De bolsjewieken en de sovjets

De middelen en werktuigen van de bolsjewistische propaganda lijken bij nadere beschouwing niet alleen geenszins in verhouding tot de politieke invloed van het bolsjewisme te staan, maar ze zijn ook verbluffend van onbeduidendheid. Tot aan de Julidagen bezat de partij 41 persorganen, de week- en maandbladen meegerekend, met een totale oplaag van niet meer dan 320.000 exemplaren; na de Julinederlaag daalde het cijfer van de oplage tot op de helft. Eind augustus werd het voornaamste orgaan van de partij in 50.000 exemplaren gedrukt. In de dagen toen de partij zich van de Petrogradse en Moskouse sovjets meester maakte, had het Centraal Comité niet meer dan ongeveer 30.000 papieren roebel in kas.

Van de kant van de intellectuelen kreeg de partij bijna geen nieuwe leden. De grote groep zogenaamde “oude” bolsjewieken uit de studentenkringen die tot de revolutie van 1905 gekomen waren, waren welgestelde ingenieurs, artsen en ambtenaren geworden en keerden de partij openlijk de rug toe. Zelfs in Petrograd is er onophoudelijk gebrek aan journalisten, sprekers en propagandisten. De provincie komt voortdurend tekort. Er is gebrek aan leiders, aan politiek geschoolde mensen die het volk kunnen uitleggen wat de bolsjewieken willen! – roept men uit talloze verre uithoeken en vooral van het front. Op het platteland bestaan vrijwel in het geheel geen bolsjewistische cellen. De postverbindingen zijn volkomen in de war: terwijl zij aan zichzelf overgelaten werden, verweten de plaatselijke organisaties dikwijls niet ten onrechte het Centraal Comité dat het slechts de leiding van Petrograd vormde.

Hoe konden dan toch bij een zo zwak apparaat en een zo kleine oplaag van de bladen de bolsjewistische ideeën en slogans bij het volk ingang vinden? De verklaring ligt voor de hand: slogans die aan de momentele behoeften van een klasse en een tijdvak voldoen, weten zich talloze wegen te banen. De gloeiende revolutionaire atmosfeer is een voortreffelijke geleidster van ideeën. Bolsjewistische kranten werden hardop voorgelezen, tot flarden gelezen, de belangrijkste artikelen van buiten geleerd, verder verteld, overgeschreven en, zo mogelijk, nagedrukt. “De drukkerij van de staf,” zegt Pirejko, “heeft de zaak van de revolutie een grote dienst bewezen: hoeveel afzonderlijke artikelen uit de “Pravda” en kleine, voor de soldaten leesbare en begrijpelijke brochures werden in onze drukkerij nagedrukt! En dat alles werd per luchtpost, fiets en motorfiets in allerijl naar het front gestuurd…” Tegelijkertijd vond de burgerlijke pers, die in miljoenen exemplaren kosteloos aan het front geleverd werd, geen lezers. Zware zakken met kranten bleven onuitgepakt liggen. De boycot van de “patriottische” pers nam meermaals een demonstratief karakter aan. Vertegenwoordigers van de 18de Siberische divisie besloten de burgerlijke partijen te sommeren de zendingen literatuur te staken, daar zij toch “onnuttig verbruikt werden om er theewater mee te koken.” Neen, dan werd de bolsjewistische pers heel anders gebruikt! Haar nuttige of, zo men wil, schadelijke werking was daarom over het geheel genomen ook veel groter.

De bolsjewistische successen porbeert men te verklaren met een verwijzing naar de “simpelheid” van hun slogans die overeenstemden met de verlangens van de massa’s. Dit is tot op zekere hoogte juist. De kracht van de bolsjewistische politiek was een gevolg van het feit dat zij in tegenstelling tot die van de democratische partijen geen onuitgesproken of half uitgesproken stellingen bracht die uiteindelijk neerkwamen op een bescherming van de private eigendom. Maar dit verklaart niet alles. Terwijl de “democraten” rechts van de bolsjewieken stonden, werden ze langs links verdrongen door nu eens de anarchisten, dan de maximalisten en dan weer de linkse sociaal-revolutionairen. Al deze groepen bleven echter zwak. Het verschil tussen hen en het bolsjewisme was dat deze laatste stroming het subjectieve doel van de verdediging van de belangen van de grote massa’s ondergeschikt maakte aan het objectief bepaalde proces van de wetten van de revolutie. De arbeiders laten zich bij hun strijd niet alleen leiden door hun directe behoeften maar ook door hun levenservaring. De aristocratische minachting voor de zelfstandige ervaring van de massa’s was het bolsjewisme volkomen vreemd. De bolsjewieken namen deze integendeel tot uitgangspunt en bouwden op haar. Hierin was een van hun grote voorsprongen gelegen.

Revoluties zijn altijd woordenrijk en ook de bolsjewieken weken van deze regel niet af. Terwijl de propaganda van de mensjewieken en sociaal-revolutionairen een traditioneel, tegenstrijdig en meestal halfslachtig karakter had, muntte de propaganda van de bolsjewieken uit door rijp overleg en doelbewustheid. De verzoeningsgezinden trachtten met praatjes de moeilijkheden te omzeilen, terwijl de bolsjewieken deze juist moedig tegemoet traden. Een onophoudelijk analyseren van de situatie, een voortdurend toetsen van de slogans aan de feiten, een ernstige houding tegenover de tegenstander, zelfs indien deze zelf minder ernstig was, maakten de bolsjewistische propaganda buitengewoon sterk en overtuigend.

De partijpers overdreef de successen niet, gaf geen vals beeld van de machtsverhoudingen en probeerde niet door geschreeuw indruk te maken. De school van Lenin was de school van het revolutionaire realisme. De berichten in de bolsjewistische pers over het jaar 1917 bleken aan de hand van de documenten van die tijd en de historische kritiek oneindig veel waarheidsgetrouwer te zijn dan de berichten van alle andere kranten. De waarachtigheid kwam voort uit de revolutionaire kracht van de bolsjewieken en deed op haar beurt hun kracht weer toenemen. Het opgeven van deze traditie werd later een van de slechtste eigenschappen van de epigonen.

“Wij zijn geen charlatans,” zei Lenin direct na zijn aankomst, “wij mogen slechts het bewustzijn van de massa’s tot uitgangspunt nemen. Ook al zouden wij in de minderheid moeten blijven – welnu… dan zouden wij daarvoor niet bang zijn… Wij oefenen kritiek, om de massa’s voor teleurstellingen te behoeden… Onze tactiek zal de juiste blijken te zijn. Alle onderdrukten zullen tot ons komen… Er is geen andere uitweg.” Deze volkomen juiste bolsjewistische politiek blijkt het tegendeel van demagogie en avonturisme te zijn.

Lenin leeft illegaal. Vol spanning volgt hij de kranten en leest zoals altijd tussen de regels door en beluistert in de enkele persoonlijke gesprekken die hij voert de niet consequent doordachte meningen en onuitgesproken bedoelingen. Er is een teruggang onder de massa’s. Martov, die de bolsjewieken tegen de laster verdedigt, bespot tegelijkertijd een beetje ironisch de partij die “zo handig was” om zichzelf een nederlaag op de hals te halen. Lenin voelt – spoedig bereiken hem positieve geruchten – dat ook veel bolsjewieken tot berouw geneigd zijn en dat de teergevoelige Loenatsjarski niet alleen staat. Lenin schrijft over het gejammer van de kleinburgers en over het “renegatendom” van die bolsjewieken die zo met dit gejammer instemmen. De bolsjewieken in de stadswijken en in de provincie vernemen deze boze woorden met instemming. Hun overtuiging dat de “oude” het hoofd niet kwijt raakt, de moed niet laat zinken en zich niet door stemmingen van het ogenblik laat meeslepen, wordt nog vaster.

Een lid van het Centraal Comité – was het niet Sverdlov? – schrijft in de provincie: “Wij zijn tijdelijk zonder krant… De organisatie is niet verpletterd… De partijdag wordt niet uitgesteld.” Lenin volgt oplettend, voor zover zijn onvrijwillig isolement hem de gelegenheid daartoe biedt, de voorbereiding voor de partijdag en stelt de voornaamste besluiten van deze op: het gaat om het aanvalsplan. De partijdag wordt bij voorbaat als een verenigingspartijdag aangekondigd omdat daar enkele zelfstandige revolutionaire groepen in de partij zullen worden opgenomen, met name de Petrogradse interrayonale organisatie waartoe Trotski, Joffe, Oeritzki, Rjasanov, Loenatsjarski, Pokrowski, Manoeilski, Karachan, Joerenjev en enkele andere revolutionairen die uit het verleden bekend zijn of in de toekomst bekend zullen worden, behoren.

Op 2 juli, juist aan de vooravond van de demonstratie, had er een congres van de interrayonisten plaats, waarop ongeveer vierduizend arbeiders vertegenwoordigd waren. “Het waren,” schrijft Soechanov die in de zaal aanwezig was, “voor het merendeel mij onbekende arbeiders en soldaten… Er werd koortsachtig gewerkt en met succes. Storend werkte echter de vraag: waarin verschillen jullie eigenlijk van de bolsjewieken en waarom staan jullie niet aan hun kant?” Om de fusie te bespoedigen, die enkele leiders op de lange baan trachtten te schuiven, werd door Trotski in de “Pravda” een verklaring gepubliceerd: “Naar mijn mening bestaat er tegenwoordig geen enkel principieel of tactisch meningsverschil tussen de interrayonisten en de bolsjewistische organisatie. Er is daarom ook geen enkele reden die het afzonderlijk bestaan van deze organisatie rechtvaardigt.”

Op 26 juli begon de verenigingspartijdag, de zesde bolsjewistische partijdag die gedeeltelijk illegaal plaats had en zich beurtelings in twee arbeiderswijken moest schuilhouden. 175 afgevaardigden van wie 157 met beslissende stem vertegenwoordigden 112 organisaties die 176.750 leden telden. Petrograd telde 41.000 leden: 36.000 in de bolsjewistische organisatie, 4.000 interrayonisten en ongeveer 1.000 in de Militaire Organisatie. In het voornaamste industriedistrict met Moskou als centrum had de partij 42.000 leden, in de Oeral 25.000, in het Donetzbekken ongeveer 15.000. In de Kaukasus bestonden er sterke bolsjewistische organisaties in Bakoe, Grosny en Tiflis; de beide eerstgenoemden bestonden vrijwel uitsluitend uit arbeiders, terwijl in Tiflis de soldaten de meerderheid hadden.

De deelnemers aan de partijdag belichaamden het vóórrevolutionaire verleden van de partij. Van de 171 gedelegeerden die de vragenlijsten invulden, hadden er 110 samen 245 jaar in de gevangenis gezeten, 10 afgevaardigden hadden samen 41 jaar in de katorga doorgebracht, 24 afgevaardigden waren voor 73 jaren naar een kolonie in Siberië gezonden en in totaal waren 25 mensen 127 jaren in verbanning geweest; 27 mensen hadden 89 jaren in de emigratie doorgebracht; 150 mensen waren samen 549 maal gearresteerd.

“Noch Lenin, noch Trotski, noch Zinovjev, noch Kamenev waren op deze partijdag aanwezig…” herinnerde Pjatnitzki, een van de tegenwoordige secretarissen van de Communistische Internationale, zich later. “Hoewel de kwestie van het partijprogramma van de agenda afgevoerd was, verliep de partijdag zonder partijleiders vlot en goed…” De stellingen van Lenin dienden tot grondslag bij het werk. Boecharin en Stalin traden als referenten op. Het referaat van Stalin laat goed de weg zien die de spreker samen met de overige partijleiders in de vier maanden sinds de aankomst van Lenin had afgelegd. Theoretisch onvast, maar politiek op de man af poogt Stalin de kenmerken aan te geven waarmee “het eigenlijke karakter van een socialistische arbeidersrevolutie bepaald wordt.” Deze partijdag is vergeleken met het congres in april opvallend eensgezind.

Over de verkiezing van het Centraal Comité wordt in de notulen van de partijdag opgemerkt: “De namen van de vier leden van het Centraal Comité die de meeste stemmen wisten te verkrijgen, worden voorgelezen. Lenin – 133 van de 134, Zinovjev 132, Kamenev – 131, Trotski – 131. Behalve hen zijn ook nog in het Centraal Comité gekozen: Nogin, Kollontai, Stalin, Sverdlov, Rykov, Boecharin, Artem, Joffe, Oeritzki, Miljoetin en Lomow.” Deze samenstelling van het Centraal Comité dient men goed te onthouden: onder zijn leiding zal de Oktoberrevolutie voltrokken worden.

Martov begroette de partijdag met een schrijven waarin hij opnieuw “zijn heftige verontwaardiging over de lasterlijke campagne” uitte, maar als het erop aan kwam voor de daad terugdeinsde. “Het is onduldbaar,” schreef hij, “dat men in plaats van de taak van een machtsverovering door de meerderheid van de revolutionaire democratie de taak van een machtsverovering in een strijd tegen deze meerderheid en in tegenstelling tot haar stelt.” Onder de meerderheid van de revolutionaire democratie verstond Martov nog altijd de officiële sovjetvertegenwoordiging die vaste grond onder de voeten verloor. “Martov is met de sociaalpatriotten verbonden niet door een holle fractionele traditie,” schreef Trotski toentertijd, “maar door zijn zuiver opportunistische instelling op de sociale revolutie als op een ver verwijderd doel dat niet kan dienen om de taak van het ogenblik te bepalen. En dit is wat hem juist van ons scheidt.”

Slechts een klein deel van de linkse mensjewieken onder leiding van Larin sloot zich in die tijd definitief bij de bolsjewieken aan. De latere Sovjetdiplomaat Joerenjev kwam op de partijdag als rapporteur inzake de fusie met de internationalisten tot de conclusie dat er niets anders overbleef dan zich met “de minderheid van de mensjewieken te verenigen…” De grote stroom van vroegere mensjewieken in de partij begon pas na de Oktoberrevolutie: door zich niet bij de proletarische opstand maar bij de uit deze voortgekomen regering aan te sluiten, legden de mensjewieken de voornaamste eigenschap van het opportunisme aan de dag, namelijk de aanbidding van de momenteel bestaande regering. Lenin was inzake de samenstelling van de partij zeer scrupuleus en stelde spoedig de eis om 99% van de mensjewieken die na de Oktoberrevolutie tot de partij toegetreden waren terug uit te sluiten. Hij lukte daar totaal niet in. Later zijn de poorten wijd opengezet voor de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen. De vroegere verzoeningsgezinden werden een van de steunpilaren van het stalinistisch partijbewind. Dit alles behoort echter reeds tot een latere periode.

Sverdlov, de eigenlijke organisator van de partijdag, deelde mee: “Trotski was reeds voor de partijdag tot de redactie van ons orgaan toegetreden, maar zijn celstraf maakte het hem feitelijk onmogelijk mee te werken.” Pas op de partijdag in juli werd Trotski formeel lid van de bolsjewistische partij. Er werd nu een streep gezet onder de jaren van meningsverschillen en fractiestrijd. Trotski kwam tot Lenin als tot een leermeester wiens kracht en betekenis hij later dan vele anderen, maar vermoedelijk beter dan deze, begrepen had. Raskolnikov, die in nauw contact met Trotski stond sinds zijn aankomst uit Canada en daarna samen met hem enkele weken in de gevangenis doorbracht, schrijft in zijn memoires: “Trotski stond met een grote verering tegenover Vladimir Ilitsj (Lenin). Hij schatte hem hoger dan welke tijdgenoot ook die hij in Rusland en daarbuiten ontmoet had. Uit de manier waarop Trotski over Lenin sprak, voelde men de toegenegenheid van de leerling: Lenin zag in die tijd op een dertigjarige praktijk in dienst van de arbeidersklasse terug en Trotski op een twintigjarige. De echo van de vroegere meningsverschillen in de tijd vóór de oorlog was geheel verstomd. Er bestond geen enkel verschil tussen de politiek van Lenin en Trotski. Deze toenadering die men reeds tijdens de oorlog kon waarnemen, bleek volkomen duidelijk bij de terugkeer van Leo Davidovitsj (Trotski) naar Rusland; direct na zijn eerste redevoeringen voelden wij oude leninisten allemaal dat hij een van de onzen was.” Het aantal stemmen, dat bij de verkiezing voor het Centraal Comité op Trotski uitgebracht werd, toont reeds dat niemand in het bolsjewistisch kamp hem ten tijde van zijn toetreden tot de partij als een buitenstaander beschouwde.

Lenin woonde in het verborgene de partijdag bij en wist het werk van de dag met een geest van verantwoordelijkheid en stoutmoedigheid te doordringen. De stichter en leermeester van de partij duldde geen slordigheden, niet in de politiek en niet in de theorie. Hij wist dat een onjuiste economische formule of een onnauwkeurige politieke waarneming zich bitter kon wreken op het moment van de strijd zelf. Om zijn vitterige houding tegenover elke partijtekst, zelfs wanneer het een onbelangrijke zaak betrof, te verdedigen, zei Lenin: “Het betreft hier geen kleinigheden, men moet nauwkeurig zijn. Onze propagandist zal het van buiten leren en niet van de tekst afwijken… Wij hebben een goede partij.” Hij wees daarmee op de ernst en nauwgezetheid van de eenvoudige propagandist tegenover wat hij te zeggen en hoe hij het te zeggen had.

De vermetele bolsjewistische slogans wekten dikwijls de indruk van fantasterij: zo werden de Aprilstellingen van Lenin ook gezien. In werkelijkheid is niets zo fantastisch als benepenheid in een tijdperk van revolutie. Een politiek gericht op een verre toekomst moet daarentegen realistisch zijn. Het is te zwak uitgedrukt indien men zegt dat fantasterij het bolsjewisme vreemd was: de partij van Lenin was de enige partij met een realistische politiek in de revolutie.

In juni en in begin juli zeiden de bolsjewistische arbeiders meer dan eens dat zij telkens weer de rol van brandspuit tegenover de massa’s moesten spelen en dat niet altijd met succes. De maand juli bracht tegelijk met de nederlaag de praktische ervaring die duur gekocht werd. De massa’s begonnen de waarschuwingen van de partij meer in acht te nemen en de tactische overwegingen van deze beter te begrijpen. De partijdag in juli had verklaard: “De arbeidersklasse moet niet ingaan op de provocaties van de bourgeoisie, die niets liever zou willen dan de arbeidersklasse op dit moment tot een ontijdige strijd te verleiden.” De gehele augustusmaand, vooral de tweede helft, werd gekenmerkt door onophoudelijke waarschuwingen van de partij aan de arbeiders en soldaten om niet de straat op te gaan. De bolsjewistische leiders spotten meermaals zelf over de gelijkenis tussen hun waarschuwingen en het politieke leidmotief van de oude Duitse sociaaldemocratie die de massa’s van iedere ernstige strijd weerhield door onophoudelijk op het gevaar van provocaties en de noodzakelijkheid van krachtenverzameling te wijzen. In werkelijkheid was de gelijkenis slechts schijnbaar. De bolsjewieken wisten zeer goed dat de krachten verzameld worden in de strijd en niet door deze uit de weg te gaan. Lenin beschouwde de bestudering van de werkelijkheid slechts als een theoretische verkenning met het oog op de strijd. Bij zijn beoordeling van de situatie zag hij steeds de partij als actieve kracht in het middelpunt staan. Met een buitengewone vijandigheid, of liever gezegd met afkeer, stond hij tegenover het austromarxisme (Otto Bauer, Hilferding enz.), voor wie de theoretische analyse slechts een geleerd commentaar van de passiviteit was. De voorzichtigheid is een rem en geen motor. Nog nooit heeft iemand steeds remmend reizen gemaakt, zoals ook nooit iemand iets groots verricht heeft met louter voorzichtigheid. Tegelijkertijd wisten de bolsjewieken echter heel goed dat een juiste berekening van de krachten voor de strijd nodig is; dat men voorzichtig moet zijn om stoutmoedig te mogen zijn.

In de resolutie van de zesde partijdag waarin gewaarschuwd werd voor ontijdige botsingen, werd in één adem hiermee erop gewezen dat men de strijd moest aanvaarden “zodra de nationale crisis en de diepgaande massabeweging gunstige voorwaarden geschapen zouden hebben voor een overgang van de armen in de stad en op het platteland naar de zijde van de arbeiders.” Het tempo van de revolutie maakte dat het niet om enkele tientallen jaren, ook niet om één jaar, maar om enkele maanden ging.

Terwijl de partijdag de propaganda onder de massa’s van de noodzakelijkheid om zich op de gewapende opstand voor te bereiden aan de orde stelde, besloot hij tegelijkertijd om de voornaamste slogan van de afgelopen periode, nl. overgang van de macht op de sovjets, op de tweede plaats te stellen. Het een vloeide uit het ander voort. Deze wisseling van slogans was door Lenin in zijn artikelen, brieven en persoonlijke gesprekken voorbereid.

De overgang van de macht op de sovjets betekende direct een overgang van de macht op de verzoeningsgezinden. Dit kon zich vreedzaam voltrekken, eenvoudig door een aftreden van de burgerlijke regering die zich slechts op de been hield door de goedgunstigheid van de verzoeningsgezinden en de rest van vertrouwen die zij nog bij de massa’s genoot. De heerschappij van de arbeiders en soldaten was na 27 februari een feit. De arbeiders en soldaten gaven zich echter niet voldoende rekenschap van dit feit. Zij vertrouwden de macht toe aan de verzoeningsgezinden die deze op hun beurt aan de bourgeoisie overgaven. De verwachting van de bolsjewieken dat de revolutie zich op vreedzame wijze zou ontwikkelen, was niet daarop gebaseerd dat de bourgeoisie vrijwillig de macht aan de arbeiders en soldaten zou afstaan, maar daarop dat de arbeiders en soldaten de verzoeningsgezinden tijdig zouden weten te beletten om de macht aan de bourgeoisie uit te leveren.

De concentratie van de macht in handen van de sovjets onder het bewind van de sovjetdemocratie zou de bolsjewieken volkomen in staat gesteld hebben om de meerderheid in de sovjets te verkrijgen en dientengevolge ook een regering op de grondslag van hun eigen programma te vormen. Een gewapende opstand was hiertoe niet nodig. De wisseling van de regeringspartijen zou zich ook op vreedzame wijze hebben kunnen voltrekken. Alle bemoeiingen van de partij waren van april tot juli erop gericht om te zorgen dat de revolutie door de sovjets zich op vreedzame wijze zou voltrekken. “Geduldig scholen” – dat was de kern van de bolsjewistische politiek.

De Julidagen brachten een radicale wijziging in de toestand teweeg. De macht ging van de sovjets over op de militaire klieken die zich met de kadetten en de gezantschappen verbonden en Kerenski slechts voorlopig als democratische dekmantel duldden. Indien het Uitvoerend Comité nu ertoe gekomen was om een besluit betreffende de overgang van de macht in zijn handen te nemen, zou het resultaat volkomen anders geweest zijn dan drie dagen geleden: waarschijnlijk zou een Kozakkenregiment tezamen met de krijgsscholen van de jonkers in het Taurisch paleis binnengerukt zijn en eenvoudig getracht hebben om de “machtsusurpators” te arresteren. De slogan “alle macht aan de sovjets” sloot van nu af aan in zich een gewapende opstand tegen de regering en de achter deze staande militaire klieken. Het zou echter evident onzinnig geweest zijn om een opstand te proclameren in naam van de macht van de sovjets die deze macht niet wilden.

Aan de andere kant was het van nu af aan twijfelachtig – velen meenden zelfs onwaarschijnlijk – of de bolsjewieken door vreedzame verkiezingen de meerderheid in deze machteloze sovjets zouden kunnen veroveren: doordat zij zich met het neerslaan van de arbeiders en boeren in juli gebonden hadden, zouden de mensjewieken en sociaal-revolutionairen natuurlijk ook in het vervolg alle gewelddaden tegen de bolsjewieken dekken. Terwijl zij verzoeningsgezind bleven, moesten de sovjets tot een slappe oppositie van de contrarevolutionaire regering worden en al spoedig de geest geven.

Er kon in deze omstandigheden geen sprake meer van een vreedzame overgang van de macht op de arbeidersklasse zijn. Dit betekende voor de bolsjewistische partij dat zij zich moest voorbereiden op de gewapende opstand. Onder welke slogan? Onder de openlijke slogan van een machtsgreep door de arbeidersklasse en de arme boeren. De revolutionaire taak moest volkomen openlijk gesteld worden. Men moest uit de dubbelzinnige sovjetvorm de klasseninhoud losmaken. Dit betekent geen prijsgeven van de sovjets als zodanig. Na de machtsverovering zal de arbeidersklasse de staat volgens het Sovjettype moeten organiseren. Dit zullen echter andere sovjets zijn, die een historische taak vervullen die lijnrecht tegenover de beschermingsfunctie van de verzoeningsgezinde sovjet staat.

“De slogan van de overgang van de macht op de sovjets,” schreef Lenin onder het eerste rumoer van de ophitsing en de laster, zou nu als een donquichotterie of een hoon klinken. Deze slogan zou objectief gezien een volksbedrog en een toegeven aan de illusie zijn, alsof het ook nu nog voldoende was dat de sovjets de overname van de macht wensten of dat deze zouden besluiten om de macht te behouden, alsof er in de sovjet nog partijen waren die zich niet met beulsdiensten bezoedeld hadden, alsof men het gebeurde ongedaan kon maken.

Moet men van de eis tot een overgang van de macht op de sovjets afzien? Deze gedachte was op het eerste moment verbluffend voor de partij, of liever gezegd voor haar propagandisten die in de loop van de voorafgaande drie maanden zo met deze populaire slogan samengegroeid waren dat deze voor hen nagenoeg de gehele inhoud van de revolutie vormde. Er begon een discussie in de partij. Vele vooraanstaande partijarbeiders, als Manoeilski, Joerenjev en anderen, trachtten aan te tonen dat de schrapping van de slogan “Alle macht aan de sovjets” het gevaar van een isolering van de arbeidersklasse van de boeren in zich sloot. Zij verwarden met dit bezwaar de klassen en de instellingen. Aanbidding van de organisatievorm is, hoe wonderlijk dit op het eerste gezicht ook lijkt, een veel voorkomende ziekte in revolutionaire kringen. “In zoverre wij in deze sovjets blijven,” schreef Trotski, “…zullen wij ernaar streven dat de sovjets die het verleden van de revolutie weerspiegelen zo sterk worden dat zij zich kunnen opwerken tot de toekomstige taak. Hoe belangrijk de rol van het lot van de sovjets ook is, deze blijven echter voor ons volkomen ondergeschikt aan de strijd van de arbeidersklasse en de half proletarische massa’s in de stad, het leger en het dorp om de politieke macht, om de revolutionaire heerschappij.”

De vraag welke massaorganisaties voor de partij het meest geschikt waren bij de leiding van de opstand was niet a-prioristisch en nog minder categorisch te beantwoorden. De fabriekscomités en vakverenigingen die reeds onder bolsjewistische leiding stonden alsook in sommige gevallen de sovjets, voor zover zij zich van het juk der verzoeningsgezinden bevrijd hadden, konden doelmatige organen voor de opstand worden. Zo zei Lenin tot Ordsjonikidse: “Wij moeten het zwaartepunt op de fabriekscomités leggen. De fabriekscomités moeten organen van de opstand worden.”

Nadat de massa’s in juli aanvankelijk met de sovjets als een passief tegenstander en later als een actief vijand in botsing gekomen waren, aanvaardden zij de verandering van leuzen grif. Lenin was altijd erop uit om met een treffende eenvoud uit te drukken wat aan de ene kant uit de objectieve omstandigheden voortvloeide en aan de andere kant de subjectieve ervaring van de massa’s vormde. Men moet niet aan de sovjets van Tsereteli de macht geven – dat voelden de radicale arbeiders en soldaten – maar wij moeten zelf de macht in handen nemen!

De Moskouse demonstratieve staking tegen de Landelijke Vergadering was niet alleen tegen de wil van de sovjet uitgebroken, maar ook de eis van de sovjetmacht werd daarbij niet gesteld. De massa’s hadden intussen reeds de les die zij van de gebeurtenissen gekregen hadden en Lenin hen nader verklaard had in zich opgenomen. Tegelijkertijd hadden de Moskouse bolsjewieken geen ogenblik geaarzeld om ten strijde te trekken zodra het gevaar ontstond dat de contrarevolutie zou kunnen pogen de verzoeningsgezinde sovjets te vernietigen. Bij de bolsjewistische politiek ging altijd revolutionaire onverzoenlijkheid gepaard met de grootst mogelijke soepelheid en het was juist deze verbinding die haar zo sterk maakte. De gebeurtenissen op het oorlogstoneel stelden spoedig de politiek van de partij sterk op de proef inzake haar internationalisme. Na de val van Riga werd het lot van Petrograd een levenskwestie voor de arbeiders en soldaten. In een vergadering van de fabriekscomités in het Smolny bracht de mensjewiek Masoerenko, een officier die kort geleden de ontwapening van de Petrogradse arbeiders geleid had, een rapport uit over het gevaar dat Petrograd bedreigde en stelde praktisch het vraagstuk van de verdediging aan de orde. “Waarover zouden jullie met ons kunnen onderhandelen,” riep een van de bolsjewistische sprekers, “…onze leiders zitten in de gevangenis, en jullie roepen ons op om te discussiëren over kwesties die de verdediging van de hoofdstad betreffen.” De proletariërs van de wijk Vyborg waren als industriearbeiders, als burgers van een burgerlijke republiek, geenszins van plan de verdediging van de revolutionaire hoofdstad te saboteren. Als bolsjewieken, als partijleden, wilden zij echter geen ogenblik de verantwoordelijkheid voor de oorlog tegenover het Russische volk en tegenover de volken van andere landen met de regeerders delen. Beducht dat de landsverdedigingsstemmingen zouden kunnen omslaan in een landsverdedigingspolitiek, schreef Lenin: “Wij zullen pas na de overgang van de macht op de arbeidersklasse landsverdedigers worden… Noch de inname van Riga, noch de inname van Petrograd zullen ons tot landsverdedigers maken. Tot die tijd zijn wij voor de proletarische revolutie, zijn wij tegen de oorlog, zijn wij geen landsverdedigers.”“De val van Riga,” schreef Trotski vanuit de gevangenis, “is een harde slag. Een val van Petrograd zou een ongeluk zijn, maar een loslaten van de internationale politiek van de Russische arbeidersklasse zou een ramp betekenen.” Spreekt hier een fanaticus of een dogmaticus? In dezelfde dagen, toen de bolsjewistische scherpschutters en matrozen bij Riga omkwamen, trok de regering troepen samen om de bolsjewieken neer te slaan en de opperbevelhebber bereidde zich voor op een oorlog tegen de regering. De bolsjewieken konden en wilden voor een dergelijke politiek, én aan het front, én in het achterland, én voor de verdediging, én voor de aanval in geen enkel opzicht de verantwoordelijkheid dragen. Indien zij anders gehandeld hadden, zouden zij geen bolsjewieken geweest zijn.

Kerenski en Kornilov waren twee soorten van een en hetzelfde gevaar. Deze beide soorten, de dreigende en de acute, stonden eind augustus echter vijandig tegenover elkaar. Men moest allereerst het acute gevaar afwenden om het later met het dreigende gevaar klaar te kunnen spelen. De bolsjewieken traden niet alleen in het verdedigingscomité, alhoewel zij daar gedoemd waren een kleine minderheid te vormen, maar zij verklaarden ook bereid te zijn tot het aangaan van een “militair-technisch bondgenootschap” zelfs met het directorium in de strijd tegen Kornilov. Soechanov schrijft hierover: “De bolsjewieken gaven blijk van een buitengewone tact en politiek inzicht… Terwijl zij bereid waren tot een – voor hen ongewoon – compromis, streefden zij echter bepaalde doeleinden na die hun bondgenoten niet doorzagen. Des te juister bleek hun inzicht in deze zaak te zijn.” Er was niets “ongewoons” voor het bolsjewisme aan deze politiek: integendeel, zij was volkomen in overeenstemming met het karakter van de partij. De bolsjewieken waren revolutionairen van de daad en niet van het gebaar, van de inhoud en niet van de vorm. Hun politiek werd door de werkelijke machtsgroepering en niet door sympathieën en antipathieën bepaald. Lenin, tegen wie door de sociaal-revolutionairen en mensjewieken opgehitst werd, schreef: “Het zou een reusachtige fout zijn te menen dat de revolutionaire arbeidersklasse in staat zou zijn om als het ware uit wraak tegen de sociaal-revolutionairen en mensjewieken voor hun hulp bij het neerslaan van de bolsjewieken, bij fusillades aan het front en ontwapeningen van de arbeiders, te weigeren hen tegen de contrarevolutie te ondersteunen.”

Een technische ondersteuning, maar geen politieke. Tegen een politieke ondersteuning waarschuwde Lenin krachtig in een brief aan het Centraal Comité: “Wij mogen zelfs nu Kerenski’s regering niet ondersteunen. Dit zou beginselloos zijn. Men zal vragen: moet men niet tegen Kornilov vechten? Zeer zeker moet men dit. Dit is echter niet hetzelfde, er is hier een zekere grens: verscheidene bolsjewieken overschrijden deze doordat zij in “verzoeningsgezindheid” vervallen en zich door de stroom van de gebeurtenissen laten meesleuren.”

Lenin kon schakeringen in de politieke stemmingen zelfs van verre onderscheiden. Op 29 augustus werd in de zitting van de stadsdoema te Kiev door een van de bolsjewistische leiders daar, Pjatakov, verklaard: “In dit beslissende uur moeten wij alle oude schulden vergeten… ons met alle revolutionaire partijen die bereid zijn tot een beslissende strijd tegen de contrarevolutie verenigen. Ik roep op tot eenheid.” Dit was nu juist de verkeerde politiek waartegen Lenin waarschuwde. “Oude schulden vergeten” betekende nieuwe kredieten aan de kandidaten van het bankroet openen. “Wij zullen vechten en wij vechten tegen Kornilov,” schreef Lenin, “maar wij ondersteunen Kerenski niet, we brengen zijn zwakte aan het licht. Dit is een groot verschil… Men moet onverbiddelijk vechten tegen frasen… van een ondersteuning van de Voorlopige Regering, enzovoorts, enzovoorts, juist omdat het frasen zijn.”

De arbeiders maakten zich geen illusies over het karakter van hun “bondgenootschap” met het Winterpaleis. “Terwijl de arbeidersklasse tegen Kornilov vecht, vecht het niet voor de dictatuur van Kerenski, maar voor de revolutionaire veroveringen,” aldus verklaarde de ene fabriek na de andere, in Petrograd, Moskou, in de provincie. Zonder ook maar in het minst politieke concessies aan de verzoeningsgezinden te doen, zonder te veranderen van organisatie of vlag, waren de bolsjewieken als altijd bereid hun optreden aan te passen aan de ene tegenstander en vijand, indien dit het mogelijk maakte om een andere op dat moment gevaarlijker vijand een slag toe te brengen.

De bolsjewieken joegen in de strijd tegen Kornilov hun “eigen doeleinden” na, en Soechanov zinspeelt er op dat zij zich in die tijd reeds tot taak gesteld hadden het verdedigingscomité tot een werktuig van de proletarische revolutie te maken. Het is niet te loochenen dat de revolutionaire comités in de dagen van Kornilov tot op zekere hoogte het voorbeeld werden van die organen die later de opstand van de arbeidersklasse leidden. Toch kent Soechanov de bolsjewieken een te vooruitziende blik toe indien hij meent dat zij deze betekenis van die organisaties toen reeds begrepen hadden. De “eigen doeleinden” van de bolsjewieken bestonden erin de contrarevolutie te verpletteren, zo mogelijk de verzoeningsgezinden van de kadetten te scheiden, zo groot mogelijke massa’s onder hun eigen leiding te verzamelen en een zo groot mogelijk aantal revolutionaire arbeiders te bewapenen. De bolsjewieken verheimelijkten deze doeleinden niet. De vervolgde partij redde de regering van de represailles en de laster; maar zij redde haar van een militaire vernietiging om haar des te zekerder politiek te verslaan.

De laatste dagen van augustus brachten wederom een sterke verschuiving in de machtsverhoudingen teweeg, ditmaal van rechts naar links. De tot de strijd opgeroepen massa’s herstelden gemakkelijk de toestand waarin de sovjets vóór de Julicrisis verkeerd hadden. Van nu af aan ligt het lot van de sovjets weer in hun eigen handen. De sovjets kunnen zonder strijd de macht grijpen. De verzoeningsgezinden behoeven daartoe slechts te bevestigen wat er in werkelijkheid reeds ontstaan was. Het is slechts de vraag of zij hiertoe bereid zullen zijn… in hun opwinding. De verzoeningsgezinden verklaren dat een coalitie met de kadetten niet meer mogelijk is. Indien dit zo is, dan is zij in het algemeen onmogelijk. Het afwijzen van een coalitie kan echter slechts een overgang van de macht op de verzoeningsgezinden betekenen.

