De gedachte van een paleisrevolutie

Waarom hebben de heersende klassen toen zij zich voor de revolutie probeerden te redden, niets ondernomen om zich van de tsaar en diens omgeving te ontdoen? Zij hebben hieraan wel gedacht, maar zij durfden niet. Het ontbrak hen aan vertrouwen in hun eigen zaak en aan vastbeslotenheid. De gedachte van een paleisrevolutie hing voortdurend in de lucht, tot zij overspoeld werd door de revolutie. Men moet hierbij even stil blijven staan om zich een duidelijk beeld van de onderlinge betrekkingen tussen de monarchie en de hoge adel, de bureaucratie en de burgerij aan de vooravond van de uitbarsting te kunnen vormen.

De bezittende klassen waren door en door monarchistisch, dit was omwille van hun belangen, hun tradities en hun lafheid. Zij wilden echter een monarchie zonder Raspoetin. De monarchie beantwoordde die vraag: neem me zoals ik ben. Als antwoord op de eisen voor een degelijk kabinet stuurde de tsarina een appel uit Raspoetin’s hand naar het hoofdkwartier van de tsaar, met als mededeling dat hij deze moest eten om zijn wil te versterken. “Herinner je,” bezwoer zij hem, “dat zelfs monsieur Philippe [een Frans charlatan en hypnotiseur] gezegd heeft dat men geen grondwet mag geven want dat zou jouw en Ruslands ondergang zijn…” “Wees een Peter de Grote, een Ivan de Verschrikkelijke, een Keizer Paul… Vermorzel alles!”

Welk een weerzinwekkend mengsel van angst, bijgeloof en vijandige vervreemding met het land! Het zou kunnen lijken dat althans in de hogere kringen de tsarenfamilie niet zo alleen en verlaten stond. Raspoetin werd immers voortdurend omringd door een hele reeks voorname dames en doorgaans tieren allerhande sjamanen welig aan het hof. Maar een dergelijke angstmystiek verenigt niet, integendeel, zij verdeelt. Ieder poogt zich op zijn manier te redden. Talrijke aristocratische huizen hebben elk hun eigen rivaliserende heiligen. Zelfs onder het hoogtepunt van de Petrogradse samenleving werd de familie van de tsaar, als een door pest getroffen instelling, omgeven door wantrouwen en vijandigheid. De hofdame Vyroebova schrijft in haar memoires: “Sterk besefte en voelde ik een vijandigheid van de hele omgeving tegen hen die ik verafgoodde, en ik voelde dat deze vijandigheid angstwekkende afmetingen aannam…”

Tegen de purperen achtergrond van de oorlog, met het waarneembare gerommel van onderhuidse schokken, zagen de geprivilegieerden op geen enkel ogenblik af van hun levensvreugde. Zij genoten integendeel met volle teugen. Maar op hun banketten en feesten waarde steeds meer een spook die de aanwezigen bedreigde. Dan meenden zij dat alle ellende kwam door het afschuwelijk karakter van Alice, door de trouweloze willoosheid van de tsaar, door de hebzuchtige gekke Vyroebova, door de Siberische Christus met de schrammen op zijn hoofd. Een stroom van ondragelijke vermoedens golfde door de heersende klassen, krampachtige stuiptrekkingen gingen van de periferie naar het centrum, de gehate leiding in Tsarskoje Selo raakte hierdoor steeds sterker geïsoleerd. In haar memoires, die in het algemeen uiterst onbetrouwbaar zijn, heeft Vyroebova de toestand wel zeer scherp omschreven: “Voor de zoveelste maal vroeg ik mij af: wat is er met de hoge kringen van Petrograd gebeurd? Zijn zij allen gek geworden of door een in oorlogstijd woedende epidemie getroffen? Het is moeilijk eruit wijs te worden, maar een feit blijft het: allemaal verkeerden ze in een abnormaal opgewonden toestand.”

Onder diegenen die hun zinnen verloren waren, behoorde ook de uitgebreide familie van de Romanovs, de door en door hebzuchtige, schaamteloze en algemeen gehate troep van grootvorsten en grootvorstinnen. In doodsangst trachtten zij zich uit de hen omklemmende greep te bevrijden. Ze probeerden zich bij de kritische aristocratie te voegen, ze spraken kwaad over het tsarenpaar en hitsten elkaar en hun omgeving op. De allerdoorluchtigste ooms wendden zich tot de tsaar met vermanende brieven waarin achter de formules van eerbied ook tandengeknars te horen was.

Enige tijd na de oktoberrevolutie heeft Propotopow een weinig doordacht maar toch levendig beeld geschetst van de stemming in de hoogste kringen: “Zelfs de hoogste klassen werden al weerspannig voor de revolutie. In de clubs en salons van de grote wereld oefende men scherpe en afgunstige kritiek uit op de politiek van de regering; men analyseerde de verhoudingen die in de tsarenfamilie ontstaan waren en gaf zijn oordeel over deze; men verspreidde anekdotes over het hoofd van de staat; men schreef verzen; vele grootvorsten bezochten openlijk zulke bijeenkomsten en hun aanwezigheid verleende aan de karikaturale verzinsels en boosaardige overdrijvingen een bijzondere betrouwbaarheid in de ogen van het publiek. Men besefte de gevaarlijkheid van dit spel pas op het laatste ogenblik.”

De geruchten over de hofhouding werden versterkt door de beschuldiging van Duitsgezindheid en zelfs van direct contact met de vijand. De verwaande en niet zeer doordachte Rodsjanko verklaart op de man af: “Het verband en de overeenkomst tussen de doelstellingen zijn zo logisch en duidelijk dat er althans voor mij geen twijfel bestaan kan aan de samenwerking tussen de Duitse staf en de kring van Raspoetin. Dit is aan geen twijfel onderhevig.” De directe en openlijke verwijzing naar de “logische” duidelijkheid verzwakt het categorische van deze getuigenis zeer. Voor het verband tussen de Raspoetinlieden en de Duitse staf waren ook na de revolutie in het geheel geen bewijzen te vinden. Anders is het gesteld met de zogenaamde “Germanofilie”. Het ging hier natuurlijk niet om nationale sympathieën of antipathieën van de tsarina die van Duitse afkomst was, van de premier Sturmer, van de gravin Kleinmichel, van de hofdignitaris graaf Frederiks en andere heren met Duitse namen. De cynische memoires van de oude intrigante Kleinmichel laten merkwaardig scherp zien welk een supranationaal karakter de hoogste kringen van de aristocratie van alle landen van Europa hadden. Deze kringen waren sterk met elkaar verbonden door banden van verwantschap, erfenissen, verachting tegenover alles wat onder hen stond en, last but not least, door de vele gevallen van kosmopolitisch overspel in de oude kastelen of in modieuze badplaatsen en aan de Europese hoven. Veel reëler waren de ingewortelde antipathieën van het hofpersoneel voor de slijmende lobbyisten van de Franse republiek, en de sympathieën van de reactionairen – of ze nu Teutoonse of Slavische familienamen hadden – voor de echt Pruisische geest van het Berlijnse regime dat  al zo lang imponeerde met zijn kranige snorren, zijn feldwebelmanieren en zijn zelfvertrouwde domheid.

Maar ook dit was niet beslissend. Het gevaar sproot uit de situatie zelf voort, want er bleef het hof niets anders over dan in een afzonderlijke vrede redding te zoeken. En wel te dringender naarmate de toestand dreigend werd. Het liberalisme trachtte, zoals wij later nog zullen zien, in persoon van zijn leiders de kans van een afzonderlijke vrede voor zich zelf te reserveren in de hoop daarmee aan de macht te komen. En juist daarom voerde het een wilde chauvinistische agitatie, het volk bedreigend en het hof terroriserend. De hofhouding durfde in een zo delicate kwestie niet te gauw haar werkelijk aangezicht tonen en was daarom gedwongen de algemene vaderlandslievende toon te imiteren, terwijl zij tegelijkertijd het terrein voor een afzonderlijke vrede verkende.

Het hoofd van de politie, generaal Koerlov, die tot de hofhouding van Raspoetin behoorde, ontkent in zijn memoires de Duitse verbindingen en sympathieën van zijn opdrachtgevers, maar hij voegt direct hieraan toe: “Men mag Sturmer niet verwijten dat hij van mening was dat de oorlog met Duitsland de ergste ramp voor Rusland geweest was en geen werkelijke politieke grondslag had.” Men dient alleen niet te vergeten dat de man die deze interessante “mening” huldigde aan het hoofd van een regering stond die tegen Duitsland oorlog voerde. De laatste tsaristische minister van binnenlandse zaken, Protopopov, had aan de vooravond van zijn aantreden in de regering te Stockholm onderhandelingen met een Duits diplomaat gevoerd en daarover aan de tsaar rapport uitgebracht. Raspoetin zelf heeft volgens de woorden van dezelfde Koerlov “de oorlog met Duitsland als een grote ramp voor Rusland beschouwd.” Tenslotte schreef de tsarin op 5 april 1916 aan de tsaar: “Zij moeten het niet wagen te beweren dat Hij ook maar iets gemeen heeft met de Duitsers. Hij is, zoals Christus, goed en grootmoedig tegen allen tot welke godsdienst iemand ook behoort: zo moet een waar christen zijn.” Het is goed mogelijk dat deze goede christen, die bijna altijd dronken was, niet alleen omgeven werd door valsspelers, speculanten en aristocratische prinsessen, maar ook door spionnen van de vijand. Maar de patriottische opposanten stelden de kwestie directer: ze beschuldigden de tsarina van verraad. In zijn veel later geschreven memoires getuigt generaal Denikin: “In het leger sprak men openlijk, zonder te letten op plaats of tijd, over de hardnekkige eis van de tsarina van een afzonderlijke vrede, over haar verraad aan de veldmaarschalk Kitchener, over wiens reis zij klaarblijkelijk aan de Duitsers mededelingen gedaan had, enz. Deze omstandigheid was van zeer grote betekenis voor de stemming in het leger met betrekking tot zijn houding tegenover dynastie en revolutie.” Dezelfde Denikin vertelt hoe generaal Alexejev na de revolutie een directe vraag kreeg over het verraad van de tsarina en “vaag en terughoudend” antwoordde dat er bij de tsarina een kaart aangetroffen was met een nauwkeurige opgave van alle troepen aan het front en dat dit op hem, Alexejev, een zeer teleurstellende indruk gemaakt had. “Geen woord meer,” voegde Denikin eraan toe. “Hij veranderde van onderwerp.” Of de tsarina de geheimzinnige kaart werkelijk bezeten heeft, is niet zeker. In elk geval waren de onbeholpen generaals er klaarblijkelijk niet afkerig van om de verantwoordelijkheid voor hun nederlagen gedeeltelijk op de tsarina af te wentelen. De geruchten over een verraad van het hof liepen zonder enige twijfel voornamelijk van boven naar beneden door het leger, vertrekkende vanuit de zwakke leiding.

Als de tsarina, aan wie de tsaar zich in alles onderwierp, de militaire geheimen en zelfs de hoofden van de geallieerde legeraanvoerders aan de Duitse keizer had verraden, waarom werd het koninklijke koppel dan niet gestopt? Het hoofd van het leger en van de anti-Duitse partij was grootvorst Nicolai Nicolajevitsj. Was hij het niet verplicht om de rol van voortrekker van een paleisrevolutie op te nemen? Dit was overigens ook de reden waarom de tsaar op aandringen van Raspoetin en de tsarina de grootvorst afzette om het opperbevel zelf op te nemen.

Maar de tsarina was zelfs bang voor een samenkomst van de neef met zijn oom bij het overdragen van zijn taak. “Liefste, wees voorzichtig,” schrijft zij aan de tsaar in het hoofdkwartier. “Laat je niet vangen door welke belofte ook van Nicolasja. Denk eraan dat Grigori je van hem en zijn boze lieden gered heeft… Herinner je in naam van Rusland wat zij beoogden: jou verjagen (dit is geen praatje, Orlov had reeds alle papieren klaar) en mij in het klooster steken.”

De broer van de tsaar, Michael, zei tot Rodsjanko: “De gehele familie is er zich van bewust hoe gevaarlijk Alexandra Feodorovna is. Het zijn uitsluitend verraders die mijn broer en haar omgeven. Alle fatsoenlijke mensen hebben zich verwijderd. Maar wat is er in dit geval te doen?” Waarlijk, wat was er in dit geval te doen?

Grootvorstin Maria Pavlovna drong in tegenwoordigheid van haar zonen erop aan dat Rodsjanko het initiatief tot het “uit de weg ruimen” van de tsarina zou nemen. Rodsjanko stelde voor dit gesprek als niet plaats gehad hebbend te beschouwen, anders moest hij uit hoofde van zijn eed aan de tsaar melden dat de grootvorstin aan de voorzitter van de Doema het voorstel gedaan had de tsarina uit de weg te ruimen. Zo wist de slagvaardige kamerheer de hele kwestie van de moord op de tsarina tot een keurig salongrapje te maken.

De regering zelf stond van tijd tot tijd in scherpe oppositie tegenover de tsaar. Reeds in 1915, anderhalf jaar voor de revolutie, werden in de regeringszittingen dingen gezegd die nu nog ongelooflijk lijken. De minister van oorlog Polivanov zegt: “Slechts een verzoeningsgezinde politiek kan de situatie redden. De wankele muren kunnen de catastrofe niet keren.” De minister van marine Grigorovitsj: “Het is geen geheim dat het leger ons wantrouwt en naar een verandering hunkert.” De minister van buitenlandse zaken Sasonov: “De populariteit van de tsaar en zijn autoriteit bij de volksmassa’s zijn tanende.” De minister van binnenlandse zaken vorst Sjtsjerbatov: “Met ons allen zijn we ongeschikt om Rusland in deze nieuwe situatie te besturen… Er is nood aan ofwel een dictatuur ofwel een verzoeningsgezind beleid.” (zitting van 21 augustus 1915). Geen enkele van deze voorstellen kon hulp bieden, geen enkel voorstel was haalbaar. De tsaar weigerde een dictatuur, verwierp een verzoeningsgezind beleid en aanvaardde het ontslag van de ministers die zichzelf onbekwaam achtten niet. Een hoger geplaatst ambtenaar geeft in zijn aantekeningen bij de redevoeringen van de ministers het volgend kort commentaar: we zullen wel aan een lantaarnpaal opgehangen worden.

Het behoeft bij een zodanige stemming geen verwondering meer te wekken dat men zelfs in de ambtenaarskringen sprak over de noodzakelijkheid van een paleisrevolutie als het enige middel om de naderende revolutie af te wenden. “Ware ik geblinddoekt geweest,” herinnert zich later iemand die aan deze debatten deelnam, “dan zou ik hebben kunnen geloven mij in gezelschap van wanhopige revolutionairen te bevinden.”

De gendarmerie-overste, die met de speciale taak belast was het leger in het zuiden van Rusland te inspecteren, gaf in zijn rapport een somber beeld: door propaganda, vooral met het argument van de Duitsgezindheid van de tsarina en van de tsaar, was het leger op een paleisrevolutie voorbereid. “Zulke gesprekken werden in de officierencasino’s openlijk gevoerd en door de hogere commando’s niet gewraakt.” Protopopov legt van zijn kant de volgende getuigenis af: “Een groot aantal personen uit de hogere legerleiding stond sympathiek tegenover een staatsgreep: enkele personen stonden in verbinding met en onder invloed van de leiders van het zogenaamde vooruitstrevend blok.”

De later beroemd geworden admiraal Koltsjak getuigde na de verplettering van zijn troepen door het Rode Leger voor de onderzoekscommissie van de sovjets dat hij met talrijke oppositieleden van de Doema in verbinding stond en hun optreden toegejuicht had, daar hij “afwijzend stond tegenover de macht die voor de revolutie bestond.” Koltsjak was echter niet in de plannen van de paleisrevolutie ingewijd.

Na de moord op Raspoetin en de daarmee verbonden verbanningen van grootvorsten werd er in de hoge wereld bijzonder luid over de noodzakelijkheid van een paleisrevolutie gesproken. Vorst Joessoepow vertelt dat officieren van enkele regimenten tot de in het paleis gevangen gehouden grootvorst Dmitri gekomen waren en deze verschillende plannen voor een beslissende actie voorgelegd hadden, plannen “waarop hij natuurlijk niet kon ingaan.”

Ook de geallieerde diplomatie werd geacht aan de samenzwering medeplichtig te zijn, vooral in de persoon van de Engelse gezant. Op initiatief van de Russische liberalen ondernam deze in januari 1917 ongetwijfeld pogingen om Nicolaas te beïnvloeden, nadat hij zich van de goedkeuring van zijn regering verzekerd had. De tsaar hoorde hem aandachtig en hoffelijk aan, bedankte hem en begon over andere dingen te praten. Protopopov bracht Nicolaas op de hoogte van de betrekkingen tussen Buchanan en de voornaamste leiders van het vooruitstrevend blok en stelde voor een bewaking van het Engelse gezantschap in te stellen. Nicolaas zou dit voorstel niet goedgekeurd hebben uit overweging dat de bewaking van een gezant “in strijd met de internationale tradities was.” Intussen vermeldt Koerlov, zonder er doekjes om te winden, dat “de politieposten dagelijks verbindingen tussen de kadettenpartij van Miljoekov en het Engelse gezantschap rapporteerden.” De internationale tradities hebben derhalve niets verhinderd. Maar ook hun schending heeft niet veel geholpen: de paleissamenzwering werd toch niet ontdekt.

Heeft zij inderdaad bestaan? Dit is niet bewezen. Zij was te uitgebreid, deze “samenzwering.” Zij omvatte te talrijke en al te uiteenlopende kringen om een samenzwering te zijn. Zij hing in de lucht als een stemming van de hoogste kringen van Petrograd, als een verwarde voorstelling van de mogelijke redding, als een oplossing in vertwijfeling. Maar zij consolideerde zich niet tot een praktisch plan.

De hogere adel had in de achttiende eeuw meer dan eens praktische correcties ingevoerd bij de troonopvolging. Dat gebeurde door tsaren die ongeschikt geacht werden gevangen te zetten of te vermoorden. Dit gebeurde voor het laatst tegen Paul in 1801. Men kan derhalve niet zeggen dat een paleisrevolutie tegen de traditie van de Russische monarchie ingegaan zou zijn. Integendeel, zij vormde een onmisbaar element van deze traditie. Maar de aristocratie voelde zich reeds lang niet meer vast in het zadel. Zij liet de eer om de tsaar en de tsarina te wurgen aan de liberale burgerij over. De leiders van deze burgerij legden echter niet veel meer vastberadenheid aan de dag.

Men heeft na de revolutie meer dan eens op de liberale kapitalisten Goetsjkov en Teresjtsjenko en op de aan hun zijde staande generaal Krymov gewezen als het centrum van de samenzwering. Goetsjkov en Teresjtsjenko hebben dit zelf, hoewel vaag, bevestigd. Een vroegere vrijwilliger uit het leger van de Boeren tegen Engeland, Goetsjkov, een liberaal en duellist, moest in de ogen van het publiek wel de persoon zijn die het meest voor een samenzwering geschikt was. Vooral niet de woordenrijke professor Miljoekov! Goetsjkov’s gedachten gingen ongetwijfeld telkens weer uit naar een doeltreffende en rake slag waarbij een garderegiment de revolutie vervangt en deze voorkomt. Witte heeft reeds in zijn memoires Goetsjkov, die hij haatte, afgedaan als een aanhanger van de methoden van Jonge Turken om zich van een sultan te ontdoen.

Maar Goetsjkov, die ook in zijn jonge jaren de gelegenheid had laten voorbijgaan om jongturkse moed te tonen, was intussen veel ouder geworden. En wat de hoofdzaak is: deze geestverwant van Stolypin kon onmogelijk het verschil tussen de Russische en de oud-turkse verhoudingen negeren. Hij vroeg zich af: zal de paleisrevolutie in plaats van een echte revolutie verhinderen niet eerder de laatste deur openzetten om de lawine aan het rolle te brengen? Zal het geneesmiddel niet erger blijken te zijn dan de kwaal?

In de literatuur over de Februarirevolutie wordt de voorbereiding van een paleisomwenteling als een vaststaand feit beschouwd. Miljoekov laat zich als volgt uit: “In februari moest het reeds tot een verwezenlijking komen.” Denikin verschuift de verwezenlijking tot maart. Beiden vermelden het “plan” om de trein van de tsaar onderweg op te houden, de troonafstand te eisen en in geval van een weigering, wat onvermijdelijk geacht werd, tot de “fysieke eliminering” van de tsaar over te gaan. Miljoekov voegt er nog aan toe dat de leiders van het Progressief Blok die aan de samenzwering geen deel gehad hadden en van de voorbereidselen niet “nauwkeurig” op de hoogte geweest waren, in het vooruitzicht van een waarschijnlijke staatsgreep in beperkte kring erover beraadslaagd hadden hoe de staatsgreep bij een succesvolle afloop het best benut zou kunnen worden. Sommige marxiaanse onderzoeken van de voorbije jaren nemen de praktische voorbereiding van een staatsgreep op goed geloof over. Aan dit voorbeeld is te zien hoe gemakkelijk en hardnekkig overleveringen en legendes zich een plaats in de geschiedeniswetenschap weten te veroveren.

Als voornaamste bewijs voor de samenzwering wordt niet zelden de boeiende vertelling van Rodsjanko aangehaald. Maar deze laat echter juist zien dat er geen samenzwering geweest is. In januari 1917 kwam generaal Krymov van het front in de hoofdstad en klaagde tegenover leden van de Doema erover dat het zo niet langer kon gaan. “Voor het geval jullie tot dit uiterste middel [een tsarenwisseling] besluiten, zullen wij u ondersteunen.” Voor het geval jullie besluiten! … De oktobrist Sjidlovski riep woedend uit: “Men kan hem niet sparen en medelijden met hem hebben indien hij Rusland te gronde richt.” In het rumoer van de strijd werden de werkelijke of vermeende woorden van Broessilov aangehaald: “Indien men gedwongen zou zijn tussen de tsaar en Rusland te kiezen – sta ik aan de kant van Rusland.” Indien men gedwongen zijn zou! De jonge miljonair Teresjtsjenko trad op als vastbesloten tsarenmoordenaar. De kadet Sjingarev zei: “De generaal heeft gelijk. Een omwenteling is nodig… Wie zal echter hiertoe besluiten?” Daarom gaat het juist: Wie zal daartoe besluiten? Dit is de kern van de getuigenis van Rodsjanko die zelf tegen de omwenteling sprak. In de enkele resterende weken is het plan klaarblijkelijk niet opgeschoten. Er werd gesproken over het stoppen van de trein van de tsaar. Men kan echter niet ontdekken wie deze operatie zou uitvoeren.

