Tsaristisch Rusland in de oorlog

De deelname van Rusland aan de oorlog had wat zijn motieven en doeleinden betreft een tegenstrijdig karakter. In wezen ging de bloedige strijd om de wereldheerschappij. In deze zin ging hij Ruslands krachten te boven. Ruslands zogenaamde oorlogsdoeleinden (de Turkse zeestraten, Galicië aan de Karpaten, Armenië) hadden een lokaal karakter en konden slechts gedeeltelijk bereikt worden voor zover zij met de belangen van de voornaamste deelnemers aan de oorlog verenigbaar waren.

Tegelijkertijd kon Rusland zich echter als grote mogendheid niet afzijdig houden van de roofpartij door de hoger ontwikkelde kapitalistische landen, zoals het zich in de voorafgegane periode ook niet had kunnen afsluiten voor de invoering van fabrieken, spoorwegen, snelvuurkanonnen en vliegtuigen. Onder de Russische historici van de modernste school is er een veel voolkomende strijd rond de vraag in hoeverre tsaristisch Rusland politiek rijp was voor de moderne imperialistische politiek. Deze strijd vervalt in scholastiek, want de historici beschouwen Rusland los van het wereldtoneel, als een volkomen zelfstandige factor. Nochtans was het slechts deel van een groot geheel.

Zowel naar wezen als naar vorm nam Indië als kolonie van Engeland aan de oorlog deel. De inmenging van China, formeel “vrijwillig”, was in werkelijkheid de inmenging van een slaaf in een twist van de heren. De deelname van Rusland hield ongeveer het midden tussen die van Frankrijk en die van China. Rusland kocht daarmee het recht om samen met ontwikkelde landen een bondgenootschap te vormen, kapitaal te importeren en procenten daarvoor te betalen, d.w.z. in wezen het recht een bevoorrechte kolonie van zijn bondgenoten te zijn; maar tegelijkertijd ook het recht om Turkije, Perzië, Galicië en in het algemeen alle landen die zwakker en achtergeblevener waren, te knevelen en te plunderen. Het tweeslachtige imperialisme van de Russische burgerij had in wezen het karakter van een agentschap van andere, geweldiger wereldmachten.

De Chinese compradors zijn het klassieke voorbeeld van een nationale burgerij, gevormd naar het type van een bemiddelingsagentuur tussen het buitenlands geldkapitaal en de binnenlandse volkshuishouding. In de wereldhiërarchie van de staten nam Rusland tot aan de oorlog een aanzienlijk hogere plaats in dan China. Een andere vraag is welke plaats het zonder de revolutie na de oorlog ingenomen zou hebben. Niettemin vertoonden het Russisch absolutisme aan de ene kant en de Russische burgerij aan de andere kant de meest krasse trekken van het compradorswezen: zij leefden van en voedden zich met de verbinding met het buitenlands imperialisme, dienden dit en konden zich zonder hierop te steunen niet op de been houden. Wel hebben zij zich tenslotte ook met zijn ondersteuning niet weten te handhaven. De halfcompradorenachtige Russische burgerij had imperialistische belangen in dezelfde zin als iemand die op procent werkt de belangen van zijn werkgever deelt.

Het werktuig van de oorlog is het leger. Aangezien ieder leger in de nationale mythologie als onoverwinnelijk geldt, zagen de heersende klassen van Rusland niet in waarom zij voor het tsaristische leger een uitzondering zouden maken. In werkelijkheid vormde zij slechts een werkelijke macht voor zover zij ingezet werd tegen de halfbarbaarse volkeren, de kleine buren en staten die in ontbinding verkeerden. In de Europese arena trad zij slechts in coalities op. Bij de verdediging vervulde zij haar taak slechts in samenhang met de onmetelijke uitgestrektheid, de bevolkingsschaarste en de onbegaanbaarheid van de wegen. Een virtuoos in het leger van lijfeigenen-moezjieks was Soevorov. De Franse Revolutie, die voor een nieuwe maatschappij en een nieuwe krijgskunst de poorten opende, velde tegelijkertijd het doodvonnis over het leger van Soevorov.

De gedeeltelijke afschaffing van het lijfeigenschap en de invoering van de algemene dienstplicht moderniseerden het leger in dezelfde mate als het land, d.w.z. zij brachten in het leger alle tegenstellingen van de natie die nog haar burgerlijke revolutie moest doormaken. Het tsaristische leger werd dan wel naar westers voorbeeld opgebouwd en uitgerust, maar dit betrof meer de vorm dan het wezen. Het cultuurniveau van de boer-soldaat was niet in overeenstemming met de stand van de oorlogstechniek.

In de legerleiding kwamen de onbeschaafdheid, de luiheid en de diefachtigheid van de heersende klassen van Rusland tot uitdrukking. Industrie- en transportwezen legden voortdurend hun gebrekkigheid aan de dag tegenover de geconcentreerde behoeften van de oorlogstijd. De troepen, die bij het uitbreken van de oorlog afdoende uitgerust leken te zijn, bleken spoedig niet alleen zonder wapens, maar ook zonder schoenen te vallen. In de Russisch-Japanse oorlog had het tsaristisch leger getoond wat het waard was. In de tijd van de contrarevolutie had de monarchie met behulp van de Doema de legerkampen aangevuld en het leger, en ook de reputatie van zijn onoverwinnelijkheid, min of meer opgelapt. In het jaar 1914 kwam er een nieuwe, veel ernstigere vuurproef.

Wat betreft haar uitrusting en financiën toont Rusland zich in de oorlog evenzeer afhankelijk van haar bondgenoten. Dit is slechts de militaire uitdrukking van haar algemene afhankelijkheid van de ontwikkelde kapitalistische landen. De hulp van de bondgenoten volstaat echter niet om de situatie te redden. Het gebrek aan oorlogsvoorraden, het tekort aan fabrieken voor de productie ervan, het dunne spoorwegnet voor hun aanvoer, … drukken de achtergeblevenheid van Rusland uit in de voor iedereen duidelijke taal van de nederlagen, die er de Russische nationaal-liberalen aan herinneren dat hun voorvaderen de burgerlijke revolutie niet volbracht hadden en de nakomelingen daarom bij de geschiedenis in de schuld staan.

De eerste dagen van de oorlog waren ook de eerste dagen van smaad. Na een reeks gedeeltelijke catastrofen begon in de lente van 1915 de algemene terugtocht. De generaals koelden hun misdadige onbekwaamheid op de vreedzame bevolking. Uitgestrekte vlakten werden gewelddadig verwoest. De mensenmassa werd met zweepslagen het achterland in gedreven. De verwoesting buiten het land werd door die in het land voltooid.

Op bezorgde vragen van zijn collega’s over de toestand aan het front antwoordde de minister van oorlog, generaal Polivanov, woordelijk: “Ik vertrouw op de onbegaanbare vlakten, op de bodemloze moerassen en op de genade van de heilige Nicolaas Mirlikijski, de beschermheilige van het heilige Rusland” (zitting van 4 augustus 1915). Een week later bekende generaal Roesski aan dezelfde ministers: “De eisen van de moderne oorlogstechniek gaan onze krachten te boven. In elk geval kunnen wij tegen Duitsland niet op.” Dit was geen stemming van het ogenblik. De officier Stankevitsj geeft de woorden van een legeringenieur aldus weer: “Met de Duitsers oorlog voeren, is hopeloos. Want wij zijn niet in staat ook maar iets te doen. Zelfs de nieuwe oorlogsmethoden leiden voor ons tot debacles.” Van zulke oordeelvellingen waren er talloze.

Het enige wat de Russische generaals energiek deden, was mensenvlees halen uit het land. Met rund- en varkensvlees ging men veel spaarzamer om. De grijze nullen uit de generale staf, Janoesjkevitsj onder Nicolai Nicolajevitsj, evenals Alexejev onder de tsaar, stopten de gaten met nieuwe lichtingen en troostten zichzelf en de geallieerden met cijfercolonnes, terwijl men strijderscolonnes nodig had. Ongeveer 15 miljoen mensen werden gemobiliseerd. Zij vulden de depots, kazernes en etappen, waar ze rondhingen, rondliepen, elkaar op de tenen trapten, elkaar verbitterden, vloekten. Terwijl deze mensenmassa’s voor het front een fictieve grootheid vormden, waren zij een belangrijke factor voor het verval in het achterland. Ongeveer 5,5 miljoen mensen werden als dood, verwond en gevangen geregistreerd. Het aantal deserteurs steeg. Reeds in juli 1915 jammerden de ministers: “Arm Rusland. Zelfs haar leger, dat in vroegere tijden de wereld met overwinningsgedruis vervuld had… zelfs dit bestaat, zoals nu aan het licht komt, slechts uit lafaards en deserteurs.”

Dezelfde ministers die met galgenhumor over de “terugtochtsmoed” van de generaals schertsten, spendeerden uren aan het probleem of men de relikwieën uit Kiev moest wegbrengen of niet? De tsaar was van mening dat dit niet nodig was, want “de Duitsers zouden het niet wagen ze aan te roeren en als zij ze wel aanroerden, des te erger voor de Duitsers.” De Synode echter begon ze reeds weg te voeren: “Wanneer wij de stad verlaten, nemen wij dat wat ons het meest dierbaar is mee.” Dit gebeurde niet ten tijde van de kruistochten, maar in de twintigste eeuw, terwijl het nieuws over de Russische nederlagen radiografisch doorgeseind werd.

Ruslands successen tegenover Oostenrijk-Hongarije vonden meer hun oorzaak in Oostenrijk-Hongarije dan in Rusland. De uiteenvallende Habsburgse monarchie zocht reeds lang een doodgraver, zonder daarbij hoge eisen aan diens bekwaamheid te stellen. Rusland had ook in het verleden succes gehad tegen in ontbinding verkerende staten zoals Turkije, Polen en Perzië. Het Zuid-Westelijk front van het Russische leger, dat tegen Oostenrijk-Hongarije gekeerd was, kende belangrijke overwinningen en hierin verschilde het van de andere fronten. Hier onderscheidden zich enige generaals die weliswaar niets door hun militaire bekwaamheid bewezen hadden, maar die althans niet door het fatalisme van voortdurend verslagen aanvoerders gekenmerkt werden. Uit dit milieu kwamen later enkele witte “helden” van de burgeroorlog voort.

Allen zochten iemand als zondebok. Men beschuldigde botweg de joden van spionage. Men plunderde mensen met Duitse namen. De generale staf van grootvorst Nicolai Nicolajevitsj liet de gendarmerie-overste Mjassojedov als Duits spion doodschieten, hoewel hij dit naar alle waarschijnlijkheid niet was. Men arresteerde de minister van oorlog Soechomlinov, een slonzig en lui persoon, onder de beschuldiging van verraad die wellicht niet gegrond was. De Engelse minister van buitenlandse zaken Grey zei tot de voorzitter van de Russische parlementaire delegatie: “Uw regering is wel zeer stoutmoedig dat zij in oorlogstijd de minister van oorlog van verraad durft te beschuldigen.” De generale staven en de Doema verweten het hof pro-Duitse gezindheid. Zonder uitzondering benijdden en haatten zij allen de geallieerden. Het Franse opperbevel spaarde zijn legers terwijl het Russische soldaten vooruitschoof. Engeland kwam slechts langzaam in beweging. In de salons van Petrograd en in de generale staven aan het front schertste men: “Engeland heeft gezworen standvastig vol te houden tot de laatste druppel bloed van de Russische soldaten.” Deze grapjes sijpelden naar beneden en drongen tot aan het front door. “Alles voor de oorlog!” zeiden ministers, afgevaardigden, generaals, journalisten. “Ja,” begon de soldaat in de loopgraven te piekeren, “allemaal zijn ze bereid te vechten tot de laatste druppel van mijn bloed.”

