De samenzwering van Kerenski

De vergadering in Moskou had de toestand van de regering enkel maar slechter gemaakt. Dat kwam omdat zij, zoals Miljoekov terecht opmerkte, liet zien dat het land verdeeld was in twee partijen waartussen uiteraard geen verzoening en overeenstemming mogelijk was.

De vergadering deed het zelfbewustzijn van de bourgeoisie toenemen en vermeerderde haar ongeduld. Aan de andere kant gaf zij aan de beweging van de volksmassa’s een nieuwe impuls. De Moskouse staking opende een periode van een snellere verschuiving onder de arbeiders en soldaten naar links. De bolsjewieken groeien van nu af aan onophoudelijk. Alleen de linkse sociaal-revolutionairen en voor een deel de linkse mensjewieken weten zich nog in de massa’s te handhaven. In de Petrogradse organisatie van de mensjewieken wordt de politieke verandering getypeerd door het feit dat Tsereteli van de kandidatenlijst voor de stedelijke Doema geschrapt wordt. Op 16 augustus verlangt het Petrograds congres van de sociaal-revolutionairen met 22 tegen 1 stem dat de officierenvereniging bij het hoofdkwartier ontbonden zal worden en dat soortgelijke krachtige maatregelen tegen de contrarevolutie genomen zullen worden. Op 18 augustus stelt de Sovjet van Petrograd, ondanks de tegenstand van zijn voorzitter Tsjcheïdse, de kwestie van de afschaffing van de doodstraf aan de orde. Voordat men tot stemming over de resolutie overgaat, vraagt Tsereteli uitdagend: “En als nu op uw besluit de afschaffing van de doodstraf eens niet zal volgen, zullen jullie dan soms de massa de straat oproepen om het aftreden van de regering te eisen?…”“Ja,” roepen de bolsjewieken ten antwoord, “ja, wij zullen het volk oproepen en zullen de regering ten val trachten te brengen.”“Jullie werpen nu het hoofd trots in de nek,” zegt Tsereteli. De bolsjewieken wierpen inderdaad met de massa’s het hoofd trots in de nek. De verzoeningsgezinden lieten het hoofd hangen als de massa’s het ophieven. De eis tot afschaffing van de doodstraf wordt met alle stemmen, ongeveer negenhonderd, tegen vier stemmen aangenomen. Deze vier zijn: Tsereteli, Tsjcheïdse, Dan en Liber! Vier dagen later, op het fusiecongres van de mensjewieken en de dichtbij deze staande groepen waar, bij een oppositie van Martov, op alle belangrijke punten de resoluties van Tsereteli weggestemd werden, werd de eis tot een directe afschaffing van de doodstraf zonder discussie aangenomen. Tsereteli zweeg, niet meer in staat zich tegen de aanval te verzetten.

De gebeurtenissen aan het front verbraken deze beklemmende politieke atmosfeer. Op 19 augustus doorbraken de Duitsers de Russische linie bij Ikskile en op 21 augustus bezetten zij Riga. Het in vervulling gaan van Kornilovs voorspelling was, als ware het vooraf afgesproken, het teken tot een politiek offensief van de bourgeoisie. De perscampagne tegen de “niet-werkende arbeiders” en de “niet-vechtende soldaten” werd verdriedubbeld. De revolutie wordt voor alles verantwoordelijk gesteld: zij heeft Riga overgegeven en zij is bereid om Petrograd prijs te geven. De ophitsing tegen het leger, die even wild is als anderhalf à twee maanden geleden, is ditmaal in geen enkel opzicht gerechtvaardigd. In juni hadden de soldaten inderdaad geweigerd om te vechten: zij wilden de rust aan het front niet verstoren, de Duitsers niet uit hun passiviteit wekken, de strijd niet doen herleven. Bij Riga was het initiatief tot de aanval echter van de vijand uitgegaan en de stemming onder de soldaten was geheel anders. Juist de delen van het 12de leger die het meest door propaganda bewerkt waren, gingen het minst onder paniekstemmingen gebukt.

De commandant van het leger, generaal Parski, beroemde er zich niet ten onrechte op dat de terugtocht “in voorbeeldige orde” plaatshad en niet te vergelijken was met de terugtocht uit Galicië of Oost-Pruisen. De commissaris Vojtinski meldde: “Onze troepen vervullen de hun opgedragen taak in het gebied van de doorbraak loyaal en bereidwillig, maar zij zijn niet in staat lang tegen de aanval van de vijand stand te houden, en zij gaan met verschrikkelijke verliezen stap voor stap terug. Ik acht het noodzakelijk te wijzen op de buitengewone heldenmoed van de Letse scherpschutters, van wie de overlevenden, ondanks het feit dat zij volkomen uitgeput waren, weer in de strijd gevoerd werden…” Nog optimistischer klonk het rapport van de voorzitter van het legercomité, de mensjewiek Koetsjin: “De stemming onder de soldaten is bewonderenswaardig. Naar de comitéleden en officieren getuigen, is de standvastigheid groter dan ooit.” Een ander vertegenwoordiger van hetzelfde leger rapporteerde enkele dagen later in de bijeenkomst van het Uitvoerend Comité: “Er bevond zich in het midden van de doorbraaklinie slechts één Letse brigade, die bijna uitsluitend uit bolsjewieken bestond. Toen deze bevel kreeg voorwaarts te gaan, rukte (de brigade) met rode vlaggen en muziekkorpsen op en vocht buitengewoon dapper.” In dezelfde geest, ofschoon iets meer gereserveerd, schreef later Stankevitsj: “Zelfs bij de staf van het leger, waarin personen zaten die elke gelegenheid aangrepen om de schuld op de soldaten te schuiven, kon men mij geen enkel concreet geval van ongehoorzaamheid aan enig bevel, laat staan aan een bevel om te vechten, noemen.” Bij de gevechten rond Mondsund legden de landingstroepen van de mariniers, naar uit officiële stukken blijkt, een grote koelbloedigheid aan de dag.

Voor de stemming onder de troepen, vooral onder de Letse scherpschutters en de Baltische matrozen, was het feit van belang dat het ditmaal direct om een verdediging van twee revolutionaire centra ging: Riga en Petrograd. De meer radicale troepen waren inmiddels doordrongen van de bolsjewistische gedachte dat het “afnemen van de bajonet” nog niet betekende dat het vraagstuk van de oorlog nu ook opgelost was; dat de strijd om vrede onafscheidelijk verbonden was met de strijd om de macht, d.w.z. met een nieuwe revolutie.

Hoezeer ook sommige commissarissen, verschrikt door de aanval van de generaals, de standvastigheid van het leger overdreven, blijft toch het feit bestaan dat de soldaten en matrozen de bevelen opvolgden en bereid waren te sterven. Meer konden zij niet doen. Maar een verdediging in de echte betekenis van het woord is er toch niet geweest. Hoe onwaarschijnlijk het mag klinken, het 12de leger werd volkomen verrast. Er was gebrek aan alles: aan mensen, kanonnen, munitie, gasmaskers. De berichtendienst functioneerde beneden alle niveau. Aanvallen moesten uitgesteld worden omdat men patronen van Japans model voor de Russische geweren geleverd had. Het ging hierbij niet om een of ander willekeurig deel van het front. Wat het verlies van Riga betekende, was geen geheim voor het opperbevel. Hoe is echter de jammerlijke toestand waarin de verdedigingskrachten en middelen van het 12de leger verkeerden te verklaren?… “De bolsjewieken,” schrijft Stankevitsj, “verspreidden reeds geruchten dat de stad opzettelijk aan de Duitsers was overgegeven, daar het opperbevel dit broeinest en deze haard van bolsjewisme graag kwijt wilde. Deze geruchten moesten wel ingang vinden in het leger, waar men zeer goed wist dat er van een verdediging of tegenstand eigenlijk geen sprake geweest was.” Inderdaad hadden de generaals Roesski en Brjoessilov zich reeds in december 1916 erover beklaagd dat Riga, het “ongeluk van het Noordelijk front,” een “broeinest van propaganda” was waartegen men slechts met fusillades kon optreden. Vele generaals aan het Noordelijk front moesten wel heimelijk wensen om de arbeiders en soldaten van Riga eens de les te lezen met een bezetting door het Duitse leger. Natuurlijk veronderstelde niemand dat de opperbevelhebber bevel gegeven had Riga prijs te geven. Alle officieren hadden echter de rede van Kornilov en het interview van de chef van diens staf, Loekomski, gelezen. Dit stond gelijk met een bevel. De commandant van het Noordelijk front, generaal Klembovski, behoorde tot de engere kliek van samenzweerders en wachtte derhalve op de overgave van Riga als een teken tot reddende acties. Ook onder meer normale omstandigheden hadden de Russische generaals de voorkeur aan overgaven en terugtochten gegeven. Nu de verantwoordelijkheid bij voorbaat door het hoofdkwartier van hen was afgenomen en het politieke belang hen tot défaitisme bracht, deden zij niet eens een poging tot verdediging. Of de een of andere generaal naast de sabotage van de verdediging ook nog bewust schade berokkende, is een vraag van minder belang en uiteraard niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Het zou echter naïef zijn om aan te nemen dat de generaals ervoor terugdeinsden om de zaak zoveel mogelijk te bespoedigen waar hun verraad straffeloos kon blijven.

