Het nationale vraagstuk

De taal is het voornaamste verbindingsmiddel tussen de mensen onderling en dus ook van de maatschappij. De taal wordt een nationale taal samen met de opkomst van de warenruil waardoor een natie gevormd wordt. Op deze basis vormt zich de nationale staat als beste, voordeligste en normaalste strijdperk van kapitalistische verhoudingen. In West-Europa begon, afgezien van de onafhankelijkheidsbeweging van de Nederlanden en de geschiedenis van het eilandenrijk Engeland, het tijdvak van de vorming van burgerlijke naties met de grote Franse Revolutie en dit tijdvak werd eigenlijk in de loop van ongeveer een eeuw beëindigd met de stichting van het Duitse rijk.

In die tijd echter, waarin de nationale staat in Europa reeds te eng werd voor de productiekrachten en tot een imperialistische staat werd, begon in het oosten – in Perzië, op de Balkan, in China, India – pas het tijdvak van de nationaal-democratische revoluties; tot welke de Russische Revolutie van 1905 de aanzet gaf. De Balkanoorlog van 1912 was de afsluiting van de vorming van nationale staten in het zuidoosten van Europa. De daarop volgende imperialistische oorlog beëindigde tevens in Europa het nog niet voltooide werk van de nationale revolutie, doordat hij leidde tot een uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije en tot de vorming van een onafhankelijk Polen en de randstaten die zich van het tsarenrijk hadden afgescheiden.

Rusland ontstond niet als een nationale staat, maar als een staat van nationaliteiten. Dit was een gevolg van zijn vertraagde ontwikkeling. Op de grondslag van een extensieve landbouw en huisindustrie ontwikkelde het handelskapitaal zich niet in de diepte, niet door een verandering van de productie, maar in de breedte door een vergroting van zijn operatieterrein. Kooplieden, grondbezitters en ambtenaren gingen van het centrum naar de periferie, achter de landverhuizende boeren aan die op zoek naar nieuw land en om te ontkomen aan de zware lasten in nieuwe gebieden met nog achterlijker stammen binnendrongen. De expansie van de staat was eigenlijk een expansie van de landbouw, die bij al haar primitiviteit de nomaden van het zuiden en het oosten vooruit was. De bureaucratische standenstaat die op deze onmetelijke en zich onophoudelijk verbredende basis ontstond, werd sterk genoeg om in het westen enkele volkeren met een hogere cultuur aan zich te onderwerpen. Het ging om volkeren die tengevolge van hun kleine getalsterkte of innerlijke crisissen niet in staat waren om hun zelfstandigheid te verdedigen (Polen, Litouwen, de Baltische provincies, Finland).

Bij de zeventig miljoen Groot-Russen, die het grootste deel van de bevolking van het land uitmaakten, kwamen langzamerhand nog negentig miljoen vreemdelingen, die scherp in twee groepen te verdelen waren: de westerse die in cultuur boven Groot-Rusland stonden en de oosterse die op een lager peil stonden. Zo vormde zich het rijk waarvan de heersende natie slechts 43% van de bevolking uitmaakte, terwijl 57%, waaronder 17% Oekraïners, 6% Polen en 4,5% Wit-Russen, naties op verschillende trappen van cultuur en rechteloosheid waren.

De hebzucht en begeerte van de staat en de armzaligheid van de boeren als basis van de heersende klassen brachten de meest bittere vormen van uitbuiting teweeg. De nationale onderdrukking was in Rusland veel groter dan in de buurlanden, niet alleen die ten westen maar ook die ten oosten van Rusland. Het grote aantal rechteloze volken en de krasse vorm van deze rechteloosheid gaven aan het nationale vraagstuk in het tsaristische Rusland een bijzonder explosieve kracht.

Terwijl in nationaal homogene staten de burgerlijke revolutie eerst krachtige centraliserende bewegingen teweegbracht, aangezien zij een overwinning op het particularisme vormde zoals in Frankrijk of op de nationale verbrokkeling zoals in Italië en Duitsland, ontketende de late burgerlijke revolutie in nationaal heterogene staten de centrifugale krachten. Dit was onder meer het geval in Turkije, Rusland en Oostenrijk-Hongarije. Ondanks de schijnbare tegenstrijdigheid tussen deze op bovengenoemde wijze geformuleerde processen is hun historische functie dezelfde voor zover het in beide gevallen erom gaat de nationale eenheid als het voornaamste economische reservoir te benutten: Duitsland moest met dit doel verenigd, Oostenrijk-Hongarije daarentegen verdeeld worden.

Lenin had tijdig de aandacht op de onvermijdelijkheid van een ontplooiing van centrifugale nationale bewegingen in Rusland gevestigd en gedurende een aantal jaren hardnekkig, vooral tegen Rosa Luxemburg, gestreden voor de beroemde paragraaf 9 van het oude partijprogramma, waarin het zelfbeschikkingsrecht van de volken, d.w.z. het recht op algehele afscheiding uit het staatsverband. De bolsjewistische partij wilde hiermee geenszins separatisme prediken. Zij beschouwde het slechts als haar plicht om zich tegen elke vorm van nationale onderdrukking, ook van een gewelddadig dwingen van een volk om binnen de grenzen van de gehele staat te blijven, onverzoenlijk te verzetten. Slechts hierdoor kon de Russische arbeidersklasse langzamerhand het vertrouwen van de onderdrukte volken winnen.

Dit was echter slechts één kant van de zaak. De bolsjewistische politiek op nationaal terrein had nog een andere kant die schijnbaar tegenstrijdig was met de eerste, maar deze in werkelijkheid aanvulde. Binnen het kader van de partij en de arbeidersorganisaties in het algemeen streefde het bolsjewisme naar een sterke centralisatie. Dit ging gepaard met een onverzoenlijke strijd tegen elk soort nationalistische besmetting die de arbeiders met elkaar in tegenstelling kon brengen of hen kon scheiden. Terwijl het bolsjewisme de burgerlijke staat beslist het recht ontzegde een nationale minderheid met geweld te dwingen om in het staatsverband te blijven of ook zelfs maar de officiële taal op te dringen, beschouwde het tegelijkertijd als zijn waarlijk heiligste taak de arbeiders van de meest verschillende naties door een vrijwillige klassendiscipline zo nauw mogelijk tot een eenheid te verbinden. Daarom wees het bolsjewisme het nationaal-federatieve beginsel van opbouw van de partij beslist van de hand. De revolutionaire organisatie is geen prototype van de toekomststaat, maar slechts een instrument om deze te scheppen. Het instrument moet zo doelmatig mogelijk zijn om het product te scheppen, maar behoeft dit niet reeds in zich te sluiten. Alleen een gecentraliseerde organisatie kan het succes van de revolutionaire strijd verzekeren – ook wanneer het om een vernietiging van het centralistische juk over naties gaat.

De val van de monarchie moest voor de onderdrukte volken van Rusland noodzakelijk ook hun nationale revolutie betekenen. Hier bleek echter hetzelfde als op alle andere gebieden van het Februariregime: de officiële democratie was door haar politieke afhankelijkheid van de imperialistische bourgeoisie absoluut niet in staat om de oude ketenen te verbreken. Terwijl zij meende het recht te hebben om over het lot van alle andere volken te beschikken, bleef zij ijverig die bronnen van rijkdom, macht en invloed verdedigen die aan de Groot-Russische bourgeoisie het overwicht verschaft hadden. De verzoeningsgezinde democratie deed niets anders dan de traditie van de tsaristische nationale politiek voortzetten met retorische frases over bevrijding: het ging er nu om de revolutionaire eenheid te verdedigen. De heersende coalitie had echter een ander, krachtiger argument, namelijk de redenen van het oorlogsbelang. Dit betekende dat de vrijheidsstrevingen van enkele volkeren als een product van de Duits-Oostenrijkse generale staf voorgesteld werden. De kadetten speelden ook hier de eerste viool, terwijl de verzoeningsgezinden voor de begeleiding zorgden.

De nieuwe regering kon vanzelfsprekend de stuitende positie van middeleeuwse vernedering waarin de vreemdelingen verkeerden niet onveranderd laten voortbestaan. Toch hoopte zij – en zij trachtte dit ook te doen – zich te kunnen beperken tot een afschaffing van de uitzonderingswetten tegen enkele volkeren, d.w.z. tot een schepping van blote rechtsgelijkheid van alle delen van de bevolking tegenover de Groot-Russische bureaucratische staat.

De Joden profiteerden het meest van de formele gelijkgerechtigdheid: het aantal wetten waarbij hun rechten beperkt werden bedroeg zeshonderdvijftig. De joden konden bovendien, als een zuiver stedelijk en verspreid levend volk, noch op een staatkundige zelfstandigheid, noch op territoriale autonomie aanspraak maken. Wat het plan van een zogenaamde “nationaal-culturele autonomie” betreft, waardoor de joden in het gehele land rondom scholen en andere instellingen verenigd zouden worden, deze reactionaire utopie die door verschillende joodse groepen aan de Oostenrijkse theoreticus Otto Bauer ontleend was, verdween vanaf de eerste dag van de vrijheid als sneeuw voor de zon.

De revolutie is echter juist daarom een revolutie omdat zij zich niet met aalmoezen en afbetalingen laat afschepen. De opheffing van de meest vernederende beperkingen bracht de formele gelijkgerechtigdheid van de burgers ongeacht hun nationaliteit; zij wierp echter een des te scherper licht op de ontbrekende gelijkgerechtigdheid van de naties zelf die zij grotendeels in hun oude toestand van stief- en pleegkinderen van de Groot-Russische staat liet.

De burgerlijke gelijkgerechtigdheid bracht allereerst niets voor de Finnen, die niet naar een gelijkstelling met de Russen maar naar onafhankelijkheid van Rusland streefden. Zij bracht niets nieuws voor de Oekraïners, die ook vroeger geen beperkingen gekend hadden omdat men hen noodgedwongen tot Russen verklaarde. Zij wijzigde niets in de toestand van de door de Duitse landheren en Duits-Russische steden onderdrukte Letten en Esten. Zij verlichtte niet het lot van de achterlijke volken en stammen van Azië, die niet door juridische beperkingen maar door de ketenen van het economische en culturele juk in een toestand van rechteloosheid gehouden werden. De liberaal-verzoeningsgezinde coalitie wilde al deze kwesties niet eens aanroeren. De democratische staat bleef als vanouds de staat van de Groot-Russische ambtenaren die geen aanstalten maakten om hun plaats aan een ander af te staan.

Hoe grotere massa’s de revolutie in de randgebieden meesleepte, des te krasser bleek dat de officiële taal daar de taal van de bezittende klassen was. Het formeel democratisch regime met vrijheid van drukpers en vergadering deed de achterlijke en onderdrukte naties nog smartelijker beseffen hoezeer zij van de meest elementaire middelen tot culturele ontwikkeling beroofd waren: eigen scholen, eigen rechters, eigen ambtenaren. De verwijzingen naar de toekomstige Constituerende Vergadering werkten slechts prikkelend. In deze vergadering zouden toch immers dezelfde partijen de overhand hebben die de Voorlopige Regering gevormd hebben, en deze zouden de tradities van de russificatie blijven volgen met inachtneming van die grenzen die de regerende klassen niet wilden overschrijden.

Finland werd terstond een splinter in het lichaam van het Februaribewind. Doordat het agrarisch vraagstuk, dat in Finland een vraagstuk was van de kleine in lijfeigenschap en horigheid levende pachters (de Torpars), zo acuut was, hadden de industriearbeiders, die in totaal 14 procent van de bevolking uitmaakten, de leiding over het dorp. De Finse Sejm was het enige parlement in de wereld waarin de sociaaldemocratie de meerderheid had weten te behalen: 103 van de 200 zetels. Nadat zij bij de wet van 5 juni de Sejm soeverein verklaard had, behalve inzake het leger en de buitenlandse politiek, wendde de Finse sociaaldemocratie zich “tot de broederpartijen om hulp.” De oproep was echter aan een verkeerd adres gericht. De Voorlopige Regering stelde zich aanvankelijk terughoudend op en liet het aan de “broederpartijen” over om te handelen. Een delegatie onder leiding van Tsjcheïdse die als doel had om tot voorzichtigheid aan te manen, keerde onverrichterzake uit Helsingfors terug. Nu besloten de socialistische ministers van Petrograd – Kerenski, Tsjernov, Skobeljev en Tsereteli – om de socialistische regering in Helsingfors met geweld te liquideren. De chef van de generale staf in het hoofdkwartier, de monarchist Loekomski, waarschuwde de burgerlijke autoriteiten en de bevolking van Finland dat “hun steden en allereerst Helsingfors in geval van een optreden tegen het Russische leger verwoest zouden worden.” Na deze inleiding ontbond de regering bij een plechtig manifest, dat zelfs wat de stijl betreft een plagiaat van de monarchie was, de Sejm en plaatste op de dag van het begin van het offensief aan het front Russische soldaten, die van het front afgenomen waren, voor de poorten van het Finse parlement. Zo kregen de revolutionaire massa’s van Rusland op hun weg naar de Oktoberrevolutie een mooie les over de geringe betekenis die de democratische beginselen in de klassenstrijd hebben.

De revolutionaire troepen in Finland namen een waardige houding aan tegenover de nationalistische hartstocht van de regeerders. Het districtscongres van de Sovjets, dat in de eerste helft van september te Helsingfors bijeenkwam, verklaarde: “Indien de Finse democratie het nodig zou oordelen dat de Sejm weer bijeen kwam, zou het congres elke poging om dit te beletten als een contrarevolutionaire daad beschouwen.” Dit betekende een direct aanbod van militaire hulp. De Finse sociaaldemocratie waarin verzoeningsgezinde tendensen de overhand hadden, was er echter niet toe geneigd om de weg van een opstand in te slaan. Nieuwe verkiezingen, die onder bedreiging van een tweede ontbinding plaatshadden, zorgden voor een kleine meerderheid van 108 van de 200 zetels voor de burgerlijke partijen die toegestemd hadden in de ontbinding van de Sejm.

Nu komen echter de interne kwesties op de voorgrond die in dit Zwitserland van het noorden, het land van de granietbergen en de gierige bezitters, onvermijdelijk tot een burgeroorlog leiden. De Finse bourgeoisie oefent min of meer openlijk haar militaire kaders. Tegelijkertijd worden geheime cellen van de Rode Garde gevormd. De bourgeoisie wendt zich om wapens en instructeurs tot Zweden en Duitsland. De arbeiders krijgen ondersteuning van de Russische troepen. Tegelijkertijd wordt in de burgerlijke kringen, die gisteren nog tot een overeenstemming met Petrograd geneigd waren, de beweging voor een algehele afscheiding van Rusland sterker. Het toonaangevende blad “Huvudstatsbladet” schreef: “Het Russische volk is door een anarchistische razernij bezeten… moeten wij ons in deze omstandigheden… niet zo krachtig mogelijk tegen deze chaos keren?” De Voorlopige Regering zag zich genoodzaakt toegevingen te doen zonder de Constituerende Vergadering af te wachten: op 23 oktober werden “in principe” de hoofdlijnen van een onafhankelijkheid van Finland vastgesteld, behalve in militaire zaken en aangelegenheden van buitenlandse politiek. De “onafhankelijkheid” ontvangen uit handen van Kerenski betekende echter niet veel meer: reeds twee dagen later zou Kerenski vallen.

Een tweede, oneindig veel gevaarlijker splinter werd Oekraïne. Begin juni verbood Kerenski het door de Rada bijeengeroepen Oekraïense legercongres. De Oekraïners onderwierpen zich niet. Om het prestige van de regering te redden, keurde Kerenski achteraf het congres goed en zond een veelbelovend telegram dat door de aanwezigen met hoongelach aangehoord werd. Deze bittere ervaring belette Kerenski niet om drie weken later het mohammedaans soldatencongres in Moskou te verbieden. De democratische regering wilde klaarblijkelijk de ontevreden volkeren nog gauw inprenten: je krijgt enkel wat je zelf neemt.

In zijn op 10 juni verschenen eerste manifest beschuldigde de Rada Petrograd van tegenstand tegen de nationale zelfstandigheid en verkondigde: “Wij zullen van nu af aan ons lot zelf in handen nemen.” De Oekraïense leiders werden door de kadetten als Duitse agenten behandeld. De verzoeningsgezinden richtten zich met sentimentele vermaningen tot de Oekraïners. De Voorlopige Regering zond een delegatie naar Kiev. Kerenski, Tsereteli en Teresjtsjenko zagen zich in de verhitte Oekraïense atmosfeer ertoe genoodzaakt de Rada een beetje tegemoet te komen. Na de Julinederlaag van de arbeiders en soldaten ging de regering echter ook in het Oekraïense vraagstuk naar rechts. Op 5 augustus beschuldigde de Rada met een overgrote meerderheid van stemmen de regering ervan dat zij “vervuld van imperialistische strevingen van de Russische bourgeoisie” de overeenkomst van 3 juni geschonden had. “Toen de regering haar belofte moest inlossen,” verklaarde het hoofd van de Oekraïense regering, Vinnitsjenko, “bleek dat de Voorlopige Regering een bedrieger was die door middel van een oplichting een groot historisch vraagstuk wilde oplossen.” Uit deze ondubbelzinnige woorden blijkt afdoende hoe het met het gezag van de regering gesteld was, zelfs in die kringen die politiek dichtbij haar moesten staan: de Oekraïense verzoeningsgezinde Vinnetsjenko verschilde tenslotte slechts in zoverre van Kerenski als een middelmatig romancier van een middelmatig advocaat verschilt.

De regering publiceerde tenslotte in september een oorkonde waarin aan de volkeren van Rusland het zelfbeschikkingsrecht – binnen de door de Constituerende Vergadering vast te stellen grenzen – toegekend werd. Deze door niets gewaarborgde en innerlijk tegenstrijdige, in alle opzichten behalve wat de beperkende bepalingen betreft volkomen onzekere wissel op de toekomst, boezemde niemand vertrouwen in: de daden van de Voorlopige Regering pleitten reeds te zeer tegen haar.

Op 2 september besloot de Senaat (dezelfde die nieuwe leden niet zonder het oude uniform tot zijn zittingen wilde toelaten) de publicatie van de door de regering goedgekeurde instructie aan het Oekraïense algemene secretariaat, d.w.z. aan de ministerraad te Kiev, te verbieden. Dit werd hiermee gemotiveerd dat er geen wettelijke bepalingen over een secretariaat bestonden en dat men aan een onwettige instelling geen instructie mocht geven. De vooraanstaande juristen verzwegen niet dat de gehele overeenkomst van de regering met de Rada een aanmatiging van de rechten van de Constituerende Vergadering betekende: de tsaristische senatoren waren inmiddels de meest uitgesproken aanhangers van de zuivere democratie geworden. Terwijl zij zich moedig voordeden, riskeerden de rechtse oppositionelen in werkelijkheid in het geheel niets: zij wisten dat hun oppositie de regeerders welgevallig was. Terwijl de Russische bourgeoisie een zekere zelfstandigheid van Finland, dat slechts met zwakke economische banden met Rusland verbonden was, kon aanvaarden, kon zij toch nooit de “autonomie” van het Oekraïense graan, de Donetzkolen en het Krivorogse ijzererts aanvaarden.

Op 19 oktober gaf Kerenski telegrafisch aan de secretaris-generaal van de Oekraïne bevel “om meteen naar Petrograd af te reizen voor een persoonlijk onderhoud” over de misdadige propaganda voor een Oekraïense Constituerende Vergadering die hij begonnen was. Tegelijkertijd werd aan de officier van justitie te Kiev duidelijk te verstaan gegeven dat hij een proces tegen de Rada moest beginnen. Het dreigend gebrul tegen Oekraïne joeg echter evenmin angst aan als het gunstbetoon aan Finland vreugde teweegbracht.

De Oekraïense verzoeningsgezinden voelden zich in die tijd nog veel veiliger dan hun oudere broeders in Petrograd. Behalve de gunstige atmosfeer waarin zij door de strijd voor de nationale rechten verkeerden, was de betrekkelijke stabiliteit van de kleinburgerlijke partijen zowel van de Oekraïne alsook van een aantal andere onderdrukte naties economisch en sociaal hecht geworteld in wat men in één woord de achterlijkheid kan noemen. Oekraïne liep ondanks de snelle industriële ontwikkeling van het Donetz- en Krivorogse bekken in het algemeen achter op Groot-Rusland, het Oekraïense proletariaat was minder homogeen en minder geschoold, de bolsjewistische partij bleef daar kwantitatief en kwalitatief zwak, scheidde zich pas langzaam van de mensjewieken af en wist slechts moeizaam haar weg in de politiek en vooral in de nationale situatie te vinden. Zelfs in de industriële oostelijke Oekraïne was er op het districtscongres van de sovjets, dat midden oktober gehouden werd, nog altijd een kleine meerderheid van de verzoeningsgezinden!

De Oekraïense bourgeoisie was naar verhouding nog zwakker. Een van de redenen van de geringe sociale stabiliteit van de Russische bourgeoisie in haar geheel was, naar wij ons herinneren, daarin gelegen dat buitenlanders die niet eens in Rusland leefden haar krachtigste deel vormden. In de randgebieden kwam er bij dit feit nog een ander, niet minder belangrijk feit, nl. dat de eigen, de inheemse bourgeoisie niet van dezelfde nationaliteit als de grote massa van het volk was.

De stedelijke bevolking in de randgebieden verschilde wat nationaliteit betreft overal van de plattelandsbevolking. Grootgrondbezitters, kapitalisten, advocaten, journalisten waren in Oekraïne en in Wit-Rusland – Groot-Russen, Polen, Joden en buitenlanders; de plattelandsbevolking daarentegen bestond overwegend uit Oekraïners en Wit-Russen. In de Oostzeeprovincies waren de steden centra van de Duitse, Russische en Joodse bourgeoisie; het platteland was merendeels Letlands of Estlands. In de steden van Georgië had de Russische en Armeense bevolking de overhand, evenals in het Toerkmeense Azerbeidzjan. Van de eigenlijke massa van het volk niet alleen door levenspeil en zeden, maar ook,  net als de Engelsen in India, door de taal gescheiden; voor de bescherming van hun landgoederen en inkomsten op het staatsapparaat aangewezen; onafscheidelijk met de heersende klassen in het gehele land verbonden, wisten de grootgrondbezitters, industriëlen en kooplieden in de randgebieden een kleine groep om zich te verenigen, die uit Russische ambtenaren, bedienden, onderwijzers, artsen, advocaten, journalisten en gedeeltelijk ook uit arbeiders bestond, en maakten zij de steden tot een haard van russificatie en kolonisatie.

Men kon het dorp negeren zolang het zweeg. Maar ook nadat het steeds ongeduldiger zijn stem begon te verheffen, bleef de stad zich hardnekkig verzetten en haar bevoorrechte positie verdedigen. Ambtenaren, kooplieden en advocaten leerden spoedig hun strijd om de economische en culturele leiding achter een hoogmoedige veroordeling van het ontwakende “chauvinisme” te verbergen. Het streven van een heersende natie om de bestaande toestand te doen voortbestaan, wordt niet zelden hypernationalistisch getint, zoals het streven van een overwinnend land om het geroofde te behouden licht pacifistische vormen aanneemt. Zo voelt Macdonald zich tegenover Gandhi als internationalist. Zo ziet Poincaré de toenadering van de Oostenrijkers tot Duitsland als een bedreiging van het Franse pacifisme.

“Zij die in de Oekraïense steden leven,” schreef in mei een delegatie van de Rada van Kiev aan de Voorlopige Regering, “vergeten, wanneer zij de gerussificeerde straten van deze steden aanschouwen, dat deze steden slechts kleine eilandjes in de zee van het gehele Oekraïense volk zijn.” Wanneer Rosa Luxemburg in de na haar dood gepubliceerde polemiek tegen het programma van de Oktoberrevolutie beweert dat het Oekraïense nationalisme, dat vroeger slechts een “gril” van een handjevol kleinburgerlijke intellectuelen was, kunstmatig tot het bolsjewistische beginsel van zelfbeschikkingsrecht verheven was, verviel zij ondanks haar helder inzicht in een grove historische fout: de Oekraïense boeren hadden in het verleden om dezelfde redenen geen nationale eisen gesteld als waarom zij in het geheel niet tot de politiek gekomen waren. Het was juist de grootste, indien niet de enige dan toch een volkomen afdoende verdienste van de Februarirevolutie dat zij de meest onderdrukte klassen en volken van Rusland eindelijk in de gelegenheid gesteld had om luid hun stem te verheffen. Het politieke ontwaken van de boeren kon echter slechts in hun eigen taal plaatshebben met alle daaruit voortvloeiende consequenties wat betreft scholen, rechters en zelfbestuur. Indien men zich hiertegen verzet had, zou dit een poging betekend hebben om de boeren weer tot hun vroegere toestand van passiviteit terug te brengen.

De nationale verschillen tussen stad en platteland kwamen ook sterk aan het licht door de sovjets als overwegend stedelijke organisaties. Onder leiding van de verzoeningsgezinde partijen schonken de sovjets in de regel geen aandacht aan de nationale belangen van de inheemse bevolking. Dit was een van de redenen waarom de Oekraïense sovjets zo zwak waren. De sovjets in Riga en Reval dachten niet aan de belangen van de Letten en de Esten. De verzoeningsgezinde sovjet in Bakoe verwaarloosde de belangen van de Toerkmeense inheemse bevolking. De sovjets voerden dikwijls onder valse internationalistische vlag een strijd tegen het zich verdedigend Oekraïens of mohammedaans nationalisme en dekten de onderdrukkings- en russificatiemethoden van de steden. Het zal lang duren, zelfs onder de bolsjewistische heerschappij, vooraleer de sovjets van de randgebieden zich de taal van het dorp hebben eigen gemaakt.

De vreemdelingen in Siberië die door de natuur en de uitbuiting in onderworpenheid leefden, konden zich door hun economische en culturele primitiviteit in het algemeen niet opwerken tot die hoogte waarop men nationale eisen begint te stellen. De vodka, de fiscus en de opgedrongen orthodoxie waren hier van oudsher de voornaamste steunpilaren van de staat. Die ziekte die de Italianen de Franse en de Fransen de Napolitaanse noemen, heette bij de Siberische volken de Russische: hieruit blijkt reeds uit welke bronnen het zaad van de beschaving vloeide. De Februarirevolutie was hier nog niet doorgedrongen. Nog lang zullen de jagers en rendierfokkers uit de Poolvlakte op een lichtstraal moeten wachten.

Bij de volkeren en de stammen aan de Wolga in de noordelijke Kaukasus en in Centraal-Azië, die door de Februarirevolutie voor het eerst uit hun prehistorisch bestaan ontwaakt waren, bestond noch een nationale bourgeoisie, noch een arbeidersklasse. Boven de boeren- of herdersmassa’s vormde zich uit de rijkste groepen ervan een kleine laag intellectuelen. Voordat men tot een programma van nationaal zelfbestuur kon komen, werd hier de strijd om een eigen alfabet, eigen onderwijs en soms ook een eigen godsdienst gevoerd. Deze weergaloos onderdrukten moesten door bittere ervaringen tot de overtuiging komen dat de verlichte heren van de staat hen niet vrijwillig zouden toestaan om zich op te richten. De meest achterlijke van de achterlijken waren genoodzaakt om de meest revolutionaire klasse als bondgenoot te zoeken. Zo kwamen de Wotjaken, Tsjoevasjen, Syrjanen, de volken van Dagestan en Turkestan door middel van de linkse elementen onder hun jonge intellectuelen tot het bolsjewisme.

Het lot van de koloniale bezittingen, vooral in Centraal-Azië, veranderde met de economische ontwikkeling van het centrum van een directe en openlijke roof tot verkapte methoden waarbij de Aziatische boeren leveranciers werden van grondstoffen voor de industrie, vooral van boomwol. De hiërarchisch georganiseerde uitbuiting die de kapitalistische barbarij met die van de patriarchale gemeenschap verbond, hield met succes de Aziatische volken in een toestand van de sterkste nationale vernedering. Het Februariregime had hier geen enkele verandering gebracht.

De gebieden die onder het tsarisme aan de Basjkieren, Boerjaten, Kirgiezen en andere nomaden ontnomen waren, bleven in handen van de grootgrondbezitters en rijke Russische boeren die zich in kolonies als het ware als oasen onder de inheemse bevolking gevestigd hadden. Het ontwaken van de nationale onafhankelijkheidszin betekende hier allereerst een strijd tegen de kolonisatoren die een kunstmatig systeem van verspreid liggende landerijen geschapen hadden en de nomaden tot honger en uitsterven gedoemd hadden. Degenen die van buiten gekomen waren, verdedigden met woede de eenheid van Rusland tegen het “separatisme” van de Aziaten, d.w.z. de onaantastbaarheid van hun roof. De haat van de kolonisatoren tegen de beweging van de inheemsen nam tastbare vormen aan. In Transbaikal werd met alle macht aan de voorbereiding van pogroms op de Boerjaten gewerkt onder leiding van sociaal-revolutionairen van maart die uit de klerken en van het front teruggekeerde onderofficieren gerekruteerd werden.

Bij hun streven om zo lang mogelijk de oude stand van zaken te laten voortbestaan, deden alle uitbuiters en onderdrukkers in de gekoloniseerde gebieden van nu af aan een beroep op de soevereine rechten van de Constituerende Vergadering. De Voorlopige Regering, waar de uitbuiters hun beste steun vonden, stelde hen tot een dergelijke fraseologie in staat. Aan de andere kant deden ook de bevoorrechte groepen onder de onderdrukte volkeren steeds vaker beroep op de Constituerende Vergadering. Zelfs de mohammedaanse geestelijkheid, die de groene banier van Mohammed over de ontwaakte bergvolken en stammen van de noordelijke Kaukasus opgeheven had, bepleitte in alle gevallen waarin de druk van onderop hen in een moeilijke positie bracht een uitstel van de kwestie “tot aan de Constituerende Vergadering”. Dit werd de slogan van conservatisme, reactie, egoïstische belangen en privileges in alle delen van het land. Het beroep op de Constituerende Vergadering betekende: rekken en tijd winnen. Het rekken betekende: krachten verzamelen en de revolutie wurgen.

De geestelijkheid of de feodale aristocratie kreeg echter slechts in de eerste tijd, alleen bij de achterlijke volken en dan nog nagenoeg alleen bij de mohammedanen de leiding. In het algemeen vertegenwoordigden dorpsonderwijzers, gemeenteklerken, lagere ambtenaren en officieren, voor een deel ook kooplieden de nationale beweging op het platteland. Naast de Russische of gerussificeerde intellectuelen uit de meer degelijke en gezeten elementen, ontstond er in de randstaten reeds een andere, een jongere groep, die door afstamming nauw met het dorp verbonden was, voor wie geen plaats meer was aan de tafel van het kapitaal en die natuurlijk de politieke vertegenwoordiging van de nationale, gedeeltelijk ook van de sociale belangen van de eigenlijke boerenmassa op zich nam.

Terwijl zij inzake het nationale vraagstuk vijandig tegenover de Russische verzoeningsgezinden stonden, waren de verzoeningsgezinden van de randgebieden van hetzelfde type als deze en hadden zij veelal zelfs dezelfde benamingen. Oekraïense sociaal-revolutionairen en sociaaldemocraten, Georgische en Letse mensjewieken, Litouwse “trudoviken” streefden er net als hun Groot-Russische naamgenoten naar om de revolutie binnen de perken van het burgerlijk regime te houden. De buitengewone zwakte van de inheemse bourgeoisie dwong de mensjewieken en sociaal-revolutionairen er echter toe om geen coalitie aan te gaan maar de staatsmacht zelf in handen te nemen. Terwijl zij gedwongen waren om op het terrein van de landbouw en de arbeidsverhoudingen verder te gaan dan de centrale regering, hadden de verzoeningsgezinden in de randgebieden dit voordeel dat zij in het leger en op het platteland als tegenstanders van de Voorlopige Coalitieregering optraden. Dit alles was voldoende om misschien geen ander lot tot stand te brengen voor de Russische verzoeningsgezinden en die van de randgebieden, maar wel om tot een verschil in tempo van opkomst en neergang te bepalen.

De Georgische sociaaldemocratie had niet alleen de leiding over de doodarme boeren van het kleine Georgië, maar zij maakte niet ten onrechte aanspraak op de leiding van de “revolutionaire democratie” van geheel Rusland. De vooraanstaande Georgische intellectuelen beschouwden in de eerste maanden van de revolutie Georgië niet als hun nationaal vaderland, maar als de Gironde, de gezegende zuidelijke provincie die geroepen was om het gehele land van leiders te voorzien. Een van de meest geziene Georgische mensjewieken, Tsjjenkeli, beroemde er zich in de Moskouse Landelijke Vergadering op dat de Georgiërs zelfs onder het tsarisme in tijden van voorspoed en tegenspoed plachten te spreken van: “ons gemeenschappelijk vaderland – Rusland.” – “Wat valt er van het Georgische volk te zeggen?” vroeg diezelfde Tsjjenkeli een maand later in de Democratische Vergadering. “Het stelt zich volkomen ter beschikking van de grote Russische revolutie.” En inderdaad: zowel de Georgische alsook de Joodse verzoeningsgezinden stonden altijd “ter beschikking” van de Groot-Russische bureaucratie wanneer het erom ging de nationale aanspraken van afzonderlijke gebieden te temperen of te remmen.

Dit was echter slechts zolang mogelijk als de Georgische sociaaldemocraten de hoop nog niet hadden opgegeven om de revolutie binnen de perken van de burgerlijke democratie te houden. Hoe meer echter het gevaar van een overwinning van de door de bolsjewieken geleide massa’s dreigend werd, des te haastiger verbrak de Georgische sociaaldemocratie haar betrekkingen met de Russische verzoeningsgezinden en sloot zij zich nauwer bij de reactionaire elementen in Georgië aan. Op het moment van de overwinning van de sovjets worden de Georgische aanhangers van het gemeenschappelijke Rusland propagandisten van het separatisme en laten zij aan de overige volkeren van Transkaukasië de lelijke slagtanden van het chauvinisme zien.

De onvermijdelijke nationale maskering van de sociale tegenstellingen, die bovendien in de randgebieden doorgaans niet zo sterk ontwikkeld waren, verklaart afdoende waarom de Oktoberrevolutie bij de meeste onderdrukte volken op een grotere tegenstand moest stuiten dan in Centraal-Rusland. Daarentegen schokte de nationale strijd op zichzelf het Februariregime ernstig en schiep hij een gunstige politieke periferie voor de revolutie in het centrum van het land.

De nationale tegenstellingen namen in die gevallen waarin zij zich op de klassentegenstellingen beriepen buitengewoon scherpe vormen aan. De oude vijandschap tussen de Letse boeren en de Duitse baronnen bracht in het begin van de oorlog vele duizenden Letse arbeiders ertoe om vrijwillig dienst te nemen in het leger. De uit Letse landarbeiders en boeren bestaande regimenten scherpschutters behoorden tot de beste aan het front. Zij kwamen echter reeds in mei op voor de Sovjetmacht. Het nationalisme bleek slechts een bolster rond een onrijp bolsjewisme te zijn. Een soortgelijk proces voltrok zich ook in Estland.

In Wit-Rusland met zijn Poolse of verpoolste grootgrondbezitters, zijn joodse stads- en kleine stadsbevolking en de Russische ambtenaren, kwam de nationale en sociale verontwaardiging van de in meer dan één opzicht onderdrukte boeren onder invloed van het nabije front reeds vóór de Oktoberrevolutie in bolsjewistisch vaarwater. De overgrote massa van de Wit-Russische boeren zal bij de verkiezingen voor de Constituerende Vergadering voor de bolsjewieken stemmen.

Al deze processen waarin ontwaakt nationaal besef samensmolt met sociale ontevredenheid, waarbij deze laatste nu eens op de achtergrond en dan weer op de voorgrond kwam, kwamen het scherpst tot uiting in het leger waar haastig nationale regimenten gevormd werden die naar gelang hun houding tegenover de oorlog en de bolsjewieken door de centrale regering begunstigd, geduld of vervolgd werden, maar zich in het algemeen steeds vijandiger tegen Petrograd gedroegen.

Lenin bleef kalm en vastberaden de nationale pols van de revolutie voelen. In zijn beroemd artikel “De crisis is rijp” wees hij er eind september nadrukkelijk op dat de nationale curie van de Democratische Vergadering “wat radicalisme betreft op de achtergrond raakte, vrijwel nog alleen op één lijn met de vakverenigingen stond en wat het percentage van de tegen de coalitie uitgebrachte stemmen (veertig van de vijfenvijftig) aangaat de curie van de sovjets overtrof.” Dit betekende dat de onderdrukte volkeren niets goeds meer van de Groot-Russische bourgeoisie meenden te mogen verwachten. Steeds vaker gingen zij ertoe over hun rechten eigenmachtig, stuk voor stuk door middel van revolutionaire inbezitnemingen, te verwezenlijken.

Op het Oktobercongres van de Boerjaten in het verre Werchneoedinsk verklaarde de rapporteur dat “de Februarirevolutie geen verandering in de toestand van de vreemde volkeren gebracht had.” Deze balans bracht ertoe om ofwel meteen tot de bolsjewieken over te gaan of toch alleszins een meer welwillende neutrale houding tegenover hen aan te nemen.

Het Al-Oekraïense legercongres dat tijdens de opstand te Petrograd bijeenkwam, besloot de eis van een overgave van de macht aan de sovjets in de Oekraïne te bestrijden, maar weigerde tegelijkertijd om de opstand van de Groot-Russische bolsjewieken “als een antidemocratische handelwijze te beschouwen en beloofde alle middelen in het werk te stellen opdat geen troepen ter onderdrukking van de opstand gezonden zouden worden.” Deze tweedracht waaruit zeer goed blijkt in welk kleinburgerlijk stadium de nationale strijd nog verkeerde, verlichtte de revolutionaire strijd van het proletariaat die spoedig aan alle tweedracht een einde zou maken.

Aan de andere kant vervielen nu in de randgebieden de burgerlijke kringen die altijd met de centrale regering waren blijven sympathiseren in een separatisme, dat veelal geen enkele nationale basis meer had. De bourgeoisie van de Oostzeeprovincies die gisteren nog in een patriottische roes verkeerde en die na de Duitse baronnen de krachtigste steun van de Romanovs was, begon de strijd tegen het bosjewistisch Rusland en de inheemse volksmassa’s onder separatistische vlag. Er deden zich nog wonderlijker verschijnselen op dit gebied voor. Op 20 oktober werd het fundament gelegd voor een nieuwe staat, het zuidoostelijk verbond van de Kozakkenlegers, van de bergbewoners van de Kaukasus en de vrije volken van de steppen. De leiders van de Don-, de Koeban-, de Terek- en de Astrakankozakken die vroeger de voornaamste steunpilaar van de tsaristische gecentraliseerde staat waren, werden op enkele maanden tijd enthousiaste voorvechters van een federatie en ze verenigden zich op deze basis met de leiders van de mohammedaanse berg- en steppenbewoners. De scheidsmuren van het federatief regime moesten een slagboom tegen het uit het noorden komend bolsjewistisch gevaar vormen. Het contrarevolutionaire separatisme richtte zich echter direct tegen de regerende coalitie, nog voordat het de voornaamste steunpunten voor de burgeroorlog tegen de bolsjewieken schiep. Hierdoor raakte de regerende coalitie gedemoraliseerd en verder verzwakt.

Zo toonde ook het nationale vraagstuk zijn vreselijk lelijke karakter, zijn Medusahoofd waarop elk haartje van de verwachtingen van maart en april in een slang van haat en woede veranderd waren.

De bolsjewistische partij heeft zeker niet meteen na de revolutie die standpunten in het nationale vraagstuk ingenomen waardoor zij uiteindelijk de overwinning kon behalen. Niet alleen in de randgebieden met veel zwakke en onervaren partijorganisaties, maar ook in het centrum in Petrograd was de partij door de oorlogsjaren zo verzwakt dat het theoretisch en politiek peil van de leiders zo sterk achteruit gegaan was dat de officiële leiding voor de aankomst van Lenin een houding innam die bijzonder verward was en gekenmerkt werd door halfslachtigheid.

De bolsjewieken bleven weliswaar overeenkomstig hun traditie als vanouds het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren verkondigen. Maar dit recht werd, althans in woorden, ook door de mensjewieken erkend: de tekst van het programma was bij beide stromingen nog altijd dezelfde. Het regeringsvraagstuk stond echter op de voorgrond. Intussen waren de leiders van die tijd absoluut niet in staat om de onverzoenlijke tegenstelling te begrijpen tussen enerzijds de bolsjewistische leuzen zowel in het nationale alsook in het agrarische vraagstuk en anderzijds de handhaving van het burgerlijk-imperialistisch regime dat zich in democratische vormen verhuld had.

De democratische stellingname kwam op de meest vulgaire wijze tot uitdrukking in de geschriften van Stalin. Op 25 maart doet Stalin in een artikel naar aanleiding van het regeringsdecreet betreffende de afschaffing van de nationale beperkingengewijd een poging om het nationale vraagstuk historisch te behandelen. “De sociale basis van de nationale onderdrukking,” schrijft hij, “en de kracht die haar bezielt, is de afstervende grondaristocratie.” De democratische schrijver ziet klaarblijkelijk geheel over het hoofd dat de nationale onderdrukking een ongekende omvang aanneemt in het kapitalistisch tijdperk en op de meest barbaarse wijze tot uiting komt in de koloniale politiek. “In Engeland,” zo vervolgt hij, “waar de grondaristocratie de macht met de bourgeoisie deelt, waar de onbeperkte heerschappij van deze aristocratie reeds lang niet meer bestaat, is de nationale onderdrukking zachtaardiger, minder onmenselijk, afgezien (?) natuurlijk van het feit dat in de loop van de oorlog, waarin de regering in handen van de landlords (!) kwam, de nationale onderdrukking sterker werd (vervolging van de Ieren, de Indiërs).” De landlords die zich klaarblijkelijk in de persoon van Lloyd George dankzij de oorlog meester hadden kunnen maken van de macht, blijken nu de schuld van de onderdrukking van de Ieren en de Indiërs te zijn. “In Zwitserland en in Noord-Amerika,” vervolgt Stalin, “waar geen landlords bestaan en niet bestaan hebben (?), waar de regering geheel in handen van de bourgeoisie is, ontwikkelen de verschillende volkeren zich vrij en is er in het algemeen gesproken geen plaats voor een nationale onderdrukking.” De schrijver gaat gemakshalve volledig voorbij aan onder meer de positie van kleurlingen en het koloniale vraagstuk in de Verenigde Staten.