Lenin begrijpt onmiddellijk de betekenis van de nieuwe situatie en trekt daaruit de nodige conclusies. Op 3 september schrijft hij een opzienbarend artikel “Over Compromissen.” De rol van de sovjets was opnieuw veranderd, naar hij constateert: begin juli waren zij strijdorganen tegen de arbeidersklasse, eind augustus werden zij strijdorganen tegen de bourgeoisie. De sovjets hebben opnieuw de beschikking over troepen gekregen. De geschiedenis maakt opnieuw een vreedzame ontwikkeling mogelijk. Dit was een ongewoon zeldzame en kostbare mogelijkheid: men moet trachten haar te benutten. Lenin laat zich terloops spottend uit over die praatjesmakers die elk compromis verwerpelijk achten: men moet “via alle compromissen, voor zover deze onvermijdelijk zijn,” de eigen taak en doeleinden verwezenlijken. “Een compromis van onze kant is,” zegt hij, “onze terugkeer tot de eisen van vóór de maand juli: Alle macht aan de sovjets, een uit sociaal-revolutionairen en mensjewieken bestaande regering die aan de sovjets verantwoordelijk is.” Nu, en nu alleen, misschien wel uiterlijk binnen enkele dagen of één tot twee weken, zou een dergelijke regering op volkomen vreedzame wijze gevormd en gevestigd kunnen worden. De korte termijn diende om te laten zien hoe gewichtig de situatie was: de verzoeningsgezinden hadden nog slechts enkele luttele dagen om hun keuze te maken tussen bourgeoisie en arbeidersklasse.

De verzoeningsgezinden haastten zich om het voorstel van Lenin als een sluwe valstrik van de hand te wijzen. In werkelijkheid was er niets sluws in het voorstel: ervan overtuigd dat zijn partij geroepen is om zich aan het hoofd van het volk te stellen, doet Lenin een eerlijke poging om de strijd te verzachten door de tegenstand van de vijanden te verzwakken met een verwijzing naar het onvermijdelijke.

De stoutmoedige zwenkingen van Lenin, die altijd uit de veranderingen in de situatie voortkomen en steeds de strategische taak dezelfde doen blijven, zijn een onvergelijkelijke leerschool voor revolutionaire krijgskunst. Het compromisvoorstel had de betekenis van een aanschouwelijk onderricht allereerst voor de partij zelf. Het liet zien dat er voor de verzoeningsgezinden ondanks de met Kornilov opgedane ervaring geen terugkeer op de revolutionaire weg meer mogelijk was. De bolsjewistische partij voelde zich van nu af aan definitief als de enige revolutionaire partij.

De verzoeningsgezinden weigerden om de rol te vervullen van een schakel die de macht uit handen van de bourgeoisie in handen van de arbeidersklasse overbrengt, zoals zij in maart de rol gespeeld hadden van een schakel die de macht uit handen van de arbeidersklasse in handen van de bourgeoisie overdroeg. Hierdoor alleen reeds kreeg de slogan “de macht aan de sovjets” opnieuw een holle klank. Doch niet voor lange tijd: in de volgende dagen reeds kregen de bolsjewieken de meerderheid in de Petrogradse sovjet en vervolgens in een aantal andere sovjets. De slogan: “De macht aan de sovjets,” werd zodoende niet voor de tweede maal van de agenda afgevoerd, maar kreeg een nieuwe betekenis: Alle macht aan de bolsjewistische sovjets. In deze vorm hield de slogan definitief op een slogan van vreedzame ontwikkeling te zijn. De partij sloeg de weg in van een gewapende opstand door de sovjets en in naam van de sovjets.

Om de verdere loop van de ontwikkeling goed te kunnen begrijpen, moet men de vraag stellen: hoe hadden de verzoeningsgezinde sovjets begin september de macht weer gekregen die zij in juli verloren hadden? Als een rode draad loopt door de resolutie van de zesde partijdag de bewering dat als resultaat van de Juligebeurtenissen de dubbele heerschappij geliquideerd en door de heerschappij van de bourgeoisie vervangen was. De nieuwste Sovjethistorici nemen deze opvatting gedachteloos over, zonder haar nog eens aan de latere gebeurtenissen te toetsen. Zij vragen zich niet eens af: wanneer in juli de macht volkomen in handen van een militaire kliek overgegaan was, waarom moet deze militaire kliek dan in augustus tot een opstand overgaan? Niet hij die de macht heeft, betreedt de riskante weg van een samenzwering, maar hij die de macht grijpen wil.

De formulering van de zesde partijdag was op zijn zachtst gezegd onnauwkeurig. Indien wij onder dubbele heerschappij dat bewind verstaan, waaronder in handen van de officiële regering eigenlijk slechts een fictieve macht, maar in handen van de sovjet de werkelijke macht was, dan mag men niet zeggen dat de dubbele heerschappij geliquideerd was op dat moment waarop een deel van de werkelijke macht van de sovjet op de bourgeoisie overging. Met het oog op de taak in de strijd van dat ogenblik kon en moest men de concentratie van de macht in handen van de contrarevolutie overschatten. Politiek is geen wiskunde. Het was praktisch oneindig veel gevaarlijker om de betekenis van de verandering die er plaats gegrepen had te onderschatten, dan deze te overschatten. Een historische analyse heeft echter propagandistische overdrijvingen niet nodig.

Stalin zei, de gedachte van Lenin eenvoudiger weergevend, op de partijdag: “De toestand is duidelijk. Niemand spreekt nu over dubbele heerschappij. Terwijl de sovjets vroeger een werkelijke macht gevormd hebben, zijn zij nu slechts organen tot aaneensluiting van de massa die over geen enkele macht te beschikken hebben.” Enkele afgevaardigden opponeerden door te zeggen, dat in juli de reactie getriomfeerd, maar niet de contrarevolutie gezegevierd had. Stalin antwoordde daarop met een wonderlijk aforisme: “Tijdens een revolutie is er geen reactie.” In werkelijkheid zegeviert de revolutie slechts door een aantal opeenvolgende reacties: zij doet steeds één stap terug, na twee stappen vooruit gedaan te hebben. De reactie staat tot de contrarevolutie als de hervorming tot de revolutie. Als overwinningen van de reactie zijn die veranderingen in het regime te beschouwen, die dit aan de behoeften van de contrarevolutionaire krachten aanpassen, zonder intussen een andere drager van de macht te brengen. Daarentegen is een overwinning van de contrarevolutie ondenkbaar zonder een overgang van de macht in handen van een andere klasse. Zo’n overgang had echter in juli niet plaats.

“Indien de Juliopstand een halve opstand was,” schrijft Boecharin enkele maanden later terecht, zonder dat hij in staat was de nodige gevolgtrekkingen uit zijn eigen woorden te maken, “dan was ook de overwinning van de contrarevolutie tot op zekere hoogte een halve overwinning.” De halve overwinning kon echter de bourgeoisie niet de macht verschaffen. De dubbele heerschappij was omgevormd en veranderd, maar niet verdwenen. Evenmin als vroeger kon men in de fabriek iets tegen de wil van de arbeiders ondernemen. De boeren hadden genoeg macht overgehouden om de grootgrondbezitters bij de uitoefening van hun eigendomsrechten te hinderen. De officieren voelden zich onzeker tegenover de soldaten. Wat is macht echter anders dan de materiële mogelijkheid om over de militairen en de eigendom te beschikken? Op 13 augustus schreef Trotski over de verschuivingen die er hadden plaatsgevonden: “Het gaat niet hierom dat naast de regering de sovjet stond die een hele reeks regeringsfuncties vervulde… Wezenlijk is dat er achter de sovjet en de regering twee verschillende regimes stonden die op verschillende klassen steunden… Het van bovenaf gevestigd regime van de kapitalistische republiek en het van onderop gegroeid regime van de arbeidersdemocratie legden elkaar lam.”

Er is geen twijfel mogelijk of het Centraal Uitvoerend Comité had zijn betekenis grotendeels verloren. Het zou echter verkeerd zijn te menen dat de bourgeoisie alles had gewonnen wat de verzoeningsgezinde leiders ingeboet hadden. De laatstgenoemden verloren niet alleen aan rechts, maar ook aan links, niet alleen ten voordele van de militaire klieken, maar ook ten voordele van de fabrieks- en regimentscomités. De macht werd meer gedecentraliseerd, verbrokkeld en verborg zich gedeeltelijk onder de grond, net zoals de wapens die de arbeiders na de Julinederlaag verborgen. De dubbele heerschappij hield op “vreedzaam”, “verbindend”, regulerend te zijn. Zij werd meer ondergronds, gedecentraliseerd, polair en explosief. Eind augustus werd de verborgen dubbele heerschappij weer actief. Wij zullen zien welke betekenis dit feit in oktober kreeg.

De vloed

Het sterk werkende middel van de laster bleek een tweesnijdend wapen te zijn. Indien de bolsjewieken Duitse spionnen zijn, waarom gaat deze bewering dan voornamelijk uit van mensen die het meest bij het volk gehaat zijn? Waarom beschuldigt juist de pers van de kadetten, die de arbeiders en soldaten bij iedere gelegenheid de meest minderwaardige motieven toeschrijft, de bolsjewieken het hardst en het meest kras? Waarom steekt de reactionaire ingenieur of meesterknecht die na de revolutie stil geworden was, nu plotseling het hoofd op en vloekt hij openlijk op de bolsjewieken? Waarom vatten de meest reactionaire officieren in de regimenten moed en dreigen zij, terwijl zij Lenin en de zijnen ontmaskeren, de soldaten met hun vuist alsof zij de verraders waren?

Elk bedrijf had zijn bolsjewieken. “Zie ik er als een Duits spion uit, zeg jongens?” vroeg de slotenmaker of draaier wiens doen en laten de arbeiders tot in de kleinste kleinigheden bekend was. Niet zelden gingen de verzoeningsgezinden in de strijd tegen de opmars van de contrarevolutie verder dan wat hun bedoeling was en baanden zij tegen hun zin de weg voor de bolsjewieken. De soldaat Pirejko vertelt hoe de officier van gezondheid Markovitsj, een aanhanger van Plechanov, in een meeting van soldaten de beschuldiging dat Lenin een spion was van de hand wees om met des te meer kracht zijn politieke inzichten als foutief en verderfelijk te bestrijden. Tevergeefs! “Als Lenin verstandig en geen spion of verrader is, en hij vrede wil sluiten, dan zullen wij met hem samengaan,” zeiden de soldaten na de vergadering.

Het tijdelijk in zijn groei belemmerde bolsjewisme begon zich weer zelfbewust te doen gelden. “De vergelding laat niet op zich wachten,” schreef Trotski midden augustus. “Gejaagd, vervolgd en belasterd is onze partij nog nooit zo snel gegroeid als in de laatste tijd. En dit proces zal onvermijdelijk van de hoofdstad op de provincie, van de steden op het platteland en het leger overslaan… Alle werkende massa’s in het land zullen in nieuwe beproevingen hun lot met het lot van onze partij leren verbinden.”

Petrograd liep zoals altijd voorop. Het leek alsof een almachtige bezem bezig was om in de bedrijven de invloed van de verzoeningsgezinden uit alle hoeken en gaten weg te vegen. “De laatste steunpilaren van de landsverdedigers vallen,” berichtte het bolsjewistische blad. “Hoe lang is het geleden dat de heren landsverdedigers heer en meester in het reusachtige bedrijf Oboechow waren?… en nu durven zij zich daar niet te vertonen.” Bij de verkiezingen voor de stadsdoema te Petrograd op 20 augustus werden ongeveer vijfhonderdvijftigduizend stemmen uitgebracht, veel minder dan bij de verkiezingen voor de districtsdoema’s in juli. De sociaal-revolutionairen verloren 375.000 stemmen maar waren nog altijd goed voor 200.000 stemmen of 37%. De kadetten haalden een vijfde van de stemmen. “Onze mensjewistische lijst leverde nauwelijks drieëntwintigduizend stemmen op,” schrijft Soechanov. Tot verbazing van iedereen kregen de bolsjewieken bijna tweehonderdduizend stemmen, d.i. ongeveer één derde van het totale aantal.

Het districtscongres van de vakverenigingen in de Oeral dat midden augustus plaats had en waar honderdvijftigduizend arbeiders aanwezig waren, nam in alle kwesties bolsjewistisch getinte besluiten. In Kiev werd op het congres van de fabriekscomités op 20 augustus de bolsjewistische resolutie met een meerderheid van 161 tegen 35 stemmen met 13 onthoudingen van stemming aangenomen. Bij de democratische verkiezingen voor de stadsdoema te Ivanovo-Voznesensk, die juist op het moment van de Kornilovopstand plaats hadden, wisten de bolsjewieken 58 van de 102 zetels te veroveren, de sociaal-revolutionairen 24, de mensjewieken 4. In Kronstadt wordt de bolsjewiek Brekman tot voorzitter van de sovjet gekozen, terwijl de bolsjewiek Pokrowski eerste burgemeester wordt. Hoewel lang niet overal even sterk en op vele plaatsen achteraankomend, groeit het bolsjewisme in de maand augustus toch nagenoeg in het gehele land.

De opstand van Kornilov geeft een stoot tot de radicalisering van de massa’s. Sloetzki herinnerde hierbij aan de woorden van Marx, volgens wie de revolutie soms door de contrarevolutie opgezweept moet worden. Het gevaar deed niet alleen de energie, maar ook het inzicht toenemen. De collectieve gedachte werkte onder hoogspanning. Er was geen gebrek aan materiaal om conclusies uit te trekken. De coalitie had men als noodzakelijk ter verdediging van de revolutie voorgesteld en nu stond intussen een coalitiegenoot aan de kant van de contrarevolutie. De vergadering te Moskou was geproclameerd tot een wapenschouw van de nationale eenheid en alleen het Centraal Comité van de bolsjewieken had gewaarschuwd: de vergadering… zal onvermijdelijk tot een orgaan van contrarevolutionaire samenzwering worden. De gebeurtenissen hadden deze voorspelling volkomen bevestigd. Ook Kerenski verklaarde nu: “De Moskouse vergadering… is het voorspel tot 27 augustus… Hier werden de krachten afgewogen… Hier werd voor het eerst aan Rusland zijn toekomstige dictator Kornilov voorgesteld…” Alsof Kerenski niet het initiatief tot deze vergadering genomen had, deze georganiseerd had en haar voorzitter geweest was, en alsof hij niet Kornilov als de “eerste soldaat van de revolutie” voorgesteld had. Alsof de Voorlopige Regering Kornilov niet de doodstraf tegen de soldaten gegeven had. En alsof de waarschuwingen van de bolsjewieken niet voor demagogie uitgemaakt waren.

Het garnizoen van Petrograd herinnerde zich verder dat twee dagen vóór de opstand van Kornilov de bolsjewieken in de bijeenkomst van de soldatensectie het vermoeden hadden uitgesproken dat de radicale regimenten met contrarevolutionaire bedoelingen uit de hoofdstad verwijderd waren. De vertegenwoordigers van de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen hadden dit beantwoord met de dreigende eis om over de bevelen van generaal Kornilov niet te discussiëren. Er was een resolutie in deze geest aangenomen. “De bolsjewieken hebben niets te veel gezegd!” moesten de partijloze arbeiders of soldaten nu wel bij zichzelf zeggen.

Indien de samenzwerende generaals, volgens de wel wat late beschuldiging van de verzoeningsgezinden zelf, niet alleen schuld aan de overgave van Riga maar ook aan de doorbraak in juli hebben, waarom heeft men dan opgehitst tegen de bolsjewieken en soldaten doodgeschoten? Indien de militaire provocateurs geprobeerd hebben de arbeiders en soldaten op 27 augustus de straat op te lokken, hebben zij dan wellicht ook een rol bij de bloedige botsingen op 4 juli gespeeld? Welke rol vervult Kerenski dan hierbij? Tegen wie heeft hij het derde cavaleriecorps opgeëist? Waarom heeft hij Savinkov tot gouverneur-generaal en Filonenko tot diens adjudant benoemd? Wie is toch die Filonenko die kandidaat voor het directorium is? Volkomen onverwacht klinkt het antwoord van de pantserdivisie dat Filonenko, die bij hen diende, soldaten de ergste vernederingen en smaad heeft doen ondergaan. Waar komt die obscure plannenmaker Savojko vandaan? Wat heeft dat uitgelezen stel oplichters in het algemeen met de regering te maken?

De feiten waren eenvoudig, duidelijk, levendig in de herinnering van velen, voor allen waarneembaar, niet te loochenen, verpletterend. De troepen van de “wilde” divisie, de losgeschroefde rails, de wederzijdse beschuldigingen tussen Winterpaleis en hoofdkwartier en de verklaringen van Savinko en Kerenski spraken voor zichzelf. Welk een sprekende akte van beschuldiging tegen de verzoeningsgezinden en hun bewind! De betekenis van de ophitsing tegen de bolsjewieken werd volkomen duidelijk: zij was een noodzakelijk element in de voorbereiding van de staatsgreep.

Een heftig gevoel van schaamte over zichzelf maakte zich meester van de arbeiders en soldaten van wie de ogen waren opengegaan. Dus houdt Lenin zich slechts daarom verborgen, omdat hij op smerige wijze belasterd werd? Dus zitten de overigen in de gevangenis ten genoegen van de kadetten, generaals, bankiers en diplomaten van de Entente? Dus jagen de bolsjewieken geen baantjes na en haat men hen van hogerhand juist daarom omdat zij zich niet willen aansluiten bij het zaakje dat men coalitie noemt! Dit was hetgeen arbeiders, eenvoudige mensen en onderdrukten begrepen. En uit deze stemmingen groeide, met het besef van schuld tegenover de bolsjewieken, trouw aan de partij en vertrouwen in haar leiders.

Tot op het allerlaatste ogenblik spanden de oude soldaten, de kaders van het leger, de artilleristen en onderofficieren al hun krachten in. Zij wilden geen streep halen door hun moeizame strijd, hun heldendaden en slachtoffers: zou dit alles dan werkelijk voor niets geweest zijn? Toen echter het laatste steunpunt verloren ging, maakten zij rechtsomkeer – linksom! – en richtten zich tot de bolsjewieken. Nu gingen zij volkomen de revolutie in, met hun onderofficierstressen, als beproefde oude soldaten en met de tanden op elkaar geklemd: zij hebben zich misrekend met de oorlog en daarom zullen zij ditmaal niet halverwege blijven staan.

In de rapporten van plaatselijke, zowel van militaire als van burgerlijke autoriteiten, wordt het bolsjewisme intussen synoniem voor elke massa-actie, voor besliste eisen, verzet tegen uitbuiting, voorwaarts gaan, kortom een ander woord voor revolutie. “Is dat dus bolsjewisme?” zeggen stakers, protesterende matrozen, ontevreden soldatenvrouwen en muitende boeren tot elkaar. De massa’s werden er van hogerhand formeel toe gedwongen om hun meest intieme gedachten en eisen met de bolsjewistische leuze te identificeren. Zo maakte de revolutie gebruik van het wapen dat tegen haar gericht was. In de geschiedenis wordt niet alleen “Vernunft” “Unsinn”, maar wordt ook, als de loop der gebeurtenissen dit meebrengt, “Unsinn” “Vernunft”.

De verandering in de politieke sfeer kwam zeer duidelijk tot uiting in de verenigde vergadering van de Uitvoerende Comités op 30 augustus, toen de afgevaardigden van Kronstadt de eis stelden dat hen een plaats in deze hoge instelling toegekend zou worden. Is dit mogelijk? Zullen hier, waar de banvloek over de tomeloze Kronstadtse matrozen uitgesproken werd, in het vervolg vertegenwoordigers van deze zelfde matrozen zitting hebben? Hoe kan men het echter weigeren? Gisteren nog waren de Kronstadtse matrozen en soldaten gekomen om Petrograd te verdedigen. Matrozen van de “Aurora” doen wachtdienst in het Winterpaleis. De leiders boden, nadat zij een tijdje onder elkaar gepraat hadden, vier zetels met raadgevende stem aan de Kronstadtse matrozen aan. Deze toezegging werd koel ontvangen, zonder uitbundige dankbetuigingen. “Na de opstand van Kornilov,” vertelt Tsjilenov, een soldaat van het Moskouse garnizoen, “werden alle troepen reeds min of meer bolsjewistisch getint… Iedereen verbaasde zich erover hoe de woorden (van de bolsjewieken) dat generaal Kornilov spoedig voor de muren van Petrograd zou staan, uitgekomen waren.” Mitrevitsj, een soldaat uit een pantserdivisie, herinnert zich de heldhaftige verhalen die na de overwinning over de opstandige generaals de ronde deden. “Er werd over niets anders gesproken dan over moed en heldendaden. Ja met zo’n moed zou men de hele wereld kunnen verslaan. Bij het horen hiervan leefden de bolsjewieken op.”

Antonov-Owssejenko, die in de dagen van Kornilov uit de gevangenis ontslagen was, reisde direct naar Helsingfors. Er had een reusachtige verandering in de massa’s plaats. Op het districtscongres van de sovjets in Finland waren de rechtse sociaal-revolutionairen in kleine getale vertegenwoordigd en de bolsjewieken hadden, verbonden met de linkse sociaal-revolutionairen, de leiding. Tot voorzitter van het districtscomité van de sovjets werd Smilga gekozen, die ondanks zijn zeer jeugdige leeftijd lid van het Centraal Comité was, sterk naar links overhelde en in de Aprildagen reeds de Voorlopige Regering eens flink had willen aanpakken. Tot voorzitter van de sovjet van Helsingfors, die op het garnizoen en de Russische arbeiders steunde, werd de bolsjewiek Scheimann, de latere directeur van de staatsbank, een voorzichtig en bureaucratisch iemand, die toen echter geen gelijke tred hield met de andere leiders, gekozen. De Voorlopige Regering had aan de Finnen verboden om de door haar ontbonden Sejm bijeen te roepen. Het districtscomité stelde aan de Sejm voor om bijeen te komen en nam op zich deze te beschermen. Het comité weigerde het bevel van de Voorlopige Regering om verschillende troepenafdelingen uit Finland weg te voeren ten uitvoer te brengen. In werkelijkheid hadden de bolsjewieken in Finland de sovjetdictatuur gevestigd.

Begin september schrijft de bolsjewistische krant: “Er komen uit een aantal Russische steden berichten dat de afdelingen van onze partij in de laatste tijd sterk gegroeid zijn. Van nog grotere betekenis is echter onze toenemende invloed in de meest brede democratische arbeiders- en soldatenmassa’s.” “Zelfs in die bedrijven waar men ons eerst niet wilde aanhoren,” schrijft de bolsjewiek Averin uit Jekaterinoslav, “waren in de dagen van de korniloviade de arbeiders op onze hand.”“Toen er geruchten gingen dat Kaledin Kozakken tegen Tsarizyn en Saratov mobiliseerde,” schrijft Antonov, een van de leiders van de Saratovse bolsjewieken, “en toen deze geruchten bevestigd werden en door de opstand van Kornilov waren komen vast te staan, maakte de massa zich in enkele dagen los van haar vroegere vooroordelen.”

Het bolsjewistische blad te Kiev schrijft op 19 september: “Bij de verkiezingen van vertegenwoordigers van het arsenaal voor de nieuwe sovjet zijn twaalf kameraden gekozen, allemaal bolsjewieken. Geen enkele kandidaat van de mensjewieken is gekozen. Hetzelfde ziet men in een aantal andere fabrieken.” Dergelijke mededelingen treft men van nu af aan dagelijks in de kolommen van de arbeiderspers aan; vijandelijke kranten trachten tevergeefs om de groei van het bolsjewisme te verzwijgen of te verkleinen. De massa’s die zich weer oprichten, willen als het ware de tijd die door hun vroegere aarzelingen, stagnaties en tijdelijke terugtochten verloren gegaan is, weer inhalen. Een algemeen, bestendig en onophoudelijk opkomen van de branding begint.

Het lid van het Centraal Comité van de bolsjewieken, Varvara Jakovljeva, die ons in juli en augustus het een en ander over de buitengewone verzwakking van de bolsjewieken in het gehele district Moskou meedeelde, meldt nu een grote verandering. “In de tweede helft van september,” zo rapporteert zij op het congres, “bereisden leden van het districtsbureau het district… Zij kregen allen dezelfde indruk, namelijk dat zich overal, in alle gouvernementen, een intensief bolsjewiseringsproces onder de massa’s voltrok. En allemaal legden ze er de nadruk op dat men in de dorpen naar de bolsjewieken verlangde…” Waar de partijafdelingen na de Julidagen in verval waren, leven zij nu weer op en groeien snel. In districten waar de bolsjewieken niet toegelaten worden, ontstaan nu spontaan bolsjewistische cellen. Zelfs in de achterlijke gouvernementen Tambov en Rjazan, deze sociaal-revolutionaire en mensjewistische burchten, waar de bolsjewieken zich vroeger bij hun rondreizen niet lieten zien, omdat de toestand volkomen hopeloos voor hen was, heeft nu een ware omwenteling plaats: de bolsjewistische invloed wordt met de dag sterker en de organisaties van de verzoeningsgezinden raken in verval.

De redevoeringen van de afgevaardigden op het bolsjewistisch congres van het district Moskou, één maand na de opstand van Kornilov en één maand vóór de opstand van de bolsjewieken, ademen vertrouwen en moed. In Nisnji-Novgorod ontwaakt de partij na twee maanden van neerslachtigheid weer tot nieuw leven. De sociaal-revolutionaire arbeiders gaan met honderden naar de bolsjewieken over. In Tver ontplooit de grote activiteit van de partij zich pas na de Kornilovdagen. De verzoeningsgezinden hebben geen succes, men wil hen niet langer aanhoren en jaagt hen weg. In het gouvernement Vladimir is de positie van de bolsjewieken zo sterk geworden dat er op het gouvernementscongres van de sovjets slechts vijf mensjewieken en drie sociaal-revolutionairen te ontdekken zijn. In Ivanovo-Voznesensk, het Russische Manchester, moeten de bolsjewieken die daar heer en meester zijn al het werk in de sovjet, de Doema en de Zemstvo doen.

De afdelingen van de partij groeien, maar nog veel sneller groeit hun aantrekkingskracht. De wanverhouding tussen de technische hulpbronnen van de bolsjewieken en hun eigenlijke politieke betekenis komt tot uitdrukking in het betrekkelijk klein aantal partijleden bij een reusachtige toename van de invloed van de partij. De gebeurtenissen sleuren de massa’s zo snel en onverbiddelijk mee dat de arbeiders en soldaten geen tijd hebben om zich in een partij te organiseren. Zij hebben zelfs geen tijd om de noodzakelijkheid van een aparte partijorganisatie in te zien. Zij nemen de bolsjewistische leuzen even natuurlijk in zich op als zij de lucht inademen. Zij begrijpen nog niet dat de partij een gecompliceerd laboratorium is waar de leuzen door collectieve ervaring uitgewerkt worden. Meer dan twintig miljoen mensen staan achter de sovjets. De partij die zelfs aan de vooravond van de Oktoberrevolutie niet meer dan 240.000 leden in haar gelederen telt, geeft door de vakverenigingen, fabriekscomités en sovjets steeds zekerder leiding aan miljoenen.

In het totaal ontwrichte onmetelijke land met zijn onuitputtelijke verscheidenheid van plaatselijke omstandigheden en politieke niveaus hebben dag in dag uit allerlei verkiezingen plaats: voor Doema’s, Zemstvo’s, sovjets, vakverenigingen, fabrieks-, leger- of landcomités en door al deze verkiezingen loopt als een rode draad één en hetzelfde feit: de groei van de bolsjewieken. De verkiezingen voor de Moskouse wijkdoema’s hebben door de grote verandering in de stemming onder de massa’s een buitengewone verbazing in het land teweeggebracht. De “grote” partij van de sociaal-revolutionairen behield eind september slechts 54.000 stemmen van de 375.000 stemmen die zij in juni verkreeg. De mensjewieken daalden van 76.000 op 16.000. De kadetten behielden 101.000 stemmen, zij verloren er slechts ongeveer 8.000. Daarentegen stegen de bolsjewieken van 75.000 naar 198.000. Terwijl de sociaal-revolutionairen in juli ongeveer 58% van de stemmen hadden weten te verkrijgen, wisten de bolsjewieken in september 52% achter zicht te krijgen. Het garnizoen stemde voor 90%, in enkele troepenafdelingen voor meer dan 95%, voor de bolsjewieken: in de werkplaatsen van de zware artillerie verkregen de bolsjewieken 2.286 van de 2.347 stemmen. Het grote aantal niet-kiezers was hoofdzakelijk te vinden onder dat kleinere volk in de stad dat zich in de roes van de eerste illusies bij de verzoeningsgezinden had aangesloten om spoedig weer tot volkomen passiviteit te vervallen. De mensjewieken smolten volkomen weg. De sociaal-revolutionairen kregen half zoveel stemmen als de kadetten, de kadetten half zoveel als de bolsjewieken. De septemberstemmen van de bolsjewieken waren in een verbitterde strijd op alle andere partijen veroverd. Het waren stemmen waarop men rekenen kon. Men kon op hen bouwen. Het weggespoeld worden van de tussengroepen, de vrij grote weerstandskracht van de burgerlijke en de reusachtige groei van de gehate en vervolgde proletarische partij – dit alles waren onmiskenbaar symptomen van een revolutionaire crisis. “Ja, de bolsjewieken werkten ijverig en gestaag,” schrijft Soechanov, die zelf tot de verslagen mensjewistische partij behoorde, “zij waren bij de massa’s aan de werkbanken, dagelijks, geregeld… zij behoorden tot hen, omdat zij steeds present waren – zowel in kleine, alsook in grote aangelegenheden het leven en in de kazernes leidden… De massa leefde en ademde samen met de bolsjewieken. Zij was in handen van de partij van Lenin en Trotski.”

De politieke kaart van het front was opvallend bont gekleurd. Er waren regimenten en divisies die nog nooit een bolsjewiek gehoord of gezien hadden. Velen van hen waren oprecht verbaasd wanneer men hen zelf van bolsjewisme beschuldigde. Aan de andere kant ontmoette men troepenafdelingen die hun eigen anarchistische gevoelens met een vleugje Zwarte Honderdschap voor het zuiverste bolsjewisme hielden. De stemmingen aan het front gingen in één richting. Er waren echter dikwijls tegenstromingen, draaikolken en veel modder in de grootse politieke stroom waarvan de bedding gevormd werd door de loopgraven.

In september doorbraken de bolsjewieken het cordon en wisten toegang te krijgen tot het front, waarvan zij twee maanden vrijwel volkomen afgesneden waren. Het verbod was ook nu niet officieel opgeheven. De verzoeningsgezinde comités stelden alles in het werk om te beletten dat de bolsjewieken in hun troepenafdelingen binnendrongen, maar alle pogingen hiertoe waren vergeefs. De soldaten hadden zoveel van hun eigen bolsjewisme gehoord dat zij er allemaal naar snakten om eens een echte bolsjewiek in levende lijve te zien en te horen. Formele belemmeringen en uitstel veroorzaakt door de leiders van de comités werden op aandrang van de soldaten overwonnen zodra zij maar van de aankomst van een bolsjewiek hoorden. De oude revolutionaire, Jevgenja Bosch, die in de Oekraïne mooi werk verricht had, liet levendige herinneringen aan haar moedige excursies in het nog onbetreden soldatenwoud achter. De angstige waarschuwingen van ware en vermeende vrienden werden telkens weer gelogenstraft. Bij een divisie die men als bitter vijandig tegenover de bolsjewieken omschreven had, overtuigde de spreekster die zeer voorzichtig te werk ging zich er al heel spoedig van dat de toehoorders op haar hand waren. “Geen spuwen, gehoest, genies, wat altijd de eerste symptomen van vermoeidheid bij een soldatengehoor zijn, neen – een volkomen stilte en rust.” De vergadering eindigde met een enthousiaste huldiging van de moedige propagandiste. De gehele reis van Jevgenja Bosch langs het front was als het ware een grote triomftocht. Minder heroïsch, minder effectvol, maar in wezen ging het ook zo bij de propagandisten van kleiner formaat.

Nieuwe of op een nieuwe manier overtuigende gedachten, leuzen en opvattingen drongen binnen in het eentonig leven in de loopgraven. Miljoenen soldatenhoofden verwerkten de gebeurtenissen, maakten gevolgtrekkingen uit de politieke ervaringen die men opdeed, …  “Beste arbeiders en soldaten, kameraden,” schrijft een frontsoldaat aan de redactie van een dagblad, “vermijdt toch die boze letter K die de hele wereld aan de bloedige slachtpartij heeft overgeleverd. Zo hebben wij bijvoorbeeld de opperste moordenaar Koljka (Nicolaas II), Kerenski, Kornilov, Kaledin en overal is de letter K. De Kozakken zijn gevaarlijke lieden voor ons… Sidor Nicolaja.” Men behoeft hierin geen bijgeloof te zien, het is slechts een soort politieke memotechniek.

De uit het hoofdkwartier georganiseerde opstand moest de soldaten wel tot in hun diepste vezels schokken. Er waren zoveel inspanningen gedaan en offers gebracht om de krijgstucht te herstellen, maar deze raakte terug in verval. De oorlogscommissaris van het Westelijk front, Sjdanov, meldt: “De stemming is in het algemeen zenuwachtig… wantrouwend tegenover de officieren en argwanend: het niet opvolgen van bevelen wordt gemotiveerd met het argument dat het bevelen van Kornilov zijn die men niet mag uitvoeren.” In dezelfde zin schrijft Stankevitsj, die Filonenko op zijn post van hoogste commissaris was opgevolgd: “De soldatenmassa… voelde zich aan alle kanten door verraad omringd… Wie hen dit uit het hoofd trachtte te praten – werd eveneens voor een verrader aangezien.”

De mislukking van het avontuur van Kornilov betekende voor de kaderofficieren een ineenstorting van hun laatste verwachtingen. De zelfverzekerdheid van de legerleiding was ook voordien niet al te schitterend geweest. Wij hebben einde augustus de militaire samenzweerders in Petrograd gezien: dronken, snoevend, willoos. Nu voelde de officierenstand zich volkomen uitgestoten en verdoemd. “Deze haat, deze ophitsing,” schrijft een van hen, “het tot volkomen nietsdoen gedoemd zijn en de eeuwige spanning of men gearresteerd zou worden of smadelijk de dood zou vinden, dreef de officieren naar restaurants, rendez-vouskamers, hotels, … De officieren gingen onder in deze dronkemansroes.” In tegenstelling hiermee leefden de soldaten en matrozen nuchterder dan ooit: zij waren vol nieuwe hoop.

“De bolsjewieken,” schrijft Stankevitsj, “staken het hoofd op en voelden zich heer en meester in het leger… De lagere comités begonnen in bolsjewistische cellen te veranderen. Alle verkiezingen in het leger lieten een verbazende toename van bolsjewistische stemmen zien. Men dient hierbij in het oog te houden dat het beste en meest stramme leger niet alleen van het Noordelijk front maar misschien wel van het gehele Russische front, namelijk het vijfde, het eerst een bolsjewistisch legercomité gehad heeft.”

Nog krasser, duidelijker en levendiger voltrok het bolsjewiseringsproces zich op de vloot. De Baltische matrozen hesen op 8 september op alle schepen de oorlogsvlag om uitdrukking te geven aan hun bereidwilligheid om te strijden voor de overgang van de macht in handen van de arbeidersklasse en van de boeren. De vloot eiste een onmiddellijke wapenstilstand aan alle fronten, overgave van de grond aan de boerencomités en vestiging van een arbeiderscontrole over de productie. Drie dagen later nam het centraal comité van de meer achterlijke en gematigde Zwarte Zeevloot, om de Balten te ondersteunen, de slogan aan van een overgang van de macht op de sovjets. Voor dezelfde slogan verheffen midden september drieëntwintig Siberische en Letlandse infanterieregimenten van het 12de leger hun stem. Steeds nieuwe troepen volgen hen. De eis van de macht aan de sovjets verdwijnt in het leger en op de vloot niet meer van het toneel.

