De inname van het Winterpaleis

Kerenski ontving Stankevitsj, die van het front aangekomen was om rapport uit te brengen, in een opgewekte stemming: hij keerde juist uit de Raad van de Republiek terug waar hij de bolsjewistische opstand ontmaskerd had. “De opstand?” – “ Ja, weet je dan niet dat wij een gewapende opstand hebben?” Stankevitsj lachte: de straten zijn immers volkomen rustig. Hoe kan een echte opstand er nu zo uitzien? In elk geval moest men nu eens een einde aan die eeuwige onrust maken. Hiermee is Kerenski het volkomen eens: hij wachtte slechts op de resolutie van het Voorlopig Parlement.

Om 9 uur ’s avonds kwam de regering in de Malachietzaal van het Winterpaleis bijeen om plannen te beramen voor een “krachtige en definitieve liquidatie van het bolsjewisme.” Stankevitsj, die om de zaak te bespoedigen naar het Mariinskipaleis gezonden was, berichtte vol verontwaardiging over de zojuist aangenomen motie die er in zeker opzicht één van wantrouwen was. Zelfs de bestrijding van de opstand zou volgens de resolutie van het Voorlopig Parlement niet tot de taak van de regering, maar tot die van een afzonderlijk comité tot redding van de staat behoren. Kerenski verklaarde opgewonden dat hij onder dergelijke omstandigheden “geen minuut langer aan het hoofd van de regering wilde blijven.” De verzoeningsgezinde leiders werden terstond telefonisch naar het paleis geroepen. Zij waren door de mogelijkheid van een aftreden van Kerenski niet minder verrast dan Kerenski door hun resolutie. Avksentsjev poogde zich te rechtvaardigen: zij hadden de resolutie immers als “zuiver theoretisch en toevallig opgevat en er niet aan gedacht dat deze praktische gevolgen zou kunnen hebben.” Ja, zij zagen nu zelf wel in, dat de resolutie “wellicht niet zo erg gelukkig geredigeerd was.” Deze lieden lieten geen gelegenheid voorbijgaan om te tonen wat zij waard waren.

Het nachtelijk onderhoud van de democratische leiders met het hoofd van de staat lijkt volkomen ongeloofwaardig, indien men op de zich ontplooiende opstand let. Dan, die een van de voornaamste doodgravers van het Februaribewind was, verlangt dat de regering terstond, nog in diezelfde nacht, plakkaten in de stad zou laten aanplakken met de mededeling dat zij van de bondgenoten geëist had vredesonderhandelingen te beginnen. Kerenski antwoordt dat de regering dergelijke raadgevingen niet nodig heeft. Men kon er inderdaad van verzekerd zijn dat hij aan een sterke divisie de voorkeur gegeven zou hebben. Deze kon Dan echter niet verschaffen. Kerenski doet natuurlijk zijn best om de verantwoordelijkheid voor de opstand op zijn tegenpartij bij de onderhandelingen te schuiven. Dan antwoordt dat de regering de betekenis van de gebeurtenissen onder invloed van haar “reactionaire staf” overdreef. Men behoefde in elk geval nog geenszins af te treden: de ongelegen resolutie was noodzakelijk om een verandering in de stemming onder de massa’s teweeg te brengen. De bolsjewieken zullen “morgen reeds” gedwongen zijn om hun staf te ontbinden indien de regering aan de raadgevingen van Dan gehoor geeft. “Juist op dat ogenblik,” voegt Kerenski er met gerechtvaardigde ironie aan toe, “bezette de Rode Garde het ene regeringsgebouw na het andere.”

Het vruchtbaar onderhoud met de linkse vrienden was nog niet afgelopen toen er bij Kerenski vrienden van rechts in de vorm van een delegatie van de sovjet van de Kozakkenlegers verschenen. De officieren deden alsof het van hen afhing hoe de drie in Petrograd liggende Kozakkenregimenten zich zouden gedragen. Ze stelden Kerenski voorwaarden die lijnrecht tegen de voorwaarden van Dan ingingen: geen enkele concessie aan de Sovjets, terwijl er ditmaal definitief met de bolsjewieken afgerekend moest worden, en niet zoals in juli toen er nodeloos slachtoffers onder de Kozakken gevallen waren. Kerenski, die zelf niets liever wilde dan dit, beloofde alles wat zij van hem eisten en verontschuldigde zich tegenover zijn medeonderhandelaars voor het feit dat hij tot nu toe voorzichtigheidshalve Trotski als voorzitter van de Sovjet van de afgevaardigden nog niet gearresteerd had. De gedelegeerden verlieten hem met de verzekering dat de Kozakken hun plicht zouden vervullen. Spoedig vaardigde de staf een bevel aan de Kozakkenregimenten uit: “In naam van de vrijheid, de eer en de roem van het vaderland en tot redding van het ondergaande Rusland moeten het Centraal Uitvoerend Comité en de Voorlopige Regering ondersteund worden.” Deze trotse regering die zo angstvallig over haar onafhankelijkheid tegenover het Centraal Uitvoerend Comité gewaakt had, ziet zich telkens weer genoodzaakt om zich in de ogenblikken van gevaar nederig achter de rug hiervan te verschuilen. Legerorders vol smeekbeden worden ook tot de “jonker”-scholen in Petrograd en omgeving gericht. De spoorwegen hebben aanwijzingen gekregen: “De van het front naar Petrograd komende troepenafdelingen moeten zonder enige bepaalde volgorde, zonodig met stopzetting van het personenverkeer, onverwijld verder vervoerd worden.”

Nadat de regering alles gedaan had wat in haar vermogen was en om twee uur ’s nachts uit elkaar gegaan was, bleef bij Kerenski in het paleis slechts diens zaakgelastigde, de liberale Moskouse koopman Konovalov, achter. De districtscommandant Polkovnikov kwam tot hem met het voorstel om terstond met behulp van de regeringsgetrouwe troepen een expeditie te organiseren om het Smolny te bezetten. Kerenski ging grif op dit prachtig plan in. Er was echter uit de woorden van de commandant absoluut niet op te maken op welke krachten hij dacht te steunen. Nu pas begreep Kerenski, naar hij zelf erkende, dat de rapporten van Polkovnikov van de laatste tien tot twaalf dagen over de volkomen bereidheid van zijn staf tot een strijd tegen de bolsjewieken “elke redelijke grondslag misten.” Alsof Kerenski voor een juiste beoordeling van de politieke en militaire situatie werkelijk geen andere bronnen gehad had dan de rapporten van een middelmatig overste, die, niemand wist waarom, aan het hoofd van het militaire district was komen te staan. Tijdens de sombere overpeinzingen van het hoofd van de regering bracht een commissaris van de gouverneur, Rogovski, een aantal nieuwe berichten: enkele schepen van de Baltische vloot waren volkomen strijdvaardig de Neva opgevaren; sommige van deze hadden voor de Nicolajevskibrug het anker laten vallen en deze bezet; troepen opstandelingen rukten tegen de Slotbrug op. Rogovski vestigde de aandacht van Kerenski vooral op het feit dat “de bolsjewieken hun gehele plan in de meest volkomen orde uitvoerden, zonder ergens op tegenstand van de regeringstroepen te stuiten.” In elk geval blijkt uit het gesprek niet welke troepen als regeringstroepen beschouwd moesten worden. Kerenski en Konovalov snelden uit het paleis naar de staf: “Men had geen minuut te verliezen.” Het indrukwekkende rode gebouw van de staf wemelde van officieren. Deze kwamen hier niet voor aangelegenheden betreffende de troepen, maar om zich voor deze te verbergen. Overal slopen in het gewoel van militairen burgers rond die niemand kende. Het nieuws van Polkovnikov overtuigt Kerenski definitief van de onmogelijkheid om op de commandant en diens officieren te kunnen vertrouwen. Het hoofd van de regering besluit om “iedereen die plichtsgetrouw is” rond zich te verzamelen. Terwijl hij zich herinnert dat hij partijlid is – zoals velen zich pas op hun sterfbed herinneren dat ze lid van een kerk zijn – eist Kerenski telefonisch dat de sociaal-revolutionaire strijdbonden onmiddellijk gezonden zullen worden. Voordat deze plotselinge oproep tot de gewapende krachten van de partij succes kon hebben – nog daargelaten of dit in het algemeen mogelijk was – moest deze volgens Miljoekov “alle meer rechtse elementen die Kerenski vijandig gezind waren afstoten.” Zijn isolement, dat reeds in de dagen van de Kornilovopstand zo duidelijk aan het licht gekomen was, kreeg nu een nog fataler karakter. “Pijnlijk langzaam verstreken zij, die lange uren van deze nacht,” zegt Kerenski opnieuw zoals in augustus. Geen enkele versterking kwam opdagen. De Kozakken beraadslaagden en de vertegenwoordigers van de regimenten zeiden dat men weliswaar – in het algemeen gezegd – een actie kon beginnen, waarom ook niet, maar dat daartoe machinegeweren, pantserauto’s en vooral infanterie nodig waren. Zonder aarzelen beloofde Kerenski hen de pantserwagens die zich juist opmaakten om hem te verlaten, en de infanterie waarover hij niet meer te beschikken had. Hij kreeg ten antwoord dat de regimenten spoedig alles zouden overwegen en “de paarden begonnen te zadelen.” De strijdkrachten van de sociaal-revolutionaire partij gaven geen enkel levensteken. Bestaan zij nog? Waar is in het algemeen de grens tussen schijn en wezen. Het officierenkorps dat in de stad bijeen was, gedroeg zich “steeds uitdagender” tegen de opperbevelhebber en het hoofd van de regering. Kerenski beweert zelfs dat er onder de officieren gesproken werd over de noodzakelijkheid om hem te arresteren. Het gebouw van de staf bleef nog altijd onbeschermd. Er werden officiële onderhandelingen in tegenwoordigheid van vreemden gevoerd, afgewisseld door opgewonden particuliere gesprekken. De stemming van wanhoop en ondergang sloeg van de staf op het Winterpaleis over. De “jonkers” waren zenuwachtig en het commando van de pantserauto’s opgewonden. Bij de massa’s geen hulp en bij de regering een vreselijke radeloosheid. Is onder dergelijke omstandigheden een ondergang niet onvermijdelijk?

Om 5 uur ’s morgens liet Kerenski de leider van het ministerie van oorlog in de staf komen. Generaal Manikovski werd bij de Troïzkibrug door patrouilles aangehouden, naar de kazerne van het Pavlovskiregiment gebracht, maar daar na een kort verhoor vrijgelaten: de generaal had waarschijnlijk ervan weten te overtuigen dat zijn arrestatie tot een ontwrichting van het gehele administratieve apparaat zou kunnen leiden en de soldaten aan het front zou kunnen schaden. Ongeveer tezelfdertijd werd bij het Winterpaleis de auto van Stankevitsj aangehouden, maar ook hij werd door het regimentscomité vrijgelaten. “Het waren opstandelingen,” vertelt de arrestant, “die echter zeer besluiteloos waren. Ik deelde dit telefonisch vanuit mijn huis aan het Winterpaleis mee, maar ontving vandaar de geruststellende verklaring dat er een misverstand in het spel was.” In werkelijkheid berust het op een misverstand dat Stankevitsj vrijgelaten was: enkele uren later poogde hij, naar wij reeds weten, de bolsjewieken uit de telefooncentrale te verdrijven.

Kerenski eiste van het hoofdkwartier te Mohilev en van de staf aan het Noordelijk front te Pskov dat terstond betrouwbare troepen zouden worden afgezonden. Doechonin verzekerde via de directe telegraafverbinding vanuit het hoofdkwartier dat alle maatregelen genomen waren om de troepen tegen Petrograd te laten oprukken en dat sommige troepen daar reeds moesten zijn aangekomen. Zij kwamen echter niet aan. De Kozakken waren nog altijd bezig “de paarden te zadelen.” De toestand in de stad werd elk uur slechter. Toen Kerenski en Konovalov, om op adem te komen, naar het paleis terugkeerden, bracht een koerier het spoedbericht dat alle telefoontoestellen in het paleis afgesneden waren en dat de Slotbrug, vlak voor de ramen van Kerenski, door matrozen bezet was. Het plein voor het Winterpaleis bleef echter nog altijd leeg: “er is geen spoor van Kozakken te bekennen.” Kerenski snelt weer naar de staf. Ook daar is echter slechts treurig nieuws. De “jonkers” waren door de bolsjewieken aangemaand om het paleis te ontruimen en waren zeer opgewonden. Pantserauto’s zouden het strijdtoneel verlaten hebben omdat zij op een zeer ongelegen moment ontdekten dat sommige onmisbare onderdelen “ontbraken”. Nog altijd is er geen bericht van de troepen die gestuurd zouden zijn. De naburige toegangen tot het paleis en de staf liggen volkomen onbeschut: indien de bolsjewieken niet binnendrongen, dan kwam dit slechts doordat zij niet goed van de toestand op de hoogte waren. Het gebouw dat sinds de avond vol met officieren was, liep snel leeg: ieder zocht zijn eigen heil. Er verscheen een delegatie “jonkers”: zij waren bereid hun plicht verder te vervullen “indien er op enkele versterkingen kon gerekend worden.” Versterkingen waren er echter juist niet.

Kerenski ontbood de ministers dringend naar de stad. De meesten van hen hadden geen automobielen ter beschikking: deze gewichtige verkeersmiddelen die een nieuw tempo aan de moderne opstand verlenen, waren óf door de bolsjewieken weggenomen óf door een cordon van opstandelingen van de ministers afgesneden. Alleen Kisjkin kwam en later voegde zich Maljantovitsj bij hen. Wat zal het hoofd van de regering doen? Meteen de troepen tegemoet rijden om met hen alle hinderpalen te overwinnen: niemand weet iets anders te bedenken.

Kerenski beveelt om zijn “schitterende open luxeauto” voor te doen komen. Hier voegt zich echter een nieuwe factor in de reeks van gebeurtenissen, in de vorm van de onverbrekelijke solidariteit waarmee de Ententeregeringen in voor- en tegenspoed met elkaar verbonden zijn. “Het bericht van mijn afreis kwam op een voor mij onverklaarbare wijze ter kennis van de geallieerde gezantschappen.” De vertegenwoordigers van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten gaven direct de wens te kennen dat het uit de hoofdstad vluchtend hoofd van de regering begeleid zou worden door een auto met Amerikaanse vlag. Kerenski zelf oordeelde dit voorstel overbodig en zelfs belemmerend, maar accepteerde het als bewijs van solidariteit van de Geallieerden.

De Amerikaanse gezant David Francis geeft een andere lezing aan de gebeurtenissen, een versie die minder sprookjesachtig klinkt. Een Amerikaanse automobiel zou door de straten tot aan het gezantschap gevolgd zijn door een auto met Russische officieren die eisten dat de auto van het gezantschap beschikbaar gesteld zou worden voor de reis van Kerenski naar het front. Nadat de beambten van het gezantschap overleg gepleegd hadden met elkaar, kwamen zij tot het besluit om zich naar de omstandigheden te schikken, daar de auto feitelijk reeds “onteigend” was – hetgeen absoluut niet waar was. De Russische officier zou ondanks de protesten van de heren diplomaten geweigerd hebben om het Amerikaanse vlaggetje te verwijderen. Dit is ook niet te verwonderen, want alleen dit kleurig lapje bezorgde onschendbaarheid aan de automobiel. Francis keurde de handelwijze van de beambten van het gezantschap goed, maar gaf bevel om daar “met niemand over te spreken.”

Indien men de twee versies, die beide in zekere zin de waarheid behelzen, met elkaar vergelijkt, krijgt men een tamelijk duidelijk beeld: natuurlijk hebben niet de Geallieerden Kerenski de auto opgedrongen, maar heeft hij er zelf om verzocht. Aangezien de diplomaten echter een concessie moesten doen aan de huichelarij dat zij zich niet in binnenlandse aangelegenheden mengden, werd afgesproken dat de auto “onteigend” was en dat het gezantschap tegen het misbruik van de vlag “geprotesteerd” had. Nadat deze delicate aangelegenheid geregeld was, nam Kerenski in zijn eigen wagen plaats; de Amerikaanse volgde als reserve. “Het hoeft niet gezegd te worden,” vertelt Kerenski verder, “dat iedereen op straat, zowel voorbijgangers als soldaten, mij meteen herkenden. Ik groette als altijd, een beetje achteloos en glimlachend.” Een onvergelijkelijk toneel: achteloos en glimlachend – zo ging het Februariregime het dodenrijk binnen. Bij de uitgangen van de stad stonden overal wachtposten en patrouilles gewapende arbeiders. Bij het zien van de voortrazende auto’s stormden de Roodgardisten de straatweg op, maar zij kwamen niet tot schieten. Men vermeed in het algemeen nog te schieten. Misschien weerhield ook het Amerikaanse vlaggetje daarvan. De auto’s joegen veilig en wel voorbij.

“Zijn er dan in Petrograd geen troepen die bereid zijn om de Voorlopige Regering te verdedigen?” vroeg Maljantovitsj, die tot op dat moment in het rijk der eeuwige rechtsnormen geleefd had, verwonderd. – “Ik weet het niet.” Konovalov maakte een afwerend handgebaar. “Dat is vreselijk,” voegde hij er aan toe. – “En wat zijn dat voor troepen die daar komen?” vroeg Maljantovitsj verder. – “Ik geloof een bataljon wielrijders.” De ministers zuchtten. In Petrograd en omgeving telde men tweehonderdduizend soldaten. Het is slecht gesteld met een regime, indien het hoofd van de regering onder bescherming van een Amerikaans vlaggetje een bataljon wielrijders tegemoet moet rijden.

De ministers zouden stellig nog dieper gezucht hebben indien zij geweten hadden dat het 3de bataljon wielrijders dat van het front afgezonden was op het station Peredolska halt maakte en bij de Sovjet van Petrograd telegrafisch informeerde met welk doel het eigenlijk gehaald werd. Het Militair Revolutiecomité bracht het bataljon een broederlijke groet en gaf het de raad terstond gedelegeerden te zenden. De autoriteiten zochten, maar vonden de wielrijders niet. De afgevaardigden van de wielrijders kwamen dezelfde dag in het Smolny aan.

Het Winterpaleis zou volgens het vooraf opgesteld plan in de nacht van 25 oktober samen met alle andere belangrijke posten in de hoofdstad bezet worden. Reeds op 23 oktober werd voor de bezetting van het paleis een afzonderlijk comité van drie gevormd, met Podvojski en Antonov als leidende figuren. Ingenieur Sadovski, die in militaire dienst was, was als derde uitverkoren, maar viel spoedig weg omdat hij door garnizoensaangelegenheden in beslag genomen was. Hij werd vervangen door Tsjoednovski, die in mei samen met Trotski uit het concentratiekamp in Canada aangekomen en als soldaat drie maanden aan het front geweest was. Een zeer groot aandeel aan de operatie nam Lasjevitsj, een oude bolsjewiek die het in het leger tot onderofficier gebracht had. Drie jaar later herinnerde Sadovski zich hoe in zijn klein kamertje in het Smolny Podvojski en Tsjoednovski over de kaart van Petrograd gebogen heftig kibbelden over het beste veldtochtplan tegen het paleis. Eindelijk besloot men de wijk van het Winterpaleis in een dichte ovaal, waarvan de lengteas door de Nevaoever gevormd werd, in te sluiten. Aan de kant van de rivier zou de omsingeling met de Peter-en-Paulsvesting, de “Aurora” en andere schepen, die uit Kronstadt en van de actieve vloot gerekwireerd waren, afgesloten worden. Om eventuele aanvalspogingen van de Kozakken en de “jonkers” in de rug te voorkomen of deze bij voorbaat te verlammen, werd besloten sterke revolutionaire troepen als dekking op te stellen.

Het plan was in het algemeen te log en te ingewikkeld voor de taak die men te vervullen had. De voor de voorbereiding bestemde tijd was te kort. Kleine misverstanden en rekenfouten deden zich, zoals dit altijd pleegt te gebeuren, elk ogenblik voor. Hier was de richting verkeerd aangegeven, daar kwam de leider van de operatie die de instructies gaf te laat. Nog weer elders was het wachten op de reddende pantserwagen. De troepen doen oprukken, deze met de Roodgardisten verenigen, de gebieden van de strijd bezetten, deze met elkaar en met de staf verbinden – dit alles vereiste veel meer tijd dan de leiders die over de kaart van Petrograd gebogen kibbelden vermoed hadden.

Toen het Militair Revolutiecomité tegen 10 uur ’s morgens proclameerde dat de regering ten val gebracht was, had zelfs de directe leider van de operatie nog niet volkomen duidelijk begrepen hoe groot de vertraging was. Podvojski voorspelde dat het Winterpaleis “niet later dan 12 uur” zou vallen. Tot nu toe was alles op militair gebied zo vlot verlopen dat niemand aan deze termijn meende te moeten twijfelen. Op het middaguur bleek echter dat het beleg nog altijd niet volkomen was en dat de Kronstadtse matrozen nog ontbraken, terwijl de verdediging van het paleis verder georganiseerd werd. Het tijdverlies leidde, zoals dit pleegt te gebeuren, tot nieuwe vertragingen. Onder sterke druk van het comité werd de bezetting van het paleis op 3 uur bepaald en ditmaal “definitief.” Zich baserend op de nieuwe tijdsbepaling sprak de rapporteur van het Militair Revolutiecomité in de zitting, die de Sovjet deze dag hield, de verwachting uit dat de val van het Winterpaleis de eerstvolgende minuten te wachten was. Er verstreek echter weer een uur en de beslissing bleef uit. Podvojski, die zelf van ongeduld brandde, verzekerde telefonisch dat het paleis om 6 uur in elk geval genomen zou zijn. Het vroegere vertrouwen ontbrak echter. En inderdaad, het sloeg 6 uur, maar de beslissing viel niet. Geprikkeld door de aansporingen van het Smolny weigerden Podvojski en Antonov verder een tijdstip aan te geven. Dit wekte ernstige bezorgdheid. Men achtte het politiek noodzakelijk dat vóór de opening van het Sovjetcongres de gehele hoofdstad in handen van het Militair Revolutiecomité was: dit zou de taak tegenover de oppositie op het congres vergemakkelijken, doordat deze dan voor een voldongen feit geplaatst werd. Intussen was het uur van de opening van het congres aangebroken, uitgesteld en weer aangebroken; het Winterpaleis hield stand. Zo was het beleg van het paleis door zijn slepend karakter voor niet minder dan twaalf uren de voornaamste zorg van de opstandelingen.

De opperleiding van de operatie bleef in het Smolny, waar Lasjevitsj alle draden in handen had. De staf te velde bevond zich in de Peter-en-Paulsvesting, waar Blagonravov de verantwoordelijke leider was. Er waren drie lagere leidingen: een op de “Aurora,” een tweede in de kazerne van het Pavlovskiregiment en een derde in de kazerne van de vlootbemanning. De leiding op het slagveld zelf hadden Podvojski en Antonov, die beiden zo ongeveer in rang gelijk stonden.

In het gebouw van de hoogste staf waren nog drie personen over de kaart gebogen: de districtscommandant overste Polkovnikov, de chef van de staf generaal Bagratuni en generaal Alexejev die als hoogste autoriteit bij de conferentie gehaald was. Ondanks deze zo zeer geschoolde leiding waren de plannen van de verdediging veel vager dan die van de opstand. Weliswaar wisten de onervaren maarschalken van de opstand hun troepen niet snel samen te trekken en tijdig slag te leveren. De troepen waren echter aanwezig. De maarschalken van de verdediging hadden slechts vage verwachtingen in plaats van troepen: misschien zullen de Kozakken tot inkeer komen; misschien zijn er trouwe troepen in de naburige garnizoenen te vinden; misschien zal Kerenski troepen van het front meebrengen. Polkovnikovs stemming is ons uit zijn nachtelijk telegram aan het hoofdkwartier bekend. Hij beschouwde de zaak als verloren. Alexejev, die nog minder tot optimisme geneigd was, verliet spoedig de hopeloos verloren post.

Er werden afgevaardigden van de “jonker”-scholen naar de staf ontboden om contact te houden, men trachtte hen moed in te spreken met de verzekering dat er spoedig troepen uit Gatsjina, Tsarskoje Selo en van het front zouden aan komen. Men hechtte echter geen geloof aan deze vage beloften. Deprimerende geruchten deden in de militaire scholen de ronde: “Er heerst een paniekstemming in de staf en niemand steekt een vinger uit.” Zo was het inderdaad. Kozakkenofficieren die naar de staf gekomen waren met het voorstel om de pantserwagens uit de Michajlovmanege te halen, vonden Polkovnikov zittend op een vensterbank in een toestand van volkomen uitputting. De manege bezetten? “Bezet jij die maar, ik heb niemand, ik alleen kan niets doen.”

Tijdens de langzame mobilisatie van de scholen ter verdediging van het Winterpaleis kwamen de ministers voor een vergadering bijeen. Het plein voor het paleis en de naburige straten waren nog vrij van opstandelingen. Gewapende soldaten hielden op de hoek van de Morskajastraat en het Nevski voorbijrijdende automobielen aan en lieten de inzittenden uitstappen. De menigte verdiepte zich in geruchten en vermoedens of het soldaten van de regering of van het Militair Revolutiecomité waren. De ministers profiteerden ditmaal in alle opzichten van hun impopulariteit: niemand interesseerde zich voor hen en vrijwel niemand herkende hen onderweg. Iedereen kwam bijeen, behalve Prokopovitsj die toevallig in een huurrijtuig gearresteerd was maar in de loop van de dag weer vrijgelaten werd.

In het paleis waren nog de vroegere bedienden achtergebleven. Zij hadden veel moeten aanschouwen, hadden opgehouden zich nog over iets te verbazen, maar waren nog niet van de schrik bekomen. Streng gedresseerd, in blauwe livrei met een rode kraag en gouden tressen, handhaafden deze figuren uit het verleden een atmosfeer van orde en bestendigheid in het prachtig gebouw. Zij waren die zorgwekkende morgen waarschijnlijk de enigen die de ministers nog enige illusie van macht gaven. Pas om 11 uur besloot de regering eindelijk een van haar leden met de leiding van de verdediging te belasten. Generaal Manikovski had reeds bij het aanbreken van de dag voor de hem door Kerenski toegedachte eer bedankt. De andere militair onder de leden van de regering, admiraal Verderovski, was nog minder krijgshaftig gestemd. Er moest een burger met de verdediging belast worden, namelijk de minister van economische zaken Kisjkin. Er werd terstond een door iedereen ondertekend decreet betreffende zijn benoeming aan de Senaat opgesteld: deze mensen hadden nog tijd om zich met bureaucratische beuzelarijen bezig te houden. Daarentegen dacht niemand eraan dat Kisjkin als lid van de kadettenpartij bij de soldaten in het achterland en aan het front buitengewoon gehaat was. Kisjkin koos op zijn beurt als adjudanten Paltsjinski en Rutenberg. Paltsjinski was als beschermeling van de industriëlen en bewerker van uitsluitingen gehaat onder de arbeiders. Ingenieur Rutenberg was adjudant van Savinkov geweest, die zelfs door de allen en alles omvattende sociaal-revolutionaire partij als aanhanger van Kornilov geroyeerd was. Polkovnikov die men van verraad beschuldigde, werd ontslagen. In zijn plaats werd generaal Bagratuni, die in geen enkel opzicht van hem verschilde, benoemd.

Ofschoon de stadstelefoon van het Winterpaleis en de staf afgesneden was, bleef het paleis door zijn eigen aansluitingen in verbinding met de voornaamste regeringsbureaus, in de eerste plaats met het ministerie van oorlog, van waaruit een directe lijn naar het hoofdkwartier liep. Het is waarschijnlijk, dat in de haast ook niet alle stadstoestellen afgesneden waren. In militair opzicht was dit weliswaar van geen betekenis, moreel – maakte het de toestand van de regering veeleer slechter, want het ontnam haar elke illusie.

De leiders van de verdediging eisten sedert het aanbreken van de morgen plaatselijke versterkingen, in afwachting van die van het front. Sommigen in de stad poogden hen te helpen. Doctor Feit, lid van het Centraal Comité van de sociaal-revolutionaire partij, die hierbij zeer nauw betrokken was, sprak enkele jaren later op een terechtzitting over de “zeldzame, bliksemsnelle wijzigingen in de stemming onder de troepen.” Uit de meest betrouwbare bron werd gemeld dat de een of andere troepenafdeling bereid was om ter verdediging van de regering op te staan, maar een directe telefonische vraag was voldoende en de ene troep na de andere weigerde botweg. “Het resultaat is u bekend,” zei de oude narodnik, “niemand rukte op en het Winterpaleis werd genomen.” In werkelijkheid hadden er geen bliksemsnelle wijzigingen in het garnizoen plaatsgrepen. De laatste illusies van de regeringspartijen stortten echter in werkelijkheid bliksemsnel ineen.

De pantserwagens waarop men in het Winterpaleis en in de staf vooral gerekend had, vielen in twee groepen uiteen: een bolsjewistische en een pacifistische; een regeringsgroep was er in het geheel niet. Een halve compagnie ingenieurs-“jonkers” ontmoette op weg naar het Winterpaleis met hoop en vrees in het hart twee pantserwagens: vrienden of vijanden? Het bleek dat deze neutraal bleven en op straat rondreden om botsingen tussen de partijen te voorkomen. Er was slechts één van de zes in het Slot gestationeerde pantserauto’s achtergebleven om de bezittingen van het Slot te bewaken; de vijf overige waren weg. Het aantal bolsjewistische pantserwagens groeide met het succesvol verloop van de opstand, terwijl het neutrale deel van het leger daarmee versmolt: dit pleegt altijd het lot van het pacifisme in elke ernstige strijd te zijn.

Het middaguur nadert. Het reusachtig plein voor het Winterpaleis is nog altijd leeg. De regering is niet in staat het te vullen. De troepen van het Comité bezetten het niet, daar zij te veel in beslag genomen worden door de uitvoering van het te gecompliceerde plan. Troepen, afdelingen arbeiders en pantserwagens komen in een wijdere kring bijeen. De wijk van het Slot begint te lijken op een besmet gebied dat men aan de buitenkant afsluit, ver van de eigenlijke haard van besmetting.

Het binnenplein van het Winterpaleis dat naar het plein leidt, ligt net als het binnenplein van het Smolny vol met houtstapels. Rechts en links staat 71/2 c.M. veldgeschut. Op meerdere plaatsen geweren in rotten. De kleine wacht van het paleis staat vlak tegen het gebouw aangedrongen. Zowel op het binnenplein als op de benedenverdieping liggen twee vaandrigscholen uit Oranienbaum en Peterhof, die op lange na niet voltallig zijn, en een troep van de Konstantinovse artillerieschool met zes kanonnen.

In de loop van de dag komt een bataljon “jonkers” van de technische school aan, dat onderweg een halve compagnie verloren heeft. Het beeld dat de plaats van aankomst oplevert, is niet geschikt om de strijdlust van de “jonkers” erg aan te moedigen, waaraan het hen volgens Stankevitsj trouwens ook onderweg reeds ontbrak. Het bleek dat er nagenoeg volslagen gebrek aan levensmiddelen in het Slot was: daarvoor was niet eens tijdig gezorgd. Een vrachtauto met brood was door patrouilles van het Comité aangehouden. Een deel van de “jonkers” had wachtdienst, terwijl de anderen door stilzitten, onzekerheid en honger gekweld werden. Nergens was een leidende hand te bespeuren. Op het plein voor het Slot en op de kade begonnen groepjes ogenschijnlijk vreedzame voorbijgangers op te duiken die in het voorbijgaan onder bedreiging met hun revolvers aan de op post staande “jonkers” de geweren ontrukten.

Er duiken “propagandisten” onder de “jonkers” op. Zijn deze van buitenaf binnengedrongen? Neen, naar alle waarschijnlijkheid zijn het nog rustverstoorders onder de “jonkers” zelf. Ze slaagden erin onrust teweeg te brengen onder de mensen uit Oranienbaum en Peterhof. De comités van de scholen belegden in de witte zaal van het Slot een bijeenkomst en verlangden een vertegenwoordiger van de regering om inlichtingen te geven. Alle ministers verschenen met Konovalov aan het hoofd. De besprekingen duurden een heel uur. Konovalov werd telkens in de rede gevallen en – zweeg. De minister van landbouw Maslov trad als oude revolutionair op. Kisjkin zette de “jonkers” uiteen dat de regering besloten had tot het uiterste stand te houden. Volgens Stankevitsj probeerde een “jonker” uiting te geven aan de bereidwilligheid van de troepen om desnoods voor de regering te sterven, maar “de klaarblijkelijke koelheid van de andere kameraden temperde zijn enthousiasme.” De redevoeringen van andere ministers werkten direct prikkelend op de “jonkers” die onderbraken, schreeuwden en zelfs begonnen te fluiten. De “jonkers” van het blauwe bloed verontschuldigden het optreden van de meerderheid van hun kameraden met hun lage sociale afkomst: “dat zijn allemaal boerenpummels, vrijwel analfabeten, onbeschaafd vee … gemeen volk.”

De bijeenkomst van de ministers met de “jonkers” in het belegerde paleis eindigde niettemin verzoenend: de “jonkers” verklaarden zich bereid om te blijven nadat men hen een actieve leiding en een juist overzicht van de gebeurtenissen toegezegd had. De directeur van de technische school, die tot commandant van de verdediging benoemd was, ging met zijn potlood de plattegrond van het Slot na en zette de namen van de troepen erop. De aanwezige krachten werden over verschillende tonelen van de strijd verdeeld. Een groot deel van de “jonkers” werd op de eerste verdieping ondergebracht, van waaruit zij door de vensters het Slotplein onder vuur konden houden. Het was hen echter verboden om als eerste het vuur te openen. Een bataljon van de technische school bezet het binnenplein ter dekking van de artillerie. Er worden troepen afgezonderd om verschansingen te maken. Een verbindingsgroep, bestaande uit vier man van elke troepenafdeling, wordt gevormd. Een afdeling artillerie wordt met de verdediging van de poort in geval van een doorbraakpoging belast. Op het binnenplein en voor de poort worden houten verschansingen opgeworpen. Er begon een beetje orde te komen. De wachtposten begonnen zich meer op hun gemak te voelen.

De burgeroorlog is, vooral in de eerste tijd voordat geregelde legers gevormd zijn en voordat deze gestaald zijn, een oorlog vol zenuwachtigheid. Zodra er een kleine vermeerdering van activiteit bij de “jonkers” te bespeuren viel, met name toen ze achter barricades verschanst het plein met geweervuur schoonveegden, overschatte men in het kamp van de aanvallers de krachten en middelen van de verdedigers. Ondanks de ontevredenheid van de Roodgardisten en soldaten besloten de leiders de bestorming uit te stellen tot de opmars van de reserves; het was vooral wachten op de aankomst van de matrozen uit Kronstadt.

De hierdoor ontstane pauze van enkele uren verschafte de belegerden kleine versterkingen. Nadat Kerenski aan de delegatie van de Kozakken infanterie beloofd had, kwam de sovjet van de Kozakkenlegers bijeen, kwamen de regimentscomités bijeen en kwamen algemene regimentsvergaderingen bijeen. Men besloot dat twee compagnieën en één machinegeweercommando van het Oerals regiment, dat in juli van het front gekomen was om de bolsjewieken neer te slaan, meteen naar het Winterpaleis zouden oprukken en de overigen – niet voordat de beloften, d.w.z. tot levering van infanterieversterkingen, werkelijk ingelost waren. Ook met de twee compagnieën verliep alles echter niet zonder moeilijkheden. De jongeren onder de Kozakken verzetten zich en de “ouden” sloten de jongeren zelfs in de paardenstal op, opdat deze hen niet zouden hinderen om zich voor de opmars gereed te maken.

Pas bij het invallen van de duisternis, toen men hen reeds niet meer verwachtte, verschenen er baardige soldaten uit de Oeral in het paleis. Zij werden als reddende engelen ontvangen. Zelf keken zij echter somber. Zij waren het niet gewend om in paleizen te vechten. En het was ook niet erg duidelijk wat nu eigenlijk wel waar was.

Na enige tijd verschenen volkomen onverwacht ongeveer veertig man ridders van St. George, onder bevel van een ritmeester van de staf met een kunstbeen. Vaderlandslievende invaliden als laatste reserves van de democratie… Het wordt al gemoedelijker. Spoedig kwam nog de stormcompagnie van een vrouwenbataljon daarbij. Het meest bemoedigend werkte het feit dat deze versterkingen zonder enige strijd wisten door te breken. De cordons van de belegeraars konden of waagden niet om hen de toegang tot het paleis te versperren. Klaarblijkelijk is de tegenstander dus te zwak. “Godzijdank, de zaak begint te lopen,” troostten de officieren elkaar en de “jonkers.” De pas aangekomenen kregen een bepaalde taak in de strijd toegewezen en losten de vermoeiden af. De soldaten uit de Oeral keken echter afkeurend naar de “vrouwen” met geweren. En waar blijft nu de infanterie?

De belegeraars lieten klaarblijkelijk tijd voorbijgaan. De matrozen uit Kronstadt kwamen te laat, hoewel niet door eigen schuld: zij waren te laat geroepen. Na een ingespannen nachtelijke voorbereiding scheepten zij zich tegen de morgen in. De mijnenveger “Amoer” en het onderzoekingsvaartuig “Jastreb” begeven zich direct naar Petrograd. De oude pantserkruiser “Sarja Svobody” zou na de landing van de bemanning in Oranienbaum, waar de jonkers ontwapend moesten worden, ligplaats nemen bij de ingang van het Morskojkanaal, om in geval van nood de Baltische spoorlijn onder vuur te houden. Vijfduizend matrozen en soldaten verlieten in de vroege morgen het eiland Kotlin om bij de sociale revolutie te landen. In de kajuit van de officieren heerst een somber stilzwijgen: men voert deze mensen aan om voor een zaak te strijden die men eigenlijk haat. De commissaris van de afdeling, bolsjewiek Flerovski, verklaart hen: “Wij rekenen niet op uw sympathie, maar wij verlangen dat je op uw post bent. Wij zullen u nodeloze kwellingen besparen.” Het korte zeemansantwoord luidt: “Vooruit dan maar.” Allen namen hun plaats in, de commandant besteeg de brug.

Bij het opvaren van de Neva – een jubelend hoera: de matrozen ontvangen de hunnen. Vanaf de in het midden van de rivier liggende “Aurora” schalt een orkest. Antonov begroet de nieuw aangekomenen met een korte toespraak: “Hier zien jullie het Winterpaleis… Dat moet genomen worden.” Er had in de afdeling Kronstadtse matrozen vanzelf een selectie van de meest vastberadenen en stoutmoedigen plaats. Deze matrozen in hun zwarte uniformen, met geweren en patroontassen, zullen tot het einde toe doorzetten. Snel wordt de landing bij de Konogvardejski-boulevard uitgevoerd. Slechts een wacht blijft op het schip achter.

Er zijn nu meer dan genoeg krachten. Op het Nevski – sterke cordons, op de brug van het Jekaterininskikanaal en op de brug van de Mojka pantserauto en luchtdoelartillerie gericht op het Winterpaleis. Aan de andere kant van de Mojka hebben arbeiders machinegeweren verdekt opgesteld. Een pantserwagen houdt de wacht in de Morskajastraat. De Neva en haar bruggen zijn in handen van de aanvallers. Tsjoednovski en tweede luitenant Dasjkevitsj hebben bevel gekregen om troepen uit de garderegimenten naar het Marsveld te zenden. Blagonravov moet van de vesting uit over de bruggen contact met de cordons van het Pavlovskiregiment krijgen. De matrozen die uit Kronstadt aangekomen zijn, treden met de vesting en de eerste vlootbemanning in verbinding. De bestorming zal na een artillerievuur beginnen.

Intussen komen er van de actieve Baltische vloot vijf oorlogsschepen, een kruiser, twee grote en twee kleine torpedoboten. “Hoezeer wij ook aan de reeds aanwezige strijdkrachten genoeg gehad zouden hebben,” schrijft Flerovski, “deed toch het geschenk van de actieve vloot de stemming onder ons allen zeer verbeteren.” Admiraal Verderevski kon vanuit de ramen van de malachietzaal de indrukwekkende revolutionaire flottielje zien, welke niet alleen het paleis en zijn omgeving, maar ook de voornaamste toegangen tot de stad beheerste.

Tegen 4 uur ’s middags ontbood Konovalov telefonisch alle politici die op de hand van de regering waren naar het paleis: de belegerde ministers hadden wat morele steun nodig. Van al wie uitgenodigd was, verscheen enkel Nabokov. De overigen gaven er de voorkeur aan telefonisch van hun medegevoel blijk te geven. Minister Tretjakov beklaagde zich over Kerenski en hun lot: het hoofd van de regering is gevlucht en heeft zijn collega’s onbeschermd in de steek gelaten. – Maar misschien zullen er versterkingen komen? – Misschien. Hoe komt het echter dat deze er nog niet zijn? Nabokov betuigde zijn deelneming, keek heimelijk op zijn horloge en haastte zich weg. Hij ging op tijd weg. Kort na zessen werd het Winterpaleis eindelijk door de troepen van het Militair Revolutiecomité nauw ingesloten: er was nu geen doorgang meer, noch voor versterkingen, noch voor enkelingen.

De ovaal van het beleg werd nauwer en korter uit de richting van de Konogvardejski-boulevard, de Admiraliteitskade, de Morskajastraat, het Nevski Prospekt, het Marsveld, de Milljonajastraat en de Slotkade. Machtige cordons liepen van de tuinhekken van het Winterpaleis die reeds in handen van de belegeraars waren, van de boog tussen het Slotplein en de Morskajastraat, van de gracht bij de Hermitage, van de in de nabijheid van het paleis liggende hekken van de Admiraliteit en het Nevski. Aan de andere kant van de rivier loerde dreigend de Peter-en-Paulsvesting. Vanaf de Neva keken de 15 c.M. kanonnen van de “Aurora.” Torpedoboten patrouilleerden op de rivier stroomop- en stroomafwaarts. De opstand bood in die uren het beeld van militaire manoeuvres op grote schaal.

Er verschenen pantserwagens op het Slotplein, dat ongeveer drie uren geleden door de “jonkers” schoongeveegd was, en deze bezetten de in- en uitgangen. De oude patriottische namen waren nog op de pantsering te zien onder de nieuwe namen die men er snel met rode verf op geschilderd had. De aanvallers op het plein gingen zich onder de bescherming van de stalen monsters steeds veiliger voelen. Een pantserwagen reed tot zeer dicht bij het hoofdportaal van het paleis, ontwapende de op post staande “jonkers” en reed ongehinderd weer weg.

De belegerden konden ondanks de blokkade die eindelijk voltooid was, nog altijd telefonisch met de buitenwereld in verbinding blijven. Weliswaar had om 5 uur een afdeling van het Kexholmregiment het gebouw van het ministerie van oorlog, waardoor het Winterpaleis met het hoofdkwartier verbinding had, bezet. Ook daarna bleef echter klaarblijkelijk een officier nog enkele uren aan het Hughestoestel op de zolderkamer van het ministerie, dat door de overwinnaars vergeten was bij hun onderzoek van het gebouw. Deze verbinding baatte echter toch ook niet. De antwoorden van het Noordelijk front werden steeds vager. Er kwamen geen versterkingen aan. Het geheimzinnig bataljon wielrijders bleef onvindbaar. Kerenski zelf was spoorloos verdwenen. De vrienden in de stad beperkten zich tot steeds meer laconische betuigingen van deelneming. De ministers waren neergedrukt. Waarover viel er nog te spreken, waarop kon men nog hopen? Zij hadden genoeg van elkaar en van zich zelf. Sommigen zaten stompzinnig neer, anderen liepen van de ene hoek naar de andere. Zij keken terug op het verleden, op zoek naar een schuldige. Deze was niet moeilijk te vinden: de democratie! Deze heeft hen in de regering geplaatst, hen een grote last opgelegd en hen op het ogenblik van gevaar zonder hulp achter gelaten. Kadetten en socialisten waren het ditmaal volkomen eens: Ja, de democratie is de schuldige. Weliswaar hadden beide groepen, toen zij de coalitie aangingen, zelfs aan de toch zo dicht bij hen staande Democratische Vergadering de rug toegekeerd. De centrale gedachte van de coalitie was immers de onafhankelijkheid van de democratie. Maar hoe dit ook zij: waartoe bestaat de democratie, als het niet is tot redding van de in nood geraakte burgerlijke regering? De minister van landbouw Maslov, een rechtse sociaal-revolutionair, schreef een stuk dat door hem zelf als postuum aangeduid werd, waarin hij plechtig beloofde niet anders te zullen sterven dan met een vloek aan het adres van de democratie op de lippen. Zijn collega’s haastten zich telefonisch de Doema op de hoogte te brengen van dit noodlottig voornemen. Wat zijn dood betreft bleef het slechts bij het plan, maar aan vloeken was er geen gebrek.

Boven, naast het verblijf van de commandant, bevond zich een eetzaal waar lakeien van het hof de heren officieren een “kostelijk maal met wijn” serveerden. Men kon hier voor een ogenblikje de narigheden vergeten. De officieren gingen de promotiekansen na, maakten afgunstige vergelijkingen en vloekten over de langzame carrière onder de nieuwe regering. Vooral Kerenski moest het ontgelden; gisteren had hij nog in het Voorlopig Parlement gezworen op zijn post te sterven en vandaag was hij, als ziekenverpleegster gekleed, uit de stad gevlucht. Enkele officieren poogden de leden van de regering ervan te overtuigen dat het bieden van verdere tegenstand zinloos was. De energieke Paltsjinski maakte hen voor bolsjewieken uit en poogde zelfs hen te arresteren.

De “jonkers” wilden weten wat er verder moest gebeuren en eisten van de regering dat deze een antwoord zou geven waartoe ze niet in staat was. Tijdens de nieuwe besprekingen tussen de “jonkers” en de ministers kwam Kisjkin uit de generale staf aan met het daarheen door een wielrijder uit de Peter-en-Paulsvesting overgebrachte en aan de generaal-kwartiermeester Poradelov overhandigde ultimatum, dat ondertekend was door Antonov en dat luidde: zich overgeven en het garnizoen van het Winterpaleis ontwapenen, anders zullen de kanonnen van de vesting en de oorlogschepen beginnen te schieten: twintig minuten bedenktijd. Deze termijn was te kort. Poradelov wist nog tien minuten te verkrijgen. De militaire leden van de regering, Manikovski en Verderevski, losten de zaak eenvoudig op. Indien men niet kan vechten, moet men aan een overgave denken, d.w.z. het ultimatum aannemen. De burger-ministers bleven echter halsstarrig. Tenslotte besluit men het ultimatum niet te beantwoorden, maar zich tot de stadsdoema als het enig wettelijk orgaan in de hoofdstad te wenden. De oproep aan de Doema was een laatste poging om het in slaap gesuste democratisch geweten weer wakker te roepen.

Poradelov, die meende dat het noodzakelijk was om het verzet op te geven, verzocht van zijn post ontheven te worden: hij “was niet meer overtuigd van de juistheid van de door de Voorlopige Regering ingeslagen weg.” Aan de twijfel van de overste kwam een einde nog voordat zijn ontslag kon worden aangenomen. Na het verstrijken van de termijn van een half uur bezette een afdeling Roodgardisten, matrozen en soldaten onder leiding van een vaandrig van het Pavlovskiregiment, zonder op tegenstand te stuiten, de generale staf en arresteerde de moedeloos geworden generaal-kwartiermeester. Het was eigenlijk reeds lang mogelijk geweest om de generale staf in te nemen; het gebouw was van binnen volkomen onverdedigd. Vóór het verschijnen van de pantserwagens op het plein waren de belegeraars echter beducht dat zij door een uitval van de “jonkers” uit het Winterpaleis afgesneden zouden kunnen worden.

Het Winterpaleis voelde zich na het verlies van de staf nog eenzamer dan tevoren. De ministers verhuisden vanuit de malachietzaal, vanwaar men op de Neva keek en het oog als het ware wel op een kanon van de “Aurora” moest vallen, naar een van die vele vertrekken in het paleis die op het binnenplein uitkeken. De lichten werden gedoofd. Slechts op één tafel brandde een eenzame lamp, die aan de kant van het raam met een krant afgedekt was.

“Wat staat het paleis te wachten indien de “Aurora” het vuur zal openen?” vroegen de ministers aan hun collega’s van de marine. “Het zal tot een puinhoop geschoten worden,” verklaarde de admiraal zeer spontaan, niet zonder een gevoel van trots op de artillerie van de marine. Verderevski voelde er meer voor zich over te geven en wilde graag de burgers die te onpas de held uithingen angst aanjagen. De “Aurora” schoot echter niet. Ook de vesting zweeg. Misschien zullen de bolsjewieken het toch niet wagen hun dreigement uit te voeren?

Generaal Bagratuni, die Polkovnikov opgevolgd was omdat deze laatste niet standvastig genoeg was, achtte de tijd gekomen om te verklaren dat hij ervan afzag om nog langer zijn plicht als districtscommandant te vervullen. De generaal werd op bevel van Kisjkin als “onwaardig” afgezet en hem werd verzocht het paleis meteen te verlaten. De vroegere commandant liep, toen hij uit de poort naar buiten trad, in de armen van matrozen die hem naar de Baltische vlootbemanning brachten. Het had de generaal slecht kunnen vergaan indien niet Podvojski, die de fronten voor de laatste aanval inspecteerde, de ongelukkige legeraanvoerder onder zijn hoede genomen had.

Vanuit de naburige straten en kaden keken velen toe hoe het paleis, dat zo-even nog in het licht van honderden elektrische lampen geschitterd had, plotseling in duisternis gehuld werd. Er bevonden zich ook vrienden van de regering onder de kijkers. Een strijdmakker van Kerenski, Redemeister, schreef: “De duisternis waarin het Winterpaleis werd gedompeld, was geheimzinnig dreigend.” De vrienden deden geen pogingen om het geheim te ontraadselen. Men moet ook toegeven dat zij niet veel kans daartoe hadden.

Verborgen achter de stapels hout hielden de “jonkers” angstvallig de cordons op het Slotplein in het oog en reageerden op elke beweging van de vijand met geweer- en machinegeweervuur. Men antwoordde hen op dezelfde wijze. De schietpartij nam tegen de nacht in hevigheid toe. De eerste doden en gewonden vielen. De slachtoffers waren echter slechts weinig in aantal. Op het plein, op de kade en in de Milljonajastraat drongen de belegeraars zich tegen de balustrades, verborgen zich achter vooruitspringende gedeelten, verstopten zich in nissen en drukten zich tegen de muren. Bij de reserve warmden soldaten en reservisten zich aan de brandstapels die met het invallen van de duisternis begonnen te roken. En scholden een beetje op de traagheid van de leiders.

In het Winterpaleis hadden de “jonkers” post gevat in de gangen, op de trappen en op het binnenplein; de posten buiten stonden tegen de balustrades en de muren gedrukt. Het gebouw dat duizenden kon herbergen, bevatte slechts enkele honderden aanwezigen. De reusachtige ruimten achter het cordon van de verdedigers leken uitgestorven. Het merendeel van het personeel hield zich verborgen of was weggelopen. Vele officieren hadden zich in de buffetzaal verborgen, waar zij de bedienden, die zich nog niet uit de voeten hadden kunnen maken, ertoe dwongen steeds weer nieuwe legers flessen wijn aan te dragen. Het drinkgelag van de officieren in het stervend paleis kon niet verborgen blijven voor de “jonkers”, de Kozakken, de invaliden en de stootbrigadiers. De ontknoping werd niet alleen buiten het gebouw, maar ook daarbinnen voorbereid.

De officier van een korps artillerie meldde plotseling aan de commandant van de verdediging dat de kanonnen op de affuiten geplaatst waren en dat de “jonkers,” overeenkomstig het bevel van de directeur van de Konstantinovskischool, wegtrokken. Dit was een verraderlijke daad! De commandant poogde zich te verzetten: hij alleen had hier te bevelen. De “jonkers” wisten dit ook wel, maar gaven er de voorkeur aan om de directeur van de school te gehoorzamen, die op zijn beurt onder druk van de commissaris van het Militair Revolutiecomité handelde. Het grootste deel van de artilleristen verliet met vier van de zes kanonnen het paleis. Toen zij op het Nevski door een patrouille soldaten werden aangehouden, poogden zij tegenstand te bieden, maar werden door de afweertroepen van het Pavlovskiregiment, die met een pantserwagen toesnelden, ontwapend en met twee kanonnen naar de kazerne van het regiment gestuurd; de twee overige kanonnen werden op het Nevski en op de Mojkabrug, met de mond tegen het Winterpaleis gericht, opgesteld.

De twee compagnieën uit de Oeral wachtten tevergeefs op de komst van nieuwe kameraden. Savinkov, die nauw met de sovjet van de Kozakkenlegers verbonden en door deze zelfs naar het Voorlopig Parlement afgevaardigd was, deed met behulp van generaal Alexejev moeite om de Kozakken in beweging te brengen. De leiders van de Kozakkensovjet konden echter, zoals Miljoekov terecht opmerkt, “evenmin over de Kozakkenregimenten beschikken als de staf over de troepen van het garnizoen.” Nadat de zaak van alle kanten besproken was, verklaarden de Kozakkenregimenten definitief dat zij zonder infanterie niet zouden vechten en ze boden hun diensten aan het Militair Revolutiecomité aan om de eigendommen van de staat te bewaken. Tegelijkertijd besloot het Oeralregiment afgevaardigden naar het Winterpaleis te zenden om de twee compagnieën naar de kazerne terug te halen. Dit voorstel was geheel overeenkomstig de stemming die er onder de “ouden” van de soldaten uit de Oeral ontstaan was. Niets anders dan vreemden om zich heen: “jonkers,” onder wie heel wat Joden, invalide officieren en dan nog de stootbrigadiersters. Met boze, dreigende gezichten pakten de Kozakken hun ransels. Overreding baatte niet. Wie bleef nog over om Kerenski te beschermen? “Joden en vrouwen… het Russische volk is echter daar, aan de kant van Lenin blijven staan.” Bij de Kozakken kwam er een verbinding met de belegeraars tot stand en deze openden voor hen een doorgang die tot nu toe niet aan de verdediging bekend geweest was. Tegen negen uur ’s avonds verlieten de soldaten uit de Oeral het Winterpaleis. Zij lieten enkel hun machinegeweren achter bij de verdedigers van een zaak die hopeloos was.

De bolsjewieken waren reeds eerder langs dezelfde weg, nl. vanaf de Milljonajastraat, in het paleis doorgedrongen om de tegenstander te ondermijnen. Steeds vaker stuitte men in de gangen op geheimzinnige, naast “jonkers” lopende figuren. De tegenstand was nutteloos. De opstandelingen hadden de stad en de stations in hun macht, versterkingen waren er niet en in het paleis “loog men eenvoudig naar oude gewoonte verder.” Wat nu te doen, vroegen de “jonkers.” De regering weigert directe bevelen te geven. De ministers zelf blijven bij hun vroeger besluit dat de anderen mogen handelen zoals zij willen. Dit betekende dat er een vrije aftocht uit het paleis geproclameerd werd voor iedereen die dat wenste. De regering gaf bij haar optreden noch blijk van inzicht noch van wilskracht. De ministers wachtten in lijdzaamheid hun lot af. Maljantovitsj vertelde later: “Ten ondergang gedoemde mensen die slechts nu en dan allen samen of in kleine groepjes voor een kort onderhoud bijeenkwamen; eenzamen, door iedereen verlaten, doolden als in een reusachtige muizenval rond. Er was een leegte om ons en een leegte in ons. En steeds meer kwam men tot doffe onverschilligheid.”

Antonov-Ovssejenko heeft met Blagonravov afgesproken dat er een rode lantaarn in de mast van de vesting gehesen zal worden, zodra de omsingeling van het Winterpaleis voltooid is. Op dit signaal lost de “Aurora” een schot in de lucht om angst aan te jagen. Indien de belegerden zich niet overgeven, begint de vesting het paleis te beschieten met schoten uit licht veldgeschut. Geeft het Winterpaleis zich ook dan nog niet over, dan opent de “Aurora” een echt vuur uit haar kanonnen. Het doel van deze volgorde was om het aantal slachtoffers en beschadigingen tot een minimum te beperken, indien het niet zou lukken om deze geheel te vermijden. De ingewikkelde uitvoering van de op zich zelf eenvoudige taak dreigde echter tot tegenovergestelde resultaten te leiden. Er moeten onvermijdelijk moeilijkheden bij de uitvoering rijzen. Zij beginnen reeds bij de rode lantaarn: deze is niet bij de hand. Men zoekt, verliest tijd, vindt haar eindelijk. Het is echter niet zo eenvoudig haar zo aan de mast te bevestigen dat zij van alle kanten te zien is. Steeds weer nieuwe pogingen worden gedaan met een twijfelachtig resultaat. En de kostbare tijd gaat verloren. De grootste moeilijkheden beginnen echter met de artillerie. Volgens de mededeling van Blagonravov kon men de beschieting van het paleis op het eerste signaal ’s middags reeds beginnen. In werkelijkheid liep het heel anders. Daar er geen vaste artillerie in de vesting was, ziet men af van het voorlaadkanon dat het middaguur aankondigde en was men genoodzaakt veldgeschut op de vestingmuren op te stellen. Dit deel van het programma was tegen de middag feitelijk uitgevoerd. Het was echter slecht gesteld met de bediening van het geschut. Men wist van tevoren dat de compagnie artilleristen die in juli niet aan de zijde van de bolsjewieken gevochten had weinig betrouwbaar was. Nog kort geleden had zij op bevel van de staf gehoorzaam een brug bewaakt. Al was er ook geen stoot in de rug van haar te duchten, zo wenste zij toch niet voor de Sovjets in het vuur te gaan. Toen het uur tot handelen aangebroken was, meldde een vaandrig dat de kanonnen verroest waren, de compressors zonder olie waren en dat het niet mogelijk was te schieten. Hoogstwaarschijnlijk waren de kanonnen inderdaad niet in orde, maar dat is niet het belangrijkste: de artilleristen onttrokken zich eenvoudig aan de verantwoordelijkheid en leidden de onervaren commissaris om de tuin. Antonov kwam ziedend van woede in een barkas aangevaren. Wie stuurt het plan in de war? Blagonravov vertelt hem van de lantaarn, de olie en de vaandrig. Beide begeven zich naar de kanonnen. Nacht, duisternis en op de binnenplaats plassen tengevolge van de pas gevallen regen. Van de andere oevers van de rivier dringt van de kant van het Winterpaleis een heftig geweervuur en geknetter van machinegeweren door. Blagonravov raakt in het donker de weg kwijt. Antonov dwaalt door plassen wadend, brandend van ongeduld, struikelend en in de modder vallend, op de donkere binnenplaats achter de commissaris aan. “Bij een van de zwak flakkerende lantaarns,” vertelt Blagonravov… “bleef Antonov plotseling staan en keek mij onderzoekend over zijn bril heen scherp aan. Ik las een verholen onrust in zijn blik.” Antonov speurde een ogenblik verraad waar slechts lichtvaardigheid was.

