voorbijgegaan was. Het grootse, hoewel niet consequent doorgevoerde ingrijpen van de arbeiders en soldaten in de politieke gebeurtenissen wijzigt de politieke situatie, geeft een stoot aan de gehele revolutionaire beweging, verhaast de onvermijdelijke hergroeperingen en dwingt de kamer- en achterdeurpolitici, hun plannen van gisteren op te geven en zich bij hun optreden aan de nieuwe toestand aan te passen.

Nadat de verzoeningsgezinden het oplaaien van de burgeroorlog onderdrukt hadden, waarbij zij zich inbeeldden dat alles in de oude toestand terugkeerde, begon in werkelijkheid de regeringscrisis pas. De liberalen wilden niet meer zonder een directe deelname van de socialisten regeren. Terwijl zij door de dubbele heerschappij logisch gedwongen waren om deze voorwaarde te vervullen, verlangden de socialisten van hun kant een demonstratief opgeven van het Dardanellenprogramma, hetgeen onvermijdelijk tot een opgeven van Miljoekov moest leiden. Op 2 mei zag Miljoekov zich gedwongen uit de regering te treden. De slogan van de demonstratie van 20 april werd op deze manier met een vertraging van twaalf dagen en tegen de wil van de Sovjetleiders verwezenlijkt.

De vertragingen en verschuivingen hadden echter de onmacht van de regeerders met des te meer nadruk onderstreept. Miljoekov, die beoogd had met behulp van zijn generaal een grote verandering in de machtsverhoudingen teweeg te brengen, vloog – als een prop uit een proppenschieter – met een knal uit de regering. De houwdegen van een generaal was genoodzaakt zijn ontslag te nemen. De ministers geleken in het geheel niet meer op jarige kinderen. De regering smeekte de Sovjet om een coalitie. En dit allemaal omdat de massa’s druk uitgeoefend hadden.

Toch wil dit niet zeggen dat de verzoeningsgezinde partijen dichter bij de arbeiders en soldaten gekomen waren. Integendeel, de aprilgebeurtenissen hadden laten zien welke verrassingen de massa’s in zich borgen. Ze dreven de democratische leiders nog meer naar rechts, naar een nauwere aaneensluiting bij de burgerij. Van nu af aan krijgt de patriottische richting definitief de overhand. De meerderheid van het Uitvoerend Comité sluit zich nauwer aaneen. Verwarde radicalen als Soechanov, Steeklov enz., die tot voor kort nog de Sovjetpolitiek leidden en althans enkele socialistische tradities wilden handhaven, werden terzijde geschoven. Tsereteli stuurt vast in een conservatieve en patriottische richting, die een aanpassing van de politiek van Miljoekov aan de vertegenwoordiging van de arbeidende massa’s betekent.

De houding van de bolsjewistische partij in de Aprildagen was niet eensgezind. De gebeurtenissen verrasten de partij. De innerlijke crisis liep pas ten einde, het partijcongres werd met ijver voorbereid. Onder indruk van de heftige opwinding in de wijken spraken enkele bolsjewieken zich uit voor het ten val brengen van de Voorlopige Regering. Het Petrograds Comité, dat nog op de 5de maart de resolutie van een voorwaardelijk vertrouwen in de Voorlopige Regering aangenomen had, twijfelde. Er werd besloten om op 21 april een demonstratie te houden waarvan het doel echter nog niet definitief vastgesteld was. Een deel van het Petrograds Comité bracht de arbeiders en soldaten de straat op met de weliswaar niet openlijk uitgesproken bedoeling om tevens een poging te doen om de Voorlopige Regering ten val te brengen. Enkele linkse elementen buiten de partij waren in dezelfde richting werkzaam. Ogenschijnlijk deden ook de niet talrijke maar zeer actieve anarchisten mee. Enkele personen wendden zich tot de troepenafdelingen met het verzoek om pantserauto’s of versterking in het algemeen, nu eens met het doel om de Voorlopige Regering te arresteren, dan weer voor de straatgevechten tegen de vijand in het algemeen. De met de bolsjewieken sympathiserende pantserdivisie verklaarde echter dat zij zonder bevel van het Uitvoerend Comité aan niemand pantserwagens ter beschikking zou stellen.