De Amerikaanse journalist John Reed, die de gave had om te zien en te horen en die een onvergankelijke beschrijving van de dagen van de Oktoberrevolutie nagelaten heeft, zegt zonder aarzelen dat een groot deel van de bezittende klassen in Rusland de voorkeur gaf aan een overwinning van de Duitsers boven een zegepraal van de revolutie. Hij stelde nog dat dit deel van de heersende klasse zich niet geneerde om dit openlijk uit te spreken. “Ik was eens in de gelegenheid,” vertelt Reed onder meer, “een avond in het huis van een Moskouse koopman door te brengen. Elf mensen zaten bij de thee. Er werd aan de aanwezigen de vraag gesteld aan wie zij de voorkeur gaven, aan Wilhelm of aan de bolsjewieken? Tien van de elf spraken zich uit voor Wilhelm.” Dezelfde Amerikaanse schrijver sprak op het Noordelijk front met officieren die “openlijk de voorkeur aan een militaire nederlaag boven samenwerking met de soldatencomités gaven.”

De door de bolsjewieken, en niet alleen door hen, geuite politieke beschuldiging was terecht daarop gebaseerd dat de overgave van Riga in het plan van de samenzweerders paste en de datum ervan reeds tevoren door de samenzweerders vastgesteld was. Dit schemerde duidelijk door in hetgeen Kornilov in zijn rede te Moskou zei. Deze kant van de zaak is in de loop der gebeurtenissen volkomen duidelijk geworden. Wij bezitten echter ook een regelrechte verklaring die door de persoon van de getuige volkomen betrouwbaar is. Miljoekov vertelt in zijn “Geschiedenis”: “Kornilov gaf in zijn rede te Moskou het moment aan waartoe hij uiterlijk het nemen van beslissende maatregelen ‘om het land van ondergang en het leger van verval te redden’ wilde uitstellen. De val van Riga, die hij op voorhand voorspelde, was dit moment. Dit feit zou, naar zijn mening, een golf van patriottische verontwaardiging… teweegbrengen… Zoals Kornilov mij bij onze samenkomst te Moskou op 13 augustus persoonlijk zei, wilde hij deze gelegenheid niet ongebruikt voorbij laten gaan en hij had een volkomen duidelijke voorstelling van het openlijke conflict met de Kerenskiregering en zelfs de datum van te voren op 27 augustus bepaald.” Kan men zich duidelijker uitdrukken? Om de opmars naar Petrograd door te voeren, had Kornilov de overgave van Riga enkele dagen voor de oorspronkelijk bepaalde termijn nodig. Het versterken van de stellingen van Riga en het nemen van ernstige verdedigingsmaatregelen zou betekend hebben dat het plan van een andere, voor Kornilov oneindig veel belangrijker, campagne in de war gestuurd zou worden. Indien Parijs een mis waard is, dan is de regeermacht Riga waard.

In de week die tussen de overgave van Riga en de opstand van Kornilov verstreek, werd het hoofdkwartier een centrum van laster over het leger. De berichten van de Russische generale staf en de Russische pers vonden gretig weerklank in de pers van de Entente. De Russische patriottische bladen drukten van hun kant gretig de belasteringen en beschimpingen van de “Times”, de “Temps” of de “Matin” aan het adres van het Russische leger af. De soldaten aan het front beefden van gekrenktheid, verontwaardiging en afschuw. De commissarissen en de comités die overwegend verzoeningsgezind en vaderlandslievend waren, voelden zich op hun gevoeligste plek getroffen. Van alle kanten kwamen er protesten. Buitengewoon scherp was een schrijven van het Uitvoerend Comité van het Roemeense front, van het militaire district Odessa en van de Zwarte Zeevloot, de zogenaamde “Roemtsjerod”, waarin van het Centraal Uitvoerend Comité geëist werd: “Erkenning tegenover geheel Rusland van de heldenmoed, de zelfopoffering en de dapperheid van de soldaten aan het Roemeense front; staking van de perscampagne tegen de soldaten die dagelijks voor de verdediging van het revolutionaire Rusland bij duizenden in verbitterde gevechten de dood vinden…” Onder invloed van de protesten van onderop lieten de verzoeningsgezinde leiders hun passiviteit varen. “Het lijkt wel alsof de burgerlijke kranten geen modder genoeg hadden om het revolutionaire leger naar het hoofd te smijten,” schreef de “Izvestia” over haar eigen bondgenoten. Dit alles hielp echter niets. De ophitsing tegen het leger was een noodzakelijk element van de samenzwering waarvan het hoofdkwartier het centrum vormde.

Meteen na de ontruiming van Riga gaf Kornilov telegrafisch bevel om enkele soldaten in het bijzijn van de anderen als waarschuwend voorbeeld in het openbaar dood te schieten. Commissaris Vojtinski en generaal Parski antwoordden dat de houding van de soldaten dergelijke maatregelen in geen enkel opzicht rechtvaardigden. Buiten zichzelf van woede verklaarde Kornilov in de vergadering van de in het hoofdkwartier aanwezige afgevaardigden van de comités dat hij Vojtinski en Parski zou aanklagen omdat zij onware mededelingen over de toestand in het leger deden, d.w.z. volgens de toelichting van Stankevitsj: “niet de schuld op de soldaten afschoven.” Volledigheidshalve dient men hieraan toe te voegen dat Kornilov diezelfde dag aan de generale staven van de legers bevolen had om lijsten met de namen van de bolsjewistische officieren in te sturen bij het hoofdbestuur van de Officierenvereniging, m.a.w. bij de contrarevolutionaire organisatie geleid door de kadet Novossilsev. Deze organisatie was de voornaamste drijfkracht van de samenzwering. Zo handelde de opperbevelhebber, “de eerste soldaat van de revolutie”!

Vastbesloten om een tipje van de sluier op te lichten, schreef de “Ivestia”: “Een obscuur kliekje dat zeer nauw met de hoogste legerleiding verbonden is, provoceert op een verschrikkelijke manier.” Met het “obscure kliekje” werden Kornilov en diens staf bedoeld. De bliksemflitsen van de naderende burgeroorlog wierpen een nieuw licht, niet alleen op het heden maar ook op het verleden. Uit zelfverdediging gingen de verzoeningsgezinden ertoe over de verdachte houding van de legerleiding tijdens het Junioffensief te onthullen. In de bladen kwamen steeds meer bijzonderheden over de door de generale staven boosaardig belasterde divisies en regimenten voor. “Rusland heeft het recht te verlangen,” schreef de “Ivestia”, “dat men het de gehele waarheid over onze terugtocht in juli meedeelt.” Deze regels werden door de soldaten, matrozen en arbeiders gretig gelezen, vooral door hen die als vermeende schuldigen aan de catastrofe aan het front nog altijd de gevangenissen vulden. Twee dagen later zag de “Ivestia” zich gedwongen om openlijk te verklaren dat “het hoofdkwartier met zijn berichten een bepaald politiek spel tegen de Voorlopige Regering en de revolutionaire democratie speelde.” De regering werd in deze regels als een onschuldig slachtoffer van de intriges van het hoofdkwartier voorgesteld. Men moest nochtans toch weten dat de regering voldoende gelegenheden had om de generaals binnen de perken te houden? Als zij dit niet deed, kwam het doordat zij het niet wilde.

In het bovenvermelde protest tegen de gemene campagne tegen de soldaten werd er door de “Roemtsjerod” vol verontwaardiging op gewezen dat, “terwijl in de berichten uit het hoofdkwartier… extra nadruk op de heldenmoed van de officieren gelegd werd, de trouw van de soldaten aan de zaak van de revolutie klaarblijkelijk opzettelijk geminimaliseerd werd.” Het protest van de “Roemtsjerod” verscheen op 22 augustus in de bladen en de volgende dag werd een legerorder van Kerenski gepubliceerd ter ere van de officieren die het “vanaf de eerste dagen van de revolutie moesten beleven dat hun rechten beperkt werden,” alsook dat zij onverdiende krenkingen moesten ondergaan van de kant van de soldaten, “die hun lafheid met ideologische leuzen trachtten te maskeren.” Terwijl Kerenski’s naaste medewerkers Stankevitsj, Vojtinski en anderen tegen de ophitsing tegen de soldaten protesteerden, sloot hij zich zelf demonstratief aan bij de ophitsing die hij met zijn provocatorische legerorder als minister van oorlog en hoofd van de staat nog bekroonde. Kerenski heeft later toegegeven dat hij eind juli reeds “nauwkeurige gegevens” in handen had over de samenzwering van de officieren, waarvan het hoofdkwartier het centrum was. “De leden van het hoofdbestuur van de Officierenvereniging waren,” volgens Kerenski, “de eigenlijke samenzweerders, terwijl de leden de plaatselijke agenten van de samenzwering waren. Zij gaven ook bij de legale acties van de vereniging de toon aan.” Dit is volkomen juist. Men dient er slechts aan toe te voegen dat die “toon” er een van laster tegen het leger, de comités en de revolutie was, d.w.z. dezelfde toon waarvan ook de legerorder van Kerenski van 23 augustus doordrongen was.