Het Russisch liberalisme ondersteunde, toen het nog jonger was, met geld en sympathieën de revolutionaire terroristen in de hoop dat deze met hun bommen de monarchie in de armen van het liberalisme zouden drijven. Geen van deze waardige heren was gewend zijn eigen hoofd te riskeren. Niet zozeer persoonlijke, als wel klasseangst speelde echter de voornaamste rol. Nu is het slecht – overwogen zij – dat het echter niet nog slechter moge worden! Indien Goetsjkov-Teresjtsjenko-Krymov ernstig aan een omwenteling dachten, d.w.z. krachten en middelen voor de praktische voorbereiding ervan gemobiliseerd hadden, zou dit in ieder geval na de revolutie met volkomen zekerheid en nauwkeurigheid vastgesteld moeten kunnen zijn. De deelnemers, vooral de jonge daders waarvan er een zeker aantal nodig zouden geweest zijn, hadden dan geen reden gehad om de “bijna” volbrachte heldendaad te verzwijgen. Na februari zou hun carrière hierdoor slechts bevorderd zijn. Zulke onthullingen zijn echter niet gedaan. Het kan niet aan twijfel onderhevig zijn of het is bij Goetsjkov en Krymov niets anders dan een patriottische verzuchting bij wijn en sigaren geweest. Zowel de lichtzinnige critici onder de aristocratie als de zwaartillende oppositionelen van de plutocratie hadden niet de moed om de ongunstige gang van zaken door middel van daden te corrigeren.

In mei 1917 verklaarde een van de meest welsprekende inhoudsloze liberalen, Maklakov, in een private bijeenkomst van de Doema, die samen met de monarchie door de revolutie opzij geschoven werd: “Als onze nakomelingen deze revolutie zullen vervloeken, zullen zij ook ons vervloeken omdat wij niet in staat geweest zijn haar op tijd door een omwenteling van boven af voor te zijn!” Toen hij later al in ballingschap was, herhaalde Kerenski de positie van Maklakov: “Ja het geprivilegieerde Rusland was te traag met een staatsgreep van bovenaf [waarover vooral veel gepraat werd zonder iets te ondernemen] waardoor het te laat was om de spontane uitbarsting te vermijden.”

Deze twee verklaringen vervolmaken het beeld, doordat zij laten zien dat de gestudeerde domkoppen ook toen nog, op een ogenblik dat de revolutie reeds al haar krachten ontketend had, bleven geloven dat een tijdige verandering van de dynastieke top de revolutie had kunnen voorkomen! De vastbeslotenheid was niet voldoende geweest voor de “grote” paleisomwenteling. Hieruit ontstond echter het plan van de kleine omwenteling. De liberale samenzweerders waagden het niet de hoofdpersoon van de monarchie uit de weg te ruimen; de grootvorsten besloten derhalve zijn souffleur uit de weg te ruimen. In de moord op Raspoetin zagen zij het laatste redmiddel voor de dynastie.

De met een Romanov gehuwde vorst Joessoepov betrok de grootvorst Dmitri Pavlovitsj en de monarchistische afgevaardigde Poerisjkevitsj in de actie. Men deed moeite om ook de liberaal Maklakov er in te betrekken, wellicht om de moord een “nationale” tint te geven. De beroemde advocaat hield zich wijselijk op de achtergrond, maar voorzag de samenzweerders van gif. Een buitengewoon typerend detail! Niet ten onrechte rekenden de samenzweerders er op dat de auto van een Romanov na de moord het wegbrengen van het lijk zou vergemakkelijken. Het grootvorstelijk wapen werd benut. De rest werd uitgevoerd op een wijze die doet denken aan het scenario van een film gericht op mensen met slechte smaak. In de nacht van 16 op 17 december werd Raspoetin, nadat hij tot drinkgelag was overhaald, in de villa van Joessoepov vermoord.

Met uitzondering van een kleine hofhouding en aanbidders van de mysticus, zagen de heersende klassen in de moord op Raspoetin een verlossende daad. De grootvorst werd onder huisarrest geplaatst, de tsaar stelde dat hij het bloed van een boer aan zijn handen had – inderdaad, het was dan wel een Christus maar het bleef ook een boer! De grootvorst werd door zowat iedereen van de familie van de tsaar met sympathie bejegend. De zuster van de tsarina, de weduwe van grootvorst Sergej, stuurde een telegram om te zeggen dat ze voor de moordenaars zou bidden en dat ze hun vaderlandslievende daad zegende. De kranten brachten enthousiaste artikels, tot het hen verboden werd om Raspoetin te vermelden. In de schouwburgen probeerden mensen te demonstreren ter ere van de moordenaars. Op straat feliciteerden omstaanders elkaar. “In particuliere huizen, officierenclubs, restaurants, …”, schreef vorst Joessoepow, “dronk men op onze gezondheid. Uit de fabrieken riepen de arbeiders ons ‘hoera’ toe.” Ongetwijfeld zullen de arbeiders niet getreurd hebben om de moord op Raspoetin. Maar hun hoera-geroep had niets gemeen met de hoop op een herleving van de monarchie.

De hofhouding van Raspoetin zweeg in afwachting. In alle stilte begroeven de tsaar en de tsarina, de dochters van de tsaar en Vyroebova Raspoetin. Rond het lijk van de Heilige Vriend, de door grootvorsten vermoorde vroegere paardendief, moet ook de tsarenfamilie zichzelf verstoten gevoeld hebben. Maar zelfs na zijn begrafenis werd Raspoetin niet met rust gelaten.  Toen Nicolaas en Alexandra Romanov later onder huisarrest stonden, werd het graf van Raspoetin in Tzarskoe Selo open gemaakt door soldaten. Aan het hoofd van de vermoorde man lag een icoon met de handtekeningen van Alexandra, Olga, Tatjana, Maria, Anastasia, Anja. De voorlopige regering liet  voor de een of andere reden het lijk naar Petrograd brengen. De menigte verzette zich en de gevolmachtigde moest het lijk ter plaatse verbranden.

Na de moord op de “vriend” bestond de monarchie in totaal nog tien weken. Deze korte tijd behoorde echter haar toe. Raspoetin was niet meer, maar zijn schim heerste verder. Alle verwachtingen van de samenzweerders ten spijt begon het tsarenpaar na de moord met verdubbelde kracht de meest verachtelijke leden van de bende van Raspoetin te onderscheiden. Om Raspoetin te wreken, werd een beruchte ploert tot minister van justitie benoemd. Enkele grootvorsten werden uit de hoofdstad verbannen. Men vertelde dat Protopopov aan spiritisme deed om de geest van Raspoetin op te roepen. De strop, waaraan geen ontkomen meer was, werd nog nauwer aangetrokken.

De moord op Raspoetin had belangrijke gevolgen, maar totaal andere dan die waarop de deelnemers en initiatiefnemers gerekend hadden. De crisis was niet er door verminderd, maar juist toegespitst. Overal sprak men over de moord: in de kastelen, in de generale staven, in de bedrijven en in de hutten van de boeren. Vanzelf drong de conclusie zich op: zelfs de grootvorsten hebben tegen de ‘melaatse hofhouding’ geen andere middelen dan vergif en revolver. De dichter Alexander Block schreef over de moord op Raspoetin: “De kogel die hem dodelijk raakte, trof de heersende dynastie in het hart.”

Op een keer herinnerde Robespierre de Wetgevende Vergadering eraan dat de oppositie van de adel tegen de monarchie de burgerij had versterkt en nadien de volksmassa’s in beweging bracht. Robespierre waarschuwde tegelijkertijd dat de revolutie in de rest van Europa niet zo snel zou ontwikkelen als in Frankrijk omdat de bevoorrechte klassen van de andere landen lessen trokken uit het Franse voorbeeld en zelf geen initiatief tot een revolutie zouden nemen. Deze merkwaardige analyse van Robespierre bleek niet volledig correct, de oppositionele roekeloosheid van de Franse adel zou ook in andere landen naar voor komen. Rusland heeft in 1905 en vooral in 1917 opnieuw bewezen dat een revolutie tegen een autocratisch en half feodaal regime, en dus tegen de adel, in een eerste fase een onsamenhangende en inconsistente steun vindt onder edelen en delen van de meest bevoorrechte hoogste kringen, waaronder zelfs leden van de dynastie. Dit merkwaardige historische feit kan in strijd met de leer van de klassenmaatschappij lijken, maar het gaat slechts in tegen een erg oppervlakkige interpretatie ervan.

Een revolutie barst uit wanneer alle tegenstellingen in de maatschappij hun hoogste spanning bereikt hebben. Juist dit maakt de toestand zelfs voor de klassen van de oude maatschappij, d.w.z. voor die welke gedoemd zijn onder te gaan, onverdragelijk. Zonder aan biologische analogieën meer betekenis toe te kennen dan zij verdienen, is het toch goed eraan te herinneren dat de baring op een gegeven ogenblik voor het organisme van de moeder evenzeer als voor de vrucht onvermijdelijk wordt. In de oppositie van de bevoorrechte klassen komt de onverenigbaarheid van hun traditionele maatschappelijke positie met de voorwaarden voor het voortbestaan van de bestaande maatschappij tot uiting. Alles begint aan de regerende bureaucratie te ontvallen. De aristocratie, die de algemene haat op zich geconcentreerd ziet, schuift de schuld door naar de bureaucratie. Deze beschuldigt op haar beurt de aristocratie en dan richten zij samen of apart hun ontevredenheid tegen de monarchale bekroning van hun macht.

Vorst Tsjtsjerbatov, die een tijdje uit zijn bezigheden in de erfelijke instellingen van de adel werd weggeroepen om in de regering te zetelen, verklaarde: “Zowel Samarin als ikzelf zijn voormalige kopstukken van de adel in onze provincies. Niemand heeft ons tot nu toe tot links gerekend, en ook wij beschouwen ons niet als zodanig. Maar we kunnen ons evenmin verzoenen met een situatie waarin de tsaar en zijn regering het radicaal oneens zijn met alle redelijke mensen (we hebben het hier niet over revolutionaire intriges): de adel, de handelaars, de steden, de zemstvos en zelfs het leger. We beschouwen het als onze plicht om af te treden indien het hof niet naar onze standpunten luistert.”

De adel ziet de oorzaak van alle kwaad daarin dat de monarchie met blindheid geslagen is of het verstand verloren heeft. De bevoorrechte stand gelooft niet dat er geen politiek meer mogelijk is die de oude en de nieuwe samenleving verzoent. Anders gezegd kan de adel zijn eigen ondergang niet aanvaarden en wordt de doodsangst ingezet voor verzet tegen de heiligste macht van het oude regime, de monarchie. De scherpe vorm en het onverantwoordelijke karakter van de aristocratische oppositie zijn te verklaren uit het feit dat de opperste kringen van de adel doorheen de geschiedenis tot verwende kinderen zijn omgevormd, alsook uit de ondraaglijke angst van deze kringen voor de revolutie. Het onsamenhangende en tegenstrijdige ongenoegen van de aristocratie wordt verklaard uit het feit dat dit het verzet is van een klasse zonder toekomst. Maar zoals een lamp voor ze uitdooft nog heel even fel oplicht, zo kent ook de adel voor ze verdwijnt een opflakkering die erg dienstig is voor de doodsvijanden van de adel. Dit is de dialectiek van dit proces. Het is niet alleen consistent met de leer van een klassensamenleving, dit is de enige leer die dit proces kan verklaren.

De tsaar en de tsarina

Dit boek heeft allerminst tot doel om zich bezig te houden met psychologische onderzoeken die tegenwoordig zo vaak sociale en historische analyses vervangen. Voor alles bestuderen wij de grote levendige krachten van de geschiedenis, krachten die een bovenpersoonlijk karakter hebben. Een van deze krachten is de monarchie. Maar al deze krachten zijn door mensen werkzaam. De monarchie is naar haar wezen met het persoonlijk principe verbonden. Dit rechtvaardigt op zich  belangstelling voor de vorstelijke persoon die door de loop der gebeurtenissen met een revolutie in botsing kwam. Wij hopen bovendien in wat volgt minstens gedeeltelijk aan te tonen waar het strikt persoonlijke in een persoonlijkheid stopt – dat is doorgaans sneller het geval dan we denken – en hoe dikwijls het ‘bijzondere’ van een persoon slechts een individuele uitdrukking is als gevolg van een hogere wetmatigheid.

Aan Nicolaas II werd door zijn voorvaderen niet alleen het geweldige rijk maar ook de revolutie als erfenis nagelaten. Zij bedachten hem met geen enkele eigenschap die hem in staat gesteld zou kunnen hebben een rijk, of zelfs maar een gouvernement of een district, te besturen. Tegenover de historische branding die haar golven steeds dichter aan de poorten van het paleis deed rollen, stond de laatste Romanov met een doffe onverschilligheid. Het was alsof een doorzichtige, maar volkomen ondoordringbare, sfeer zijn bewustzijn en zijn tijdperk van elkaar scheidde.

De personen in de omgeving van de tsaar merkten na de omwenteling herhaaldelijk op dat de tsaar in de meest tragische ogenblikken van zijn regering – tijdens de overgave van Port Arthur en de ondergang van de vloot bij Zoessima, tien jaren later tijdens de terugtocht van de Russische troepen uit Galicië, en twee jaar later de dagen die aan de troonafstand voorafgingen – toen om hem heen alles teneergeslagen, verschrikt en geschokt was, enkel Nicolaas II kalm bleef. Als altijd vroeg de tsaar naar het aantal mijlen die hij tijdens zijn reizen door Rusland afgelegd had, herinnerde zich episoden uit vroegere jachtpartijen, anekdotes vanop officiële ontmoetingen. Hij toonde in het algemeen belangstelling voor het alledaagse terwijl boven zijn hoofd de donderslagen rolden en de bliksem flitste. “Wat is dat toch?” vroeg een van zijn vertrouwde generaals zich af. “Een verbazingwekkende, haast onwaarschijnlijke houding, verkregen door opvoeding? Geloof in een goddelijke voorzienigheid? Of gebrekkig denkvermogen?” Het antwoord zit min of meer reeds in de vraag vervat. De zogenaamde goede manieren van de tsaar, zijn zelfbeheersing in de meest ongewone omstandigheden, kunnen niet alleen door zijn opleiding verklaard worden. Het is in wezen een uitdrukking van een innerlijke onverschilligheid, een gebrek aan geestelijke kracht, zwakheid van wilsimpulsen. Het masker van onverschilligheid, in sommige kringen wordt dat omschreven als ‘goede manieren’, was voor Nicolaas een natuurlijk onderdeel van bij zijn geboorte.

Het dagboek van de tsaar is waardevoller dan alle getuigenissen. Dag in dag uit, jaar in jaar uit, volgen troosteloze aantekeningen van een onbeduidende ziel. “Ging lang wandelen en doodde twee kraaien. Dronk nog bij daglicht thee.” Een wandeling te voet, een boottocht. En weer kraaien en weer thee. Alles vrijwel fysiologisch. Kerkelijke feestelijkheden worden in dezelfde bewoordingen vermeld als een drinkgelag.

In de dagen voor de opening van de Rijksdoema – toen het hele land stuiptrekkend sidderde – schreef Nicolaas: “14 april. Ging wandelen in een lichte kiel en begon weer met kanoën. Dronk thee op het balkon. Stana nuttigde het middagmaal bij ons en ging met ons uit rijden. Heb gelezen.” Geen enkel woord over de inhoud van de lectuur: een sentimentele Engelse roman of een rapport van het departement van politie? “15 april. Aanvaardde het ontslag van Witte. Marie en Dmitrij aten bij ons. Hebben [bedoeld wordt steeds de tsaar en de tsarina] hen naar het slot vergezeld.”

De dag waarop tot de ontbinding van de Doema besloten werd, een beslissing die zowel het hof als de liberale kringen de schrik om het lijf joeg, schreef de tsaar in zijn dagboek: “7 juli. Vrijdag. Een zeer drukke morgen. Kwamen een half uur te laat aan het ontbijt met de officieren. Het onweerde en was erg warm. Gingen samen wandelen. Ontving Goremykin; ondertekende het bevel tot ontbinding van de Doema! Hebben gedineerd bij Olga en Petja. De hele avond gelezen.” Een uitroepteken naar aanleiding van de op handen zijnde Doemaontbinding was de enige uiting van zijn gemoedsbewegingen.

De afgevaardigden van de uiteengejaagde Doema riepen het volk op om hun belastingen niet te betalen. Er volgde een reeks militaire opstanden: in Sveaborg, Kronstadt, op schepen, in legereenheden. De revolutionaire terreur tegen hooggeplaatste ambtenaren leefde op als nooit te voren. De tsaar schrijft: “9 juli. Zondag. Het is gebeurd! De Doema is vandaag ontbonden. Aan het ontbijt na de mis waren er vele lange gezichten. Het weer was heerlijk. Ontmoetten op de wandeling oom Misja die gisteren uit Gatsjina overgekomen is. Tot het middagmaal en de gehele avond rustig gewerkt. Heb gekanood.” Dat hij juist gekanoëd had, wordt speciaal vermeld. Waarmee hij verder de rest van de avond bezig was, wordt niet gezegd. Zo is het voortdurend.

Vervolgens uit diezelfde tragische dagen: “14 juli. Nadat ik mij aangekleed had, reed ik op de fiets naar de badinrichting en baadde heerlijk in zee”, “15 juli. Tweemaal gebaad. Het was erg warm. Wij aten ’s middags met zijn tweeen. Het onweer is voorbij”, “19 juli. ’s Morgens gebaad. Ontving op de boerderij; oom Vladimir en Tsjagin waren er voor het ontbijt.” Opstanden en dynamietontploffingen worden slechts even aangestipt – “Fraaie gebeurtenissen!” – verbluffend van lage onverschilligheid die nooit het niveau van bewust cynisme bereikte.

“Om half tien ’s morgens reden wij naar het Kaspische regiment… Ging lang wandelen. Het weer was heerlijk. Baadde in zee. Ontving na de thee Lvov en Goetsjkov.” Geen woord erover dat deze zo ongewone ontvangst van twee liberalen samenhing met de poging van Stolypin om oppositionele politici in zijn ministerie op te nemen. Vorst Lvov, het latere hoofd van de Voorlopige Regering, vermeldde indertijd over de ontvangst bij de tsaar: “Ik had verwacht de keizer terneergeslagen door de rampen aan te treffen, doch in plaats hiervan kwam een lustig, monter kereltje in een frambozenrode kiel op mij af.”

De geestelijke horizon van de tsaar reikte niet verder dan die van een lagere politiebeambte, met dit verschil dat deze laatste de werkelijkheid dan toch beter kende en minder met bijgeloof belast was. De enige krant die Nicolaas gedurende vele jaren las en waaruit hij zijn wijsheid putte, was een weekblad dat op staatskosten uitgegeven werd door vorst Mesjtserski, een omkoopbare en minderwaardige, zelfs in de reactionaire bureaucratenklieken waartoe hij behoorde verachte journalist. Door twee oorlogen en twee revoluties heen bleef de geestelijke horizon van de tsaar onveranderd, altijd stond een ondoordringbare sfeer van onverschilligheid als een muur tussen zijn bewustzijn en de gebeurtenissen.

Niet zonder reden werd Nicolaas een fatalist genoemd. Men dient hieraan echter toe te voegen dat dit fatalisme het tegendeel was van een vast geloof in zijn “ster”. Nicolaas hield zichzelf veeleer voor een pechvogel. Zijn fatalisme was een vorm van passief zelfverweer tegen de historische ontwikkeling en ging gepaard met een willekeur die naar haar psychologische motieven klein, maar naar haar gevolgen echter monsterachtig, was.

“Ik wil het en daarom moet het zo zijn,” schrijft graaf Witte. “Dit lag ten grondslag aan alle handelingen van deze slappe heerser die alleen door zijn zwakheden dat kon doen wat zijn regering kenmerkte – een voortdurend en in de meeste gevallen volkomen nutteloos vergieten van meer of minder onschuldig bloed…”

Men vergeleek Nicolaas dikwijls met zijn half waanzinnige betovergrootvader Paul, die met goedvinden van zijn eigen zoon, Alexander de “Gezegende”, door iemand uit zijn hofhouding gewurgd werd. Deze twee Romanovs leken inderdaad op elkaar in hun wantrouwen tegen iedereen, dat uit een wantrouwen tegen zichzelf voortkwam; in de argwaan van een almachtige nul; in het gevoel van uitgestoten te zijn, men zou kunnen zeggen in het besef van gekroonde paria. Niettemin was Paul oneindig veel belangrijker. Er was in zijn waanzin een element van fantasie, al was het dan ook die van een niet toerekeningsvatbare. Aan zijn nakomeling is alles kleurloos, is alles mat.

Nicolaas was niet alleen onstandvastig, maar ook trouweloos. De vleiers roemden hem om zijn zachtmoedigheid tegen zijn hovelingen en noemden hem een charmeur. Bijzonder vriendelijk betoonde de tsaar zich vooral tegenover die waardigheidsbekleders die hij besloten had weg te jagen: een minister die bij de ontvangst bovenmatig gecharmeerd werd, kon bij thuiskomst zijn ontslagbrief vinden. Dit was een soort wraak van de tsaar voor zijn eigen minderwaardigheid.

Nicolaas wendde zich vijandig af van alle begaafde en veelbetekenende mensen. Hij voelde zich slechts behagelijk onder onbekwame, geestelijk minderwaardige mensen, schijnheiligen, zwakkelingen, naar wie hij niet moest opzien. Hij bezat eerzucht, een geraffineerde maar niet actieve eerzucht, die zonder een greintje initiatief slechts tot jaloerse zelfverdediging diende. Bij de keuze van zijn ministers volgde hij het beginsel steeds minderwaardige krachten te nemen. Mensen met geest en karakter koos hij slechts in het uiterste geval, wanneer er geen andere uitweg meer was, zoals men een chirurg haalt om het leven te redden. Zo ging het met Witte en later met Stolypin. De tsaar ging met beiden op een nauwelijks verholen vijandige manier om. Zodra de moeilijke situatie voorbij was, haastte hij zich die raadslieden weer kwijt te raken die evident zijn meerdere waren. De selectie geschiedde zo systematisch dat de voorzitter van de laatste Doema, Rodsjanko, het op de 7de januari 1917, toen de revolutie reeds voor de deur stond, aandurfde om tegen de tsaar te zeggen: “Majesteit, er is geen enkel betrouwbaar en eerlijk mens meer in uw omgeving, de besten zijn weggestuurd of weggegaan, slechts personen die een slechte reputatie hebben, zijn overgebleven.”