Het Russische leger verloor in de oorlog meer doden dan gelijk welk ander leger dat aan de slachtingen deelnam, namelijk 2,5 miljoen zielen of ongeveer 40% van de verliezen van alle Ententelegers. In de eerste maanden stierven de soldaten onder het geschutvuur zonder na te denken, althans zonder veel na te denken. Niettemin deden zij dagelijks meer ervaring op, de bittere ervaring van de “minderen” die men niet in staat is te leiden. Zij maten de wirwar van doelloze verplaatsingen van de zijde van hun generaals af aan de afgesleten zolen en het aantal verzuimde middagmalen. Uit de bloedige brei van mensen en dingen ontstond de veralgemenende term: waanzin. In de soldatentaal werd dit door een sappiger woord vervangen.

Het snelst kwam de uit boeren bestaande infanterie tot ontbinding. De artillerie, met haar hoog percentage industriearbeiders, onderscheidde zich in het algemeen door een grotere toegankelijkheid voor revolutionaire ideeën. Dat was al in het jaar 1905 duidelijk gebleken. Wanneer de artillerie zich in het jaar 1917 daarentegen conservatiever toonde dan de infanterie, kwam dit omdat de infanterietroepen steeds opnieuw moesten vervangen worden door minder bewerkte mensenmassa’s terwijl de verliezen bij de artillerie beperkter waren en het oude kader daar meer overeind bleef. Hetzelfde was het geval bij andere speciale troepen. Maar tenslotte hield ook de artillerie geen stand.

Tijdens de terugtocht uit Galicië werd een geheim order van de opperbevelhebber uitgevaardigd: voor desertie en andere misdrijven moesten de soldaten met roeden getuchtigd worden. Soldaat Pirejko vertelt: “Men begon de soldaten voor de geringste vergrijpen te tuchtigen, zoals bijvoorbeeld wegens het zich eigenmachtig voor enige uren verwijderen van de troep; soms sloeg men alleen maar met het doel de strijdlust aan te wakkeren.” Reeds op 17 september 1915 schreef Koeropatkin, zich beroepend op Goetsjkov: “De soldaten gingen met geestdrift in de oorlog. Nu zijn zij moe en hebben ze door de onafgebroken terugtocht het geloof in de overwinning verloren.” Ongeveer tezelfdertijd karakteriseerde de minister van binnenlandse zaken de 30.000 genezende soldaten die zich te Moskou in de lazaretten bevonden: “Dit is een woeste bende die geen discipline aanvaardt, schandaal maakt, met de oppassers vecht (kort tevoren was een van hen door de soldaten doodgeslagen), arrestanten bevrijdt enz. Het is aan geen twijfel onderhevig dat deze horde zich in geval van onlusten bij de menigte zal aansluiten.” Dezelfde soldaat Pirejko schrijft: “Allen stelden zonder uitzondering alleen maar belang in de vrede… Wie zou overwinnen en hoe de overwinning er zou uitzien, dit interesseerde het leger niet in het minst: het had behoefte aan vrede tot elke prijs, want het was oorlogsmoe.”

Een vrouw met opmerkingsgave, S. Fedortsjenko, heeft als ziekenverpleegster de gesprekken, ja bijna zelfs de gedachten van de soldaten beluisterd en op losse blaadjes opgetekend. Het op deze wijze ontstane boekje “Volk in de oorlog” maakt het mogelijk een blik te werpen in dat laboratorium waar bommen, prikkeldraad, gifgas en laagheid van de overheid gedurende vele maanden het bewustzijn van enige miljoenen Russische boeren bewerkten en waar naast menselijke beenderen eeuwenoude vooroordelen kraakten. In vele van deze oorspronkelijke soldaten-aforismen zijn reeds parolen van de latere burgeroorlog te vinden.

Generaal Roesski klaagde in december 1916 dat Riga het ongeluk van het Noordelijk front was. Dat was net als Dvinsk een “door propaganda verpest nest.” Generaal Broessilov bevestigde dit: “Uit het district Riga kwamen de troepenafdelingen gedemoraliseerd aan, de soldaten weigerden tot de aanval over te gaan, een compagniescommandant had men aan de bajonet geregen, men had enige mannen moeten fusilleren enz.” “De basis voor de definitieve ontbinding van het leger was reeds lang voor de omwenteling voorbereid,” erkende Rodsjanko die met officieren in verbinding stond en meermaals het front bezocht.

De aanvankelijk verbrokkelde revolutionaire elementen waren bijna spoorloos in het leger ondergegaan. Met het toenemen van de algemene ontevredenheid kwamen zij aan de oppervlakte. Het bij wijze van straf verbannen van stakende arbeiders naar het front vulde de rijen van de agitators aan en deze vonden een gretig gehoor bij de terugtrekkende soldaten. “Het leger in het achterland en vooral aan het front,” meldt de Ochrana, “zit vol elementen die voor een deel een actieve kracht in een eventuele opstand kunnen worden, terwijl de anderen slechts in staat zullen zijn het onderdrukkingswerk te weigeren.” De gendarmerieleiding van het district Petrograd meldde in oktober 1916 dat de stemming in het leger zorgwekkend en de verhouding tussen officieren en soldaten uiterst gespannen was, dat er zelfs bloedige botsingen voorkwamen en dat men overal duizenden deserteurs ontmoette. “Iedereen die met het leger in aanraking komt, moet een volledige en overtuigende indruk van de volslagen demoralisatie van de troepen krijgen.” Uit voorzichtigheid wordt eraan toegevoegd dat veel van deze berichten niet waarschijnlijk lijken, maar toch voor waarheid moeten aangenomen worden aangezien veel dokters die van het actieve leger terugkomen gelijkaardige verslagen brengen.

De stemming in het achterland kwam overeen met de stemming aan het front. Op een bijeenkomst van de kadettenpartij in oktober 1916 bracht het merendeel van de afgevaardigden de apathie van het leger en het wantrouwen aan een succesvolle afloop van de oorlog naar voren – in alle lagen van de bevolking, vooral echter in de dorpen en onder de armen in de steden. De directeur van het departement van politie schreef op 30 oktober 1916 in zijn rapport over de “overal en in alle bevolkingslagen waar te nemen oorlogsmoeheid en het verlangen naar een spoedige vrede, onder welke voorwaarden deze ook gesloten mocht worden…” Enkele maanden later zullen al deze heerschappen, afgevaardigden en politiebeambten, generaals en Zemstvo-gevolmachtigden, artsen en vroegere gendarmes eenstemmig beweren dat de revolutie het patriottisme in het leger gedood heeft en dat de bolsjewieken hen de stellige overwinning uit handen geslagen hebben.

Als koorleiders van het oorlogszuchtig patriottisme traden de constitutionele democraten (kadetten) op. Nadat het liberalisme zijn problematische band met de revolutie reeds eind 1905 verbroken had, hief het bij het aanvangen van de contrarevolutie het vaandel van het imperialisme omhoog. Het een volgde uit het ander. Ontbreekt de mogelijkheid het land van feodale rommel te zuiveren, om aan de burgerij de heersende plaats te verzekeren, dan blijft slechts een bondgenootschap met de monarchie en de adel over om aan het kapitaal een betere plaats op het wereldtoneel te verzekeren. Indien het waar is dat de wereldcatastrofe van verschillende kanten voorbereid en voor de verantwoordelijke organisatoren ervan tot op zekere hoogte als een verrassing gekomen was, dan lijdt het eveneens geen twijfel dat het Russische liberalisme als inspirator van de buitenlandse politiek van de monarchie niet de laatste plaats bij haar voorbereiding ingenomen heeft. De leiders van de Russische burgerij begroetten de oorlog van 1914 met het volste recht als hun oorlog. In de feestelijke zitting van de Rijksdoema van 26 juli 1914 verkondigde de vertegenwoordiger van de kadettenfractie: “Wij stellen geen voorwaarden en eisen, wij leggen eenvoudig de vaste wil om de tegenstander te overwinnen op de weegschaal.” De nationale gedachte werd ook in Rusland tot officiële leer verheven. Tijdens de vaderlandslievende demonstraties in Moskou verklaarde de opperceremoniemeester, graaf Denkendorf, aan de diplomaten: “Hier is de revolutie die men ons in Berlijn voorspeld heeft!” “Deze gedachte is het,” verklaart de Franse gezant Paleologue, “die blijkbaar iedereen bezighoudt.” Deze mensen beschouwden het als hun plicht illusies te wekken en te verspreiden in een situatie die schijnbaar elke illusie volkomen uitsloot.

Men behoefde niet lang op ontnuchterende lessen te wachten. Reeds direct na het begin van de oorlog riep één van de meest uitbundige kadetten, de advocaat en grootgrondbezitter Roditsjev, in de zitting van het hoofdbestuur van zijn partij uit: “Geloof je dan echt dat men met deze domkoppen overwinnen kan!” De gebeurtenissen lieten zien dat men met domkoppen inderdaad niet overwinnen kon. Nadat ze het geloof in de overwinning reeds grotendeels verloren had, probeerde het liberalisme het voortduren van de oorlog tot een zuivering van de hofkliek te benutten en de monarchie tot een compromis te dwingen. Als voornaamste middel tot dit doel dienden de tegen de hofpartij gerichte beschuldigingen van een pro-Duitse gezindheid en een voorbereiding van een afzonderlijke vrede. In de lente van 1915, toen de troepen zonder wapens over het gehele front terugtrokken, werd in de regeringskringen, niet zonder druk van de kant van de Geallieerden, besloten de ondernemingslust van de particuliere industrie aan het werk te zetten voor het leger. De voor dit doel in het leven geroepen “Bijzondere Commissie” omvatte naast de ambtenarij de meest invloedrijke leiders van de industrie. De bij het uitbreken van de oorlog ontstane Zemstvo-verbanden en stedelijke verbanden en de in de lente van 1915 gestichte oorlogsindustriecomité’s werden steunpunten van de burgerij in de strijd om de overwinning en de macht. De Rijksdoema moest, steunend op deze organisaties, des te zekerder als schakel tussen burgerij en monarchie optreden.

De wijde politieke toekomstperspectieven leidden echter niet de blik af van de gewichtige taken van het ogenblik. De “Bijzondere Commissie” zorgde voor tientallen en honderden miljoenen, later zelfs miljarden, die rijkelijk doorvloeiden naar de industrie en onderweg nog menige eetlust stilden. In de Rijksdoema en in de pers werden enkele oorlogswinsten voor het jaar 1915 tot 1916 meegedeeld: de maatschappij van de Moskouse liberale textielfabrikant Rjaboesjinski was goed voor 75% netto winst; de Tver manufactuur zelfs 111%, het koperwalswerk Koljtsjoegin wierp bij een maatschappelijk kapitaal van 10 miljoen 12 miljoen winst af. De deugd van het patriottisme werd in deze sector rijkelijk en bovendien onverwijld beloond.