De kadetten deden alle mogelijke moeite om de schuld voor de bloedige botsingen op de bolsjewieken af te wentelen. Er werd echter door een buitengewone commissie uit de Sovjet onomstotelijk vastgesteld dat de schietpartij niet vanaf de straat, maar uit huisdeuren en ramen begonnen was. De kranten publiceerden een mededeling van de landsadvocaat: “De schietpartij is door het uitvaagsel van de maatschappij op touw gezet om onrust en verwarring te stichten, wat altijd aan de onderwereld ten goede komt.”

De vijandigheid tegen de bolsjewieken van de kant van de regerende Sovjetpartijen had nog lang niet die spanning bereikt die twee maanden later, in juli, verstand en gemoed zo geheel vertroebelden. De justitie beheerste zich, hoewel zij als vroeger samengesteld was, tegenover de revolutie en veroorloofde zich in april nog niet methodes van de tsaristische Ochrana tegen de uiterst linksen aan te wenden. De aanval van Miljoekov was ook op dit terrein gemakkelijk afgeslagen.

Het Centraal Comité wees de linkervleugel van de bolsjewieken terecht en verklaarde op 21 april dat het door de Sovjet uitgevaardigd verbod van straatdemonstraties volkomen juist was en dat men het onvoorwaardelijk moest opvolgen. De slogan “Weg met de Voorlopige Regering” is momenteel onjuist, luidde de resolutie van het centraal comité, omdat een zodanige slogan bij het ontbreken van een vaste (d.w.z. bewuste en georganiseerde) meerderheid van het volk van de kant van het revolutionaire arbeidersklasse of een frase is, of objectief op avontuurlijke ondernemingen uitloopt. De resolutie noemt als ogenblikkelijke doeleinden: kritiek, propaganda en, als voorwaarde voor een machtsgreep, verkrijging van de meerderheid in de Sovjets. De tegenstanders zagen in deze verklaring een terugtocht van verschrikte leiders ofwel een sluw manoeuvre. Wij kennen echter reeds Lenins principiële houding in de kwestie van de macht. Hij leerde nu de partij om de “Aprilstellingen” in de praktijk toe te passen.

Drie weken voordien had Kamenev verklaard dat hij zich gelukkig achtte om samen met de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen voor de eensgezinde resolutie betreffende de Voorlopige Regering te kunnen stemmen, terwijl Stalin de theorie van de arbeidsverdeling tussen kadetten en bolsjewieken ontvouwde. Hoe veraf waren nu deze dagen en deze theorieën! Na de les van de Aprildagen trad Stalin nu voor de eerste maal tegen de theorie van een welwillende controle op de Voorlopige Regering op, behoedzaam terugkomend op zijn eigen optreden van gisteren. Toch bleef dit manoeuvre onopgemerkt.

“Waarin bestond het avontuurlijk element in de politiek van sommige delen van de partij?” vroeg Lenin op het congres dat terstond na de dagen van ernstige confrontaties plaats had. In de poging om daar met geweld op te treden waar er voor revolutionair geweld nog geen plaats of geen plaats meer was. “Men kan iemand ten val brengen die aan het volk als machthebber bekend is. Thans zijn er geen machthebbers, de kanonnen en geweren zijn bij de soldaten, niet bij de kapitalisten; de kapitalisten gaan thans niet met geweld te werk, maar met bedrog. En nu om geweld roepen, is onzin… Wij hebben de slogan van vreedzame demonstraties opgesteld. Wij beoogden slechts een vreedzame verkenning van de vijandelijke krachten, maar niet het leveren van een slag terwijl het Petrograds Comité toch wat te veel naar links stuurde… Samen met de juiste slogan: “Leve de Sovjets” werd een onjuiste naar voor gebracht: “Weg met de Voorlopige Regering.” Tijdens de actie was het niet goed te veel naar links te koersen. Wij beschouwen dit als de grootste misdaad, als desorganisatie.”

Wat ligt aan de dramatische revolutionaire gebeurtenissen ten grondslag? Verschuivingen in de machtsverhoudingen. Waardoor worden deze teweeg gebracht? Voornamelijk door de zwenkingen van de tussenklassen, van de boeren, de kleinburgerij, het leger. Er is een reusachtige kloof tussen het imperialisme van de kadetten en het bolsjewisme. Deze zwenkingen gaan tegelijkertijd in twee verschillende richtingen. De politieke vertegenwoordiging van het kleinburgerdom, de kopstukken hiervan, de verzoeningsgezinde leiders, hellen steeds meer naar rechts, naar de burgerij. De onderdrukte massa’s zullen steeds krachtiger en moediger naar links zwenken. Terwijl Lenin tegen de door de leiders van de Petrogradse organisatie verkondigde avonturierspolitiek optreedt, maakt hij het voorbehoud: indien de tussengroepen ernstig, vastbesloten en duurzaam tot ons zouden overgaan, zouden wij geen ogenblik aarzelen om de regering uit het Mariinskipaleis te verjagen. Dit is echter nog niet het geval. De Aprilcrisis die zich in de straten afspeelde, is “niet de eerste en niet de laatste zwenking van de kleinburgerlijke en half-proletarische massa.” Ons doel is voorlopig nog: “geduldig opvoeden.” Het is de volgende, intensievere, meer bewuste zwenking van de massa’s naar ons toe voorbereiden.