Hoe is dit te verklaren? Het staat vast dat Kerenski geen weloverwogen en consequente politiek voerde. Maar hij moest wel krankzinnig zijn om, terwijl hij van de samenzwering van de officieren op de hoogte was, zijn hoofd aan de samenzweerders aan te bieden en hen tegelijkertijd te helpen verborgen te blijven. Het op het eerste gezicht onverklaarbare gedrag van Kerenski is eigenlijk gemakkelijk te verklaren: hijzelf was in die tijd een van de deelnemers aan de samenzwering tegen het regime van de Februarirevolutie dat geen uitweg meer had.

Toen de tijd van de bekentenissen gekomen was, verklaarde Kerenski dat hem uit de kringen van de Kozakken, de officieren en de burgerlijke politici meer dan eens voorstellen tot een persoonlijke dictatuur gedaan waren. “Maar deze vielen niet in goede aarde…” De positie van Kerenski was zodanig dat de leiders van de contrarevolutie de mogelijkheid hadden om, zonder iets te riskeren, met hem over een eventuele staatsgreep van gedachten te wisselen. “De eerste gesprekken over het vraagstuk van de dictatuur in de vorm van voorzichtig polsen” begonnen volgens Denikin begin juni, d.w.z. tijdens de voorbereiding van het offensief aan het front. Aan deze gesprekken nam ook Kerenski dikwijls deel, waarbij het dan altijd – in de eerste plaats voor Kerenski zelf – vanzelfsprekend was dat hij het middelpunt van de dictatuur zou zijn. Soechanov zegt zeer raak over Kerenski: “Hij was een korniloviaan – onder voorwaarde echter dat hij zelf aan het hoofd van de korniloviade zou staan.” In de dagen van de ineenstorting van het offensief had Kerenski aan Kornilov en andere generaals veel meer toegezegd dan hij kon nakomen. “Op zijn reizen aan het front,” vertelt generaal Loekomski, “probeerde Kerenski moed te scheppen en met zijn begeleiders geregeld van gedachten te wisselen over het tot stand brengen van een sterke regering, de vorming van een directorium of de overdracht van de macht aan een dictator.” In overeenstemming met zijn karakter bracht Kerenski een element van vaagheid, wanorde en dilettantisme in deze onderhandelingen, terwijl de generaals daarentegen meer voor een vakkundige precisering voelden.

De vrijwillige deelname van Kerenski aan de onderhandelingen tussen de generaals verleende om zo te zeggen een min of meer wettig karakter aan de gedachte van een militaire dictatuur, waaraan men uit voorzichtigheid tegen de nog niet gesmoorde revolutie meestal de naam van directorium gaf. Het is moeilijk te zeggen in hoeverre hier historische herinneringen aan de regering van Frankrijk na de Thermidor een rol speelden. Behalve het voordeel van een maskering met woorden, leverde een directorium echter, voor de eerste tijd althans, onmiskenbaar dit voordeel op dat een vereniging van diverse persoonlijke eerzuchtige strevingen erdoor mogelijk werd. Er zou in een directorium niet alleen plaats voor Kerenski en Kornilov, maar ook voor Savinkov, ja zelfs voor Filonenko zijn: in het algemeen voor mensen met een “stalen wil”, zoals de kandidaten voor het directorium plachten te zeggen. Ieder van hen koesterde echter heimelijk de gedachte om later van een collectieve dictatuur tot een persoonlijke dictatuur over te kunnen gaan.

Kerenski behoefde zodoende voor zijn samenzweringstransactie met het hoofdkwartier geen krasse bocht te maken. Het was voldoende op de eenmaal ingeslagen weg voort te gaan en het werk te voltooien. Hij geloofde daarbij de samenzwering van de generaals in een bepaalde richting te kunnen sturen, doordat hij deze niet alleen op de bolsjewieken maar in zekere zin ook op de hoofden van zijn eigen bondgenoten en hinderlijke dwarskijkers onder de verzoeningsgezinden zou kunnen laten neerkomen. Kerenski manoeuvreerde zodat hij, zonder de samenzweerders volkomen te ontmaskeren, hen duchtig vrees kon aanjagen en voor zijn eigen plannen gebruiken. Hij ging daarbij zo ver dat het staatshoofd bijna een illegale samenzweerder werd. “Kerenski had een sterke druk van rechts, van de kant van de kapitalistische klieken, van de geallieerde gezantschappen en vooral van het hoofdkwartier nodig,” schreef Trotski begin van september, “om hem te helpen zich de handen geheel vrij te maken. Kerenski wilde de opstand van de generaals benutten tot het vestigen van zijn eigen dictatuur.”

De Landelijke Vergadering vormde een keerpunt. Nadat hij uit Moskou niet alleen de illusie van onbegrensde mogelijkheden maar ook het vernederend besef van persoonlijke nederlagen had meegenomen, besloot Kerenski eindelijk alle twijfel terzijde te schuiven en zich in al zijn grootheid aan hen te tonen. Wie zijn die “hen”? Iedereen. Allereerst de bolsjewieken die de prachtige nationale vertoning met de algemene werkstaking ondermijnd hadden. Bovendien, om voor eens en voor altijd de rechtsen te treffen, al die Goetsjkovs en Miljoekovs die hem niet au sérieux namen, zijn optreden belachelijk maakten en zijn macht voor de schim van een macht hielden. En tenslotte om ook “hen” eens flink angst aan te jagen, die schoolmeesters onder de verzoeningsgezinden, zoals de gehate Tsereteli die hem, de uitverkorene van het volk, zelfs in de Landelijke Vergadering had durven verbeteren en de les te lezen. Kerenski nam het vaste en definitieve besluit nu eens aan de hele wereld te tonen dat hij geen “hystericus”, geen “harlekijn”, geen “ballerina” was, zoals de garde- en Kozakkenofficieren hem steeds openlijker begonnen te noemen, maar een man van staal die zijn hart afsloot en de sleutel tot zijn hart in zee wierp, ondanks alle smeekbeden van de onbekende schone in de schouwburgloge.

Stankevitsj bespeurt in die dagen bij Kerenski “het verlangen” om iets nieuws te zeggen, dat op zijn plaats zou zijn bij de in het land heersende onrust en verwarring. Kerenski besloot disciplinaire straffen in het leger in te voeren. Waarschijnlijk was hij bereid om ook nog andere krachtige maatregelen aan de regering voor te stellen. Stankevitsj was slechts op de hoogte van dat deel van de plannen van zijn chef dat deze geraden achtte hem mee te delen. In werkelijkheid gingen de bedoelingen van Kerenski in die tijd reeds veel verder. Hij had besloten om met één slag Kornilov het koren voor de voeten weg te maaien, namelijk door diens programma uit te voeren en daarmee de bourgeoisie aan zich te onderwerpen. Goetsjkov was niet in staat geweest de troepen in beweging te brengen tot het offensief; hij, Kerenski, was er wel toe in staat geweest. Kornilov kan het programma van Kornilov niet verwezenlijken. Hij, Kerenski, zal het kunnen. De Moskouse staking heeft weliswaar ertoe aangezet om te bedenken dat er weleens hinderpalen op deze weg kunnen opduiken. Maar de Julidagen hebben getoond dat men ook deze kan overwinnen. Alleen moet men ditmaal volkomen schoon schip maken en de vrienden van links niet een spaak in het wiel laten steken. Het is allereerst noodzakelijk om het garnizoen van Petrograd geheel te vernieuwen: de revolutionaire regimenten vervangen door “gezonde” troepen die niet naar de Sovjets zullen luisteren. Het is niet mogelijk zich over dit plan met het Uitvoerend Comité te beraden, maar dit is ook niet nodig: de onafhankelijkheid van de regering is volledig erkend en in dit teken is zij te Moskou gekroond. Weliswaar vatten de verzoeningsgezinden de onafhankelijkheid slechts formeel, als een middel tot verzoening met de liberalen op. Maar hij, Kerenski, zal het formele tot iets materieels maken: hij heeft immers niet voor niets in Moskou gezegd dat hij noch met de rechtsen, noch met de linksen samenging, en dat dit juist zijn kracht was. Nu zal hij dit metterdaad tonen!

De politiek van het Uitvoerend Comité en die van Kerenski liepen in de dagen na de vergadering steeds meer uiteen. De verzoeningsgezinden werden bang voor de massa’s, Kerenski voor de bezittende klassen. De volksmassa’s eisten dat de doodstraf aan het front werd afgeschaft. Kornilov, de kadetten en de gezantschappen van de Entente, eisten dat zij in het achterland werd ingevoerd.