Het gaat om een hopeloos bekrompen analyse die neerkomt op een verwarde tegenstelling tussen feodalisme en democratie en die leidt tot zuiver liberale conclusies op politiek vlak. “De feodale aristocratie van het politieke toneel verwijderen en haar de macht ontnemen, betekent een einde maken aan de nationale onderdrukking en de feitelijke omstandigheden scheppen die voor de nationale vrijheid noodzakelijk zijn. De Russische revolutie heeft,” schrijft Stalin, “voor zover zij gezegevierd heeft deze feitelijke omstandigheden reeds geschapen.” Wij hebben hier wellicht een nog principiëler verdediging van de imperialistische “democratie” voor ons dan alles wat de mensjewieken in die dagen over dit onderwerp geschreven hebben. Zoals Stalin met Kamenew hoopte om tot een democratische vrede te komen door een arbeidsverdeling met de Voorlopige regering, zag hij in de democratische binnenlandse politiek van vorst Lvov de ‘feitelijke voorwaarden’ voor de nationale vrijheid.

In werkelijkheid bracht de val van de monarchie voor het eerst volkomen aan het licht dat niet alleen de reactionaire grondbezitters, maar ook de gehele liberale bourgeoisie en met haar de gehele kleinburgerlijke democratie, samen met de patriottische groepen onder de arbeidersklasse, onverzoenlijke tegenstanders waren van een werkelijke nationale gelijkgerechtigdheid, d.w.z. van een afschaffing van de voorrechten van de heersende natie. Hun gehele programma kwam neer op een verzachting, een cultureel laagje vernis en een democratische verbloeming van de Groot-Russische suprematie.

Op het congres dat in april gehouden werd, ging Stalin er bij zijn verdediging van de resolutie van Lenin inzake het nationale vraagstuk reeds formeel van uit dat “de nationale onderdrukking van dat systeem… in die maatregelen bestond… die door de imperialistische kringen genomen werden,” maar onvermijdelijk raakt hij dan meteen weer in zijn opvattingen van maart verstrikt. “Hoe democratischer een land is des te geringer is de nationale onderdrukking, en omgekeerd,” zo luidt zijn eigen conclusie die zeker niet aan Lenin ontleend is. Het feit dat het democratische Engeland India met zijn feodale kasten onderdrukt, verliest hij weer uit het oog. “Anders dan in Rusland, waar de oude grondaristocratie heerste,” vervolgt Stalin, “heeft in Engeland en Oostenrijk-Hongarije de nationale onderdrukking nooit de vorm van pogroms aangenomen.” Alsof in Engeland “nooit” een grondaristocratie geheerst had en alsof deze in Hongarije niet tot op de huidige dag heerst! Het gecombineerde karakter van de historische ontwikkeling waardoor “democratie” gepaard gaat met kneveling van zwakke volken, ontgaat Stalin.

Dat Rusland ontstond als een staat met verschillende nationaliteiten is het gevolg van zijn vertraagde historische ontwikkeling. Deze vertraging heeft een gecompliceerd en onvermijdelijk tegenstrijdig karakter. Een achterlijk land volgt de verder ontwikkelde landen geenszins precies op de voet, zodat het voortdurend dezelfde afstand ermee bewaart. In het tijdperk van wereldhuishouding springen achterlijke volken, terwijl zij onder de druk van de verder ontwikkelde landen zich in de keten van de totale ontwikkeling voegen, een aantal fasen over. Sterker nog: het ontbreken van hechte maatschappelijke vormen en tradities maakt een achterlijk land – althans tot op zekere hoogte – zeer ontvankelijk voor de nieuwste resultaten van de wereldtechniek en de wereldgedachten. De achterlijkheid houdt daarmee echter niet op achterlijkheid te zijn. De ontwikkeling krijgt in haar geheel een tegenstrijdig en gecompliceerd karakter. De sociale structuur van een achterlijk volk wordt gekenmerkt door het bestaan van historische uitersten – achterlijke boeren en ontwikkelde proletariërs – naast tussenformaties, naast de bourgeoisie. De taak van de ene klasse wordt afgewenteld op de schouders van een andere. Ook op nationaal gebied krijgt de arbeidersklasse de taak om de middeleeuwse restanten op te ruimen.

De vertraagde historische ontwikkeling van Rusland als Europees land komt nergens zo scherp tot uiting als in het feit dat het pas in de twintigste eeuw een einde maakte aan de horigheid en de Joodse vestigingsvoorschriften, anders gezegd aan de barbarij van de lijfeigenschap en aan het getto. Rusland had echter net als gevolg van zijn vertraagde ontwikkeling nieuwe en uiterst moderne klassen, partijen en programma’s om deze taken te volbrengen. De ideeën en methoden van Marx waren voor Rusland nodig om een einde te maken aan de ideeën en methoden van Raspoetin.

De politieke praktijk bleef echter veel primitiever dan de theorie, omdat de werkelijkheid nu eenmaal minder gemakkelijk verandert dan de opvattingen. Toch was de theorie slechts een formulering van de praktische noodzakelijkheden. Om tot een bevrijding en culturele bloei te kunnen komen, waren de onderdrukte volken genoodzaakt om hun lot met dat van de arbeidersklasse te verbinden. Daartoe moesten zij zich echter onttrekken aan de leiding van hun burgerlijke en kleinburgerlijke partijen, d.w.z. een eind vooruitsnellen op de historische weg.

De invoeging van de nationale beweging in het eigenlijke revolutionaire proces, in de strijd van de arbeidersklasse om de macht, voltrekt zich niet ineens maar in meerdere etappes, en wel verschillend naar de verschillende gebieden. Oekraïense, Wit-Russische of Tartaarse arbeiders, boeren en soldaten, die vijandig stonden tegenover Kerenski, de oorlog en de russificatie, werden daardoor alleen reeds bondgenoten van de arbeidersopstand en dit ondanks hun verzoeningsgezinde leiders. In een volgende fase moesten zij van een objectieve ondersteuning van de bolsjewieken onvermijdelijk ertoe komen om ook subjectief de weg van het bolsjewisme in te slaan. In Finland, Letland, Estland, en in mindere mate ook in Oekraïne, neemt de nationale beweging die in verschillende groepen uiteenvalt omstreeks oktober zozeer in omvang toe dat slechts door een inmenging van buitenlandse troepen een overwinning van de proletarische revolutie hier verhinderd kan worden. In het Aziatische oosten, waar het nationale ontwaken zich in de meest primitieve vormen voltrok, zou dit eerst geleidelijk en veel later onder de leiding van de arbeidersklasse gebeuren, pas na verovering van de macht door de arbeidersklasse. Indien men het gecompliceerde en tegenstrijdige proces in zijn geheel overziet, ligt de conclusie voor de hand dat én de nationale én de agrarische stromingen uitmondden in de bedding van de Oktoberrevolutie.

De onvermijdelijke en onophoudelijke overgang van de massa’s van de meest elementaire taak van een politieke, agrarische en nationale bevrijding tot de heerschappij van de arbeidersklasse was geen gevolg van “demagogische” propaganda en niet van vooropgezette schema’s, niet van de theorie van de permanente revolutie, zoals de liberalen en de verzoeningsgezinden meenden, maar van Ruslands sociale structuur en de internationale situatie. De theorie van de permanente revolutie was slechts een formulering van dit gecombineerde ontwikkelingsproces.

Het gaat hier niet alleen om Rusland. De invoeging van de vertraagde nationale revoluties in de arbeidersrevolutie voltrekt zich volgens een internationale wetmatigheid. Terwijl in de negentiende eeuw het doel van de oorlogen en revoluties nog altijd voornamelijk gelegen was in een verzekering van de nationale markt aan de productiekrachten, is in de twintigste eeuw het doel erin gelegen om de productiekrachten uit de nationale grenzen te bevrijden. Deze nationale grenzen zijn immers een obstakel geworden. In een brede historische zin opgevat, zijn de nationale revoluties in het oosten slechts fasen van de wereldrevolutie van de arbeidersklasse, net zoals de nationale bewegingen in Rusland fasen van de Sovjetheerschappij werden.

Lenin besefte merkwaardig goed welke revolutionaire kracht gelegen was in het lot van de onderdrukte volkeren, zowel in het tsaristisch Rusland als in andere landen. Hij koesterde slechts verachting voor het huichelachtige ‘pacifisme’ dat de oorlog van Japan tegen China (om dat laatste land te onderwerpen) evenzeer veroordeelt als de bevrijdingsoorlog van China tegen Japan. Voor Lenin was de nationale bevrijdingsoorlog in tegenstelling tot de imperialistische onderwerpingsoorlog slechts een andere vorm van de nationale revolutie, die op haar beurt een noodzakelijke schakel in de bevrijdingsstrijd van de wereldwijde arbeidersklasse is.

Deze beoordeling van nationale revoluties en oorlogen hoeft op geen enkele wijze tot een erkenning van een of andere revolutionaire missie van de bourgeoisie van koloniale of half-koloniale volkeren te leiden. Integendeel, juist de bourgeoisie van de achterlijke landen ontwikkelt zich van jongsaf aan als een agentschap van het buitenlands kapitaal en staat ondanks afgunst en vijandschap op alle beslissende momenten aan de kant van deze. De Chinese compradoren zijn de klassieke vorm van een koloniale bourgeoisie, zoals de Kwomintang de klassieke partij van de compradoren is. De leidende groepen van de kleine bourgeoisie, waaronder ook de intellectuelen, kunnen actief en soms erg luidruchtig aan de nationale strijd deelnemen, maar ze zijn volkomen onbekwaam om een zelfstandige rol te spelen. Enkel de arbeidersklasse die aan het hoofd van de natie gesteld is, kan én de nationale én de agrarische revolutie doorvoeren.

Het is een fatale fout van Stalin en zijn aanhangers om uit Lenins leer van de drijvende historische kracht van de strijd van de onderdrukte naties tot de opvatting van een revolutionaire missie van de burgerij in de kolonies te komen. Gemis aan inzicht in het permanent karakter van de revolutie in het imperialistisch tijdperk; starre schematisering van de ontwikkeling; ontleding van het levend gecombineerd proces tot dode stadia die schijnbaar volkomen van elkaar in tijd gescheiden zijn, brachten Stalin tot een banale idealisering van de democratie of van de “democratische heerschappij” die in werkelijkheid slechts óf een imperialistische heerschappij óf een heerschappij van de arbeidersklasse kan zijn. Meer en meer kwam de groep van Stalin langs deze weg tot een vrijwel volledige breuk met Lenins standpunt in het nationale vraagstuk en tot de verderfelijke politiek in China.

In augustus 1927, in de strijd tegen de oppositie (Trotski, Rakovski en anderen), zei Stalin in de plenaire zitting van het Centraal Bolsjewistisch Comité: “Aan de ene kant een revolutie in de imperialistische landen: daar is de bourgeoisie contrarevolutionair in elk revolutionair stadium… Aan de andere kant een revolutie in de koloniale en afhankelijke landen… daar kan de nationale bourgeoisie in een bepaald stadium en gedurende zekere tijd de revolutionaire beweging in haar land tegen het imperialisme ondersteunen.” Met de nodige reserves en verzachtingen die alleen maar een gevolg van zijn innerlijke twijfel zijn, schrijft Stalin hier aan de koloniale bourgeoisie dezelfde eigenschappen toe die hij in maart 1917 aan de Russische bourgeoisie toegekend had. Overeenkomstig zijn natuur en karakter baant het stalinistisch opportunisme, als het ware gehoorzamend aan de wetten van de zwaartekracht, zich langs verschillende kanalen een weg. De keuze van de theoretische argumenten is daarbij louter een kwestie van toeval.

Uit het feit dat men de “nationale” regering in China op dezelfde wijze beoordeelde als men in maart 1917 de Voorlopige Regering beoordeeld had, vloeide de samenwerking van Stalin met de Kwomintang gedurende drie achtereenvolgende jaren voort. Dit was een van de meest ontstellende feiten in de nieuwere geschiedenis: als een trouwe schildknaap ging het latere bolsjewisme hand in hand met de Chinese bourgeoisie tot 11 april 1927, d.w.z. tot aan de bloedige afrekening van deze laatste met de arbeidersklasse van Sjanghai. “De grootste fout van de oppositie,” zo motiveerde Stalin zijn bondgenootschap met Chiang Kai-Shek, “is daarin gelegen dat zij de revolutie van 1905 in Rusland, een imperialistisch land dat andere volkeren onderdrukte, gelijkstelt met de revolutie in China, dat een onderdrukt land is.” Het is verwonderlijk dat Stalin zelfs niet op de gedachte kwam om de revolutie in Rusland niet te beschouwen vanuit het standpunt van een natie “die andere volkeren onderdrukt”, maar vanuit de ervaring die “andere volkeren” van datzelfde Rusland opgedaan hadden. Die andere volkeren hadden immers zeker geen beperktere onderdrukking dan de Chinezen te verduren gekregen.

Op het grote experimenteergebied dat Rusland gedurende drie revoluties vormde, waren alle varianten van de nationale en de klassenstrijd te vinden op één na, namelijk die waarbij de bourgeoisie van een onderdrukt volk de rol van bevrijder ten opzichte van haar eigen volk speelde. De bourgeoisie in de randgebieden was, hoe zij zich ook in alle fasen van haar ontwikkeling mocht voordoen, altijd afhankelijk van de banken in het centrum, de trusts en de vennootschappen. Ze was eigenlijk slechts een agentuur van het totale Russische kapitaal, schikte zich naar de russificering die door het Russische kapitaal beoogd werd en onderwierp grote groepen van de liberale en democratische intellectuelen hieraan. Hoe “rijper” de randbourgeoisie werd, des te nauwer verbond zij zich met het gehele staatsapparaat. De bourgeoisie van de onderdrukte volken speelde over het geheel genomen dezelfde compradoren-rol tegenover de regerende bourgeoisie als deze tegenover het internationale geldkapitaal. Het ingewikkeld complex van hiërarchische afhankelijkheden en tegenstellingen had echter op geen ogenblik de fundamentele solidariteit in de strijd tegen de opstandige massa’s opgeheven.

In de tijd van de contrarevolutie (1907 tot 1917), toen de leiding van de nationale beweging in handen van de inheemse bourgeoisie was, hadden deze nog openlijker dan de Russische liberalen gepoogd tot een overeenstemming met de monarchie te komen. Poolse, Baltische, Tartaarse, Oekraïense en Joodse bourgeois wedijverden in imperialistisch patriottisme. Na de Februarirevolutie verscholen zij zich achter de kadetten of, naar het voorbeeld van de kadetten, achter hun nationale verzoeningsgezinden. De bourgeoisie van de randstaten slaat omstreeks de herfst de weg van het separatisme in, niet in een strijd tegen nationale onderdrukking maar in een strijd tegen de naderende arbeidersrevolutie. De bourgeoisie van de onderdrukte volken heeft zich in het algemeen zeker niet minder vijandig tegenover de revolutie betoond dan de Groot-Russische bourgeoisie.

De reusachtige les van de drie revoluties is echter aan velen die zelf bij de gebeurtenissen betrokken waren spoorloos voorbijgegaan. Dit gebeurde in de eerste plaats aan Stalin. De verzoeningsgezinde, d.w.z. kleinburgerlijke, opvatting van de onderlinge betrekkingen tussen de klassen die er binnen de koloniale volken bestaan, een opvatting die de Chinese revolutie van 1925 tot 1927 te gronde richtte, is door Stalin en zijn aanhangers zelfs in het programma van de Communistische Internationale opgenomen en is in dit opzicht regelrecht omgevormd tot een valstrik voor de onderdrukte volken van het oosten.

Om de ware betekenis van de nationale politiek van Lenin te begrijpen, kan men het best deze politiek met de methode van contrasten plaatsen tegenover deze van de Oostenrijkse sociaaldemocratie. Terwijl het bolsjewisme zich tientallen jaren op het uitbreken van nationale revoluties instelde en de moderne arbeiders in deze richting opvoedde, paste de Oostenrijkse sociaaldemocratie zich onderdanig aan de politiek van de heersende klassen aan en trad ze op als verdediger van de gedwongen samenleving van tien volkeren binnen de Oostenrijk-Hongaarse monarchie. Maar terwijl zij op geen enkele wijze in staat was om de revolutionaire eenheid van de werkenden van de verschillende volkeren tot stand te brengen, verdeelde zij deze tegelijk verticaal in partijen en vakverenigingen. Karl Renner, een verlicht Habsburgs bureaucraat, zocht onvermoeid met zijn austromarxistische pen naar middelen om de Habsburgse staat te verjongen. Hij deed dit tot op het tijdstip dat hij opmerkte dat hij alleen stond als theoreticus van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Toen de Centralen verslagen werden, poogde de Habsburgse dynastie nog om onder haar scepter de vlag van een federatie van autonome volkeren omhoog te heffen: het officiële programma van de Oostenrijkse sociaaldemocratie dat op een vreedzame ontwikkeling binnen het raam van de monarchie berekend was, werd voor een korte tijd het programma van de met het bloed en het vuil van de vier oorlogsjaren bezoedelde monarchie.

De versleten band waarmee tien naties bijeengehouden waren, viel in stukken. Oostenrijk-Hongarije viel uiteen tengevolge van zijn interne centrifugale krachten, die door het ingrijpen van Versailles nog versterkt werden. Nieuwe staten werden gevormd en de oude omgevormd. De Duits-Oostenrijkers bleven als boven een afgrond hangen. Het ging voor hen nu niet om een handhaving van de heerschappij over andere volken, maar om het gevaar zelf onder vreemde heerschappij te geraken. Otto Bauer, de vertegenwoordiger van de ‘linkervleugel’ van de Oostenrijkse sociaaldemocratie, achtte het ogenblik gekomen om de slogan van nationaal zelfbeschikkingsrecht aan te heffen. Het programma dat in de afgelopen decennia de strijd van de arbeidersklasse tegen de Habsburgers en de bourgeoisie had moeten bezielen, werd een middel tot zelfbehoud voor het volk dat gisteren nog heerste en dat nu bedreigd werd door de vrij geworden Slavische volken. Net als het reformistisch programma van de Oostenrijkse sociaaldemocratie korte tijd de strohalm werd waaraan de ondergaande monarchie zich poogde vast te klampen, zou de gecastreerde austromarxistische slogan van het zelfbeschikkingsrecht het anker van de Duitse bourgeoisie worden.

Op 3 oktober 1918, toen de beslissing absoluut niet meer van hen afhing, “erkenden” de sociaaldemocratische afgevaardigden in de Rijksraad edelmoedig het recht van de volkeren van het vroegere keizerrijk om zelf over hun lot te beschikken. Op 4 oktober namen ook de burgerlijke partijen het programma van zelfbeschikking aan. Terwijl de sociaaldemocratie derhalve de Duits-Oostenrijkse imperialisten één hele dag voor was, nam zij nog altijd een afwachtende houding aan: men kon immers niet weten hoe de dingen zouden lopen en wat Wilson zou zeggen. Pas op 13 oktober, toen er door de definitieve ineenstorting van het leger en van de monarchie “een revolutionaire situatie ontstond waarvoor,” volgens Bauer, “ons nationaal programma bedoeld was,” stelden de austromarxisten praktisch de kwestie van het zelfbeschikkingsrecht aan de orde: zij hadden inderdaad niets meer te verliezen. “Met de ineenstorting van haar heerschappij over de andere volkeren,” verklaart Otto Bauer volkomen openhartig, “was de historische taak van de Duits-nationale burgerij, met het oog waarop deze tot nu toe een scheiding van het Duitse moederland bereidwillig gedragen had, geëindigd.” Het nieuwe programma werd niet verkondigd omdat de onderdrukten het nodig hadden, maar omdat het niet langer een gevaar voor de onderdrukkers was. De bezittende klassen die in een historische impasse raakten, zagen zich genoodzaakt om de nationale revolutie juridisch te erkennen. Het austromarxisme achtte de tijd gekomen om dit theoretisch te legaliseren. Dit is een rijpe revolutie, een die op het juiste moment komt en die historisch voorbereid is: zij heeft zich immers reeds voltrokken. Hier zien wij de ware aard van de sociaaldemocratie!

Geheel anders was het gesteld met de sociale revolutie, die in geen geval kon rekenen op een erkenning door de bezittende klassen. Het ging erom haar op de achtergrond te schuiven, te onttronen en te compromitteren. Daar het keizerrijk natuurlijkerwijs uit elkaar viel in zijn zwakste, d.w.z. in de nationale voegen, trekt Otto Bauer daaruit de volgende conclusie betreffende het karakter van de revolutie: “Zij was nog geenszins een sociale, maar een nationale revolutie.” In werkelijkheid had de beweging van bij het begin een diepe, sociaal revolutionaire ondergrond. Het “louter” nationale karakter van de revolutie wordt niet kwaad belicht door het feit dat de bezittende klassen van Oostenrijk openlijk een beroep deden op de Entente om het gehele leger gevangen te nemen. De Duitse bourgeoisie smeekte de Italiaanse generaal om Wenen met Italiaanse troepen te bezetten!

De starre en banale scheiding van de nationale vorm en sociale inhoud van een revolutionair proces, alsof dit twee zelfstandige historische stadia zijn – we zien hoe dicht Bauer hier bij Stalin komt! – was van grote praktische betekenis: zij moest de samenwerking tussen de sociaaldemocratie en de bourgeoisie in de strijd tegen de gevaren van de sociale revolutie rechtvaardigen.

Indien men met Marx aanneemt dat de revoluties de locomotieven van de geschiedenis zijn, moet men het austromarxisme daarbij de rol van rem toekennen. Reeds na de feitelijke ineenstorting van de monarchie kon de sociaaldemocratie, die gevraagd was om tot de regering toe te treden, nog altijd niet beslissen om de oude Habsburgse ministers vaarwel te zeggen. De “nationale” revolutie maakte het immers nodig om deze met staatssecretarissen te ondersteunen. Pas na 9 november, toen de Duitse revolutie de Hohenzollerns ten val gebracht had, stelde de Oostenrijkse sociaaldemocratie aan de Staatsraad voor om de republiek uit te roepen, waarbij zij de burgerlijke bondgenoten schrik aanjoeg met de beweging van de volksmassa’s waardoor zij zelf tot in het diepst van haar ziel geschokt was. “De christelijk-socialen,” spot Otto Bauer onvoorzichtig genoeg, “die op 9 en 10 november nog achter de monarchie stonden, besloten op 11 november om hun tegenstand op te geven.” De sociaaldemocratie was de partij van de Zwarte Honderd-monarchisten maar liefst twee volle dagen voor! Alle heldenverhalen uit de geschiedenis van de mensheid verbleken tegenover dit revolutionair heroïsme.

Net als de Russische mensjewieken en sociaal-revolutionairen, kwam ook de sociaaldemocratie in het begin van de revolutie tegen haar wil vanzelf aan het hoofd van het volk. Net als deze Russische krachten was ook zij het meest beducht voor haar eigen kracht. In de coalitieregering trachtte zij een zo klein mogelijk plaatsje in te nemen. Otto Bauer verklaart: “Het was echter overeenkomstig het vooreerst nog louter nationale karakter van de revolutie dat de sociaaldemocraten in de eerste tijd slechts op een bescheiden aandeel in de regering aanspraak maakten.” Het vraagstuk van de macht wordt voor deze mensen niet beslist door de werkelijke machtsverhoudingen, niet door het geweld van de revolutionaire beweging, niet door het bankroet van de heersende klassen en niet door de politieke invloed van de partij, maar door het starre etiketje “louter nationale revolutie” dat deze wijze onderzoekers op de gebeurtenissen geplakt hadden.

Karl Renner wachtte de storm als secretaris van de Staatsraad af. De overige sociaaldemocratische leiders werden ambtenaren van de burgerlijke ministers. Met andere woorden: de sociaaldemocraten hielden zich verborgen achter de tafels van de regeringsbureaus. De massa’s waren echter niet van plan om zich te laten afpoeieren met het nationale omhulsel van de noot waarvan de sociale inhoud door de austromarxisten bewaard werd voor de burgerij. De arbeiders en soldaten zetten de burgerlijke ministers af en dwongen de sociaaldemocraten om hun schuilhoek te verlaten. De onmisbare theoreticus Otto Bauer verklaart: “Pas door de gebeurtenissen van de volgende dagen, die van de nationale revolutie een sociale maakten, werd onze invloed in de regering groter.” Van alle omhaal ontdaan betekent dit dat de sociaaldemocraten onder de druk van de massa’s genoodzaakt werden om van achter de tafels te voorschijn te komen.

Zonder ook maar één ogenblik hun roeping ontrouw te worden, namen zij echter alleen maar de macht om tegen romantiek en avonturisme te vechten. Zo heet in de mond van deze verraders de sociale revolutie die hun “invloed in de regering” had vergroot. Indien de austromarxisten in 1918 met succes hun historische taak als beschermengel van de Wiener Kreditanstalt tegenover de romantiek van de arbeidersklasse konden vervullen, dan kwam dit slechts omdat zij niet door een werkelijk revolutionaire partij daarin belemmerd werden.

Twee staten die beide uit verschillende nationaliteiten bestaan, nl. Rusland en Oostenrijk-Hongarije, hebben met hun nieuwste geschiedenis de tegenstelling tussen bolsjewisme en austromarxisme laten zien. Vijftien jaar lang verdedigde Lenin in een onverzoenlijke strijd tegen het Groot-Russisch chauvinisme in al zijn schakeringen het recht van alle onderdrukte volkeren om zich van het tsarenrijk af te scheiden. Men beschuldigde de bolsjewieken ervan dat zij ernaar streefden om Rusland te verbrokkelen. Intussen heeft deze stoutmoedig revolutionaire stellingname in het nationale vraagstuk gemaakt dat de onderdrukte kleine en achtergebleven volkeren van het tsaristisch Rusland een onwrikbaar vertrouwen in de bolsjewistische partij kregen. In april 1917 zei Lenin: “Indien de Oekraïners zullen zien dat er een Sovjetrepubliek bij ons bestaat, zullen zij zich niet afscheiden. Maar indien er een republiek van Miljoekov bij ons zal bestaan, zullen zij zich afscheiden.” Ook hierin had hij gelijk. De geschiedenis heeft op schitterende wijze de proef geleverd op twee soorten politiek in het nationale vraagstuk. Terwijl Oostenrijk-Hongarije, waar de arbeidersklasse opgevoed was in een geest van angstvalligheid, bij de eerste de beste schok uiteenviel waarbij het vooral de nationale vleugels van de sociaaldemocratie waren die het initiatief tot dit uiteenvallen namen – ontstond er op de puinhopen van het tsaristisch Rusland een nieuwe staat van verschillende nationaliteiten die economisch en politiek innig verbonden waren door de bolsjewistische partij.

Wat ook de verdere lotgevallen van de Sovjet-Unie zijn, Lenins politiek voor het nationale vraagstuk zal altijd in de geschiedenis van de mensheid blijven voortleven.

De boeren voor de Oktoberrevolutie

De beschaving maakte de boer tot lastpaard. De bourgeoisie veranderde eigenlijk slechts de vorm van de last. Nauwelijks geduld op de drempel van het nationale leven, blijven de boeren eigenlijk ook in de wetenschap buitengesloten. De historicus interesseert zich gewoonlijk evenmin voor de boeren als de toneelcriticus dit doet voor de grauwe figuren die het toneel vegen, hemel en aarde op hun rug dragen en de garderobe van de toneelspelers schoonhouden. De rol die de boeren in vroegere revoluties speelden, is tot op vandaag nagenoeg niet bestudeerd.

“De Franse burgerij begon met de boeren te bevrijden,” schreef Marx in het jaar 1848, “en met de boeren veroverde zij Europa. De Pruisische burgerij was zozeer van haar meest enge en meest directe belangen vervuld, dat zij zich zelfs deze bondgenoot liet ontglippen en tot een werktuig in handen van de feodale contrarevolutie maakte.” In deze vergelijking is het stuk over de Duitse burgerij correct, maar de stelling dat de Franse burgerij “begon met de boeren te bevrijden” is slechts een herhaling van de officiële Franse legende, een legende waarvan de invloed zelfs Marx in zijn tijd meetrok. In werkelijkheid verzette de bourgeoisie in de eigenlijke zin van het woord zich met alle macht tegen de boerenrevolutie. Reeds in de plattelandsinstructie van 1798 werden de meest krasse en stoutmoedige eisen door de plaatselijke leiders van de derde stand onder het voorwendsel van een redactiewijziging geschrapt. De vaak geciteerde besluiten van 4 augustus, die onder de gloed van de branden op het platteland door de Nationale Vergadering genomen waren, bleven lange tijd louter een pathetische verklaring zonder reële inhoud. De Constituerende Vergadering bezwoer de boeren die zich niet om de tuin wilden laten leiden om “naar huis terug te keren om hun plicht te doen en zich met gepaste eerbied tegenover de eigendom” (de feodale!) “te gedragen.” De garde-civiel keerde zich meer dan eens tegen de dorpen om de boeren te onderdrukken. De arbeiders uit de steden die partij voor de opstandelingen kozen, ontvingen de burgerlijke strafexpedities met stenen en dakpannen.

Vijf jaar lang stonden de Franse boeren op alle kritieke momenten van de revolutie op om het gesjacher van de adel met de burgerlijke eigenaren te verhinderen. De Parijse sans-culottes die hun bloed voor de republiek vergoten, bevrijdden de boeren uit de feodale banden. De Franse republiek van 1792 betekende een nieuw sociaal regime, anders dan de Duitse republiek van 1918 of de Spaanse republiek van 1931, die het oude regime minus dynastie betekenen. Het is niet moeilijk in te zien dat de agrarische kwestie de kern van dit fundamenteel verschil vormt.

De Franse boer dacht niet direct aan een republiek: hij wilde de grootgrondbezitter van zich afschudden. De Parijse republikeinen vergaten gewoonlijk het dorp. Enkel de druk van de boeren op de grootgrondbezitters waarborgde echter de vestiging van een republiek, doordat hierdoor de grond van alle oude feodale rommel gezuiverd werd. Een republiek met een adel is geen republiek. Dit had de oude Machiavelli zeer goed begrepen toen hij 400 jaar voordat Ebert president was in zijn Florentijnse ballingschap, tussen lijsterjacht en trictracspel met een slager, de les trok uit de democratische revoluties: “Wie in een land waar veel edelen zijn een republiek wil vestigen, zal dit niet kunnen doen zonder deze eerst allemaal uit te roeien.” De Russische moezjieks waren eigenlijk dezelfde mening toegedaan en zij toonden dit openlijk, zonder enig machiavellisme.

Terwijl Petrograd en Moskou de leidende rol in de beweging van de arbeiders en soldaten vervulden, namen het achtergebleven Groot-Russische landbouwcentrum en het Midden-Wolgagebied de voornaamste plaats in de boerenbeweging in. Hier waren zeer sterke elementen van de overblijfselen van de lijfeigenschap overgebleven, het adellijk grondbezit had een buitengewoon sterk uitgesproken parasitair karakter, de differentiatie van de boeren was niet zo ver gegaan als in andere streken en legde des te meer de armoede in het dorp bloot. In deze streken laait de beweging reeds in maart op en neemt zij terstond de vorm van een terreur aan. Door de bemoeiingen van de regerende partijen wordt zij echter spoedig in verzoeningsgezinde banen geleid.

In het op industrieel gebied achtergebleven Oekraïne kreeg de op export gerichte landbouw een meer modern en daardoor meer kapitalistisch karakter. De differentiatie onder de boeren was hier veel sterker dan in Groot-Rusland. De strijd om nationale bevrijding werkte onvermijdelijk, althans gedurende een zekere tijd, remmend op alle andere vormen van de sociale strijd. De verschillen die er in de territoriale en zelfs nationale verhoudingen bestonden, uitten zich tenslotte echter slechts als verschillen in tijdsduur. Tegen de herfst wordt nagenoeg het gehele land één groot gebied van boerenopstand. De beweging breidde zich uit over 482 van de 684 districten die het oude Rusland vormden ofwel 77%. Zonder de randgebieden mee te tellen waar in sommige opzichten bijzondere agrarische verhoudingen bestaan: het noordelijk district, Transkaukasië, het steppengebied en Siberië, werden 439 van de 481 districten of 91% in de boerenopstand meegesleurd.

De strijdmethoden verschillen naargelang het om velden, bossen of weiden, om pacht of loonarbeid gaat. De strijd verandert van vormen en methoden op verschillende tijdstippen van de revolutie. In het algemeen echter doorloopt de beweging op het platteland, met de onvermijdelijke vertraging, dezelfde twee grote stadia als de beweging in de steden. In de eerste fase passen de boeren zich nog aan het nieuwe regime aan en pogen hun doeleinden door middel van de nieuwe instellingen te bereiken. Ook hier betreft het echter meer de vorm dan de inhoud. Een liberaal blad te Moskou, dat vóór de revolutie volkssocialistisch getint was, gaf met een lovenswaardige openhartigheid uiting aan de gevoelens die in de kringen van de grootgrondbezitters in de zomer van het jaar 1917 bestonden: “De moezjiek kijkt om zich heen, nog doet hij niets, maar let eens goed op zijn ogen, en die ogen zullen u zeggen dat het gehele land rondom hem – zijn land is.”

Een prachtig bewijs van de vreedzame politiek van de boeren is het telegram dat een van de Tambovse dorpen in april aan de Voorlopige Regering zond: “Wij willen in het belang van de verkregen vrijheden ons rustig houden, maar verbiedt dan om vóór de Constituerende Vergadering land van de grootgrondbezitters te verkopen. Anders zullen wij bloed laten vloeien en verhinderen dat anderen de grond bebouwen.”

De moezjiek kon eerder op een onderdanige maar tevens dreigende toon spreken, aangezien hij bij het opkomen voor zijn historische rechten bijna nooit direct met de staat in botsing kwam. Regeringsorganen ter plaatse ontbraken. Over de militie hadden de gemeentecomités zeggenschap. De rechtspraak was gedesorganiseerd. De plaatselijke commissarissen waren machteloos. “Wij hebben u gekozen,” riepen de boeren, “wij zullen u ook weer wegjagen.”

Terwijl zij de strijd in de voorafgaande maanden uitbreiden, komen de boeren in de loop van de zomer steeds dichter bij de burgeroorlog en beginnen deze met hun linkervleugel. Volgens een mededeling van de grondbezitters in het district Taganrog nemen de boeren eigenmachtig de hooioogst in bezit, eigenen zich de grond toe, beletten te ploegen, stellen eigenmachtig de pachtprijzen vast en verdrijven de eigenaars en administrateurs. Volgens het rapport van de commissaris te Nisjegorod volgde de ene gewelddaad en de ene onteigening van akkers en bossen op de andere in het gouvernement. De districtscommissarissen waren bang in de ogen van de boeren verdedigers van de grootgrondbezitters te lijken. De dorpsmilitie is onbetrouwbaar: “Er deden zich gevallen voor waar militiesoldaten zich samen met de menigte aan gewelddaden schuldig maakten.” In het district Schlüsselburg verbiedt het gemeentecomité aan de grondeigenaren om hun eigen bossen te kappen. De boeren denken eenvoudig: geen Constituerende Vergadering zal de omgehakte bomen weer uit de stronken kunnen doen opgroeien. De commissaris beklaagt zich over het wegnemen van de hooioogst: het hooi voor de paarden dient men te kopen! In het gouvernement Koersk verdelen de boeren de reeds gemeste nog braakliggende velden van Teresjtsjenko onder elkaar: de eigenaar ervan is minister van Buitenlandse Zaken. Aan de paardenfokker van het gouvernement Orlov, Schneder, verklaarden de boeren dat zij niet alleen de klaver op zijn landgoed zouden afmaaien, maar ook hemzelf bij de soldaten zouden inlijven. Aan de rentmeester van het landgoed van Rodsjanko gelastte het gemeentecomité de oogst aan de boeren af te staan: “Indien je niet gehoorzaamt aan het landelijk comité, zullen wij optreden en zal je gearresteerd worden.” Handtekening en zegel ontbreken niet.

Van alle kanten stroomde het klachten en jammerkreten: van de slachtoffers, van de plaatselijke autoriteiten en van nobele getuigen. De telegrammen van de grootgrondbezitters zijn een schitterende weerlegging van alle simplistische klassenstrijdtheorieën. Bekende grootgrondbezitters, eigenaren van latifundia, geestelijke en wereldlijke aanhangers van de lijfeigenschap zijn uitsluitend om het algemeen welzijn bezorgd. Niet de boer is de vijand, maar de bolsjewiek en dikwijls de anarchist. Hun eigen landgoederen interesseren de landlords alleen met het oog op de bloei van het vaderland.

Driehonderd leden van de kadettenpartij uit het gouvernement Tsjernigow verklaren: opgehitst door de bolsjewieken jagen de boeren de krijgsgevangenen van hun werk weg en gaan er toe over om zelf eigenmachtig de oogst binnen te halen. Hierdoor dreigt “het onmogelijk te worden om de belastingen te betalen.” De liberale grondbezitters zagen de reden van hun bestaan in een ondersteuning van de staatskas gelegen! Het bijkantoor van de staatsbank in Podolië beklaagt zich over het eigenmachtig optreden van de gemeentecomités, “waarvan de voorzitters Oostenrijkse krijgsgevangenen zijn.” Hier spreekt gekwetste vaderlandsliefde! In het gouvernement Vladimir wordt op het landgoed van de notaris Odinzov “het voor weldadige instellingen in gereedheid gebrachte bouwmateriaal” weggenomen. Het leven van notarissen is immers slechts aan daden van mensenliefde gewijd! De bisschop van Podolië meldt het eigenmachtig wegnemen van hout dat aan het bisschoppelijk huis toebehoort. De opperprocureur beklaagt zich over de onteigening van stukken weiland van het Alexander-Nevskiklooster. De abdis van het klooster van Kislarsk slingert haar banbliksems tegen de leden van de plaatselijke sovjet: deze mengen zich in de aangelegenheden van het klooster, nemen ten eigen bate de pachtgelden in beslag en “stoken de nonnen tegen de overheid op.” In al deze gevallen gaat het om een directe bedreiging van de belangen van de kerk.

Graaf Tolstoj, een van de zonen van Leo Tolstoj, bericht in naam van de bond van landeigenaren in het gouvernement Ufa dat de overgave van de grond aan de landelijke comités, “zonder eerst het besluit van de Constituerende Vergadering af te wachten… een uitbarsting van ontevredenheid teweeg zal brengen… onder de landeigenaars van wie er meer dan 200.000 in het gouvernement zijn.” De voorname grondbezitter is alleen maar bezorgd om zijn kleine broer. Senator Belgardt, landeigenaar in het gouvernement Tver, is bereid om het kappen van hout te dulden, maar betreurt het dat de boeren “zich niet aan de burgerlijke regering willen onderwerpen.” De Tambovse grootgrondbezitter Veljaminov eist de redding van twee landgoederen die dienden “voor de behoeftevoorziening van het leger.” Toevallig zijn het zijn eigen landgoederen. De telegrammen van de landheren uit het jaar 1917 zijn een ware schat voor idealistische filosofen. De materialist zal er veeleer een toonbeeld van cynisme in zien. Hij zal wellicht hieraan toevoegen dat grote revoluties de bezittenden zelfs beletten te huichelen zoals zij dit graag willen doen.

Het beroep van de slachtoffers op districts- en gouvernementsautoriteiten, op de minister van Binnenlandse Zaken en op de voorzitter van de ministerraad, bleef meestal zonder resultaat. Bij wie moest men nu hulp zoeken? Bij Rodsjanko, de voorzitter van de Rijksdoema. De kamerheer voelt zich tussen de Julidagen en de opstand van Kornilov weer een invloedrijk man: veelal gebeuren de dingen op zijn telefonisch bevel.

Ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken sturen een rondschrijven aan de plaatselijke autoriteiten waarin staat dat de schuldigen aan het gerecht overgeleverd moeten worden. Rasechte grootgrondbezitters te Samara telegraferen terug: “Telegrammen zonder ondertekening van de socialistische ministers hebben geen kracht.” Zo blijkt het nut van het socialisme. Tsereteli moet zijn schuchterheid overwinnen: op 18 juli zendt hij een uitvoerige beschikking betreffende het nemen van “snelle en krachtige maatregelen.” Net als de grondbezitters is ook Tsereteli alleen maar bezorgd om het leger en om de staat. De boeren schijnt het echter toe dat Tsereteli de grondbezitters beschermt.

Er komt een verandering in de onderdrukkingsmethoden van de regering. Tot juli had men hoofdzakelijk getracht te overtuigen. Wanneer men ook troepen naar de onrustige gebieden zond, dan gebeurde dit enkel ter bescherming van de spreker van de regering. Na de overwinning over de Petrogradse arbeiders en soldaten werden cavalerietroepen, ditmaal zonder bemiddelaar, direct ter beschikking van de grondbezitters gesteld. In het gouvernement Kazan, dat een van de meest onrustige was, lukte het – volgens de jonge historicus Joegov – slechts “door arrestaties, inkwartiering van gewapende soldaten in de dorpen, ja zelfs wederinvoering van de lijfstraf… om de boeren een tijdlang ertoe te dwingen zich rustig te houden.” Ook op andere plaatsen blijven de represaillemaatregelen niet zonder uitwerking. Het aantal van de bij de onlusten betrokken landgoederen nam in juli enigszins af: van 516 tot 503. In augustus wist de regering meerdere successen te boeken: het aantal onrustige districten daalde van 325 tot 288, d.w.z. 11%. Het aantal landgoederen dat onder de onlusten te lijden had, daalde zelfs met 33%.