Speculaties van verschillende aard en het gokken op de beurzen groeiden tot in het waanzinnige aan. Reusachtige vermogens ontstonden uit het bloedbad. Het gebrek aan brood en brandstof in de hoofdstad beletten de hofjuwelier Faberget niet te snoeven dat hij nog nooit zulke goede zaken gedaan had. De hofdame Vyroebova vertelde dat in geen enkel seizoen zulke dure kleren besteld en zoveel briljanten gekocht werden als in de winter van 1915 op 1916. De nachtkroegen waren boordevol met helden van het achterland, legale deserteurs en andere dergelijke achtenswaardige lieden, te oud voor het front, maar nog jong genoeg voor de vreugden van het leven. De grootvorsten waren nooit de laatsten onder de deelnemers aan het feestgelag gedurende periodes van pest. Niemand was bang teveel uit te geven. Een gouden regen stroomde onafgebroken neer. De society hield handen en zakken op, de aristocratische dames namen de rokken op, allen waadden door het bloedbad, bankiers, intendanten, industriëlen, tsaren- en grootvorstenballerina’s, orthodoxe hiërarchen, hofdames, liberale afgevaardigden, front- en etappengeneraals, radicale advocaten, doorluchtige femelaars van beiderlei kunne, talrijke neven en vooral nichten, allen haastten zich zoveel mogelijk bijeen te stelen en te verbrassen, uit angst dat de milde regen zou kunnen ophouden, en allen wezen de smadelijke gedachte aan een voortijdige vrede verontwaardigd van de hand.

Gemeenschappelijke winsten, nederlagen naar buiten en gevaren in het binnenland brachten de bezittende klassen nader tot elkaar. De Doema die aan de vooravond van de oorlog nog veel onenigheid kende, verwierf in 1915 een patriottische oppositionele meerderheid die de naam ‘vooruitstrevend blok’ aannam. Natuurlijk werd de “bevrediging van de door de oorlog geschapen behoeften” officieel als doel geproclameerd. Van links traden de sociaaldemocraten en de trudoviken (boerenafgevaardigden) niet tot het blok toe, van rechts de openlijke Zwarte Honderdgroepen. Alle overige fracties van de Doema: kadetten, progressisten, drie groepen oktobristen, centrum en een deel van de nationalisten behoorden tot het blok of steunden dit, benevens de nationale groepen, zoals de Polen, Litauers, muzelmannen, Joden, enz. Om de tsaar niet door de formule van de ministeriële verantwoordelijkheid af te schrikken, eiste het blok “een coalitieregering bestaande uit personen die het vertrouwen van het land genieten.” De minister van binnenlandse zaken, vorst Sjtsjerbatov, karakteriseerde het vooruitstrevend blok in die tijd reeds als een tijdelijke “vereniging in het leven geroepen door de gevaren van de sociale revolutie.” Er was overigens niet veel scherpzinnigheid nodig om dit te begrijpen. Miljoekov, die aan het hoofd van de kadetten en daarmee ook van het oppositionele blok stond, zei op het congres van zijn partij: “Wij leven op een vulkaan. De spanning heeft haar hoogtepunt bereikt. Een onvoorzichtig weggeworpen lucifer is voldoende om een verschrikkelijke brand te doen oplaaien. Welke macht het ook zijn moge – goed of slecht – meer dan ooit is nu een sterke macht nodig.”

De hoop dat de tsaar onder de druk van de nederlagen tot toegevingen bereid zou zijn, was zo groot, dat de liberale pers in augustus een volledige lijst van het toekomstig “vertrouwenskabinet” publiceerde, met de voorzitter van de Doema, Rodsjanko, als eerste minister (volgens een andere lezing was de voorzitter van het Zemstvoverband, vorst Lvov, voor deze rol uitverkoren), Goetsjkov als minister van binnenlandse zaken, Miljoekov als minister van buitenlandse zaken, enz. Het merendeel van deze personen, die voor een bondgenootschap met de tsaar tegen de revolutie bestemd waren, werd anderhalf jaar later lid van de “revolutionaire” regering. Zulke grappen veroorloofde de geschiedenis zich meer dan eens. Ditmaal duurde de grap in ieder geval maar kort.

Het merendeel van de ministers van het kabinet Goremykin was door de loop van de gebeurtenissen niet minder verschrikt dan de kadetten tot een overeenkomst met het vooruitstrevend blok geneigd. “Een regering achter welke noch het vertrouwen van de drager van het hoogste gezag, noch van het leger, de steden, de Zemstvo’s, de adel, de kooplieden of de arbeiders staat, kan niet alleen niet arbeiden, maar ook niet bestaan. Dit is een evidente absurditeit.” Met deze woorden beoordeelde vorst Sjtsjerbatov in augustus 1915 die regering waarin hij zelf minister van binnenlandse zaken was. “Men moet alleen maar alles netjes voor elkaar brengen en een gaatje openlaten,” zei de minister van buitenlandse zaken Sasonov, “en de kadetten zullen de eersten zijn om op een overeenkomst in te gaan: Miljoekov is de grootste bourgeois die er bestaat en hij is nergens zo bang voor als voor de sociale revolutie. Zoals in het algemeen het merendeel van de kadetten siddert voor hun kapitaal.” Ook Miljoekov van zijn kant was van mening dat het vooruitstrevend blok “in menig opzicht zou moeten toegeven.” Beide partijen waren derhalve bereid te marchanderen en alles leek gesmeerd te lopen. Op 29 augustus reisde echter de premier Goremykin – een onder zijn jaren en waardigheden gebukt gaande bureaucraat, een oude cynicus, die aan politiek deed tussen twee grote patiences in en voor alle klachten de uitvlucht had dat de oorlog hem “niet aanging” – met een bericht voor de tsaar naar het hoofdkwartier en keerde met de tijding terug dat alles en eenieder op zijn plaats moest blijven, behalve de weerspannige Doema die op 3 september ontbonden moest worden. Het voorlezen van de proclamatie van de tsaar over de Doemaontbinding werd zonder een woord van protest aangehoord; de afgevaardigden brachten een “hoera” op de tsaar uit en gingen uiteen.

Hoe kon echter de tsarenregering die volgens haar eigen bekentenis nergens enig steunpunt had, zich daarna nog meer dan anderhalf jaar op de been houden? Tijdelijke successen van de Russische troepen droegen hier ongetwijfeld toe bij, evenals ook de milde gouden regen. De successen aan het front hielden echter spoedig op, maar de winsten in het achterland gingen door. De voornaamste oorzaak van de bevestiging van de monarchie twaalf maanden voor haar val lag echter in de scherpe differentiatie in de ontevredenheid van het volk. De chef van de Ochrana te Moskou maakte in juli melding van toenemende rechtse stemmingen bij de burgerij onder invloed van “de angst voor de mogelijkheid van revolutionaire excessen na de oorlog.” Een revolutie gedurende de oorlog achtte men, naar wij zien, nog altijd uitgesloten. De industriëlen waren bovendien bezorgd “over het aanpappen van enkele leiders van het oorlogsindustriecomité met het proletariaat.” De algemene conclusie van de gendarmerieoverste Martynov, aan wie de ambtshalve lezing van de marxistische literatuur niet spoorloos voorbijgegaan was, luidde dat de oorzaak van een zekere verbetering in de politieke toestand gezocht moest worden “in de meer en meer voortschrijdende differentiatie van de maatschappelijke klassen, die de in de tegenwoordige tijd buitengewoon sterk voelbare scherpe belangentegenstellingen laten zien.”

De Doemaontbinding in september 1915 was een regelrechte tarting van de burgerij, en niet van de arbeiders. Maar terwijl de liberalen onder een weliswaar niet erg geestdriftig “hoera”-geroep uit elkaar gingen, antwoordden de arbeiders van Petrograd en Moskou met proteststakingen. Dit deed de liberalen nog meer bekoelen. Zij waren het meest beducht voor de inmenging van de ongevraagde derde in hun familietwist met de monarchie. Wat bleef er echter nog te doen? Onder een zacht gemor van zijn linkervleugel maakte het liberalisme de keuze volgens het beproefd recept: uitsluitend op legale bodem blijven en door het vervullen van de patriottische taak de bureaucratie “om zo te zeggen overbodig” maken. De eis van een liberaal kabinet verdween in elk geval van tafel.

De toestand verslechterde intussen automatisch. In mei 1916 kwam de Doema weer bijeen, niemand wist echter waartoe. Het was allerminst haar bedoeling tot de revolutie op te roepen. Overigens had zij niets te zeggen. “In deze zitting,” herinnert zich later Rodsjanko, “vorderde het werk slechts traag, de afgevaardigden bezochten de zittingen onregelmatig. De eeuwige strijd scheen onvruchtbaar, de regering wilde van niets horen, de economische chaos nam toe en het land ging zijn ondergang tegemoet.” In de angst van de burgerij voor de revolutie en in de onmacht van de burgerij zonder revolutie vond de monarchie gedurende het jaar 1916 een zekere maatschappelijke steun.

In de herfst verscherpte de toestand nog meer. De hopeloosheid van de oorlog werd voor iedereen duidelijk, de ontevredenheid van de volksmassa’s dreigde elk ogenblik tot een uitbarsting te leiden. Terwijl zij voortgingen het hof wegens pro-Duitse gezindheid aan te vallen, oordeelden de liberalen het tegelijkertijd noodzakelijk de vredeskansen af te wegen, hun dag van morgen voor te bereiden. Zo alleen zijn de onderhandelingen van een leider van het vooruitstrevend blok, van de afgevaardigde Protopopow, met de Duitse diplomaat Warburg in de herfst van 1916 te Stockholm te verklaren. Een Doemadelegatie, die vriendschappelijke bezoeken aan de Fransen en Engelsen bracht, had er zich in Parijs en Londen gemakkelijk van kunnen overtuigen dat de geliefde bondgenoten de bedoeling hadden gedurende de oorlog alle levenssappen uit Rusland te persen, om na de overwinning het achtergebleven land tot voornaamste terrein van economische uitbuiting te maken. Het verslagen Rusland op sleeptouw van de overwinnende Entente zou een koloniaal Rusland betekend hebben. Er bleef de Russische bezittende klassen geen andere uitweg over dan te trachten zich uit de innige omhelzing van de Entente los te maken en, gebruik makend van het antagonisme van de twee machtige strijdende partijen, een eigen weg tot de vrede te vinden. De samenkomst van de voorzitter van de Doemadelegatie met de Duitse diplomaat als eerste stap op deze weg, betekende zowel een bedreiging aan het adres van de Geallieerden met het doel concessies te verkrijgen, als ook een afweging van de reële mogelijkheden van een toenadering tot Duitsland. Protopopov handelde met instemming van de tsaristische diplomatie – de samenkomst zelf vond plaats in tegenwoordigheid van de Russische gezant in Zweden – maar ook van de gehele delegatie van de Rijksdoema. Bovendien hadden de liberalen met deze polsing een niet minder belangrijk doel in het binnenland: Verlaat U op ons – gaven zij de tsaar te kennen – en wij zullen u een afzonderlijke vrede bezorgen, beter, en zekerder dan Sturmer. Volgens het plan van Protopopov, d.w.z. van zijn raadgevers, moest de Russische regering de Geallieerden “enkele maanden eerder” te kennen geven dat zij zich gedwongen zag de oorlog te beëindigen en dat Rusland, indien de Geallieerden zouden weigeren vredesonderhandelingen te openen, een afzonderlijke vrede met Duitsland moest sluiten. In zijn na de revolutie opgestelde biecht spreekt Protopopov als van iets volkomen natuurlijks: “Alle verstandige mensen in Rusland, waarschijnlijk alle leiders van de partij van de “volksvrijheid” (kadetten), waren ervan overtuigd dat Rusland niet in staat was de oorlog voort te zetten.”