Op 19 augustus telegrafeerde Kornilov aan de minister-president: “Acht het dringend noodzakelijk dat ik aan het hoofd van het district Petrograd gesteld word.” Het hoofdkwartier strekte openlijk de armen uit naar de hoofdstad. Op 24 augustus vatte het Uitvoerend Comité moed om volkomen openlijk de eis te stellen dat de regering een einde aan de “contrarevolutionaire machinaties” zou maken en “zonder dralen en zo energiek mogelijk” tot verwezenlijking van de democratische hervormingen zou overgaan. Dit was wat nieuws. Kerenski had te kiezen tussen het aanpassen aan de democratische politiek, die door de beperkingen ervan tot een breuk met de liberalen en de generaals kon leiden, en het programma van Kornilov dat onvermijdelijk tot een botsing met de Sovjets moest leiden. Kerenski besloot de hand te reiken aan Kornilov, de kadetten en de Entente. Een openlijke strijd tegen rechts wilde hij tot elke prijs vermijden.

Weliswaar werden op 21 augustus de grootvorsten Michael Alexandrovitsj en Pavel Alexandrovitsj tot huisarrest veroordeeld. Enkele andere personen werden daarbij gevangen genomen. Maar dit alles was niet ernstig bedoeld en de arrestanten moesten terstond weer vrijgelaten worden: “Het bleek,” verklaarde Kerenski later bij zijn getuigenverklaringen in de zaak Kornilov, “dat wij om de tuin geleid waren.” Hij had hieraan dienen toe te voegen: met medewerking van Kerenski. Het was immers volkomen duidelijk dat het de werkelijke samenzweerders, d.w.z. de gehele rechterhelft van de Moskouse vergadering, in het geheel niet om een herstel van de monarchie te doen was maar om een vestiging van de dictatuur van de bourgeoisie over het volk. In die zin hadden Kornilov en al zijn geestverwanten met een zekere verontwaardiging de beschuldiging van “contrarevolutionaire”, d.w.z. monarchistische bedoelingen van de hand gewezen. Weliswaar fluisterden hier en daar op de achtergrond vroegere hoogwaardigheidsbekleders, vleugeladjudanten, hofdames, Zwarte Honderd-hovelingen, kwakzalvers, monniken en ballerina’s. Maar zij waren geen factor van betekenis. Een overwinning van de bourgeoisie kon slechts komen in de vorm van een militaire dictatuur. De kwestie van een monarchie kon pas later aan de orde komen, wederom op de basis van een burgerlijke contrarevolutie, maar niet van Raspoetinse hofdames. Momenteel was slechts de strijd van de bourgeoisie tegen het volk onder de vlag van Kornilov reëel. Kerenski was, terwijl hij een bondgenootschap met deze partijen zocht, des te meer geneigd om zich door een fictieve arrestatie van de grootvorsten tegen argwaan van de linksen te vrijwaren. De handelwijze was echter zo doorzichtig dat het Moskouse blad van de bolsjewieken toen reeds schreef: “Enkele volkomen onbelangrijke figuren uit de familie Romanov arresteren en… de militaire kliek uit de hogere legerleiding met Kornilov voorop in vrijheid laten, d.w.z. het volk bedriegen…” De bolsjewieken waren juist daarom zo gehaat omdat zij alles zagen en alles openlijk zeiden.

Savinkov, een eersterangsavonturier en sportief revolutionair die uit de school van de individuele terreur de minachting tegenover de massa’s had overgehouden, werd de nieuwe rechterhand en leider van Kerenski in die kritieke dagen. Savinkov was een man met begaafdheid en wilskracht, wat hem overigens niet belette om jarenlang een instrument te zijn in handen van de vermaarde provocateur Asew. Hij was een scepticus en cynicus die niet ten onrechte meende op Kerenski te mogen neerzien en hem ondertussen, met de hand aan de pet, alleronderdanigst om de tuin leidde. Savinkov imponeerde Kerenski als man van de daad en Kornilov als rasecht revolutionair met een historische naam. Miljoekov geeft een interessante beschrijving van de eerste ontmoeting van de commissaris met de generaal, opgetekend uit Savinkovs eigen mond. “Generaal,” zei Savinkov, “ik weet dat, mochten de omstandigheden het vereisen om mij dood te schieten, u dit zou doen.” Vervolgens – na een korte pauze, voegde hij hieraan toe: “Mochten de omstandigheden het echter vereisen dat ik u moet doodschieten, dan zou ik dit eveneens doen.” Savinkov hield van literatuur, kende Corneille en Hugo en had een voorliefde voor het verheven genre. Kornilov was van plan de revolutie af te slachten, zonder met pseudo-klassieke en romantische gedachten rekening te houden. Maar ook de generaal onderging de bekoring van een “sterke kunstvolle stijl”: het kon niet anders of de woorden van de vroegere terrorist moesten de heldhaftige gevoelens die in de vroegere Zwarte Honderd-man leefden aangenaam strelen.

In een later verschenen dagbladartikel, dat klaarblijkelijk door Savinkov geïnspireerd en misschien zelfs door hem geschreven is, werden sommige van zijn plannen tamelijk openlijk onthuld. “Toen hij nog commissaris was,” zo werd in het artikel gezegd, “…kwam Savinkov tot de overtuiging dat de Voorlopige Regering niet in staat was het land uit de moeilijke positie te redden. Hier moesten andere krachten te hulp komen. Alles wat er in deze richting gedaan moest worden, kon echter slechts onder de vlag van de Voorlopige Regering, met name van Kerenski, geschieden. Dit zou een revolutionaire dictatuur betekend hebben, verwezenlijkt met ijzeren hand. Deze hand was voor Savinkov… generaal Kornilov.” Kerenski als “revolutionaire” dekmantel, Kornilov de ijzeren hand. Over de rol van de derde persoon wordt in het artikel gezwegen. Er kan echter geen twijfel bestaan, of Savinkov verzoende de opperbevelhebber met de minister-president met de heimelijke bedoeling om beiden terzijde te schuiven. Een tijdlang begon deze bijgedachte zo duidelijk naar voren te komen dat Kerenski ondanks het protest van Kornilov juist aan de vooravond van de vergadering Savinkov dwong ontslag te nemen. Dit ontslag was echter, zoals in het algemeen alles in deze kringen, niet definitief. “Op 17 augustus,” verklaarde Filonenko, “bleek dat Savinkov en ik onze posten zouden behouden en dat de minister-president in principe het programma aanvaardde dat in het door Kornilov, Savinkov en mij ingediende rapport neergelegd was.” Savinkov, aan wie Kerenski op 17 augustus “beval een wetsontwerp betreffende de te nemen maatregelen in het achterland voor te bereiden,” stelde hiertoe een commissie onder voorzitterschap van generaal Apoesjkin in. Kerenski besloot, hoewel hij ernstig voor Savinkov beducht was, toch om hem voor zijn grote plan te gebruiken en liet hem niet alleen het ministerie van oorlog over, maar schonk hem bovendien als toegift het ministerie van marine. Dit betekende, volgens Miljoekov, dat de regering “de tijd tot handelen gekomen achtte, zelfs op risico dat de bolsjewieken de straat op gedreven zouden worden.” Savinkov zei hierbij openlijk “dat het gemakkelijk was om met twee regimenten het bolsjewistisch oproer neer te slaan en de bolsjewistische organisaties uiteen te jagen.”

Zowel Kerenski als Savinkov begrepen zeer goed, vooral na de Moskouse vergadering, dat de verzoeningsgezinde Sovjets het programma van Kornilov onder geen omstandigheden zouden aanvaarden. De Sovjet van Petrograd die gisteren nog geëist had dat de doodstraf aan het front zou worden afgeschaft, zal zich morgen met verdubbelde krachten ertegen verzetten dat de doodstraf tot het achterland wordt uitgebreid. Het gevaar was derhalve daarin gelegen dat niet de bolsjewieken, maar de Sovjets aan het hoofd van de beweging tegen de door Kerenski beraamde omwenteling zouden komen te staan. Maar ook daarvoor mocht men niet terugdeinzen: het ging toch immers om de redding van het land!

“Op 22 augustus,” schrijft Kerenski, “reisde Savinkov naar het hoofdkwartier o.a.(!) met het doel om in opdracht van mij van generaal Kornilov het zenden van een cavaleriekorps ter beschikking van de regering te eisen.” Savinkov zelf omschrijft, wanneer hij later gedwongen is in het openbaar verantwoording af te leggen, deze opdracht als volgt: “van generaal Kornilov een cavaleriekorps los krijgen om de staat van beleg in Petrograd door te voeren en de Voorlopige Regering tegen een aanslag te beschermen, vooral(!) tegen een aanslag van de kant van de bolsjewieken, die volgens de mededelingen van de buitenlandse contraspionagedienst een actie voorbereidden in samenhang met een Duitse landing en een opstand in Finland…” De fantastische mededelingen van de contraspionagedienst dienden eenvoudig om te verdoezelen dat de regering zelf, volgens de uitdrukking van Miljoekov, “het risico op zich nam dat de bolsjewieken de straat op zouden gaan,” d.w.z. dat zij hen tot een opstand wilde provoceren. Daar de publicatie van de decreten betreffende de militaire dictatuur echter op de laatste dagen van augustus bepaald was, stelde Savinkov ook de verwachte opstand op dit tijdstip.