Alle pogingen van de liberale burgerij om met het hof tot overeenstemming te komen, faalden. De onvermoeide, razende Rodsjanko probeerde door zijn uiteenzettingen de tsaar te stimuleren. Tevergeefs! Deze negeerde stilzwijgend niet alleen alle argumenten, maar ook aanmatigingen en bereidde in stilte de ontbinding van de Doema voor. De grootvorst Dmitri, de toenmalige lieveling van de tsaar en latere medeplichtige aan de moord op Raspoetin, klaagde tegenover één van zijn medesamenzweerders, vorst Joessoepov, dat de tsaar in het hoofdkwartier met de dag onverschilliger tegenover zijn gehele omgeving werd. Volgens de mening van Dmitri gaf men de tsaar een of andere drank die hem geestelijk afstompte. “Er gingen geruchten,” schrijft de liberale historicus Miljoekov op zijn beurt, “dat de tsaar door een sterk gebruik van alcohol in een toestand van geestelijke en morele apathie gehouden werd.” Dit waren echter verzinsels of overdrijvingen. De tsaar behoefde niet zijn toevlucht tot narcotica te nemen, hij had het dodelijk “vocht” reeds in het bloed. De symptomen ervan leken slechts opmerkelijk tegen de achtergrond van de grote gebeurtenissen van oorlog en binnenlandse crisis in aanloop naar de revolutie. Raspoetin, die een psycholoog was, placht kortweg over de tsaar te zeggen dat hij “niets in zich had.”

Deze kleurloze, platte en “welopgevoede” man was wreed. Het was echter niet de actieve wreedheid van een Ivan de Verschrikkelijke of Peter die een historisch doel nastreefden. Wat had Nicolaas met hen gemeen? Het was wel een laffe wreedheid van de laatste telg die bevreesd was voor zijn lot. Op het begin van zijn heerschappij prees Nicolas het regiment van Fanagoritsi als bestaande uit ‘fijne kerels’ omdat ze arbeiders neerschoten. Hij “las met genoegen” hoe men kaalgeschoren meisjes sloeg of tijdens de joodse pogroms weerloze mensen de hersens insloeg. De uitgestotene op de troon had steeds een voorliefde voor het uitvaagsel van de maatschappij, voor de plunderaars van de Zwarte Honderd. Hij betaalde hen niet alleen royaal soldij uit de staatskas, maar hield er ook van zich met hen over hun heldendaden te onderhouden en hen gunsten te bewijzen, vooral wanneer zij toevallig bij een moord op de een of andere afgevaardigde van de oppositie betrapt waren.

Witte, die tijdens het neerslaan van de eerste revolutie aan het hoofd van de regering stond, schrijft in zijn memoires: “Wanneer nutteloze, gruwelijke excessen van de aanvoerders van strafexpedities aan de keizer bekend werden, juichte hij ze toe of nam hij deze aanvoerders in ieder geval in bescherming.” Als antwoord op een verzoek van de Baltische gouverneur-generaal om een zekere luitenant-kapitein Richter tot rede te brengen, nadat die “op eigen gezag zonder enige vorm van proces ook personen deed terechtstellen die geen tegenstand geboden hadden,” schreef de tsaar op het rapport: “Flinke kerel!” Zulke aanmoedigingen kwamen vaak voor. Deze ‘charmeur’, zonder wil, zonder doel, zonder fantasie, was verschrikkelijker dan alle tirannen van de oude en nieuwe geschiedenis.

De tsaar stond zeer sterk onder invloed van de tsarina. Deze invloed nam met de jaren en met de moeilijkheden voortdurend toe. Zij vormden om zo te zeggen samen een geheel. Deze verbinding toont reeds hoezeer het persoonlijke onder invloed van de omstandigheden door het collectieve aangevuld wordt. Eerst dient het een en ander over de tsarina meegedeeld te worden.

Maurice Paléologue, die tijdens de oorlog Frans gezant in Petrograd was en een verfijnde psycholoog was voor Franse academici en portiersvrouwen, geeft een zorgvuldig opgesmukt portret van de laatste tsarina. “Rusteloosheid, chronische droefheid, grenzeloze weemoed, afwisselend toenemende en afnemende krachten, kwellende gedachten over het hiernamaals, bijgeloof – zijn niet al deze trekken die bij de persoon van de tsarina zo scherp naar voren komen, de kenmerkende eigenschappen van het Russische volk?” Het kan raar lijken, maar in deze zoetsappige leugen zit een bron van waarheid. Niet voor niets heeft de Russische satiricus Saltykov de ministers en gouverneurs uit de kringen van Baltische baronnen “Duitsers met een Russische ziel” genoemd. Ongetwijfeld hebben vreemdelingen die door niets met het volk verbonden waren, de meest pure vorm van de “echt Russische” ontwikkeld.

Waarom toonde het volk zo’n openlijke haat tegen een tsarina die volgens Paléologue net de ziel van het volk zo volledig in zich had opgenomen? Het antwoord ligt voor de hand. Ter rechtvaardiging van haar nieuwe situatie, had deze Duitse vrouw zich met koele bezetenheid alle tradities en ingevingen van de Russische Middeleeuwen eigen gemaakt, de meest armoedige en ruwe van alle Middeleeuwen. En dit in een tijdvak waarin het volk heldhaftige pogingen ondernam om zich uit de eigen middeleeuwse barbarij te bevrijden. Deze Hessische prinses was letterlijk door de demon van het absolutisme bezeten. Ze was uit haar kleine nest opgeklommen tot de hoogten van een Byzantijns despotisme. Ze wilde in geen geval weer neerdalen. In het orthodoxe geloof vond zij de mystiek en de magie die bij haar nieuw lot pasten. Zij geloofde zonder enige flexibiliteit in haar roeping. Dit werd nog sterker naarmate de afschuwelijkheid van het oude regime openlijker bekend raakte. Met een sterk karakter en tot een dorre, gevoelloze verheerlijking in staat, vulde de tsarina de willoze tsaar aan door hem te beheersen.

Op 17 maart 1916, een jaar voor de revolutie, toen het ontwrichte land zich reeds in de greep van  nederlagen en verwoestingen bevond, schreef de tsarina aan haar man in het hoofdkwartier: “Je moet geen toegevendheid tonen, ministeriële verantwoordelijkheid en dergelijke – al wat zij willen. Het moet jouw oorlog en jouw vrede zijn, jouw eer en die van ons vaderland, in geen geval die van de Doema. Zij hebben geen recht ook maar een woord in dit vraagstuk mee te spreken.” Dit was in ieder geval een afgerond programma en dit haalde het op alle twijfels van de tsaar.

Na het vertrek van Nicolaas naar het leger in de hoedanigheid van fictieve opperbevelhebber, begon de tsarina openlijk de binnenlandse aangelegenheden te regelen. De ministers brachten aan haar rapport uit als aan een regentes. Met iemand uit haar hofhouding smeedde zij een samenzwering tegen de Doema, tegen de ministers, tegen de generaals van het hoofdkwartier, tegen de gehele wereld, gedeeltelijk zelfs tegen de tsaar. Op 6 december 1916 schreef de tsarina aan de tsaar: “Nu je gezegd hebt dat je Protopopov wilt behouden, hoe reageert hij [premier Trepov] op je? Sla met de vuist op de tafel, blijf standvastig, blijf de baas, luister naar je flink vrouwtje en naar onze vriend. Vertrouw op ons.” En drie dagen later wederom: “Je weet dat je gelijk hebt, houd het hoofd op, beveel Trepov met hem samen te werken… sla met de vuist op de tafel.” Dit alles lijkt verzonnen. Het is echter aan echte brieven ontleend. Men zou het zo ook niet kunnen verzinnen.

Op 13 december suggereert de tsarina aan de tsaar: “Alles maar niet dit verantwoordelijk kabinet waarop iedereen nu zo verzot is. Alles wordt rustiger en beter, maar men wil je sterke arm voelen. Hoe lang reeds, jarenlang al, zegt men mij steeds hetzelfde: Rusland houdt ervan de zweep te voelen, dat is zijn natuur!” De rechtzinnige Hessische met de opvoeding van Windsor en de kroon van Byzantium op het hoofd “belichaamt” niet alleen de Russische ziel, doch veracht deze ook diep. Haar natuur verlangt de zweep, schrijft de Russische tsarina aan de Russische tsaar over het Russische volk, twee en een halve maand voordat de monarchie in de afgrond stort.

Terwijl zij haar man wat karaktersterkte betreft de baas is, staat de tsarina in geestelijk opzicht niet boven hem, veeleer zelfs beneden hem. Meer nog dan hij zoekt zij het gezelschap van eenvoudigen van geest. De innige vriendschap die de tsaar en de tsarina vele jaren lang hadden met de hofdame Vyroebova, toont de geestelijke sterkte van het absolute vorstenpaar. Vyroebova noemde zichzelf een domkop en dit was niet uit bescheidenheid. Witte, van wie niet kan gezegd worden dat hij geen scherpe blik had, omschreef haar als “een heel gewoon, dom Petrograds vrouwtje, niet knap, huiselijk als een luchtbel in koekjesdeeg.” In gezelschap van deze persoon – voor wie oudere hoogwaardigheidsbekleders, gezanten en financiers eerbiedig door het stof kropen – die net voldoende verstand had om haar eigen zakken niet te vergeten, brachten de tsaar en de tsarina uren door. Ze overlegden met haar en correspondeerden met en over haar. Ze had meer invloed dan de Doema en zelfs dan de regering.

Vyroebova was echter slechts een instrument van de “vriend”, wiens autoriteit boven hen drieën stond. “Dit is mijn persoonlijke mening,” schrijft de tsarina aan de tsaar, “maar ik zal eens vragen wat onze vriend ervan denkt.” De mening van de vriend is niet persoonlijk, ze is beslissend. “Ik blijf erbij,” herhaalt de tsarina na enige weken, “maar luister naar mij, d.w.z. naar onze vriend, en vertrouw je in alles aan ons toe… Ik lijd voor je als voor een zacht, teerhartig kind dat leiding nodig heeft, maar naar slechte raadgevers luistert, terwijl de man die door God gezonden is hem zegt wat er gedaan moet worden.”

“…Gebeden en hulp van onze vriend – dan zal alles goed gaan.”

“Indien wij hem niet hadden, zou alles al lang afgelopen zijn, daarvan ben ik vast overtuigd.”

De vriend, de door God gezondene, is Grigori Raspoetin.

Gedurende de hele heerschappij van Nicolaas en Alexandra bracht men waarzeggers naar het hof, niet alleen uit Rusland maar ook uit andere landen. Er waren speciale officiële mediums die zich rond het orakel van het ogenblik groepeerden en een almachtig hogerhuis rond de tsaar vormden. Het ontbrak niet aan oude femelaarsters van grafelijke afkomst, aan waardigheidsbekleders die afgemat waren van het nietsdoen, en evenmin aan financiers die volledige ministeries in pacht hadden. De hogepriesters van de Orthodoxe kerk keken jaloers naar het opbod van tovenaars en hypnotiseurs, ze probeerden tegelijk hun eigen weg te vinden naar het centrale heiligdom van de intriges. Witte noemde deze heersende kliek, waarover hij zelf tweemaal struikelde, de “melaatse hofhouding.”

Hoe meer de dynastie zich isoleerde en hoe meer onbeschermd de vorst zich voelde, des te groter werd zijn behoefte aan bovenaardse hulp. Er zijn wilden die een aan een strik bevestigd bordje in de lucht rondzwaaien om mooi weer op te roepen. De tsaar en de tsarina namen bordjes te baat voor de meest uiteenlopende doeleinden. In de wagon van de tsaar bevond zich een slaapkamer die gestoffeerd was met grote en kleine heiligenbeelden en met andere godsdienstige voorwerpen, die eerst tegenover de Japanse en later tegenover de Duitse artillerie gesteld werden.

Het niveau van de hofkringen was eigenlijk van generatie op generatie niet noemenswaardig veranderd. Onder Alexander II, de “bevrijder”, geloofden de grootvorsten oprecht in huisgeesten en heksen. Onder Alexander III was het niet beter, alleen maar rustiger. “De melaatse hofhouding” bleef steeds bestaan, zij werd slechts anders samengesteld en vernieuwde haar methoden. Nicolaas II had de hofatmosfeer van de onbeschaafde Middeleeuwen niet geschapen, maar van zijn voorvaderen overgenomen. Het land veranderde in deze decennia, de moeilijkheden werden gecompliceerder, de cultuur steeg, doch het hof bleef ver achter. Al deed de monarchie onder druk van de nieuwe machten concessies, zo had zij toch geen tijd om zich innerlijk te moderniseren. Integendeel, zij sloot zich steeds meer af, de middeleeuwse geest werd sterker onder de invloed van vijandschap en vrees, totdat hij het karakter van een afschuwelijke nachtmerrie kreeg die zich van het land meester maakte.

Op 1 november 1905, d.w.z. op het meest kritieke ogenblik van de eerste revolutie, schrijft de tsaar in zijn dagboek: “Leerde een man Gods, Grigori uit het gouvernement Tobolsk, kennen.” Dit was Raspoetin, een Siberische boer met niet geheelde schrammen op zijn hoofd die afkomstig waren van slagen voor paardendiefstal. De man Gods die op het juiste ogenblik opgedoken was, vond spoedig hooggeplaatste helpers, of liever gezegd, zij vonden hem. Zo ontstond een nieuwe regerende kliek die de tsarina en door haar de tsaar vast in haar macht kreeg.

Sedert de winter van het jaar 1913/14 sprak men in hoge kringen van Petrograd reeds openlijk ervan dat alle hoge benoemingen, postjes en opdrachten afhankelijk waren van de Raspoetinkliek. Raspoetin zelf werd langzamerhand een staatsinstelling. Hij werd zorgvuldig bewaakt en door de rivaliserende ministeries niet minder zorgvuldig in het oog gehouden. De spionnen van het departement van politie hielden van uur tot uur een dagboek bij over zijn leven en verzuimden niet te vermelden dat Raspoetin bij een bezoek aan zijn dorp Pokrovskoje dronken met zijn vader tot bloedens toe op straat vocht. Op dezelfde dag, 9 september 1915, verzond Raspoetin twee vriendschappelijke telegrammen, het ene naar Tsarskoje Selo, naar de tsarina. Het andere naar het hoofdkwartier, naar de tsaar.

In een epische stijl tekenden de spionnen dag in dag uit de braspartijen van de “vriend” op. “Hij keerde vandaag om vijf uur ’s morgens naar huis terug, stomdronken.” “In de nacht van 25 op 26 overnachtte de toneelspeelster W. bij Raspoetin.” “Hij is met de vorstin D. [de vrouw van de kamerheer aan het hof] in hotel Astoria aangekomen…” Terstond hierop volgend: “Hij keerde om elf uur ’s avonds uit Tsarskoje Selo terug.” “Raspoetin kwam zeer dronken thuis met de vorstin Sch. Zij gingen spoedig samen weg.” De volgende dag ’s morgens of ’s avonds een reis naar Tsarskoje Selo. Op de vraag van de spion waarom hij zo in gedachten verzonken is, antwoordde Raspoetin: “Ik kan maar niet tot een besluit komen of de Doema bijeengeroepen moet worden of niet.” Dan weer: “Hij keerde om vijf uur ’s morgens naar huis terug, tamelijk dronken.” Zo werd maanden en jaren lang steeds weer dezelfde melodie in drie toonaarden gespeeld: “tamelijk dronken”, “zeer dronken”, “stomdronken”. De gendarmeriegeneraal Globatschev verbond deze berichten van staatsbelang tot een geheel en bekrachtigde ze met zijn handtekening.

De invloed van Raspoetin was groot gedurende zes jaren, de laatste jaren van de monarchie. “Zijn leven in Petrograd,” vertelt vorst Joessoepov die tot op zekere hoogte deelnam aan dit leven en later Raspoetin vermoordde, “werd een onafgebroken feest, de woeste orgie van een tuchthuisboef aan wie onverhoopt het geluk in de schoot gevallen was.” “In mijn bezit bevond zich,” schrijft de Doemavoorzitter Rodsjanko, “een massa brieven van moeders, wier dochters door deze schaamteloze woesteling misbruikt waren.” Tegelijkertijd hadden de Petrogradse metropoliet Pitirin en de aartsbisschop Varnava, die nauwelijks lezen en schrijven kon, aan Raspoetin hun ambten te danken. Door hem handhaafde zich ook lange tijd de opperprocureur van de Heilige Synode, Sabler, in zijn ambt en volgens de wens en krachtens de wil van Raspoetin werd de eerste minister Kokovzev ontslagen, nadat die geweigerd had Raspoetin te ontvangen. Raspoetin benoemde Sturmer tot voorzitter van de ministerraad, Protopopov tot minister van binnenlandse zaken, de nieuwe opperprocureur van de Synode Rajev, en vele anderen. De gezant van de Franse republiek, Paléologue, deed moeite om een ontmoeting met Raspoetin te krijgen. Zij kusten elkaar en hij riep uit: “Voilà un véritable illuminé!”, om zo het hart van de tsarina voor Frankrijks zaak te winnen. De Jood Simanovitsj, de bankier van Raspoetin die bij de criminele politie als een gokker en woekeraar gesignaleerd stond, dreef met behulp van Raspoetin door dat een volkomen eerloos sujet, Dobrovolski, tot minister van justitie benoemd werd. “Bekijk het lijstje eens,” schreef de tsarina aan de tsaar betreffende de nieuwe benoemingen, “onze vriend verzoekt dat jij dit alles met Protopopov bespreekt.” Twee dagen later: “Onze vriend zegt dat Sturmer nog enige tijd voorzitter van de ministerraad kan blijven.” En nog eens: “Protopopov vereert onze vriend eerbiedig en zal gezegend worden.”

Op een van die dagen waarop de spionnen het aantal flessen en vrouwen optekenden, schreef de tsarina vol weemoed aan de tsaar: “Raspoetin wordt ervan beschuldigd dat hij vrouwen gekust heeft, enzovoorts. Lees de apostels – zij hebben allen ter begroeting gekust.” De verwijzing naar de apostels zal voor de spionnen wel niet overtuigend geweest zijn. In een andere brief gaat de tsarina nog verder: “Tijdens de avonddienst heb ik zoveel aan onze vriend moeten denken: hoe de schriftgeleerden en farizeeërs Christus vervolgen en veinzen, als waren zij volmaakt… Ja waarlijk, geen profeet wordt in zijn land geëerd.”

De vergelijking van Raspoetin met Christus was in deze kring gebruikelijk en niet toevallig. De angst voor de machtige krachten van de geschiedenis was te sterk, dan dat het tsarenpaar zich met de onpersoonlijke God en de lichaamloze Christus uit het Evangelie kon vergenoegen. Een terugkeer van de “mensenzoon” was nodig. De uitgestoten, in doodstrijd verkerende, monarchie vond in Raspoetin een Christus naar haar evenbeeld.

“Was Raspoetin er niet geweest,” zei iemand van het oude regime, de senator Taganzev, “dan zou men hem hebben moeten uitvinden.” Deze woorden betekenen veel meer dan hun auteur bedoeld heeft. Indien men onder “hooligans” de meest antisociale, parasitaire wezens in de onderwereld van de maatschappij verstaat, dan kan men de Raspoetiniade met het volste recht het gekroonde “hooliganschap” in zijn hoogste vorm noemen.

 

Arbeidersklasse en boeren

De Russisch arbeidersklasse zette zijn eerste stappen onder de politieke voorwaarden van een despotische staat. Stakingen die wettelijk verboden waren, ondergrondse clubs, illegale proclamaties, straatbetogingen, botsingen met politie en troepen – dit was een school gevormd uit de vermenging van een snel ontwikkelend kapitalisme en een zijn posities slechts langzaam prijsgevend absolutisme. Het samenbrengen van arbeiders in reusachtige bedrijven, de geconcentreerde druk van de staat en tenslotte de impulsiviteit van de jonge en frisse arbeidersklasse leidden er toe dat de politieke staking, in het Westen zo zeldzaam, in Rusland het voornaamste strijdmiddel werd. Uit het aantal werkstakingen vanaf het begin van deze eeuw is de politieke geschiedenis van Rusland het best af te lezen. Hoezeer wij de tekst niet met getallen willen onderbreken, kunnen wij toch niet nalaten een tabel van de politieke stakingen in Rusland over het tijdvak 1903-1917 in te lassen. Zo eenvoudig mogelijk weergegeven hebben de opgaven slechts betrekking op bedrijven, die onder de fabrieksinspectie stonden; spoorwegen, mijnindustrie, handwerk- en in het algemeen kleinbedrijven, geheel afgezien van de landbouw, bleven hierbij om diverse redenen buiten beschouwing. De periodieke veranderingen van de stakingscurve zijn hierdoor echter niet minder duidelijk te zien.

Wij hebben hier een in haar soort unieke curve van de politieke temperatuur van een natie die een grote revolutie in haar schoot bergt voor ons. In een achtergebleven land met een in aantal geringe arbeidersklasse – in de bedrijven die onder de fabrieksinspectie staan, waren er in 1905 ongeveer 0,5 miljoen arbeiders werkzaam, in 1917 was dat ongeveer 2 miljoen! – neemt de stakingsbeweging een omvang aan die de wereld voordien nergens gekend had. Bij de zwakte van de kleinburgerlijke democratie, de verbrokkeling en politieke kortzichtigheid van de boerenbeweging wordt de revolutionaire werkstaking de stormram waarmee het ontwakende volk zich tegen het bolwerk van het absolutisme richt. Met 1.843.000 deelnemers aan politieke stakingen in het ene jaar 1905 – natuurlijk worden arbeiders die aan meerdere stakingen deelnamen opnieuw meegeteld – kunnen we in deze tabel meteen het revolutiejaar aanwijzen, zelfs indien we niets anders van Ruslands politieke kalender zouden afweten.

Aantal deelnemers aan politieke stakingen:

Jaar Aantal (x1000)
1903 87
1904 25 [1]
1905 1843
1906 651
1907 540
1908 93
1909 8
1910 4
1911 8
1912 550
1913 502
1914 1059
1915 (eerste halfjaar) 156
1916 310
1917 (januari-februari) 575

 

 

[1] De cijfers voor 1903 en 1904 hebben betrekking op stakingen in het algemeen, waarbij de economische ongetwijfeld overwegend waren.

 

In 1904, het eerste jaar van de Russisch-Japanse oorlog, waren er volgens de arbeidsinspectie in totaal slechts 25.000 stakingsdagen. In 1905 waren dat er 1.863.000 of 115 keer zoveel als in het jaar ervoor. Deze verbluffende sprong leidt vanzelf tot de gedachte dat de arbeidersklasse door de loop van de gebeurtenissen en de improvisatie van ongekende revolutionaire activiteiten gedwongen werd om organisaties tot stand te brengen die in overeenstemming stonden met de omvang van de strijd en de grootse taken ervan. Dit waren de Sovjets die geboren werden uit de eerste revolutie en het instrument van algemene stakingen en van de strijd om de macht werden.