Tenslotte heeft men de plaats waar de kanonnen staan, gevonden. De artilleristen blijven erbij: roest… compressors… olie. Antonov laat manschappen om de kanonnen te bedienen van de marinetroepen halen en het signaal moet dan maar uit het ouderwetse kanon dat het middaguur aankondigt gegeven worden. De artilleristen zijn echter verdacht lang bezig met het signaalkanon. Zij voelen zeer goed dat ook de leiding, hoewel deze nu niet meer verwijderd aan de telefoon maar hier vlak naast hen is, niet vastberaden genoeg is om tot een artilleriegevecht over te gaan. Reeds in de moeilijkheden bij de voorbereiding van de artilleriebeschieting speurt men de gedachte dat het misschien toch nog mogelijk is dat deze achterwege blijft.

Iemand komt door de duisternis van het paleisplein aangesneld, nadert steeds meer, struikelt, valt in de modder, vloekt, maar niet boos, doch verheugd, en schreeuwt buiten adem: “Het Winterpaleis heeft zich overgegeven. De onzen zijn daarbinnen!” Omhelzingen van blijdschap. Hoe gelukkig dat er een vertraging ontstaan was! Dat hadden wij wel gedacht. De compressors zijn plotseling vergeten. Maar waarom houdt die schietpartij aan de andere kant van de rivier niet op? Verzetten zich wellicht nog enkele groepen “jonkers” tegen de overgave? Of is er een misverstand? Het goede nieuws bleek een misverstand te zijn: niet het Winterpaleis is genomen, maar de generale staf. Het beleg van het paleis duurt voort.

Na een geheime overeenkomst met een groep “jonkers” van de school te Oranienbaum slaagt Tsjoednovski erin het paleis door te dringen om te onderhandelen. Deze tegenstander van de opstand laat geen gelegenheid voorbijgaan om zich in het vuur te storten. Paltsjinski laat de vermetele gevangen nemen, maar is onder druk van de school van Oranienbaum genoodzaakt om zowel Tsjoednovski als een deel van de “jonkers” los te laten. Zij slepen enkele ridders van St. George mee. De plotselinge verschijning van de “jonkers” op het plein brengt de cordons in verwarring. Wanneer de belegeraars dan echter vernemen dat het mensen zijn die zich overgeven, komt er geen einde aan de vreugdekreten. Er heeft zich echter slechts een kleine minderheid overgegeven. De rest zet de verdediging van achter hun dekkingen voort. De schoten van de aanvallers nemen toe. Het schelle elektrische licht op de binnenplaats maakt het gemakkelijker op de “jonkers” te mikken. Met moeite slagen ze erin de lantaarns te doven. Een onbekende schakelt het licht weer aan. De “jonkers” schieten op de lantaarns, vinden vervolgens een monteur en dwingen hem de stroom uit te schakelen.

De stootbrigadiersters geven plotseling hun voornemen te kennen om een uitval te doen. Zij hadden gehoord dat in de staf de schrijvers naar de zijde van Lenin overgegaan waren en dat deze, nadat zij een deel van de officieren ontwapend hadden, generaal Alexejev, de enige man die Rusland redden kon, gearresteerd hadden: men moest hem tot elke prijs bevrijden. Het gelukt de commandant niet hen van hun hysterisch plan te weerhouden. Op het ogenblik van de uitval vlamt het licht van de hoge elektrische lantaarns terzijde van de poort weer op. De officier stort zich op zoek naar een monteur woedend op de bedienden: hij ziet in de vroegere lakeien van de tsaar revolutionaire agenten. Nog minder vertrouwt hij de monteur van het Slot: “Ik zou je allang naar de andere wereld geholpen hebben als we je niet nodig hadden.” Ondanks de bedreigingen met de revolver kan de monteur niet helpen, zijn schakelbord is stroomloos, de elektrische centrale door matrozen bezet en deze beschikken over het licht. De stootbrigadiersters houden het vuur niet uit en geven zich voor het merendeel over. De commandant van de verdediging zendt een luitenant om aan de regering te melden dat de uitval van de stootbrigadiersters tot hun ondergang leidde en dat het paleis wemelde van propagandisten. De mislukking van de uitval doet een pauze ontstaan, ongeveer van 10 tot 11 uur: de belegeraars zijn klaarblijkelijk bezig de artilleriebeschieting voor te bereiden.

De onverwachte pauze wekt enige hoop bij de belegerden. De ministers pogen weer hun aanhangers in de stad en op het platteland moed in te spreken: “De regering is met uitzondering van Prokopovitsj voltallig op haar post. De toestand is als gunstig te beschouwen… Het paleis wordt beschoten, maar slechts met geweervuur en zonder enig resultaat. We constateren dat de vijand te zwak is.” In werkelijkheid is de vijand almachtig, maar komt hij er niet toe om zijn kracht te gebruiken zoals hij dit zou kunnen doen. De regering zendt een communiqué rond over het ultimatum, over de “Aurora”, over het feit dat zij, de regering, de macht slechts aan de Constituerende Vergadering kon overgeven, alsook over het feit dat de eerste aanval op het Winterpaleis afgeslagen was. “Laat leger en volk het antwoord geven.” De ministers zeiden niet op welke manier dit antwoord gegeven moest worden.

Lasjevitsj zond intussen twee artilleristen van de marine naar de vesting. Deze zijn weliswaar niet erg ervaren, maar het zijn bolsjewieken die bereid zijn om zelfs uit de verroeste kanonnen zonder olie in de compressors te schieten. En dit wordt juist van hen verlangd. Het geluid van de artillerie is momenteel belangrijker dan haar trefzekerheid. Antonov beveelt om te beginnen. Men houdt hardnekkig vast aan de vooraf bepaalde volgorde. “Na het signaalschot van de vesting,” vertelt Flerovski, “bulderde de Aurora. Het gebulder en de vuurstraal zijn bij een los schot veel sterker dan bij een scherp schot. De nieuwsgierigen stormden van de granieten balustrade van de kade weg, wierpen zich op de grond en kropen voort…” Tsjoednovski haast zich de vraag te stellen of men de belegerden niet zou voorstellen om zich over te geven? Antonov stemt terstond met hem in. Wederom een pauze. Een groep stootbrigadiersters en “jonkers” geeft zich over. Tsjoednovski wil hen de wapens laten houden, maar Antonov protesteert tijdig tegen deze al te grote edelmoedigheid. Nadat zij de geweren voor de poort op een hoop gelegd hadden, verwijderden de capitulanten zich onder escorte door de Milljonajastraat.

Het Winterpaleis houdt nog altijd stand. Er moet een eind aan gemaakt worden! Het bevel is gegeven. Het vuur is geopend, hoewel geen heftig en nog veel minder een doeltreffend vuur. Van de gedurende anderhalf à twee uur geloste vijfendertig schoten waren er slechts twee treffers en ook deze beschadigden slechts het pleisterwerk. De overige schoten gingen over het paleis heen, gelukkig zonder schade in de stad aan te richten. Kwam dit werkelijk door onkunde? Men vuurde toch over de Neva heen regelrecht op een zo groot doel als het paleis: daarvoor is geen grote kennis vereist? Moet men niet veeleer aannemen dat zelfs de artilleristen van Lasjevitsj met opzet over het doel heen schoten in de hoop op een afloop zonder verwoestingen en doden? Men kan moeilijk de motieven nagaan waardoor de beide naamloze matrozen geleid werden. Zijzelf hebben nooit meer van zich laten horen: zijn zij in het eindeloze Russische dorp opgegaan of hebben zij, als zo velen van de Oktoberstrijders, hun leven gelaten in de burgeroorlog van de volgende maanden en jaren?

Kort na de eerste schoten bracht Paltsjinski een granaatsplinter aan de ministers. Admiraal Verderevski herkende de splinter als de zijne, als een van de marine: van de “Aurora”. De kruiser had echter slechts losse schoten gelost. Dat was afgesproken, dat verklaart Flerovski en dat rapporteerde later een matroos aan het Sovjetcongres. Vergiste de admiraal zich? Vergiste de matroos zich? Hoe kan men een kanonschot controleren dat in het holst van de nacht door een opstandig schip gelost is tegen het tsarenpaleis waar de laatste regering van de bezittenden de laatste adem uitblies?

Het garnizoen van het paleis schrompelde sterk ineen. Terwijl het op het ogenblik van de aankomst van de soldaten uit de Oeral, de invaliden en de stootbrigadiersters vijftienhonderd, misschien zelfs tweeduizend man geteld had, had het er nu slechts duizend of misschien nog een veel kleiner aantal. Slechts een wonder kon nog redding brengen. Maar zie, daar komt in de hopeloze sfeer van het Winterpaleis weliswaar geen wonder, maar dan toch het nieuws van de nadering van een wonder. Paltsjinski meldt dat men zo juist uit de stadsdoema getelefoneerd had, dat de burgers opbraken om de regering te bevrijden. “Zeg aan iedereen,” beveelt hij aan Sinegoeb, “dat het volk onderweg is hierheen.” De officier snelt over de trappen en de gangen met het verheugende nieuws. Hij ontmoet dronken officieren die met hun sabels vechten, overigens zonder dat er bloed vloeit. De “jonkers” heffen het hoofd op. Van mond tot mond gaande wordt het nieuws steeds meer gekleurd en aangedikt. Politici, kooplieden, het volk met de geestelijkheid aan het hoofd zijn onderweg, om het paleis te ontzetten. Het volk met de geestelijkheid aan het hoofd: “Dat zal een mooi gezicht zijn!” De laatste resten van energie flakkeren nog eens op. “Hoezee, leve Rusland!” De “jonkers” uit Oranienbaum die reeds op het punt gestaan hadden om weg te trekken, kwamen op hun besluit terug en bleven.

Het duurt echter lang voor het volk met de geestelijkheid komt. Het aantal propagandisten in het paleis neemt toe. Dadelijk zal de “Aurora” beginnen te vuren, fluistert men in de gangen, en dit gefluister gaat van mond tot mond. Plotseling – twee ontploffingen. Matrozen slopen in het paleis binnen en wierpen van de galerij twee handgranaten waardoor twee jonkers licht gewond werden. De matrozen werden gearresteerd en de gewonden werden door Kisjkin, die arts van beroep was, verbonden.

De vastberadenheid van de arbeiders en matrozen is groot, maar zij is nog niet tot verbittering overgegaan. Om zich dit niet op de hals te halen, passen de belegerden, die verreweg de zwakste partij zijn, er wel voor op de in het paleis binnendringende agenten van de vijand streng te behandelen. Fusillades hebben er niet plaats. De ongenode gasten duiken nu niet meer afzonderlijk, maar groepsgewijs op. Het paleis gelijkt steeds meer op een zeef. Wanneer de “jonkers” zich op de indringers storten, laten deze zich ontwapenen. “Wat een lafaards!” zegt Paltsjinski vol verachting. Neen, deze mensen zijn niet laf. Er is een grote moed voor nodig om ertoe te besluiten in het paleis vol officieren en “jonkers” binnen te dringen. Er blijft de vermetelen in het doolhof van het onbekende gebouw, in de donkere gangen, tussen ontelbare muren, waarvan men niet weet waarheen zij leiden en wat er achter deze dreigt, niets anders over dan zich over te geven. Het aantal gevangenen stijgt. Nieuwe groepen breken door. Spoedig is het niet altijd meer duidelijk wie zich overgeeft en wie ontwapent. De artillerie hamert.

Met uitzondering van de direct aan het Winterpaleis grenzende wijk ging het straatleven tot diep in de nacht gewoon door. Schouwburgen en bioscopen speelden. Het leek alsof het de degelijke en beschaafde kringen van de hoofdstad niet aanging dat hun regering beschoten werd. Redemeister zag bij de Troïzkibrug rustig naderende voorbijgangers die door de matrozen aangehouden werden. Er was niets bijzonders te zien. Redemeister hoorde van kennissen die uit de richting van het Volkshuis kwamen, onder het gedreun van de kanonnade, dat Sjaljapin in “Don Carlos” voortreffelijk geweest was. De ministers bleven in de muizenval ronddolen.

“Men heeft geconstateerd dat de aanvallers zwak zijn.” Misschien komen er nog tijdig versterkingen en houdt men nog een uur stand? Kisjkin riep in het holst van de nacht de secretaris van de minister van financiën, Chroesjtsjev, die eveneens kadet was, aan de telefoon en verzocht hem de partijleiders mee te delen dat de regering toch een beetje ondersteuning nodig had om tot het aanbreken van de morgen te kunnen volhouden, wanneer immers Kerenski eindelijk met de troepen zou moeten aankomen. “Wat is dat voor een partij,” vroeg Kisjkin zich verontwaardigd af, “die niet eens in staat is om driehonderd gewapende mannen te sturen?” Inderdaad, wat is dat voor een partij? De kadetten die in Petrograd bij de verkiezingen tienduizenden stemmen wisten te verenigen, konden op het moment van doodsgevaar voor het burgerlijk regime geen driehonderd strijders leveren. Indien de ministers op de gedachte gekomen waren om in de bibliotheek van het Slot de materialist Hobbes op te slaan, hadden zij in diens dialogen over de burgeroorlog kunnen lezen dat men moed noch verwachten noch eisen mag van rijk geworden kooplieden “die slechts hun eigen ogenblikkelijk voordeel zien en volkomen de kluts kwijt raken, alleen reeds bij de gedachte aan de mogelijkheid dat zij geplunderd zouden kunnen worden.” Hobbes zal echter wel niet in de bibliotheek van de tsaar te vinden geweest zijn. Ook stond het hoofd van de ministers niet naar geschiedenisfilosofie. Kisjkins gesprek was het laatste telefoongesprek vanuit het Winterpaleis.

Het Smolny eist beslist dat het tot een ontknoping komt. Men mag het beleg niet tot morgen rekken, de stad in spanning houden, het congres zenuwachtig maken en alle successen op losse schroeven zetten. Lenin zendt woedende briefjes. Vanuit het Militair Revolutiecomité volgt de ene oproep op de andere. Podvojski geeft antwoorden die getuigen van ergernis. Men zou de massa’s tot de stormloop kunnen doen overgaan, want er zijn genoeg mensen die daartoe bereid zijn. Hoeveel slachtoffers zal dit echter tengevolge hebben? En wat zal er van de ministers en de “jonkers” worden? Het is echter al te dringend noodzakelijk om de zaak ten einde te brengen. Er blijft niets anders over dan de artillerie van de marine een woordje te laten meespreken. Een matroos van de “Aurora” brengt uit de Peter-en-Paulsvesting een papiertje waarop staat dat men terstond het paleis moet gaan beschieten. Nu is toch alles gereed? Het zal niet aan de artilleristen van de “Aurora” liggen indien de zaak mislukt. Het ontbreekt de leiders echter nog altijd aan vastberadenheid. Men doet een nieuwe poging tot uitstel. “Wij hadden besloten nog een kwartier te wachten,” schrijft Flerovski, “omdat wij instinctief de mogelijkheid van een wijziging in de toestand voelden.” Onder instinct is hier de vurige hoop te verstaan dat de zaak met louter demonstratieve middelen beslist zou kunnen worden. En het “instinct” heeft ditmaal niet gefaald: na afloop van het kwartier komt een nieuwe bode aangesneld, regelrecht uit het Winterpaleis: het paleis is genomen!

Het paleis had zich niet overgegeven, het werd bestormd op een moment dat de weerstandskracht van de vijand reeds volkomen gebroken was. Er waren, nu niet meer door geheime gangen, maar over het verdedigde binnenplein, ongeveer honderd vijanden in de gang binnengedrongen, die de gedemoraliseerde wacht voor een deputatie van de stadsdoema gehouden had. Zij konden echter toch nog ontwapend worden. Een groep “jonkers” verwijderde zich in de verwarring. De overigen, of althans een deel van hen, verrichtten nog verder hun wachtdienst. De barrière van bajonetten en geweervuur tussen de aanvallers en de verdedigers is echter definitief verdwenen.

Het aan de Hermitage grenzend deel van het paleis is reeds met vijanden overstroomd. De “jonkers” pogen hen in de rug aan te vallen. In de gangen zijn er geheimzinnige ontmoetingen en botsingen. Iedereen is tot aan de tanden gewapend. Revolvers in de opgeheven hand. Handgranaten aan de gordels. Niemand schiet echter en niemand slingert granaten, want vriend en vijand zijn zo vermengd dat zij niet van elkaar te scheiden zijn. Maar het lot van het Winterpaleis is in elk geval reeds beslist!

Arbeiders, soldaten en matrozen rukken buiten in gelederen en groepen op, verdrijven de “jonkers” van de barricaden, dringen over de binnenplaats binnen, treffen op de trappen samen met de jonkers, dringen deze terug, werpen hen neer en jagen hen voor zich uit. Een nieuwe golf volgt hen reeds. Het plein stort zich uit op de binnenplaats, de binnenplaats stort zich uit in het paleis en stroomt over trappen en gangen. Op de vervuilde parketvloer tussen matrassen en broden liggen mensen, geweren en granaten. De overwinnaars vernemen dat Kerenski daar niet is, en een bitter gevoel van teleurstelling mengt zich even bij hun levendige vreugde. Antonov en Tsjoednovski zijn in het paleis. Waar is de regering? Hier bij deze deur, waarbij “jonkers” in een laatste houding van verzet verstarren. De commandant van de wachtposten stormt bij de ministers binnen met de vraag of deze bevelen dat men zich tot het laatste toe zal verzetten? Neen, neen, de ministers bevelen dit niet. Het paleis is toch immers bezet. Men wil geen bloed vergieten. Men moet voor het geweld wijken. De ministers willen zich waardig overgeven en gaan om de tafel zitten zodat het lijkt alsof er een zitting aan de gang is. De commandant van de verdediging had intussen het paleis overgegeven en daarbij bedongen dat het leven van de “jonkers,” waarop trouwens niemand van zin was een aanslag te doen, gespaard zou worden. Over het lot van de regering weigerde Antonov enige onderhandeling te beginnen.

De “jonkers” voor de laatste bewaakte deur worden ontwapend. De overwinnaars stormen in de kamer van de ministers binnen. “Voor iedereen uit en trachtend de opdringenden tegen te houden, liep een kleine, onaanzienlijke man; zijn kleren waren in de war en de breedgerande hoed stond scheef. Op zijn neus bleef met moeite een lorgnet staan, maar de kleine ogen schitterden van overwinningsroes en woede tegen de overwonnenen.” Met deze kleinerende woorden wordt Antonov geschilderd. Het is gemakkelijk te begrijpen dat zijn kleren en zijn hoed in de war waren. Men hoeft slechts aan de nachtelijke tocht door de plassen van de Peter-en-Paulsvesting terug te denken. Een triomferend gevoel was er ongetwijfeld in zijn ogen te lezen; maar stellig geen woede tegen de overwonnenen. “Ik verklaar u, leden van de Voorlopige Regering, voor gearresteerd,” verkondigde Antonov in naam van het Militair Revolutiecomité. De klok wijst tien minuten na twee in de nacht van 26 oktober. “De leden van de Voorlopige Regering buigen zich voor het geweld en geven zich over om bloedvergieten te voorkomen,” antwoordde Konovalov. Het nodige ceremonieel is in acht genomen.

Antonov riep vijfentwintig gewapende lieden op, die uit de afdelingen die het eerst in het paleis binnengedrongen waren, gehaald werden, en belastte hen met de bewaking van de ministers. De gearresteerden werden, nadat er een protocol opgemaakt was, naar buiten gebracht op het plein. De menigte, onder wie doden en gewonden gevallen waren, ontbrandt inderdaad in woede tegen de overwonnenen. “Doodschieten! Dood!” Sommige soldaten pogen handtastelijkheden tegen de ministers te beginnen. Roodgardisten kalmeren de woestelingen: bezoedelt de proletarische overwinning niet! Gewapende arbeiders omringen de gevangenen en het escorte met een dichte haag. “Voorwaarts mars!” Men behoeft niet ver te gaan; door de Milljonajastraat en over de Troïzkibrug. De opwinding onder de menigte maakt echter de korte weg lang en vol gevaren. Minister Nikitin schreef later niet ten onrechte dat de gevolgen zonder het energiek optreden van Antonov “zeer ernstig” hadden kunnen zijn. De stoet werd tot overmaat van ramp op de brug aan een ongeregelde beschieting blootgesteld: de gevangenen en het escorte moeten zich op de grond laten vallen. Ook hier ondervond echter niemand nadeel: men schoot klaarblijkelijk over hen heen, om schrik aan te jagen. Het enge clublokaal van het garnizoen van de vesting, dat met een enkele walmende petroleumlamp verlicht wordt – het elektrische licht weigerde vandaag de dienst – is gevuld met enkele tientallen mensen. Antonov roept in bijzijn van de commissaris van de vesting de ministers bij hun naam op. Zij zijn met achttien, de secretarissen meegerekend. De laatste formaliteiten zijn beëindigd en de gevangenen worden naar de cellen van het historisch Troebetzkoibastion weggeleid. Van de verdedigers is niemand gearresteerd: de officieren en de “jonkers” zijn vrijgelaten op hun erewoord dat zij niets tegen de Sovjetmacht zullen ondernemen. Slechts weinigen hebben hun woord gehouden.

Meteen na de inname van het Winterpaleis verspreidden zich geruchten over fusillades van “jonkers,” verkrachtingen van stootbrigadiersters en plunderingen van de schatten van het paleis in burgerlijke kringen. Al deze legenden waren reeds lang weerlegd toen Miljoekov in zijn Geschiedenis schreef: “De stootbrigadiersters die niet door kogels omgekomen of door de bolsjewieken gevangen genomen waren, moesten die avond en die nacht verschrikkelijke dingen van de kant van de soldaten ondergaan, zij werden mishandeld en doodgeschoten.” In werkelijkheid werd niemand doodgeschoten en had dit met het oog op de stemming van beide partijen in die tijd ook niet kunnen gebeuren. Nog meer ondenkbaar waren gewelddaden, vooral in het paleis, dat behalve door enkele willekeurige individuen door honderden revolutionaire arbeiders met het geweer in de hand betreden werd.

Pogingen tot plundering kwamen inderdaad voor, maar bij deze bleek juist de tucht onder de overwinnaars. John Reed, die geen dramatische gebeurtenis in de revolutie verzuimde en het Winterpaleis onmiddellijk na de eerste cordons betrad, vertelt hoe in de kelders een groepje soldaten met hun geweerkolven de deksels van kisten openbrak en vandaar tapijten, linnen, porselein en glas naar buiten sleepte. Het is niet onmogelijk dat hier onder het mom van soldaten echte plunderaars aan het werk waren, plunderaars die zich in het laatste jaar van de oorlog altijd onder het soldatenuniform plachten te verbergen. De plunderingen waren juist begonnen toen iemand riep: “Kameraden, nergens aankomen, dit alles is eigendom van het volk.” Een soldaat zette zich aan een tafel bij de uitgang neer met pen en inkt; twee Roodgardisten met revolvers plaatsten zich naast hem. Iedereen die naar buiten ging, werd onderzocht en elk geroofd voorwerp afgenomen en genoteerd. Zo werden de beeldjes, flessen met inkt, kaarten, dolken, stukken zeep en struisveren opgestapeld. Ook de “jonkers” wier zakken met geplunderde rommel volgepropt waren, werden aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. De soldaten overstelpten de “jonkers” met scheldwoorden en dreigementen, maar daar bleef het bij. Intussen werd een paleiswacht met de matroos Prichodjo aan het hoofd gevormd. Overal werden posten geplaatst. Het paleis werd van vreemde elementen gezuiverd. Na enkele uren wordt Tsjbednovski tot commandant van het Winterpaleis benoemd.

Waar was echter het volk gebleven dat zich onder aanvoering van de geestelijkheid in beweging gezet had om het paleis te bevrijden? Wij zijn genoodzaakt om iets te zeggen over deze heldhaftige poging, waarvan het nieuws de gemoederen van de “jonkers” een ogenblikje zo geschokt had. De stadsdoema was het centrum van de antibolsjewistische krachten. Haar gebouw op het Nevski was als een kokende ketel. Partijen, fracties, subfracties, groepen, groepjes en invloedrijke personen zonder meer beraadslaagden daar over het misdadig avontuur van de bolsjewieken. Aan de in het Winterpaleis smachtende ministers werd van tijd tot tijd telefonisch meegedeeld dat de opstand onder de druk van de algemene verontwaardiging onvermijdelijk moest verstikken. Het ene uur na het andere verstreek over dit moreel isolement van de bolsjewieken. Intussen begon de artillerie te spreken. Minister Prokopovitsj, die in de loop van de morgen gevangen genomen en spoedig weer vrijgelaten was, klaagt er met een door tranen verstikte stem bij de Doema over dat hem nu de mogelijkheid ontnomen is het lot van zijn collega’s te delen. Men betuigt hem oprechte deelneming en dit eist de nodige tijd.

Uit de overstelpende reeks ideeën en redevoeringen groeit eindelijk onder stormachtige bijval van de gehele zaal een praktisch plan: de Doema zal voltallig naar het Winterpaleis trekken om zo nodig samen met de regering onder te gaan. Sociaal-revolutionairen, mensjewieken en coöperators zijn allen evenzeer bereid om de ministers te redden of samen met hen te vallen. De kadetten, die in het algemeen niet veel voor gevaarlijke ondernemingen voelen, willen ditmaal samen met de anderen hun leven laten. Plattelanders die toevallig in de zaal aanwezig zijn, journalisten van de Doema en velen uit het publiek vragen in min of meer verheven bewoordingen om het lot van de Doema te mogen delen. Dit wordt hen toegestaan.

De bolsjewistische fractie poogt een prozaïsche raad te geven, nl. in plaats van in het donker de dood zoekend door de straten te dwalen, liever de ministers telefonisch te gelasten zich over te geven zonder het op bloedvergieten te laten aankomen. De democraten zijn echter verontwaardigd: de agenten van de opstand zouden hen niet alleen de macht maar ook het recht op een heldendood willen ontnemen! De afgevaardigden van de stad besluiten om een persoonlijke stemming te houden om zich voor de geschiedenis te rechtvaardigen. Tenslotte komt de dood, zelfs een roemrijke dood, nooit te laat. Tweeënzestig afgevaardigden van de stadsdoema bekrachtigen: Ja, wij gaan werkelijk om onder de puinhopen van het Winterpaleis om te komen. Hierop antwoorden veertien bolsjewieken dat het beter is om met het Smolny te overwinnen dan met het Winterpaleis om te komen en ze begeven zich meteen naar de zitting van het Sovjetcongres. Slechts drie mensjewieken-internationalisten blijven binnen de vier muren van de Doema achter: zij weten niet waarheen te gaan en waarvoor te sterven.

De Doema stond reeds op het punt haar laatste tocht te beginnen toen het gerinkel van de telefoon haar het nieuws bracht dat het gehele Uitvoerende Comité van de boerenafgevaardigden onderweg was om zich bij haar aan te sluiten. De vreugde kon niet op. Nu is het beeld volmaakt: de vertegenwoordigers van de honderd miljoenen boeren gaan samen met de vertegenwoordigers van alle klassen van de bevolking in de steden om door de hand van een nietig groepje onderdrukkers te sterven. Er is geen gebrek aan woorden en applaus.

Na de aankomst van de boerenafgevaardigden zette de stoet zich eindelijk op het Nevski in beweging. Aan het hoofd van de stoet lopen de eerste burgemeester Schreider en minister Prokopovitsj. John Reed ontdekte onder de deelnemers de sociaal-revolutionair Avksentjev, de voorzitter van het Boeren Uitvoerend Comité, en de mensjewistische leiders Chintchoek en Abramovitsj, van wie de eerste als rechts en de tweede als links gold. Prokopovitsj en Schreider droegen twee lantaarns. Zo was het telefonisch met de ministers afgesproken opdat de “jonkers” de vrienden niet voor vijanden zouden houden. Prokopovitsj droeg bovendien een paraplu, zoals trouwens vele anderen. Geestelijkheid was er niet. De geestelijkheid was in het aan fantasie zo arme brein van de jonkers ontsproten uit vage herinneringen van de vaderlandse geschiedenis. Er was echter ook geen volk. Het ontbreken hiervan drukte zijn stempel op het gehele optreden: drie- tot vierhonderd “vertegenwoordigers,” maar niemand van degenen die zij vertegenwoordigden. “Het was een donkere nacht,” herinnert de sociaal-revolutionair Sensinov zich, “de lantaarns op het Nevski brandden niet. Wij liepen in een ordelijke stoet en men hoorde slechts ons gezang van de Marseillaise. Uit de verte klonken kanonschoten: de bolsjewieken zetten de beschieting van het Winterpaleis voort.”

Bij het Jekaterininskikanaal heeft zich dwars over het Nevski-Prospect een cordon gewapende matrozen opgesteld die de stoet van de democraten de weg verspert. “Wij zullen voorwaarts gaan,” verklaren de ten dode gewijden, “wat kunnen jullie ons doen?” De matrozen antwoordden hen zonder omhaal dat zij geweld zouden gebruiken: “Ga naar huis en laat ons met rust.” Een van de deelnemers aan de stoet stelde voor om hier meteen ter plaatse om te komen. Deze mogelijkheid was echter niet voorzien in het besluit dat in de Doema bij hoofdelijke stemming genomen was. Minister Prokopovitsj klom op een of andere verhoging en richtte zich “met zijn paraplu zwaaiend” – in de herfst regent het in Petrograd nog al eens – tot de betogers met de oproep om deze sombere en misleide mensen die werkelijk naar de wapens kunnen grijpen niet in verleiding te brengen. “Laten wij naar de Doema terugkeren om middelen tot redding van het land en van de revolutie te beramen.”

Dit was waarlijk een verstandig voorstel. Weliswaar bleef het oorspronkelijk plan daardoor onuitgevoerd. Maar wat is er met gewapende vlegels te beginnen die de leiders van de democratie beletten om een heldendood te sterven? “Wij bleven een tijdje staan, werden door en door koud en besloten om te keren,” schrijft Stankevitsj, die eveneens aan de optocht deelnam, zwaarmoedig. De stoet begaf zich, ditmaal zonder Marseillaise, maar integendeel gedrukt zwijgend over het Nevski terug naar het doemagebouw. Daar zou zij eindelijk “de middelen tot redding van het land en van de revolutie vinden.”

Na de inname van het Winterpaleis beheerste het Militair Revolutiecomité de hoofdstad volkomen. Zoals echter bij een lijk de nagels en de haren doorgroeien, vertoonden er zich bij de afgezette regering tekenen van leven door middel van de officiële pers. De “Bode van de Voorlopige Regering,” die nog op 24 oktober bericht had over het ontslag van de geheimraden “met behoud van uniform en pensioen,” verstomde plotseling op 25 oktober, hetgeen trouwens niemand opmerkte. Op 26 oktober verscheen zij echter opnieuw alsof er niets gebeurd was. Op de eerste bladzijde heette het: “Het nummer van 25 oktober is door elektriciteitsstoring niet verschenen.” Overigens ging, behalve de stroom, het staatsleven zijn gewone gang. De “Bode” van de regering die zich in het Troebetzkoibastion bevond, bevatte een bericht over de benoeming van een tiental nieuwe senatoren. In de rubriek administratieve mededelingen werd in een circulaire van de minister van binnenlandse zaken Nikitin aan de gouvernementscommissarissen de raad gegeven om “zich niet te laten misleiden door valse geruchten over gebeurtenissen in Petrograd waar alles rustig was.” De minister had niet helemaal ongelijk: de revolutiedagen verliepen tamelijk rustig, afgezien van de kanonnade, die trouwens tot akoestische effecten beperkt bleef. En toch heeft de geschiedschrijver geen ongelijk als hij beweert dat op 25 oktober niet alleen de stroom in de landsdrukkerij uitgevallen was, maar ook een belangrijke bladzijde in de geschiedenis van de mensheid begonnen was.

De inname van de hoofdstad

Alles veranderde en er veranderde niets. De revolutie had het land ontwricht, het verval vergroot, sommigen angst aangejaagd, anderen verhard, maar nog niets ten einde toe doorgezet, niets gewijzigd. Het keizerlijke Petrograd bleek veeleer in een lethargische slaap verzonken dan dood. De revolutie had de gegoten standbeelden van de monarchie rode vaantjes in de hand gestoken. Grote rode dundoeken woeien boven de gevels van de regeringsgebouwen. De paleizen, ministeries en staven leefden echter geheel apart van hun rode vlaggen, die bovendien door de herfstregens duchtig verbleekt waren. De dubbele adelaars met de scepter en de rijksappel zijn zoveel mogelijk vernield, maar vaker nog weggehangen of haastig overgeschilderd. Zij schijnen zich verborgen te houden. Het gehele oude Rusland houdt zich verborgen met van woede op elkaar geklemde tanden.

De minder imposante figuren van de militiesoldaten op de hoeken van de straten herinneren nog het meest aan de revolutie, waardoor de “farao’s”, die op levende standbeelden geleken, weggevaagd waren. Bovendien noemt Rusland zich nu sinds ongeveer twee maanden een republiek. De tsarenfamilie bevindt zich in Tobolsk. Neen, de Februaristorm is niet spoorloos voorbijgegaan. De tsaristische generaals blijven echter generaals, de senatoren – senatoren, de geheimraden blijven hun waardigheid bekleden, de ranglijst blijft van kracht, de bonte randen om de mutsen en de kokardes herinneren aan de ambtelijke hiërarchie en gele knopen met een adelaar duiden studenten aan. En wat de hoofdzaak is: de grootgrondbezitters blijven grootgrondbezitters, het einde van de oorlog is niet te zien, de diplomaten van de Entente houden het officiële Rusland brutaler dan ooit aan de leiband.

Alles blijft bij het oude en toch herkent niemand zichzelf. De aristocratische wijken voelen zich op de achtergrond gedrongen, de wijken van de liberale bourgeoisie zijn dichter bij de aristocratie gekomen. Het volk is van een patriottische mythe tot een vreselijke realiteit geworden. Alles wankelt onder de voeten en brokkelt af. Het mysticisme laait krachtig op in die kringen, die nog niet zo lang geleden hoonlachten over het bijgeloof van de monarchie.

Beursmensen, advocaten en ballerina’s vervloeken de zedenverbastering die ingetreden is. Het geloof in de Constituerende Vergadering verdwijnt met de dag. Gorki voorspelde in zijn blad de naderende ondergang van de cultuur. De sedert de Junidagen toegenomen vlucht uit het woeste en hongerige Petrograd naar de meer rustige en zelfgenoegzame provincie neemt bij het uitbreken van de Oktoberrevolutie het karakter van een epidemie aan. Degelijke families die er niet in slaagden de hoofdstad te verlaten probeerden tevergeefs om zich van de werkelijkheid af te sluiten achter hun stenen muren en zinken daken.

De echo van de storm dringt van alle kanten binnen: door de markt waar alles duur en schaars wordt; door de ordelievende pers die een gehuil van haat en angst aangeheven heeft; door de levendig borrelende straat waar meermaals vanuit de vensters geschoten wordt en tenslotte door de ingang van het personeel, naar aanleiding van de dienstboden die niet meer geneigd zijn lijdzaam te dienen. Hier treft de revolutie misschien de gevoeligste plek: het verzet van de huisslaven verbreekt definitief de orde in het huishouden.

En toch tracht het gewone leven van elke dag als vanouds zijn gang te gaan. Leerlingen leren in de school uit de oude leerboeken, ambtenaren schrijven paperassen die niemand nodig heeft, dichters maken in het zweet huns aanschijns verzen die niemand leest, en verpleegsters vertellen sprookjes van Tsarevitsj Ivan. Dochters van edellieden en kooplieden die uit de provincie gekomen zijn, studeren muziek of zoeken een bruidegom. Het oude kanon verkondigt vanaf de muren van de Peter-en-Paulsvesting het middaguur. In het Mariinskitheater begint een nieuw ballet en de minister van buitenlandse zaken Teresjtsjenko, die sterker is in de choreografie dan in de diplomatie, vindt stellig tijd om de kanten muts van de ballerina te bewonderen en zo de stabiliteit van het regime te demonstreren.

De overblijfselen van de oude degelijkheid zijn nog zeer talrijk en voor geld is alles te krijgen. Gardeofficieren rinkelen nog luid met hun sporen en zoeken avonturen. In de afzonderlijke eetkamers van de dure restaurants vinden woeste drinkgelagen plaats. De afsluiting van het elektrisch licht om middernacht belet niet dat speelclubs floreren waar bij kaarslicht champagne fonkelt, doorluchtige plunderaars van de staatskas niet minder doorluchtige spionnen laten bloeden, monarchistische samenzweerders Joodse smokkelaars aftroeven en de astronomische bedragen woorvoor gespeeld wordt zowel een mateloze verkwisting alsook een mateloze inflatie aangeven.

Rijdt daar werkelijk een doodgewone tram, verwaarloosd, vuil, langzaam en opgepropt met mensen, uit dit in doodstrijd liggende Sint-Petrograd naar de in hartstochtelijke spanning levende arbeiderswijken? De helblauwe met goud opgelegde koepels van het Smolnyklooster duiden vanuit de verte aan waar de staf van de opstand gevestigd is: aan de rand van de oude stad, bij het eindpunt van de tramlijn, waar de Neva een scherpe bocht naar het zuiden maakt en het centrum van de voorsteden scheidt. Een lang grauw gebouw van drie verdiepingen, een kostschool voor de dochters van de adel, is nu de burcht van de sovjets. De eindeloze hol klinkende gangen zijn als het ware gebouwd voor een les in de perspectiefleer. Op de deuren van vele tientallen kamers langs de gangen hangen nog de geëmailleerde bordjes: “Leraarskamer”, “Derde Klas”, “Vierde Klas”, “Klasselerares”. Naast de oude bordjes of over deze heen zijn echter haastig vellen papier met geheimzinnige revolutielettertekens geplakt: C. C. v. d. S. R. P., S.-D.-mensjewieken, S.-D.-bolsjewieken, Linkse S.-R. Anarchisten-Communisten, Expeditie van het C. J. C., enz., enz., enz. Het oplettend oog van John Reed ontdekte op de muren plakkaten: “Kameraden, wees hygiënisch in het belang van uw eigen gezondheid.” Het Petrograd van oktober leeft onder een regenhemel. De straten zijn sinds lang niet gereinigd en zijn vuil. Op het plein van het Smolny zijn er reusachtige plassen. De soldaten nemen aan hun zolen het vuil mee in de gangen en de zalen. Niemand kijkt nu echter naar beneden naar de grond, iedereen kijkt vooruit.

Het Smolny commandeert steeds energieker en gebiedender, gedragen door de warme sympathie van de massa’s. De centrale leiding bestrijkt direct slechts de hogere delen van het revolutionaire systeem dat in zijn geheel tot taak heeft de omwenteling te voltrekken. Het voornaamste deel wordt door de massa – en als het ware vanzelf gedaan. De fabrieken en kazernes vormen in deze dagen en nachten de historische brandpunten. In de wijk Vyborg concentreren zich net zoals in februari de voornaamste krachten van de revolutie, maar anders dan in februari heeft deze nu zijn machtige en wel een openlijke, algemeen erkende organisatie. Vanuit de straten, fabriekskeukens, clubs en kazernes komen alle draden bijeen in het huisnummer 33 op het Sampsonjevski-Prospect, waar het bolsjewistisch wijkcomité, de sovjet van Vyborg en de staf zich bevinden. De wijkmilitie smelt samen met de Rode Garde. De wijk is volkomen in handen van de arbeiders. Indien de regering het Smolny zou neerslaan, zou de wijk Vyborg alleen reeds het centrum kunnen herstellen en een voortzetting van de aanval mogelijk maken.

De beslissing was nabij, maar de regeerders geloofden tot op het allerlaatste ogenblik, of ze deden althans alsof ze dit geloofden, dat er geen reden tot bezorgdheid was. Het Engelse gezantschap, dat redenen genoeg had om de gebeurtenissen in Petrograd nauwlettend te volgen, ontving volgens de toenmalige Russische gezant te Londen betrouwbare berichten over de komende revolutie. Teresjtsjenko beantwoordde de bezorgde vragen van Buchanan na het traditionele diplomatenontbijt met de stellige verzekering dat “zoiets” niet kon gebeuren en dat de regering de teugels vast in handen had. Het Russische gezantschap vernam de revolutie in Petrograd uit een bericht van het Engelse telegraafagentschap.

De mijnmagnaat Auerbach, die in die dagen de adjudant van de minister Paltsjinski opzocht, informeerde na een gesprek over meer ernstige dingen langs zijn neus weg naar de “donkere wolken aan de politieke horizon” en kreeg een volkomen geruststellend antwoord: “een naderend onweer, meer niet; het zal wel overtrekken en het zal weer opklaren, – slaap gerust.” Paltsjinski zelf zou nog slechts één of twee slapeloze nachten doorbrengen voordat hij gearresteerd werd.

Hoe ongegeneerder Kerenski met de verzoeningsgezinde leiders omsprong, des te minder twijfelde hij eraan of zij zouden op het ogenblik van gevaar tijdig te hulp komen. Hoe zwakker de verzoeningsgezinden werden, des te zorgvuldiger trachtten zij een atmosfeer van illusies om zich heen te handhaven. Terwijl zij vanaf hun hoge posten in Petrograd en de leiders in de provincie en aan het front elkaar wederkerig trachtten te bemoedigen, vervalsten de mensjewieken en sociaal-revolutionairen de publieke opinie en leidden, hun onmacht maskerend, niet zo zeer hun vijanden, dan wel zichzelf om de tuin.

Het logge, volkomen onpraktische staatsapparaat, dat een mengsel was van maart-socialisme en tsarenbureaucratie, was zeer geschikt om zichzelf een rad voor ogen te draaien. De nieuwbakken socialisten waren beducht om zich tegenover de bureaucraten niet voldoende als ervaren staatsmannen voor te doen. De bureaucraten waren bang een tekort aan eerbied voor de nieuwe ideeën aan de dag te leggen. Zo ontstond een officieel leugennet waarin generaals, advocaten, journalisten, commissarissen en adjudanten des te meer schitterden naarmate zij dichter bij de regering stonden. De bevelhebber van het militaire district Petrograd gaf een geruststellend rapport omdat Kerenski dit nodig had tegenover de troosteloze werkelijkheid.

De tradities van de dubbele heerschappij waren in dezelfde richting werkzaam. De lopende beschikkingen van de districtsstaf, die gecontrasigneerd waren door het Militair Revolutiecomité, werden immers zonder tegenspraak uitgevoerd. De wachten in de stad werden als altijd door de troepen van het garnizoen betrokken, en men kan wel zeggen dat de regimenten de wachtdienst sinds lange tijd niet zo ijverig vervuld hadden. Ontevredenheid onder de massa’s? “Oproerige slaven” zijn altijd ontevreden. Alleen het uitschot van de bevolking van de hoofdstad zou aan een poging om een oproer te veroorzaken kunnen deelnemen. De soldatensectie tegen de staf? Maar daarentegen staat de militaire sectie van het Centraal Uitvoerend Comité achter Kerenski. De gehele georganiseerde democratie, met uitzondering van de bolsjewieken, ondersteunt de regering. Zo werd de rooskleurige nimbus van maart tot een grijze mist die de werkelijke verhoudingen verdoezelde.

Pas na de breuk tussen het Smolny en de staf begon de regering het conflict ernstiger onder ogen te zien: er bestond natuurlijk geen direct gevaar, maar men moest ditmaal van de gelegenheid gebruik maken om af te rekenen met de bolsjewieken. Bovendien oefenden ook de burgerlijke bondgenoten druk uit. In de nacht van 24 oktober vatte de regering moed en bepaalde dat er een strafvervolging tegen het Militair Revolutiecomité ingesteld werd, de bolsjewistische kranten die tot de opstand opriepen werden verboden en betrouwbare troepen uit de omgeving en van het front werden opgeëist. De uitvoering van het in principe aangenomen voorstel om het gehele Militair Revolutiecomité gevangen te nemen werd uitgesteld: men moest zich voor een dergelijke grote onderneming eerst van de ondersteuning van het Voorlopig Parlement verzekeren.

Het gerucht van de door de regering genomen besluiten verspreidde zich terstond in de stad. In het gebouw van de hoogste staf naast het Winterpaleis hadden in de nacht van 24 oktober soldaten van het Pavlovski-regiment, een van de meest betrouwbare korpsen van het Militair Revolutiecomité, de wacht. Men sprak in tegenwoordigheid van de soldaten ervan om de “jonkers” te halen, de bruggen te openen en tot arrestaties over te gaan. Alles wat de Pavlovski-soldaten opvingen en konden onthouden, brachten zij terstond over naar de wijken en het Smolny. In het revolutionaire centrum wist men niet altijd de berichten van deze vrijwillige inlichtingendienst te benutten. Toch verrichtte hij waardevolle diensten. De arbeiders en soldaten in de hele stad vernamen de plannen van de vijand en hun bereidwilligheid om tegenstand te bieden, werd daardoor groter.

Vanaf het aanbreken van de morgen troffen de autoriteiten voorbereidingen om de vijandige acties te beginnen. Aan de “jonker”-scholen in de hoofdstad werd gelast om zich tot de strijd gereed te houden. Aan de in de Neva geposteerde kruiser “Aurora” met zijn bolsjewistisch gezind commando – zee te kiezen en zich bij de rest van de vloot te voegen. Troepen zijn uit de omtrek opgeëist: een bataljon stormtroepen uit Tsarskoje Selo, “jonkers” uit Oranienbaum en artillerie uit Pavlovsk. De staf van het Noordelijk front heeft bevel gekregen om onmiddellijk betrouwbare troepen naar de hoofdstad te sturen. Als voorzichtigheidsmaatregel met het oog op een eventuele strijd beveelt men de wachtposten bij het Winterpaleis te versterken, de brug over de Neva op te halen; aan de “jonkers” om de automobielen te controleren; uit het telefoonnet de toestellen van het Smolny uit te schakelen. De minister van justitie gaf bevel om van de tegen borgstelling vrijgelaten bolsjewieken diegenen die zich schuldig gemaakt hadden aan regeringsvijandig optreden meteen terug op te pakken. Deze slag was allereerst tegen Trotski gericht. Hoe zijn de tijden veranderd! Zowel Maljantovitsj als zijn voorganger Saroedny waren in het jaar 1905 Trotski’s advocaten geweest. Toen ging het eveneens om de leiding van de Petrogradse sovjet. Het karakter van de geuite beschuldigingen was in beide gevallen gelijk. Alleen voegden de verdedigers van eertijds die nu aanklagers geworden waren, er nog de kleinigheid van het Duitse geld aan toe.

De staf van het militaire district was intussen koortsachtig aan het werk geweest op typografisch gebied. Het ene document volgde op het andere: geen enkele demonstratie zou geduld worden; de schuldigen konden erop rekenen streng gestraft te zullen worden; een verbod aan de troepen van het garnizoen om zonder toestemming van de staf de kazernes te verlaten; “de commissarissen van de sovjet van Petrograd moeten allemaal verwijderd worden”; er moet een onderzoek ingesteld worden naar hun onwettig optreden, “opdat zij voor een krijgsraad gebracht zullen worden.” Er wordt echter niet in deze dreigende bevelen gezegd hoe en door wie zij uitgevoerd zullen moeten worden.

Onder bedreiging met persoonlijke aansprakelijkheid eiste de commandant van de bezitters van auto’s dat zij deze ter beschikking van de staf zouden stellen, “om onteigeningen op eigen gezag te voorkomen.” Niemand verroerde echter een vin om hieraan te voldoen.

Het Centraal Uitvoerend Comité was eveneens niet zuinig met waarschuwingen en dreigementen. Het wordt op de hielen gevolgd door: het Boeren Uitvoerend Comité, de stadsdoema, de Centrale Comités van de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen. Al deze instellingen hadden een rijke keuze van literaire omschrijvingen. Er was in de oproepen die de muren en schuttingen bedekten geregeld sprake van een groepje waanzinnigen, van het gevaar van bloedige gevechten en de onvermijdelijkheid van een contrarevolutie.

Om half zes ’s morgens verscheen een regeringscommissaris met een afdeling “jonkers” in de bolsjewistische drukkerij die de uitgangen bezetten en een bevel van de staf betreffende een onmiddellijk verbod van het voornaamste orgaan en het blad “De Soldaat” toonden. Wat nu? De staf? Bestaat die dan nog? Hier zouden geen bevelen zonder goedkeuring van het Militair Revolutiecomité erkend worden. Het baat echter niet: de stereotypen worden stukgeslagen en het gebouw verzegeld. De regering kan haar eerste succes boeken.

Een arbeider en een arbeidster van de bolsjewistische drukkerij komen ademloos naar het Smolny gelopen waar zij Podvojski en Trotski aantreffen: de arbeiders zullen zorgen dat de krant verschijnt indien het comité hen bescherming tegen de “jonkers” verleent. Het eerste antwoord op de aanval van de regering is dus gevonden. Er wordt een bevel aan het Litovski-regiment opgesteld om terstond een compagnie ter verdediging van de arbeiderspers te zenden. De afgezanten van de drukkerij dringen erop aan dat ook het 6de pioniersbataljon gehaald zal worden: die liggen dichtbij en zijn trouwe vrienden. Terstond wordt naar beide getelefoneerd. De Litovskstsy en de pioniers rukken onverwijld op. De zegels van het gebouw worden verbroken, de matrijzen opnieuw gegoten en men gaat met nieuwe moed aan het werk. Met enkele uren vertraging verschijnt de door de regering verboden krant onder bescherming van troepen van het comité dat zelf gevangengenomen moet worden. Dit betekent de opstand. Zo komt hij aan het rollen.

Tegelijkertijd wendde de kruiser “Aurora” zich tot het Smolny met de vraag of men zee moest kiezen of in de wateren van de Neva blijven. De matrozen die in augustus het Winterpaleis tegen Kornilov beschermd hadden, brandden nu van verlangen om met Kerenski af te rekenen. De order van de regering wordt op staande voet door het comité ingetrokken en het commando krijgt de order Nr. 1218: “De kruiser Aurora moet zich tegen een eventuele overval op het Petrogradse garnizoen van de kant van de contrarevolutionaire elementen met sleepboten, stoomboten en stoombarkassen beschermen.” De kruiser komt vol geestdrift het bevel waarop hij slechts gewacht had na.

Deze twee daden van verzet, die door de arbeiders en matrozen ingegeven en dankzij de sympathie van het garnizoen zonder enige moeilijkheid doorgevoerd waren, werden tot politieke gebeurtenissen van de allereerste rang. De laatste restanten van regeringsfetisjisme vielen uiteen. “Opeens werd het duidelijk,” zegt iemand die zelf aan de strijd deelnam, “dat de zaak reeds volbracht was.” Al was zij niet volbracht, dan bleek het toch in elk geval veel eenvoudiger te zijn dan men aan de vooravond dacht.

De poging om de krant te verbieden, het bevel tot gevangenneming van het Militair Revolutiecomité, de beschikking betreffende de verwijdering van de commissarissen, de uitschakeling van de telefoons van het Smolny, al deze speldenprikken zijn juist voldoende om de regering ervan te kunnen beschuldigen dat zij een contrarevolutionaire omwenteling voorbereidt. Al kan de opstand ook slechts als aanval zegevieren, zo ontplooit hij zich toch succesvoller naarmate hij zich meer als een verdediging voordoet. Een stukje ambtelijk zegellak op de deur van de bolsjewistische redactie is – als oorlogsmaatregel – onbelangrijk. Doch welk een voortreffelijk signaal tot de strijd! Eén telefoontje aan alle wijken en delen van het garnizoen brengt iedereen op de hoogte van het voorval: “De vijanden van het volk zijn in de nacht tot de aanval overgegaan… Het Militair Revolutiecomité leidt de verdediging tegen de aanval van de samenzweerders.” De samenzweerders dat zijn de officiële regeringsorganen. Deze kwalificatie klinkt eigenaardig uit de pen van revolutionaire samenzweerders. Zij is echter geheel in overeenstemming met de situatie en de gevoelens van de massa’s. Verdrongen uit alle stellingen, genoodzaakt de weg van een te late verdediging in te slaan, niet in staat om de daarvoor noodzakelijke krachten te mobiliseren of zelfs maar na te gaan of deze aanwezig zijn, gaat de regering over tot op zichzelf staande, ondoordachte en onsamenhangende daden die noodzakelijk in de ogen van de massa’s boosaardige aanvallen moeten lijken. Telefonisch beveelt het comité: “Het regiment strijdvaardig maken en verdere bevelen afwachten.” Dit is een regeringsgeluid. De commissarissen van het comité die verwijderd moeten worden, gaan met verdubbelde kracht voort diegenen te verwijderen die het hen nodig voorkomt te verwijderen.

De “Aurora” op de Neva betekende niet alleen een voortreffelijke strijdkracht in dienst van de opstand; maar hij was ook voorzien van een radiostation. Een onschatbaar voordeel! De matroos Koerkov herinnert zich: “Wij kregen van Trotski bevel om door de radio mee te delen dat de contrarevolutie tot de aanval was overgegaan.” De verdedigende vorm waarin het bericht gegoten was, diende ook hier om de oproep tot de opstand waarmee men zich nu tot het hele land wendde te verbloemen. Aan de garnizoenen die de toegangswegen tot Petrograd beschermden, wordt door de radiozender van de “Aurora” gelast om de contrarevolutionaire troepen tegen te houden en indien dit niet met overredingskracht lukt om geweld te gebruiken. Aan alle revolutionaire organisaties wordt de plicht opgelegd om onafgebroken bijeen te blijven en alle gegevens omtrent plannen en optreden van de samenzweerders te verzamelen. Er was, naar men ziet, ook aan de kant van het comité geen gebrek aan oproepen. Er was hier echter geen kloof tussen woord en daad, beide vulden elkaar aan.

Hoewel wat laat, gaat men ertoe over het Smolny beter te versterken. Toen hij om 3 uur in de nacht van 24 oktober het gebouw verliet, vielen John Reed machinegeweren bij de deuren en sterke patrouilles die de poort en de naburige kruispunten bewaakten op: de posten waren reeds de avond voordien met een compagnie van het Litovski-regiment en met een afdeling mitrailleurs met vierentwintig machinegeweren versterkt. In de loop van de dag werd de wacht voortdurend uitgebreid. “Men kon,” schrijft Sjljapnikov, “in de wijk van het Smolny soortgelijke tonelen waarnemen als in de eerste dagen van de Februarirevolutie voor het Taurisch paleis: hetzelfde gekrioel van soldaten, arbeiders en allerlei wapens. Op het ruime plein zijn reusachtige massa’s hout opgestapeld die als een veilige dekking tegen het geweervuur kunnen dienen. Vrachtauto’s met proviand en munitie komen aangereden.” “Het gehele Smolny was,” naar Raskolnikov vertelt, “in een militair kamp veranderd. Buiten voor de zuilengalerij staan kanonnen in stelling, daarnaast machinegeweren… Bijna op elke trede van de trap de maxims die op speelgoedkanonnetjes lijken. En in alle gangen… de snelle, luide, vrolijke stap van soldaten en arbeiders, matrozen en propagandisten.” Soechanov, die de organisatoren van de opstand niet ten onrechte een tekort aan omzichtigheid verwijt, schrijft: “Nu pas, op 24 oktober overdag en ’s avonds, begonnen er gewapende afdelingen Roodgardisten en soldaten in het Smolny aan te komen ter bescherming van de staf van de opstand… Tegen de avond van 24 oktober begon de bewaking van het Smolny op iets te lijken.” Deze kwestie is niet zonder belang. In het Smolny, van waaruit het verzoeningsgezinde Uitvoerend Comité zich onopgemerkt naar de lokaliteiten van de regeringsstaf kon begeven, zijn nu de gezamenlijke leiders van alle door de bolsjewieken geleide revolutionaire organisaties samengetrokken. Hier komt op deze dag de vergadering van het Centraal Comité van de bolsjewieken bijeen om de laatste beslissingen voor de slag te nemen. Elf leden zijn aanwezig. Lenin heeft zijn schuilplaats in de wijk Vyborg nog niet verlaten. Niet aanwezig is Zinovjev, die zich volgens de kernachtige uitdrukking van Dsersjinski “verborgen houdt en niet deelneemt aan het partijwerk.” Daarentegen is Kamenev, Zinovjevs geestverwant, zeer actief in de staf van de opstand werkzaam. Afwezig gebleven is ook Stalin: hij verschijnt in het geheel niet in het Smolny en brengt zijn tijd in de redactie van het voornaamste orgaan door. De zitting heeft zoals altijd plaats onder voorzitterschap van Sverdlov. De officiële notulen zijn kort, maar het voornaamste is erin te vinden. Zij zijn van onschatbare waarde om de voornaamste deelnemers aan de revolutie en de verdeling van de functies te leren kennen.

Het gaat erom in de loop van de komende vierentwintig uur Petrograd definitief te veroveren. D.w.z. zich meester te maken van die politieke en technische instellingen die nog in handen van de regering gebleven zijn. Het Sovjetcongres moet plaatsvinden onder een Sovjetregering. De praktische maatregelen voor de nachtelijke aanval zijn uitgewerkt of worden uitgewerkt in het Militair Revolutiecomité en de Militaire Organisatie van de bolsjewieken. Het Centraal Comité moet de laatste hand eraan leggen.

Allereerst wordt het voorstel van Kamenev aangenomen: “Vandaag mag geen enkel lid van het Centraal Comité zich zonder toestemming uit het Smolny verwijderen.” Er wordt bovendien besloten om hier een wacht, bestaande uit leden van het Petrogradse partijcomité, te vestigen. De notulen vervolgen: “Trotski stelt voor om aan het Militair Revolutiecomité twee leden van het Centraal Comité toe te voegen om verbindingen aan te knopen met de post-, telegrafie- en spoorwegbeambten en een derde lid om de Voorlopige Regering te bewaken.” Men besluit Dsersjinski naar het post- en telegraafkantoor en Boebnov naar het station af te vaardigen. Aanvankelijk is men van plan, klaarblijkelijk op initiatief van Sverdlov, om Podvojski met de bewaking van de Voorlopige Regering te belasten. In de notulen leest men: “Er worden bezwaren gemaakt tegen Podvojski; Sverdlov krijgt de opdracht.” Miljoetin, die voor economist doorgaat, wordt met de voedselvoorziening belast. Om te onderhandelen met de linkse sociaal-revolutionairen wordt Kamenev aangewezen, die de reputatie heeft van een handig hoewel soepel onderhandelaar: natuurlijk soepel naar bolsjewistische maatstaf. “Trotski stelt voor,” zo lezen wij verder, “om een reservestaf in de Peter-en-Paulsvesting te vestigen en met dit doel een lid van het Centraal Comité daarheen te zenden.” Besloten wordt om “met de algemene bewaking Lasjevitsj en Blagonravov en met het onderhouden van een geregelde verbinding met de vesting Sverdlov te belasten.” Tenslotte, om “aan alle leden van het Centraal Comité paspoorten voor de vesting te verstrekken.”