De tsaar, aan wie Protopopov na zijn terugkeer rapport over de reis en de onderhandelingen uitbracht, stemde volkomen in met de gedachte van een afzonderlijke vrede. Hij zag alleen geen reden de liberalen in deze zaak te betrekken. Dat Protopopov zich intussen zelf bij de hofhouding aansloot en met het vooruitstrevend blok brak, is uit het persoonlijk karakter van deze dandy te verklaren, die naar eigen zeggen op de tsaar, de tsarina en tegelijk op de onverwacht gekomen ministerportefeuille van binnenlandse zaken verliefd geworden was. De episode van Protopopov’s verraad aan het liberalisme verandert echter in het geheel niets aan de betekenis van de liberale buitenlandse politiek als een mengeling van hebzucht, lafheid en woordbreuk.

Op 1 november kwam de Doema weer bijeen. De spanning in het land was ondragelijk geworden. Men verwachtte beslissende stappen van de Doema. Men moest iets doen of althans iets zeggen. Het vooruitstrevende blok zag zich weer eens genoodzaakt om zijn toevlucht te nemen tot parlementaire onthullingen. Terwijl hij de voornaamste stappen van de kant van de regering vanaf het spreekgestoelte opsomde, vroeg Miljoekov keer op keer: “Is dit domheid of verraad?” Ook de overige afgevaardigden sloegen een hoge toon aan. De regering vond bijna geen verdedigers. Zij antwoordde op haar manier: het werd verboden de Doemaredevoeringen te drukken. Daardoor vonden zij aftrek in miljoenen exemplaren. Er was geen enkel regeringsbureau, noch in het achterland, noch aan het front, waarin men de verboden redevoeringen niet overschreef, dikwijls voorzien van op- en aanmerkingen overeenkomstig het temperament van degene die ze overschreef. De echo van de debatten van 1 november was zodanig dat degenen die de onthullingen gedaan hadden er zelf van rilden.

Een groep van uiterst rechtse bureaucraten in merg en been, overhandigde op instigatie van Doernowo, de bedwinger van de revolutie van 1905, op dit ogenblik aan de tsaar een memorandum dat een programma behelsde. De zeer ervaren waardigheidsbekleders, die een serieuze politieschool doorlopen hadden, zagen ver genoeg en zagen lang niet slecht, en als hun recepten ondeugdelijk waren, dan kwam dit slechts doordat er tegen de ziekten van het oude regime geen enkel geneesmiddel bestond. De opstellers van het memorandum keerden zich tegen iedere concessie aan de burgerlijke oppositie, niet omdat de liberalen wellicht zover zouden kunnen gaan als de vulgaire zwarte-honderden meenden, op wie deze reactionairen vanuit de hoogte neerzagen – neen, het ongeluk was, dat de liberalen “zo zwak, zo onenig en, het moet ronduit gezegd worden, zo onbekwaam zijn dat hun overwinning van even korte duur als onzeker zou zijn.” De zwakte van de voornaamste oppositiepartij, van de “constitutioneel-democratische” (kadetten), blijkt reeds uit haar naam: zij noemt zich democratisch ofschoon zij in wezen burgerlijk is. Terwijl zij in hoge mate de partij van de liberale grootgrondbezitters is, heeft zij in haar programma de gedwongen onteigening van de grond opgenomen. “Zonder deze troeven uit een vreemd kaartspel,” schreven de geheimraden, terwijl zij de beeldspraak die zij gewoon waren gebruikten, “zijn de kadetten niets anders dan een groot gezelschap van diverse liberale advocaten, professoren en beambten – meer niet.” Een revolutionair is, zeggen zij, iets anders. De betekenis van de revolutionaire partijen wordt in het memorandum tandenknarsend erkend: “Het gevaar en de macht van deze partijen bestaat hierin dat zij een idee, geld(!) en een massa die tot daden bereid en goed georganiseerd is, hebben.” De revolutionaire partijen “kunnen op de sympathie van het merendeel van de boeren rekenen, die direct hand in hand met het proletariaat zullen gaan zodra de revolutionaire leiders hen grond en bodem zullen voorhouden.” Wat zou onder deze omstandigheden de vorming van een verantwoordelijk ministerie tengevolge hebben? “De gehele en volkomen verplettering van de rechtse partijen, de geleidelijke opslorping van de middenpartijen – het centrum, de liberale conservatieven, oktobristen en progressisten – door de kadettenpartij, die in het begin een beslissende betekenis zou krijgen. De kadetten zou echter hetzelfde lot dreigen. En daarna? Daarna zou de revolutionaire massa op het toneel komen, de commune volgen, de ondergang van de dynastie, pogroms op de bezittende klassen en tenslotte – de rovermoezjiek.” Het valt niet te ontkennen dat de reactionair-politionele woede zich hier tot een merkwaardig historisch perspectief weet op te werken.

Het positieve programma van het memorandum is niet nieuw, maar consequent: een regering uit volkomen betrouwbare aanhangers van de alleenheerschappij; afschaffing van de Doema; staat van beleg in beide hoofdsteden; uitrusting van de krachten tot onderdrukking van de opstand. In wezen vormde dit programma dan ook de grondslag van de regeringspolitiek van de laatste maanden voor de revolutie. Wilde het succes hebben, dan was er echter een macht nodig zoals Doernovo in de winter van 1905 had, maar die in de herfst van 1917 niet meer bestond. De monarchie probeerde daarom het land heimelijk en broksgewijze te verstikken. De regering werd alleen met “eigen” mensen vernieuwd, met figuren die de tsaar en de tsarina onvoorwaardelijk trouw waren. Deze “eigen” mensen, en vooral de overloper Protopopov, waren echter onbelangrijke en onbeduidende personen. De Doema werd niet afgeschaft, maar wederom ontbonden; de afkondiging van de staat van beleg in Petrograd uitgesteld tot op het ogenblik waarop de revolutie reeds gezegevierd had. En de voor de onderdrukking van de opstand gereed gehouden militairen werden zelf door de opstand meegesleept. Dit alles bleek reeds na twee, drie maanden.

Het liberalisme spande intussen zijn laatste krachten in om de toestand te redden. Alle organisaties van de grootburgerij ondersteunden de redevoeringen van de Doemaoppositie in november met een reeks nadere verklaringen. Het meest uitdagend was de resolutie van de stedenbond van 9 december: “Onverantwoordelijke misdadigers en waanzinnige fanatici bereiden Ruslands nederlaag, schande en knechtschap voor.” Van de Rijksdoema wordt geëist “niet uiteen te gaan totdat een verantwoordelijke regering gevormd is.” Zelfs de Raad van State, het orgaan van de bureaucratie en van het grootkapitaal, sprak zich ervoor uit personen in de regering op te nemen die het vertrouwen van het land bezaten. Een dergelijk verzoek deed het congres van de verenigde adel; de bemoste stenen begonnen te spreken. Er veranderde echter niets. De monarchie gaf de rest van de macht niet uit handen.

De laatste zitting van de laatste Doema werd, na veel aarzelingen en talmen, op 14 februari 1917 vastgesteld. Nog geen twee weken later brak de revolutie uit. Men verwachtte demonstraties. In de “Rjetsj”, het orgaan van de kadetten, werd naast de bekendmaking van de chef van het militaire district Petrograd, generaal Chabalov, betreffende het demonstratieverbod, een brief van Miljoekov afgedrukt die de arbeiders waarschuwde voor “slechte en gevaarlijke raadgevingen,” die uit “obscure bronnen” stamden. Ondanks de stakingen verliep de opening van de Doema betrekkelijk rustig. Terwijl zij de schijn aannam dat de regeringskwestie niet meer belangrijk was, hield de Doema zich bezig met een acuut maar zuiver praktisch vraagstuk: de voedselvoorziening. “De stemming was mat,” herinnerde Rodsjanko zich later, “men besefte de onmacht van de Doema en voelde zich uitgeput van de vergeefse strijd. Miljoekov herhaalde meermaals dat het vooruitstrevend blok met woorden en alleen met woorden zou optreden.” Zo ging de Doema de maalstroom van de Februarirevolutie in.

De eigenaardigheden van de ontwikkeling van Rusland

De fundamentele, meest bestendige, karaktertrek van de geschiedenis van Rusland is zijn vertraagde ontwikkeling met de daaruit voortspruitende economische achtergeblevenheid, primitieve maatschappijvormen en laag cultuurniveau.

De bevolking van de reusachtige, barre, voor de oostelijke wind en Aziatische indringers openliggende vlakte was van nature tot een sterk achterblijven gedoemd. De strijd met de nomaden duurde bijna tot het einde van de 17de eeuw. De strijd met de winden, die in de winter ijzige koude en in de zomer droogte brengen, is ook nu nog niet beëindigd. De landbouw – de basis van de totale ontwikkeling – ontplooide zich op extensieve wijze. In het noorden werden de wouden omgekapt en neergebrand, in het zuiden werden de steppen opengelegd. Het in bezit nemen van de natuur voltrok zich in de breedte, niet in de diepte.

Terwijl de westelijke barbaren zich op de ruïnes van de Romeinse cultuur vestigden, waarbij ze vele oude stenen als bouwmateriaal konden gebruiken, vonden de slaven van het oosten in de troosteloze vlakte gee enkele erfenis, hun voorhangers stonden op een nog lager niveau dan zijzelf. De West-Europese volkeren die spoedig op hun natuurlijke grenzen moesten stuiten, schiepen economische en culturele centra: de handeldrijvende steden. De bevolking van de oostvlakte trok zich bij de eerste symptomen van begrensdheid in de wouden terug of trok weg naar de periferie, de steppen in. De initiatief- en ondernemingslust bezittende elementen onder de boeren werden in het westen stedelingen, handwerkers, kooplieden. De actieve en stoutmoedige elementen van het oosten werden enerzijds handelaren, maar anderzijds grotendeels Kozakken, grensbewoners, kolonisatoren. Het in het westen intensieve proces van sociale differentiatie werd in het oosten opgehouden en door het expansieproces vertroebeld. “De tsaar van de Moskovieten is dan wel christelijk, maar heerst over de mensen met een trage geest,” schreef Vico, een tijdgenoot van Peter I. De “trage geest” van de Moskovieten was een weerspiegeling van het langzame tempo van de economische ontwikkeling, van de primitieve vorm van de klassenverhoudingen, van de armoedige binnenlandse geschiedenis.