De arbeidersklasse werd in de opstand van december 1905 neergeslagen, maar ondernam heldhaftige pogingen om een deel van de veroverde stellingen in de loop van de twee daaropvolgende jaren te behouden. De stakingscijfers laten zien dat deze jaren nog direct bij de revolutie aansluiten, maar toch reeds jaren van terugtocht zijn. De vier volgende jaren – 1908 tot 1911 – tonen in de stakingsstatistiek een weerspiegeling van de overwinnende contrarevolutie. De daarmee samenvallende industriële crisis put de reeds sterk verzwakte arbeidersklasse nog meer uit. De laagte van het dieptepunt is symmetrisch met de hoogte van het hoogtepunt. De stuiptrekkingen van het volk vinden hun weergave in deze eenvoudige cijfers.

De opleving van de industrie vanaf 1910 brengt de arbeiders terug op de been en geeft hen een nieuwe stoot van energie. De stakingsdagen in 1912-1914 komen vrijwel overeen met die van 1905-1907 maar dan in omgekeerde volgorde: niet afdalend, maar opklimmend. Het nieuwe revolutionaire offensief vertrekt van nieuwe, hogere, historische grondslagen. Er zijn nu meer arbeiders en zij hebben meer ervaring. Het eerste halfjaar van 1914 komt inzake aantal politieke stakingsdagen dicht in de buurt van het hoogtepunt van de eerste revolutie. Maar de oorlog brak uit en onderbrak dit proces. De eerste maanden van de oorlog werden door een politieke passiviteit van de arbeidersklasse gekenmerkt. Reeds in het voorjaar van 1915 begon deze starheid echter te wijken. Er begon een nieuwe cyclus van politieke stakingen die in februari 1917 met een opstand van arbeiders en soldaten tot uitbarsting zou komen.

De sterke vloeden en ebben van de massastrijd hebben de Russische arbeidersklasse in de loop van enkele jaren onherkenbaar veranderd. Fabrieken die twee, drie jaren eerder vanwege een of ander op zichzelf staande daad van politiewillekeur eensgezind in staking gingen, verloren nu hun revolutionaire karakter en accepteerden zonder enige tegenstand de afschuwelijkste misdaden van de overheid. Zware nederlagen ontmoedigden voor lange tijd. De revolutionaire elementen verloren hun macht over de massa’s. Nog niet uitgeroeide vooroordelen en bijgeloof kregen de overhand. De grauwe dorpelingen verwaterden ondertussen de arbeidersmassa’s. De sceptici schudden ironisch het hoofd. Zo ging het in de periode 1907-1911. Maar de interne processen in de massa’s helen de psychische wonden van nederlagen. Een nieuwe wending in de gebeurtenissen of een onderaardse economische schok opent een nieuwe politieke cyclus. Revolutionaire elementen vinden weer gehoor. De strijd leeft op een hoger plan weer op.

Om de beide voornaamste stromingen in de Russische arbeidersklasse te begrijpen, is het van belang in het oog te houden dat het mensjewisme zich definitief in de jaren van reactie en teruggang vormde, voornamelijk steunend op de kleine arbeiderslaag die met de revolutie gebroken had, terwijl het bolsjewisme, gruwelijk neergeslagen in de periode van reactie, zich in de jaren voor de oorlog op de kam van de nieuwe revolutionaire vloedgolf snel begon op te richten. “Het meest energiek, vermetel, tot onvermoeide strijd, tegenstand en tot duurzame organisatie in staat zijn die elementen, organisaties en personen die zich om Lenin groeperen.” Met deze woorden beoordeelde het departement van politie de arbeid van de bolsjewieken in de jaren voor de oorlog.

In juli 1914 joegen de diplomaten de laatste nagels in het kruis waaraan Europa zou opgehangen worden. Op dat ogenblik kookte het in Petrograd als in een revolutionaire ketel. De Franse president Poincaré moest onder de nagalm van de laatste straatgevechten en de eerste klanken van vaderlandslievende betogingen een krans bij het standbeeld van Alexander III neerleggen.

Zou het offensief van de massa’s in de jaren 1912 tot 1914 direct tot een val van het tsarisme geleid hebben indien de oorlog niet tussenbeide gekomen was? Men zal deze vraag nooit met volle zekerheid kunnen beantwoorden. Het proces leidde onvermijdelijk tot de revolutie. Maar welke fasen zouden daarbij nog doorlopen zijn? Zou er niet nog een nederlaag volgen? Hoeveel tijd zouden de arbeiders nodig gehad hebben om de boeren op de been te brengen en het leger voor zich te winnen? Vermoedens zijn in alle richtingen mogelijk. De oorlog had in ieder geval aanvankelijk een afremmend effect, het proces ging terug om in een volgende fase des te sneller vooruit te gaan en tot een overweldigende overwinning te leiden.

Bij de eerste oorlogstrom verstomde de revolutionaire beweging. De meest actieve arbeidersgroepen werden gemobiliseerd. De revolutionaire elementen uit de bedrijven werden aan het front geworpen. Op stakingen stonden strenge straffen. De arbeiderspers was weggevaagd. De vakverenigingen gewurgd. In de werkplaatsen stroomden honderdduizenden vrouwen, kinderen, boeren binnen. Politiek werkte de oorlog samen met de ineenstorting van de Internationale buitengewoon verwarrend op de massa’s en maakte het de fabrieksleiding die het hoofd weer opgeheven had mogelijk om in naam van de bedrijven patriottisch op te treden, een groot deel van de arbeiders mee te sleuren en de meer stoutmoedigen en vastberadenen te noodzaken zich in afwachting terug te trekken. De revolutionaire gedachte was nog slechts aanwezig in kleine, tot zwijgen gedoemde kringen. Niemand waagde het in die tijd in de bedrijven zich “bolsjewiek” te noemen, want dit betekende zich blootstellen aan gevangenneming of afranseling door achtergebleven arbeiders.

De bolsjewistische Doemafractie, die zwak was door haar persoonlijke samenstelling, toonde zich op het moment van het uitbreken van de oorlog niet tegen haar taak opgewassen. Samen met de mensjewistische afgevaardigden legde zij een verklaring af waarin zij zich verplichtte “het culturele welzijn van het volk tegen iedere aanslag, van waar deze ook komen mocht, te verdedigen.” Met bijval onderstreepte de Doema deze terugtocht. Geen enkele van de Russische organisaties en groepen van partijen nam een openlijk defaitistische positie in, zoals Lenin deze in het buitenland verkondigde. Het percentage patriotten onder de bolsjewieken bleek intussen gering te zijn. In tegenstelling tot de narodniki en mensjewieken begonnen de bolsjewieken reeds vanaf het jaar 1914 een schriftelijke en mondelinge agitatie tegen de oorlog onder de massa’s te voeren. De Doema-afgevaardigden herstelden zich snel van de verwarring en hervatten de revolutionaire arbeid, waarvan de overheid dankzij een wijdvertakt stelsel van provocateurs zeer nauwkeurig op de hoogte was. Het volstaat om erop te wijzen dat er van de zeven leden in het Peterburgse partijcomité aan de vooravond van de oorlog drie in dienst van de Ochrana stonden. Zo speelde het tsarisme kat en muis met de revolutie. In november werden de bolsjewistische afgevaardigden gearresteerd. In het gehele land begon een veldtocht tegen de partij om deze te vernietigen. In februari 1915 had voor het opperste gerechtshof het proces tegen de fractie plaats. De afgevaardigden betrachtten voorzichtigheid bij hun optreden. Kamenev, de theoretische leider van de fractie, nam stelling tegenover de defaitistische houding van Lenin. Petrowski, de tegenwoordige voorzitter van het centraal comité in de Oekraïne, deed hetzelfde. Het departement van politie constateerde met voldoening dat het strenge vonnis over de afgevaardigden geen enkele protestactie van de kant van de arbeiders teweeg gebracht had.

Het leek alsof de oorlog de arbeidersklasse totaal veranderd had. Voor een groot deel was dit ook zo: in Petrograd was de arbeidersbevolking voor bijna veertig procent vernieuwd. De revolutionaire opvolging was op krasse wijze onderbroken. Datgene wat er voor de oorlog was, waaronder ook de Doemafractie van de bolsjewieken, werd met een slag naar de achtergrond verdrongen en verzonk nagenoeg in de vergetelheid. Maar onder het onzekere omhulsel van rust, vaderlandsliefde, gedeeltelijk zelfs koningsgezindheid, hoopten zich in de massa’s stemmingen voor een nieuwe uitbarsting op.

In augustus 1915 deelden de tsaristische ministers elkaar mee dat de arbeiders “overal bedrog, verraad en sabotage ten gunste van de Duitsers speurden en ijverig naar schuldigen aan onze tegenslagen aan het front zochten.” Inderdaad gaat de ontwakende kritiek van de massa’s in deze periode deels oprecht, deels uit zelfverweer, niet zelden van de gedachte van “vaderlandsverdediging” uit. Deze gedachte is echter slechts het uitgangspunt. Steeds dieper dringt de ontevredenheid van de arbeiders door. De opzichters, Zwarte Honderd-arbeiders en kruipers voor het establishment leggen dit ongenoegen nog het zwijgen op, maar dit ongenoegen maakt het mogelijk voor het arbeidersleger van de bolsjewieken om terug het hoofd op te richten.

Van kritiek gaan de massa’s tot daden over. De verontwaardiging vindt allereerst een uitweg in opstootjes rond levensmiddelen. Deze opstoten nemen op vele plaatsen de vorm van lokale opstanden aan. Vrouwen, grijsaards, kinderen voelen zich op de markt of op straat veiliger en onafhankelijker dan de dienstplichtige arbeiders in de bedrijven. In Moskou ontaardt de beweging in mei tot een pogrom tegen Duitsers. Ofschoon de deelnemers hoofdzakelijk uit gepeupel uit de stad bestaan, dat onder bescherming van de politie optreedt, bewijst de mogelijkheid van een pogrom in het industriële Moskou reeds dat de arbeiders nog niet zo ver ontwaakt zijn dat zij hun leuzen en hun discipline aan het uit zijn evenwicht geslagen kleine stadsvolk kunnen opleggen. Terwijl zij zich over het hele land uitbreiden, verdrijven de onlusten rond levensmiddelen de oorlogshypnose en banen zij de weg voor stakingen.

De stroom van ruwe arbeidskracht in de bedrijven en de gulzige jacht naar oorlogswinsten leidden overal tot een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden en tot een wederopleving van de meest brutale uitbuitingsmethoden. Toenemende duurte drukt automatisch het arbeidsloon. Economische stakingen worden de onvermijdelijke reflex van de massa’s en des te heftiger naarmate deze onderdrukt wordt. De stakingen worden door meetings, opstelling van politieke resoluties, botsingen met de politie en niet zelden ook door schietpartijen en slachtoffers vergezeld.

De strijd omvat allereerst het centrale textielgebied. Op 5 juni geeft de politie een salvo af op de wevers in Kostroma: 4 doden, 9 gewonden. Op 10 augustus schieten de troepen in Ivanovo-Voznesensk op arbeiders: 16 doden en 30 gewonden. Bij de beweging van de textielarbeiders zijn soldaten van het plaatselijk bataljon betrokken. Proteststakingen in verschillende delen van het land vormen het antwoord op het doodschieten van arbeiders te Ivanovo-Voznesensk. Parallel hiermee ontwikkelt zich de economische strijd. De textielarbeiders marcheren niet zelden in de voorste gelederen.

In vergelijking met de eerste helft van 1914 zette de beweging inzake aanvalskracht en klaarheid van slogans grote stappen terug. Dit is niet verwonderlijk: voor een groot deel worden ruwe massa’s in de strijd mee getrokken en er was een totale verbrokkeling van de leidende arbeidersgroep. Niettemin kondigen de naderende gevechten zich reeds in de eerste stakingen tijdens de oorlog de aan. De minister van justitie Chvostov verklaarde op 16 augustus: “Wanneer er thans geen gewapende acties van de arbeiders plaatshebben, dan komt dit slechts doordat zij geen organisaties bezitten.” Nog duidelijker drukte zich Goremykin uit: “De oorzaak ligt bij de arbeidersleiders en in het ontbreken van de organisatie die door de gevangenneming van de vijf Doemaleden vernietigd werd.” De minister van binnenlandse zaken voegde eraan toe: “Aan de leden van de Doema (bolsjewieken) moet men in geen geval amnestie verlenen; zij zijn het organisatorisch centrum van de arbeidersbeweging in haar gevaarlijkste uitingen.” Deze mensen wisten in ieder geval zeer goed wie hun werkelijke vijand was.

Terwijl het ministerie het – zelfs toen de verwarring het grootst was en men tot liberale tegemoetkomingen geneigd was – nodig oordeelde de arbeidersrevolutie, d.w.z. de bolsjewieken, slagen toe te brengen, beijverde de grote burgerij samenwerking met de mensjewieken. Verschrikt door de omvang van de stakingen wendden de liberale industriëlen pogingen aan om de arbeiders een vaderlandslievende discipline op te leggen, ze deden dit door hun vertrouwenspersonen in de comités van de oorlogsindustrie op te nemen. De minister van binnenlandse zaken beklaagde zich erover dat het moeilijk was tegen de invallen van Goetsjkov te vechten: “De hele zaak zou zeilen onder patriottische vlag en in het belang van de landsverdediging.” Men moet echter constateren dat de politie zelf het vermeed de sociaalpatriotten gevangen te nemen, daar zij in hen indirecte bondgenoten tegen stakingen en revolutionaire “excessen” zag. Op basis van het overgrote vertrouwen in de macht van het sociaalpatriottisme, dacht de Ochrana dat er geen opstand zou komen zolang de oorlog duurde.

Bij de verkiezingen voor de comités voor de oorlogsindustrie bleken de vaderlandsverdedigers, met de energieke metaalarbeider Gvosdjev aan het hoofd – wij zullen hem later als minister van arbeid in de coalitieregering van de revolutie tegenkomen – in de minderheid te zijn. Zij maakten echter gebruik van de steun van de liberale burgerij maar ook van de bureaucratie, om de aanhangers van de boycot, geleid door de bolsjewieken, eronder te houden en aan de arbeidersklasse van Petrograd een vertegenwoordiging in de organen van het industriepatriottisme op te dringen. De positie van de mensjewieken kwam duidelijk tot uiting in een redevoering waarmee later een van hun vertegenwoordigers zich tot de industriëlen in het comité wendde: “Jullie moeten eisen dat de thans bestaande bureaucratische regering van het toneel verdwijnt en haar plaats aan U als erfgenamen van het bestaande regime afstaat.” De jonge politieke vriendschap groeide niet alleen met de dag, maar met het uur. Na de omwenteling zal zij rijkelijk vruchten afwerpen.

De oorlog richtte in het illegale kamp verschrikkelijke verwoestingen aan. De bolsjewieken bezaten na de gevangenneming van hun Doemafractie geen gecentraliseerde partijorganisatie meer. De plaatselijke comité’s waren zwak en dikwijls zonder enige verbinding met de districten. Enkel afzonderlijke groepen, clubs en personen werkten. Maar de beginnende opleving van de stakingsstrijd gaf hen moed en kracht in de bedrijven. Langzamerhand vonden zij elkaar en brachten verbindingen tussen de afzonderlijke districten tot stand. De illegale arbeid herleefde. In het departement van politie schreef men later: “De leninisten, achter wie in Rusland de overgrote meerderheid van de illegale sociaaldemocratische organisaties staat, hebben sinds het begin van de oorlog in hun grotere centra (als Petrograd, Moskou, Charkov, Kiev, Toela, Kostroma, het gouvernement Vladimir, Samara) een groot aantal revolutionaire oproepen verspreid met de eis van beëindiging van de oorlog, val van de bestaande regering en instelling van de republiek, waarvan werkstakingen en onlusten het tastbaar resuItaat waren.”

De traditionele herdenkingsdag van de arbeidersprocessie naar het Winterpaleis, die het jaar ervoor bijna onopgemerkt verlopen was, leidde op 9 januari 1916 tot een omvangrijke staking. De stakingsbeweging werd in deze jaren verdubbeld. Iedere grotere en meer hardnekkige staking ging van botsingen met de politie vergezeld. Tegenover de troepen gedroegen de arbeiders zich opvallend vriendschappelijk en de Ochrana maakte meer dan eens melding van dit onrustbarende feit.

De oorlogsindustrie breidde zich uit, terwijl zij alle hulpmiddelen verslond en haar eigen grondslagen begon te ondermijnen. De vredestakken van de industrie waren aan het afsterven. Tot een regeling van de volkshuishouding kwam het ondanks alle plannen niet. De bureaucratie, die bij de tegenstand van de machtige comités voor de oorlogsindustrie reeds niet in staat was om de zaak ter hand te nemen, was intussen ook niet geneigd de leidende rol aan de burgerij over te laten. De chaos nam toe. Bekwame arbeiders werden door onbekwame vervangen. De kolenmijnen, fabrieken en werkplaatsen in Polen waren spoedig verloren gegaan. Gedurende het eerste oorlogsjaar kwam ongeveer een vijfde van de totale industriekrachten van het land weg te vallen. Tot 50% van de totale productie werd voor de behoeften van de oorlog en van het leger gebruikt, waaronder tot 75% van de in het land vervaardigde textielproducten. Het overbelaste transportwezen was niet in staat de benodigde brand- en grondstoffen voor de fabrieken aan te voeren. De oorlog verslond niet alleen het totale nationale inkomen, maar begon ook het kapitaal van het land aan te tasten.

De industriëlen waren steeds minder tot concessies aan de arbeiders bereid, terwijl de regering iedere werkstaking op de oude manier met strenge repressaillemaatregelen beantwoordde. Dit alles leidde de gedachten van de arbeider van het speciale tot het algemene, van de economie tot de politiek. “Iedereen moet tegelijk staken.” Zo ontstaat de gedachte van de algemene werkstaking. Het proces van de radicalisering van de massa’s komt het duidelijkste tot uiting in de stakingsstatistiek. In 1915 namen 2,5 keer minder arbeiders deel aan politieke stakingen dan aan economische conflicten, in het jaar 1916 tweemaal minder; in de eerste twee maanden van het jaar 1917 omvatten politieke stakingen reeds zes maal zoveel arbeiders als economische stakingen. De rol van Petrograd wordt door het volgend cijfer getypeerd: gedurende de oorlogsjaren was deze stad goed voor 72% van de deelnemers aan politieke stakingen!

In het vuur van de strijd verdwijnt menig oud bijgeloof. “Met spijt,” meldt de Ochrana dat elke vervolging overeenkomstig de wet van “gevallen van brutale en openlijke majesteitschennis zou leiden tot een ongekend groot aantal processen op basis van paragraaf 103.” Het bewustzijn van de massa’s blijft alleen nog achter bij haar strijdlust. De vreselijke druk van de oorlog en het verval bespoedigen het verloop van de strijd zodanig dat brede arbeidersmassa’s tot aan de omwenteling geen tijd vonden zich te ontdoen van allerlei beschouwingen en vooroordelen, die zij uit het dorp of uit het kleinburgerlijk huis in de stad meebrachten. Dit zal zijn stempel drukken op de eerste maanden van de Februarirevolutie.

Tegen het einde van 1916 stegen de prijzen sprongsgewijze. Bij inflatie en ontwrichting van het transportwezen komt er een direct tekort aan waren. Het verbruik van de bevolking neemt in deze tijd met meer dan de helft af. De curve van de arbeidersbeweging gaat stijl naar boven. Tegen oktober komt de beweging in Petrograd in het beslissende stadium en verenigt ze allerlei soorten van ontevredenheid in zich: Petrograd neemt de aanloop naar de Februarirevolutie. Een golf van vergaderingen rolt door de bedrijven. De onderwerpen zijn: voedselvoorziening, duurte, oorlog, regering. Bolsjewistische vlugschriften worden verspreid. Politieke stakingen beginnen. Na het verlaten van de bedrijven vinden geïmproviseerde demonstraties plaats. Gevallen van verbroedering van enkele bedrijven met soldaten worden geconstateerd. Een stormachtige proteststaking ontbrandt tegen het vonnis over de revolutionaire matrozen van de Baltische vloot. De Franse gezant maakt premier Sturmer op het aan hem bekend geworden feit opmerkzaam dat soldaten op de politie geschoten hadden. Sturmer kalmeert de gezant: “De onderdrukking zal meedogenloos zijn.” In november wordt een grote groep van dienstplichtige arbeiders uit de bedrijven te Petrograd opgeroepen om naar het front te gaan. Het jaar eindigt met storm en onweer.

De directeur van het politiedepartement, Vassiljev, komt tot een erg troosteloze conclusie als hij de situatie met 1905 vergelijkt. “De oppositionele stemmingen hebben een enorme omvang aangenomen, zoals zij in de voormelde periode van onlusten bijlange niet in de grote massa’s bereikt hadden.” Vassiljev heeft geen vertrouwen in de garnizoenen. Zelfs de dorpspolitie lijkt hem niet volkomen betrouwbaar. De Ochrana meldt de wederopleving van de leuze van de algemene werkstaking en het gevaar van het weer opleven van de terreur. De uit de loopgraven terugkerende soldaten en officieren zeggen over de heersende toestand: “Wat valt er nog te praten?”, “Er moet een eind aan gemaakt worden”, “Als het van ons afhing, zouden we niet lang nadenken,” enzovoort.

Sjljapnikov, lid van het centraal comité der bolsjewieken, zelf vroeger metaalarbeider, vertelt over de zenuwachtige stemming onder de arbeiders in die dagen: “Een gefluit of lawaai ergens was voldoende om de arbeiders te doen geloven dat dit het signaal voor het neerleggen van de arbeid was.” Dit detail is merkwaardig zowel als politiek symptoom en als psychologische trek: de revolutie zit al in het bloed voor ze nog de straat opgaat.

De provincie maakt dezelfde fasen door, alleen langzamer. Het massaler wordend karakter van de beweging en van haar strijdlust verplaatst het overwicht van de textielarbeiders naar de metaalarbeiders, van de economische naar de politieke stakingen, van de provincie naar Petrograd. De eerste twee maanden van 1917 leveren 575.000 politieke stakingsdagen op, waarvan het leeuwendeel aan de hoofdstad toekomt. Ofschoon de politie aan de vooravond van 9 januari een nieuwe razzia tegen de partij hield, staakten op de dag van het bloedig jubileum 150.000 arbeiders in de hoofdstad. De stemming is gespannen, de metaalarbeiders gaan voorop, de proletariërs voelen dat een terugtocht niet meer mogelijk is. In elk bedrijf ontstaat een actieve kern, meestal om de bolsjewieken heen. In de eerste twee februariweken zijn er onafgebroken stakingen en meetings. Op 8 februari werd de politie op het Poetilovwerk “met een hagel van oud ijzer” ontvangen. Op de 14de, de dag van de opening van de Doema, staakten in Petrograd ongeveer 90.000 arbeiders. Ook in Moskou werden enkele bedrijven stilgelegd. Op de 16de besloot de overheid in Petrograd broodkaarten in te voeren. Deze nieuwigheid maakte de mensen zenuwachtig. Op de 19de verzamelde zich veel volk voor de levensmiddelenwinkels, vooral vrouwen die allen brood eisten. Daags daarna werden in enkele stadsdelen bakkerswinkels geplunderd. Dit waren reeds de eerste bliksemschichten van de opstand die enkele dagen later zou uitbreken.