Op 25 augustus werd het bolsjewistisch orgaan “Proletarij” verboden zonder dat daartoe enige aanleiding bestond. Het blad “Rabojtsij” (“De Arbeider”), dat in de plaats van het verboden orgaan verscheen, schreef dat zijn voorganger “verboden was daags nadat het in verband met de doorbraak van het front bij Riga de arbeiders en soldaten opgeroepen had zich rustig te houden en het hoofd koel te houden. Wie is er zo bezorgd voor dat de arbeiders niet te weten komen dat de partij hen waarschuwt voor provocaties?” Deze vraag raakte de kern van de zaak. Het lot van de bolsjewistische pers lag in handen van Savinkov. Het verbod van het blad bracht twee voordelen mee: het prikkelde de massa’s en belette de partij om deze voor provocaties te behoeden die ditmaal direct uit de hoge regeringskringen kwamen.

Volgens de aantekeningen in de notulen van het hoofdkwartier, die wellicht een beetje geflatteerd zijn maar in het algemeen toch de situatie en de handelende personen juist weergeven, had Savinkov aan generaal Kornilov verklaard: “Uw eisen, Lavr Georgjevitsj, zullen in de komende dagen vervuld worden. De regering is daarbij echter beducht dat er in Petrograd ernstige verwikkelingen zouden kunnen ontstaan… De publicatie van uw eisen… zou aanleiding kunnen worden tot een optreden van de bolsjewieken… Het is niet bekend hoe de Sovjets zich tegenover de nieuwe wet zullen gedragen. Het zou kunnen zijn dat de laatstgenoemden eveneens tegen de regering zijn… Ik verzoek u derhalve te bepalen dat het derde cavaleriekorps eind augustus dichter bij Petrograd zal gebracht worden en ter beschikking van de Voorlopige Regering gesteld zal worden. Voor het geval dat behalve de bolsjewieken ook de leden van de Sovjet zouden opstaan, zouden wij gedwongen zijn ook tegen hen op te treden.” De bode van Kerenski voegde hieraan toe dat de maatregelen krachtig en onmeedogend moesten zijn, waarop Kornilov ten antwoord gaf dat hij “ook geen andere maatregelen kende…” Later, toen het erom ging zich te rechtvaardigen, voegde Savinkov eraan toe: “Indien op het moment van de bolsjewistische opstand de Sovjets bolsjewistisch geweest zouden zijn…” Dit is echter een grove vervalsing: de decreten waarin de omwenteling van Kerenski aangekondigd werd, zouden reeds binnen drie à vier dagen verschijnen. Er was dus geen sprake van toekomstige Sovjets, maar uitsluitend van de Sovjets die eind augustus bestonden.

Om geen misverstanden te wekken en de bolsjewieken niet “ontijdig” tot een actie te provoceren, werd men het eens over deze volgorde van handelen: eerst in Petrograd een cavaleriekorps bijeenbrengen, vervolgens de staat van beleg in de hoofdstad afkondigen en pas daarna de nieuwe wetten afkondigen die een bolsjewistische opstand teweegbrengen. Dit plan is in de notulen van het hoofdkwartier zwart op wit te vinden: “Opdat de Voorlopige Regering nauwkeurig weet wanneer het militaire gouvernement Petrograd in staat van beleg wordt verklaard en wanneer de nieuwe wet bekend gemaakt moet worden, is het noodzakelijk dat generaal Kornilov hem, Savinkov, telegrafisch precies de tijd aangeeft wanneer het korps Petrograd zal bereiken.”

De samenzwerende generaals hadden, volgens Stankevitsj, begrepen, dat “Savinkov en Kerenski… een omwenteling met behulp van het hoofdkwartier beoogden. Dit was voldoende. Haastig willigden zij alle eisen en voorwaarden in…” Stankevitsj, die zeer op de hand van Kerenski was, verontschuldigt zich daarmee dat men in het hoofdkwartier “bij vergissing verband tussen Kerenski en Savinkov gelegd had.” Hoe had men echter onderscheid tussen hen kunnen maken als Savinkov met nauwkeurig omschreven opdrachten van Kerenski gekomen was? Kerenski zelf schrijft: “Op 25 augustus keert Savinkov uit het hoofdkwartier terug en bericht mij dat de troepen volgens afspraak ter beschikking van de Voorlopige Regering gesteld zouden worden.” De 26ste ’s avonds moet de regering het wetsontwerp betreffende de te nemen maatregelen in het achterland aannemen, hetgeen het begin van het beslissende optreden van het cavaleriekorps moet zijn. Alles is degelijk voorbereid. Men heeft slechts op de knop te drukken.

De gebeurtenissen, documenten, verklaringen van de deelnemers en tenslotte de erkenning van Kerenski zelf laten allemaal hetzelfde zien: namelijk dat de minister-president buiten medeweten van een deel van zijn eigen regering, achter de rug van de Sovjets die hem de macht verschaft hadden, in het verborgene voor de partij waartoe hij zich rekende, een overeenkomst met de generaals van het leger sloot met het doel om de regeringsvorm met behulp van de gewapende macht radicaal te wijzigen. Deze handelswijze wordt zeer bepaald omschreven in het strafwetboek, althans voor die gevallen waarin de onderneming niet slaagt. De kloof tussen het democratisch karakter van de politiek van Kerenski en het plan om het land met wapengeweld te redden, lijkt bij een oppervlakkige beschouwing onoverbrugbaar. In werkelijkheid vloeide het cavalerieplan geheel voort uit de verzoeningsgezinde politiek. Men kan bij het aantonen van deze wetmatigheid niet alleen de persoon van Kerenski maar ook de eigenaardigheden van het nationale milieu vrijwel geheel buiten beschouwing laten: het betreft hier het wezen van de verzoeningsgezinde politiek in revolutionaire tijden.

Friedrich Ebert, de Duitse volksvertegenwoordiger, verzoeningsgezinde socialist en democraat, handelde niet alleen onder leiding van de Hohenzollernse generaals achter de rug van zijn eigen partij om, maar was reeds begin december 1918 direct betrokken bij de militaire samenzwering die tot doel had de leden van het hoogste radenorgaan te arresteren en Ebert tot president van de republiek uit te roepen. Het was niet toevallig dat Kerenski later Ebert een ideaal staatsman noemde.

Toen alle plannen zowel van Kerenski, als van Savinkov en van Kornilov, mislukt waren, verklaarde Kerenski, die de niet gemakkelijke taak had om de sporen uit te wissen: “Na de vergadering te Moskou was het duidelijk voor mij dat de volgende poging tot een aanslag van rechts en niet van links zou komen.” Het is zeker dat Kerenski bang was voor het hoofdkwartier en de sympathie waarmee de bourgeoisie tegenover de samenzweerders stond. Het gaat echter juist hierom dat Kerenski niet meende tegen het hoofdkwartier te moeten strijden met een cavaleriekorps, maar door het programma van Kornilov onder zijn eigen naam te verwezenlijken. De onbetrouwbare medeplichtige van de eerste minister had niet gewoon een zakelijke opdracht vervuld, waarvoor trouwens een cijfertelegram uit het Winterpaleis naar Mohilev voldoende geweest zou zijn – neen, hij was als bemiddelaar verschenen om een verzoening tussen Kornilov en Kerenski tot stand te brengen en daarmee de omwenteling zo veel mogelijk een wettelijke grondslag te geven. Kerenski wilde door bemiddeling van Savinkov als het ware zeggen: “Doe wat je wil, als het maar binnen het kader van mijn plan is. Je zal daardoor onaangenaamheden vermijden en bijna alles verkrijgen wat je wil.” Savinkov maakt uit zichzelf de toespeling: “Ga niet ontijdig verder dan de plannen van Kerenski.” Dit was een eigenaardige vergelijking met drie onbekenden. Alleen in deze samenhang wordt het begrijpelijk dat Kerenski zich door middel van Savinkov tot het hoofdkwartier wendde met een verzoek om een cavaleriekorps. Een hooggeplaatst medeplichtige die legaal blijft en de samenzwering aan zich wil onderwerpen, wendt zich nu tot de samenzweerders.