De oude beschavingen van Egypte, Indië en China hadden een voldoende zelfstandig karakter en deze volkeren beschikten over genoeg tijd om ondanks de laagstaande productiekrachten hun sociale verhoudingen tot een vrijwel gelijke, tot in details tredende volkomenheid te brengen, als waartoe de handwerkslieden van deze landen hun producten brachten. Rusland lag niet alleen geografisch tussen Europa en Azië, maar ook sociaal en historisch. Het onderscheidde zich van het Europese Westen, maar ook van het Aziatische Oosten en naderde in verschillende perioden in diverse opzichten nu eens tot het een, dan weer tot het ander. Het Oosten bracht het Tataarse juk, dat als een belangrijk element in de opbouw van de Russische staat overging. Het Westen was een nog gevaarlijker vijand, tegelijkertijd was het echter een leermeester. Rusland had geen mogelijkheid zich in de vormen van het Oosten verder te ontwikkelen, daar het gedwongen was zich steeds aan de militaire en economische druk van het Westen aan te passen.

Het bestaan van feodale betrekkingen, dat door de oude historici geloochend is, mag op grond van nieuwe onderzoekingen als absoluut zeker worden aangenomen. Nog sterker: de voornaamste elementen van het Russische feodalisme waren dezelfde als die in het Westen. Alleen reeds het feit dat het feodale tijdperk pas na langdurige wetenschappelijke twisten vastgesteld kon worden, levert reeds het bewijs van de onrijpheid van het Russische feodalisme, van zijn gebrekkige vorm en de armzaligheid van zijn cultuurmonumenten.

Een achtergebleven land neemt de materiële en geestelijke veroveringen van meer ontwikkelde landen over. Dit wil echter niet zeggen dat het deze slaafs volgt en alle fasen van hun verleden weer doorloopt. De theorie van het terugkeren van historische cycli – Vico en diens latere aanhangers – steunt op de bestudering van de kringloop van oude, vóórkapitalistische beschavingen, en gedeeltelijk ook op de eerste ervaringen van de kapitalistische ontwikkeling. Een zeker wederkeren van cultuurstadia op altijd weer nieuwe plaatsen was inderdaad met het plaatselijke en episodische karakter van het totale proces verbonden. Het kapitalisme betekent echter de overwinning op deze voorwaarden. Het bereidde voor en verwerkelijkte in zekere zin ook de universaliteit en de permanentie van de ontwikkeling van de mensheid. Dit sluit alleen reeds de mogelijkheid van een weerkeren van de ontwikkelingsvormen van afzonderlijke naties uit. Het achtergebleven land wordt gedwongen de landen die verder ontwikkeld zijn na te streven, waardoor het zich niet aan dezelfde volgorde kan houden. Het voorrecht van de historische achtergeblevenheid – en zulk een voorrecht bestaat – veroorlooft, of beter gezegd, dwingt het reeds bereikte vóór de eigenlijk daartoe bestemde tijd over te nemen en een reeks tussenfasen over te springen. De wilden ruilden de boog direct voor het geweer, zonder eerst de weg af te leggen die in het verleden tussen deze wapens lag. De Europese kolonisten in Amerika begonnen de geschiedenis niet van voren af aan. De omstandigheid dat Duitsland of de Verenigde Staten Engeland economisch ingehaald hebben, was juist door de achtergeblevenheid van hun kapitalistische ontwikkeling bepaald. Omgekeerd is de conservatieve anarchie in de Engelse kolenindustrie, evenals in de hoofden van Macdonald en zijn vrienden, een kwijting voor het verleden waarin Engeland te lang de rol van kapitalistische hegemoon gespeeld heeft. De ontwikkeling van een historisch achtergebleven volk leidt noodzakelijk tot een eigenaardige ineenvloeiing van verschillende stadia van het historische proces. De kringloop krijgt in zijn totaliteit een niet planmatig, gecompliceerd, gecombineerd karakter.

De mogelijkheid om fasen over te springen, is natuurlijk niet absoluut. Haar grens wordt in laatste instantie door de economische en culturele receptiviteit van het land bepaald. Een achtergebleven natie drukt bovendien de sociale verworvenheden, die zij kant en klaar van buiten overneemt, door aanpassing aan haar eigen meer primitieve cultuur neer. Het assimilatieproces krijgt daarbij een tegenstrijdig karakter. Zo bracht de importering van de elementen van westerse techniek en beschaving, vóór alles op het gebied van leger en manufactuur onder Peter I, de verscherping van het lijfeigenschapsrecht als basis van de organisatie van de arbeid mee. Europese bewapening en Europese leningen – het een zowel als het ander ongetwijfeld producten van een hogere cultuur -leidden tot een bevestiging van het tsarisme, dat van zijn kant weer de ontwikkeling van het land remde.

De historische wetmatigheid heeft niets gemeen met een verwaand schematisme. De ongelijkmatigheid, de meest algemene wet van het historisch proces, komt op de meest krasse en meest gecompliceerde wijze aan het licht in het lot van achtergebleven landen. Onder de zweep van een noodzakelijkheid van buitenaf is de achtergeblevenheid gedwongen sprongen te maken. Uit de algemene wet van de ongelijkmatigheid vloeit een andere wet voort, welke men bij gebrek aan een meer passende benaming de wet van de gecombineerde ontwikkeling kan noemen, in de zin van het tot elkaar komen van verschillende fasen, het doordringen van afzonderlijke stadia, het amalgaam van archaïsche en moderne vormen. Zonder deze wet, vanzelfsprekend opgevat in zijn gehele materiële inhoud, vermag men de geschiedenis van Rusland, evenals in het algemeen die van alle landen van een tweede, derde, en tiende cultuurklasse, niet te begrijpen.

Onder de druk van het rijkere Europa verslond de staat in Rusland een naar verhouding veel groter deel van het volksvermogen dan de staten in het Westen en veroordeelde daarmee niet alleen de volksmassa’s tot ergere armoede, maar verzwakte ook de grondslagen van de bezittende klassen. Daar de staat tegelijk de hulp van deze laatste nodig had, forceerde en reglementeerde zij haar ontwikkeling. Dientengevolge konden de gebureaucratiseerde geprivilegieerde klassen zich nooit ten volle oprichten en des te meer naderde de staat in Rusland tot de Aziatische despotie.

De Byzantijnse alleenheerschappij, die de tsaren van Moskou zich officieel in het begin van de 16de eeuw toegeëigend hadden, temde met behulp van de adel het feodale Bojarendom [feodale aristocratie, noot van de vertalers] en onderwierp de adel. Tegelijkertijd maakte het de boeren tot slaaf van de adel en ontwikkelde het zich op deze grondslag tot het Petrogradse keizersabsolutisme. De trage gang van dit proces wordt voldoende getypeerd door het feit dat het lijfeigenschapsrecht, dat in de zestiende eeuw ontstaan was, in de zeventiende eeuw tot ontwikkeling kwam en in de achttiende zijn bloei bereikt had, pas in 1861 door de wetgever afgeschaft werd.

Na de adel heeft de geestelijkheid bij de vorming van de tsaristische alleenheerschappij geen geringe, maar een uitsluitend dienende rol gespeeld. De kerk klom in Rusland nooit tot die hoge regeringspost op als in het katholieke Westen. Zij nam genoegen met de positie van geestelijke knecht bij de alleenheerser en rekende zich dit als een verdienste van haar deemoed aan. Bisschoppen en metropolieten bezaten slechts macht als gevolmachtigden van het wereldlijk gezag. De patriarchen wisselden met de tsaren. In de Petrogradse periode werd de afhankelijkheid van de kerk ten opzichte van de staat nog slaafser. Tweehonderdduizend priesters en monniken vormden in wezen een deel van de bureaucratie, een soort geloofspolitie. Als tegenprestatie werden het monopolie van de orthodoxe geestelijkheid in geloofsaangelegenheden, haar landerijen en inkomsten door de algemene veiligheidspolitie van de staat beschermd.

Het slavofilendom, dit Messianisme van de achtergeblevenheid, fundeerde zijn filosofie daarop dat het Russische volk en diens kerk door en door democratisch is, terwijl het officiële Rusland een door Peter geïmporteerde Duitse bureaucratie was. Marx merkte hierover op: “Evenals de Teutoonse ezels het despotisme van Frederik II enz. op de Fransen afwentelden, alsof achterlijke knechten niet altijd beschaafde knechten nodig hadden om gedresseerd te worden.” Deze korte opmerking geeft een afdoende verklaring niet alleen van de oude filosofie van de slavofilen, maar ook van de nieuwste openbaringen van de ‘rasmaniakken’.

De karigheid van het Russische feodalisme, maar ook van de gehele oud-Russische geschiedenis, komt het allerdroevigst tot uiting in het gemis aan echt middeleeuwse steden als ambachts- en handelscentra. Het ambacht had in Rusland geen tijd gehad zich van de akkerbouw af te scheiden; het behield veel meer het karakter van huisarbeid. De oud-Russische steden waren centra van handel, bestuur, leger en adel, derhalve consumerend, niet producerend. Zelfs de aan de Hanze verwante stad Nowgorod, die het Tataarse juk niet gekend had, was slechts een handelsstad en geen nijverheidsstad. Weliswaar deed de verspreidheid van de boerenbedrijven in verschillende districten de behoefte aan een handelsbemiddeling op brede basis ontstaan. Doch de zwervende handelaars vermochten in het openbare leven geenszins die plaats in te nemen, welke in het Westen aan de in handwerksgilden georganiseerde en handeldrijvende klein- en middenbourgeoisie toekwam, die met haar boerenomgeving onafscheidelijk verbonden waren. De hoofdwegen van de Russische handel leidden bovendien naar het buitenland, verzekerden de leidende positie van oudsher aan het buitenlandse handelskapitaal en verleenden de gehele omzet, bij welke de Russische handelaar bemiddelaar tussen de westerse stad en het Russische dorp was, een half koloniaal karakter. Dit soort economische betrekking kwam tot verdere ontwikkeling in het tijdperk van het Russisch kapitalisme en bereikte zijn hoogste vorm in de imperialistische oorlog. De geringe betekenis van de Russische steden, die de voornaamste oorzaak was van het ontstaan van het Aziatische staatstype, sloot in het bijzonder de mogelijkheid van een Reformatie, d.w.z. een vervanging van de feodaalbureaucratische orthodoxie door een of andere gemoderniseerde variëteit van een aan de behoeften van de burgerlijke maatschappij aangepast christendom, uit. De strijd tegen de staatskerk had geen ander gevolg dan het stichten van boerensecten, waarvan het orthodox schisma de machtigste was.

Anderhalf decennium voor de grote Franse Revolutie ontbrandde in Rusland de beweging van de Kozakken, boeren en lijfeigenen-arbeiders uit de Oeral, die naar de naam van hun leider Poegatsjov genoemd werden. Wat had aan deze grimmige volksopstand ontbroken, om zich in een revolutie om te zetten? De derde stand. Zonder de handwerkersdemocratie van de steden kon de boerenoorlog zich evenmin tot een revolutie ontwikkelen, als de boerensecten zich tot een reformatie konden opwerken. Integendeel, de Poegatsjovsjtsjina leidde tot een versterking van het bureaucratisch absolutisme als de in moeilijke ogenblikken wederom beproefd gebleken beschermer van de belangen van de adel.