“De matrozenvergaderingen,” vertelt Stankevitsj, “bestonden voor negentienden uit bolsjewieken.” De nieuwe commissaris bij het hoofdkwartier moest in Reval de Voorlopige Regering tegenover de matrozen verdedigen. Na slechts enkele woorden gesproken te hebben, zag hij reeds dat zijn pogingen vergeefs waren. Reeds bij het woord “regering” betoonde de zaal zich vijandig: “Golven van verontwaardiging, van haat en wantrouwen maakten zich van de gehele menigte meester. Dit was treffend, machtig, hartstochtelijk, onweerstaanbaar en smolt samen in de ene kreet: Weg met hem!” Men moet deze verteller erkentelijk en dankbaar zijn dat hij ertoe kwam om de schoonheid van de aanval van de hem bitter vijandige massa’s te beschrijven.

Het vraagstuk van de vrede dat voor twee maanden in de illegaliteit gejaagd was, komt met verdubbelde kracht weer naar voren. In de bijeenkomst van de sovjet van Petrograd verklaarde de van het front aangekomen officier Doebassow: “Wat je hier ook zeggen mag, de soldaten zullen geen oorlog meer voeren.” Men onderbreekt hem: “Dat zeggen de bolsjewieken niet eens!”… Maar de officier die geen bolsjewiek was, antwoordde slagvaardig: “Ik vermeld slechts wat ik weet en wat de soldaten mij opgedragen hebben te zeggen.” Een andere man van het front, een sombere soldaat wiens jas stonk van het vuil van de loopgraven, verklaarde in diezelfde Septemberdagen voor de sovjet van Petrograd dat de soldaten vrede wilden, welke ook, en zelfs “een schunnige.” Deze ruwe soldatenwoorden deden de sovjet huiveren. Zo ver is het dus al gekomen! De soldaten aan het front waren geen kleine kinderen. Zij begrepen zeer goed dat vrede in deze oorlogssituatie slechts een gewelddadige vrede kon zijn. Om dit inzicht nader toe te lichten, koos de afgevaardigde uit de loopgraven het grofste woord om zijn afkeer voor de Hohenzollernse vrede zo krachtig mogelijk uit te drukken. Door deze sprekende kwalificatie dwong de soldaat echter juist zijn hoorders tot het inzicht dat er geen andere uitweg was, dat de oorlog het leger geestelijk volkomen uitgeput had, dat de vrede terstond en tot elke prijs noodzakelijk was. De woorden van de spreker uit de loopgraven werden met leedvermaak door de burgerlijke pers aangegrepen en de bolsjewieken aangewreven. Het gezegde van de schunnige vrede raakte nu niet meer van de baan als de meest krasse uitdrukking van de verwildering en verdorvenheid van het volk!

De verzoeningsgezinden waren er in de regel geenszins toe geneigd om, zoals de politieke dilettant Stankevitsj, de pracht van de vloed te bewonderen die hen van het revolutionaire toneel dreigde weg te spoelen. Met verbazing en schrik overtuigden zij er zich dagelijks van dat zij geen weerstandskracht hadden. Eigenlijk was er vanaf het eerste begin van de revolutie onder het vertrouwen van de massa’s in de verzoeningsgezinden een misverstand verborgen dat historisch onvermijdelijk maar niet van lange duur was: er waren slechts enkele maanden nodig om het op te helderen. De verzoeningsgezinden zagen zich genoodzaakt met de arbeiders en soldaten een geheel andere taal te spreken dan in het Uitvoerend Comité en vooral in het Winterpaleis. Verantwoordelijke leiders van de sociaal-revolutionairen en mensjewieken durfden in de volgende weken steeds minder in het openbaar op te treden. Tweede- en derderangspropagandisten pasten zich met behulp van vage woorden bij het radicalisme van het volk aan of werden werkelijk door de stemmingen in de bedrijven, mijnen en kazernes aangestoken, spraken de taal ervan en maakten zich los van hun eigen partij.

De matroos Chowrin deelt in zijn memoires mee hoe de matrozen die zich tot de sociaal-revolutionairen rekenden in werkelijkheid voor de bolsjewistische politiek vochten. Dit kon men overal en langs alle kanten waarnemen. Het volk wist wat het wilde, maar het wist dit niet te formuleren. Het “misverstand” dat in de Februarirevolutie vervat was, had een massaal karakter, vooral op het platteland waar het langer bleef bestaan dan in de stad. Praktische ervaring kon slechts orde in de chaos brengen. Grote en kleine gebeurtenissen lieten de massapartijen geen ogenblik tot rust komen en brachten hun aanhang in overeenstemming met hun politiek, maar niet met hun slogans.

Een merkwaardig voorbeeld van de verwarring tussen de verzoeningsgezinden en de massa’s vormt een eed die begin juli door tweeduizend mijnwerkers uit het Donetzbekken knielend en met ongedekte hoofden, in aanwezigheid en onder deelname van een menigte van vijfduizend personen, afgelegd werd. “Wij zweren bij onze kinderen, bij God, hemel en aarde en alles wat heilig is hier op aarde, dat wij nooit de op 28 februari 1917 bloedig veroverde vrijheid zullen prijs geven; vertrouwend op de sociaal-revolutionairen en mensjewieken zweren wij nooit te zullen luisteren naar de leninisten, omdat zij, de bolsjewieken-leninisten, met hun propaganda Rusland naar de ondergang drijven, terwijl de sociaal-revolutionairen en mensjewieken in één bondgenootschap verenigd zeggen dat de grond zonder enige schadeloosstelling aan het volk moet komen, dat het kapitalistisch systeem na de oorlog moet ineenstorten en dat in plaats van het kapitalisme het socialistisch stelsel moet komen… Wij zweren deze partijen te volgen, zonder terug te deinzen voor de dood.” Deze tegen de bolsjewieken gerichte eed van de mijnwerkers leidde in werkelijkheid direct tot de bolsjewistische revolutie. Het Februariomhulsel en de Oktoberkern komen in deze naïeve en hartstochtelijke geloofsbekentenis zo duidelijk aan het licht dat het probleem van de permanente revolutie er eigenlijk reeds in vervat is.

Reeds in september keerden de Donetzmijnwerkers, zonder zichzelf of hun eed ontrouw te worden, de verzoeningsgezinden de rug toe. Ook de meest achterlijke groepen onder de mijnwerkers in de Oeral deden hetzelfde. Een lid van het Uitvoerend Comité, de sociaal-revolutionair Osjegov, een vertegenwoordiger van de Oeral, bezocht in het begin van augustus zijn bedrijf te Ischewski. “Ik was hoogst verbaasd,” schrijft hij in zijn droevig gestemd rapport, “over de grote veranderingen die er tijdens mijn afwezigheid hadden plaatsgevonden: die partijafdeling van de sociaal-revolutionairen die zowel wat haar aantal leden (achtduizend personen) betreft alsook met het oog op haar werk in het gehele Oeraldistrict bekend was… bleek volkomen in verval en tot vijfhonderd man geslonken te zijn tengevolge van onverantwoordelijke propaganda.”

Het rapport van Osjegov bracht het Uitvoerend Comité niets nieuws: hetzelfde kon men ook in Petrograd waarnemen. Terwijl de sociaal-revolutionairen zich na de nederlaag in juli tijdelijk in de bedrijven hersteld en hier en daar zelfs hun invloed getoond hadden, verdwijnen zij in het vervolg des te sneller van het toneel. “De regering van Kerenski heeft indertijd weliswaar de overwinning behaald,” schreef later de sociaal-revolutionair W. Sensinov, “de bolsjewistische betogers werden uit elkaar gedreven en de leiders van de bolsjewieken werden gevangen genomen, maar het was een pyrrusoverwinning.” Dit is volkomen juist: evenals de koning van Epirus moesten de verzoeningsgezinden hun overwinning met hun leger betalen. “Terwijl de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen vóór 3 tot 5 juli dikwijls voor de arbeiders optraden zonder uitgefloten te worden,” schrijft de Petrogradse arbeider Skorinko, “waren zij daar nu niet meer zeker van…” Zekerheid was er in het algemeen niet meer voor hen.

De sociaal-revolutionaire partij verloor niet alleen aan invloed maar veranderde ook in samenstelling. De revolutionaire arbeiders waren of reeds tot de bolsjewieken overgegaan, of ze maakten voor hun aftocht een innerlijke crisis door. Daarentegen waren de zonen van kooplieden, koelakken en lagere ambtenaren die zich tijdens de oorlog in de fabrieken verborgen hadden voor de loopgraven, langzamerhand tot de overtuiging gekomen dat er juist in de sociaal-revolutionaire partij plaats voor hen was. In september durfden ook zij zich echter reeds geen sociaal-revolutionair meer noemen, toch niet in Petrograd. De arbeiders, soldaten en in sommige gouvernementen ook de boeren verlieten de partij, terwijl de conservatieve ambtenaren en kleinburgers bleven.

Toen de door de revolutie ontwaakte massa’s hun vertrouwen nog aan de sociaal-revolutionairen en mensjewieken schonken, werden beide partijen niet moe om het volk voor zijn inzicht te prijzen. Toen dezelfde massa’s, na de leerschool van de gebeurtenissen doorlopen te hebben, zich radicaal tot de bolsjewieken wendden, schreven de verzoeningsgezinden hun mislukking aan de onkunde van het volk toe. De massa’s konden echter niet geloven dat zij dommer geworden waren. Integendeel, het leek hen toe dat zij nu pas begrepen wat zij vroeger niet begrepen hadden.

Terwijl zij verbleekte en verslapte, had er bovendien nog een scheuring in de sociaal-revolutionaire partij plaats waarbij de leden zich in verschillende elkaar bestrijdende partijen splitsten. In de regimenten en dorpen bleven die sociaal-revolutionairen die zich samen met de bolsjewieken, en in de regel onder leiding van dezen, tegen de slagen van de regerings-sociaal-revolutionairen verzetten. De toespitsing van de strijd van de diverse vleugels deed een tussengroep ontstaan. Onder leiding van Tsjernov trachtte deze de eenheid tussen de vervolgers en de vervolgden te herstellen. Maar ze stond hinderlijk in de weg, raakte verward in vertwijfelde, meermaals belachelijke tegenstellingen en dit compromitteerde de partij nog meer. Om voor een grote massa te kunnen spreken, moesten de sociaal-revolutionaire sprekers zich telkens voor ‘linksen’ en internationalisten uitgeven en dus voor mensen die niets gemeen hadden met de kliek van sociaal-revolutionairen van maart. Na de Julidagen gingen de linkse sociaal-revolutionairen over tot een openlijke oppositie en aanvaardden ze, zonder formeel met hun partij te breken, de bolsjewistische argumenten en slogans, zij het met enige vertraging. Op 21 september verklaarde Trotski in een bijeenkomst van de sovjet van Petrograd, niet zonder pedagogische overwegingen, dat het voor de bolsjewieken “steeds gemakkelijker werd om met de linkse sociaal-revolutionairen tot overeenstemming te komen.” Eindelijk scheidden zij zich als een zelfstandige partij af om een van de meest wonderlijke bijdragen in het boek van de revolutie te leveren. Dit was een laatste opleving van de zelfgenoegzame radicale intellectuelen en enkele maanden na de Oktoberrevolutie was er nog slechts een hoopje as van over.

Ook de mensjewieken ondergingen het differentiatieproces in sterke mate. De Petrogradse organisatie van de mensjewieken stond in scherpe oppositie tot het Centraal Comité. De kern die door Tsereteli geleid werd, smolt nog sneller weg dan de sociaal-revolutionairen omdat zij niet over boerenreserves kon beschikken. De sociaaldemocratische tussengroepen die zich bij geen enkele van de beide voornaamste partijen aangesloten hadden, probeerden nog altijd de bolsjewieken met de mensjewieken te verenigen: zij hoopten nog de laatste illusies van maart te verwezenlijken, toen zelfs Stalin een eenheid met Tsereteli gewenst en gehoopt had dat “men de kleine meningsverschillen binnen de partij zou uitvechten.” Om en bij 20 augustus had de vereniging van de mensjewieken met de verenigers zelf plaats. De rechtervleugel had veruit het overwicht op de verenigingspartijdag en Tsereteli’s resolutie voor de oorlog en voor een coalitie met de bourgeoisie werd met 117 tegen 79 stemmen aangenomen. Tsereteli’s overwinning in de partij versnelde de nederlaag van de partij in de arbeidersklasse. De uiterst kleine Petrogradse organisatie van de mensjewistische arbeiders stond achter Martov. Ze dreef hem vooruit, geprikkeld door zijn besluiteloosheid en op het punt staande om over te gaan naar de bolsjewieken. Tegen midden september stapte de organisatie te Vassiljostov bijna voltallig over naar de bolsjewistische partij. Dit versnelde het gistingsproces in de andere districten en in de provincie. De leiders van verschillende mensjewistische stromingen beschuldigden er elkaar in onderlinge bijeenkomsten heftig van dat ze de partij vernielden. Het blad van Gorki, dat dichtbij de linkervleugel van de mensjewieken stond, berichtte eind september dat de Petrogradse partijorganisatie die kort voordien nog ongeveer tienduizend leden telde “feitelijk opgehouden had te bestaan. De laatste stedelijke conferentie kon wegens gebrek aan aanwezigen niet doorgaan.”

Plechanov viel de mensjewieken van rechts aan: “Zonder het te willen en zonder er zich bewust van te zijn, bereidden Tsereteli en zijn vrienden de weg voor Lenin.” De politieke houding van Tsereteli tijdens de septembervloed vindt men voortreffelijk omschreven in de memoires van de kadet Nabokov: “Het was vooral angst voor de groeiende macht van het bolsjewisme die zijn toenmalige stemming kenmerkte. Ik herinner mij hoe hij in een onderhoud, dat ik met hem onder vier ogen had, sprak over de mogelijkheid van een machtsgreep door de bolsjewieken. “Ja,” zei hij, “zij zullen stellig niet langer dan twee, drie weken aan de macht blijven, maar bedenk eens welke verwoestingen het gevolg zullen zijn… Dit moet tot elke prijs voorkomen worden.” Een panische angst klonk in zijn stem.” Tsereteli doorleefde vóór de Oktoberrevolutie dezelfde stemmingen die Nabokov reeds in de Februaridagen gekend had.

Het toneel waar de bolsjewieken samen met de sociaal-revolutionairen en mensjewieken werkten, hoezeer er tegelijk ook voortdurende onderlinge strijd was, waren de sovjets. De veranderingen in de machtsverhouding van de sovjetpartijen kwamen, hoewel niet onmiddellijk maar met onvermijdelijke vertragingen en opzettelijk veroorzaakt uitstel, tot uitdrukking in de samenstelling van de sovjets en in de openbare functies van deze.

Veel provinciale sovjets, zoals in Ivanovo-Voznesensk, Loegansk, Tsaritsyn, Chersom, Tomsk, Vladivostok, waren reeds voor de Julidagen, zoniet formeel dan toch feitelijk, zoniet blijvend dan toch tijdelijk, regeringsorganen. De sovjet van Krassnojarsk voerde op eigen gezag een kaartsysteem voor gebruiksvoorwerpen in. De verzoeningsgezinde sovjet in Saratov zag zich genoodzaakt om zich in economische conflicten te mengen, tot arrestaties van ondernemers over te gaan, de tramweg aan de Belgen te ontnemen, een arbeiderscontrole in te stellen, en in de stilgelegde bedrijven de productie te organiseren. In de Oeral, waar het bolsjewisme sinds 1905 een dominerende politieke invloed had, oefenden de sovjets zelf rechtspraak over burgers uit en voltrokken straffen, vormden in verschillende bedrijven een eigen militie, betaalden deze uit de fabriekskas, organiseerden een arbeiderscontrole die het bedrijf van grondstoffen en brandstof voorzag, controleerden de omzet van de producten en stelden de tarieven vast. In sommige districten van de Oeral ontnamen de sovjets de grond aan de grootgrondbezitters ten behoeve van bouwwerken voor openbare doeleinden. In de mijnen van Simks organiseerden de sovjets een bedrijfsleiding voor het district waaraan de gehele administratie: kas, boekhouding en aanvaarding van opdrachten, werd opgedragen. Hiermee was de nationalisatie van het mijndistrict Simsk in hoofdzaak een feit geworden. “Reeds in de maand juli,” schrijft B. Elzin, aan wie wij deze mededelingen ontlenen, “hadden in de mijnen van de Oeral de bolsjewieken niet alleen alles in handen, maar gaven zij reeds aanschouwelijk onderricht in politieke, agrarische en economische aangelegenheden.” De lessen waren primitief, niet systematisch, zonder theoretische basis, maar zij gaven in vele opzichten reeds de later te volgen richting aan.

De Juliverandering had veel intensiever in de sovjets dan in de partij of in de vakverenigingen plaats, want de strijd was in die dagen allereerst een strijd om het bestaan van de sovjets. De partij en de vakverenigingen behouden hun betekenis zowel in rustige tijden als in tijden van felle reactie; de doeleinden en methoden veranderen, maar de eigenlijke functies niet. De sovjets daarentegen kunnen slechts in een revolutionaire situatie bestaan en verdwijnen met deze. Terwijl zij de meerderheid van de arbeidersklasse in zich verenigen, plaatsen zij deze onmiddellijk voor een taak die uitgaat boven alle lokale, groeps- en vakbelangen, boven herstel-, verbeterings- en hervormingsprogramma’s in het algemeen, d.w.z. voor de taak van een machtsgreep. De slogan “Alle macht aan de sovjets” leek echter met de Julidemonstratie van de arbeiders en soldaten vernietigd. De nederlaag die de positie van de bolsjewieken in de sovjets verzwakt had, had nog oneindig veel meer de positie van de sovjets in de staat verzwakt. De “regering tot redding van de staat” betekende een herleving van de onafhankelijkheid van de bureaucratie. Het prijsgeven door de sovjets van de macht betekende een zich buigen voor de commissarissen, een ziek zijn en een wegkwijnen.

De verminderde betekenis van het Centraal Uitvoerend Comité kwam scherp tot uiting in het feit dat de regering van de verzoeningsgezinden eiste om het Taurisch paleis te ontruimen, daar dit met het oog op de aanstaande Constituerende Vergadering herstellingen moest ondergaan. Aan de sovjets werd in de tweede helft van juli het gebouw van het Smolny-instituut toegewezen, waar vroeger de dochters uit de hoge adel opgevoed waren. De burgerlijke pers schreef nu over de overdracht van het huis van de “blanke duifjes” aan de sovjets in vrijwel dezelfde termen als vroeger over de bezetting van het Ksjessinskaja-paleis door de bolsjewieken. Er werd nu op het terrein van het woningvraagstuk van alle kanten een aanval ingezet tegen verschillende revolutionaire organisaties, waaronder ook vakverenigingen, die in beslag genomen gebouwen betrokken hadden. Het ging om niets meer of minder dan om de arbeidersrevolutie uit de door haar ten koste van de bourgeoisie in bezit genomen overmatig grote woonruimten te verdrijven. De verontwaardiging in de pers van de kadetten over de vandalistische schending door het volk van de rechten van de private en de staatseigendom was grenzeloos. Eind juli werd echter een ontstellend feit door de typografen bekendgemaakt: de om het beruchte comité van de Rijksdoema gegroepeerde partijen hebben zich, naar nu blijkt, reeds lang geleden de buitengewoon rijke staatsdrukkerij, de expeditie van deze en haar recht op verzending van boeken toegeëigend. Propagandabrochures van de kadettenpartij worden niet alleen kosteloos gedrukt, maar ook bij pakken en wel bij voorrang en zonder betaling van port door het gehele land verzonden. Het Uitvoerend Comité dat zich voor de noodzakelijkheid geplaatst zag om een onderzoek naar de beschuldiging te doen, moest deze als gegrond erkennen. De kadettenpartij vond echter een nieuwe reden tot verontwaardiging: hoe kon men ook maar één ogenblik bezettingen van staatsgebouwen voor destructieve doeleinden op één lijn stellen met het gebruik van staatseigendom met het doel om hogere waarden te beschermen? Anders gezegd: al bestalen deze heren de staat een beetje, dan deden zij dit in zijn eigen belang. Dit argument overtuigde echter niet iedereen. De bouwvakarbeiders meenden dat zij meer recht op een onderdak voor een vakvereniging hadden dan de kadetten op de staatsdrukkerij. Het meningsverschil was niet toevallig: het leidde tot de tweede revolutie. De kadetten konden niets anders doen dan zich verbijten.

Een van de instructeurs van het Uitvoerend Comité, die in de tweede helft van augustus de sovjets van Zuid-Rusland bezocht, waar de bolsjewieken veel zwakker waren dan in het noorden, berichtte over zijn weinig verheugende waarnemingen: “De politieke stemming verandert merkbaar… Onder de leiders van de massa’s neemt de revolutionaire stemming die door de wijziging in de politiek van de Voorlopige Regering teweeggebracht is toe… Onder de massa’s zelf is moeheid en onverschilligheid voor de revolutie te bespeuren. De stemming tegenover de sovjets is veel koeler geworden… De functies van de sovjets worden geleidelijk opgeheven…” Dat de massa’s het gescharrel van de democratische bemiddelaars moe geworden waren, is niet voor bestrijding vatbaar. Zij waren echter niet koeler geworden tegenover de revolutie, maar tegen de sociaal-revolutionairen en de mensjewieken. De toestand werd vooral daar onverdraaglijk waar de macht, in strijd met alle programma’s, in handen van de verzoeningsgezinde sovjets was: gebonden door de definitieve capitulatie van het Uitvoerend Comité durfden zij hun macht niet gebruiken en compromitteerden ze de sovjets bij de massa’s. Een groot deel van het dagelijks werk ging bovendien van de sovjets op de democratische gemeenteraden over. Een nog groter deel op de vakverenigingen en de fabriekscomités. De vraag of de sovjets zouden blijven bestaan, werd steeds moeilijker te beantwoorden. En wat staat hun morgen te wachten?

In de eerste maanden van hun bestaan hadden de sovjets, die alle andere organisaties sterk overvleugelden, de opbouw van de vakverenigingen, fabriekscomités en clubs, alsook de leiding van het werk van deze op zich genomen. Maar intussen kwamen de arbeidersorganisaties die reeds op eigen benen konden staan steeds meer onder bolsjewistische leiding. “De fabriekscomités,” schreef Trotski in augustus, “ontstaan niet op spontane meetings. De massa wijst bij de samenstelling ervan diegenen aan die in het dagelijkse leven van de fabriek hun standvastigheid, zakelijkheid en trouw aan de zaak van de arbeiders bewezen hebben. En deze fabriekscomités … bestaan in overgrote meerderheid uit bolsjewieken.” Er kon geen sprake meer zijn van een bevoogding van de fabriekscomités en vakverenigingen door de verzoeningsgezinde sovjets. Integendeel, er ontstond hier een terrein van verbitterde strijd. De sovjets waren in kwesties die de massa het diepst laakten steeds minder in staat zich tegen de vakverenigingen en fabriekscomités te verzetten. Zo hadden de Moskouse vakverenigingen tegen het besluit van de sovjets in de algemene staking doorgevoerd. In minder krasse vorm hadden dergelijke conflicten overal plaats en in de regel waren het niet de sovjets die er als overwinnaars uit kwamen.

Door hun eigen politiek in een slop geraakt, moesten de verzoeningsgezinden wel bijkomstige functies voor de sovjets “bedenken”, deze tot cultuurdragers maken en eigenlijk wat verstrooiing voor hen zoeken. Tevergeefs: de sovjets waren geschapen voor de strijd om de macht. Voor andere doeleinden bestonden er andere, meer geschikte organisaties. “Het werk dat geheel in mensjewistisch-sociaal-revolutionair spoor kwam,” schrijft de Saratovse bolsjewiek Antonov, “verloor elke betekenis… In de vergadering van het Uitvoerend Comité geeuwden wij tot in het onbehoorlijke van verveling: de revolutionair-mensjewistische woordenkraam was nietszeggend en hol.”

De wegkwijnende sovjets waren steeds minder in staat een steun voor hun centrum te Petrograd te zijn. De correspondentie tussen het Smolny en de provincie hield geleidelijk op: er was niets te schrijven, niets voor te stellen, er bleven geen vooruitzichten en geen taak meer. Het isolement van de massa’s bleek buitengewoon pijnlijk in de vorm van een geldcrisis. De verzoeningsgezinde sovjets in de provincie hadden zelf geen geldmiddelen en konden hun staf in het Smolny niet steunen. Linkse sovjets weigerden ostentatief financiële hulp aan het Uitvoerend Comité dat zich door zijn deelname aan het werk van de contrarevolutie in hun ogen bezoedeld had.

Het kwijningsproces van de sovjets werd echter door andere, gedeeltelijk tegenovergestelde, processen doorkruist. De verafgelegen randgebieden, achterlijke districten en verste uithoeken ontwaakten en schiepen hun sovjets die aanvankelijk een spontane revolutionaire kracht ontwikkelden zolang zij niet onder de verderfelijke invloed van het centrum geraakten of aan represaillemaatregelen van de kant van de regering kwamen bloot te staan. Het totale aantal van de sovjets steeg snel. Eind augustus telde het secretariaat van het Uitvoerend Comité ongeveer zeshonderd sovjets, waarachter 23 miljoen kiezers stonden. Het officiële sovjetstelsel verhief zich boven de mensenoceaan die machtig deinde en zijn golven naar links stuwde.

De politieke wederopstanding van de sovjets die samenviel met hun bolsjewisering, begon van onderop. In Petrograd verhieven het eerst de wijken hun stem. Op 21 juli bood een delegatie van de conferentie van de gezamenlijke wijksovjets een lijst met eisen aan het Uitvoerend Comité aan: ontbinding van de Rijksdoema, handhaving van de onschendbaarheid der legerorganisaties bij regeringsdecreet, herstel van de linkse pers, stopzetting van de ontwapening van arbeiders, staking van de massa-arrestaties, beteugeling van de rechtse pers, stopzetting van de ontbinding van de regimenten en van het toepassen van de doodstraf aan het front. De politieke eisen waren opmerkelijk beperkt vergeleken met de Julidemonstratie; maar dit was slechts een eerste stap op de weg naar genezing. Terwijl de wijken hun slogans beperkten, poogden zij hun basis te verbreden. De leiders van het Uitvoerend Comité begroetten op diplomatieke manier de “fijngevoeligheid” van de wijksovjets, maar lieten het bij een verklaring dat alle kwaad het gevolg van de Juliopstand was. De partijen gingen beleefd maar koel uit elkaar.

Het programma van de wijksovjets vormt het begin van een machtige campagne. In de “Izvestia” worden dagelijks resoluties van sovjets, vakverenigingen, bedrijven, oorlogsschepen en troepenafdelingen afgedrukt, waarin geëist wordt dat de Rijksdoema ontbonden wordt, de represaillemaatregelen tegen de bolsjewieken gestaakt worden en er een einde komt aan de toegeeflijke houding tegenover de contrarevolutie. Ook radicalere geluiden werden gehoord. Op 22 juli nam de Moskouse gouvernements-sovjet, die de Moskouse sovjet zelf veruit overvleugeld had, een resolutie aan voor de overgang van de macht op de sovjets. Op 26 juli “laakt” de sovjet van Ivanovo-Voznesensk “met verachting” de bestrijding van de bolsjewistische partij en begroet Lenin, “de roemruchte leider van de revolutionaire arbeidersklasse.”

Nieuwe verkiezingen die einde juli en in de eerste helft van augustus op vele plaatsen in het land gehouden werden, hadden in de regel een versterking van de bolsjewistische fracties in de sovjets tengevolge. In het verslagen en in heel Rusland bekend geworden Kronstadt telde de nieuwe sovjet 100 bolsjewieken, 75 linkse sociaal-revolutionairen, 12 mensjewieken-internationalisten, 7 anarchisten en meer dan 90 partijlozen van wie niemand openlijk zijn sympathieën voor de verzoeningsgezinden durfde verkondigen. Op het districtscongres van de sovjets in de Oeral, dat op 18 augustus geopend was, waren er 86 bolsjewieken, 40 sociaal-revolutionairen en 23 mensjewieken. Een voorwerp van bittere haat in de burgerlijke pers wordt Tsaritsyn, waar niet alleen de sovjet bolsjewistisch werd, maar bovendien een plaatselijk leider van de bolsjewieken, Minfin, tot eerste burgemeester gekozen werd. Tegen Tsaritsyn, dat de Hetman van de Don Kaledin een doorn in het oog was, werd door Kerenski zonder dat er gegronde redenen daarvoor bestonden een strafexpeditie gezonden met als enig doel om het revolutionaire broeinest uit te roeien. In Petrograd, Moskou en alle industriedistricten gaan telkens meer handen omhoog voor de bolsjewistische voorstellen.

Eind augustus werden de sovjets op de proef gesteld. De interne reorganisatie voltrok zich onder het dreigend gevaar zienderogen, snel, algemeen en met betrekkelijk weinig conflicten. Zowel in de provincie als in Petrograd gingen de bolsjewieken, de stiefkinderen van het officiële Sovjetstelsel, de eerste plaats innemen. Maar ook in de verzoeningsgezinde partijen worden de “socialisten van maart”, de politici van de wachtkamers van de ministers en ambtenaren door meer strijdlustige en in de illegaliteit gestaalde elementen tijdelijk verdrongen. De nieuwe machtsgroepering eiste een nieuwe organisatievorm. De leiding van de revolutionaire verdediging lag nergens in handen van de Uitvoerende Comités: deze waren in de vorm waarin de opstand ze aantrof weinig geschikt als strijdorganisatie. Overal werden afzonderlijke verdedigingscomités, revolutiecomités en staven gevormd. Zij steunden op de sovjets, legden rekenschap af aan deze, maar brachten een nieuwe selectie onder de mensen en nieuwe strijdmethoden teweeg die meer in overeenstemming met het revolutionair karakter van de taak waren.

De Moskouse sovjet vormde, net als in de dagen van de Landelijke Vergadering, een comité van zes dat uitsluitend het recht had om over de gewapende krachten te beschikken en tot arrestaties over te gaan. Het eind augustus te Kiev geopend districtscongres gaf de plaatselijke sovjets de raad om niet voor een afzetten van de gehate vertegenwoordigers van de regering, zowel de militaire als de burgerlijke, terug te deinzen en maatregelen voor een onmiddellijke arrestatie van contrarevolutionairen en voor een bewapening van de arbeiders te treffen. In Wjatka matigde het sovjetcomité zich bijzondere bevoegdheden aan, waaronder ook de beschikking over de militaire krachten. In Tsaritsyn ging de gehele regering op de sovjet over. In Nisnji Nowgorod plaatste het revolutiecomité eigen wachtposten in het post- en telegraafkantoor. De sovjet van Krassnojarsk nam de gehele burgerlijke en militaire macht in handen.

Behoudens enkele soms belangrijke afwijkingen zag men vrijwel overal hetzelfde. En het betrof hier geenszins slechts een nabootsing van Petrograd: het massale karakter van de sovjets gaf een buitengewone wetmatigheid aan hun innerlijke ontwikkeling en maakte dat zij allemaal op dezelfde wijze op de belangrijkste gebeurtenissen reageerden. Terwijl het front van de burgeroorlog de beide helften van de coalitie scheidde, verzamelden de sovjets werkelijk alle levende krachten van het volk om zich heen. De aanval van de generaals stuitte op deze muur af en viel uiteen. Men had geen betere les kunnen krijgen. “Ondanks alle pogingen van de regering om de sovjets te verdringen en machteloos te maken,” zegt een desbetreffende verklaring van de bolsjewieken, “lieten de sovjets de grote betekenis… van de macht en het initiatief van de volksmassa’s in de tijd van de onderdrukking van de opstand van Kornilov zien… Na deze nieuwe beproeving die de arbeiders, soldaten en boeren niet meer uit het geheugen zal gaan, werd de slogan – “Alle macht aan de sovjets” – die in het begin van de revolutie door onze partij aangeheven was, de roep van het gehele revolutionaire land.”

De stadsdoema’s die gepoogd hadden om met de sovjets te concurreren, verloren aan betekenis en hielden zich in de dagen van gevaar muisstil. De Doema van Petrograd zond een delegatie naar de sovjets met het nederig verzoek “om nadere inlichtingen over de toestand te krijgen en een verbinding tot stand te brengen.” Men kon menen dat de sovjets die door een deel van de bevolking van de stad gekozen waren minder invloed en macht moesten hebben dan de Doema’s die door de gehele bevolking gekozen waren. De dialectiek van het revolutionaire proces liet echter zien dat onder bepaalde historische omstandigheden een deel belangrijker kan zijn dan het geheel. Net zoals in de regering gingen ook in de Doema de verzoeningsgezinden een bondgenootschap aan met de kadetten tegen de bolsjewieken en dit bondgenootschap verlamde zowel de Doema als de regering. Daarentegen bleek de sovjet de natuurlijke vorm voor een gemeenschappelijke afweeractie van de verzoeningsgezinden en bolsjewieken tegen de aanval van de bourgeoisie te zijn.

Na de Kornilovdagen begon er een nieuw hoofdstuk voor de sovjets. Alhoewel de verzoeningsgezinden, vooral in het garnizoen, nog genoeg goede posities overgehouden hadden, ging de sovjet van Petrograd zo radicaal in bolsjewistische richting dat beide partijen, zowel de rechtse als de linkse, er verbluft van waren. In de nacht van 1 september hield de sovjet, nog altijd onder voorzitterschap van Tsjcheïdse, een stemming over de macht van de arbeiders en boeren. De eenvoudige leden van de verzoeningsgezinde fracties ondersteunden vrijwel zonder uitzondering de bolsjewistische resolutie. Het concurrerende voorstel van Tsereteli kreeg ongeveer 15 stemmen. Het verzoeningsgezinde presidium geloofde niet wat men zag. Van rechts verlangde men een persoonlijke stemming die tot 3 uur in de nacht voortduurde. Vele afgevaardigden gingen weg om niet openlijk tegen hun eigen partij te moeten stemmen. En toch kreeg de bolsjewistische resolutie ondanks alle tegenstand bij de eindstemming 279 tegen 115 stemmen. Dit was een belangrijk feit. Het was het begin van het einde. Het verblufte presidium legde zijn functies neer.

Op 2 september nam de verenigde vergadering van Russische Sovjetorganen in Finland met 700 tegen 13 stemmen en 36 onthoudingen een resolutie voor de Sovjetmacht aan. Op 5 september sloeg de sovjet van Moskou de weg van Petrograd in: met 355 tegen 254 stemmen sprak hij niet alleen zijn wantrouwen uit tegen de Voorlopige Regering als een werktuig van de contrarevolutie, maar veroordeelde ook de coalitiepolitiek van het Uitvoerend Comité. Het presidium, waarvan Chintsjoek voorzitter was, trad af. Het Sovjetcongres van Midden-Siberië, dat op 5 september te Krassnojarsk geopend werd, staat in het teken van het bolsjewisme. Op 8 september wordt in de sovjet van arbeidersafgevaardigden te Kiev met 130 tegen 66 stemmen een bolsjewistische resolutie aangenomen, alhoewel de bolsjewistische fractie officieel slechts 95 leden telt. Op het Sovjetcongres van Finland dat op 10 september geopend werd, zijn 125.000 matrozen, soldaten en Russische arbeiders vertegenwoordigd door 69 bolsjewieken, 48 sociaal-revolutionairen en enkele partijlozen. De sovjet van boerenafgevaardigden van het gouvernement Petrograd koos tot afgevaardigde naar de Democratische Vergadering de bolsjewiek Sergejew. Wederom bleek dat daar waar de partij erin slaagde om via de arbeiders en soldaten direct contact te krijgen met het dorp, de boeren zich graag achter de partij stelden.