Wat de partij betreft, kwamen alle draden samen in handen van Sverdlov die de bolsjewistische kaders als geen ander kende. Hij verbond het Smolny met het partijapparaat, voorzag het Militair Revolutiecomité van de nodige medewerkers en werd op alle kritieke ogenblikken daarheen geroepen om raad te geven. Daar het ledental van het Comité te groot en gedeeltelijk ook wisselend was, werden de maatregelen die een meer geheimzinnig karakter droegen, uitgevoerd door de leiding van de Militaire Organisatie van de bolsjewieken of door Sverdlov, die officieus maar des te meer de werkelijke “secretaris-generaal” van de Oktoberrevolutie was.

De bolsjewistische afgevaardigden die in deze dagen voor het Sovjetcongres aankwamen, vielen eerst in handen van Sverdlov en bleven geen uur lang zonder werk. Op 24 oktober telde men in Petrograd reeds twee à driehonderd afgevaardigden uit de provincie en de meeste van hen werden op de een of andere manier in het raderwerk van de opstand opgenomen. Om twee uur ’s middags kwamen zij in het Smolny bijeen voor een fractievergadering om een rapport van het Centraal Comité van de partij aan te horen. Er waren twijfelaars onder hen, die net als Zinovjev en Kamenev de voorkeur zouden gegeven hebben aan een afwachtende politiek; en ook eenvoudig niet volkomen betrouwbare rekruten. Er kon geen sprake van zijn het plan van de opstand aan de fractie uiteen te zetten: hetgeen in een grote, hoezeer ook besloten vergadering besproken wordt, raakt onvermijdelijk naar buiten uit bekend. Men kan nog niet eens het defensieve mom van de opstand afrukken en wegwerpen zonder gevaar te lopen dat men onder sommige delen van het garnizoen verwarring zou stichten. Men moet echter tegelijkertijd te verstaan geven dat de beslissende strijd reeds begonnen is en dat het congres alleen nog maar de taak heeft om deze met succes te bekronen.

Met een beroep op het onlangs verschenen artikel van Lenin toont Trotski aan dat “een samenzwering niet in strijd is met de marxistische beginselen,” indien de objectieve verhoudingen een opstand mogelijk en onvermijdelijk maken. “De fysieke barrière op de weg naar de macht moet men door het toebrengen van een slag overwinnen.” De politiek van het Militair Revolutiecomité bleef echter tot nu toe tot een verdediging beperkt. Deze verdediging dient men natuurlijk zeer ruim op te vatten. Het waarborgen van de verschijning van de bolsjewistische bladen met behulp van de gewapende macht of het terughouden van de “Aurora” in de Neva – “is dat een verdedigingsmaatregel, kameraden?” – “Ja, dat is een verdedigingsmaatregel!” Indien de regering op de gedachte mocht komen om ons te arresteren, dan zijn er met het oog hierop machinegeweren op het dak van het Smolny opgesteld. “Ook dit is een verdedigingsmaatregel, kameraden.” En “wat moet er met de Voorlopige Regering gebeuren?”, zo luidt een schriftelijk ingediende vraag. “Indien Kerenski zou trachten om zich niet aan het Sovjetcongres te onderwerpen,” antwoordt de referent, “dan zou de tegenstand van de regering een politionele en geen politieke aangelegenheid” worden. Eigenlijk was dit reeds vrijwel het geval.

Op dit ogenblik wordt Trotski naar buiten geroepen om te spreken met een deputatie van de stadsdoema, die zo juist aangekomen. Er heerst weliswaar voorlopig nog rust in de hoofdstad, maar onrustbarende geruchten doen de ronde. De burgemeester stelt enkele vragen. Is de sovjet van plan een opstand te beginnen? En hoe moet het met de orde in de stad gaan? En wat zal er met de Doema gebeuren indien zij de revolutie niet erkent? Deze edelachtbare heren vragen wel wat veel. De kwestie van de macht, zo luidt het antwoord, staat ter beslissing van het Sovjetcongres. Of het tot een gewapende strijd zal komen, “hangt niet zozeer van de Sovjets af, dan wel van hen die tegen de uitgesproken wil van het gehele volk de staatsmacht in handen houden.” Indien het congres de macht van de hand zou wijzen, zal de Petrogradse Sovjet zich daaraan onderwerpen. De regering zoekt echter klaarblijkelijk zelf een conflict. Er is een bevel tot gevangenneming tegen het Militair Revolutiecomité uitgevaardigd. De arbeiders en soldaten kunnen daarop slechts met de meest verbitterde tegenstand antwoorden. Plunderingen en gewelddaden van misdadigersbenden? Het vandaag uitgevaardigd bevel van het comité luidt: “Bij de eerste de beste poging van obscure elementen om in de straten van Petrograd onlusten, plunderingen, steekpartijen of schietpartijen teweeg te brengen, zullen de schuldigen een kopje kleiner gemaakt worden.” Wat de stadsdoema betreft, zou men in geval van een conflict volgens de constitutionele methode te werk gaan, nl. deze ontbinden of nieuwe verkiezingen doen houden. De delegatie ging onbevredigd weg. Maar waarop had zij eigenlijk gerekend?

Het officiële bezoek van de vroede vaderen van de stad in het kamp van de opstandelingen was een maar al te openlijke demonstratie van onmacht van de regering. “Vergeet niet, kameraden,” zei Trotski, toen hij bij de bolsjewistische fractie teruggekeerd was, “dat wij nog maar enkele weken geleden, toen wij de meerderheid kregen, slechts een klein zaakje waren – zonder drukkerij, zonder kas en zonder filialen – en nu komt een deputatie van de stadsdoema naar het gevangengenomen Militair Revolutiecomité om zich te vergewissen van het toekomstig lot van de stad en de staat.”

De Peter-en-Paulsvesting, die politiek nog maar gisteren veroverd was, bereidt zich vandaag voor op de strijd. Het machinegeweerkorps, de meest revolutionaire troepenafdeling, wordt strijdvaardig gemaakt. IJverig worden de Coltmachinegeweren gepoetst: er zijn er tachtig. Machinegeweren worden op de vestingmuur opgesteld om de kaden en de Troïzkibrug te bestrijken. De wacht voor de poort wordt versterkt. Patrouilles zijn naar de omgeving uitgestuurd. Bij dit koortsachtig gedoe in de vroege morgenuren blijkt echter dat men nog niet volkomen zeker kan zijn van de toestand binnen de vesting. Een afdeling wielrijders brengt verwarring. Net als de cavaleristen die uit welvarende en rijke boeren gerekruteerd zijn, vormen ook de wielrijders die uit de burgerlijke tussengroepen voortkomen de meest conservatieve delen van het leger. Een mooi onderwerp voor idealistische psychologen: het is voldoende dat iemand, althans in een land zo arm als Rusland, in tegenstelling tot zijn medemensen op twee wielen met kettingtransmissie zit – of hij begint als zijn fietsband te zwellen van trots. In Amerika is er al een automobiel nodig voor een dergelijk resultaat.

Het bataljon dat men had laten aanrukken om de Julibeweging te onderdrukken, had toentertijd ijverig deelgenomen aan de inname van het Ksjessinskaja-paleis en was daarna als een buitengewoon betrouwbaar korps in de Peter-en-Paulsvesting ondergebracht. De wielrijders hadden, naar het bleek, niet deelgenomen aan de meeting die gisteren gehouden was en waar over het lot van de vesting beslist werd: de discipline was nog zo goed in het bataljon dat de officieren erin slaagden om de soldaten over te halen niet naar het vestingplein te gaan. Stellig rekenend op de wielrijders, verbeeldt de commandant van de vesting zich heel wat, spreekt herhaaldelijk telefonisch met de staf van Kerenski en wil klaarblijkelijk zelfs de commissaris van het Militair Revolutiecomité gevangen nemen. Deze verwarde toestand mag geen ogenblik langer duren! Op een bevel uit het Smolny snijdt Blagonravov de tegenstander de pas af: de commandant krijgt huisarrest en de telefoontoestellen worden uit alle officierswoningen weggehaald. Vanuit de staf van de regering wordt angstig gevraagd waarom de commandant niet meer antwoordt en wat er in het algemeen in de vesting gebeurt. Blagonravov meldt onderdanig door de telefoon dat de vesting van nu af aan slechts aan de bevelen van het Militair Revolutiecomité gehoorzaamde, waartoe ook de regering zich verder had te wenden.

In alle troepen van het garnizoen wordt met voldoening kennis genomen van de arrestatie van de commandant. De wielrijders tonen zich echter gereserveerd. Wat steekt er achter dit somber zwijgen van hen: loerende vijandigheid of laatste twijfels? “Wij besluiten een afzonderlijke meeting voor de wielrijders te organiseren,” schrijft Blagonravov, “en daartoe onze beste propagandistische krachten uit te nodigen, met name Trotski die zeer veel gezag en invloed onder de soldatenmassa’s heeft.” Tegen 4 uur ’s namiddags komt het gehele bataljon in het gebouw van het naburige circus Modern bijeen. Generaal-kwartiermeester Poradelov, die voor sociaal-revolutionair doorging, trad als spreker van de regering op. Zijn bezwaren waren zo voorzichtig dat zij dubbelzinnig klonken. Des te vernietigender was de aanval van de vertegenwoordigers van het Comité. Het einde van de laatste oratorische slag om de Peter-en-Paulsvesting was, naar men mocht verwachten, dat het bataljon met algemene stemmen op dertig na de resolutie van Trotski goedkeurde. Weer was een van de mogelijke gewapende conflicten voordat het tot strijd kwam zonder bloedvergieten opgelost. Dat is nu juist de Oktoberopstand. Dat is zijn stijl.

Men kon zich van nu af aan met een rustig gevoel van zekerheid op de vesting verlaten. Zonder enige moeilijkheden werden wapens uit het arsenaal geleverd. Gedelegeerden uit de bedrijven vormden een file in het Smolny, in het vertrek van het fabriekscomité, om wapens toegewezen te krijgen. De hoofdstad had in de oorlogsjaren menige file aanschouwd: nu ontstonden de eerste files om geweren. Vanuit alle wijken stroomden vrachtauto’s naar het arsenaal. “De Peter-en-Paulsvesting was niet meer te herkennen,” schrijft de arbeider Skorinko, “haar zo geprezen rust was door automobielgeronk, wielengeknars en geschreeuw verbroken. Het gedrang was vooral groot bij de opslagplaatsen… hier werden ook de eerste gevangenen aan ons voorbij geleid – officieren en jonkers.” Die dag kreeg het 180ste infanterieregiment, dat ontwapend was omdat het actief deel genomen had aan de Juliopstand, geweren.

De gevolgen van de meeting in het circus Modern bleken ook aan de andere zijde: de wielrijders die sinds de maand juli het Winterpaleis moesten verdedigen, verlieten eigenmachtig hun post en verklaarden dat zij de regering niet langer wilden verdedigen. Dit was een zware slag. De wielrijders moesten door “jonkers” vervangen worden. Steeds meer bleven de opleidingscholen de enige militaire steun van de regering. Het leger dat tot handhaving van de orde diende, werd hierdoor niet alleen veel kleiner, maar ook werd de sociale herkomst van dat leger hierdoor volkomen blootgelegd.

De arbeiders van de Poetilovwerf, en met hen vele anderen, stelden aan het Smolny voor om zo snel mogelijk tot een ontwapening van de “jonker”-scholen over te gaan. Indien deze maatregel na een zorgvuldige voorbereiding en na voorafgaand overleg met de bedieningsmanschappen van de scholen in de nacht van 25 oktober doorgevoerd was, zou het Winterpaleis de volgende dag zonder enige moeilijkheid ingenomen zijn. Indien de “jonkers” althans in de nacht van 26 oktober ontwapend waren, nadat het Winterpaleis ingenomen was, zou de tegenopstand op 29 oktober geen poging gewaagd hebben. De leiders betoonden echter nog maar al te veel “edelmoedigheid”, in werkelijkheid een overmaat van optimistische zekerheid, en ze luisterden niet genoeg naar de nuchtere stem van de volksmassa’s: ook hierin kwam de afwezigheid van Lenin tot uiting. De gevolgen van de verzuimen en fouten moesten later door de massa’s goedgemaakt worden met onnodige slachtoffers aan beide kanten. Er is in een ernstige strijd geen grotere wreedheid denkbaar dan misplaatste “edelmoedigheid”

In de bijeenkomst van het Voorlopig Parlement van die dag zong Kerenski zijn zwanenzang. De Russische bevolking en vooral die in de hoofdstad bevond zich de laatste tijd in een alarmtoestand: “Dagelijks drukken de bolsjewistische bladen oproepen tot een opstand af.” De spreker citeerde het artikel van de bij verstek veroordeelde politieke misdadiger Vladimir Oeljanov Lenin. De citaten spraken voor zichzelf en lieten overduidelijk zien dat bovengenoemde persoon tot een opstand opriep. En in welk een situatie? Op het ogenblik waarop de regering beraadslaagt over het vraagstuk van de overgang van de grond op de boerencomités en over maatregelen om een einde te maken aan de oorlog. De autoriteiten hadden tot nu toe gewacht met de samenzweerders neer te slaan om deze in de gelegenheid te stellen zelf hun fouten goed te maken. “Dat is juist het erge,” klinkt het uit de groep die door Miljoekov geleid wordt. Kerenski laat zich echter niet van zijn stuk brengen. “Ik geef er in het algemeen de voorkeur aan dat de regering wat langzamer, maar des te zekerder en op het goede ogenblik krachtiger optreedt.” Deze woorden klinken merkwaardig uit zijn mond! In elk geval was “het nu de hoogste tijd.” De bolsjewieken hadden niet alleen geen berouw getoond, maar twee compagnieën opgeëist en eigenmachtig wapens en patronen verdeeld. De regering wilde ditmaal een einde maken aan de excessen van het gepeupel. Ik zeg expres: “Gepeupel”. Rechts wordt deze belediging aan het adres van het volk met een stormachtig applaus ontvangen. Hij, Kerenski, had reeds bevel gegeven over te gaan tot nu onvermijdelijk geworden arrestaties. “Vooral dient men te letten op de redevoeringen van de voorzitter van de Petrogradse sovjet, Bronstein-Trotski.” Men diende te weten dat de regering over meer dan genoeg krachten beschikte en dat van het front voortdurend geëist werd dat er krachtige maatregelen tegen de bolsjewieken genomen zouden worden. Op dit moment overhandigt Konovalov de spreker een draadloos telegram van het Militair Revolutiecomité aan de troepen van het garnizoen: “Het regiment strijdvaardig maken en verdere bevelen afwachten.” Kerenski besluit plechtig: “Volgens de wet en de rechtspraak is dit een opstand.” Miljoekov verklaart: “Kerenski sprak deze woorden op de tevreden toon van een advocaat die er eindelijk in geslaagd is om zijn tegenstander op heterdaad te betrappen.” – “Die groepen en partijen die het gewaagd hebben om hun hand tegen de staat op te heffen, zullen wij onverwijld en volkomen vernietigen.” De gehele zaal met uitzondering van het linkse deel applaudisseert ostentatief. De spreker eindigt met de eis dat men vandaag nog, in deze zitting, antwoord zal geven. Hij vraagt of de regering bij de vervulling van haar plicht stellig op de ondersteuning van deze hoge vergadering kan rekenen?

Zonder de stemming af te wachten keerde Kerenski terug naar de staf. Hij was er naar eigen zeggen van overtuigd dat het geen uur zou duren vooraleer hij het nodige besluit zou krijgen, hij wist overigens zelf niet waartoe hij dit besluit zou gebruiken. Maar het liep anders. Van twee uur tot zes uur ’s avonds waren er in het Mariinskipaleis besprekingen in de fracties en tussen de fracties onderling over de tekst van de motie: de deelnemers hadden nog niet begrepen dat het om een verdwijning in het niets ging. Geen van de verzoeningsgezinde groepen wilde zich met de regering vereenzelvigen. Dan zei: “Wij mensjewieken zijn bereid tot de laatste druppel bloed de Voorlopige Regering te verdedigen; zij moet echter de democratie in de gelegenheid stellen zich om haar aaneen te sluiten.” Tegen de avond verenigden de verbrokkelde, gedemoraliseerde en van het zoeken naar een uitweg uitgeputte linkse fracties van het Voorlopig Parlement zich rond een door Dan aan Martov ontleende formule waarin de verantwoordelijkheid voor de opstand niet alleen op de bolsjewieken, maar ook op de regering geschoven werd, een onmiddellijke overgave van de grond en de bodem aan de landcomités, stappen bij de Geallieerden ten behoeve van vredesonderhandelingen enz. geëist werden. Zo trachtten de apostels van de gematigdheid op het allerlaatste ogenblik leuzen na te apen die zij gisteren nog als demagogisch en avontuurlijk gebrandmerkt hadden. Behalve de coöperatoren zegden enkel de kadetten en de Kozakken onvoorwaardelijk hun steun aan de regering toe: twee groepen die van plan waren Kerenski bij de eerste de beste gelegenheid ten val te brengen. Zij bleven echter in de minderheid. De steun van het Voorlopig Parlement had de regering ook niet veel kunnen opleveren. Toch heeft Miljoekov gelijk wanneer hij zegt dat de regering door het weigeren van deze ondersteuning haar laatste autoriteit verbeurde. De regering had immers enkele weken geleden zelf bepaald hoe het Voorlopig Parlement samengesteld zou zijn.

Terwijl men in het Mariinskipaleis naar een reddende formule zocht, kwam in het Smolny de Petrograd sovjet bijeen om zich van de gebeurtenissen op de hoogte te stellen. De rapporteur acht het ook hier noodzakelijk om eraan te herinneren dat het Militair Revolutiecomité niet als een orgaan van de opstand, maar met het oog op de verdediging van de revolutie ontstaan was. Het comité had Kerenski belet de revolutionaire troepen uit Petrograd te verwijderen en de arbeiderspers in bescherming genomen. “Is dat een opstand?” De “Aurora” ligt vandaag nog daar waar zij gisterennacht was. “Is dat een opstand?” – “Er bestaat bij ons een schijnregering die het volk niet vertrouwt en die zichzelf niet vertrouwt, want zij is innerlijk rot. Deze schijnregering wacht er slechts op door historische krachten weggevaagd te worden en plaats te maken voor een werkelijke regering van het revolutionaire volk.” Morgen zou het Sovjetcongres geopend worden. Het was de plicht van het garnizoen en de arbeiders om al hun krachten ter beschikking van het congres te stellen. Indien de regering echter zou pogen om de vierentwintig of achtenveertig uur die haar nog overbleven te benutten om de revolutie in de rug aan te vallen, verklaren wij nog eens dat de voorste gelederen van de revolutie elke slag zullen weten te pareren. Dit openlijk dreigement is tevens een politieke maskering van de slag die in de nacht te wachten staat. Trotski deelt tenslotte mee dat de fractie van de linkse sociaal-revolutionairen in het Voorlopig Parlement na het optreden van Kerenski en het muggenziften van de verzoeningsgezinde fracties een delegatie naar het Smolny gezonden en zich bereid verklaard had om officieel in het Militair Revolutiecomité te treden. De Sovjet zag met vreugde in deze bocht van de linkse sociaal-revolutionairen een weerslag van diepgaande processen: de groeiende omvang van de boerenoorlog en het succesvol verloop van de Petrogradse opstand.

Miljoekov schrijft ter toelichting op de mededeling van de voorzitter van de Petrogradse sovjet: “Trotski’s oorspronkelijk plan was waarschijnlijk eveneens om na voorbereidende maatregelen voor de strijd, de regering van aangezicht tot aangezicht te plaatsen tegenover de eendrachtige wil van het volk zoals deze tot uiting gekomen was op het Sovjetcongres, om zo aan de nieuwe regering de schijn van een wettige oorsprong te geven. De regering bleek echter zwakker te zijn dan hij verwacht had. En de macht viel hem vanzelf in de schoot, voordat het congres bijeenkwam en zich uiten kon.” Het is juist dat de zwakte van de regering alle verwachtingen overtrof. Het was echter van meet af aan het plan om de macht vóór de opening van het congres te grijpen. Miljoekov geeft dit trouwens elders zelf toe. “De werkelijke plannen van de leiders van de opstand,” schrijft hij, “gingen veel verder dan deze officiële verklaringen van Trotski… Men wilde het Sovjetcongres voor een voldongen feit plaatsen.”

Het zuiver militaire plan was oorspronkelijk de Baltische matrozen met de gewapende arbeiders van Vyborg te verenigen: de matrozen zouden per spoor aankomen en op het Finse station, dat in de wijk Vyborg gelegen is, uitstappen. De opstand zou zich vanuit dit verzamelpunt door toevoeging van meerdere afdelingen van de Rode Garde en troepen van het garnizoen over andere wijken uitbreiden, om na bezetting van de bruggen in het centrum door te dringen en de definitieve slag toe te brengen. Dit plan, dat als vanzelf uit de toestand voortvloeide en klaarblijkelijk door Antonov uitgewerkt was, was gebaseerd op de veronderstelling dat de tegenstander nog tegenstand van betekenis kon bieden. Deze voorwaarde kwam echter spoedig te vervallen: het was niet nodig om vanuit één enkel verzamelpunt op te treden; de regering bleek overal waar de opstandelingen meenden tegen haar te moeten optreden volkomen onbeschermd te zijn. Het strategische plan onderging ook wijzigingen wat betreft de termijnen en wel in tweeërlei opzicht: de opstand brak eerder uit en eindigde later dan men gedacht had. De aanslag van de regering in de loop van de morgen lokte terstond maatregelen van verzet met een defensief karakter van de kant van het Militair Revolutiecomité uit. De onmacht van de autoriteiten die daarbij aan het licht kwam, dreef het Smolny reeds in de loop van de dag tot aanvalsmaatregelen die echter een halfslachtig, gedeeltelijk gemaskeerd en voorlopig karakter droegen. De voornaamste slag zou, zoals oorspronkelijk bepaald was, ’s nachts toegebracht worden: in dit opzicht bleef het oorspronkelijk plan van kracht. Bij de uitvoering werd het echter gewijzigd, maar nu in tegenovergestelde richting. De bezetting van alle regeringsposten, allereerst van het Winterpaleis, waar de centrale regering zich verborgen hield, zou in de nacht gebeuren. De tijdsindeling is echter bij een opstand nog moeilijker dan in een geregelde oorlog. De leiders hadden voor het samentrekken van de krachten vele uren langer nodig gehad dan oorspronkelijk bepaald was en de operaties tegen het Winterpaleis, waarmee ’s nachts nog niet eens aangevangen kon worden, vormden een afzonderlijk hoofdstuk in de revolutie, dat pas in de nacht van 26 oktober, d.w.z. met een vertraging van ruim vierentwintig uur, afgesloten werd. Zonder ernstige tegenslagen is zelfs de meest schitterende overwinning niet te behalen!

Na het optreden van Kerenski in het Voorlopig Parlement trachtten de autoriteiten hun offensief uit te breiden. Afdelingen “jonkers” bezetten de stations. Op belangrijke kruispunten zijn wachtposten opgesteld met de opdracht om de particuliere auto’s die niet ter beschikking van de staat gesteld zijn op te eisen. Tegen 3 uur ’s namiddags werden de bruggen uit elkaar genomen, met uitzondering van de Slotbrug die onder sterke bewaking van “jonkers” voor het verkeer vrij bleef. Deze maatregel die de monarchie bij alle onlusten, laatst nog in de Februaridagen, toepaste, was door angst voor de arbeiderswijken ingegeven. Het uit elkaar nemen van de bruggen was in de ogen van de bevolking als het ware een officiële bevestiging van het feit dat de opstand begonnen was. De staven van de betreffende wijken beantwoordden de oorlogsdaad van de regering onmiddellijk op hun manier door gewapende afdelingen naar de bruggen te sturen. Het Smolny kon niets anders doen dan dit initiatief steunen. De strijd om de bruggen had voor beide partijen het karakter van een krachtmeting. Troepen gewapende arbeiders en soldaten oefenden nu eens met overredingen, dan weer met dreigementen, druk op de “jonkers” en Kozakken uit. De wachtposten verdwenen tenslotte zonder het op een conflict te laten aankomen. Enkele bruggen werden enkele malen achter elkaar geopend en gesloten.

De “Aurora” kreeg terstond van het Militair Revolutiecomité bevel om “met alle te zijner beschikking staande middelen het verkeer over de Nicolajevskibrug te herstellen.” De commandant van de kruiser poogde de uitvoering van dit bevel te beletten, maar nadat hij en alle officieren zogenaamd gevangen genomen waren nam hij bijzonder onderdanig het bevel over het schip op zich. Rijen matrozen rukten aan beide oevers op. Voordat de “Aurora” voor de brug voor anker kon gaan, was er, naar Koerkov vertelt, geen spoor meer van de “jonkers” te bekennen. De matrozen sloten de brug en zetten wachtposten uit. Alleen de Slotbrug bleef nog enkele uren in handen van de wachtposten van de regering.

Ondanks de kennelijke mislukking van de eerste acties poogden sommige regeringsorganen toch nog verder op te treden. Een afdelingsmilitie verscheen ’s avonds in een grote particuliere drukkerij om het blad van de Petrogradse sovjet “Arbeiders en Soldaten” in beslag te nemen. Twaalf uur geleden waren de arbeiders van de bolsjewistische drukkerij om dezelfde reden naar het Smolny gesneld om hulp te halen. Nu is dit niet meer nodig. Samen met twee toevallig aanwezige matrozen namen de arbeiders van de drukkerij de met kranten beladen auto weg, waarbij zich terstond een deel van de militiesoldaten bij hen aansloot. De inspecteur van de militie vluchtte. De ontnomen kranten werden goed en wel in het Smolny afgeleverd. Het Militair Revolutiecomité zond twee afdelingen van het Preobrazhensky-regiment ter bescherming. De verschrikte administratie gaf terstond de leiding van de drukkerij over aan de raad van de oudsten van de arbeiders.

Het kwam niet bij de justitie op om in het Smolny binnen te dringen tot het verrichten van arrestaties: het was maar al te duidelijk dat dit het teken tot de burgeroorlog geweest zou zijn met een bij voorbaat vaststaande nederlaag van de regering. Daarentegen werd echter meer langs administratieve weg in de wijk Vyborg, waar ook in betere dagen de autoriteiten zich zo min mogelijk lieten zien, een poging gedaan om Lenin gevangen te nemen. Laat in de avond drong een of andere overste met een dozijn “jonkers” in plaats van in de bolsjewistische redactie bij vergissing in een arbeidersclub binnen die zich in datzelfde huis bevond. De vechtjassen dachten om de een of andere reden dat Lenin in de redactie op hen wachtte. Vanuit de club bracht men meteen de staf van de Rode Garde in de wijk op de hoogte. Terwijl de overste op de verschillende verdiepingen ronddoolde en zelfs bij de mensjewieken terechtkwam, arriveerden Roodgardisten, arresteerden hem met de “jonkers”, brachten hem naar de staf van de wijk Vyborg en vandaar naar de Peter-en-Paulsvesting. Zo stuitte de met veel geschreeuw aangekondigde veldtocht tegen de bolsjewieken bij elke stap op onoverkomelijke moeilijkheden, leidde tot op zichzelf staande overvallen en onbelangrijke gebeurtenissen, vervloog en ging in rook op.

Het Militair Revolutiecomité was intussen onafgebroken werkzaam. Commissarissen hielden bij de troepen de wacht. Aan de bevolking werd bij afzonderlijke oproep bekend gemaakt tot wie men zich in geval van contrarevolutionaire of pogromistische aanslagen te wenden had: “Er zal dan onverwijld hulp geboden worden.” Een dringend bezoek van de commissaris van het Kexholm-regiment op het telefoonkantoor is voldoende om de toestellen van het Smolny weer aangesloten te krijgen. De telefoonverbinding die sneller dan alle andere is, maakte dat de acties een zeker en stelselmatig verloop konden hebben.

Terwijl het zijn commissarissen naar die regeringsgebouwen zond die nog niet onder zijn controle stonden, verbreedde en bevestigde het Militair Revolutiecomité de steunpunten van de komende aanval. Die dag overhandigde Dsersjinski aan de oude revolutionair Pestkovski een stukje papier dat een mandaat voor de post van commissaris op het hoofdtelegraafkantoor moest voorstellen. – “Hoe moeten wij het telegraafkantoor bezetten?” vroeg de nieuwe commissaris niet zonder verbazing. – “Daar houdt het Kexholm-regiment de wacht, dat aan onze kant staat!” Pestkovski had geen nadere verklaring nodig. Twee met geweren uitgeruste Kexholmers aan de stroomschakelaar zijn voldoende geweest om een tijdelijk compromis met de vijandige telegrafisten, onder wie geen enkele bolsjewiek was, tot stand te brengen.

Om negen uur ’s avonds bezette een andere commissaris van het Militair Revolutiecomité, Stark, met een kleine afdeling matrozen onder commando van de matroos Savin, een vroegere emigrant, het bijkantoor van de telegrafie, hetgeen niet alleen voor het lot van deze instelling zelf maar ook tot op zekere hoogte voor zijn eigen lot beslissend was: Stark was namelijk de eerste Sovjetdirecteur van het bijkantoor voordat hij Sovjetgezant in Afghanistan werd.

Waren deze twee bescheiden operaties daden van opstand of slechts toevallige gebeurtenissen in de dubbele heerschappij, hoewel dan van het verzoeningsgezind op het bolsjewistisch spoor geleid? Deze vraag kan men terecht voor casuïstisch houden. Zij is echter voor een algemene typering van de opstand niet zonder betekenis. Het is een feit dat zelfs het binnendringen van de gewapende matrozen nog een halfslachtig karakter droeg: formeel ging het voorlopig niet om een bezetting van het kantoor maar om het instellen van een censuur op de telegrammen. Zo werd tot aan de avond van 24 oktober de navelstreng van de “legaliteit” niet definitief doorgeknipt en dekte de beweging zich nog altijd met hetgeen er nog over was van de traditie van de dubbele heerschappij.

Het Smolny had bij de uitwerking van de plannen tot de opstand grote verwachtingen gekoesterd van de Baltische matrozen als een korps waar proletarische vastberadenheid gepaard ging met een degelijke militaire scholing. De aankomst van de matrozen in Petrograd was bij voorbaat vastgeknoopt aan het Sovjetcongres. Een eerdere aankomst van de Baltische matrozen zou betekend hebben dat men tot de opstand overging. Hieruit ontstond een moeilijkheid die tot vertragingen leidde.

In het Smolny kwamen in de loop van 24 oktober twee gedelegeerden van de sovjet van Kronstadt voor het congres aan, namelijk de bolsjewiek Flerovski en de anarchist Jartsjoek die met de bolsjewieken ging. Zij ontmoetten in een van de vertrekken van het Smolny Tsjoednovski, die juist van het front aangekomen was en zich met een beroep op de stemming onder de soldaten tegen een opstand in de onmiddellijke toekomst uitsprak. “Toen de woordentwist op zijn hoogtepunt was,” vertelt Flerovski, “trad Trotski de kamer binnen… Hij riep mij apart en ried mij aan terstond naar Kronstadt terug te keren: de gebeurtenissen ontwikkelden zich zo snel dat ieder op zijn post moest zijn… Ik voelde in deze korte instructie zeer sterk de tucht van de aanstaande opstand.” De woordentwist werd gestaakt, de licht ontvankelijke en hartstochtelijke Tsjoednovski onderdrukte zijn twijfel om mee te werken aan de uitwerking van de plannen voor de strijd. Flerovski en Jartsjoek werden op de voet gevolgd door een radiobericht: “Met de gewapende krachten van Kronstadt bij het aanbreken van de dag oprukken ter verdediging van het Sovjetcongres.”

Het Militair Revolutiecomité zond in de loop van de nacht door middel van Sverdlov een telegram naar Helsingfors aan Smilga, de voorzitter van het districtscomité van de sovjets in Finland: “Stuur statuten.” Dit betekende: stuur onmiddellijk vijftienhonderd van de beste tot aan de tanden gewapende Baltische matrozen. Al kunnen de Baltische matrozen pas in de loop van de volgende dag aankomen, er is toch geen reden om de strijd uit te stellen. Er zijn immers genoeg krachten ter plaatse aanwezig – en bovendien is het niet mogelijk: de operaties zijn reeds in volle gang. Indien van het front versterkingen de regering te hulp zouden komen, zouden de matrozen vroeg genoeg aanwezig zijn om deze in de flank of in de rug aan te vallen.

De tactische uitwerking van het schema voor de verovering van de hoofdstad is voornamelijk het werk van de Militaire Organisatie van de bolsjewieken. Officieren van de generale staf zouden vele leemten in het plan van de leken ontdekken. Afgestudeerden van de militaire academie plegen echter niet aan de voorbereiding van een revolutionaire opstand deel te nemen. Er is in ieder geval in het aller-noodzakelijkste voorzien. De stad is in sectoren voor de strijd ingedeeld, die onder de dichtstbijzijnde staven ressorteren. Op de belangrijkste punten zijn manschappen van de Rode Garde samengebracht en in verbinding gesteld met de naburige troepen, waar wachtcompagnieën gereed liggen. De doeleinden van elke afzonderlijke operatie en de krachten daarvoor zijn van tevoren vastgesteld. Alle deelnemers aan de opstand, van hoog tot laag – dit is juist zijn kracht maar op bepaalde momenten ook zijn zwakke plek – zijn er vast van overtuigd dat de overwinning zonder slachtoffers behaald zal worden.

De voornaamste operaties begonnen tegen twee uur ’s nachts. Met kleine militaire groepen die in de regel een kern van gewapende arbeiders of matrozen onder leiding van commissarissen hadden, werden gelijktijdig of na elkaar stations, elektrische centrales, militaire en gewone opslagplaatsen van levensmiddelen, de waterleiding, de Slotbrug, de telefooncentrale, de staatsbank en de grote drukkerijen bezet, de telegrafie en de post beveiligd en overal werden betrouwbare wachtposten opgesteld.

De berichten over de gebeurtenissen in deze oktobernacht zijn schaars en kleurloos: zij gelijken op een politierapport. Alle deelnemers aan de strijd zijn koortsachtig nerveus. Er is niemand en er is ook geen tijd om nauwkeurig op te letten en aantekeningen te maken. De berichten die bij de staven binnenkomen, worden niet of slechts slordig op papier gesteld, terwijl de notities ook wel verloren gaan. De latere herinneringen zijn saai en niet altijd even nauwkeurig, aangezien zij meestal van willekeurige deelnemers en ooggetuigen afkomstig zijn. Die arbeiders, matrozen en soldaten echter die de werkelijke organisatoren en leiders van de operaties tot de inname van de hoofdstad waren, kwamen spoedig aan het hoofd van de eerste afdelingen van het Rode Leger en lieten in de meeste gevallen spoedig hun leven op de verschillende tonelen van de burgeroorlog. De onderzoeker stuit bij de bestudering van het karakter en de opeenvolging van de verschillende gebeurtenissen op grote verwarringen die de krantenberichten enkel nog ingewikkelder maken. Het lijkt soms alsof het in de herfst van 1917 gemakkelijker was om Petrograd te veroveren dan om veertien jaar later dit proces te reconstrueren!

De eerste compagnie van het bataljon pioniers, dat het meest betrouwbare en meest revolutionaire was, werd belast met het innemen van het naburige Nicolajevskistation. Reeds na een kwartier was het station zonder dat er een schot gelost was met sterke wachtposten bezet: de regeringsgetrouwe posten waren eenvoudig spoorloos in de duisternis verdwenen. De koude, doordringende nacht is vol verdacht rumoer en geheimzinnige beweging. De kwellende onrust in hun binnenste onderdrukkend, houden de soldaten plichtsgetrouw voorbijgangers en voorbijrijdenden aan om zorgvuldig hun papieren te onderzoeken. Zij weten niet altijd, hoe te handelen, aarzelen – en laten meestal passeren. Hun gevoel van zekerheid neemt echter met het uur toe. Tegen 6 uur ’s morgens houden de pioniers twee vrachtauto’s met “jonkers” aan, ongeveer zestig man, ontwapenen deze en brengen hen naar het Smolny.

Hetzelfde bataljon krijgt bevel om vijftig man ter bescherming van een opslagplaats van proviand en éénentwintig man ter bewaking van de elektrische centrale te zenden. De ene order volgt op de andere, nu eens uit het Smolny, dan weer uit de wijk, niemand spreekt tegen, niemand moppert. Volgens het rapport van een commissaris worden de bevelen “onmiddellijk en nauwgezet” uitgevoerd. De bewegingen van de soldaten krijgen een nauwkeurigheid als in lang niet meer het geval geweest is. Hoezeer dit vermolmde garnizoen ook reeds verzwakt en alleen nog maar geschikt is om afgebroken te worden, ontwaakt deze nacht de oude soldatendril weer en wordt – voor de laatste maal – elke zenuw in dienst van het nieuwe doel gespannen.

Commissaris Oeralov kreeg twee opdrachten: (1) om de drukkerij van het reactionaire blad “Roesskaja Wolja” (“De Russische wil”) dat indertijd door Protopopov gesticht was, kort voordat hij laatste minister van binnenlandse zaken van Nicolaas II werd, te bezetten en (2) om een kolonne soldaten uit het Semjonovskigarde-regiment te halen dat de regering gewoontegetrouw nog als het hare beschouwde. De Semjonovsktsy werden gebruikt om een drukkerij te bezetten, de drukkerij om het bolsjewistische blad in groot formaat en met een grote oplage uit te geven. De soldaten waren reeds bezig zich ter ruste te begeven. De commissaris zette hen in het kort het doel van zijn komst uiteen: “Nauwelijks was ik uitgesproken of er klonk een algemeen hoerageroep. De soldaten sprongen van hun britsen en namen mij in hun midden.” Volgeladen met Semjovski-soldaten reed de vrachtauto naar de drukkerij. In de zaal met de rotatiepersen kwam in allerijl de nachtploeg van de arbeiders bijeen. De commissaris zette het doel van zijn komst uiteen. “Net als in de kazerne antwoordden ook hier de arbeiders met de kreet Hoera! en Leve de Sovjets!” De taak is volbracht. Vrijwel op dezelfde manier had ook de inname van andere instellingen plaats. Het was niet nodig geweld te gebruiken omdat er geen tegenstand geboden werd. De opstandige massa’s werkten met hun ellebogen en drongen de vroegere heren opzij.

De districtscommandant Polkovnikov meldde ’s nachts over de militaire telegraaflijnen naar het hoofdkwartier en naar de staf van het Noordelijk front: “Toestand in Petrograd verschrikkelijk. Straatdemonstraties en onlusten zijn er niet. Stelselmatig worden echter regeringsgebouwen en stations bezet en vinden er arrestaties plaats… De jonkers verlaten de wachtposten zonder tegenstand te bieden. Er bestaat geen zekerheid dat er geen poging gedaan zal worden om de Voorlopige Regering te arresteren.” Polkovnikov heeft gelijk: er bestaat inderdaad geen zekerheid.

In militaire kringen vertelde men dat de agenten van het Militair Revolutiecomité bij de commandant van Petrograd uit diens tafel parolen en aflossingsorders van de garnizoenswacht gestolen hadden. Dit zou wel eens mogelijk kunnen zijn, want in alle regeringsbureaus waren er onder het lagere personeel genoeg vrienden van de opstand te vinden. Toch is dit verhaal van de ontvreemde parolen naar alle waarschijnlijkheid echter verzonnen om een verklaring te geven voor het al te smadelijke gemak waarmee de bolsjewistische wachtposten de stad innamen.

Het garnizoen heeft gedurende de nacht bevel gekregen om de officieren die de macht van het Militair Revolutiecomité niet erkennen gevangen te nemen. In veel regimenten waren de officieren reeds uit zichzelf verdwenen om op een rustig plekje de onrustige dagen af te wachten. Bij andere troepen werden de officieren verwijderd of gearresteerd. Overal vormde men eigen revolutionaire comités of staven die met de commissarissen samenwerkten. Het is vanzelfsprekend dat deze geïmproviseerde legerleiding niet in alle opzichten tegen haar taak opgewassen was. Daarentegen was zij betrouwbaar. En de politieke factor was in de eerste plaats beslissend.

Toch legden de staven van sommige troepen bij al hun onervarenheid een krachtig militair initiatief aan de dag. Het comité van het Pavlovski-regiment zond zijn boodschappers naar de districtsstaf om te informeren wat daar gebeurde. Het reservebataljon chemici lette nauwkeurig op zijn onrustige buren, de jonkers van de Pavlovski- en Vladimirskischolen en de leerlingen van het kadettenkorps. De chemici ontwapenden van tijd tot tijd op straat “jonkers” en hielden daardoor bij deze de angst erin. De staf van het chemische bataljon wist door contact met het soldatencommando van de Pavlovskischool te bekomen dat het commando de sleutels tot de wapens in handen kreeg.

De getalsterkte van hen die direct bij de nachtelijke inneming van de hoofdstad betrokken waren, is moeilijk vast te stellen. Niet alleen omdat niemand hen geteld en opgetekend heeft, maar ook door de aard van de krijgsverrichtingen. De tweede en derde soort reserves smolten nagenoeg met het gehele garnizoen samen. Men behoefde echter slechts hier en daar zijn toevlucht tot de reserves te nemen. Enkele duizendtallen Roodgardisten, twee à drieduizend matrozen – hun aantal zal zich morgen met de aankomst van de matrozen uit Kronstadt en Helsingfors ongeveer verdriedubbelen – ongeveer twintig compagnieën en commando’s infanterie – dat waren de krachten van de eerste en tweede lichting met behulp waarvan de opstandelingen de hoofdstad innamen.

Om 3u20 ’s nachts meldde de chef van de politieke afdeling van het ministerie van oorlog, de mensjewiek Scher, over de directe telegraaflijn naar de Kaukasus: “Er wordt een zitting gehouden van het Centraal Uitvoerend Comité samen met de voor het Sovjetcongres aangekomen afgevaardigden, van wie de overgrote meerderheid uit bolsjewieken bestaat. Trotski werd met een ovatie onthaald. Hij verklaarde dat hij op een onbloedige afloop van de opstand hoopte, daar de macht in hun handen was. De bolsjewieken zijn tot een daadwerkelijk optreden overgegaan. Zij hebben de Nicojevskibrug bezet en daar pantserwagens doen aanrukken. Het Pavlovski-regiment heeft in de Milljonastraat naast het Winterpaleis posten geplaatst, houdt alle voorbijgangers aan, arresteert verschillende personen en brengt hen naar het Smolnyinstituut. Gearresteerd zijn minister Kartasjev en de secretaris van de Voorlopige Regering, Haperin. Het Baltische station is eveneens in handen van de bolsjewieken. Indien het front niet tussenbeide komt, beschikt de regering over geen enkele kracht om tegen aanwezige troepen tegenstand te bieden.”

De verenigde vergadering van het Uitvoerend Comité waarover luitenant Scher hier spreekt, werd na middernacht in het Smolny geopend. De afgevaardigden van het Sovjetcongres waren in de zaal als gast aanwezig. De corridors en gangen zijn met versterkte wachtposten bezet. Veldgrijze mantels, geweren, en in de ramen machinegeweren. De leden van de Uitvoerende Comités verdronken als het ware in de veelkoppige en vijandige massa uit de provincie. Het hoogste orgaan van “de democratie” leek reeds de gevangene van de opstand te zijn. De traditionele figuur van de voorzitter Tsjcheïdse ontbrak. Ook ontbrak de onmisbare referent Tsereteli. Verschrikt door de loop der gebeurtenissen hadden beiden enkele weken vóór de strijd hun verantwoordelijke posten neergelegd en waren ze naar hun vaderland Georgië afgereisd, ze lieten Petrograd aan zijn lot over. De leider van het verzoeningsgezinde blok bleef Dan. Hij bezat noch de listige goedmoedigheid van Tsjcheïdse, noch hoogdravende welsprekendheid van Tsereteli. Daarentegen overtrof hij beiden in starre kortzichtigheid. Eenzaam op de tribune van het presidium gezeten, opende de sociaal-revolutionair Goz de zitting. Dan nam het woord onder volkomen stilzwijgen van de zaal die Soechanov “mat” en John Reed “bijna dreigend” voorkwam. Het stokpaardje van de spreker was een kersverse resolutie van het Voorlopig Parlement waarin gepoogd werd tegenover de opstand de matte weerklank van zijn eigen leuzen te plaatsen. “Het zal te laat zijn als jullie dit besluit niet eerbiedigen,” zei Dan terwijl hij met de onvermijdelijke honger en de demoralisatie onder de massa’s dreigde. “Nooit was de contrarevolutie zo sterk als op dit ogenblik,” d.w.z. in de nacht van 25 oktober 1917! Geconfronteerd met grote gebeurtenissen ziet de verschrikte kleinburger slechts gevaren en moeilijkheden. De enige bron waaruit hij kracht put, is de pathos van de angst. “In de bedrijven en kazernes heeft de pers van de Zwarte Honderd veel meer succes dan de socialistische.” Waanzinnigen voeren de revolutie in het verderf, net zoals in 1905 “toen Trotski ook al aan het hoofd van de Sovjet van Petrograd stond.” Maar neen. Het Centraal Uitvoerend Comité zal een opstand niet toelaten: “Slechts over zijn lijk zullen de bajonetten van de strijdende partijen elkaar kruisen.” Men roept uit de zaal: “Maar het is toch al lang een lijk.” De hele zaal voelde hoe juist deze onderbreking was: over het lijk van de verzoeningsgezinden kruisten zich reeds de bajonetten van de burgerij en de arbeidersklasse. De spreker kan zich niet verstaanbaar maken door het vijandig rumoer. De president belt tevergeefs, heeft geen succes met zijn vermaningen en dreigementen helpen niet. Te laat, te laat…

Ja, dat is de opstand. In zijn antwoord namens het Militair Revolutiecomité, de bolsjewistische partij en de Petrogradse arbeiders en soldaten stapt Trotski eindelijk over de laatste formaliteiten heen. Ja. De massa’s zijn op onze hand en wij leiden hen ten aanval. “Indien jullie niet aarzelen,” roept hij over de hoofden van het Centraal Uitvoerend Comité heen de afgevaardigden voor het congres toe, “zal er geen burgeroorlog zijn, want de vijanden zullen zich meteen overgeven en jullie zullen de plaats innemen die jullie van rechtswege toekomt – de plaats van heer en meester over de Russische aarde.” De verschrikte leden van het Centraal Uitvoerend Comité vinden niet eens de kracht om te protesteren. De verdedigende taal van het Smolny had totnutoe, ondanks alles wat er voorviel, een zwakke schijn van hoop in hen wakker gehouden. Nu is ook deze uitgedoofd. In deze nachtelijke uren heft de opstand trots het hoofd op.

De aan incidenten zo rijke zitting eindigde tegen 4 uur in de morgen. Bolsjewistische sprekers verschenen op het podium om direct weer naar het Militair Revolutiecomité terug te keren, waar uit alle delen van de stad berichten binnenkwamen die merendeels gunstig waren: de cordons houden de wacht in de straten; de regeringsgebouwen worden de een na de ander bezet; de vijand biedt nergens tegenstand.

Het heette dat de telefooncentrale buitengewoon zwaar versterkt was. Tegen 7 uur ’s morgens werd ook deze echter zonder enige strijd door het commando van het Kexholm-regiment bezet. Nu behoefden de opstandelingen niet alleen niet meer om hun eigen verbinding bezorgd te zijn, maar kregen zij ook de mogelijkheid om de telefoonverbinding van de vijand te controleren. De toestellen van het Winterpaleis en de centrale staf werden trouwens terstond afgesneden.

Nagenoeg tezelfdertijd maakte een afdeling matrozen van de gardebemanning, die ongeveer veertig man telde, zich meester van het gebouw van de staatsbank aan het Jekaterininskikanaal. De beambte Ralzevitsj herinnert zich hoe de afdeling matrozen zeer snel te werk ging en bij de telefoontoestellen wachtposten opstelde om te beletten dat men om hulp van buiten zou vragen. De bezetting van het gebouw had zonder enige tegenstand plaats, ondanks de aanwezigheid van een sectie van het Semjonovski-regiment. Men kende aan de bezetting van de bank in zekere zin een symbolische betekenis toe. De kaders van de partij waren opgevoed met de marxistische kritiek op de Commune van 1871. De leiders van de Commune hadden het naar men weet niet gewaagd om hun hand naar de staatsbank uit te strekken. “Neen, wij zullen niet in diezelfde fout vervallen,” zeiden veel bolsjewieken reeds lang vóór 25 oktober tot elkaar. Het nieuws van de bezetting van de meest heilige van alle burgerlijke staatsinstellingen verspreidde zich meteen door de wijken, waar dit een warme golf van enthousiasme veroorzaakte.

In de vroege morgenuren werden het Warschau station, de drukkerij van de “Bisjevij Wedomowski” en, vlak voor de vensters van Kerenski, de Slotbrug bezet. Een commissaris van het Comité kwam in de Krestygevangenis en toonde aan de dienstdoende soldaten van het Volynse regiment een order betreffende de vrijlating van een aantal gevangenen volgens een lijst van de Sovjet van Petrograd. Het gevangenisbestuur probeerde tevergeefs nadere aanwijzingen van de minister van justitie te verkrijgen: deze had andere dingen aan zijn hoofd. De bevrijde bolsjewieken, onder wie de jonge Kronstadtse leider Rosjal, kregen allemaal meteen een bepaalde taak in de strijd aangewezen.

In de loop van de morgen bracht men in het Smolny een op het Nicolajevskistation door pioniers aangehouden troep “jonkers,” die op vrachtauto’s uit het Winterpaleis waren weggereden om proviand te halen. Podvojskivertelt: “Trotski verklaarde hen dat zij vrijgelaten werden onder voorwaarde dat zij beloofden niets meer tegen de Sovjetmacht te zullen ondernemen en dat zij dan naar hun werk in de school konden terugkeren. De knapen, die een bloedig gevecht verwacht hadden, waren stomverbaasd.” Het is de vraag in hoeverre het juist was hen meteen vrij te laten. De overwinning was nog niet definitief bevochten en de “jonkers” vormden de voornaamste kracht van de tegenstander. Aan de andere kant was het bij de twijfelende stemming in de krijgsscholen van belang om met daden te laten zien dat de “jonkers” bij een overgave op genade of ongenade geen straffen van de kant van de overwinnaar te duchten hadden. De argumenten vóór en tegen wogen tegen elkaar op.

Generaal Levitski meldde ’s morgens vanuit het ministerie van oorlog, dat nog niet door de opstandelingen bezet was, over de directe telegraaflijn naar het hoofdkwartier aan generaal Doechonin: “De troepen van het Petrograds garnizoen… gingen naar de zijde van de bolsjewieken over. Uit Kronstadt kwamen matrozen met een lichte kruiser aan. De opgehaalde bruggen werden door hen weer gesloten. De gehele stad is bezet met wachtposten, maar er vinden geen demonstraties plaats (!). De telefooncentrale is in handen van het garnizoen. De in het Winterpaleis ondergebrachte troepen doen slechts formeel dienst omdat zij besloten hebben niet actief op te treden. Men krijgt in het algemeen de indruk dat de Voorlopige Regering zich in de hoofdstad van een vijandelijke staat bevindt, een staat die de mobilisatie uitgevoerd heeft maar nog niet tot een daadwerkelijk optreden overgegaan is.” Een waardevol militair en politiek oordeel! De generaal loopt weliswaar op de gebeurtenissen vooruit als hij zegt dat er uit Kronstadt matrozen aangekomen waren: deze zullen pas binnen enkele uren aankomen. De brug is werkelijk door de “Aurora” gesloten. Naïef is de aan het slot van het rapport uitgesproken verwachting dat de bolsjewieken, “die reeds lang niet meer in staat zijn om met ons allen af te rekenen… het niet zullen wagen tegen de zin van het leger en het front te handelen.” Illusies met betrekking tot het front – dat was alles, wat zowel de generaals in het achterland, alsook de democraten in het achterland nog overgehouden hadden. Daarentegen zal het beeld van de Voorlopige Regering “die zich in de hoofdstad van een vijandelijke staat bevindt,” voor eeuwig in de geschiedenis blijven voortleven als de beste verklaring van de Oktoberrevolutie.

In het Smolny hadden onafgebroken zittingen plaats. Propagandisten, organisatoren, bedrijfs-, regiments-, en districtsleiders kwamen voor één – twee uur, soms zelfs slechts voor enkele minuten om nieuws te vernemen, zichzelf te controleren en naar hun post terug te keren. Bij kamer Nr. 18, waar de bolsjewistische Sovjetfractie gehuisvest was, heerste een onbeschrijflijk gedrang. De door vermoeienis uitgeputte bezoekers sliepen niet zelden even in de zittingzaal als ze hun hoofd moe tegen een van de witte zuilen leunden, of in de gang tegen de muur met het geweer stevig in de armen. Velen strekten zich eenvoudig op de vuile natte vloer uit. Lasjevitsj ontving de militaire commissarissen en gaf hen de laatste aanwijzingen. In het vertrek van het Militair Revolutiecomité, op de derde verdieping, werden de van alle kanten binnenkomende nieuwsberichten tot bevelen omgevormd: daar sloeg het hart van de opstand.

De centra in de wijken weerspiegelden het beeld van het Smolny, maar op kleinere schaal. In de wijk Vyborg, tegenover de staf van de Rode Garde, op het Sampsonjevski-Prospect was een heel legerkamp ontstaan: met paarden bespannen wagens, auto’s en vrachtauto’s versperden de straat. De verschillende instellingen in de wijk wemelden van gewapende arbeiders. De Sovjet, de Doema, de vakverenigingen, de fabriekscomités, alles in deze wijk stond in dienst van de opstand. In de bedrijven, de kazernes en de bureaus had in het klein hetzelfde plaats als in de gehele hoofdstad: sommigen werden afgezet, anderen benoemd. Wat er nog over was van oude verbindingen werd verbroken, nieuwe werden aangeknoopt en bevestigd. Zij die tot nu toe geaarzeld hadden, namen resoluties aan waarin zij zich onder de bevelen van het Militair Revolutiecomité stelden. Mensjewieken en sociaal-revolutionairen brachten samen met de bedrijfsleiders en de superieuren van de troepen de tijd door. Onafgebroken werden in vergaderingen inlichtingen gegeven, de strijdlust aangewakkerd en verbindingen bevestigd. De mensenmassa’s groepeerden zich om nieuwe spillen. De revolutie was in volle gang.

Wij hebben in dit boek gepoogd de voorbereiding van de Oktoberopstand stap voor stap te volgen: de toenemende ontevredenheid onder de arbeidersmassa’s, de overgang van de Sovjet naar de bolsjewistische vlag, de muiterij van het leger, de veldtocht van de boeren tegen de grootgrondbezitters, de wassende vloed van de volksbeweging, de groeiende angst en verwarring onder de bezittenden en de regeerders en tenslotte de strijd binnen de bolsjewistische partij om de opstand. De afsluitende revolutie lijkt na dit alles maar al te kort, te droog, te zakelijk en als het ware niet in overeenstemming met het historisch elan van de gebeurtenissen. De lezer voelt zich enigszins teleurgesteld. Hij lijkt op een bergbeklimmer die denkt dat de grootste moeilijkheden nog moeten komen, maar plots ontdekt dat hij reeds of bijna op de top staat. Waar is de opstand? Het beeld van de opstand ontbreekt. De gebeurtenissen voegen zich niet tot een beeld samen. De kleine, van tevoren beraamde en voorbereide operaties blijven naar plaats en naar tijd van elkaar gescheiden. Zij zijn verbonden door de eenheid van doel en oogmerk, maar niet tot één geheel door de strijd zelf. Men mist grote daden van de massa’s, men mist dramatische botsingen met de troepen. Men mist alles wat de met de gebeurtenissen uit de historie gevoede verbeeldingskracht aan de voorstelling van een opstand verbindt.

Het algemeen karakter van de omwenteling in de hoofdstad zal later met vele anderen ook Masaryk ertoe brengen te schrijven: “De Oktoberrevolutie… was geenszins een beweging van de volksmassa. Deze revolutie was het werk van leiders die achter de schermen van boven af werkten.” In werkelijkheid had geen andere opstand in de geschiedenis zozeer het karakter van een massabeweging als deze opstand. De arbeiders behoefden niet de straat op te gaan om een eenheid te worden: zij vormden toch reeds politiek en moreel een eenheid. Het was de soldaten zelfs verboden om de kazernes zonder vergunning te verlaten: het bevel van het Militair Revolutiecomité was op dit punt gelijk aan het bevel van Polkovnikov. Deze onzichtbare massa’s houden echter meer dan ooit gelijke tred met de gebeurtenissen. De bedrijven en de kazernes verliezen geen moment het contact met de leiding in de wijken en de wijken niet met het Smolny. De afdelingen van de Rode Gardisten voelen dat de steun van de bedrijven achter hen staat. De in de kazernes terugkerende soldaten vinden de aflossing gereed staan. Slechts doordat zij sterke reserves achter zich hadden, konden de revolutionairen met een zo groot zelfvertrouwen aan de vervulling van hun taak beginnen. De verbrokkelde regeringskrachten daarentegen, die bij voorbaat reeds door hun eigen isolement tot een nederlaag gedoemd waren, moesten zelfs de gedachte aan tegenstand prijsgeven. De burgerlijke klassen hadden barricades, branden, plunderingen en stromen bloed verwacht. In werkelijkheid heerste er een rust die vreselijker was dan de ergste donderbui. Geluidloos verschoof de maatschappelijke grondslag, als een draaitoneel dat de volksmassa’s op de voorgrond schoof en de heren van gisteren naar de onderwereld wegvoerde.