De Europeanisering van het land, die onder Peter formeel begonnen was, werd in de loop van de volgende eeuw meer en meer een behoefte van de heersende klasse zelf, d.w.z. van de adel. In het jaar 1825 grepen de adellijke intellectuelen naar het middel van een militaire samenzwering om aan deze behoefte een politieke vorm te geven. Het doel van de samenzwering was een beknotting van de alleenheerschappij. Onder de druk van de Europees-burgerlijke ontwikkeling probeerde de vooruitstrevende adel derhalve de ontbrekende derde stand te vervangen. Toch wilde zij het liberale bewind in ieder geval met de grondslagen van haar standenheerschappij vermengen en was daarom bovenal beducht de boeren in beweging te brengen. Het is niet verwonderlijk dat de samenzwering een onderneming van heldhaftige, maar geïsoleerde, officieren bleef, die zich daarbij nagenoeg zonder strijd te pletter liep. Dit was de betekenis van de decabristenopstand.

Grootgrondbezitters die fabrieken bezaten, waren de eersten van hun stand die zich bereid toonden over te gaan tot de invoering van de vrije arbeid. In dezelfde richting dreef de toenemende export van Russisch graan naar het buitenland. In het jaar 1861 voerde de adellijke bureaucratie, steunend op de liberale grondbezitters, de boerenhervorming door. Het onmachtig burgerlijk liberalisme zong bij deze onderneming gehoorzaam in het koor mee. Het is overbodig te zeggen dat het tsarisme Ruslands voornaamste probleem, nl. de agrarische kwestie, nog bekrompener en benepener oploste dan de Pruisische monarchie in de loop van het volgend decennium Duitslands voornaamste probleem, d.i. zijn nationale eenwording, oploste. De voltooiing van de taak van de ene klasse door een andere klasse is juist een van de gecombineerde methoden die aan achtergebleven landen eigen zijn.

Het meest evident laat zich echter de wet van de gecombineerde ontwikkeling doorheen de geschiedenis en het karakter van de Russische industrie demonstreren. Terwijl deze laat ontstaan was, doorliep zij niet weer de gehele ontwikkeling van de verder vooruitgeschreden landen, maar schaarde zich in hun rij, doordat zij hun nieuwste veroveringen aan de eigen achtergeblevenheid aanpaste. Terwijl Ruslands economische ontwikkeling in haar geheel genomen over de tijdperken van het gildehandwerk en de manufactuur heen gestapt was, sprongen sommige industrietakken een hele reeks van technisch industriële fasen, die in het Westen over tientallen jaren liepen, over. Tengevolge hiervan ontwikkelde de Russische industrie zich in bepaalde perioden buitengewoon snel. Tussen de eerste revolutie en de oorlog steeg de productie van de Russische industrie ongeveer met het dubbele. Hierin zagen sommige Russische historici voldoende grond tot de gevolgtrekking, dat men “de legende van achtergeblevenheid en langzame groei moest laten varen.” [1] In werkelijkheid was zo’n snelle groei juist mogelijk door de achtergeblevenheid, die – helaas – niet alleen tot op het ogenblik van de liquidatie van het oude Rusland, maar, als zijn erfenis, tot op de huidige dag is blijven bestaan.

De voornaamste graadmeter van het economisch niveau van een natie is de productiviteit van de arbeid, die op haar beurt van de specifieke rol van de industrie in de totale volkshuishouding afhangt. Aan de vooravond van de oorlog, toen het tsaristisch Rusland het hoogtepunt van zijn welstand bereikt had, was het volksinkomen per hoofd acht tot tienmaal kleiner dan in de Verenigde Staten, hetgeen niet te verwonderen is wanneer men bedenkt dat 4/5 van de zelfstandig werkende bevolking van Rusland in de landbouw werkzaam was, terwijl er in de Verenigde Staten op elke in de landbouw werkzame persoon 2,5 in de industrie werkenden voorkwamen. Hieraan moet nog toegevoegd worden dat er aan de vooravond van de oorlog in Rusland op 100 km² 0,4 kilometer spoorweg was, tegenover 11,7 in Duitsland en 7 in Oostenrijk-Hongarije. Andere vergelijkende cijfers zijn dienovereenkomstig.

Juist op het gebied van de volkshuishouding komt echter, zoals reeds gezegd is, de wet van de gecombineerde ontwikkeling het sterkst tot uiting. Terwijl het boerenbedrijf tot aan de revolutie in hoofdzaak vrijwel op het niveau van de 17de eeuw gebleven was, stond Ruslands industrie wat betreft techniek en kapitalistische structuur op de trap van ontwikkelde landen en snelde deze in menig opzicht voorbij. Kleine bedrijven met een getal arbeiders tot honderd man omvatten in het jaar 1914 in de Verenigde Staten 35% van de gezamenlijke industriearbeiders, in Rusland daarentegen slechts 17,8%. Bij een ongeveer gelijke betekenis van de middel- en grotere ondernemingen met 100 tot 1000 arbeiders, omvatten in de Verenigde Staten reusachtige ondernemingen met meer dan 1000 arbeiders 17,8% van de totale arbeidersbevolking, in Rusland echter 41,4%. Voor de belangrijkste industriedistricten was dit percentage nog hoger: voor dat van Petrograd 44,4%, voor dat van Moskou zelfs 57,3%. Tot soortgelijke resultaten komt men indien men de Russische industrie met de Engelse of Duitse vergelijkt. Dit feit, dat wij voor het eerst in het jaar 1908 constateerden, is moeilijk in overeenstemming te brengen met de voorstelling van de economische achtergeblevenheid van Rusland. Intussen weerlegt het de achtergeblevenheid niet, maar is het haar dialectische aanvulling. De versmelting van het industriekapitaal met het bankkapitaal werd in Rusland ook weer zo volledig doorgevoerd als vrijwel in geen enkel ander land. Niettemin betekende de afhankelijkheid van de industrie van de banken tegelijk haar afhankelijkheid van de West-Europese geldmarkt. De zware industrie (metaal, steenkolen, olie) bevond zich bijna geheel en al onder de controle van het buitenlands geldkapitaal, dat zich een hulp- en bemiddelingssysteem van banken in Rusland geschapen had. De lichte industrie ging dezelfde weg op. Terwijl in totaal ongeveer 40% van het gehele aandelenkapitaal in Rusland aan buitenlanders toebehoorde, was dit percentage voor de leidende industrietakken nog aanzienlijk hoger. Men kan zonder enige overdrijving beweren dat de controlepakketten van de aandelen van de Russische banken, werken en fabrieken zich in het buitenland bevonden, waarbij het kapitaaldeel van Engeland, Frankrijk en België bijna tweemaal zo groot was als dat van Duitsland.

De ontstaansvoorwaarden van de Russische industrie en haar structuur bepaalden het sociale karakter van de Russische burgerij en haar politieke vorm. De buitengewone concentratie van de industrie betekende op zich wel dat er tussen de kapitalistische toppen en de volksmassa’s geen hiërarchie van overgangsklassen bestond. Daarbij komt nog dat de bezitters van de belangrijkste industrie-, bank- en transportondernemingen buitenlanders waren, die niet alleen de uit Rusland gevloeide winsten, maar ook hun politieke invloed in de buitenlandse parlementen realiseerden en de strijd om het Russische parlementarisme niet alleen niet begunstigden, maar deze zelfs herhaaldelijk tegenwerkten. Denk maar aan de schandelijke rol van het officiële Frankrijk. Dit waren de elementaire en onvermijdelijke oorzaken van het politiek isolement en het volksvijandig karakter van de Russische burgerij. Terwijl deze bij de dageraad van haar geschiedenis nog niet rijp genoeg was, om de Reformatie door te zetten, betoonde zij zich overrijp toen de tijd voor de leiding van de revolutie gekomen was.

In overeenstemming met de totale ontwikkelingsgang van het land werd niet het gildehandwerk, maar de landbouw, niet de stad, maar het dorp het reservoir waaruit de Russische arbeidersklasse voortkwam. Daarbij ontstond het Russische proletariaat niet geleidelijk gedurende eeuwen, bezwaard met de last van het verleden, zoals in Engeland, maar sprongsgewijs door een snelle verandering van de situatie van de betrekkingen en de verhoudingen en door een plotselinge breuk met het verleden. Juist dit feit maakte, samen met het geconcentreerde juk van het tsarisme, de Russische arbeiders toegankelijk voor de stoutste gevolgtrekkingen van het revolutionaire denken, net zoals de achtergebleven Russische industrie ontvankelijk was voor de laatste nieuwe vormen van kapitalistische organisatie.

De Russische arbeiders herhaalden de korte geschiedenis van hun ontwikkeling steeds opnieuw. Terwijl in de metaalindustrie, vooral in Petrograd, een groep van erfelijke proletariërs, die met het dorp definitief gebroken hadden, ontstond, overheerste in de Oeral nog het type van de halfproletariër-halfboer. De jaarlijkse stroom van nieuwe arbeidskrachten uit de dorpen in alle industriedistricten vernieuwde de band van het proletariaat met zijn sociaal reservoir.

De politieke ongeschiktheid van de burgerij was direct door het karakter van haar betrekkingen tot het proletariaat en de boeren bepaald. Zij was niet in staat het proletariaat te leiden, dat in het dagelijks leven vijandig tegenover haar stond en al heel spoedig leerde zijn taak ruimer op te vatten. Evenzeer toonde zij zich echter ongeschikt om de boeren te leiden omdat zij door een reeks van gemeenschappelijke belangen met de grootgrondbezitters verbonden en altijd voor de aantasting van eigendom in welke vorm ook beducht was. De vertraging van de revolutie was derhalve niet alleen een chronologische kwestie, maar ook een gevolg van de sociale structuur van de natie. In Engeland voltrok de puriteinse revolutie zich in een tijd dat de totale bevolking 5,5 miljoen zielen niet te boven ging, waarvan 0,5 miljoen in Londen woonde. Frankrijk had in de revolutietijd in Parijs ook slechts 0,5 miljoen inwoners op een totale bevolking van 25 miljoen. De bevolking van Rusland bedroeg in het begin van de twintigste eeuw ongeveer 150 miljoen, waarvan meer dan 3 miljoen op rekening van Moskou en Petrograd kwamen. Achter deze vergelijkende cijfers gaan grote maatschappelijke verschillen schuil. Noch het Engeland van de zeventiende, noch het Frankrijk van de achttiende eeuw hebben het moderne proletariaat gekend. Intussen telde de arbeidersklasse van Rusland in het jaar 1905 overal, in de stad en op het land, niet minder dan 10 miljoen zielen, hetgeen samen met de gezinnen meer dan 25 miljoen uitmaakte, d.i. meer dan de totale bevolking van Frankrijk in het tijdvak van de Grote Revolutie. Van de welgestelde ambachtslieden en onafhankelijke boeren van het leger van Cromwell – via de Sansculottes van Parijs – tot de industrieproletariërs van Petrograd had de revolutie haar sociale mechaniek, haar methoden en daarmee ook haar doeleinden ingrijpend gewijzigd.