Het overwicht van de bolsjewistische partij in de sovjet van Petrograd komt op dramatische wijze tot uiting in de historische zitting van 9 september: alle fracties trommelden ijverig hun leden bijeen: “het gaat om het lot van de sovjet.” Ongeveer duizend arbeiders- en soldatenafgevaardigden kwamen bijeen. Was de stemming van 1 september een toevallige gebeurtenis als gevolg van de toevallige samenstelling van de vergadering of is zij het symptoom van een algehele wijziging in de sovjetpolitiek? – Dat was de vraag. Uit angst om geen meerderheid bijeen te krijgen tegen het presidium, waarin alle verzoeningsgezinde leiders: Tsjcheïdse, Tsereteli, Tsjernov, Goz, Dan en Skobeljev zaten, stelde de bolsjewistische fractie voor om een evenredig aantal leden in het presidium te kiezen. Dit voorstel dat op zekere hoogte het principiële karakter van het scherpe conflict verdoezelde en daarom op hartstochtelijke wijze door Lenin bestreden werd, had dit tactische voordeel dat het een steun gaf aan de aarzelende elementen. Tsereteli wees dit compromis echter van de hand. Het presidium wilde weten of de sovjet werkelijk van richting veranderd was: “Wij kunnen onmogelijk de bolsjewistische tactiek volgen.” In het ontwerp van resolutie van rechts werd gezegd dat de stemming van 1 september in strijd was met de politiek van de sovjet die vertrouwen in zijn presidium bleef stellen. Er bleef voor de bolsjewieken niets anders over dan de uitdaging aan te nemen en zij deden dit bereidwillig. Trotski, die voor het eerst na zijn bevrijding uit de gevangenis in de sovjet verscheen en door een groot deel van de aanwezigen enthousiast ontvangen werd (beide partijen maten bij zichzelf de bijval af: is het een meerderheid of niet?), verlangde een nadere verklaring voordat men tot stemming overging: is Kerenski nog lid van het presidium? Na een ogenblik geaarzeld te hebben, gaf het presidium, dat toch niet zonder zonden was, een bevestigend antwoord en bond zich daarmee zelf een blok aan het been. De tegenstander wilde niets liever. “Wij waren er vast van overtuigd,” verklaarde Trotski, “…dat Kerenski geen lid van het presidium was. Wij hebben ons klaarblijkelijk vergist. Nu zit tussen Dan en Tsjcheïdse de schim van Kerenski… Indien men u voorstelt om de politiek van het presidium goed te keuren, vergeet dan niet dat men u dan tevens voorstelt om de politiek van Kerenski goed te keuren.” De zitting verliep in een buitengewone spanning. De orde werd slechts bewaard doordat iedereen erop uit was om het niet tot een uitbarsting te laten komen. Iedereen wilde zo snel mogelijk tot een telling van vrienden en tegenstanders overgaan. Allen wisten dat het om het vraagstuk van de regering en van de oorlog, om het lot van de revolutie ging. Men besloot te stemmen door de ene groep de zaal te laten verlaten. Wie voor het aftreden van het presidium stemde, moest de zaal verlaten. Het was gemakkelijker voor de minderheid dan voor de meerderheid om de zaal te verlaten. Een heftige agitatie begint in alle hoeken van de zaal, maar niet luidkeels. Het oude presidium of een nieuw? Coalitie of sovjetmacht? Velen begeven zich naar de deur, al te veel naar het oordeel van het presidium. De bolsjewistische leiders meenden dat zij ongeveer honderd stemmen tekort zouden komen om de meerderheid te hebben: “Ook dit zou al mooi zijn,” troostten zij elkaar bij voorbaat. Arbeiders en soldaten begeven zich onophoudelijk naar de deur. Wegstervend stemmengedruis, korte woordenwisselingen. Aan de ene kant hoort men zeggen: “korniloviaan”, aan de andere kant: “Julihelden”. De stemming duurt bijna een uur. De onzichtbare weegschaal slaat nu eens naar de ene dan weer naar de andere kant over. Het presidium, dat zijn opwinding nauwelijks meester is, blijft de gehele tijd op het podium. Eindelijk staat het resultaat van de stemming vast en wordt dit bekend gemaakt: 414 stemmen voor het presidium en de coalitie, 519 ertegen, 67 onthoudingen! De nieuwe meerderheid applaudisseert heftig, geestdriftig, razend. Zij heeft ook het recht daartoe: de overwinning is niet gemakkelijk bevochten. De weg is voor een groot deel afgelegd.

De onttroonde leiders dalen, nog voordat zij zich van de slag kunnen herstellen, met lange gezichten van het podium. Tsereteli kan het niet laten dreigend te voorspellen: “Wij verlaten deze tribune,” schreeuwt hij voortschrijdend de zaal in, “in het bewustzijn dat wij een half jaar lang de vlag van de revolutie hooggehouden en in ere gehouden hebben. De vlag is nu in uw handen overgegaan. Wij kunnen slechts de wens uitspreken dat jullie haar minstens de helft van die tijd mogen houden!” Tsereteli vergiste zich zowel over tijdsduur als over al de rest.

De sovjet van Petrograd, die de stamvader van alle overige sovjets was, stond van nu af aan onder leiding van de bolsjewieken die gisteren nog een “onbetekenend troepje demagogen” waren. Trotski herinnerde er vanaf de voorzitterszetel aan dat de beschuldiging tegen de bolsjewieken dat zij in dienst van de Duitse staf stonden nog altijd niet herroepen was. “Laat de Miljoekovs en Goetsjkovs hun leven eens dag na dag vertellen. Zij zullen dit niet doen, maar wij zijn bereid elke dag rekenschap af te leggen van onze daden, wij hebben niets te verbergen voor het Russische volk…” De sovjet van Petrograd nam bij buitengewoon besluit een verklaring aan waarin de auteurs, verspreiders en handlangers van de laster met verachting aan de kaak gesteld werden.

De bolsjewieken aanvaardden de erfenis. Zij bleek reusachtig en tevens bedroevend te zijn. Het Centraal Uitvoerend Comité beroofde tijdig de sovjet van Petrograd van de beide door hem gestichte kranten, van alle bestuursafdelingen, van alle financiële en technische middelen, tot zelfs de schrijfmachines en inktpotten toe. De talrijke automobielen die sedert de Februaridagen ter beschikking van de sovjet gesteld waren, werden allemaal zonder uitzondering aan de verzoeningsgezinde goden toegewezen. De nieuwe leiders hadden geen geldmiddelen, geen blad, geen bureaugerief, geen verkeersmiddelen, geen pennenhouders en geen potloden. Niets dan kale muren en het vlammende vertrouwen van de arbeiders en soldaten. Dit bleek absoluut voldoende te zijn.

Na de principiële verandering in de Sovjetpolitiek begonnen de verzoeningsgezinden nog sneller weg te smelten. Op 11 september, toen Dan tegenover de sovjet van Petrograd de coalitie verdedigde en Trotski voor de macht van de sovjets sprak, werd de coalitie met algemene stemmen op tien na en met zeven onthoudingen afgewezen! Dezelfde dag veroordeelde de sovjet van Moskou eenstemmig de represaillemaatregelen tegen de bolsjewieken. De verzoeningsgezinden zagen zich spoedig in een even smalle sector rechts teruggedrongen als de bolsjewieken in het begin van de revolutie links ingenomen hadden. Maar wat een verschil! De bolsjewieken waren altijd sterker onder de massa’s dan in de sovjets. De verzoeningsgezinden daarentegen namen nog altijd een belangrijker plaats in de sovjets dan onder de massa’s in. De bolsjewieken hadden in hun tijd van zwakte een toekomst voor zich. De verzoeningsgezinden bleef slechts hun verleden, een verleden waar ze niet trots op konden zijn.

Tegelijk met de wijziging in koers veranderde de sovjet van Petrograd ook uiterlijk. De verzoeningsgezinde leiders lieten zich in het geheel niet meer zien doordat zij zich in het Uitvoerend Comité begroeven; zij werden in de sovjet door tweede- en derderangskrachten vervangen. Samen met Tsereteli, Tsjernov, Avksentjev en Skobeljev verdwenen ook de vrienden en vereerders van de democratische ministers, radicale officieren en dames, half socialistische schrijvers, ontwikkelde en bekende mensen van het toneel. De sovjet werd homogener, grauwer, somberder, ernstiger.

De massa’s onder vuur

Revolutionaire gebeurtenissen worden direct door veranderingen in het bewustzijn van de strijdende klassen veroorzaakt. De materiële verhoudingen in de maatschappij bepalen slechts de richting van deze processen. De veranderingen in het maatschappelijk bewustzijn hebben uiteraard een deels verborgen karakter. Pas zodra zij een bepaalde spanning bereikt hebben, komen de nieuwe stemmingen en gedachten tot uiting als massa-acties, wat leidt tot een nieuw maar uiterst labiel maatschappelijk evenwicht. De loop van de revolutie werpt in elke nieuwe fase het probleem van de macht op, om het direct daarna weer te verdoezelen – totdat het opnieuw opgebracht wordt. Hetzelfde geldt voor de gang van de contrarevolutie, met dit verschil dat de film hier in de omgekeerde richting afdraait.

Hetgeen in de hogere regerings- en Sovjetkringen gebeurt, is geenszins zonder betekenis voor de loop van de gebeurtenissen. Men kan echter de werkelijke betekenis van een politieke partij slechts begrijpen en de manoeuvres van de leiders ontwaren door de diepgaande innerlijke processen in het bewustzijn van de massa’s bloot te leggen. De arbeiders en soldaten hadden in juli een nederlaag geleden, maar in oktober reeds veroverden zij in een onoverwinnelijke stormloop de macht. Wat heeft er zich in deze vier maanden in hun hoofden afgespeeld? Hoe hebben zij de slagen die op hen neersuisden ondergaan? Met welke gedachten en gevoelens zagen zij de openlijke poging van de bourgeoisie om de macht te veroveren? Wij zullen tot de Julinederlaag moeten teruggaan. Men moet dikwijls een beetje teruggaan, om een betere aanloop te hebben. En wij staan voor de Oktobersprong.

Bij de officiële Sovjetgeschiedschrijvers heeft de in zekere zin compleet verstarde mening post gevat, alsof de Juliveldtocht tegen de partij – represailles samen met lasteringen – vrijwel spoorloos aan de arbeidersorganisaties voorbijgegaan zijn. Dit is volkomen onjuist. Wel was de neerslachtigheid in de partijgelederen en het wegstromen van de arbeiders en soldaten uit de partij niet van lange duur, het duurde slechts enkele weken. Het herstel had zo snel en vooral zo krachtig plaats dat dit alleen reeds de herinnering aan de dagen van druk en neerslachtigheid voor een groot deel uitwiste. Een overwinning laat in het algemeen de nederlagen die aan haar voorafgingen in een ander daglicht zien. Hoe meer notulen van plaatselijke partijorganisaties gepubliceerd worden, des te sterker blijkt de teruggang van de revolutie in juli die in deze dagen te smartelijker gevoeld werd waar de voorafgaande opgang zo krachtig geweest was.

Elke nederlaag – een gevolg van bepaalde machtsverhoudingen – wijzigt op haar beurt deze machtsverhoudingen ten nadele van de overwonnen partij, want het zelfvertrouwen van de overwinnaar neemt toe, maar de overwonnene verliest het geloof in zichzelf. Het inzicht in eigen kracht vormt echter een uiterst belangrijk element van de objectieve machtsverhoudingen. De arbeiders en soldaten van Petrograd die bij hun opmars aan de ene kant op het verwarde en tegenstrijdige karakter van hun eigen doeleinden en aan de andere kant op de achterlijkheid van de provincie en het front gestuit waren, hadden een directe nederlaag geleden. De gevolgen van de nederlaag kwamen daarom het eerst en het sterkst tot uiting in de hoofdstad. Geheel onjuist is echter de bewering die men in de bovengenoemde officiële literatuur zo dikwijls aantreft alsof de Julinederlaag vrijwel onopgemerkt aan de provincie voorbijgegaan was. Dit is theoretisch onwaarschijnlijk en het wordt door de feiten en documenten tegengesproken. Bij belangrijke kwesties keek het gehele land telkenmale onwillekeurig naar Petrograd. Het kon niet anders of de nederlaag van de arbeiders en soldaten in de hoofdstad moest juist op de meest radicale groepen in de provincie een ontzaglijke indruk maken. Schrik, ontgoocheling, apathie doorstroomden verschillende delen van het land op verschillende manieren, maar ze waren overal te bespeuren.

De teruggang van de revolutie kwam het eerst tot uiting in het zwakker worden van de tegenstand van de massa’s tegen de vijanden. Terwijl de troepen die naar Petrograd gebracht waren op bevel van hogerhand soldaten en arbeiders ontwapenden, maakten bendes die voor een deel uit vrijwilligers bestonden hiervan gebruik om ongestraft overvallen op arbeidersorganisaties te doen. Na de verwoesting van het redactiegebouw van de “Pravda” en de bolsjewistische drukkerij werd het vakverenigingsgebouw van de metaalarbeiders verwoest. De volgende slagen zijn tegen de wijksovjets gericht. Ook de verzoeningsgezinden blijven niet gespaard: op 10 juli wordt er een overval gedaan op een instelling van die partij die geleid werd door minister van Binnenlandse Zaken Tseretelli. Het kost Dan heel wat zelfverloochening om naar aanleiding van de aankomst van de troepen te schrijven: “Wij zijn nu getuige van een nieuwe overwinning van de revolutie in plaats van haar ondergang.” De overwinning ging zover dat, naar de mensjewiek Proesjitzki meedeelt, voorbijgangers die op arbeiders geleken en van bolsjewisme verdacht werden gevaar liepen om gruwelijk mishandeld te worden. Een duidelijk symptoom van de enorme verandering in de gehele toestand!

Het lid van het bolsjewistisch comité te Petrograd, Lazis, die later een bekend medewerker van de Tsjeka werd, tekende in zijn dagboek op: “9 juli. Al onze drukkerijen in de stad zijn verwoest. Niemand durft onze kranten en vlugschriften drukken. Wij nemen onze toevlucht tot het installeren van een geheime drukkerij. Het Vyborgkwartier is een toevluchtsoord voor iedereen geworden. Het Petrogradse Comité en de vervolgde leden van het Centraal Comité zijn hierheen verhuisd. In het portiershuisje van de fabriek Reno beraadslaagt het Comité met Lenin. Deze beraadslagingen lopen over de algemene staking. De meningen bij ons in het comité zijn verdeeld. Ik was voor het uitroepen van de staking. Lenin stelde, nadat hij de toestand uiteengezet had, voor om ervan af te zien… 12 juli. De contrarevolutie zegeviert. De sovjets zijn machteloos. De losgelaten “jonkers” treden zelfs reeds tegen de mensjewieken op. Bij een deel van de partij heerst onzekerheid. De stroom van nieuwe leden is opgehouden… van een uittocht uit onze partij is echter nog geen sprake.” Na de Julidagen “hadden de sociaal-revolutionairen een grote invloed in de Petrogradse bedrijven,” schrijft de arbeider Sissko. Het isolement van de bolsjewieken deed vanzelf de betekenis en het zelfbewustzijn van de verzoeningsgezinden toenemen. Op 16 juli bericht de afgevaardigde van het district Vassiliiostrov in de bolsjewistische stedelijke conferentie dat de stemming daar “in het algemeen” goed was met uitzondering van enkele bedrijven. “In de Baltische fabriek worden wij door de sociaal-revolutionairen en mensjewieken verslagen.” Het was hier ver gekomen; het bedrijfscomité bepaalde dat de bolsjewieken aan de begrafenis van de gedode Kozakken moesten deelnemen, hetgeen zij ook deden… De officieel vastgestelde afname van ledental van de partij is echter niet groot: er bedankten in het gehele district ongeveer honderd van de vierduizend leden openlijk voor hun lidmaatschap. Veel groter was het aantal van hen die zich in de eerste dagen stilletjes terugtrokken. “De Julidagen brachten aan het licht,” herinnerde zich later de arbeider Minitsjev, “dat er in onze gelederen mensen waren die uit angst voor hun hachje hun lidmaatschapskaart van de partij inslikten en de partij afzwoeren. Er waren echter niet veel van zulke mensen…” laat hij er geruststellend op volgen. “De gebeurtenissen in juli,” schrijft Sjljapnikov, “en de gehele campagne van gewelddaden en laster tegen onze organisaties, waarvan deze vergezeld gingen, hebben de toename van onze invloed, die begin juli reusachtig sterk geworden was, onderbroken… Onze partij zelf was gedeeltelijk illegaal en voerde een verdedigingsstrijd, daarbij voornamelijk steunend op de vakverenigingen en de fabriekscomités.”

De beschuldiging tegen de bolsjewieken dat zij in dienst van Duitsland stonden, moest zelfs op de arbeiders van Petrograd, althans op een groot deel van hen, wel indruk maken. Wie aarzelde, deinsde terug. Wie op het punt stond om zich aan te sluiten, begon te aarzelen. Zelfs van degenen die zich reeds aangesloten hadden, gingen velen weer weg. Naast de bolsjewieken hadden ook arbeiders die tot de sociaal-revolutionairen en mensjewieken behoorden op grote schaal aan de Julidemonstratie deel genomen. Na de slag keerden zij het eerst weer terug tot hun partij: het leek hen nu toe alsof zij werkelijk met hun overtreding van de discipline een fout begaan hadden. Een grote groep partijloze arbeiders en meelopers van de partij wendde zich eveneens onder indruk van de van hogerhand verkondigde en in een juridisch kleed gegoten laster af.

De maatregelen van weerwraak hadden in deze gewijzigde politieke situatie een buitengewoon fatale uitwerking. Olga Ravitsj, een van de oude en actieve medewerksters in de partij en lid van het Petrograds comité, zei later in haar rapport: “De organisatie was door de Julidagen zo volkomen vernietigd dat er in de volgende drie weken geen sprake kon zijn van welke arbeid ook.” Ravitsj heeft het hier hoofdzakelijk over het openlijke partijwerk. Geruime tijd slaagde men er niet in het partijblad uit te geven: geen drukkerij was er voor te vinden voor de bolsjewieken te werken. De tegenstand ging hierbij niet altijd van de eigenaar uit: in een drukkerij dreigden de arbeiders te staken indien de bolsjewistische krant gedrukt werd en zo moest de eigenaar het reeds gesloten contract verbreken. Een tijdlang kreeg Petrograd het blad van Kronstadt.

De groep van de mensjewieken-internationalisten vormde in die dagen de uiterste linkervleugel in de strijd. De arbeiders luisterden graag naar de redevoeringen van Martov, in wie tijdens deze periode van terugtocht het vechtinstinct ontwaakte nu het er niet om ging nieuwe wegen aan de revolutie te banen, maar om het behoud van hetgeen er nog over was van haar veroveringen. De moed van Martov was een moed der wanhoop. “Er is nu stellig een streep onder de revolutie gezet,” zei hij in een vergadering van het Uitvoerend Comité… “Indien het reeds zo ver gekomen is dat… de stem van de boeren en de arbeiders in de Russische revolutie niet meer gehoord kan worden, willen wij openlijk van het toneel verdwijnen en deze uitdaging niet zwijgend en gelaten aannemen, maar in een eerlijke strijd verdwijnen.” Dit voorstel om in een eerlijke strijd van het toneel te verdwijnen, deed Martov aan diegenen onder zijn partijgenoten die, zoals Dan en Tsereteli, de overwinning van de generaals en de Kozakken over de arbeiders en soldaten als een overwinning van de revolutie over de anarchie beschouwden. Tegenover de ophitsing die er tegen de bolsjewieken ontketend was, en de laffe kruiperigheid van de verzoeningsgezinden tegenover de Kozakken deed de houding van Martov in die moeilijke weken hem zeer in de achting van de arbeiders stijgen.

De Julicrisis had een buitengewoon verwoestende uitwerking op het garnizoen van Petrograd. De soldaten bleven in politiek opzicht ver op de arbeiders achter. De soldatensectie in de Sovjet was nog altijd een steunpunt van de verzoeningsgezinden, terwijl de arbeiderssectie reeds op de hand van de bolsjewieken was. Het feit dat de soldaten spoedig geneigd waren met de wapens te dreigen, was niet met dit feit in tegenspraak. Zij speelden bij demonstraties een meer agressieve rol dan de arbeiders, maar deinsden bij nederlagen eerder terug. De vijandigheid tegen de bolsjewieken laaide in het garnizoen van Petrograd hoog op. “Na de nederlaag,” vertelt de vroegere soldaat Mitrevitsj, “ga ik niet terug naar mijn compagnie, want ik zou daar wel eens doodgeslagen kunnen worden zolang de storm niet geluwd is.” Juist in de meest revolutionaire regimenten die in de Julidagen voorop gegaan waren en daarom het meest te lijden gehad hadden, daalde de invloed van de partij zozeer dat het daar zelfs na drie maanden nog niet mogelijk was de organisatie weer op te bouwen: deze troepenafdelingen verbrokkelden als het ware moreel onder invloed van de al te krachtige stoot. “Na de Julinederlaag,” schrijft bovengenoemde Minitsjev, “waren niet alleen kameraden die tot de meest vooraanstaanden in onze partij behoorden, maar ook enkele districtscomités, erg onvriendelijk tegenover de Militaire Organisatie gestemd.”

In Kronstadt verloor de partij tweehonderdvijftig leden. De stemming in het garnizoen van de bolsjewistische vesting was erg gedaald. De reactie maakte zich ook meester van Helsingfors. Avksentjev, Boenakov en de advocaat Sokolov kwamen daar aan om de bolsjewistische schepen te bekeren. Zij hadden enig succes. Het lukte door arrestaties van leidende bolsjewieken, door gebruikmaking van de van hogerhand verspreide laster en met dreigementen een verklaring van trouw, zelfs van de bolsjewistische pantserkruiser “Petropavlovsk”, los te krijgen. Alle schepen wezen echter de eis om de aanstichters uit te leveren af.

In Moskou was de gang van zaken niet veel anders. “De ophitsing in de burgerlijke pers,” schrijft Pjatnetzki, “bracht een panische schrik bij enkele leden van het Moskouse comité teweeg.” Het ledental van de organisatie nam na de Julidagen af. “Nooit zal ik,” schrijft de Moskouse arbeider Ratechin, “dat hachelijk ogenblik vergeten. Het plenum (van de sovjet van het district Samoskvorez) komt bijeen… Ik kijk om mij heen en zie dat er maar weinig van onze bolsjewistische kameraden aanwezig zijn… Steklov, een van de energieke kameraden, komt vlak naast mij staan en vraagt stamelend of het waar is dat Lenin en Zinovjev in een verzegelde wagon hierheen gebracht zijn en of het waar is dat zij voor Duits geld…? Mijn hart krimpt van droefnis bij het horen van deze vragen. Een andere kameraad treedt op ons toe, Konstantinov: “Waar is Lenin? Men zegt, dat hij gevlogen is… Wat zal er nu gebeuren? Enzovoorts.” Deze levendige beschrijving doet ons goed zien wat de radicale arbeiders in die dagen doormaakten. “Het verschijnen van de door Alexinski gepubliceerde documenten,” schrijft de Moskouse artillerist Davydvski, “bracht een ontzaglijke verwarring in de brigade teweeg. Zelfs onze batterij, die de meest bolsjewistische was, begon onder invloed van de laffe leugen te wankelen… Het was alsof wij het vertrouwen volkomen verloren hadden.”

“Na de Julidagen,” schrijft W. Jakovleva, die toentertijd lid van het Centraal Comité was en het werk van het grote district Moskou leidde, “werd er in alle rapporten uit de provincie de nadruk niet alleen op de sterke daling van de stemming onder de massa’s, maar zelfs op een zekere vijandigheid onder deze tegenover onze partij gelegd. Het kwam meermalen voor dat onze sprekers afgeranseld werden. Het ledental nam sterk af en sommige organisaties, vooral in de zuidelijke gouvernementen, hielden geheel op te bestaan.” Tegen midden augustus was er nog geen noemenswaardige verandering. Men werkt onder de massa’s om de invloed te behouden, maar een groei van de organisatie is niet te bespeuren. In de gouvernementen Rjasan en Tambov lukte het niet, nieuwe verbindingen te krijgen, er ontstaan geen bolsjewistische cellen en in het algemeen blijven de sociaal-revolutionairen en mensjewieken er heer en meester.

Jewreïnow, die in het proletarische Kinesjma werkte, herinnert zich hoe moeilijk de toestand na de Julidagen werd toen in een druk bezochte vergadering van alle openbare instellingen de kwestie van een uitsluiting van de bolsjewieken uit de sovjet aan de orde gesteld werd. De uittocht uit de partij nam van tijd tot tijd zo’n omvang aan dat de organisatie pas weer gewoon kon gaan werken nadat er nieuwe leden waren toegetreden. In Toela verloor de organisatie, dankzij de vroegere strenge selectie van leden, geen enkel lid. Maar haar contact met de massa’s werd minder. In Nisjnij Novgorod begon na de onder leiding van de overste Versjovski en de mensjewiek Chintsjoek uitgevoerde strafexpeditie een sterke teruggang: bij de verkiezingen voor de stedelijke Doema wist de partij slechts vier afgevaardigden gekozen te krijgen. In Kaloega hield de bolsjewistische fractie rekening met de mogelijkheid dat zij uit de sovjet uitgesloten zou worden. Op sommige punten van het district Moskou waren de bolsjewieken genoodzaakt om niet alleen uit de sovjets maar ook uit de vakverenigingen te treden.

In Saratov, waar de bolsjewieken zeer vriendschappelijke betrekkingen met de verzoeningsgezinden onderhielden en einde juni nog van plan geweest waren om bij de verkiezingen voor de stedelijke Doema gemeenschappelijke lijsten in te dienen, waren de soldaten na de Julistorm zo tegen de bolsjewieken opgehitst dat zij in verkiezingsvergaderingen binnendrongen, de bolsjewistische vlugschriften uit handen rukten en de propagandisten afranselden. “Het werd moeilijk voor ons,” schrijft Lebedjev, “om in verkiezingsvergaderingen op te treden. Meermalen schreeuwde men tegen ons: Duitse spionnen, provocateurs! Veel Saratovse bolsjewieken waren moedeloos: velen bedankten als lid, anderen hielden zich op de achtergrond.”

In Kiev, dat van oudsher de reputatie van een Zwarte Honderd-centrum had, nam de hetze tegen de bolsjewieken buitengewoon heftige vormen aan en strekte zij zich spoedig ook over de mensjewieken en sociaal-revolutionairen uit. De teruggang van de revolutionaire beweging was hier zeer sterk merkbaar: bij de verkiezingen voor de stadsdoema kregen de bolsjewieken in het geheel slechts zes procent van de stemmen. In de stedelijke conferenties klaagden de rapporteurs erover dat er overal apathie en passiviteit te bespeuren was. Men zag zich genoodzaakt het partijblad in plaats van dagelijks, wekelijks te laten verschijnen.

De ontbinding en overplaatsing van revolutionaire regimenten moesten op zichzelf reeds niet alleen het politieke peil van de garnizoenen doen dalen, maar ook ontmoedigend op de arbeiders ter plaatse werken, die zich veiliger voelden wanneer er bevriende troepen achter hen stonden. Zo bracht de overplaatsing van het 57ste regiment uit Tver een grote verandering in de politieke situatie, zowel onder de soldaten alsook onder de arbeiders, teweeg: zelfs in de vakverenigingen werd de invloed van de bolsjewieken gering. In nog meerdere mate bleek dit in Tiflis waar de mensjewieken hand in hand met de generale staf de bolsjewistische troepenafdelingen door volkomen neutrale regimenten vervingen.

De politieke reactie nam op sommige punten, al naargelang de samenstelling van het garnizoen, het peil van de arbeiders en andere toevallige omstandigheden, paradoxale vormen aan. Zo werden in Jaroslawl in juli de bolsjewieken bijna geheel uit de sovjet van arbeiders verdrongen, terwijl zij in de sovjets van de soldatenafgevaardigden een dominerende invloed behielden. Op sommige punten lieten de Juligebeurtenissen inderdaad bijna geen sporen achter en remden zij de groei van de partij niet. Voor zover dit te beoordelen is, was dit het geval daar waar de algemene terugtocht samenviel met het optreden van nieuwe, meer achterlijke groepen op het revolutionair toneel. Zo kon men in sommige textieldistricten in juli een grote toevloed van arbeidsters tot de organisatie waarnemen. Dit doet echter niet af aan het feit dat er in het algemeen van een teruggang sprake was.

De onmiskenbare, ja zelfs overdreven, scherpe reactie op deze gedeeltelijke nederlaag was in zekere zin een tol die de arbeiders en vooral de soldaten moesten betalen voor hun al te gemakkelijk, al te snel, al te onophoudelijk toetreden tot de bolsjewieken in de afgelopen maanden. De opmerkelijke ommekeer in de stemmingen onder de massa’s bracht vanzelf en op doeltreffende wijze een selectie in de partijleiding teweeg. Op diegenen die in deze dagen niet getwijfeld hadden, kon men zich ook verder verlaten. Zij vormden de kern in de werkplaatsen, de bedrijven en de wijken. Aan de vooravond van de Oktoberrevolutie keken de organisatoren bij benoemingen en opdrachten meer dan eens om zich heen, zich afvragend hoe de persoon in kwestie zich in de Julidagen gehouden had.

Aan het front waar de verhoudingen meer openlijk zijn, kreeg de Julireactie een buitengewoon heftig karakter. Het hoofdkwartier maakte van de gebeurtenissen in de eerste plaats gebruik om afzonderlijke troepen van “de plicht tegenover het vrije vaderland” te vormen. Bij elk regiment werden eigen stormtroepen georganiseerd. “Ik heb de soldaten van de stormtroepen meer dan eens gezien,” vertelt Denikin, – “zij waren altijd in gedachten verzonken en somber. In de regimenten stond men terughoudend of zelfs vijandig tegenover hen.” De soldaten zagen in de “troepen van de plicht” niet ten onrechte cellen van een pretorianengarde. “De reactie zat niet stil,” zo rapporteerde de sociaal-revolutionair Degtjarjew, die zich later bij de bolsjewieken aansloot, over het Roemeense front. Talrijke soldaten werden als deserteurs gearresteerd. De officieren staken het hoofd op en begonnen de legercomités minachtend te behandelen, terwijl hier en daar de officieren zelfs probeerden om het brengen van eerbewijzen weer in te voeren. De commissarissen zuiverden het leger. “Bijna elke divisie had,” schrijft Stankevitsj, “haar eigen bolsjewiek die bij het leger meer bekend was dan de divisiechef zelf. Geleidelijk verwijderden wij de ene beroemdheid na de andere.” Tegelijkertijd werden aan het gehele front ongehoorzame troepenafdelingen ontwapend. De officieren en commissarissen steunden daarbij op de Kozakken en op de bij de soldaten gehate afzonderlijke commando’s.

Op de dag waarop Riga viel, besloot een congres van commissarissen van het Noordelijk front en vertegenwoordigers van legerorganisaties, dat het noodzakelijk was meer stelselmatig strengere represaillemaatregelen toe te passen. Er hadden fusilleringen plaats op grond van verbroedering met de Duitsers. Vele commissarissen deden, onder invloed van verwarde voorstellingen uit de Franse Revolutie, hun best om een ijzeren vuist te tonen. Zij begrepen niet dat de jacobijnse commissarissen op de volksmassa’s steunden, de aristocraten en de bourgeois niet spaarden en dat slechts hun plebejische strengheid hun gezag verschafte en het hen mogelijk maakte een strenge discipline in het leger te handhaven. De commissarissen van Kerenski hadden geen steun in het volk, geen moreel aureool om zich. Zij waren in de ogen van de soldaten slechts agenten van de bourgeoisie en slavendrijvers van de Entente. Zij konden een tijdlang het leger intimideren – dit lukte hen inderdaad tot op zekere hoogte – maar zij waren niet in staat het tot nieuw leven te wekken.

Begin augustus kwam er in het bureau van het Uitvoerend Comité in Petrograd een rapport binnen, volgens hetwelk er een gunstige verandering in de stemming van het leger ingetreden was. Er hadden oefeningen plaats; aan de andere kant was er echter een grotere rechteloosheid, willekeur en druk te bespeuren. Buitengewoon acuut werd de kwestie van de officieren: “Deze zijn volkomen geïsoleerd en vormen eigen, afgesloten organisaties.” Ook in andere mededelingen wordt bevestigd dat er uiterlijk aan het front meer orde gekomen was en dat de soldaten hadden opgehouden te muiten om elke onbetekenende en toevallige aanleiding. Hun ontevredenheid met de gehele toestand als zodanig werd echter des te groter. In de voorzichtige en diplomatieke rede die de mensjewiek Koetsjin in de Landelijke Vergadering hield, kon men achter de kalmerende woorden angstvallige bezorgdheid horen. “Er heeft ongetwijfeld een verandering plaats, ongetwijfeld wordt het kalmer. Maar, burgers, er is ook iets anders. Er is het gevoel van een zekere ontgoocheling en dit gevoel baart ons eveneens buitengewoon veel zorg…” De tijdelijke overwinning over de bolsjewieken was allereerst een overwinning over de nieuwe verwachtingen van de soldaten, over hun geloof in een betere toekomst. De massa’s werden voorzichtiger en het leek alsof de tucht verbeterde. Maar de kloof tussen de regeerders en de soldaten werd dieper. Wie of wat zal hij morgen verzwelgen?

De Julireactie vormt als het ware de definitieve scheidingslijn tussen de Februari- en de Oktoberrevolutie. Arbeiders, garnizoenen in het achterland, het front en voor een deel zelfs, naar later blijken zal, de boeren weken terzijde en deinsden terug, als door een slag getroffen. De slag was in werkelijkheid meer een psychische dan een fysieke, maar dit maakte de uitwerking ervan niet minder. In de eerste vier maanden waren alle processen in de massa slechts in één en dezelfde richting gegaan, namelijk naar links. Het bolsjewisme groeide, werd sterker en driester. Nu stuitte de beweging echter op een dam. Het blijkt nu inderdaad dat men op de weg van de Februarirevolutie niet verder kwam. Velen leek het toe dat de revolutie in het algemeen uitgeput was. In werkelijkheid was slechts de Februarirevolutie volkomen uitgeput. Deze innerlijke crisis in het bewustzijn van de massa’s leidde samen met de onderdrukking en de laster tot verwarring en terugtochten die dikwijls in een paniek ontaardden. De tegenstanders werden brutaler. In de massa’s zelf kwam alles wat achterlijk, traag en met de schokken en ontberingen ontevreden was, naar boven. Deze terugrollende golven in de stroom van de revolutie vertoonden een onweerstaanbare kracht: het lijkt alsof zij aan de wetten van de sociale hydrodynamica onderworpen zijn. Het is onmogelijk een dergelijke terugrollende golf tegen te houden – men kan niet anders doen dan tegen haar standhouden, zich niet laten wegspoelen, standhouden totdat de golf van reactie ten einde is, en tegelijkertijd steunpunten voor een nieuw offensief voorbereiden.

Indien men keek naar de afzonderlijke regimenten die op 3 juli onder bolsjewistische leuzen opgetrokken waren en een week later eisten dat de agenten van de keizer streng gestraft zouden worden, dan leek het dat de geciviliseerde sceptici recht hadden om triomferend uit te roepen: Daar zijn nu uw massa’s, daar is nu uw standvastigheid en uw inzicht! Dit is echter een goedkoop scepticisme. Indien werkelijk de gevoelens in de massa’s onder invloed van toevallige omstandigheden zouden wisselen, zou de enorme wetmatigheid die de ontwikkeling van grote revoluties kenmerkt onverklaarbaar zijn. Hoe sterker de miljoenen van het volk gegrepen worden, des te stelselmatiger is de ontwikkeling van een revolutie en met des te meer zekerheid kan men de continuïteit van de volgende fasen voorspellen. Men dient daarbij enkel niet te vergeten dat de politieke ontwikkeling van de massa’s zich niet volgens een rechte lijn, maar langs een ingewikkelde curve voltrekt: dit is immers eigenlijk de loop van alle materiële processen. De arbeiders, soldaten en boeren werden door de objectieve omstandigheden onweerstaanbaar naar de bolsjewieken gedreven. De massa’s sloegen echter deze weg in, vechtend met hun eigen verleden, met hun geloof van gisteren en gedeeltelijk ook nog van vandaag. Op moeilijke keerpunten en in ogenblikken van tegenslag en ontgoocheling komen de oude, nog niet verstikte vooroordelen weer boven, en de tegenstanders grijpen deze natuurlijk als een reddend anker aan.

Alles wat bij de bolsjewieken onbegrijpelijk, ongewoon en raadselachtig was – nieuwe gedachten, vermetelheid, verloochening van alle oude en nieuwe autoriteiten – dit alles werd nu plotseling op een eenvoudige, bij al haar onzinnigheid zelfs nog overtuigende wijze verklaard: Duitse spionnen! Deze tegen de bolsjewieken gerichte beschuldiging was eigenlijk een speculeren op het slaafse verleden van het volk, op de erfenis van onwetendheid, barbarij en bijgeloof, – en deze speculatie was gevaarlijk. De grote patriottische leugen bleef gedurende de maanden juli en augustus een politieke factor van de eerste rang en vergezelde alle vraagstukken van de dag. De golven van laster verspreidden zich overal in het land door middel van de pers van de kadetten, maakten zich meester van de provincie en de randgebieden en drongen door tot in de verste uithoeken. Eind juli eiste de bolsjewistische organisatie te Ivanovo-Voznesensk nog altijd dat er een meer krachtdadige campagne tegen de ophitsing gevoerd zou worden! Het vraagstuk van de eigenlijke betekenis die de laster in de politieke strijd in de tegenwoordige maatschappij heeft, is nog altijd niet sociologisch onderzocht.