Reeds om tien uur ’s morgens – op 25 oktober – meende het Smolny het nieuws van de overwinning aan de hoofdstad en het land te kunnen brengen. “De Voorlopige Regering is ten val gebracht. De staatsmacht is in handen van het Militair Revolutiecomité overgegaan.” Dit bericht was in zeker opzicht voorbarig. De regering bestond nog, althans op het grondgebied van het Winterpaleis. Het hoofdkwartier bestond nog. De provincie had zich nog niet uitgesproken. Het Sovjetcongres was nog niet geopend. De leiders van de opstand zijn echter geen geschiedschrijvers: zij zijn genoodzaakt vooruit te lopen om voor de geschiedschrijvers de gebeurtenissen voor te bereiden. In de hoofdstad was het Militair Revolutiecomité reeds onbeperkt heer en meester. Er kon geen twijfel aan de goedkeuring van het congres bestaan. De provincie wachtte op het initiatief van Petrograd. Om de macht volkomen te veroveren, moest men als macht beginnen op te treden. In een oproep tot de militaire organisaties aan het front en in het achterland riep het comité de soldaten op om nauwkeurig op de gedragingen van de legerleiding te letten, de officieren die zich niet bij de revolutie aansloten te arresteren, en niet terug te deinzen voor het gebruiken van geweld indien men zou pogen om vijandige troepen tegen Petrograd te doen oprukken.

Stankevitsj, de opperste commissaris van het hoofdkwartier die de vorige avond van het front aangekomen was, ondernam ’s ochtends met een halve compagnie ‘jonkers’ van de genie een poging om de bolsjewieken uit de telefooncentrale te verjagen. Zo bleef hij in die wereld van passiviteit en ontbinding niet helemaal stil zitten. Bij deze gelegenheid ondervonden de jonkers voor het eerst in wiens handen het telefoonkantoor zich bevond. “Hier, van deze mensen kan men nog eens leren wat energie is,” roept de officier Sinegoeb tandenknarsend uit. “Hoe komen ze in hemelsnaam aan zulk een leiding!” De matrozen die in het gebouw van de telefooncentrale zitten, zouden gemakkelijk de “jonkers” vanuit de ramen kunnen neerschieten. De opstandelingen doen echter alle mogelijke moeite om bloedvergieten te vermijden. Stankevitsj van zijn kant verbiedt ten strengste het vuur te openen: men zou de “ jonkers” ervan kunnen beschuldigen dat zij op het volk schoten. De commanderende officier denkt bij zichzelf: “Indien wij orde scheppen, wie heeft er dan nog iets te beweren?” en hij besluit zijn overpeinzingen met de uitroep: “Vervloekte komedianten.” Dit is de juiste formulering van de houding van de officieren tegenover de regering. Sinegoeb stuurt op eigen initiatief soldaten naar het Winterpaleis om handgranaten en pyroxylinbommen te halen. In de tussentijd begint een monarchistisch luitenant voor de poort van de telefooncentrale een politieke discussie met een bolsjewistische soldaat. Net als de helden van Homerus trachten zij elkaar voor de aanvang van de strijd met krachttermen te overbluffen. De telefonisten, die tussen twee – voorlopig slechts met woorden gevoede – vuren geraakt zijn, krijgen last van de zenuwen. De matrozen sturen ze naar huis. “Wat is dat? Vrouwen?…” Met een hysterisch geschreeuw stormen zij uit de poort. “De verlaten Morskajastraat,” zo vertelt Sinegoeb, “werd plotseling levendig door de lopende en huppelende figuren.” De matrozen raken al spoedig een beetje thuis bij de toestellen. Op het plein van de centrale komt een pantserwagen van de Roden aangereden, zonder de verschrikte “ jonkers” enig leed aan te doen. Deze bezetten op hun beurt twee vrachtauto’s en barricaderen de poort van de centrale aan de buitenkant. Van het Nevski duikt een tweede pantserwagen op en dan nog een derde. Alles blijft beperkt tot manoeuvres en pogingen om elkaar wederzijds angst aan te jagen. De strijd om de centrale wordt zonder pyroxylin beslist. Stankevitsj heft het beleg op nadat hij vrije aftocht voor zijn “jonkers” bedongen heeft.

De wapens dienen in het algemeen voorlopig nog slechts als een uiterlijk teken van de macht: zij worden vrijwel niet gebruikt. Op weg naar het Winterpaleis ontmoet de halve compagnie van Stankevitsj een troep matrozen met geladen geweer. De tegenstanders werpen elkaar slechts vijandige blikken toe. Noch de ene, noch de andere partij wil vechten: de ene omdat zij zich van haar kracht bewust is, de andere omdat zij haar zwakte beseft. De opstandelingen en vooral de Roodgardisten gaan echter, waar zij de gelegenheid daartoe krijgen, ertoe over de vijanden te ontwapenen. De tweede halve compagnie van de “jonkers” van de genie werd door Roodgardisten en soldaten omsingeld, met behulp van pantserauto’s ontwapend en gevangengenomen. Gevochten werd er ook daarbij echter niet; de jonkers boden geen tegenstand. “Zo eindigde,” zegt de organisator, “voor zover mij althans bekend is de enige poging tot daadwerkelijk verzet tegen de bolsjewieken.” Stankevitsj heeft het hier enkel over de operaties buiten de wijk van het Winterpaleis.

Tegen de middag werden de straten rondom het Mariinskipaleis door troepen van het Militair Revolutiecomité bezet. De leden van het Voorlopig Parlement kwamen juist voor een zitting bijeen. Het presidium trachtte de laatste berichten te krijgen: de harten krompen ineen toen bleek dat de telefoontoestellen van het paleis afgesneden waren. De raad van ouden beraadslaagde wat er gedaan moest worden. De afgevaardigden fluisterden in de hoeken. Avksentjev probeerde te troosten met te zeggen dat Kerenski naar het front gereisd was, spoedig zou terugkeren en alles in orde zou brengen. Een pantserwagen hield voor de uitgang stil. Soldaten van het Litovski- en het Kexholm-regiment en matrozen van de gardebemanning betraden het gebouw, stelden zich langs de trap op en bezetten de eerste zaal. De leiders van de troep eiste van de aanwezigen dat zij onmiddellijk het paleis zouden verlaten. “De indruk was verpletterend,” constateert Nabokov. De leden van het Voorlopig Parlement besloten uiteen te gaan en “tijdelijk hun werk te onderbreken.” Achtenveertig rechtse afgevaardigden stemmen tegen: zij weten bij voorbaat dat zij in de minderheid zullen blijven. De afgevaardigden dalen rustig de prachtige trap af tussen twee hagen van geweren door. Ooggetuigen verklaren: “Er was niets dramatisch aan dit gebeuren.” – “Gewone, saaie, domme en kwaadaardige gezichten,” schrijft de liberale patriot Nabokov over de Russische soldaten en matrozen. Beneden bij de uitgang onderzochten wachtposten de legitimatiepapieren en lieten iedereen naar buiten gaan.

“Men verwachtte dat de leden gesorteerd en dat velen gearresteerd zouden worden,” schrijft Miljoekov, die zelf mee naar buiten mocht gaan, “maar de revolutionaire leiders hadden andere zorgen.” Dit niet alleen: de revolutionaire leiders hadden weinig ervaring. De opdracht van het comité luidde: “Eventueel aanwezige leden van de regering moeten gearresteerd worden.” Er was echter geen van hen aanwezig. De leden van het Voorlopig Parlement werden ongehinderd vrijgelaten en onder hen ook diegenen die weldra de burgeroorlog zouden organiseren.

De parlementaire bastaard die zijn laatste adem twaalf uur eerder uitblies dan de Voorlopige Regering had 18 dagen geleefd. Dat is de tijd tussen de uittocht van de bolsjewieken uit het Mariinskipaleis naar de straat, en het binnendringen van de gewapende massa’s vanop de straat in het Mariinskipaleis. “De Raad van de Russische republiek” was wel de meest lachwekkende van alle parodieën op een regering waaraan de geschiedenis zo rijk is.

De oktobrist Sjidlovski begaf zich, nadat hij het rampzalige gebouw verlaten had, de stad in om naar de gevechten te gaan kijken. Deze heren dachten dat het volk zou opstaan om hen te verdedigen. Er waren echter geen gevechten te ontdekken. Het publiek in de straten – de uitgelezen menigte van het Nevski-Prospect – lachte daarentegen, volgens Sjidkovski. “Heb je het al gehoord: de bolsjewieken hebben de macht gegrepen! Dat kan toch niet langer dan drie dagen duren! Ha, ha, ha!”. Sjidlovski besloot om die tijd dat de bolsjewistische heerschappij volgens de publieke opinie zou duren in de hoofdstad te blijven. De drie dagen werden er, naar men weet, heel wat meer.

Het publiek op het Nevski is trouwens pas tegen de avond begonnen met lachen. ’s Morgens was de stemming zo bezorgd geweest dat slechts enkele mensen in de bourgeoiswijken van de stad de straat op durfden. Tegen 9 uur liep de journalist Knisjnik op het Kamenoostrovski-Prospect om kranten te halen, maar er waren geen krantenverkopers te bekennen. Een klein troepje burgers vertelde elkaar dat de bolsjewieken in de loop van de nacht de telefoon, de telegraaf en de bank bezet hadden. Een patrouille soldaten hoorde dit en verzocht het publiek geen lawaai te maken. Ook zonder dit verzoek was echter iedereen ongewoon stil. Troepen gewapende arbeiders marcheerden voorbij. De trams reden als gewoonlijk, d.w.z. langzaam. “Het kleine aantal voorbijgangers maakte mij angstig,” schrijft Knisjnik over zijn indrukken op het Nevski. In de restaurants werd gegeten, maar bij voorkeur in de achterkamers. Om 12 uur ’s middags bulderde het kanon niet harder of zachter dan anders van de muren van de Peter-en-Paulsvesting die stevig door de bolsjewieken bezet was. Muren en schuttingen worden volgeplakt met oproepen waarin voor demonstraties gewaarschuwd wordt. Er komen echter reeds andere oproepen waarin de overwinning van de opstand bekend gemaakt wordt. Men vond nog geen tijd om deze aan te plakken en strooide ze vanuit automobielen. De zojuist gedrukte manifesten roken naar verse inkt, net als de gebeurtenissen zelf.

Afdelingen van de Rode Garde zijn uit hun wijken komen oprukken. De arbeiders met hun geweer, de bajonet boven de muts of hoed uitstekend, met riemen over hun burgermantel, dit beeld is onafscheidelijk verbonden met 25 oktober. Voorzichtig en nog wat onzeker schiepen de gewapende arbeiders orde in de hoofdstad, waarvan zij zich zojuist meester hadden gemaakt.

De rust in de straten werkte kalmerend. De burgers begonnen in de straten bijeen te komen. Tegen de avond heerste er minder onrust onder hen dan in de afgelopen dagen. Het werk in de staats- en andere openbare instellingen was weliswaar gestaakt. Vele winkels bleven echter open, andere sloten, maar meer uit voorzichtigheid dan noodzaak. Een opstand? Maakt men dan zo een opstand? De Februariwachtposten worden slechts door de Oktoberwachtposten afgelost.

Tegen de avond was het Nevski voller dan ooit met hetzelfde publiek dat de bolsjewieken een leven van drie dagen voorspelde. De soldaten van het Pavlovski-regiment joegen geen angst meer aan, ook al hadden ze zich versterkt met pantserwagens en zelfs met luchtafweerkanonnen. Er gebeurt inderdaad iets ernstig bij het Winterpaleis en men wordt daar niet doorgelaten. Maar de gehele opstand kan zich toch niet op het Slotplein concentreren? Een Amerikaanse journalist zag hoe grijsaards in kostbare bontjassen de vuist tegen de Pavlovsktsy balden en hoe opgedirkte vrouwen de soldaten met krijsende stem beschimpten. “De soldaten weerden zwakjes af met een verlegen lachje.” Zij voelden zich kennelijk niet op hun gemak op het elegante Nevski, dat heel spoedig zou omgedoopt worden in het “Prospect van 25 oktober.”

Claude Anet, een officieus Frans journalist in Petrograd, was oprecht verbaasd: die domme Russen voeren een revolutie heel anders uit dan wat hij in oude boeken gelezen had: de stad is rustig! Anet voert telefonische gesprekken, ontvangt bezoek en gaat uit. Soldaten die hij op het Mojka tegenkomt, marcheren in volmaakte orde, “net als onder het oude regime.” In de Milijonastraat zijn er talrijke patrouilles. Nergens valt er een schot. Het reusachtige plein van het Winterpaleis is op dit middaguur nagenoeg verlaten. Patrouilles in de Morskajastraat en op het Nevski-Prospect. De soldaten marcheren keurig en met onberispelijke uniformen. Op het eerste gezicht lijkt het niet twijfelachtig of het regeringstroepen zijn. Op het Mariinskiplein, vanwaar Anet naar het Voorlopig Parlement tracht te gaan, wordt hij aangehouden door soldaten en matrozen en dit “werkelijk zeer beleefd.” De beide aan het paleis grenzende straten zijn met auto’s en karren gebarricadeerd. Er bevindt zich ook een pantserwagen daarbij. Dit alles staat onder de bevelen van het Smolny. Het Militair Revolutiecomité zond patrouilles de stad in, plaatste wachten, ontbond het Voorlopig Parlement, heerste over de hoofdstad en schiep een orde “zoals men die sinds het uitbreken van de revolutie niet meer gekend had.” ’s Avonds deelt de portiersvrouw aan haar Franse huurder mee dat de Sovjetleiding telefoonnummers bekendmaakte waar men bij eventuele overvallen, verdachte huiszoekingen enz. elk ogenblik om militaire hulp kon vragen. “Waarlijk, wij waren beter dan ooit beschermd.”

Om 2 uur 35 ’s middags – de buitenlandse journalisten keken op hun horloge, de Russische stond het hoofd daar niet naar – werd een buitengewone zitting van de Sovjet van Petrograd geopend met een mededeling van Trotski die in naam van het Militair Revolutiecomité verklaarde dat de Voorlopige Regering opgehouden had te bestaan. “Men heeft ons gezegd dat de opstand de revolutie in stromen bloed zou doen ondergaan… Er is ons geen enkel slachtoffer bekend.” Er is in de geschiedenis geen voorbeeld te vinden van een revolutionaire beweging, waaraan zo reusachtige massa’s deelnamen en die zo onbloedig verliep. “Het Winterpaleis is nog niet genomen, maar in de eerstvolgende minuten zal over het lot daarvan beslist worden.” De komende twaalf uren zullen laten zien dat deze voorspelling te optimistisch was.

Trotski deelt mee dat er van het front troepen tegen Petrograd oprukken en dat men meteen Sovjetcommissarissen naar het front en door het gehele land moet zenden om iedereen op de hoogte te brengen van de omwenteling die plaatsgehad heeft. Uit de kleine rechtse hoek roept men: “Je loopt vooruit op de uitspraak van het Sovjetcongres.” De spreker antwoordt: “De uitspraak van het congres staat bij voorbaat vast door het geweldige feit van de opstand van de Petrogradse arbeiders en soldaten. Wij hebben slechts onze overwinning uit te bouwen.”

Lenin, die hier voor het eerst nadat hij zijn schuilplaats verlaten had in het openbaar optrad, ontvouwde in het kort in zijn rede het revolutionaire programma: het oude staatsapparaat stukslaan; een nieuw regeringsstelsel door middel van de Sovjets scheppen; maatregelen nemen om meteen de oorlog te beëindigen, daarbij steunend op de revolutionaire beweging in de andere landen; het grootgrondbezit afschaffen en daardoor het vertrouwen van de boeren winnen; een controle van de arbeiders over de productie instellen. “De derde Russische Revolutie moet tenslotte tot een overwinning van het socialisme leiden.”

De kunst van de opstand

De mensen houden noch van revoluties, noch van oorlogen. Het verschil is echter dat in een oorlog de dwang de beslissende rol vervult, terwijl er in een revolutie geen dwang is, behalve de dwang van de omstandigheden. Een revolutie heeft plaats wanneer er geen andere uitweg meer is. De opstand die zich boven de revolutie verheft als een top in een bergketen, kan net zomin als de revolutie in haar geheel willekeurig teweeggebracht worden. De massa’s vallen telkens weer aan en trekken telkens weer terug vooraleer zij tot de beslissende stormloop overgaan.

De samenzwering wordt gewoonlijk als een stelselmatig voorbereide onderneming van een minderheid tegenover de opstand als een elementaire beweging van een meerderheid gesteld. En inderdaad: de zegevierende opstand die slechts zaak van een klasse kan zijn, die geroepen is om zich aan het hoofd van het volk te stellen, is door zijn historische betekenis en zijn methodes als door een afgrond gescheiden van een omwenteling door samenzweerders die achter de rug van de massa’s om handelen.

Elke klassenmaatschappij bergt in wezen voldoende tegenstellingen in zich om daarop een samenzwering te baseren. Historische ervaring leert echter dat er niettemin een bepaald ziektetoestand van de maatschappij nodig is – zoals in Spanje, Portugal, Zuid-Amerika – wil de samenzweringspolitiek blijvend voedsel vinden. Een zuivere samenzwering kan zelfs in geval van een overwinning slechts tot vervanging van de ene kliek door de andere kliek van dezelfde regerende klasse leiden of tot nog minder, namelijk de vervanging van enkele regeringsverantwoordelijken door anderen. De overwinning van het ene maatschappelijke regime over het andere is tot nu toe in de geschiedenis nooit anders dan door een opstand van de massa’s teweeggebracht. Terwijl tijdelijke samenzweringen meestal slechts een uiting van stilstand en rotheid in de maatschappij zijn, ontstaat daarentegen de volksopstand gewoonlijk als gevolg van een voorafgaande, snelle, het oude evenwicht van het volk verstorende ontwikkeling. De chronische “revoluties” in de Zuid-Amerikaanse republieken hebben niets gemeen met een permanente revolutie, maar zijn in zekere zin het tegenovergestelde daarvan.

Dit betekent geenszins dat een volksopstand en een samenzwering elkaar onder alle omstandigheden uitsluiten. Het element van samenzwering is bijna altijd in meerdere of mindere mate in een opstand vervat. De massale opstand is, terwijl hij een historisch bepaalde fase in de revolutie vormt, nooit zuiver elementair. Zelfs indien hij bij wijze van verrassing voor het merendeel van degenen die er aan deelnemen uitbreekt, is hij bevrucht door die gedachten waarin de opstandelingen een uitweg uit hun drukkend bestaan menen te zien. Men kan echter een massale opstand voorzien en voorbereiden. Men kan hem vooraf organiseren. De samenzwering is in dit geval ondergeschikt aan de opstand, zij dient deze, vergemakkelijkt hem en verhaast zijn overwinning. Hoe hoger het politieke peil van de revolutionaire beweging en hoe degelijker haar leiding is, een des te grotere plaats neemt de samenzwering in de volksopstand in.

Het is te meer noodzakelijk om de verhouding tussen een opstand en een samenzwering, zowel in tegenstelling tot elkaar als in onderling verband, goed te begrijpen omdat het woord “samenzwering” zelfs in de marxistische literatuur uiterlijk een tegenstrijdige betekenis heeft, alnaargelang het om een zelfstandige onderneming van een het initiatiefnemende minderheid of om een door de minderheid voorbereide opstand van de meerderheid gaat.

Uit de geschiedenis blijkt echter dat een volksopstand in bepaalde omstandigheden ook zonder een samenzwering kan zegevieren. Een opstand kan, terwijl hij “elementair” ontstaan is uit algemene verontwaardiging, op zichzelf staande protesten, demonstraties, stakingen en straatgevechten, een deel van het leger meesleuren, de vijandelijke krachten verlammen en de oude regering ten val brengen. Zo gebeurde het tot op zekere hoogte in februari 1917 in Rusland. Ongeveer hetzelfde beeld gaf ook de ontwikkeling van de Duitse en de Oostenrijk-Hongaarse revolutie in de herfst van 1918 te zien. Voor zover in deze gevallen geen partij aan het hoofd van de opstandelingen stond die geheel en al vervuld was van de belangen en de doeleinden van de opstand, moest de overwinning ervan onvermijdelijk de macht in handen brengen van de partijen die tot op het allerlaatste ogenblik de opstand hadden trachten tegen te houden.

De oude regering ten val brengen – is één ding. De macht overnemen – is een tweede. De burgerij is in de revolutie in staat de macht over te nemen, niet omdat zij revolutionair is, maar omdat zij de burgerij is. In haar handen zijn bezit, beschaving, pers, een geheel net van steunpunten en een hiërarchie van instellingen. Anders is het met de arbeidersklasse gesteld: terwijl het geen ander dan de in zichzelf gelegen sociale voorsprong heeft, kan de opstandige arbeidersklasse slechts vertrouwen op zijn getalsterkte, zijn gesloten eenheid, zijn kaders en zijn staf.

Evenals een smid onmogelijk met blote handen het gloeiend ijzer kan aanvatten, kan ook de arbeidersklasse niet met blote handen de macht grijpen: het heeft een organisatie nodig die voor deze taak geschikt is. De verbinding van massaopstand en samenzwering, de onderschikking van de samenzwering aan de opstand en de organisatie van de opstand door de samenzwering, vormt dat ingewikkelde en verantwoordelijke gebied van de revolutionaire politiek dat Marx en Engels “de kunst van de opstand” noemden. Deze vooronderstelt een volkomen juiste leiding van de massa’s, een soepele oriëntatie in de zich wijzigende omstandigheden, een weldoordacht aanvalsplan, voorzichtigheid bij de technische voorbereiding en stoutmoedigheid bij het toeslaan.

Een massabeweging die verenigd door gemeenschappelijke vijandigheid tegen het oude regime maar zonder klare doeleinden, uitgewerkte strijdmethoden en een bewust tot de overwinning voerende leiding, wordt door historici en politici doorgaans een elementaire opstand genoemd. De elementaire opstand vindt een welwillende erkenning bij de officiële, althans bij de democratische historici, als een onvermijdelijk kwaad waarvoor de verantwoordelijkheid op het oude regime rust. De ware oorzaak van deze welwillende houding is gelegen in het feit dat “elementaire” opstanden niet buiten het raam van het burgerlijke regime kunnen gaan.

Ook de sociaaldemocratie bewandelt dezelfde weg: zij verwerpt niet de revolutie in het algemeen als een maatschappelijke ramp, evenmin als zij aardbevingen, vulkanische uitbarstingen, zonsverduisteringen en pestepidemieën verwerpt. Hetgeen zij als “blanquisme” of, wat nog erger is, als bolsjewisme verwerpt, is een bewuste voorbereiding van de omwenteling, het plan zelf, de samenzwering. De sociaaldemocratie is m.a.w. bereid om, hoewel post factum, die omwentelingen te ondersteunen die de macht in handen van de burgerij brengen, maar zij veroordeelt tegelijkertijd hardnekkig die methodes waardoor het alleen mogelijk is om de macht in handen van de arbeidersklasse te brengen. Onder een schijn van objectiviteit gaat een politiek van bescherming van de kapitalistische maatschappij schuil.

Auguste Blanqui leidde uit hetgeen hij waarnam en zag van de ongelukkige afloop van talrijke opstanden waaraan hij actief deelgenomen had of waarvan hij ooggetuige geweest was, een aantal regels van tactiek af, zonder welke een overwinning van de opstand erg moeilijk of zelfs volkomen onmogelijk was. Blanqui eiste het tijdig vormen van direct revolutionaire afdelingen onder gecentraliseerde leidingen, een directe uitrusting ervan, een goed berekende verdeling van de barricades van bepaalde constructie met een systematisch voorbereide en niet zomaar willekeurige verdediging. Deze regels die uit de militaire eisen van de opstand voortvloeien, moeten natuurlijk allemaal onvermijdelijk met de sociale omstandigheden en de oorlogstechniek veranderen. Op zichzelf zijn zij echter geenszins “blanquisme” in die zin als dit begrip dicht bij het Duitse “putschisme” of een revolutionaire avonturierspolitiek komt.

De opstand is een kunst en heeft net als elke kunst zijn wetten. De regels van Blanqui waren eisen van een militair-revolutionair realisme. De fout van Blanqui lag niet in zijn stelling zelf, maar in de omkering ervan. Blanqui concludeerde uit het feit dat tactische hulpeloosheid een opstand tot ondergang verdoemde dat de naleving van de regels van de tactiek van de opstand op zichzelf de overwinning kon verzekeren. Hier begint pas de tegenstelling tussen blanquisme en marxisme. De samenzwering kan de opstand niet vervangen. De actieve minderheid van de arbeidersklasse kan, hoe goed georganiseerd zij ook is, niet los van de gehele toestand in het land de macht grijpen: in die zin heeft de geschiedenis haar oordeel over het blanquisme geveld. Alleen in die zin echter. De stelling zelf behoudt zijn volle waarde. De elementaire opstand is voor de arbeidersklasse niet voldoende om de macht te veroveren. Een passende organisatie, een plan en een samenzwering zijn nodig. Aldus de leninistische probleemstelling.

De kritiek van Marx op de aanbidding van de barricades was gebaseerd op de stand van de techniek in het algemeen en de militaire techniek in het bijzonder. De opstandtactiek van het blanquisme was in overeenstemming met het karakter van het oude Parijs, van de gedeeltelijk nog op handwerk gebaseerde arbeidersklasse, de nauwe straten en het militaire systeem van Louis Philippe. De principiële fout van het blanquisme bestond uit de gelijkstelling van revolutie en oproer. De technische fout van het blanquisme was dat het oproer en barricade op één lijn stelde. De marxistische kritiek was tegen beide fouten gericht. Terwijl hij met het blanquisme van mening was dat de opstand een kunst was, toonde Engels echter niet alleen de ondergeschikte plaats van de opstand in de revolutie maar ook de afnemende betekenis van de barricade in de opstand aan. De kritiek van Engels betekende geen prijsgeven van de revolutionaire methode ten gunste van het zuivere parlementarisme, zoals de kleinburgers van de Duitse sociaaldemocratie dit in hun tijd met behulp van de Hohenzollernse censuur trachtten te doen. Het vraagstuk van de barricade bleef voor Engels een vraagstuk van een van de technische elementen van de revolutie. De reformisten daarentegen poogden uit de ontkenning van een beslissende betekenis van de barricade het revolutionaire geweld in het algemeen te ontkennen. Dit is ongeveer hetzelfde alsof men uit de opvatting dat de betekenis van de loopgraven in de komende oorlog waarschijnlijk zal afnemen zou afleiden dat het militarisme zal ineenstorten.

De organisatie met behulp waarvan de arbeidersklasse niet alleen de oude regering ten val kan brengen, maar deze ook kan vervangen, wordt gevormd door de sovjets. Wat later uit historische ervaring kwam vast te staan, was vóór de Oktoberrevolutie nog slechts een theoretische voorspelling, ook al was deze op de voorlopige ervaringen van 1905 gebaseerd. De sovjets zijn organen om de massa’s voor te bereiden op de opstand, organen van de opstand en na de overwinning zijn het regeringsorganen.

Inderdaad, de sovjets brengen op zichzelf nog geen oplossing. Zij kunnen alnaargelang van hun programma en leiding een verschillend doel hebben. De sovjets krijgen hun programma van de partij. Terwijl de sovjets in tijden van revolutie – buiten een revolutie zijn zij in het algemeen niet denkbaar – de gehele klasse, met uitzondering van de volkomen achterlijke, passieve of gedemoraliseerde groepen omvatten, is de revolutionaire partij het hoofd van de klasse. De taak van een verovering van de macht kan slechts vervuld worden door een zekere band tussen de partij en de sovjets of andere massaorganisaties die min of meer gelijkwaardig zijn aan de sovjets.

De door de revolutionaire partij geleide sovjet streeft bewust en tijdig naar een verovering van de macht. In overeenstemming met de veranderingen die er in de politieke toestand en de stemmingen van de massa’s plaatshebben, vormt hij steunpunten voor de opstand, verbindt de stormtroepen door een en hetzelfde doel, stelt vooraf een plan voor de aanval en de laatste stormloop op, d.w.z. brengt een georganiseerde samenzwering in de opstand van de massa’s.

De bolsjewieken moesten zich meer dan eens, ook reeds lang vóór de Oktoberrevolutie, verdedigen tegen de beschuldiging die de tegenstanders tegen hen uitten, nl. dat zij samenzweerders en blanquisten waren. Niemand heeft echter een zo onverzoenlijke strijd tegen de methode van een op zichzelf staande samenzwering gevoerd als Lenin. De opportunisten van de internationale sociaaldemocratie hebben meer dan eens de oude sociaal-revolutionaire tactiek van een individuele terreur tegen de tsaristische agenten in bescherming genomen tegenover de meedogenloze kritiek van de bolsjewieken die de tactiek van een massale opstand tegenover de individualistische avonturierspolitiek van de intellectuelen stelden. Lenin heeft echter, terwijl hij het blanquisme en anarchisme in al hun schakeringen verwierp, geen ogenblik voor de “heiligheid” van de spontaniteit van de massa’s gebogen. Hij heeft eerder en beter dan de anderen de verhouding tussen objectieve en subjectieve factoren in de revolutie, tussen elementaire beweging en partijpolitiek, tussen arbeidersklasse en de voorhoede daarvan, tussen sovjet en partij, tussen opstand en samenzwering begrepen.

Indien het echter juist is dat men een opstand niet willekeurig kan teweegbrengen en dat men deze tijdig moet organiseren om tot een overwinning te komen, dan is het voor de revolutionaire leiders nodig om een juiste diagnose te stellen: met moet zich tijdig van de groeiende opstand meester maken om deze met een samenzwering aan te vullen.

Het gynaecologisch ingrijpen in de baringsweeën blijft, hoezeer dit beeld ook misbruikt is, toch altijd de beste illustratie van een bewust ingrijpen in een elementair proces. Herzen heeft zijn vriend Bakoenin eens verweten dat deze bij al zijn revolutionaire daden altijd de tweede maand van de zwangerschap voor de negende hield. Herzen zelf was er veeleer toe geneigd om het bestaan van de zwangerschap zelfs in de negende maand nog te ontkennen. In februari werd de kwestie van het ogenblik van de geboorte nog nagenoeg in het geheel niet gesteld, in zoverre de opstand “bij wijze van verrassing” zonder een gecentraliseerde leiding uitgebroken was. De macht ging echter juist daarom niet over op hen die de opstand gemaakt hadden, maar op hen die deze hadden trachten tegen te houden. Geheel anders was het met de nieuwe opstand gesteld: deze werd bewust door de bolsjewistische partij voorbereid. Zo kreeg de bolsjewistische staf de taak het juiste ogenblik voor het geven van het signaal tot de opstand te bepalen.

Het woord “ogenblik” moet men niet al te letterlijk opvatten, alsof het op een dag of op een uur aankwam. Ook bij de geboorte laat de natuur spelingen in tijd toe die niet alleen voor de gynaecologie maar ook voor het erfrecht van belang zijn. Tussen het ogenblik waarop de poging om een opstand te veroorzaken onvermijdelijk te voorbarig is en tot een revolutionaire miskraam moet leiden, en het ogenblik waarop men de gunstige situatie reeds als hopeloos voorbijgegaan moet beschouwen, ligt een zekere revolutionaire periode – van weken en soms van maanden – waarin de opstand met meer of mindere kans op succes kan doorgezet worden. Het benutten van deze betrekkelijk korte tijd en de keuze van het ogenblik – nu reeds in de zin van de juiste dag en het juiste uur  – voor de laatste slag, leggen een buitengewoon verantwoordelijke taak op de schouders van de revolutionaire leiders. Men kan dit met het volste recht het centrale probleem noemen, want het verbindt de revolutionaire politiek met de techniek van de opstand: en het zal wel overbodig zijn er nog eens aan te herinneren dat én de opstand én de oorlog slechts een voortzetting van de politiek met andere middelen zijn.

Intuïtie en ervaring zijn voor de revolutionaire leiding even onmisbaar als op alle andere gebieden van het menselijk scheppen. Hiermee is de zaak echter niet afgedaan. Ook de kwakzalverij kan zich met succes op intuïtie en ervaring baseren. Politieke kwakzalverij is echter slechts mogelijk in tijden of periodes die in het teken van sleur en routine staan. Een tijd van grote historische omwentelingen duldt geen kwakzalverij. Ook de door intuïtie bezielde ervaring is dan niet voldoende. Er is een synthetische leer nodig die de wisselwerking tussen de voornaamste historische krachten omvat. Er is een materialistische methode nodig die het mogelijk maakt om achter het schimmenspel van programma’s en leuzen de werkelijke beweging van de maatschappelijke organismen te ontdekken.

Een eerste voorwaarde voor de revolutie is dat het bestaande maatschappelijke regime niet in staat blijkt aan de behoeften van de ontwikkeling van het land te kunnen voldoen. De revolutie wordt echter slechts dan mogelijk wanneer er in de maatschappij een nieuwe klasse ontstaat die zich aan het hoofd van het volk kan plaatsen om de taak die de geschiedenis oplegt te vervullen. Het voorbereidingsproces van de revolutie bestaat daarin dat de objectieve taak die uit de economische en klassentegenstellingen voortkomt in het bewustzijn van de levende mensenmassa’s doordringt, dit verandert en een nieuwe machtsverhouding teweegbrengt.

De heersende klassen verliezen tengevolge van hun aan het licht gekomen ongeschiktheid om het land uit het slop te halen het geloof in zichzelf; de oude partijen raken in verval; er ontbrandt een verbitterde strijd tussen groepen en klieken; men verwacht alles van een wonder of een wonderdoener. Dit alles vormt een van de politieke voorwaarden voor een omwenteling, en wel een buitengewoon belangrijke, hoezeer ook louter passieve voorwaarde.

Een verbitterde haat tegen de bestaande maatschappelijke orde en bereidwilligheid om de meest heldhaftige inspanningen en offers te wagen om het land tot een nieuwe opbloei te brengen – dit vormt het nieuwe politieke bewustzijn van de revolutionaire klasse en het vormt de belangrijkste actieve voorwaarde voor de omwenteling.

De twee voornaamste partijen – de bezittenden en de arbeiderklasse – zijn niet de enige in het volk. Er bestaan tussen hen brede groepen kleinburgers in alle kleuren van de economische en politieke regenboog. De ontevredenheid van de tussengroepen, hun ontgoocheling door de politiek van de regerende klasse, hun ongeduld en verontwaardiging, hun bereidwilligheid om het stoutmoedige revolutionaire initiatief van de arbeidersklasse te steunen, vormen de derde politieke voorwaarde voor de omwenteling, die deels passief is voor zover zij de meer gegoede kleinbourgeoisie neutraliseert, deels actief is voor zover zij de meer onbemiddelden regelrecht in de strijd drijft, hand in hand met de arbeiders. De onderlinge afhankelijkheid van deze voorwaarden ligt voor de hand: hoe meer vastberaden en doelbewust de arbeidersklasse optreedt, des te meer kansen heeft ze om de tussengroepen mee te sleuren, des te meer geïsoleerd staat de heersende klasse en des te sterker is de demoralisatie onder deze. Omgekeerd is het verval onder de heersenden koren op de molen van de revolutionaire klasse.

De arbeidersklasse kan slechts vervuld zijn van het voor de omwenteling nodige zelfvertrouwen indien het de toekomst duidelijk voor zich ziet, indien ze in de mogelijkheid verkeert om daadwerkelijk de in haar voordeel veranderde machtsverhoudingen te leren kennen, indien ze een vooruitziende, vastberaden en doelbewuste leiding boven zich voelt. Zo komen wij tot de, in volgorde maar niet in betekenis, laatste voorwaarde voor de machtsverovering, namelijk tot de revolutionaire partij als hechte en geschoolde voorhoede van de klasse.

Dankzij de gunstige samenloop van historische omstandigheden, zowel in het binnenland als op internationaal vlak, kreeg de Russische arbeidersklasse leiding van een partij die buitengewoon politiek geschoold en weergaloos revolutionair gestaald was: hierdoor alleen werd het de in aantal kleine en jonge klasse mogelijk gemaakt om een tot nu toe in de geschiedenis ongekend grote taak te vervullen. In het algemeen bleek, naar de geschiedenis leert – de Parijse Commune, de Duitse en Oostenrijkse revolutie van 1918, Sovjet-Hongarije en Beieren, de Italiaanse revolutie van 1919, de Duitse crisis van 1923, de Chinese revolutie van 1925 tot 1927, de Spaanse revolutie van 1931 – de partij de zwakste schakel in de reeks voorwaarden te zijn. Het is voor de arbeidersklasse buitengewoon moeilijk om een revolutionaire organisatie te vormen die opgewassen is voor de historische taak. Er zijn in de oudere en beschaafde landen machtige krachten aan het werk om de revolutionaire voorhoede te verzwakken en te ondermijnen. Een belangrijk onderdeel van dit werk is de strijd van de sociaaldemocratie tegen het “blanquisme”, onder welke benaming het revolutionaire karakter van het marxisme aangeduid wordt. Ondanks het grote aantal sociale en politieke crisissen was er tot nu toe toch slechts eenmaal een samentreffen van alle voorwaarden die voor een zegevierende en zich handhavende arbeidersrevolutie noodzakelijk zijn, namelijk in oktober 1917 in Rusland. Een revolutionaire situatie blijft niet eeuwig bestaan. De stemming onder de kleinburgers is de meest onzekere factor in de revolutie. Deze volgen tijdens nationale crisissen die klasse die hen niet alleen met de mond maar ook in daden vertrouwen inboezemt. Terwijl zij in staat zijn tot impulsieve opwellingen, zelfs tot revolutionaire woede, ontbreekt het de kleinburgers aan uithoudingsvermogen, verliezen zij bij tegenslagen spoedig de moed en vervallen zij van de stoutste verwachtingen in de meest bittere ontgoocheling. De grote en scherpe veranderingen in hun stemmingen zijn het juist die een revolutionaire situatie zo onbestendig maken. Indien de arbeiderspartij niet vastberaden genoeg is om de verwachtingen en de hoop van de volksmassa’s tijdig in revolutionaire daden om te zetten, treedt snel een eb in na de vloed: de tussengroepen keren zich af van de revolutie en zoeken redding bij de vijand. Zoals tijdens de vloed de arbeidersklasse de kleinburgerij meesleurt, sleurt tijdens de eb de kleine burgerij belangrijke groepen van de arbeidersklasse mee. Dit is de dialectiek van de communistische en fascistische golven in de politieke ontwikkeling van Europa na de oorlog.

Met een beroep op Marx’ stelling dat een maatschappelijk stelsel nooit ondergaat voordat al zijn mogelijkheden uitgeput zijn, ontkenden de mensjewieken dat een strijd om de arbeidersdemocratie aan de orde was in het achterlijke Rusland waar het kapitalisme zich nog lang niet overleefd had. Er zijn twee fouten in deze beschouwing die beide even fataal zijn. Het kapitalisme is geen nationaal, maar een wereldstelsel. De imperialistische oorlog en zijn gevolgen hebben getoond dat het kapitalistische stelsel over de gehele wereld zich overleefd heeft. De revolutie in Rusland was een verbreking van de zwakste schakel in het kapitalistische stelsel over de gehele wereld.

Ook nationaal bezien blijkt hoe foutief de mensjewistische opvatting is. Abstract economisch bekeken is het misschien vol te houden dat het kapitalisme in Rusland geen mogelijkheden meer had. De economische processen voltrekken zich echter niet in de lucht, maar in een bepaald historisch milieu. Het kapitalisme is geen abstractie: het is een levend stelsel van klassenverhoudingen, een stelsel dat allereerst de staatsmacht nodig heeft. Ook de mensjewieken ontkenden niet dat de monarchie, onder wiens bescherming het Russische kapitalisme ontwikkelde, zich overleefd had. De Februarirevolutie poogde een tussenregering in de staat te vormen. Wij hebben de geschiedenis ervan gevolgd: zij had zich in verloop van acht maanden volkomen overleefd. Welke andere staatsordening zou in deze omstandigheden nog een verdere ontwikkeling van het Russische kapitalisme hebben kunnen verzekeren?

“De burgerlijke republiek die slechts verdedigd werd door de meer gematigde socialisten die geen steun in het volk hadden… kon zich niet handhaven. Zij was rot van binnen en slechts de uiterlijke schaal bleef over.” Deze treffend juiste typering is van Miljoekov afkomstig. Het lot van dit verrotte stelsel kon volgens hem geen ander zijn dan dat van de tsaristische monarchie: “Beide hebben het terrein voor de revolutie geëffend en op de dag van de revolutie hadden beide niemand die hen verdedigde.”

Reeds sedert juli en augustus beschreef Miljoekov de toestand door twee namen tegenover elkaar te stellen, nl. Kornilov of Lenin. Kornilov had echter reeds zijn ervaringen gehad. Die waren met een jammerlijk fiasco geëindigd. Voor het Kerenskiregime was in elk geval geen plaats meer. “Bij alle verschillende stemmingen,” verklaart Soechanov, “was iedereen met haat tegen de Kerenskiade vervuld.” Net zoals de tsaristische monarchie zich uiteindelijk in de ogen van de hogere adel en zelfs van de grootvorsten onmogelijk gemaakt had, werd de Kerenskiregering zelfs bij de openlijke aanhangers van het regime, de “grootvorsten” onder de verzoeningsgezinde leiders, gehaat. Deze algemene ontevredenheid en deze ernstige politieke onbehagelijkheid bij alle klassen vormt een van de voornaamste kenmerken voor de rijpheid van een revolutionaire situatie. Zo is ook elke spier, elke zenuw en elke vezel van een organisme tot het uiterste gespannen, voordat een ernstig gezwel doorbreekt.

In de resolutie van het bolsjewistisch congres in juli, waarin de arbeiders gewaarschuwd werden voor ontijdige botsingen, werd er tegelijkertijd op gewezen dat men de strijd zou moeten beginnen “wanneer de nationale crisis en de opkomst van de massa’s gunstige voorwaarden voor een overgang van de armen in de steden en op het platteland naar de zijde van de arbeiders geschapen zouden hebben.” Dit ogenblik was in september en oktober aangebroken.

De opstand kon van nu af aan op succes rekenen, aangezien hij op een werkelijke meerderheid in het volk kon steunen. Men dient dit natuurlijk niet zuiver formeel op te vatten. Indien men vooraf over een opstand een volksstemming zou houden, dan zou deze buitengewoon tegenstrijdige en twijfelachtige resultaten opleveren. De innerlijke bereidwilligheid om een opstand te steunen is geenszins identiek met de bekwaamheid om zich van te voren duidelijk rekenschap van de noodzakelijkheid ervan te geven. De antwoorden zouden bovendien in hoge mate afhankelijk zijn van de vraagstelling zelf en van het orgaan dat de enquête leidt, of liever gezegd van de klasse die aan de regering is.

De democratische methoden hebben hun grenzen. Men kan alle reizigers wel vragen welk type wagon hen het meest gewenst voorkomt, maar men kan hen niet eerst vragen of men de trein die zich in volle vaart bevindt en een ramp tegemoet gaat moet remmen. Men mag intussen bij voorbaat op de instemming van de passagiers rekenen wanneer de redding tijdig gebeurt.

Langs parlementaire weg wordt het gehele volk tegelijkertijd geraadpleegd, terwijl in een revolutie de verschillende groepen in het volk eerst met onvermijdelijke, dikwijls zeer geringe tussenpozen, tot dezelfde conclusie komen. Terwijl de voorhoede brandde van revolutionair ongeduld, begonnen de achterlijke groepen pas in beweging te komen. In Petrograd en Moskou stonden alle massaorganisaties onder bolsjewistische leiding. In het gouvernement Tambov, dat een bevolking van meer dan drie miljoen zielen, d.w.z. iets minder dan beide hoofdsteden samen had, dook de bolsjewistische fractie pas kort vóór de Oktoberrevolutie voor het eerst in de Sovjet op.

De syllogismen van de objectieve ontwikkeling vallen geenszins – precies op de dag af – met de syllogismen van het massale denken samen. En indien het door de loop der dingen noodzakelijk wordt een belangrijk praktisch besluit te nemen, is het geenszins mogelijk eerst nog een volksstemming te houden. De verschillen in het peil en de stemming van de verschillende volksgroepen worden in de actie zelf overwonnen: de radicale elementen slepen de twijfelaars mee en isoleren degenen die zich verzetten. De meerderheid wordt niet geteld, maar veroverd. De opstand wordt juist dan rijp wanneer een uitweg uit de tegenstellingen slechts door middel van de directe actie mogelijk wordt.

Niet in staat om uit hun strijd tegen de grootgrondbezitters de nodige politieke conclusies zelf te trekken, sloten de boeren zich alleen reeds door het feit van de opstand op het platteland bij voorbaat bij de opstand in de steden aan, veroorzaakten deze en bevorderden hem. Zij gaven hun wil niet te kennen door het stembiljet, maar met de rode haan: dit was een ernstige volksstemming. Zij is binnen de grenzen waarin de steun van de boeren voor het vestigen van de Sovjetdictatuur nodig was ook deugdelijk gebleken. “Deze heerschappij,” gaf Lenin de twijfelaars ten antwoord, “zou aan de boeren land en aan de plaatselijke boerencomités de gehele macht verschaffen: hoe kan men, zonder volslagen krankzinnig te zijn, er nog aan twijfelen of de boeren deze heerschappij zouden ondersteunen?” Opdat de soldaten, boeren en onderdrukte volken die hulpeloos in de wirwar van stembiljetten ronddoolden de bolsjewieken werkelijk leerden kennen, was het noodzakelijk dat de bolsjewieken de macht grepen.

Hoe moesten echter de machtsverhoudingen zijn opdat de arbeidersklasse de macht kon veroveren? “Het bezit van een verpletterend overwicht op het beslissende ogenblik en op het beslissende punt,” schreef Lenin later toen hij de Oktoberrevolutie nader verklaarde, “deze stelregel voor het behalen van successen in de oorlog is ook de stelregel voor het behalen van successen in de politiek, vooral in de verbitterde, stormachtige klassenoorlog die revolutie heet. De hoofdsteden en in het algemeen de grote handels- en industriecentra zijn in hoge mate beslissend voor het politieke lot van het volk – natuurlijk onder voorwaarde dat de centra door genoeg lokale krachten in het dorp ondersteund worden, al is het dan ook geen directe ondersteuning.” In deze dynamische zin vatte Lenin de meerderheid van het volk op. En dit was de enige reële betekenis van het begrip meerderheid.

De democratische tegenstanders troostten zich ermee dat het volk dat achter de bolsjewieken stond slechts grondstof, historisch leem was. Alleen de democraten waren immers voorbestemd om pottenbakker te zijn met medewerking van de beschaafde bourgeois. “Zien deze mensen dan niet,” vroeg het mensjewistische blad, “dat de arbeidersklasse en het garnizoen van Petrograd nog nooit zo geïsoleerd van alle andere maatschappelijke groepen waren?” Het ongeluk van de arbeidersklasse en het garnizoen was dat zij “geïsoleerd” waren van die klassen van wie zij spoedig de macht zouden ontnemen.

Kon men werkelijk in ernst op de sympathie en de steun van de grauwe massa’s in de provincies en aan het front rekenen? “Hun bolsjewisme,” schreef Soechanov minachtend, “was niets anders dan haat tegen de coalitie en verlangen naar land en vrede.” Alsof dit zo gering was! Haat tegen de coalitie betekende de wil om de macht aan de burgerij te ontrukken. Verlangen naar land en vrede was een groots programma dat de boeren en soldaten wilden verwezenlijken onder leiding van de arbeiders.

De onbeduidendheid van de democraten, zelfs van de meest linksen, kwam voort uit het gemis aan vertrouwen van de “ontwikkelde” sceptici in de onontwikkelde massa’s die de gebeurtenissen in het groot zien zonder op details en nuances te letten. De intellectuele, quasi-aristocratische minachtende houding tegenover het volk was het bolsjewisme vreemd en tegen zijn natuur. De bolsjewieken waren geen dwarskijkers, geen vrienden met de mond van het volk en geen schoolvossen. Zij waren niet bevreesd voor die achterlijke groepen die voor het eerst uit de diepste diepten omhoog stegen. De bolsjewieken namen het volk zoals dit in het verleden gegroeid was en zoals het geroepen was om de revolutie te volvoeren. De bolsjewieken beschouwden het als hun taak om zich aan het hoofd van het volk te plaatsen. ‘Iedereen’ behalve de bolsjewieken waren tegen de opstand. De bolsjewieken echter – dat was het volk.

De arbeidersklasse was de drijvende politieke kracht in de Oktoberrevolutie en in deze arbeidersklasse namen de Petrogradse arbeiders de voornaamste plaats in. De wijk Vyborg vormde op haar beurt de voorhoede van de hoofdstad. Deze doorslaggevende arbeiderswijk werd bij het plan voor de opstand tot uitgangspunt voor de aanval gekozen.

De verzoeningsgezinden van diverse pluimage, te beginnen met Martov, poogden terstond na de omwenteling het bolsjewisme als een soldatenbeweging voor te stellen. De Europese sociaaldemocratie greep gretig deze theorie aan. Men zag hierbij de volgende belangrijke historische feiten over het hoofd: dat het de arbeidersklasse was die het eerst tot de zijde van de bolsjewieken overging; dat de Petrogradse arbeiders de arbeiders van het gehele land de weg wezen; dat het garnizoen en het front veel langer een steunpunt voor de verzoeningsgezinden bleven; dat de sociaal-revolutionairen en mensjewieken in het Sovjetstelsel verschillende voorrechten aan de soldaten gegeven hadden ten koste van de arbeiders, tegen een bewapening van de arbeiders gestreden en de soldaten tegen hen opgehitst hadden; dat er slechts onder invloed van de arbeiders een verandering onder de troepen plaats had; dat de arbeiders op het beslissende moment de leiding over de soldaten hadden; en tenslotte dat een jaar later de sociaaldemocratie in Duitsland naar het voorbeeld van hun Russische geestverwanten in de strijd tegen de arbeiders op de soldaten steunde. Tegen de herfst was het voor de rechtse verzoeningsgezinden definitief onmogelijk geworden in de fabrieken en de kazernes op te treden. De linksen poogden echter nog de massa’s van het waanzinnige van een opstand te overtuigen. Martov, die in de strijd tegen de contrarevolutie die in juli tot de aanval overging, een weg tot het bewustzijn van de massa’s gevonden had, deed nu opnieuw een hopeloze poging. “Wij mogen er niet op rekenen,” erkende hij zelf op 14 oktober in de vergadering van het Centraal Uitvoerend Comité, “dat de bolsjewieken naar ons zullen luisteren.” Niettemin beschouwde hij het als zijn plicht om “de massa’s te waarschuwen.” De massa’s verlangden echter naar daden, niet naar raadgevingen. Zelfs in de gevallen waarin zij betrekkelijk geduldig luisterden naar een bekend iemand die hen waarschuwde, “dachten zij er het hunne van,” erkent Metislavski. Soechanov vertelt hoe hij onder een regenachtige hemel de Poetilovarbeiders ervan poogde te overtuigen dat alles zonder een opstand tot een goed einde gebracht kon worden. Ongeduldig werd hij in de rede gevallen. Twee-drie minuten hoorde men hem aan, om hem dan opnieuw te onderbreken. “Na enkele vergeefse pogingen gaf ik het op. Het hielp niets… de regen viel echter steeds meer in stromen op ons neer.” De arme linkse democraten zien er onder de grauwe oktoberhemel zelfs volgens hun eigen beschrijving uit als natte poedels.

Het werd een geliefkoosd politiek argument van de “linkse” tegenstanders van de omwenteling, zelfs onder de bolsjewieken, om op het gemis aan strijdlust onder het volk te wijzen. “De stemming van de arbeiders- en soldatenmassa’s is,” zo schreven Zinovjev en Kamenev op 11 oktober, “lang niet deze die voor 3 juli bestond.” Dit was volkomen verklaarbaar, want de Petrogradse arbeidersklasse was in zekere zin terneergeslagen door het al te lange wachten. Het voelde zich teleurgesteld, ook in de bolsjewieken: zouden ook zij voor de gek houden? Op 16 oktober zei Rachia, een van de meest actieve Petrogradse bolsjewieken en van afkomst een Fin, in de zitting van het Centraal Comité: “Onze slogan komt klaarblijkelijk te laat, want men twijfelt eraan of wij datgene zullen doen waartoe wij oproepen.” De vermoeidheid door het lange wachten die een verslapping leek, week echter bij het eerste signaal tot de strijd.

Een opstand heeft altijd allereerst tot taak om de troepen aan zijn kant te brengen. Daartoe juist dienen voornamelijk de algemene staking, massaoptochten, straatgevechten en barricadegevechten. De bijzondere, tot nu toe nog nooit en nergens zo duidelijk aan het licht gekomen eigenaardigheid van de Oktoberrevolutie is gelegen in het feit dat de arbeidersvoorhoede ten gevolge van een gelukkige samenloop van omstandigheden erin slaagde het garnizoen van de hoofdstad nog vóór het uitbreken van de openlijke opstand aan zijn zijde te brengen; en niet alleen aan zijn zijde te brengen, maar dit voordeel ook door middel van de Garnizoensvergadering organisatorisch vast te leggen. Men kan de loop van de Oktoberrevolutie niet begrijpen indien men niet duidelijk beseft dat de voornaamste taak van de opstand in Petrograd die van tevoren het moeilijkst te berekenen was, in wezen reeds vóór het begin van de gewapende strijd vervuld was.

Dit wil echter niet zeggen dat de opstand overbodig geworden was. Weliswaar stond de overgrote meerderheid van het garnizoen aan de kant van de arbeiders; maar een minderheid was tegen de arbeiders, tegen de revolutie, tegen de bolsjewieken. Deze kleine minderheid bestond uit de meest geschoolde elementen in het leger: officieren, “jonkers”, stootbrigades en misschien ook wel Kozakken. Deze elementen waren politiek niet te winnen: men moest hen verslaan. Het laatste gedeelte van de taak van de opstand, dat juist onder de naam Oktoberopstand in de geschiedenis bekend geworden is, had zodoende een zuiver militair karakter. In dit laatste stadium moesten geweren, bajonetten, machinegeweren en wellicht ook kanonnen de beslissing brengen. De bolsjewistische partij ging voor op deze weg.

Waaruit bestonden de militaire krachten die in het komende conflict een rol zouden spelen? Boris Sokolov, die het militaire werk van de sociaal-revolutionaire partij leidde, deelt mee dat in de periode vlak voor de revolutie “alle partijafdelingen in de regimenten, behalve de bolsjewistische, uit elkaar vielen en de voorwaarden voor het scheppen van nieuwe organisaties allerminst gunstig waren. De stemming onder de soldaten was weliswaar uitgesproken bolsjewistisch, maar hun bolsjewisme was passief en zij waren niet in het minst geneigd om daadwerkelijk tot een gewapende opstand over te gaan.” Sokolov laat niet na hieraan toe te voegen: “Een of twee betrouwbare en strijdvaardige regimenten zouden voldoende geweest zijn om het gehele garnizoen tot gehoorzaamheid te brengen.” Zonder uitzondering kwam iedereen, van de monarchistische generaals tot de “socialistische” intellectuelen, “een à twee regimenten” tekort tegen de arbeidersrevolutie. Het is echter juist dat het garnizoen dat in overgrote meerderheid zeer vijandig tegenover de regering stond, ook aan de zijde van de bolsjewieken niet strijdvaardig geweest zou zijn. De reden hiervan was gelegen in de onoverkomelijke kloof die er bestond tussen de oude militaire structuur van de troepen en hun nieuwe politieke structuur. De legerleiding vormt de ruggengraat van een strijdvaardige troepenmacht. Deze was tegen de bolsjewieken. De bolsjewieken vormden de politieke ruggengraat van de troepen. Zij waren echter niet alleen niet in staat om het commando te voeren, zij wisten voor het merendeel ook niet goed met de wapens om te gaan. De soldatenmassa was niet homogeen. De actieve, strijdvaardige elementen vormden zoals steeds een minderheid. De meerderheid van de soldaten sympathiseerde met de bolsjewieken, stemde voor hen en verwachtte van hen ook de oplossing. De aan de bolsjewieken vijandige elementen waren te onbetekenend onder de troepen om enig initiatief te durven nemen. De politieke verhoudingen in het garnizoen waren derhalve buitengewoon gunstig voor de opstand. De betekenis van de strijdlust in het garnizoen was echter, naar te voorspellen was, niet groot.

Maar dit betekent niet dat het garnizoen compleet moest afgeschreven worden voor de strijd. Onder de meer passieve massa waren er duizenden soldaten die bereid waren om aan de zijde van de revolutie te vechten en daardoor in meer of mindere mate die massa net meesleepten. Enkele troepenafdelingen die gelukkiger samengesteld waren, bleven gedisciplineerd en strijdvaardig. Men trof hechte revolutionaire kernen in zelfs de ontwrichte regimenten aan. In het zesde reservebataljon met een totaal aantal van ongeveer tienduizend man speelde onder de vijf compagnieën steeds de eerste de hoofdrol; deze gold nagenoeg vanaf het begin van de revolutie als bolsjewistisch en bleek in de Oktoberdagen ook opgewassen tegen haar taak. De meeste regimenten en hun bestuursapparaat waren gedesorganiseerd: zij waren niet in staat tot een langdurige strijd; het waren echter toch opeenhopingen van gewapende mensen die voor het merendeel reeds in het vuur gestaan hadden. Een gemeenschappelijk verlangen verbond alle troepen, namelijk om zo snel mogelijk Kerenski ten val te brengen, naar huis terug te keren en een nieuwe verdeling van de grond te bewerkstelligen. Zo moest het volkomen in ontbinding verkerende garnizoen zich in de Oktoberdagen nog eenmaal aaneensluiten en dreigend met de wapens rammelen vooraleer het definitief uit elkaar stoof.

Welke macht vormden de arbeiders van Petrograd vanuit militair standpunt bezien? Dit raakt de vraag van de Rode Garde. Wij moeten nu wat meer over de Rode Garde zeggen: zij zal in de komende dagen een grote historische rol vervullen. Terwijl zij in het verleden terugging tot het jaar 1905, beleefde de arbeidersgarde samen met de Februarirevolutie haar wedergeboorte en ze deelde in het vervolg de lotgevallen van deze revolutie. Kornilov, die toen opperbevelhebber van het militaire district Petrograd was, beweerde dat er in de dagen van de val van de monarchie dertigduizend revolvers en veertigduizend geweren uit de opslagplaatsen van de artillerie spoorloos verdwenen waren. Een groot aantal wapens kwam bovendien bij de ontwapening van de politie en door middel van bevriende regimenten in handen van het volk. Niemand voldeed aan de eis om de wapens in te leveren. In de revolutie leert men de wapens op hun juiste waarde schatten. De georganiseerde arbeiders wisten zich echter slechts van een zeer klein deel van deze waardevolle zaken meester te maken.

In de eerste vier maanden dachten de arbeiders in het geheel nog niet aan een opstand. Het democratisch regime van de dubbele heerschappij maakte het de bolsjewieken mogelijk om in de sovjets de meerderheid te verkrijgen. Troepen gewapende arbeiders maakten deel uit van de democratische militie. Dit was echter meer formeel dan realiter het geval. Een geweer in handen van een arbeider betekende iets heel anders dan datzelfde geweer in handen van een student.