De gebeurtenissen van het jaar 1905 waren een voorspel van de beide revoluties van 1917: van de Februari- en de Oktoberrevolutie. De proloog bevatte reeds alle elementen van het drama, alleen niet volledig doorgevoerd. De Russisch-Japanse oorlog had het tsarisme verzwakt. Met de volksbeweging op de achtergrond joeg de liberale burgerij met haar oppositie de monarchie angst aan. De arbeiders organiseerden zich onafhankelijk van de burgerij en tegenover haar in de sovjets, die in die tijd voor de eerste maal in het leven geroepen werden. Onder de slogan “grond” stonden de boeren van het gehele reusachtige platteland op. Evenals de boeren sympathiseerden ook de revolutionaire troepenafdelingen met de sovjets, die op het moment dat de vloed van de revolutie het hoogst was, openlijk de macht aan de monarchie betwistten. Dit was het eerste optreden van de gezamenlijke revolutionaire krachten; zij bezaten nog geen ervaring en het ontbrak hun nog aan vertrouwen. De liberalen deinsden demonstratief terug voor de revolutie juist op dat ogenblik waarop bleek dat het niet voldoende was het tsarisme te verzwakken, doch dat men het bovendien nog omver moest werpen. De krasse breuk van de burgerij met het volk, waarbij deze reeds toentertijd grote groepen van het democratisch intellect meesleurde, maakte het voor de monarchie gemakkelijk het leger te splijten, trouwe troepenafdelingen af te zonderen en onder de arbeiders en boeren een bloedbad aan te richten. Al werd het ook deerlijk gehavend, toch kwam het tsarisme nog levend en krachtig genoeg uit de beproeving van 1905 te voorschijn.

Welke veranderingen in de machtsverhoudingen bracht de historische ontwikkeling in de elf jaren die het voorspel van het drama scheiden? Het tsarisme kwam in deze periode nog scherper in tegenstelling tot de eisen van de historische ontwikkeling te staan. De burgerij werd economisch machtiger, doch deze macht steunde, zoals wij gezien hebben, op de grotere concentratie van de industrie en de meer betekenende rol van het buitenlands kapitaal. Onder invloed van de lessen van 1905 was de burgerij nog conservatiever en wantrouwender geworden. De specifieke betekenis van de kleine en middenburgerij, die ook vroeger reeds onbelangrijk was, daalde nog meer. Het democratisch intellect bezat geen enkel ook maar enigszins stevig sociaal steunpunt. Het kon tijdelijk politieke invloed krijgen, maar geen zelfstandige rol spelen. Haar afhankelijkheid van het burgerlijk liberalisme was sterk toegenomen. Slechts het jonge proletariaat kon onder deze omstandigheden een programma, vlag en leiding aan de boeren geven. De grandioze taken waarvoor het zo kwam te staan, schiepen een dringende behoefte aan een afzonderlijke revolutionaire organisatie waarmee de volksmassa’s begeesterd werden om onder leiding van de arbeidersklasse tot revolutionaire daden te komen. Zo kwamen de sovjets van 1905 tot een reusachtige ontplooiing in het jaar 1917. Dat de sovjets – wij willen dit hier direct zeggen – niet alleen maar een vrucht van de historische achtergeblevenheid van Rusland, maar veeleer een product van de gecombineerde ontwikkeling zijn, bewijst alleen reeds het feit dat het proletariaat van het meest geïndustrialiseerde land, Duitsland, tijdens de revolutionaire golf van 1918/19 geen andere organisatievorm dan die van de raden had weten te vinden.

Het eerste doel van de revolutie van 1917 was nog steeds de val van de bureaucratische monarchie. In tegenstelling tot de vroegere burgerlijke revoluties trad nu echter de nieuwe klasse als beslissende kracht naar voren, de klasse die op de grondslag van de geconcentreerde industrie ontstaan was en met een nieuwe organisatie en nieuwe strijdmethodes uitgerust was. De wet van de gecombineerde ontwikkeling vertoont zich hier in zijn meest volmaakte vorm: beginnend met het opruimen van het middeleeuwse afval brengt de revolutie na enige maanden het proletariaat, met de communistische partij aan de spits, aan de macht.

Naar haar oorspronkelijke doeleinden was de Russische revolutie derhalve een democratische revolutie. Zij stelde echter het probleem van de politieke democratie op een nieuwe wijze. Terwijl de arbeiders, de soldaten en gedeeltelijk ook de boeren meeslepend, in het gehele land sovjets stichtten, onderhandelde de burgerij nog altijd over de kwestie van het al of niet bijeenroepen van de Constituerende Vergadering. Bij de beschrijving van de gebeurtenissen zal deze kwestie concreter worden. Hier willen wij alleen de plaats aanduiden die de sovjets innemen in de historische opeenvolging van revolutionaire ideeën en vormen.

In het midden van de zeventiende eeuw hulde de burgerlijke revolutie in Engeland zich in het gewaad van een godsdiensthervorming. De strijd om het recht volgens een eigen gebedenboek te bidden, werd identiek met de strijd tegen koning, aristocratie, kerkvorsten en Rome. De presbyterianen en puriteinen waren er innig van overtuigd dat zij hun aardse belangen onder de onwankelbare bescherming van de goddelijke voorzienigheid gesteld hadden. De doeleinden waar de nieuwe klassen voor streden, groeiden in hun bewustzijn samen met de bijbeltekst en de vormen van kerkelijke ceremoniën. De emigranten namen deze door bloed bevestigde traditie over de oceanen mee. Vandaar de zeldzame taaiheid van de Angelsaksische uitlegging van het christendom. Wij zien, hoe de socialistische “ministers” van Groot-Brittannië ook nu nog hun lafheid met dezelfde magische teksten funderen, waarin de mannen van de zeventiende eeuw een rechtvaardiging voor hun stoutmoedigheid gezocht hadden.

In Frankrijk, dat de Hervorming niet gekend had, beleefde de Katholieke Kerk als staatskerk de revolutie. Deze vond niet in bijbelteksten, maar in democratische abstracties een formulering en rechtvaardiging voor de doeleinden van de burgerlijke maatschappij. Hoe groot de haat van de huidige regeerders van Frankrijk tegen de jacobijnen ook mag zijn, het blijft een feit dat zij juist dankzij het ruwe ingrijpen van Robespierre de mogelijkheid behouden hebben om hun conservatieve heerschappij met die formules te omhullen waarmee ooit de oude maatschappij werd opgeblazen.

Iedere grote revolutie heeft nieuwe fasen van de burgerlijke maatschappij en nieuwe bewustzijnsvormen van haar klassen. Zoals Frankrijk over de Hervorming is heengestapt, zo heeft Rusland de formele democratie overgeslagen. De Russische revolutionaire partij die het lot beschoren was om haar stempel op een tijdperk te drukken, zocht de formulering van de doeleinden van de revolutie niet in de bijbel, niet in het geseculariseerde christendom van de ‘zuivere’ democratie, maar in de materiële verhoudingen van de maatschappelijke klassen. Het sovjetstelsel gaf aan deze verhoudingen de meest eenvoudige, openlijke en duidelijke uitdrukking. De heerschappij van de arbeidersklasse vond voor de eerste maal haar verwezenlijking in dit systeem, dat, hoe ook zijn historische lotgevallen in de toekomst mogen zijn, even onuitroeibaar in het bewustzijn van de massa’s gedrongen is als het systeem van de reformatie of van de zuivere democratie dat in hun tijd deden.

 

[1] De bewering is afkomstig van Professor M.N. Pokrovski. Zie bijlage Nr. 1.

Voorwoord

In de eerste twee maanden van 1917 was de monarchie van de Romanovs nog aan de macht in Rusland. Acht maanden later stonden de bolsjewieken aan het roer. In het begin van het jaar wisten slechts weinig mensen iets van de bolsjewieken af, tegen de leiders ervan was nog een aanklacht wegens landverraad hangende. Er is geen tweede zo krasse ommekeer in de geschiedenis te vinden. Zeker niet als men bedenkt dat het hier om een volk van 150 miljoen zielen gaat. De gebeurtenissen van het jaar 1917 verdienen het dan ook om bestudeerd te worden, hoe men er ook tegenover staat.

De geschiedenis van de revolutie moet, zoals iedere geschiedenis, eerst en vooral vermelden wat er gebeurde en hoe dit gebeurde. Maar dit is niet voldoende. Uit het relaas zelf moet duidelijk worden, waarom het zo en niet anders gebeurde. De gebeurtenissen kunnen niet beschouwd worden als een reeks van avonturen, maar evenmin als onderdeel van een vooraf bepaalde moraal. Ze gehoorzamen aan eigen wetmatigheden. Het blootleggen van deze wetmatigheid stelt de schrijver zich tot taak.

Het minst aanvechtbaar kenmerk van een revolutie is de directe inmenging van de massa’s in het historisch gebeuren. In gewone tijden verheft de staat, zowel de monarchale als ook de democratische, zich boven het volk. De geschiedenis wordt dan gemaakt door de vaklieden in dit handwerk: vorsten, ministers, ambtenaren, parlementsleden, journalisten. Maar op die keerpunten in de geschiedenis, waar de oude orde ondraaglijk wordt voor de massa’s, doorbreken deze de slagbomen, die haar van het politieke schouwtoneel scheiden, lopen zij haar traditionele vertegenwoordigers onder de voet en scheppen door haar inmenging het uitgangspunt voor een nieuw regime. Of dit goed of slecht is, willen wij aan het oordeel van de moralisten overlaten. Wij zelf nemen de feiten, zoals zij door de objectieve loop van de ontwikkeling gegeven zijn. De geschiedenis van de revolutie is voor ons voor alles de geschiedenis van het met geweld veroveren van de macht door de massa’s om haar eigen lot te bepalen.

In een door een revolutie gegrepen maatschappij bestrijden klassen elkaar. Het is intussen volkomen duidelijk dat de veranderingen, die zich tussen het begin en het einde van de revolutie in de economische grondslagen van de maatschappij en in de verhoudingen van de klassen voltrekken, nieuwe gebeurtenissen tot stand brengen en deze wederom beëindigen. De loop van de revolutionaire gebeurtenissen wordt direct bepaald door de snelle, gespannen en stormachtige veranderingen in de pschychologie van de voor de revolutie gevormde klassen.

De maatschappij wijzigt namelijk haar instellingen niet naar behoefte, zoals een ambachtsman zijn instrumenten vernieuwt. Integendeel, zij neemt de instellingen, waaronder zij leeft, praktisch als een vaststaand gegeven aan. Tientallen jaren is de oppositionele kritiek slechts een veiligheidsklep voor de massale ontevredenheid en een voorwaarde voor de weerbaarheid van de bestaande maatschappijorde: deze principiële betekenis heeft bijvoorbeeld de kritiek van de sociaaldemocratie gekregen. Zeer bijzondere voorwaarden, die van de wil van enkelingen en partijen onafhankelijk zijn, zijn er nodig, om aan de ontevredenen de ketenen van het conservatisme af te rukken en de massa’s tot opstand te brengen.

Snelle veranderingen in de inzichten en stemmingen van de massa’s in het revolutionaire tijdvak komen derhalve niet uit de soepelheid en beweeglijkheid van de menselijke psyche, maar integendeel uit haar sterk conservatisme voort. Het chronisch achterblijven van de ideeën en verhoudingen bij de nieuwe objectieve voorwaarden, tot op het moment, waarop de laatste zich in de vorm van een catastrofe over de mensen storten, brengt juist in de revolutionaire periode de sprongsgewijze ontwikkeling van ideeën en hartstochten teweeg, die de politiemannen eenvoudig een gevolg van de activiteit van “demagogen” toeschijnt.