En toch was de reactie bij de arbeiders en soldaten weliswaar nerveus en heftig, maar noch diepgaand, noch van lange duur. De radicale bedrijven van Petrograd begonnen zich reeds in de eerste dagen na de nederlaag te herstellen, zij protesteerden tegen de arrestaties en de laster, klopten aan de deuren van het Uitvoerend Comité en herstelden de verbindingen. In de wapenfabriek te Sestrarezk, die bestormd en ontwapend was, namen de arbeiders spoedig weer het roer in handen; in een algemene vergadering op 20 juli werd besloten om aan de arbeiders het loon voor de dagen van de demonstratie geheel tot het aanschaffen van lectuur voor het front te gebruiken. De bolsjewieken in Petrograd hervatten, volgens de verklaring van Olga Ravitsj, ongeveer op 20 juli weer het openlijke propagandawerk. In de vergaderingen die door niet meer dan twee à driehonderd mensen bezocht worden, wordt in de verschillende wijken van de stad gesproken door drie personen: Sloetzki, die later in de Krim door de Witten vermoord werd, Volodarski, die door de sociaal-revolutionairen in Petrograd vermoord werd, en Jewdokimow, een Petrograds metaalarbeider, een van de beste sprekers van de revolutie. In augustus krijgt de propaganda van de partij een grote omvang. Volgens een aantekening van Raskolnikov gaf Trotski, die op 23 juli gearresteerd was, in de gevangenis de volgende beschrijving van de toestand in de stad: “De mensjewieken en sociaal-revolutionairen… gaan voort met hun woeste ophitsing tegen de bolsjewieken. De arrestaties van onze kameraden duren voort. Toch is er geen neerslachtigheid in onze partij. Integendeel, allen zien de toekomst vol hoop tegemoet en zijn van mening dat de represailles de populariteit van de partij slechts kunnen doen toenemen. Ook in de arbeiderswijken is geen moedeloosheid te bespeuren.” Inderdaad, reeds zeer spoedig nam een arbeidersvergadering van zevenentwintig bedrijven van de wijk Peterhof een resolutie aan om te protesteren tegen de onverantwoordelijke regering en haar contrarevolutionaire politiek. De proletarische wijken leefden weer op.

Terwijl men in regeringskringen, in het Winterpaleis en in het Taurisch paleis, een nieuwe coalitie poogde in elkaar te zetten, het daarover eens werd, de coalitie weer verbrak en opnieuw aaneenplakte, had er in diezelfde dagen, ja dezelfde uren, van 21 en 22 juli, in Petrograd een zeer belangrijke gebeurtenis plaats die in de officiële wereld bijna onopgemerkt voorbijging, maar welke de vorming van een andere, meer degelijke coalitie aankondigde, namelijk die van de Petrogradse arbeiders met de soldaten van het actieve leger. Afgevaardigden van het front kwamen in de hoofdstad met protesten van hun troepenafdelingen tegen de wurging van de revolutie aan het front. Vele dagen lang klopten zij vergeefs aan bij het Uitvoerend Comité. Men liet hen niet toe, wees hen af en probeerde hen kwijt te raken. Er kwamen intussen nieuwe afgevaardigden aan, die dezelfde ervaring opdeden. De afgewezenen ontmoetten elkaar in de gangen en wachtkamers, beklaagden zich bij elkaar, scholden en probeerden samen een uitweg te vinden. Zij werden daarbij door de bolsjewieken geholpen. De afgevaardigden besloten overleg te plegen met de arbeiders, soldaten en matrozen in de hoofdstad die hen met open armen ontvingen, onderdak verschaften en verzorgden. Vertegenwoordigers van negenentwintig regimenten van het front, negentig bedrijven van Petrograd, van de matrozen van Kronstadt en de omliggende garnizoenen namen deel aan de bijeenkomst die door niemand van hogerhand bijeengeroepen, maar van onderop gegroeid was. De afgevaardigden van de loopgraven, onder wie ook enkele jongere officieren, vormden het centrum van de bijeenkomst. De Petrogradse arbeiders luisterden aandachtig naar de soldaten van het front, bang om een woord te verliezen. Ze vertelden hoe het offensief en de gevolgen daarvan de revolutie verslonden. Grijze soldaten, die stellig geen propagandisten waren, beschreven in ongekunstelde termen het dagelijks leven aan het front. Deze details maakten een ontzaglijke indruk, want zij lieten duidelijk zien hoe het vóór-revolutionaire en zo gehate verleden weer binnendrong. Het contrast tussen de verwachtingen van gisteren en de werkelijkheid van vandaag maakte op iedereen een even smartelijke indruk. Hoewel de sociaal-revolutionairen ogenschijnlijk de overhand onder de soldaten aan het front hadden, werd toch een scherpe bolsjewistische resolutie met bijna algemene stemmen aangenomen: slechts vier man onthield zich van de stemming. De resolutie die aangenomen werd, zal geen dode letter blijven: eenmaal teruggekeerd zullen de afgevaardigden de waarheid vertellen over hoe zij door de leiders van de verzoeningsgezinden afgewezen werden en hoe zij door de arbeiders opgenomen werden – de soldaten in de loopgraven zullen hun eigen berichtgevers geloven, want die liegen niet.

In het garnizoen van Petrograd zelf begon er op het einde van de maand, vooral na de vergadering met de vertegenwoordigers van het front, een verandering in te treden. Weliswaar ontwaakten de regimenten die het ergst geleden hadden nog altijd niet uit hun apathie. Maar daarentegen steeg in die regimenten die het langst een patriottische houding aangenomen en gedurende de eerste maanden van de revolutie de tucht gehandhaafd hadden, de invloed van de partij zienderogen. Ook de Militaire Organisatie, die zeer onder de slagen geleden had, begon zich te herstellen. Zoals altijd na nederlagen het geval was, keek men in de partij niet erg welwillend naar de leiders van het militaire werk en rekende hen zowel de werkelijk gemaakte alsook de vermeende fouten en overdrijvingen aan. Het Centraal Comité bond de Militaire Organisatie nauwer aan zich, stelde haar door middel van Sverdlov en Dsersjinski meer direct onder controle, en het werk kwam weer op gang, weliswaar langzamer dan vroeger maar zekerder.

Eind juli namen de bolsjewieken in de Petrogradse bedrijven reeds weer hun oude positie in: de arbeiders sloten zich onder de oude vlag aaneen, doch het waren nu andere arbeiders, rijpere, d.w.z. meer voorzichtig, maar ook meer vastberaden. “Wij hebben een reusachtige, bijna onbeperkte invloed in de bedrijven,” deelde Volodarski op 7 juli op de bolsjewistische partijdag mee. “Het partijwerk wordt voornamelijk door de arbeiders zelf verricht… De organisatie is van onderop gegroeid en wij hebben daarom alle reden om te geloven dat zij niet uiteen zal vallen.” De jeugdorganisatie telde in die tijd ongeveer vijftigduizend leden en kwam steeds meer onder bolsjewistische invloed. Op 7 augustus nam de arbeiderssectie van de Sovjet een resolutie betreffende de afschaffing van de doodstraf aan. Als protest tegen de Landelijke Vergadering droegen de Poetilovarbeiders één dag loon aan de arbeiderspers af. Op het congres van de fabriekscomités wordt met algemene stemmen een resolutie aangenomen waarin de Moskouse vergadering “een poging tot organisatie van de contrarevolutionaire krachten” genoemd wordt… Ook Kronstadt herstelde van zijn wonden. Op 20 juli eist een meeting op het Ankerplein dat de macht over zal gaan op de sovjets, dat de Kozakken alsook de gendarmes en politieagenten aan het front verwijderd zullen worden, dat de doodstraf afgeschaft zal worden, dat de afgevaardigden van Kronstadt in Tsarskoje Selo toegelaten zullen worden, om er zich van te overtuigen of Nicolaas II streng genoeg behandeld wordt, dat het bataljon des doods ontbonden zal worden, dat de burgerlijke bladen in beslag genomen zullen worden enzovoorts. Tezelfdertijd gaf de nieuwe admiraal Tyrkov, nadat hij het bevel over de vesting overgenomen had, bevel de rode vlaggen van de oorlogsschepen neer te halen en de Andreasvlaggen te hijsen. De officieren en een deel van de soldaten deden hun schouderstukken weer aan. De matrozen van Kronstadt protesteerden. Een regeringscommissie tot onderzoek naar de gebeurtenissen van 3 tot 5 juli moest onverrichterzake uit Kronstadt naar Petrograd terugkeren: zij was met gefluit, kreten van protest en zelfs dreigementen ontvangen.

Er had een verandering plaats op de gehele vloot. “Eind juli en begin augustus,” schrijft een van de Finse leiders Salesjki, “zag men duidelijk dat het de reactie niet alleen niet gelukt was de revolutionaire krachten van Helsingfors te breken, integendeel – er bleek hier een scherpe ruk naar links en een sterk groeiende sympathie voor de bolsjewieken.” Het waren vooral de matrozen die het initiatief tot de Julidemonstratie genomen hadden, buiten de partij om en deels zelfs tegen de partij die zij van slapheid en bijna van verzoeningsgezindheid verdachten. De ervaring met het gewapend optreden had hen geleerd dat de kwestie van de macht niet zo eenvoudig op te lossen was. De halfanarchistische stemmingen maakten plaats voor vertrouwen in de partij. Het rapport dat een afgevaardigde van Helsingfors eind juli uitbracht, is in dit opzicht buitengewoon interessant: “Op de kleine schepen hebben de sociaal-revolutionairen de grootste invloed, op de grotere oorlogsschepen, de kruisers en pantserkruisers zijn alle matrozen bolsjewieken of sympathiseren zij althans met deze. Zo was (ook vroeger reeds) de stemming onder de matrozen op de “Petropavlovsk” en de “Republiek”, en na 3 tot en met 5 juli zijn ook de “Gangoet”, de “Sebastopol”, de “Rjoerik”, de “Andrej”, de “Perwoswany”, de “Diana”, de “Gromoboj” en de “Indië” naar onze zijde overgegaan. Wij kunnen derhalve over een reusachtige strijdmacht beschikken…” De matrozen hebben uit de gebeurtenissen van 3 tot 5 juli veel geleerd, doordat zij daaruit gezien hebben dat een goede stemming niet alleen voldoende is om het doel te bereiken.

Moskou slaat, al blijft het bij Petrograd achter, toch dezelfde weg in. “Langzamerhand ontwaakt men uit de verdoving,” verhaalt de artillerist Dawydowski, “de soldatenmassa komt tot zichzelf en wij gaan op het gehele front weer tot de aanval over. De leugen die een tijdlang de ontwikkeling van de massa’s naar links remde, heeft daarna de stroom tot ons slechts doen toenemen.” Terwijl men in de knel zat, werd de vriendschap tussen de bedrijven en de kazernes hechter. De Moskouse arbeider Strelkow vertelt van de nauwe betrekkingen die er langzamerhand tussen de fabriek Michelsen en een dichtbij gelegen regiment ontstonden. De arbeiders- en soldatencomités namen meermaals gezamenlijk besluiten inzake praktische kwesties die zich in het dagelijks leven in de fabriek en in het regiment voordeden. De arbeiders organiseerden ontwikkelingsavonden voor de soldaten, kochten bolsjewistische kranten voor hen en kwamen hen in het algemeen op alle mogelijke manieren tegemoet. “Wanneer men iemand laat aantreden,” vertelt Strelkow, “komen zij terstond naar ons toe om zich te beklagen… Wanneer er bij een straatbetoging een Michelsonarbeider ook maar één haar gekrenkt wordt, hoeft maar een soldaat het te vernemen of gehele troepen snellen te hulp.” En krenkingen waren er in die tijd te over, men hitste op met het Duitse geld, met verraad en met de hele verzoeningsgezinde laaghartige leugen.

Het Moskouse congres van de fabriekscomités dat einde juli gehouden werd, begon gematigd, ging echter bij zijn arbeid die acht dagen duurde sterk in linkse richting en nam aan het slot een resolutie aan die kennelijk bolsjewistisch getint was. De Moskouse afgevaardigde Podbielski rapporteerde in die dagen op de partijdag: “Zes van de tien wijksovjets bevinden zich in onze handen… Enkel de arbeidersmassa die standvastig het bolsjewisme blijft steunen, redt ons bij de tegenwoordige systematische ophitsing.” Begin augustus worden er bij de verkiezingen in de Moskouse bedrijven reeds bolsjewieken in plaats van de mensjewieken en sociaal-revolutionairen gekozen. De groeiende invloed van de partij bleek zeer duidelijk bij de algemene staking aan de vooravond van de vergadering. De officiële Moskouse “Izvestia” schreef: “Het wordt tijd dat men eindelijk eens begrijpt dat de bolsjewieken geen onverantwoordelijke groepen zijn, maar een van de afdelingen van de georganiseerde revolutionaire democratie waarachter de grote massa’s staan die wellicht niet altijd even gedisciplineerd, maar daarentegen onvoorwaardelijk trouw aan de revolutie zijn.”

De verzwakking van de posities van de arbeidersklasse in juli gaf de industriëlen moed. Het congres van de dertien voornaamste ondernemersorganisaties, waaronder ook de banken, stelde een comité in ter bescherming van de industrie dat de leiding van de uitsluitingen, alsook in het algemeen van de gehele aanvalspolitiek tegen de revolutie op zich nam. De arbeiders antwoordden met verzet. Een golf van grotere stakingen en andere conflicten rolde door het land. Terwijl de meest ervaren groepen van de arbeidersklasse voorzichtigheid nastreefden, traden de nieuwe en frisse groepen des te stoutmoediger in de strijd. Terwijl de metaalarbeiders een afwachtende houding aannemen om zich beter voor te bereiden, stormden de arbeiders van de textiel-, de gummi-, de papier- en de lederindustrie het slagveld op. De meest achterlijke en slaafse groepen arbeiders kwamen in beweging. Kiev werd verontrust door een heftige staking van de huisknechten en portiers: zij gingen van huis tot huis, doofden de lichten uit, namen de sleutels van de liften weg, openden de deuren, … Elk conflict, wat ook de aanleiding ervan was, had de neiging om zich uit te breiden over een gehele tak van industrie en een principieel karakter aan te nemen. De leerarbeiders van Moskou begonnen in augustus met ondersteuning van de arbeiders uit het gehele land een langdurige en hardnekkige strijd om het recht van de fabriekscomités, om arbeiders aan te stellen en te ontslaan. In vele gevallen, vooral in de provincie, kregen de stakingen een dramatisch karakter en leidden zij tot arrestaties van de ondernemers door de stakers. De regering predikte de arbeiders gelatenheid, ging een coalitie met de industriëlen aan, zond Kozakken naar het Donetzgebied en verdubbelde de prijzen voor brood en oorlogsleveringen. Terwijl deze politiek de verontwaardiging onder de arbeiders tot het uiterste deed toenemen, leverde zij tevens de ondernemers niets op. “Skobeljews opluchting,” jammert Auerbach, een van de leiders van de zware industrie, “heeft nog geen opluchting onder de commissarissen in de provincie gebracht… In het ministerie… vertrouwde men de eigen agenten in de provincie niet… Men liet arbeidersvertegenwoordigers naar Petrograd komen, sprak hen in het Marmeren Paleis toe, schold hen uit en trachtte tussen hen en de industriëlen en ingenieurs een verzoening tot stand te brengen.” Dit alles leidde echter tot niets: de arbeidersmassa’s kwamen in die tijd reeds meer en meer onder de invloed van leiders die meer vastberaden en minder scrupuleus als demagoog waren.

Economisch defaitisme was het voornaamste wapen van de ondernemers tegen de dubbele heerschappij in de bedrijven. Op een conferentie van de fabriekscomités die in de eerste helft van augustus gehouden werd, kwam de gehele op desorganisatie en stopzetting van de productie gerichte destructiepolitiek van de industriëlen aan het licht. Behalve van financiële machinaties maakte men op grote schaal gebruik van het verbergen van materiaal, sluiting van werkplaatsen, reparatie-inrichtingen, … John Reed, die als Amerikaans correspondent toegang had tot de meest verschillende kringen, vertrouwelijke inlichtingen van de diplomatieke vertegenwoordigers van de Entente kreeg en openlijke bekentenissen van de Russische burgerlijke politici moest aanhoren, geeft krasse bewijzen van de sabotage van de ondernemers. “De secretaris van de Petrogradse afdeling van de kadettenpartij,” schrijft Reed, “zei mij dat het economisch verval een onderdeel was van de campagne die gevoerd werd om de revolutie te discrediteren. Een diplomaat van de Entente, wiens naam ik niet mag noemen, bevestigde mij dit zelf. Er zijn mij kolenmijnen in de buurt van Charkow bekend die door de bezitters in brand gestoken of onder water gezet werden. Ik ken Moskouse textielfabrieken waar de ingenieurs het werk staakten en de machines onbruikbaar maakten. Ik ken spoorwegbeambten die door de arbeiders op heterdaad betrapt werden bij het beschadigen van locomotieven.” Zo was de gruwelijke economische werkelijkheid. Zij was geen onderdeel van de illusies van de verzoeningsgezinden, niet van de coalitiepolitiek, maar van de voorbereiding van de opstand door Kornilov.

De heilige alliantie kon zich aan het front evenmin doorzetten als in het achterland. “Arrestaties van enkele bolsjewieken brachten geen oplossing,” jammert Stankevitsj. “De misdadige geest zat in de lucht, maar zij was niet tastbaar, omdat de gehele massa ermee besmet was.” Indien de soldaten meer gereserveerd geworden waren, dan kwam dit slechts doordat zij hun haat tot op zekere hoogte hadden leren bedwingen. Werd het hun echter toch te machtig, dan kwamen hun werkelijke gevoelens des te krasser tot uiting. Een compagnie van het Doebenskiregiment, die op grond van haar weigering om een nieuw benoemde compagniescommandant te erkennen, ontbonden zou worden, bracht nog enkele compagnieën en tenslotte het gehele regiment tot muiten, en toen de regimentscommandant poogde de orde met wapengeweld te herstellen, werd hij met geweerkolven doodgeslagen. Dit had plaats op 31 juli. Ook al kwam het in de andere regimenten niet zo ver, dan kon het naar de mening van de officieren toch ieder ogenblik daartoe komen.

Midden augustus rapporteerde generaal Sjtsjerbatsjev aan het hoofdkwartier: “De stemming onder de infanterietroepen is, met uitzondering van de bataljons des doods, volkomen onzeker – dikwijls verandert zij binnen enkele dagen bij enkele infanterietroepen in lijnrecht tegenovergestelde zin.” Vele commissarissen begonnen in te zien dat er met de methoden van juli geen succes te bereiken was. “De instelling van revolutionaire krijgsraden aan het westelijk front,” meldde de commissaris Jamandt op 22 augustus, “brengt in de praktijk een grote onenigheid tussen de legerleiding en de massa van de bevolking teweeg en brengt deze krijgsraden zelf in diskrediet.” Het Kornilovse programma tot redding was reeds vóór de opstand van het hoofdkwartier voldoende beproefd en had tot een zelfde mislukking geleid.

De bezittende klassen waren voor niets zo beducht als voor symptomen van ontbinding onder de Kozakken: daar dreigde hun laatste lijfwacht ineen te storten. Kozakkenregimenten hadden in februari in Petrograd de monarchie zonder ook maar enige tegenstand uitgeleverd. Weliswaar hadden de Kozakkenautoriteiten bij zich thuis, in Novotsjerkassk, getracht het telegrafische bericht van de omwenteling achter te houden en op 1 maart met de gebruikelijke plechtigheid de mis voor Alexander II gehouden. De Kozakken waren, als het er op aan kwam, bereid het zonder tsaar te stellen en ontdekten zelfs republikeinse tradities in hun verleden. Maar verder wilden zij in geen geval gaan. De Kozakken hadden van meet af aan geweigerd afgevaardigden naar de Sovjet van Petrograd te zenden, om zich niet bij de arbeiders en soldaten aan te sluiten en een sovjet van de Kozakkenlegers gevormd die alle twaalf Kozakkenlegers in de persoon van hun leiders in het achterland omvatte. De bourgeoisie wilde op de Kozakken steunen tegen de arbeiders en boeren en ze slaagde daar ook gedeeltelijk in.

De politieke rol die de Kozakken speelden, werd bepaald door de bijzondere positie die zij in de staat innamen. De Kozakken vormden van oudsher een bijzondere geprivilegieerde lagere stand. De Kozakken betaalden generlei belasting en hadden de beschikking over een veel groter deel van de grond dan de boeren. In de bij elkaar gelegen districten Don, Koeban en Terek, had een bevolking van drie miljoen Kozakken drieëntwintig miljoen desjatinen land in handen. Terwijl er op 4,3 miljoen zielen van de boerenbevolking van diezelfde districten slechts zes miljoen desjatinen kwamen: per hoofd bij de Kozakken gemiddeld vijf maal meer dan bij de boeren. Onder de Kozakken zelf was de grond natuurlijk buitengewoon ongelijkmatig verdeeld. Er waren hier grootgrondbezitters en koelakken, machtiger dan in het noorden; er waren ook arme boeren. Iedere Kozak was verplicht om op de eerste oproep van de staat met zijn eigen paard en eigen uitrusting te verschijnen. Voor de rijke Kozakken werden deze uitgaven rijkelijk goed gemaakt door de belastingvrijheid. De lagere klassen gingen gebukt onder het juk van de Kozakkenplichten. Deze voornaamste gegevens werpen een voldoende licht op de tegenstellingen onder de Kozakken. De lagere groepen stonden dicht bij de boeren, de hogere bij de grootgrondbezitters. Tegelijkertijd werden hogere en lagere groepen verenigd door het besef van hun bijzondere positie en hun uitverkoren zijn, en zij waren gewoon om niet alleen op de arbeiders maar ook op de boeren uit de hoogte neer te zien. Dit was het juist wat de doorsnee Kozak zo geschikt maakte voor de rol van strafvoltrekker.

Tijdens de oorlogsjaren, toen de jongere generaties aan het front waren, hadden in de Kozakkendorpen de ouden, de dragers van conservatieve tradities die nauw verbonden waren met hun officieren, het heft in handen. Onder het mom van de weer herleefde Kozakkendemocratie vormden de Kozakkengrootgrondbezitters in de eerste maanden van de revolutie de zogenaamde legerbonden, die de Hetman, een soort president, en de “legerregeringen” moesten kiezen. De officiële commissarissen en sovjets van de niet-Kozakse bevolking hadden in de Kozakkendistricten generlei macht, want de Kozakken waren sterker, rijker en beter gewapend. De sociaal-revolutionairen trachtten gemeenschappelijke sovjets uit boeren- en Kozakkenafgevaardigden te vormen. Maar de Kozakken toonden zich hiertoe niet bereid aangezien zij niet ten onrechte bang waren dat de agrarische revolutie hen een deel van de grond zou ontnemen. Niet toevallig liet Tsjernov zich in zijn hoedanigheid van minister van landbouw ontvallen: “De Kozakken zullen zich een beetje moeten samendringen op hun grond.” Belangrijker was nog dat de boeren en de soldaten in de infanterieregimenten steeds vaker tot de soldaten zeiden: “Wij zullen uw grond wel weten te krijgen: het moet uit zijn met uw heerschappij.” Zo zag het er in het achterland, in de Kozakkendorpen, en in zekere zin ook in het garnizoen van Petrograd, het politieke centrum, uit. Hierdoor wordt ook het optreden van de Kozakkenregimenten bij de Julidemonstratie verklaard.

Aan het front was de toestand geheel anders. In totaal waren er in de zomer van 1917 honderdtweeënzestig regimenten en honderdeenenzeventig compagnieën bij de actieve Kozakkenlegers. Uit hun dorpen weggerukt, deelden de front-Kozakken de ellende van de oorlog met het gehele leger en maakten ze, hoewel veel langzamer, de evolutie van de infanterie door. Ze verloren hun geloof aan de overwinning, werden verbitterd door de chaos, morden tegen hun superieuren en snakten vol verlangen naar vrede en naar huis. Langzamerhand werden vijfenveertig regimenten en ongeveer vijfenzestig compagnieën uit het leger gevormd tot het verrichten van politiediensten aan het front en in het achterland. De Kozakken werden weer gendarmes. De soldaten, boeren en arbeiders ketterden tegen hen en herinnerden hen aan hun beulenwerk in het jaar 1905. Vele Kozakken die trots waren gaan worden op hun houding in februari, begonnen zich onbehagelijk te voelen. De Kozak begon zijn nagaika te vervloeken en weigerde meermaals om deze nog langer te dragen. Er waren weinig deserteurs onder de Don- en Koebankozakken; zij waren bang voor hun ouden in de dorpen. De superieuren konden in het algemeen de Kozakkentroepen veel langer in de hand houden dan de infanterie.

Van de Don en van Koeban kwamen er berichten aan het front dat de Kozakkenleiders samen met de ouden hun eigen regering gevormd hadden zonder eerst overleg te plegen met de Kozakken aan het front. Hierdoor werd de sluimerende sociale tegenstelling gewekt: “Als wij naar huis komen, zullen we het hen eens aan hun verstand brengen,” zeiden de frontsoldaten meer dan eens. De Kozakkengeneraal Krassnow, een van de leiders van de Donse contrarevolutie, beschrijft levendig hoe de hechte Kozakkentroepen aan het front uiteenvielen: “Men begon meetings te houden en de meest krasse resoluties werden aangenomen… De Kozakken hielden ermee op de paarden te verzorgen en geregeld te voederen. Aan het houden van oefeningen viel in het geheel niet te denken. De Kozakken tooiden zich met paarse sjaals, deden rode banden om en wilden van gehoorzaamheid aan de officieren niets weten.” De Kozak had echter lang geaarzeld, zich op het hoofd gekrabd en gezocht in welke richting hij zich kon wenden, voordat hij definitief hiertoe gekomen was. Het was daarom niet gemakkelijk om op het kritieke moment te voorspellen hoe deze of gene Kozakkentroep zich zou gedragen.

Op 8 augustus sloot de bond van legers aan de Don een bondgenootschap met de kadetten voor de verkiezingen voor de Constituerende Vergadering. Het nieuws daarvan drong terstond door in het leger. “Het bondgenootschap werd,” schrijft de Kozakkenofficier Janov, “bij de Kozakken ongunstig ontvangen. De kadettenpartij wortelde niet in het leger.” Inderdaad haatte het leger de kadetten en identificeerde hen met al wat de volksmassa’s onderdrukte. “De ouden hebben u aan de kadetten verkocht,” hoonden de soldaten. – “Wij zullen het hun aan hun verstand brengen!” Zo antwoordden de Kozakken. Kozakkentroepen aan het Westfront kenschetsten in een bijzondere verklaring de kadetten als “de gezworen vijanden en onderdrukkers van het arbeidende volk” en verlangden dat diegenen die het gewaagd hadden het bondgenootschap met de kadetten aan te gaan allemaal uit de legerbond zouden worden uitgesloten.

Kornilov, die zelf een Kozak was, rekende vast op de hulp van de Kozakken, vooral van de Donkozakken, en deed de voor de omwenteling bestemde troepenmacht voor een groot deel uit Kozakken bestaan. De Kozakken deden echter niets om “de boerenzoon” te hulp te komen. De Dorpskozakken waren bereid om thuis hun land hardnekkig te verdedigen, maar ze hadden geen zin om aan vreemde vechtpartijen deel te nemen. Ook het derde cavaleriekorps stelde de verwachtingen teleur. Terwijl de Kozakken vijandig tegenover de verbroedering met de Duitsers stonden, kwamen zij aan het Petrogradse front de soldaten en matrozen bereidwillig tegemoet: deze verbroedering deed het plan van Kornilov zonder bloedvergieten mislukken. Zo verzwakte en barstte de laatste steunpilaar van het oude Rusland, de Kozakken.

Intussen werd ver buiten de grenzen van het land, op Frans grondgebied, een “grootscheepse poging tot vernieuwing” van de Russische troepen, die buiten de invloedsfeer van de bolsjewieken lag en daarom te meer sprekend was, gedaan. In de zomer en de herfst drongen er in de Russische pers berichten van een onder de Russische troepen in Frankrijk ontbrande gewapende muiterij door, maar in de roes van de gebeurtenissen was er hier vrijwel geen aandacht voor. De soldaten van twee Russische brigades in Frankrijk zouden, volgens de officier Lissowski, reeds tegen januari 1917, vóór de revolutie dus, “tot de vaste overtuiging gekomen zijn dat zij allemaal in ruil voor munitie aan de Fransen verkocht waren.” De soldaten hadden dit nog niet zo verkeerd. Voor hun gastheren van de Entente hadden zij “niet de minste sympathie,” in hun officieren niet het minste vertrouwen. Het nieuws van de revolutie trof de brigade in het buitenland politiek niet geheel onvoorbereid – maar toch onverwacht. Nadere inlichtingen over de revolutie waren er van de officieren niet te verwachten: de verwarring bleek groter naarmate de officieren hoger in rang waren. Democratische patriotten doken uit de emigratie in de kampen op. “Meer dan eens,” schrijft Lissowski, “zag men hoe sommige diplomaten en officieren van de garderegimenten – ijverig stoelen lieten aanrukken voor vroegere emigranten.” Er werden bij de regimenten gekozen lichamen gevormd, waarbij spoedig een Lets soldaat de hoofdrol speelde als leider van het comité. Ook hier was derhalve de “vreemdeling” te vinden. Het eerste regiment dat in Moskou gevormd was en bijna geheel uit arbeiders, handelsbedienden en kantoorbedienden, in het algemeen uit proletarische en halfproletarische elementen samengesteld was, had een jaar geleden het eerst Frankrijk betreden en gedurende de winter dapper gevochten op de slagvelden in de Champagnestreek. Maar – de “slopende ziekte maakte zich het eerst juist van dit regiment meester.” Het tweede regiment met een veel groter percentage boeren bleef langer rustig. De tweede brigade, die bijna geheel uit Siberische boeren bestond, leek absoluut betrouwbaar. Reeds spoedig na de Februarirevolutie weigerde de eerste brigade gehoorzaamheid. Zij wilde noch om de Elzas, noch om Lotharingen vechten. Zij wilde niet voor het schone Frankrijk sterven. Zij wilde proberen in het nieuwe Rusland te leven. De brigade werd teruggevoerd naar het achterland en ondergebracht in het centrum van Frankrijk, in het kamp van La Courtine. “Temidden van de rustige villadorpen van de bourgeoisie,” vertelt Lissowski, “begon er in het reusachtige kamp een zeer ongewoon leven van de ongeveer tienduizend oproerige, gewapende Russische soldaten die geen officieren boven zich hadden en zich absoluut aan niemand wilden onderwerpen.” Kornilov kreeg de zeldzame gelegenheid om zijn tuchtigingsmethoden met behulp van Poincaré en Ribot, die sterk met hem sympathiseerden, toe te passen. De opperbevelhebber gaf telegrafisch bevel om de soldaten van La Courtine “tot gehoorzaamheid” te dwingen en hen naar Saloniki over te brengen. De muiters wilden zich echter niet overgeven. Op 1 september werd zware artillerie aangevoerd en in het kamp werden plakkaten met het barse telegram van Kornilov aangeplakt. Nu deed zich echter een nieuwe complicatie voor: in de Franse pers verscheen het bericht dat Kornilov zelf tot verrader en contrarevolutionair verklaard was. De muitende soldaten kwamen nu definitief tot de conclusie, dat er voor hen geen reden bestond om in Saloniki te sterven en dat nog wel op bevel van een verraderlijke generaal. De in ruil voor munitie verkochte arbeiders en boeren besloten stand te houden. Zij weigerden om met een vreemde, wie het ook zijn mocht, te spreken. Geen enkele soldaat verliet het kamp. De tweede Russische brigade werd tegen de eerste gezonden. Artillerie werd in stelling gebracht op de naburige berghellingen en de infanterie groef volgens de regels van de pionierskunst loopgraven en toegangswegen naar La Courtine. De omgeving werd door Alpenjagers hermetisch afgesloten opdat geen Fransman op het slagveld van de twee Russische brigades kon doordringen. Zo ensceneerden de militaire autoriteiten van Frankrijk op Frans grondgebied een Russische burgeroorlog die zij angstvallig met een haag van bajonetten afsloten. Dit was de generale repetitie. Daarna organiseerde het heersende Frankrijk de burgeroorlog op Ruslands grondgebied zelf dat met een prikkeldraadversperring geblokkeerd werd.

“Men begon het kamp regelrecht en stelselmatig te beschieten.” Enkele honderden soldaten traden uit het kamp naar buiten, bereid om zich over te geven. Zij werden weggeleid en het artillerievuur werd direct weer hervat. Zo ging het vier dagen en vier nachten lang. De soldaten van La Courtine gaven zich bij groepjes over. Op 6 september waren er in totaal nog slechts tweehonderd man overgebleven, vastbesloten om zich niet levend over te geven. Aan hun hoofd stond de Oekraïner Globa, een baptist en fanaticus: in Rusland zou men hem bolsjewiek genoemd hebben. Onder dekking van geschut, machinegeweer en geweervuur, dat tot één groot rumoer versmolt, begon een regelrechte bestorming. Tenslotte waren de muiters onderdrukt. Het aantal slachtoffers is nooit bekend geworden. De orde was weer hersteld. Reeds na enkele weken werd echter de tweede brigade die op de eerste gevuurd had door dezelfde ziekte aangegrepen…

De Russische soldaten hadden de verschrikkelijke besmettelijke ziekte over zee meegebracht in hun ransels, in de plooien van hun mantels, in het diepst van hun ziel. De gebeurtenis van La Courtine is daarom zo merkwaardig, omdat zij een als het ware opzettelijk in een luchtledig geschapen ideale gelegenheid biedt om de door het gehele verleden van het land voorbereide innerlijke processen in het Russische leger te bestuderen.

De burgerij meet haar kracht met de democratie

Op 28 augustus, toen koortsachtige angst het Winterpaleis kwelde, meldde de commandant van de “wilde” divisie, vorst Bagration, telegrafisch aan Kornilov dat “de soldaten hun plicht tegenover het vaderland vervulden en op bevel van hun heldhaftige opperbevelhebber… hun bloed tot de laatste druppel zouden vergieten.” Reeds enkele uren later kwam de opmars van de “wilde” divisie tot staan en op 31 augustus verzekerde een buitengewone deputatie met bovengenoemde Bagration aan het hoofd aan Kerenski dat de divisie zich volledig aan de Voorlopige Regering onderwierp. Dit alles had plaats niet alleen zonder enige strijd maar ook zonder dat er één schot gelost werd. Het kwam niet alleen niet tot de laatste maar zelfs niet tot de eerste bloeddruppel. De soldaten van Kornilov deden niet eens een poging om zich met wapengeweld een weg naar Petrograd te banen. De officieren hadden het niet gewaagd hen dit te bevelen. De regeringstroepen zagen zich nergens genoodzaakt geweld te gebruiken om de troepen van Kornilov het oprukken te beletten. De samenzwering stortte ineen, brokkelde af, ging in rook op.

Een nadere beschouwing van de krachten die aan de strijd deelnamen, volstaat om dit te verklaren. Wij zullen daarbij in de eerste plaats moeten constateren – en deze ontdekking zal ons niet verbazen – dat de staf van de samenzweerders de vroegere tsaristische staf was, een staf die bestond uit mensen zonder hersens, die niet in staat waren om het door hen begonnen grote spel te overzien. Alhoewel Kornilov al weken op voorhand de dag van de omwenteling vastgesteld had, was voor niets van tevoren gezorgd en was niets behoorlijk geregeld. De militaire voorbereiding van de opstand deugde niet en was zonder enig systeem en op lichtvaardige wijze gebeurd. Vlak vóór de opmars, terwijl men reeds oprukte, werden nog gewichtige veranderingen in de organisatie en in de leiding aangebracht. De “wilde” divisie die aan de revolutie de eerste slag moest toebrengen, telde in totaal 350 soldaten, die 600 geweren, 1000 lansen en 500 sabels te kort kwamen. Vijf dagen vóór het begin van de krijgsverrichtingen gaf Kornilov bevel om de divisie tot een legerkorps om te vormen. Deze maatregel, die reeds in de leerboeken verwerpelijk genoemd wordt, achtte men klaarblijkelijk nodig om de officieren door hogere lonen aan te lokken. “Het telegram waarin stond dat de ontbrekende wapens in Pskov geleverd zouden worden,” schrijft Martynov, “werd pas op 31 augustus, na de definitieve mislukking van de gehele onderneming, door Bagration ontvangen.”

Het hoofdkwartier ging eveneens pas op het allerlaatste ogenblik over tot het opeisen van instructeurs van het front naar Petrograd. De daartoe aangewezen officieren werden rijkelijk van geld en eigen wagons voorzien. De patriottische heren haastten zich echter klaarblijkelijk niet erg om het vaderland te redden. Na twee dagen was de spoorwegverbinding tussen het hoofdkwartier en de hoofdstad verbroken en het merendeel van de opgeroepen officieren bereikte de plaats waar de heldendaden moesten verricht worden helemaal niet.