Het feit dat de arbeiders in het bezit van wapens waren, verontrustte de bezittende klassen van het begin af aan zeer. Temeer daar de machtsverhoudingen in de bedrijven daardoor zienderogen veranderden. In Petrograd, waar het staatsapparaat ondersteund door het Centraal Uitvoerend Comité aanvankelijk een onbetwiste macht vormde, was het bestaan van de arbeidersmilitie nog niet zo dreigend merkbaar. In de industriedistricten in de provincie betekende de versterking van de arbeidersgarde echter een omwenteling in alle bestaande verhoudingen niet alleen binnen de onderneming zelf, maar ook in de naaste omgeving ervan. Gewapende arbeiders zetten meesterknechts en ingenieurs af en gingen zelfs tot arrestaties over. Op besluit van de fabrieksvergaderingen kregen de Roodgardisten meermalen soldij uit de bedrijfskassen uitbetaald. In de Oeral, die zo rijk was aan partijstrijd uit het jaar 1905, schiepen de manschappen onder leiding van de oud-strijders orde. Gewapende arbeiders liquideerden bijna ongemerkt de officiële regering en vervingen deze door sovjetorganen. Door de sabotage van de kant van de eigenaars en de beheerders kregen de arbeiders tot taak om de bedrijven, de machines, de opslagplaatsen, de voorraden steenkool en grondstoffen te beschermen. De rollen waren omgedraaid. De arbeider hield stevig het geweer in handen om de fabriek, die hij als de bron van zijn macht beschouwde, te verdedigen. Zo ontstonden er in de bedrijven en in de wijken elementen van een arbeidersheerschappij, nog voordat de arbeidersklasse in haar geheel de macht in de staat veroverd had.

De verzoeningsgezinden werkten, zoals altijd de angst van de bezittenden weerspiegelend, uit alle macht de bewapening van de arbeiders in de hoofdsteden tegen en beperkten deze tot een minimum. Volgens Minitsjjev bedroeg het totale aantal wapens in de wijk Narva vijftien geweren en enkele revolvers. In de stad namen intussen gewelddaden en plunderingen toe. Van alle kanten kwamen er verontrustende geruchten die de voorbode van nieuwe woelingen waren. Aan de vooravond van de Julidemonstratie had men verwacht dat de wijk in brand gestoken zou worden. De arbeiders zochten naar wapens, klopten aan alle deuren en braken deze soms zelfs open.

De Poetilovarbeiders hadden een trofee van de demonstratie van 3 juli meegesleept, nl. een machinegeweer en vijf kisten patronen. “Wij waren verheugd als kleine kinderen,” vertelt Minitsjjev. Sommige bedrijven waren beter bewapend. Volgens Litsjkov waren de arbeiders van zijn fabriek in het bezit van tachtig geweren en twintig grote revolvers. Dat was een hele schat! Door bemiddeling van de staf van de Rode Garde kregen zij twee machinegeweren; het ene werd in de eetzaal, het andere op het dak opgesteld. “Onze chef,” vertelt Litsjkov, “was Kotsjerotski, zijn directe helpers – Tomtsjak, die door de Witgardisten in de Oktoberdagen bij Tsarkoje Selo vermoord werd, en Jefimov, die door de Witte benden bij Damburg doodgeschoten is.” Deze korte mededelingen doen een blik werpen in de werkplaatsen waar de kaders van de Oktoberrevolutie en het latere Rode Leger zich vormden, uitgekozen werden, leerden commanderen, waar de Tomtsjaks en Jefimovs, die honderden en duizenden naamloze arbeiders, gestaald werden, die de macht veroverden, deze met de grootste zelfopoffering tegen de vijanden verdedigden en later op alle slagvelden vielen.

De Juligebeurtenissen veranderen de toestand van de Rode Garde snel. De arbeiders worden reeds volkomen openlijk ontwapend, niet meer door middel van vermaningen maar door toepassing van geweld. De arbeiders leveren echter onder de schijn van wapens slechts oude rommel uit. Alles wat kostbaarder is, wordt zo zorgvuldig mogelijk verborgen. Geweren worden aan betrouwbare partijgenoten toevertrouwd. Machinegeweren ingevet in de grond begraven. Afdelingen van de Rode Garde verdwijnen en duiken weg in de illegaliteit, zich nauwer bij de bolsjewieken aansluitend.

De bewapening van de arbeiders was oorspronkelijk in handen van de fabrieks- en wijkcomités van de partij geconcentreerd. Nadat zij zich van de Julinederlaag hersteld heeft, begint de Militaire Organisatie van de bolsjewieken, die vroeger slechts in het garnizoen en aan het front gewerkt had, voor het eerst met de opbouw van de Rode Garde door aan de arbeiders militaire instructeurs en in sommige gevallen ook wapens te leveren. Het door de partij geopende vooruitzicht van een gewapende opstand bereidt de radicale arbeiders langzaam voor op de nieuwe bestemming van de Rode Garde. Het is reeds niet meer een militie van de fabrieken en de arbeiderswijken, maar het zijn de kaders van het toekomstige leger van de opstand.

In augustus namen de branden in de fabrieken en werkplaatsen toe. Elke naderende crisis wordt voorafgegaan door een schok in het maatschappelijk bewustzijn, waarvan de komst door een golf van onrust aangekondigd wordt. De fabriekscomités leggen een intensieve activiteit aan de dag om de bedrijven tegen aanslagen te beschermen. De verborgen geweren komen weer voor de dag. De opstand van Kornilov wettigt definitief de Rode Garde. Ongeveer vijfentwintigduizend arbeiders melden zich aan en een deel daarvan kan met geweren en gedeeltelijk met machinegeweren uitgerust worden. De arbeiders van de kruitfabriek te Schlüsselburg sturen over de Neva een sleepboot vol met granaten en springstoffen: tegen Kornilov. Het verzoeningsgezinde Centraal Uitvoerend Comité weigert dit geschenk te aanvaarden. De Roodgardisten van de wijk Vyborg voorzagen ’s nachts de verschillende wijken van deze gevaarlijke geschenken.

“Het onderricht in het hanteren van de wapens, dat vroeger binnenshuis en binnenskamers plaats had,” vertelt de arbeider Korinko, “geschiedt nu in de open lucht, in tuinen en op boulevards.” – “De werkplaats werd een waar legerkamp,” herinnert zich de arbeider Rakitov… Achter de werkbanken staan de draaiers met hun patroontas over de schouder en het geweer tegen de werkbank. In de granatenfabriek schrijft spoedig iedereen, behalve een oude sociaal-revolutionair en de mensjewieken, zich in de Garde in. Na afloop van het werk stellen zij zich op het plein op om te oefenen. Arbeiders met baarden en leerlingen staan er naast elkaar en beiden luisteren aandachtig naar de instructeur… Terwijl de oude tsaristische legers definitief uiteenvielen, werd in de fabrieken de grondslag voor het latere Rode Leger gelegd.

Zodra het Kornilov-gevaar voorbij was, begonnen de verzoeningsgezinden hun verplichtingen minder goed na te komen: voor de dertigduizend Poetilovarbeiders werden in totaal slechts driehonderd geweren verstrekt. Spoedig werd het verstrekken van wapens volledig gestopt. Het gevaar kwam nu niet van rechts, maar van links. Men moest nu geen steun zoeken bij de arbeiders maar bij de “jonkers”.

Het ontbreken van een onmiddellijk praktisch doel en het tekort aan wapens veroorzaakten een wegstromen van de arbeiders uit de Rode Garde. Dit duurde echter niet lang. Intussen hebben de kaders zich in elk bedrijf tot vaste kernen aaneengesloten. Er ontstaan vaste verbindingen tussen de afzonderlijke compagnieën. De kaders weten uit ervaring dat zij degelijke reserves bezitten die in het uur van gevaar op de been gebracht kunnen worden.

De overgang van de Sovjet in handen van de bolsjewieken doet de toestand van de Rode Garde radicaal veranderen. Terwijl ze voorheen vervolgd of hoogstens geduld werden, vormen ze nu een officieel orgaan van de Sovjet die reeds de hand naar de macht uitstrekt. De arbeiders weten niet zelden zelf de weg tot de wapens te vinden en verlangen van de Sovjet slechts de goedkeuring. Sedert eind september, vooral sinds 10 oktober, wordt de opstand openlijk voorbereid. Een maand vóór de revolutie worden er in enkele tientallen fabrieken en werkplaatsen van Petrograd intensieve militaire oefeningen, voornamelijk schietoefeningen, gehouden. Omstreeks het midden van oktober neemt de belangstelling voor de wapens opnieuw sterk toe. In sommige bedrijven meldt bijna iedereen zich aan om ingelijfd te worden. Steeds ongeduldiger verlangen de arbeiders wapens van de Sovjet, maar er zijn niet genoeg geweren voor alle handen die hierom vragen. “Ik kwam dagelijks in het Smolny,” vertelt ingenieur Kosmin, “en zag hoe arbeiders en matrozen vóór en na de zitting van de Sovjet op Trotski toetraden om hem wapens voor de uitrusting van de arbeiders aan te bieden of te eisen, om mee te delen waar en hoe deze wapens verdeeld waren, en om te vragen: “wanneer beginnen we?” Het ongeduld was groot…”

Formeel blijft de Rode Garde partijloos. Maar hoe meer de beslissing nadert, des te meer komen de bolsjewieken op de voorgrond: zij vormen de kern in elke groep, hebben het commando en de verbinding met de andere bedrijven en wijken in handen. De partijloze arbeiders en linkse sociaal-revolutionairen gaan hand in hand met de bolsjewieken.

De gelederen van de Garde zijn echter zelfs nu nog, aan de vooravond van de opstand, niet talrijk. Op 16 oktober schatte Oeritski, een lid van het bolsjewistisch Centraal Comité, dat het arbeidersleger van Petrograd over veertigduizend bajonetten beschikte. Dit aantal is stellig overdreven. De hulpbronnen voor de bewapening bleven nog altijd zeer beperkt: bij de volkomen onmacht van de regering kon men niet anders in het bezit van de arsenalen komen dan langs de weg van een openlijke opstand.

Op 22 oktober kwam een stedelijk congres van de Rode Garde bijeen: honderd afgevaardigden vertegenwoordigden ongeveer twintigduizend strijders. Dit aantal moet men niet al te letterlijk nemen: niet iedereen die zich aangemeld had, betoonde zich actief; daarentegen stroomde er echter een groot aantal vrijwilligers in de ogenblikken van alarm in de afdelingen. In de statuten die de volgende dag door het congres aangenomen werden, wordt de Rode Garde omschreven als “de organisatie van de gewapende krachten van de arbeidersklasse voor de strijd tegen de contrarevolutie en ter verdediging van de revolutionaire veroveringen.” Merk op dat zelfs 24 uur voor het uitbreken van de opstand de taak van de Rode Garde geformuleerd werd als een verdedigende en niet als een aanvallende. De kleinste strijdbare eenheid is een groep van tien; vier groepen van tien vormen een sectie; drie secties een compagnie; drie compagnieën een bataljon. Elk bataljon telt met de officieren en de vakgroepen meer dan vijfhonderd man. De bataljons van één wijk vormen een afdeling. Afzonderlijke technische groepen (bommenwerpers, wielrijders, telegrafisten, mitrailleurs, artilleristen) worden in de daartoe geschikte bedrijven aangeworven en worden óf over de afzonderlijke troepenafdelingen verdeeld, óf zijn zelfstandig werkzaam, alnaargelang hun taak. De gehele legerleiding wordt gekozen. Hierin is geen gevaar gelegen, want het betreft hier uitsluitend vrijwilligers die elkaar allen goed kennen.

De arbeidersvrouwen stichten ambulanceafdelingen. In de fabriek van verbandartikelen voor de oorlog worden voordrachten over het verplegen van gewonden gehouden. “Nagenoeg in alle fabrieken,” schrijft Tatjana Graf, “verrichten arbeidersvrouwen, die van de nodige verbandstoffen voorzien zijn, wachtdienst als verpleegster.” De organisatie is buitengewoon arm aan geld en technische middelen. De fabriekscomités beginnen de een na de ander materiaal voor de hospitalen en de mobiele afdelingen te zenden. De zwakke cellen zullen zich tijdens de omwenteling van uur tot uur zeer snel ontwikkelen. Zij krijgen terstond de beschikking over belangrijke technische middelen. Op 24 oktober zal de sovjet van de wijk Vyborg bevelen: “Onmiddellijk alle automobielen opeisen… Alle voorraden verbandmiddelen voor de ambulances opnemen en wachtposten in de ambulances opstellen.”

Steeds meer partijloze arbeiders stroomden naar de schietoefeningen en de manoeuvres. Het aantal wachtposten nam toe. In de fabrieken hield men dag en nacht de wacht. De staven van de Rode Garde verhuisden naar grotere lokalen. In de Troebotsjny(buizen)-fabriek werd op 23 oktober een examen voor Roodgardist afgenomen. De poging van een mensjewiek om tegen de opstand te spreken, gaat teloor in een storm van verontwaardiging: ‘hou op, het is nu geen tijd meer voor discussies!’ De beweging is onweerstaanbaar, zij sleurt ook mensjewieken mee. “Zij melden zich bij de Rode Garde aan,” vertelt Tatjana Graf, “aanvaarden de meest verschillende opdrachten en leggen zelfs initiatief aan de dag.” Skorinko beschrijft hoe op 23 oktober in een afdeling sociaal-revolutionairen en mensjewieken jong en oud zich met de bolsjewieken verbroederde en hoe hij, Skorinko zelf, uit blijdschap zijn vader die in dezelfde fabriek werkte, omhelsde. De arbeider Psekovoj vertelt dat er in de gewapende afdeling “jonge arbeiders van ongeveer zestien jaar en oude van ongeveer vijftig jaar waren.” De uiteenlopende leeftijden gaven “moed en strijdlust.”

De wijk Vyborg bereidt zich buitengewoon ijverig op de komende gevechten voor. Men maakt zich meester van de sleutels van de beweegbare bruggen die tot Vyborg toegang geven, tracht de zwakke plekken in de wijk op te sporen, kiest een eigen militair revolutiecomité en de bedrijfscomités verrichten geregeld wachtdienst. Kajoerov schrijft met een gerechtvaardigde trots over de Vyborgers: “Zij zijn het eerst in de strijd tegen het absolutisme gegaan, hebben het eerst in hun wijk de achturendag ingevoerd, het eerst tegen de tien kapitalistische ministers gewapend gedemonstreerd, het eerst op 7 juli een protest tegen de vervolging van onze partij aangenomen en gingen voorop op de beslissende dag van 25 oktober.” Dit is de volle waarheid!

De geschiedenis van de Rode Garde is grotendeels een geschiedenis van de dubbele heerschappij: deze heeft het door haar innerlijke tegenstellingen en conflicten de arbeiders gemakkelijk gemaakt, reeds vóór de opstand een belangrijke gewapende macht te vormen. Het is, althans momenteel, niet mogelijk om het totale aantal arbeiderskorpsen in het gehele land te berekenen. Het waren in elk geval tienduizenden arbeiders die de kaders van de opstand vormden. De reserves waren vrijwel onuitputtelijk.

De organisatie van de Rode Garde was natuurlijk allerminst volmaakt. Alles werd in de haast ruwweg en niet altijd even doeltreffend verricht. De Roodgardisten waren merendeels weinig geoefend, de verbindingsdienst was onvoldoende georganiseerd, de uitrusting was gebrekkig en het sanitaire deel liet veel te wensen over. De Rode Garde die uit de meest offervaardige arbeiders bestond, brandde echter van verlangen om ditmaal de strijd door te zetten. Dit heeft dan ook de doorslag gegeven.

Het verschil tussen de uit arbeiders bestaande korpsen en de uit boeren bestaande regimenten kwam niet alleen uit het verschil in sociale herkomst van beide voort. Vele van deze onbehouwen soldaten zullen, nadat zij naar hun dorpen teruggekeerd zijn en het land van de grootgrondbezitters onder elkaar verdeeld hebben, eerst in kleine groepjes en daarna in het Rode Leger vol vertwijfeling tegen de Witgardisten vechten. Naast het sociale verschil is er een ander, meer direct verschil: terwijl het garnizoen een gedwongen opeenhoping van oude, zich tegen de oorlog verzettende soldaten is, zijn de afdelingen van de Rode Garde nieuwe scheppingen, gevormd door een persoonlijke keuze, op een nieuwe basis en voor nieuwe doeleinden.

Het Militair Revolutiecomité beschikt nog over een derde soort gewapende krachten, nl. de matrozen van de Baltische vloot. Deze staan wat hun maatschappelijke afkomst betreft dichter bij de arbeiders dan bij de infanterie. Er bevinden zich talrijke Petrogradse arbeiders onder hen. Het politieke peil van de matrozen is oneindig veel hoger dan dat van de soldaten. Anders dan de weinig krijgshaftige reservisten die reeds lang vergeten waren hoe ze het geweer moesten hanteren, waren de matrozen onafgebroken in actieve dienst geweest.

Voor directe militaire acties viel er zeker te rekenen op de gewapende communisten, de afdelingen van de Rode Garde, het radicale deel van de matrozen en de intact gebleven regimenten. De elementen van dit gecombineerde leger vulden elkaar aan. Het ontbrak het talrijke garnizoen aan strijdlust. De afdelingen matrozen aan getalsterkte. Het Rode Leger aan geoefendheid. De arbeiders en de matrozen brachten energie, stoutmoedigheid en enthousiasme mee. De regimenten van het garnizoen vormden een weinig mobiele reserve die door haar aantal imponeerde en door haar massa verpletterde.

Doordat zij dag in dag uit met de arbeiders, soldaten en matrozen in aanraking kwamen, gaven de bolsjewieken zich duidelijk rekenschap van de grote kwalitatieve verschillen tussen de verschillende delen van het leger dat zij in de komende strijd zouden moeten aanvoeren. Het plan voor de opstand was in hoge mate op een juiste beoordeling van deze verschillen gebaseerd. De bezittende klassen vormden de sociale kracht van de andere partij, d.w.z. zij maakten de militaire zwakte hiervan uit. De degelijke mannen van het kapitaal, de pers en de katheder, waar en wanneer hadden zij ooit gevochten? Zij plachten de resultaten van de gevechten waarin over hun lot beslist werd telefonisch of telegrafisch te vernemen. En de jongere generaties, de zoons, de studenten? Deze stonden bijna zonder uitzondering vijandig tegenover de Oktoberrevolutie. Zij hielden zich voor het merendeel, net als hun vaders, afzijdig en wachtten de afloop van de gevechten af. Een deel sloot zich later bij de officieren en “jonkers” aan, die ook vroeger voor een groot deel uit de studenten gerekruteerd waren. De bezittenden hadden geen volk achter zich. De arbeiders, soldaten en boeren keerden zich tegen hen. De ineenstorting van de verzoeningsgezinde partijen betekende dat de bezittende klassen zonder leger gebleven waren.

Met het oog op de grote betekenis die de spoorwegen in het leven van de moderne staten hebben, nam het vraagstuk van het spoorwegpersoneel een grote plaats in bij de politieke berekeningen van beide partijen. De hiërarchische samenstelling van het dienstpersoneel bood plaats voor buitengewoon veel politieke schakeringen en schiep zodoende gunstige voorwaarden voor de verzoeningsgezinde diplomaten. De pas laat opgerichte spoorbond (Wiksjel) had veel meer vaste voet onder de beambten en zelfs onder de arbeiders weten te krijgen dan bijvoorbeeld de legercomités aan het front. Achter de bolsjewieken stond slechts een minderheid van het spoorwegpersoneel en wel voornamelijk de arbeiders in de magazijnen en de werkplaatsen. Volgens het rapport van Schmidt, een van de bolsjewistische leiders van de vakbeweging, stonden de spoorwegbeambten van de Petrogradse en Moskouse spoorwegknooppunten het dichtst bij de partij.

Ook onder de verzoeningsgezinde massa van bedienden en arbeiders voltrok zich echter op het ogenblik van de spoorwegstaking eind september een scherpe zwenking naar links. De ontevredenheid met de Wiksjel, die zich met zijn politiek van praatjes en bochten gecompromitteerd had, groeide voortdurend sterker van onderop. Lenin merkte op: “De legers van spoorweg- en postbeambten houden bij hun scherp conflict met de regering stand.” Met het oog op de onmiddellijke taak van de opstand was dit nagenoeg voldoende.

Minder gunstig was het in het post- en telegraafkantoor gesteld. Volgens de bolsjewiek Bokij “zijn het merendeels kadetten die de telegraaftoestellen bedienen.” Het lagere personeel stelde zich ook hier vijandig tegenover het hogere. Er bestond onder de bestellers een groep die bereid was op het beslissende ogenblik het postkantoor te bezetten.

Het zou in elk geval een hopeloze onderneming geweest zijn om alle spoorweg- en postbeambten met woorden te overreden. Bij de bestaande besluiteloosheid onder de bolsjewieken zouden de kadetten- en verzoeningsgezinde leiders het overwicht behouden hebben. Bij een vastberaden revolutionaire leiding moesten de lagere groepen onverbiddelijk de tussengroepen meeslepen en de leiding van de Wiksjel isoleren. De statistiek alleen is niet voldoende voor het maken van revolutionaire berekeningen: de coëfficiënt van de levende daad is ook nodig.

De tegenstanders van de opstand in de rijen van de bolsjewistische partij zelf hadden niettemin redenen genoeg voor pessimistische verwachtingen. Zinovjev en Kamenev waarschuwden tegen onderschatting van de krachten van de tegenstander. “Petrograd is de beslissende factor, maar in Petrograd hebben de vijanden de beschikking over belangrijke krachten: vijfduizend “jonkers” die voortreffelijk gewapend zijn en geoefend in de strijd, vervolgens de staf, dan de stootbrigadiers, dan de Kozakken, dan een groot deel van het garnizoen en dan nog een zeer grote, in waaiervorm om Petrograd opgestelde artillerie. Verder zullen de tegenstanders ongetwijfeld proberen om met behulp van het Centraal Comité troepen van het front aan te voeren…” De opsomming klinkt indrukwekkend, maar is toch niet meer dan een opsomming. Terwijl het leger in zijn geheel een afspiegeling van de maatschappij is, vormen beide legers die ontstaan zodra het leger openlijk uiteenvalt een afspiegeling van de strijdende partijen. Het leger van de bezittende klasse was vermolmd door isolement en verval.

De officieren die de hotels, restaurants en kroegen overspoelden, stonden na de breuk tussen Kerenski en Kornilov vijandig tegenover de regering. Hun haat tegen de bolsjewieken was echter oneindig veel groter. In het algemeen waren het de monarchistische officieren die de grootste activiteit aan de zijde van de regering betoonden. “Geliefde Kornilov en Krymov, hetgeen u niet lukte, zal ons met Gods hulp wellicht lukken…” Zo luidt het gebed van de officier Sinegoeb, een van de meest roemruchte verdedigers van het Winterpaleis tijdens de revolutie. Slechts enkelen hebben zich echter, ondanks de grote omvang van het officierenkorps, daadwerkelijk strijdlustig betoond. Reeds de samenzwering van Kornilov had aan het licht gebracht dat het volkomen gedemoraliseerde officierenkorps geen strijdmacht van enige betekenis was.

De sociale afkomst van de “jonkers” is verschillend. Zij zijn niet eensgezind. Naast de erfelijke militairs-, officierszonen en kleinzonen zijn er talrijke willekeurige elementen onder hen, die nog onder de monarchie met het oog op de oorlogsomstandigheden bijeengebracht zijn. De leider van de militair-technische school zegt tot een officier: “Ik en jij, wij moeten beiden te gronde gaan… Wij zijn immers van adel en kunnen nu eenmaal niet anders denken.” Deze grootsprekende heren die met succes aan de adellijke ondergang wisten te ontkomen, spraken over de democratische “jonkers” in termen van lummels, boeren “met grove, domme gezichten.” De scheiding in rood en blauw bloed dringt diep door in de “jonker”-scholen, waarbij ook hier juist diegenen als de krachtigste verdedigers van de republikeinse regering optreden die de monarchie het meest betreuren. De democratische “jonkers” verklaren dat zij niet voor Kerenski, maar voor het Centraal Uitvoerend Comité zijn. De revolutie had voor het eerst de deuren van de “jonker”-scholen voor de joden opengezet. Om niet onder te doen voor de geprivilegieerde groepen gedragen de zoontjes van de Joodse bourgeoisie zich buitengewoon vijandig tegen de bolsjewieken. Maar helaas, dit is niet alleen niet voldoende om het bestaande regime te redden, maar zelfs niet om het Winterpaleis te verdedigen. De bonte samenstelling van de krijgsscholen en hun volkomen isolement van het leger leidden ertoe dat in de kritieke uren ook de “jonkers” meetings begonnen te houden. Wat zullen de Kozakken doen? Zal behalve ons nog iemand anders strijden? En is het in het algemeen de moeite waard voor de Voorlopige Regering te vechten?

Volgens de mededeling van Podvojski telde men begin oktober in de Petrogradse krijgsschool in totaal ongeveer honderdtwintig socialistische “jonkers”, onder wie tweeënveertig of drieënveertig bolsjewieken. “De “jonkers” zeggen dat de gehele militaire leiding van de scholen contrarevolutionair gezind is. Zij worden kennelijk ertoe gedrild om in geval van een oproer de opstand te onderdrukken…” Het aantal socialisten en vooral bolsjewieken is, naar wij zien, buitengewoon gering. Toch verschaffen zij het Smolny de mogelijkheid om op de hoogte te zijn van alle belangrijke dingen die zich bij de “jonkers” afspelen. Tenslotte zijn de krijgsscholen zeer ongunstig gelegen: de “jonkers” liggen namelijk ingesloten door kazernes en alhoewel zij neerbuigend over de soldaten spreken, werpen zij toch angstige blikken naar deze.

Er is reden genoeg voor angst. Vanuit de naburige kazernes en de arbeiderswijken worden de “jonkers” door duizenden vijandige ogen begluurd. Deze bewaking is des te voortreffelijker omdat er in elke school een soldatengroep bestaat die met de mond neutraal is, maar inderdaad naar de opstandelingen overhelt. De wapenvoorraden van de scholen zijn in handen van de bedieningsmanschappen. “Deze lummels hadden,” zo schrijft een officier van de technische school, “niet alleen de sleutel van de opslagplaats verloren zodat ik bevel moest geven de deur open te breken, maar ook de sloten van de machinegeweren weggenomen en verborgen.” Men kan in deze atmosfeer moeilijk wonderen van heldenmoed van de “jonkers” verwachten.

Dreigde er voor de Petrogradse opstand geen slag van buitenaf door de naburige garnizoenen? Nog in de laatste dagen van haar bestaan bleef de monarchie haar hoop vestigen op de kleine militaire gordel die de hoofdstad omringde. De monarchie had mis gerekend. Hoe zal het echter ditmaal gaan? Zodanige voorwaarden scheppen dat elk gevaar uitgesloten is, zou betekenen dat de opstand zelf overbodig werd: deze heeft immers als doel om die hinderpalen uit de weg te ruimen die langs politieke weg niet uit de weg te ruimen zijn. Men kan niet alles van tevoren berekenen. Alles wat men berekenen kon, was echter berekend.

Begin oktober werd er in Kronstadt een Sovjetcongres van het gouvernement Petrograd gehouden. De afgevaardigden van de garnizoenen die rondom de hoofdstad gelegen waren – Gatsjina, Tsarskoje, Krassnoje, Oranienbaum en Kronstadt zelf – sloegen in navolging van de Baltische matrozen de hoogste toon aan. De sovjet van boerenafgevaardigden van het gouvernement Petrograd sloot zich bij hun resolutie aan: de moezjieks maakten een krasse zwenking, via de linkse sociaal-revolutionairen gingen ze naar de bolsjewieken.

In de zitting van het Centraal Comité op 16 oktober hing een functionaris uit het gouvernement Stepanov een enigszins gekleurd en wel overwogen bolsjewistisch gekleurd beeld op van de machtsverhoudingen in het gouvernement. In Sestrorezk en Kolpino bewapenen de arbeiders zich en heerst een strijdlustige stemming. In Novij Peterhof worden de oefeningen van het regiment gestaakt. Het regiment is gedesorganiseerd. In Krassnoje Selo is het 177ste regiment bolsjewistisch, (hetzelfde regiment dat op 4 juli de wacht betrok bij het Taurisch paleis); het 172ste regiment staat aan de kant van de bolsjewieken; “maar bovendien is daar ook nog de cavalerie.” In Loega heeft het uit dertigduizend man bestaande garnizoen een zwenking in bolsjewistische richting gemaakt, terwijl een deel nog aarzelt; de Sovjet is nog altijd voor landsverdediging. Het regiment in Gdova – bolsjewistisch. In Kronstadt is de stemming gedaald; het garnizoen was in de afgelopen maanden te enthousiast en het beste deel van de matrozen bevindt zich in actieve dienst op de vloot. In Schlüsselberg, dat 50 kilometer van Petrograd verwijderd ligt, is de sovjet reeds lange tijd de enige macht geworden; de arbeiders van de kruitfabriek zijn elk ogenblik bereid de hoofdstad te ondersteunen.

Samen met de resultaten van het Sovjetcongres te Kronstadt zijn de mededelingen over de direct beschikbare reserves als zeer bemoedigend te beschouwen. De uitstralingen van de Februariopstand waren voldoende geweest om de discipline in wijde kring te doen verdwijnen. Met des te meer vertrouwen kon men nu naar de dichtbij de hoofdstad gelegen garnizoenen kijken, nu hun houding van tevoren voldoende bekend was.

Tot de verdere reserves behoren de troepen in Finland en aan het Noordelijk front. Hier is het nog gunstiger gesteld. Het werk van Smilga, Antonov en Dybenko heeft waardevolle resultaten opgeleverd. Samen met het garnizoen van Helsingfors was de vloot op het gebied van Finland tot een soevereine macht geworden.

De regering had daar niet de minste macht. De twee naar Helsingfors gebrachte Kozakkendivisies – die door Kornilov uitverkoren waren voor de slag tegen Petrograd – hadden intussen nauw contact met de matrozen gezocht en ondersteunden de bolsjewieken of de linkse sociaal-revolutionairen die zich op de Baltische vloot steeds minder van de bolsjewieken onderscheidden. Helsingfors bood een helpende hand aan de matrozen van de vlootbasis Reval, waar tot nu toe een twijfelende stemming bestond. Het Sovjetcongres van het Noordelijk district, dat ongetwijfeld eveneens op initiatief van de Baltische vloot bijeengeroepen was, verenigde de sovjets van de om Petrograd gelegen garnizoenen in een zo wijde kring dat het enerzijds Moskou en anderzijds Archangelsk omvatte. “Op deze manier,” schrijft Antonov, “werd de gedachte verwezenlijkt om de revolutionaire hoofdstad tegen overvallen van de troepen van Kerenski te vrijwaren.” Smilga keerde van het congres naar Helsingfors terug om een afzonderlijk korps uit matrozen, infanteristen en artilleristen samen te stellen die op het eerste signaal naar Petrograd gebracht zouden kunnen worden. De Finse flank van de Petrogradse opstand was het best beschermd. Van die kant was geen slag, maar slechts krachtige hulp te verwachten.

Ook op de overige gedeelten van het front was echter alles gunstig, in elk geval veel gunstiger dan zelfs de meest optimistische bolsjewieken in die dagen meenden. In oktober hadden er in het leger nieuwe verkiezingen voor de comités plaats. Die lieten overal een scherpe zwenking in bolsjewistische richting zien. In het legerkorps bij Dvinsk werden de “oude verstandige soldaten” bij de verkiezingen voor de regiments- en compagniescomités niet meer gekozen; hun plaats werd ingenomen door “sombere, grauwe sujetten… met boosaardig loerende ogen en wolvengezichten.” Op de andere delen van het front zag men hetzelfde gebeuren. “Overal hebben nieuwe verkiezingen voor de comités plaats en overal worden slechts bolsjewieken en defaitisten gekozen.” De regeringscommissarissen begonnen hun reizen naar de verschillende legerkorpsen zoveel mogelijk te vermijden: “hun positie is momenteel niet veel beter dan de onze.” Wij citeren hier baron Budberg. De cavalerieregimenten van zijn legerkorps, een regiment huzaren en een regiment Kozakken uit de Oeral, die de officieren het langst in de hand hadden kunnen houden en die niet geweigerd hadden deel te nemen aan de onderdrukking van opstandige regimenten, geraakten nu plotseling aan het wankelen en verlangden dat men hen “van hun rol van onderdrukkers en gendarmes zou bevrijden.” De baron was zich beter dan wie ook bewust van de dreigende betekenis van deze waarschuwing. “Met muziek kan men geen troep hyena’s, jakhalzen en schapen regeren,” schreef hij. “Redding is slechts mogelijk door op grote schaal gloeiend ijzer te gebruiken.” En dan volgt een tragische bekentenis: “ijzer dat niet voorhanden en ook niet te krijgen is.”

Wanneer wij geen dergelijke getuigenissen over andere legerkorpsen en divisies vermelden, doen wij dit slechts omdat hun aanvoerders niet over zo’n grote opmerkingsgave beschikten als baron Budberg of geen dagboek bijhielden, of ook omdat deze dagboeken nog niet gepubliceerd zijn. Behalve inzake de forse stijl van zijn commandant, verschilde het legerkorps bij Dvinsk in geen enkel opzicht van de overige korpsen van het vijfde leger, dat op zijn beurt weinig voorlag op de overige legers.

Het verzoeningsgezinde comité van het 5de leger, dat reeds lang geen vaste grond meer onder de voeten had, bleef telegrafische dreigementen naar Petrograd sturen om met de bajonet orde te scheppen. “Dit alles is slechts opschepperij en warme lucht,” schrijft Budberg. Het comité liep in werkelijkheid op zijn laatste benen. Op 23 oktober werd het opnieuw gekozen. Voorzitter van het nieuwe bolsjewistische comité werd dokter Skiljanski, een uitmuntende jonge organisator die zich spoedig daarna zeer talentvol betoonde bij de opbouw van het Rode Leger en later omkwam op een pleziertocht op een Amerikaans meer.

De adjudant van de regeringscommissaris aan het Noordelijk front berichtte op 22 oktober aan de minister van oorlog dat de bolsjewistische ideeën steeds meer vaste voet in het leger kregen, dat de massa vrede wilde en dat zelfs de artillerie die zich tot voor kort nog goed gehouden had toegankelijk werd voor defaitistische propaganda. Dit was geen onbelangrijk symptoom. “De Voorlopige Regering heeft geen gezag,” zo bericht de directe regeringsvertegenwoordiger bij het leger drie dagen vóór de omwenteling aan de regering.

Inderdaad, het Militair Revolutiecomité kende toen al deze documenten nog niet. Maar wat het wel kende, was al voldoende. Op 23 oktober defileerden vertegenwoordigers van verschillende delen van het front voor de sovjet van Petrograd en eisten vrede; anders zouden de troepen van het front wegtrekken en “alle parasieten die de oorlog nog tien jaar willen voortzetten,” vernietigen. Grijp de macht, zeiden de frontsoldaten tot de Sovjet. “De loopgraven zullen u ondersteunen.”

Op de verder afgelegen en achterlijke fronten, met name het Zuidwestelijke en het Roemeense, waren de bolsjewieken nog altijd zeldzame verschijningen. Ook daar heersten echter dezelfde stemmingen onder de soldaten. Eugenia Bosch vertelt hoe er bij het in de omtrek van Sjmerinka liggende tweede gardekorps één jonge communist en twee sympathiserenden op zestigduizend soldaten waren. Dit belette het korps niet om in de Oktoberdagen op te staan ter ondersteuning van de opstand.

Men had in regeringskringen tot op het allerlaatste ogenblik zijn hoop op de Kozakken gevestigd. Minder verblinde politici in het rechtse kamp hadden echter ingezien dat het ook hier slecht gesteld was. Bijna alle Kozakkenofficieren waren aanhangers van Kornilov. De Kozakken van gewone afkomst gingen steeds meer naar links. In regeringskringen sloot men lange tijd de ogen voor dit feit en verklaarde men de koelheid van de Kozakkenregimenten tegenover het Winterpaleis uit het feit dat ze gekrent waren vanwege Kaledin. Tenslotte werd het ook de minister van justitie Maljantovitsj duidelijk dat achter Kaledin “slechts de Kozakkenofficieren stonden, maar dat de gewone Kozakken zoals alle soldaten eenvoudig naar het bolsjewisme overhelden.”

Er was nu niets meer overgebleven van het front dat in de eerste dagen van maart de handen en voeten van de liberale priesters had gekust, de kadettenministers op zijn schouders droeg, zich aan Kerenski’s redevoeringen bedwelmde en geloofde dat de bolsjewieken Duitse agenten waren. De rooskleurige illusies lagen vertrapt in de modder van de loopgraven, waarin de soldaten weigerden langer te baggeren met hun versleten laarzen. “De beslissing nadert,” schreef Budberg op de dag van de Petrogradse opstand, “en er is geen twijfel mogelijk over de afloop: aan ons front is er geen enkele troepenafdeling waar de bolsjewieken de macht niet hebben.”

Lenin roept op tot de opstand

Naast de fabrieken, de kazernes, de dorpen, het front en de Sovjets had de revolutie nog een werkplaats, namelijk het brein van Lenin. Omdat hij noodgedwongen in de illegaliteit verbleef, moest Lenin gedurende 111 dagen – van 6 juli tot 25 oktober – zelfs zijn samenkomsten met leden van het Centraal Comité beperken. Zonder direct contact met de massa’s, zonder directe band met de organisaties, concentreerde hij zijn aandacht des te meer op de fundamentele vraagstukken van de revolutie, die hij noodzakelijk tot fundamentele vraagstukken van het marxisme moest maken.

Het voornaamste argument van de democraten, zelfs van de meest linksen, tegen de machtsgreep was de bewering dat de arbeiders niet in staat zouden zijn om zich van het staatsapparaat meester te maken. Ook de bezwaren van de opportunistische elementen onder de bolsjewieken kwamen eigenlijk op hetzelfde neer. “Het staatsapparaat!” Elke kleinburger is grootgebracht in eerbied voor dit mystieke principe dat zich boven mensen en klassen verheft. De ontwikkelde filister voelt in zich dezelfde huivering als zijn vader of grootvader, de koopman of welgestelde boer voor de almachtige instellingen die over oorlog en vrede beslissen, waar handelsvergunningen gegeven worden, waar de gesel van de belastingen vandaan komt, waar men straft maar dikwijls ook genade betoont, waar huwelijken en geboorte opgetekend worden en waar zelfs de dood zich onderdanig moet melden voordat hij officieel bevestigd wordt. Het staatsapparaat! Terwijl hij bij zichzelf niet alleen zijn hoed afneemt, maar ook eerst zijn schoenen uittrekt, betreedt de kleinburger – hij moge Kerenski, Laval, Macdonald of Hilferding heten – op zijn kousen de tempel van de afgod, wanneer hij door persoonlijk succes of door de loop der omstandigheden tot minister verheven wordt. Hij kan zich voor deze gunst slechts erkentelijk betonen door een deemoedige onderdanigheid tegenover het staatsapparaat. De Russische radicale intellectuelen, die zelfs tijdens de revolutie niet anders aan de regering durfden deelnemen dan verscholen achter de hooggeplaatste grootgrondbezitters en kapitalisten, keken vol angst en woede naar de bolsjewieken: deze propagandisten van de straat, deze demagogen willen zich meester maken van het staatsapparaat!

Nadat de Sovjets in de strijd tegen Kornilov, toen de officiële democratie zo willoos en machteloos was, de revolutie gered hadden, schreef Lenin: “Laten alle kleinmoedigen nu een les uit dit voorbeeld trekken. Laat hij zich schamen, die zegt dat wij geen apparaat hebben dat het oude, onvermijdelijk ter verdediging van de bourgeoisie dienende apparaat zou kunnen vervangen. Want dit apparaat is er wel. Het zijn de sovjets. Maak u niet bezorgd over het initiatief en de zelfstandigheid van de massa’s. Schenk uw vertrouwen aan de revolutionaire organisaties van de massa’s – en je zal op alle terreinen van het staatsleven dezelfde kracht, grootte en onoverwinnelijkheid bij de arbeiders en boeren waarnemen die ze bij hun eendrachtig optreden, bij hun stormloop tegen de korniloviade aan de dag gelegd hebben.”

Tijdens de eerste maanden van zijn illegaal verblijf schrijft Lenin het boek “Staat en Revolutie” waarvoor hij het meeste materiaal reeds in de emigratie in de oorlogsjaren verzameld had. Met dezelfde zorgvuldigheid waarmee hij praktische vraagstukken overdacht, behandelt hij nu theoretische staatkundige problemen. Hij kan niet anders: de theorie is voor hem inderdaad slechts een leidraad tot handelen. Lenin stelt zich daarbij geen ogenblik tot taak om de theorie te vernieuwen. Hij geeft integendeel een uiterst bescheiden, uitgesproken didactisch karakter aan zijn werk. Hij stelt zich tot taak – de ware “leer van Marx over de staat” weer naar voor te brengen.

Door de nauwgezette keuze van citaten en de in details tredende en polemische verklaring ervan, kan het boek schoolmeesterachtig lijken… voor echte schoolmeesters die niet in staat zijn om te zien hoe achter de tekstanalyse de machtige polsslag van gedachten en wilskracht klopt. Alleen al door de theorie van de klassenstaat weer naar voor te brengen op een nieuw, hoger historisch niveau geeft Lenin aan Marx’ gedachten een nieuwe inhoud en daarmee ook een nieuwe betekenis. Het werk over de staat wordt echter buitengewoon belangrijk vooral doordat het een wetenschappelijke inleiding tot de grootste revolutie van de geschiedenis is. De “commentator” van Marx bereidde zijn partij voor op de revolutionaire verovering van één zesde van het oppervlak van de aarde.

Indien het mogelijk was om de staat eenvoudig aan de behoeften van een nieuw historisch regime aan te passen, zouden er geen revoluties uitbreken. De burgerij zelf kwam echter tot nu toe slechts langs revolutionaire weg aan de macht. De beurt is nu aan de arbeiders. Lenin gaf ook in deze kwestie het marxisme weer betekenis als theorie in dienst van de arbeidersrevolutie.

Zullen de arbeiders wel in staat zijn om zich van het staatsapparaat meester te maken? Het gaat er echter niet om, leert Lenin, zich van de oude staatsmachine voor nieuwe doeleinden meester te maken: dit is een reactionaire utopie. De mensen die deel van het oude apparaat uitmaken, hun opvoeding, hun onderlinge betrekkingen – dit alles is onverenigbaar met de historische taak van de arbeidersklasse. Wanneer men de macht veroverd heeft, gaat het er niet om het oude apparaat te reorganiseren, maar het stuk te slaan. Waardoor dient men het te vervangen? Door de sovjets. Deze zullen van leiders van de revolutionaire massa’s, van organen van de opstand tot organen van een nieuwe staatsorde worden.

Het boek van Lenin zal in de dagen van de revolutie zelf niet veel gelezen worden en het zal ook pas na de opstand uitgegeven worden. Lenin bestudeert het probleem van de staat in de eerste plaats tot verheldering van eigen inzicht en – met het oog op de toekomst. Een van zijn voornaamste zorgen was het om een geestelijk nakomelingschap te vormen. In juli schrijft hij aan Kamenev: “Onder ons gezegd en gezwegen verzoek ik u om, wanneer men mij om zeep zou brengen, mijn cahier “Het marxisme over de Staat” (achtergebleven in Stockholm) uit te geven. Een blauwe omslag, gebonden. Een verzameling van alle citaten uit Marx en Engels, alsook uit Kautsky tegen Pannekoek. Bevat verder een aantal opmerkingen en notities. Werk deze uit. Ik denk dat het mogelijk is om het na één week werken uit te geven. Ik acht het belangrijk omdat het niet alleen Plechanov en Kautsky waren die verwarring stichtten. Voorwaarde is dat dit alles beslist onder ons blijft.” De revolutionaire leider, die opgejaagd wordt als agent van een vijandelijke staat en rekening houdt met de mogelijkheid dat er door de vijanden een aanslag op hem gepleegd zal worden, maakt zich bezorgd om de uitgave van een “blauw” cahier met citaten uit Marx en Engels: dit is zijn geheim testament. De woorden “om zeep brengen” moeten als tegengif dienen voor de ongewilde hoogdravendheid: de opdracht heeft eigenlijk een beetje een hoogdravend karakter.

Terwijl Lenin een stoot in de rug verwachtte, bereidde hij er zich echter op voor een slag in het gezicht toe te brengen. Terwijl hij tussen het lezen van kranten en het opstellen van brieven met instructies het eindelijk uit Stockholm aangekomen waardevolle cahier ordende, stond het leven niet stil. Het uur waarop men het vraagstuk van de staat in de praktijk zou moeten oplossen, naderde.

Vanuit Zwitserland had Lenin meteen na de val van de monarchie geschreven: “Wij zijn geen blanquisten, geen aanhangers van een machtsgreep door een minderheid.” Dezelfde gedachte verkondigde hij ook na zijn aankomst in Rusland: “Wij zijn nu nog in de minderheid – de massa’s vertrouwen ons voorlopig nog niet. Wij zullen wel wachten… Zij zullen naar ons toestromen en wij zullen dan verwijzend naar de machtsverhoudingen zeggen dat onze tijd gekomen is.” De machtsverovering was in die eerste maanden een kwestie van een verovering van de meerderheid in de sovjets.

Na de Julinederlaag verkondigde Lenin dat de macht van nu af aan enkel door een gewapende opstand gegrepen kon worden; dat men daarbij naar alle waarschijnlijkheid niet zou moeten steunen op de door de verzoeningsgezinden gedemoraliseerde sovjets maar op de fabriekscomités; dat er nieuwe Sovjets als regeringsorganen gevormd zouden moeten worden na de overwinning. In werkelijkheid wisten de bolsjewieken reeds twee maanden later de sovjets aan de invloed van de verzoeningsgezinden te onttrekken. De aard van Lenins vergissing op dit punt is in hoge mate typerend voor zijn strategisch genie: hij gaat bij zijn berekeningen voor de meest stoutmoedige plannen uit van de meest ongunstige veronderstellingen. Net zoals hij in april, toen hij door Duitsland naar Rusland reisde, geloofde direct van het station in de gevangenis te zullen komen en net zoals hij op 5 juli zei: “zij zullen ons waarschijnlijk doodschieten,” meende hij het ook nu dat de verzoeningsgezinden ons zouden beletten om de meerderheid in de sovjets te verkrijgen.

“Er is geen kleinmoediger iemand dan ik, wanneer ik een veldtochtplan uitwerk,” schreef Napoleon aan generaal Bertier, “ik overdrijf dan alle gevaren en alle tegenslagen… Indien mijn besluit echter eenmaal genomen is, is alles vergeten behalve datgene wat het succes kan verzekeren.” Afgezien van de overdrijving die er in het enigszins misplaatste woord “kleinmoedigheid” gelegen is, is het bovenstaande eigenlijk volkomen op Lenin toepasselijk. Bij de oplossing van strategische vraagstukken kende hij bij voorbaat dezelfde vastberadenheid en dezelfde vooruitziende blik als hij zelf had aan zijn vijand toe. De tactische fouten van Lenin waren meestal bijkomstige gevolgen van zijn strategische kracht. Het is in dit geval eigenlijk enigszins misplaatst om van een vergissing te spreken: indien een diagnosticus ertoe komt de aard van een ziekte vast te stellen door consequent alles wat onjuist is te elimineren, dan zijn zijn hypothetische veronderstellingen waarbij hij met de meest ongunstige begint geen vergissingen, maar deel van zijn methode van onderzoek.

Zodra de bolsjewieken de macht in de sovjets van beide hoofdsteden in handen hadden, zei Lenin: “Nu is onze tijd gekomen.” In april en juli stond hij op de rem. In augustus bereidde hij theoretisch de volgende fase voor; vanaf midden september maant hij tot spoed en spoort uit alle macht aan. Het gevaar bestond nu niet uit te snel handelen, maar uit treuzelen. “Voorbarigheid is in dit opzicht nu onmogelijk.” Lenin analyseert in artikelen en brieven aan het Centraal Comité de toestand en gaat daarbij altijd van de internationale situatie uit. De symptomen en feiten die op een ontwaken van de Europese arbeidersklasse wijzen, ziet hij in de oorlogsomstandigheden als een stellig bewijs van het feit dat de directe bedreiging van de Russische revolutie door de buitenlandse imperialisten steeds minder zal worden. De arrestaties van de socialisten in Italië en vooral de opstand op de Duitse vloot brengen hem ertoe te verkondigen dat een reusachtige verandering zich in de toestand over de gehele wereld voltrekt: “Wij staan aan het begin van een wereldrevolutie van de arbeiders.”

De latere geschiedschrijvers zouden liever over dit uitgangspunt van Lenin willen zwijgen: zowel omdat de voorspelling van Lenin door de latere gebeurtenissen weerlegd lijkt, alsook omdat de Russische revolutie volgens de latere theorieën in alle omstandigheden op zichzelf moet kunnen staan. Lenins beoordeling van de internationale situatie was echter allerminst illusoir. De verschijnselen die hij ondanks de militaire censuur van alle landen waarnam, kondigden inderdaad de nadering van een revolutionaire storm aan. Deze deed één jaar later bij de centrale mogendheden het oude gebouw tot op zijn grondvesten schudden. Maar ook in de overwinnende landen, Engeland en Frankrijk, om niet te spreken van Italië, ontnam hij aan de regerende klassen gedurende langere tijd elke vrijheid van beweging. De geïsoleerde, nog zwakke arbeidersrevolutie in Rusland zou nauwelijks enkele maanden tegen een sterk, conservatief, zelfbewust kapitalistisch Europa hebben kunnen standhouden. Dit Europa bestond echter niet meer. De revolutie in het westen bracht weliswaar de arbeidersklasse niet aan de macht – de reformisten redden het burgerlijk regime – maar was toch sterk genoeg om de Sovjetrepubliek in de eerste, gevaarlijkste periode van haar bestaan te beschermen.

Het diepgaand internationalisme van Lenin bleek niet alleen uit het feit dat hij altijd met een onderzoek van de internationale situatie begon, maar hij beschouwde ook de machtsverovering in Rusland zelf in de eerste plaats als een stoot tot een Europese revolutie die, zoals hij meermaals zei, voor het lot van de mensheid van veel grotere betekenis zou zijn dan de revolutie in het achterlijke Rusland. Met welk een sarcasme geselt hij die bolsjewieken die hun internationale plicht niet beseffen. “Laten wij een resolutie met sympathiebetuigingen voor de Duitse opstandelingen aannemen,” hoont hij, “en de opstand in Rusland verwerpen. Dat zal een echt, verstandig internationalisme zijn!”

In de dagen van de Democratische Vergadering schrijft Lenin aan het Centraal Comité: “Nadat de bolsjewieken in de sovjets in beide hoofdsteden… de meerderheid verkregen hebben… kunnen en moeten zij de macht in de staat in handen nemen…” Het feit dat de meerderheid van de boerenafgevaardigden in de kunstmatig samengestelde Democratische Vergadering tegen een coalitie met de kadetten stemde, was in de ogen van Lenin van beslissende betekenis: “Er blijft de moezjiek die een bondgenootschap met de bourgeoisie niet wil niets anders over dan de bolsjewieken te ondersteunen. Het volk is de bochten van de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen beu. Alleen onze overwinning in de hoofdsteden zal de boeren kunnen meesleuren.” De taak van de partij: “Aan de orde moeten gesteld worden: een gewapende opstand in Petrograd en Moskou, de verovering van de macht en de val van de regering.” Niemand had tot nu toe de taak van de revolutie zo klemmend en zo openlijk gesteld.

Lenin volgt nauwkeurig alle verkiezingen en stemmingen die in het land plaats hebben en verzamelt nauwgezet de getallen die een licht op de werkelijke machtsverhoudingen kunnen werpen. Hij koesterde slechts verachting voor de half anarchistische onverschilligheid tegenover verkiezingscijfers. Tegelijkertijd stelde Lenin echter nooit de graadmeter van het parlementarisme met de werkelijke machtsverhoudingen gelijk: hij bracht altijd correcties voor de directe acties aan… “De kracht van de revolutionaire arbeidersklasse om de massa’s te beïnvloeden en deze in de strijd te betrekken,” waarschuwt hij, “is in de strijd buiten het parlement oneindig veel groter dan in die in het parlement. Dit is een zeer belangrijk punt in het vraagstuk van de burgeroorlog.”

Lenin was met zijn scherpe blik de eerste die inzag dat de agrarische beweging in een beslissende fase gekomen was en die daaruit terstond de nodige gevolgtrekkingen maakte. De boeren willen niet langer wachten en de soldaten evenmin. “Tegenover een feit als de boerenopstand,” schrijft Lenin eind september, “zou elk ander politiek verschijnsel, zelfs indien het feit van de rijpende nationale crisis daardoor gelogenstraft zou worden, niet de minste betekenis hebben.” Het agrarisch vraagstuk vormt de basis van de revolutie. Een overwinning van de regering over de boerenopstand zou “een begrafenis van de revolutie” betekenen. Men mag niet op gunstiger omstandigheden rekenen. Het uur om te handelen nadert. “De crisis is rijp. De toekomst van de Russische revolutie staat op het spel. De toekomst van de internationale arbeidersrevolutie voor het socialisme staat op het spel. De crisis is rijp.”

Lenin roept op tot de opstand. De grootste spanning en hartstocht klinken uit die eenvoudige, prozaïsche en vaak hoekige zinnen. “De revolutie gaat ten onder,” schrijft hij begin oktober aan het congres van de partij te Petrograd, “indien de Kerenski-regering niet zeer spoedig door de arbeiders en soldaten ten val gebracht wordt… Men moet alle krachten op de been brengen om de arbeiders en soldaten te doordringen van de absolute noodzakelijkheid van een bittere, laatste en beslissende strijd om de Kerenski-regering ten val te brengen.”

Lenin had vaak gezegd dat de massa’s linkser waren dan de partij. Hij wist dat de partij linkser was dan de leidende groep “oude bolsjewieken”. Hij had een maar al te duidelijk beeld van de groeperingen en stemmingen in het Centraal Comité om van die kant een of andere gevaarlijke stap te verwachten. Hij was integendeel zeer beducht voor de grote voorzichtigheid, aarzeling en voorbij laten gaan van een van die historische situaties die slechts eens in de loop van tientallen jaren voorkomen. Lenin vertrouwt het Centraal Comité niet – zonder Lenin: hier ligt de verklaring van de brieven die hij vanuit zijn illegaal verblijf schreef. En Lenin had niet geheel en al ongelijk met zijn wantrouwen.

In de meeste gevallen kan Lenin zijn mening pas geven nadat besluiten genomen zijn. Hij bekritiseert de politiek van het Centraal Comité onophoudelijk van links. Zijn oppositie heeft vooral betrekking op de kwestie van de opstand, maar blijft daar niet tot beperkt. Lenin meent dat het Centraal Comité teveel aandacht schenkt aan het verzoeningsgezinde Uitvoerend Comité, aan de Democratische Vergadering, en in het algemeen aan het parlementair gedoe in de hogere Sovjetkringen. Hij treedt krachtig op tegen het bolsjewistisch voorstel voor een coalitie-presidium in de sovjet van Petrograd. Hij laakt het “schandelijke” besluit over deelname aan het Voorlopig Parlement. Hij is verontwaardigd over de lijst van bolsjewistische kandidaten voor de Constituerende Vergadering die  eind september gepubliceerd werd: teveel intellectuelen en te weinig arbeiders. “De Constituerende Vergadering met redenaars en literatoren vullen, betekent de verderfelijke weg van opportunisme en chauvinisme inslaan. Dit is de IIIde internationale onwaardig.” Er zijn bovendien te veel nieuwe, nog niet in de strijd beproefde partijleden onder de kandidaten! Lenin meent een voorbehoud te moeten maken: “Het spreekt vanzelf dat niemand enig bezwaar kan hebben tegen een kandidatuur als die van L. D. Trotski, want ten eerste heeft Trotski meteen na zijn aankomst een internationalistische stelling ingenomen; ten tweede onder de interrayonisten voor een fusie gestreden; ten derde is hij in de moeilijke Julidagen opgewassen gebleken tegen de taak en heeft hij zich als een trouw aanhanger van de partij van de revolutionaire arbeidersklasse getoond. Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat men dit van menige oudere partijgenoot die op de lijst voorkomt niet kan zeggen.”

Het was alsof de Aprildagen teruggekeerd waren: Lenin is weer in oppositie tegen het Centraal Comité. De kwesties liggen nu anders, maar in het algemeen genomen is zijn oppositie dezelfde: het Centraal Comité is te passief, laat zich te sterk door de publieke opinie in de intellectuele kringen beïnvloeden, is te verzoeningsgezind tegenover de verzoeningsgezinden; en wat het belangrijkste is: het gedraagt zich te lijdelijk, fatalistisch, niet bolsjewistisch tegenover het probleem van de gewapende opstand.

Het is tijd om van het woord tot de daad over te gaan: “Onze partij houdt nu in de Democratische Vergadering feitelijk een eigen congres en dit congres moet (of het wil of niet) over het lot van de revolutie beslissen.” Er is echter slechts één oplossing denkbaar, namelijk de gewapende opstand. Lenin maakt in deze eerste brief over de opstand nog een voorbehoud: “Het gaat niet om de ‘dag’ van de opstand, niet om het ‘tijdstip’ ervan in de eigenlijke betekenis van het woord. Dit alles zal beslist worden door de roepstem van hen die met de arbeiders en soldaten, met de massa’s in direct contact staan.” Reeds twee à drie dagen later (de brieven uit die tijd zijn in de regel niet gedateerd: voorzichtigheidshalve en niet uit vergeetachtigheid) dringt Lenin echter, klaarblijkelijk onder indruk van de rotheid van de Democratische Vergadering, erop aan meteen tot daden over te gaan en hij stelt direct een praktisch plan voor.