De Russisch arbeidersklasse putte zijn revolutionaire vermetelheid niet alleen uit zichzelf. Zijn positie, namelijk die van een minderheid in de natie, gaf aan dat het zijn strijd nooit voldoende omvang zou kunnen geven om zich aan het hoofd van de staat te stellen, tenzij het een sterke steun genoot in de onderste lagen van het volk. De landbouwkwestie verzekerde de arbeidersklasse deze steun.

De laattijdige en halfslachtige bevrijding van de boeren in 1861 trof de landbouw nagenoeg op dezelfde trap aan waarop deze twee eeuwen tevoren ook gestaan had. Het handhaven van het oude, het behoud van gemeenschappelijke grond (ook al stond die onder druk) en de archaïsche methoden van grondbewerking zorgden automatisch voor een overbevolkingscrisis in het dorp, wat tegelijk de crisis van het drieveldensysteem was. De landbouwers voelden zich nog meer vastlopen omdat het proces zich niet in de zeventiende, maar in de negentiende eeuw voltrok. Dit betekent onder de voorwaarden van een verder ontwikkelde geldeconomie die aan de houten ploeg eisen stelde die slechts door een tractor konden ingevuld worden. Ook hier zien wij het samenvallen van verschillende fasen van het historisch proces en buitengewoon scherpe tegenstellingen als resultaat.

Geleerden, agronomen en economen predikten voorheen dat er bij een rationele bebouwingswijze voldoende land zou zijn, d.w.z. zij stelden de boer voor de sprong tot een hogere techniek en cultuur te maken zonder grootgrondbezitters, baljuws en tsaar te verstoren. Een economisch stelsel, en allerminst een landbouwsysteem dat het meest starre is, verdwijnt echter nooit zonder dat het alle mogelijkheden heeft uitgeput. Vooraleer de boer zich gedwongen zag tot een intensievere bodemcultuur, moest hij een laatste poging tot een uitbreiding van zijn drieveldensysteem doen. Het was echter duidelijk dat dit slechts ten koste van de niet aan boeren toebehorende grond bereikt kon worden. Stikkend van benauwdheid temidden van het wijde land moest de moezjiek onder de striemende zweepslag van de fiscus en van de markt noodzakelijk een poging doen om zich voor eens en altijd van de grootgrondbezitter te ontdoen.

De totale omvang van bruikbare grond binnen de grenzen van Europees Rusland werd aan de vooravond van de eerste revolutie op 280 miljoen desjatinen [een desjatin komt overeen met 10.925 km², noot van de vertaler] geschat. De grond van dorpsgemeenten omvatte ongeveer 140 miljoen, de kroondomeinen ongeveer 5 miljoen, kerk- en kloosterbezit ongeveer 2,5 miljoen desjatinen. Het private bezit van de grond was goed voor ongeveer de helft van de bruikbare grond, 30.000 grootgrondbezitters die elk meer dan 500 desjatinen bezaten waren samen goed voor 70 miljoen desjatinen of ongeveer evenveel als de grond waarover de 10 miljoen boerenfamilies beschikten. Deze bodemstatistiek vormde het volledig programma van de boerenoorlog.

Het was de eerste revolutie niet gelukt het grootgrondbezit te liquideren. Niet de gehele boerenmassa was opgestaan, de beweging in het dorp viel niet met de beweging in de stad samen, het boerenleger twijfelde en leverde tenslotte genoeg krachten op om de arbeiders neer te slaan. Nadat het Semjonovski-garderegiment de opstand te Moskou onderdrukt had, verwierp de monarchie iedere gedachte aan een beperking van de grootgrondeigendom en van haar heerlijke rechten.

De neergeslagen revolutie was intussen geenszins spoorloos aan het dorp voorbijgegaan. De regering hief de oude aflossingen op en opende de mogelijkheid van een verhuizing op grotere schaal naar Siberië. De verschrikte grootgrondbezitters deden niet alleen belangrijke concessies betreffende de pachtsom, maar gingen ook tot een grootschalige verkoop van hun grond over. Deze vruchten van de revolutie werden door de meer welvarende boeren, die in staat waren grond van de landheren te pachten en te kopen, met succes gebruikt.

De hekkens werden echter het meeste opengezet voor de opkomst van kapitalistische boeren door de wet van 9 november 1906. Dit was de voornaamste hervorming die werd ingevoerd door de zegevierende contrarevolutie. Door aan een kleine minderheid van boeren van de gemeenschappen het recht te geven om, tegen de wil van de meerderheid in, delen van de gemeenschappelijke grond op te eisen en af te scheiden van de gemeenschap, vormde de wet van 9 november een explosieve kapitalistische bom op de dorpsgemeenschap. De voorzitter van de ministerraad, Stolypin, karakteriseerde de essentie van de nieuwe regeringspolitiek inzake het boerenvraagstuk als “gericht op de sterken.” Dit betekende de bovenlaag van de boeren ertoe brengen dat ze de gemeenschappelijke grond in handen krijgen door deze ‘bevrijde’ delen op te kopen, en vervolgens de nieuwe kapitalistische boeren omvormen tot een steunpilaar voor het bestaande regime. Dit was echter gemakkelijker voorgesteld dan uitgevoerd. Deze poging om het boerenvraagstuk te vervangen door het koelakkenvraagstuk [rijke boeren, noot van de vertaler], gaf aan dat de contrarevolutie gedoemd was om zijn nek te breken.

Tegen 1 januari 1916 hadden 2,5 miljoen boeren 17 miljoen desjatinen grond als privaat bezit ingenomen. Nog eens twee miljoen boeren eisten de toekenning van 14 miljoen desjatinen. Dit leek een reusachtig succes voor de hervorming. De afgescheiden boerderijen waren echter voor het merendeel niet rendabel en vormden slechts het materiaal voor een natuurlijke selectie. Terwijl de economisch achtergebleven grootgrondbezitters en kleine boeren op intensieve wijze verkochten – de eersten hun latifundia, de laatsten hun strookjes land – trad de nieuwe boerenbourgeoisie voornamelijk als koopster op. De landbouw kwam ongetwijfeld in het stadium van kapitalistische opbloei. De uitvoer van landbouwproducten uit Rusland steeg in vijf jaren (1908-1912) van 1 miljard tot 1,5 miljard roebel. Dit zorgde ervoor dat brede boerenmassa’s werden verproletariseerd en de bovenlaag van het dorp wierp steeds meer brood op de markt.

Als surrogaat voor de gedwongen gebondenheid van het boerenbedrijf ontwikkelde zich de vrijwillige coöperatie die in de loop van weinig jaren betrekkelijk diep in de boerenmassa’s wist door te dringen en terstond een voorwerp van liberale en democratische idealisering werd. De werkelijke macht in de coöperatie bezaten echter slechts de rijke boeren aan wie zij tenslotte ook tot voordeel strekte. De Narodnik intellectuelen richtten zich vooral op samenwerking tussen boeren waardoor ze eindelijk hun liefde voor het volk op solide burgerlijke sporen konden zetten. Hiermee werd het politieke blok van de “antikapitalistische” Sociaal-Revolutionairen met de Kadetten, de kapitalistische partij bij uitstek, minstens gedeeltelijk voorbereid.

Terwijl het liberalisme de schijn van een oppositie tegen de agrarische politiek van de reactie ophield, had het grote verwachtingen in de kapitalistische vernietiging van de dorpsgemeenschap. “In het dorp groeit een machtige kleinbourgeoisie,” schreef de liberale vorst Troebetzkoi, “die naar haar wezen en haar samenstelling even vreemd tegenover de idealen van de adel als tegenover de socialistische dweperijen staat.” Deze fraaie medaille had echter een keerzijde. Uit de dorpsgemeenschap scheidde zich niet alleen een “machtige kleinbourgeoisie” maar ook haar antipode af. Het aantal boeren die hun niet-rendabele stukken land verkocht hadden, steeg bij het begin van de oorlog tot een miljoen, hetgeen niet minder dan vijf miljoen geproletariseerde mensen betekende. Er werd ook voldoende explosief materiaal voorzien door de miljoenen verpauperde boeren die niets meer bezaten dan hun hongerdeeltjes in de gemeenschappelijke grond. De tegenstellingen die de ontwikkeling van een burgerlijke samenleving in Rusland ondermijnden, reproduceerden zich onder de boeren. De nieuwe dorpsbourgeoisie, die een steun voor de oude en machtiger bezitters had moeten worden, betoonde zich tegenover de boerenmassa’s even vijandig als de oude bezitters in het algemeen tegenover het volk. Voor zij een steunpilaar van de bestaande orde kon worden, had de boerenbourgeoisie zelf een zekere orde nodig waarbinnen ze kon vastklampen aan veroverde posities. Het is onder deze omstandigheden niet te verwonderen dat het agrarische vraagstuk in alle opeenvolgende Rijksdoema’s een brandende kwestie bleef. Iedereen voelde dat het laatste woord nog niet gesproken was. De boerenafgevaardigde Petritsjenko verklaarde eens vanaf het spreekgestoelte van de Doema: “Jullie mogen nog zo lang debatteren als jullie willen, maar dit zal geen nieuwe planeet tot stand brengen. Jullie zullen ons de grond moeten geven.” Deze boer was noch bolsjewiek, noch sociaalrevolutionair; integendeel, het was een afgevaardigde van rechts, een monarchist.

De boerenbeweging verstomde net zoals de stakingsbeweging van de arbeiders tegen het einde van 1907 en kende vervolgens in 1908 een zekere heropleving om in de daaropvolgende jaren aan kracht te winnen. De strijd werd weliswaar in een belangrijke mate verschoven naar de dorpsgemeenschap zelf, dat is net wat de politieke berekening van de reactie was. Er waren verschillende gewapende botsingen tussen boeren bij de opdeling van gemeenschappelijke grond. Maar ook de strijd tegen de grootgrondbezitters bleef bestaan. De boeren steken dikwijls boerderijen, oogsten, hooi, … van de grootgrondbezitters in brand. Ze sparen daarbij ook de tegen de wil van de meerderheid afgescheiden delen van de gemeenschappelijke grond niet.

Dit was de situatie onder de boeren toen de oorlog uitbrak. De regering voerde ongeveer 10 miljoen arbeidskrachten en 2 miljoen paarden uit de dorpen weg. De zwakste bedrijven werden nog zwakker. Het aantal boeren dat niet kon zaaien, nam toe. Maar ook met de middelboeren ging het in het tweede oorlogsjaar bergafwaarts. De houding van boeren tegenover de oorlog werd van maand tot maand vijandiger. In oktober 1916 berichtte de leiding van de gendarmerie te Petrograd dat men in de dorpen niet meer in de overwinning geloofde. Het rapport baseerde zich op uitspraken van verzekeringsagenten, onderwijzers, kooplieden, … Die stelden dat iedereen “slechts wacht op het einde van deze vervloekte oorlog.” En nog sterker: “Overal worden politieke vraagstukken besproken, worden tegen grootgrondbezitters en kooplieden gerichte maatregelen genomen, cellen van de meest verschillende organisaties gevormd. Een centrum bestaat er vooralsnog niet, maar men mag aannemen dat de boeren zich door middel van de coöperaties, waarvan het aantal van dag tot dag toeneemt in Rusland, zullen verenigen.” Veel hierin is overdreven, veel hebben de gendarmen te voorbarig aangenomen, maar de kern is ongetwijfeld juist.

De bezittende klassen konden voorzien dat het dorp zijn rekening zou aanbieden. Zij verdreven de sombere gedachten met de hoop op een of andere manier uit de moeilijkheden te geraken. De weetgierige Franse gezant Paléologue onderhield zich in de oorlogsdagen daarover met de vroegere minister van landbouw Krivosjein, de vroegere eerste minister Kokovzev, de grootgrondbezitter graaf Bobrinski, de voorzitter van de Rijksdoema Rodsjanko, de grootindustrieel Poetilov en met andere vooraanstaande personen. Daarbij werd hem het volgende geopenbaard: voor de doorvoering van een radicale agrarische hervorming zouden minstens 15 jaar lang 300.000 landmeters nodig zijn; maar in die periode zou het aantal boerderijen toenemen tot 30 miljoen en zouden alle gemaakte berekeningen bijgevolg achterhaald zijn.Voor deze grootgrondbezitters, excellenties en bankiers was een landhervorming dan ook iets als het rechttrekken van een cirkel. Het is overbodig te zeggen dat dergelijke wiskundige scrupules de boeren compleet vreemd waren. De boeren wilden eerst de grootgrondbezitters uitroken en zouden dan wel verder zien.

Als het dorp in de oorlogsjaren betrekkelijk rustig bleef, dan kwam dit slechts doordat de actieve krachten aan het front waren. De soldaten vergaten hun akker niet, althans zolang zij niet aan de dood dachten, en de gedachten van de boer aan de toekomst werden in de loopgraven met kruitdamp doordrenkt. Niettemin zouden de boeren, ook nadat zij de wapens hadden leren gebruiken, nooit op eigen kracht de agrarisch-democratische, d.i. hun eigen revolutie, voltooid hebben. Zij hadden een leiding nodig. Voor de eerste maal in de wereldgeschiedenis zou de boer in de persoon van de arbeider zijn leider vinden. Hierin bestaat het fundamentele en men zou kunnen zeggen afdoende verschil tussen de Russische en alle vroegere revoluties.

In Engeland verdween de lijfeigenschap feitelijk reeds op het einde van de 14de eeuw, d.w.z. twee eeuwen voor zij in Rusland ontstond en vier en een halve eeuw vooraleer zij daar werd afgeschaft. De onteigening van het grondbezit van de boeren strekt zich in Engeland over de Hervorming en twee revoluties heen tot aan de 19de eeuw uit. De kapitalistische ontwikkeling, niet geforceerd van buitenaf, had derhalve tijd genoeg om de zelfstandige boeren te liquideren. Dit gebeurde lange tijd voordat de arbeidersklasse tot politiek leven ontwaakt was.

In Frankrijk werd de burgerij in haar verschillende geledingen doorheen de strijd met het vorstelijk absolutisme, de aristocratie en de kerkvorsten gedwongen om begin 18de eeuw radicale landhervormingen door te voeren. De zelfstandige boeren werden daarna voor lange tijd een steunpilaar van de burgerlijke orde, ze hielpen de burgerij in 1871 af te rekenen met de Parijse Commune.

In Duitsland was de burgerij niet in staat een revolutionaire oplossing van het agrarisch vraagstuk aan te bieden en leverde zij in 1848 de boeren aan de grootgrondbezitters uit, net zoals Luther hen ongeveer drie eeuwen tevoren tijdens de boerenoorlog aan de vorsten overgeleverd had. De Duitse arbeidersklasse van zijn kant was in het midden van de 19de eeuw nog te zwak om de leiding van de boeren op te nemen. De kapitalistische ontwikkeling van Duitsland kreeg dientengevolge voldoende tijd, hoewel niet zo lang als die van Engeland, om de landbouw, zoals deze uit de niet doorgevoerde burgerlijke revolutie voortgekomen was, aan zich te onderwerpen.

De boerenhervorming van 1861 werd in Rusland door de adellijke en ambtelijke monarchie onder druk van de eisen van de burgerlijke maatschappij doorgevoerd. De burgerij was toen op politiek vlak nog volslagen onmachtig. De boerenbevrijding was van die aard dat de geforceerde kapitalistische omvorming van het land onvermijdelijk het agrarisch probleem tot een probleem van de revolutie moest maken. De Russische burgerij droomde van een agrarische ontwikkeling nu eens naar Frans, dan weer naar Deens, dan weer naar Amerikaans, naar ieder willekeurig, slechts niet naar Russisch model. Zij kwam echter niet op de gedachte de Franse geschiedenis of de Amerikaanse maatschappelijke structuur te benutten. De democratische intellectuelen stonden ondanks hun revolutionair verleden op het beslissende moment aan de kant van de liberale burgerij en de grootgrondbezitters, en niet aan de kant van het revolutionaire dorp. Alleen de arbeidersklasse kon onder deze omstandigheden aan het hoofd van de boerenrevolutie staan.

De wet van de gecombineerde ontwikkeling van achtergebleven landen – in de zin van de eigenaardige vermenging van achtergebleven elementen met nieuwste factoren – doet zich hier aan ons voor in zijn meest volmaakte vorm en geeft tegelijkertijd de oplossing voor het meest gewichtige raadsel van de Russische revolutie. Indien het agrarisch probleem, als erfenis van de barbaarsheid van de oude Russische geschiedenis, door de burgerij opgelost was, gesteld dat zij het had kunnen oplossen, dan was de Russisch arbeidersklasse in 1917 nooit aan de macht kunnen komen. Om de Sovjetstaat te verwerkelijken was het tot elkaar komen en elkaar doordringen van twee factoren met een totaal verschillend historisch karakter noodzakelijk: de boerenoorlog – d.w.z. een beweging die voor de dageraad van de burgerlijke ontwikkeling kenmerkend is – en de arbeidersopstand, d.w.z. een beweging die de ondergang van de burgerlijke maatschappij betekent. Hierin is de betekenis van 1917 gelegen.

Tsaristisch Rusland in de oorlog

De deelname van Rusland aan de oorlog had wat zijn motieven en doeleinden betreft een tegenstrijdig karakter. In wezen ging de bloedige strijd om de wereldheerschappij. In deze zin ging hij Ruslands krachten te boven. Ruslands zogenaamde oorlogsdoeleinden (de Turkse zeestraten, Galicië aan de Karpaten, Armenië) hadden een lokaal karakter en konden slechts gedeeltelijk bereikt worden voor zover zij met de belangen van de voornaamste deelnemers aan de oorlog verenigbaar waren.

Tegelijkertijd kon Rusland zich echter als grote mogendheid niet afzijdig houden van de roofpartij door de hoger ontwikkelde kapitalistische landen, zoals het zich in de voorafgegane periode ook niet had kunnen afsluiten voor de invoering van fabrieken, spoorwegen, snelvuurkanonnen en vliegtuigen. Onder de Russische historici van de modernste school is er een veel voolkomende strijd rond de vraag in hoeverre tsaristisch Rusland politiek rijp was voor de moderne imperialistische politiek. Deze strijd vervalt in scholastiek, want de historici beschouwen Rusland los van het wereldtoneel, als een volkomen zelfstandige factor. Nochtans was het slechts deel van een groot geheel.

Zowel naar wezen als naar vorm nam Indië als kolonie van Engeland aan de oorlog deel. De inmenging van China, formeel “vrijwillig”, was in werkelijkheid de inmenging van een slaaf in een twist van de heren. De deelname van Rusland hield ongeveer het midden tussen die van Frankrijk en die van China. Rusland kocht daarmee het recht om samen met ontwikkelde landen een bondgenootschap te vormen, kapitaal te importeren en procenten daarvoor te betalen, d.w.z. in wezen het recht een bevoorrechte kolonie van zijn bondgenoten te zijn; maar tegelijkertijd ook het recht om Turkije, Perzië, Galicië en in het algemeen alle landen die zwakker en achtergeblevener waren, te knevelen en te plunderen. Het tweeslachtige imperialisme van de Russische burgerij had in wezen het karakter van een agentschap van andere, geweldiger wereldmachten.

De Chinese compradors zijn het klassieke voorbeeld van een nationale burgerij, gevormd naar het type van een bemiddelingsagentuur tussen het buitenlands geldkapitaal en de binnenlandse volkshuishouding. In de wereldhiërarchie van de staten nam Rusland tot aan de oorlog een aanzienlijk hogere plaats in dan China. Een andere vraag is welke plaats het zonder de revolutie na de oorlog ingenomen zou hebben. Niettemin vertoonden het Russisch absolutisme aan de ene kant en de Russische burgerij aan de andere kant de meest krasse trekken van het compradorswezen: zij leefden van en voedden zich met de verbinding met het buitenlands imperialisme, dienden dit en konden zich zonder hierop te steunen niet op de been houden. Wel hebben zij zich tenslotte ook met zijn ondersteuning niet weten te handhaven. De halfcompradorenachtige Russische burgerij had imperialistische belangen in dezelfde zin als iemand die op procent werkt de belangen van zijn werkgever deelt.

Het werktuig van de oorlog is het leger. Aangezien ieder leger in de nationale mythologie als onoverwinnelijk geldt, zagen de heersende klassen van Rusland niet in waarom zij voor het tsaristische leger een uitzondering zouden maken. In werkelijkheid vormde zij slechts een werkelijke macht voor zover zij ingezet werd tegen de halfbarbaarse volkeren, de kleine buren en staten die in ontbinding verkeerden. In de Europese arena trad zij slechts in coalities op. Bij de verdediging vervulde zij haar taak slechts in samenhang met de onmetelijke uitgestrektheid, de bevolkingsschaarste en de onbegaanbaarheid van de wegen. Een virtuoos in het leger van lijfeigenen-moezjieks was Soevorov. De Franse Revolutie, die voor een nieuwe maatschappij en een nieuwe krijgskunst de poorten opende, velde tegelijkertijd het doodvonnis over het leger van Soevorov.

De gedeeltelijke afschaffing van het lijfeigenschap en de invoering van de algemene dienstplicht moderniseerden het leger in dezelfde mate als het land, d.w.z. zij brachten in het leger alle tegenstellingen van de natie die nog haar burgerlijke revolutie moest doormaken. Het tsaristische leger werd dan wel naar westers voorbeeld opgebouwd en uitgerust, maar dit betrof meer de vorm dan het wezen. Het cultuurniveau van de boer-soldaat was niet in overeenstemming met de stand van de oorlogstechniek.

In de legerleiding kwamen de onbeschaafdheid, de luiheid en de diefachtigheid van de heersende klassen van Rusland tot uitdrukking. Industrie- en transportwezen legden voortdurend hun gebrekkigheid aan de dag tegenover de geconcentreerde behoeften van de oorlogstijd. De troepen, die bij het uitbreken van de oorlog afdoende uitgerust leken te zijn, bleken spoedig niet alleen zonder wapens, maar ook zonder schoenen te vallen. In de Russisch-Japanse oorlog had het tsaristisch leger getoond wat het waard was. In de tijd van de contrarevolutie had de monarchie met behulp van de Doema de legerkampen aangevuld en het leger, en ook de reputatie van zijn onoverwinnelijkheid, min of meer opgelapt. In het jaar 1914 kwam er een nieuwe, veel ernstigere vuurproef.