Er bestond in de hoofdstad een eigen organisatie van aanhangers van Kornilov met ongeveer tweeduizend leden. De samenzweerders werden in groepen verdeeld die elk een speciale taak hadden: buitmaken van pantserauto’s, arrestatie en vermoorden van de bekendste Sovjetleden, arrestatie van de Voorlopige Regering, vervulling van de voornaamste ambten. Volgens de reeds hierboven genoemde Winberg, de voorzitter van het verbond van de dienstplichtigen, “moesten bij het binnenrukken van de troepen van Krymow de voornaamste revolutionaire krachten reeds gebroken, vernietigd of onschadelijk gemaakt zijn, zodat Krymow nog slechts de orde in de stad had te handhaven.” Weliswaar was men in Mohilew van mening dat dit programma van actie overdreven was en men vertrouwde Krymow de voornaamste taak toe, maar ook het hoofdkwartier verwachtte toch zeer belangrijke hulp van de afdelingen van het republikeinse centrum. De Petrogradse samenzweerders kwamen echter in het geheel niet voor de dag, zij verroerden geen vin, staken geen vinger uit en deden alsof zij in het geheel niet bestonden. Winberg geeft een zeer eenvoudige verklaring van dit raadsel. Het bleek dat de leider van de contraspionagedienst, overste Heimann, de meest belangrijke uren in een restaurant in de buitenwijken doorbracht, terwijl overste Sidorin, die volgens directe opdracht van Kornilov de werkzaamheden van alle patriottische verenigingen in de hoofdstad zou leiden, en overste Ducimétière, de leider van de militaire afdeling, “spoorloos verdwenen en nergens te vinden waren.” De overste van de Kozakken Doetov, die “onder bolsjewistisch mom” zou optreden, beklaagde zich later: “Ik liep rond… om de straat op te roepen, maar niemand volgde mij.” De voor de organisatie bestemde geldsommen werden, volgens Winberg, door de hogere leden gebruikt of verbrast. Overste Sidorin had zich, naar Denikin beweert, “in Finland verborgen met het laatste deel van het geld van de organisatie, ongeveer honderdvijftigduizend roebel.” Lvov, die wij het laatst als arrestant in het Winterpaleis ontmoet hebben, vertelde later over een geldgever achter de schermen die een belangrijke som aan officieren wilde geven, maar de samenzweerders op de afgesproken plaats zo stomdronken aantrof dat hij ze het geld niet gaf. Winberg zelf meent dat het plan, zonder deze ergerlijke “toevalligheden”, best had kunnen slagen. Dan blijft echter toch nog de vraag waarom zich overwegend drinkers, knoeiers en verraders rond die patriottische onderneming groepeerden? Was het misschien omdat elke historische onderneming de krachten weet te mobiliseren die bij haar passen?

Wat de personen van de samenzweerders betreft en allereerst de leiding, daar was het slecht mee gesteld. “Generaal Kornilov” was volgens de rechtse kadet Isgojew “de meest populaire generaal… bij de burgerlijke bevolking, maar niet bij de troepen, toch niet bij die troepen in het achterland die ik kon gadeslaan.” Isgojew verstaat hier onder de burgerbevolking het publiek van het Nevski-Prospect. Voor de volksmassa’s én aan het front én in het achterland was Kornilov een vreemde, een vijand en een gehaat iemand.

De tot bevelhebber van het derde cavaleriekorps benoemde generaal Krassnow, een monarchist die spoedig daarna poogde als vazal bij Wilhelm II onderdak te vinden, verwonderde zich erover dat “Kornilov, die zoiets groots ondernam, zelf in Mohilew bleef, in een kasteel, omgeven door de Turkmenen en stootbrigadiers, alsof hij zelf aan het succes van de onderneming twijfelde.” Op de vraag van de Franse journalist Claude Anet waarom Kornilov op het beslissende moment niet zelf tegen Petrograd opgerukt was, antwoordde het hoofd van de samenzwering: “Ik was ziek, ik leed aan een heftige aanval van malaria en had niet mijn gewone energie.”

Wat een samenloop van ongelukkige toevalligheden: zo pleegt het altijd te gaan als een onderneming bij voorbaat tot mislukking gedoemd is. De stemming van de samenzweerders schommelde tussen brooddronkenheid en grenzeloze hoogmoed aan de ene kant en volslagen wanhoop bij de eerste de beste werkelijke tegenslag aan de andere kant. Het ging niet om Kornilovs malaria, maar om een veel ernstigere, fatalere en ongeneeslijke ziekte die de wilskracht van de bezittende klassen verlamde.

De kadetten bestreden in alle ernst dat Kornilov contrarevolutionaire bedoelingen had. Zij begrepen daaronder het herstel van de monarchie van de Romanovs. Alsof het daarom ging! Het “republikanisme” van Kornilov belette de monarchist Loekomski geenszins met hem samen te gaan en evenmin de voorzitter van het Verbond van echte Russen, Rimski-Korsakov, om op de dag van de opstand aan Kornilov te telegraferen: “Ik bid vurig tot God dat hij u moge helpen om Rusland te redden, ik stel mij geheel tot uw beschikking.” Het goedkope republikeinse vaantje schrikte de Zwarte Honderd-aanhangers van het tsarisme niet af. Zij begrepen dat aan het programma van Kornilov hijzelf, zijn verleden, zijn Kozakkenuniform, zijn verbindingen en geldbronnen en vooral zijn oprechte wil om de revolutie de hals af te snijden ten grondslag lagen.

Kornilov, die zich in zijn oproepen omschreef als “de zoon van een boer,” steunde bij zijn omwentelingsplan volkomen op de Kozakken en de bergtroepen. Er was onder de soldaten die tegen Petrograd op moesten marcheren geen enkele afdeling infanterie. Kornilov had geen contact met de moezjieks en hij probeerde dit ook niet te krijgen. Er was weliswaar een landbouwhervormer in het hoofdkwartier in de persoon van een zekere professor die aan elke soldaat een fantastisch stuk grond meende te kunnen beloven. De desbetreffende oproep werd echter nooit gepubliceerd: de generaals werden van demagogie op landbouwgebied weerhouden door de niet ongemotiveerde angst dat zij de grootgrondbezitters schrik zouden aanjagen en zouden afstoten.

De Mohilewsche boer Tadausj, die in de gelegenheid was de omgeving van het hoofdkwartier in die dagen van dichtbij waar te nemen, deelt mee dat onder de soldaten en in de dorpen niemand geloof hechtte aan de manifesten van de generaal: “hij wil de macht, maar geen woord over land, geen woord over beëindiging van de oorlog.” De massa’s waren in de zes maanden van revolutie een beetje thuis geraakt in de voornaamste kwesties. Kornilov bracht het volk slechts oorlog, bescherming van de voorrechten van de generaals en van de grootgrondbezitters. Hij kon het volk niets anders geven en dit verwachtte ook niets anders van hem. Deze onmogelijkheid voor de samenzweerders om op de uit boeren bestaande infanterie, laat staan op de arbeiders, te kunnen steunen – een onmogelijkheid die bij voorbaat vaststond – was juist een bewijs ervan hoe de Kornilovse kliek maatschappelijk tot de ondergang gedoemd was.

Het beeld van de politieke krachten dat de diplomaat van het hoofdkwartier, vorst Troebetzkoi, ophing, was in vele opzichten juist, maar in één opzicht onjuist: van die onverschilligheid waarmee het bereid is “iedere zweepslag te ondergaan,” was bij het volk niets te bespeuren. Integendeel, de massa’s wachtten als het ware slechts op een dreiging met de zweep om te laten zien welke bronnen aan energie en zelfopoffering in hen verborgen waren. Deze foutieve beoordeling van de stemming onder de massa’s deed alle overige berekeningen falen.

De samenzwering werd geleid door die kringen die niet gewend en ook niet er toe in staat waren om iets te doen zonder het lagere volk, zonder vreemde arbeidskrachten, zonder kanonnenvlees, zonder oppassers, dienstboden, schrijvers, chauffeurs, kruiers, keukenmeiden, wasvrouwen, wisselwachters, telegrafisten, paardenknechten, koetsiers. Al deze kleine, deze onopvallende, ontelbare, onontbeerlijke mensen, waren echter vóór de sovjets en tegen Kornilov. De revolutie was alom tegenwoordig. Zij drong overal door en achterhaalde de samenzwering. Zij had overal haar ogen, oren en armen.

Een ideale militaire scholing bestaat daarin dat de soldaat achter de rug van zijn superieur juist zo handelt als onder diens ogen. Terwijl de Russische soldaten en matrozen in het jaar 1917 de officiële bevelen zelfs onder ogen van hun commandanten weigerden uit te voeren, luisterden zij nauwgezet naar de revolutionaire bevelen en nog vaker volgden zij deze reeds voordat zij hen bereikten op eigen initiatief op. De talloze dienaren van de revolutie, haar agenten, boodschappers en strijders, hadden geen aansporingen of toezicht nodig.

Formeel behoorde het tot de taak van de regering om de samenzwering te liquideren. Het Uitvoerend Comité verleende zijn bijstand. In werkelijkheid ging de strijd langs heel andere wegen. Terwijl Kerenski, gebukt onder de last van een bovenmenselijke verantwoordelijkheid, eenzaam over de parketvloeren van het Winterpaleis ijsbeerde, was het Verdedigingscomité, dat ook wel Militair Revolutiecomité genoemd werd, krachtig werkzaam. Vanaf het aanbreken van de dag werden telegrafische instructies aan de spoorweg-, de post- en de telegrafiebeambten, alsook aan de soldaten gegeven. “Alle troepenbewegingen hebben,” zo berichtte Dan dezelfde dag nog, “plaats op bevel van de Voorlopige Regering, gecontrasigneerd door het Comité ter verdediging van het volk.” Ontdaan van alle omhaal betekent dit dat het comité ter verdediging van het volk over de troepen beschikte in naam van de Voorlopige Regering. Tegelijkertijd ging men ertoe over de Kornilovse broeinesten in Petrograd zelf uit te roeien door huiszoekingen en arrestaties in de krijgsscholen en officierenorganisaties te verrichten. De hand van het comité was overal voelbaar. Vrijwel niemand interesseerde zich voor de gouverneur-generaal.

De lagere sovjetorganisaties wachtten op hun beurt niet eerst de aanwijzingen van hogerhand af. Men schonk vooral aandacht aan de wijken. In de uren van de grootste aarzeling van de regering en de eindeloze onderhandelingen van het Uitvoerend Comité met Kerenski sloten de wijksovjets zich nauwer aaneen en besloten om de wijkvergadering permanent te verklaren, eigen afgevaardigden aan de door het Uitvoerend Comité gevormde staf toe te voegen, een arbeidersmilitie te vormen, de regeringscommissarissen onder controle van de wijksovjets te stellen en vliegende afdelingen te organiseren met het doel de contrarevolutionaire propagandisten gevangen te nemen. Deze maatregelen betekenden in het algemeen niet alleen een aanmatiging van belangrijke functies van de regering, maar ook van functies van de Sovjet van Petrograd. De situatie leidde ertoe dat de hogere sovjetorganen hun werkzaamheden sterk moesten beperken om plaats te maken voor de lagere. Het deelnemen van de Petrogradse wijken aan de strijd bracht een grote verandering in deze teweeg wat betreft richting en omvang. Eens te meer bleek in de praktijk welk een onuitputtelijke levenskracht de sovjetorganisatie heeft: terwijl zij van hogerhand door de verzoeningsgezinde leiders lam gelegd was, ontwaakte zij op het kritieke ogenblik onder de aandrang van de volksmassa’s van onderop tot nieuw leven.

De opstand van Kornilov kwam voor de bolsjewieken, die de voornaamste drijfkracht in de wijken waren, allerminst onverwacht. Zij hadden deze opstand voorzien, hadden ervoor gewaarschuwd en waren het eerst op hun post. Reeds in de verenigde vergadering van de Uitvoerende Comités op 27 augustus deelde Sokolnikov mee dat de bolsjewistische partij alle mogelijke maatregelen genomen had om het volk op de hoogte te brengen van het gevaar en de verdediging voor te bereiden. De bolsjewieken verklaarden zich ertoe bereid hun werkzaamheden voor de strijd te verrichten in overeenstemming met de organen van het Uitvoerend Comité. In de nachtelijke zitting van de Militaire Organisatie van de bolsjewieken, waaraan afgevaardigden van talrijke troepenafdelingen deelnamen, werd besloten de arrestatie van alle samenzweerders te eisen, de arbeiders te bewapenen en daartoe soldaten als instructeurs aan te wijzen, de verdediging van de hoofdstad door het volk te verzekeren en tegelijkertijd zich op de vorming van een uit arbeiders en soldaten bestaande revolutionaire regering voor te bereiden. De Militaire Organisatie belegde meetings in het gehele garnizoen. De soldaten werden opgeroepen om zich gereed te houden en bij het eerste alarm uit te rukken.

“Los van het feit dat zij in de minderheid waren,” schrijft Soechanov, “was het volkomen duidelijk dat de bolsjewieken de overhand in het Militaire Revolutie Comité hadden.” Hij noemt als redenen daarvan: “Indien het Comité werkelijk handelend wilde optreden, moest het revolutionair handelen,” maar voor revolutionaire daden “hadden alleen de bolsjewieken de middelen,” want de massa’s waren op hun hand. De spanning van de strijd deed overal de meest actieve en moedige elementen naar voren komen. Deze automatische selectie kwam onvermijdelijk de bolsjewieken ten goede, versterkte hun invloed en het maakte dat zij het initiatief hadden waardoor ze de feitelijke leiding hadden, zelfs in die organisaties waar zij in de minderheid waren. Hoe dichter men bij de wijk, de bedrijven, de kazernes kwam, des te onbetwister en volkomen was de heerschappij van de bolsjewieken. Alle partijcellen zijn op de been gebracht. Bij de vakgroepen in de grootbedrijven is een onafgebroken wachtdienst van de bolsjewieken georganiseerd. In het wijkcomité van de partij houden vertegenwoordigers van de kleinere bedrijven de wacht. De verbinding loopt van onderop, van de werkplaats via de wijken tot het centraal comité van de partij.

Onder directe druk van de bolsjewieken en de door deze geleide organisaties verklaarde het Verdedigingscomité dat het gewenst was om enkele groepen arbeiders te bewapenen ter bescherming van de arbeiderswijken, de fabrieken en de werkplaatsen. De massa’s hadden slechts op deze verklaring gewacht. Er vormden zich volgens de arbeidersbladen “lange files die tot de Rode Garde wilden toetreden.” Men begon zich te oefenen in het hanteren van wapens en het schieten. Ervaren soldaten werden als instructeur aangesteld. Reeds op 29 augustus ontstonden er in nagenoeg alle wijken weerkorpsen. De Rode Garde verklaarde zich bereid direct een afdeling van veertigduizend man uit te rusten. De ongewapende arbeiders vormden troepen tot het maken van loopgraven of nog het bouwen van prikkeldraadversperringen. De nieuwe gouverneur-generaal Paltsjinski die Savinkov opgevolgd had – Kerenski had zijn handlanger niet meer dan drie dagen kunnen handhaven – moest in een bijzondere verklaring toegeven dat, “toen er een tekort aan pioniers voor de verdediging van de hoofdstad ontstond, duizenden arbeiders… door persoonlijke, niet betaalde arbeid in enkele uren tijd een reusachtige prestatie verrichtten die zonder hun hulp enkele dagen in beslag genomen zou hebben.” Dit belette Paltsjinski niet om in navolging van Savinkov het bolsjewistische blad, het enige dat de arbeiders als hun blad beschouwden, te verbieden.

De Poetilovfabriek Gigant wordt het centrum van het verzet in de wijk Petershof. In allerijl worden strijdorganisaties gevormd. Dag en nacht wordt er in de bedrijven doorgewerkt: nieuwe kanonnen worden gemonteerd voor de vorming van proletarische artilleriedivisies. De arbeider Minitsjev vertelt: “Er werd in die dagen 16 uur per dag gewerkt… Er werden ongeveer honderd kanonnen gemonteerd.”

Het korte tijd geleden gevormd Uitvoerend Comité van de spoorwegarbeiders zou zeer spoedig de vuurdoop ondergaan. De spoorwegarbeiders hadden bijzondere redenen om een overwinning van Kornilov te vrezen, omdat deze de militarisering van de spoorwegen in zijn programma opgenomen had. De massa’s waren ook hier hun leiders ver vooruit. De spoorwegarbeiders namen de rails weg en versperden de baan om de troepen van Kornilov op te houden. De in de oorlog opgedane ervaring kwam goed van pas. Zij namen ook maatregelen om de haard van de samenzwering, Mohilew, te isoleren door het verkeer naar en van het hoofdkwartier stop te zetten. De post- en telegrafiebeambten vingen de telegrammen en bevelen uit het hoofdkwartier op en zonden deze, of kopieën ervan, naar het comité. De generaals hadden er zich in de oorlogsjaren aan gewend de spoorwegen en de post als louter uit technisch oogpunt van belang te beschouwen. Zij konden er zich nu van overtuigen dat zij ook politieke betekenis hadden.

De vakverenigingen die er allerminst toe geneigd waren in politiek opzicht neutraal te blijven, wachtten niet op een uitnodiging om ten strijde te trekken. De bond van spoorwegpersoneel bewapende zijn leden, zond hen uit om toezicht op de wegen te houden, de rails los te schroeven, de bruggen te bewaken, … De arbeiders prikkelden met hun ijver en vastberadenheid het meer bureaucratische en gematigde Uitvoerend Comité van de spoorwegarbeiders. De metaalbond stelde zijn talrijke beambten ter beschikking van het verdedigingscomité en deed dit een groot bedrag aan geld voor hun uitgaven toekomen. De chauffeursbond stelde zijn transport- en andere technische middelen ter beschikking van het comité. De typografenbond had binnen enkele uren gezorgd dat de kranten maandag stellig zouden verschijnen om de bevolking van het verloop van de gebeurtenissen op de hoogte te houden, en oefende tegelijkertijd de meest doeltreffende controle over de pers uit. De opstandige generaal had met zijn voeten op de grond gestampt en legioenen waren uit de grond verrezen: het waren echter vijandelijke legioenen.

Rondom Petrograd, in de naburige garnizoenen, op de grote stations, op de vloot, werd dag en nacht gewerkt: de eigen gelederen werden geïnspecteerd, de arbeiders gewapend, langs de wegen wachtposten opgesteld, verbindingen met de naburige plaatsen en het Smolny aangeknoopt. Het Verdedigingscomité moest niet zozeer oproepen, dan wel registreren en leiden. Zijn stoutste verwachtingen werden overtroffen. Het verzet tegen de rebellie van de generaals werd tot een drijfjacht van het volk op de samenzweerders.

Helsingfors vormde een algemene vergadering van de gezamenlijke sovjetorganisaties en een revolutionair comité dat commissarissen naar de gouverneur-generaal, de legerleiding, de contraspionagedienst en andere belangrijke instellingen stuurde. Geen bevel had van nu af aan rechtskracht zonder dat het door dit comité ondertekend was. De telegrafie en telefonie werden onder controle gesteld. De officiële vertegenwoordigers van het in Helsingfors liggende Kozakkenregiment, die voor het merendeel officieren waren, poogden zich neutraal te verklaren: in werkelijkheid zijn zij in het geheim aanhangers van Kornilov. De volgende dag verschenen er gewonde Kozakkensoldaten in het Comité met de verklaring dat het gehele regiment tegen Kornilov was. Voor het eerst komen er vertegenwoordigers van de Kozakken in de sovjet. Als altijd drijft ook nu het verscherpte conflict tussen de klassen de officieren naar rechts, de minderen naar links.

De sovjet van Kronstadt, die zich geheel van zijn wonden van juli had weten te herstellen, zond telegrafisch een verklaring, dat “het garnizoen van Kronstadt als één man bereid was om op de eerste oproep van het Uitvoerend Comité op te staan ter verdediging van de revolutie.” De Kronstadtse matrozen wisten in die dagen nog niet hoezeer een verdediging van de revolutie een verdediging van henzelf betekende. Zij konden dit slechts flauw vermoeden.

Reeds kort na de Julidagen was er door de Voorlopige Regering besloten om de vesting van Kronstadt als een broeinest van bolsjewisme op te heffen. De maatregel werd in overeenstemming met Kornilov officieel gemotiveerd met “strategische overwegingen.” De matrozen die onheil verwachtten, verzetten zich hiertegen. “De legende van het verraad in het hoofdkwartier,” schreef Kerenski nadat hij reeds zelf Kornilov van verraad beschuldigd had, “drong zo sterk in Kronstadt door, dat elke poging om de artillerie te verwijderen daar direct de massa in woede deed ontbranden.” Kornilov werd door de regering met de taak belast om een middel tot liquidatie van Kronstadt te vinden. Hij had dit middel gevonden: Krymow zou terstond, nadat de hoofdstad verpletterd was, een brigade met artillerie tegen Oranienbaum richten en onder bedreiging met de afweerkanonnen van het garnizoen van Kronstadt een ontwapening van de vesting en een aftocht naar het vasteland eisen, waar men van plan was op massale wijze met de matrozen af te rekenen. Juist toen Krymow echter met de uitvoering van de hem door de regering opgedragen taak wilde beginnen, zag deze laatste zich genoodzaakt de matrozen van Kronstadt om hulp tegen Krymow te smeken.

Het Uitvoerend Comité verzocht telefonisch aan Kronstadt en Vyborg meer troepen naar Petrograd te zenden. In de morgen van 29 augustus begonnen de troepen aan te komen. Het waren overwegend bolsjewistische afdelingen: de goedkeuring van het Centraal Bolsjewistisch Comité was onmisbaar om de oproep van het Uitvoerend Comité succes te doen hebben. Wat vroeger in de voormiddag van 28 augustus namen, op een bevel van Kerenski dat meer een nederig verzoek leek, matrozen van de kruiser “Aurora”, waarvan nog steeds enkele officiers in de gevangenis zaten wegens deelname aan de Julidemonstratie, de verdediging van het Winterpaleis over. De matrozen bezochten in de uren waarin zij geen wachtdienst hadden de in de gevangenis zittende Kronstadtse matrozen, alsook Trotski, Raskolnikov en anderen. “Is het niet tijd om de regering gevangen te nemen?” vroegen de bezoekers. “Neen, de tijd daartoe is nog niet gekomen,” kregen zij ten antwoord. “Richt het geweer over de schouder van Kerenski op Kornilov. Daarna zullen wij met Kerenski afrekenen.” In juni en in juli waren deze matrozen niet erg geneigd geweest om naar de argumenten van de revolutionaire strategen te luisteren. In deze nog niet volle twee maanden hebben zij veel geleerd. De vraag omtrent een gevangenneming van de regering stellen zij meer om zichzelf te controleren en hun geweten te sussen. Zij begrijpen nu zelf de onvermijdelijke loop van de gebeurtenissen. Terwijl zij in de eerste helft van juli verslagen, veroordeeld, belasterd zijn en eind augustus de meest betrouwbare wachtpost voor het Winterpaleis tegen Kornilov zijn, zullen zij eind oktober het Winterpaleis met de kanonnen van de “Aurora” beschieten.

Terwijl de matrozen de algemene afrekening met het Februaribewind nog wel een tijdje willen uitstellen, willen zij de Kornilov-officieren echter geen dag langer dulden. De superieuren, die de regering hen na de Julidagen opgedrongen had, waren bijna zonder uitzondering op de hand van de samenzweerders. De Sovjet van Kronstadt zette onverwijld de regeringscommandant af en benoemde een eigen commandant. Nu schreeuwden de verzoeningsgezinden niet meer over de vorming van een republiek van Kronstadt. Het bleef echter lang niet overal bij afzettingen: op vele plaatsen kwam het tot een bloedig strafgericht.

“Het begon in Vyborg,” zegt Soechanov, “met het doodslaan van generaals en officieren door de matrozen- en soldatenmassa’s die in woede ontbrand en in een paniekstemming geraakt waren.” Neen, het waren geen massa’s die in woede ontbrand waren en men kan in dit geval niet van paniek spreken. In de ochtend van 29 augustus werd door het Centraal Comité van de vloot telegrafisch de opstand in het hoofdkwartier aan de commandant van Vyborg, generaal Oranovski, meegedeeld om deze aan het garnizoen over te brengen. De commandant hield het telegram een gehele dag achter en antwoordde op vragen die hem gesteld waren over de gebeurtenissen dat hij geen enkel bericht gekregen had. Bij een huiszoeking die de matrozen verrichtten, werd het telegram ontdekt. Op heterdaad betrapt verklaarde de generaal dat hij een aanhanger van Kornilov was. De matrozen schoten de commandant dood en met hem nog twee andere officieren die zich tot geestverwanten van hem verklaarden. De matrozen verlangden van de officieren van de Baltische vloot een schriftelijke belofte van trouw aan de revolutie, en toen vier officieren van het linieschip “Petropavlovsk” weigerden deze te ondertekenen en verklaarden aanhangers van Kornilov te zijn, werden zij op bevel van het scheepscommando op staande voet doodgeschoten.

Doodsgevaar dreigde de soldaten en matrozen. Een bloedige zuivering stond niet alleen Petrograd en Kronstadt maar ook de overige garnizoenen in het land te wachten. Uit de houding van hun officieren die weer moed gekregen hadden, uit hun toon, uit hun blik konden de soldaten en matrozen vermoeden wat hen in geval van een overwinning van het hoofdkwartier te wachten stond. Daar waar de sfeer buitengewoon gespannen was, haastten zij zich om de vijand de pas af te snijden en tegenover de zuiveringsactie die de officieren beraamden hun eigen zuiveringsactie, die van de matrozen en soldaten, te stellen. De burgeroorlog heeft, naar men weet, zijn eigen wetten en deze zijn nooit erg humaan geweest.

Tsjcheïdse zond onmiddellijk telegrammen naar Vyborg en Helsingfors waarin het eigenmachtig optreden als “een genadeslag voor de revolutie” veroordeeld werd. Kerenski telegrafeerde zijnerzijds naar Helsingfors: “Eis onmiddellijke staking van de afschuwelijke gewelddaden.” Indien men nagaat wie politiek verantwoordelijk is voor de op zichzelf staande gevallen van eigenrichting – daarbij bedenkend dat de revolutie in haar geheel een daad van eigenrichting is – dan moeten we vaststellen dat de verantwoordelijkheid in dit geval geheel  bij de regering en de verzoeningsgezinden ligt. Zij vluchtten op ogenblikken van gevaar naar de revolutionaire massa’s om deze erna weer aan de contrarevolutionaire officieren over te leveren.

Net als tijdens de Landelijke Vergadering in Moskou, waar men elk ogenblik de omwenteling verwacht had, wendde ook nu Kerenski zich na de breuk met het hoofdkwartier tot de bolsjewieken met het verzoek “hun invloed uit te oefenen op de soldaten om hen er toe te brengen op te staan ter verdediging van de revolutie.” Terwijl Kerenski de bolsjewistische matrozen ter verdediging van het Winterpaleis opriep, ontsloeg hij echter zijn Juligevangenen niet uit de kerker. Soechanov schrijft hierover: “De situatie waarin Alexejev met Kerenski onderhandelt en Trotski in de gevangenis zit, was volkomen onhoudbaar.” Men kan zich gemakkelijk voorstellen welke opwinding er in de gevangenissen heerste. “Wij kookten van woede,” vertelt de luitenant ter zee Raskolnikov, “over de Voorlopige Regering die in dagen van zo grote onrust… revolutionairen als Trotski werkloos in de Kresty-gevangenis liet zitten…”“Wat een lafaards, o wat een lafaards,” zei Trotski tijdens de rondwandeling tot ons, “zij moesten Kornilov direct buiten de wet plaatsen opdat elke soldaat die de revolutie toegedaan is, beseft het recht te hebben met hem af te rekenen.”

Een intocht van de troepen van Kornilov in Petrograd zou allereerst een uit de weg ruimen van de gevangen genomen bolsjewieken betekend hebben. Krymow had in zijn bevel aan generaal Bagration die met de voorhoede de hoofdstad zou binnen rukken niet verzuimd er de nadruk op te leggen: “De gevangenissen en huizen van bewaring bewaken en de zich daarin bevindende personen in geen geval vrijlaten.” Dit was een duidelijk programma dat vanaf de Aprildagen ook door Miljoekov gepropageerd was: “In geen geval vrijlaten!” Er had in die dagen in Petrograd geen meeting plaats waar niet geëist werd dat de Juligevangenen vrijgelaten zouden worden. De ene delegatie na de andere trok naar het Uitvoerend Comité, dat op zijn beurt zijn leiders naar het Winterpaleis stuurde om te onderhandelen! Tevergeefs. De hardnekkigheid van Kerenski in deze kwestie is des te meer opvallend omdat hij in de eerste anderhalf à twee dagen de toestand van de regering voor hopeloos hield en zich derhalve zelf tot de rol van opperste gevangenbewaarder veroordeelde, die de bolsjewieken moest bewaken totdat de generaals hen ophingen.

Het is niet te verwonderen dat de door de bolsjewieken geleide massa’s terwijl zij tegen Kornilov streden, Kerenski in geen enkel opzicht vertrouwden. Het ging voor hen niet om een verdediging van de regering maar om een bescherming van de revolutie. Hun strijd was des te vastberadener en offervaardiger. De tegenstand tegen de muiterij kwam voort uit rails, stenen, uit de lucht. De spoorwegbeambten van het station Loega, waarheen Krymow gekomen was, weigerden hardnekkig om de militaire trein te laten vertrekken met het argument dat er geen locomotieven waren. De Kozakkentroepen waren op dat moment omringd door de gewapende soldaten van het garnizoen van Loega dat twintigduizend man sterk was. Een gewapend conflict had niet plaats, maar wel iets dat veel gevaarlijker was, namelijk een contact, een verbinding, een elkaar doordringen. De Sovjet van Loega had intussen de regeringsverklaring betreffende het ontslag van Kornilov afgedrukt en dit document werd nu op grote schaal onder de troepen verspreid. De officieren spraken de Kozakken toe om hen aan te manen de propagandisten niet te vertrouwen. Het feit dat deze toespraken nodig waren, was op zichzelf echter reeds een bedenkelijk voorteken.

Na bevel van Kornilov ontvangen te hebben om voorwaarts te rukken, verlangde Krymow met de blanke sabel in de hand dat de locomotieven binnen een half uur gereed zouden zijn. Het dreigement had succes: de locomotieven werden, alhoewel met nieuwe vertragingen, tenslotte gereed gemaakt. Maar het was nog niet mogelijk om verder te gaan. De weg verderop was vernield en zeker nog 24 uur versperd. Krymow voerde, om zich aan de destructieve propaganda te onttrekken, in de avond van 29 augustus zijn troepen achter Loega terug. De propagandisten drongen echter terstond ook in de dorpen binnen: het waren soldaten, arbeiders, spoorwegbeambten aan wie niet te ontkomen was omdat zij overal wisten door te dringen. De Kozakken hielden zelfs meetings. Belaagd door de propaganda en zijn eigen hulpeloosheid verwensend, wachtte Krymow tevergeefs op Bagration: de spoorwegbeambten hielden de troepen van de “wilde” divisie op. Deze troepen zouden in de komende uren eveneens aan de gevaarlijke morele aanval blootgesteld worden.

Hoe willoos, ja zelfs laf, de verzoeningsgezinde democratie op zichzelf geweest is, die massakrachten, waarop zij in de strijd tegen Kornilov weer gedeeltelijk moest steunen, hadden toch enorme krachtbronnen voor haar geopend. De sociaal-revolutionairen en mensjewieken beschouwden het niet als hun taak om de troepen van Kornilov in een openlijke strijd te overwinnen, maar om deze voor zich te winnen. Dit was juist. Ook de bolsjewieken hadden natuurlijk geen enkel bezwaar tegen deze tactiek van “verzoeningsgezindheid”: integendeel, dit was ook hun eigen voornaamste methode. De bolsjewieken verlangden slechts dat er gewapende arbeiders en soldaten achter de propagandisten en parlementariërs gereed zouden staan. Men had direct een onbeperkte keuze van middelen en wegen om de troepen van Kornilov moreel te beïnvloeden. Zo werd de “wilde” divisie een mohammedaanse delegatie tegemoet gestuurd, waarbij de plaatselijke autoriteiten die men had kunnen vinden zich aansloten, met de kleinzoon van de beroemde Chamil, de heldhaftige verdediger van de Kaukasus tegen het tsarisme, voorop. De bergtroepen beletten hun officieren de delegatie te arresteren: dit zou in strijd zijn met de eeuwenoude tradities van gastvrijheid. Er hadden onderhandelingen plaats en deze waren tevens het begin van het einde. De Kornilovse officieren hadden zich ter motivering van de gehele opmars beroepen op de muiterijen van ‘Duitse agenten’, die in Petrograd uitgebroken waren. De regelrecht uit de hoofdstad aangekomen afgevaardigden weerlegden niet alleen het feit van de muiterij, maar lieten met de documenten in de hand zien dat Krymow een rebel was die de troepen tegen de regering liet oprukken. Wat hadden de officieren van Kornilov daartegen in te brengen?

Op de wagon van de staf van de “wilde” divisie werd door de soldaten een rode vlag met het opschrift “Land en vrijheid” geplaatst. De commandant van de staf gaf bevel de vlag weg te nemen: “alleen maar om een verwarring met de spoorwegsignalen te voorkomen,” zoals mijnheer de luitenant-overste verklaarde. Het commando van de staf verklaarde zich niet tevreden met de angstige verklaring en nam de luitenant-overste gevangen. Had men zich dan toch in het hoofdkwartier vergist met te zeggen dat het de Kaukasiërs niet kon schelen wie zij afslachtten?

De volgende morgen kwam er bij Krymow een overste van Kornilov aan met het bevel om het korps samen te trekken, snel tegen Petrograd op te rukken en dit “bij verrassing” te bezetten. Men wilde klaarblijkelijk in het hoofdkwartier de ogen nog voor de werkelijkheid sluiten. Krymow antwoordde dat het legerkorps over verschillende spoorbanen verspreid was en op verschillende plaatsen zou uitstappen; dat er voorlopig slechts acht compagnieën Kozakken onder zijn bevel stonden; dat de spoorbanen vernield, versperd en gebarricadeerd waren, dat het slechts mogelijk was voort te gaan over de wegen en dat er tenslotte geen sprake kon zijn van een bezetting van Petrograd bij verrassing daar de arbeiders en soldaten in de hoofdstad en omgeving gewapend waren. De kwestie werd nog gecompliceerder door het feit dat men nu niet meer in staat was de operatie “bij verrassing” voor de troepen van Krymow zelf uit te voeren: achterdochtig verlangden deze inlichtingen. Men was genoodzaakt hen in het conflict tussen Kornilov en Kerenski in te wijden, d.w.z. officieel vergaderingen te houden.

Een door Krymow op dit tijdstip uitgevaardigde legerorder luidde: “Deze nacht kreeg ik uit het hoofdkwartier van de opperbevelhebber en uit Petrograd de mededeling dat er in Petrograd muiterijen begonnen zijn…” Deze leugen moest de veldtocht tegen de regering, die reeds in volle gang was, rechtvaardigen. Kornilovs persoonlijke legerorder van 29 augustus luidt: “De contraspionage in Holland meldt: a) voor de komende dagen wordt gelijktijdig aan het gehele front een slag beraamd met het doel ons reeds uiteen gevallen leger te ontwrichten en tot een vlucht te noodzaken; b) een opstand in Finland is voorbereid; c) men is van plan de bruggen over de Dnjepr en de Wolga in de lucht te laten springen; d) een bolsjewistische opstand wordt in Petrograd georganiseerd.” Dit zijn dezelfde berichten, waarop Savinkov zich reeds op 23 augustus beroepen had: Holland werd slechts genoemd om op een dwaalspoor te brengen, want het document was naar alle waarschijnlijkheid in de Franse militaire missie of althans met medewerking van deze gefabriceerd.

Kerenski telegrafeerde diezelfde dag aan Krymow: “In Petrograd is het volkomen rustig. Een opstand is niet te verwachten. Uw korps is niet nodig.” De opstand zou door de standrechtelijke decreten van Kerenski zelf teweeggebracht worden. Daar de regering haar provocatie moest uitstellen, mocht Kerenski terecht aannemen: “Een opstand is niet te verwachten.”