De massa’s gaan de revolutie niet in met een volledig uitgewerkt plan voor de nieuwe maatschappijorde, maar met het klare besef van de onmogelijkheid om de oude maatschappij langer te dulden. Slechts de leidende groep van de klasse heeft een politiek programma, dat echter nog nader aan de gebeurtenissen getoetst moet worden en de instemming van de massa’s moet verkrijgen. Het fundamentele politieke proces bestaat juist uit het begrijpen door de klasse van de taak, die uit de crisis van de maatschappij voortspruit, en de actieve oriëntatie van de massa langs de weg van geleidelijke benadering. De afzonderlijke fasen van het revolutionaire proces, gemarkeerd door de aflossing van bepaalde partijen door andere – steeds meer extreme – partijen zijn een uitdrukking van de toenemende drang van de massa’s naar links. En dit tot de beweging in haar vaart op objectieve hindernissen stuit. Dan begint de reactie: teleurstelling bij sommige groepen van de revolutionaire klasse, toenemende onverschilligheid en daarmee versterking van de positie van de contrarevolutionaire krachten. Dit is althans het schema van vroegere revoluties.

Alleen door de politieke processen in de massa’s zelf te bestuderen kan men de rol van de partijen en leiders begrijpen, rollen die wij allerminst willen negeren. Zij vormen, als niet een zelfstandig dan toch in ieder geval een zeer belangrijk element van het proces. Zonder een leidende organisatie zou de energie van de massa’s vervliegen als stoom die niet in een zuigercilinder opgesloten is. De beweging wordt echter noch door de cilinder noch door de zuiger, maar door de stoom teweeggebracht.

De moeilijkheden bij het bestuderen van veranderingen in het bewustzijn van de massa’s in revolutietijd liggen voor de hand. De onderdrukte klassen maken geschiedenis in fabrieken, kazernes, in dorpen, in de straten der steden. Daarbij zijn zij allerminst gewend haar neer te schrijven. Tijdperken van hoogste spanning van sociale hartstochten lieten in het algemeen weinig plaats voor overpeinzing en schildering. Alle muzen – zelfs de plebeïsche muze van de journalistiek ondanks haar krachtige bouw – hebben het tijdens een revolutie hard te verantwoorden. En toch is de situatie geenszins hopeloos voor de historicus. De aantekeningen zijn onvolledig, verspreid, toevallig. Maar deze brokstukken maken het in het licht van de gebeurtenissen vaak mogelijk de richting en het ritme van de ondergrondse processen te gissen. Terecht of ten onrechte, het is op de berekening van de veranderingen in het bewustzijn van de massa’s, dat de revolutionaire partij haar tactiek baseert. De historische weg van het bolsjewisme laat zien dat een zodanige berekening – althans in hoofdtrekken – mogelijk is. Waarom zou, wat een revolutionair politicus in de wirwar van de strijd gelukt, niet ook de historicus retrospectief kunnen gelukken?

De processen, die zich in het bewustzijn van de massa’s voltrekken, zijn echter noch oorspronkelijk, noch onafhankelijk. Al willen idealisten en eclectici dit ook niet aanvaarden, het bewustzijn wordt niettemin door het zijn bepaald. In de historische voorwaarden van de vorming van Rusland, van zijn huishouding, zijn klassen, zijn staat en de beïnvloeding door andere staten moesten de voorwaarden voor de Februarirevolutie en haar vervanging door de Oktoberrevolutie vervat geweest zijn. Aangezien het feit dat de arbeidersklasse het eerst in een achtergebleven land de macht kreeg, altijd weer buitengewoon raadselachtig lijkt, moet men van meet af aan de verklaring van dit feit in de eigenaardigheden van dit achtergebleven land zoeken, d.w.z. in de kenmerken waardoor het zich van andere landen onderscheidt.

De historische eigenaardigheden van Rusland en haar specifieke betekenis zijn in de eerste hoofdstukken van dit boek, die een korte schets van de ontwikkeling van de Russische maatschappij en haar innerlijke krachten bevatten, gekarakteriseerd. Wij hopen dat het onvermijdelijk enigszins schematisch karakter van deze hoofdstukken de lezer niet zal afschrikken. Dezelfde sociale krachten zullen verderop in dit boek meer levend en handelend optreden.

Dit werk baseert zich niet op persoonlijke herinneringen. De omstandigheid dat de schrijver zelf aan de gebeurtenissen deelnam, onthief hem niet van de plicht zijn beeld op grond van nauwkeurig onderzochte documenten op te bouwen. De auteur van dit boek spreekt over zichzelf – voor zover hij door de loop van de gebeurtenissen hiertoe gedwongen wordt – in de derde persoon. Dit is niet alleen een literaire vorm, de in een autobiografie of in memoires onvermijdelijk subjectieve toon zou in een historisch werk ontoelaatbaar zijn.

De omstandigheid dat de schrijver actief aan de strijd deelnam, maakt het voor hem echter gemakkelijker om niet alleen de psychologie van de handelende krachten te begrijpen, zowel de individuele als de collectieve, maar ook ook om de innerlijke samenhang van de gebeurtenissen te zien. Deze voorsprong kan slechts onder één voorwaarde positieve resultaten opleveren: namelijk door zich niet op de aanwijzingen van het eigen geheugen te verlaten, noch bij de kleine en evenmin bij de grote dingen, niet alleen met betrekking tot de feiten, maar ook met betrekking tot de motieven en de stemmingen. De schrijver is van mening dat hij, voor zover het van hem afhing, deze voorwaarden in acht genomen heeft.

Nu blijft nog de kwestie van de politieke richting van de schrijver over, die als historicus op hetzelfde standpunt staat dat hij als deelnemer aan de gebeurtenissen huldigde. Vanzelfsprekend is de lezer niet verplicht de politieke inzichten van de schrijver te delen. De schrijver heeft van zijn kant geen reden deze inzichten onder stoelen of banken te steken. De lezer heeft echter het recht van een historisch werk te verlangen dat het niet de apologie van een politieke stellingname is, maar de innerlijk gefundeerde weergave van het werkelijk proces van de revolutie. Een historisch werk beantwoordt slechts dan volkomen aan zijn doel, indien men er de gebeurtenissen in hun noodzakelijk verloop in ziet afspelen.

Is hiervoor een zogenaamde historische “onbevooroordeeldheid” nodig? Nog nooit heeft iemand duidelijk gezegd waaruit deze zou bestaan. De dikwijls geciteerde woorden van Clemenceau, dat men de revolutie als geheel moet zien, zijn op zijn best een geestige uitvlucht. Hoe kan men zich tot aanhanger van een totaliteit verklaren, als de essentie van het onderzochte net uit een breuk bestaat? Het aforisme van Clemenceau is deels ingegeven door schaamte voor de al te resolute voorvaderen en deels uit verlegenheid voor de schaduw van deze voorvaderen.

Een van de reactionaire en daarom juist in zwang zijnde historici van het huidige Frankrijk, L. Madelein, die zo “salonfähig” de Grote Revolutie, d.w.z. de geboorte van de Franse natie, belasterd heeft, beweert: “De historicus moet op de muur van de bedreigde stad staan en tegelijkertijd belegeraars en belegerden overzien.” Alleen dan zou men de zogenaamd “afwegende gerechtigheid” bereiken. De werken van Madelein bewijzen echter dat hij, zelfs al klimt hij op de muur die beide kampen scheidt, niet verder komt dan de rol van een verkenner van de reactie. Het is goed dat het in dit geval om legerkampen uit het verleden gaat. Tijdens de revolutie zijn er aan het verblijf op de muur grote gevaren verbonden. Overigens blijven de priesters van de “afwegende gerechtigheid” in onrustige tijden gewoonlijk binnen hun vier muren en wachten ze af aan wiens kant de overwinning zal zijn.

De ernstige en kritische lezer heeft geen behoefte aan huichelachtige onbevooroordeeldheid, die hem de beker van verzoening met een dosis verschraald gif van reactionaire haat op de bodem toereikt, maar aan methodologische nauwgezetheid die voor de uitgesproken en onverhulde sympathieën en antipathieën steun zoekt in een eerlijk onderzoek van de feiten, in het vaststellen van de werkelijke samenhang, in het blootleggen van de wetmatigheden en hun gevolgen. Dit is de enig mogelijke en bovendien volkomen toereikende historische objectiviteit, want zij wordt gecontroleerd en bevestigd. Dit gebeurt niet door de goede bedoelingen van de historicus, waarvoor hij zelf borg staat, maar door de wetmatigheden van het historische proces zelf zoals deze door de historicus worden blootgelegd.

Als bronnen van dit boek dienden talrijke periodieke publicaties, couranten en tijdschriften, memoires, protocollen en ander materiaal, dat voor een deel met de hand geschreven, in hoofdzaak echter reeds door het Instituut voor de Geschiedenis van de Revolutie in Moskou en Leningrad gepubliceerd was. Wij hebben het overbodig geoordeeld telkens in de tekst naar de bronnen te verwijzen, daar dit de lezer slechts zou hinderen. Van de boeken die het karakter van een verzamelwerk van historische studies dragen, hebben wij voornamelijk het in twee delen verschenen werk “Opstellen over de Geschiedenis van de Oktoberrevolutie” (Moskou-Leningrad 1927) gebruikt. Daar zij van de hand van verschillende auteurs afkomstig zijn, zijn niet alle delen van deze opstellen gelijkwaardig, doch zij bevatten in elk geval een rijk feitenmateriaal.

De chronologische data in dit boek zijn zonder uitzondering naar de oude tijdrekening aangegeven, d.w.z. zij blijven bij de wereld- en ook bij de huidige Sovjetkalender ongeveer dertien dagen achter. De schrijver was gedwongen de kalender te gebruiken die in de tijd van de revolutie gold. Het zou overigens niet moeilijk zijn de data in de nieuwe tijdrekening om te zetten. Deze handelwijze zou echter, terwijl zij sommige moeilijkheden opheft, onvermijdelijk nieuwe en ernstiger moeilijkheden scheppen. De val van de monarchie wordt in de geschiedenis “Februarirevolutie” genoemd. Volgens de westelijke kalender voltrok deze revolutie zich echter in maart. De gewapende demonstratie tegen de imperialistische politiek van de Voorlopige Regering is bekend geworden onder de naam “Aprildagen”. Doch volgens de westelijke kalender vond zij in mei plaats. Zonder ons bij andere tussentijdse gebeurtenissen en data op te houden, willen wij nog opmerken, dat de Oktoberomwenteling zich naar de Europese tijdrekening in november afgespeeld heeft. Zelfs de kalender is echter, naar wij zien, door de gebeurtenissen gekleurd, en de historicus kan de revolutionaire tijdrekening niet met behulp van eenvoudige wiskundige formules verbeteren. De lezer moet maar denken dat de revolutie, vóór zij de Byzantijnse kalender ten val bracht, eerst de instellingen ten val moest brengen die zich aan deze kalender vastklampten.

 

Prinkipo, L. TROTSKI