Onder de aan Savinkov gegeven opdrachten was er slechts één die op een tegen de samenzwering van rechts gerichte maatregel leek, namelijk die over het hoofdbestuur van de officieren waarvan de ontbinding reeds door het Petrogradse congres van Kerenski’s partij geëist was. Merkwaardig is echter de formulering van de opdracht: “Zo mogelijk de Officierenvereniging liquideren.” Nog merkwaardiger is dat Savinkov de mogelijkheid daartoe niet alleen niet gevonden, maar zelfs niet gezocht heeft. De kwestie werd eenvoudig in de doofpot gestopt. De gehele opdracht was slechts gegeven om zwart op wit een bewijs tegenover de linksen te hebben: “zo mogelijk” wijst erop dat de vervulling niet gewenst was. Deze opdracht werd, als het ware om nog meer de nadruk op het louter decoratieve karakter ervan te leggen, vooraan geplaatst.

Met de bedoeling om de ontstellende betekenis van het feit dat hij, terwijl er een aanslag van rechts te wachten was, de hoofdstad van revolutionaire regimenten ontdaan had en zich tegelijkertijd tot Kornilov om “betrouwbare” troepen gewend had, een beetje te verzachten, beriep Kerenski zich later op drie essentiële voorwaarden die hij aan de opeising van het cavaleriekorps verbonden had. Zo had hij zijn bewilliging om Kornilov aan het hoofd van het militaire district Petrograd te plaatsen, afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de hoofdstad met omgeving van dit district uitgezonderd zou worden, opdat de regering niet volkomen in handen van het hoofdkwartier zou geraken. Want – zoals Kerenski zich in intiemere kring uitliet – “anders zouden wij hier met huid en haar verslonden zijn.” Deze voorwaarde bewijst slechts dat Kerenski, terwijl hij ervan droomde de generaals voor zijn eigen plan te gebruiken, niets anders kon doen dan een beetje machteloos intrigeren. Dat Kerenski er niet voor voelde om met huid en haar verslonden te worden, is zonder nader bewijs aannemelijk. De twee andere voorwaarden waren van soortgelijke aard: Kornilov mocht in het expeditiekorps niet de zogenaamde “wilde” divisie, die uit Kaukasische bergtroepen bestond, opnemen en niet generaal Krymow aan het hoofd van het korps stellen. Bezien vanuit het oogpunt van een bescherming van de belangen van de democratie was dit waarlijk niets anders dan muggenzifterij, terwijl veel erger dingen geslikt werden. Ter maskering van de aanslag op de revolutie daarentegen hadden Kerenski’s voorwaarden een veel diepere betekenis. Het zou onvoorzichtig geweest zijn Kaukasische bergtroepen die geen Russisch spraken tegen de arbeiders van Petrograd te zenden. Hiertoe had indertijd zelfs de tsaar niet durven besluiten! Het verkeerde van een benoeming van Krymov, over wie het Uitvoerend Comité voldoende op de hoogte was, werd door Savinkov zeer aannemelijk tegenover het hoofdkwartier gemotiveerd met het belang van de gemeenschappelijke zaak. “Het zou ongewenst zijn,” zei hij, “dat een eventuele opstand in Petrograd juist door generaal Krymow onderdrukt werd. De publieke opinie zou wellicht aan zijn naam beweegredenen verbinden, waardoor hij zich in werkelijkheid niet laat leiden…” Reeds het feit dat het hoofd van de regering bij het opeisen van een troepenafdeling voor de hoofdstad begint met het ongewone verzoek om de “wilde” divisie niet te sturen en Krymow niet te benoemen – laat, beter dan wat ook, zien dat Kerenski niet alleen het plan van de samenzwering, maar ook de samenstelling van de strafexpeditie en de kandidaten voor de belangrijkste functies van tevoren gekend heeft.

Hoe het echter met deze bijkomstige omstandigheden gesteld moge geweest zijn, het is volkomen duidelijk dat het cavaleriekorps van Kornilov in geen geval geschikt kon zijn voor een verdediging van de “democratie”. Het moest daarentegen voor Kerenski vaststaan dat van alle troepen juist dit korps het meest betrouwbare werktuig tegen de revolutie zou zijn. Het zou inderdaad beter geweest zijn in Petrograd een troepenafdeling te hebben die Kerenski, die immers boven rechts en links stond, toegedaan was. Dergelijke troepen zijn er echter, naar uit de verdere gebeurtenissen zal blijken, niet geweest. Voor de strijd tegen de revolutie had men slechts de aanhangers van Kornilov. Tot hen nam Kerenski zijn toevlucht.

De militaire maatregelen waren slechts een aanvulling van de politiek als zodanig. De gehele politiek van de Voorlopige Regering gedurende de nog geen volle twee weken die de Moskouse vergadering van de opstand van Kornilov scheidden, zou op zichzelf al een afdoend bewijs zijn van het feit dat Kerenski zich niet tot een strijd tegen de rechtsen, maar tot een eenheidsfront met deze laatsten tegen het volk opmaakte. Zonder acht te slaan op de protesten van het Uitvoerend Comité tegen haar contrarevolutionaire politiek komt de regering op 26 augustus de grondbezitters zeer tegemoet door plotseling te bepalen dat de broodprijzen verdubbeld zullen worden. Deze gehate maatregel, die bovendien nog op uitdrukkelijk verlangen van Rodsjanko genomen werd, kwam dicht bij een bewuste provocatie tegen de hongerlijdende massa’s. Kerenski wilde klaarblijkelijk met een kostbaar geschenk het hart van de uiterst rechtse vleugel van de Moskouse vergadering stelen. “Ik sta tot uw beschikking!” zegt hij tot de Officierenvereniging in een vleiende brief die ondertekend werd op de dag waarop Savinkov zich naar het hoofdkwartier begaf. “Ik sta tot uw beschikking!” haastte Kerenski zich de grootgrondbezitters toe te roepen aan de vooravond van de cavalerieaanval tegen hetgeen er nog van de Februarirevolutie over was.

De verklaringen van Kerenski ten overstaan van de door hem zelf benoemde commissie van onderzoek hadden een minderwaardig karakter. Als getuige optredend, voelde het hoofd van de regering zich eigenlijk de voornaamste beschuldigde die bovendien op heterdaad betrapt was. De ervaren beambten die de loop van de gebeurtenissen zeer goed overzagen, deden alsof zij de verklaringen van het staatshoofd in ernst geloofden. Alle overige stervelingen, waaronder ook de leden van Kerenski’s eigen partij, vroegen zich verbaasd af hoe een en hetzelfde korps zowel voor het doorvoeren van een omwenteling alsook tot het verhinderen ervan geschikt kon zijn. Het was toch al te onvoorzichtig van de kant van een “sociaal-revolutionair” om troepen in de hoofdstad te brengen die bestemd waren om haar te vermoorden. Weliswaar hebben ook de Trojanen indertijd een troep vijanden in hun eigen stad binnengehaald, maar zij wisten tenminste niet wat er in de buik van het houten paard verborgen was. En zelfs in dit geval bestrijdt een historicus uit de Oudheid nog de lezing van de dichter: volgens de mening van Pausanias mag men Homerus slechts geloven indien men de Trojanen voor domkoppen zonder een greintje verstand houdt. Wat zou hij van de getuigenverklaringen van Kerenski gezegd hebben?

De landelijke vergadering in Moskou

Een symbool is een samenvatting tot één beeld. Een revolutie is buitengewoon sterk in symboliseren, want zij laat alle verschijnselen en verhoudingen in één samenvattend beeld zien. De symboliek van de revolutie is echter te groots om zich in het kader van het werk van één persoon te voegen. Vandaar de gebrekkige beschrijving van de grootste drama’s in de menselijke geschiedenis.

De Moskouse Landelijke Vergadering eindigde met een fiasco dat men van te voren had kunnen voorspellen. Zij bracht niets tot stand en loste geen enkele moeilijkheid op. Zij liet echter de historici een waardevolle, hoewel negatieve afdruk, van de revolutie achter. Op deze afdruk ziet het licht er als schaduw uit, zwakte paradeert als kracht, hebzucht als onbaatzuchtigheid, woordbreuk als hoogste deugd. De machtigste partij van de revolutie, die tien weken later aan de macht zou komen, werd de toegang ontzegd als zijnde een factor van geen betekenis. Daarentegen werd de volslagen onbekende “partij van het evolutionaire socialisme” ernstig genomen. Kerenski trad op als verpersoonlijking van macht en wilskracht. Over de coalitie, die in de afgelopen maanden volkomen uitgeput was, werd gesproken als over een heilzaam middel voor de toekomst. Kornilov, die bij miljoenen soldaten gehaat was, werd begroet als de geliefde legeraanvoerder en volksleider. Monarchisten en Zwarte-Honderdlieden betuigden hun liefde voor de Constituerende Vergadering. Iedereen die spoedig van het politieke toneel zou verdwijnen, had als het ware afgesproken om nog eens voor de laatste maal zijn beste rollen ten tonele te brengen. Onweerstaanbaar voelden zij zich ertoe gedwongen te zeggen: dit zouden wij willen zijn en dit zouden wij zijn, indien men het ons niet belette. Maar men belette het hen: de arbeiders, soldaten, boeren en onderdrukte volkeren. Tientallen miljoenen “opstandige slaven” beletten hen om hun trouw aan de revolutie te betuigen. In Moskou, waar zij een toevlucht zochten, volgde de staking hen op de hielen. Opgejaagd door “duisterlingen”, “onontwikkelden”, “demagogen”, spraken de vijfentwintighonderd mensen die de schouwburg vulden als het ware stilzwijgend met elkaar af om de illusie op het toneel niet te verstoren. Over de staking werd niet gesproken. Men deed zijn best de bolsjewieken niet met name te noemen. Alleen Plechanov riep terloops even de “droevige herinnering aan Lenin” wakker, alsof er sprake was van een tegenstander die volkomen afgedaan had. Het karakter van het negatief werd derhalve consequent volgehouden: in het rijk der schimmen die voor een deel reeds tot het rijk der doden behoorde, maar die zich voor de “levende krachten van het land” uitgaven, kon een werkelijk volksleider slechts als politieke dode figureren.