Nu hij geen uitweg meer zag, deed Krymow de onzinnige poging om met zijn acht compagnieën tegen Petrograd op te rukken. Dit was meer een gebaar om zijn geweten te sussen en leidde natuurlijk tot niets. Toen Krymow achter Loega op een wachtpost stuitte, maakte hij rechtsomkeer, zonder zelfs een poging tot strijd te doen. Krassnow, de chef van het derde cavaleriekorps schreef later over deze enige volkomen fictieve “krijgsverrichting”: “Zesentachtig eskadrons en compagnieën zouden voor de aanslag op Petrograd nodig geweest zijn, maar deze aanval werd slechts door één brigade, die uit acht zwakke compagnieën bestond, welke bovendien nog voor de helft zonder superieuren waren, ondernomen. In plaats van met de vuist toe te slaan, sloeg men met een vinger: het deed de vinger pijn en niet hem die geslagen werd. Er was eigenlijk niet eens een slag met een vinger geweest. En pijn had niemand gevoeld.”

De spoorwegbeambten deden intussen hun werk. De compagnieën bewogen zich wonderlijkerwijs niet in de richting van hun bestemmingsplaats. De regimenten kwamen niet bij hun divisies aan, de artillerie werd op zijsporen gereden en de staven verloren hun verbinding met hun troepenafdelingen. Elk groter station had zijn eigen sovjet, spoorweg- en soldatencomité. De telegrafisten hielden hen op de hoogte van elke gebeurtenis, elke troepenverschuiving, elke verandering. Dezelfde telegrafisten hielden Kornilovs bevelen op. Berichten die voor de Kornilovianen ongunstig waren, werden terstond vermenigvuldigd, verspreid, aangeplakt, mondeling doorgegeven. Machinisten, wisselwachters en wagensmeerders werden propagandist. In deze sfeer bewogen zich de troepen van Kornilov of, wat nog erger was, zij stonden stil. De legerleiding die spoedig inzag hoe hopeloos de toestand was, spoorde klaarblijkelijk niet erg aan om verder te gaan en verlichtte door haar passiviteit de taak van de tegenstanders van het transport. De verschillende delen van het leger van Krymow waren op deze manier over stations, rangeerterreinen en zijlijnen van acht spoorlijnen verspreid. Indien men op de kaart het lot van de troepen van Kornilov nagaat, krijgt men de indruk alsof de samenzweerders op het spoorwegnet verstoppertje speelden.

“Bijna overal,” zo beschrijft generaal Krassnow hetgeen hij in de nacht van 30 augustus waarnam, “zagen wij hetzelfde toneel. Nu eens op de perrons, dan weer in de wagon, in het zadel of naast hun zwarte en donkerbruine paarden met voorovergebogen koppen, zaten of stonden dragonders en bij hen een uitgeslapen persoon in soldatenuniform.” Deze “uitgeslapen persoon” ontwaarde men spoedig overal.

Voortdurend kwamen er uit de richting van Petrograd talrijke delegaties uit de regimenten aan, die de troepen van Kornilov tegemoet gezonden waren: allen wilden vóór het treffen tot overeenstemming trachten te komen. De revolutionaire troepen hadden het volste vertrouwen dat het zonder vechten zou aflopen. Dit werd ook bevestigd: de Kozakken betoonden zich tegemoetkomend. Een commando van de verbindingsdienst van het legerkorps nam bezit van een locomotief en zond afgevaardigden naar alle kanten. De toestand werd aan elke compagnie uiteengezet. Er werden onophoudelijk meetings gehouden waarin steeds luider de kreet weerklonk: “Wij zijn bedrogen!”

“Niet alleen de divisiecommandanten,” zegt bovengenoemde Krassnov, “maar ook de regimentscommandanten wisten niet precies waar hun eskadrons en compagnieën zich bevonden… Het gebrek aan levensmiddelen en voer verbitterde de mensen natuurlijk nog meer. Zij zagen de chaos die er overal rondom was en begonnen de officieren en andere superieuren gevangen te nemen.” De Sovjetdelegatie, die een eigen staf gevormd had, meldde: “Er hebben voortdurend verbroederingen plaats. Wij hebben de vaste overtuiging dat men het conflict als beëindigd mag beschouwen. Er komen delegaties van alle kanten…” De comités namen de leiding van de troepenafdelingen over van de superieuren. Er werd haastig een Sovjet van de afgevaardigden van het korps bijeengeroepen en uit zijn midden een delegatie van ongeveer veertig man gevormd en naar de Voorlopige Regering gezonden. De Kozakken begonnen luid te verklaren dat zij slechts op een bevel uit Petrograd wachtten om Krymov en de overige officieren gevangen te nemen.

Stankevitsj beschrijft het toneel dat hij onderweg waarnam toen hij op 30 augustus samen met Vojtinski in de richting van Pskov reisde. In Petrograd meende men dat Tsarskoje door de troepen van Kornilov bezet was – er was daar echter niemand te zien. “In Gatsjina – niemand… Onderweg tot aan Loega – niemand. In Loega – alles stil en rustig… Wij bereikten het dorp waar zich de staf van het korps moest bevinden. Verlaten… Het bleek dat de Kozakken in de vroege morgen opgebroken en in de tegenovergestelde richting van Petrograd weggetrokken waren.” De opstand rolde terug, versplinterde, sijpelde weg in de grond.

In het Winterpaleis was men echter nog altijd een beetje bang voor de tegenstander. Kerenski deed een poging om onderhandelingen met de legerleiding van de rebellen aan te knopen. Deze weg leek hem betrouwbaarder dan het “anarchische” initiatief van de volksmassa’s. Hij zond afgevaardigden naar Krymow en liet hen met een beroep op “het behoud van Rusland” verzoeken naar Petrograd te komen, waarbij hij hem op zijn erewoord persoonlijke veiligheid waarborgde. De generaal die van alle kanten in het nauw gebracht en het hoofd volkomen kwijt geraakt was, nam vanzelfsprekend de uitnodiging aan. Ook een deputatie uit de Kozakken reisde, Krymow op de voet volgend, naar Petrograd.

De fronten ondersteunden het hoofdkwartier niet. Alleen het Zuidwestelijk front deed een ernstige poging. De staf van Denikin had de voorbereidende maatregelen tijdig getroffen. De onbetrouwbare bewakingstroepen bij de staf waren door Kozakken vervangen. In de nacht van 27 augustus werd de drukkerij bezet. De staf probeerde te doen alsof hij heer en meester was en verbood zelfs aan het frontcomité om gebruik te maken van de telegraaf. De illusie duurde echter maar zeer kort. Er kwamen afgevaardigden van verschillende troepenafdelingen naar het comité om hun hulp aan te bieden. Er doken pantserauto’s, machinegeweren en kanonnen op. Het comité stelde onverwijld de werkzaamheid van de staf onder zijn controle, de staf behield enkel het initiatief over de militaire operaties. Tegen drie uur in de middag van 28 augustus was de macht aan het Zuidwestelijk front volkomen in handen van het comité. “Nog nooit,” zo beklaagde zich Denikin, “leek de toekomst van het land zo duister en onze onmacht zo beschamend en teleurstellend.” Aan de andere fronten verliep alles nog minder dramatisch: de bevelhebbers behoefden slechts rond zich heen te zien om een groeiende sympathie voor de commissarissen van de Voorlopige Regering te ontdekken. In de morgen van 29 augustus lagen er in het Winterpaleis reeds telegrafische betuigingen van trouw van generaal Tjtsjerbatsjev van het Roemeense front, van Bakoejev van het westelijk en van Prsjevalski van het Kaukasische front. Stankevitsj benoemde voor het noordelijk front, waar een uitgesproken korniloviaan Klembovski bevelhebber was, een zekere Savizki tot zijn vertegenwoordiger. “Savizki, die tot nu toe slechts weinig bekend en bij het uitbreken van het conflict telegrafisch benoemd was, had,” schrijft Stankevitsj, “zich met één enkel bevel, ook al hield dit een arrestatie van de opperbevelhebber in, tot elke willekeurige groep soldaten – infanterie, Kozakken, ordonnansen, ja zelfs “jonkers” kunnen wenden, en het bevel zou zonder mankeren uitgevoerd zijn…” Klembovski werd zonder enige moeilijkheden vervangen door generaal Bontsj-Broejevitsj, die later door tussenkomst van zijn broer, een bekend bolsjewiek, een van de eersten was die in dienst van de bolsjewistische regering trad.

Niet veel beter was het bij de zuidelijke steunpilaar van de militaire partij, de Hetman van de Dontroepen, Kaledin, gesteld. In Petrograd sprak men erover dat Kaledin de Kozakkentroepen mobiliseerde en dat er van het front troepen naar hem op weg waren, naar de Don. Intussen “reisde de Hetman,” volgens de mededeling van een van zijn biografen, “ver weg van de spoorbaan uit het ene Kozakkendorp naar het andere en onderhield zich vreedzaam met de Kozakken in de dorpen.” Kaledin ging inderdaad voorzichtiger te werk dan men in de revolutionaire kringen geloofde. Hij koos het ogenblik van de openlijke opstand, waarvan hij het tijdstip van tevoren wist, uit voor een “vreedzame” rondreis door de dorpen, om zich in de kritieke dagen aan een telegrafische en welke andere controle ook te onttrekken en tegelijkertijd eens te polsen hoe de stemming onder de Kozakken was. Op 27 augustus telegrafeerde hij onderweg aan zijn vertegenwoordiger Bogajevski: “Men moet Kornilov met alle middelen en krachten ondersteunen.” De voeling met de dorps-Kozakken had hem echter geleerd dat er eigenlijk geen middelen en krachten waren: de landbouwende Kozakken dachten er in het minst niet aan op te staan om Kornilov te helpen. Toen de mislukking van de opstand steeds duidelijker werd, besloot de zogenaamde “legerregering” van de Don zich van iedere meningsuiting te onthouden, totdat de werkelijke machtsverhoudingen duidelijk geworden zouden zijn. Dankzij deze manoeuvre konden de leiders van de Don-Kozakken tijdig de dans ontspringen.

In Petrograd, Moskou, aan de Don, aan het front, op de weg die de troepen volgden, overal had Kornilov geestverwanten, aanhangers, vrienden. Hun aantal leek, te oordelen naar de telegrammen, adressen ter begroeting en krantenartikels, reusachtig. Maar hoe wonderlijk: nu de tijd voor hen gekomen was om voor de dag te komen, waren zij verdwenen. De reden hiervan was veelal geenszins in persoonlijke lafheid gelegen. Er waren vele moedige mensen onder de officieren van Kornilov. Maar hun moed kon niet tot uiting komen. Op het moment waarop de massa’s zich in de beweging mengden, was er geen plaats voor de enkeling. Niet alleen de voorzichtige industriëlen, bankiers, professoren en ingenieurs, maar ook de studenten en vechtlustige officieren waren op de achtergrond gedrongen, weggestoten, teruggeworpen. Zij beschouwden de gebeurtenissen die zich voor hun ogen afspeelden als het ware vanaf een balkon. Er bleef hen niets anders over dan samen met generaal Denikin hun beschamende en teleurstellende onmacht te verwensen.

Op 30 augustus zond het Uitvoerend Comité aan alle Sovjets het verheugende bericht: “De troepen van Kornilov verkeren in volkomen ontbinding.” Voor een moment vergat men dat Kornilov de meest vaderlandslievende, meest strijdvaardige en meest tegen de bolsjewistische invloeden gevrijwaarde troepenafdelingen voor zijn onderneming uitgezocht had. Het ontbindingsproces bestond daarin dat de soldaten definitief opgehouden hadden de officieren te vertrouwen en nu een vijand in hen zagen. De strijd voor de revolutie en tegen Kornilov betekende een verdergaande ontbinding van het leger, dus juist datgene wat men de bolsjewieken verweet.

De heren generaals kregen eindelijk de gelegenheid om de weerstandkracht van de revolutie, die zij als een zo hulpeloze en toevallige overwinnaar op het oude regime zagen, te leren kennen. Men had sinds de Februaridagen bij elke gelegenheid de soldaten kunnen horen snoeven: geef mij maar een betrouwbare troepenafdeling en ik zal hen een lesje leren. De legeraanvoerders van het genre dat na de strijd met de vuisten dreigt, hadden niets geleerd uit de ervaringen die generaal Chabalov en generaal Ivanov eind februari opgedaan hadden. Zelfs burgerlijke strategen zongen dikwijls mee in dit koor. De oktobrist Sjidlovski had verzekerd dat een “niet zo erg grote, maar door discipline en militaire geest hechte troepenafdeling” in februari had volstaan om de Februarirevolutie in de hoofdstad te onderdrukken. De in brede kringen bekende spoorwegspecialist Boeblikov schreef: “Eén enkele goed gedisciplineerde divisie van het front zou voldoende geweest zijn om de opstand in de kiem te smoren.” Enkele officieren die aan de gebeurtenissen deelnamen, verklaarden aan Denikin dat “een betrouwbaar bataljon met een officier aan het hoofd die wist wat hij wilde in staat geweest zou zijn de toestand volkomen te doen veranderen.” Toen Goetsjkov minister van oorlog was, was generaal Krymow bij hem gekomen en hij had aangeboden om “Petrograd met één divisie te zuiveren, – natuurlijk niet zonder bloedvergieten.” De zaak was echter niet doorgegaan omdat “Goetsjkov niet toestemde.” Eindelijk had Savinkov, toen hij voor het toekomstig directorium zijn eigen “27 augustus” voorbereidde, verzekerd dat twee regimenten voldoende zouden zijn om de bolsjewieken volkomen te vernietigen. Nu hadden al deze heren in de persoon van de “vrolijke, opgewekte” generaal de gelegenheid te zien hoe verkeerd hun stoute berekeningen geweest waren. Zonder ook maar één slag geleverd te hebben, berouwvol, eerloos en vernederd verscheen Krymow in het Winterpaleis. Kerenski liet niet na een pathetische scène met hem te maken, waarvan het overigens goedkope effect van te voren verzekerd was. Nadat hij van de eerste minister in het ministerie van oorlog teruggekeerd was, schoot Krymow zich met zijn revolver dood. Dit was nu het resultaat van de poging om de revolutie niet zonder bloedvergieten te bedwingen.

In het Winterpaleis herademde men en kwam men tot de conclusie dat de zaak die zo vol complicaties was gelukkig ten einde liep. Men haastte zich ijlings tot de orde van de dag over te gaan, d.w.z. tot voortzetting van hetgeen men onderbroken had. Kerenski benoemde zichzelf tot opperbevelhebber: men had inderdaad geen betere figuur tot handhaving van het politieke bondgenootschap met de vroegere generaals kunnen vinden. Tot chef van de generale staf in het hoofdkwartier koos hij Alexejev, die twee dagen geleden bijna – ja bijna – eerste minister geworden was. Na enige aarzeling en overleg nam de generaal met een zekere minachting de benoeming aan, om, zoals hij aan zijn medestanders verklaarde, het conflict op vreedzame wijze te liquideren. De vroegere chef van de generale staf van de opperbevelhebber Nicolai Romanov kwam onder Kerenski weer terug op zijn oude post. Er was heel wat om zich over te verbazen! “Alleen Alexejev was, dankzij zijn relaties met het hoofdkwartier en zijn enorme invloed op de hogere militaire kringen, in staat,” zo poogde Kerenski later deze afschuwelijke benoeming te motiveren, “de taak van een smarteloze overgave van het commando uit handen van Kornilov in andere handen met succes te volvoeren.” Integendeel! De benoeming van Alexejev, d.w.z. van iemand uit hun eigen kringen, moest de samenzweerders, zodra zij ook maar enige gelegenheid daartoe kregen, tot verdere tegenstand aanmoedigen. In werkelijkheid werd Alexejev, nadat de opstand geliquideerd was, om dezelfde redenen naar voren geschoven, als waarom Savinkov bij het uitbreken van de opstand erbij betrokken werd: men moest tot elke prijs de bruggen naar rechts in stand houden. De nieuwe opperbevelhebber achtte het nu extra noodzakelijk om de vriendschap met de generaals te hernieuwen. Het zal na de chaos immers nodig zijn op strenge wijze orde te scheppen en daartoe zal men een extra sterke regering nodig hebben. Er bleef in het hoofdkwartier niets meer over van het optimisme dat er twee dagen geleden nog geheerst had. De samenzweerders trachtten zo goed en zo kwaad als dat ging terug te trekken. Het aan Kerenski gerichte telegram luidde dat Kornilov bereid was, “rekening houdend met de strategische situatie,” het commando neer te leggen, indien verklaard werd dat er “een sterke regering gevormd zou worden.” Dit grote ultimatum van de capitulant wordt gevolgd door een kleiner: hij, Kornilov, “acht het ongeoorloofd om generaals en andere personen, vooral indien deze onontbeerlijk zijn voor het leger, te arresteren.” De verheugde Kerenski kwam zijn tegenstander terstond in zoverre tegemoet dat hij door middel van de radio verkondigde dat de militaire bevelen van generaal Kornilov voor iedereen bindend waren. Kornilov schreef zelf naar aanleiding hiervan dezelfde dag nog aan Krymow: “Er ontstond een situatie – die enig is in de wereldgeschiedenis: een opperbevelhebber die beschuldigd wordt van land- en hoogverraad en strafrechtelijk vervolgd wordt, krijgt bevel het commando over het leger te blijven voeren…” Dit nieuwe bewijs van slapheid van Kerenski gaf direct de samenzweerders, die nog altijd erop bedacht waren niets voor niets te doen, nieuwe moed. Ondanks het enkele uren geleden gezonden telegram over de verwerpelijkheid van een binnenlandse strijd “op dit vreselijke moment,” zond Kornilov, die gedeeltelijk weer in zijn rechten hersteld was, twee mannen naar Kaledin met het verzoek om druk uit te oefenen en hij raadde tegelijkertijd Krymow aan: “Indien de situatie het veroorlooft, moet je zelfstandig handelen in de geest van de instructie die ik u gaf.” De geest van deze instructie was: de regering ten val brengen en de leden van de Sovjet ophangen.

Generaal Alexejev, de nieuwe chef van de generale staf, begaf zich op weg om het hoofdkwartier te bezetten. In het Winterpaleis nam men deze operatie nog altijd ernstig. In werkelijkheid had Kornilov direct te beschikken over: één bataljon ridders van St. George, het “Kornilovse” infanterieregiment en het cavalerieregiment Tekiners. Een bataljon van de ridders van St. George had zich van bij de aanvang aan de zijde van de regering geschaard. Het Kornilovse en het Tekinersregiment gingen voor betrouwbaar door, maar ook van deze had zich een deel afgescheiden. Over artillerie beschikte het hoofdkwartier in het geheel niet. Er kon onder deze omstandigheden van tegenstand geen sprake zijn. Alexejev begon zijn missie met het brengen van plechtstatige bezoeken bij Kornilov en Loekomski, waarbij beide partijen, naar men mag aannemen, eendrachtig in hun gebruikelijke soldatentermen over Kerenski, de nieuwe opperbevelhebber, spraken. Zowel voor Kornilov als voor Alexejev was het duidelijk dat men de redding van het land in elk geval enige tijd moest uitstellen.

Terwijl in het hoofdkwartier de vrede zonder overwinnaar en overwonnene zo voorspoedig groeide, werd de sfeer in Petrograd echter buitengewoon gespannen, en in het Winterpaleis wachtte men vol ongeduld op kalmerend nieuws uit Mohilew om dit aan het volk mee te delen. Alexejev werd voortdurend met aanvragen daartoe lastig gevallen. Overste Baranovski, een vertrouwenspersoon van Kerenski, beklaagde zich over de leiding: “De Sovjets jammeren dat men slechts een ontspanning in de atmosfeer teweeg kan brengen door energie te tonen en Kornilov en anderen te arresteren…” Dit strookte in het geheel niet met de plannen van Alexejev. “Met groot leedwezen zie ik,” antwoordt de generaal, “dat mijn vrees dat wij momenteel geheel in de ruwe klauwen van de Sovjet geraakt zijn bewaarheid is.” Met het familiaire persoonlijke voornaamwoord “wij” is de groep van Kerenski bedoeld, bij welke Alexejev zich om de steek een beetje te verzachten voorwaardelijk aansluit. Overste Baranovski antwoordt hem in dezelfde geest: “Met Gods hulp zullen wij weer uit de ruwe klauwen van de Sovjet, waarin wij geraakt zijn, komen.” Nauwelijks hebben de massa’s Kerenski uit de klauwen van Kornilov gered, of de leider van de democratie haast zich om een overeenkomst met Alexejev te sluiten tegen de massa’s: “Wij zullen weer uit de ruwe klauwen van de Sovjet komen.” Alexejev was echter gedwongen om zich in het onvermijdelijke te schikken en tot de arrestatie van de voornaamste samenzweerders over te gaan. Kornilov onderwierp zich zonder tegenstand aan het huisarrest, vier dagen nadat hij aan het volk verklaard had: “Ik geef er de voorkeur aan te sterven boven ontheven te worden van mijn post als opperbevelhebber.” De Buitengewone Commissie van Onderzoek die in Mohilev aankwam, arresteerde op haar beurt de adjudant van de minister van de spoorwegen, enkele officieren van de generale staf, de niet goed tot zijn recht gekomen diplomaat Aladjin, alsook de aanwezige leden van het hoofdbestuur van de Officierenvereniging.

De verzoeningsgezinden gebaarden in de eerste uren na de overwinning druk. Zelfs Avksentjev spuwde vuur. Drie dagen lang hadden de muiters het front zonder enige aanwijzing gelaten! “Dood aan de verraders!” schreeuwden de leden van het Uitvoerend Comité. Avksentjev kwam deze stemmen tegemoet: “Ja zeker, de doodstraf is op verlangen van Kornilov en de zijnen ingevoerd en nu zal zij ook des te eerder op henzelf toegepast worden.” Stormachtige en langdurige bijvalsbetuigingen. De Moskouse kerkvergadering, die zich twee weken geleden voor Kornilov als wederinvoerder van de doodstraf in het stof gebogen had, smeekte nu telegrafisch de regering, “in naam van God en van de christelijke naastenliefde,” het leven van de generaal die zich misrekend had te sparen. Ook andere machten werden in het werk gesteld. De regering dacht echter niet aan een bloedig strafgericht. Toen een delegatie van de Wilde Divisie in het Winterpaleis bij Kerenski zijn opwachting kwam maken en een van de soldaten op de algemene frasen van de nieuwe opperbevelhebber antwoordde dat “de verraderlijke officieren een meedogenloze straf moesten ondergaan,” viel Kerenski hen in de rede met de woorden: “Uw taak is het uw superieuren te gehoorzamen en alles wat er gedaan moet worden, zullen wijzelf wel doen.” Waarlijk, deze man geloofde dat de massa’s op het toneel konden verschijnen als hij maar met de linkervoet stampte en weer verdwijnen als hij dat met de rechtervoet deed!

“Alles wat er gedaan moet worden, zullen wij zelf wel doen.” Maar alles wat zij deden, kwam de massa’s onnodig, zo niet verdacht en verderfelijk voor. De massa’s vergisten zich niet: men bekommerde er zich in regeringskringen vóór alles om de vroegere toestand waaruit de veldtocht van Kornilov voortgekomen was te herstellen. “Na de eerste verhoren die door de leden van de commissie van onderzoek afgenomen werden bleek reeds,” naar Loekomski meedeelt, “dat zij zich allemaal uiterst welwillend tegenover ons gedroegen.” Tenslotte waren het niet anders dan medeplichtigen en helers. De advocaat van de krijgsraad, Sjablovski, gaf de beschuldigden les over hoe zij het best de justitie om de tuin konden leiden. De frontorganisaties stuurden protesten. “De generaals en hun medeplichtigen worden niet als misdadigers tegenover de staat en het volk behandeld… De rebellen hebben volkomen vrij verkeer met de buitenwereld.” Loekomski bevestigt: “De staf van de opperbevelhebber lichtte ons in over alle kwesties die ons interesseerden.” De woedende soldaten poogden meer dan eens zelf te oordelen over de generaals en de gevangenen werden voor een dergelijk strafgericht slechts behoed door de contrarevolutionaire Poolse divisie, die in Bychow, de plaats waar de gevangenen zich bevonden, gelegerd was.

Generaal Alexejev schreef op 12 september vanuit het hoofdkwartier een brief aan Miljoekov waarin de gerechtvaardigde verontwaardiging van de samenzweerders over de houding van de grootbourgeoisie, die hen eerst aangespoord en na de nederlaag aan hun lot overgelaten had, tot uiting kwam. “Het moet u toch wel enigermate bekend zijn,” schreef de generaal een beetje venijnig, “dat bepaalde maatschappelijke kringen niet alleen van alles op de hoogte geweest zijn, niet alleen met alles in hun hart gesympathiseerd hebben, maar ook Kornilov uit alle macht geholpen hebben…” In naam van de Officierenvereniging verlangde Alexejev van Vysjnegradski, Poetilov en andere grootkapitalisten die de overwonnenen de rug toe gekeerd hadden, direct driehonderdduizend roebel bijeen te brengen voor de “hongerlijdende families van hen met wie zij door een gemeenschappelijke gedachte en voorbereiding verbonden waren…” De brief eindigde met een direct dreigement: indien de eerlijke bladen niet terstond krachtdadig zouden beginnen de zaak op te helderen, zou generaal Kornilov ertoe genoodzaakt zijn voor het gerecht de gehele voorbereiding, alle onderhandelingen met bepaalde personen en maatschappelijke kringen en hun deelname uitvoerig uiteen te zetten, … Denikin deelt betreffende de praktische resultaten van dit schunnig ultimatum mee: “Eind oktober pas kreeg Kornilov uit Moskou ongeveer veertigduizend roebel.” Miljoekov was in deze tijd geheel van het politieke toneel verdwenen: volgens de officiële lezing van de kadetten was hij afgereisd naar de Krim “met het oog op het herstel van zijn gezondheid.” De liberale leider had werkelijk behoefte aan herstel na alle opwinding die hij had moeten doormaken.

De komedie van onderzoek duurde tot aan de bolsjewistische revolutie, waarna Kornilov en zijn medeplichtigen niet alleen in vrijheid gesteld maar ook door het hoofdkwartier van Kerenski van alle nodige papieren voorzien werden. Deze voortvluchtige generaals hebben later de burgeroorlog ontketend. In naam van de heilige doeleinden die Kornilov met de liberaal Miljoekov en de Zwarte Honderd-man Rimski-Korssakov verbonden, werden honderdduizenden vermoord, het zuiden en het oosten van Rusland leeggeplunderd en verwoest, het land economisch volkomen ontwricht en de revolutie de rode terreur opgedrongen. Kornilov, die gelukkig aan de justitie van Kerenski ontsnapt was, viel spoedig aan het front van de burgeroorlog, getroffen door een bolsjewistische kogel. Het lot van Kaledin was ongeveer hetzelfde. De “legerregering” van de Don verlangde niet alleen dat het bevel tot arrestatie van Kaledin zou worden opgeheven, maar ook dat hij weer in zijn ambt van Hetman zou worden hersteld. Kerenski greep ook hier de kans om niets te doen. Skobeljev reisde naar Novotsjerkarssk om zich bij de Kozakkentroepen te verontschuldigen.

De democratische minister moest de meest uitgezochte smaad, waarbij Kaledin zelf de leiding had, ondergaan. De overwinning van de Kozakkengeneraal was echter niet van lange duur. Door de bolsjewistische revolutie bij zijn eigen Don van alle kanten in het nauw gebracht, pleegde Kaledin enkele maanden later zelfmoord. De vlag van Kornilov ging daarop over in handen van generaal Denikin en admiraal Koltsjak, wier namen aan de voornaamste periode van de burgeroorlog verbonden zijn. Dit alles behoort echter reeds tot het jaar 1918 en de volgende jaren.

De opstand van Kornilov

Begin augustus had Kornilov onder het voorwendsel van een reserve voor de verdediging van Riga de ‘wilde’ divisie in het derde cavaleriekorps van het zuidwestelijk front overgeplaatst naar het gebied van de spoorwegdriehoek: Nevel-Novossokolniki-Velikije Loeki. Dat was een gunstige aanvalsbasis tegen Petrograd. Tegelijkertijd had de opperbevelhebber bevolen een divisie Kozakken in het rayon tussen Vyborg en Bjeloostrov samen te trekken. Deze was direct tegen de hoofdstad gericht – het is slechts dertig kilometer van Bjeloostrov naar Petrograd! Met deze dreigende macht werd de schijn gegeven alsof zij een reserve voor eventuele krijgsverrichtingen in Finland vormde. Bovendien waren reeds vóór de vergadering te Moskou vier cavaleriedivisies, die als het meest geschikt voor de strijd tegen de bolsjewieken golden, voor de aanslag op Petrograd gereed gemaakt. Wat de Kaukasische divisie betreft, zei men in de omgeving van Kornilov zonder er doekjes om te winden dat het voor de bergtroepen hetzelfde was wie ze afslachtten. Het plan van de veldtocht was eenvoudig. Men wilde de drie uit het zuiden komende divisies per spoor tot bij Tsarsko Selo, Gatsjina en Krassnoje Selo brengen, om vandaar “na ontvangst van berichten over onlusten in Petrograd en uiterlijk in de morgen van 1 september,” volledig uitgerust langs de linkeroever van de Neva op te rukken om het zuidelijk deel van de hoofdstad te bezetten. De in Finland gelegerde divisie zou tegelijkertijd het noordelijk deel van de hoofdstad bezetten.

Door middel van de Officierenvereniging kwam Kornilov in contact met de Petrogradse patriottische verenigingen, die naar eigen zeggen over tweeduizend schitterend gewapende mannen beschikten, maar die leiding van bekwame officieren nodig hadden. Kornilov beloofde onder het mom van verlofgangers officieren van het front te zenden. Om de stemming onder de arbeiders en soldaten van Petrograd en de werkzaamheid van de revolutionairen te controleren, werd er een geheime contraspionagedienst ingesteld geleid door de overste van de ‘wilde’ divisie, Heimann. Dit alles speelde zich binnen het kader van het militaire dienstreglement af en de samenzweerders hadden hierbij de beschikking over het apparaat van het hoofdkwartier.

Kornilov was door de vergadering in Moskou slechts in zijn plannen versterkt. Weliswaar gaf Miljoekov, naar eigen zeggen, de raad te wachten omdat Kerenski nog populair was in de provincie. Een dergelijke raad kon echter geen invloed meer hebben op de generaal die reeds te zeer in actie gekomen was. In laatste instantie ging het immers niet om Kerenski, maar om de sovjets. Bovendien was Miljoekov geen man van de daad maar een burger en wat nog erger is: een professor. Bankiers, industriëlen en Kozakkengeneraals drongen aan op spoed en de metropolieten gaven hun zegen. Savojko garandeerde het succes. Van alle kanten kwamen begroetingstelegrammen binnen. De diplomaten van de Entente namen daadwerkelijk deel aan de mobilisatie van de contrarevolutionaire krachten. Sir Buchanan had vele draden van de samenzwering in handen. De militaire attachés van de Geallieerden bij het hoofdkwartier betuigden hun sympathie. “Het meest overtuigend deed dit de Engelse attaché,” zegt Denikin. De respectievelijke regeringen stonden achter de gezantschappen. De commissaris van de Voorlopige Regering in het buitenland, Svatikov, meldde in een telegram van 23 augustus uit Parijs dat de minister van Buitenlandse Zaken Ribot “zich tijdens de afscheidsaudiëntie opvallend interesseerde voor de vraag wie van de personen uit de omgeving van Kerenski een krachtig en energiek man was,” terwijl president Poincaré “veel over… Kornilov vroeg.” Dit alles was het hoofdkwartier bekend. Kornilov zag geen reden tot uitstel en langer wachten. Ongeveer op 20 augustus werden twee cavaleriedivisies vooruitgeschoven in de richting van Petrograd. Op de dag waarop Riga viel, werden vier officieren van elk regiment, in totaal ongeveer vierduizend, door het hoofdkwartier opgeroepen “om Engelse bommenwerpers te bestuderen.” Aan degenen “op wie men stellig rekenen” kon, werd terstond gezegd dat het er om te doen was om “het bolsjewistische Petrograd” eens en voor altijd te verpletteren. Diezelfde dag werd door het hoofdkwartier bevolen om in allerijl enkele kisten handgranaten aan de cavaleriedivisies te doen toekomen. Deze zouden zeer van pas kunnen komen bij de straatgevechten. “Er was afgesproken,” schrijft de chef van de staf Loekomski, “dat alles op 26 augustus gereed zou zijn.”

Zodra de troepen van Kornilov Petrograd genaderd waren, zou de organisatie in de stad zelf “in Petrograd in actie komen, het Smolny-instituut bezetten en ervoor zorgen dat de bolsjewistische leiders gevangen genomen werden.” De bolsjewistische leiders verschenen weliswaar enkel in het Smolny wanneer daar zittingen gehouden werden, maar het Uitvoerend Comité waartoe de ministers behoorden en waar Kerenski nog steeds vice-voorzitter van was, zetelde er wel permanent. Bij een dergelijke grote operatie is het echter niet mogelijk en evenmin noodzakelijk om op de nuances te letten. Kornilov hield zich daar alleszins niet mee bezig. “Het is tijd,” zei hij tot Loekomski, “om de Duitse agenten en spionnen met Lenin aan het hoofd op te hangen en de Sovjet van de arbeiders- en soldatenafgevaardigden uiteen te jagen, maar dan ook zo uiteen te jagen dat hij nooit meer bijeenkomen kan.”

Kornilov was vastbesloten om Krymow, die in zijn kringen voor een dapper en standvastig generaal doorging, met de leiding van de operatie te belasten. “Krymow was toentertijd vrolijk en opgewekt,” zegt Denikin over hem, “en zag de toekomst vol vertrouwen tegemoet.” In het hoofdkwartier keek men vol vertrouwen naar Krymow. “Ik ben ervan overtuigd,” zei Kornilov, “dat hij er geen bezwaar tegen zou hebben om, indien dat nodig mocht zijn, de gehele Sovjet van arbeiders- en soldatenafgevaardigden op te hangen.” De keuze van de “vrolijke en opgewekte” generaal was derhalve buitengewoon gelukkig.

Midden in dit werk dat een beetje de aandacht van het Duitse front afleidde, kwam Savinkov in het hoofdkwartier aan om de vroegere overeenkomst op een paar ondergeschikte punten te wijzigen en aan te vullen. Savinkov noemde dezelfde datum voor de slag tegen de gemeenschappelijke vijand als die welke Kornilov reeds lang voor de onderneming tegen Kerenski vastgesteld had, met name het halfjarig bestaan van de revolutie. Ofschoon het omwentelingsplan uit twee delen bestond, wilden beide partijen de gemeenschappelijke elementen in het plan gebruiken: Kornilov om zijn doel te maskeren en Kerenski om zijn eigen illusies te versterken. Het aanbod van Savinkov kwam het hoofdkwartier zeer gelegen: de regering bood zelf haar hoofd aan en Savinkov begon de strop aan te trekken. De generaals in het hoofdkwartier wreven zich in de handen. “Beet!” zeiden zij als hengelaars die geluk hebben.

Kornilov ging des te bereidwilliger op de concessies in omdat zij hem niets kostten. Wat doet het er toe of het garnizoen van Petrograd buiten het rayon van het hoofdkwartier valt, wanneer de troepen van Kornilov toch in de hoofdstad binnenrukken. Kornilov nam de beide andere voorwaarden aan maar schond ze direct: de “wilde” divisie werd aangewezen als voorhoede en Krymow werd met de gehele leiding van de operatie belast. Kornilov wilde niet muggenziften.

De bolsjewieken discussieerden volkomen openlijk over hun tactiek: een massapartij kan ook niet anders doen. De regering en het hoofdkwartier moesten weten dat de bolsjewieken van een actie afzagen en niet daartoe opriepen. Zoals de wens echter de moeder van de gedachte pleegt te zijn, wordt de politieke noodzakelijkheid de moeder van de prognose. Alle heersende klassen spraken over de aanstaande opstand omdat zij deze tot elke prijs nodig hadden. De datum van de opstand werd nu eens vervroegd, dan weer enkele dagen uitgesteld. De bladen berichtten dat men in het ministerie van oorlog, d.w.z. bij Savinkov, zich “zeer ernstig” zorgen maakt over de aanstaande opstand. De “Rjetsj” meldde dat het initiatief tot de opstand van de bolsjewistische fractie in de Sovjet van Petrograd uitging. Miljoekov was als politicus dermate in de vermeende opstand van de bolsjewieken geïnteresseerd dat hij het zijn plicht achtte deze lezing ook als historicus te handhaven. “Volgens de later gepubliceerde documenten van de contraspionagedienst,” schrijft hij, “kwamen er juist in die tijd nieuwe aanwijzingen betreffende Duits geld voor de ondernemingen van Trotski.” Net als de Russische contraspionagedienst ziet ook de geleerde historicus over het hoofd dat Trotski, die door de Duitse generale staf voor het gemak van de Russische patriotten met name genoemd werd, “juist in die tijd” – van 23 juli tot 4 september – in de gevangenis zat. Het feit dat de as van de aarde slechts een denkbeeldige lijn is, belet echter niet dat de aarde om deze as draait. Zo draaide ook het plan tot de krijgsverrichting van Kornilov om de denkbeeldige bolsjewistische opstand als om zijn eigen as. Dit kon misschien voldoende zijn voor de voorbereidingsperiode. Maar om de zaak tot een goed einde te brengen, was er iets tastbaarders nodig.