Sommige van de gebieden die tot nu toe het meest onrustig waren, werden kalm of traden op de achtergrond. Daarentegen trokken nu gebieden die gisteren nog betrouwbaar waren ten strijde. Nog geen maand geleden gaf de commissaris van Pensa een geruststellende beschrijving: “In de dorpen is men bezig met het binnenhalen van de oogst… Men bereidt zich voor op de verkiezingen voor de gemeentelijke Zemstvo’s. De periode van de regeringscrisis is rustig verlopen. De vorming van een nieuwe regering is gunstig opgenomen.” In augustus reeds is er niets meer van deze idylle over: “Massale plunderingen van tuinen en stroperijen… Er moet wapengeweld gebruikt worden om een einde aan de onlusten te maken.”

Over het geheel genomen behoort de beweging in de zomer nog altijd tot de “vreedzame” periode. Er zijn echter reeds weliswaar zwakke, maar toch onmiskenbare symptomen van een radicalisering in haar te bespeuren: terwijl directe overvallen op landgoederen in de eerste vier maanden in aantal afnemen, beginnen zij in juli weer toe te nemen. De onderzoekers noemen in het algemeen de conflicten in juli in onderstaande volgorde: inbezitnemingen van weiden, oogsten, levensmiddelen en veevoeder, akkerland en inventaris; strijd om de wijzen van verpachting; plunderingen van landgoederen. In augustus: inbezitnemingen van oogsten, levensmiddelen en voorraden veevoeder, weiden en hooi, land en bos; agrarische terreur.

Begin september herhaalt Kerenski, in zijn hoedanigheid van opperbevelhebber, in een afzonderlijke legerorder weer eens de nog onlangs door zijn voorganger Kornilov geuite argumenten en dreigementen tegen de “gewelddaden van de boeren.” Enkele dagen later schrijft Lenin: “Of… alle grond terstond aan de boeren… of de grootgrondbezitters en kapitalisten… zullen het tot een ontzettend bloedige boerenopstand laten komen.” Dit laatste werd in de loop van de volgende maand werkelijkheid.

Het aantal landgoederen dat door de onlusten op het platteland geteisterd werd, steeg in september vergeleken met augustus met 30%, in oktober vergeleken met september met 43%. Meer dan één derde van alle sinds maart vermelde conflicten op het platteland valt in september en de drie eerste weken van oktober. Zij waren echter veel meer in scherpte dan in aantal toegenomen. In de eerste maanden had men zelfs openlijke onteigeningen van enkele afzonderlijke grondstukken toch nog gegoten in de vorm van overeenkomsten, verzacht en gedekt door de verzoeningsgezinde organen. Nu valt het legale masker weg. De beweging krijgt overal een uitdagend karakter. De boeren gaan van verschillende soorten en gradaties van druk over tot gewelddadige onteigeningen van gedeelten van de landgoederen, tot plunderingen van de verblijven van de adel, tot brandstichtingen op de hoeven, zelfs tot moorden op de eigenaars en de rentmeesters. De conflicten om een verandering in de pachtvoorwaarden die in juni het aantal plunderingen nog te boven gaan, vormen in oktober niet meer dan één veertigste van het aantal plunderingen, waarbij bovendien de beweging van de pachters van karakter verandert doordat zij slechts een andere methode tot verdrijving van de grootgrondbezitters wordt. Het verbod van koop en verkoop van grond en bos maakt plaats voor de directe inbezitneming. De gevallen van kappen en afmaaien op grote schaal krijgen het karakter van een stelselmatige vernietiging van de grootgrondeigendom. In september worden er 297 gevallen van openlijke plunderingen van landgoederen gemeld. Zij maken reeds meer dan één achtste van alle conflicten uit. Tweeënveertig procent van alle gevallen van plundering die door de militie tussen de Februari- en Oktoberrevolutie gerapporteerd werden, hebben in oktober plaats.

De strijd om de bossen nam een bijzonder verbitterd karakter aan. De dorpen brandden dikwijls tot op de grond toe af. Het tot bouwmateriaal bestemde hout werd zwaar bewaakt en duur verkocht. De boeren snakten naar hout. Bovendien werd het tijd om houtvoorraden voor de winter op te slaan. Uit de gouvernementen Moskou, Nisjegorod, Petrograd, Orel, Wolhynië, uit alle hoeken van het land, komen klachten over plunderingen van de bossen en gewelddadige diefstal van gereedgemaakte houtvoorraden. “De boeren kappen eigenmachtig en op onbarmhartige wijze de bossen.”“Tweehonderd desjatinen bos van de grootgrondbezitters zijn door de boeren verbrand.”“De boeren van de districten Klimovitsj en Tsjerikov verwoesten het bos en vernielen de winterzaai…” De bewakers van de bossen redden zich door de vlucht. Het bos van de adel kreunt, houtspaanders vliegen door het gehele land. De bijl van de boeren slaat gedurende de herfst een koortsachtige revolutieroffel.

In de brood importerende districten op het platteland verslechterde de levensmiddelenvoorziening nog meer dan in de steden. Er was niet alleen gebrek aan levensmiddelen, maar ook aan zaad. In de exporterende districten is de toestand tengevolge van de intensieve kunstmatig opgedreven uitvoer van levensmiddelenvoorraden niet veel beter. De stijging van de graanprijzen treft de armen het meest. In een aantal gouvernementen beginnen hongeroproeren, plunderingen van de graanopslagplaatsen en overvallen op de instellingen voor de levensmiddelendistributie. De bevolking neemt haar toevlucht tot surrogaten in plaats van brood. Gevallen van scheurbuik en tyfus, zelfmoorden uit wanhoop worden gemeld. Honger of het spook van de honger maken het ondragelijk om welstand en luxe vlak naast zich te hebben. De bevolkingsgroepen in de dorpen die het meest van de nood te lijden hebben, gaan voorop.

De golven van verbittering woelen ook heel wat modder op. In het gouvernement Kostroma ziet men “Zwarte Honderd- en antisemitische propaganda. De misdaad neemt toe… De belangstelling voor de politiek neemt zichtbaar af.” Deze laatste zin in het rapport van de commissaris betekent dat de gegoede klassen de revolutie de rug toekeren. Plotseling hoort men uit het gouvernement Podolië een uiting van Zwarte Honderd-monarchisme: het comité van het dorp Demodowka erkent de Voorlopige Regering niet en beschouwt keizer Nicolai Alexandrovitsj als de “trouwste leider van het Russische volk.” Indien de Voorlopige Regering niet aftreedt, “sluiten wij ons bij de Duitsers aan.” Een dergelijke openlijke uitspraak staat nog op zich zelf. De monarchisten onder de boeren hadden samen met de grootgrondbezitters reeds lang een andere kleur aangenomen. Hier en daar, bijvoorbeeld in datzelfde Polodië, plunderen de troepen samen met de boeren de jeneverstokerijen. De commissaris rapporteert anarchie. “Dorpen en mensen gaan ten onder en de revolutie gaat ten onder.” Neen, de revolutie is er verre van ten onder te gaan. Zij baant zich slechts een diepere bedding. Haar kokende wateren naderen de monding.

In de nacht van 8 oktober gaan de boeren van het dorp Sytsjev in het gouvernement Tambov met knuppels en hooivorken van boerderij tot boerderij en roepen jong en oud bijeen om de grootgrondbezitter Romanov te plunderen. Een groep stelt in de gemeenteraad voor om het landgoed op regelmatige wijze in bezit te nemen, de inventaris onder de bevolking te verdelen en de gebouwen voor culturele doeleinden in stand te houden. De armen eisen dat het landgoed in brand wordt gestoken zodat geen steen op de andere blijft. De armen vormen de meerderheid. In diezelfde nacht waren de landgoederen van de gehele gemeente één vlammenzee. Alles wat niet vuurvast was, werd in de as gelegd. Zelfs het proefveld moest eraan geloven en het fokvee werd afgeslacht. “Men zuipt als waanzinnigen.” Het vuur sloeg over van de ene dorpsgemeente op de andere. Het plattelandsleger was niet meer tevreden met de ouderwetse hooivorken en zeisen. De gouvernementscommissaris telegrafeert: “Boeren en onbekende personen die gewapend zijn met revolvers en handgranaten plunderen de landgoederen in de districten Ranenburg en Rjasjk.” De moderne techniek is door de oorlog in de boerenopstand gebracht. De bond van grondbezitters meldt dat er op drie dagen tijd 24 landgoederen in brand gestoken zijn. “De plaatselijke autoriteiten zijn niet in staat om de orde te herstellen.” Een afdeling militairen die door de bevelhebber van het leger gezonden was, komt met vertraging aan. De staat van beleg wordt afgekondigd, vergaderingen worden verboden en de onruststokers worden gearresteerd. De sloten liggen vol voorwerpen uit de landhuizen en de rivieren slepen veel geroofde dingen mee.

De boer Begisjev uit Pensa vertelt: “In september trokt iedereen op naar het landgoed Lochvin (dit was ook reeds in 1905 geplunderd) om dit te plunderen. Een karavaan van mensen en trekdieren trok van het landgoed weg, honderden boeren en dorpsvrouwen dreven en leidden het vee weg, voerden het graan mee.” De troep militairen die door het Zemstvobestuur opgeëist was, trachtte het een en ander van het geplunderde te redden, maar ongeveer 500 vrouwen en boeren kwamen in de gemeente bijeen en de troep verwijderde zich. De soldaten waren er klaarblijkelijk niet zo erg happig op om de landheer weer in zijn rechten te herstellen.

Vanaf eind september begonnen, naar de boer Haponenko zich herinnert, de boeren in het Taurische gouvernement “waren” te plunderen, inspecteurs weg te jagen, koren uit de opslagplaatsen, vee en huisraad weg te nemen. “Zelfs ramen en deuren van de gebouwen, vloeren uit de kamers en zinkdaken werden afgerukt en meegenomen… Aanvankelijk kwam men slechts te voet, nam de dingen mee en droeg ze weg,” vertelt de boer Groenjko uit Minsk, “terwijl men later paarden inspande indien men die had, en hele rijen wagens met volle ladingen wegreden. Onafgebroken… Om 12 uur ’s middags begon men en zo vervoerde en droeg men twee dagen en nachten lang zonder zich rust te gunnen. In deze achtenveertig uren werd alles volledig leeggehaald.” De inbezitneming van landgoederen en have werd, volgens de Moskouse boer Koesmitsjev, als volgt verdedigd: “Het was onze landeigenaar, wij hebben voor hem gewerkt, en het vermogen dat hij had moet aan ons allen toebehoren.” Vroeger zei de edelman tegen zijn lijfeigenen: “Jullie behoren mij toe en wat jullie hebben, is van mij.” Nu klonk het uit de mond van de boeren: “De heer is van ons en zijn have en goed behoren ons toe.”

“Op enkele plaatsen begon men de grootgrondbezitters in hun rust te storen,” herinnert zich een andere boer uit Minsk, Novikov. “Steeds vaker brandden de landgoederen af.” Het landgoed van de grootvorst Nicolai Nicolajevitsj, de vroegere opperbevelhebber, kwam aan de beurt. “Toen men alles weggenomen had wat er weg te nemen viel, begon men de ovens weg te breken, de kleppen van de ovens eraf te halen, vloeren en planken naar buiten te dragen en dit alles naar huis te slepen…”. Achter deze daden van afbraak stond de oeroude, eeuwenoude gedachte van alle boerenoorlogen: de versterkte posities van de vijand tot op de grond toe vernietigen en geen plaats overlaten waar hij zich rustig kan vestigen. De meer verstandigen zeiden, naar de boer Zygankov zich herinnert: “Men moet de gebouwen niet verwoesten, want wij zullen die nodig hebben… voor scholen en ziekenhuizen, maar degenen die riepen dat men alles moest vernietigen zodat er in geen geval een schuilhoek meer voor onze vijanden zou overblijven, waren in de meerderheid.” – “De boeren eigenden zich de gehele have van de landheren toe,” deelt de boer Svatsjenko uit Orlov mee, “joegen de grootgrondbezitters van de landgoederen, braken de vensters, deuren, vloeren en plafonds uit de landhuizen (…) De soldaten zeiden dat men niet alleen de wolfsholen moest uitroeien maar ook korte metten moest maken met de wolf. De voornaamste en machtigste grootgrondbezitters hielden zich met het oog op dergelijke dreigementen verborgen en dit is de reden dat er geen moorden op grootgrondbezitters voorgekomen zijn.”

In het dorp Salessje, in het gouvernement Wytebsk, stak men opslagplaatsen vol koren en hooi in brand op een landgoed dat aan de Fransman Bernard toebehoorde. De boeren hadden er geen lust in om een verschil te maken wat betreft nationaliteit, vooral niet omdat vele grootgrondbezitters zich gehaast hadden om hun grond en bodem op naam van buitenlanders, die namelijk bepaalde privileges genoten, over te schrijven. “Het Franse gezantschap verzoekt maatregelen te nemen.” In de landstreken die vlak bij het front lagen, was het midden oktober moeilijk om “maatregelen” te nemen, zelfs al wilde men het Franse gezantschap ter wille zijn.

De plundering van een groot landgoed bij Rjasan duurde vier dagen en “aan de plunderingen werd zelfs door kinderen deelgenomen.” De bond van de grootgrondbezitters bracht de regering ervan op de hoogte dat er zonder maatregelen “lynchpartijen, honger en burgeroorlog zouden volgen.” Het is niet duidelijk waarom de grootgrondbezitters nog altijd in de toekomstige tijd over een burgeroorlog spreken.

Op het congres van de coöperaties begin september zei Berkenheim, een van de leiders van de sterke groep handeldrijvende boeren: “Ik ben ervan overtuigd dat Rusland nog niet geheel een gekkenhuis geworden is en dat het voorlopig voornamelijk alleen de bevolking in de grote steden is die het verstand verloor.” Deze zelfgenoegzame uitlating van het degelijke en conservatieve deel van de boeren kwam hopeloos te laat: juist in die maand verloor het dorp elk gezond verstand en stelde het wat woestheid in de strijd betreft alle “gekkenhuizen” van de steden in de schaduw.

In april had Lenin het nog voor mogelijk gehouden dat de patriottische coöperators en boeren de grote massa van de boeren op de weg van een verzoening met de bourgeoisie en grootgrondbezitters zouden kunnen meeslepen. Des te krachtiger drong hij daarom aan op de vorming van aparte sovjets van landarbeidersafgevaardigden en zelfstandige organisaties van de armste boeren. In de volgende maanden bleek echter meer en meer dat dit deel van de bolsjewistische politiek geen succes had. Afgezien van de Oostzeeprovincies bestonden er in het geheel geen landarbeiders-sovjets. Ook de arme boeren wisten geen eigen organisatievorm te vinden. Indien men dit slechts zou willen verklaren uit de achterlijkheid van de landarbeiders en de armste bevolkingsgroepen in de dorpen, zou men niet de kern van de zaak raken. De voornaamste reden was gelegen in het wezen van de historische taak zelf: in de democratische agrarische revolutie.

Bij de twee belangrijkste kwesties, namelijk die van de pacht en die van de loonarbeid, komt het meest duidelijk tot uiting hoe de algemene belangen in de strijd tegen de overblijfselen van de lijfeigenschap het niet alleen de arme boeren maar ook de landarbeiders onmogelijk maakten om een zelfstandige politiek te voeren. De boeren hadden van de grootgrondbezitters in Europees Rusland 27 miljoen desjatinen gepacht, ongeveer 60% van de totale grond die in privaateigendom was, en daarvoor een jaarlijkse pachtsom van 400 miljoen roebel betaald. De strijd tegen de schandelijke pachtvoorwaarden werd na de Februarirevolutie het voornaamste onderdeel van de boerenbeweging. Een meer ondergeschikte, maar toch nog zeer belangrijke plaats nam de strijd van de landarbeiders in. Deze strijd botste niet alleen met de uitbuiting door de landheren, maar kwam ook in conflict met de boeren. De pachter vocht voor een verzachting van de pachtvoorwaarden, de landarbeider voor een verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Beiden gingen elk op hun manier van een erkenning van de grootgrondbezitter als eigenaar en heer uit. Vanaf het ogenblik echter waarop het mogelijk werd om de zaak door te zetten, d.w.z. de grond weg te nemen en zichzelf erop te vestigen, hield de belangstelling van de arme boeren voor pachtkwesties op en begonnen de vakverenigingen hun aantrekkingskracht voor de landarbeiders te verliezen. Het waren juist de landarbeiders en arme boeren die, door zich bij de overige beweging aan te sluiten, de boerenoorlog krachtig en onweerstaanbaar maakten.

Niet met dezelfde vaart werd ook de tegenovergestelde pool in het dorp door de veldtocht tegen de grootgrondbezitters meegesleurd. Zolang het nog niet tot een openlijke opstand gekomen was, speelden de rijkere groepen onder de boeren een belangrijke en soms zelfs een leidende rol in de beweging. In de herfst keken de rijke boeren echter meer en meer wantrouwend naar de zich uitbreidende boerenoorlog: zij wisten niet hoe het zou aflopen, zij hadden iets te verliezen en zij trokken zich terug. Zij konden zich echter niet volkomen terugtrekken: dit liet het dorp niet toe.

Meer gesloten en vijandig dan de “eigenbezitters”, de koelakken, gedroegen zich de kleine en buiten de gemeente vallende grondbezitters. Doorheen het land waren er 600.000 boerderijen van slechts 50 desjatinen groot. Zij vormden op vele plaatsen de ruggengraat van de coöperaties en waren vooral in het zuiden politiek geörienteerd op de conservatieve boerenbond die reeds een brug naar de kadetten vormde. “De uit de gemeente afgescheiden boeren en de rijke boeren ondersteunden,” volgens de boer Goelis uit Minsk, “de grootgrondbezitters en trachtten de boeren met woorden te kalmeren.” Op vele plaatsen had de strijd onder de boeren tengevolge van plaatselijke omstandigheden reeds voor de Oktoberrevolutie een grimmig karakter aangenomen. Het meest leden de uit de gemeente afgescheiden boeren daaronder. “Bijna alle hoeven,” verhaalt de boer Koesmitsjev uit Nisjegorod, “waren platgebrand en de have deels vernield, deels door de boeren weggesleept.” De eigenaar van zo’n hoeve was “dienaar van de landheer en boswachter voor meerdere bosdistricten van de landheer; een lieveling van de politie, de gendarmerie en zijn landheren.” De rijkste boeren en de kooplieden in verschillende gemeenten van het district Nisjegorod namen in de herfst de vlucht en keerden pas twee, drie jaar later naar hun dorpen terug.

In het grootste deel van het land verscherpten de interne verhoudingen in het dorp zich echter lang niet in die mate. De koelakken gedroegen zich voorzichtig, trachtten te remmen en tegen te houden en deden hun best om van hun vijandigheid tegenover de “mir” (de gemeente) niet al te veel te laten blijken. Het dorp van zijn kant keek in het algemeen zeer afgunstig naar de koelakken en belette deze om zich met de grootgrondbezitters te verenigen. De strijd tussen de edellieden en de boeren om de invloed op de koelakken duurt gedurende het gehele jaar 1917 voort in de meest verschillende vormen, van “vriendschappelijke beïnvloeding” tot de meest verbitterde terreur.

Terwijl de eigenaars van de latifundium met alle mogelijke vleierijen de deuren van de vergadering van de adel voor de rijke boeren openzetten, probeerden de kleine grondbezitters zich demonstratief van de adel af te scheiden om niet samen ermee ten onder te gaan. In de politiek kwam dit tot uiting in het feit dat de grootgrondbezitters die vóór de revolutie tot de uiterst rechtse partijen behoorden, zich nu als liberalen voordeden. Ze deden dit omdat zij zich van vroeger herinnerden dat dit een voortreffelijke dekmantel was.  De grondbezitters onder de boeren, die vroeger meermaals de kadetten ondersteund hadden, gingen nu naar links.

Het congres van de kleine grondbezitters in het gouvernement Perm scheidde zich in september radicaal af van het Moskouse congres van de grootgrondbezitters, dat geleid werd door “graven, vorsten en baronnen.” De bezitter van vijftig desjatinen zei: “De kadetten hebben nooit schoenen geweven van schors gedragen en zullen daarom nooit onze belangen vertegenwoordigen.” Terwijl zij zich van de liberalen afwendden, zochten de werkende grondbezitters “socialisten” die voor de eigendom opkwamen. Een van de afgevaardigden sprak zich voor de sociaaldemocratie uit. “De arbeider? Geef hem een stuk grond en hij komt in het dorp en heeft dan geen bloedspuwingen meer.” Vanzelfsprekend ging het hier om de mensjewieken. “Wij geven onze grond aan niemand weg. Enkel wie de grond makkelijk heeft verkregen, zoals bijvoorbeelde de grootgrondbezitter, kan er zich ook gemakkelijk van losmaken. De boer heeft zijn grond echter moeizaam verkregen.”

In deze herfstperiode streed het dorp tegen de koelakken zonder deze van zich af te stoten, maar dwong het hen integendeel om zich bij de overige beweging aan te sluiten en deze tegen de slagen van rechts te dekken. Er deden zich zelfs gevallen voor waar de weigering om deel te nemen aan een plundering met de dood van de weerspannige gestraft werd. De koelak trachtte er zolang dit kon aan te ontkomen, maar op het allerlaatste moment spande hij – zich nog eens op zijn hoofd krabbend – zijn weldoorvoede paarden voor de met ijzer beslagen wagen en reed om zijn aandeel te halen. Dit bleek niet zelden het leeuwenaandeel te zijn. “Het zijn voornamelijk de rijke boeren die over paarden en werkkrachten beschikten die geprofiteerd hebben,” vertelt de boer Begisjev uit Pensa. Ook de boer Savtsjenko zegt vrijwel hetzelfde: “Vooral de koelakken die weldoorvoed waren en wagens hadden om het hout weg te voeren, hebben geprofiteerd…”

Volgens de berekening van Vermenitsjev stonden er tegenover 4.954 landbouwconflicten met grootgrondbezitters tussen februari en oktober slechts 324 conflicten met de bourgeoisie onder de boeren. Een opvallende verhouding! Het staat absoluut vast dat de boerenbeweging van 1917 wat haar sociale betekenis betreft niet tegen het kapitalisme, maar tegen de overblijfselen van de lijfeigenschap gericht was. De strijd tegen de koelakken ontwikkelt zich pas later, in 1918 na de definitieve liquidatie van het grootgrondbezit.

Het zuiver democratisch karakter van de boerenbeweging dat de officiële democratie op het eerste gezicht een onweerstaanbare kracht had moeten geven, openbaarde duidelijker dan wat ook haar volslagen rotheid. Om van bovenaf te beginnen, overal stonden sociaal-revolutionairen aan het hoofd van de boeren. De boeren kozen hen, gingen hand in hand met hen en versmolten bijna met hen. Op het congres van de boerensovjets in mei kreeg Tsjernov bij de verkiezingen voor het Uitvoerend Comité 810 stemmen, Kerenski 804, terwijl Lenin het in totaal slechts tot 20 stemmen wist te brengen. Tsjernov noemde zich niet voor niets boerenminister! Maar ook niet voor niets werd de strategie van de boeren spoedig een geheel andere dan die van Tsjernov.

De economische verbrokkeling maakt de boeren die zo vastberaden in de strijd tegen een bepaalde afzonderlijke landeigenaar zijn, machteloos tegenover de staat die de veralgemening van de landeigenaar is. Vandaar de natuurlijke neiging van de moezjiek om zich aan de sprookjesstaat tegenover de werkelijke staat vast te klampen. Vanouds schiep hij zich valse tsaren en sloot zich aaneen om de gouden vrijbrief van de tsaar of om de mythe van de “rechtvaardige moeder aarde”. Na de Februarirevolutie schaarde hij zich om de sociaalrevolutionaire slogan “Land en Vrijheid” en zocht bij deze hulp tegen de liberale grootgrondbezitters die nu commissaris geworden waren. Het narodniki-programma stond tot de werkelijke Kerenski-regering als de valse tsarenvrijbrief tot de werkelijke absolute vorst.

Het sociaal-revolutionaire programma bevatte steeds veel punten die utopisch waren: men wilde het socialisme op de grondslag van een primitieve warenhuishouding vestigen. De grondslag van het programma was echter democratisch-revolutionair: onteigening van de grond van de landeigenaren. Geplaatst voor de noodzakelijkheid om het programma uit te voeren, raakte de partij in coalities verstrikt. Niet alleen de grootgrondbezitters, maar ook de bankiers onder de kadetten keerden zich onverbiddelijk tegen een inbeslagname van de grond: er was niet minder dan vier miljard roebel van de banken in de grond gestoken. Daar zij van plan waren om, weliswaar via onderhandelingen met de grootgrondbezitters in de Constituerende Vergadering, tot een overeenstemming te komen, deden de sociaal-revolutionairen ijverige pogingen om de moezjiek van de grond af te houden. Zij struikelden zodoende niet over het utopisch karakter van hun socialisme, maar over het democratisch tekort daarvan. Er zouden jaren nodig geweest zijn om dit utopisme te laten zien. Hun verraad aan de agrarische democratie bleek echter reeds in de loop van enkele maanden: de boeren moesten onder een regering van de sociaal-revolutionairen tot een opstand overgaan om het sociaal-revolutionaire plan te verwezenlijken.

In juli, toen de regering met represaillemaatregelen tegen het dorp optrad, haastten de boeren in de eerste opwinding zich om steun bij diezelfde sociaal-revolutionairen te zoeken. De maand van de grootste verzwakking van de bolsjewieken in de stad wordt een maand van de grootste expansie van de sociaal-revolutionairen in het dorp. De grootste organisatorische successen vielen, zoals dat meestal en vooral in tijden van revolutie het geval blijkt te zijn, samen met het begin van een politieke achteruitgang. Terwijl zij bij de sociaal-revolutionairen bescherming tegen de slagen van de sociaal-revolutionaire regering zochten, verloren de boeren steeds meer hun vertrouwen in de regering en de partij. Zo werd de vlucht die de sociaal-revolutionaire organisaties op het platteland namen verderfelijk voor deze allesomvattende partij die van onderop muitte en van bovenaf onderdrukte.

In de vergadering van de Militaire Organisatie die op 30 juli te Moskou gehouden werd, zei een afgevaardigde van het front, die zelf sociaal-revolutionair was, dat de boeren zich nog altijd tot de sociaal-revolutionairen rekenen maar dat er toch reeds een kloof tussen hen en de partij was ontstaan. De soldaten bevestigen dat de boeren zich onder invloed van de sociaal-revolutionaire propaganda nog altijd vijandig tegenover de bolsjewieken gedragen, maar dat zij de vraagstukken van de grond en de regering in werkelijkheid op bolsjewistische wijze oplossen. De bolsjewiek Povolsjski, die in het Wolgagebied werkzaam was, verklaart dat de meest prominente sociaal-revolutionairen die aan de beweging van 1905 deelnamen zich steeds meer op de achtergrond gedrongen voelden: de boeren noemden hen “de oudjes”, betoonden hen nog wel de nodige eerbied, maar stemden naar eigen inzicht. Stemmen en handelen “naar eigen inzicht,” dat leerden de arbeiders en soldaten aan het dorp.

De revolutionaire invloed van de arbeiders op de boeren is onmogelijk juist te beoordelen: deze had een permanent, natuurlijk, alles doordringend en daarom bepaald karakter. De onderlinge beïnvloeding werd vergemakkelijkt doordat een groot deel van de industriële ondernemingen op het platteland gevestigd was. Zelfs de arbeiders van Petrograd, de meest Europese van alle steden, onderhielden nauwe betrekkingen met de dorpen waar zij vandaan kwamen. De werkloosheid die gedurende de zomermaanden toenam en de uitsluitingen door de ondernemers dreven vele duizenden arbeiders naar het platteland: de meeste van hen werden propagandisten en leiders.

In de maanden mei en juni ontstaan er in Petrograd arbeiders-landmanschappen die ingedeeld zijn naar gouvernementen, districten en zelfs dorpsgemeenten. In de bladen vindt men kolommen vol met aankondigingen van landmanschapsvergaderingen, waarin berichten over tochten naar de dorpen voorkomen, aan de gedelegeerden aanwijzingen gegeven en geldmiddelen voor de propaganda bijeengebracht worden. Kort vóór de revolutie verenigden de landmanschappen zich rond een apart centraal bureau onder leiding van de bolsjewieken. De landmanschapsbeweging breidde zich spoedig uit over Moskou, Tver en een aantal andere industriesteden.

De soldaten speelden echter nog een grotere rol bij de directe beïnvloeding van het dorp. Eerst onder de kunstmatig geschapen levensvoorwaarden aan het front en in de kazerne kwamen de jonge boeren, tot op zekere hoogte hun isolement overwinnend, direct in aanraking met de problemen van de staat als zodanig. Toch was ook hier hun politieke onzelfstandigheid merkbaar. Terwijl zij onvermijdelijk onder de leiding van patriottische en conservatieve intellectuelen geraakten en poogden zich van deze te bevrijden, trachtten de boeren zich in het leger apart van de overige sociale groepen aaneen te sluiten. De autoriteiten zagen zulke strevingen niet graag, het ministerie van oorlog legde moeilijkheden in de weg, de sociaal-revolutionairen kwamen hen niet te hulp – het was moeilijk voor de sovjets van boerenafgevaardigden om vaste voet in het leger te krijgen. Zelfs onder de meest gunstige voorwaarden is de boer niet in staat om zijn overweldigende kwantiteit in een politieke kwaliteit om te zetten!

Alleen in de grote revolutionaire centra, onder directe invloed van de arbeiders, lukte het de sovjets van de boerensoldaten enig werk van betekenis te doen. Zo zond de boeren-sovjet in Petrograd van april 1917 tot 1 januari 1918 maar liefst 1.935 propagandisten met bijzondere opdrachten naar het platteland en ongeveer een even groot aantal reisde zonder bepaalde opdracht. De afgevaardigden bezochten 65 gouvernementen. In Kronstadt ontstonden onder de matrozen en soldaten, naar het voorbeeld van de arbeiders, landmanschappen die aan de afgevaardigden papieren verschaften die recht gaven op kosteloos vervoer per spoor en per schip. De particuliere spoorwegen erkenden deze papieren zonder bezwaar, maar op de staatsspoorwegen deden zich conflicten voor.

De officiële afgevaardigden van de organisaties waren niettemin slechts een druppel in de zee van boeren. Oneindig veel groter was het werk van die honderdduizenden en miljoenen soldaten die de garnizoenen aan het front en in het achterland eigenmachtig verlieten en de kernachtige slogans uit de redevoeringen op de meetings in hun oren geknoopt hadden. Zij die aan het front zwegen, werden thuis in het dorp sprekers. Er was geen gebrek aan gretige toehoorders. “Er voltrok zich,” naar de Moskouse bolsjewiek Moeralov meedeelt, “onder de boeren rondom Moskou een grote zwenking naar links… Het wemelde in de rondom Moskou gelegen dorpen en gehuchten van deserteurs van het front; ook de proletariërs uit de grote stad die nog niet alle banden verbroken hadden, vertoonden zich daar.” “Het dorp Kaloega werd,” vertelt de boer Naumtsjenkov, “door de soldaten die in de maanden juni en juli om diverse redenen van het front kwamen uit zijn slaap gewekt.” De commissaris van Nisjegorov meldde dat “de onrechtmatige daden en onwettigheden in het gouvernement altijd met het opduiken van deserteurs, verlofgangers of afgevaardigden van de regimentscomités samenvielen.” De opperste rentmeester van vorstin Barrjstinski in het district Solotonosj klaagt in augustus over het eigenmachtig optreden van het landelijk comité met de Kronstadtse matroos Gatran als voorzitter. “De soldaten en matrozen die met verlof komen, maken,” naar de commissaris van het district Boegoelminsk meldt, “propaganda met de bedoeling om anarchie en pogromstemmingen te verwekken.” – “In het dorp Belogosj, in het district Mglin, verbood de daar aangekomen matroos op eigen gezag het hout en de balken uit de bossen te bewerken of weg te voeren.” Indien de soldaten de strijd al niet begonnen, dan brachten zij hem ten einde. In het district Nisjegorod bedreigden de boeren het nonnenklooster, maaiden de weiden af, braken de hekken af en vielen de nonnen lastig. De abdis trad krachtig op en politietroepen leidden de boeren weg om doodgeschoten te worden. “Zo ging het,” schrijft de boer Arbekov, “tot aan de komst van de soldaten. De soldaten van het front vatten direct de koe hij de horens: het klooster werd ontruimd.” “In het gouvernement Mohilev waren,” naar de boer Bobkov meedeelt, “de van het front teruggekeerde soldaten de voornaamste leiders in het comité en gingen zij voorop bij de verdrijving van de grootgrondbezitters.”

De frontsoldaten kwamen met de heftigheid en de vastberadenheid van personen die gewend zijn met geweren en bajonetten tegen mensen op te treden. Zelfs de soldatenvrouwen werden door de vechtlustige stemming van de mannen aangestoken. “In september was er,” naar de boer Begisjev uit Pensa meedeelt, “een sterke beweging onder de soldatenvrouwen en in de dorpsvergaderingen drongen zij op plunderingen aan.” Dit kon men ook in andere gouvernementen waarnemen. De soldatenvrouwen waren ook in de steden dikwijls de drijvende kracht.

De gevallen waarin soldaten bij de onlusten onder de boeren de leiding hadden, bedroegen volgens de berekening van Vermenitsjev in maart één procent, in april acht, in september dertien en in oktober zeventien procent. Deze statistiek maakt geen aanspraak op volledigheid, maar laat zeer goed de algemene ontwikkelingsgang zien. Het sussen van de sociaal-revolutionaire onderwijzers, schrijvers en ambtenaren maakte plaats voor de leiding van de voor niets terugdeinzende soldaten.

De vroeger vooraanstaande Duitse marxistische schrijver Parvus, die in de oorlog grote rijkdommen wist te vergaren en zijn principes en scherp inzicht overboord wist te gooien, vergeleek de Russische soldaten met middeleeuwse lansknechten, plunderaars en rovers. Om dit te kunnen beweren, moest men wel blind zijn voor het feit dat de Russische soldaten bij al hun excessen slechts de voltrekkers waren van de grootste agrarische revolutie die de geschiedenis ooit gekend heeft.

Zolang de beweging nog niet definitief met de wettelijkheid gebroken had, droeg het zenden van troepen naar het platteland meer een symbolisch karakter. In werkelijkheid waren alleen de Kozakken bruikbaar om de beweging te onderdrukken. “Vierhonderd Kozakken zijn naar het district Serdob gezonden… Deze maatregel had een kalmerende werking. De boeren verklaren dat zij de Constituerende Vergadering zullen afwachten,” schrijft het liberale blad “Roesskoje Slowo” op 11 oktober. Vierhonderd Kozakken – inderdaad een argument voor de Constituerende Vergadering! Er waren echter niet genoeg Kozakken en bovendien begonnen ook zij te wankelen. De regering zag zich intussen steeds vaker ertoe genoodzaakt krachtige maatregelen te nemen. Vermenitsjev telt in de eerste vier maanden zeventien gevallen van troepenzendingen tegen de boeren; in juli en augustus negenendertig, in september en oktober honderdenvijf gevallen.

Met wapengeweld tegen de boeren optreden, was olie op het vuur. In de meeste gevallen liepen de soldaten naar de zijde van de boeren over. De districtscommissaris van het gouvernement Podolië meldt: “Legerorganisaties, ja zelfs gehele troepenafdelingen nemen besluiten in sociale en economische aangelegenheden, dwingen(?) de boeren tot onteigeningen en tot het kappen van bossen over te gaan en nemen zelfs deel aan plunderingen… De plaatselijke troepenafdelingen weigeren tegen de gewelddaden op te treden…” Zo vernietigde de opstand van het dorp de laatste samenhang in het leger. Er kon geen sprake van zijn dat het leger bij een burgeroorlog waarin de arbeiders de leiding hadden, zou dulden dat zij tegen de opstand in de steden gebruikt werden.

De boeren horen pas van de arbeiders en soldaten het nieuws over de bolsjewieken dat de sociaal-revolutionairen voor hen verzwegen hadden. De slogans van Lenin en zijn naam dringen in het dorp door. De toenemende klachten over de bolsjewieken zijn echter in vele gevallen verzonnen en opgeblazen: de grondbezitters hopen daarmee eerder hulp te krijgen. “In het district Ostrov heerst tengevolge van de bolsjewistische propaganda volslagen anarchie.” Uit het gouvernement Ufa: “Het lid van het dorpscomité Vassiljev verspreidt het bolsjewistisch programma en zegt openlijk dat de grondbezitters opgehangen zullen worden.” De Nowgorodse grootgrondbezitter Polonnik die om “bescherming tegen de plunderingen” vraagt, laat niet na hieraan toe te voegen: “De Uitvoerende Comités bestaan grotendeels uit bolsjewieken,” d.w.z. uit vijanden van de grootgrondbezitters. “In augustus reisden,” naar de boer Soemorin uit Simbirsk vertelt, “arbeiders door de dorpen, die propaganda voor de bolsjewistische partij maakten en het programma van deze uiteenzetten.” De rechter-commissaris in het district Sebesj stelt een strafvervolging in tegen de uit Petrograd aangekomen 26-jarige weefster Tatjana Michajlova die in haar dorp ertoe opriep de Voorlopige Regering te verdrijven en die de tactiek van Lenin propageerde. “In het gouvernement Smolensk begon men zich,” naar de boer Kotov bericht, “eind augustus voor Lenin te interesseren en naar hem te luisteren…” In de gemeentezemstvo’s worden echter nog altijd voor het overgrote deel sociaal-revolutionairen gekozen.

De bolsjewistische partij poogt meer contact met de boeren te krijgen. Op 10 september eist Nevski van het Petrograds comité dat er een boerenkrant zal worden uitgegeven: “Men moet de zaak zo aanpakken dat men niet hetzelfde beleeft wat de Franse Commune overkwam toen de boeren Parijs niet begrepen en Parijs de boeren niet begreep.” Het blad “Bednota” (“Armoede”) begon spoedig te verschijnen. Het directe partijwerk onder de boeren bleef echter nog gering in omvang. De kracht van de bolsjewistische partij lag niet in haar technische middelen, niet in haar apparaat, maar in haar juiste politiek. Evenals de luchtstromen het zaad overal heenbrachten, droegen de revolutiestormen Lenins ideeën overal heen.

“Tegen september treden,” naar zich de boer Vorobjev uit Tver herinnert, “niet meer alleen soldaten van het front, maar ook arme boeren steeds vaker en stoutmoediger zelf in de vergaderingen ter verdediging van de bolsjewieken op.” “Onder de arme en sommige middelboeren,” bevestigt de boer Soemorin uit Simbirsk, “verdwijnt Lenins naam niet meer van de lippen. Men spreekt over niets anders dan over Lenin.” De Nowgorodse boer Grigorjev vertelt hoe een sociaal-revolutionair in de gemeente de bolsjewieken voor “rovers” en “verraders” uitmaakte. Hoe raasden de boeren: “Weg met die hond, stenig hem! Hou ons niet voor de gek – waar is de grond? Kom op. Hier met de bolsjewieken!” Het is weliswaar mogelijk dat deze gebeurtenis – en dergelijke voorvallen waren er veel – reeds in de tijd na de Oktoberrevolutie plaats had: de boeren herinneren zich wel de feiten nauwkeurig, maar niet precies wanneer ze gebeurden.

De soldaat Tsjinenov die naar zijn dorp in het gouvernement Orlov een kist bolsjewistische literatuur meebracht, was door het dorp waar hij vandaan kwam onvriendelijk ontvangen: dit moest wel van Duits geld komen. In oktober “telde de gemeentelijke cel echter zevenhonderd leden, had zij vele geweren en kwam zij steeds voor de verdediging van de Sovjetmacht op.” De bolsjewiek Vratsjev vertelt hoe de boeren van het zuiver agrarisch gouvernement Voronezj “uit hun sociaal-revolutionaire roes ontwaakten en zich voor onze partij begonnen te interesseren waardoor wij reeds talrijke cellen in de dorpen en in de gemeenten bezaten, vele abonnees voor onze kranten hadden en vele afgezanten van de boeren in de enge lokaliteit van ons comité ontvingen.” In het gouvernement Smolensk waren, naar Ivanov zich herinnert, “bolsjewieken uiterst zelden in de dorpen te vinden en ook in de districten waren er slechts weinig. Bolsjewistische kranten bestonden er niet, vlugschriften verschenen hoogst zelden. En toch, hoe meer oktober naderde, des te meer wendde het dorp zich tot de bolsjewieken.”

“In de districten waar de bolsjewieken reeds vóór de Oktoberrevolutie invloed in de sovjets hadden,” schrijft bovengenoemde Ivanov, “deed zich de elementaire golf van plunderingen van landgoederen in het geheel niet of slechts in geringe mate voor.” Het was echter niet overal hetzelfde gesteld. “De bolsjewistische eis om de grond aan de boeren over te geven,” zegt bijvoorbeeld Tadejoesj, “werd zeer grif aanvaard door de boerenmassa van het district Mohilev, die de landgoederen plunderde, vele in brand stak en weiden en bossen in bezit nam.” Deze verklaringen zijn eigenlijk niet met elkaar in strijd. De bolsjewistische propaganda wakkerde ongetwijfeld de burgeroorlog in het dorp aan. Maar daar waar de bolsjewieken erin geslaagd waren vaste voet te krijgen, trachtten zij natuurlijk om zonder de druk van de boeren te verzwakken deze in meer geordende banen te leiden en de verwoestingen zoveel mogelijk te beperken.