“De schitterende zaal,” schrijft Soechanov, “was vrij scherp in twee helften verdeeld: rechts de bourgeoisie, links de democratie. Rechts, in de parterre en in de loges, waren er talrijke generaalsuniformen te zien, links – vaandrigs en minderen. Tegenover het toneel, in de vroegere loge van de tsaar, zaten de hogere diplomaten van de geallieerde en bevriende mogendheden… Onze groep, de meest linkse, nam een klein hoekje van de parterre in.” De meest linkse groep werd, daar de bolsjewieken afwezig waren, gevormd door de geestverwanten van Martov.

Tegen vier uur verscheen Kerenski op het toneel, vergezeld door twee jonge officieren, een van het leger en een van de marine; als zinnebeelden van de kracht van de revolutionaire regering stonden zij de gehele tijd vastgenageld achter de voorzitter. Om de rechtsen niet te prikkelen met het woord republiek – zo was van te voren afgesproken – begroette Kerenski de vertegenwoordigers van de “Russische bodem” in naam van de regering van het “Russische rijk”… “De grondtoon van zijn rede,” schrijft een liberaal historicus, “was in plaats van een toon van waardigheid en zekerheid onder invloed van de laatste dagen… een toon van nauw verholen angst, welke de spreker als het ware in zijn binnenste door luide uitgesproken dreigementen trachtte te onderdrukken.” Zonder de bolsjewieken met name te noemen, begon Kerenski met een waarschuwing aan hun adres: “Nieuwe pogingen om de regering te ondermijnen, zullen met kogels en bloed onderdrukt worden.” Het daarop volgend dreigement, aan het adres van Kornilov, die nog niet aangekomen was: “Van welke kant men mij ook ultimatums zal stellen, ik zal in staat zijn om ze aan de wil van de hoogste staatsmacht en aan mij, het hoofd daarvan, te onderwerpen,” vond weliswaar een even geestdriftige bijval, maar ditmaal uitsluitend bij de linkerhelft van de vergadering. Kerenski komt steeds weer terug op zichzelf als het “hoofd van de regering.” Hij heeft deze grootspraak ook nodig. “Jullie daar, die van het front gekomen zijn. Ik, uw minister van oorlog en opperste chef, zeg u dat er in het leger geen macht en geen wil bestaan die hoger zijn dan de wil en de macht van de Voorlopige Regering.” De democratie is vol geestdrift over deze holle dreigementen, want zij gelooft op deze manier te ontkomen aan de noodzakelijkheid om haar toevlucht tot kogels te moeten nemen.

“Alle goede elementen in het volk en in het leger,” verzekert het hoofd van de regering, “hebben de zegepraal van de Russische Revolutie verbonden met onze zegepraal aan het front. Onze verwachtingen werden echter gehoond en ons geloof bespot.” Dit is een lyrische voorstelling van het Junioffensief. Hij, Kerenski, heeft in elk geval niet de bedoeling om te strijden tot aan de overwinning. Tegenover het gevaar van een vrede ten koste van de Russische belangen – deze weg werd in het vredesvoorstel van de Paus op 4 augustus aangewezen – prijst Kerenski de edele trouw van de Geallieerden. “En ik kan in naam van het grote Russische volk slechts zeggen dat wij iets anders niet verwacht hebben en ook niet hebben kunnen verwachten.” Iedereen staat recht voor een ovatie. Vooral aan de loge van de geallieerde diplomaten is dit het geval, behalve bij enkel internationalisten en die enkele bolsjewieken die als vertegenwoordigers van de vakverenigingen aanwezig zijn. Uit een loge vol officieren wordt geroepen: “Martov, sta op!” Martov bleef, het dient tot zijn eer gezegd, standvastig en bracht geen hulde aan de onbaatzuchtigheid van de Entente.

Tot de onderdrukte volken van Rusland, die verandering wilden brengen in hun lot, richtte Kerenski preken die doorspekt waren met dreigementen. “Terwijl wij smachtten en te gronde gingen in de ketenen van het tsaristisch absolutisme,” zo pronkte hij met andermans veren, “hebben wij ons bloed niet gespaard voor het welzijn van alle volken.” Aan de onderdrukte minderheden werd de raad gegeven om uit dankbaarheid het bestaande regime van rechteloosheid te blijven dulden.

Waar is de uitweg? … “Voel je de gloed…, voel je de kracht en de wil tot het scheppen van orde, tot opoffering tot arbeid? … Zal je hier het beeld van een aaneengesloten grote nationale kracht laten zien? …” Deze woorden werden gesproken op de dag van de Moskouse proteststaking en in de uren waarin de geheimzinnige verplaatsing van Kornilovs ruiterij geschiedde. “Wij zullen onze ziel doden, maar de staat redden.” Meer had de regering van de revolutie het volk niet aan te bieden.

“Veel mensen uit de provincie in deze zaal,” schrijft Miljoekov, “zagen Kerenski voor het eerst, – en zij gingen weg, deels teleurgesteld, deels verontwaardigd. Voor hen stond een jonge man met een smartelijk, bleek gelaat, poserend als een toneelspeler… Deze man wilde klaarblijkelijk iemand bang maken en bij iedereen de indruk van onverzwakte kracht en macht wekken. In werkelijkheid wekte hij slechts medelijden op.”

Het optreden van de overige leden van de regering liet niet zozeer hun onbeduidendheid als persoon, dan wel het bankroet van het systeem van de verzoeningsgezinden zien. De grote gedachte die de minister van Binnenlandse Zaken, Avksentjev, voor het gehele land ontvouwde, was de instelling van rondreizende commissarissen. De minister van Nijverheid maande de ondernemers aan om zich met bescheiden winsten tevreden te stellen. De minister van Financiën beloofde een verlaging van de directe belastingen op de bezittende klassen gepaard gaande met een verhoging van de indirecte belastingen. De rechtervleugel was zo onvoorzichtig om deze woorden met een stormachtig applaus te begroeten, wat Tsereteli enigszins verlegen als een tekort aan offervaardigheid brandmerkte. Aan de minister van Landbouw Tsjernov had men opgedragen om helemaal niets te zeggen, om de bondgenoten van rechts niet met het schrikbeeld van een gedwongen onteigening van de grond te prikkelen. Men had in het belang van de nationale eenheid besloten om te doen alsof er geen agrarische kwestie bestond. De verzoeningsgezinden staken hierbij geen spaak in het wiel. De stem van de moezjiek werd niet gehoord vanaf het spreekgestoelte. Intussen begon juist in deze augustusweken de agrarische beweging zich in het gehele land te ontplooien, om in de herfst in een onoverwinnelijke boerenoorlog over te gaan.

Na een pauze van één dag, die door beide partijen benut werd om de krachten te verkennen en te mobiliseren, werd de zitting van de 14de in een sfeer van uiterste spanning geopend. Kornilov wordt bij zijn verschijning in een loge door het rechtse deel van de vergadering enthousiast ontvangen. Het linkse deel blijft nagenoeg geheel zitten. Kreten als “opstaan” gaan vergezeld van grove scheldwoorden uit de officierenloge. Bij het binnentreden van de regering brengt de linkervleugel Kerenski een langdurige ovatie, waaraan, zoals Miljoekov meedeelt, “ditmaal de rechtsen door demonstratief te blijven zitten niet deelnemen.” In de vijandig botsende golven van bijval was de naderende burgeroorlog te bespeuren. Op het toneel zaten echter ook verder vertegenwoordigers van beide helften van de verdeelde zaal onder de naam van regering, terwijl de voorzitter, die in het geheim oorlogsvoorbereidingen tegen de opperbevelhebber trof, geen ogenblik vergat “de eenheid van het Russische volk” te belichamen. Kerenski verkondigde in een stijl die bij deze rol paste: “Ik stel aan iedereen voor om in de persoon van de hier aanwezige opperbevelhebber het leger te begroeten, het leger dat zich moedig voor vrijheid en vaderland opoffert.” In de eerste bijeenkomst was aan het adres van ditzelfde leger gezegd: “Onze verwachtingen werden gehoond en ons geloof werd bespot.” Hoe het echter ook zij, de reddende frase is gevonden: de zaal rijst op en betuigt levendig bijval – Kornilov zowel als Kerenski. De eenheid van de natie is weer eens gered!