Wat betreft haar uitrusting en financiën toont Rusland zich in de oorlog evenzeer afhankelijk van haar bondgenoten. Dit is slechts de militaire uitdrukking van haar algemene afhankelijkheid van de ontwikkelde kapitalistische landen. De hulp van de bondgenoten volstaat echter niet om de situatie te redden. Het gebrek aan oorlogsvoorraden, het tekort aan fabrieken voor de productie ervan, het dunne spoorwegnet voor hun aanvoer, … drukken de achtergeblevenheid van Rusland uit in de voor iedereen duidelijke taal van de nederlagen, die er de Russische nationaal-liberalen aan herinneren dat hun voorvaderen de burgerlijke revolutie niet volbracht hadden en de nakomelingen daarom bij de geschiedenis in de schuld staan.

De eerste dagen van de oorlog waren ook de eerste dagen van smaad. Na een reeks gedeeltelijke catastrofen begon in de lente van 1915 de algemene terugtocht. De generaals koelden hun misdadige onbekwaamheid op de vreedzame bevolking. Uitgestrekte vlakten werden gewelddadig verwoest. De mensenmassa werd met zweepslagen het achterland in gedreven. De verwoesting buiten het land werd door die in het land voltooid.

Op bezorgde vragen van zijn collega’s over de toestand aan het front antwoordde de minister van oorlog, generaal Polivanov, woordelijk: “Ik vertrouw op de onbegaanbare vlakten, op de bodemloze moerassen en op de genade van de heilige Nicolaas Mirlikijski, de beschermheilige van het heilige Rusland” (zitting van 4 augustus 1915). Een week later bekende generaal Roesski aan dezelfde ministers: “De eisen van de moderne oorlogstechniek gaan onze krachten te boven. In elk geval kunnen wij tegen Duitsland niet op.” Dit was geen stemming van het ogenblik. De officier Stankevitsj geeft de woorden van een legeringenieur aldus weer: “Met de Duitsers oorlog voeren, is hopeloos. Want wij zijn niet in staat ook maar iets te doen. Zelfs de nieuwe oorlogsmethoden leiden voor ons tot debacles.” Van zulke oordeelvellingen waren er talloze.

Het enige wat de Russische generaals energiek deden, was mensenvlees halen uit het land. Met rund- en varkensvlees ging men veel spaarzamer om. De grijze nullen uit de generale staf, Janoesjkevitsj onder Nicolai Nicolajevitsj, evenals Alexejev onder de tsaar, stopten de gaten met nieuwe lichtingen en troostten zichzelf en de geallieerden met cijfercolonnes, terwijl men strijderscolonnes nodig had. Ongeveer 15 miljoen mensen werden gemobiliseerd. Zij vulden de depots, kazernes en etappen, waar ze rondhingen, rondliepen, elkaar op de tenen trapten, elkaar verbitterden, vloekten. Terwijl deze mensenmassa’s voor het front een fictieve grootheid vormden, waren zij een belangrijke factor voor het verval in het achterland. Ongeveer 5,5 miljoen mensen werden als dood, verwond en gevangen geregistreerd. Het aantal deserteurs steeg. Reeds in juli 1915 jammerden de ministers: “Arm Rusland. Zelfs haar leger, dat in vroegere tijden de wereld met overwinningsgedruis vervuld had… zelfs dit bestaat, zoals nu aan het licht komt, slechts uit lafaards en deserteurs.”

Dezelfde ministers die met galgenhumor over de “terugtochtsmoed” van de generaals schertsten, spendeerden uren aan het probleem of men de relikwieën uit Kiev moest wegbrengen of niet? De tsaar was van mening dat dit niet nodig was, want “de Duitsers zouden het niet wagen ze aan te roeren en als zij ze wel aanroerden, des te erger voor de Duitsers.” De Synode echter begon ze reeds weg te voeren: “Wanneer wij de stad verlaten, nemen wij dat wat ons het meest dierbaar is mee.” Dit gebeurde niet ten tijde van de kruistochten, maar in de twintigste eeuw, terwijl het nieuws over de Russische nederlagen radiografisch doorgeseind werd.

Ruslands successen tegenover Oostenrijk-Hongarije vonden meer hun oorzaak in Oostenrijk-Hongarije dan in Rusland. De uiteenvallende Habsburgse monarchie zocht reeds lang een doodgraver, zonder daarbij hoge eisen aan diens bekwaamheid te stellen. Rusland had ook in het verleden succes gehad tegen in ontbinding verkerende staten zoals Turkije, Polen en Perzië. Het Zuid-Westelijk front van het Russische leger, dat tegen Oostenrijk-Hongarije gekeerd was, kende belangrijke overwinningen en hierin verschilde het van de andere fronten. Hier onderscheidden zich enige generaals die weliswaar niets door hun militaire bekwaamheid bewezen hadden, maar die althans niet door het fatalisme van voortdurend verslagen aanvoerders gekenmerkt werden. Uit dit milieu kwamen later enkele witte “helden” van de burgeroorlog voort.

Allen zochten iemand als zondebok. Men beschuldigde botweg de joden van spionage. Men plunderde mensen met Duitse namen. De generale staf van grootvorst Nicolai Nicolajevitsj liet de gendarmerie-overste Mjassojedov als Duits spion doodschieten, hoewel hij dit naar alle waarschijnlijkheid niet was. Men arresteerde de minister van oorlog Soechomlinov, een slonzig en lui persoon, onder de beschuldiging van verraad die wellicht niet gegrond was. De Engelse minister van buitenlandse zaken Grey zei tot de voorzitter van de Russische parlementaire delegatie: “Uw regering is wel zeer stoutmoedig dat zij in oorlogstijd de minister van oorlog van verraad durft te beschuldigen.” De generale staven en de Doema verweten het hof pro-Duitse gezindheid. Zonder uitzondering benijdden en haatten zij allen de geallieerden. Het Franse opperbevel spaarde zijn legers terwijl het Russische soldaten vooruitschoof. Engeland kwam slechts langzaam in beweging. In de salons van Petrograd en in de generale staven aan het front schertste men: “Engeland heeft gezworen standvastig vol te houden tot de laatste druppel bloed van de Russische soldaten.” Deze grapjes sijpelden naar beneden en drongen tot aan het front door. “Alles voor de oorlog!” zeiden ministers, afgevaardigden, generaals, journalisten. “Ja,” begon de soldaat in de loopgraven te piekeren, “allemaal zijn ze bereid te vechten tot de laatste druppel van mijn bloed.”

Het Russische leger verloor in de oorlog meer doden dan gelijk welk ander leger dat aan de slachtingen deelnam, namelijk 2,5 miljoen zielen of ongeveer 40% van de verliezen van alle Ententelegers. In de eerste maanden stierven de soldaten onder het geschutvuur zonder na te denken, althans zonder veel na te denken. Niettemin deden zij dagelijks meer ervaring op, de bittere ervaring van de “minderen” die men niet in staat is te leiden. Zij maten de wirwar van doelloze verplaatsingen van de zijde van hun generaals af aan de afgesleten zolen en het aantal verzuimde middagmalen. Uit de bloedige brei van mensen en dingen ontstond de veralgemenende term: waanzin. In de soldatentaal werd dit door een sappiger woord vervangen.

Het snelst kwam de uit boeren bestaande infanterie tot ontbinding. De artillerie, met haar hoog percentage industriearbeiders, onderscheidde zich in het algemeen door een grotere toegankelijkheid voor revolutionaire ideeën. Dat was al in het jaar 1905 duidelijk gebleken. Wanneer de artillerie zich in het jaar 1917 daarentegen conservatiever toonde dan de infanterie, kwam dit omdat de infanterietroepen steeds opnieuw moesten vervangen worden door minder bewerkte mensenmassa’s terwijl de verliezen bij de artillerie beperkter waren en het oude kader daar meer overeind bleef. Hetzelfde was het geval bij andere speciale troepen. Maar tenslotte hield ook de artillerie geen stand.

Tijdens de terugtocht uit Galicië werd een geheim order van de opperbevelhebber uitgevaardigd: voor desertie en andere misdrijven moesten de soldaten met roeden getuchtigd worden. Soldaat Pirejko vertelt: “Men begon de soldaten voor de geringste vergrijpen te tuchtigen, zoals bijvoorbeeld wegens het zich eigenmachtig voor enige uren verwijderen van de troep; soms sloeg men alleen maar met het doel de strijdlust aan te wakkeren.” Reeds op 17 september 1915 schreef Koeropatkin, zich beroepend op Goetsjkov: “De soldaten gingen met geestdrift in de oorlog. Nu zijn zij moe en hebben ze door de onafgebroken terugtocht het geloof in de overwinning verloren.” Ongeveer tezelfdertijd karakteriseerde de minister van binnenlandse zaken de 30.000 genezende soldaten die zich te Moskou in de lazaretten bevonden: “Dit is een woeste bende die geen discipline aanvaardt, schandaal maakt, met de oppassers vecht (kort tevoren was een van hen door de soldaten doodgeslagen), arrestanten bevrijdt enz. Het is aan geen twijfel onderhevig dat deze horde zich in geval van onlusten bij de menigte zal aansluiten.” Dezelfde soldaat Pirejko schrijft: “Allen stelden zonder uitzondering alleen maar belang in de vrede… Wie zou overwinnen en hoe de overwinning er zou uitzien, dit interesseerde het leger niet in het minst: het had behoefte aan vrede tot elke prijs, want het was oorlogsmoe.”

Een vrouw met opmerkingsgave, S. Fedortsjenko, heeft als ziekenverpleegster de gesprekken, ja bijna zelfs de gedachten van de soldaten beluisterd en op losse blaadjes opgetekend. Het op deze wijze ontstane boekje “Volk in de oorlog” maakt het mogelijk een blik te werpen in dat laboratorium waar bommen, prikkeldraad, gifgas en laagheid van de overheid gedurende vele maanden het bewustzijn van enige miljoenen Russische boeren bewerkten en waar naast menselijke beenderen eeuwenoude vooroordelen kraakten. In vele van deze oorspronkelijke soldaten-aforismen zijn reeds parolen van de latere burgeroorlog te vinden.

Generaal Roesski klaagde in december 1916 dat Riga het ongeluk van het Noordelijk front was. Dat was net als Dvinsk een “door propaganda verpest nest.” Generaal Broessilov bevestigde dit: “Uit het district Riga kwamen de troepenafdelingen gedemoraliseerd aan, de soldaten weigerden tot de aanval over te gaan, een compagniescommandant had men aan de bajonet geregen, men had enige mannen moeten fusilleren enz.” “De basis voor de definitieve ontbinding van het leger was reeds lang voor de omwenteling voorbereid,” erkende Rodsjanko die met officieren in verbinding stond en meermaals het front bezocht.

De aanvankelijk verbrokkelde revolutionaire elementen waren bijna spoorloos in het leger ondergegaan. Met het toenemen van de algemene ontevredenheid kwamen zij aan de oppervlakte. Het bij wijze van straf verbannen van stakende arbeiders naar het front vulde de rijen van de agitators aan en deze vonden een gretig gehoor bij de terugtrekkende soldaten. “Het leger in het achterland en vooral aan het front,” meldt de Ochrana, “zit vol elementen die voor een deel een actieve kracht in een eventuele opstand kunnen worden, terwijl de anderen slechts in staat zullen zijn het onderdrukkingswerk te weigeren.” De gendarmerieleiding van het district Petrograd meldde in oktober 1916 dat de stemming in het leger zorgwekkend en de verhouding tussen officieren en soldaten uiterst gespannen was, dat er zelfs bloedige botsingen voorkwamen en dat men overal duizenden deserteurs ontmoette. “Iedereen die met het leger in aanraking komt, moet een volledige en overtuigende indruk van de volslagen demoralisatie van de troepen krijgen.” Uit voorzichtigheid wordt eraan toegevoegd dat veel van deze berichten niet waarschijnlijk lijken, maar toch voor waarheid moeten aangenomen worden aangezien veel dokters die van het actieve leger terugkomen gelijkaardige verslagen brengen.

De stemming in het achterland kwam overeen met de stemming aan het front. Op een bijeenkomst van de kadettenpartij in oktober 1916 bracht het merendeel van de afgevaardigden de apathie van het leger en het wantrouwen aan een succesvolle afloop van de oorlog naar voren – in alle lagen van de bevolking, vooral echter in de dorpen en onder de armen in de steden. De directeur van het departement van politie schreef op 30 oktober 1916 in zijn rapport over de “overal en in alle bevolkingslagen waar te nemen oorlogsmoeheid en het verlangen naar een spoedige vrede, onder welke voorwaarden deze ook gesloten mocht worden…” Enkele maanden later zullen al deze heerschappen, afgevaardigden en politiebeambten, generaals en Zemstvo-gevolmachtigden, artsen en vroegere gendarmes eenstemmig beweren dat de revolutie het patriottisme in het leger gedood heeft en dat de bolsjewieken hen de stellige overwinning uit handen geslagen hebben.

Als koorleiders van het oorlogszuchtig patriottisme traden de constitutionele democraten (kadetten) op. Nadat het liberalisme zijn problematische band met de revolutie reeds eind 1905 verbroken had, hief het bij het aanvangen van de contrarevolutie het vaandel van het imperialisme omhoog. Het een volgde uit het ander. Ontbreekt de mogelijkheid het land van feodale rommel te zuiveren, om aan de burgerij de heersende plaats te verzekeren, dan blijft slechts een bondgenootschap met de monarchie en de adel over om aan het kapitaal een betere plaats op het wereldtoneel te verzekeren. Indien het waar is dat de wereldcatastrofe van verschillende kanten voorbereid en voor de verantwoordelijke organisatoren ervan tot op zekere hoogte als een verrassing gekomen was, dan lijdt het eveneens geen twijfel dat het Russische liberalisme als inspirator van de buitenlandse politiek van de monarchie niet de laatste plaats bij haar voorbereiding ingenomen heeft. De leiders van de Russische burgerij begroetten de oorlog van 1914 met het volste recht als hun oorlog. In de feestelijke zitting van de Rijksdoema van 26 juli 1914 verkondigde de vertegenwoordiger van de kadettenfractie: “Wij stellen geen voorwaarden en eisen, wij leggen eenvoudig de vaste wil om de tegenstander te overwinnen op de weegschaal.” De nationale gedachte werd ook in Rusland tot officiële leer verheven. Tijdens de vaderlandslievende demonstraties in Moskou verklaarde de opperceremoniemeester, graaf Denkendorf, aan de diplomaten: “Hier is de revolutie die men ons in Berlijn voorspeld heeft!” “Deze gedachte is het,” verklaart de Franse gezant Paleologue, “die blijkbaar iedereen bezighoudt.” Deze mensen beschouwden het als hun plicht illusies te wekken en te verspreiden in een situatie die schijnbaar elke illusie volkomen uitsloot.

Men behoefde niet lang op ontnuchterende lessen te wachten. Reeds direct na het begin van de oorlog riep één van de meest uitbundige kadetten, de advocaat en grootgrondbezitter Roditsjev, in de zitting van het hoofdbestuur van zijn partij uit: “Geloof je dan echt dat men met deze domkoppen overwinnen kan!” De gebeurtenissen lieten zien dat men met domkoppen inderdaad niet overwinnen kon. Nadat ze het geloof in de overwinning reeds grotendeels verloren had, probeerde het liberalisme het voortduren van de oorlog tot een zuivering van de hofkliek te benutten en de monarchie tot een compromis te dwingen. Als voornaamste middel tot dit doel dienden de tegen de hofpartij gerichte beschuldigingen van een pro-Duitse gezindheid en een voorbereiding van een afzonderlijke vrede. In de lente van 1915, toen de troepen zonder wapens over het gehele front terugtrokken, werd in de regeringskringen, niet zonder druk van de kant van de Geallieerden, besloten de ondernemingslust van de particuliere industrie aan het werk te zetten voor het leger. De voor dit doel in het leven geroepen “Bijzondere Commissie” omvatte naast de ambtenarij de meest invloedrijke leiders van de industrie. De bij het uitbreken van de oorlog ontstane Zemstvo-verbanden en stedelijke verbanden en de in de lente van 1915 gestichte oorlogsindustriecomité’s werden steunpunten van de burgerij in de strijd om de overwinning en de macht. De Rijksdoema moest, steunend op deze organisaties, des te zekerder als schakel tussen burgerij en monarchie optreden.

De wijde politieke toekomstperspectieven leidden echter niet de blik af van de gewichtige taken van het ogenblik. De “Bijzondere Commissie” zorgde voor tientallen en honderden miljoenen, later zelfs miljarden, die rijkelijk doorvloeiden naar de industrie en onderweg nog menige eetlust stilden. In de Rijksdoema en in de pers werden enkele oorlogswinsten voor het jaar 1915 tot 1916 meegedeeld: de maatschappij van de Moskouse liberale textielfabrikant Rjaboesjinski was goed voor 75% netto winst; de Tver manufactuur zelfs 111%, het koperwalswerk Koljtsjoegin wierp bij een maatschappelijk kapitaal van 10 miljoen 12 miljoen winst af. De deugd van het patriottisme werd in deze sector rijkelijk en bovendien onverwijld beloond.

Speculaties van verschillende aard en het gokken op de beurzen groeiden tot in het waanzinnige aan. Reusachtige vermogens ontstonden uit het bloedbad. Het gebrek aan brood en brandstof in de hoofdstad beletten de hofjuwelier Faberget niet te snoeven dat hij nog nooit zulke goede zaken gedaan had. De hofdame Vyroebova vertelde dat in geen enkel seizoen zulke dure kleren besteld en zoveel briljanten gekocht werden als in de winter van 1915 op 1916. De nachtkroegen waren boordevol met helden van het achterland, legale deserteurs en andere dergelijke achtenswaardige lieden, te oud voor het front, maar nog jong genoeg voor de vreugden van het leven. De grootvorsten waren nooit de laatsten onder de deelnemers aan het feestgelag gedurende periodes van pest. Niemand was bang teveel uit te geven. Een gouden regen stroomde onafgebroken neer. De society hield handen en zakken op, de aristocratische dames namen de rokken op, allen waadden door het bloedbad, bankiers, intendanten, industriëlen, tsaren- en grootvorstenballerina’s, orthodoxe hiërarchen, hofdames, liberale afgevaardigden, front- en etappengeneraals, radicale advocaten, doorluchtige femelaars van beiderlei kunne, talrijke neven en vooral nichten, allen haastten zich zoveel mogelijk bijeen te stelen en te verbrassen, uit angst dat de milde regen zou kunnen ophouden, en allen wezen de smadelijke gedachte aan een voortijdige vrede verontwaardigd van de hand.

Gemeenschappelijke winsten, nederlagen naar buiten en gevaren in het binnenland brachten de bezittende klassen nader tot elkaar. De Doema die aan de vooravond van de oorlog nog veel onenigheid kende, verwierf in 1915 een patriottische oppositionele meerderheid die de naam ‘vooruitstrevend blok’ aannam. Natuurlijk werd de “bevrediging van de door de oorlog geschapen behoeften” officieel als doel geproclameerd. Van links traden de sociaaldemocraten en de trudoviken (boerenafgevaardigden) niet tot het blok toe, van rechts de openlijke Zwarte Honderdgroepen. Alle overige fracties van de Doema: kadetten, progressisten, drie groepen oktobristen, centrum en een deel van de nationalisten behoorden tot het blok of steunden dit, benevens de nationale groepen, zoals de Polen, Litauers, muzelmannen, Joden, enz. Om de tsaar niet door de formule van de ministeriële verantwoordelijkheid af te schrikken, eiste het blok “een coalitieregering bestaande uit personen die het vertrouwen van het land genieten.” De minister van binnenlandse zaken, vorst Sjtsjerbatov, karakteriseerde het vooruitstrevend blok in die tijd reeds als een tijdelijke “vereniging in het leven geroepen door de gevaren van de sociale revolutie.” Er was overigens niet veel scherpzinnigheid nodig om dit te begrijpen. Miljoekov, die aan het hoofd van de kadetten en daarmee ook van het oppositionele blok stond, zei op het congres van zijn partij: “Wij leven op een vulkaan. De spanning heeft haar hoogtepunt bereikt. Een onvoorzichtig weggeworpen lucifer is voldoende om een verschrikkelijke brand te doen oplaaien. Welke macht het ook zijn moge – goed of slecht – meer dan ooit is nu een sterke macht nodig.”

De hoop dat de tsaar onder de druk van de nederlagen tot toegevingen bereid zou zijn, was zo groot, dat de liberale pers in augustus een volledige lijst van het toekomstig “vertrouwenskabinet” publiceerde, met de voorzitter van de Doema, Rodsjanko, als eerste minister (volgens een andere lezing was de voorzitter van het Zemstvoverband, vorst Lvov, voor deze rol uitverkoren), Goetsjkov als minister van binnenlandse zaken, Miljoekov als minister van buitenlandse zaken, enz. Het merendeel van deze personen, die voor een bondgenootschap met de tsaar tegen de revolutie bestemd waren, werd anderhalf jaar later lid van de “revolutionaire” regering. Zulke grappen veroorloofde de geschiedenis zich meer dan eens. Ditmaal duurde de grap in ieder geval maar kort.

Het merendeel van de ministers van het kabinet Goremykin was door de loop van de gebeurtenissen niet minder verschrikt dan de kadetten tot een overeenkomst met het vooruitstrevend blok geneigd. “Een regering achter welke noch het vertrouwen van de drager van het hoogste gezag, noch van het leger, de steden, de Zemstvo’s, de adel, de kooplieden of de arbeiders staat, kan niet alleen niet arbeiden, maar ook niet bestaan. Dit is een evidente absurditeit.” Met deze woorden beoordeelde vorst Sjtsjerbatov in augustus 1915 die regering waarin hij zelf minister van binnenlandse zaken was. “Men moet alleen maar alles netjes voor elkaar brengen en een gaatje openlaten,” zei de minister van buitenlandse zaken Sasonov, “en de kadetten zullen de eersten zijn om op een overeenkomst in te gaan: Miljoekov is de grootste bourgeois die er bestaat en hij is nergens zo bang voor als voor de sociale revolutie. Zoals in het algemeen het merendeel van de kadetten siddert voor hun kapitaal.” Ook Miljoekov van zijn kant was van mening dat het vooruitstrevend blok “in menig opzicht zou moeten toegeven.” Beide partijen waren derhalve bereid te marchanderen en alles leek gesmeerd te lopen. Op 29 augustus reisde echter de premier Goremykin – een onder zijn jaren en waardigheden gebukt gaande bureaucraat, een oude cynicus, die aan politiek deed tussen twee grote patiences in en voor alle klachten de uitvlucht had dat de oorlog hem “niet aanging” – met een bericht voor de tsaar naar het hoofdkwartier en keerde met de tijding terug dat alles en eenieder op zijn plaats moest blijven, behalve de weerspannige Doema die op 3 september ontbonden moest worden. Het voorlezen van de proclamatie van de tsaar over de Doemaontbinding werd zonder een woord van protest aangehoord; de afgevaardigden brachten een “hoera” op de tsaar uit en gingen uiteen.