Het vraagstuk van de grond stond niet op zichzelf. De boer leed vooral in de laatste oorlogsjaren, én als verkoper, én als koper: het graan werd hem tegen vastgestelde prijzen afgenomen en de industrieproducten werden steeds minder bereikbaar voor hem. Het vraagstuk van de economische betrekkingen tussen het dorp en de stad, dat later onder de naam “schaar” het voornaamste probleem van de sovjeteconomie zou worden, doet zich reeds dreigend gelden. De bolsjewieken zeiden tot de boeren: de sovjets moeten de macht overnemen, jullie grond geven, de oorlog beëindigen, de industrie demobiliseren, een arbeiderscontrole in de bedrijven instellen en de verhouding tussen de prijzen van industrie- en landbouwproducten regelen. Hoe summier dit ook mocht klinken, het gaf in elk geval de weg aan. “Tussen ons en de boeren,” zei Trotski op 10 oktober op het congres van de fabriekscomités, “staan als een muur de Avksentjevse sovjetfiguren. Wij moeten deze muur doorbreken. Wij moeten in het dorp uiteenzetten dat alle pogingen van de arbeiders om de boeren door het leveren van landbouwgereedschappen te helpen geen succes kunnen hebben zolang de productie niet georganiseerd en onder controle van de arbeiders gesteld is.” Het congres vaardigde een manifest aan de boeren in deze zin uit.

De arbeiders van Petrograd vormden inmiddels in de fabrieken hun eigen commissies die ijzer, beschadigde onderdelen en overschotten verzamelden om dit aan een afzonderlijke centrale ter beschikking te stellen. Deze centrale had de naam “De arbeiders voor de boeren.” Het afval werd gebruikt om de meest eenvoudige landbouwgereedschappen en onderdelen te vervaardigen. Deze eerste “planmatige” inmenging van de arbeiders in de productie, die naar omvang nog van geringe betekenis was en waarbij propagandistische doeleinden op de voorgrond stonden boven economische, deed een blik in de nabije toekomst werpen. Verschrikt door het binnendringen van de bolsjewieken in het geheiligd gebied van het dorp, poogde het Boeren-Uitvoerend Comité zich van het nieuwe begin meester te maken. De aftandse verzoeningsgezinden die ook op het platteland steeds meer vaste grond onder de voeten verloren, waren echter al niet meer in staat om hun krachten met de bolsjewieken op het strijdtoneel in de stad te meten.

De weerklank van de bolsjewistische propaganda “maakte de arme boeren zo opstandig,” schreef later de boer Vorobjev, “dat men met stelligheid mag beweren dat de Oktoberrevolutie, indien zij niet in oktober gekomen was, in november gekomen zou zijn.” Deze sprekende typering van de politieke macht van het bolsjewisme is geenszins in tegenspraak met de organisatorische zwakte hiervan. Een revolutie kan zich slechts door zulke krasse wanverhoudingen haar weg banen. Juist daarom laat zij zich, tussen twee haakjes, bij haar loop niet in het kader van de formele democratie drukken. Opdat de agrarische revolutie in oktober of in november kon plaatshebben, konden de boeren niets anders doen dan gebruik maken van het snel in verval rakend apparaat van de sociaal-revolutionaire partij. De linkse elementen van deze sluiten zich haastig en ongeordend onder druk van de boerenbeweging aaneen, streven de bolsjewieken na en wedijveren met deze. In de volgende maanden voltrekt de politieke verschuiving onder de boeren zich voornamelijk onder de in flarden gescheurde vlag van de linkse sociaal-revolutionairen: deze kortstondige partij wordt de twijfelende vorm van dorpsbolsjewisme, de tijdelijke brug van de boerenoorlog naar de proletarische omwenteling.

De agrarische revolutie had behoefte aan eigen plaatselijke organen. Hoe zagen deze eruit? Op het platteland bestonden organisaties van verschillend type: staatsorganisaties zoals de gemeente-, land- en economische uitvoerende comités; maatschappelijke organisaties zoals de sovjets; zuiver politieke organisaties zoals de partijen, en tenslotte de zelfbestuursorganen in de vorm van de gemeentezemstvo’s. Boerensovjets konden slechts tot ontwikkeling komen binnen het kader van de gouvernementen en gedeeltelijk van de districten, er waren slechts enkele gemeentesovjets. Gemeentezemstvo’s kregen moeilijk vaste voet. Daarentegen ontwikkelden, hoe wonderlijk dit op het eerste gezicht ook kan lijken, de land- en de uitvoerende comités die volgens het officiële plan staatsorganen waren tot organen van de boerenrevolutie.

Het hoogste landcomité dat uit ambtenaren, grondbezitters, professoren, geleerde agronomen en sociaal-revolutionaire politici, met een mengelmoes van twijfelachtige boeren bestond, was uiteraard de voornaamste rem van de agrarische revolutie. De gouvernementscomités bleven de leiding van de regeringspolitiek houden. De comités in de districten schommelden tussen de boeren en de overheid heen en weer. Daarentegen werden de gemeentecomités die door de boeren gekozen en ter plaatse onder de ogen van het dorp werkzaam waren een werktuig van de agrarische beweging. De omstandigheid dat de comitéleden zich gewoonlijk tot de sociaal-revolutionairen rekenden, deed hieraan niets af: zij richtten zich naar de hutten van de moezjieks en niet naar de landgoederen van de edelen. De boeren schatten het staatskarakter van hun landcomités zeer hoog omdat zij hierin een soort vrijbrief voor de burgeroorlog zagen.

“De boeren zeggen dat zij niemand behalve het gemeentecomité erkennen,” klaagt reeds in mei een van de militiechefs van het district Saran, “terwijl daarentegen alle districts- en staatscomités, naar men zegt, de grootgrondbezitters ter wille zijn.” Volgens de commissaris van Nisjegorov “eindigen de pogingen van enkele gemeentecomités om de strijd tegen het eigenmachtig optreden van de boeren aan te binden vrijwel altijd met een mislukking en leiden zij tot een afzetting van alle leden.” “De comités waren,” volgens de boer Denisov uit Pskov, “altijd op de hand van de boerenbeweging tegen de grootgrondbezitters, daar het meest revolutionaire deel van de boeren en frontsoldaten in deze comités gekozen werd.”

De districts- en vooral de gouvernementscomités werden geleid door de intellectuele ambtenaren die ernaar streefden vreedzame betrekkingen met de landeigenaren te onderhouden. “De boeren zagen,” schrijft de Moskouse boer Joerkov, “dat het dezelfde vacht was, alleen maar gekeerd, en dezelfde macht, alleen onder een nieuwe naam.” “Er is een neiging te bespeuren,” meldt de commissaris Koersk, “om nieuwe verkiezingen te houden voor die districtscomités die de beschikkingen van de Voorlopige Regering volledig doorvoeren.” Het was de boeren echter zeer moeilijk gemaakt om tot het districtscomité door te dringen: sociaal-revolutionairen hadden de politieke verbinding tussen de dorpen en gemeenten in handen zodat de boeren genoodzaakt waren om zich te bedienen van de partij die als voornaamste taak had om de oude vacht te keren.

De op het eerste gezicht verwonderlijke koelheid van de boeren tegenover de sovjets van maart had in werkelijkheid diepe oorzaken. De sovjet vertegenwoordigt in tegenstelling tot het landelijk comité geen speciale, maar een universele organisatie van de revolutie. Op het terrein van de algemene politiek is de boer echter niet in staat ook maar één enkele stap te doen zonder geleid te worden. Het is slechts de vraag van wie hij deze leiding krijgt. De gouvernements- en districtssovjets van de boeren werden op initiatief en grotendeels met de middelen van de coöperaties gevormd, niet als organen van de boerenrevolutie maar als werktuigen om de boeren in conservatieve richting te beïnvloeden. Het dorp duldde rechtse sociaal-revolutionaire sovjets als een schild tegen de regering boven zich. Bij zich thuis gaf het de voorkeur aan de landelijke comités.

Om het dorp te beletten in het enge kringetje van “loutere boerenbelangen” te blijven, drong de regering aan op de vorming van democratische Zemstvo’s. Dit was op zich reeds een reden voor de boeren om goed op te letten. De verkiezingen moesten dikwijls om zo te zeggen opgedrongen worden. “Er deden zich gevallen van onregelmatigheden voor,” meldt de commissaris uit Pensa, “die ertoe leidden dat de verkiezingen ongeldig verklaard moesten worden.” In het gouvernement Minsk namen de boeren de voorzitter van het gemeentelijk stembureau, vorst Droezki-Loebezki, die ervan beschuldigd werd de kiezerslijsten vervalst te hebben, gevangen. Het viel de boeren niet gemakkelijk om het met de vorst over een democratische oplossing van het eeuwenoude conflict eens te worden. De districtscommissaris van Boegoelminsk meldt: “De verkiezingen voor de gemeentezemstvo’s kenden in dit district geen volledig regelmatig verloop. De gemeenteafgevaardigden zijn allemaal boeren en er is een zekere afkeer van de plaatselijke intellectuelen, vooral van de grondbezitters.” De Zemstvo’s verschillen zodoende weinig van de comités. “De boerenmassa staat,” klaagt de commissaris van het gouvernement Minsk, “afwijzend tegenover de intellectuelen en vooral tegenover de grondbezitters.” In de krant van Mohilev van 23 september staat te lezen: “De intellectuelen staan bij hun werk op het platteland aan gevaren bloot, indien men niet uitdrukkelijk belooft tot een onmiddellijke overgang van de gehele grond op de boeren.” Waar een overeenkomst en zelfs enig contact tussen de voornaamste klassen onmogelijk wordt, verliezen de democratische instellingen hun reden van bestaan. De levenloze geboorte van de gemeentezemstvo’s was onmiskenbaar een voorbode van de val van de Constituerende Vergadering.

“Onder de hier wonende boeren heeft,” zo meldt de commissaris van Nisjegorod, “het geloof post gevat dat alle burgerlijke wetsbepalingen hun kracht verloren hebben en dat alle rechtsregels nu door de boerenorganisaties opgesteld moeten worden.” De gemeentecomités die over de plaatselijke militie beschikten, maakten plaatselijke verordeningen, stelden de pachtprijzen vast, regelden het arbeidsloon, stelden eigen administrateurs op de landgoederen aan, namen het beheer van grond, weiden, bossen en inventaris zelf in handen, ontnamen de grootgrondbezitters hun wapens en deden huiszoekingen en verrichtten arrestaties. De stem van eeuwen en de verse ervaringen met de revolutie zeiden de boeren beiden dat het vraagstuk van de grond een vraagstuk van de regering was. Voor de agrarische revolutie waren organen van de boerenheerschappij nodig. De moezjiek kende het woord ‘heerschappij’ niet. Maar de moezjiek wist wel wat hij wilde. Die “anarchie” waarover grondbezitters, liberale commissarissen en verzoeningsgezinde politici klaagden, was in werkelijkheid de eerste fase van de revolutionaire heerschappij op het platteland.

De noodzakelijkheid van de vorming van aparte en uitsluitend uit boeren bestaande plaatselijke organen voor de agrarische revolutie werd door Lenin reeds tijdens de gebeurtenissen in de jaren 1905 en 1906 verkondigd. “Revolutionaire boerencomités,” zo toonde hij op het partijcongres te Stockholm aan, “zijn de enige weg die de boerenbeweging kan gaan.” De moezjieks lazen Lenin niet. Maar in de plaats daarvan las Lenin wel de gedachten van de moezjieks goed.

Het dorp wijzigt zijn houding tegenover de sovjets pas tegen de herfst, wanneer de sovjets zelf van politieke koers veranderen. De bolsjewistische en links-sociaal-revolutionaire sovjets in de districts- of gouvernementssteden houden de boeren nu niet meer terug, maar drijven hen integendeel voorwaarts. Terwijl het dorp in de eerste maanden bij de verzoeningsgezinde sovjets wettelijke bescherming gezocht had, om later in vijandige conflicten ermee te geraken, bestond er nu voor het eerst een werkelijke leiding in de revolutionaire sovjets. Boeren uit Saratov schreven in september: “De regering moet in geheel Rusland in handen… van de sovjets van arbeiders-, boeren- en soldatenafgevaardigden overgaan. Dit zal veiliger zijn.” Pas tegen de herfst beginnen de boeren het verband te leggen tussen hun landbouwprogramma en de slogan van de Sovjetmacht. Maar zelfs dan weten zij nog niet hoe en door wie deze sovjets geleid zullen worden.

Agrarische onlusten hadden in Rusland een grote traditie, een eenvoudig maar sprekend programma, hun plaatselijke martelaren en helden. De reusachtige les van 1905 was ook aan het dorp niet spoorloos voorbijgegaan. Hierbij dient men nog te letten op het werk van de sekten die invloed op miljoenen boeren hadden. “Ik kende,” schreef iemand die goed op de hoogte was, “veel boeren die de Oktoberrevolutie als een directe vervulling van hun religieuze verwachtingen beschouwden.” De beweging van de Russische boeren in 1917 was ongetwijfeld meer dan alle boerenopstanden uit het verleden door politieke gedachten bevrucht. En als zij toch niet in staat gebleken is om zich een zelfstandige leiding te vormen en de macht zelf in handen te nemen, dan zijn de redenen daarvan in de eigenlijke natuur van de oude geïsoleerde kleine warenhuishouding gelegen: deze zoog de boer volkomen uit zonder hem in de gelegenheid te stellen de nodige lessen te trekken.

De politieke vrijheid van de boer is in de praktijk een vrijheid om tussen de verschillende stedelijke partijen te kiezen. Ook deze verkiezingen voltrekken zich echter niet volgens een vooropgesteld plan. De boeren brengen met hun opstand de bolsjewieken in de regering. De bolsjewieken zullen echter pas na de machtsverovering de boeren kunnen winnen, door de agrarische revolutie wettelijk in de arbeidersstaat vast te leggen.

Een groep onderzoekers onder leiding van Jakovlev bewerkte op zeer verdienstelijke wijze het voorhanden materiaal waaruit men een beeld krijgt van de ontwikkeling van de agrarische beweging van februari tot oktober. Terwijl zij het aantal ongeorganiseerde conflicten op honderd per maand vaststelden, berekenden deze onderzoekers dat er in april 33 georganiseerde conflicten waren, in juni 86 en in juli 120. Dit was de tijd van de grootste bloei van de sociaal-revolutionaire organisaties op het platteland. In augustus komen er op honderd ongeorganiseerde conflicten reeds niet meer dan tweeënzestig georganiseerde voor en in oktober in totaal veertien. Uit deze getallen die met alle nodige reserves zeer leerzaam zijn, trekt Jakovlev echter een volkomen onverwachte conclusie: terwijl de beweging tot aan augustus steeds “meer georganiseerde” vormen aannam, krijgt zij in de herfst daarentegen steeds meer een “elementair karakter.” Een ander onderzoeker, Vermenitsjev, komt tot dezelfde gevolgtrekking: “Uit het kleiner worden van het georganiseerde deel van de beweging in de tijd van de golf voor oktober blijkt het elementaire karakter van de beweging in deze maanden.” Indien men het elementaire tegenover het bewuste stelt, net zoals de blindheid tegenover het gezichtsvermogen – en dit zou de enige wetenschappelijke tegenstelling zijn – dan zou men tot de conclusie moeten komen dat het bewuste in de boerenbeweging tot augustus toeneemt en daarna begint af te nemen om op het tijdstip van de Oktoberopstand geheel te verdwijnen. Dit hebben onze onderzoekers zeker niet willen beweren. Indien men even dieper over de kwestie nadenkt, is het niet moeilijk te begrijpen dat bijvoorbeeld de boerenverkiezingen voor de Constituerende Vergadering, ondanks al hun uiterlijke organisatie, een veel meer elementair, d.w.z. ondoordacht, kuddeachtig en blind karakter hadden dan de “ongeorganiseerde” boerenopmars tegen de grootgrondbezitters, waarin elke boer heel goed wist wat hij wilde.

Op het hoogtepunt van de beweging in de herfst braken de boeren niet met het bewuste ten gunste van het elementaire, maar met de verzoeningsgezinde leiding ten gunste van de burgeroorlog. Het minder georganiseerd karakter is eigenlijk slechts uiterlijk: de verzoeningsgezinde organisaties vallen weg, maar zij laten geen lege plek achter. Het inslaan van de nieuwe weg had plaats onder directe leiding van de revolutionaire elementen: de soldaten, matrozen en arbeiders. Voordat zij tot de daad overgingen, riepen de boeren dikwijls algemene vergaderingen bijeen en zorgden er zelfs voor dat de besluiten door alle dorpsgenoten ondertekend werden. “In de herfstperiode van de boerenbeweging met haar verschillende verwoestingen,” schrijft de derde onderzoeker, Sjestakov, “treedt meermaals de oude dorpsvergadering van de boeren op. In de dorpsvergadering verdelen de boeren het onteigende have en goed, door middel van de dorpsvergadering onderhandelen zij met de grootgrondbezitters en de administrateurs van de landgoederen, de districtscommissarissen en diverse andere bemiddelaars.” Het materiaal verschaft geen licht over de vraag waarom de gemeentelijke comités die de boeren tot aan de rand van de burgeroorlog gebracht hadden van het toneel verdwenen. De verklaring hiervan ligt echter voor de hand. Een revolutie verbruikt haar organen en werktuigen snel. Reeds door het feit dat de landelijke comités de voor een deel vreedzame daden geleid hadden, moesten zij weinig geschikt blijken voor de directe stormloop. Bij deze meer algemene reden komen nog andere oorzaken die niet minder belangrijk zijn. Terwijl zij tot een openlijke oorlog tegen de grootgrondbezitters overgingen, wisten de boeren maar al te goed wat hen in geval van een nederlaag te wachten stond. Talrijke landelijke comités zaten bovendien reeds onder de regering van Kerenski achter slot en grendel. Het werd een gebiedende eis van tactiek om de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven. De meest geschikte vorm daarvoor was de ‘mir.’ Het gebruikelijke onderlinge wantrouwen van de boeren leidde bovendien ongetwijfeld in dezelfde richting: het ging nu om een directe inbeslagname en verdeling van de bezittingen van de landeigenaars en iedereen wilde daar zelf aan deelnemen zonder zijn rechten aan een ander toe te vertrouwen. Zo leidde de grootste verscherping van de strijd tot een tijdelijk terzijde schuiven van de vertegenwoordigende organen en vervanging ervan door de oorspronkelijke boerendemocratie zoals de dorpsvergaderingen en de besluiten van de mir.

De grote verwarring die er bij de verklaring van het karakter van de boerenbeweging bestaat, is vooral verwonderlijk bij de bolsjewistische onderzoekers. Men dient echter niet te vergeten dat het een nieuw slag bolsjewieken betreft. Bureaucratisering van het denken leidt onvermijdelijk tot een overschatting van de organisatievormen die de boeren van hogerhand opgedrongen waren en tot een onderschatting van de organisatievormen die de boeren zichzelf gaven. De ontwikkelde ambtenaar beziet met de liberale professor maatschappelijke processen vanuit het oogpunt van de administratie. Als volkscommissaris voor landbouw bleek Jakovlev later op dezelfde oppervlakkig bureaucratische wijze met de boeren om te springen, maar dan op een veel groter en verantwoordelijker terrein, namelijk bij de doorvoering van de “voortgezette collectivisatie.” Theoretische oppervlakkigheid wreekt zich gruwelijk wanneer het om een praktijk op grote schaal gaat!

Er zullen echter nog een goede dertien jaar tot de fouten van deze voortgezette collectivisatie verstrijken. Nu gaat het vooreerst nog om de onteigening van het grondbezit. 134.000 grootgrondbezitters sidderen nog om hun tachtig miljoen desjatinen. Het meest gevaarlijk is de toestand van de rijksten van de 30.000 heren van het oude Rusland, die meer dan zeventig miljoen desjatinen bezitten, gemiddeld meer dan tweeduizend desjatinen per bezitter. De edelman Boborykin schrijft aan de kamerheer Rodsjanko: “Ik ben landheer en het wil er bij mij niet in dat ik mijn grond moet kwijt raken en dat nog wel voor zo’n onmogelijk doel: voor een socialistisch experiment.” Een revolutie heeft echter juist tot taak datgene te volvoeren wat er bij de regeerders niet in wil.

Grondbezitters die een betere kijk hadden, komen echter tot het besef dat zij hun landgoederen niet zullen kunnen behouden. Zij doen ook reeds geen moeite meer hiervoor: hoe sneller zij hun grond kwijt raken, des te beter. De Constituerende Vergadering beschouwen zij in de eerste plaats als de grote rekenkamer waar de staat hen niet alleen voor hun grond maar ook voor de ondervonden narigheden schadeloos zal stellen.

De eigenaars onder de boeren sloten zich van links bij dit programma aan. Zij wilden wel korte metten met de parasitaire adel maken, maar waren bevreesd om het grondeigendomsbegrip aan het wankelen te brengen. De staat was rijk genoeg, verklaarden zij op hun congressen, om de kleinigheid van twaalf miljard roebel aan de grondbezitters te betalen. Als “boeren” hoopten zij daarbij onder speciale gunstige voorwaarden ten koste van het volk de grond van de landheren te verkrijgen.

De eigenaars merkten dat de hoogte van de afkoopsommen een politieke grootheid was die van de machtsverhoudingen op het moment van de overeenkomst afhing. Tot augustus bleef er nog hoop bestaan dat de Constituerende Vergadering, die met Kornilovse methoden bijeengeroepen zou worden, de agrarische hervorming zou doorvoeren op een wijze die het midden hield tussen Rodsjanko en Miljoekov. De mislukking van Kornilov betekende dat de bezittende klassen het spel verloren hadden.

In september en oktober wachtten de grootgrondbezitters op de oplossing, zoals een zieke die opgegeven is op de dood wacht. De herfst is de tijd van de politiek voor de moezjiek. De velden zijn dan geoogst, de illusies vervlogen en het geduld uitgeput. Er moet een eind aan komen. De beweging treedt buiten haar oevers, strekt zich uit over alle districten, wist de plaatselijke verschillen uit, sleurt alle groepen in het dorp mee, spoelt alle wettelijke en andere bezwaren weg, gaat tot de aanval over, wordt verbitterd, onstuimig, razend, bewapent zich met ijzer en vuur, revolvers en granaten, verwoest en verbrandt de landgoederen, verjaagt de landheren, zuivert de grond en drenkt deze op vele plaatsen met bloed.

Nu gaan de verblijven van de adel, die vroeger door Poesjkin, Toergenjev en Tolstoj bezongen werden, ten onder. Het oude Rusland gaat in rook op. De liberale pers staat vol van het gekreun en geweeklaag over de verwoesting van Engelse tuinen, schilderijen van lijfeigene schilders, familiebibliotheken, Tambovse Parthenons, renpaarden, oude gravures en fokstieren. De burgerlijke historici pogen de verantwoordelijkheid voor dit “vandalisme” van het boerenstrafgericht over de “cultuur” van de adel op de bolsjewieken te schuiven. In werkelijkheid voleindigde de Russische moezjiek een onderneming die eeuwen vóór het optreden van de bolsjewieken begonnen was. Hij vervulde zijn vooruitstrevende taak met de middelen waarover hij beschikte: met behulp van de revolutionaire barbarij roeide hij de middeleeuwse barbarij uit. Hier komt nog bij dat noch hijzelf, noch zijn grootvaders en overgrootvaders ooit op genade of toegeeflijkheid hadden kunnen rekenen.

Toen de feodale adel het haalde van de Jacquerie (de gewone boeren), vier en een halve eeuw voor de bevrijding van de Franse boeren plaats zou vinden, schreef een godsvruchtige monnik in zijn dagboek: “Zij hebben het land zoveel kwaad berokkend dat de komst van de Engelsen niet meer nodig was om het koninkrijk te vernietigen. Zij hadden Frankrijk nooit datgene kunnen aandoen wat de adel Frankrijk aangedaan heeft.” Enkel de bourgeoisie overtrof – in mei 1871 – de Franse adel in wreedheid. De Russische boeren ontkwamen dankzij de leiding van de arbeiders, en de Russische arbeiders dankzij de hulp van de boeren, aan deze dubbele les van de beschermers van cultuur en menselijkheid.

De onderlinge betrekkingen tussen de voornaamste klassen in Rusland weerspiegelden zich in het dorp. Net zoals de arbeiders en soldaten in strijd met de bedoelingen van de bourgeoisie tegen de monarchie vochten, verhieven de armen in de dorpen zich tegen de grootgrondbezitters zonder naar de waarschuwende woorden van de koelakken te luisteren. Net zoals de verzoeningsgezinden geloofden dat de revolutie pas vast op haar benen kon staan vanaf het ogenblik waarop Miljoekov haar erkende, meenden de nu eens naar rechts dan weer naar links kijkende middelboeren dat de inbezitnemingen goedgekeurd waren zodra ze door de koelakken ondertekend werden. En tenslotte zagen de koelakken die zich tegen de plunderingen verzetten niet van de resultaten ervan af, net zoals de burgerij die vijandig tegen de revolutie stond zich zonder nadenken de macht toe-eigende. Zowel de macht in handen van de bourgeois als de bezittingen van de landheren in handen van de koelakken waren niet van lange duur: in beide gevallen kwam er door dezelfde oorzaken snel een einde aan.

De kracht van de agrarisch-democratische, in wezen burgerlijke revolutie was tot uiting gekomen in het feit dat zij tijdelijk de klassentegenstellingen in het dorp wist te overwinnen: de landarbeiders plunderden de grootgrondbezitters, daarbij geholpen door de koelakken. De 17de, 18de en 19e eeuw van de Russische geschiedenis verhief zich op de schouders van de 20ste en drukte deze neer ter aarde. De zwakte van de vertraagde burgerlijke revolutie was tot uiting gekomen in het feit dat de boerenoorlog de burgerlijke revolutionairen niet voorwaarts wist te drijven, maar hen integendeel definitief in de armen van de reactie terugwierp. Tsereteli, de voormalige tuchthuisboef, beschermde de grond van de landheren tegen anarchie! De boerenrevolutie die door de bourgeoisie teruggeworpen was, verenigde zich met het industrieproletariaat. Daardoor bevrijdde de 20ste eeuw zich niet alleen van de als een drukkende last op haar rustende vroegere eeuwen, maar verhief zij zich ook op de schouders van deze tot een tot nu toe in de geschiedenis ongekende hoogte. Opdat de boeren de grond konden zuiveren en de omheiningen konden wegnemen, moesten de arbeiders de leiding in de staat op zich nemen. Ziehier een zo beknopt mogelijke samenvatting van de Oktoberrevolutie.

De laatste coalitie

De Voorlopige Regering was door haar gehele verleden niet tegen een ernstige schok bestand. Ze viel, naar de lezer zich zal herinneren, in de nacht van 26 augustus uiteen. De kadetten traden uit de regering om het werk van Kornilov te vergemakkelijken. De socialisten traden uit de regering om het werk van Kerenski te vergemakkelijken. Een nieuwe regeringscrisis begon. Het ging allereerst om Kerenski zelf: het hoofd van de regering had zich als medeplichtige aan de samenzwering ontpopt. De verontwaardiging tegen hem was zo groot dat de verzoeningsgezinde leiders telkens zijn naam genoemd werd hun toevlucht moesten nemen tot de bolsjewistische woordenschat. Tsjernov die zo-even in volle vaart uit de ministeriële trein gesprongen was, schreef in het voornaamste orgaan van zijn partij over de “chaos waaruit men niet wijs wordt, waar Kornilov ophoudt en Filonenko en Savinkov beginnen en waar Savinkov ophoudt en de Voorlopige Regering als zodanig begint.” De toespeling was duidelijk genoeg: “de Voorlopige Regering als zodanig” – dat was immers Kerenski, die lid van dezelfde partij als Tsjernov was.

Terwijl de verzoeningsgezinden hun gemoed door het gebruiken van krasse termen verlichtten, kwamen zij echter tot de conclusie dat men het niet zonder Kerenski kon stellen. Terwijl zij Kerenski belet hadden amnestie te verlenen aan Kornilov, haastten zij zich om zelf amnestie te verlenen aan Kerenski. Deze verklaarde zich als tegenprestatie bereid tot een concessie inzake de regeringsvorm van Rusland. Gisteren nog gold als een vaststaand feit dat deze kwestie slechts door de Constituerende Vergadering opgelost kon worden. Nu stapte men over alle juridische moeilijkheden heen. Het ontslag van Kornilov werd in de proclamatie van de regering gemotiveerd met de noodzakelijkheid “om het vaderland, de vrijheid en het republikeins bewind te redden.” De ruk naar links die met de mond voltrokken werd en bovendien te laat kwam, was natuurlijk niet in staat om het gezag van de regering te versterken. Dit was des te minder het geval omdat ook Kornilov zich voor een republikein had uitgegeven.

Op 30 augustus moest Kerenski Savinkov ontslaan, die enkele dagen later zelf uit de alles omvattende sociaal-revolutionaire partij gezet werd. Tot gouverneur-generaal werd echter Paltsjinski benoemd. Die was politiek van hetzelfde slag als Savinkov en hij begon met het bolsjewistisch blad te verbieden. De Uitvoerende Comités protesteerden. De “Izvestia” omschreef deze daad als “de meest schandelijke provocatie.” Paltsjinski moest na drie dagen verwijderd worden. Hoe weinig Kerenski in het algemeen van plan was van politieke koers te veranderen, blijkt uit het feit dat hij reeds op 31 augustus ertoe overging om een nieuwe regering met medewerking van de kadetten te vormen. Hierop konden zelfs de sociaal-revolutionairen niet ingaan: zij dreigden ermee hun vertegenwoordigers terug te roepen. Tsereteli ontdekte een nieuw regeringsrecept, namelijk handhaving van de gedachte van de coalitie maar verwijdering van alle elementen die de regering tot last zijn. – “De gedachte van een coalitie heeft vaste voet gekregen,” bevestigde Skobeljev, “maar er kan in de regering geen plaats zijn voor de partij die bij de samenzwering van Kornilov betrokken was.” Kerenski was het niet eens met deze restrictie en hij had gelijk op zijn manier.

Een coalitie met de bourgeoisie, maar met uitsluiting van de leidende burgerlijke partij, was uiteraard onzinnig. Hierop werd gewezen door Kamenev, toen hij in de verenigde vergadering van de Uitvoerende Comités op de hem eigen vermanende toon zijn conclusies uit de jongste gebeurtenissen trok. “Jullie willen ons op de nog gevaarlijker weg van een coalitie met onverantwoordelijke groepen drijven. Jullie zijn echter één coalitie vergeten, een coalitie die zich verenigd en geconsolideerd heeft door de fatale gebeurtenissen van de afgelopen dagen: deze tussen de revolutionaire arbeidersklasse, de boeren en het revolutionaire leger.” De bolsjewistische spreker herinnerde aan de woorden die Trotski op 26 mei ter verdediging van de matrozen van Kronstadt tegen de door Tsereteli geuite beschuldigingen sprak: “Indien een contrarevolutionair generaal zou pogen de revolutie de strop om te doen, dan zullen de kadetten de strop inzepen. Maar de matrozen van Kronstadt zullen komen om samen met u te vechten en te sterven.” Hij raakte hier de kern van de zaak. Op het gepraat over “eenheid van de democratie” en “een eerlijke coalitie” antwoordde Kamenev: “De eenheid van de democratie hangt er van af of jullie een coalitie met Vyborg zullen aangaan of niet… Elke andere coalitie is onwaardig.” De rede van Kamenev maakte ongetwijfeld indruk, waarop Soechanov dan ook met de volgende woorden wijst: “Kamenev sprak zeer verstandig en tactvol.” Het bleef echter bij een indruk. Bij voorbaat stond vast welke weg beide partijen zouden volgen.

De breuk van de verzoeningsgezinden met de kadetten had eigenlijk van het begin af aan een louter demonstratief karakter. De liberale kornilovianen begrepen zelf dat het beter voor hen was om zich in de komende dagen een beetje afzijdig te houden. Achter de schermen werd er klaarblijkelijk in overeenstemming met de kadetten besloten om een regering te vormen die zich zo boven alle reële krachten in het volk stelde dat er bij niemand twijfel over haar voorlopig karakter kon bestaan. Behalve Kerenski behoorden tot het uit vijf leden bestaand directorium: de minister van buitenlandse zaken Teresjtsjenko die door zijn verbindingen met de Ententediplomatie onmisbaar geworden was; de districtscommandant van Moskou Versjovski die hiertoe ijlings van overste tot generaal bevorderd werd; admiraal Verderevski die hiertoe in allerijl uit de gevangenis ontslagen werd; tenslotte de twijfelachtige mensjewiek Nikitin die kort daarop uit zijn partij werd gezet.

Nadat Kerenski met hulp van vreemden Kornilov overwonnen had, leek het alsof hij er slechts op uit was om diens programma te verwezenlijken. Kornilov had de functie van opperbevelhebber met die van regeringshoofd willen verenigen. Kerenski verwezenlijkte dit. Kornilov had de persoonlijke dictatuur door een directorium van vijf leden willen maskeren. Kerenski wist dit door te voeren. Tsjernov, wiens ontslag door de bourgeoisie geëist was, werd door Kerenski uit het Winterpaleis verwijderd. Generaal Alexejev, die de held van de kadettenpartij en haar kandidaat voor de post van minister-president was, werd door hem tot chef van de generale staf in het hoofdkwartier, d.w.z. feitelijk tot leider van het leger, benoemd. In een legerorder aan leger en vloot verlangde Kerenski staking van de politieke strijd onder de troepen, d.w.z. herstel van de oude toestand waarvan men uitgegaan was. Vanuit zijn schuilplaats omschreef Lenin de toestand op de hem eigen hoogst eenvoudige manier: “Kerenski is een korniloviaan die toevallig met Kornilov ruzie gekregen heeft en met de overige kornilovianen verder in een innig bondgenootschap blijft.” Maar helaas: de over de contrarevolutie behaalde overwinning gaat veel verder dan Kerenski voor zijn persoonlijke plannen nodig had.

Het directorium haastte zich om de vroegere minister van oorlog Goetsjkov, die als een van de initiatiefnemers van de samenzwering gold, uit de gevangenis te ontslaan. Tegen de initiatiefnemers onder de kadetten keerde de justitie zich helemaal niet. Het werd onder deze omstandigheden voortdurend moeilijker om de bolsjewieken achter slot en grendel te houden. De regering vond een uitweg, nl. de bolsjewieken op borg vrij te laten zonder de beschuldigingen in te trekken. De Petrogradse sovjet van de vakverenigingen nam “de eervolle taak op zich om voor de verdienstelijke leiders van de revolutionaire arbeidersklasse de borg te stellen”: op 4 september werd Trotski tegen de bescheiden, eigenlijk fictieve borg van drieduizend roebel vrijgelaten. Generaal Denikin schrijft in zijn “Geschiedenis van de Russische onlusten” pathetisch: “Op 1 september werd generaal Kornilov gevangen genomen en op 4 september werd Bronstein-Trotski door dezelfde Voorlopige Regering in vrijheid gesteld. Deze twee data moet Rusland goed in herinnering houden.” Meerdere bolsjewieken werden in de volgende dagen tegen borgtocht vrijgelaten. De uit de gevangenis ontslagenen lieten geen tijd verloren gaan: de massa’s wachtten en riepen, de partij had mensen nodig.

Op de dag van de vrijlating van Trotski publiceerde Kerenski een decreet waarin hij erkende dat de comités “de regering zeer goed geholpen hadden.” Maar tegelijk gelastte hij de comités om hun werkzaamheden te staken. Zelfs de “Izvestia” moest toegeven dat de opsteller van het decreet “weinig van de situatie begrepen had.” Het congres van de wijksovjets van Petrograd besloot om “de revolutionaire organisaties ter bestrijding van de contrarevolutie niet te ontbinden.” De druk van onderuit was zo sterk dat het verzoeningsgezinde Militaire Revolutiecomité besloot om Kerenski’s beschikking niet te erkennen en zijn plaatselijke organen opriep om “met het oog op de voortdurend zorgwekkende toestand met dezelfde energie en hetzelfde uithoudingsvermogen te blijven werken.” Kerenski zweeg. Hij kon niets anders doen.

Het almachtig hoofd van het directorium moest telkens weer gewaar worden dat de toestand gewijzigd en de tegenstand sterker geworden was en dat men genoodzaakt was om vanalles, althans in woorden, te veranderen. Op 7 september verklaarde Versjovski aan de pers dat het vóór de muiterij van Kornilov uitgewerkt saneringsprogramma voor het leger momenteel verworpen moest worden omdat het bij de “tegenwoordige geestesgesteldheid van het leger” slechts tot een nog groter verval kon leiden. De minister van oorlog trad in het Uitvoerend Comité op om de nieuwe tijdsgeest te omschrijven. Men hoefde niet bezorgd te zijn: generaal Alexejev zou heengaan en met hem iedereen die op de een of andere manier bij de opstand van Kornilov betrokken was. Men moest het leger gezonde ideeën bijbrengen, niet met machinegeweren en nagaika’s, maar door het suggereren van gedachten van recht, gerechtigheid en strenge discipline. Dit rook bedenkelijk naar de lentedagen van de revolutie. Maar buiten was het september en de herfst naderde. Alexejev werd na enkele dagen effectief afgezet en vervangen door generaal Doechonin. Deze generaal had het voordeel dat hij volslagen onbekend was.

Als vergoeding voor de concessies verlangden de ministers van oorlog en marine onmiddellijk hulp van het Uitvoerend Comité. Het zwaard van Damocles hing de officieren dreigend boven het hoofd, het slechtst was het op de Baltische vloot gesteld en men moest de matrozen kalmeren. Er werd na lange debatten besloten om, zoals gewoonlijk, een delegatie naar de vloot te zenden. De verzoeningsgezinden drongen erop aan dat bolsjewieken, en vooral Trotski, deel van de delegatie zouden uitmaken. Enkel onder deze voorwaarde kon de delegatie slagen. “Wij wijzen,” antwoordde Trotski, “positief een samenwerking in welke vorm ook van de hand met die regering die pleitte voor Tsereteli… De regering volgt een principieel verkeerde, volksvijandige en oncontroleerbare politiek. Indien deze politiek echter spaak loopt of tot een ramp geleid heeft, worden de revolutionaire organisaties met het vuile werk belast om de onvermijdelijke slechte gevolgen weer goed te maken… Deze delegatie heeft, volgens haar eigen formulering, onder meer tot taak de “obscure elementen” in de garnizoenen, d.w.z. de provocateurs en spionnen op te sporen… Ben je dan werkelijk vergeten dat ik zelf aangeklaagd ben wegens overtreding van paragraaf 108?… Wij gaan in de strijd tegen de eigenrichting onze eigen weg… niet hand in hand met de officier van justitie en de contraspionage, maar als revolutionaire partij die probeert te overtuigen, te organiseren en op te voeden.”

In de dagen van de opstand van Kornilov was besloten tot het bijeenroepen van de Democratische Vergadering. Deze zou nog eens de kracht van de democratie laten zien, haar tegenstanders van rechts en van links ontzag inboezemen en – niet in de laatste plaats – de onbehouwen Kerenski temmen. De verzoeningsgezinden koesterden in volle ernst het plan om de regering vóór de bijeenroeping van de Constituerende Vergadering aan een of ander geïmproviseerd vertegenwoordigend lichaam ondergeschikt te maken. De bourgeoisie stond van het begin af aan vijandig tegenover de bijeenkomst, omdat zij in deze een poging zag tot bevestiging van de positie die de democratie door de overwinning op Kornilov weer teruggekregen had. “Tsereteli’s voornemen,” schrijft Miljoekov in zijn “Geschiedenis”, “was eigenlijk een volledige capitulatie voor de plannen van Lenin en Trotski.” Integendeel, het voornemen van Tsereteli was erop gericht de strijd van de bolsjewieken om de sovjetmacht te verlammen. De Democratische Vergadering zou tegenover het Sovjetcongres gesteld worden. De verzoeningsgezinden wilden zich een nieuwe basis scheppen door te trachten de sovjets door een kunstmatige aaneensluiting van de meest verschillende organisaties te vernietigen. De democraten verdeelden de stemmen naar eigen goeddunken, alleen maar bezorgd om zich een overtuigende meerderheid te verzekeren. De hogere organisaties waren veel sterker vertegenwoordigd dan de lagere. De zelfbestuursorganen, waaronder ook de niet gedemocratiseerde Zemstvo’s, kregen een reusachtig overwicht over de sovjets. De coöperaties kregen de leiding.

Deze laatste speelden vroeger geen rol in de politiek, maar kwamen in de dagen van de Moskouse vergadering voor het eerst op het politieke toneel en ze begonnen pas daarna op te treden in naam van hun twintig miljoen leden of, nog eenvoudiger, in naam van “de halve Russische bevolking.” De coöperaties wortelden in het dorp door de hogere bevolkingsgroepen van het dorp die een rechtvaardige onteigening van de adel goedkeurden onder voorwaarde dat hun eigen, dikwijls belangrijke bezittingen niet alleen beschermd, maar ook nog vergroot zouden worden. De leiders van de coöperaties kwamen voort uit de liberale volkse en gedeeltelijk ook uit de liberale marxistische intellectuelen, die een natuurlijke schakel vormden tussen de kadetten en de verzoeningsgezinden. Tegenover de bolsjewieken stonden de coöperaties met evenveel haat, als waarmee de koelak tegenover zijn ongehoorzame dagloner staat. De verzoeningsgezinden klampten zich krampachtig vast aan de van hun neutraliteitsmasker ontdane coöperaties, om kracht tegen de bolsjewieken te winnen. Lenin brandmerkte de koks uit de democratische keuken fel. “Tien overtuigde soldaten of arbeiders uit een achterlijke fabriek,” schreef hij, “zijn duizendmaal meer waard dan honderd ondergeschoven… gedelegeerden.” Trotski toonde in de sovjet van Petrograd aan dat de coöperatiebestuurders evenmin de politieke wil van de boeren uitdrukten als een arts de politieke wil van zijn patiënt of een postambtenaar de opvattingen van de afzenders en de ontvangers van brieven. “Coöperators moeten goede organisatoren, kooplui en boekhouders zijn, maar zowel de boeren alsook de arbeiders dragen de verdediging van hun klassenrechten aan hun eigen sovjets op.” Dit belette de coöperators niet om honderdvijftig plaatsen in te nemen en samen met de nog niet hervormde Zemstvo’s en allerlei andere, er met de haren bijgesleepte, organisaties het karakter van de vertegenwoordiging van de massa’s volkomen te vervalsen.