“Wij moeten ons in de Vergadering onmiddellijk als een bolsjewistische fractie aaneensluiten zonder op een groot aantal leden uit te zijn… Wij moeten een korte bolsjewistische verklaring opstellen… Wij moeten onze gehele fractie naar de bedrijven en kazernes zenden. Wij moeten tegelijkertijd, zonder één ogenblik verloren te laten gaan, een staf van opstandige troepenafdelingen organiseren, de krachten verdelen, de trouwe regimenten naar de belangrijkste punten zenden, de Alexandrinka (de schouwburg, waarin de Democratische Vergadering zetelde) omsingelen, de Peter-en-Paulsvesting bezetten, de generale staf en de regering gevangennemen en troepen op de jonkers en de wilde divisie afsturen die eerder bereid zijn te sterven dan toe te laten dat de vijand naar het centrum van de stad oprukt; wij moeten gewapende arbeiders mobiliseren, hen tot de verbitterde eindstrijd oproepen, direct het telegraaf- en telefoonkantoor bezetten, onze staf van de opstand in de telefooncentrale onderbrengen, alle fabrieken, alle regimenten en alle belangrijke punten van de gewapende opstand met deze verbinden enzovoort.” Het tijdstip wordt niet meer afhankelijk gesteld van “de roepstem van hen die in regelrecht contact met de massa’s staan.” Lenin stelt voor meteen te handelen: om zich met een ultimatum uit het Alexandrinskitheater te verwijderen en om aan het hoofd van gewapende massa’s daarheen terug te keren. De verpletterende slag zal niet alleen tegen de regering, maar tegelijkertijd ook tegen het hoogste orgaan van de verzoeningsgezinden gericht worden.

“…Lenin die in privébrieven eiste dat de Democratische Vergadering gearresteerd zou worden,” aldus de onthullingen van Soechanov, “stelde in de pers, naar men weet, een ‘compromis’ voor: laat de mensjewieken en sociaal-revolutionairen de macht volledig in handen nemen, dan kan daarna het Sovjetcongres spreken… Ook Trotski bepleitte in de Democratische Vergadering en daarbuiten hardnekkig hetzelfde.” Soechanov ziet een dubbelhartigheid waar deze er niet is. Lenin had aan de verzoeningsgezinden meteen na de overwinning over Kornilov, in de eerste dagen van september, een compromis voorgesteld. De verzoeningsgezinden waren er schouderophalend aan voorbijgegaan. Zij maakten van de Democratische Vergadering een dekmantel voor de nieuwe coalitie met de kadetten tegen de bolsjewieken. De mogelijkheid om tot een overeenstemming te geraken, kwam zodoende vanzelf geheel te vervallen. De kwestie van de macht kon van nu af aan slechts door een openlijke strijd beslist worden. Soechanov haalt hier twee stadia dooreen waarbij het eerste veertien dagen voor het tweede kwam en dit laatste in politiek opzicht bepaalde.

Al moest de opstand ook onvermijdelijk een gevolg van de nieuwe coalitie zijn, zo verraste Lenin toch zelfs de leiders van zijn eigen partij met zijn krasse zwenking. Het was klaarblijkelijk onmogelijk om op de grondslag van zijn brief de bolsjewistische fractie in de Vergadering te verenigen, “ook al was het niet om een groot aantal leden te doen.” De stemming in de fractie verwierp met 70 tegen 50 stemmen een boycot van het Voorlopig Parlement, d.w.z. de eerste stap in de richting van de opstand. Het plan van Lenin werd zelfs in het Centraal Comité door niemand gesteund. Vier jaar later deelde Boecharin op een herinneringsavond met de bij hem gebruikelijke overdrijvingen en anekdotes, maar in wezen juist, het een en ander over deze episode mee: “De brief (van Lenin) was in buitengewoon besliste termen gesteld en dreigde ons met allerlei straffen(?). Wij stonden allemaal paf. Niemand had tot nu toe de kwestie zo scherp gesteld. Aanvankelijk was iedereen uit het veld geslagen. Daarna beraadslaagde men en nam een besluit. Dit was waarschijnlijk de enige maal in de geschiedenis van onze partij dat het Centraal Comité met algemene stemmen besloot om een brief van Lenin te verbranden… Wij geloofden weliswaar dat het ons stellig zou lukken om de macht in Petrograd en Moskou in handen te nemen, maar meenden dat wij ons in de provincie nog niet zouden kunnen handhaven en na de overname van de macht en het uiteenjagen van de Democratische Vergadering niet in staat zouden zijn om in het overige Rusland vaste voet te krijgen.”

Tot het verbranden van enkele kopieën van de gevaarlijke brief waartoe men uit voorzichtigheidsoverwegingen kwam, werd in werkelijkheid niet met algemene stemmen besloten, maar met zes stemmen tegen vier en zes onthoudingen. Eén exemplaar bleef gelukkig voor het nageslacht bewaard. Juist is echter in het relaas van Boecharin dat alle leden van het Centraal Comité, hoewel vanuit verschillende motieven, het voorstel van Lenin van de hand wezen: sommigen verzetten zich tegen de opstand in het algemeen, anderen geloofden dat het ogenblik van de Vergadering het minst geschikt was; weer anderen aarzelden en wachtten eenvoudig af.

Nu hij op openlijke tegenstand stuit, smeedt Lenin een soort samenzwering met Smilga die zich eveneens in Finland bevindt en als voorzitter van het districtscomité van de Sovjets in die tijd werkelijk een vrij grote macht had. Smilga stond in 1917 op de uiterste linkervleugel van de partij en had reeds in juli de strijd willen doorzetten: Lenin wist bij zwenkingen in de politiek altijd zeer goed op wie hij moest steunen. Op 27 september schrijft Lenin een uitvoerige brief aan Smilga: “…Wat doen wij eigenlijk? Wij nemen resoluties aan. Wij verliezen tijd, stellen ‘tijdstippen’ vast (op 20 oktober – Sovjetcongres – is het niet belachelijk om tot zo lang uit te stellen? Is het niet belachelijk om daarop te vertrouwen?). De bolsjewieken werken niet aan een systematische voorbereiding van hun militaire krachten tot het ten val brengen van Kerenski… Men moet in de partij propaganda maken voor een ernstige houding tegenover de gewapende opstand… En nu verder over uw rol… Jij moet een geheim comité uit betrouwbare militairen vormen, met hen in alle kwesties overleg plegen, de meest nauwkeurige gegevens betreffende de samenstelling en de opstelling van de troepen bij Petrograd en in Petrograd, betreffende het transport van de Finse troepen naar Petrograd, betreffende vlootbewegingen enz. verzamelen (en zelf controleren).” Lenin eist dat er “stelselmatig propaganda gemaakt zal worden onder de Kozakken die zich hier in Finland bevinden… Men moet alle gegevens over de opstelling van de Kozakken bestuderen en het zenden van troepen propagandisten uit de beste krachten onder de matrozen en soldaten van Finland organiseren.” En tenslotte: “Ter inleiding dient terstond de volgende slogan gepropageerd te worden: ‘De macht moet onverwijld overgaan op de Petrogradse sovjet, die haar op zijn beurt op het Sovjetcongres zal overdragen.’ Waartoe zou men immers nog langer drie weken oorlog en voorbereidselen à la Kornilov van de kant van Kerenski dulden?”

Wij hebben hier een nieuw plan voor de opstand voor ons: “een geheim comité bestaande uit de bekendste militairen” in Helsingfors als staf; de in Finland liggende Russische troepen als strijdmacht: “de Finse troepen en de Baltische vloot zijn stellig de enige die wij volkomen in de hand kunnen hebben en die een militaire rol van betekenis zal spelen.” Lenin rekent er derhalve op de voornaamste slag aan de regering buiten Petrograd toe te brengen. Tegelijkertijd moet men “goed de gemoederen voorbereiden,” opdat het ten val brengen van de regering door de militaire krachten van Finland niet als een verrassing voor de Petrogradse Sovjet komt: deze zal tot het Sovjetcongres de regering moeten opvolgen.

Het nieuwe ontwerpplan is evenmin als het vorige verwezenlijkt. Het heeft echter wel sporen achter gelaten. De propaganda onder de Kozakkendivisies leverde spoedig resultaten op, naar wij reeds uit de mond van Dybenko gehoord hebben. Het betrekken van de Baltische matrozen in de voornaamste slag tegen de regering is eveneens in het later aanvaarde plan opgenomen. Dit is echter niet de hoofdzaak: Lenin maakte door zijn zo consequent mogelijke probleemstelling dat niemand kon ontwijken of laveren. Wat als direct tactisch voorstel ontijdig bleek te wezen, bleek doelmatig te zijn om de stemmingen in het Centraal Comité te polsen, om hen die meer vastberaden waren te ondersteunen tegen hen die aarzelden, als laatste stoot naar links.

Lenin poogde met alle middelen waarover hij in het isolement van zijn illegaal verblijf kon beschikken de partijleiding te laten voelen hoe toegespitst de situatie en hoe sterk de druk van de massa’s was. Hij liet enkele bolsjewieken naar zijn schuilplaats komen, onderwierp hen aan de meest pijnlijke verhoren, controleerde de woorden en daden van de leiders, liet langs allerlei omwegen zijn slogans in de partij, naar beneden, in de diepte doordringen, om het Centraal Comité voor de gebiedende noodzakelijkheid te plaatsen om te handelen en door te zetten.

Daags na zijn brief aan Smilga vervaardigt Lenin het reeds boven geciteerde geschrift “De crisis is rijp,” dat met een soort oorlogsverklaring aan het Centraal Comité eindigt. “Men moet… de waarheid onder ogen zien dat er bij ons in het Centraal Comité en onder de leiders een stroming of opvatting bestaat die eerst het Sovjetcongres wil afwachten en die tegen een directe overname van de macht, tegen een onmiddellijke opstand is.” Deze stroming moet tot elke prijs overwonnen worden. “Versla eerst Kerenski en roep daarna het congres bijeen. Het is volslagen idiotie of doortrapt verraad om in afwachting van het Sovjetcongres tijd te verliezen…” Het duurt nog twintig dagen, voordat het op 20 oktober vastgestelde congres bijeenkomt: “Het gaat nu om weken, ja om dagen.” Uitstellen van de beslissing betekent dat men op laffe wijze van de opstand afziet, want tijdens het congres zal de machtsgreep onmogelijk worden: “Men zal op de dag van de onnozel ‘vooraf bepaalde’ opstand Kozakken opeisen.”

Uit de toon van de brief alleen reeds blijkt hoe verderfelijk Lenin het dralen van de Petrogradse leiders vond. Hij beperkt zich ditmaal echter niet tot een woedende kritiek, maar kondigt als protest zijn uittreden uit het Centraal Comité aan. Als motief geeft hij op dat het Centraal Comité vanaf de aanvang van de Vergadering niet gereageerd had op Lenins aandrang tot het grijpen van de macht; dat de redactie van het partijorgaan (Stalin) zijn artikelen kennelijk opzettelijk met vertraging afdrukte en passages schrapte waarin gewezen werd op “bepaalde hemeltergende fouten van de bolsjewieken alsook op het schandelijke besluit om aan het Voorlopig Parlement deel te nemen.” Lenin acht het onmogelijk deze politiek van de partij voor zijn rekening te nemen: “Ik zie mij genoodzaakt om mijn ontslag uit het Centraal Comité te verzoeken, hetgeen ik hierbij dan ook doe, en mij de vrijheid van propaganda onder de partijleden en op het partijcongres voor te behouden.”

Uit de documenten blijkt niet hoe de zaak formeel verliep. Lenin trad in elk geval niet uit het Centraal Comité. Met zijn verklaring dat hij ontslag zou nemen uit het Centraal Comité, zeker geen opwelling van het moment, wilde Lenin vooral de mogelijkheid behouden om in geval van nood niet aan de tucht van het Centraal Comité gebonden te zijn. Hij betwijfelde niet dat de directe oproep tot de volksmassa’s hem, net als in april, de overwinning bezorgen. Voor het overgaan tot een openlijke rebellie tegen het Centraal Comité was echter een buitengewoon congres nodig en dit vereiste tijd: deze ontbrak juist. Lenin gaat echter, terwijl hij zijn verklaring van uittreden gereed houdt, zonder de grenzen van de partijlegaliteit te overschrijden voort om reeds vrijmoediger de aanval op de meer achterwaarts gelegen linies voor te bereiden. Hij stuurt zijn aan het Centraal Comité gerichte brieven niet alleen aan het Petrogradse en het Moskouse comité, maar zorgt er tevens voor dat kopieën in handen van de meest betrouwbare kameraden in de wijken komen. Begin oktober schrijft Lenin een brief die direct aan het Petrogradse en Moskouse comité gericht is, waarbij Lenin dus het Centraal Comité voorbijgaat. Hij stelt: “De bolsjewieken mogen niet op het Sovjetcongres wachten, zij moeten direct de macht grijpen… Dralen – is misdadig. Wachten op het Sovjetcongres is een kinderspel met formaliteiten, een schandelijk spelen met formaliteiten, verraad aan de revolutie.” Op Lenins optreden was vanuit het standpunt van de partijhiërarchie bezien wel het een en ander aan te merken. Maar het ging hier om iets groters dan om overwegingen van disciplinaire aard.

Een lid van het comité van de wijk Vyborg, Svesjnikov, herinnerde zich later: “Iljitsj schreef onvermoeid uit zijn illegaal verblijf en Nadesjda Konstantinovna (Kroepskaja) las ons in het wijkcomité meermalen deze manuscripten voor… De vurige woorden van de leider sterkten ons… Ik herinner mij nog zeer levendig de gebogen gestalte van Nadesjda Konstantinovna, die in een van de kamers van het wijkgebouw waar de typistes werkten nauwkeurig het afschrift met het origineel vergelijkt en naast haar “Djadja” en “Genja” om kopieën vraagt.” Djadja en Genja zijn de oude schuilnamen van twee wijkleiders. “Onlangs ontvingen wij,” vertelt partijgenoot Naumov uit die wijk, “een brief van Iljitsj om deze door te geven aan het Centraal Comité… Wij lazen die brief en stonden paf. Het bleek dat Lenin reeds geruime tijd de kwestie van de opstand in het Centraal Comité aan de orde gesteld had. Wij weerden ons krachtig en begonnen druk uit te oefenen.” Dit was juist nodig.

Begin oktober roept Lenin het Petrogradse partijcongres op om zich krachtig ten gunste van de opstand uit te spreken. Op zijn initiatief “verzoekt het congres dringend aan het Centraal Comité om de nodige maatregelen te nemen voor de leiding van de opstand van de arbeiders, soldaten en boeren, die onvermijdelijk is.” Deze ene passage houdt twee maskeringen in, een juridische en een diplomatieke: er wordt van de leiding van de opstand die onvermijdelijk is gesproken, in plaats van de directe voorbereiding van de opstand. Dit was om de procureur-generaal geen al te mooie troeven in handen te spelen. Dat het congres het Centraal Comité verzoekt en niet eist of protesteert, is stellig geen concessie aan het prestige van de hoogste instelling in de partij. In een andere, eveneens door Lenin opgestelde resolutie, wordt echter nog openlijker gezegd: “…In de partijleiding zijn aarzelingen te bespeuren, een zekere angst voor de strijd om de macht, de neiging om deze strijd door resoluties, protesten en congressen te vervangen.” Dit betekent reeds vrijwel dat de partij openlijk opgeroepen wordt om zich tegen het Centraal Comité te verzetten. Lenin kwam niet gemakkelijk tot een dergelijke stap. Het ging echter om het lot van de revolutie en dan worden alle andere overwegingen op de achtergrond gedrongen.

Op 8 oktober wendt Lenin zich tot de bolsjewistische afgevaardigden naar aanleiding van het te houden Sovjetcongres van het Noordelijk district: “Men mag niet het Al-Russische Sovjetcongres afwachten omdat het Centraal Uitvoerend Comité dit wel tot november kan uitstellen. Men mag niet op de lange baan schuiven en Kerenski in de gelegenheid stellen om nieuwe Kornilovtroepen op de been te brengen.” Het districtscongres waarop Finland, de vloot en Reval vertegenwoordigd zijn, moet het initiatief nemen “om zich onverwijld tegen Petrograd in beweging te zetten.” De directe oproep tot een onmiddellijke opstand is ditmaal aan de vertegenwoordigers van tientallen Sovjets gericht. Hij gaat persoonlijk van Lenin uit: er bestaat geen enkel voorafgaand besluit van de partij, de hoogste partijinstanties hebben zich nog niet erover uitgesproken.

Lenin moest wel een groot vertrouwen in de arbeidersklasse en in de partij, maar ook een zeer ernstig wantrouwen tegenover het Centraal Comité hebben, om met voorbijgaan van dit laatste op eigen verantwoordelijkheid vanuit de illegaliteit door middel van met kleine lettertjes geschreven briefjes een propaganda voor de gewapende opstand te beginnen. Hoe kwam het echter dat Lenin, die wij begin april geïsoleerd zagen staan aan het hoofd van zijn eigen partij, in september en begin oktober weer alleen stond in dezelfde omgeving? Dit is onbegrijpelijk indien men geloof schenkt aan de dwaze legende volgens welke de geschiedenis van het bolsjewisme een uitvloeisel van de zuivere revolutionaire gedachte is. Het bolsjewisme heeft zich in werkelijkheid in een bepaald maatschappelijk milieu ontwikkeld en was blootgesteld aan verschillende invloeden hiervan, o.a. aan de invloed van de kleinburgerlijke omgeving en de culturele achterlijkheid. De partij paste zich slechts aan de nieuwe situatie aan door innerlijke crisissen door te maken. Om een juist inzicht in de felle strijd onder de bolsjewistische leiders in de tijd vóór oktober te krijgen, moet men nog eens een blik werpen op die processen in de partij waarover wij reeds in het eerste deel van dit boek gesproken hebben. Dit is te meer noodzakelijk omdat juist tegenwoordig de stalinistische fractie haar uiterste best doet, en wel internationaal, om volkomen uit de herinnering weg te vagen hoe de Oktoberrevolutie in werkelijkheid voorbereid werd en hoe deze zich voltrokken heeft.

In de aan de Wereldoorlog voorafgaande jaren noemden de bolsjewieken zich in de legale pers “consequente democraten”. Zij hadden dit pseudoniem niet toevallig gekozen: het bolsjewisme verdedigde de slogans van de revolutionaire democratie en alleen het bolsjewisme deed dit moedig en consequent. Wat de prognose van de revolutie betreft, ging het echter niet verder dan de democraten. De oorlog die de burgerlijke democratie onverbrekelijk met het imperialisme verbond, bracht echter definitief aan het licht dat het programma van de “consequente democratie” slechts door middel van de arbeidersrevolutie verwezenlijkt kon worden. De revolutie moest diegenen van de bolsjewieken die dit niet door de oorlog hadden leren inzien, ongetwijfeld onvoorbereid aantreffen en tot een linkse meeloper van de burgerlijke revolutie maken.

Een nauwkeurige bestudering van het materiaal dat kenmerkend is voor het partijleven gedurende de oorlog en in het begin van de revolutie, laat echter, ondanks het feit dat het buitengewoon en allerminst toevallig onvolledig is en het sinds het jaar 1923 steeds meer een tendentieus karakter krijgt, zien welke reusachtige achteruitgang in geestelijk opzicht de bolsjewistische leiding doormaakte tijdens de oorlog toen het geregelde partijleven feitelijk opgehouden had te bestaan. Deze achteruitgang heeft een tweeledige oorzaak: het isolement van de massa’s en het isolement van de emigranten, d.w.z. in de eerste plaats van Lenin, en tengevolge daarvan: een verzinken in isolement en provincialisme.

Geen enkele van de oude bolsjewieken schreef, aan zijn lot overgelaten, in al die oorlogsjaren ook maar één geschrift dat men enigszins als een mijlpaal op de weg van de Tweede naar de Derde Internationale zou kunnen beschouwen. “Wij hadden,” schreef enkele jaren geleden een oud partijlid, Antonov-Saratovski, “geen goed inzicht in de kwesties van vrede, het karakter van de toekomstige revolutie, de rol van de partij in de komende Voorlopige Regering enz., of wij dachten er in het geheel niet over na.” Er is tot op vandaag dag geen enkel werk, geen bladzijde uit een dagboek, geen brief gepubliceerd, waarin Stalin, Molotov en andere tegenwoordige leiders ook maar terloops, vluchtig hun meningen betreffende de vermoedelijke afloop van de oorlog en het verloop van de revolutie verkondigd hadden. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat de “oude bolsjewieken” in de jaren van de oorlog, de ineenstorting van de sociaaldemocratie en de voorbereiding van de Russische revolutie niets over deze kwesties geschreven hadden; de historische gebeurtenissen dwongen maar al te zeer tot een antwoord, en gevangenschap en ballingschap maakten dat men tijd genoeg had tot nadenken en briefwisseling. Maar er is in alles wat over dit onderwerp geschreven werd nergens ook maar iets te vinden dat men met de beste wil van de wereld een ontwikkeling in de richting van de gedachten van de Oktoberrevolutie zou kunnen noemen. Men kan volstaan met erop te wijzen dat het Instituut voor de Partijgeschiedenis niet in staat is om ook maar één regel uit de pen van Stalin uit de jaren 1914-1917 te publiceren en dat het genoodzaakt is om de belangrijkste documenten van maart 1917 angstvallig te verbergen. In de officiële politieke biografieën van de meeste nu regerende leiders vormen de oorlogsjaren een lege plek. Dit is de naakte waarheid.

Een van de nieuwere jonge geschiedschrijvers, Bajevski, die met de taak belast werd om uit te leggen hoe de partijleiding tijdens de oorlog tot de arbeidersrevolutie kwam, kon ondanks zijn ruime wetenschappelijke geweten enkel volgende magere verklaring uit het materiaal putten: “De loop van dit proces is niet meer na te gaan, maar uit talrijke documenten en memoires blijkt ondubbelzinnig dat de partij in het verborgene tastte voor de Aprilstellingen van Lenin…” Alsof het om een verborgen tasten en niet om wetenschappelijke beoordelingen en politieke voorspellingen ging.

Niet in Siberië, niet in Moskou, ook niet in Petrograd, kon men langs a-prioristische weg tot de ideeën van de Oktoberrevolutie komen. Dit was slechts mogelijk waar de wereldhistorische wegen elkaar kruisten. De taak van de vertraagde burgerlijke revolutie moest kruisen met de vooruitzichten van de wereldwijde arbeidersrevolutie, opdat het mogelijk werd het programma van de arbeidersheerschappij voor Rusland op te stellen. Een meer verheven standpunt was nodig: geen nationale, maar een internationale horizon. Om nog niet te spreken van een betere scholing dan die van de zogenaamde Russische practici in de partij.

Met de val van de monarchie begon in hun ogen het tijdperk van een “vrij” republikeins Rusland, waarin zij zich opmaakten om naar het voorbeeld van de Westerse landen een strijd om het socialisme te beginnen. Drie oude bolsjewieken, Rykov, Skvorzov en Wegmann, telegrafeerden “in opdracht van de door de revolutie bevrijde sociaaldemocraten van het gebied Narym” in maart vanuit Tomsk: “Wij begroeten de herboren “Pravda” die met zo’n succes de revolutionaire kaders tot de verovering van de politieke vrijheid voorbereid heeft. Wij spreken als onze innige overtuiging uit dat ze erin zal slagen deze kaders voor de verdere strijd in naam van de nationale revolutie rond zich te verenigen.” Een gehele wereldbeschouwing spreekt uit dit gezamenlijke telegram: deze is als door een afgrond van Lenins Aprilstellingen gescheiden. De Februarirevolutie maakte van de partijleiders, met Kamenev, Rykov en Stalin aan het hoofd, meteen democratische landsverdedigers die bovendien naar rechts opschoven in de richting van toenadering tot de mensjewieken. De latere geschiedschrijver Jaroslavski, het latere hoofd van de Centrale Controle commissie, Ordsjonikidse, en de latere voorzitter van het Oekraïense Centraal Uitvoerend Comité, Petrovski, gaven in de maand maart in nauw contact met de mensjewieken in Jakoetsk het tijdschrift “De Sociaaldemocraat” uit, dat tussen een patriottisch reformisme en liberalisme in stond: in later jaren werd deze publicatie zoveel mogelijk verzameld en vernietigd.

De Petrogradse “Pravda” poogde in het begin van de revolutie een internationalistische positie in te nemen die echter vol tegenstrijdigheden stond en binnen het kader van de burgerlijke democratie bleef. De gezaghebbende bolsjewieken die uit de verbanning teruggekomen waren, gaven het centrale orgaan terstond een democratisch-patriottische richting. Toen Kalinin zich tegen het verwijt van opportunisme moest verdedigen, herinnerde hij er aan: “Nemen we bijvoorbeeld de Pravda. Aanvankelijk had de Pravda een bepaalde politiek gevolgd. Stalin, Moranov en Kamenev kwamen aan en gooiden het roer om.”

“Men dient openlijk toe te geven,” zo schreef Angarski, die van bovengenoemde groep deel uitmaakte, toen men zulke dingen nog mocht schrijven, “dat een groot aantal oude bolsjewieken vóór het partijcongres in april inzake het karakter van de revolutie van 1917 aan de oude bolsjewistische opvattingen van 1905 vasthield en dat men er niet zo gemakkelijk toe kwam deze opvattingen prijs te geven en ze geheel overboord te gooien.” Men zou hier nog aan toe moeten voegen dat de overleefde opvattingen van 1905 in het jaar 1917 opgehouden hadden “oude bolsjewistische opvattingen” te zijn en patriottisch-reformistische ideeën werden.

“De Aprilstellingen van Lenin werden,” volgens een officiële historische lezing, “in het Petrograds comité als door het noodlot achtervolgd. Voor deze stellingen die een historisch tijdperk zouden inluiden, spraken zich slechts twee en tegen haar dertien leden uit, terwijl één lid zich van stemming onthield.” “De opvattingen van Lenin leken zelfs zijn meest geestdriftige aanhangers te stoutmoedig toe,” schrijft Podvojski. “Het optreden van Lenin had – volgens de mening van het Petrograds comité en de Militaire Organisatie… de bolsjewistische partij tot eenzaamheid gedoemd en daarmee natuurlijk de toestand van de arbeidersklasse en van de partij veel slechter gemaakt.”

“Men dient openlijk te verklaren,” schreef Molotov enkele jaren geleden, “dat de partij noch het helder inzicht, noch de vastberadenheid had, die op dat revolutionaire tijdstip nodig waren… Zowel de propaganda, alsook het revolutionaire partijwerk in zijn geheel miste een vaste grondslag, omdat de gedachten nog niet gerijpt waren tot de stoute gevolgtrekkingen wat betreft de noodzakelijkheid van een directe strijd voor het socialisme en de socialistische revolutie.” De ommekeer begon pas in de tweede maand van de revolutie. “Na de aankomst van Lenin in Rusland in april 1917,” zo verklaart Molotov, “voelde onze partij vaste grond onder de voeten… Tot op dat tijdstip had de partij slechts zwak en onzeker rondgetast.”

Stalin verdedigde eind maart een militaire verdediging, een voorwaardelijke ondersteuning van de Voorlopige Regering, het pacifistische manifest van Soechanov en een fusie met de partij van Tsereteli. “Deze verkeerde houding,” zo bekende Stalin toen hij in 1924 terugblikte, “werd toentertijd door mij met andere partijgenoten ingenomen en ik ben daar pas midden april van teruggekomen, toen ik mij bij de stellingen van Lenin aansloot. Een nieuwe oriëntering was nodig geworden. Het was Lenin die de partij deze nieuwe oriëntering gaf met zijn beroemde Aprilstellingen…”

Kalinin was zelfs einde april nog voor een verkiezingsblok met de mensjewieken. Op het stedelijk congres te Petrograd zei Lenin: “Ik protesteer krachtig tegen Kalinin, want een bondgenootschap met… chauvinisten is ondenkbaar… Dit zou verraad aan het socialisme zijn.” De opvattingen van Kalinin waren zelfs in Petrograd geen uitzondering. Men zei op het congres: “De fusiemanie verdwijnt onder invloed van Lenin.”

In de provincie bleef men zich veel langer tegen de stellingen van Lenin verzetten en in een aantal gouvernementen zelfs tot oktober. Volgens een mededeling van de Kievse arbeider Sivzov “werden de (door Lenin) geformuleerde stellingen niet meteen door de gehele bolsjewistische afdeling te Kiev aangenomen. Een aantal kameraden, onder wie G. Pjatakov, waren het niet eens met de stellingen.” De Charkovse spoorwegarbeider Morgoenov vertelt: “De oude bolsjewieken hadden een grote invloed onder het spoorwegpersoneel… vele oude bolsjewieken waren geen lid van onze fractie… na de Februarirevolutie meldden sommigen zich bij vergissing bij de mensjewieken aan, waarover zij later zelf lachten: wat iemand al niet overkomen kan.” Zo zijn er veel berichten.

Ondanks dit alles geldt nu reeds een eenvoudige vermelding van de door Lenin in april tot stand gebrachte reorganisatie van de partij bij de officiële geschiedschrijvers als een godslastering. De nieuwste geschiedschrijvers stellen de eer van de partij boven de historische waarheid. Zij hebben in dit opzicht niet eens het recht om Stalin te citeren, die zich genoodzaakt zag de krasse bocht in april te erkennen. “De beroemde stellingen van Lenin waren nodig opdat de partij met één slag de nieuwe weg kon inslaan.” Een “nieuwe oriëntering” en een “nieuwe weg”, d.w.z. een reorganisatie van de partij. Nauwelijks zes jaar later echter zag Jaroslavski, die als historicus vermeld had dat Stalin in het begin van de revolutie “een verkeerd standpunt in de belangrijkste kwesties” ingenomen had, zich aan een woedende hetze van alle kanten blootgesteld. De afgod van het prestige is een vraatzuchtig monster zonder weerga!

De revolutionaire traditie van de partij, de druk van de arbeiders van onderop en de kritiek van Lenin van bovenaf dwongen de partijleiders er in de maanden april en mei toe om, zoals Stalin zelf zegt, “de nieuwe weg in te slaan.” Men zou echter niet het minste begrip van politieke psychologie hebben indien men aannam dat het enkele stemmen van de stellingen van Lenin werkelijk een volkomen prijsgeven van “het verkeerde standpunt in de voornaamste kwesties” betekende. In werkelijkheid bleven die vulgair-democratische opvattingen, die in de oorlogsjaren krachtig postgevat hadden, hoezeer zij ook aan het nieuwe programma aangepast werden, toch in een scherpe tegenstelling tot dit programma staan.

Op 6 augustus bepleit Kamenev, in strijd met het besluit van het bolsjewistisch congres in april, in het Uitvoerend Comité dat men zal deelnemen aan het aanstaande congres van de sociaalpatriotten te Stockholm. Deze stap van Kamenev wordt in het centrale partijorgaan niet afgekeurd. Lenin schrijft een woedend artikel dat echter pas tien dagen na de rede van Kamenev gepubliceerd wordt. Lenin en andere leden van het Centraal Comité hadden een krachtige druk moeten uitoefenen om van de redactie onder leiding van Stalin gedaan te krijgen dat het artikel met het protest zou verschijnen.

De partij ging na de Julidagen onder vele aarzelingen gebukt: het isolement van de proletarische voorhoede joeg vele leiders, vooral in de provincie, angst aan. Deze verschrikte lieden zochten in de dagen van Kornilov toenadering tot de verzoeningsgezinden, hetgeen hen wederom een vermanende terechtwijzing van Lenin bezorgde.

Op 30 augustus drukt Stalin als redacteur zonder enig voorbehoud het artikel van Zinovjev: “Wat wij moeten doen,” waarin deze zich tegen de voorbereiding van de opstand keert. “Men moet de waarheid onder ogen zien dat er in Petrograd vele omstandigheden zijn die een uitbreken van een opstand in de trant van de Parijse Commune van 1871 in de hand werken…” Op 3 september schrijft Lenin in andere samenhang en zonder Zinovjev te noemen, maar zich niettemin tegen hem richtend: “De verwijzing naar de Commune is uiterst oppervlakkig en zelfs verkeerd. Want ten eerste hebben de bolsjewieken na 1871 stellig veel geleerd en zij zouden niet nalaten zich meester te maken van de bank en zij zouden niet afzien van een aanval op Versailles; in die omstandigheden had ook de Commune de overwinning kunnen behalen. Bovendien kon de Commune het volk niet terstond al datgene bieden wat de bolsjewieken wel kunnen bieden indien zij de macht in handen hebben: namelijk land aan de boeren en een onmiddellijk vredesvoorstel…” Dit was een verkapte, maar duidelijke waarschuwing niet alleen aan Zinovjev, maar ook aan de redacteur van de Pravda, Stalin.

De kwestie van het Voorlopig Parlement bracht een scheuring in het Centraal Comité teweeg. Het besluit van de fractie ten gunste van een deelname aan het Voorlopig Parlement werd door vele plaatselijke comités, zo niet door de meeste, goedgekeurd. Dit was bijvoorbeeld in Kiev het geval. “Wat betreft… de deelname aan het Voorlopig Parlement,” zegt E. Bosch in haar memoires, “sprak de meerderheid in het comité zich voor een deelname uit en koos Pjatakov als haar vertegenwoordiger.” Men kan aan de hand van talrijke gevallen, zoals dat van Kamenev, Rykov, Pjatakov en anderen, onderstaande volgorde in de bochten opstellen: in april tegen de stellingen van Lenin, in september tegen een boycot van het Voorlopig Parlement en in oktober tegen de opstand. Daarentegen aanvaardde de nieuwe groep bolsjewistische kaders die dichter bij de massa’s stond en politiek minder bedorven was, grif de slogan van de boycot en dwong de comités, waaronder ook het Centraal Comité, tot een scherpe bocht. Onder invloed van de brieven van Lenin sprak bijvoorbeeld het stedelijk congres te Kiev zich met een overweldigende meerderheid tegen het eigen comité uit. Zo steunde Lenin nagenoeg bij alle belangrijke keerpunten in de politiek op de lagere groepen in het partijapparaat tegen de hogere of op de grote massa van de partijleden tegen het apparaat in zijn geheel.

De bochten in de tijd vóór de Oktoberrevolutie konden in deze omstandigheden allerminst een verrassing voor Lenin zijn. Hij was bij voorbaat met een groot wantrouwen vervuld, lette angstvallig op de zorgwekkende symptomen, ging uit van de meest ongunstige veronderstellingen en achtte het beter eens een keer wat te veel druk uit te oefenen dan zich te zachtmoedig te betonen.

Het Moskouse districtsbureau nam eind september, ongetwijfeld op instigatie van Lenin, een scherpe resolutie tegen het Centraal Comité aan, beschuldigde het van besluiteloosheid, van aarzelingen en het stichten van verwarring in de gelederen van de partij en eiste dat men “een duidelijke en uitgesproken op de opstand gerichte tactiek zou volgen.” Lomov stelde op 3 oktober namens het bureau te Moskou het Centraal Comité in kennis van dit besluit. Men leest in de notulen: “Men besluit niet over deze mededeling te discussiëren.” Het Centraal Comité bleef een antwoord op de vraag “Wat moeten wij doen?” schuldig. De druk van Lenin via Moskou bleef echter niet zonder resultaat: twee dagen later besloot het Centraal Comité het Voorlopig Parlement te verlaten.

Het was voor vriend en vijand duidelijk dat deze stap een inslaan van de weg tot de opstand betekende. “Terwijl hij zijn leger uit het Voorlopig Parlement naar buiten voerde,” schrijft Soechanov, “stuurde Trotski regelrecht op een gewelddadige revolutie aan.” De mededeling in de Petrogradse sovjet van het uittreden uit het Voorlopig Parlement eindigde met de kreet: “Leve de openlijke en directe strijd om de revolutionaire macht in het land!” Dit was op 9 oktober.

De volgende dag had op verzoek van Lenin de beroemde zitting van het Centraal Comité plaats waar de kwestie van de opstand scherp gesteld werd. Lenin liet het van het verloop van deze zitting afhangen welke politiek hij verder zou volgen, namelijk mét het Centraal Comité of tegen het Centraal Comité. “Ach, welk een ironie van de geschiedenis!” schrijft Soechanov. “Deze meest gewichtige en beslissende zitting had in mijn woning, aan de Karpovkagracht (32, woning 31) plaats. Dit alles gebeurde echter buiten mijn voorkennis.” De vrouw van de mensjewiek Soechanov was bolsjewiste. “Er waren ditmaal extra maatregelen genomen zodat ik buitenshuis zou overnachten: mijn vrouw vroeg mij nauwkeurig uit over mijn plannen en gaf mij vriendschappelijk en zonder bijbedoelingen de raad om mij na het werk niet te vermoeien met nog een lange rit. De hoge vergadering was in elk geval volkomen veilig tegen een inval van mijn kant.” Zij bleek, hetgeen veel belangrijker was, ook veilig tegen een inval van de politie van Kerenski.

Twaalf van de 21 leden van het Centraal Comité waren aanwezig. Lenin verscheen met een pruik en een bril op, zonder baard. De zitting duurde ongeveer tien uren tot diep in de nacht. In de pauzes dronk men thee en at men brood met worst om zich te versterken. En men moest sterk zijn: het ging immers om een verovering van de macht in het vroegere tsarenrijk. De zitting begon als altijd met een rapport van Sverdlov over de organisatie. Zijn mededelingen betroffen ditmaal het front, klaarblijkelijk in overleg met Lenin, om bij voorbaat aan de noodzakelijk te nemen besluiten een steun te geven: dit was zo Lenins gewoonte. De vertegenwoordigers van de legers aan het Noordelijk front waarschuwden bij monde van Sverdlov dat de contrarevolutionaire legerleiding “een of andere geheimzinnige bedoeling met de terugtocht van de troepen naar het binnenland” had. Uit Minsk, waar de staf van het Westelijk front gevestigd was, berichtte men dat daar een nieuwe korniloviade voorbereid werd; de staf had met het oog op het revolutionair karakter van het plaatselijk garnizoen de stad door Kozakkentroepen laten omsingelen. “Er hebben verdachte onderhandelingen tussen de staven en het hoofdkwartier plaats.” Het was zeer wel mogelijk de staf in Minsk gevangen te nemen: het plaatselijk garnizoen was bereid om het cordon van Kozakken te ontwapenen. Men kon ook uit Minsk een revolutionair legercorps naar Petrograd zenden. De stemming aan het front was gunstig voor de bolsjewieken en men zou tegen Kerenski optrekken. Aldus de inleiding, die niet in alle opzichten volkomen duidelijk was, maar in elk geval erg bemoedigend klonk.

Lenin gaat terstond tot de aanval over: “Er is sinds het begin van september een zekere onverschilligheid inzake de opstand te bespeuren.” Men wijst erop dat er een zekere verkoeling en ontgoocheling onder de massa ontstaan is. Dit is niet verwonderlijk: “De massa’s hebben genoeg van woorden en resoluties.” Men moet letten op de situatie in haar geheel. De gebeurtenissen in de stad voltrekken zich nu met een reusachtige boerenbeweging op de achtergrond. De regering zou over reusachtige krachten moeten beschikken om de agrarische opstand te dempen. “De politieke situatie is derhalve rijp voor een optreden. Men dient de technische kant onder ogen te zien. Dit is de kern van de zaak. Intussen willen wij evengoed als de landsverdedigers de systematische voorbereiding van de opstand als een soort politieke zonde beschouwen.” De spreker beheerst zich kennelijk zoveel mogelijk: zijn gemoed is maar al te zeer opgekropt. “Het Sovjetcongres van het Noordelijk district en het voorstel uit Minsk moeten benut worden om tot een beslissend optreden over te gaan.”

Het Noordelijk congres was juist op de dag van de zitting van het Centraal Comité geopend en zou binnen twee à drie dagen gesloten worden. “Een overgaan tot een beslissend optreden” werd door Lenin als taak voor de komende dagen gesteld. Men mag niet langer talmen. Men mag niet verder uitstellen. Aan het front – wij hebben dit uit de mond van Sverdlov gehoord – wordt een omwenteling voorbereid. Zal het Sovjetcongres plaats hebben? Dit is nog onzeker. Men moet meteen de macht grijpen zonder enig congres af te wachten. “Onuitsprekelijk en onbeschrijfelijk is,” zo schreef Trotski enkele jaren later, “de geest van al die gespannen en hartstochtelijke redevoeringen die doordrongen zijn van het verlangen om degenen die opponeren, aarzelen en twijfelen, van de eigen gedachte, de eigen wilskracht, de eigen zekerheid en de eigen moed te doordringen.”

Lenin had een krachtige tegenstand verwacht. Zijn vrees bleek echter spoedig ijdel te zijn. De eensgezindheid waarmee het Centraal Comité in september een onmiddellijke opstand had afgewezen, was slechts tijdelijk geweest: de linkervleugel had zich uit praktische overwegingen van tijdelijke aard tegen de “omsingeling van de Alexandrinka” uitgesproken; de rechtervleugel uit meer algemene, hoewel op dat moment nog niet wel doordachte strategische overwegingen. Er had in de afgelopen drie weken een sterke ruk naar links in het Centraal Comité plaatsgehad. Tien tegen twee stemmen werden voor de opstand uitgebracht. Dit was een belangrijke overwinning!

Kort na de revolutie, toen er een nieuwe fase in de partijstrijd was ingetreden, deelde Lenin tijdens een debat in het Petrograds comité mee, hoe hij vóór de zitting van het Centraal Comité beducht was voor opportunisme van de kant van de op het standpunt van een fusie staande internationalisten, maar hoe deze beduchtheid spoedig verdween. Talrijke leden (van het Centraal Comité) waren het in onze partij hiermee niet eens. Dit heeft mij ten zeerste bedroefd. Van de “internationalisten” behoorden behalve Trotski, die Lenin stellig niet op het oog had, tot het Centraal Comité: Joffe, de latere gezant in Berlijn, Oeritzki, de latere leider van de Tsjeka in Petrograd, en Sokolnikov, de latere schepper van de tsjerwonez: alle drie stonden aan de kant van Lenin. Als tegenstander traden twee oude bolsjewieken op die door hun vroeger werk het dichtst bij Lenin stonden: Zinovjev en Kamenev. Op hen hebben zijn woorden: “Dit heeft mij ten zeerste bedroefd,” betrekking. De zitting van de 10de bleef vrijwel geheel tot een hartstochtelijke polemiek met Zinovjev en Kamenev beperkt: Lenin leidde de aanval, terwijl de overige deelnemers de een na de ander hierin betrokken werden.

De door Lenin met een stompje potlood op een geruit velletje uit een schoolschrift haastig neergekrabbelde resolutie was niet fraai geformuleerd, maar was een sterke steun voor degenen die aanstuurden op de opstand. “Het Centraal Comité stelt vast dat zowel de internationale toestand van de Russische Revolutie (de opstand op de Duitse vloot als meest opmerkelijke uiting van de in geheel Europa naderende socialistische wereldrevolutie en verder de bedreiging van de imperialistische landen met het doel om de revolutie in Rusland te wurgen), alsook de militaire toestand (het vaste besluit van de Russische bourgeoisie en van Kerenski en consorten om Petrograd aan de Duitsers over te geven) – dit alles in verband met de boerenopstand en het toenemende vertrouwen van het volk in onze partij (de verkiezingen in Moskou) en eindelijk de algemeen bekende voorbereiding van een tweede korniloviade (de wegvoering van troepen uit Petrograd, de samentrekking van Kozakken voor Petrograd, de omsingeling van Minsk door Kozakken enz.) – dit alles maakt de gewapende opstand noodzakelijk. Terwijl het dus vaststelt dat de gewapende opstand onvermijdelijk en volkomen rijp is, roept het Centraal Comité alle partijafdelingen op zich hiernaar te richten en alle praktische kwesties vanuit dit oogpunt te behandelen en op te lossen (het Sovjetcongres van het Noordelijk district, het wegbrengen van de troepen uit Petrograd, het optreden van de Moskovieten en de Minskers enz.)”.

Alleen reeds de manier waarop de volgorde van de voorwaarden voor de opstand aangegeven wordt is typerend voor de wijze waarop hij het ogenblik beoordeelde, alsook voor het karakter van de schrijver: allereerst het naderen van de wereldrevolutie. De opstand in Rusland wordt slechts als een schakel in een gehele keten beschouwd. Dit was altijd Lenins uitgangspunt en dit stelde hij altijd voorop: hij kon niet anders. Het aansturen op een opstand wordt een onmiddellijke taak van de partij genoemd: het moeilijke probleem om de voorbereiding van de omwenteling in overeenstemming te doen zijn met de sovjets, wordt voorlopig in het geheel niet aangeroerd. Het Al-Russische Sovjetcongres wordt met geen enkel woord vermeld. Bij de steunpunten voor de opstand wordt behalve het congres van het Noordelijk district en “het optreden van de Moskovieten en de Minskers” op aandrang van Trotski nog “het wegvoeren van troepen uit Petrograd” gevoegd. Dit was de enige toespeling op dat plan tot de opstand dat zich in de hoofdstad door de loop van zaken vanzelf opdrong. Tactische verbeteringen in de resolutie, waarin het strategische uitgangspunt van de omwenteling was neergelegd, werden door niemand voorgesteld behalve door Zinovjev en Kamenev die stellig ontkenden dat de opstand noodzakelijk was.

De latere pogingen van de officiële geschiedschrijvers om de zaak zo voor te stellen alsof alle leiders in de partij, behalve Zinovjev en Kamenev, voor de opstand waren, falen wanneer men de feiten en documenten bekijkt. Er vanaf gezien dat ook zij die voor de opstand stemden niet zelden ertoe geneigd waren deze voor onbepaalde tijd uit te stellen, stonden de openlijke tegenstanders van de omwenteling, Zinovjev en Kamenev, zelfs in het Centraal Comité niet alleen: hun standpunt werd volkomen gedeeld door Rykov en Nogin die in de zitting van de 10de niet aanwezig waren, terwijl ook Miljoetin dicht bij hen stond. “Er zijn aarzelingen onder de partijleiders te bespeuren, alsof men bang is voor de strijd om de macht,” zo verklaart Lenin zelf. Volgens Antonov-Saratovski sprak Miljoetin, die na 10 oktober in Saratov aankwam, over een brief van Lenin waarin deze eiste te “beginnen” over aarzelingen in het Centraal Comité, over de oorspronkelijke “verwerping” van het voorstel van Lenin, over Lenins verontwaardiging en tenslotte over het feit dat men toch op een opstand aanstuurde. De bolsjewiek Sadovski schreef later over de “bekende onzekerheid en besluiteloosheid die toen heersten. Zelfs in ons Centraal Comité deden zich, naar algemeen bekend is, botsingen en conflicten voor betreffende de vraag hoe men zou beginnen en of men zou beginnen.”

Sadovski zelf was in die tijd een van de leiders van de Militaire Sectie van de Sovjet en de Militaire Organisatie van de bolsjewieken. Juist de leden van de Militaire Organisatie stonden echter, naar uit een aantal “memoires” blijkt, in oktober zeer gereserveerd tegenover de gedachte van een opstand: het speciale karakter van de organisatie maakte dat de leiders ertoe geneigd waren de politieke voorwaarden te onderschatten en de technische voorwaarden te overschatten. Op 16 oktober zei Krylenko: “Een groot deel van het bureau (van de Militaire Organisatie) meent dat men de kwestie praktisch niet op de spits moet drijven, maar de minderheid gelooft dat men het initiatief kan nemen.” Op 18 oktober zei een ander vooraanstaand lid van de Militaire Organisatie, Lasjevitsj: “Moet men nu de macht grijpen? Ik ben van mening dat men de gebeurtenissen niet moet forceren… Er bestaat niet voldoende zekerheid dat we erin zullen slagen om de macht te houden… Het door Lenin voorgestelde strategische plan faalt op alle punten.” Antonov-Ovssejenko bericht over de samenkomst van de voornaamste militaire medewerkers met Lenin: “Podvojski opperde twijfel, Nevski valt hem nu eens bij, dan weer slaat hij de zelfbewuste toon van Iljitsj aan; ik bracht rapport uit over de toestand in Finland… De zekerheid en zelfbewustheid van Iljitsj sterken mij en geven ook Nevski moed. Podvojski blijft echter aarzelen.” Men moet niet vergeten dat in al dergelijke herinneringen twijfel verdoezeld en zekerheid geaccentueerd wordt.

Tjsoednovski keerde zich beslist tegen de opstand. De scepticus Manoeilski herhaalde nog eens zijn waarschuwing dat het front niet op onze hand was. Tomski was tegen de opstand. Volodarski ondersteunde Zinovjev en Kamenev. Lang niet alle tegenstanders van de omwenteling traden openlijk op. Kalinin zei in de zitting van het Petrograds comité van 15 oktober: “De resolutie van het Centraal Comité is een van de beste resoluties die het Centraal Comité ooit heeft aangenomen… Wij zijn praktisch tot een gewapende opstand overgegaan. Het is echter niet zeker wanneer deze mogelijk zal zijn – misschien over een jaar.”

Dit soort van “instemming” met het Centraal Comité die buitengewoon kenmerkend is voor Kalinin, was echter niet alleen typerend voor hem. Velen sloot zich bij de resolutie aan om op deze manier beter tegen de opstand te kunnen strijden.

Het minst eensgezind waren de leiders te Moskou. Het districtsbureau ondersteunde Lenin. In het Moskouse Comité twijfelde men zeer en was de stemming overwegend voor een uitstel. Het gouvernementscomité nam een onzekere houding aan, terwijl men in het districtsbureau, volgens Jakovleva, geloofde dat het gouvernementscomité zich op het beslissende ogenblik bij de tegenstanders van de opstand zou aansluiten.

Lebedjev uit Saratov deelt mee hoe hij tijdens zijn bezoek te Moskou kort vóór de revolutie ging wandelen met Rykov, die op de stenen huizen, de rijke winkels en het roezig gedoe om hen heen wees en klaagde over de moeilijkheden van de taak die hen te wachten stond. “Daar in het hartje van het burgerlijke Moskou leken wij onszelf dwergen toe die een berg wilden verzetten.”

In elke partijafdeling, in elk gouvernementscomité waren lieden met dezelfde stemming als Zinovjev en Kamenev en in veel Comité’s vormden zij de meerderheid. Zelfs in het proletarische Ivanovo-Voznesensk waar de bolsjewieken volkomen heer en meester waren, namen de meningsverschillen onder de leiders een buitengewoon scherpe vorm aan. In het jaar 1925, toen de herinneringen reeds aan de behoeften van de nieuwe koers aangepast werden, schreef Kisseljev, een oude bolsjewistische arbeider: “De arbeiders in de partij stonden, enkelen uitgezonderd, aan de kant van Lenin, terwijl een klein groepje intellectuelen in de partij en enkele afzonderlijke arbeiders tegen Lenin optraden.” In openbare discussies voerden de tegenstanders van de opstand dezelfde argumenten aan als Zinovjev en Kamenev. “In particuliere discussies nam,” zo schrijft Kisseljev, “de polemiek scherpere en meer openlijke vormen aan en daar kwam men tot uitlatingen als: Lenin is krankzinnig, hij stort de arbeidersklasse in het verderf, deze gewapende opstand kan geen succes hebben, men zal ons verpletteren, de partij en de arbeidersklasse neerslaan, dit zal de revolutie voor vele jaren terugslaan enzovoorts.” Dit was vooral ook de opvatting van Froense, iemand met een grote persoonlijke moed, maar niet met een ruime blik.

De trage afwachtende houding en de directe tegenstand van de rechtervleugel werd zelfs door de overwinning van de opstand in Petrograd nog lang niet overal gebroken. De wankelmoedigheid van de leiders leidde later bijna tot het mislukken van de opstand in Moskou. In Kiev liet het door Pjatakov geleide comité, dat louter een verdedigingspolitiek voerde, tenslotte het initiatief en vervolgens ook de macht aan de Rada over. “De afdeling van onze partij te Voronezj aarzelde enorm,” zegt Vratsjev. “De omwenteling werd in Voronezj… niet door het partijcomité maar door de actieve minderheid hierin, met Moissejev aan het hoofd, voltrokken.” In een aantal gouvernementssteden sloten de bolsjewieken in oktober een bondgenootschap met de verzoeningsgezinden “tegen de contrarevolutie”, alsof niet de verzoeningsgezinden in die tijd een van de voornaamste steunpilaren van de contrarevolutie waren. Er was nagenoeg overal een druk van bovenaf en tegelijk van onderop nodig om een einde te maken aan de laatste besluiteloosheid van de plaatselijke comités en deze ertoe te brengen zich van de verzoeningsgezinden los te maken en de leiding van de beweging op zich te nemen. “Eind oktober en begin november was waarlijk de tijd van de “grootste verwarring” in onze partij. Velen lieten zich door de stemming van het ogenblik meeslepen,” schrijft Sjljapnikov, die zelf zeer onder twijfel gebukt ging.

Al die elementen die, zoals de Charkovse bolsjewieken, bij de aanvang van de revolutie in het mensjewistische kamp stonden en later zelf verwonderd waren “hoe dat het geval kon zijn,” wisten als regel in de Oktoberdagen hun houding niet te bepalen, ze twijfelden en wachtten af. Met des te meer zelfverzekerdheid deden zij in de tijd van geestelijke reactie hun rechten als “oude bolsjewieken” gelden. Hoezeer deze feiten in de laatste jaren ook verdoezeld mogen zijn, zo zijn toch, behalve in de geheime archieven die nu niet leer toegankelijk zijn voor de onderzoeker, in de kranten van die tijd, in memoires en historische tijdschriften talrijke bewijzen te vinden voor het feit dat het apparaat zelfs van de meest revolutionaire partij nog aan de vooravond van de revolutie krachtige tegenstand bood. De bureaucratie is onvermijdelijk conservatief. Een apparaat kan slechts revolutionaire functies vervullen zolang het als wapen aan een partij, d.w.z. aan een idee, dienstbaar is en door de massa gecontroleerd wordt.

De resolutie van 10 oktober werd van een enorme betekenis. Zij verschafte terstond aan de werkelijke voorstanders van de opstand een vaste basis in de partij. In alle afdelingen van de partij, in alle cellen kwamen nu de meest standvastige elementen op de voorgrond. De partijafdelingen, met Petrograd voorop, spanden zich in, monsterden hun krachten en middelen, maakten de verbindingen hechter en gaven aan de campagne voor de revolutie een meer geconcentreerd karakter.

De resolutie maakte echter geen einde aan de meningsverschillen in het Centraal Comité. Zij gaf deze integendeel vaste vorm en bracht ze aan het daglicht. Zinovjev en Kamenev, die zich nog kort geleden met sympathie onder een deel van de leiders omringd gevoeld hadden, kwamen tot hun schrik tot de ontdekking hoe snel de verschuiving naar links plaats had. Zij besloten geen tijd verloren te laten gaan en verspreidden de volgende dag een uitgebreid manifest aan de partijleden. “Wij hebben tegenover de geschiedenis, tegenover de internationale arbeidersklasse, tegenover de Russische Revolutie en de Russische arbeidersklasse,” zo schreven zij, “niet het recht de gehele toekomst op de ene kaart van de gewapende opstand te zetten.”

Zij dachten als sterke oppositiepartij in de Constituerende Vergadering te kunnen gaan, die “bij haar revolutionaire arbeid slechts op de Sovjets zal kunnen steunen.” Vandaar de formule: “Constituerende Vergadering en Sovjets – d.i. het gecombineerde type staatsinstelling dat wij tegemoet gaan.” De Constituerende Vergadering, waar de bolsjewieken naar men meende in de minderheid, en de sovjets, waar de bolsjewieken in de meerderheid zouden zijn, d.w.z. het orgaan van de bourgeoisie en het orgaan van de arbeidersklasse, zouden tot een vredig stelsel van dubbele heerschappij gecombineerd worden. Dit had men zelfs onder de heerschappij van de verzoeningsgezinden niet weten tot stand te brengen. Hoe kon het onder bolsjewistische sovjets lukken?

“Historisch volkomen onjuist is,” zo eindigden Zinovjev en Kamenev, “een probleemstelling betreffende de overgang van de macht op de arbeiderspartij: nu of nooit. Neen, de arbeiderspartij zal groeien en haar programma zal door steeds bredere massa’s begrepen worden.” De verwachting van een verdere onophoudelijke groei van het bolsjewisme, onafhankelijk van het werkelijk verloop van de klassenbotsingen, was volkomen in strijd met de leidende gedachte van Lenin in die tijd: “Het succes van de Russische en van de internationale revolutie hangt af van twee à drie dagen van strijd.”

Men behoeft hier nauwelijks aan toe te voegen dat het gelijk in deze dramatische dialoog geheel aan de kant van Lenin was. Men kan een revolutionaire situatie niet willekeurig laten voortduren. Indien de bolsjewieken in oktober-november de macht niet genomen hadden, zouden zij deze naar alle waarschijnlijkheid in het geheel niet genomen hebben. In plaats van een vaste leiding zouden de massa’s dan bij de bolsjewieken dezelfde, bij hen reeds zo gehate kloof tussen woord en daad aangetroffen hebben en zich in de loop van twee-drie maanden van de partij die haar verwachtingen teleurstelde afgewend hebben, zoals zij zich vroeger van de sociaal-revolutionairen en mensjewieken afwendden. Een deel van de arbeiders zou onverschillig geworden zijn en een ander deel zou zijn krachten in stuiptrekkende bewegingen, anarchistische uitbarstingen, benepen partijstrijden, in een terreur van haat en vertwijfeling verspild hebben. De op deze wijze ontstane pauze zou door de bourgeoisie benut zijn om een afzonderlijke vrede met Wilhelm II te sluiten en de revolutionaire organisaties te verpletteren. Rusland zou zich wederom bij de kring van kapitalistische staten aangesloten hebben als een half imperialistisch, half koloniaal land. De arbeidersrevolutie zou voor onbepaalde tijd uitgesteld zijn. Het helder inzicht in dit vooruitzicht bracht Lenin tot zijn alarmkreet: “Het succes van de Russische en de internationale revolutie hangt af van twee à drie dagen van strijd.”

Nu echter, na 10 oktober, had de toestand in de partij zich radicaal gewijzigd. Lenin was nu niet meer een alleenstaand oppositioneel wiens voorstellen door het Centraal Comité afgewezen werden. De rechtervleugel bleek nu geïsoleerd te staan. Lenin behoefde niet meer met een dreiging van ontslag zijn vrijheid van propaganda te kopen. Hij had de wettigheid op zijn hand. Integendeel, terwijl Zinovjev en Kamenev hun tegen het besluit van de meerderheid in het Centraal Comité gerichte document verspreidden, waren zij het die tegen de tucht handelden. En Lenin liet in de strijd zelfs kleinere fouten van zijn tegenstander niet ongestraft!

In de zitting van 10 oktober werd op voorstel van Dsersjinski een politiek bureau gekozen dat uit zeven personen bestond: Lenin, Trotski, Zinovjev, Kamenev, Stalin, Sokolnikov, Boebnov. Deze nieuwe instelling bleek echter niet levensvatbaar te zijn: Lenin en Zinovjev leefden nog altijd illegaal; én Zinovjev, én Kamenev zetten bovendien hun strijd tegen de opstand voort. Het politiek bureau kwam in de samenstelling van oktober geen enkele maal bijeen en het was spoedig, als zovele andere in de roes van de gebeurtenissen ad hoc ontstane organisaties, volkomen vergeten.