Hoe kon echter de tsarenregering die volgens haar eigen bekentenis nergens enig steunpunt had, zich daarna nog meer dan anderhalf jaar op de been houden? Tijdelijke successen van de Russische troepen droegen hier ongetwijfeld toe bij, evenals ook de milde gouden regen. De successen aan het front hielden echter spoedig op, maar de winsten in het achterland gingen door. De voornaamste oorzaak van de bevestiging van de monarchie twaalf maanden voor haar val lag echter in de scherpe differentiatie in de ontevredenheid van het volk. De chef van de Ochrana te Moskou maakte in juli melding van toenemende rechtse stemmingen bij de burgerij onder invloed van “de angst voor de mogelijkheid van revolutionaire excessen na de oorlog.” Een revolutie gedurende de oorlog achtte men, naar wij zien, nog altijd uitgesloten. De industriëlen waren bovendien bezorgd “over het aanpappen van enkele leiders van het oorlogsindustriecomité met het proletariaat.” De algemene conclusie van de gendarmerieoverste Martynov, aan wie de ambtshalve lezing van de marxistische literatuur niet spoorloos voorbijgegaan was, luidde dat de oorzaak van een zekere verbetering in de politieke toestand gezocht moest worden “in de meer en meer voortschrijdende differentiatie van de maatschappelijke klassen, die de in de tegenwoordige tijd buitengewoon sterk voelbare scherpe belangentegenstellingen laten zien.”

De Doemaontbinding in september 1915 was een regelrechte tarting van de burgerij, en niet van de arbeiders. Maar terwijl de liberalen onder een weliswaar niet erg geestdriftig “hoera”-geroep uit elkaar gingen, antwoordden de arbeiders van Petrograd en Moskou met proteststakingen. Dit deed de liberalen nog meer bekoelen. Zij waren het meest beducht voor de inmenging van de ongevraagde derde in hun familietwist met de monarchie. Wat bleef er echter nog te doen? Onder een zacht gemor van zijn linkervleugel maakte het liberalisme de keuze volgens het beproefd recept: uitsluitend op legale bodem blijven en door het vervullen van de patriottische taak de bureaucratie “om zo te zeggen overbodig” maken. De eis van een liberaal kabinet verdween in elk geval van tafel.

De toestand verslechterde intussen automatisch. In mei 1916 kwam de Doema weer bijeen, niemand wist echter waartoe. Het was allerminst haar bedoeling tot de revolutie op te roepen. Overigens had zij niets te zeggen. “In deze zitting,” herinnert zich later Rodsjanko, “vorderde het werk slechts traag, de afgevaardigden bezochten de zittingen onregelmatig. De eeuwige strijd scheen onvruchtbaar, de regering wilde van niets horen, de economische chaos nam toe en het land ging zijn ondergang tegemoet.” In de angst van de burgerij voor de revolutie en in de onmacht van de burgerij zonder revolutie vond de monarchie gedurende het jaar 1916 een zekere maatschappelijke steun.

In de herfst verscherpte de toestand nog meer. De hopeloosheid van de oorlog werd voor iedereen duidelijk, de ontevredenheid van de volksmassa’s dreigde elk ogenblik tot een uitbarsting te leiden. Terwijl zij voortgingen het hof wegens pro-Duitse gezindheid aan te vallen, oordeelden de liberalen het tegelijkertijd noodzakelijk de vredeskansen af te wegen, hun dag van morgen voor te bereiden. Zo alleen zijn de onderhandelingen van een leider van het vooruitstrevend blok, van de afgevaardigde Protopopow, met de Duitse diplomaat Warburg in de herfst van 1916 te Stockholm te verklaren. Een Doemadelegatie, die vriendschappelijke bezoeken aan de Fransen en Engelsen bracht, had er zich in Parijs en Londen gemakkelijk van kunnen overtuigen dat de geliefde bondgenoten de bedoeling hadden gedurende de oorlog alle levenssappen uit Rusland te persen, om na de overwinning het achtergebleven land tot voornaamste terrein van economische uitbuiting te maken. Het verslagen Rusland op sleeptouw van de overwinnende Entente zou een koloniaal Rusland betekend hebben. Er bleef de Russische bezittende klassen geen andere uitweg over dan te trachten zich uit de innige omhelzing van de Entente los te maken en, gebruik makend van het antagonisme van de twee machtige strijdende partijen, een eigen weg tot de vrede te vinden. De samenkomst van de voorzitter van de Doemadelegatie met de Duitse diplomaat als eerste stap op deze weg, betekende zowel een bedreiging aan het adres van de Geallieerden met het doel concessies te verkrijgen, als ook een afweging van de reële mogelijkheden van een toenadering tot Duitsland. Protopopov handelde met instemming van de tsaristische diplomatie – de samenkomst zelf vond plaats in tegenwoordigheid van de Russische gezant in Zweden – maar ook van de gehele delegatie van de Rijksdoema. Bovendien hadden de liberalen met deze polsing een niet minder belangrijk doel in het binnenland: Verlaat U op ons – gaven zij de tsaar te kennen – en wij zullen u een afzonderlijke vrede bezorgen, beter, en zekerder dan Sturmer. Volgens het plan van Protopopov, d.w.z. van zijn raadgevers, moest de Russische regering de Geallieerden “enkele maanden eerder” te kennen geven dat zij zich gedwongen zag de oorlog te beëindigen en dat Rusland, indien de Geallieerden zouden weigeren vredesonderhandelingen te openen, een afzonderlijke vrede met Duitsland moest sluiten. In zijn na de revolutie opgestelde biecht spreekt Protopopov als van iets volkomen natuurlijks: “Alle verstandige mensen in Rusland, waarschijnlijk alle leiders van de partij van de “volksvrijheid” (kadetten), waren ervan overtuigd dat Rusland niet in staat was de oorlog voort te zetten.”

De tsaar, aan wie Protopopov na zijn terugkeer rapport over de reis en de onderhandelingen uitbracht, stemde volkomen in met de gedachte van een afzonderlijke vrede. Hij zag alleen geen reden de liberalen in deze zaak te betrekken. Dat Protopopov zich intussen zelf bij de hofhouding aansloot en met het vooruitstrevend blok brak, is uit het persoonlijk karakter van deze dandy te verklaren, die naar eigen zeggen op de tsaar, de tsarina en tegelijk op de onverwacht gekomen ministerportefeuille van binnenlandse zaken verliefd geworden was. De episode van Protopopov’s verraad aan het liberalisme verandert echter in het geheel niets aan de betekenis van de liberale buitenlandse politiek als een mengeling van hebzucht, lafheid en woordbreuk.

Op 1 november kwam de Doema weer bijeen. De spanning in het land was ondragelijk geworden. Men verwachtte beslissende stappen van de Doema. Men moest iets doen of althans iets zeggen. Het vooruitstrevende blok zag zich weer eens genoodzaakt om zijn toevlucht te nemen tot parlementaire onthullingen. Terwijl hij de voornaamste stappen van de kant van de regering vanaf het spreekgestoelte opsomde, vroeg Miljoekov keer op keer: “Is dit domheid of verraad?” Ook de overige afgevaardigden sloegen een hoge toon aan. De regering vond bijna geen verdedigers. Zij antwoordde op haar manier: het werd verboden de Doemaredevoeringen te drukken. Daardoor vonden zij aftrek in miljoenen exemplaren. Er was geen enkel regeringsbureau, noch in het achterland, noch aan het front, waarin men de verboden redevoeringen niet overschreef, dikwijls voorzien van op- en aanmerkingen overeenkomstig het temperament van degene die ze overschreef. De echo van de debatten van 1 november was zodanig dat degenen die de onthullingen gedaan hadden er zelf van rilden.

Een groep van uiterst rechtse bureaucraten in merg en been, overhandigde op instigatie van Doernowo, de bedwinger van de revolutie van 1905, op dit ogenblik aan de tsaar een memorandum dat een programma behelsde. De zeer ervaren waardigheidsbekleders, die een serieuze politieschool doorlopen hadden, zagen ver genoeg en zagen lang niet slecht, en als hun recepten ondeugdelijk waren, dan kwam dit slechts doordat er tegen de ziekten van het oude regime geen enkel geneesmiddel bestond. De opstellers van het memorandum keerden zich tegen iedere concessie aan de burgerlijke oppositie, niet omdat de liberalen wellicht zover zouden kunnen gaan als de vulgaire zwarte-honderden meenden, op wie deze reactionairen vanuit de hoogte neerzagen – neen, het ongeluk was, dat de liberalen “zo zwak, zo onenig en, het moet ronduit gezegd worden, zo onbekwaam zijn dat hun overwinning van even korte duur als onzeker zou zijn.” De zwakte van de voornaamste oppositiepartij, van de “constitutioneel-democratische” (kadetten), blijkt reeds uit haar naam: zij noemt zich democratisch ofschoon zij in wezen burgerlijk is. Terwijl zij in hoge mate de partij van de liberale grootgrondbezitters is, heeft zij in haar programma de gedwongen onteigening van de grond opgenomen. “Zonder deze troeven uit een vreemd kaartspel,” schreven de geheimraden, terwijl zij de beeldspraak die zij gewoon waren gebruikten, “zijn de kadetten niets anders dan een groot gezelschap van diverse liberale advocaten, professoren en beambten – meer niet.” Een revolutionair is, zeggen zij, iets anders. De betekenis van de revolutionaire partijen wordt in het memorandum tandenknarsend erkend: “Het gevaar en de macht van deze partijen bestaat hierin dat zij een idee, geld(!) en een massa die tot daden bereid en goed georganiseerd is, hebben.” De revolutionaire partijen “kunnen op de sympathie van het merendeel van de boeren rekenen, die direct hand in hand met het proletariaat zullen gaan zodra de revolutionaire leiders hen grond en bodem zullen voorhouden.” Wat zou onder deze omstandigheden de vorming van een verantwoordelijk ministerie tengevolge hebben? “De gehele en volkomen verplettering van de rechtse partijen, de geleidelijke opslorping van de middenpartijen – het centrum, de liberale conservatieven, oktobristen en progressisten – door de kadettenpartij, die in het begin een beslissende betekenis zou krijgen. De kadetten zou echter hetzelfde lot dreigen. En daarna? Daarna zou de revolutionaire massa op het toneel komen, de commune volgen, de ondergang van de dynastie, pogroms op de bezittende klassen en tenslotte – de rovermoezjiek.” Het valt niet te ontkennen dat de reactionair-politionele woede zich hier tot een merkwaardig historisch perspectief weet op te werken.

Het positieve programma van het memorandum is niet nieuw, maar consequent: een regering uit volkomen betrouwbare aanhangers van de alleenheerschappij; afschaffing van de Doema; staat van beleg in beide hoofdsteden; uitrusting van de krachten tot onderdrukking van de opstand. In wezen vormde dit programma dan ook de grondslag van de regeringspolitiek van de laatste maanden voor de revolutie. Wilde het succes hebben, dan was er echter een macht nodig zoals Doernovo in de winter van 1905 had, maar die in de herfst van 1917 niet meer bestond. De monarchie probeerde daarom het land heimelijk en broksgewijze te verstikken. De regering werd alleen met “eigen” mensen vernieuwd, met figuren die de tsaar en de tsarina onvoorwaardelijk trouw waren. Deze “eigen” mensen, en vooral de overloper Protopopov, waren echter onbelangrijke en onbeduidende personen. De Doema werd niet afgeschaft, maar wederom ontbonden; de afkondiging van de staat van beleg in Petrograd uitgesteld tot op het ogenblik waarop de revolutie reeds gezegevierd had. En de voor de onderdrukking van de opstand gereed gehouden militairen werden zelf door de opstand meegesleept. Dit alles bleek reeds na twee, drie maanden.

Het liberalisme spande intussen zijn laatste krachten in om de toestand te redden. Alle organisaties van de grootburgerij ondersteunden de redevoeringen van de Doemaoppositie in november met een reeks nadere verklaringen. Het meest uitdagend was de resolutie van de stedenbond van 9 december: “Onverantwoordelijke misdadigers en waanzinnige fanatici bereiden Ruslands nederlaag, schande en knechtschap voor.” Van de Rijksdoema wordt geëist “niet uiteen te gaan totdat een verantwoordelijke regering gevormd is.” Zelfs de Raad van State, het orgaan van de bureaucratie en van het grootkapitaal, sprak zich ervoor uit personen in de regering op te nemen die het vertrouwen van het land bezaten. Een dergelijk verzoek deed het congres van de verenigde adel; de bemoste stenen begonnen te spreken. Er veranderde echter niets. De monarchie gaf de rest van de macht niet uit handen.

De laatste zitting van de laatste Doema werd, na veel aarzelingen en talmen, op 14 februari 1917 vastgesteld. Nog geen twee weken later brak de revolutie uit. Men verwachtte demonstraties. In de “Rjetsj”, het orgaan van de kadetten, werd naast de bekendmaking van de chef van het militaire district Petrograd, generaal Chabalov, betreffende het demonstratieverbod, een brief van Miljoekov afgedrukt die de arbeiders waarschuwde voor “slechte en gevaarlijke raadgevingen,” die uit “obscure bronnen” stamden. Ondanks de stakingen verliep de opening van de Doema betrekkelijk rustig. Terwijl zij de schijn aannam dat de regeringskwestie niet meer belangrijk was, hield de Doema zich bezig met een acuut maar zuiver praktisch vraagstuk: de voedselvoorziening. “De stemming was mat,” herinnerde Rodsjanko zich later, “men besefte de onmacht van de Doema en voelde zich uitgeput van de vergeefse strijd. Miljoekov herhaalde meermaals dat het vooruitstrevend blok met woorden en alleen met woorden zou optreden.” Zo ging de Doema de maalstroom van de Februarirevolutie in.

De eigenaardigheden van de ontwikkeling van Rusland

De fundamentele, meest bestendige, karaktertrek van de geschiedenis van Rusland is zijn vertraagde ontwikkeling met de daaruit voortspruitende economische achtergeblevenheid, primitieve maatschappijvormen en laag cultuurniveau.

De bevolking van de reusachtige, barre, voor de oostelijke wind en Aziatische indringers openliggende vlakte was van nature tot een sterk achterblijven gedoemd. De strijd met de nomaden duurde bijna tot het einde van de 17de eeuw. De strijd met de winden, die in de winter ijzige koude en in de zomer droogte brengen, is ook nu nog niet beëindigd. De landbouw – de basis van de totale ontwikkeling – ontplooide zich op extensieve wijze. In het noorden werden de wouden omgekapt en neergebrand, in het zuiden werden de steppen opengelegd. Het in bezit nemen van de natuur voltrok zich in de breedte, niet in de diepte.

Terwijl de westelijke barbaren zich op de ruïnes van de Romeinse cultuur vestigden, waarbij ze vele oude stenen als bouwmateriaal konden gebruiken, vonden de slaven van het oosten in de troosteloze vlakte gee enkele erfenis, hun voorhangers stonden op een nog lager niveau dan zijzelf. De West-Europese volkeren die spoedig op hun natuurlijke grenzen moesten stuiten, schiepen economische en culturele centra: de handeldrijvende steden. De bevolking van de oostvlakte trok zich bij de eerste symptomen van begrensdheid in de wouden terug of trok weg naar de periferie, de steppen in. De initiatief- en ondernemingslust bezittende elementen onder de boeren werden in het westen stedelingen, handwerkers, kooplieden. De actieve en stoutmoedige elementen van het oosten werden enerzijds handelaren, maar anderzijds grotendeels Kozakken, grensbewoners, kolonisatoren. Het in het westen intensieve proces van sociale differentiatie werd in het oosten opgehouden en door het expansieproces vertroebeld. “De tsaar van de Moskovieten is dan wel christelijk, maar heerst over de mensen met een trage geest,” schreef Vico, een tijdgenoot van Peter I. De “trage geest” van de Moskovieten was een weerspiegeling van het langzame tempo van de economische ontwikkeling, van de primitieve vorm van de klassenverhoudingen, van de armoedige binnenlandse geschiedenis.

De oude beschavingen van Egypte, Indië en China hadden een voldoende zelfstandig karakter en deze volkeren beschikten over genoeg tijd om ondanks de laagstaande productiekrachten hun sociale verhoudingen tot een vrijwel gelijke, tot in details tredende volkomenheid te brengen, als waartoe de handwerkslieden van deze landen hun producten brachten. Rusland lag niet alleen geografisch tussen Europa en Azië, maar ook sociaal en historisch. Het onderscheidde zich van het Europese Westen, maar ook van het Aziatische Oosten en naderde in verschillende perioden in diverse opzichten nu eens tot het een, dan weer tot het ander. Het Oosten bracht het Tataarse juk, dat als een belangrijk element in de opbouw van de Russische staat overging. Het Westen was een nog gevaarlijker vijand, tegelijkertijd was het echter een leermeester. Rusland had geen mogelijkheid zich in de vormen van het Oosten verder te ontwikkelen, daar het gedwongen was zich steeds aan de militaire en economische druk van het Westen aan te passen.

Het bestaan van feodale betrekkingen, dat door de oude historici geloochend is, mag op grond van nieuwe onderzoekingen als absoluut zeker worden aangenomen. Nog sterker: de voornaamste elementen van het Russische feodalisme waren dezelfde als die in het Westen. Alleen reeds het feit dat het feodale tijdperk pas na langdurige wetenschappelijke twisten vastgesteld kon worden, levert reeds het bewijs van de onrijpheid van het Russische feodalisme, van zijn gebrekkige vorm en de armzaligheid van zijn cultuurmonumenten.

Een achtergebleven land neemt de materiële en geestelijke veroveringen van meer ontwikkelde landen over. Dit wil echter niet zeggen dat het deze slaafs volgt en alle fasen van hun verleden weer doorloopt. De theorie van het terugkeren van historische cycli – Vico en diens latere aanhangers – steunt op de bestudering van de kringloop van oude, vóórkapitalistische beschavingen, en gedeeltelijk ook op de eerste ervaringen van de kapitalistische ontwikkeling. Een zeker wederkeren van cultuurstadia op altijd weer nieuwe plaatsen was inderdaad met het plaatselijke en episodische karakter van het totale proces verbonden. Het kapitalisme betekent echter de overwinning op deze voorwaarden. Het bereidde voor en verwerkelijkte in zekere zin ook de universaliteit en de permanentie van de ontwikkeling van de mensheid. Dit sluit alleen reeds de mogelijkheid van een weerkeren van de ontwikkelingsvormen van afzonderlijke naties uit. Het achtergebleven land wordt gedwongen de landen die verder ontwikkeld zijn na te streven, waardoor het zich niet aan dezelfde volgorde kan houden. Het voorrecht van de historische achtergeblevenheid – en zulk een voorrecht bestaat – veroorlooft, of beter gezegd, dwingt het reeds bereikte vóór de eigenlijk daartoe bestemde tijd over te nemen en een reeks tussenfasen over te springen. De wilden ruilden de boog direct voor het geweer, zonder eerst de weg af te leggen die in het verleden tussen deze wapens lag. De Europese kolonisten in Amerika begonnen de geschiedenis niet van voren af aan. De omstandigheid dat Duitsland of de Verenigde Staten Engeland economisch ingehaald hebben, was juist door de achtergeblevenheid van hun kapitalistische ontwikkeling bepaald. Omgekeerd is de conservatieve anarchie in de Engelse kolenindustrie, evenals in de hoofden van Macdonald en zijn vrienden, een kwijting voor het verleden waarin Engeland te lang de rol van kapitalistische hegemoon gespeeld heeft. De ontwikkeling van een historisch achtergebleven volk leidt noodzakelijk tot een eigenaardige ineenvloeiing van verschillende stadia van het historische proces. De kringloop krijgt in zijn totaliteit een niet planmatig, gecompliceerd, gecombineerd karakter.

De mogelijkheid om fasen over te springen, is natuurlijk niet absoluut. Haar grens wordt in laatste instantie door de economische en culturele receptiviteit van het land bepaald. Een achtergebleven natie drukt bovendien de sociale verworvenheden, die zij kant en klaar van buiten overneemt, door aanpassing aan haar eigen meer primitieve cultuur neer. Het assimilatieproces krijgt daarbij een tegenstrijdig karakter. Zo bracht de importering van de elementen van westerse techniek en beschaving, vóór alles op het gebied van leger en manufactuur onder Peter I, de verscherping van het lijfeigenschapsrecht als basis van de organisatie van de arbeid mee. Europese bewapening en Europese leningen – het een zowel als het ander ongetwijfeld producten van een hogere cultuur -leidden tot een bevestiging van het tsarisme, dat van zijn kant weer de ontwikkeling van het land remde.

De historische wetmatigheid heeft niets gemeen met een verwaand schematisme. De ongelijkmatigheid, de meest algemene wet van het historisch proces, komt op de meest krasse en meest gecompliceerde wijze aan het licht in het lot van achtergebleven landen. Onder de zweep van een noodzakelijkheid van buitenaf is de achtergeblevenheid gedwongen sprongen te maken. Uit de algemene wet van de ongelijkmatigheid vloeit een andere wet voort, welke men bij gebrek aan een meer passende benaming de wet van de gecombineerde ontwikkeling kan noemen, in de zin van het tot elkaar komen van verschillende fasen, het doordringen van afzonderlijke stadia, het amalgaam van archaïsche en moderne vormen. Zonder deze wet, vanzelfsprekend opgevat in zijn gehele materiële inhoud, vermag men de geschiedenis van Rusland, evenals in het algemeen die van alle landen van een tweede, derde, en tiende cultuurklasse, niet te begrijpen.

Onder de druk van het rijkere Europa verslond de staat in Rusland een naar verhouding veel groter deel van het volksvermogen dan de staten in het Westen en veroordeelde daarmee niet alleen de volksmassa’s tot ergere armoede, maar verzwakte ook de grondslagen van de bezittende klassen. Daar de staat tegelijk de hulp van deze laatste nodig had, forceerde en reglementeerde zij haar ontwikkeling. Dientengevolge konden de gebureaucratiseerde geprivilegieerde klassen zich nooit ten volle oprichten en des te meer naderde de staat in Rusland tot de Aziatische despotie.

De Byzantijnse alleenheerschappij, die de tsaren van Moskou zich officieel in het begin van de 16de eeuw toegeëigend hadden, temde met behulp van de adel het feodale Bojarendom [feodale aristocratie, noot van de vertalers] en onderwierp de adel. Tegelijkertijd maakte het de boeren tot slaaf van de adel en ontwikkelde het zich op deze grondslag tot het Petrogradse keizersabsolutisme. De trage gang van dit proces wordt voldoende getypeerd door het feit dat het lijfeigenschapsrecht, dat in de zestiende eeuw ontstaan was, in de zeventiende eeuw tot ontwikkeling kwam en in de achttiende zijn bloei bereikt had, pas in 1861 door de wetgever afgeschaft werd.