De sovjet van Petrograd nam onder zijn afgevaardigden naar de vergadering ook Lenin en Zinovjev op. De regering gaf bevel beiden bij het betreden van de schouwburg te arresteren, maar niet in de zaal zelf: dit was klaarblijkelijk een compromis tussen de verzoeningsgezinden en Kerenski. Het bleef echter bij een politieke demonstratie van de kant van de sovjets. Noch Lenin, noch Zinovjev waren van plan in de vergadering te verschijnen. Lenin was van mening dat de bolsjewieken daar in het algemeen niets te zoeken hadden.

De vergadering werd op 14 september, juist een maand na de Landelijke Vergadering, in de grote zaal van de Alexandrinskischouwburg geopend. Het aantal toegelaten vertegenwoordigers bedroeg niet minder dan 1775. Ongeveer 1200 daarvan woonden de openingszitting bij. De bolsjewieken waren natuurlijk in de minderheid. Ondanks alle verkiezingstrucs vormden zij echter toch een zeer indrukwekkende groep die in bepaalde kwesties meer dan één derde van alle stemmen op zich wist te verenigen.

Is het een sterke regering waardig om voor een “particuliere” bijeenkomst op te treden? Deze vraag bracht grote aarzeling in het Winterpaleis teweeg die zich weerspiegelde in de opwinding in de Alexandrinskischouwburg. Het hoofd van de regering besloot eindelijk om voor de democratie te verschijnen. “Met applaus ontvangen,” zo vertelt Sjljapnikov over Kerenski’s optreden, “begaf hij zich naar het presidium om de aan de tafel gezeten personen de hand te drukken. Ook wij (de bolsjewieken), die dicht bij elkaar zaten, kwamen aan de beurt. Wij keken elkaar eens aan en spraken snel af om hem geen hand te geven. Een theatraal gebaar over de tafel heen, – ik nam de mij toegestoken hand niet aan en Kerenski ging met uitgestoken hand, zonder de onze te ontmoeten, verder.” Eenzelfde behandeling ondervond het hoofd van de regering ook bij de tegenovergestelde vleugel: bij de aanhangers van Kornilov. Behalve de bolsjewieken en de kornilovianen waren er echter geen krachten van betekenis meer overgebleven.

Door de gehele situatie ertoe genoopt een verklaring af te leggen over zijn rol bij de samenzwering, vertrouwde Kerenski ook ditmaal teveel op zijn improviseerkunst. “Ik weet wat zij wilden,” zo versprak hij zich, “want voordat zij Kornilov opzochten, kwamen zij bij mij en stelden mij ditzelfde voor.” Geroep van links: “Wie kwam er?… Wie stelde dit voor?” Verschrikt over de weerklank die zijn eigen woorden hadden, werd Kerenski spoedig meer gereserveerd. De politieke ondergrond van de samenzwering werd nu echter voor iedereen zonder uitzondering duidelijk. De Oekraïense verzoeningsgezinde Porsj deelde na zijn terugkeer in de Raad van Kiev mee: “Kerenski slaagde er niet in zijn onschuld aan de opstand van Kornilov te bewijzen.” Het hoofd van de regering diende zichzelf met zijn eigen redevoering nog een andere, niet minder zware slag toe. Toen men als antwoord op de frasen, waarvan iedereen meer dan genoeg had – “In de uren van gevaar zal iedereen zich aaneensluiten en het eens worden,” enzovoorts – hem toeriep: “En de doodstraf dan?”, raakte de spreker uit zijn evenwicht en riep tot verbazing van iedereen en stellig ook van zichzelf: “Wacht maar eerst eens tot het eerste doodvonnis door mij, de opperbevelhebber, ondertekend zal zijn en dan pas mag je mij vervloeken.” Een soldaat treedt op het spreekgestoelte toe en schreeuwt hem in het gezicht: “Je bent het ongeluk van ons land.” Hoe nu?! Terwijl hij, Kerenski, nota bene bereid is de hoge positie die hij inneemt te vergeten om van mens tot mens met de bijeenkomst te overleggen. “Maar de mens wordt hier niet door iedereen begrepen.” Daarom zegt hij in de taal van de machthebber: “Ieder die het wagen zou…” Ach, dat heeft men ook reeds in Moskou gehoord, en Kornilov heeft het toch gewaagd.

“Indien de doodstraf noodzakelijk was,” vroeg Trotski in zijn rede, “hoe durft hij, Kerenski, dan zeggen dat hij ze niet zal toepassen? Acht hij het echter mogelijk om zich tegenover de democratie ertoe te verplichten de doodstraf niet toe te passen, dan zegt hij eigenlijk dat de herinvoering van de doodstraf lichtzinnig, op het misdadige af, is genomen.” De hele zaal stemde hiermee in, een deel stilzwijgend, een ander deel enthousiast. “Kerenski heeft door zijn erkenning zowel zichzelf alsook de Voorlopige Regering indertijd in sterke mate gediscrediteerd,” zegt zijn collega en vereerder, de adjudant van de minister van justitie, Demjanov. Geen van de ministers kon zeggen waarmee de regering zich eigenlijk bezighield behalve met de kwestie van haar eigen bestaan. Economische maatregelen? Men kon er geen enkele noemen. Vredespolitiek? “Ik weet niet,” zei de vroegere minister van justitie Saroedny, een van de meest openhartige mensen, “of de Voorlopige Regering in dit opzicht iets ondernomen heeft, maar ik heb er niets van gezien.” Vol verbazing beklaagde Saroedny zich erover dat “de gehele macht in handen van één enkele persoon kwam,” op wiens wenken ministers kwamen en gingen. Tsereteli roerde onvoorzichtig genoeg dit onderwerp aan: “De democratie mag zich bij zichzelf beklagen indien het haar vertegenwoordiger van hoogmoed begint te duizelen.” Tsereteli zelf was echter bij uitstek een verpersoonlijking van die kenmerken van de democratie die bonapartistische machtsstrevingen teweegbrachten. “Waarom heeft Kerenski die plaats kunnen innemen die hij nu inneemt?” antwoordde Trotski, “de vacature voor Kerenski werd geschapen door de zwakte en besluiteloosheid van de democratie… Ik heb hier geen enkele spreker gehoord die de weinig benijdenswaardige taak op zich nam het directorium of de voorzitter daarvan te verdedigen…” Na een storm van protest vervolgt de spreker: “Ik betreur het ten zeerste dat het standpunt dat nu zo heftig in de zaal tot uitdrukking komt, niet duidelijk op dit spreekgestoelte is uiteengezet. Geen enkele spreker is hier verschenen en heeft ons gezegd: Waarom kibbelen jullie over een vervlogen coalitie, waarom maken jullie zich bezorgd voor de toekomst? Wij hebben Kerenski en dit is voldoende…” Deze bolsjewistische vraagstelling legde bijna vanzelf verband tussen Tsereteli en Saroedny en tussen deze beide en Kerenski. Miljoekov schreef daarover zeer treffend: “Saroedny mocht over de eigengerechtigheid van Kerenski klagen, Tsereteli mocht erop zinspelen dat het hoofd van de regering begon te duizelen van hoogmoed – dit waren slechts woorden; maar toen Trotski constateerde dat niemand in de vergadering op zich genomen had om Kerenski openlijk te verdedigen, besefte de vergadering zeer goed dat daar een gemeenschappelijke vijand sprak.”

Over de macht werd door de mensen die deze vertegenwoordigden slechts als over een last en een ongeluk gesproken. Strijd om de macht? Minister Pesjechonov merkte betweterig op: “De macht doet zich nu voor als iets waarvoor iedereen zich als voor de duivel kruisigt.” Was dit zo? Kornilov kruisigde zich niet. De kersvers ontvangen les was echter grotendeels vergeten. Tsereteli ketterde tegen de bolsjewieken die zelf de macht niet overnamen, maar de sovjets aan de macht brachten. Tsereteli’s gedachte werd door anderen vertolkt. ‘Ja, de bolsjewieken moeten de macht overnemen!’, zei men half luid aan de voorzitterstafel. Avksentjev richtte zich tot Sjljapnikov die dicht bij hem zat: “Grijp de macht, de massa’s zijn op uw hand.” Sjljapnikov beantwoordde zijn buurman op dezelfde toon en stelde hem voor om de macht eerst op de voorzitterstafel te leggen. De half ironische uitdagingen aan het adres van de bolsjewieken, zowel in de redevoeringen van de sprekers, als in de persoonlijke gesprekken in de gangen, waren gedeeltelijk een hoon, gedeeltelijk een erkenning. Wat denken deze mensen die aan het hoofd van de Petrogradse, de Moskouse en vele sovjets in de provincie gekomen zijn nu verder te doen? Zullen zij werkelijk de macht durven grijpen? Dat geloofde niemand. Twee dagen vóór het uitdagend optreden van Tsereteli schreef de “Rjetsj”, dat het beste middel om het bolsjewisme voor vele jaren kwijt te raken, was om het lot van het land in handen van de bolsjewistische leiders te leggen. Maar “deze trieste helden van de dag streven er in werkelijkheid niet naar om de macht te grijpen… praktisch behoeft men in geen enkel opzicht met hen rekening te houden.” Deze fiere conclusie was op zijn minst voorbarig.

De bolsjewieken hadden een enorm voordeel waarop tot nu toe nog niet voldoende aandacht gevestigd is, namelijk dat zij hun tegenstanders zeer goed begrepen. Men kan zelfs stellen dat ze hun tegenstanders volkomen doorzagen. Hierbij werden zij geholpen door zowel de materialistische methode als de leninistische school van duidelijkheid en eenvoud, alsook door de oplettendheid van mensen die vastbesloten zijn tot het einde toe door te zetten. De liberalen en de verzoeningsgezinden maakten zich daarentegen telkens naar de behoeften van het ogenblik een voorstelling van de bolsjewieken. Dit kon ook niet anders: partijen die geen uitweg meer hebben, zijn nooit in staat gebleken om de werkelijkheid onder ogen te zien, net zoals een zieke wiens toestand hopeloos is, niet de ernst van zijn ziekte wil inzien.

Zonder in een bolsjewistische opstand te geloven, waren de verzoeningsgezinden er toch bang voor. Dit kwam het sterkst tot uiting in wat Kerenski zei. “Vergis u niet,” riep hij plotseling tijdens zijn rede uit, “denk niet dat er geen democratische krachten meer achter mij staan als de bolsjewieken tegen mij ophitsen. Denk niet dat ik in de lucht zweef. Pas op, als je iets zou willen ondernemen dan zullen de treinen blijven stilstaan, de telegrammen zullen niet bezorgd worden, …” Een deel van de zaal applaudisseert, een ander deel zwijgt verlegen, het bolsjewistische deel lacht openlijk. Het is slecht gesteld met een dictatuur die zich genoodzaakt ziet om aan te tonen dat zij niet in de lucht zweeft!

De bolsjewieken antwoordden in hun verklaring op de ironische uitdagingen, verwijten van lafheid en onzinnige dreigementen: “Strijdend om de macht en om haar programma te verwezenlijken, streefde en streeft onze partij niet ernaar om de macht tegen de georganiseerde wil van de meerderheid van de arbeidende massa’s in het land te nemen.” Dit betekende: wij zullen de macht overnemen als partij van de sovjetmeerderheid. De woorden over de “georganiseerde wil van de arbeiders” hadden betrekking op het aanstaande Sovjetcongres. “Slechts die besluiten en voorstellen van deze vergadering,” zo werd in de verklaring gezegd, “die door het Al-Russische Sovjetcongres goedgekeurd worden, kunnen effectief verwezenlijkt worden.”

Tijdens het voorlezen van de bolsjewistische verklaring door Trotski bracht de vermelding van de noodzakelijkheid van een onmiddellijke bewapening van de arbeiders voortdurend interrupties op de banken van de meerderheid teweeg: “Waartoe, waartoe?” “Om een werkelijke verdediging tegen de contrarevolutie tot stand te brengen,” antwoordt de spreker. Maar niet alleen daartoe. “Ik zeg u in naam van onze partij en van de proletarische massa’s die met haar gaan, dat de gewapende arbeiders… het land van de revolutie met zo’n heldhaftigheid tegen de imperialistische troepen zullen verdedigen als nog nooit in de Russische geschiedenis is voorgekomen…” Tsereteli noemde deze toezegging die de zaal in twee verdeelde een holle frase. De geschiedenis van het Rode Leger heeft hem later tegengesproken.

Die benauwde uren waarin de leiders van de verzoeningsgezinden een coalitie met de kadetten van de hand gewezen hadden, lagen ver achter de rug. Zonder kadetten bleek een coalitie onmogelijk te zijn. Men zal toch niet zelf de macht overnemen! “Wij zouden reeds op 27 februari de macht hebben kunnen grijpen,” filosofeerde Skobeljev, “maar wij wendden al onze kracht en invloed aan om de burgerlijke dementen te helpen om zich van de verwarring te herstellen… en aan de macht te komen.” Waarom hebben deze heren dan de van de verwarring herstelde kornilovianen belet om de macht te grijpen? “Een zuiver burgerlijke regering,” verklaarde Tsereteli, “is nog niet mogelijk: deze zou de burgeroorlog ontketenen.” Kornilov moest neergeslagen worden opdat hij met zijn avontuur de bourgeoisie niet belette geleidelijk aan de macht te komen. “Maar nu de revolutionaire democratie gezegevierd heeft, is het ogenblik buitengewoon gunstig voor een coalitie.”

De politieke filosofie van de coöperator werd uiteengezet door hun leider, Berkenheim: “Of wij het willen of niet, de bourgeoisie is de klasse die de macht zal krijgen.” De oude volksrevolutionair Minor smeekte de vergadering eensgezind een besluit ten gunste van de coalitie te nemen.

Zoniet, “daarover moet men zich geen illusies maken, zullen wij gaan afslachten.” “Wie?” riep men vanaf de linkerzetels. “Wij zullen elkaar afslachten,” eindigde Minor onder somber stilzwijgen. Naar de mening van de kadetten was het regeringsblok immers nodig voor de strijd tegen de bolsjewieken, die “anarchistische bandieten.” “Daarin was de eigenlijke betekenis van de coalitiegedachte gelegen,” verklaarde Miljoekov volkomen openhartig. Terwijl Minor hoopte dat de coalitie het mogelijk zou maken om elkaar niet af te slachten, rekende Miljoekov er integendeel stellig op dat de coalitie de mogelijkheid zou verschaffen om met vereende krachten de bolsjewieken af te slachten.

Bij de debatten over de coalitie las Rjasanov het hoofdartikel uit de “Rjetsj” van 29 augustus voor, het artikel dat Miljoekov op het laatste moment had teruggenomen waardoor een open plek in dat nummer ontstaan was: “Jazeker, wij aarzelen niet om te zeggen dat generaal Kornilov dezelfde doeleinden nastreeft die wij nodig achten om het vaderland te redden.” Het citaat maakte indruk. “Ha, ha, die zullen redding brengen!” klonk het uit de linkerhelft van de zaal. De kadetten vonden echter verdedigers: het hoofdartikel was immers niet gedrukt! Bovendien waren niet alle kadetten voor Kornilov en moest men de bokken van de schapen kunnen scheiden.

“Er wordt gezegd dat men niet de volledige kadettenpartij ervan mag beschuldigen medeplichtig geweest te zijn aan de muiterij van Kornilov,” antwoordde Trotski. “Het is niet voor het eerst dat Snamenski hier tot ons bolsjewieken gezegd heeft: ‘jullie protesteerden toen we jullie gehele partij verantwoordelijk stelden voor de beweging van 3 tot 5 juli. Val niet in dezelfde fout, stel niet alle kadetten verantwoordelijk voor de muiterij van Kornilov.’ Deze vergelijking gaat echter naar mijn mening niet op. Toen men de bolsjewieken ervan beschuldigde dat zij de beweging van 3 tot 5 juli veroorzaakt hadden, was het er niet om te doen om hen in de regering, maar wel om hen in de “Kresty” te brengen. Dit verschil zal hopelijk ook (de minister van justitie) Saroedny niet ontkennen. Wij zeggen eveneens: willen jullie de kadetten vanwege de Kornilovbeweging in de gevangenis sleuren, doe dit dan niet voetstoots maar onderzoek elke kadet afzonderlijk van top tot teen (gelach; geroep “Bravo!”). Is het er echter om te doen de kadettenpartij in de regering te brengen, dan is niet het feit beslissend of de een of andere kadet achter de schermen een bondgenootschap met Kornilov had – niet dat Maklakov aan het telegrafietoestel stond toen Savinkov met Kornilov onderhandelde; niet dat Roditsjev aan de Don rondreisde en politieke onderhandelingen met Kaledin voerde, niet dat is essentieel. Essentieel is dat de gehele burgerlijke pers ofwel Kornilov openlijk begroette ofwel uit voorzichtigheid zweeg om Kornilovs overwinning eerst af te wachten… En daarom zeg ik: jullie hebben geen partners voor een coalitie.”

De volgende dag sprak de vertegenwoordiger van Helsingfors en Sweaborg, de matroos Sjisjkin, over hetzelfde onderwerp korter en indrukwekkender: “Een coalitieregering zal bij de matrozen van de Baltische vloot en bij het garnizoen van Finland noch vertrouwen, noch ondersteuning vinden… De matrozen hebben de oorlogsvlag gehesen tegen de vorming van een coalitieregering.” Verstandsargumenten misten hun uitwerking. De matroos Sjisjkin voerde het argument van de scheepskanonnen aan. De overige matrozen die bij de ingangen van de zaal op wacht stonden, waren het helemaal met hem eens. Boecharin vertelde later hoe de “matrozen die door Kerenski opgesteld waren om de Democratische Vergadering tegen ons, bolsjewieken, te beschermen, zich tot Trotski wendden en zwaaiend met hun bajonetten vroegen: Welnu, is er spoedig iets te doen voor dit ding?” Dit was slechts een herhaling van de vraag die de matrozen van de “Aurora” bij hun bezoek in de “Kresty” gesteld hadden. Nu naderde het ogenblik echter zienderogen.

Men kan, afgezien van enkele schakeringen, gemakkelijk drie groepen in de vergadering uiteenhouden: het omvangrijke maar uiterst labiele centrum dat de macht niet durft grijpen, toestemt in een coalitie, maar de kadetten niet wil; de zwakke rechtervleugel die voor Kerenski en een coalitie met de bourgeoisie zonder enig voorbehoud is; de dubbel zo sterke linkervleugel die voor de Sovjetmacht of een socialistische regering opkomt. In de bijeenkomst van de sovjetafgevaardigden van de Democratische Vergadering sprak Trotski voor een overgave van de macht aan de sovjets, Martov voor een homogeen socialistisch ministerie. Het eerste denkbeeld kreeg 86 en het tweede 97 stemmen. Formeel vertegenwoordigden de bolsjewieken op dit moment slechts ongeveer de helft van de arbeiders- en soldatensovjets, terwijl de andere helft tussen de bolsjewieken en de verzoeningsgezinden aarzelde. De bolsjewieken spraken echter in naam van de machtige sovjets van de grootste industriële en culturele centra van het land; in de sovjets waren zij oneindig veel sterker dan in de vergadering, in de arbeidersklasse en het leger oneindig veel sterker dan in de sovjets. De achterlijke sovjets pasten zich onophoudelijk aan de radicalen aan.

Voor de coalitie werd in de vergadering gestemd door 766 tegen 686 afgevaardigden bij 38 onthoudingen. Beide partijen waren nagenoeg met elkaar in evenwicht! De aanvulling waardoor de kadetten uit een coalitie gesloten werden, wist een meerderheid te verkrijgen: 595 tegen 493 stemmen bij 72 onthoudingen. De uitschakeling van de kadetten maakte een coalitie echter nutteloos. Daarom werd de resolutie in haar geheel met een meerderheid van 813 stemmen verworpen, d.w.z. door het blok van de twee uiterste vleugels, van de uitgesproken aanhangers en de onverzoenlijke tegenstanders van een coalitie tegen het centrum, waarvan het stemmenaantal daalde tot 183 terwijl er 80 onthoudingen waren. Dit was de meest eendrachtige van alle stemmingen. Maar zij was echter even nietszeggend als de gedachte van een coalitie zonder kadetten die bij deze stemming afgewezen was. “De vergadering kwam derhalve,” naar Miljoekov terecht opmerkt, “niet tot een vast besluit en een stellige uitspraak inzake de belangrijkste kwestie.”

Wat bleef de leiders nu nog te doen? De wil van de “democratie” negeren, die haar eigen wil afgewezen had. Het presidium wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van de verschillende partijen en de verschillende groepen om opnieuw een besluit te nemen inzake de kwestie die reeds door het plenum beslist is. Het resultaat is: 50 stemmen voor de coalitie en 60 ertegen. Is het nu nog niet duidelijk? De vraag van de verantwoordelijkheid van de regering aan een permanent orgaan van de Democratische Vergadering wordt door hetzelfde uitgebreide presidium met algemene stemmen bevestigend beantwoord. 56 tegen 48 handen bij 10 onthoudingen gaan omhoog voor een aanvulling van dit orgaan met vertegenwoordigers van de bourgeoisie. Kerenski verschijnt om te verklaren dat hij weigert deel uit te maken van een zuiver socialistische regering. Er blijft nu niets anders over dan de ongelukkige vergadering naar huis te zenden en ze te vervangen door een instelling waarin de aanhangers van een onvoorwaardelijke coalitie in de meerderheid zijn. Men behoeft slechts de meest elementaire beginselen van de rekenkunde machtig te zijn om dit resultaat te kunnen bereiken. Namens het presidium dient Tsereteli een resolutie in volgens hetwelk het vertegenwoordigend lichaam bij de vorming van een regering behulpzaam zou moeten zijn en de regering dit lichaam zou moeten bevestigen. De dromen om Kerenski te temmen, zijn dus definitief van de baan. De in evenredigheid met vertegenwoordigers van de burgerij aangevulde toekomstige sovjet van de republiek, ofwel het Voorlopig Parlement, zal als taak hebben om een coalitie met de kadetten te steunen. De resolutie van Tsereteli gaat volkomen in tegen wat de vergadering wil en tegen wat het presidium zopas besliste. De mislukking, het verval en de demoralisatie zijn echter zo groot dat de vergadering de enigszins vermomde capitulatie die haar voorgelegd wordt, met 829 tegen 106 stemmen bij 69 onthoudingen aanneemt. “Zo hebben jullie voorlopig de overwinning behaald, mijne heren verzoeningsgezinden en kadetten,” schreef het bolsjewistische blad. “Ga uw gang. Doe nieuwe ervaringen op. Dit zullen de laatste zijn – daarvoor staan wij borg.”

“De Democratische Vergadering,” zegt Stankevitsj, “verbaasde zelfs degenen die het initiatief ertoe hadden genomen door de volkomen verwarring die er heerste. Bij de verzoeningsgezinden was er “volslagen onenigheid”; rechts bij de bourgeoisie was er gemor en onwil, fluisterend verspreide laster, langzaam ondermijnen van de laatste resten van het gezag van de regering… En alleen links was er een versterking van de krachten en verbetering van de stemming.” Dit zegt een tegenstander, dit verklaart een vijand die in oktober op de bolsjewieken zal schieten. De democratische parade te Petrograd bleek voor de verzoeningsgezinden te zijn wat voor Kerenski de parade van de nationale eenheid te Moskou was: een openlijke erkenning van onmacht en van politiek verval. Terwijl de Landelijke Vergadering de aanleiding tot de opstand van Kornilov was, baande de Democratische Vergadering definitief de weg voor de bolsjewistische opstand.

Voordat zij uit elkaar ging, vormde de vergadering uit haar midden een permanent orgaan door 15 procent van het aantal leden van elke groep, in totaal ongeveer 350 gedelegeerden, daarin af te vaardigen. De instellingen van de bezittende klassen zouden bovendien 120 zetels krijgen. De regering voegde hieraan 20 zetels voor de Kozakken toe. Dit alles samen zou de Raad van de Republiek of het Voorlopig Parlement vormen om het volk te vertegenwoordigen tot aan de bijeenroeping van een Constituerende Vergadering.

De houding van de bolsjewieken tegenover de Raad van de Republiek moest onmiddellijk bepaald worden. Het stelde de tactische vraag of men hieraan moest deelnemen of niet. De boycot van vertegenwoordigende organen door anarchisten en halve anarchisten is ingegeven door hun streven om hun eigen onmacht niet aan de massa’s te tonen en zo de schijn op te houden dat zij terecht zo hoogmoedig zijn. Dat laat overigens vriend en vijand koud. Een revolutionaire partij mag slechts dan het parlement de rug toekeren wanneer zij zich een directe val van het bestaande regime ten doel stelt. Lenin had in de jaren tussen de beide revoluties de problemen van het revolutionaire parlementarisme zeer grondig bestudeerd.

Het parlement dat de hoogste privileges bezit, kan een uitdrukking van de feitelijke machtsverhoudingen tussen de klassen zijn en was dit ook meer dan eens in de geschiedenis. Dit was bijvoorbeeld het geval met de Rijksdoema’s na de neergeslagen revolutie van 1905 tot 1907. Een boycot van een dergelijk parlement betekent een boycot van de werkelijke machtsverhoudingen, in plaats van deze ten gunste van de revolutie te doen veranderen. Het Voorlopig Parlement van Tsereteli en Kerenski was echter in het geheel niet in overeenstemming met de machtsverhoudingen. Het was gesproten uit de onmacht en de sluwheid van de leiders, uit het geloof aan de mystieke betekenis van de staatsinstellingen, aan het fetisjisme van de vorm, en uit de verwachting de oneindig veel sterkere vijand aan dit fetisjisme te kunnen onderwerpen en hem daarmee te kunnen bedwingen.

Om de revolutie te dwingen om met gekromde rug en gebogen hoofd gehoorzaam onder het juk van het Voorlopig Parlement te gaan, moest men haar eerst, zo al niet neerslaan, dan toch minstens een ernstige nederlaag toebrengen. In werkelijkheid had echter drie weken geleden de voorhoede van de bourgeoisie een nederlaag geleden. De revolutie daarentegen had nieuwe krachten verzameld. Haar doel was niet een burgerlijke republiek, maar de arbeiders- en boerenrepubliek, en zij behoefde niet onder het juk van het Voorlopig Parlement door te kruipen, doordat zij zich steeds verder door middel van de sovjets uitbreidde.

Op 20 september riep het Centraal Comité van de bolsjewieken de bolsjewistische afgevaardigden van de Democratische Vergadering, de leden van het Centraal Comité zelf en het Petrograds Comité tot een partijconferentie bijeen. Trotski stelde als rapporteur van het Centraal Comité de slogan voor – “Boycot van het Voorlopig Parlement!” Het voorstel werd krachtig bestreden door sommigen (Kamenev, Rykov, Rjasanov) en vond instemming bij anderen (Sverdlov, Joffe, Stalin). Het Centraal Comité dat in deze kwestie in twee helften verdeeld was, zag zich genoodzaakt om tegen de statuten en de traditie van de partij in de beslissing aan de vergadering over te laten. Twee referenten, Trotski en Rykov, spraken als vertegenwoordigers van de tegenovergestelde standpunten. Het kon lijken, en het leek de meerderheid ook toe, alsof de heftige debatten louter van tactische aard waren. In werkelijkheid deed de strijd de meningsverschillen van april weer herleven en was hij een voorloper van die van oktober. De kwestie was of de partij haar taak aan de ontwikkeling van de burgerlijke republiek aanpaste, of dat zij zich werkelijk een verovering van de macht ten doel stelde. Met 77 tegen 50 stemmen verwierp de partijconferentie de slogan van de boycot. Op 22 september kon Rjasanov aan de Democratische Vergadering namens de partij verklaren dat de bolsjewieken hun vertegenwoordigers naar het Voorlopig Parlement zouden sturen om “in dit nieuwe bolwerk van verzoeningsgezindheid elke poging tot een nieuwe coalitie met de bourgeoisie te ontmaskeren.” Dit klonk erg radicaal. In werkelijkheid betekende dit echter dat men een politiek van oppositie en ontmaskering ging voeren in de plaats van een politiek van de revolutionaire daad.

Lenins Aprilstellingen waren formeel door de gehele partij aanvaard; maar bij elke belangrijke kwestie kwamen de stemmingen van maart weer tot uiting. Deze stemmingen waren onder de partijleiders, die zich op vele plaatsen in het land nu pas van de mensjewieken begonnen af te scheiden, nog erg sterk. Lenin kon pas achteraf in de strijd ingrijpen. Op 23 september schreef hij: “Men moet het Voorlopig Parlement boycotten. Men moet in de sovjets van arbeiders-, soldaten- en boerenafgevaardigden, in de vakverenigingen, in het algemeen tot de massa’s gaan. Men moet hen tot de strijd oproepen. Men moet hen de juiste en duidelijke slogan verkondigen: de bonapartistische bende van Kerenski met zijn onzuiver Voorlopig Parlement wegjagen… De mensjewieken en sociaal-revolutionairen hebben, zelfs na de korniloviade, ons compromis niet aanvaard… Onbarmhartige strijd tegen hen. Op onbarmhartige wijze hen uit alle revolutionaire organisaties verdrijven… Trotski was voor de boycot. Bravo, kameraad Trotski! De slogan van de boycot is verworpen in de bolsjewistische fractie die voor de Democratische Vergadering bijeenkwam. Leve de boycot!”

Hoe meer de partij zich met de kwestie bezighield, des te meer wijzigden de verhoudingen zich ten gunste van de boycot. Vrijwel in alle plaatselijke afdelingen vormde zich een minderheid. Zo vormen in het comité te Kiev de aanhangers van de boycot met Eugenia Bosch aan het hoofd aanvankelijk een zwakke minderheid. Reeds na enkele dagen wordt echter in de stedelijke conferentie met een verpletterende meerderheid een besluit aangenomen om het Voorlopig Parlement te boycotten. “Men moet de tijd niet met gebeuzel en het wekken van illusies verknoeien.” De partij haastte zich om haar leiders te corrigeren.

Intussen deed Kerenski, die de slappe democratische eisen had laten varen, zijn uiterste best om de kadetten zijn sterke vuist te tonen. Op 18 september kondigde hij onverwachts een bevel tot ontbinding van het centraal comité van de oorlogsvloot af. De matrozen antwoordden: “Het bevel tot ontbinding van de Centroflot is, daar het onwettig is, als ongeldig te beschouwen en men moet eisen dat het terstond weer ingetrokken wordt.” Het Uitvoerend Comité mengde zich in de zaak en verschafte Kerenski een formeel voorwendsel om zijn beschikking na drie dagen weer in te trekken. In Tasjkent greep de sovjet, die grotendeels uit sociaal-revolutionairen bestond, de macht en zette de vroegere beambten af. Kerenski zond een telegram aan de generaal die naar Tasjkent gezonden was om de orde te herstellen: “In geen geval met de muiters onderhandelen… Krachtige maatregelen moeten genomen worden.” De binnenrukkende troepen bezetten de stad en arresteerden de vertegenwoordigers van de Sovjetmacht. Terstond begon er een algemene werkstaking waaraan veertig vakbonden deelnamen; een week lang verscheen er geen enkele krant, in het garnizoen gistte het. Zo zaaide de regering bij haar najagen van het droombeeld van de orde anarchie in de staat.

Dezelfde dag waarop de vergadering het besluit tegen een coalitie met de kadetten genomen had, gaf het Centraal Comité van de kadettenpartij aan zijn leden Konovalov en Kisjkin de raad om het aanbod van Kerenski om in zijn kabinet te treden aan te nemen. Buchanan had, naar men zei, de regie. Dit dient men niet al te letterlijk op te vatten. Ook al had Buchanan niet zelf de regie, dan had zijn schim deze: men moest namelijk een regering vormen die de Geallieerden welgevallig was. De Moskouse industriëlen en beursmensen betoonden zich weerspannig, dreven de prijs op en stelden ultimatums. De Democratische Vergadering sloofde zich uit met het houden van stemmingen en deed alsof deze werkelijk enige betekenis hadden. In werkelijkheid werd de kwestie beslist in het Winterpaleis, in verenigde vergaderingen van wat nog over was van de regering met de vertegenwoordigers van de coalitiepartijen. De kadetten vaardigden hun meest openlijke aanhangers van Kornilov daarheen af. Men poogde elkaar van de noodzakelijkheid van eenheid te overtuigen. Tsereteli, die onuitputtelijk in gemeenplaatsen was, ontdekte dat de voornaamste hinderpaal voor een overeenkomst tot nu toe in het wederzijds wantrouwen gelegen was… Dit wantrouwen moet uit de weg geruimd worden. De minister van buitenlandse zaken, Teresjtsjenko, rekende uit dat er van de 197 dagen van het bestaan van de revolutionaire regering 56 met crisissen verknoeid waren. Waarmee de overige dagen verknoeid werden, gaf hij niet aan.

Nog voordat de Democratische Vergadering de resolutie van Tsereteli, een resolutie in strijd met haar eigen doeleinden, geslikt had, berichtten de correspondenten van Engelse en Amerikaanse kranten al telegrafisch dat een coalitie met de kadetten verzekerd was en zij noemden reeds met stelligheid de namen van de nieuwe ministers. Op zijn beurt wenste de Moskouse Raad van de in het openbare leven werkzame mannen, onder voorzitterschap van de onvermijdelijke Rodsjanko, zijn lid Tretjakov geluk met zijn benoeming in de regering. Op 9 augustus hadden deze heren aan Kornilov getelegrafeerd: “In deze moeilijke uren van vreselijke beproeving richt het gehele denkende Rusland vol hoop en verwachting zijn blikken op u.”

Kerenski verklaarde zich allergenadigst tevreden met het bestaan van een Voorlopig Parlement onder voorwaarde, “dat de organisatie van leger en politie en de samenstelling van de regering uitsluitend tot de taak van de Voorlopige Regering zouden behoren.” Deze vernederende voorwaarde was door de kadetten gedicteerd. De bourgeoisie moest natuurlijk begrijpen dat de Constituerende Vergadering veel ongunstiger samengesteld zou zijn dan het Voorlopig Parlement: “De verkiezingen voor de Constituerende Vergadering konden,” volgens Miljoekov, “wel eens een volkomen willekeurig, misschien wel een rampzalig resultaat opleveren.” Indien de kadettenpartij die kort voordien nog probeerde om de regering ondergeschikt te maken aan de tsaristische Doema, niettemin ronduit weigerde om het recht van wetgeving aan het Voorlopig Parlement te geven, dan gebeurde dit enkel omdat zij de hoop niet opgaf te kunnen beletten dat de Constituerende Vergadering zou bijeenkomen.

“Of Kornilov, of Lenin,” zo formuleerde Miljoekov het alternatief. Lenin van zijn kant schreef: “Of Sovjetmacht, of korniloviade. Een middenweg is er niet.” In zoverre stemden Lenin en Miljoekov in hun beoordeling van de toestand overeen en dit was niet toevallig: in tegenstelling tot de verzoeningsgezinde helden met de mond, waren zij de twee meest serieuze vertegenwoordigers van de voornaamste maatschappelijke klassen. Reeds de Moskouse Landelijke Vergadering had, volgens Miljoekov, duidelijk getoond dat “het land verdeeld was in twee partijen, tussen welke er eigenlijk geen verzoening en geen overeenstemming mogelijk was.” Waar tussen twee maatschappelijke partijen geen overeenstemming mogelijk is, moet de burgeroorlog de beslissing brengen.

Noch de kadetten, noch de bolsjewieken lieten echter de slogan van de Constituerende Vergadering varen. De kadetten hadden deze nodig als hoogste beroepsinstantie tegen onmiddellijke sociale hervormingen, tegen sovjets, tegen revolutie. De schaduw die de democratie in de vorm van de Constituerende Vergadering vooruitwierp, werd door de bourgeoisie als tegengif tegen de levende democratie gebruikt. Openlijk de Constituerende Vergadering afwijzen, zou de bourgeoisie pas hebben kunnen doen nadat de bolsjewieken verpletterd waren. Dit zou nog lang duren. Zoals de toestand nu was, trachtten de kadetten ervoor te zorgen dat de regering onafhankelijk bleef van de met de massa’s verbonden organisaties, om haar later des te gemakkelijker geheel aan zich te kunnen onderwerpen.

Maar ook de bolsjewieken, die geen uitweg langs de weg van de formele democratie mogelijk achtten, gaven de gedachte van een Constituerende Vergadering nog niet op. Zij zouden dit ook niet hebben kunnen doen zonder met het revolutionaire realisme in strijd te komen. Het was niet met volkomen zekerheid te voorspellen of in het verdere verloop van de gebeurtenissen de voorwaarden voor een volledige overwinning van de arbeidersklasse zouden ontstaan. Afgezien van een Sovjetdictatuur en tot aan deze heerschappij moest de Constituerende Vergadering wel het hoogste lijken wat de revolutie kon brengen. Net zoals de bolsjewieken de verzoeningsgezinde sovjets en democratische gemeenteraden tegen Kornilov verdedigd hadden, waren zij ook bereid de Constituerende Vergadering tegen aanslagen van de bourgeoisie te verdedigen.

De crisis die dertig dagen duurde, werd uiteindelijk opgelost door de vorming van een nieuwe regering. De schatrijke Moskouse industrieel Konovalov, die in het begin van de revolutie het blad van Gorki gefinancierd had, daarna lid van de eerste coalitieregering was, na het eerste Sovjetcongres onder protest aftrad, lid werd van de kadettenpartij toen deze rijp werd voor de korniloviade, en nu als vertegenwoordiger van de eerste minister en als minister van handel en industrie in de regering terugkeerde, was bestemd om naast Kerenski de hoofdrol daarin te spelen. Behalve Konovalov bezetten ministerzetels: Tretjakov, de voorzitter van het Moskouse beurscomité, en Smyrnov, de voorzitter van het Moskouse oorlogsindustriecomité. De Kievse suikerfabrikant Teresjtsjenko bleef minister van buitenlandse zaken. De overige ministers, onder wie ook de socialisten, hadden niets bijzonders van functie, maar ze waren volkomen bereid om de eenheid niet te verstoren. De Entente kon met de regering des te meer tevreden zijn omdat de oude diplomaat Nabokov gezant te Londen bleef en de kadet Maklakov, een bondgenoot van Kornilov en Savinkov, gezant in Parijs en – de progressist Jefremov gezant in Bern werd: de strijd om een democratische vrede was in betrouwbare handen gelegd.

De verklaring van de nieuwe regering was een boosaardige parodie op de Moskouse verklaring van de democratie. De betekenis van de coalitie was echter niet gelegen in een hervormingsprogramma, maar in de poging om de in de Julidagen begonnen onderneming ten einde te brengen, namelijk de revolutie onthoofden door de bolsjewieken neer te slaan. De “Rabotsjiy Poetj” (“De weg van de Arbeider”), een van de bladen die de “Pravda” vervingen, herinnerde er de Geallieerden echter brutaalweg aan: “Jullie zijn één ding vergeten: de bolsjewieken, dat zijn nu de sovjets van arbeiders en soldatenafgevaardigden.” Deze herinnering trof een gevoelige plek. “Vanzelf rees nu,” erkent Miljoekov, “de verontrustende vraag: is het niet te laat? Is het niet te laat om de bolsjewieken de oorlog te verklaren…?”

Klaarblijkelijk is het inderdaad te laat. Op de dag van de vorming van de nieuwe regering uit zes burgerlijke en tien half-socialistische ministers werd ook de vorming van het nieuwe Uitvoerend Comité van de Petrogradse sovjet uit dertien bolsjewieken, zes sociaal-revolutionairen en drie mensjewieken voltooid. De regeringscoalitie werd door de sovjets met een door zijn voorzitter Trotski ingediende resolutie begroet: “De nieuwe regering… zal in de geschiedenis van de revolutie als een regering van de burgeroorlog bekend staan… Het nieuws van de vorming van een nieuwe regering zal de gehele revolutionaire democratie beantwoorden met: aftreden! Vertrouwend op deze eensgezinde uiting van de echte democratie zal het Al-Russische Sovjetcongres een waarlijk revolutionaire regering vormen.” De tegenstanders waren geneigd om in deze resolutie slechts een gebruikelijke stem van wantrouwen te zien. In werkelijkheid vormde zij het programma van de revolutie. Precies na één maand zal zij in vervulling gaan.

Het economisch leven ging in een snel dalende lijn. De regering, het Centraal Uitvoerend Comité en weldra ook het nieuw gevormde Voorlopig Parlement wezen op allerlei feiten en symptomen van verval als een argument tegen anarchie, bolsjewieken en revolutie. Zij hadden echter niets wat ook maar enigszins op een economisch plan geleek. Het orgaan tot regeling van het economisch leven, dat met de regering verbonden was, deed geen enkele stap van betekenis. De industriëlen sloten de bedrijven. Het spoorwegverkeer werd wegens kolengebrek ingekrompen. In de steden lagen de elektriciteitswerken stil. De pers jammerde over de catastrofe. De prijzen stegen. De ene groep arbeiders na de andere staakte, ondanks de waarschuwingen van de partij, de sovjet en de vakverenigingen. Enkel de groepen die reeds bewust de revolutie tegemoet gingen, vermeden conflicten. Het meest rustig hield zich Petrograd.

Door haar achteloosheid tegenover de massa’s, lichtvaardige onverschilligheid voor hun noden, uitdagende frasen als antwoord op protesten en wanhoopskreten maakte de regering zich bij iedereen gehaat. Het leek wel alsof zij conflicten zocht. De spoorwegarbeiders en -beambten eisten nu al bijna vanaf de Februarirevolutie loonsverhoging. De ene commissie volgde op de andere, niemand gaf antwoord. Men maakte de spoorwegarbeiders radeloos. De verzoeningsgezinden trachtten te kalmeren en de executieve van de spoorwegarbeiders probeerde te remmen. Op 24 september barstte echter de bom. Nu pas bedacht de regering zich, werden enkele concessies aan het spoorwegpersoneel gedaan, en de staking die zich reeds over grote delen van het spoorwegnet uitgebreid had, werd op 27 september opgeheven.