Er werd geen enkel concreet, zelfs geen globaal plan voor de opstand in de zitting van 10 oktober opgesteld. Zonder dat dit in de resolutie werd opgenomen, werd echter afgesproken dat de opstand aan het Sovjetcongres zou voorafgaan en zo mogelijk niet later dan op 15 oktober zou moeten beginnen. Niet iedereen was het met dit tijdstip eens: het was stellig een te korte termijn voor de aanloop die men in Petrograd genomen had. Een aandringen op uitstel zou echter een ondersteuning van de rechtsen en een dooreen gooien van de kaarten betekend hebben. Bovendien is het nooit te laat om alsnog tot uitstel over te gaan!

Het feit dat het tijdstip oorspronkelijk op 15 oktober werd vastgesteld, is voor het eerst gepubliceerd in Trotski’s “Herinneringen aan Lenin” in het jaar 1924, zeven jaren na de gebeurtenissen zelf. De mededeling werd spoedig daarop door Stalin bestreden, waarbij de kwestie tot zeer heftige discussies in de Russische historische literatuur leidde. De opstand had, naar men weet, in werkelijkheid pas op 25 oktober plaats en men had zich dus niet aan het oorspronkelijk vastgestelde tijdstip vastgehouden. De latere geschiedschrijvers zijn van mening dat er in de politiek van het Centraal Comité niet alleen geen fouten, maar ook geen tijdsverzuim konden voorkomen. “Het blijkt,” zo schrijft Stalin hierover, “dat het Centraal Comité 15 oktober als tijdstip voor de opstand vastgesteld en daarna zelf tegen dit besluit in gehandeld(!) had door de opstand tot 25 oktober uit te stellen. Is dit waar? Neen, het is niet waar.” Stalin komt tot de conclusie: “Het geheugen heeft Trotski in de steek gelaten.” Ten bewijze hiervan beroept hij zich op de resolutie van 10 oktober waarin geen tijdstip genoemd is.

De twistvraag over het tijdstip van de opstand is zeer belangrijk om de loop van de gebeurtenissen te kunnen begrijpen en dient in elk geval opgehelderd te worden. Het is volkomen juist dat er in de resolutie van 10 oktober geen datum staat. Deze algemene resolutie had echter betrekking op de opstand in het gehele land en was bestemd voor honderden en duizenden leidende figuren in de partij. Het zou het toppunt van dwaasheid geweest zijn om daarin de datum van de reeds op de eerstkomende dagen bepaalde opstand in Petrograd op te nemen: laten wij er nog eens aan denken dat Lenin toen voorzichtigheidshalve zelfs zijn brieven niet dateerde. Het ging immers in dit geval om een zo belangrijk en tevens eenvoudig besluit dat alle deelnemers gemakkelijk konden onthouden en dat nog slechts gedurende weinige dagen op zich zou laten wachten. Stalins beroep op de tekst van de resolutie berust derhalve volkomen op een misverstand.

Wij willen echter wel toegeven dat het beroep van een van de deelnemers op zijn eigen geheugen niet voldoende is voor een historisch onderzoek, vooral wanneer de mededeling door een andere deelnemer bestreden wordt. Gelukkig is het mogelijk om de kwestie op grond van een onderzoek van de omstandigheden en documenten met zekerheid te beantwoorden.

Het Sovjetcongres zou op 20 oktober geopend worden. Er lagen nog tien dagen tussen de dag van de zitting van het Centraal Comité en de datum van het congres. Het congres zou geen propaganda maken voor de Sovjetmacht maar deze overnemen. Enkele honderden afgevaardigden zijn echter op zich zelf niet in staat de macht te veroveren; men moest de macht voor het congres veroveren en dus ook voordat het congres bijeenkwam. “Versla eerst Kerenski en roep daarna het congres bijeen”: deze gedachte vormde het centrale punt van de gehele propaganda van Lenin sinds de tweede helft van september. Iedereen die in het algemeen voor een machtsgreep was, stemde in principe hiermee in. Het Centraal Comité moest zich derhalve tot taak stellen om te trachten de opstand tussen de 10 en 20 oktober door te voeren. Daar men echter niet met zekerheid kon zeggen hoeveel dagen de strijd zou duren, werd de opstand op 15 oktober bepaald. “Over de datum werd,” zo schrijft Trotski in zijn “Herinneringen aan Lenin”, “voor zover ik mij herinner, nagenoeg niet gediscussieerd. Iedereen begreep dat de datum slechts een voorlopig, om zo te zeggen oriënterend karakter kon hebben en dat men deze al naargelang van de gang van zaken zou moeten vervroegen of uitstellen. Het kon echter slechts om enkele dagen, niet om langere tijd gaan. De noodzakelijkheid van een bepaalde datum zelf en wel van een zeer spoedige, stond voor iedereen vast.”

Eigenlijk is reeds de politieke logica op zichzelf voldoende om de kwestie op te lossen. Het ontbreekt echter niet aan nader bewijs. Lenin stelde met nadruk en telkens weer voor om het Sovjetcongres van het Noordelijk district voor een overgaan tot een militair optreden te benutten. Deze opvatting werd in de resolutie van het Centraal Comité overgenomen. Het districtscongres dat op 10 oktober begon, zou echter juist vóór 15 oktober gesloten worden.

Bij de besprekingen die op 16 oktober gehouden werden, verlangde Zinovjev, die erop aandrong dat de zes dagen geleden aangenomen resolutie weer ingetrokken zou worden: “Wij moeten openlijk verklaren dat wij in de komende vijf dagen geen opstand maken.” Er was hier sprake van de vijf dagen die nog tot het Sovjetcongres restten. Kamenev, die bij dezelfde besprekingen verklaarde dat “het vaststellen van de opstand een avonturierspolitiek was,” herinnerde eraan dat “er vroeger gezegd werd dat men vóór 20 oktober moest beginnen.” Niemand ontkende dit of kon het ontkennen. Juist het tijdsverzuim van de opstand werd door Kamenev als een mislukking van de resolutie van Lenin opgevat. Er was, volgens zijn eigen woorden, “in deze week niets voor de opstand gedaan.” Dit was kennelijk overdreven: het vaststellen van een tijdstip bracht iedereen ertoe om met meer energie aan het werk te gaan en het tempo van het werk te versnellen. Het is echter ongetwijfeld waar dat de termijn van vijf dagen die in de zitting van 10 oktober bepaald was te kort bleek te zijn. De vertraging was een feit. Pas op 17 oktober verdaagde het Centraal Uitvoerend Comité de opening van het Sovjetcongres tot 25 oktober. Deze verdaging kwam goed van pas.

Verontrust door het uitstel, drong Lenin, die in zijn isolement alle hinderpalen en conflicten noodzakelijk groter moesten toelijken dan zij in werkelijkheid waren, erop aan om een nieuwe vergadering van het Centraal Comité bijeen te roepen waaraan vertegenwoordigers van de belangrijkste delen van het partijwerk in de hoofdstad zouden deelnemen. Het was bij deze besprekingen, die op 16 oktober in Lessnoj, een voorstad van Petrograd, gehouden werden, dat Zinovjev en Kamenev de bovenvermelde argumenten voor een herroeping van de vroegere termijn en tegen de vaststelling van een nieuwe aanvoerden.

De discussies werden met vernieuwde krachten hervat. Miljoetin meende: “Wij zijn niet gereed om slag te leveren… Er ontstaat een ander vooruitzicht, namelijk een gewapend conflict… Dit groeit en wordt steeds waarschijnlijker. Wij moeten zorgen gereed te zijn voor dit conflict. Dit is echter iets anders dan een opstand.” Miljoetin nam een defensieve houding aan, die nog krachtiger door Zinovjev en Kamenev verdedigd werd. Schottman, een oude arbeider uit Petrograd, die van het begin af aan lid geweest was van de partij, beweerde dat de stemming op het stedelijk congres, in het partijcomité en in de Militaire Organisatie veel minder strijdlustig was dan in het Centraal Comité. “Wij kunnen er nog niet op los slaan, maar moeten ons daartoe voorbereiden.” Lenin bestreed Miljoetin en Schottman betreffende hun pessimistische beoordeling van de beschikbare krachten: “Het gaat niet om een strijd tegen het leger, maar om een strijd van het ene deel van het leger tegen het andere… Uit de feiten blijkt dat wij de overhand hebben boven de vijanden. Waarom kan het Centraal Comité niet beginnen?”

Trotski was in deze vergadering niet aanwezig: hij verdedigde in die uren in de Sovjet de verordening betreffende het Militair Revolutiecomité. Het standpunt dat zich in de laatste dagen definitief in het Smolny gevormd had, werd echter verdedigd door Krylenko, die even voordien schouder aan schouder met Trotski en Antonov-Ovssejenko het Sovjetcongres van het Noordelijk district geleid had. Krylenko twijfelt er niet aan of “het ijzer heet genoeg is.” “Het zou een reusachtige fout zijn” om de resolutie betreffende de opstand te herroepen. Hij verschilt echter van mening met Lenin “inzake de vraag wie zal beginnen en hoe dit moet gebeuren.” Het zou momenteel nog onverstandig zijn een bepaalde dag voor de opstand vast te stellen. “De kwestie van het wegvoeren van de troepen is echter beslissend voor het tijdstip waarop de strijd zal beginnen… Het feit dat wij aangevallen zijn, staat daarmee vast en dit kan men benutten… Het is daarom onnodig zich erover bezorgd te maken wie moet beginnen, want het begin is er reeds.” Krylenko ontvouwde en verdedigde de politiek van het Militair Revolutiecomité en de Garnizoensvergadering. De opstand ontwikkelde zich daarna geheel op deze wijze.

Lenin reageerde niet op de woorden van Krylenko: hij stond buiten het leven zoals dit zich in de laatste zes dagen in Petrograd had afgespeeld. Lenin was bang voor uitstel. Hij schonk al zijn aandacht aan de directe tegenstanders van de opstand. Hij was geneigd elk voorbehoud, elke voorwaarde en elk niet volkomen duidelijk antwoord op te vatten als een indirecte ondersteuning van Zinovjev en Kamenev, die met een hardnekkigheid als van mensen die de bruggen achter zich verbrand hebben tegen hem optraden. “De resultaten van één week,” zo argumenteerde Kamenev, “zijn een bewijs ervan dat er momenteel geen enkel aanknopingspunt voor de opstand is. Wij hebben geen apparaat voor de opstand; bij onze vijanden is dit apparaat veel machtiger en in deze week stellig nog gegroeid… Hier staat tweeërlei tactiek tegenover elkaar: de tactiek van een samenzwering en de tactiek van een geloof aan de wezenlijke drijfkrachten van de Russische revolutie.” De opportunisten geloven altijd in drijfkrachten als het op vechten aankomt.

Lenin antwoordde: “Indien men van mening is dat de tijd voor een opstand rijp is, kan er geen sprake zijn van een samenzwering. Is de opstand politiek onvermijdelijk, dan moet men tegenover de opstand als tegenover een kunst staan.” Juist over dit punt liep in de partij de fundamentele, werkelijk principiële strijd waarvan de afloop bepalend zou zijn voor het lot van de revolutie. Er rezen echter binnen het kader van de probleemstelling van Lenin, waarmee de meerderheid in het Centraal Comité zich verenigde, kwesties die weliswaar van ondergeschikte betekenis maar toch buitengewoon belangrijk waren: hoe moest men op de grondslag van de rijpe politieke situatie de opstand beginnen? Welke bruggen van de politiek tot de techniek van de revolutie moest men kiezen? En hoe zou men de massa’s over deze bruggen leiden?

Joffe, die tot de linkervleugel behoorde, ondersteunde de resolutie van 10 oktober. Hij bestreed echter Lenin op één punt: “Het is niet juist dat het nu om een louter technische kwestie gaat: men dient ook nu het ogenblik van de opstand vanuit een politiek standpunt te bezien.” Juist de afgelopen week zou getoond hebben dat de opstand voor de partij, de Sovjet en de massa’s nog geen louter technische kwestie geworden was. Juist daarom had men ook niet kunnen vasthouden aan het oorspronkelijk op 10 oktober bepaalde tijdstip.

De nieuwe resolutie van Lenin waarin “alle organisaties en alle arbeiders en soldaten opgeroepen” werden zo intensief mogelijk de gewapende opstand voor te bereiden, werd met 20 tegen 2 stemmen, die van Zinovjev en Kamenev, met 3 onthoudingen aangenomen. De officiële historici beroepen zich op deze getallen om aan te tonen hoe volkomen onbelangrijk de oppositie was. Zij stellen de zaak echter te eenvoudig voor. De ruk naar links was onder de leden van de partij reeds zo sterk dat de tegenstanders van de opstand, die niet meer openlijk durfden optreden, geneigd waren de principiële scheidingslijn tussen de twee partijen te verdoezelen. Daar de omwenteling ondanks het vooraf bepaalde tijdstip vóór 16 oktober niet had plaatsgehad, was het misschien mogelijk om de zaak ook verder tot een platonisch aansturen op een opstand beperkt te doen blijven. Dat Kalinin niet zo geheel alleen stond, bleek zeer duidelijk in dezelfde zitting. De resolutie van Zinovjev, volgens welke er “geen gewapende demonstraties tot aan de bijeenkomst met het bolsjewistisch deel van het Sovjetcongres gehouden mogen worden,” werd met 15 tegen 6 stemmen en 3 onthoudingen verworpen. Hier kwamen de verschillende opvattingen duidelijk aan het licht: een deel van de aanhangers van de resolutie van het Centraal Comité wilde in werkelijkheid het besluit tot aan het Sovjetcongres en tot aan de nieuwe besprekingen met de bolsjewieken uit de provincie, die in meerderheid gematigder waren, uitstellen. Zij vormden samen met hen die zich van stem onthielden, 9 van de 24 leden, d.w.z. meer dan één derde. Dit is natuurlijk nog altijd een minderheid, maar voor een staf is het toch een belangrijke minderheid. De hopeloze zwakte van deze staf was een gevolg van het feit dat hij niet in de lagere groepen in de partij en in de arbeidersklasse wortelde.

De volgende dag legde Kamenev in overleg met Zinovjev in het blad van Gorki een verklaring af die tegen het de avond voordien aangenomen besluit gericht was. “Niet alleen ik en Zinovjev maar ook een aantal kameraden uit de praktijk zijn,” zo schreef Kamenev, “van mening dat het nemen van het initiatief tot een gewapende opstand op dit ogenblik, bij de bestaande verhoudingen tussen de maatschappelijke krachten, onafhankelijk van het Sovjetcongres en enkele dagen voordat dit geopend wordt, een ongeoorloofde en voor de arbeidersklasse en de revolutie rampzalige stap zou zijn… Alles op de kaart van de gewapende opstand in de komende dagen zetten, zou een wanhoopsdaad zijn. Onze partij is echter te sterk en zij heeft een te grote toekomst voor zich om dergelijke stappen te doen.” De opportunisten voelen zich altijd “te sterk” om zich met een strijd in te laten.

De brief van Kamenev was een regelrechte oorlogsverklaring aan het Centraal Comité en dat nog wel in een kwestie waarin naar ieders mening niet te spotten viel. De toestand spitste zich snel toe. Hij werd nog ingewikkelder door enkele andere persoonlijke kwesties die dezelfde politieke oorsprong hadden. In de zitting van de Petrogradse sovjet op 18 oktober verklaarde Trotski op een vraag die de tegenstanders hem stelden, dat de sovjet geen opstand voor de komende dagen vastgesteld had maar dat de arbeiders en soldaten indien ze daartoe gedwongen werden als één man zouden opstaan. Kamenev, die in het presidium naast Trotski zat, stond onmiddellijk op om in het kort te verklaren dat hij elk woord van Trotski onderschreef. Dit was een listige zet: terwijl Trotski met de uiterlijk defensieve formule juridisch de aanvalspolitiek maskeerde, poogde Kamenev de formule van Trotski, waarmee hij het volkomen oneens was, te gebruiken als maskering van een lijnrecht tegenovergestelde politiek.

Om het effect van de manoeuvres van Kamenev te verzwakken, zei Trotski diezelfde dag nog in een referaat op het Al-Russisch congres van de fabriekscomités: “De burgeroorlog is onvermijdelijk. Men dient deze slechts zo onbloedig en zo weinig smartelijk mogelijk te organiseren. Dit is niet te bereiken met aarzelingen en besluiteloosheid, maar slechts met een hardnekkige en moedige strijd om de macht.” De vermelding van aarzelingen was kennelijk tegen Zinovjev, Kamenev en hun geestverwanten gericht. De kwestie van het optreden van Kamenev werd bovendien in de volgende vergadering van het Centraal Comité door Trotski aan de orde gesteld. Intussen diende Kamenev, om zich de handen voor zijn propaganda tegen de opstand vrij te maken, zijn ontslag als lid van het Centraal Comité in. De kwestie werd in zijn afwezigheid behandeld. Trotski legde er de nadruk op dat “de toestand die ontstaan was volkomen ondragelijk was,” en stelde voor het ontslag van Kamenev aan te nemen.(1)

Sverdlov, die het voorstel van Trotski (om het ontslag van Kamenev aan te nemen) ondersteunde, las een brief van Lenin voor waarin Zinovjev en Kamenev wegens hun optreden in het blad van Gorki als stakingbrekers gebrandmerkt werden en waarin geëist werd dat zij uit de partij geroyeerd zouden worden. “De sluwheid van Kamenev in de zitting van de Petrogradse sovjet,” schreef Lenin, “is afschuwelijk. Hij is het – stel u voor! – volkomen met Trotski eens. Valt het echter moeilijk in te zien dat Trotski tegenover de vijand niet meer kon zeggen dan hij gezegd heeft, niet het recht had om dit te doen, dit niet mocht. Is het dan moeilijk in te zien dat… het besluit betreffende de noodzakelijkheid van de gewapende opstand, de volkomen rijpheid daarvan, de algehele voorbereiding enz… ertoe dwingt om in openlijke verklaringen niet alleen de schuld maar ook het initiatief op de vijand te schuiven… De sluwheid van Kamenev is eenvoudig een schurkerij.”

Lenin kon, toen hij zijn verontwaardigd protest bij monde van Sverdlov uitte, nog niet weten dat Zinovjev in een brief aan de redactie van het centrale orgaan verklaard had dat zijn (Zinovjevs) opvattingen “veraf stonden van die welke Lenin bestreed,” en dat hij, Zinovjev, “zich aansloot bij de verklaring die Trotski gisteren in de sovjet van Petrograd afgelegd had.” Ook de derde tegenstander van de opstand, Loenatsjarski, uitte zich in de pers in gelijke zin. De brief van Zinovjev, die juist op de dag van de zitting van het Centraal Comité, op 20 oktober, in het centrale orgaan afgedrukt was, werd, als het ware om de reeds bestaande verwarring nog groter te maken, voorzien van een instemmend onderschrift van de redactie: “Wij spreken van onze kant de hoop uit dat men met de door Zinovjev afgelegde verklaring (alsook met de verklaring die Kamenev in de sovjet aflegde) de kwestie als afgedaan mag beschouwen. De scherpe toon in het artikel van Lenin doet niets af aan het feit dat wij in wezen geestverwanten zijn en blijven.” Dit was een nieuwe aanval in de rug en wel van een zijde waarvan niemand deze verwacht had. Terwijl Zinovjev en Kamenev in de vijandelijke pers openlijk propaganda voeren tegen het besluit van het Centraal Comité betreffende de opstand, laakt het centrale orgaan de “scherpe toon” van Lenin en constateert dat deze het eigenlijk met Zinovjev en Kamenev eens is. Alsof er op dat moment een belangrijker kwestie dan de opstand geweest was! Trotski verklaarde volgens korte aantekeningen in de notulen in de zitting van het Centraal Comité: “én de brieven van Zinovjev en Loenatsjarski in het centrale orgaan én het onderschrift van de redactie kunnen wij niet dulden.” Het protest werd ondersteund door Sverdlov.

Stalin en Sokolnikov waren toen lid van de redactie. In de notulen leest men: “Sokolnikov deelt mee dat hij geen deel had aan de redactionele verklaring bij de brief van Zinovjev en acht deze verklaring een fout.” Het bleek dat Stalin alleen – tegen het andere lid van de redactie en de meerderheid van het Centraal Comité in Kamenev en Zinovjev op het meest kritieke ogenblik, vier dagen vóór de opstand, met een verklaring van instemming ondersteund had. De verontwaardiging was algemeen.

Stalin sprak tegen het ontslag van Kamenev en poogde aan te tonen dat “onze gehele positie vol tegenstrijdigheden was,” d.w.z. hij nam het op zich om de verwarring, die verspreid was door de leden van het Centraal Comité die zich tegen de opstand keerden, te verdedigen. Het verzoek van Kamenev tot ontslag werd met vijf tegen drie stemmen aangenomen. Er werd met zes stemmen, wederom tegen Stalin, een besluit genomen waarbij aan Kamenev en Zinovjev verboden werd om strijd te voeren tegen de politiek van het Centraal Comité. In de notulen staat: “Stalin verklaart te bedanken als lid van de redactie.” Het Centraal Comité neemt, om de toch al niet gemakkelijke toestand niet nog te verslechteren, het ontslag van Stalin niet aan.

Stalins optreden kan in het licht van de legende die rond hem ontstaan is onverklaarbaar lijken. In werkelijkheid is het volkomen overeenkomstig zijn geestesgesteldheid en politieke methoden. Stalin deinst altijd voor grote problemen terug – niet tengevolge van gemis aan karakter zoals Kamenev, maar tengevolge van zijn beperkte blik en tekort aan scheppende fantasie. Een angstige voorzichtigheid brengt hen als het ware vanzelf ertoe om op ogenblikken waarop gewichtige besluiten genomen moeten worden en grote meningsverschillen bestaan, op de achtergrond te treden, een afwachtende houding aan te nemen en zich zo mogelijk op twee ankers vast te leggen. Stalin stemde met Lenin voor de opstand. Zinovjev en Kamenev bestreden openlijk de opstand. “Wij blijven echter – afgezien van de ‘scherpe toon’ van de kritiek van Lenin – geestverwanten.” Stalin had zijn opmerking geenszins lichtvaardig gemaakt: hij had integendeel de omstandigheden en zijn woorden nauwkeurig gewikt en gewogen. Op 20 oktober achtte hij het echter niet mogelijk om de bruggen naar het kamp van de tegenstanders van een opstand volkomen achter zich af te breken.

De mededelingen in de notulen, die we noodgedwongen niet uit de originele maar uit de officiële door Stalins diensten aangepaste versie moeten halen, laten niet alleen zien hoe het bolsjewistische Centraal Comité in werkelijkheid verdeeld was, maar ze tonen ondanks hun beknoptheid en droogheid ook het panorama van de partijleiding zoals deze was met al haar innerlijke tegenstellingen en noodzakelijke persoonlijke aarzelingen. Niet alleen de geschiedenis in haar geheel, maar ook de meest stoutmoedige revoluties in deze worden voltrokken door mensen wie niets menselijks vreemd is. Kan dit afbreuk doen aan de betekenis van hetgeen volbracht is?

Indien men de schitterendste overwinningen van Napoleon op het witte doek zou vertonen, zouden de filmstroken ons behalve genialiteit, enthousiasme, scherpzinnigheid en heldhaftigheid – ook besluiteloosheid van sommige maarschalken, verwarring onder de generaals die niet in staat zijn de kaart te lezen, stompzinnigheid van de officieren en paniek van gehele legercorpsen met bijbehorende uit angst voortkomende buikpijnen laten zien. Dit realistische document zou niet alleen bewijzen dat het leger van Napoleon niet uit legendarische automaten bestond, maar uit Fransen van vlees en bloed, die opgroeiden op een keerpunt tussen twee eeuwen. En het beeld van menselijke zwakheden zou het grootse karakter van het geheel er slechts des te meer doen uitkomen.

Het is gemakkelijker achteraf over een omwenteling te theoretiseren, dan deze tot vlees en bloed van zich te maken voordat zij zich voltrokken heeft. De nadering van een opstand heeft altijd onvermijdelijk crisissen in de partijen van de opstand teweeggebracht en zal deze ook altijd teweegbrengen. Dit leert de ervaring van de meest gestaalde en meest revolutionaire partij die de geschiedenis ooit gekend heeft. Dit blijkt afdoende uit het feit dat Lenin enkele dagen vóór de slag zich genoodzaakt zag om het royement van twee van zijn meest intieme en vooraanstaande leerlingen te eisen. Latere pogingen om het conflict te verkleinen door het te verklaren uit “toevallige” persoonlijke karakterverschillen, zijn ingegeven door een zuiver kerkelijke idealisering van het verleden van de partij. Zoals Lenin volkomener en beslister dan de overigen in de herfstmaanden van 1917 de objectieve noodzakelijkheid van een opstand en de wil van de massa’s tot een revolutie uitdrukte, belichaamden Zinovjev en Kamenev openlijker dan de anderen de remmende tendensen in de partij, de stemmingen van besluiteloosheid, de invloeden van kleinburgerlijke banden en de druk van de heersende klassen.

Indien er van alle vergaderingen, debatten en particuliere discussies in de leiding van de bolsjewistische partij gedurende de ene maand oktober een stenografisch verslag gemaakt was, dan zou het nageslacht er zich van kunnen overtuigen in welk een spannende interne strijd onder de partijleiders de voor de omwenteling noodzakelijke vastberadenheid ontstond. Uit het stenogram zou tevens blijken hoezeer het nodig is dat een revolutionaire partij democratisch georganiseerd is: de strijdlust is niet uit voorraad leverbaar en wordt ook niet van bovenaf gedicteerd – hij moet telkens weer zelfstandig vernieuwd en versterkt worden.

Stalin vroeg in het jaar 1924, terwijl hij zich beriep op de bewering van de schrijver van dit boek, dat “de partij het voornaamste instrument van de arbeidersrevolutie is”: “Hoe kon onze revolutie zegevieren indien haar voornaamste instrument ondeugdelijk bleek?” Ondanks de ironie blijkt de naïeve onoprechtheid van deze vraag. Tussen de heiligen zoals de kerk die beschrijft, en de duivels zoals deze door de kandidaten voor de rol van heilige beschreven worden, staan de levende mensen: en deze zijn het die de geschiedenis maken. De voortreffelijke scholing van de bolsjewistische partij was niet gebleken uit een ontbreken van meningsverschillen, aarzelingen en zelfs schokken, maar daaruit dat zij in de moeilijkste omstandigheden tijdig de innerlijke crisissen wist te overwinnen en zich de mogelijkheid te verschaffen om beslissend in de gebeurtenissen in te grijpen. En dit betekent juist dat de partij in haar geheel een deugdelijk instrument voor de revolutie was.

Een reformistische partij beschouwt in de praktijk de grondslagen van datgene wat zij wil hervormen als onaantastbaar. Hiermee alleen reeds onderwerpt zij zich onvermijdelijk aan de opvattingen en de moraal van de heersende klasse. De sociaaldemocratie werd, nadat zij opgeklommen was op de schouders van de arbeidersklasse, niets anders dan een tweederangs burgerlijke partij. Het bolsjewisme heeft het type van de werkelijke revolutionair geschapen, die zijn eigen persoonlijke bestaansvoorwaarden, zijn opvattingen en zijn zedelijke maatstaven onderwerpt aan de historische doeleinden die onverenigbaar zijn met de bestaande maatschappij. De nodige afstand tot de burgerlijke ideologie bleef in de partij bewaard door een immer waakzame onverzoenlijkheid, waarbij Lenin voorop ging. Hij werd niet moe het mes te hanteren om de banden door te snijden die de kleinburgerlijke omgeving tussen de partij en de officiële openbare mening schiep. Tegelijkertijd leerde Lenin de partij zich een eigen openbare mening te vormen, die gebaseerd is op de gedachten en de gevoelens van de opstrevende klasse. Zo schiep de bolsjewistische partij zich door selectie en opvoeding in een voortdurende strijd niet alleen haar eigen politiek, maar ook haar moreel milieu dat onafhankelijk was van de burgerlijke openbare mening en onverzoenlijk tegenover deze stond. Hierdoor alleen werd het de bolsjewieken mogelijk om de aarzelingen in hun eigen gelederen te overwinnen en metterdaad die stoutmoedige vastberadenheid aan de dag te leggen zonder dewelke de Oktoberoverwinning niet mogelijk geweest zou zijn.

 

 

(1) In de notulen van het Centraal Comité uit 1917, die in het jaar 1929 gepubliceerd zijn, wordt gezegd dat Trotski zijn verklaring in de sovjet motiveerde met het feit dat deze door Kamenev afgedwongen was. Men heeft hier klaarblijkelijk met een onjuiste optekening of een verkeerde latere redactie te doen. De verklaring van Trotski had geen nadere motivering nodig. Zij vloeide uit de omstandigheden voort. Door een merkwaardige samenloop van omstandigheden was het Moskous districtscomité, dat geheel op de hand van Lenin was, diezelfde dag, op 18 oktober, genoodzaakt om in het Moskous partijblad een verklaring te publiceren waarin de formule van Trotski woordelijk vervat was: “…Wij zijn geen partij van samenzweerders en stellen onze acties niet in het verborgene vast. Indien wij ertoe zullen besluiten om op te treden, zullen wij dat in onze pers zeggen…” Men kon ook niet anders op de directe vragen van de vijanden antwoorden. Indien de verklaring van Trotski echter niet door Kamenev afgedwongen was en niet afgedwongen kon zijn, was zij door diens onoprechte solidariteitsverklaring bewust gecompromitteerd, en wel onder omstandigheden die het Trotski onmogelijk maakten om de puntjes op de i te zetten.

Het Militair Revolutiecomité

Ondanks de verandering die eind juli ingetreden was, hadden de sociaal-revolutionairen en mensjewieken in augustus nog altijd de overhand in het vernieuwde Petrogradse garnizoen. Enkele troepenafdelingen bleven vervuld van een sterk wantrouwen tegen de bolsjewieken. De arbeidersklasse had geen wapens: slechts enkele duizendtallen geweren waren in handen van de Rode Garde gebleven. Een opstand zou onder deze omstandigheden met een ernstige nederlaag hebben kunnen eindigen, ofschoon de massa’s weer in stromen tot de bolsjewieken kwamen.

De toestand wijzigde zich onophoudelijk in de loop van september. Na het oproer van de generaals verloren de verzoeningsgezinden spoedig vaste voet in het garnizoen. Wantrouwen tegen de bolsjewieken maakte plaats voor sympathie, in het ongunstigste geval – voor een welwillend afwachtende, neutrale houding. De sympathie was echter niet daadwerkelijk. Het garnizoen bleef politiek zeer onbetrouwbaar en op moezjiekmanier argwanend: bedrogen misschien toch ook de bolsjewieken? Zullen zij werkelijk vrede en brood brengen? De meerderheid van de soldaten was nog niet van plan om voor deze doeleinden onder bolsjewistische vlag te strijden. Daar er bovendien een bijna niet uit te roeien erg anti-bolsjewistische minderheid in het garnizoen was blijven bestaan (5 à 6.000 jonkers, 3 Kozakkenregimenten, 1 bataljon wielrijders en 1 pantserdivisie), was zelfs in september de afloop van een botsing bijzonder onzeker. De verdere loop van zaken gaf, als het ware om een handje te helpen, nog een aanschouwelijke les waaruit bleek dat het lot van de Petrogradse soldaten onafscheidelijk verbonden was met het dat van de revolutie en de bolsjewieken.

Het recht om over gewapende troepen te beschikken, is een fundamenteel recht van iedere staatsmacht. De eerste Voorlopige Regering, die het volk door het Uitvoerend Comité opgedrongen was, had zich ertoe verplicht om de troepen die aan de Februarirevolutie hadden deelgenomen niet te ontwapenen en niet uit Petrograd te verwijderen. Dit was formeel het begin van het militaire dualisme dat eigenlijk inherent was aan de dubbele heerschappij. De grote politieke schokken in de volgende maanden – Aprildemonstratie, Julidagen, voorbereiding van de opstand van Kornilov en onderdrukking van deze – leidden onvermijdelijk elke keer weer tot de kwestie van de onafhankelijkheid van het Petrogradse garnizoen. De conflicten tussen de regering en de verzoeningsgezinden op dit terrein waren echter in laatste instantie van interne aard en verliepen goedaardig. Dit veranderde met de bolsjewisering van het garnizoen. Nu herinnerden de soldaten zelf aan de verplichting die de regering in maart tegenover het Centraal Uitvoerend Comité op zich genomen had en die door beiden trouweloos geschonden was. Op 8 september stelt de soldatensectie van de sovjet de eis om de regimenten die in verband met de Juligebeurtenissen naar het front gezonden waren naar Petrograd terug te brengen. De coalitiegenoten braken zich intussen het hoofd erover hoe men ook de overige regimenten zou kunnen verwijderen.

In een aantal provinciesteden was de stand van zaken ongeveer dezelfde als in de hoofdstad. Gedurende de maanden juli en augustus doorleefden de plaatselijke garnizoenen een patriottische roes en in augustus en september vielen de vernieuwde garnizoenen ten prooi aan het bolsjewiseringsproces. Men moest van vooraf aan beginnen, d.w.z. ze opnieuw dooreenmengen en vernieuwen. Ter voorbereiding van de slag tegen Petrograd begon de regering met de provincie. Politieke beweegredenen werden zorgvuldig achter strategische motieven verborgen. Op 27 september besloot een verenigde vergadering van de sovjets van de stad en de vesting Reval inzake de overplaatsing van de regimenten, dat troepenverplaatsingen slechts na voorafgaande toestemming van de sovjets mochten gebeuren. De leiders van de sovjet te Vladimir vroegen in Moskou of zij zich aan het bevel van Kerenski inzake een verplaatsing van het gehele garnizoen moesten onderwerpen. Het bolsjewistisch bureau in het district Moskou stelde dat “dergelijke bevelen regel werden wat betreft de revolutionair gezinde garnizoenen.” De Voorlopige Regering poogde, voordat zij al haar rechten kwijt raakte, gebruik te maken van het fundamentele recht dat elke regering heeft, met name om over de gewapende troepen te beschikken.

De vernieuwing van het Petrogradse garnizoen werd des te meer urgent daar het aanstaande Sovjetcongres op de een of andere manier een einde aan de strijd om de macht moest maken. De burgerlijke pers, met het kadettenblad de “Rjetsj” voorop, herhaalde dag in dag uit dat men de bolsjewieken niet de gelegenheid mocht laten om “het moment van het uitroepen van de burgeroorlog te bepalen.” Dit betekende dat men zelf tijdig op de bolsjewieken moest slaan. Daaruit vloeide onvermijdelijk voort dat men moest proberen om eerst de machtsverhoudingen in het garnizoen te wijzigen. De strategische argumenten bleken na de val van Riga en het verlies van de Mondsundeilanden erg zwaarwegend. De districtsstaf stuurde bevelen over de vervanging van de Petrogradse troepenafdelingen die naar het front zouden moeten oprukken. Tegelijkertijd werd op aansporing van de verzoeningsgezinden de kwestie in de soldatensectie ter sprake gebracht. Het plan van de vijand was niet slecht gevonden, namelijk om een strategisch ultimatum aan de Sovjet te stellen om op deze manier met één slag aan de bolsjewieken hun militaire steun te ontnemen of, in geval van tegenstand van de kant van de Sovjet, een acuut conflict teweeg te brengen tussen het Petrogradse garnizoen en het front dat nodig aangevuld en vernieuwd moest worden.

De Sovjetleiders begrepen zeer goed welke val hun gesteld werd. Ze wilden, voordat zij een definitieve stap ondernamen, eerst eens goed polsen en verkennen. Botweg weigeren om het bevel na te komen, was slechts mogelijk indien het front de motieven voor de weigering goed zou begrijpen. Anders zou het beter kunnen blijken te zijn om na overleg met de soldaten in de loopgraven de garnizoenstroepen door revolutionaire troepenafdelingen van het front, die rust nodig hadden, te vervangen. De sovjet van Reval had zich, naar wij boven gezien hebben, reeds in deze zin uitgesproken.

De soldaten gingen meer regelrecht op hun doel af. Nu, laat in de herfst, naar het front gaan en een nieuwe wintercampagne doormaken – neen, daar voelde men niet voor. De patriottische pers nam onmiddellijk het garnizoen onder vuur: de in luiheid vetgemeste Petrogradse regimenten willen opnieuw het front verraden. De arbeiders kozen partij voor de soldaten. De Poetilovarbeiders protesteerden het eerst tegen de overplaatsing van de regimenten. De kwestie bleef aan de orde, niet alleen in de kazernes maar ook in de bedrijven. Dit bracht de twee secties van de Sovjet dichter tot elkaar. De regimenten begonnen eendrachtig de eis van een bewapening van de arbeiders te ondersteunen.

De verzoeningsgezinden deden, om het patriottisme van de massa’s met het dreigend verlies van Petrograd aan te wakkeren, op 9 oktober in de Sovjet het voorstel om een “revolutionair verdedigingscomité” te vormen dat tot taak zou hebben om met actieve medewerking van de arbeiders aan de verdediging van de hoofdstad deel te nemen. Terwijl de Sovjet weigerde om de verantwoordelijkheid op zich te nemen “voor de zogenaamde strategie van de Voorlopige Regering en in het bijzonder voor de verwijdering van de troepen uit Petrograd,” haastte de Sovjet zich niet om stelling te nemen tegenover het bevel op zichzelf. De Sovjet besloot om eerst de motieven en de grondslagen hiervan te onderzoeken. De mensjewieken probeerden te protesteren: het was ongeoorloofd om zich in militaire maatregelen van de legerleiding te mengen. Nog geen anderhalve maand geleden hadden zij echter hetzelfde gezegd over de bevelen van de samenzweerder Kornilov – en men herinnerde hen daar ook aan. Er was een competent orgaan nodig om uit te maken of de overplaatsing van de regimenten uit militaire dan wel uit politieke overwegingen plaats had. Tot zeer grote verbazing van de verzoeningsgezinden aanvaardden de bolsjewieken de gedachte van een “verdedigingscomité”: alles wat betrekking had op de verdediging van de hoofdstad zou tot de speciale taak van dit comité behoren. Dit was een gewichtige stap. Terwijl de Sovjet het gevaarlijke wapen aan zijn tegenstander uit handen sloeg, behield hij de mogelijkheid om naargelang van de omstandigheden het besluit betreffende de overplaatsing van de troepen in deze of gene richting, maar in elk geval tegen de regering en de verzoeningsgezinden, te leiden.

De bolsjewieken aanvaardden des te eerder het mensjewistisch plan van een militair comité omdat er in hun eigen rangen reeds vroeger meermaals sprake geweest was van de noodzakelijkheid om tijdig een gezaghebbend Sovjetorgaan voor de leiding van de komende revolutie te scheppen. Er werd zelfs in de militaire partijorganisatie een desbetreffend ontwerp uitgewerkt. De moeilijkheid die men tot nu toe niet had kunnen overwinnen, was om het orgaan voor de opstand te verbinden met de gekozen en openlijk optredende Sovjet, waarin bovendien vertegenwoordigers van verschillende vijandelijke partijen zaten. Het patriottisch initiatief van de mensjewieken kwam zeer gelegen om de vorming van een revolutionaire staf te vergemakkelijken, een staf die spoedig omgedoopt werd in “Militair Revolutiecomité” en de voornaamste drijfkracht van de revolutie werd.

Twee jaar na de hier beschreven gebeurtenissen publiceerde de schrijver van dit boek een aan de Oktoberrevolutie gewijd artikel: “Zodra het bevel over de verplaatsing van de troepen door de districtsstaf aan het Uitvoerend Comité van de Sovjet van Petrograd was gegeven… werd het duidelijk dat deze kwestie bij haar verder verloop van beslissende politieke betekenis zou kunnen worden.” De gedachte van een opstand begon vaste vorm te krijgen. Het was niet meer nodig om een Sovjetorgaan te bedenken. De werkelijke bestemming van het toekomstig comité kwam ondubbelzinnig tot uiting in het feit dat Trotski in dezelfde zitting zijn rede bij de uittocht van de bolsjewieken uit het Voorlopig Parlement beëindigde met de uitroep: “Leve de openlijke en directe strijd om de revolutionaire macht in het land!” Dit was de slogan: “Leve de gewapende opstand!”, maar dan in de bewoordingen van de Sovjetlegaliteit geformuleerd.

Juist op de daaropvolgende dag, 10 oktober, nam het Centraal Comité van de bolsjewieken in een geheime zitting de resolutie van Lenin aan waarin de gewapende opstand als de praktische taak voor de eerstkomende dagen genoemd werd. De partij kreeg van nu een welomschreven en gebiedende taak. Het verdedigingscomité werd dienstbaar gemaakt aan de directe strijd om de macht.

De regering en haar bondgenoten trokken concentrische cirkels om het garnizoen. Op 11 oktober deelde de commandant van het Noordelijk front, generaal Tsjeremissov, aan de minister van oorlog de eis van de legercomités mee om de uitgeputte troepen aan het front door reserves uit Petrograd te vervangen. De staf aan het front was in dit geval slechts een bemiddelingsinstantie tussen de verzoeningsgezinden bij het leger en hun Petrogradse leiders die een bredere dekking voor de plannen van Kerenski wilden hebben. De omsingelingspoging ging in de coalitiebladen vergezeld van een ware symfonie van patriottisch gehuil. De vergaderingen die dagelijks in de regimenten en bedrijven gehouden werden, bewezen echter dat de muziek van de regeerders niet de minste indruk op de massa maakte. Op 12 oktober gaf de vergadering van een van de meest revolutionaire fabrieken in de hoofdstad (Stari-Parvyeinen) op de hetze in de burgerlijke pers volgend antwoord: “Wij verklaren nadrukkelijk dat wij de straat op zullen gaan zodra wij dit nodig oordelen. Wij zijn niet bang voor de strijd die ons spoedig te wachten staat en wij hebben de vaste overtuiging dat wij als overwinnaar hieruit zullen komen.”

Terwijl het Uitvoerend Comité van de Petrogradse sovjet een commissie tot uitwerking van een instructie voor het “verdedigingscomité” instelde, had het aan de Militaire Organisatie de volgende taak toegedacht: in verbinding treden met het noordelijk front en de staf van het district Petrograd, met de Centrobalt en de districtssovjet van Finland om de militaire situatie te verbeteren en de nodige maatregelen te nemen; een onderzoek instellen naar de samenstelling van het garnizoen van Petrograd en omgeving alsook naar de oorlogsuitrusting en verpleging; het nemen van maatregelen om de discipline in de soldaten- en arbeidersmassa’s te handhaven. Onder deze formuleringen was alles te brengen en zij waren tevens dubbelzinnig: zij hielden allemaal vrijwel het midden tussen een verdediging van de hoofdstad en een gewapende opstand. Deze twee taken die elkaar tot nu toe uitsloten, waren nu echter inderdaad dichter bij elkaar gekomen: de Sovjet zal nadat hij de macht in handen genomen heeft ook de militaire verdediging van Petrograd op zich moeten nemen. Het verdedigingsmom was niet kunstmatig van buitenaf aangebracht maar vloeide tot op zekere hoogte uit de situatie aan de vooravond van de opstand voort.

Eveneens om te maskeren werd er aan het hoofd van de commissie, die benoemd was om de instructie van het comité uit te werken, geen bolsjewiek maar een sociaal-revolutionair geplaatst, nl. de jonge, bescheiden ambtenaar Lasimir, een van die linkse sociaal-revolutionairen die reeds vóór de opstand onvoorwaardelijk hand in hand met de bolsjewieken gingen maar niet altijd begrepen wat de consequenties daarvan waren. Het oorspronkelijk plan van Lasimir was door Trotski in twee opzichten gewijzigd: de praktische taak van een verovering van het garnizoen werd nauwkeuriger omschreven en het algemene revolutionaire doel meer verdoezeld. Het plan dat door het Uitvoerend Comité onder protest van twee mensjewieken goedgekeurd werd, voegde bij het Militair Revolutiecomité de presidia van de Sovjet en de soldatensectie, vertegenwoordigers van de vloot, het districtscomité in Finland, de vakvereniging van spoorwegpersoneel, de fabriekscomités, vakverenigingen, militaire partijorganisaties, de Rode Garde enzovoort. De organisatorische grondslag was dezelfde als in vele andere gevallen. De persoonlijke samenstelling van het comité was echter door haar nieuwe taak bepaald. Men ging ervan uit dat de organisaties vertegenwoordigers zouden zenden die met militaire kwesties vertrouwd waren of in nauw contact met het garnizoen stonden. Het karakter van het orgaan zou door zijn functie bepaald worden.

Niet minder belangrijk was een ander nieuw orgaan: aan het Militair Revolutiecomité werd een permanente vergadering van het garnizoen toegevoegd. De soldatensectie vertegenwoordigde het garnizoen in politiek opzicht: de afgevaardigden werden gekozen als vertegenwoordigers van de partijen. De Garnizoensvergadering daarentegen zou samengesteld worden uit de regimentscomités die hun troepenafdelingen in het dagelijks leven leidden en hun praktische meer directe “beroeps”-vertegenwoordiging vormden. Een vergelijking tussen de regimentscomités en de fabriekscomités dringt zich als het ware vanzelf op. Door middel van de arbeiderssectie van de Sovjet konden de bolsjewieken bij belangrijke politieke kwesties vast op de arbeiders steunen. Men moest echter de fabriekscomités achter zich hebben om meester in de bedrijven te zijn. De samenstelling van de soldatensectie verzekerde de bolsjewieken van de politieke sympathie van de meerderheid van het garnizoen. Men moest echter direct op de regimentscomités kunnen steunen om praktisch over de troepen te kunnen beschikken. Dit verklaart waarom de Garnizoensvergadering in de aan de opstand voorafgaande periode op de voorgrond kwam en vanzelfsprekend de soldatensectie verdrong. De meer bekende afgevaardigden van de sectie behoorden trouwens ook tot de Vergadering.

In een kort vóór die dagen geschreven artikel, “De crisis is rijp,” vroeg Lenin verwijtend: “Wat heeft de partij gedaan om de ligging van de troepen en dergelijke te bestuderen…?” Ondanks het opofferende werk van de Militaire Organisatie was Lenins verwijt gerechtvaardigd. De zuiver technische bestudering van de militaire krachten en middelen viel de partij moeilijk: men was niet geschoold en men was er niet op ingesteld. De toestand wijzigde zich radicaal op het moment waarop de Garnizoensvergadering begon op te treden: vanaf nu ontrolde zich dag in dag uit aan de ogen van de leiders een levendig panorama van het garnizoen, niet alleen van de hoofdstad maar ook van de verdedigingsgordel in de naaste omgeving.

Op 12 oktober werd in het Uitvoerend Comité de door commissaris Lasimir uitgewerkte instructie besproken. De debatten hadden ondanks het besloten karakter van de vergadering in hoge mate een symbolische betekenis: “Hier zei men iets anders dan men meende,” schrijft Soechanov terecht. Volgens de aangegeven richtlijnen zouden verdedigings-, uitrustings-, verbindings- en informatorische afdelingen enz. bij het comité worden aangesloten: dit was de staf of de contrastaf. Verhoging van de strijdvaardigheid van het garnizoen werd als doel van de vergadering geproclameerd. Hierin was niets onwaarachtigs. De strijdvaardigheid kon echter op verschillende manieren aangewend worden. Machteloos van woede bemerkten de mensjewieken dat de gedachte die door hen met patriottische bedoelingen verkondigd was, een dekmantel werd van de opstand die men voorbereidde. De maskering was maar al te doorzichtig: het was voor iedereen duidelijk waarom het ging, maar tegelijkertijd bleef zij onvatbaar: de verzoeningsgezinden hadden immers vroeger dezelfde methode toegepast door in kritieke ogenblikken het garnizoen om zich te groeperen en regeringsorganen naast de eigenlijke staatsorganen in het leven te roepen. De bolsjewieken zetten in zekere zin slechts de traditie van de dubbele heerschappij voort. Zij gaven echter een nieuwe inhoud aan de oude vormen. Wat vroeger tot een compromis diende, leidde nu tot de burgeroorlog. De bolsjewieken verlangden dat in de notulen zou worden opgenomen dat zij tegen de gehele onderneming waren. Dit platonisch verzoek werd ingewilligd.

De volgende dag kwam in de soldatensectie, die tot voor kort nog de garde van de verzoeningsgezinden geweest was, de kwestie van het Militair Revolutiecomité en de Garnizoensvergadering aan de orde. De voornaamste plaats in deze merkwaardige zitting werd met het volste recht ingenomen door de voorzitter van de Centrobalt, de matroos Dybenko, een reus met een zwarte baard die nooit om zijn woord verlegen was. De rede van de gast uit Helsingfors drong als een frisse en scherpe zeebries in de muffe atmosfeer van het garnizoen. Dybenko berichtte over de definitieve breuk van de vloot met de regering en de nieuwe betrekkingen tot de legerleiding. Vóór de aanvang van de laatste krijgsverrichtingen ter zee had de admiraal zich tot het congres van de matrozen, dat in die dagen gehouden werd, gewend met de vraag of de bevelen voor de strijd uitgevoerd zouden worden. “Wij antwoordden dat zij uitgevoerd zouden worden – onder onze controle… Indien wij echter zouden bemerken dat de vloot tenonder dreigde te gaan, zou de commandant de eerste zijn die aan een mast werd opgehangen.” Dit was een ongehoorde taal voor het Petrogradse garnizoen. Ook op de vloot was men pas in de allerlaatste dagen begonnen zo te spreken. Het was de taal van de opstand. Een handjevol mensjewieken morde vol verwarring in een hoekje. Het presidium keek niet zonder bezorgdheid naar de compacte massa grijze uniformen. Geen enkel protest uit al die rijen! De ogen gloeiden in de opgewonden gezichten. Een geest van vermetelheid vaart door de vergadering.

Aangevuurd door de algemene sympathie, verklaarde Dybenko tenslotte met vaste stem: “Men spreekt over de noodzakelijkheid om het garnizoen van Petrograd ter bewaking van de toegangswegen naar Petrograd en meer in het bijzonder van Reval over te plaatsen. Hecht hieraan geen geloof. Reval zullen wij zelf verdedigen. Blijft hier en verdedigt de revolutie… Indien wij uw hulp nodig hebben, zullen wij u dit zelf wel zeggen en ik ben ervan overtuigd dat jullie ons dan zullen ondersteunen.” Deze oproep die de soldaten zo goed begrepen, verwekte een storm van oprechte geestdrift waarin de protesten van enkele mensjewieken geheel verloren gingen. De kwestie van een overplaatsing van de regimenten kon nu als afgedaan beschouwd worden.

Het door Lasimir voorgesteld ontwerp werd met een meerderheid van 283 stemmen met 1 stem tegen en 23 onthoudingen aangenomen. Uit deze getallen, die zelfs voor de bolsjewieken een verrassing waren, bleek de revolutionaire druk van de massa’s. De stemming betekende dat de soldatensectie openlijk en officieel de leiding van het garnizoen van de regeringsstaf op het Militair Revolutiecomité overdroeg. In de naaste toekomst zal blijken dat dit geen ijdele demonstratie was.

Het Uitvoerend Comité van de Sovjet van Petrograd publiceerde diezelfde dag de mededeling dat een sectie van de Rode Garde zich bij hem aangesloten had. De bewapening van de arbeiders, wat door de verzoeningsgezinden afgekeurd en zelfs tegengewerkt was, werd de meest gewichtige taak van de bolsjewistische Sovjet. De soldaten hadden hun achterdochtige houding tegenover de Rode Garde laten varen. Nagenoeg in alle resoluties van regimenten wordt nu integendeel geëist dat de arbeiders bewapend worden. Rode Garde en garnizoen gaan voortaan hand in hand. Weldra zullen zij zich nog nauwer aaneensluiten, door zich gemeenschappelijk aan het Militair Revolutiecomité te onderwerpen.

De regering werd onrustig. In de morgen van 14 oktober werd er bij Kerenski een ministerraad gehouden die de maatregelen goedkeurde die de staf genomen had tegen deze “opstand” die voorbereid werd. De machthebbers vroegen zich af of het ditmaal tot een gewapende demonstratie beperkt zou blijven of tot een opstand zou komen. De districtscommandant verklaarde aan vertegenwoordigers van de pers: “Wij zijn op alle mogelijkheden voorbereid.” Mensen die ten dode gedoemd zijn, voelen niet zelden juist aan de vooravond van hun ondergang een nieuwe stroom van kracht in zich.

In een verenigde vergadering van de Uitvoerende Comités werd door Dan, in navolging van de Juni-uitingen van Zeretelli, die naar de Kaukasus verdwenen was, van de bolsjewieken een antwoord geëist op de vraag: “Zijn jullie van plan op te treden, en zo ja wanneer dan?” De mensjewiek Bogdanov trok uit het antwoord van Rjasanov niet ten onrechte de conclusie dat de bolsjewieken een opstand voorbereidden en aan het hoofd van de opstandelingen zouden staan. Het mensjewistisch blad schreef: “De plannen van de bolsjewieken inzake de op handen zijnde ‘machtsgreep’ zijn klaarblijkelijk erop gebaseerd dat het garnizoen niet verplaatst zal worden.” Het woord machtsgreep werd hierbij echter tussen aanhalingstekens geplaatst: de verzoeningsgezinden geloofden nog niet in ernst aan het gevaar. Zij waren minder beducht voor een overwinning van de bolsjewieken dan wel voor een triomf van de contrarevolutie tengevolge van nieuwe burgeroorlogen.

Nadat de Sovjet de bewapening van de arbeiders ter hand genomen had, moest hij zich een weg tot de wapens banen. Dit gebeurde niet met één slag. Elke praktische stap vooruit werd ook hier door de massa’s ingegeven. Men had slechts aandachtig op haar voorstellen te letten. Vier jaren na de gebeurtenissen vertelde Trotski op een aan de Oktoberrevolutie gewijde herdenkingsavond: “Toen er een delegatie van de arbeiders kwam en zei: “Wij hebben wapens nodig,” antwoordde ik: “Maar het arsenaal is immers niet in onze handen.” Zij zeiden: “Wij waren in de Sestrorezkiwapenfabriek.” – “Nu, en wat zou dat?” – “Men heeft ons daar gezegd: indien de Sovjet dat beveelt, zullen wij wapens leveren.” Ik schreef een order voor vijfduizend geweren en de arbeiders kregen deze nog diezelfde dag. Dit was het eerste experiment.” De vijandelijke pers hief terstond een gehuil aan omdat een fabriek van de staat wapens geleverd had op een order van iemand tegen wie een aanklacht wegens hoogverraad hangende was en die slechts tegen borgstelling uit de gevangenis ontslagen was. De regering zweeg. Het hoogste orgaan van de democratie trad echter op met een streng bevel dat zonder zijn (het Centraal Uitvoerend Comité) toestemming aan niemand wapens verstrekt mochten worden. Klaarblijkelijk konden op het gebied van de wapenleveringen Dan of Goz evenmin iets verbieden als Trotski iets kon toestaan of bevelen: de fabrieken en arsenalen ressorteerden onder de regering. Minachting voor de officiële autoriteiten op alle kritieke ogenblikken was echter een vaste traditie van het Centraal Uitvoerend Comité en was een van de vaste gewoonten van de regering zelf, want zij lag in de natuur der dingen. De schending van de traditie en de gewoonte was van een andere kant gekomen: toen de arbeiders ermee ophielden de donder van het Uitvoerend Comité te scheiden van de bliksems van Kerenski, begonnen zij zowel het een als het ander te negeren.

Men kon gemakkelijker namens het front dan namens de bureau’s in het achterland een verplaatsing van de Petrogradse regimenten eisen. Uit deze overweging plaatste Kerenski het garnizoen van Petrograd onder de opperbevelhebber van het Noordelijk front, Tsjeremissov. Terwijl hij de hoofdstad in militair opzicht van zijn eigen ambtskring als hoofd van de regering uitzonderde, troostte Kerenski zich met de gedachte dat hij het garnizoen onder zichzelf als opperbevelhebber plaatste. Generaal Tsjeremissov, die een harde noot te kraken zou krijgen, zocht op zijn beurt hulp bij de commissarissen en de vertegenwoordigers van de comités. Met vereende krachten werd een plan voor de eerstvolgende krijgsverrichtingen uitgewerkt. Op 17 oktober riep de staf aan het front, samen met de legerorganisaties, vertegenwoordigers van de Sovjet van Petrograd naar Pskov om hun in tegenwoordigheid van de soldaten in de loopgraven direct zijn eisen te stellen.

Er bleef de sovjet van Petrograd niets anders over dan de uitdaging aan te nemen. Aan het hoofd van de in de zitting van 16 oktober gekozen delegatie van enkele tientallen personen, die ongeveer voor de helft bestond uit sovjetleden en voor de andere helft uit vertegenwoordigers van de regimenten, stonden: de voorzitter van de arbeiderssectie, Fedorov, en de leiders zowel van de soldatensectie, alsook van de Militaire Organisatie van de bolsjewieken, Lasjevitsj, Sadovski, Mechonosjin, Dasjkevitsj en anderen. Enkele linkse sociaal-revolutionairen en mensjewieken-internationalisten die in de delegatie opgenomen waren, hadden zich ertoe verplicht om in Pskov de sovjetpolitiek te verdedigen. Bij de besprekingen die de delegatie vóór haar vertrek hield, werd een door Sverdlov opgestelde verklaring opgenomen.

In dezelfde zitting van de Sovjet werd de verordening over het Militair Revolutiecomité behandeld. Nauwelijks gevormd, werd deze instelling dagelijks meer gehaat in de ogen van de tegenstanders. “De bolsjewieken geven,” riep de spreker van de oppositie uit, “geen antwoord op de directe vraag of zij een opstand voorbereiden. Dit betekent dat zij laf zijn of twijfelen aan hun eigen krachten.” Een algemeen gelach gaat in de vergadering op: een vertegenwoordiger van de regeringspartij verlangt dat de partij van de opstand hem haar plannen zal opbiechten. Het nieuwe comité, vervolgt de spreker, was niets anders dan een “revolutionaire staf voor de machtsgreep.” Zij, de mensjewieken, zouden daarin geen zitting nemen. “Hoeveel in aantal zijn jullie?” klonk het uit de zaal. “De mensjewieken zijn in de Sovjet weliswaar gering in aantal, ongeveer vijftig man, maar zij weten heel goed dat “de massa’s niet met de opstand sympathiseren.” Trotski ontkent in zijn repliek niet dat de bolsjewieken zich op een machtsgreep voorbereiden: “Wij maken daar geen geheim van.” Maar daarom gaat het nu niet. De regering heeft de eis gesteld om de revolutionaire troepen uit Petrograd te verwijderen “en wij moeten ja of neen zeggen.” Het ontwerp van Lasimir wordt met een overweldigende meerderheid van stemmen aangenomen. De voorzitter roept het Militair Revolutiecomité op om de volgende dag aan het werk te gaan. Zo is er weer een stap vooruit gedaan.