Een van de leidende militaire samenzweerders, de officier Windberg, bevestigt in zijn interessante aantekeningen, die ons in staat stellen een blik achter de schermen te werpen, volkomen de toespelingen van de bolsjewieken op de voorbereidingen van de militaire provocateurs. Miljoekov moest, onder invloed van de feiten en de documenten toegeven, “dat de beschuldigingen uit de links radicale kringen juist waren. Agitatie in de bedrijven was stellig… een van de taken die de organisaties van officieren te vervullen hadden.” Maar ook dit hielp niet: de bolsjewieken waren, zoals dezelfde historicus weeklaagt, vastbesloten om “zich niet bloot te geven.” De massa’s waren niet van plan om zonder de bolsjewieken op te treden. Ook deze moeilijkheid was echter voorzien en om zo te zeggen bij voorbaat uit de weg geruimd. Het “republikeins centrum,” zoals het leidend orgaan van de samenzweerders in Petrograd heette, besloot eenvoudig om de bolsjewieken te vervangen: de Kozakkenoverste Doetov kreeg de opdracht om de revolutionaire opstand te imiteren. In januari 1918 antwoordde Doetov op een vraag van zijn politieke vrienden naar wat er op 28 augustus 1917 had moeten gebeuren, woordelijk het volgende: “Ik zou tussen 28 augustus en 2 september onder bolsjewistisch mom optreden.” Er was in alles voorzien. Niet voor niets was het plan door officieren van de generale staf uitgewerkt.

Kerenski van zijn kant was na de terugkeer van Savinkov uit Mohilew ertoe geneigd te geloven dat alle misverstanden uit de weg geruimd waren en dat het hoofdkwartier zich volkomen bij zijn plan aangesloten had. “Op bepaalde ogenblikken,” schrijft Stankevitsj, “geloofden alle handelende personen dat zij niet alleen allemaal in een en dezelfde richting werkzaam waren, maar ook dat zij het eens waren over de methode!” Deze gelukzalige momenten duurden niet lang. Het toeval deed zich gelden en dit bracht, net als elk toeval in de geschiedenis, bepaalde noodzakelijkheden met zich mee. Kerenski werd opgezocht door Lvov, een oktobrist en lid van de eerste Voorlopige Regering, dezelfde die als enthousiast leider van de Heilige Synode gerapporteerd had dat deze instelling slechts uit “idioten en schurken” bestond. Lvov was de man die aan het licht zou brengen dat er onder het schijnbaar ene plan twee vijandige tegen elkaar gerichte plannen bestonden.

Als ambteloos, maar woordenrijk politicus nam Lvov deel aan de eindeloze besprekingen over een wijziging in de regering en over de redding van het land. Deze besprekingen werden nu eens in het hoofdkwartier, dan weer in het Winterpaleis gehouden. Ditmaal verscheen hij met een aanbod tot bemiddeling bij de vorming van een kabinet op nationale grondslag, waarbij hij Kerenski schrik aanjoeg met de banbliksems van het ontevreden hoofdkwartier. De verschrikte minister-president besloot Lvov te gebruiken om het hoofdkwartier en waarschijnlijk tegelijkertijd ook zijn medeplichtige, Savinkov, op de proef te stellen. Kerenski betuigde zijn sympathie met een aansturen op een dictatuur, hetgeen hij ook meende, en spoorde Lvov aan tot verdere medewerking, hetgeen een krijgslist was.

Toen Lvov weer in het hoofdkwartier verscheen, ditmaal met de volmachten van Kerenski, zagen de generaals in zijn missie een bewijs dat de regering rijp was voor een capitulatie. Gisteren nog had Kerenski zich bij monde van Savinkov ertoe verplicht om het programma van Kornilov onder bescherming van het Kozakkenkorps uit te voeren. Vandaag reeds bood Kerenski het hoofdkwartier aan om samen een regering te vormen. Men moet wat druk uitoefenen, concludeerden de generaals terecht. Kornilov verklaarde aan Lvov dat de komende bolsjewistische opstand de “val van de Voorlopige Regering, vrede met Duitsland en een uitlevering van de Baltische vloot aan de Duitsers” tot doel had, waardoor er geen andere uitweg was dan een onmiddellijke machtsovergave van de Voorlopige Regering aan de opperbevelhebber. Kornilov voegde hieraan toe “dat het onverschillig was wie dit zou zijn.” Hij was echter geenszins van plan om zijn plaats aan een ander af te staan. Van te voren was door de ridders van St. George, de Officierenvereniging en de sovjet van de Kozakkenlegers onder ede gezworen dat hij onafzetbaar was. Met het oog op hun “veiligheid” tegenover de bolsjewieken verzocht Kornilov Kerenski en Savinkov dringend om beiden naar het hoofdkwartier te komen onder persoonlijke hoede van hemzelf. De ordonnans Sawojko maakte tegenover Lvov een duidelijke toespeling erop waarin deze bescherming zou bestaan.

In Moskou teruggekeerd spoorde Lvov “als vriend” Kerenski ertoe aan om op het aanbod van Kornilov in te gaan. “Om het leven van de leden van de Voorlopige Regering en vooral van hemzelf te redden.” Kerenski moest nu eindelijk wel inzien dat het politieke spel met de dictatuur een ernstige wending nam en lelijk zou kunnen eindigen. Krachtig optredend liet hij allereerst Kornilov aan de telefoon komen om te controleren of Lvov de opdracht juist had overgebracht. Kerenski stelde de vragen niet alleen namens zichzelf, maar ook namens Lvov, ofschoon deze niet bij het gesprek aanwezig was. “Een dergelijke truc,” merkt Martinov op, “die geschikt was voor een politiespion, was natuurlijk een staatshoofd onwaardig.” Kerenski sprak over zijn aankomst met Savinkov in het hoofdkwartier de volgende dag als over een vaststaand feit. Het gehele telefoongesprek doet in het algemeen wonderlijk aan: het democratisch staatshoofd en de “republikeinse” generaal spreken af om de regeermacht aan elkaar af te staan, alsof het om een plaats in een slaapwagen ging!

Miljoekov heeft volkomen gelijk indien hij in de eis van Kornilov om hem de macht uit te leveren niets anders dan “een voortzetting van al die reeds geruime tijd openlijk gevoerde gesprekken over dictatuur, reorganisatie van de regering enz.” ziet. Miljoekov gaat echter te ver indien hij de zaak op deze basis zo wil voorstellen alsof er geen sprake was van een samenzwering in het hoofdkwartier. Kornilov zou ongetwijfeld niet door bemiddeling van Lvov zijn eisen hebben kunnen stellen indien hij niet te voren met Kerenski een samenzwering gesmeed had. Dit doet echter niets af aan het feit dat Kornilov met de ene, namelijk met de gemeenschappelijke samenzwering, de andere, namelijk zijn eigen samenzwering, maskeerde. Terwijl Kerenski en Savinkov zich opmaakten om de bolsjewieken en gedeeltelijk ook de Sovjets te vernietigen, was Kornilov bovendien nog van plan de Voorlopige Regering te vernietigen. Maar dit was wat Kerenski juist niet wilde.

In de avond van 26 augustus kon het hoofdkwartier enkele uren werkelijk menen dat de regering zonder enige tegenstand zou capituleren. Dit betekende echter niet dat er misschien toch geen samenzwering bestond, het wilde enkel zeggen dat de overwinning van de samenzwering nabij leek. Een samenzwering die zegeviert, weet altijd de middelen te vinden om zich een wettelijke grondslag te geven. “Ik zag generaal Kornilov kort na dit gesprek,” deelt vorst Troebetzkoi, een diplomaat die bij het hoofdkwartier het ministerie van Buitenlandse Zaken vertegenwoordigde, mee. “Hij slaakte een zucht van opluchting. Op mijn vraag of de regering hem dus in alle opzichten tegemoet kwam, antwoordde hij bevestigend.” Kornilov vergiste zich. Op ditzelfde ogenblik hield de regering in de persoon van Kerenski er net mee op om hem tegemoet te komen.

Heeft het hoofdkwartier dan toch zijn eigen plannen? Gaat het dan toch niet om een dictatuur in het algemeen, maar om de dictatuur van Kornilov? Biedt men hem, Kerenski, als het ware om hem te honen, de post van minister van Justitie aan? Kornilov heeft werkelijk de onvoorzichtigheid gehad om tegenover Lvov op iets dergelijks te zinspelen. Terwijl hij zichzelf met de revolutie identificeerde, riep Kerenski tegenover de minister van Financiën Nekrassow uit: “Ik zal hen de revolutie niet uitleveren.” De onbaatzuchtige vriend Lvov werd terstond gevangengenomen en bracht een slapeloze nacht door in het Winterpaleis met twee bewakers aan zijn voeten, terwijl hij tandenknarsend moest aanhoren hoe in de kamer daarnaast, in het vertrek van Alexander III, de triomferende Kerenski, tevreden over het goede verloop van zijn zaak, eindeloos melodieën uit verschillende opera’s zong. Kerenski voelde in deze uren zijn krachten toenemen.

Petrograd leefde tijdens deze dagen met dubbele zorgen. De politieke spanning die door de pers opzettelijk overdreven werd, dreigde tot een uitbarsting te leiden. Het front was door de val van Riga dichterbij gekomen. De kwestie van een eventuele evacuatie van de hoofdstad, die door de oorlog reeds lang vóór de val van de monarchie actueel geworden was, werd nu opnieuw acuut. De meer bemiddelden verlieten de stad. De bourgeoisie vluchtte veel meer uit angst voor een nieuwe opstand dan uit angst voor een vijandelijke inval. Op 26 augustus herhaalde het Centraal Comité van de bolsjewistische partij nog eens: “Obscure individuen gaan provocatorisch te werk, zogenaamd in naam van onze partij.” De leidende organen van de Sovjet van Petrograd, de vakverenigingen en de comités in de bedrijven verklaarden diezelfde dag dat geen enkele arbeidersorganisatie en geen enkele politieke partij tot demonstraties opriep. De geruchten dat de regering de volgende dag zou vallen, verstomden echter geen moment. De kranten schreven: “In regeringskringen wordt gewezen op het eensgezind genomen besluit om alle pogingen tot een opstand de kop in te drukken.” Er waren zelfs maatregelen genomen om een opstand teweeg te brengen voordat men ze zou onderdrukken.

In de ochtendbladen van 27 augustus was er nog altijd niet alleen niets over de plannen tot een opstand van het hoofdkwartier te vinden, maar werd integendeel in een interview met Savinkov verzekerd dat “generaal Kornilov het volle vertrouwen van de Voorlopige Regering genoot.” De dag van de herdenking van het halfjarig bestaan van de revolutie verliep in het algemeen opmerkelijk rustig. De arbeiders en soldaten vermeden alles wat maar op een demonstratie kon lijken. De bourgeoisie, die bang was voor onlusten, bleef thuis. De straten waren verlaten. De graven van de Februarislachtoffers leken vergeten.

In de loop van de morgen van de lang verwachte dag die redding aan het land zou brengen, kreeg de opperbevelhebber telegrafisch van de minister-president bevel om zijn post aan de chef van de staf over te geven en terstond naar Petrograd af te reizen. De zaak nam plotseling een volkomen onverwachte wending. De generaal begreep naar eigen zeggen dat “hier een dubbelzinnig spel gespeeld werd.” Met meer recht had hij kunnen zeggen dat zijn eigen dubbelzinnig spel ontdekt was. Kornilov besloot om niet toe te geven. Savinkovs telefonische waarschuwingen hadden geen effect. “Nu ik mij genoodzaakt zie om openlijk op te treden,” aldus het manifest waarmee de opperbevelhebbers zich tot het volk wendden, “verklaar ik, generaal Kornilov, dat de Voorlopige Regering onder druk van de bolsjewistische meerderheid in de Sovjet volkomen in overeenstemming met de plannen van de Duitse generale staf handelt door gelijktijdig met de aanstaande landing van de vijandelijke krachten op de kust bij Riga het leger te vermoorden en het land inwendig te ontwrichten.” Hij was niet zinnens de macht aan de verraders over te geven en dus gaf Kornilov er de voorkeur aan om “op het ereveld te sterven.” Miljoekov schreef later met een zekere bewondering voor de opsteller van het manifest: “Zonder zich in juridische spitsvondigheden te begeven, ging hij vastbesloten af op het doel dat hij zich eenmaal gesteld had.” Een opperbevelhebber die troepen van het front terugtrekt om zijn eigen regering ten val te brengen, kan men inderdaad moeilijk van voorliefde voor “juridische spitsvondigheden” verdenken.

Kornilov werd door Kerenski hoogst eigenhandig afgezet. De Voorlopige Regering bestond in die tijd al niet meer: in de avond van 26 augustus hadden de heren ministers hun ontslag ingediend en dat werd door een gelukkige samenloop van omstandigheden door alle partijen verwelkomd. Reeds enkele dagen vóór de breuk tussen het hoofdkwartier en de Voorlopige Regering had generaal Loekomski bij monde van Aladjin aan Lvov verklaard: “Het zou niet kwaad zijn de kadetten er opmerkzaam op te maken dat zij allemaal samen voor 28 augustus uit de Voorlopige Regering moeten treden om de regering daarmee in een moeilijk parket te brengen en zichzelf onaangenaamheden te besparen.” De kadetten lieten niet na deze raad op te volgen. Aan de andere kant had Kerenski aan de regering verklaard dat hij de strijd tegen de opstand van Kornilov alleen mogelijk achtte “onder de voorwaarde dat aan hem alleen de gehele macht werd overgelaten.” De overige ministers hadden slechts voor de vorm een dergelijk voorwendsel afgewacht om hun ontslag te nemen. Zo kwam de coalitie voor een nieuwe beproeving te staan. “De ministers uit de kadettenpartij,” schrijft Miljoekov, “verklaarden dat zij op dat ogenblik hun ontslag namen zonder vooruit te lopen op de vraag of zij later weer aan de Voorlopige Regering zouden deelnemen.” Hun traditie getrouw wilden de kadetten zich afzijdig houden van de strijd en een afwachtende houding aannemen om hun nadere besluiten van de afloop te laten afhangen. Zij twijfelden er niet aan of de verzoeningsgezinden zouden hun plaats voor hen openhouden. De kadetten namen, nadat zij zich aan de verantwoordelijkheid onttrokken hadden, samen met de overige afgetreden ministers deel aan een aantal bijeenkomsten van de regering die een “privékarakter” hadden. Twee partijen die zich gereed maakten tot een burgeroorlog, groepeerden zich “privé” rond het hoofd van de regering dat alle mogelijke volmachten, doch alleen niet de werkelijke macht had.

Bij het telegram dat van Kerenski in het hoofdkwartier binnenkwam en waarin stond: “Alle troepen die zich op weg naar Petrograd en omgeving bevinden, moeten tegengehouden worden en naar hun laatste standplaats teruggebracht worden,” tekent Kornilov aan: “Dit bevel niet uitvoeren, troepen naar Petrograd laten oprukken.” De gewapende rebellie nam zodoende vaste vorm aan. Dit is letterlijk op te vatten: drie divisies cavalerie rukten per spoor naar de hoofdstad op.

De legerorder van Kerenski aan de troepen van Petrograd luidde: “Generaal Kornilov, die zijn patriottisme en zijn trouw aan het volk betuigde… nam regimenten van het front weg en… zond ze tegen Petrograd.” Kerenski verzweeg wijselijk dat de regimenten niet alleen met zijn medeweten van het front weggenomen waren, maar zelfs op een directe eis van hem om een strafgericht te houden over hetzelfde garnizoen voor wie hij nu de woordbreuk van Kornilov ontmaskerde. De opstandige opperbevelhebber was natuurlijk niet om een antwoord verlegen… “De verraders zijn niet onder ons te vinden,” zo heet het in zijn telegram, “maar daarginds, in Petrograd, waar de regering op misdadige wijze oogluikend toelaat dat Rusland tegen Duits geld verkocht werd en verkocht wordt.” Zo baande de tegen de bolsjewieken gerichte laster zich steeds weer nieuwe wegen.

Die hemelse nachtelijke stemming waarin de voorzitter van de afgetreden ministerraad opera-aria’s zong, was snel verdwenen. De strijd tegen Kornilov dreigde, welk verloop hij ook zou hebben, de meest ernstige gevolgen met zich mee te brengen. “Reeds in de eerste nacht van de opstand van het hoofdkwartier,” schrijft Kerenski, “verspreidde zich in sovjet-, soldaten en arbeiderskringen van Petrograd hardnekkig het gerucht over een deelname van Savinkov aan de beweging van generaal Kornilov.” Het gerucht noemde Kerenski onmiddellijk na Savinkov en het gerucht loog niet. Men moest derhalve op de meest gevaarlijke onthullingen bedacht zijn.

“Laat in de nacht van 26 augustus,” vertelt Kerenski, “betrad de leider van het ministerie van oorlog hoogst opgewonden mijn kamer. “Mijnheer de minister,” zo wendde Savinkov in de houding staande zich tot mij, “ik verzoek u mij terstond als medeplichtige van generaal Kornilov te arresteren. Indien u mij echter vertrouwt, verzoek ik u mij in de gelegenheid te stellen om het volk metterdaad te tonen dat ik niets met de opstandelingen heb uit te staan…” – “Als antwoord op deze verklaring,” vervolgt Kerenski, “benoemde ik Savinkov terstond tot voorlopige gouverneur-generaal van Petrograd en gaf hem zeer verstrekkende volmachten voor de verdediging van Petrograd tegen de troepen van generaal Kornilov.” Sterker nog, op verzoek van Savinkov benoemde Kerenski Filonenko tot diens adjudant. Zowel de kwestie van de opstand, als de kwestie van de onderdrukking ervan bleef derhalve binnen het ressort van het “directorium”.

Kerenski werd tot de zo overhaaste benoeming van Savinkov tot gouverneur-generaal gedwongen uit politiek zelfbehoud. Indien Kerenski Savinkov aan de Sovjets had uitgeleverd, zou Savinkov onmiddellijk Kerenski uitgeleverd hebben. En omgekeerd, nadat Savinkov niet zonder druk van Kerenski had weten gedaan te krijgen dat hij de gelegenheid kreeg om zich door een ostentatieve deelname aan de operaties tegen Kornilov te rehabiliteren, moest hij wel alles in het werk stellen om Kerenski schoon te wassen. De gouverneur-generaal was niet zozeer nodig voor de strijd tegen de contrarevolutie, maar wel om de sporen uit te wissen. De medeplichtigen begonnen onverwijld stappen daartoe te ondernemen.

“Op 28 augustus om 4 uur ’s morgens,” deelt Savinkov mee, “keerde ik op verzoek van Kerenski naar het Winterpaleis terug en trof daar generaal Alexejev en Teresjtsjenko aan. Wij waren het er alle vier over eens dat het ultimatum van Lvov slechts op een misverstand berustte.” De nieuwe gouverneur-generaal had bij deze bijeenkomst in de vroege morgenuren de rol van bemiddelaar te vervullen. Miljoekov leidde achter de schermen, in de loop van de dag zal hij openlijk optreden. Alexejev stond, hoewel hij Kornilov een schaapskop genoemd had, toch aan diens kant. De samenzweerders en hun secondanten deden een laatste poging om alles wat gebeurde als een “misverstand” voor te stellen. Ze probeerden met andere woorden om de publieke opinie gezamenlijk om de tuin te leiden om te redden wat er nog van het gemeenschappelijke plan te redden viel. De ‘wilde’ divisie, generaal Krymow, de Kozakkentroepen, de weigering van Kornilov om zijn post op te geven, de opmars naar de hoofdstad – dit alles waren slechts onderdelen van één groot ‘misverstand’! Verschrikt door de onheilspellende samenloop van omstandigheden, riep Kerenski al niet meer: “Ik zal hen de revolutie niet uitleveren!” Direct na het onderhoud met Alexejev trad hij in het vertrek van de journalisten in het Winterpaleis binnen en richtte zich tot hen met de eis om zijn oproep waarin hij Kornilov een verrader genoemd had uit alle kranten te verwijderen. Toen uit het antwoord van de journalisten bleek dat dit technisch onmogelijk was, riep Kerenski uit: “Wat jammer.” Dit kleine voorval dat in de kranten van de volgende dag vermeld werd, werpt een schel licht op de figuur van de hoogste leider van het volk die geheel de kluts kwijt was. Kerenski was zo volkomen een verpersoonlijking zowel van de democratie alsook van de bourgeoisie, dat hij zich nu tegelijkertijd als hoogste drager van de staatsmacht en als misdadig samenzweerder tegen deze betoonde.

Tegen de morgen van de 28ste vernam het gehele land de breuk tussen de regering en de opperbevelhebber als een voldongen feit. Terstond bemoeide de beurs er zich mee. Terwijl deze op de rede van Kornilov te Moskou, waarin deze met een prijsgeven van Riga dreigde, geantwoord had met een daling van de Russische papieren, reageerde zij op het nieuws van de openlijke opstand van de generaal met een stijging van alle waardepapieren. Met haar kleinerende notering van het Februaribewind gaf de beurs openlijk uiting aan de verwachtingen en stemmingen van de bezittende klassen die niet aan de overwinning van Kornilov twijfelden.

De chef van de staf Loekomski, aan wie Kerenski de avond tevoren gelast had voorlopig het bevel op zich te nemen, antwoordde: “Ik acht het onmogelijk generaal Kornilov van zijn ambt te ontheffen, want dan zou er in het leger een uitbarsting volgen die Rusland ten onder zou doen gaan…” Behalve de Kaukasische opperbevelhebber, die na enige aarzeling zijn trouw aan de Voorlopige Regering betuigde, ondersteunden de overige bevelhebbers in verschillende toonaarden de eisen van Kornilov. Geïnspireerd door de kadetten, verzond het hoofdbestuur van de Officierenvereniging het volgend telegram aan alle generale staven van het leger en van de vloot: “De Voorlopige Regering die reeds meermaals haar politieke onmacht toonde, heeft nu haar naam door een provocatie bezoedeld en kan niet langer aan het hoofd van Rusland blijven staan…” Erevoorzitter van de Officierenvereniging was de bovengenoemde Loekomski! Generaal Krasnow die tot bevelhebber van het derde cavaleriekorps benoemd was, verklaarde in het hoofdkwartier: “Niemand zal Kerenski verdedigen. Het gaat slechts om een wandelingetje. Alles is goed voorbereid.”

Men krijgt een goede voorstelling van de optimistische verwachtingen van de leiders en de organisatoren van de samenzwering uit het cijfertelegram van de ons reeds bekende vorst Troebetzkoi aan de minister van Buitenlandse Zaken. “Indien men nuchter de toestand beziet, moet men erkennen dat de gehele legerleiding, de overgrote meerderheid van de officieren en de beste troepen aan het front aan de zijde van Kornilov zullen staan. In het achterland zullen alle Kozakken, de meeste krijgsscholen en ook weer de beste fronttroepen aan zijn zijde staan. Bij de fysieke machtsmiddelen moet gerekend worden… de morele sympathie van alle niet-socialistische bevolkingsgroepen en bij het lagere volk… de onverschilligheid waarmee zij iedere zweepslag ondergaan. Het is niet aan twijfel onderhevig of een groot deel van de socialisten van maart zal zonder dralen tot de zijde van Kornilov overgaan in geval van een overwinning van deze.” Troebetzkoi bracht niet alleen de verwachtingen van het hoofdkwartier, maar ook de stemmingen van de geallieerde legaties tot uiting. Er bevonden zich bij de troepenmacht van Kornilov die oprukte om Petrograd te veroveren Engelse pantserwagens met Engelse manschappen. Deze laatsten waren stellig het meest betrouwbare deel van de troepen. Het hoofd van de Engelse militaire missie in Rusland, generaal Knox, verweet de Amerikaanse overste Robins dat hij Kornilov niet ondersteunde. “De Kerenski-regering laat mij koud,” zei de Engelse generaal, “zij is te zwak. Men heeft een militaire dictatuur nodig, men heeft de Kozakken nodig, dit volk heeft de knoet nodig! Een dictatuur – die moet men hebben.”

Al deze uitlatingen drongen van verschillende kanten in het Winterpaleis door en hadden een verpletterende uitwerking op de bewoners ervan. Kornilovs succes leek zeker. Minister Nekrassow meldde aan zijn vrienden dat de zaak hopeloos verloren was en dat hij slechts op zijn post bleef om moedig te sterven. “Enkele bekende Sovjetleiders,” beweert Miljoekov, “die begrepen wat hun lot zou zijn in geval van een overwinning van Kornilov verschaften zich haastig passen voor het buitenland.”

Ieder uur van de dag kwamen er nieuwe berichten over de nadering van de troepen van Kornilov, het een nog onrustbarender dan het ander. De burgerlijke pers pikte gretig op deze berichten in, overdreef ze, dikte ze aan en bracht een paniekstemming teweeg.

Op 28 augustus om 12u30: “De door generaal Kornilov uitgestuurde troepenmacht is bij Loega samengetrokken.” In de namiddag om 14u30: “Tien nieuwe treinen met troepen van Kornilov passeerden het station Oredesj. In de eerste trein bevindt zich een bataljon spoorwegsoldaten.” Om 15u: “Het garnizoen van Loega heeft zich aan de troepen van generaal Kornilov overgegeven en alle wapens uitgeleverd. Het station en alle regeringsgebouwen van Loega zijn door de troepen van Kornilov bezet.” Om 18u: “Twee compagnieën van de troepen van Kornilov zijn doorgebroken van uit Narwa en bevinden zich op een halve werst afstand van Gatsjina. Twee andere compagnieën zijn naar Gatsjina onderweg.” Om 2 uur in de nacht van 29 augustus: “Bij het station Antropsjino (33 kilometer van Petrograd) is een gevecht aan de gang tussen troepen van de regering en van Kornilov. Er vielen doden en gewonden aan beide kanten.” In diezelfde nacht kwam het nieuws dat Kaledin dreigde Petrograd en Moskou af te snijden van het vruchtbare zuiden van Rusland.

Hoofdkwartier, bevelhebbers van de fronten, Engelse militaire missie, officierenkorps, compagnieën, spoorwegbataljon, Kozakken, Kaledin – dit alles vernam men in de malachietzaal van het Winterpaleis als bazuinklanken van het laatste oordeel.

Kerenski geeft dit zelf met de nodige terughoudendheid toe: “28 augustus was juist de dag van de grootste aarzeling, de grootste twijfel aan de kracht van de tegenstanders van Kornilov, van de grootste zenuwachtigheid bij de democratie zelf.” De werkelijke betekenis van deze woorden is niet moeilijk te begrijpen. Het hoofd van de regering martelde zich met overpeinzingen, niet alleen over de vraag welke van beide partijen de sterkste, maar ook welke voor hem de gevaarlijkste was. “Wij staan niet aan uw kant, rechtsen, en ook niet aan uw kant, linksen,” zoiets klonk heel effectvol vanaf het toneel van de Moskouse schouwburg, maar in de taal van de oplaaiende burgeroorlog betekende het dat Kerenski en zijn omgeving wel eens overbodig zouden blijken zowel voor rechts als voor links. “Wij allen waren,” schrijft Stankevitsj, “letterlijk verstijfd van schrik over het feit dat er een drama plaatshad dat alles dreigde te vernietigen. Hoe groot de schrik was, kan men afleiden uit het feit dat er zelfs ondanks de voor het gehele volk duidelijke breuk tussen het hoofdkwartier en de regering pogingen gedaan werden om tot een verzoening te komen…” “De gedachte aan bemiddeling… kwam vanzelf in deze situatie op,” zegt Miljoekov die er de voorkeur aan gaf in de derde persoon op te treden. In de avond van 28 augustus verscheen hij in het Winterpaleis om “Kerenski aan te raden zijn streng formalistisch standpunt van een wetsovertreding op te geven.” De liberale leider wist heel goed het onderscheid tussen schijn en wezen te maken. Hij was dan ook de meest geschikte persoon voor de rol van loyale bemiddelaar. Op 13 augustus had Miljoekov uit de mond van Kornilov zelf gehoord dat de opstand voor 27 augustus gepland was. De volgende dag, op 14 augustus, eiste Miljoekov in zijn toespraak tot de vergadering dat de “uitvoering van de door de opperbevelhebber gevraagde maatregelen geen aanleiding mocht vormen tot verdachtmakingen, dreigementen of zelfs ontslagen.” Tot 27 augustus moest Kornilov buiten schot blijven! Tegelijkertijd zei Miljoekov aan Kerenski toe dat hij hem “bereidwillig en zonder aarzelen” ondersteunde. Wij mogen hier herinneren aan de strop die ook “zonder aarzelen” ondersteunt.

Kerenski erkent zijnerzijds dat Miljoekov met zijn aanbod tot bemiddeling “een zeer geschikt moment uitgekozen had om mij te laten zien dat de werkelijke macht bij Kornilov was.” Het onderhoud verliep zo gunstig dat Miljoekov daarna aan zijn politieke vrienden generaal Alexejev als de plaatsvervanger van Kerenski kon noemen, tegen wie Kornilov geen enkel bezwaar zou hebben. Alexejev stemde grootmoedig in.

Na Miljoekov kwam iemand die groter was dan hij. ’s Avonds laat overhandigde de Engelse gezant Buchanan aan de minister van Buitenlandse Zaken een verklaring waarin de vertegenwoordigers van de geallieerde mogendheden eensgezind hun diensten aanboden, “in het belang van de gehele mensheid en om een onherstelbare ramp te voorkomen.” De officiële bemiddeling tussen de regering en de opstandige generaal geschiedde slechts om de opstand te begunstigen en de goede afloop ervan te waarborgen. Teresjtsjenko sprak in zijn antwoord namens de Voorlopige Regering zijn “zeer grote verbazing” uit over de opstand van Kornilov, wiens programma grotendeels door de regering aanvaard was.

Kerenski wist in zijn toestand van vereenzaming niets beters te doen dan nog eens een eindeloos gerekte bijeenkomst met zijn reeds afgetreden ministers te houden. Juist tijdens dit onnodig tijdverdrijf kwamen er buitengewoon verontrustende berichten over het oprukken van de vijandelijke troepen binnen. Nekrassov sprak het vermoeden uit dat “de troepen van Kornilov waarschijnlijk reeds binnen enkele uren in Petrograd zouden zijn…” De vroegere ministers vroegen zich nu af: “Hoe moest de regering onder deze omstandigheden samengesteld worden?” De gedachte aan een directorium kwam weer op. Zowel het rechtse als het linkse deel voelde iets voor de gedachte om generaal Alexejev in het “directorium” op te nemen. De kadet Kokosjkin meende dat Alexejev aan het hoofd van de regering geplaatst moest worden. Volgens de verklaringen van enkele aanwezigen kwam het voorstel om de macht aan een ander af te staan van Kerenski die daarbij direct naar zijn onderhoud met Miljoekov verwees. Niemand maakte bezwaren. Iedereen kon zich verzoenen met de kandidatuur van Alexejev. Miljoekovs plan leek dicht, heel dicht bij zijn verwezenlijking te zijn. Maar daar klonk, zoals dat op het moment van de hoogste spanning in een drama behoort, een geklop op de deur. In het nevenvertrek wachtte een deputatie van het comité tot bestrijding van de contrarevolutie. Deze was op het juiste moment verschenen: de jammerlijke, laffe en trouweloze vergadering van aanhangers van Kornilov, bemiddelaars en capitulanten in de zaal van het Winterpaleis was een van de gevaarlijkste contrarevolutionaire broeinesten.

Het nieuwe Sovjetorgaan was in de avond van 27 augustus gevormd in een verenigde vergadering van beide Uitvoerende Comités, dat van de arbeiders en soldaten en dat van de boeren, en bestond uit buitengewone afgevaardigden van de drie Sovjetpartijen, van de beide Uitvoerende Comités, van de vakverenigingscentrale en de Sovjet van Petrograd. De vorming van een ad hoc strijdcomité betekende eigenlijk een erkenning dat de leidende Sovjetinstellingen zichzelf niet voor hun taak berekend voelden en vers bloed nodig hadden om de revolutionaire taak te vervullen.

Nu zij zich genoodzaakt zagen om tegen de generaal steun bij de massa’s te zoeken, haastten de verzoeningsgezinden zich om zich links voor te doen. Er was plotseling geen sprake meer van dat alle principiële kwesties tot de Constituerende Vergadering uitgesteld moesten worden. De mensjewieken verklaarden dat zij een onmiddellijke uitroeping van de democratische republiek, ontbinding van de Rijksdoema en doorvoering van agrarische hervormingen van de regering zouden eisen: hierdoor komt het dat de naam republiek voor het eerst in een regeringsverklaring betreffende het verraad van de opperbevelhebber te vinden is.

Wat de samenstelling van de regering betreft, spraken de Uitvoerende Comités zich uit voor de noodzakelijkheid om voorlopig de regering in haar oude vorm te behouden en alleen de uitgetreden kadetten door democratische elementen te vervangen. Bovendien zagen ze zich verplicht om een conferentie bijeen te roepen van alle organisaties die zich in Moskou rond het programma van Tsjcheïdse verenigd hadden, om zo tot definitieve besluiten te komen. Na de nachtelijke besprekingen werd het echter duidelijk dat Kerenski zich hardnekkig tegen een democratische controle over de regering verzette. Beseffend dat de grond hem aan alle kanten begint te ontzinken, klampt hij zich met alle macht vast aan een directorium waarin zijn nog altijd niet opgegeven dromen van een sterke regering belichaamd zijn. Na nieuwe, pijnlijke en nutteloze debatten in het Smolny besloot men zich nog eens tot de onmisbare Kerenski te wenden met het verzoek het oorspronkelijk ontwerp van het Uitvoerend Comité goed te keuren. Om 7u30 ‘s morgens keert Tsereteli terug met het nieuws dat Kerenski tot geen enkele concessie bereid was en “zonder voorbehoud ondersteuning” eiste, maar dat hij bereid was “alle krachten van de staat” op de strijd tegen de contrarevolutie te concentreren. De door het nachtbraken uitgeputte Uitvoerende Comités aanvaardden tenslotte het holle denkbeeld van een directorium.

De plechtige belofte van Kerenski om “alle krachten van de staat” in de strijd tegen Kornilov in te zetten, belette hem niet om met Miljoekov, Alexejev en de afgetreden ministers te onderhandelen over een vreedzame capitulatie voor het hoofdkwartier, onderhandelingen die door het nachtelijk geklop op de deur onderbroken werden. Enkele dagen later bracht de mensjewiek Bogdanov, een van de leiders van het verdedigingscomité, in voorzichtige maar niet voor discussie vatbare bewoordingen aan de Sovjet van Petrograd rapport uit over de woordbreuk van Kerenski. “Toen de Voorlopige Regering begon te wankelen en het niet duidelijk was waarmee het avontuur van Kornilov zou eindigen, doken er bemiddelaars op als een Miljoekov en Alexejev…” Het verdedigingscomité mengde zich in de zaak en verlangde hardnekkig een openlijke strijd. “Onder onze invloed,” vervolgde Bogdanov, “brak de regering elke onderhandeling af en wees alle voorstellen van Kornilov van de hand…”

Nadat het hoofd van de staat, de samenzweerder van gisteren tegen de linksen, de politieke gevangene van deze geworden was, verklaarden de kadetten-ministers, die op 27 augustus slechts voorlopig afgetreden waren, dat zij nu definitief uit de regering traden, omdat zij niet de verantwoordelijkheid wilden dragen voor Kerenski’s optreden bij de onderdrukking van een zo vaderlandslievende, zo loyale, zo heilzame opstand. De gewezen ministers, raadgevers en vrienden verlieten de een na de ander het Winterpaleis. “Het was,” volgens Kerenski’s eigen woorden, “een massa-uittocht uit het klaarblijkelijk ten ondergang gedoemde oord.” In de nacht van 28 op 29 augustus wandelde Kerenski “vrijwel op zijn eentje” in het Winterpaleis rond. Hij dacht niet meer aan de vrolijke opera’s. “De verantwoordelijkheid die in deze tergend langzaam verstrijkende dagen op mij rustte, was waarlijk bovenmenselijk.” Deze verantwoordelijkheid was er in de eerste plaats een voor Kerenski’s persoonlijk lot. De rest voltrok zich reeds buiten hem om.