Na de adel heeft de geestelijkheid bij de vorming van de tsaristische alleenheerschappij geen geringe, maar een uitsluitend dienende rol gespeeld. De kerk klom in Rusland nooit tot die hoge regeringspost op als in het katholieke Westen. Zij nam genoegen met de positie van geestelijke knecht bij de alleenheerser en rekende zich dit als een verdienste van haar deemoed aan. Bisschoppen en metropolieten bezaten slechts macht als gevolmachtigden van het wereldlijk gezag. De patriarchen wisselden met de tsaren. In de Petrogradse periode werd de afhankelijkheid van de kerk ten opzichte van de staat nog slaafser. Tweehonderdduizend priesters en monniken vormden in wezen een deel van de bureaucratie, een soort geloofspolitie. Als tegenprestatie werden het monopolie van de orthodoxe geestelijkheid in geloofsaangelegenheden, haar landerijen en inkomsten door de algemene veiligheidspolitie van de staat beschermd.

Het slavofilendom, dit Messianisme van de achtergeblevenheid, fundeerde zijn filosofie daarop dat het Russische volk en diens kerk door en door democratisch is, terwijl het officiële Rusland een door Peter geïmporteerde Duitse bureaucratie was. Marx merkte hierover op: “Evenals de Teutoonse ezels het despotisme van Frederik II enz. op de Fransen afwentelden, alsof achterlijke knechten niet altijd beschaafde knechten nodig hadden om gedresseerd te worden.” Deze korte opmerking geeft een afdoende verklaring niet alleen van de oude filosofie van de slavofilen, maar ook van de nieuwste openbaringen van de ‘rasmaniakken’.

De karigheid van het Russische feodalisme, maar ook van de gehele oud-Russische geschiedenis, komt het allerdroevigst tot uiting in het gemis aan echt middeleeuwse steden als ambachts- en handelscentra. Het ambacht had in Rusland geen tijd gehad zich van de akkerbouw af te scheiden; het behield veel meer het karakter van huisarbeid. De oud-Russische steden waren centra van handel, bestuur, leger en adel, derhalve consumerend, niet producerend. Zelfs de aan de Hanze verwante stad Nowgorod, die het Tataarse juk niet gekend had, was slechts een handelsstad en geen nijverheidsstad. Weliswaar deed de verspreidheid van de boerenbedrijven in verschillende districten de behoefte aan een handelsbemiddeling op brede basis ontstaan. Doch de zwervende handelaars vermochten in het openbare leven geenszins die plaats in te nemen, welke in het Westen aan de in handwerksgilden georganiseerde en handeldrijvende klein- en middenbourgeoisie toekwam, die met haar boerenomgeving onafscheidelijk verbonden waren. De hoofdwegen van de Russische handel leidden bovendien naar het buitenland, verzekerden de leidende positie van oudsher aan het buitenlandse handelskapitaal en verleenden de gehele omzet, bij welke de Russische handelaar bemiddelaar tussen de westerse stad en het Russische dorp was, een half koloniaal karakter. Dit soort economische betrekking kwam tot verdere ontwikkeling in het tijdperk van het Russisch kapitalisme en bereikte zijn hoogste vorm in de imperialistische oorlog. De geringe betekenis van de Russische steden, die de voornaamste oorzaak was van het ontstaan van het Aziatische staatstype, sloot in het bijzonder de mogelijkheid van een Reformatie, d.w.z. een vervanging van de feodaalbureaucratische orthodoxie door een of andere gemoderniseerde variëteit van een aan de behoeften van de burgerlijke maatschappij aangepast christendom, uit. De strijd tegen de staatskerk had geen ander gevolg dan het stichten van boerensecten, waarvan het orthodox schisma de machtigste was.

Anderhalf decennium voor de grote Franse Revolutie ontbrandde in Rusland de beweging van de Kozakken, boeren en lijfeigenen-arbeiders uit de Oeral, die naar de naam van hun leider Poegatsjov genoemd werden. Wat had aan deze grimmige volksopstand ontbroken, om zich in een revolutie om te zetten? De derde stand. Zonder de handwerkersdemocratie van de steden kon de boerenoorlog zich evenmin tot een revolutie ontwikkelen, als de boerensecten zich tot een reformatie konden opwerken. Integendeel, de Poegatsjovsjtsjina leidde tot een versterking van het bureaucratisch absolutisme als de in moeilijke ogenblikken wederom beproefd gebleken beschermer van de belangen van de adel.

De Europeanisering van het land, die onder Peter formeel begonnen was, werd in de loop van de volgende eeuw meer en meer een behoefte van de heersende klasse zelf, d.w.z. van de adel. In het jaar 1825 grepen de adellijke intellectuelen naar het middel van een militaire samenzwering om aan deze behoefte een politieke vorm te geven. Het doel van de samenzwering was een beknotting van de alleenheerschappij. Onder de druk van de Europees-burgerlijke ontwikkeling probeerde de vooruitstrevende adel derhalve de ontbrekende derde stand te vervangen. Toch wilde zij het liberale bewind in ieder geval met de grondslagen van haar standenheerschappij vermengen en was daarom bovenal beducht de boeren in beweging te brengen. Het is niet verwonderlijk dat de samenzwering een onderneming van heldhaftige, maar geïsoleerde, officieren bleef, die zich daarbij nagenoeg zonder strijd te pletter liep. Dit was de betekenis van de decabristenopstand.

Grootgrondbezitters die fabrieken bezaten, waren de eersten van hun stand die zich bereid toonden over te gaan tot de invoering van de vrije arbeid. In dezelfde richting dreef de toenemende export van Russisch graan naar het buitenland. In het jaar 1861 voerde de adellijke bureaucratie, steunend op de liberale grondbezitters, de boerenhervorming door. Het onmachtig burgerlijk liberalisme zong bij deze onderneming gehoorzaam in het koor mee. Het is overbodig te zeggen dat het tsarisme Ruslands voornaamste probleem, nl. de agrarische kwestie, nog bekrompener en benepener oploste dan de Pruisische monarchie in de loop van het volgend decennium Duitslands voornaamste probleem, d.i. zijn nationale eenwording, oploste. De voltooiing van de taak van de ene klasse door een andere klasse is juist een van de gecombineerde methoden die aan achtergebleven landen eigen zijn.

Het meest evident laat zich echter de wet van de gecombineerde ontwikkeling doorheen de geschiedenis en het karakter van de Russische industrie demonstreren. Terwijl deze laat ontstaan was, doorliep zij niet weer de gehele ontwikkeling van de verder vooruitgeschreden landen, maar schaarde zich in hun rij, doordat zij hun nieuwste veroveringen aan de eigen achtergeblevenheid aanpaste. Terwijl Ruslands economische ontwikkeling in haar geheel genomen over de tijdperken van het gildehandwerk en de manufactuur heen gestapt was, sprongen sommige industrietakken een hele reeks van technisch industriële fasen, die in het Westen over tientallen jaren liepen, over. Tengevolge hiervan ontwikkelde de Russische industrie zich in bepaalde perioden buitengewoon snel. Tussen de eerste revolutie en de oorlog steeg de productie van de Russische industrie ongeveer met het dubbele. Hierin zagen sommige Russische historici voldoende grond tot de gevolgtrekking, dat men “de legende van achtergeblevenheid en langzame groei moest laten varen.” [1] In werkelijkheid was zo’n snelle groei juist mogelijk door de achtergeblevenheid, die – helaas – niet alleen tot op het ogenblik van de liquidatie van het oude Rusland, maar, als zijn erfenis, tot op de huidige dag is blijven bestaan.

De voornaamste graadmeter van het economisch niveau van een natie is de productiviteit van de arbeid, die op haar beurt van de specifieke rol van de industrie in de totale volkshuishouding afhangt. Aan de vooravond van de oorlog, toen het tsaristisch Rusland het hoogtepunt van zijn welstand bereikt had, was het volksinkomen per hoofd acht tot tienmaal kleiner dan in de Verenigde Staten, hetgeen niet te verwonderen is wanneer men bedenkt dat 4/5 van de zelfstandig werkende bevolking van Rusland in de landbouw werkzaam was, terwijl er in de Verenigde Staten op elke in de landbouw werkzame persoon 2,5 in de industrie werkenden voorkwamen. Hieraan moet nog toegevoegd worden dat er aan de vooravond van de oorlog in Rusland op 100 km² 0,4 kilometer spoorweg was, tegenover 11,7 in Duitsland en 7 in Oostenrijk-Hongarije. Andere vergelijkende cijfers zijn dienovereenkomstig.

Juist op het gebied van de volkshuishouding komt echter, zoals reeds gezegd is, de wet van de gecombineerde ontwikkeling het sterkst tot uiting. Terwijl het boerenbedrijf tot aan de revolutie in hoofdzaak vrijwel op het niveau van de 17de eeuw gebleven was, stond Ruslands industrie wat betreft techniek en kapitalistische structuur op de trap van ontwikkelde landen en snelde deze in menig opzicht voorbij. Kleine bedrijven met een getal arbeiders tot honderd man omvatten in het jaar 1914 in de Verenigde Staten 35% van de gezamenlijke industriearbeiders, in Rusland daarentegen slechts 17,8%. Bij een ongeveer gelijke betekenis van de middel- en grotere ondernemingen met 100 tot 1000 arbeiders, omvatten in de Verenigde Staten reusachtige ondernemingen met meer dan 1000 arbeiders 17,8% van de totale arbeidersbevolking, in Rusland echter 41,4%. Voor de belangrijkste industriedistricten was dit percentage nog hoger: voor dat van Petrograd 44,4%, voor dat van Moskou zelfs 57,3%. Tot soortgelijke resultaten komt men indien men de Russische industrie met de Engelse of Duitse vergelijkt. Dit feit, dat wij voor het eerst in het jaar 1908 constateerden, is moeilijk in overeenstemming te brengen met de voorstelling van de economische achtergeblevenheid van Rusland. Intussen weerlegt het de achtergeblevenheid niet, maar is het haar dialectische aanvulling. De versmelting van het industriekapitaal met het bankkapitaal werd in Rusland ook weer zo volledig doorgevoerd als vrijwel in geen enkel ander land. Niettemin betekende de afhankelijkheid van de industrie van de banken tegelijk haar afhankelijkheid van de West-Europese geldmarkt. De zware industrie (metaal, steenkolen, olie) bevond zich bijna geheel en al onder de controle van het buitenlands geldkapitaal, dat zich een hulp- en bemiddelingssysteem van banken in Rusland geschapen had. De lichte industrie ging dezelfde weg op. Terwijl in totaal ongeveer 40% van het gehele aandelenkapitaal in Rusland aan buitenlanders toebehoorde, was dit percentage voor de leidende industrietakken nog aanzienlijk hoger. Men kan zonder enige overdrijving beweren dat de controlepakketten van de aandelen van de Russische banken, werken en fabrieken zich in het buitenland bevonden, waarbij het kapitaaldeel van Engeland, Frankrijk en België bijna tweemaal zo groot was als dat van Duitsland.

De ontstaansvoorwaarden van de Russische industrie en haar structuur bepaalden het sociale karakter van de Russische burgerij en haar politieke vorm. De buitengewone concentratie van de industrie betekende op zich wel dat er tussen de kapitalistische toppen en de volksmassa’s geen hiërarchie van overgangsklassen bestond. Daarbij komt nog dat de bezitters van de belangrijkste industrie-, bank- en transportondernemingen buitenlanders waren, die niet alleen de uit Rusland gevloeide winsten, maar ook hun politieke invloed in de buitenlandse parlementen realiseerden en de strijd om het Russische parlementarisme niet alleen niet begunstigden, maar deze zelfs herhaaldelijk tegenwerkten. Denk maar aan de schandelijke rol van het officiële Frankrijk. Dit waren de elementaire en onvermijdelijke oorzaken van het politiek isolement en het volksvijandig karakter van de Russische burgerij. Terwijl deze bij de dageraad van haar geschiedenis nog niet rijp genoeg was, om de Reformatie door te zetten, betoonde zij zich overrijp toen de tijd voor de leiding van de revolutie gekomen was.

In overeenstemming met de totale ontwikkelingsgang van het land werd niet het gildehandwerk, maar de landbouw, niet de stad, maar het dorp het reservoir waaruit de Russische arbeidersklasse voortkwam. Daarbij ontstond het Russische proletariaat niet geleidelijk gedurende eeuwen, bezwaard met de last van het verleden, zoals in Engeland, maar sprongsgewijs door een snelle verandering van de situatie van de betrekkingen en de verhoudingen en door een plotselinge breuk met het verleden. Juist dit feit maakte, samen met het geconcentreerde juk van het tsarisme, de Russische arbeiders toegankelijk voor de stoutste gevolgtrekkingen van het revolutionaire denken, net zoals de achtergebleven Russische industrie ontvankelijk was voor de laatste nieuwe vormen van kapitalistische organisatie.

De Russische arbeiders herhaalden de korte geschiedenis van hun ontwikkeling steeds opnieuw. Terwijl in de metaalindustrie, vooral in Petrograd, een groep van erfelijke proletariërs, die met het dorp definitief gebroken hadden, ontstond, overheerste in de Oeral nog het type van de halfproletariër-halfboer. De jaarlijkse stroom van nieuwe arbeidskrachten uit de dorpen in alle industriedistricten vernieuwde de band van het proletariaat met zijn sociaal reservoir.

De politieke ongeschiktheid van de burgerij was direct door het karakter van haar betrekkingen tot het proletariaat en de boeren bepaald. Zij was niet in staat het proletariaat te leiden, dat in het dagelijks leven vijandig tegenover haar stond en al heel spoedig leerde zijn taak ruimer op te vatten. Evenzeer toonde zij zich echter ongeschikt om de boeren te leiden omdat zij door een reeks van gemeenschappelijke belangen met de grootgrondbezitters verbonden en altijd voor de aantasting van eigendom in welke vorm ook beducht was. De vertraging van de revolutie was derhalve niet alleen een chronologische kwestie, maar ook een gevolg van de sociale structuur van de natie. In Engeland voltrok de puriteinse revolutie zich in een tijd dat de totale bevolking 5,5 miljoen zielen niet te boven ging, waarvan 0,5 miljoen in Londen woonde. Frankrijk had in de revolutietijd in Parijs ook slechts 0,5 miljoen inwoners op een totale bevolking van 25 miljoen. De bevolking van Rusland bedroeg in het begin van de twintigste eeuw ongeveer 150 miljoen, waarvan meer dan 3 miljoen op rekening van Moskou en Petrograd kwamen. Achter deze vergelijkende cijfers gaan grote maatschappelijke verschillen schuil. Noch het Engeland van de zeventiende, noch het Frankrijk van de achttiende eeuw hebben het moderne proletariaat gekend. Intussen telde de arbeidersklasse van Rusland in het jaar 1905 overal, in de stad en op het land, niet minder dan 10 miljoen zielen, hetgeen samen met de gezinnen meer dan 25 miljoen uitmaakte, d.i. meer dan de totale bevolking van Frankrijk in het tijdvak van de Grote Revolutie. Van de welgestelde ambachtslieden en onafhankelijke boeren van het leger van Cromwell – via de Sansculottes van Parijs – tot de industrieproletariërs van Petrograd had de revolutie haar sociale mechaniek, haar methoden en daarmee ook haar doeleinden ingrijpend gewijzigd.

De gebeurtenissen van het jaar 1905 waren een voorspel van de beide revoluties van 1917: van de Februari- en de Oktoberrevolutie. De proloog bevatte reeds alle elementen van het drama, alleen niet volledig doorgevoerd. De Russisch-Japanse oorlog had het tsarisme verzwakt. Met de volksbeweging op de achtergrond joeg de liberale burgerij met haar oppositie de monarchie angst aan. De arbeiders organiseerden zich onafhankelijk van de burgerij en tegenover haar in de sovjets, die in die tijd voor de eerste maal in het leven geroepen werden. Onder de slogan “grond” stonden de boeren van het gehele reusachtige platteland op. Evenals de boeren sympathiseerden ook de revolutionaire troepenafdelingen met de sovjets, die op het moment dat de vloed van de revolutie het hoogst was, openlijk de macht aan de monarchie betwistten. Dit was het eerste optreden van de gezamenlijke revolutionaire krachten; zij bezaten nog geen ervaring en het ontbrak hun nog aan vertrouwen. De liberalen deinsden demonstratief terug voor de revolutie juist op dat ogenblik waarop bleek dat het niet voldoende was het tsarisme te verzwakken, doch dat men het bovendien nog omver moest werpen. De krasse breuk van de burgerij met het volk, waarbij deze reeds toentertijd grote groepen van het democratisch intellect meesleurde, maakte het voor de monarchie gemakkelijk het leger te splijten, trouwe troepenafdelingen af te zonderen en onder de arbeiders en boeren een bloedbad aan te richten. Al werd het ook deerlijk gehavend, toch kwam het tsarisme nog levend en krachtig genoeg uit de beproeving van 1905 te voorschijn.

Welke veranderingen in de machtsverhoudingen bracht de historische ontwikkeling in de elf jaren die het voorspel van het drama scheiden? Het tsarisme kwam in deze periode nog scherper in tegenstelling tot de eisen van de historische ontwikkeling te staan. De burgerij werd economisch machtiger, doch deze macht steunde, zoals wij gezien hebben, op de grotere concentratie van de industrie en de meer betekenende rol van het buitenlands kapitaal. Onder invloed van de lessen van 1905 was de burgerij nog conservatiever en wantrouwender geworden. De specifieke betekenis van de kleine en middenburgerij, die ook vroeger reeds onbelangrijk was, daalde nog meer. Het democratisch intellect bezat geen enkel ook maar enigszins stevig sociaal steunpunt. Het kon tijdelijk politieke invloed krijgen, maar geen zelfstandige rol spelen. Haar afhankelijkheid van het burgerlijk liberalisme was sterk toegenomen. Slechts het jonge proletariaat kon onder deze omstandigheden een programma, vlag en leiding aan de boeren geven. De grandioze taken waarvoor het zo kwam te staan, schiepen een dringende behoefte aan een afzonderlijke revolutionaire organisatie waarmee de volksmassa’s begeesterd werden om onder leiding van de arbeidersklasse tot revolutionaire daden te komen. Zo kwamen de sovjets van 1905 tot een reusachtige ontplooiing in het jaar 1917. Dat de sovjets – wij willen dit hier direct zeggen – niet alleen maar een vrucht van de historische achtergeblevenheid van Rusland, maar veeleer een product van de gecombineerde ontwikkeling zijn, bewijst alleen reeds het feit dat het proletariaat van het meest geïndustrialiseerde land, Duitsland, tijdens de revolutionaire golf van 1918/19 geen andere organisatievorm dan die van de raden had weten te vinden.

Het eerste doel van de revolutie van 1917 was nog steeds de val van de bureaucratische monarchie. In tegenstelling tot de vroegere burgerlijke revoluties trad nu echter de nieuwe klasse als beslissende kracht naar voren, de klasse die op de grondslag van de geconcentreerde industrie ontstaan was en met een nieuwe organisatie en nieuwe strijdmethodes uitgerust was. De wet van de gecombineerde ontwikkeling vertoont zich hier in zijn meest volmaakte vorm: beginnend met het opruimen van het middeleeuwse afval brengt de revolutie na enige maanden het proletariaat, met de communistische partij aan de spits, aan de macht.

Naar haar oorspronkelijke doeleinden was de Russische revolutie derhalve een democratische revolutie. Zij stelde echter het probleem van de politieke democratie op een nieuwe wijze. Terwijl de arbeiders, de soldaten en gedeeltelijk ook de boeren meeslepend, in het gehele land sovjets stichtten, onderhandelde de burgerij nog altijd over de kwestie van het al of niet bijeenroepen van de Constituerende Vergadering. Bij de beschrijving van de gebeurtenissen zal deze kwestie concreter worden. Hier willen wij alleen de plaats aanduiden die de sovjets innemen in de historische opeenvolging van revolutionaire ideeën en vormen.

In het midden van de zeventiende eeuw hulde de burgerlijke revolutie in Engeland zich in het gewaad van een godsdiensthervorming. De strijd om het recht volgens een eigen gebedenboek te bidden, werd identiek met de strijd tegen koning, aristocratie, kerkvorsten en Rome. De presbyterianen en puriteinen waren er innig van overtuigd dat zij hun aardse belangen onder de onwankelbare bescherming van de goddelijke voorzienigheid gesteld hadden. De doeleinden waar de nieuwe klassen voor streden, groeiden in hun bewustzijn samen met de bijbeltekst en de vormen van kerkelijke ceremoniën. De emigranten namen deze door bloed bevestigde traditie over de oceanen mee. Vandaar de zeldzame taaiheid van de Angelsaksische uitlegging van het christendom. Wij zien, hoe de socialistische “ministers” van Groot-Brittannië ook nu nog hun lafheid met dezelfde magische teksten funderen, waarin de mannen van de zeventiende eeuw een rechtvaardiging voor hun stoutmoedigheid gezocht hadden.

In Frankrijk, dat de Hervorming niet gekend had, beleefde de Katholieke Kerk als staatskerk de revolutie. Deze vond niet in bijbelteksten, maar in democratische abstracties een formulering en rechtvaardiging voor de doeleinden van de burgerlijke maatschappij. Hoe groot de haat van de huidige regeerders van Frankrijk tegen de jacobijnen ook mag zijn, het blijft een feit dat zij juist dankzij het ruwe ingrijpen van Robespierre de mogelijkheid behouden hebben om hun conservatieve heerschappij met die formules te omhullen waarmee ooit de oude maatschappij werd opgeblazen.

Iedere grote revolutie heeft nieuwe fasen van de burgerlijke maatschappij en nieuwe bewustzijnsvormen van haar klassen. Zoals Frankrijk over de Hervorming is heengestapt, zo heeft Rusland de formele democratie overgeslagen. De Russische revolutionaire partij die het lot beschoren was om haar stempel op een tijdperk te drukken, zocht de formulering van de doeleinden van de revolutie niet in de bijbel, niet in het geseculariseerde christendom van de ‘zuivere’ democratie, maar in de materiële verhoudingen van de maatschappelijke klassen. Het sovjetstelsel gaf aan deze verhoudingen de meest eenvoudige, openlijke en duidelijke uitdrukking. De heerschappij van de arbeidersklasse vond voor de eerste maal haar verwezenlijking in dit systeem, dat, hoe ook zijn historische lotgevallen in de toekomst mogen zijn, even onuitroeibaar in het bewustzijn van de massa’s gedrongen is als het systeem van de reformatie of van de zuivere democratie dat in hun tijd deden.

 

[1] De bewering is afkomstig van Professor M.N. Pokrovski. Zie bijlage Nr. 1.