Augustus en september waren maanden waarin de levensstandaard snel daalde. Reeds in de dagen van Kornilov was het broodrantsoen in Moskou en Petrograd tot op een half pond per dag verlaagd. In het district Moskou was er niet meer dan twee pond per week. Het Wolgagebied, het zuiden, het front, en het dichterbij gelegen achterland – alle delen van het land maakten een ernstige levensmiddelencrisis door. In het textielgebied bij Moskou begon men in enkele fabrieken reeds honger te lijden in de letterlijke zin van het woord. De arbeiders en arbeidsters van de Smyrnovfabriek – de eigenaar was juist in die dagen tot staatscontroleur in de nieuwe coalitieregering benoemd – demonstreerden in het naburige Orechowo-Soejewo onder de slogans: “Wij hebben honger,” “Onze kinderen hebben honger,” “Wie niet met ons is, is tegen ons.” De arbeiders van Orechow en de soldaten van het plaatselijk militair hospitaal deelden hun karige rantsoenen met de betogers. Dit was een andere baanbrekende en zich tegen de regeringscoalitie kerende coalitie.

De kranten maakten dagelijks melding van nieuwe haarden van conflicten en muiterijen. Arbeiders, soldaten en het kleine stadsvolk protesteerden. De soldatenvrouwen eisten verhoging van de ondersteuning, woningen, hout voor de winter. De Zwarte Honderd-agitatie zocht voedsel in de honger van de massa’s. Het Moskouse blad van de kadetten “Roesskije Wedomosti” (“Russische Tijdingen”), dat vroeger een mengeling van liberalisme en volkssocialisme was, keek nu vol haat en afkeer op het echte volk neer. “Er gaat een machtige golf van onlusten over geheel Rusland…” schreven de liberale professoren. “Het elementaire en zinneloze karakter van de pogroms… bemoeilijkt de strijd ertegen ten zeerste… Om ze te onderdrukken moet men de gewapende macht gebruiken… maar het is juist deze gewapende macht die, in de persoon van de soldaten van de plaatselijke garnizoenen, de hoofdrol bij de pogroms speelt… De massa… gaat de straat op en begint zich heer en meester te voelen…”

De officier van justitie te Saratov meldde aan de minister van justitie Maljantovitsj, die zich in de tijd van de eerste revolutie tot de bolsjewieken gerekend had: “Het grootste kwaad waartegen men niet in staat is te vechten, zijn de soldaten… eigenrichting, eigenmachtige arrestaties en huiszoekingen, allerlei opeisingen die in de meeste gevallen óf uitsluitend door soldaten óf met directe medewerking van deze doorgevoerd worden.” In Saratov zelf, in de districtssteden en de dorpen is de rechterlijke macht zonder enige hulp. Het openbaar ministerie komt tijd tekort om alle misdaden van het volk te vervolgen.

De bolsjewieken maakten zich geen illusies over de moeilijkheden die hen na het overnemen van de macht te wachten zouden staan. “Terwijl wij de slogan “Alle macht aan de sovjets” opstellen,” zei de nieuwe voorzitter van de sovjet van Petrograd, “weten wij dat niet alle wonden op slag hierdoor geheeld zullen worden. Wij hebben een regering nodig die gevormd is naar het voorbeeld van de leiding in de vakverenigingen, die de stakers alles geeft wat zij maar kan en niets verbergt en, indien zij niets te geven heeft, dit ook openlijk erkent…”

Een van de eerste zittingen van de regering was aan de “anarchie” in de provincie, en vooral op het platteland, gewijd. Eens te meer werd het noodzakelijk geacht om “niet terug te deinzen voor de meest krasse maatregelen.” Terloops ontdekt de regering dat de oorzaak van de mislukking van de strijd tegen de onlusten gelegen was in de onvoldoende populariteit die de regeringscommissarissen onder de massa’s van de boerenbevolking genoten. Om dit te verbeteren, wordt besloten in alle gouvernementen waar onlusten voorkomen in allerijl “buitengewone comités van de Voorlopige Regering” te vormen. Van nu af aan zullen de boeren strafexpedities met welkomstkreten moeten begroeten.

Onweerstaanbare historische krachten sleurden de heersers mee. Niemand geloofde ernstig in het succes van de nieuwe regering. Kerenski bleef even geïsoleerd als voorheen. De bezittende klassen konden zijn verraad aan Kornilov niet vergeten. “Wie bereid was tegen de bolsjewieken te vechten,” schrijft de Kozakkenofficier Kakljoegin, “wilde dit niet in naam en ter verdediging van de macht van de Voorlopige Regering doen.” Terwijl hij zich aan de macht vastklampte, was Kerenski bang haar te gebruiken. Het in kracht toenemend verzet verlamde zijn wil tenslotte volkomen. Hij vermeed elk besluit en schuwde het Winterpaleis, waar de situatie hem ertoe verplichtte tot daden over te gaan. Meteen na de vorming van de nieuwe regering droeg hij het voorzitterschap aan Konovalov over en reisde zelf af naar het hoofdkwartier waar men hem allerminst nodig had. Hij keerde slechts naar Petrograd terug om het Voorlopig Parlement te openen. Alhoewel de ministers hem trachtten tegen te houden, reisde hij op 14 september weer af naar het front. Kerenski vluchtte voor het noodlot dat hem op de hielen zat. Konovalov, de meest directe medewerker en plaatsvervanger van Kerenski, geraakte volgens Nabokov in vertwijfeling over Kerenski’s grilligheid en de volslagen onmogelijkheid om zich op zijn woorden te verlaten. De stemming van de overige leden van de regering verschilde echter weinig van die van hun leider. De ministers keken bezorgd om zich heen, luisterden angstig, wachtten af, verdreven de tijd met nutteloos geschrijf en hielden zich bezig met kleinigheden. De minister van justitie Maljantovitsj was, naar Nabokov vertelt, buitengewoon bezorgd over het feit dat de senatoren weigerden Sokolov in zijn zwarte geklede jas als nieuwe collega op te nemen. “Wat denk je dat wij doen moeten?” vroeg Maljantovitsj bezorgd. Volgens de door Kerenski ingevoerde regel werd er uiterst streng op gelet dat de ministers elkaar niet, zoals gewone stervelingen, bij hun naam en voornaam noemden, maar met de post die zij bekleedden: “Mijnheer de minister zo en zo,” zoals het vertegenwoordigers van een sterke regering betaamt. De memoires van de betrokken personen lijken wel een satire. Kerenski zelf schreef later over zijn minister van oorlog: “Dit was wel de ongelukkigste benoeming van allemaal: Versjovski had ontegensprekelijk iets komisch in zijn optreden.” Het ongelukkige is echter dat er ontegensprekelijk iets komisch over het gehele optreden van de Voorlopige Regering lag: deze mensen wisten niet hoe ze zich moesten draaien of keren. Zij regeerden niet, maar speelden regeerder, zoals schooljongens soldaatje spelen, maar dan veel minder levendig.

Miljoekov beschreef, toen hij als getuige optrad, de toestand van het hoofd van de regering in die tijd zeer nauwkeurig: “Terwijl Kerenski de grond onder de voeten verloor, gaf hij voortdurend meer blijk van alle kenmerken van die pathologische geestesgesteldheid die men in de medische wetenschap “psychische neurasthenie” noemt. Het was de meer intieme vrienden reeds lang bekend dat Kerenski na ogenblikken van buitengewone ineenstorting van energie in de voormiddag, in de verdere loop van de dag onder invloed van medicijnen in een toestand van hevige opwinding geraakte.” Miljoekov verklaart de buitengewoon grote invloed van de kadetten-minister Kisjkin, die psychiater van beroep was, uit diens handigheid om met de patiënt om te gaan. Deze mededelingen laten wij geheel voor rekening van de liberale historicus, die weliswaar meer dan enig ander op de hoogte kon zijn van de waarheid, maar lang niet altijd de waarheid betrachtte.

De mededelingen van iemand die zo dicht bij Kerenski stond als Stankevitsj bevestigen, zo al niet de psychiatrische, dan toch de psychologische beschrijving die Miljoekov gegeven heeft. “Kerenski frappeerde mij,” schrijft Stankevitsj, “door zijn opvallende eenzaamheid en de opvallende, ongewone rust in zijn omgeving. Alleen zijn onvermijdelijke ‘adjudantjes’ waren rondom hem. Er waren noch de mensenmassa waardoor hij vroeger altijd omgeven was, noch de delegaties, noch de schijnwerpers… Er volgden wonderlijke uren van verveling en ik kreeg de ongewone gelegenheid om urenlang met hem te praten, waarbij hij een merkwaardige traagheid aan de dag legde.”

Elke nieuwe regeringswijziging werd voltrokken in naam van een sterke regering en elke nieuwe regering begon met grootse aankondigingen, om vervolgens reeds na enkele dagen tot moedeloosheid te vervallen. Het wachtte daarna op een stoot van buitenaf om uiteen te vallen. De stoot werd iedere keer gegeven door de massabewegingen. Wie zich niet door schijn laat misleiden, kan enkel vaststellen dat elke regeringswijziging steevast in een aan de massabeweging tegenovergestelde richting plaatsvond. Tussen de ene regering en de andere lagen crisissen die telkens slepender en smartelijker werden. Elke nieuwe crisis verspilde een deel van de staatsmacht, verzwakte de revolutie en demoraliseerde de regeerders. Het Uitvoerend Comité van de eerste twee maanden was tot alles in staat, zelfs tot het aan de macht brengen van de bourgeoisie. In de volgende twee maanden was de Voorlopige Regering samen met het Uitvoerend Comité nog tot veel in staat, zelfs tot het beginnen van het offensief aan het front. De derde regering, onder het verzwakte Uitvoerend Comité, was nog in staat om een aanvang te maken met het neerslaan van de bolsjewieken, maar was niet meer in staat dit geheel te volvoeren. De vierde regering, die na de langste crisis ontstaan was, was reeds tot niets meer in staat. Nauwelijks geboren, lag zij in stervensnood en wachtte met open ogen op haar eigen doodgraver.

De bolsjewieken en de sovjets

De middelen en werktuigen van de bolsjewistische propaganda lijken bij nadere beschouwing niet alleen geenszins in verhouding tot de politieke invloed van het bolsjewisme te staan, maar ze zijn ook verbluffend van onbeduidendheid. Tot aan de Julidagen bezat de partij 41 persorganen, de week- en maandbladen meegerekend, met een totale oplaag van niet meer dan 320.000 exemplaren; na de Julinederlaag daalde het cijfer van de oplage tot op de helft. Eind augustus werd het voornaamste orgaan van de partij in 50.000 exemplaren gedrukt. In de dagen toen de partij zich van de Petrogradse en Moskouse sovjets meester maakte, had het Centraal Comité niet meer dan ongeveer 30.000 papieren roebel in kas.

Van de kant van de intellectuelen kreeg de partij bijna geen nieuwe leden. De grote groep zogenaamde “oude” bolsjewieken uit de studentenkringen die tot de revolutie van 1905 gekomen waren, waren welgestelde ingenieurs, artsen en ambtenaren geworden en keerden de partij openlijk de rug toe. Zelfs in Petrograd is er onophoudelijk gebrek aan journalisten, sprekers en propagandisten. De provincie komt voortdurend tekort. Er is gebrek aan leiders, aan politiek geschoolde mensen die het volk kunnen uitleggen wat de bolsjewieken willen! – roept men uit talloze verre uithoeken en vooral van het front. Op het platteland bestaan vrijwel in het geheel geen bolsjewistische cellen. De postverbindingen zijn volkomen in de war: terwijl zij aan zichzelf overgelaten werden, verweten de plaatselijke organisaties dikwijls niet ten onrechte het Centraal Comité dat het slechts de leiding van Petrograd vormde.

Hoe konden dan toch bij een zo zwak apparaat en een zo kleine oplaag van de bladen de bolsjewistische ideeën en slogans bij het volk ingang vinden? De verklaring ligt voor de hand: slogans die aan de momentele behoeften van een klasse en een tijdvak voldoen, weten zich talloze wegen te banen. De gloeiende revolutionaire atmosfeer is een voortreffelijke geleidster van ideeën. Bolsjewistische kranten werden hardop voorgelezen, tot flarden gelezen, de belangrijkste artikelen van buiten geleerd, verder verteld, overgeschreven en, zo mogelijk, nagedrukt. “De drukkerij van de staf,” zegt Pirejko, “heeft de zaak van de revolutie een grote dienst bewezen: hoeveel afzonderlijke artikelen uit de “Pravda” en kleine, voor de soldaten leesbare en begrijpelijke brochures werden in onze drukkerij nagedrukt! En dat alles werd per luchtpost, fiets en motorfiets in allerijl naar het front gestuurd…” Tegelijkertijd vond de burgerlijke pers, die in miljoenen exemplaren kosteloos aan het front geleverd werd, geen lezers. Zware zakken met kranten bleven onuitgepakt liggen. De boycot van de “patriottische” pers nam meermaals een demonstratief karakter aan. Vertegenwoordigers van de 18de Siberische divisie besloten de burgerlijke partijen te sommeren de zendingen literatuur te staken, daar zij toch “onnuttig verbruikt werden om er theewater mee te koken.” Neen, dan werd de bolsjewistische pers heel anders gebruikt! Haar nuttige of, zo men wil, schadelijke werking was daarom over het geheel genomen ook veel groter.

De bolsjewistische successen porbeert men te verklaren met een verwijzing naar de “simpelheid” van hun slogans die overeenstemden met de verlangens van de massa’s. Dit is tot op zekere hoogte juist. De kracht van de bolsjewistische politiek was een gevolg van het feit dat zij in tegenstelling tot die van de democratische partijen geen onuitgesproken of half uitgesproken stellingen bracht die uiteindelijk neerkwamen op een bescherming van de private eigendom. Maar dit verklaart niet alles. Terwijl de “democraten” rechts van de bolsjewieken stonden, werden ze langs links verdrongen door nu eens de anarchisten, dan de maximalisten en dan weer de linkse sociaal-revolutionairen. Al deze groepen bleven echter zwak. Het verschil tussen hen en het bolsjewisme was dat deze laatste stroming het subjectieve doel van de verdediging van de belangen van de grote massa’s ondergeschikt maakte aan het objectief bepaalde proces van de wetten van de revolutie. De arbeiders laten zich bij hun strijd niet alleen leiden door hun directe behoeften maar ook door hun levenservaring. De aristocratische minachting voor de zelfstandige ervaring van de massa’s was het bolsjewisme volkomen vreemd. De bolsjewieken namen deze integendeel tot uitgangspunt en bouwden op haar. Hierin was een van hun grote voorsprongen gelegen.

Revoluties zijn altijd woordenrijk en ook de bolsjewieken weken van deze regel niet af. Terwijl de propaganda van de mensjewieken en sociaal-revolutionairen een traditioneel, tegenstrijdig en meestal halfslachtig karakter had, muntte de propaganda van de bolsjewieken uit door rijp overleg en doelbewustheid. De verzoeningsgezinden trachtten met praatjes de moeilijkheden te omzeilen, terwijl de bolsjewieken deze juist moedig tegemoet traden. Een onophoudelijk analyseren van de situatie, een voortdurend toetsen van de slogans aan de feiten, een ernstige houding tegenover de tegenstander, zelfs indien deze zelf minder ernstig was, maakten de bolsjewistische propaganda buitengewoon sterk en overtuigend.

De partijpers overdreef de successen niet, gaf geen vals beeld van de machtsverhoudingen en probeerde niet door geschreeuw indruk te maken. De school van Lenin was de school van het revolutionaire realisme. De berichten in de bolsjewistische pers over het jaar 1917 bleken aan de hand van de documenten van die tijd en de historische kritiek oneindig veel waarheidsgetrouwer te zijn dan de berichten van alle andere kranten. De waarachtigheid kwam voort uit de revolutionaire kracht van de bolsjewieken en deed op haar beurt hun kracht weer toenemen. Het opgeven van deze traditie werd later een van de slechtste eigenschappen van de epigonen.

“Wij zijn geen charlatans,” zei Lenin direct na zijn aankomst, “wij mogen slechts het bewustzijn van de massa’s tot uitgangspunt nemen. Ook al zouden wij in de minderheid moeten blijven – welnu… dan zouden wij daarvoor niet bang zijn… Wij oefenen kritiek, om de massa’s voor teleurstellingen te behoeden… Onze tactiek zal de juiste blijken te zijn. Alle onderdrukten zullen tot ons komen… Er is geen andere uitweg.” Deze volkomen juiste bolsjewistische politiek blijkt het tegendeel van demagogie en avonturisme te zijn.

Lenin leeft illegaal. Vol spanning volgt hij de kranten en leest zoals altijd tussen de regels door en beluistert in de enkele persoonlijke gesprekken die hij voert de niet consequent doordachte meningen en onuitgesproken bedoelingen. Er is een teruggang onder de massa’s. Martov, die de bolsjewieken tegen de laster verdedigt, bespot tegelijkertijd een beetje ironisch de partij die “zo handig was” om zichzelf een nederlaag op de hals te halen. Lenin voelt – spoedig bereiken hem positieve geruchten – dat ook veel bolsjewieken tot berouw geneigd zijn en dat de teergevoelige Loenatsjarski niet alleen staat. Lenin schrijft over het gejammer van de kleinburgers en over het “renegatendom” van die bolsjewieken die zo met dit gejammer instemmen. De bolsjewieken in de stadswijken en in de provincie vernemen deze boze woorden met instemming. Hun overtuiging dat de “oude” het hoofd niet kwijt raakt, de moed niet laat zinken en zich niet door stemmingen van het ogenblik laat meeslepen, wordt nog vaster.

Een lid van het Centraal Comité – was het niet Sverdlov? – schrijft in de provincie: “Wij zijn tijdelijk zonder krant… De organisatie is niet verpletterd… De partijdag wordt niet uitgesteld.” Lenin volgt oplettend, voor zover zijn onvrijwillig isolement hem de gelegenheid daartoe biedt, de voorbereiding voor de partijdag en stelt de voornaamste besluiten van deze op: het gaat om het aanvalsplan. De partijdag wordt bij voorbaat als een verenigingspartijdag aangekondigd omdat daar enkele zelfstandige revolutionaire groepen in de partij zullen worden opgenomen, met name de Petrogradse interrayonale organisatie waartoe Trotski, Joffe, Oeritzki, Rjasanov, Loenatsjarski, Pokrowski, Manoeilski, Karachan, Joerenjev en enkele andere revolutionairen die uit het verleden bekend zijn of in de toekomst bekend zullen worden, behoren.

Op 2 juli, juist aan de vooravond van de demonstratie, had er een congres van de interrayonisten plaats, waarop ongeveer vierduizend arbeiders vertegenwoordigd waren. “Het waren,” schrijft Soechanov die in de zaal aanwezig was, “voor het merendeel mij onbekende arbeiders en soldaten… Er werd koortsachtig gewerkt en met succes. Storend werkte echter de vraag: waarin verschillen jullie eigenlijk van de bolsjewieken en waarom staan jullie niet aan hun kant?” Om de fusie te bespoedigen, die enkele leiders op de lange baan trachtten te schuiven, werd door Trotski in de “Pravda” een verklaring gepubliceerd: “Naar mijn mening bestaat er tegenwoordig geen enkel principieel of tactisch meningsverschil tussen de interrayonisten en de bolsjewistische organisatie. Er is daarom ook geen enkele reden die het afzonderlijk bestaan van deze organisatie rechtvaardigt.”

Op 26 juli begon de verenigingspartijdag, de zesde bolsjewistische partijdag die gedeeltelijk illegaal plaats had en zich beurtelings in twee arbeiderswijken moest schuilhouden. 175 afgevaardigden van wie 157 met beslissende stem vertegenwoordigden 112 organisaties die 176.750 leden telden. Petrograd telde 41.000 leden: 36.000 in de bolsjewistische organisatie, 4.000 interrayonisten en ongeveer 1.000 in de Militaire Organisatie. In het voornaamste industriedistrict met Moskou als centrum had de partij 42.000 leden, in de Oeral 25.000, in het Donetzbekken ongeveer 15.000. In de Kaukasus bestonden er sterke bolsjewistische organisaties in Bakoe, Grosny en Tiflis; de beide eerstgenoemden bestonden vrijwel uitsluitend uit arbeiders, terwijl in Tiflis de soldaten de meerderheid hadden.

De deelnemers aan de partijdag belichaamden het vóórrevolutionaire verleden van de partij. Van de 171 gedelegeerden die de vragenlijsten invulden, hadden er 110 samen 245 jaar in de gevangenis gezeten, 10 afgevaardigden hadden samen 41 jaar in de katorga doorgebracht, 24 afgevaardigden waren voor 73 jaren naar een kolonie in Siberië gezonden en in totaal waren 25 mensen 127 jaren in verbanning geweest; 27 mensen hadden 89 jaren in de emigratie doorgebracht; 150 mensen waren samen 549 maal gearresteerd.

“Noch Lenin, noch Trotski, noch Zinovjev, noch Kamenev waren op deze partijdag aanwezig…” herinnerde Pjatnitzki, een van de tegenwoordige secretarissen van de Communistische Internationale, zich later. “Hoewel de kwestie van het partijprogramma van de agenda afgevoerd was, verliep de partijdag zonder partijleiders vlot en goed…” De stellingen van Lenin dienden tot grondslag bij het werk. Boecharin en Stalin traden als referenten op. Het referaat van Stalin laat goed de weg zien die de spreker samen met de overige partijleiders in de vier maanden sinds de aankomst van Lenin had afgelegd. Theoretisch onvast, maar politiek op de man af poogt Stalin de kenmerken aan te geven waarmee “het eigenlijke karakter van een socialistische arbeidersrevolutie bepaald wordt.” Deze partijdag is vergeleken met het congres in april opvallend eensgezind.

Over de verkiezing van het Centraal Comité wordt in de notulen van de partijdag opgemerkt: “De namen van de vier leden van het Centraal Comité die de meeste stemmen wisten te verkrijgen, worden voorgelezen. Lenin – 133 van de 134, Zinovjev 132, Kamenev – 131, Trotski – 131. Behalve hen zijn ook nog in het Centraal Comité gekozen: Nogin, Kollontai, Stalin, Sverdlov, Rykov, Boecharin, Artem, Joffe, Oeritzki, Miljoetin en Lomow.” Deze samenstelling van het Centraal Comité dient men goed te onthouden: onder zijn leiding zal de Oktoberrevolutie voltrokken worden.

Martov begroette de partijdag met een schrijven waarin hij opnieuw “zijn heftige verontwaardiging over de lasterlijke campagne” uitte, maar als het erop aan kwam voor de daad terugdeinsde. “Het is onduldbaar,” schreef hij, “dat men in plaats van de taak van een machtsverovering door de meerderheid van de revolutionaire democratie de taak van een machtsverovering in een strijd tegen deze meerderheid en in tegenstelling tot haar stelt.” Onder de meerderheid van de revolutionaire democratie verstond Martov nog altijd de officiële sovjetvertegenwoordiging die vaste grond onder de voeten verloor. “Martov is met de sociaalpatriotten verbonden niet door een holle fractionele traditie,” schreef Trotski toentertijd, “maar door zijn zuiver opportunistische instelling op de sociale revolutie als op een ver verwijderd doel dat niet kan dienen om de taak van het ogenblik te bepalen. En dit is wat hem juist van ons scheidt.”

Slechts een klein deel van de linkse mensjewieken onder leiding van Larin sloot zich in die tijd definitief bij de bolsjewieken aan. De latere Sovjetdiplomaat Joerenjev kwam op de partijdag als rapporteur inzake de fusie met de internationalisten tot de conclusie dat er niets anders overbleef dan zich met “de minderheid van de mensjewieken te verenigen…” De grote stroom van vroegere mensjewieken in de partij begon pas na de Oktoberrevolutie: door zich niet bij de proletarische opstand maar bij de uit deze voortgekomen regering aan te sluiten, legden de mensjewieken de voornaamste eigenschap van het opportunisme aan de dag, namelijk de aanbidding van de momenteel bestaande regering. Lenin was inzake de samenstelling van de partij zeer scrupuleus en stelde spoedig de eis om 99% van de mensjewieken die na de Oktoberrevolutie tot de partij toegetreden waren terug uit te sluiten. Hij lukte daar totaal niet in. Later zijn de poorten wijd opengezet voor de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen. De vroegere verzoeningsgezinden werden een van de steunpilaren van het stalinistisch partijbewind. Dit alles behoort echter reeds tot een latere periode.

Sverdlov, de eigenlijke organisator van de partijdag, deelde mee: “Trotski was reeds voor de partijdag tot de redactie van ons orgaan toegetreden, maar zijn celstraf maakte het hem feitelijk onmogelijk mee te werken.” Pas op de partijdag in juli werd Trotski formeel lid van de bolsjewistische partij. Er werd nu een streep gezet onder de jaren van meningsverschillen en fractiestrijd. Trotski kwam tot Lenin als tot een leermeester wiens kracht en betekenis hij later dan vele anderen, maar vermoedelijk beter dan deze, begrepen had. Raskolnikov, die in nauw contact met Trotski stond sinds zijn aankomst uit Canada en daarna samen met hem enkele weken in de gevangenis doorbracht, schrijft in zijn memoires: “Trotski stond met een grote verering tegenover Vladimir Ilitsj (Lenin). Hij schatte hem hoger dan welke tijdgenoot ook die hij in Rusland en daarbuiten ontmoet had. Uit de manier waarop Trotski over Lenin sprak, voelde men de toegenegenheid van de leerling: Lenin zag in die tijd op een dertigjarige praktijk in dienst van de arbeidersklasse terug en Trotski op een twintigjarige. De echo van de vroegere meningsverschillen in de tijd vóór de oorlog was geheel verstomd. Er bestond geen enkel verschil tussen de politiek van Lenin en Trotski. Deze toenadering die men reeds tijdens de oorlog kon waarnemen, bleek volkomen duidelijk bij de terugkeer van Leo Davidovitsj (Trotski) naar Rusland; direct na zijn eerste redevoeringen voelden wij oude leninisten allemaal dat hij een van de onzen was.” Het aantal stemmen, dat bij de verkiezing voor het Centraal Comité op Trotski uitgebracht werd, toont reeds dat niemand in het bolsjewistisch kamp hem ten tijde van zijn toetreden tot de partij als een buitenstaander beschouwde.

Lenin woonde in het verborgene de partijdag bij en wist het werk van de dag met een geest van verantwoordelijkheid en stoutmoedigheid te doordringen. De stichter en leermeester van de partij duldde geen slordigheden, niet in de politiek en niet in de theorie. Hij wist dat een onjuiste economische formule of een onnauwkeurige politieke waarneming zich bitter kon wreken op het moment van de strijd zelf. Om zijn vitterige houding tegenover elke partijtekst, zelfs wanneer het een onbelangrijke zaak betrof, te verdedigen, zei Lenin: “Het betreft hier geen kleinigheden, men moet nauwkeurig zijn. Onze propagandist zal het van buiten leren en niet van de tekst afwijken… Wij hebben een goede partij.” Hij wees daarmee op de ernst en nauwgezetheid van de eenvoudige propagandist tegenover wat hij te zeggen en hoe hij het te zeggen had.

De vermetele bolsjewistische slogans wekten dikwijls de indruk van fantasterij: zo werden de Aprilstellingen van Lenin ook gezien. In werkelijkheid is niets zo fantastisch als benepenheid in een tijdperk van revolutie. Een politiek gericht op een verre toekomst moet daarentegen realistisch zijn. Het is te zwak uitgedrukt indien men zegt dat fantasterij het bolsjewisme vreemd was: de partij van Lenin was de enige partij met een realistische politiek in de revolutie.

In juni en in begin juli zeiden de bolsjewistische arbeiders meer dan eens dat zij telkens weer de rol van brandspuit tegenover de massa’s moesten spelen en dat niet altijd met succes. De maand juli bracht tegelijk met de nederlaag de praktische ervaring die duur gekocht werd. De massa’s begonnen de waarschuwingen van de partij meer in acht te nemen en de tactische overwegingen van deze beter te begrijpen. De partijdag in juli had verklaard: “De arbeidersklasse moet niet ingaan op de provocaties van de bourgeoisie, die niets liever zou willen dan de arbeidersklasse op dit moment tot een ontijdige strijd te verleiden.” De gehele augustusmaand, vooral de tweede helft, werd gekenmerkt door onophoudelijke waarschuwingen van de partij aan de arbeiders en soldaten om niet de straat op te gaan. De bolsjewistische leiders spotten meermaals zelf over de gelijkenis tussen hun waarschuwingen en het politieke leidmotief van de oude Duitse sociaaldemocratie die de massa’s van iedere ernstige strijd weerhield door onophoudelijk op het gevaar van provocaties en de noodzakelijkheid van krachtenverzameling te wijzen. In werkelijkheid was de gelijkenis slechts schijnbaar. De bolsjewieken wisten zeer goed dat de krachten verzameld worden in de strijd en niet door deze uit de weg te gaan. Lenin beschouwde de bestudering van de werkelijkheid slechts als een theoretische verkenning met het oog op de strijd. Bij zijn beoordeling van de situatie zag hij steeds de partij als actieve kracht in het middelpunt staan. Met een buitengewone vijandigheid, of liever gezegd met afkeer, stond hij tegenover het austromarxisme (Otto Bauer, Hilferding enz.), voor wie de theoretische analyse slechts een geleerd commentaar van de passiviteit was. De voorzichtigheid is een rem en geen motor. Nog nooit heeft iemand steeds remmend reizen gemaakt, zoals ook nooit iemand iets groots verricht heeft met louter voorzichtigheid. Tegelijkertijd wisten de bolsjewieken echter heel goed dat een juiste berekening van de krachten voor de strijd nodig is; dat men voorzichtig moet zijn om stoutmoedig te mogen zijn.

In de resolutie van de zesde partijdag waarin gewaarschuwd werd voor ontijdige botsingen, werd in één adem hiermee erop gewezen dat men de strijd moest aanvaarden “zodra de nationale crisis en de diepgaande massabeweging gunstige voorwaarden geschapen zouden hebben voor een overgang van de armen in de stad en op het platteland naar de zijde van de arbeiders.” Het tempo van de revolutie maakte dat het niet om enkele tientallen jaren, ook niet om één jaar, maar om enkele maanden ging.

Terwijl de partijdag de propaganda onder de massa’s van de noodzakelijkheid om zich op de gewapende opstand voor te bereiden aan de orde stelde, besloot hij tegelijkertijd om de voornaamste slogan van de afgelopen periode, nl. overgang van de macht op de sovjets, op de tweede plaats te stellen. Het een vloeide uit het ander voort. Deze wisseling van slogans was door Lenin in zijn artikelen, brieven en persoonlijke gesprekken voorbereid.

De overgang van de macht op de sovjets betekende direct een overgang van de macht op de verzoeningsgezinden. Dit kon zich vreedzaam voltrekken, eenvoudig door een aftreden van de burgerlijke regering die zich slechts op de been hield door de goedgunstigheid van de verzoeningsgezinden en de rest van vertrouwen die zij nog bij de massa’s genoot. De heerschappij van de arbeiders en soldaten was na 27 februari een feit. De arbeiders en soldaten gaven zich echter niet voldoende rekenschap van dit feit. Zij vertrouwden de macht toe aan de verzoeningsgezinden die deze op hun beurt aan de bourgeoisie overgaven. De verwachting van de bolsjewieken dat de revolutie zich op vreedzame wijze zou ontwikkelen, was niet daarop gebaseerd dat de bourgeoisie vrijwillig de macht aan de arbeiders en soldaten zou afstaan, maar daarop dat de arbeiders en soldaten de verzoeningsgezinden tijdig zouden weten te beletten om de macht aan de bourgeoisie uit te leveren.

De concentratie van de macht in handen van de sovjets onder het bewind van de sovjetdemocratie zou de bolsjewieken volkomen in staat gesteld hebben om de meerderheid in de sovjets te verkrijgen en dientengevolge ook een regering op de grondslag van hun eigen programma te vormen. Een gewapende opstand was hiertoe niet nodig. De wisseling van de regeringspartijen zou zich ook op vreedzame wijze hebben kunnen voltrekken. Alle bemoeiingen van de partij waren van april tot juli erop gericht om te zorgen dat de revolutie door de sovjets zich op vreedzame wijze zou voltrekken. “Geduldig scholen” – dat was de kern van de bolsjewistische politiek.

De Julidagen brachten een radicale wijziging in de toestand teweeg. De macht ging van de sovjets over op de militaire klieken die zich met de kadetten en de gezantschappen verbonden en Kerenski slechts voorlopig als democratische dekmantel duldden. Indien het Uitvoerend Comité nu ertoe gekomen was om een besluit betreffende de overgang van de macht in zijn handen te nemen, zou het resultaat volkomen anders geweest zijn dan drie dagen geleden: waarschijnlijk zou een Kozakkenregiment tezamen met de krijgsscholen van de jonkers in het Taurisch paleis binnengerukt zijn en eenvoudig getracht hebben om de “machtsusurpators” te arresteren. De slogan “alle macht aan de sovjets” sloot van nu af aan in zich een gewapende opstand tegen de regering en de achter deze staande militaire klieken. Het zou echter evident onzinnig geweest zijn om een opstand te proclameren in naam van de macht van de sovjets die deze macht niet wilden.

Aan de andere kant was het van nu af aan twijfelachtig – velen meenden zelfs onwaarschijnlijk – of de bolsjewieken door vreedzame verkiezingen de meerderheid in deze machteloze sovjets zouden kunnen veroveren: doordat zij zich met het neerslaan van de arbeiders en boeren in juli gebonden hadden, zouden de mensjewieken en sociaal-revolutionairen natuurlijk ook in het vervolg alle gewelddaden tegen de bolsjewieken dekken. Terwijl zij verzoeningsgezind bleven, moesten de sovjets tot een slappe oppositie van de contrarevolutionaire regering worden en al spoedig de geest geven.

Er kon in deze omstandigheden geen sprake meer van een vreedzame overgang van de macht op de arbeidersklasse zijn. Dit betekende voor de bolsjewistische partij dat zij zich moest voorbereiden op de gewapende opstand. Onder welke slogan? Onder de openlijke slogan van een machtsgreep door de arbeidersklasse en de arme boeren. De revolutionaire taak moest volkomen openlijk gesteld worden. Men moest uit de dubbelzinnige sovjetvorm de klasseninhoud losmaken. Dit betekent geen prijsgeven van de sovjets als zodanig. Na de machtsverovering zal de arbeidersklasse de staat volgens het Sovjettype moeten organiseren. Dit zullen echter andere sovjets zijn, die een historische taak vervullen die lijnrecht tegenover de beschermingsfunctie van de verzoeningsgezinde sovjet staat.

“De slogan van de overgang van de macht op de sovjets,” schreef Lenin onder het eerste rumoer van de ophitsing en de laster, zou nu als een donquichotterie of een hoon klinken. Deze slogan zou objectief gezien een volksbedrog en een toegeven aan de illusie zijn, alsof het ook nu nog voldoende was dat de sovjets de overname van de macht wensten of dat deze zouden besluiten om de macht te behouden, alsof er in de sovjet nog partijen waren die zich niet met beulsdiensten bezoedeld hadden, alsof men het gebeurde ongedaan kon maken.

Moet men van de eis tot een overgang van de macht op de sovjets afzien? Deze gedachte was op het eerste moment verbluffend voor de partij, of liever gezegd voor haar propagandisten die in de loop van de voorafgaande drie maanden zo met deze populaire slogan samengegroeid waren dat deze voor hen nagenoeg de gehele inhoud van de revolutie vormde. Er begon een discussie in de partij. Vele vooraanstaande partijarbeiders, als Manoeilski, Joerenjev en anderen, trachtten aan te tonen dat de schrapping van de slogan “Alle macht aan de sovjets” het gevaar van een isolering van de arbeidersklasse van de boeren in zich sloot. Zij verwarden met dit bezwaar de klassen en de instellingen. Aanbidding van de organisatievorm is, hoe wonderlijk dit op het eerste gezicht ook lijkt, een veel voorkomende ziekte in revolutionaire kringen. “In zoverre wij in deze sovjets blijven,” schreef Trotski, “…zullen wij ernaar streven dat de sovjets die het verleden van de revolutie weerspiegelen zo sterk worden dat zij zich kunnen opwerken tot de toekomstige taak. Hoe belangrijk de rol van het lot van de sovjets ook is, deze blijven echter voor ons volkomen ondergeschikt aan de strijd van de arbeidersklasse en de half proletarische massa’s in de stad, het leger en het dorp om de politieke macht, om de revolutionaire heerschappij.”

De vraag welke massaorganisaties voor de partij het meest geschikt waren bij de leiding van de opstand was niet a-prioristisch en nog minder categorisch te beantwoorden. De fabriekscomités en vakverenigingen die reeds onder bolsjewistische leiding stonden alsook in sommige gevallen de sovjets, voor zover zij zich van het juk der verzoeningsgezinden bevrijd hadden, konden doelmatige organen voor de opstand worden. Zo zei Lenin tot Ordsjonikidse: “Wij moeten het zwaartepunt op de fabriekscomités leggen. De fabriekscomités moeten organen van de opstand worden.”

Nadat de massa’s in juli aanvankelijk met de sovjets als een passief tegenstander en later als een actief vijand in botsing gekomen waren, aanvaardden zij de verandering van leuzen grif. Lenin was altijd erop uit om met een treffende eenvoud uit te drukken wat aan de ene kant uit de objectieve omstandigheden voortvloeide en aan de andere kant de subjectieve ervaring van de massa’s vormde. Men moet niet aan de sovjets van Tsereteli de macht geven – dat voelden de radicale arbeiders en soldaten – maar wij moeten zelf de macht in handen nemen!

De Moskouse demonstratieve staking tegen de Landelijke Vergadering was niet alleen tegen de wil van de sovjet uitgebroken, maar ook de eis van de sovjetmacht werd daarbij niet gesteld. De massa’s hadden intussen reeds de les die zij van de gebeurtenissen gekregen hadden en Lenin hen nader verklaard had in zich opgenomen. Tegelijkertijd hadden de Moskouse bolsjewieken geen ogenblik geaarzeld om ten strijde te trekken zodra het gevaar ontstond dat de contrarevolutie zou kunnen pogen de verzoeningsgezinde sovjets te vernietigen. Bij de bolsjewistische politiek ging altijd revolutionaire onverzoenlijkheid gepaard met de grootst mogelijke soepelheid en het was juist deze verbinding die haar zo sterk maakte. De gebeurtenissen op het oorlogstoneel stelden spoedig de politiek van de partij sterk op de proef inzake haar internationalisme. Na de val van Riga werd het lot van Petrograd een levenskwestie voor de arbeiders en soldaten. In een vergadering van de fabriekscomités in het Smolny bracht de mensjewiek Masoerenko, een officier die kort geleden de ontwapening van de Petrogradse arbeiders geleid had, een rapport uit over het gevaar dat Petrograd bedreigde en stelde praktisch het vraagstuk van de verdediging aan de orde. “Waarover zouden jullie met ons kunnen onderhandelen,” riep een van de bolsjewistische sprekers, “…onze leiders zitten in de gevangenis, en jullie roepen ons op om te discussiëren over kwesties die de verdediging van de hoofdstad betreffen.” De proletariërs van de wijk Vyborg waren als industriearbeiders, als burgers van een burgerlijke republiek, geenszins van plan de verdediging van de revolutionaire hoofdstad te saboteren. Als bolsjewieken, als partijleden, wilden zij echter geen ogenblik de verantwoordelijkheid voor de oorlog tegenover het Russische volk en tegenover de volken van andere landen met de regeerders delen. Beducht dat de landsverdedigingsstemmingen zouden kunnen omslaan in een landsverdedigingspolitiek, schreef Lenin: “Wij zullen pas na de overgang van de macht op de arbeidersklasse landsverdedigers worden… Noch de inname van Riga, noch de inname van Petrograd zullen ons tot landsverdedigers maken. Tot die tijd zijn wij voor de proletarische revolutie, zijn wij tegen de oorlog, zijn wij geen landsverdedigers.”“De val van Riga,” schreef Trotski vanuit de gevangenis, “is een harde slag. Een val van Petrograd zou een ongeluk zijn, maar een loslaten van de internationale politiek van de Russische arbeidersklasse zou een ramp betekenen.” Spreekt hier een fanaticus of een dogmaticus? In dezelfde dagen, toen de bolsjewistische scherpschutters en matrozen bij Riga omkwamen, trok de regering troepen samen om de bolsjewieken neer te slaan en de opperbevelhebber bereidde zich voor op een oorlog tegen de regering. De bolsjewieken konden en wilden voor een dergelijke politiek, én aan het front, én in het achterland, én voor de verdediging, én voor de aanval in geen enkel opzicht de verantwoordelijkheid dragen. Indien zij anders gehandeld hadden, zouden zij geen bolsjewieken geweest zijn.

Kerenski en Kornilov waren twee soorten van een en hetzelfde gevaar. Deze beide soorten, de dreigende en de acute, stonden eind augustus echter vijandig tegenover elkaar. Men moest allereerst het acute gevaar afwenden om het later met het dreigende gevaar klaar te kunnen spelen. De bolsjewieken traden niet alleen in het verdedigingscomité, alhoewel zij daar gedoemd waren een kleine minderheid te vormen, maar zij verklaarden ook bereid te zijn tot het aangaan van een “militair-technisch bondgenootschap” zelfs met het directorium in de strijd tegen Kornilov. Soechanov schrijft hierover: “De bolsjewieken gaven blijk van een buitengewone tact en politiek inzicht… Terwijl zij bereid waren tot een – voor hen ongewoon – compromis, streefden zij echter bepaalde doeleinden na die hun bondgenoten niet doorzagen. Des te juister bleek hun inzicht in deze zaak te zijn.” Er was niets “ongewoons” voor het bolsjewisme aan deze politiek: integendeel, zij was volkomen in overeenstemming met het karakter van de partij. De bolsjewieken waren revolutionairen van de daad en niet van het gebaar, van de inhoud en niet van de vorm. Hun politiek werd door de werkelijke machtsgroepering en niet door sympathieën en antipathieën bepaald. Lenin, tegen wie door de sociaal-revolutionairen en mensjewieken opgehitst werd, schreef: “Het zou een reusachtige fout zijn te menen dat de revolutionaire arbeidersklasse in staat zou zijn om als het ware uit wraak tegen de sociaal-revolutionairen en mensjewieken voor hun hulp bij het neerslaan van de bolsjewieken, bij fusillades aan het front en ontwapeningen van de arbeiders, te weigeren hen tegen de contrarevolutie te ondersteunen.”