Wat de arbeidersklasse betreft, de oriëntatie daarvan naar de bolsjewieken kreeg in de loop van april een meer uitgesproken karakter. Er verschenen arbeiders bij de partijcomités en deze vroegen hoe men van de mensjewistische partij kon overgaan tot de bolsjewistische partij. In de bedrijven overstelpte men de eigen afgevaardigden met vragen over buitenlandse politiek, oorlog, dubbele heerschappij, voedselvoorziening, en tengevolge van dergelijke ondervragingen werden de sociaal-revolutionairen of mensjewistische afgevaardigden steeds vaker door de bolsjewistische vervangen. De ommekeer begon bij de wijksovjets, omdat deze het dichtst bij de bedrijven stonden. In de sovjets van de Vyborgse kant van het Vassiljevski-eiland en van de Narvskiwijk waren de bolsjewieken eind april als het ware opeens in de meerderheid. Dit was een feit van de grootste betekenis, maar de leiders van het Uitvoerend Comité die door de hoge politiek in beslag genomen waren, keken vanuit de hoogte neer op het gedoe van de bolsjewieken in de arbeiderswijken. De wijken oefenden echter steeds meer druk uit op het centrum. Zonder toedoen van het Petrograds Comité begon er in de bedrijven een energieke en succesvolle campagne voor nieuwe verkiezingen voor de stedelijke Sovjets van arbeidersafgevaardigden. Soechanov gelooft dat begin mei een derde van de Petrogradse arbeidersklasse achter de bolsjewieken stond. In geen geval minder en bovendien het meest actieve derde deel. De verwarring van maart verdween, de politieke koers werd vaster, de “fantastische” stellingen van Lenin werden in de wijken van Petrograd vlees en bloed.

Elke stap vooruit van de revolutie wordt in het leven geroepen of afgedwongen door een direct ingrijpen van de massa’s, dat in de meeste gevallen volkomen onverwacht voor de Sovjetpartijen komt. De leiders van het Uitvoerend Comité beschouwden de rol van de massa’s na de Februari-omwenteling, nadat de arbeiders en soldaten de monarchie ten val gebracht hadden, als uitgespeeld. Dit was echter een fatale vergissing. De massa’s dachten er niet aan om van het toneel te verdwijnen. Reeds begin maart, tijdens de campagne voor de achturendag, en ondanks het feit dat de mensjewieken en sociaal-revolutionairen een blok aan het been waren, was het de arbeiders gelukt om een concessie van de kapitalisten af te dwingen. De Sovjet zag zich genoodzaakt de overwinning, die zonder hem en tegen hem bevochten was, te registreren. De Aprildemonstratie was een soortgelijke correctie. Elk optreden van de massa’s is, afgezien van zijn onmiddeIlijke doeleinden, een waarschuwing aan het adres van de Sovjetleiders. De waarschuwing heeft aanvankelijk nog een zachtaardig karakter, maar zij wordt steeds dringender. In juli wordt zij dreigend. In oktober komt de oplossing.

De massa’s handelen op alle kritieke momenten “op elementaire wijze,” m.a.w. zij volgen hun eigen inzichten die zij uit de politieke ervaring verkregen hebben, en hun nog niet officieel erkende leiders. Terwijl de massa’s zekere elementen van de agitatie in zich opnemen, zetten zij deze zelfstandig om in de daad. De bolsjewieken hebben nog niet als partij de campagne voor de achturendag gevoerd. De bolsjewieken hebben ook niet in april de massa’s tot een demonstratie opgeroepen. De bolsjewieken zullen ook niet in juli de gewapende massa’s de straat opbrengen. Pas in oktober zal de partij erin slagen om de achterstand in te halen, en zij zal dan aan het hoofd van de massa’s geen betoging houden, maar een omwenteling doorvoeren.