De districtscommandant Polkovnikov stelde op diezelfde dag de regering op de hoogte van de opstand die de bolsjewieken voorbereidden. De mededeling is zo geruststellend mogelijk: het garnizoen was in het algemeen op de hand van de regering en de jonkerscholen hadden bevel gekregen zich gereed te houden. Polkovnikov beloofde in zijn oproep aan de bevolking om zo nodig zijn toevlucht tot “de meest krasse maatregelen” te zullen nemen. Burgemeester Schreider, een sociaal-revolutionair, smeekte van zijn kant om “geen onlusten te verwekken ter voorkoming van de anders onvermijdelijke hongersnood in de hoofdstad.” Dreigend en bezwerend, zich moed insprekend en zich angstig makend, sloeg de pers een steeds fellere toon aan.

Om de delegatie van de Petrogradse Sovjet te imponeren, was er een theatrale militaire ontvangst in Pskov voorbereid. In het vertrek van de staf zaten aan tafels, die met indrukwekkende kaarten bedekt waren, generaals, hoge commissarissen met Vojtinski aan het hoofd en vertegenwoordigers van de legercomités. De chefs van de afdelingen van de staf brachten rapport uit over de oorlogstoestand te land en ter zee. De conclusies van de rapporteurs kwamen allemaal op hetzelfde neer, namelijk dat men niet meteen het garnizoen van Petrograd mocht overplaatsen ter verdediging van de toegangswegen naar de hoofdstad. De commissarissen en de comitévertegenwoordigers wezen verontwaardigd de verdachtmaking van zekere geheime politieke motieven van de hand: de operatie was louter en alleen uit strategisch oogpunt geboden. Directe bewijzen van het tegendeel hadden de afgevaardigden niet: het corpus delicti pleegt in zulke gevallen niet voor het grijpen te liggen. De gehele situatie sprak echter tegen de strategische argumenten. Het ontbrak het front niet aan mensen, maar aan bereidwilligheid van de mensen om oorlog te voeren. De stemming in het garnizoen van Petrograd was geenszins zodanig dat het geschokte front versterkt kon worden. De lessen uit de dagen van Kornilov waren bovendien nog niet vergeten. De delegatie die volkomen overtuigd was van de juistheid van haar houding, bood gemakkelijk weerstand aan de druk van de staf en keerde nog eendrachtiger naar Petrograd terug dan zij gekomen was.

De corpora delicti die de tijdgenoten toen nog niet hadden, staan nu wel ter beschikking van de historicus. Uit de geheime militaire correspondentie blijkt dat niet het front om de regimenten van Petrograd vroeg, maar dat Kerenski ze aan het front trachtte op te dringen. De opperbevelhebber van het Noordelijk front antwoordde op een telegram van de minister van oorlog: “Geheim. 17 X. Het initiatief tot het zenden van de troepen van het Petrogradse garnizoen naar het front ging van u, niet van mij uit… Toen bekend werd dat de troepen van het Petrogradse garnizoen weigerden naar het front te gaan d.w.z. dat zij niet strijdvaardig waren, zei ik in een particulier gesprek met uw vertegenwoordiger, een officier, dat… wij zulke troepen reeds in overvloed aan het front hadden. Wat echter het door u geuite verzoek betreft om ze naar het front te sturen, zo wees ik dit niet van de hand en doe dit ook nu niet, indien u de overplaatsing van de troepen uit Petrograd ook nu nog nodig acht.” Het min of meer polemisch karakter van het telegram is hieruit te verklaren dat Tsjeremissov, een generaal die voor de hoge politiek voelde, in het tsaristisch leger voor “rood” doorging en later volgens Miljoekov “een gunsteling van de revolutionaire democratie” werd, intussen klaarblijkelijk tot de conclusie gekomen was dat het beter was om zich tijdig van de regering bij haar conflict met de bolsjewieken los te maken. Het optreden van Tsjeremissov in de dagen van de revolutie bevestigt deze lezing volkomen.

De strijd om het garnizoen vloeide samen met de strijd om het Sovjetcongres. Er bleven nog vier à vijf dagen tot het oorspronkelijk vastgestelde tijdstip over. Men verwachtte de “opstand” in aansluiting op het congres. Men nam aan dat de beweging zich, net als in de Julidagen, in de vorm van een gewapende massademonstratie met straatgevechten zou ontwikkelen. De rechtse mensjewiek Potressov, die klaarblijkelijk afging op inlichtingen van de contraspionage of de Franse militaire missie die brutaalweg valse documenten vervaardigde, schetste in de burgerlijke pers het plan van de bolsjewistische opstand die in de nacht van 17 oktober zou uitbreken. De vindingrijke plannenmakers voorspelden zelfs dat de bolsjewieken “obscure elementen” zouden meenemen. De soldaten van de garderegimenten zijn even goedlachs als de goden van Homerus. De witte zuilen en de kronen van het Smolny daverden van de lachsalvo’s toen het artikel van Petressov in een zitting van de Sovjet werd voorgelezen. De wijze regering die niet in staat was om waar te nemen wat er zich voor haar ogen afspeelde, was echter zeer geschrokken door de onzinnige verdichtsels en kwam in allerijl om twee uur ’s nachts samen om de “obscure elementen” af te weren. Na nieuwe beraadslagingen tussen Kerenski en de militaire autoriteiten werden de nodige maatregelen genomen. De wachtposten bij het Winterpaleis en de staatsbank versterkt; twee vaandrigscholen uit Oranienbaum en zelfs een pantsertrein van het Roemeense front opgeëist. “Op het allerlaatste moment gaven de bolsjewieken,” volgens Miljoekov, “hun plan op. Het is niet duidelijk waarom zij dit deden.” De geleerde geschiedschrijver geeft er zelfs vele jaren later nog de voorkeur aan om een verzinsel dat geen weerlegging behoeft te geloven.

De autoriteiten droegen aan de militie op om de buitenwijken van de stad te verkennen om sporen te ontdekken van de opstand die voorbereid werd. De rapporten van de militie zijn een mengeling van juiste waarnemingen en politionele stompzinnigheid. In de wijk Alexandronevski, waar een aantal van de grootste fabrieken ligt, vonden zij alles rustig. In Vyborg propagandeerde men openlijk de noodzakelijkheid van een val van de regering, maar “uiterlijk” was alles rustig. In de wijk Vassiliostrov is de stemming opgewonden, maar ook daar zijn geen uiterlijke aanwijzingen van een naderende opstand. In de wijk Narva wordt heftig propaganda gemaakt voor de opstand, maar op de vraag wanneer deze eigenlijk zou uitbreken, kon men geen antwoord krijgen: dag en uur worden óf streng geheim gehouden óf zijn werkelijk aan niemand bekend. Men besluit om de patrouilles in de buitenwijken te versterken en de posten geregelder door militiecommissarissen te laten controleren.

De correspondentie van een liberaal blad te Moskou is een waardevolle aanvulling van het rapport van de militie: “In de buitenwijken, in de Nevski-, Oboechov- en Poetilovfabrieken is de bolsjewistische propaganda voor de opstand in volle gang. De stemming onder de arbeiders is zodanig dat zij elk ogenblik bereid zijn om op te rukken. In de laatste dagen is er in Petrograd een ongelooflijke stroom deserteurs waar te nemen… Op het Warschau station kan men zich bijna niet roeren van de verdacht uitziende soldaten met vurige ogen en opgewonden gezichten… Men zegt dat er hele dievenbendes aangekomen zijn. Obscure elementen die de theehuizen en kroegen vullen, worden georganiseerd…” Kleinzielige angst en verzinsels van de politie zijn hier vermengd met de barre werkelijkheid. De revolutionaire crisis, die nu haar oplossing nabij was, woelde de onderste lagen van de maatschappij op. Deserteurs, dievenbendes en kroeglopers waren werkelijk bij het gerommel van de naderende aardbeving opgestaan. De hogere kringen aanschouwden met een fysieke afkeer de ontketende krachten van hun regime, de ondeugden en de ongemakken daarvan. De revolutie had deze niet geschapen, maar slechts blootgelegd.

De ons reeds bekende baron Budberg, een zwartgallig reactionair die een grote opmerkingsgave en buitengewone scherpzinnigheid bezat, schreef in die dagen in de staf van het legercorps te Dvinsk: “Kadetten, cadetoiden, oktobristen en verschillende soorten revolutionairen van de oude en van de Maartgroepen, zien dat hun einde nabij is en schreeuwen uit alle macht, als mohammedanen die een maansverduistering met lawaai willen tegenhouden.”

De Garnizoensvergadering komt op 18 oktober voor het eerst bijeen. Een radiotelegram aan de troepen behelsde de oproep om van eigenmachtige acties af te zien en slechts die bevelen van de staf uit te voeren die door de soldatensectie bekrachtigd waren. De Sovjet deed derhalve een krachtige poging om openlijk de controle over het garnizoen over te nemen. Het radiotelegram was eigenlijk niets anders dan een oproep om de bestaande autoriteiten af te zetten. Zo men wilde, kon men het echter als een vreedzame manier van vervanging van de verzoeningsgezinden door de bolsjewieken in het apparaat van de dubbele heerschappij opvatten. Praktisch kwam dit op hetzelfde neer, maar de verzachte interpretatie liet meer plaats voor illusies. Het presidium van het Centraal Uitvoerend Comité, dat zich heer en meester in het Smolny voelde, deed een poging om de radio-uitzending te beletten. Het had zich daardoor weer eens te meer gecompromitteerd. De bijeenkomst van de afgevaardigden van de regiments- en compagniescomités van Petrograd en omgeving kwam op het vastgestelde uur bijeen met een buitengewoon talrijke aanwezigheid.

Dankzij de door de tegenstanders geschapen atmosfeer gingen de referaten van de deelnemers aan de Garnizoensvergadering als het ware vanzelf voornamelijk over de komende “opstand”. Er had een merkwaardige hoofdelijke stemming plaats waartoe stellig geen van de leiders op eigen initiatief besloten zou hebben. Tegen de opstand spraken zich uit: de vaandrigschool van Peterhof en het 9de cavalerieregiment. De eskadrons van de gardecavalerie willen neutraal blijven. De vaandrigschool te Oranienbaum zal slechts aan de bevelen van het Centraal Uitvoerend Comité gehoorzamen. Dit zijn alle vijandige of neutrale stemmen. Bereid om op de eerste oproep van de Petrogradse Sovjet op te staan, verklaarden zich: de jager-, de Moskouse, de Volynse, de Pavlovski-, de Kexholm-, de Semjonovski-, de Ismaljovski-, de 1ste scherpschutters en de 3de reserveregimenten, de 2de Baltische vlootbemanning, het elektrotechnisch bataljon en de garde-artilleriedivisie. Het regiment grenadiers wil pas optreden na een oproep van het Sovjetcongres: dit is voldoende. Kleinere troepenafdelingen sluiten zich bij de meerderheid aan. Aan de vertegenwoordigers van het Centraal Uitvoerend Comité, dat nog kort geleden niet ten onrechte het Petrogradse garnizoen als steunpunt van zijn macht beschouwd had, wordt ditmaal bijna eenstemmig het woord geweigerd. In machteloze woede verlaten zij de “onwettige” vergadering die op voorstel van haar voorzitter terstond besluit dat bevelen zonder goedkeuring van de Sovjet ongeldig zijn.

Hetgeen gedurende de laatste maanden en vooral de laatste weken in het bewustzijn van het garnizoen gerijpt was, kristalliseerde zich nu. De onbeduidendheid van de regering bleek groter te zijn dan men had kunnen vermoeden. Terwijl de stad vol was van geruchten over een opstand en bloedige gevechten, maakte de vergadering van de regimentscomités, die een verpletterende meerderheid voor de bolsjewieken opleverde, zowel demonstraties als massagevechten overbodig. Het garnizoen ging doelbewust af op de revolutie die zij niet als een opstand zag, maar als een verwezenlijking van het onaantastbaar recht van de Sovjets om over het lot van het land te beschikken. Er lag een onweerstaanbare kracht, maar tegelijkertijd ook grote moeilijkheden in deze beweging. De partij moest haar optreden handig aanpassen aan de politieke opmars van de regimenten waarvan de meeste op een oproep van de Sovjets, enkele echter op een oproep van het Sovjetcongres wachtten.

Om het gevaar van een – al was het maar tijdelijke – verwarring gedurende het offensief te voorkomen, was het absoluut noodzakelijk om een antwoord te geven op de vraag die niet alleen de vijanden maar ook de vrienden bezighield, met name of indien niet vandaag dan toch morgen de opstand zou uitbarsten. In de trams, op straat en in de winkels spreekt men over niets anders meer dan over de komende opstand. Op het Slotplein, voor het Winterpaleis en het gebouw van de staf staan lange rijen officieren die hun diensten aan de regering aanbieden en in ruil daarvoor revolvers bekomen: in de uren van gevaar zal er noch van de revolvers, noch van hun bezitters iets te zien zijn. De hoofdartikelen in alle kranten zijn vandaag aan de opstand gewijd. Gorki eiste van de bolsjewieken dat zij – indien zij geen “willoos werktuig van een verwilderde massa waren” – de geruchten zouden tegenspreken. De onzekerheid begint ook de arbeiderswijken en vooral de regimenten te kwellen. Men gaat daar denken dat er een opstand voorbereid wordt buiten hen om. Door wie? Waarom zwijgt het Smolny? De tegenstrijdige positie van de Sovjet als openlijk parlement en revolutionaire staf bracht in deze laatste fase grote moeilijkheden teweeg. Het werd onmogelijk om langer te zwijgen.

“De laatste dagen,” zegt Trotski op het einde van de avondvergadering van de Sovjet, “staat de pers vol berichten, geruchten en artikelen over de aanstaande opstand… Besluiten van de Petrogradse sovjet worden ter kennis van iedereen gebracht. De sovjet is een gekozen instelling en… elk besluit moet de arbeiders en soldaten bekend zijn… Ik verklaar in naam van de sovjet dat er geen enkele gewapende demonstratie door ons op touw gezet is. Indien echter de sovjet door de gang van zaken genoodzaakt zou zijn om een opstand te organiseren, dan zouden de arbeiders en soldaten als één man aan deze oproep gehoor geven… Men wijst erop dat ik een order voor vijfduizend geweren ondertekend heb… Inderdaad, ik heb deze ondertekend… De sovjet zal voortgaan met de arbeidersgarde te organiseren en te bewapenen.” De afgevaardigden begrepen dat de slag nabij was, maar dat het signaal daartoe niet zonder hen of met voorbijgaan van hen gegeven zou worden.

De massa had echter behalve aan deze kalmerende verklaring behoefte aan een klaar revolutionair perspectief. De spreker brengt twee kwesties met elkaar in verband: de overplaatsing van het garnizoen en het aanstaande Sovjetcongres. “Wij hebben een conflict met de regering dat zeer scherpe vormen kan aannemen… Wij laten niet toe dat Petrograd van zijn revolutionair garnizoen ontbloot wordt.” Dit conflict hangt op zijn beurt van een ander naderend conflict af. “Het is de burgerij bekend dat de Petrogradse sovjet aan het Sovjetcongres zal voorstellen om de macht over te nemen… En nu trachten de burgerlijke klassen, in het vooruitzicht van de onvermijdelijke strijd, Petrograd te ontwapenen.” De politieke gecompliceerdheid van de revolutie werd in deze rede voor het eerst concreet aangetoond: wij staan op het punt om de macht te grijpen, wij hebben het garnizoen nodig en wij zullen ons dit niet laten ontnemen. “Bij de eerste de beste poging van de contrarevolutie om het congres uiteen te jagen, zullen wij met een tegenoffensief antwoorden dat onbarmhartig zijn zal en dat wij tot het einde toe zullen doorzetten.” De aankondiging van een krachtig politiek offensief eindigt ook ditmaal met de gedachte van een militaire verdediging.

Soechanov, die in de zitting verschenen was met het hopeloze plan om de Sovjet te winnen voor een huldiging van Gorki, heeft later het revolutionair verband dat die dag gelegd werd zeer goed uiteengezet. Voor het Smolny ging de kwestie van het garnizoen om de opstand. Voor de soldaten ging het om hun lot. “Men kan zich moeilijk een gelukkiger uitgangspunt voor de politiek van die dagen voorstellen.” Dit belet Soechanov niet om de bolsjewistische politiek als zodanig verderfelijk te achten. Samen met Gorki en duizenden radicale intellectuelen was hij voor niets zo bevreesd als voor die zogenaamd “verwilderde massa” die met een merkwaardige stelselmatigheid dag in dag uit haar aanval voorbereidde.

De Sovjet is machtig genoeg om openlijk het programma van de staatkundige omwenteling te verkondigen en zelfs het tijdstip ervan te bepalen. Tegelijkertijd is hij – tot op de door hem zelf bepaalde dag van de volkomen overwinning – machteloos in talloze kleine en grote kwesties. Kerenski, die politiek van geen betekenis meer is, vaardigt nog decreten in het Winterpaleis uit. Lenin, de leider van de onweerstaanbare massabeweging, houdt zich verborgen en de minister van justitie Maljantovitsj gelast in die dagen opnieuw aan de procureur-generaal om Lenins arrestatie te bevelen. Zelfs in het Smolny, op zijn eigen terrein, leeft de almachtige Sovjet van Petrograd schijnbaar slechts bij genade. De administratie van gebouwen, kassen, expeditie, auto’s en telefoon is nog altijd in handen van het Centraal Uitvoerend Comité dat hardnekkig aan zijn eenmaal verkregen rechten vasthoudt.

Soechanov vertelt, hoe hij laat in de nacht na de vergadering, naar buiten trad in de tuinen van het Smolny, in een akelige duisternis en onder een stromende regen. Een groot aantal afgevaardigden stond stampvoetend en radeloos bij de paar rokende en dampende automobielen die de rijke garages van het Centraal Uitvoerend Comité aan de bolsjewistische Sovjet hadden overgelaten. “Ook de voorzitter Trotski trad op de automobielen toe,” vertelt deze alomtegenwoordige waarnemer. “Nadat hij echter een ogenblik was blijven staan en toegekeken had, glimlachte hij en waadde door de plassen weg en verdween in de duisternis.” Op het achterbalkon van de tram liep Soechanov een kleine man met een bescheiden uiterlijk en een zwart puntbaardje tegen het lijf. De onbekende deed zijn best om Soechanov over de ellende van de lange tocht te troosten. “Wie is dat?” vroeg Soechanov aan zijn metgezellin, een bolsjewiste. “De oude partijgenoot Sverdlov.” Nog geen twee weken later zal deze kleine man met zijn zwarte baardje voorzitter van het Centraal Uitvoerend Comité, het hoogste orgaan van de Sovjetrepubliek, zijn. Klaarblijkelijk troostte Sverdlov zijn reisgenoot uit dankbaarheid: acht dagen geleden was in de woning van Soechanov, hoewel buiten diens medeweten, die bijeenkomst van het Centraal Bolsjewistisch Comité gehouden die de gewapende opstand aan de orde stelde.

De volgende morgen doet het Centraal Uitvoerend Comité een poging om het rad van de geschiedenis terug te draaien. Het presidium roept een “wettige” vergadering van het garnizoen bijeen waarin het ook die bij de ontwikkeling achtergebleven, sinds lange tijd niet meer opnieuw gekozen comités opneemt die gisteren ontbroken hadden. De uitspraak van het garnizoen die veel nieuws opleverde, bevestigde eens te meer het beeld van gisteren. Tegen een opstand spraken zich ditmaal uit: de meeste comités van de in de Peter-en-Paulsvesting gelegerde troepen en de comités van de pantserdivisie: zowel deze als gene verklaarden zich aan het Centraal Uitvoerend Comité te onderwerpen. Dit is een uiterst belangrijk feit.

De vesting die op de kleine, door de Neva en haar kanaal omspoelde eilanden tussen de binnenstad en twee wijken ligt, beheerst de dichtstbijzijnde bruggen en opent van de kant van de rivier de toegangswegen naar het Winterpaleis waar de regering zetelt of sluit deze af. Terwijl zij bij krijgsverrichtingen op grotere schaal in militair opzicht van geen betekenis is, kan de vesting bij straatgevechten een belangrijke rol spelen. Bovendien, en dit is wellicht het belangrijkste, bevindt zich bij de vesting het rijke arsenaal van Kroonwerk: de arbeiders hebben geweren nodig, maar ook de revolutionaire regimenten zijn nagenoeg zonder wapens. Hoe belangrijk pantserwagens in de straatgevechten zijn, behoeft nauwelijks gezegd te worden: deze kunnen aan de kant van de regering vele onnodige slachtoffers maken en aan de kant van de opstandelingen – de weg tot de overwinning verkorten. De bolsjewieken zullen in de komende dagen bijzondere aandacht aan de vesting en de pantserdivisie moeten schenken. Overigens bleken de machtsverhoudingen in de bijeenkomst dezelfde te zijn als daags tevoren. De poging van het Centraal Uitvoerend Comité om zijn zeer voorzichtig geredigeerd besluit door te voeren, werd door de overgrote meerderheid afgewezen; niet bijeengeroepen door de sovjet van Petrograd, acht de vergadering zich onbevoegd besluiten te nemen. De verzoeningsgezinde leiders hadden zichzelf deze nieuwe slag toegebracht.

Aangezien het Centraal Uitvoerend Comité de toegang tot de regimenten van onderop versperd vond, probeerde het zich van bovenaf het garnizoen meester te maken. In overleg met de staf benoemde het tot hoofdcommissaris van het gehele district de kapitein van de staf Malevski, een sociaal-revolutionair, en verklaarde zich bereid om de sovjetcommissarissen te erkennen indien deze zich aan de hoofdcommissaris onderwierpen. Deze poging om door middel van een volslagen onbekende kapitein van de staf impact op het bolsjewistische garnizoen te krijgen, was ongetwijfeld hopeloos. De Sovjet wees haar van de hand en brak de onderhandelingen af.

De door Potressov ontmaskerde opstand had niet op 17 oktober plaats. Nu noemden de tegenstanders met stelligheid een nieuwe datum: 20 oktober. Op deze dag was immers oorspronkelijk de opening van het Sovjetcongres bepaald en de opstand volgde het congres als een schaduw. Weliswaar was het congres intussen vijf dagen uitgesteld; maar dit kwam er niet op aan: het voorwerp was verplaatst, de schaduw bleef. De regering trof ook ditmaal alle nodige maatregelen om de “opstand” te verhinderen. Versterkte barricades werden aan de rand van de stad opgericht en Kozakkenpatrouilles trokken de gehele nacht door de arbeiderswijken. Bereden reserves werden op verschillende punten van Petrograd klaar gehouden. De militie is strijdvaardig en één helft ervan houdt voortdurend de wacht in de commissariaten. Voor het Winterpaleis zijn pantserwagens, lichte artillerie en machinegeweren opgesteld. De toegangen tot het paleis worden bewaakt.

De opstand die door niemand voorbereid was en waartoe niemand opgeroepen had, brak ook ditmaal niet uit. De dag verliep rustiger dan veel andere en het werk in de fabrieken werd niet onderbroken. De door Dan geleide “Izvestia” juichte over de op de bolsjewieken behaalde overwinning: “Uw avontuur met de gewapende opstand in Petrograd is ten einde.” De bolsjewieken waren alleen reeds door het geschreeuw van de verenigde democratie vernietigd: “Zij geven zich reeds over.” Men kon menen dat de tegenstanders die hun hoofd kwijt geraakt waren, zich tot taak gesteld hadden om door voorbarige angsten en nog meer voorbarig overwinningsgejuich de openbare mening in verwarring te brengen en de bolsjewistische plannen te verbergen.

Het oorspronkelijk op 9 oktober genomen besluit over de vorming van het Militair Revolutiecomité werd pas een week later in het plenum van de Sovjet behandeld. De Sovjet is geen partij en hij werkt langzaam. Nog weer vier dagen waren nodig voor de vorming van het Comité. Deze tien dagen werden echter wel benut: de verovering van het garnizoen was in volle gang, de vergadering van de regimentscomités kon haar levensvatbaarheid tonen en de bewapening van de arbeiders had voortgang, zodat het Militair Revolutiecomité, dat pas op 20 oktober, vijf dagen vóór de opstand, aan het werk kon gaan, direct een tamelijk geordende huishouding kon overnemen. Doordat het van de kant van de verzoeningsgezinden geboycot werd, kwamen er slechts bolsjewieken en linkse sociaal-revolutionairen in het comité: dit verlichtte en vereenvoudigde de taak. Van de sociaal-revolutionairen was slechts Lasimir actief, die zelfs aan het hoofd van het bureau gesteld werd om het Sovjet- en partijkarakter van de instelling des te meer te doen uitkomen. In werkelijkheid steunde echter het comité uitsluitend op de bolsjewieken, met als voorzitter Trotski en als meest actieve werkers Dodvojski, Antonov-Ovssejenko, Lasjevitsj, Sadovski en Mechonosjin. Het Comité heeft waarschijnlijk nooit voltallig, samen met de vertegenwoordigers van alle in de verordening opgesomde organisaties, vergaderd. Het lopende werk werd door het bureau onder leiding van de voorzitter na overleg met Sverdlov in alle belangrijke kwesties verricht. Dit was de staf van de opstand.

Het bulletin van het Comité vermeldt bescheiden de eerste stappen die genomen zijn: voor de actieve troepen van het garnizoen, enkele regeringsgebouwen en wapenvoorraden zijn commissarissen benoemd, “om toezicht op deze te houden en ze te leiden.” Dit betekende dat de Sovjet, nadat hij het garnizoen in politiek opzicht veroverd had, dit nu ook organisatorisch aan zich onderwierp. Bij de verkiezing van de commissarissen speelde de Militaire Organisatie van de bolsjewieken een grote rol. Er waren onder de bijna duizend leden, die deze in Petrograd had, talrijke vastberaden en de revolutie toegedane soldaten en jonge officieren die na de Julidagen in de gevangenissen van Kerenski behoorlijk gestaald waren. De uit hun midden gekozen commissarissen vonden onder de troepen hun weg gebaand: de soldaten rekenden hen tot de hunnen en onderwierpen zich aller-bereidwilligst aan hen.

Het initiatief tot de bezetting van regeringsgebouwen kwam meestal van onderop. De arbeiders en beambten van het arsenaal bij de Peter-en-Paulsvesting verklaarden dat men de levering van wapens moest controleren. De commissaris die daarheen gezonden werd, kon nog juist een nieuwe bewapening van de jonkers beletten en tienduizend geweren die voor het Dongebied en kleinere partijen die voor een aantal verdachte organisaties en personen bestemd waren, ophouden. De controle werd ook spoedig over andere wapendepots en zelfs over particuliere wapenwinkels uitgebreid. Men behoefde zich slechts tot een soldaten-, een arbeiders- of een beambtencomité van een regeringsgebouw of een handelszaak te wenden of de tegenstand van de kant van de administratie was meteen gebroken. Het verstrekken van wapens gebeurde voortaan enkel op order van de commissarissen.

De arbeiders in de drukkerijen maakten door hun vakbond het comité opmerkzaam op de toename van vlugschriften en brochures van de Zwarte Honderd. Men besloot dat de typografenbond zich in alle dubieuze gevallen tot het Militair Revolutiecomité zou wenden. De controle van de arbeiders in de drukkerijen was doeltreffender dan welke andere controle over de gedrukte contrarevolutionaire propaganda ook.

De Sovjet beperkte zich niet slechts tot een formele weerlegging van de geruchten, maar organiseerde openlijk voor zondag 22 oktober een vreedzame troepenschouw. Dit was echter niet in de vorm van optochten, maar van meetings in de bedrijven, de kazernes en alle grote lokaliteiten van Petrograd. Geheimzinnige pelgrims organiseren met het kennelijk doel om bloedige conflicten uit te lokken op diezelfde dag een processie door de straten van de hoofdstad. De burgers werden in de oproep namens onbekende Kozakken uitgenodigd om aan de processie deel te nemen “ter herdenking van de bevrijding van Moskou in het jaar 1912.” De aanleiding die zij gekozen hadden, was niet erg actueel. Maar de organisatoren stelden de Almachtige bovendien voor om de wapens van de Kozakken ter verdediging van de Russische bodem tegen de vijanden te zegenen. Hetgeen kennelijk op het jaar 1917 betrekking had.

Men behoefde niet bevreesd te zijn voor een ernstige contrarevolutionaire demonstratie: de geestelijkheid had niet de minste invloed onder de massa’s van Petrograd en zij kon slechts de droevige resten van de Zwarte Honderd-benden onder de vlag van de kerk tegen de Sovjet op de been brengen. Met behulp van ervaren provocateurs uit de contraspionagedienst en het officierencorps van de Kozakken waren bloedige botsingen echter niet uitgesloten. Het Militair Revolutiecomité begon als eerste afweermaatregel met een sterkere druk op de Kozakkenregimenten uit te oefenen. In het gebouw van de meest revolutionaire staf zelf werd een strenger regime ingevoerd. “Het werd van nu af aan niet gemakkelijk om in het Smolny binnen te komen,” schrijft John Reed, “het passenstelsel werd om de paar uren veranderd omdat de spionnen steeds weer wisten binnen te dringen.”

In de vergadering van het garnizoen op 21 oktober, die aan de komende “dag van de Sovjet” gewijd was, stelde de rapporteur een aantal maatregelen voor om eventuele botsingen in de straten te voorkomen. Het 4de Kozakkenregiment, dat het meest links was, verklaarde bij monde van zijn afgevaardigde dat het niet aan de processie zou deelnemen. Het 14de Kozakkenregiment verzekerde dat het met alle hem ten dienste staande middelen tegen contrarevolutionaire aanslagen zou vechten, maar dat het tegelijkertijd een opstand met het doel om de macht te grijpen “voorbarig” oordeelde. Van de drie Kozakkenregimenten ontbrak slechts dat van de Oeral, dat een van de meest achterlijke was en in juli naar Petrograd overgeplaatst werd om de bolsjewieken neer te slaan.

De vergadering nam op voorstel van Trotski drie korte resoluties aan: 1. “Het garnizoen van Petrograd en omgeving zegt aan het Militair Revolutiecomité volledige steun toe bij alles wat dit onderneemt…” 2. “De dag van 22 oktober is een dag van vreedzame wapenschouw… Het garnizoen richt zich tot de Kozakken: … Wij nodigen u uit op onze vergaderingen van morgen. Wees welkom, broeders-Kozakken!” 3. “Het Al-Russisch Sovjetcongres moet de macht in handen nemen en het volk vrede, land en brood verschaffen.” Het garnizoen belooft plechtig om al zijn krachten ter beschikking van het congres te stellen. “Verlaat u op ons, gevolmachtigde vertegenwoordigers van de soldaten, arbeiders en boeren. Wij zijn allen op onze post, bereid om te overwinnen of te sterven.” Honderden handen gingen voor deze resoluties omhoog en keurden het programma van de opstand goed. Zevenenvijftig man onthielden zich van stemming: dit waren “neutralen”, d.w.z. tegenstanders die begonnen waren te twijfelen. Geen enkele hand verhief zich ertegen. De strop om de hals van het Februariregime werd vast aangetrokken.

In de loop van de dag werd bekend dat de onbekende initiatiefnemers tot de processie “op verzoek van de opperbevelhebber in het district” de demonstratie afgelast hadden. Dit belangrijke morele succes, dat meer dan iets anders de krachtige druk van de Garnizoensvergadering liet zien, rechtvaardigde de overtuiging dat de vijanden het niet zouden wagen om zich morgen op straat te vertonen.

Het Militair Revolutiecomité kiest in de districtsstaf drie commissarissen: Sadovski, Mechonosjin en Lasimir. Bevelen van de commandant zijn slechts van kracht indien zij door een van deze drie personen ondertekend zijn. Op een telefonisch verzoek uit het Smolny zendt de staf een auto voor de delegatie: de gebruiken van de dubbele heerschappij blijven nog in zwang. Tegen alle verwachtingen betekent deze tegemoetkomende houding van de staf echter niet dat hij tot concessies bereid is.

Nadat men de door Sadovski afgelegde verklaring aangehoord had, antwoordde Polkovnikov dat hij geen enkele commissaris erkende en geen toezicht nodig had. Toen de delegatie erop zinspeelde dat de staf op deze manier kans liep op tegenstand van de kant van de troepen te stuiten, antwoordde Polkovnikov droogweg dat hij het garnizoen in de hand had en dat het zou gehoorzamen. “Deze vaste overtuiging van hem was oprecht,” schrijft Mechonosjin in zijn memoires, “en in geen enkel opzicht gekunsteld.” De afgevaardigden kregen de auto van de staat al niet meer om naar het Smolny terug te keren.

In de buitengewone bijeenkomst waartoe Trotski en Sverdlov uitgenodigd waren, werd besloten om de breuk met de staf als een voldongen feit te aanvaarden en deze als uitgangspunt voor het verdere offensief te nemen. Een eerste voorwaarde voor succes was dat de wijken van alle fasen en gebeurtenissen in de strijd op de hoogte moesten zijn. De districtssovjets en partijcomités zonden inlichtingen naar alle delen van de stad. De regimenten werden meteen op de hoogte gebracht van wat er gebeurd was. Opnieuw werd besloten dat bevelen enkel mochten opgevolgd worden voor zover die door de commissarissen bekrachtigd zijn en dat enkel betrouwbare soldaten op wacht gesteld mogen worden.

Ook de staf besloot maatregelen te nemen. Polkovnikov, die klaarblijkelijk daartoe door zijn verzoeningsgezinde raadgevers aangezet was, riep tegen 1 uur ’s middags zijn eigen garnizoensvergadering bijeen, waaraan vertegenwoordigers van het Centraal Uitvoerend Comité deelnamen. Om de tegenstander vóór te zijn, organiseerde het Militair Revolutiecomité om 11 uur een buitengewone bijeenkomst van de regimentscomités waarin besloten werd de breuk met de staf openlijk te proclameren. De oproep aan de troepen van Petrograd en omgeving die meteen opgesteld werd, klonk als een oorlogsverklaring. “Door met het georganiseerde garnizoen van de hoofdstad te breken, wordt de staf een openlijk werktuig in handen van de contrarevolutionaire krachten. Het Militair Revolutiecomité wijst de verantwoordelijkheid voor het optreden van de staf af en neemt, terwijl het zich aan het hoofd van het garnizoen stelt, de bescherming van de revolutionaire orde tegen contrarevolutionaire aanslagen op zich.”

Dit was een beslissende stap op de weg naar de opstand. Of was het misschien het laatste conflict in het aan conflicten zo rijke apparaat van de dubbele heerschappij? De staf die met vertegenwoordigers van de troepen die de uitnodiging van het Militair Revolutiecomité niet tijdig gekregen hadden beraadslaagde, probeerde de gebeurtenissen te verklaren. Een door het Smolny afgezonden delegatie onder leiding van de bolsjewistische soldaat Dasjkevitsj meldde in het kort de beslissing van de Garnizoensvergadering aan de staf. De enkele vertegenwoordigers van de troepen verkondigden opnieuw hun trouw aan de Sovjet en gingen zonder een besluit genomen te hebben uiteen. “Na een korte gedachtewisseling,” zo berichtte de pers later op grond van inlichtingen die zij van de staf gekregen had, “werd er geen enkel bepaald besluit genomen; men achtte het beter te wachten totdat het conflict tussen het Centraal Uitvoerend Comité en de Petrogradse Sovjet opgelost zou zijn.” De staf stelde zijn onttroning voor als een twist tussen twee Sovjetinstanties over de vraag wie van hen zijn werkzaamheden zou controleren. Deze politiek van te doen alsof men niets zag, had het voordeel dat men het Smolny niet de oorlog behoefde te verklaren. De regeerders waren daar overigens ook niet toe in staat. Zo werd het conflict dat reeds openlijk dreigde uit te barsten, weer met behulp van de regeringsorganen in de legale banen van de dubbele heerschappij teruggebracht: de staf droeg in zijn angst om de werkelijkheid onder ogen te zien des te meer tot maskering van de opstand bij.

Was de lichtvaardige houding van de autoriteiten echter niet slechts een mom voor hun werkelijke bedoelingen? Was de staf niet onder het mom van bureaucratische naïveteit van plan om bij verrassing het Militair Revolutiecomité een slag toe te brengen? Men achtte in het Smolny een dergelijke overval van de chaotische en gedemoraliseerde organen van de Voorlopige Regering weinig wenselijk. Het Militair Revolutiecomité nam intussen de meest voor de hand liggende maatregelen: dag en nacht stonden in de dichtstbij gelegen kazernes compagnieën gewapend op post, gereed om op het eerste alarmsignaal het Smolny te hulp te snellen.

Ondanks het feit dat de processie afgelast was, voorspelde de burgerlijke pers dat het zondag tot bloedvergieten zou komen. Een verzoeningsgezind blad berichtte ’s morgens: “De autoriteiten verwachten vandaag eerder demonstraties dan op 20 oktober.” Dit was nu al de derde maal in één week, namelijk 17,  20 en 22 oktober, dat de leugenachtige knaap het volk met zijn valse alarmkreet “een wolf, een wolf!” misleidde. De vierde maal zou de knaap, overeenkomstig de oude fabel, een prooi van de wolf worden.

De bolsjewistische pers riep de massa’s op tot vergaderingen en sprak van een vreedzame monstering van de revolutionaire krachten aan de vooravond van het Sovjetcongres. Dit was geheel overeenkomstig de bedoelingen van het Militair Revolutiecomité om een reusachtige troepenschouw te houden zonder botsingen, zonder wapengeweld en zelfs zonder wapenvertoon. Men moest de massa’s in de gelegenheid stellen om zichzelf, hun aantal, hun kracht, hun vastberadenheid te zien. Door de eendracht van de massa’s wilde men de vijand ertoe dwingen om zich te verstoppen, te verbergen en niet voor de dag te komen. Door het blootleggen van de onmacht van de burgerij tegenover het massale optreden van de arbeiders en soldaten moesten de laatste remmende herinneringen aan de Julidagen in hun bewustzijn weggevaagd worden. Men moest bereiken dat de massa’s zichzelf aanschouwend inzagen: niemand en niets kan ons langer weerstaan.

“De geïntimideerde bevolking,” schreef Miljoekov vijf jaar later, “bleef thuis of hield zich afzijdig.” Het was de burgerij die thuis bleef: zij was inderdaad door haar bladen geïntimideerd. De rest van de bevolking stroomde vanaf de vroege morgenuren naar de vergaderingen: jong en oud, mannen en vrouwen, knapen en moeders met kinderen op de arm. Dergelijke meetings waren er sinds het uitbreken van de revolutie nog niet geweest. Geheel Petrograd was, met uitzondering van de meer gegoeden, één onafgebroken grote meeting. In de tot barstens toe gevulde zalen wisselde het gehoor in de loop van enkele uren. Steeds weer nieuwe golven arbeiders, soldaten en matrozen stroomden naar de gebouwen en vulden deze tot in de nok. Het kleine stadsvolk kwam in beweging, gewekt door het gejammer en de waarschuwingen die het juist angst hadden moeten aanjagen. Tienduizenden omringden het reusachtige gebouw van het Volkshuis, stroomden door de gangen in één compacte, opgewonden en tegelijkertijd gedisciplineerde massa, vulden de schouwburgzalen, gangen, buffetten en foyers. Slingers en trossen hoofden, benen en armen hingen aan de ijzeren zuilen en de vensters. De atmosfeer was vol elektrische spanning die elk ogenblik tot een ontlading kon komen. Weg met Kerenski! Weg met de oorlog! Alle macht aan de Sovjets! Geen van de verzoeningsgezinden waagde het nu nog om bij deze zo oververhitte menigte met bezwaren of waarschuwingen aan te komen. De bolsjewieken waren aan het woord. Alle sprekers waarover de partij maar kon beschikken, alsook de gedelegeerden die voor het congres waren aangekomen uit de provincie, waren gemobiliseerd. Meermalen spraken ook linkse sociaal-revolutionairen en een enkele keer anarchisten. Zij deden echter vooral hun best om zo min mogelijk van de bolsjewieken af te wijken.

Urenlang stonden mensen uit afgelegen stadswijken, uit kelderwoningen en zolderverblijven, in versleten mantels en grijze uniformen, met mutsen en doeken op het hoofd, met schoeisel, waarin het straatvuil binnendrong, hoestend en kuchend, schouder aan schouder, voortdurend dichter opeen geperst, om later komenden, om iedereen een plaatsje te geven, en luisterden onvermoeid, gretig, hartstochtelijk, dringend, bang dat hen iets zou ontgaan wat de moeite waard was om te begrijpen, zich eigen te maken en te doen. Men had kunnen denken dat in de laatste maanden, de laatste weken en de allerlaatste dagen reeds alles gezegd was. Maar neen, vandaag klinkt alles anders. De massa’s beleven hetgeen er gezegd wordt op een nieuwe manier, niet meer als een aansporing maar als een gebod tot daden. De ervaring van de revolutie, de oorlog, de zware strijd, het hele bittere leven vormt zich uit de ervaring van elke individuele, in ellende verkerende enkeling en wordt omgezet in deze eenvoudige en gebiedende leuzen. Zo kan het niet langer. Een nieuwe toekomst moet opgebouwd worden.

Deze eenvoudige en merkwaardige dag, die scherp afstak tegen de toch al zo bonte achtergrond van de revolutietijd, kwam later degenen die de gebeurtenissen zelf meemaakten nog dikwijls in de herinnering. Het beeld van de geestdriftige en onbedwingbare lavastroom van mensen had zich voor altijd in de herinnering van de ooggetuigen geprent. “De dag van de Petrogradse Sovjet verliep,” schrijft de linkse sociaal-revolutionair Metislavski, “met talloze meetings en onder grote geestdrift.” De bolsjewiek Pestkovski die in twee bedrijven van het Vassiljevski-Ostrov sprak, deelt mee: “Wij spraken openlijk tot de massa’s over de aanstaande machtsgreep door ons en vonden slechts instemming.” – “Er heerste,” vertelt Soechanov over de meeting in het Volkshuis, “een stemming om mij heen die dicht bij extase kwam… Trotski stelde een of andere korte resolutie voor… Wie is er voor…? Een duizendkoppige menigte steekt als één man de hand op. Ik zag de omhooggestoken handen en de vurige ogen van de mannen, vrouwen, knapen, arbeiders, soldaten, boeren en typisch kleinburgerlijke figuren… Trotski sprak verder. Een onafzienbare menigte bleef de handen opsteken. Zij is bereid, zij zweert.” De bolsjewiek Popov vertelt van de geestdriftige eed die de massa’s aflegden, namelijk om “op de eerste oproep van de Sovjet op te rukken.” Metislavski spreekt van de elektrisch geladen menigte die de Sovjets trouw zwoer. Hetzelfde toneel was, alleen op kleinere schaal, in alle wijken van de stad, zowel in het centrum, als in de buitenwijken, waar te nemen. Honderdduizenden mensen staken in diezelfde uren de hand omhoog en zwoeren om tot het einde te strijden.

Terwijl de dagelijkse zittingen van de Sovjet, de soldatensectie, de Garnizoensvergadering en de fabriekscomités een aaneensluiting van de verschillende leiders teweeggebracht en de massavergaderingen de fabrieken en regimenten aaneengesloten hadden, versmolt op 22 oktober het volk als het ware zelf bij een zo hoge mogelijke temperatuur in een reusachtige ketel. De massa’s aanschouwden zichzelf en hun leiders, de leiders aanschouwden en hoorden de massa’s. Beide partijen waren tevreden over elkaar. De leiders kregen de overtuiging dat men niet langer mocht uitstellen! De massa’s zeiden bij zichzelf dat ditmaal de zaak doorgezet werd!

Het succes van de wapenschouw van de bolsjewistische krachten op zondag schokte het zelfvertrouwen van Polkovnikov en zijn hoge autoriteiten. In overleg met de regering en het Centraal Uitvoerend Comité deed de staf een poging om tot een overeenstemming met het Smolny te geraken. Waarom zou men ook niet de oude, goede en liefelijke gewoonten van contact en compromis weer invoeren? Het Militair Revolutiecomité weigerde niet om vertegenwoordigers te sturen voor overleg. Een betere manier om de situatie te verkennen, was moeilijk denkbaar. “De onderhandelingen duurden niet lang,” schrijft Sadovski. “De vertegenwoordigers uit de wijken waren het eens met alle voorwaarden die de Sovjet reeds eerder gesteld had… terwijl in ruil daarvoor de order van het Militair Revolutiecomité van 22 oktober ongedaan gemaakt zou worden.” Het betrof hier een document waarin de staf een werktuig van de contrarevolutionaire krachten genoemd werd. Dezelfde afgevaardigden van het Comité, die Polkovnikov twee dagen geleden zo onhoffelijk weggezonden had, verlangden dat hen het door de staf ondertekend ontwerp van een overeenkomst overhandigd zou worden om dit naar het Smolny over te brengen en zij kregen dit ook. Zaterdag zouden deze voorwaarden die een weinig eervolle capitulatie betekenden nog aanvaard zijn. Vandaag, maandag, was het te laat. De staf wachtte op antwoord, maar dit bleef uit.

Het Militair Revolutiecomité wendde zich tot de bevolking van Petrograd met de mededeling dat er commissarissen bij de troepen en op de meest gewichtige punten in de hoofdstad en haar omgeving benoemd waren. “De commissarissen zijn als vertegenwoordigers van de Sovjet onschendbaar. Verzet tegen de commissarissen betekent verzet tegen de Sovjet van arbeiders- en soldatenafgevaardigden.” Er werd de burgers verzocht zich bij misstanden tot de dichtstbijzijnde commissarissen te wenden om gewapende hulp te halen. Dit is regeringstaal. Het comité geeft echter nog altijd niet het signaal tot een openlijke opstand. Soechanov vraagt: “Begaat het Smolny domheden of speelt het kat en muis met het Winterpaleis om een overval te provoceren?” Noch het een, noch het ander was het geval. Het Comité verdringt met de druk van de massa’s en het overwicht van het garnizoen de regering. Het neemt zonder strijd wat het nemen kan. Het rukt vooruit zonder een schot te lossen, smeedt zijn leger al oprukkend aaneen en versterkt het; polst al opdringend de weerstandskracht van de vijand zonder deze ook maar één ogenblik uit het oog te verliezen. Elke stap voorwaarts doet de situatie ten voordele van het Smolny veranderen. De arbeiders en het garnizoen groeien als het ware in de opstand. Wie het eerst te wapen zal roepen, zal tijdens de aanval en het oprukken blijken. Het is nu nog slechts een kwestie van enkele uren. Indien de regering op het laatste moment de moed heeft of zo vertwijfeld is om het sein tot de strijd te geven, dan zal de verantwoordelijkheid op het Winterpaleis rusten, maar het initiatief zal in elk geval bij het Smolny blijven. De daad van 23 oktober betekende dat de autoriteiten afgezet werden voordat de regering zelf afgezet werd. Het Militair Revolutiecomité bond de vijandelijke regeerders de handen, voordat het hen de beslissende slag toebracht. Deze tactiek van een “vreedzaam doordringen,” de vijand langs wettige weg de beenderen breken en zijn laatste wilskracht verlammen, was slechts mogelijk door het niet twijfelachtige overwicht dat het Comité van uur tot uur meer en meer kreeg.

Het Comité las dagelijks de breed uitgespreide kaart van het garnizoen, was op de hoogte van de stemming in elk regiment en lette nauwkeurig op de veranderingen in de opvattingen en de sympathieën in de kazernes. Verrassingen van die kant waren uitgesloten. Er bleven echter enkele duistere punten op de kaart. Men moest deze uitroeien of althans terugdringen. Op 19 oktober was nog gebleken dat de meeste comités in de Peter-en-Paulsvesting niet welwillend of althans twijfelachtig gezind waren. Het wordt tijd om deze te veroveren nu het gehele garnizoen zich achter het Comité plaatst en er althans in politiek opzicht een kring om de vesting getrokken is. Luitenant Blagonravov, die tot commissaris benoemd was, stuitte op verzet. De vestingcommandant van de regering weigerde de bolsjewistische voogdij te erkennen en beroemde er zich, volgens de lopende geruchten, zelfs op dat hij de jeugdige voogd zou gevangen nemen. Men moest handelend optreden en wel meteen. Antonov stelde voor om een betrouwbaar bataljon van het Pawlovski-regiment binnen de vesting te brengen en de vijandige troepen te ontwapenen. Dit zou echter een te radicaal optreden geweest zijn dat door de officieren aangegrepen had kunnen worden om het tot bloedvergieten te laten komen en de eensgezindheid van het garnizoen te breken. Is het werkelijk nodig om tot een zo radicale maatregel over te gaan? “Trotski wordt geroepen om mee te beraadslagen over deze kwestie…” vertelt Antonov in zijn memoires. “Trotski speelde toentertijd een beslissende rol. Hij had met zijn revolutionair instinct begrepen wat raadzaam voor ons was, namelijk de vesting van binnenuit veroveren. “Het kan niet waar zijn dat de troepen daar niet met ons sympathiseren,” zei hij – en dit bleek ook zo te zijn. Trotski en Lasjevitsj begaven zich naar een meeting in de vesting.” In het Smolny wachtte men in grote opgewondenheid het resultaat af van deze onderneming die zeer riskant leek. Trotski herinnerde zich later: “Op 23 oktober, tegen 2 uur ’s namiddags, reed ik naar de vesting. Op het plein werd een meeting gehouden. De sprekers van de rechtervleugel waren uiterst voorzichtig en gereserveerd… Men luisterde naar ons en men volgde ons.” Op de derde verdieping van het Smolny herademde men opgelucht toen de telefoon het verheugende nieuws bracht dat het garnizoen van de Peter-en-Paulsvesting plechtig beloofd had om van nu af aan uitsluitend het Militair Revolutiecomité te gehoorzamen.

De verandering in het bewustzijn van de troepen in de vesting was natuurlijk niet het gevolg van één of twee redevoeringen, maar was degelijk in de voorafgaande dagen voorbereid. De soldaten waren veel linkser dan hun comités. De oude discipline die reeds volkomen ondermijnd was, was binnen de muren van de vesting slechts uiterlijk wat langer gehandhaafd dan in de kazernes in de stad.

Blagonravov kon zich nu rustig in de vesting neerlaten, zijn kleine staf daar vestigen en in verbinding treden met de bolsjewistische sovjet van de naburige wijk en met de comités in de dichtstbijzijnde kazernes. Intussen komen er delegaties uit de bedrijven en de troepen aan met het verzoek om wapens. Er begint een onbeschrijfelijk toneel in de vesting. “De telefoon rinkelt onafgebroken en brengt berichten over onze nieuwe successen in vergaderingen en op meetings.” Af en toe deelt een onbekende stem mee dat er in het station strafexpedities van het front aangekomen zijn. Er wordt direct een onderzoek ingesteld waaruit blijkt dat het slechts verzinsels van de vijand zijn.

De avondvergadering van de Sovjet wordt die dag gekenmerkt door een buitengewoon groot aantal aanwezigen en een opgewekte stemming. De bezetting van de Peter-en-Paulsvesting en de definitieve inname van het arsenaal in Kroonwerk dat honderdduizend geweren bevatte – zijn een goede waarborg voor succes. Antonov spreekt in naam van het Militair Revolutiecomité. Stap voor stap beschrijft hij hoe de regeringsorganen door gevolmachtigden van het Militair Revolutiecomité verdrongen worden: deze worden overal vol vertrouwen ontvangen. Men gehoorzaamt hen niet uit vrees, maar uit vrije wil. “Van alle kanten eist men dat er commissarissen benoemd worden.” Meer conservatieve troepen haasten zich om de meer radicale te volgen. Het Preobrazhensky-regiment, dat in juli het eerst op de laster van het Duitse geld gekomen was, protesteert nu bij monde van zijn commissaris Tsjoednovski heftig tegen de geruchten dat de Preobrachenkers achter de regering zouden staan: een dergelijke gedachte wordt als een smadelijke belediging gevoeld! De wachtdienst wordt weliswaar als gewoonlijk vervuld, vertelt Antonov, maar dit gebeurt met goedvinden van het Comité. Bevelen van de staf betreffende uitlevering van wapens en automobielen worden niet uitgevoerd. De staf krijgt op deze manier volop gelegenheid om er zich van te overtuigen wie meester in de stad is.

Op de vraag of het aan het Comité bekend is dat regeringstroepen van het front en uit de omgeving oprukken en welke maatregelen daartegen genomen zijn, antwoordt de referent dat er van het Roemeense front cavalerietroepen in aantocht geweest waren, maar dat deze in Pskov opgehouden waren; dat de 17de infanteriedivisie die onderweg vernomen had waarheen en met welk doel zij gestuurd werd, weigerde verder te gaan; dat in Wenden twee regimenten zich tegen de afreis naar Petrograd verzetten; dat voorlopig alleen nog het lot van de Kozakken en jonkers die uit Kiev gestuurd zouden zijn en van de uit Tsarskoje Selo gerekwireerde stormtroepen niet bekend was. “Men waagt het niet om het Militair Revolutiecomité aan te tasten en men zal dit ook niet wagen.” Dit klonk niet kwaad in de witte zaal van het Smolny.

Men krijgt bij het lezen van het referaat van Antonov de indruk dat de revolutionaire staf volkomen in het openbaar gewerkt heeft. Inderdaad heeft het Smolny nagenoeg niets meer te verbergen. De politieke situatie is zo gunstig voor de revolutie dat de openbaarheid nu zelfs bijna tot een vermomming wordt: heeft een opstand zo plaats? Het woord “opstand” wordt echter door geen van de leiders uitgesproken. Niet alleen voorzichtigheidshalve maar ook omdat deze uitdrukking niet bij de werkelijke verhoudingen past. Men laat het, om zo te zeggen, aan de regering van Kerenski over om de opstand te maken. In een bericht in de “Izvestia” heette het echter dat Trotski in de zitting van 23 oktober voor het eerst de machtsgreep openlijk als doel van het Militair Revolutiecomité genoemd had. Het was ongetwijfeld correct dat de tijd toen het officiële doel van het Comité een onderzoek naar de strategische argumenten van Tsjeremissov was, reeds lang vervlogen was. De overplaatsing van de regimenten was men intussen vrijwel vergeten. Ook op 23 oktober was er echter geen sprake van een opstand, maar van een verdediging van het aanstaande Sovjetcongres, zo nodig met de wapens en de vuist. Er werd ook een resolutie, die overeenkwam met het referaat van Antonov, in deze zin aangenomen. Hoe beoordeelde men in regeringskringen deze gebeurtenissen? Terwijl Kerenski in de nacht van 22 oktober de directe leiding voorbijsteekt en de chef van de staf in het hoofdkwartier, Doechonin, op de hoogte brengt van de pogingen van het Militair Revolutiecomité om de regimenten aan de legerleiding te onttrekken, voegt hij hieraan toe: “Ik geloof dat wij het hiermee gemakkelijk zullen klaarspelen.” Zijn aankomst als opperbevelhebber in het hoofdkwartier werd geenszins vertraagd uit beduchtheid voor een of andere opstand: “Men zal het daarmee ook wel zonder mij kunnen klaarspelen, want alles is goed voorbereid.” Aan de bezorgde ministers verklaart Kerenski kalmerend dat hij persoonlijk integendeel zeer verheugd was over de komende opstand, daar deze hem in de gelegenheid zou stellen definitief met de bolsjewieken af te rekenen. “Ik zou wel een mis willen laten lezen,” antwoordt het hoofd van de regering aan de kadet Nabokov, die een geregeld bezoeker van het Winterpaleis was, “wanneer de opstand plaats heeft.” – “Ben je er echter zo zeker van dat je het met hen zult kunnen klaarspelen?” – “Ik beschik over meer dan genoeg krachten, zij zullen volkomen verpletterd worden.”

Wanneer de kadetten later over Kerenski’s optimisme en lichtzinnigheid spotten, leden zij klaarblijkelijk aan vergeetachtigheid: in werkelijkheid beoordeelde Kerenski de gebeurtenissen juist zoals zij dit zelf deden. Op 21 oktober schreef het blad van Miljoekov dat de bolsjewieken, indien zij het op een ogenblik van ernstige crisis zouden wagen om op te staan, gemakkelijk op staande voet verpletterd zouden worden. Een ander blad van de kadetten voegt hieraan toe: “Er nadert een onweer, maar dit kan juist de atmosfeer zuiveren.” Dan deelt mee dat de kadetten en de dichtbij hen staande groepen in de wandelgangen van het Voorlopig Parlement hardop de wens uitten dat de bolsjewieken zo spoedig mogelijk konden optreden: “Zij zullen in een openlijke strijd terstond verslagen worden.” Vooraanstaande kadetten zeiden aan John Reed dat de bolsjewieken, wanneer zij in de opstand neergeslagen waren, niet meer het hoofd zouden kunnen opsteken in de Constituerende Vergadering.

Op 22 en 23 oktober pleegde Kerenski overleg, nu eens met de leiders van het Centraal Uitvoerend Comité, dan weer met zijn staf over de vraag of men er niet toe moest overgaan het Militair Revolutiecomité te arresteren? De verzoeningsgezinden rieden dit af: zij zouden zelf pogen om de kwestie van de commissarissen tot een oplossing te brengen. Polkovnikov was eveneens van mening dat men met een arrestatie niet overijld te werk moest gaan. Militaire krachten waren er zonodig “meer dan genoeg.” Kerenski luisterde naar Polkovnikov, maar meer nog naar zijn verzoeningsgezinde vrienden. Hij rekende er stellig op dat het Centraal Uitvoerend Comité in geval van gevaar, ondanks de huiselijke twisten, tijdig te hulp zou komen. Zo was het in juli en augustus geweest, waarom zou het dan ook nu niet weer zo gaan?

Het was echter reeds geen juli en ook geen augustus meer. Het was oktober. Op de pleinen en kaden van Petrograd woeien kille Baltische winden uit de richting van Kronstadt. Jonkers, gehuld in lange uniformmantels, trokken onder overmoedig gezang, dat de onrust overstemde, door de straten. Bereden militiesoldaten met revolvers in fonkelnieuwe holsters paradeerden voorbij. Neen, de regering leek nog erg imposant! Of is het slechts zinsbedrog? John Reed, de Amerikaan met zijn naïeve verstandige ogen, kocht op een hoek van het Nevski een brochure van Lenin – “Zullen de bolsjewieken de macht kunnen houden?” Hij betaalde met een van de postzegels die toen in omloop waren in plaats van kleingeld.