Een technische ondersteuning, maar geen politieke. Tegen een politieke ondersteuning waarschuwde Lenin krachtig in een brief aan het Centraal Comité: “Wij mogen zelfs nu Kerenski’s regering niet ondersteunen. Dit zou beginselloos zijn. Men zal vragen: moet men niet tegen Kornilov vechten? Zeer zeker moet men dit. Dit is echter niet hetzelfde, er is hier een zekere grens: verscheidene bolsjewieken overschrijden deze doordat zij in “verzoeningsgezindheid” vervallen en zich door de stroom van de gebeurtenissen laten meesleuren.”

Lenin kon schakeringen in de politieke stemmingen zelfs van verre onderscheiden. Op 29 augustus werd in de zitting van de stadsdoema te Kiev door een van de bolsjewistische leiders daar, Pjatakov, verklaard: “In dit beslissende uur moeten wij alle oude schulden vergeten… ons met alle revolutionaire partijen die bereid zijn tot een beslissende strijd tegen de contrarevolutie verenigen. Ik roep op tot eenheid.” Dit was nu juist de verkeerde politiek waartegen Lenin waarschuwde. “Oude schulden vergeten” betekende nieuwe kredieten aan de kandidaten van het bankroet openen. “Wij zullen vechten en wij vechten tegen Kornilov,” schreef Lenin, “maar wij ondersteunen Kerenski niet, we brengen zijn zwakte aan het licht. Dit is een groot verschil… Men moet onverbiddelijk vechten tegen frasen… van een ondersteuning van de Voorlopige Regering, enzovoorts, enzovoorts, juist omdat het frasen zijn.”

De arbeiders maakten zich geen illusies over het karakter van hun “bondgenootschap” met het Winterpaleis. “Terwijl de arbeidersklasse tegen Kornilov vecht, vecht het niet voor de dictatuur van Kerenski, maar voor de revolutionaire veroveringen,” aldus verklaarde de ene fabriek na de andere, in Petrograd, Moskou, in de provincie. Zonder ook maar in het minst politieke concessies aan de verzoeningsgezinden te doen, zonder te veranderen van organisatie of vlag, waren de bolsjewieken als altijd bereid hun optreden aan te passen aan de ene tegenstander en vijand, indien dit het mogelijk maakte om een andere op dat moment gevaarlijker vijand een slag toe te brengen.

De bolsjewieken joegen in de strijd tegen Kornilov hun “eigen doeleinden” na, en Soechanov zinspeelt er op dat zij zich in die tijd reeds tot taak gesteld hadden het verdedigingscomité tot een werktuig van de proletarische revolutie te maken. Het is niet te loochenen dat de revolutionaire comités in de dagen van Kornilov tot op zekere hoogte het voorbeeld werden van die organen die later de opstand van de arbeidersklasse leidden. Toch kent Soechanov de bolsjewieken een te vooruitziende blik toe indien hij meent dat zij deze betekenis van die organisaties toen reeds begrepen hadden. De “eigen doeleinden” van de bolsjewieken bestonden erin de contrarevolutie te verpletteren, zo mogelijk de verzoeningsgezinden van de kadetten te scheiden, zo groot mogelijke massa’s onder hun eigen leiding te verzamelen en een zo groot mogelijk aantal revolutionaire arbeiders te bewapenen. De bolsjewieken verheimelijkten deze doeleinden niet. De vervolgde partij redde de regering van de represailles en de laster; maar zij redde haar van een militaire vernietiging om haar des te zekerder politiek te verslaan.

De laatste dagen van augustus brachten wederom een sterke verschuiving in de machtsverhoudingen teweeg, ditmaal van rechts naar links. De tot de strijd opgeroepen massa’s herstelden gemakkelijk de toestand waarin de sovjets vóór de Julicrisis verkeerd hadden. Van nu af aan ligt het lot van de sovjets weer in hun eigen handen. De sovjets kunnen zonder strijd de macht grijpen. De verzoeningsgezinden behoeven daartoe slechts te bevestigen wat er in werkelijkheid reeds ontstaan was. Het is slechts de vraag of zij hiertoe bereid zullen zijn… in hun opwinding. De verzoeningsgezinden verklaren dat een coalitie met de kadetten niet meer mogelijk is. Indien dit zo is, dan is zij in het algemeen onmogelijk. Het afwijzen van een coalitie kan echter slechts een overgang van de macht op de verzoeningsgezinden betekenen.

Lenin begrijpt onmiddellijk de betekenis van de nieuwe situatie en trekt daaruit de nodige conclusies. Op 3 september schrijft hij een opzienbarend artikel “Over Compromissen.” De rol van de sovjets was opnieuw veranderd, naar hij constateert: begin juli waren zij strijdorganen tegen de arbeidersklasse, eind augustus werden zij strijdorganen tegen de bourgeoisie. De sovjets hebben opnieuw de beschikking over troepen gekregen. De geschiedenis maakt opnieuw een vreedzame ontwikkeling mogelijk. Dit was een ongewoon zeldzame en kostbare mogelijkheid: men moet trachten haar te benutten. Lenin laat zich terloops spottend uit over die praatjesmakers die elk compromis verwerpelijk achten: men moet “via alle compromissen, voor zover deze onvermijdelijk zijn,” de eigen taak en doeleinden verwezenlijken. “Een compromis van onze kant is,” zegt hij, “onze terugkeer tot de eisen van vóór de maand juli: Alle macht aan de sovjets, een uit sociaal-revolutionairen en mensjewieken bestaande regering die aan de sovjets verantwoordelijk is.” Nu, en nu alleen, misschien wel uiterlijk binnen enkele dagen of één tot twee weken, zou een dergelijke regering op volkomen vreedzame wijze gevormd en gevestigd kunnen worden. De korte termijn diende om te laten zien hoe gewichtig de situatie was: de verzoeningsgezinden hadden nog slechts enkele luttele dagen om hun keuze te maken tussen bourgeoisie en arbeidersklasse.

De verzoeningsgezinden haastten zich om het voorstel van Lenin als een sluwe valstrik van de hand te wijzen. In werkelijkheid was er niets sluws in het voorstel: ervan overtuigd dat zijn partij geroepen is om zich aan het hoofd van het volk te stellen, doet Lenin een eerlijke poging om de strijd te verzachten door de tegenstand van de vijanden te verzwakken met een verwijzing naar het onvermijdelijke.

De stoutmoedige zwenkingen van Lenin, die altijd uit de veranderingen in de situatie voortkomen en steeds de strategische taak dezelfde doen blijven, zijn een onvergelijkelijke leerschool voor revolutionaire krijgskunst. Het compromisvoorstel had de betekenis van een aanschouwelijk onderricht allereerst voor de partij zelf. Het liet zien dat er voor de verzoeningsgezinden ondanks de met Kornilov opgedane ervaring geen terugkeer op de revolutionaire weg meer mogelijk was. De bolsjewistische partij voelde zich van nu af aan definitief als de enige revolutionaire partij.

De verzoeningsgezinden weigerden om de rol te vervullen van een schakel die de macht uit handen van de bourgeoisie in handen van de arbeidersklasse overbrengt, zoals zij in maart de rol gespeeld hadden van een schakel die de macht uit handen van de arbeidersklasse in handen van de bourgeoisie overdroeg. Hierdoor alleen reeds kreeg de slogan “de macht aan de sovjets” opnieuw een holle klank. Doch niet voor lange tijd: in de volgende dagen reeds kregen de bolsjewieken de meerderheid in de Petrogradse sovjet en vervolgens in een aantal andere sovjets. De slogan: “De macht aan de sovjets,” werd zodoende niet voor de tweede maal van de agenda afgevoerd, maar kreeg een nieuwe betekenis: Alle macht aan de bolsjewistische sovjets. In deze vorm hield de slogan definitief op een slogan van vreedzame ontwikkeling te zijn. De partij sloeg de weg in van een gewapende opstand door de sovjets en in naam van de sovjets.

Om de verdere loop van de ontwikkeling goed te kunnen begrijpen, moet men de vraag stellen: hoe hadden de verzoeningsgezinde sovjets begin september de macht weer gekregen die zij in juli verloren hadden? Als een rode draad loopt door de resolutie van de zesde partijdag de bewering dat als resultaat van de Juligebeurtenissen de dubbele heerschappij geliquideerd en door de heerschappij van de bourgeoisie vervangen was. De nieuwste Sovjethistorici nemen deze opvatting gedachteloos over, zonder haar nog eens aan de latere gebeurtenissen te toetsen. Zij vragen zich niet eens af: wanneer in juli de macht volkomen in handen van een militaire kliek overgegaan was, waarom moet deze militaire kliek dan in augustus tot een opstand overgaan? Niet hij die de macht heeft, betreedt de riskante weg van een samenzwering, maar hij die de macht grijpen wil.

De formulering van de zesde partijdag was op zijn zachtst gezegd onnauwkeurig. Indien wij onder dubbele heerschappij dat bewind verstaan, waaronder in handen van de officiële regering eigenlijk slechts een fictieve macht, maar in handen van de sovjet de werkelijke macht was, dan mag men niet zeggen dat de dubbele heerschappij geliquideerd was op dat moment waarop een deel van de werkelijke macht van de sovjet op de bourgeoisie overging. Met het oog op de taak in de strijd van dat ogenblik kon en moest men de concentratie van de macht in handen van de contrarevolutie overschatten. Politiek is geen wiskunde. Het was praktisch oneindig veel gevaarlijker om de betekenis van de verandering die er plaats gegrepen had te onderschatten, dan deze te overschatten. Een historische analyse heeft echter propagandistische overdrijvingen niet nodig.

Stalin zei, de gedachte van Lenin eenvoudiger weergevend, op de partijdag: “De toestand is duidelijk. Niemand spreekt nu over dubbele heerschappij. Terwijl de sovjets vroeger een werkelijke macht gevormd hebben, zijn zij nu slechts organen tot aaneensluiting van de massa die over geen enkele macht te beschikken hebben.” Enkele afgevaardigden opponeerden door te zeggen, dat in juli de reactie getriomfeerd, maar niet de contrarevolutie gezegevierd had. Stalin antwoordde daarop met een wonderlijk aforisme: “Tijdens een revolutie is er geen reactie.” In werkelijkheid zegeviert de revolutie slechts door een aantal opeenvolgende reacties: zij doet steeds één stap terug, na twee stappen vooruit gedaan te hebben. De reactie staat tot de contrarevolutie als de hervorming tot de revolutie. Als overwinningen van de reactie zijn die veranderingen in het regime te beschouwen, die dit aan de behoeften van de contrarevolutionaire krachten aanpassen, zonder intussen een andere drager van de macht te brengen. Daarentegen is een overwinning van de contrarevolutie ondenkbaar zonder een overgang van de macht in handen van een andere klasse. Zo’n overgang had echter in juli niet plaats.

“Indien de Juliopstand een halve opstand was,” schrijft Boecharin enkele maanden later terecht, zonder dat hij in staat was de nodige gevolgtrekkingen uit zijn eigen woorden te maken, “dan was ook de overwinning van de contrarevolutie tot op zekere hoogte een halve overwinning.” De halve overwinning kon echter de bourgeoisie niet de macht verschaffen. De dubbele heerschappij was omgevormd en veranderd, maar niet verdwenen. Evenmin als vroeger kon men in de fabriek iets tegen de wil van de arbeiders ondernemen. De boeren hadden genoeg macht overgehouden om de grootgrondbezitters bij de uitoefening van hun eigendomsrechten te hinderen. De officieren voelden zich onzeker tegenover de soldaten. Wat is macht echter anders dan de materiële mogelijkheid om over de militairen en de eigendom te beschikken? Op 13 augustus schreef Trotski over de verschuivingen die er hadden plaatsgevonden: “Het gaat niet hierom dat naast de regering de sovjet stond die een hele reeks regeringsfuncties vervulde… Wezenlijk is dat er achter de sovjet en de regering twee verschillende regimes stonden die op verschillende klassen steunden… Het van bovenaf gevestigd regime van de kapitalistische republiek en het van onderop gegroeid regime van de arbeidersdemocratie legden elkaar lam.”

Er is geen twijfel mogelijk of het Centraal Uitvoerend Comité had zijn betekenis grotendeels verloren. Het zou echter verkeerd zijn te menen dat de bourgeoisie alles had gewonnen wat de verzoeningsgezinde leiders ingeboet hadden. De laatstgenoemden verloren niet alleen aan rechts, maar ook aan links, niet alleen ten voordele van de militaire klieken, maar ook ten voordele van de fabrieks- en regimentscomités. De macht werd meer gedecentraliseerd, verbrokkeld en verborg zich gedeeltelijk onder de grond, net zoals de wapens die de arbeiders na de Julinederlaag verborgen. De dubbele heerschappij hield op “vreedzaam”, “verbindend”, regulerend te zijn. Zij werd meer ondergronds, gedecentraliseerd, polair en explosief. Eind augustus werd de verborgen dubbele heerschappij weer actief. Wij zullen zien welke betekenis dit feit in oktober kreeg.

De vloed

Het sterk werkende middel van de laster bleek een tweesnijdend wapen te zijn. Indien de bolsjewieken Duitse spionnen zijn, waarom gaat deze bewering dan voornamelijk uit van mensen die het meest bij het volk gehaat zijn? Waarom beschuldigt juist de pers van de kadetten, die de arbeiders en soldaten bij iedere gelegenheid de meest minderwaardige motieven toeschrijft, de bolsjewieken het hardst en het meest kras? Waarom steekt de reactionaire ingenieur of meesterknecht die na de revolutie stil geworden was, nu plotseling het hoofd op en vloekt hij openlijk op de bolsjewieken? Waarom vatten de meest reactionaire officieren in de regimenten moed en dreigen zij, terwijl zij Lenin en de zijnen ontmaskeren, de soldaten met hun vuist alsof zij de verraders waren?

Elk bedrijf had zijn bolsjewieken. “Zie ik er als een Duits spion uit, zeg jongens?” vroeg de slotenmaker of draaier wiens doen en laten de arbeiders tot in de kleinste kleinigheden bekend was. Niet zelden gingen de verzoeningsgezinden in de strijd tegen de opmars van de contrarevolutie verder dan wat hun bedoeling was en baanden zij tegen hun zin de weg voor de bolsjewieken. De soldaat Pirejko vertelt hoe de officier van gezondheid Markovitsj, een aanhanger van Plechanov, in een meeting van soldaten de beschuldiging dat Lenin een spion was van de hand wees om met des te meer kracht zijn politieke inzichten als foutief en verderfelijk te bestrijden. Tevergeefs! “Als Lenin verstandig en geen spion of verrader is, en hij vrede wil sluiten, dan zullen wij met hem samengaan,” zeiden de soldaten na de vergadering.

Het tijdelijk in zijn groei belemmerde bolsjewisme begon zich weer zelfbewust te doen gelden. “De vergelding laat niet op zich wachten,” schreef Trotski midden augustus. “Gejaagd, vervolgd en belasterd is onze partij nog nooit zo snel gegroeid als in de laatste tijd. En dit proces zal onvermijdelijk van de hoofdstad op de provincie, van de steden op het platteland en het leger overslaan… Alle werkende massa’s in het land zullen in nieuwe beproevingen hun lot met het lot van onze partij leren verbinden.”

Petrograd liep zoals altijd voorop. Het leek alsof een almachtige bezem bezig was om in de bedrijven de invloed van de verzoeningsgezinden uit alle hoeken en gaten weg te vegen. “De laatste steunpilaren van de landsverdedigers vallen,” berichtte het bolsjewistische blad. “Hoe lang is het geleden dat de heren landsverdedigers heer en meester in het reusachtige bedrijf Oboechow waren?… en nu durven zij zich daar niet te vertonen.” Bij de verkiezingen voor de stadsdoema te Petrograd op 20 augustus werden ongeveer vijfhonderdvijftigduizend stemmen uitgebracht, veel minder dan bij de verkiezingen voor de districtsdoema’s in juli. De sociaal-revolutionairen verloren 375.000 stemmen maar waren nog altijd goed voor 200.000 stemmen of 37%. De kadetten haalden een vijfde van de stemmen. “Onze mensjewistische lijst leverde nauwelijks drieëntwintigduizend stemmen op,” schrijft Soechanov. Tot verbazing van iedereen kregen de bolsjewieken bijna tweehonderdduizend stemmen, d.i. ongeveer één derde van het totale aantal.

Het districtscongres van de vakverenigingen in de Oeral dat midden augustus plaats had en waar honderdvijftigduizend arbeiders aanwezig waren, nam in alle kwesties bolsjewistisch getinte besluiten. In Kiev werd op het congres van de fabriekscomités op 20 augustus de bolsjewistische resolutie met een meerderheid van 161 tegen 35 stemmen met 13 onthoudingen van stemming aangenomen. Bij de democratische verkiezingen voor de stadsdoema te Ivanovo-Voznesensk, die juist op het moment van de Kornilovopstand plaats hadden, wisten de bolsjewieken 58 van de 102 zetels te veroveren, de sociaal-revolutionairen 24, de mensjewieken 4. In Kronstadt wordt de bolsjewiek Brekman tot voorzitter van de sovjet gekozen, terwijl de bolsjewiek Pokrowski eerste burgemeester wordt. Hoewel lang niet overal even sterk en op vele plaatsen achteraankomend, groeit het bolsjewisme in de maand augustus toch nagenoeg in het gehele land.

De opstand van Kornilov geeft een stoot tot de radicalisering van de massa’s. Sloetzki herinnerde hierbij aan de woorden van Marx, volgens wie de revolutie soms door de contrarevolutie opgezweept moet worden. Het gevaar deed niet alleen de energie, maar ook het inzicht toenemen. De collectieve gedachte werkte onder hoogspanning. Er was geen gebrek aan materiaal om conclusies uit te trekken. De coalitie had men als noodzakelijk ter verdediging van de revolutie voorgesteld en nu stond intussen een coalitiegenoot aan de kant van de contrarevolutie. De vergadering te Moskou was geproclameerd tot een wapenschouw van de nationale eenheid en alleen het Centraal Comité van de bolsjewieken had gewaarschuwd: de vergadering… zal onvermijdelijk tot een orgaan van contrarevolutionaire samenzwering worden. De gebeurtenissen hadden deze voorspelling volkomen bevestigd. Ook Kerenski verklaarde nu: “De Moskouse vergadering… is het voorspel tot 27 augustus… Hier werden de krachten afgewogen… Hier werd voor het eerst aan Rusland zijn toekomstige dictator Kornilov voorgesteld…” Alsof Kerenski niet het initiatief tot deze vergadering genomen had, deze georganiseerd had en haar voorzitter geweest was, en alsof hij niet Kornilov als de “eerste soldaat van de revolutie” voorgesteld had. Alsof de Voorlopige Regering Kornilov niet de doodstraf tegen de soldaten gegeven had. En alsof de waarschuwingen van de bolsjewieken niet voor demagogie uitgemaakt waren.

Het garnizoen van Petrograd herinnerde zich verder dat twee dagen vóór de opstand van Kornilov de bolsjewieken in de bijeenkomst van de soldatensectie het vermoeden hadden uitgesproken dat de radicale regimenten met contrarevolutionaire bedoelingen uit de hoofdstad verwijderd waren. De vertegenwoordigers van de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen hadden dit beantwoord met de dreigende eis om over de bevelen van generaal Kornilov niet te discussiëren. Er was een resolutie in deze geest aangenomen. “De bolsjewieken hebben niets te veel gezegd!” moesten de partijloze arbeiders of soldaten nu wel bij zichzelf zeggen.

Indien de samenzwerende generaals, volgens de wel wat late beschuldiging van de verzoeningsgezinden zelf, niet alleen schuld aan de overgave van Riga maar ook aan de doorbraak in juli hebben, waarom heeft men dan opgehitst tegen de bolsjewieken en soldaten doodgeschoten? Indien de militaire provocateurs geprobeerd hebben de arbeiders en soldaten op 27 augustus de straat op te lokken, hebben zij dan wellicht ook een rol bij de bloedige botsingen op 4 juli gespeeld? Welke rol vervult Kerenski dan hierbij? Tegen wie heeft hij het derde cavaleriecorps opgeëist? Waarom heeft hij Savinkov tot gouverneur-generaal en Filonenko tot diens adjudant benoemd? Wie is toch die Filonenko die kandidaat voor het directorium is? Volkomen onverwacht klinkt het antwoord van de pantserdivisie dat Filonenko, die bij hen diende, soldaten de ergste vernederingen en smaad heeft doen ondergaan. Waar komt die obscure plannenmaker Savojko vandaan? Wat heeft dat uitgelezen stel oplichters in het algemeen met de regering te maken?

De feiten waren eenvoudig, duidelijk, levendig in de herinnering van velen, voor allen waarneembaar, niet te loochenen, verpletterend. De troepen van de “wilde” divisie, de losgeschroefde rails, de wederzijdse beschuldigingen tussen Winterpaleis en hoofdkwartier en de verklaringen van Savinko en Kerenski spraken voor zichzelf. Welk een sprekende akte van beschuldiging tegen de verzoeningsgezinden en hun bewind! De betekenis van de ophitsing tegen de bolsjewieken werd volkomen duidelijk: zij was een noodzakelijk element in de voorbereiding van de staatsgreep.

Een heftig gevoel van schaamte over zichzelf maakte zich meester van de arbeiders en soldaten van wie de ogen waren opengegaan. Dus houdt Lenin zich slechts daarom verborgen, omdat hij op smerige wijze belasterd werd? Dus zitten de overigen in de gevangenis ten genoegen van de kadetten, generaals, bankiers en diplomaten van de Entente? Dus jagen de bolsjewieken geen baantjes na en haat men hen van hogerhand juist daarom omdat zij zich niet willen aansluiten bij het zaakje dat men coalitie noemt! Dit was hetgeen arbeiders, eenvoudige mensen en onderdrukten begrepen. En uit deze stemmingen groeide, met het besef van schuld tegenover de bolsjewieken, trouw aan de partij en vertrouwen in haar leiders.

Tot op het allerlaatste ogenblik spanden de oude soldaten, de kaders van het leger, de artilleristen en onderofficieren al hun krachten in. Zij wilden geen streep halen door hun moeizame strijd, hun heldendaden en slachtoffers: zou dit alles dan werkelijk voor niets geweest zijn? Toen echter het laatste steunpunt verloren ging, maakten zij rechtsomkeer – linksom! – en richtten zich tot de bolsjewieken. Nu gingen zij volkomen de revolutie in, met hun onderofficierstressen, als beproefde oude soldaten en met de tanden op elkaar geklemd: zij hebben zich misrekend met de oorlog en daarom zullen zij ditmaal niet halverwege blijven staan.

In de rapporten van plaatselijke, zowel van militaire als van burgerlijke autoriteiten, wordt het bolsjewisme intussen synoniem voor elke massa-actie, voor besliste eisen, verzet tegen uitbuiting, voorwaarts gaan, kortom een ander woord voor revolutie. “Is dat dus bolsjewisme?” zeggen stakers, protesterende matrozen, ontevreden soldatenvrouwen en muitende boeren tot elkaar. De massa’s werden er van hogerhand formeel toe gedwongen om hun meest intieme gedachten en eisen met de bolsjewistische leuze te identificeren. Zo maakte de revolutie gebruik van het wapen dat tegen haar gericht was. In de geschiedenis wordt niet alleen “Vernunft” “Unsinn”, maar wordt ook, als de loop der gebeurtenissen dit meebrengt, “Unsinn” “Vernunft”.

De verandering in de politieke sfeer kwam zeer duidelijk tot uiting in de verenigde vergadering van de Uitvoerende Comités op 30 augustus, toen de afgevaardigden van Kronstadt de eis stelden dat hen een plaats in deze hoge instelling toegekend zou worden. Is dit mogelijk? Zullen hier, waar de banvloek over de tomeloze Kronstadtse matrozen uitgesproken werd, in het vervolg vertegenwoordigers van deze zelfde matrozen zitting hebben? Hoe kan men het echter weigeren? Gisteren nog waren de Kronstadtse matrozen en soldaten gekomen om Petrograd te verdedigen. Matrozen van de “Aurora” doen wachtdienst in het Winterpaleis. De leiders boden, nadat zij een tijdje onder elkaar gepraat hadden, vier zetels met raadgevende stem aan de Kronstadtse matrozen aan. Deze toezegging werd koel ontvangen, zonder uitbundige dankbetuigingen. “Na de opstand van Kornilov,” vertelt Tsjilenov, een soldaat van het Moskouse garnizoen, “werden alle troepen reeds min of meer bolsjewistisch getint… Iedereen verbaasde zich erover hoe de woorden (van de bolsjewieken) dat generaal Kornilov spoedig voor de muren van Petrograd zou staan, uitgekomen waren.” Mitrevitsj, een soldaat uit een pantserdivisie, herinnert zich de heldhaftige verhalen die na de overwinning over de opstandige generaals de ronde deden. “Er werd over niets anders gesproken dan over moed en heldendaden. Ja met zo’n moed zou men de hele wereld kunnen verslaan. Bij het horen hiervan leefden de bolsjewieken op.”

Antonov-Owssejenko, die in de dagen van Kornilov uit de gevangenis ontslagen was, reisde direct naar Helsingfors. Er had een reusachtige verandering in de massa’s plaats. Op het districtscongres van de sovjets in Finland waren de rechtse sociaal-revolutionairen in kleine getale vertegenwoordigd en de bolsjewieken hadden, verbonden met de linkse sociaal-revolutionairen, de leiding. Tot voorzitter van het districtscomité van de sovjets werd Smilga gekozen, die ondanks zijn zeer jeugdige leeftijd lid van het Centraal Comité was, sterk naar links overhelde en in de Aprildagen reeds de Voorlopige Regering eens flink had willen aanpakken. Tot voorzitter van de sovjet van Helsingfors, die op het garnizoen en de Russische arbeiders steunde, werd de bolsjewiek Scheimann, de latere directeur van de staatsbank, een voorzichtig en bureaucratisch iemand, die toen echter geen gelijke tred hield met de andere leiders, gekozen. De Voorlopige Regering had aan de Finnen verboden om de door haar ontbonden Sejm bijeen te roepen. Het districtscomité stelde aan de Sejm voor om bijeen te komen en nam op zich deze te beschermen. Het comité weigerde het bevel van de Voorlopige Regering om verschillende troepenafdelingen uit Finland weg te voeren ten uitvoer te brengen. In werkelijkheid hadden de bolsjewieken in Finland de sovjetdictatuur gevestigd.

Begin september schrijft de bolsjewistische krant: “Er komen uit een aantal Russische steden berichten dat de afdelingen van onze partij in de laatste tijd sterk gegroeid zijn. Van nog grotere betekenis is echter onze toenemende invloed in de meest brede democratische arbeiders- en soldatenmassa’s.” “Zelfs in die bedrijven waar men ons eerst niet wilde aanhoren,” schrijft de bolsjewiek Averin uit Jekaterinoslav, “waren in de dagen van de korniloviade de arbeiders op onze hand.”“Toen er geruchten gingen dat Kaledin Kozakken tegen Tsarizyn en Saratov mobiliseerde,” schrijft Antonov, een van de leiders van de Saratovse bolsjewieken, “en toen deze geruchten bevestigd werden en door de opstand van Kornilov waren komen vast te staan, maakte de massa zich in enkele dagen los van haar vroegere vooroordelen.”

Het bolsjewistische blad te Kiev schrijft op 19 september: “Bij de verkiezingen van vertegenwoordigers van het arsenaal voor de nieuwe sovjet zijn twaalf kameraden gekozen, allemaal bolsjewieken. Geen enkele kandidaat van de mensjewieken is gekozen. Hetzelfde ziet men in een aantal andere fabrieken.” Dergelijke mededelingen treft men van nu af aan dagelijks in de kolommen van de arbeiderspers aan; vijandelijke kranten trachten tevergeefs om de groei van het bolsjewisme te verzwijgen of te verkleinen. De massa’s die zich weer oprichten, willen als het ware de tijd die door hun vroegere aarzelingen, stagnaties en tijdelijke terugtochten verloren gegaan is, weer inhalen. Een algemeen, bestendig en onophoudelijk opkomen van de branding begint.

Het lid van het Centraal Comité van de bolsjewieken, Varvara Jakovljeva, die ons in juli en augustus het een en ander over de buitengewone verzwakking van de bolsjewieken in het gehele district Moskou meedeelde, meldt nu een grote verandering. “In de tweede helft van september,” zo rapporteert zij op het congres, “bereisden leden van het districtsbureau het district… Zij kregen allen dezelfde indruk, namelijk dat zich overal, in alle gouvernementen, een intensief bolsjewiseringsproces onder de massa’s voltrok. En allemaal legden ze er de nadruk op dat men in de dorpen naar de bolsjewieken verlangde…” Waar de partijafdelingen na de Julidagen in verval waren, leven zij nu weer op en groeien snel. In districten waar de bolsjewieken niet toegelaten worden, ontstaan nu spontaan bolsjewistische cellen. Zelfs in de achterlijke gouvernementen Tambov en Rjazan, deze sociaal-revolutionaire en mensjewistische burchten, waar de bolsjewieken zich vroeger bij hun rondreizen niet lieten zien, omdat de toestand volkomen hopeloos voor hen was, heeft nu een ware omwenteling plaats: de bolsjewistische invloed wordt met de dag sterker en de organisaties van de verzoeningsgezinden raken in verval.

De redevoeringen van de afgevaardigden op het bolsjewistisch congres van het district Moskou, één maand na de opstand van Kornilov en één maand vóór de opstand van de bolsjewieken, ademen vertrouwen en moed. In Nisnji-Novgorod ontwaakt de partij na twee maanden van neerslachtigheid weer tot nieuw leven. De sociaal-revolutionaire arbeiders gaan met honderden naar de bolsjewieken over. In Tver ontplooit de grote activiteit van de partij zich pas na de Kornilovdagen. De verzoeningsgezinden hebben geen succes, men wil hen niet langer aanhoren en jaagt hen weg. In het gouvernement Vladimir is de positie van de bolsjewieken zo sterk geworden dat er op het gouvernementscongres van de sovjets slechts vijf mensjewieken en drie sociaal-revolutionairen te ontdekken zijn. In Ivanovo-Voznesensk, het Russische Manchester, moeten de bolsjewieken die daar heer en meester zijn al het werk in de sovjet, de Doema en de Zemstvo doen.

De afdelingen van de partij groeien, maar nog veel sneller groeit hun aantrekkingskracht. De wanverhouding tussen de technische hulpbronnen van de bolsjewieken en hun eigenlijke politieke betekenis komt tot uitdrukking in het betrekkelijk klein aantal partijleden bij een reusachtige toename van de invloed van de partij. De gebeurtenissen sleuren de massa’s zo snel en onverbiddelijk mee dat de arbeiders en soldaten geen tijd hebben om zich in een partij te organiseren. Zij hebben zelfs geen tijd om de noodzakelijkheid van een aparte partijorganisatie in te zien. Zij nemen de bolsjewistische leuzen even natuurlijk in zich op als zij de lucht inademen. Zij begrijpen nog niet dat de partij een gecompliceerd laboratorium is waar de leuzen door collectieve ervaring uitgewerkt worden. Meer dan twintig miljoen mensen staan achter de sovjets. De partij die zelfs aan de vooravond van de Oktoberrevolutie niet meer dan 240.000 leden in haar gelederen telt, geeft door de vakverenigingen, fabriekscomités en sovjets steeds zekerder leiding aan miljoenen.

In het totaal ontwrichte onmetelijke land met zijn onuitputtelijke verscheidenheid van plaatselijke omstandigheden en politieke niveaus hebben dag in dag uit allerlei verkiezingen plaats: voor Doema’s, Zemstvo’s, sovjets, vakverenigingen, fabrieks-, leger- of landcomités en door al deze verkiezingen loopt als een rode draad één en hetzelfde feit: de groei van de bolsjewieken. De verkiezingen voor de Moskouse wijkdoema’s hebben door de grote verandering in de stemming onder de massa’s een buitengewone verbazing in het land teweeggebracht. De “grote” partij van de sociaal-revolutionairen behield eind september slechts 54.000 stemmen van de 375.000 stemmen die zij in juni verkreeg. De mensjewieken daalden van 76.000 op 16.000. De kadetten behielden 101.000 stemmen, zij verloren er slechts ongeveer 8.000. Daarentegen stegen de bolsjewieken van 75.000 naar 198.000. Terwijl de sociaal-revolutionairen in juli ongeveer 58% van de stemmen hadden weten te verkrijgen, wisten de bolsjewieken in september 52% achter zicht te krijgen. Het garnizoen stemde voor 90%, in enkele troepenafdelingen voor meer dan 95%, voor de bolsjewieken: in de werkplaatsen van de zware artillerie verkregen de bolsjewieken 2.286 van de 2.347 stemmen. Het grote aantal niet-kiezers was hoofdzakelijk te vinden onder dat kleinere volk in de stad dat zich in de roes van de eerste illusies bij de verzoeningsgezinden had aangesloten om spoedig weer tot volkomen passiviteit te vervallen. De mensjewieken smolten volkomen weg. De sociaal-revolutionairen kregen half zoveel stemmen als de kadetten, de kadetten half zoveel als de bolsjewieken. De septemberstemmen van de bolsjewieken waren in een verbitterde strijd op alle andere partijen veroverd. Het waren stemmen waarop men rekenen kon. Men kon op hen bouwen. Het weggespoeld worden van de tussengroepen, de vrij grote weerstandskracht van de burgerlijke en de reusachtige groei van de gehate en vervolgde proletarische partij – dit alles waren onmiskenbaar symptomen van een revolutionaire crisis. “Ja, de bolsjewieken werkten ijverig en gestaag,” schrijft Soechanov, die zelf tot de verslagen mensjewistische partij behoorde, “zij waren bij de massa’s aan de werkbanken, dagelijks, geregeld… zij behoorden tot hen, omdat zij steeds present waren – zowel in kleine, alsook in grote aangelegenheden het leven en in de kazernes leidden… De massa leefde en ademde samen met de bolsjewieken. Zij was in handen van de partij van Lenin en Trotski.”

De politieke kaart van het front was opvallend bont gekleurd. Er waren regimenten en divisies die nog nooit een bolsjewiek gehoord of gezien hadden. Velen van hen waren oprecht verbaasd wanneer men hen zelf van bolsjewisme beschuldigde. Aan de andere kant ontmoette men troepenafdelingen die hun eigen anarchistische gevoelens met een vleugje Zwarte Honderdschap voor het zuiverste bolsjewisme hielden. De stemmingen aan het front gingen in één richting. Er waren echter dikwijls tegenstromingen, draaikolken en veel modder in de grootse politieke stroom waarvan de bedding gevormd werd door de loopgraven.

In september doorbraken de bolsjewieken het cordon en wisten toegang te krijgen tot het front, waarvan zij twee maanden vrijwel volkomen afgesneden waren. Het verbod was ook nu niet officieel opgeheven. De verzoeningsgezinde comités stelden alles in het werk om te beletten dat de bolsjewieken in hun troepenafdelingen binnendrongen, maar alle pogingen hiertoe waren vergeefs. De soldaten hadden zoveel van hun eigen bolsjewisme gehoord dat zij er allemaal naar snakten om eens een echte bolsjewiek in levende lijve te zien en te horen. Formele belemmeringen en uitstel veroorzaakt door de leiders van de comités werden op aandrang van de soldaten overwonnen zodra zij maar van de aankomst van een bolsjewiek hoorden. De oude revolutionaire, Jevgenja Bosch, die in de Oekraïne mooi werk verricht had, liet levendige herinneringen aan haar moedige excursies in het nog onbetreden soldatenwoud achter. De angstige waarschuwingen van ware en vermeende vrienden werden telkens weer gelogenstraft. Bij een divisie die men als bitter vijandig tegenover de bolsjewieken omschreven had, overtuigde de spreekster die zeer voorzichtig te werk ging zich er al heel spoedig van dat de toehoorders op haar hand waren. “Geen spuwen, gehoest, genies, wat altijd de eerste symptomen van vermoeidheid bij een soldatengehoor zijn, neen – een volkomen stilte en rust.” De vergadering eindigde met een enthousiaste huldiging van de moedige propagandiste. De gehele reis van Jevgenja Bosch langs het front was als het ware een grote triomftocht. Minder heroïsch, minder effectvol, maar in wezen ging het ook zo bij de propagandisten van kleiner formaat.

Nieuwe of op een nieuwe manier overtuigende gedachten, leuzen en opvattingen drongen binnen in het eentonig leven in de loopgraven. Miljoenen soldatenhoofden verwerkten de gebeurtenissen, maakten gevolgtrekkingen uit de politieke ervaringen die men opdeed, …  “Beste arbeiders en soldaten, kameraden,” schrijft een frontsoldaat aan de redactie van een dagblad, “vermijdt toch die boze letter K die de hele wereld aan de bloedige slachtpartij heeft overgeleverd. Zo hebben wij bijvoorbeeld de opperste moordenaar Koljka (Nicolaas II), Kerenski, Kornilov, Kaledin en overal is de letter K. De Kozakken zijn gevaarlijke lieden voor ons… Sidor Nicolaja.” Men behoeft hierin geen bijgeloof te zien, het is slechts een soort politieke memotechniek.

De uit het hoofdkwartier georganiseerde opstand moest de soldaten wel tot in hun diepste vezels schokken. Er waren zoveel inspanningen gedaan en offers gebracht om de krijgstucht te herstellen, maar deze raakte terug in verval. De oorlogscommissaris van het Westelijk front, Sjdanov, meldt: “De stemming is in het algemeen zenuwachtig… wantrouwend tegenover de officieren en argwanend: het niet opvolgen van bevelen wordt gemotiveerd met het argument dat het bevelen van Kornilov zijn die men niet mag uitvoeren.” In dezelfde zin schrijft Stankevitsj, die Filonenko op zijn post van hoogste commissaris was opgevolgd: “De soldatenmassa… voelde zich aan alle kanten door verraad omringd… Wie hen dit uit het hoofd trachtte te praten – werd eveneens voor een verrader aangezien.”

De mislukking van het avontuur van Kornilov betekende voor de kaderofficieren een ineenstorting van hun laatste verwachtingen. De zelfverzekerdheid van de legerleiding was ook voordien niet al te schitterend geweest. Wij hebben einde augustus de militaire samenzweerders in Petrograd gezien: dronken, snoevend, willoos. Nu voelde de officierenstand zich volkomen uitgestoten en verdoemd. “Deze haat, deze ophitsing,” schrijft een van hen, “het tot volkomen nietsdoen gedoemd zijn en de eeuwige spanning of men gearresteerd zou worden of smadelijk de dood zou vinden, dreef de officieren naar restaurants, rendez-vouskamers, hotels, … De officieren gingen onder in deze dronkemansroes.” In tegenstelling hiermee leefden de soldaten en matrozen nuchterder dan ooit: zij waren vol nieuwe hoop.

“De bolsjewieken,” schrijft Stankevitsj, “staken het hoofd op en voelden zich heer en meester in het leger… De lagere comités begonnen in bolsjewistische cellen te veranderen. Alle verkiezingen in het leger lieten een verbazende toename van bolsjewistische stemmen zien. Men dient hierbij in het oog te houden dat het beste en meest stramme leger niet alleen van het Noordelijk front maar misschien wel van het gehele Russische front, namelijk het vijfde, het eerst een bolsjewistisch legercomité gehad heeft.”

Nog krasser, duidelijker en levendiger voltrok het bolsjewiseringsproces zich op de vloot. De Baltische matrozen hesen op 8 september op alle schepen de oorlogsvlag om uitdrukking te geven aan hun bereidwilligheid om te strijden voor de overgang van de macht in handen van de arbeidersklasse en van de boeren. De vloot eiste een onmiddellijke wapenstilstand aan alle fronten, overgave van de grond aan de boerencomités en vestiging van een arbeiderscontrole over de productie. Drie dagen later nam het centraal comité van de meer achterlijke en gematigde Zwarte Zeevloot, om de Balten te ondersteunen, de slogan aan van een overgang van de macht op de sovjets. Voor dezelfde slogan verheffen midden september drieëntwintig Siberische en Letlandse infanterieregimenten van het 12de leger hun stem. Steeds nieuwe troepen volgen hen. De eis van de macht aan de sovjets verdwijnt in het leger en op de vloot niet meer van het toneel.

“De matrozenvergaderingen,” vertelt Stankevitsj, “bestonden voor negentienden uit bolsjewieken.” De nieuwe commissaris bij het hoofdkwartier moest in Reval de Voorlopige Regering tegenover de matrozen verdedigen. Na slechts enkele woorden gesproken te hebben, zag hij reeds dat zijn pogingen vergeefs waren. Reeds bij het woord “regering” betoonde de zaal zich vijandig: “Golven van verontwaardiging, van haat en wantrouwen maakten zich van de gehele menigte meester. Dit was treffend, machtig, hartstochtelijk, onweerstaanbaar en smolt samen in de ene kreet: Weg met hem!” Men moet deze verteller erkentelijk en dankbaar zijn dat hij ertoe kwam om de schoonheid van de aanval van de hem bitter vijandige massa’s te beschrijven.

Het vraagstuk van de vrede dat voor twee maanden in de illegaliteit gejaagd was, komt met verdubbelde kracht weer naar voren. In de bijeenkomst van de sovjet van Petrograd verklaarde de van het front aangekomen officier Doebassow: “Wat je hier ook zeggen mag, de soldaten zullen geen oorlog meer voeren.” Men onderbreekt hem: “Dat zeggen de bolsjewieken niet eens!”… Maar de officier die geen bolsjewiek was, antwoordde slagvaardig: “Ik vermeld slechts wat ik weet en wat de soldaten mij opgedragen hebben te zeggen.” Een andere man van het front, een sombere soldaat wiens jas stonk van het vuil van de loopgraven, verklaarde in diezelfde Septemberdagen voor de sovjet van Petrograd dat de soldaten vrede wilden, welke ook, en zelfs “een schunnige.” Deze ruwe soldatenwoorden deden de sovjet huiveren. Zo ver is het dus al gekomen! De soldaten aan het front waren geen kleine kinderen. Zij begrepen zeer goed dat vrede in deze oorlogssituatie slechts een gewelddadige vrede kon zijn. Om dit inzicht nader toe te lichten, koos de afgevaardigde uit de loopgraven het grofste woord om zijn afkeer voor de Hohenzollernse vrede zo krachtig mogelijk uit te drukken. Door deze sprekende kwalificatie dwong de soldaat echter juist zijn hoorders tot het inzicht dat er geen andere uitweg was, dat de oorlog het leger geestelijk volkomen uitgeput had, dat de vrede terstond en tot elke prijs noodzakelijk was. De woorden van de spreker uit de loopgraven werden met leedvermaak door de burgerlijke pers aangegrepen en de bolsjewieken aangewreven. Het gezegde van de schunnige vrede raakte nu niet meer van de baan als de meest krasse uitdrukking van de verwildering en verdorvenheid van het volk!

De verzoeningsgezinden waren er in de regel geenszins toe geneigd om, zoals de politieke dilettant Stankevitsj, de pracht van de vloed te bewonderen die hen van het revolutionaire toneel dreigde weg te spoelen. Met verbazing en schrik overtuigden zij er zich dagelijks van dat zij geen weerstandskracht hadden. Eigenlijk was er vanaf het eerste begin van de revolutie onder het vertrouwen van de massa’s in de verzoeningsgezinden een misverstand verborgen dat historisch onvermijdelijk maar niet van lange duur was: er waren slechts enkele maanden nodig om het op te helderen. De verzoeningsgezinden zagen zich genoodzaakt met de arbeiders en soldaten een geheel andere taal te spreken dan in het Uitvoerend Comité en vooral in het Winterpaleis. Verantwoordelijke leiders van de sociaal-revolutionairen en mensjewieken durfden in de volgende weken steeds minder in het openbaar op te treden. Tweede- en derderangspropagandisten pasten zich met behulp van vage woorden bij het radicalisme van het volk aan of werden werkelijk door de stemmingen in de bedrijven, mijnen en kazernes aangestoken, spraken de taal ervan en maakten zich los van hun eigen partij.

De matroos Chowrin deelt in zijn memoires mee hoe de matrozen die zich tot de sociaal-revolutionairen rekenden in werkelijkheid voor de bolsjewistische politiek vochten. Dit kon men overal en langs alle kanten waarnemen. Het volk wist wat het wilde, maar het wist dit niet te formuleren. Het “misverstand” dat in de Februarirevolutie vervat was, had een massaal karakter, vooral op het platteland waar het langer bleef bestaan dan in de stad. Praktische ervaring kon slechts orde in de chaos brengen. Grote en kleine gebeurtenissen lieten de massapartijen geen ogenblik tot rust komen en brachten hun aanhang in overeenstemming met hun politiek, maar niet met hun slogans.

Een merkwaardig voorbeeld van de verwarring tussen de verzoeningsgezinden en de massa’s vormt een eed die begin juli door tweeduizend mijnwerkers uit het Donetzbekken knielend en met ongedekte hoofden, in aanwezigheid en onder deelname van een menigte van vijfduizend personen, afgelegd werd. “Wij zweren bij onze kinderen, bij God, hemel en aarde en alles wat heilig is hier op aarde, dat wij nooit de op 28 februari 1917 bloedig veroverde vrijheid zullen prijs geven; vertrouwend op de sociaal-revolutionairen en mensjewieken zweren wij nooit te zullen luisteren naar de leninisten, omdat zij, de bolsjewieken-leninisten, met hun propaganda Rusland naar de ondergang drijven, terwijl de sociaal-revolutionairen en mensjewieken in één bondgenootschap verenigd zeggen dat de grond zonder enige schadeloosstelling aan het volk moet komen, dat het kapitalistisch systeem na de oorlog moet ineenstorten en dat in plaats van het kapitalisme het socialistisch stelsel moet komen… Wij zweren deze partijen te volgen, zonder terug te deinzen voor de dood.” Deze tegen de bolsjewieken gerichte eed van de mijnwerkers leidde in werkelijkheid direct tot de bolsjewistische revolutie. Het Februariomhulsel en de Oktoberkern komen in deze naïeve en hartstochtelijke geloofsbekentenis zo duidelijk aan het licht dat het probleem van de permanente revolutie er eigenlijk reeds in vervat is.

Reeds in september keerden de Donetzmijnwerkers, zonder zichzelf of hun eed ontrouw te worden, de verzoeningsgezinden de rug toe. Ook de meest achterlijke groepen onder de mijnwerkers in de Oeral deden hetzelfde. Een lid van het Uitvoerend Comité, de sociaal-revolutionair Osjegov, een vertegenwoordiger van de Oeral, bezocht in het begin van augustus zijn bedrijf te Ischewski. “Ik was hoogst verbaasd,” schrijft hij in zijn droevig gestemd rapport, “over de grote veranderingen die er tijdens mijn afwezigheid hadden plaatsgevonden: die partijafdeling van de sociaal-revolutionairen die zowel wat haar aantal leden (achtduizend personen) betreft alsook met het oog op haar werk in het gehele Oeraldistrict bekend was… bleek volkomen in verval en tot vijfhonderd man geslonken te zijn tengevolge van onverantwoordelijke propaganda.”

Het rapport van Osjegov bracht het Uitvoerend Comité niets nieuws: hetzelfde kon men ook in Petrograd waarnemen. Terwijl de sociaal-revolutionairen zich na de nederlaag in juli tijdelijk in de bedrijven hersteld en hier en daar zelfs hun invloed getoond hadden, verdwijnen zij in het vervolg des te sneller van het toneel. “De regering van Kerenski heeft indertijd weliswaar de overwinning behaald,” schreef later de sociaal-revolutionair W. Sensinov, “de bolsjewistische betogers werden uit elkaar gedreven en de leiders van de bolsjewieken werden gevangen genomen, maar het was een pyrrusoverwinning.” Dit is volkomen juist: evenals de koning van Epirus moesten de verzoeningsgezinden hun overwinning met hun leger betalen. “Terwijl de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen vóór 3 tot 5 juli dikwijls voor de arbeiders optraden zonder uitgefloten te worden,” schrijft de Petrogradse arbeider Skorinko, “waren zij daar nu niet meer zeker van…” Zekerheid was er in het algemeen niet meer voor hen.

De sociaal-revolutionaire partij verloor niet alleen aan invloed maar veranderde ook in samenstelling. De revolutionaire arbeiders waren of reeds tot de bolsjewieken overgegaan, of ze maakten voor hun aftocht een innerlijke crisis door. Daarentegen waren de zonen van kooplieden, koelakken en lagere ambtenaren die zich tijdens de oorlog in de fabrieken verborgen hadden voor de loopgraven, langzamerhand tot de overtuiging gekomen dat er juist in de sociaal-revolutionaire partij plaats voor hen was. In september durfden ook zij zich echter reeds geen sociaal-revolutionair meer noemen, toch niet in Petrograd. De arbeiders, soldaten en in sommige gouvernementen ook de boeren verlieten de partij, terwijl de conservatieve ambtenaren en kleinburgers bleven.

Toen de door de revolutie ontwaakte massa’s hun vertrouwen nog aan de sociaal-revolutionairen en mensjewieken schonken, werden beide partijen niet moe om het volk voor zijn inzicht te prijzen. Toen dezelfde massa’s, na de leerschool van de gebeurtenissen doorlopen te hebben, zich radicaal tot de bolsjewieken wendden, schreven de verzoeningsgezinden hun mislukking aan de onkunde van het volk toe. De massa’s konden echter niet geloven dat zij dommer geworden waren. Integendeel, het leek hen toe dat zij nu pas begrepen wat zij vroeger niet begrepen hadden.

Terwijl zij verbleekte en verslapte, had er bovendien nog een scheuring in de sociaal-revolutionaire partij plaats waarbij de leden zich in verschillende elkaar bestrijdende partijen splitsten. In de regimenten en dorpen bleven die sociaal-revolutionairen die zich samen met de bolsjewieken, en in de regel onder leiding van dezen, tegen de slagen van de regerings-sociaal-revolutionairen verzetten. De toespitsing van de strijd van de diverse vleugels deed een tussengroep ontstaan. Onder leiding van Tsjernov trachtte deze de eenheid tussen de vervolgers en de vervolgden te herstellen. Maar ze stond hinderlijk in de weg, raakte verward in vertwijfelde, meermaals belachelijke tegenstellingen en dit compromitteerde de partij nog meer. Om voor een grote massa te kunnen spreken, moesten de sociaal-revolutionaire sprekers zich telkens voor ‘linksen’ en internationalisten uitgeven en dus voor mensen die niets gemeen hadden met de kliek van sociaal-revolutionairen van maart. Na de Julidagen gingen de linkse sociaal-revolutionairen over tot een openlijke oppositie en aanvaardden ze, zonder formeel met hun partij te breken, de bolsjewistische argumenten en slogans, zij het met enige vertraging. Op 21 september verklaarde Trotski in een bijeenkomst van de sovjet van Petrograd, niet zonder pedagogische overwegingen, dat het voor de bolsjewieken “steeds gemakkelijker werd om met de linkse sociaal-revolutionairen tot overeenstemming te komen.” Eindelijk scheidden zij zich als een zelfstandige partij af om een van de meest wonderlijke bijdragen in het boek van de revolutie te leveren. Dit was een laatste opleving van de zelfgenoegzame radicale intellectuelen en enkele maanden na de Oktoberrevolutie was er nog slechts een hoopje as van over.

Ook de mensjewieken ondergingen het differentiatieproces in sterke mate. De Petrogradse organisatie van de mensjewieken stond in scherpe oppositie tot het Centraal Comité. De kern die door Tsereteli geleid werd, smolt nog sneller weg dan de sociaal-revolutionairen omdat zij niet over boerenreserves kon beschikken. De sociaaldemocratische tussengroepen die zich bij geen enkele van de beide voornaamste partijen aangesloten hadden, probeerden nog altijd de bolsjewieken met de mensjewieken te verenigen: zij hoopten nog de laatste illusies van maart te verwezenlijken, toen zelfs Stalin een eenheid met Tsereteli gewenst en gehoopt had dat “men de kleine meningsverschillen binnen de partij zou uitvechten.” Om en bij 20 augustus had de vereniging van de mensjewieken met de verenigers zelf plaats. De rechtervleugel had veruit het overwicht op de verenigingspartijdag en Tsereteli’s resolutie voor de oorlog en voor een coalitie met de bourgeoisie werd met 117 tegen 79 stemmen aangenomen. Tsereteli’s overwinning in de partij versnelde de nederlaag van de partij in de arbeidersklasse. De uiterst kleine Petrogradse organisatie van de mensjewistische arbeiders stond achter Martov. Ze dreef hem vooruit, geprikkeld door zijn besluiteloosheid en op het punt staande om over te gaan naar de bolsjewieken. Tegen midden september stapte de organisatie te Vassiljostov bijna voltallig over naar de bolsjewistische partij. Dit versnelde het gistingsproces in de andere districten en in de provincie. De leiders van verschillende mensjewistische stromingen beschuldigden er elkaar in onderlinge bijeenkomsten heftig van dat ze de partij vernielden. Het blad van Gorki, dat dichtbij de linkervleugel van de mensjewieken stond, berichtte eind september dat de Petrogradse partijorganisatie die kort voordien nog ongeveer tienduizend leden telde “feitelijk opgehouden had te bestaan. De laatste stedelijke conferentie kon wegens gebrek aan aanwezigen niet doorgaan.”

Plechanov viel de mensjewieken van rechts aan: “Zonder het te willen en zonder er zich bewust van te zijn, bereidden Tsereteli en zijn vrienden de weg voor Lenin.” De politieke houding van Tsereteli tijdens de septembervloed vindt men voortreffelijk omschreven in de memoires van de kadet Nabokov: “Het was vooral angst voor de groeiende macht van het bolsjewisme die zijn toenmalige stemming kenmerkte. Ik herinner mij hoe hij in een onderhoud, dat ik met hem onder vier ogen had, sprak over de mogelijkheid van een machtsgreep door de bolsjewieken. “Ja,” zei hij, “zij zullen stellig niet langer dan twee, drie weken aan de macht blijven, maar bedenk eens welke verwoestingen het gevolg zullen zijn… Dit moet tot elke prijs voorkomen worden.” Een panische angst klonk in zijn stem.” Tsereteli doorleefde vóór de Oktoberrevolutie dezelfde stemmingen die Nabokov reeds in de Februaridagen gekend had.

Het toneel waar de bolsjewieken samen met de sociaal-revolutionairen en mensjewieken werkten, hoezeer er tegelijk ook voortdurende onderlinge strijd was, waren de sovjets. De veranderingen in de machtsverhouding van de sovjetpartijen kwamen, hoewel niet onmiddellijk maar met onvermijdelijke vertragingen en opzettelijk veroorzaakt uitstel, tot uitdrukking in de samenstelling van de sovjets en in de openbare functies van deze.

Veel provinciale sovjets, zoals in Ivanovo-Voznesensk, Loegansk, Tsaritsyn, Chersom, Tomsk, Vladivostok, waren reeds voor de Julidagen, zoniet formeel dan toch feitelijk, zoniet blijvend dan toch tijdelijk, regeringsorganen. De sovjet van Krassnojarsk voerde op eigen gezag een kaartsysteem voor gebruiksvoorwerpen in. De verzoeningsgezinde sovjet in Saratov zag zich genoodzaakt om zich in economische conflicten te mengen, tot arrestaties van ondernemers over te gaan, de tramweg aan de Belgen te ontnemen, een arbeiderscontrole in te stellen, en in de stilgelegde bedrijven de productie te organiseren. In de Oeral, waar het bolsjewisme sinds 1905 een dominerende politieke invloed had, oefenden de sovjets zelf rechtspraak over burgers uit en voltrokken straffen, vormden in verschillende bedrijven een eigen militie, betaalden deze uit de fabriekskas, organiseerden een arbeiderscontrole die het bedrijf van grondstoffen en brandstof voorzag, controleerden de omzet van de producten en stelden de tarieven vast. In sommige districten van de Oeral ontnamen de sovjets de grond aan de grootgrondbezitters ten behoeve van bouwwerken voor openbare doeleinden. In de mijnen van Simks organiseerden de sovjets een bedrijfsleiding voor het district waaraan de gehele administratie: kas, boekhouding en aanvaarding van opdrachten, werd opgedragen. Hiermee was de nationalisatie van het mijndistrict Simsk in hoofdzaak een feit geworden. “Reeds in de maand juli,” schrijft B. Elzin, aan wie wij deze mededelingen ontlenen, “hadden in de mijnen van de Oeral de bolsjewieken niet alleen alles in handen, maar gaven zij reeds aanschouwelijk onderricht in politieke, agrarische en economische aangelegenheden.” De lessen waren primitief, niet systematisch, zonder theoretische basis, maar zij gaven in vele opzichten reeds de later te volgen richting aan.

De Juliverandering had veel intensiever in de sovjets dan in de partij of in de vakverenigingen plaats, want de strijd was in die dagen allereerst een strijd om het bestaan van de sovjets. De partij en de vakverenigingen behouden hun betekenis zowel in rustige tijden als in tijden van felle reactie; de doeleinden en methoden veranderen, maar de eigenlijke functies niet. De sovjets daarentegen kunnen slechts in een revolutionaire situatie bestaan en verdwijnen met deze. Terwijl zij de meerderheid van de arbeidersklasse in zich verenigen, plaatsen zij deze onmiddellijk voor een taak die uitgaat boven alle lokale, groeps- en vakbelangen, boven herstel-, verbeterings- en hervormingsprogramma’s in het algemeen, d.w.z. voor de taak van een machtsgreep. De slogan “Alle macht aan de sovjets” leek echter met de Julidemonstratie van de arbeiders en soldaten vernietigd. De nederlaag die de positie van de bolsjewieken in de sovjets verzwakt had, had nog oneindig veel meer de positie van de sovjets in de staat verzwakt. De “regering tot redding van de staat” betekende een herleving van de onafhankelijkheid van de bureaucratie. Het prijsgeven door de sovjets van de macht betekende een zich buigen voor de commissarissen, een ziek zijn en een wegkwijnen.

De verminderde betekenis van het Centraal Uitvoerend Comité kwam scherp tot uiting in het feit dat de regering van de verzoeningsgezinden eiste om het Taurisch paleis te ontruimen, daar dit met het oog op de aanstaande Constituerende Vergadering herstellingen moest ondergaan. Aan de sovjets werd in de tweede helft van juli het gebouw van het Smolny-instituut toegewezen, waar vroeger de dochters uit de hoge adel opgevoed waren. De burgerlijke pers schreef nu over de overdracht van het huis van de “blanke duifjes” aan de sovjets in vrijwel dezelfde termen als vroeger over de bezetting van het Ksjessinskaja-paleis door de bolsjewieken. Er werd nu op het terrein van het woningvraagstuk van alle kanten een aanval ingezet tegen verschillende revolutionaire organisaties, waaronder ook vakverenigingen, die in beslag genomen gebouwen betrokken hadden. Het ging om niets meer of minder dan om de arbeidersrevolutie uit de door haar ten koste van de bourgeoisie in bezit genomen overmatig grote woonruimten te verdrijven. De verontwaardiging in de pers van de kadetten over de vandalistische schending door het volk van de rechten van de private en de staatseigendom was grenzeloos. Eind juli werd echter een ontstellend feit door de typografen bekendgemaakt: de om het beruchte comité van de Rijksdoema gegroepeerde partijen hebben zich, naar nu blijkt, reeds lang geleden de buitengewoon rijke staatsdrukkerij, de expeditie van deze en haar recht op verzending van boeken toegeëigend. Propagandabrochures van de kadettenpartij worden niet alleen kosteloos gedrukt, maar ook bij pakken en wel bij voorrang en zonder betaling van port door het gehele land verzonden. Het Uitvoerend Comité dat zich voor de noodzakelijkheid geplaatst zag om een onderzoek naar de beschuldiging te doen, moest deze als gegrond erkennen. De kadettenpartij vond echter een nieuwe reden tot verontwaardiging: hoe kon men ook maar één ogenblik bezettingen van staatsgebouwen voor destructieve doeleinden op één lijn stellen met het gebruik van staatseigendom met het doel om hogere waarden te beschermen? Anders gezegd: al bestalen deze heren de staat een beetje, dan deden zij dit in zijn eigen belang. Dit argument overtuigde echter niet iedereen. De bouwvakarbeiders meenden dat zij meer recht op een onderdak voor een vakvereniging hadden dan de kadetten op de staatsdrukkerij. Het meningsverschil was niet toevallig: het leidde tot de tweede revolutie. De kadetten konden niets anders doen dan zich verbijten.

Een van de instructeurs van het Uitvoerend Comité, die in de tweede helft van augustus de sovjets van Zuid-Rusland bezocht, waar de bolsjewieken veel zwakker waren dan in het noorden, berichtte over zijn weinig verheugende waarnemingen: “De politieke stemming verandert merkbaar… Onder de leiders van de massa’s neemt de revolutionaire stemming die door de wijziging in de politiek van de Voorlopige Regering teweeggebracht is toe… Onder de massa’s zelf is moeheid en onverschilligheid voor de revolutie te bespeuren. De stemming tegenover de sovjets is veel koeler geworden… De functies van de sovjets worden geleidelijk opgeheven…” Dat de massa’s het gescharrel van de democratische bemiddelaars moe geworden waren, is niet voor bestrijding vatbaar. Zij waren echter niet koeler geworden tegenover de revolutie, maar tegen de sociaal-revolutionairen en de mensjewieken. De toestand werd vooral daar onverdraaglijk waar de macht, in strijd met alle programma’s, in handen van de verzoeningsgezinde sovjets was: gebonden door de definitieve capitulatie van het Uitvoerend Comité durfden zij hun macht niet gebruiken en compromitteerden ze de sovjets bij de massa’s. Een groot deel van het dagelijks werk ging bovendien van de sovjets op de democratische gemeenteraden over. Een nog groter deel op de vakverenigingen en de fabriekscomités. De vraag of de sovjets zouden blijven bestaan, werd steeds moeilijker te beantwoorden. En wat staat hun morgen te wachten?

In de eerste maanden van hun bestaan hadden de sovjets, die alle andere organisaties sterk overvleugelden, de opbouw van de vakverenigingen, fabriekscomités en clubs, alsook de leiding van het werk van deze op zich genomen. Maar intussen kwamen de arbeidersorganisaties die reeds op eigen benen konden staan steeds meer onder bolsjewistische leiding. “De fabriekscomités,” schreef Trotski in augustus, “ontstaan niet op spontane meetings. De massa wijst bij de samenstelling ervan diegenen aan die in het dagelijkse leven van de fabriek hun standvastigheid, zakelijkheid en trouw aan de zaak van de arbeiders bewezen hebben. En deze fabriekscomités … bestaan in overgrote meerderheid uit bolsjewieken.” Er kon geen sprake meer zijn van een bevoogding van de fabriekscomités en vakverenigingen door de verzoeningsgezinde sovjets. Integendeel, er ontstond hier een terrein van verbitterde strijd. De sovjets waren in kwesties die de massa het diepst laakten steeds minder in staat zich tegen de vakverenigingen en fabriekscomités te verzetten. Zo hadden de Moskouse vakverenigingen tegen het besluit van de sovjets in de algemene staking doorgevoerd. In minder krasse vorm hadden dergelijke conflicten overal plaats en in de regel waren het niet de sovjets die er als overwinnaars uit kwamen.

Door hun eigen politiek in een slop geraakt, moesten de verzoeningsgezinden wel bijkomstige functies voor de sovjets “bedenken”, deze tot cultuurdragers maken en eigenlijk wat verstrooiing voor hen zoeken. Tevergeefs: de sovjets waren geschapen voor de strijd om de macht. Voor andere doeleinden bestonden er andere, meer geschikte organisaties. “Het werk dat geheel in mensjewistisch-sociaal-revolutionair spoor kwam,” schrijft de Saratovse bolsjewiek Antonov, “verloor elke betekenis… In de vergadering van het Uitvoerend Comité geeuwden wij tot in het onbehoorlijke van verveling: de revolutionair-mensjewistische woordenkraam was nietszeggend en hol.”

De wegkwijnende sovjets waren steeds minder in staat een steun voor hun centrum te Petrograd te zijn. De correspondentie tussen het Smolny en de provincie hield geleidelijk op: er was niets te schrijven, niets voor te stellen, er bleven geen vooruitzichten en geen taak meer. Het isolement van de massa’s bleek buitengewoon pijnlijk in de vorm van een geldcrisis. De verzoeningsgezinde sovjets in de provincie hadden zelf geen geldmiddelen en konden hun staf in het Smolny niet steunen. Linkse sovjets weigerden ostentatief financiële hulp aan het Uitvoerend Comité dat zich door zijn deelname aan het werk van de contrarevolutie in hun ogen bezoedeld had.

Het kwijningsproces van de sovjets werd echter door andere, gedeeltelijk tegenovergestelde, processen doorkruist. De verafgelegen randgebieden, achterlijke districten en verste uithoeken ontwaakten en schiepen hun sovjets die aanvankelijk een spontane revolutionaire kracht ontwikkelden zolang zij niet onder de verderfelijke invloed van het centrum geraakten of aan represaillemaatregelen van de kant van de regering kwamen bloot te staan. Het totale aantal van de sovjets steeg snel. Eind augustus telde het secretariaat van het Uitvoerend Comité ongeveer zeshonderd sovjets, waarachter 23 miljoen kiezers stonden. Het officiële sovjetstelsel verhief zich boven de mensenoceaan die machtig deinde en zijn golven naar links stuwde.

De politieke wederopstanding van de sovjets die samenviel met hun bolsjewisering, begon van onderop. In Petrograd verhieven het eerst de wijken hun stem. Op 21 juli bood een delegatie van de conferentie van de gezamenlijke wijksovjets een lijst met eisen aan het Uitvoerend Comité aan: ontbinding van de Rijksdoema, handhaving van de onschendbaarheid der legerorganisaties bij regeringsdecreet, herstel van de linkse pers, stopzetting van de ontwapening van arbeiders, staking van de massa-arrestaties, beteugeling van de rechtse pers, stopzetting van de ontbinding van de regimenten en van het toepassen van de doodstraf aan het front. De politieke eisen waren opmerkelijk beperkt vergeleken met de Julidemonstratie; maar dit was slechts een eerste stap op de weg naar genezing. Terwijl de wijken hun slogans beperkten, poogden zij hun basis te verbreden. De leiders van het Uitvoerend Comité begroetten op diplomatieke manier de “fijngevoeligheid” van de wijksovjets, maar lieten het bij een verklaring dat alle kwaad het gevolg van de Juliopstand was. De partijen gingen beleefd maar koel uit elkaar.

Het programma van de wijksovjets vormt het begin van een machtige campagne. In de “Izvestia” worden dagelijks resoluties van sovjets, vakverenigingen, bedrijven, oorlogsschepen en troepenafdelingen afgedrukt, waarin geëist wordt dat de Rijksdoema ontbonden wordt, de represaillemaatregelen tegen de bolsjewieken gestaakt worden en er een einde komt aan de toegeeflijke houding tegenover de contrarevolutie. Ook radicalere geluiden werden gehoord. Op 22 juli nam de Moskouse gouvernements-sovjet, die de Moskouse sovjet zelf veruit overvleugeld had, een resolutie aan voor de overgang van de macht op de sovjets. Op 26 juli “laakt” de sovjet van Ivanovo-Voznesensk “met verachting” de bestrijding van de bolsjewistische partij en begroet Lenin, “de roemruchte leider van de revolutionaire arbeidersklasse.”

Nieuwe verkiezingen die einde juli en in de eerste helft van augustus op vele plaatsen in het land gehouden werden, hadden in de regel een versterking van de bolsjewistische fracties in de sovjets tengevolge. In het verslagen en in heel Rusland bekend geworden Kronstadt telde de nieuwe sovjet 100 bolsjewieken, 75 linkse sociaal-revolutionairen, 12 mensjewieken-internationalisten, 7 anarchisten en meer dan 90 partijlozen van wie niemand openlijk zijn sympathieën voor de verzoeningsgezinden durfde verkondigen. Op het districtscongres van de sovjets in de Oeral, dat op 18 augustus geopend was, waren er 86 bolsjewieken, 40 sociaal-revolutionairen en 23 mensjewieken. Een voorwerp van bittere haat in de burgerlijke pers wordt Tsaritsyn, waar niet alleen de sovjet bolsjewistisch werd, maar bovendien een plaatselijk leider van de bolsjewieken, Minfin, tot eerste burgemeester gekozen werd. Tegen Tsaritsyn, dat de Hetman van de Don Kaledin een doorn in het oog was, werd door Kerenski zonder dat er gegronde redenen daarvoor bestonden een strafexpeditie gezonden met als enig doel om het revolutionaire broeinest uit te roeien. In Petrograd, Moskou en alle industriedistricten gaan telkens meer handen omhoog voor de bolsjewistische voorstellen.

Eind augustus werden de sovjets op de proef gesteld. De interne reorganisatie voltrok zich onder het dreigend gevaar zienderogen, snel, algemeen en met betrekkelijk weinig conflicten. Zowel in de provincie als in Petrograd gingen de bolsjewieken, de stiefkinderen van het officiële Sovjetstelsel, de eerste plaats innemen. Maar ook in de verzoeningsgezinde partijen worden de “socialisten van maart”, de politici van de wachtkamers van de ministers en ambtenaren door meer strijdlustige en in de illegaliteit gestaalde elementen tijdelijk verdrongen. De nieuwe machtsgroepering eiste een nieuwe organisatievorm. De leiding van de revolutionaire verdediging lag nergens in handen van de Uitvoerende Comités: deze waren in de vorm waarin de opstand ze aantrof weinig geschikt als strijdorganisatie. Overal werden afzonderlijke verdedigingscomités, revolutiecomités en staven gevormd. Zij steunden op de sovjets, legden rekenschap af aan deze, maar brachten een nieuwe selectie onder de mensen en nieuwe strijdmethoden teweeg die meer in overeenstemming met het revolutionair karakter van de taak waren.

De Moskouse sovjet vormde, net als in de dagen van de Landelijke Vergadering, een comité van zes dat uitsluitend het recht had om over de gewapende krachten te beschikken en tot arrestaties over te gaan. Het eind augustus te Kiev geopend districtscongres gaf de plaatselijke sovjets de raad om niet voor een afzetten van de gehate vertegenwoordigers van de regering, zowel de militaire als de burgerlijke, terug te deinzen en maatregelen voor een onmiddellijke arrestatie van contrarevolutionairen en voor een bewapening van de arbeiders te treffen. In Wjatka matigde het sovjetcomité zich bijzondere bevoegdheden aan, waaronder ook de beschikking over de militaire krachten. In Tsaritsyn ging de gehele regering op de sovjet over. In Nisnji Nowgorod plaatste het revolutiecomité eigen wachtposten in het post- en telegraafkantoor. De sovjet van Krassnojarsk nam de gehele burgerlijke en militaire macht in handen.

Behoudens enkele soms belangrijke afwijkingen zag men vrijwel overal hetzelfde. En het betrof hier geenszins slechts een nabootsing van Petrograd: het massale karakter van de sovjets gaf een buitengewone wetmatigheid aan hun innerlijke ontwikkeling en maakte dat zij allemaal op dezelfde wijze op de belangrijkste gebeurtenissen reageerden. Terwijl het front van de burgeroorlog de beide helften van de coalitie scheidde, verzamelden de sovjets werkelijk alle levende krachten van het volk om zich heen. De aanval van de generaals stuitte op deze muur af en viel uiteen. Men had geen betere les kunnen krijgen. “Ondanks alle pogingen van de regering om de sovjets te verdringen en machteloos te maken,” zegt een desbetreffende verklaring van de bolsjewieken, “lieten de sovjets de grote betekenis… van de macht en het initiatief van de volksmassa’s in de tijd van de onderdrukking van de opstand van Kornilov zien… Na deze nieuwe beproeving die de arbeiders, soldaten en boeren niet meer uit het geheugen zal gaan, werd de slogan – “Alle macht aan de sovjets” – die in het begin van de revolutie door onze partij aangeheven was, de roep van het gehele revolutionaire land.”

De stadsdoema’s die gepoogd hadden om met de sovjets te concurreren, verloren aan betekenis en hielden zich in de dagen van gevaar muisstil. De Doema van Petrograd zond een delegatie naar de sovjets met het nederig verzoek “om nadere inlichtingen over de toestand te krijgen en een verbinding tot stand te brengen.” Men kon menen dat de sovjets die door een deel van de bevolking van de stad gekozen waren minder invloed en macht moesten hebben dan de Doema’s die door de gehele bevolking gekozen waren. De dialectiek van het revolutionaire proces liet echter zien dat onder bepaalde historische omstandigheden een deel belangrijker kan zijn dan het geheel. Net zoals in de regering gingen ook in de Doema de verzoeningsgezinden een bondgenootschap aan met de kadetten tegen de bolsjewieken en dit bondgenootschap verlamde zowel de Doema als de regering. Daarentegen bleek de sovjet de natuurlijke vorm voor een gemeenschappelijke afweeractie van de verzoeningsgezinden en bolsjewieken tegen de aanval van de bourgeoisie te zijn.

Na de Kornilovdagen begon er een nieuw hoofdstuk voor de sovjets. Alhoewel de verzoeningsgezinden, vooral in het garnizoen, nog genoeg goede posities overgehouden hadden, ging de sovjet van Petrograd zo radicaal in bolsjewistische richting dat beide partijen, zowel de rechtse als de linkse, er verbluft van waren. In de nacht van 1 september hield de sovjet, nog altijd onder voorzitterschap van Tsjcheïdse, een stemming over de macht van de arbeiders en boeren. De eenvoudige leden van de verzoeningsgezinde fracties ondersteunden vrijwel zonder uitzondering de bolsjewistische resolutie. Het concurrerende voorstel van Tsereteli kreeg ongeveer 15 stemmen. Het verzoeningsgezinde presidium geloofde niet wat men zag. Van rechts verlangde men een persoonlijke stemming die tot 3 uur in de nacht voortduurde. Vele afgevaardigden gingen weg om niet openlijk tegen hun eigen partij te moeten stemmen. En toch kreeg de bolsjewistische resolutie ondanks alle tegenstand bij de eindstemming 279 tegen 115 stemmen. Dit was een belangrijk feit. Het was het begin van het einde. Het verblufte presidium legde zijn functies neer.

Op 2 september nam de verenigde vergadering van Russische Sovjetorganen in Finland met 700 tegen 13 stemmen en 36 onthoudingen een resolutie voor de Sovjetmacht aan. Op 5 september sloeg de sovjet van Moskou de weg van Petrograd in: met 355 tegen 254 stemmen sprak hij niet alleen zijn wantrouwen uit tegen de Voorlopige Regering als een werktuig van de contrarevolutie, maar veroordeelde ook de coalitiepolitiek van het Uitvoerend Comité. Het presidium, waarvan Chintsjoek voorzitter was, trad af. Het Sovjetcongres van Midden-Siberië, dat op 5 september te Krassnojarsk geopend werd, staat in het teken van het bolsjewisme. Op 8 september wordt in de sovjet van arbeidersafgevaardigden te Kiev met 130 tegen 66 stemmen een bolsjewistische resolutie aangenomen, alhoewel de bolsjewistische fractie officieel slechts 95 leden telt. Op het Sovjetcongres van Finland dat op 10 september geopend werd, zijn 125.000 matrozen, soldaten en Russische arbeiders vertegenwoordigd door 69 bolsjewieken, 48 sociaal-revolutionairen en enkele partijlozen. De sovjet van boerenafgevaardigden van het gouvernement Petrograd koos tot afgevaardigde naar de Democratische Vergadering de bolsjewiek Sergejew. Wederom bleek dat daar waar de partij erin slaagde om via de arbeiders en soldaten direct contact te krijgen met het dorp, de boeren zich graag achter de partij stelden.

Het overwicht van de bolsjewistische partij in de sovjet van Petrograd komt op dramatische wijze tot uiting in de historische zitting van 9 september: alle fracties trommelden ijverig hun leden bijeen: “het gaat om het lot van de sovjet.” Ongeveer duizend arbeiders- en soldatenafgevaardigden kwamen bijeen. Was de stemming van 1 september een toevallige gebeurtenis als gevolg van de toevallige samenstelling van de vergadering of is zij het symptoom van een algehele wijziging in de sovjetpolitiek? – Dat was de vraag. Uit angst om geen meerderheid bijeen te krijgen tegen het presidium, waarin alle verzoeningsgezinde leiders: Tsjcheïdse, Tsereteli, Tsjernov, Goz, Dan en Skobeljev zaten, stelde de bolsjewistische fractie voor om een evenredig aantal leden in het presidium te kiezen. Dit voorstel dat op zekere hoogte het principiële karakter van het scherpe conflict verdoezelde en daarom op hartstochtelijke wijze door Lenin bestreden werd, had dit tactische voordeel dat het een steun gaf aan de aarzelende elementen. Tsereteli wees dit compromis echter van de hand. Het presidium wilde weten of de sovjet werkelijk van richting veranderd was: “Wij kunnen onmogelijk de bolsjewistische tactiek volgen.” In het ontwerp van resolutie van rechts werd gezegd dat de stemming van 1 september in strijd was met de politiek van de sovjet die vertrouwen in zijn presidium bleef stellen. Er bleef voor de bolsjewieken niets anders over dan de uitdaging aan te nemen en zij deden dit bereidwillig. Trotski, die voor het eerst na zijn bevrijding uit de gevangenis in de sovjet verscheen en door een groot deel van de aanwezigen enthousiast ontvangen werd (beide partijen maten bij zichzelf de bijval af: is het een meerderheid of niet?), verlangde een nadere verklaring voordat men tot stemming overging: is Kerenski nog lid van het presidium? Na een ogenblik geaarzeld te hebben, gaf het presidium, dat toch niet zonder zonden was, een bevestigend antwoord en bond zich daarmee zelf een blok aan het been. De tegenstander wilde niets liever. “Wij waren er vast van overtuigd,” verklaarde Trotski, “…dat Kerenski geen lid van het presidium was. Wij hebben ons klaarblijkelijk vergist. Nu zit tussen Dan en Tsjcheïdse de schim van Kerenski… Indien men u voorstelt om de politiek van het presidium goed te keuren, vergeet dan niet dat men u dan tevens voorstelt om de politiek van Kerenski goed te keuren.” De zitting verliep in een buitengewone spanning. De orde werd slechts bewaard doordat iedereen erop uit was om het niet tot een uitbarsting te laten komen. Iedereen wilde zo snel mogelijk tot een telling van vrienden en tegenstanders overgaan. Allen wisten dat het om het vraagstuk van de regering en van de oorlog, om het lot van de revolutie ging. Men besloot te stemmen door de ene groep de zaal te laten verlaten. Wie voor het aftreden van het presidium stemde, moest de zaal verlaten. Het was gemakkelijker voor de minderheid dan voor de meerderheid om de zaal te verlaten. Een heftige agitatie begint in alle hoeken van de zaal, maar niet luidkeels. Het oude presidium of een nieuw? Coalitie of sovjetmacht? Velen begeven zich naar de deur, al te veel naar het oordeel van het presidium. De bolsjewistische leiders meenden dat zij ongeveer honderd stemmen tekort zouden komen om de meerderheid te hebben: “Ook dit zou al mooi zijn,” troostten zij elkaar bij voorbaat. Arbeiders en soldaten begeven zich onophoudelijk naar de deur. Wegstervend stemmengedruis, korte woordenwisselingen. Aan de ene kant hoort men zeggen: “korniloviaan”, aan de andere kant: “Julihelden”. De stemming duurt bijna een uur. De onzichtbare weegschaal slaat nu eens naar de ene dan weer naar de andere kant over. Het presidium, dat zijn opwinding nauwelijks meester is, blijft de gehele tijd op het podium. Eindelijk staat het resultaat van de stemming vast en wordt dit bekend gemaakt: 414 stemmen voor het presidium en de coalitie, 519 ertegen, 67 onthoudingen! De nieuwe meerderheid applaudisseert heftig, geestdriftig, razend. Zij heeft ook het recht daartoe: de overwinning is niet gemakkelijk bevochten. De weg is voor een groot deel afgelegd.

De onttroonde leiders dalen, nog voordat zij zich van de slag kunnen herstellen, met lange gezichten van het podium. Tsereteli kan het niet laten dreigend te voorspellen: “Wij verlaten deze tribune,” schreeuwt hij voortschrijdend de zaal in, “in het bewustzijn dat wij een half jaar lang de vlag van de revolutie hooggehouden en in ere gehouden hebben. De vlag is nu in uw handen overgegaan. Wij kunnen slechts de wens uitspreken dat jullie haar minstens de helft van die tijd mogen houden!” Tsereteli vergiste zich zowel over tijdsduur als over al de rest.

De sovjet van Petrograd, die de stamvader van alle overige sovjets was, stond van nu af aan onder leiding van de bolsjewieken die gisteren nog een “onbetekenend troepje demagogen” waren. Trotski herinnerde er vanaf de voorzitterszetel aan dat de beschuldiging tegen de bolsjewieken dat zij in dienst van de Duitse staf stonden nog altijd niet herroepen was. “Laat de Miljoekovs en Goetsjkovs hun leven eens dag na dag vertellen. Zij zullen dit niet doen, maar wij zijn bereid elke dag rekenschap af te leggen van onze daden, wij hebben niets te verbergen voor het Russische volk…” De sovjet van Petrograd nam bij buitengewoon besluit een verklaring aan waarin de auteurs, verspreiders en handlangers van de laster met verachting aan de kaak gesteld werden.

De bolsjewieken aanvaardden de erfenis. Zij bleek reusachtig en tevens bedroevend te zijn. Het Centraal Uitvoerend Comité beroofde tijdig de sovjet van Petrograd van de beide door hem gestichte kranten, van alle bestuursafdelingen, van alle financiële en technische middelen, tot zelfs de schrijfmachines en inktpotten toe. De talrijke automobielen die sedert de Februaridagen ter beschikking van de sovjet gesteld waren, werden allemaal zonder uitzondering aan de verzoeningsgezinde goden toegewezen. De nieuwe leiders hadden geen geldmiddelen, geen blad, geen bureaugerief, geen verkeersmiddelen, geen pennenhouders en geen potloden. Niets dan kale muren en het vlammende vertrouwen van de arbeiders en soldaten. Dit bleek absoluut voldoende te zijn.

Na de principiële verandering in de Sovjetpolitiek begonnen de verzoeningsgezinden nog sneller weg te smelten. Op 11 september, toen Dan tegenover de sovjet van Petrograd de coalitie verdedigde en Trotski voor de macht van de sovjets sprak, werd de coalitie met algemene stemmen op tien na en met zeven onthoudingen afgewezen! Dezelfde dag veroordeelde de sovjet van Moskou eenstemmig de represaillemaatregelen tegen de bolsjewieken. De verzoeningsgezinden zagen zich spoedig in een even smalle sector rechts teruggedrongen als de bolsjewieken in het begin van de revolutie links ingenomen hadden. Maar wat een verschil! De bolsjewieken waren altijd sterker onder de massa’s dan in de sovjets. De verzoeningsgezinden daarentegen namen nog altijd een belangrijker plaats in de sovjets dan onder de massa’s in. De bolsjewieken hadden in hun tijd van zwakte een toekomst voor zich. De verzoeningsgezinden bleef slechts hun verleden, een verleden waar ze niet trots op konden zijn.

Tegelijk met de wijziging in koers veranderde de sovjet van Petrograd ook uiterlijk. De verzoeningsgezinde leiders lieten zich in het geheel niet meer zien doordat zij zich in het Uitvoerend Comité begroeven; zij werden in de sovjet door tweede- en derderangskrachten vervangen. Samen met Tsereteli, Tsjernov, Avksentjev en Skobeljev verdwenen ook de vrienden en vereerders van de democratische ministers, radicale officieren en dames, half socialistische schrijvers, ontwikkelde en bekende mensen van het toneel. De sovjet werd homogener, grauwer, somberder, ernstiger.