Geen uitweg meer ziende, besloten de heersende klassen om hun toevlucht te nemen tot een historische maskerade. Zij geloofden klaarblijkelijk dat zij, door nog eenmaal in al hun opeenvolgende rollen voor het volk te verschijnen, machtiger en sterker zouden worden. Als specialiteiten op het gebied van het nationale geweten werden de vertegenwoordigers van alle vier de Rijksdoema’s op het toneel gebracht. De eertijds zo grote onderlinge meningsverschillen waren verdwenen, alle partijen van de bourgeoisie verenigden zich gemakkelijk op het “boven de partijen en de klassen staande programma” van de in het openbare leven bekende figuren die enkele dagen voordien een telegram aan Kornilov gezonden hadden om hem te begroeten. In naam van de eerste Doema – 1906! – wees de kadet Nabokov “de gedachte alleen reeds aan de mogelijkheid van een afzonderlijke vrede” van de hand. Dit belette de liberale politicus niet om in zijn mémoires te vertellen dat hij en vele leidende kadetten met hem in een afzonderlijke vrede de enige uitweg gezien hadden. Ook de vertegenwoordigers van de overige tsaristische Doema’s eisten allereerst van de revolutie dat zij het bloedig offer zou brengen.

“Het woord is aan u, Generaal!” Het kritieke ogenblik nadert. Wat zal de opperbevelhebber, die door Kerenski hardnekkig maar tevergeefs aangemaand werd om zich tot een uiteenzetting van de militaire toestand te beperken, zeggen? Miljoekov deelt als ooggetuige mee: “De kleine gezette, maar gedrongen gestalte van de man met het Kalmukkengezicht, de scherpe doordringende blik van de kleine zwarte ogen waarin boosaardige lichtpuntjes vlamden, verscheen op het toneel.” De zaal davert van het applaus. Iedereen staat op, met uitzondering van… de soldaten. Er klinken scheldwoorden, vermengd met kreten van verontwaardiging aan het adres van de afgevaardigden die zijn blijven zitten. “Lummels! … sta op!” Van de banken waar men niet opstaat, wordt geantwoord: “Knechten!” Het lawaai gaat over in geloei. Kerenski stelt voor om “de eerste soldaat van de Voorlopige Regering” rustig aan te horen. Scherp, kort, bevelend, zoals het een generaal die op het punt staat zijn land te redden past, leest Kornilov een stuk voor dat de avonturier Sawojko, gedicteerd door de avonturier Filonenko, voor hem opgesteld heeft. Overeenkomstig het vooraf opgesteld programma was het stuk veel gematigder dan het plan waartoe het de inleiding moest vormen. Kornilov geneerde zich niet de toestand van het leger en de situatie aan het front in de meest sombere kleuren te beschrijven met de kennelijke bedoeling angst aan te jagen. De kern van zijn rede werd gevormd door de volgende voorspelling inzake de oorlog: “De vijand staat reeds voor de poorten van Riga en wanneer ons leger niet stand houdt en het mogelijk maakt om ons te handhaven aan de kust van Riga, zal de weg naar Petrograd open staan.” Kornilov geeft dan de regering een flinke trap: “Door een reeks wetgevende maatregelen die na de omwenteling doorgevoerd zijn door mensen die de geest van het leger niet begrijpen, is dit leger veranderd in een troep waanzinnigen die alleen maar hechten aan hun leven.” Het is duidelijk: er is geen redding voor Riga meer mogelijk en de opperbevelhebber zegt dit openlijk, uitdagend, voor de gehele wereld, als het ware de Duitsers uitnodigend om de onbeschermde stad te nemen. En Petrograd? Kornilovs gedachte is als volgt: “Indien men mij in de gelegenheid stelt om mijn programma uit te voeren, is Petrograd wellicht nog te redden; maar haast u!” Het Moskouse blad van de bolsjewieken schreef: “Wat is dit – een waarschuwing of een dreigement? De nederlaag van Tarnopol had Kornilov tot opperbevelhebber gemaakt. Het prijsgeven van Riga kan hem tot dictator maken.” Deze gedachtegang komt meer met de werkelijke bedoelingen van de samenzweerder overeen dan de meest achterdochtige bolsjewiek kon vermoeden.

De kerkvergadering, die aan de schitterende ontvangst van Kornilov had deelgenomen, zond nu een van haar meest reactionaire leden, de aartsbisschop Platon, om de opperbevelhebber te hulp te komen. “U hebt zopas een gruwelijk beeld van het leger gegeven,” zei deze vertegenwoordiger van de “levende krachten,” en ik ben hier gekomen om van hieruit Rusland op te roepen: “Laat u niet in verwarring brengen, dierbaar land, wees niet bevreesd, geliefd Rusland… Indien er een wonder zou moeten geschieden om Rusland te redden, dan zal God de smeekbeden van de kerk verhoren en een wonder doen.” De rechtgelovige heersers gaven ter bescherming van de kerkelijke goederen de voorkeur aan de Kozakkenleiders. Dit was echter niet de kern van de rede. De aartsbisschop beklaagde zich erover dat hij in de redevoeringen van de leden van de regering “geen enkele maal, zelfs niet terloops, het woord God vernomen had.” Evenals Kornilov de revolutieregering ervan beschuldigde het leger te ondermijnen, verweet Platon “hen die nu ons godsvruchtig volk vertegenwoordigen” misdadig ongeloof. De priesters die zich voor Raspoetin in het stof gebogen hadden, waagden het nu openlijk het Koninkrijk Gods te prediken aan de regering van de revolutie.

Generaal Kaledin, die in die tijd telkens weer als een van de voornaamste figuren van de legerpartij genoemd werd, las een verklaring van twaalf Kozakkenlegers voor. Kaledin, die volgens de woorden van een van zijn lofredenaars “er niet van hield om de mensen naar de mond te praten en dit ook niet kon,” “raakte daardoor in conflict met generaal Brjoessilov en werd van zijn post ontheven omdat hij de geest van de tijd niet begreep.” De Kozakkengeneraal die begin mei naar de Don teruggekeerd was, werd spoedig daarna tot Hetman van de Dontroepen gekozen. Hij had als hoofd van het oudste en sterkste Kozakkenleger de opdracht om het programma van de bevoorrechte Kozakkenleiders te ontvouwen. Terwijl hij de verdachtmaking van contrarevolutionaire gezindheid van de hand wees, herinnerde hij onze socialistische ministers op onvriendelijke wijze in zijn verklaring eraan dat zij in de ogenblikken van gevaar tot de Kozakken gewend hadden om hulp te zoeken tegen de bolsjewieken. De barse generaal wist onverwacht het hart van de democraten te veroveren door luid het woord uit te spreken dat Kerenski niet hardop had durven noemen: republiek. De meerderheid van de zaal en vooral minister Tsjernov juichte de Kozakkengeneraal toe, die in alle ernst van de republiek eiste wat het absolutisme niet meer kon geven. Napoleon voorspelde indertijd dat Europa Kozaks of republikeins zou zijn. Kaledin wilde Rusland republikeins zien, onder voorwaarde dat het Kozaks zou blijven. Nadat hij de woorden voorgelezen had: “Voor defaitisten is er geen plaats in de regering,” wendde de ondankbare generaal zich brutaalweg tot de ongelukkige Tsjernov. Een liberaal blad deelt hieromtrent mee: “Alle blikken zijn op Tsjernov gericht, die zich diep over zijn tafel voorover buigt.” Kaledin, die door geen enkele officiële positie gebonden was, legde het programma van actie van de reactie geheel bloot: afschaffing van de comités, herstel van de macht van de superieuren, aanpassing van het achterland aan het front, herziening, d.w.z. vernietiging van de rechten van de soldaten. Bijvalsbetuigingen van rechts gaan vergezeld van protesten en zelfs gefluit van links. De Constituerende Vergadering moest “om rustiger en stelselmatiger te kunnen werken” te Moskou bijeen komen. Kaledin hield zijn rede die vóór de bijeenkomst was opgesteld daags na de algemene staking, zodat de passage over het “rustig werken” in Moskou lichtelijk ironisch klonk. Het optreden van de Kozakkenrepublikein deed tenslotte de temperatuur in de zaal tot op kookpunt stijgen en bracht Kerenski ertoe om zijn gezag te doen gelden: “Niemand heeft in deze vergadering het recht eisen aan de regering te stellen.” Maar waarom is de vergadering dan eigenlijk bijeengeroepen? Poerisjkevitsj, een populaire Zwarte Honderd-man, schreeuwde vanaf zijn plaats: “Wij zijn slechts ledenpoppen van de regering!” Twee maanden geleden had deze pogromheld zich nog niet durven vertonen.

De officiële verklaring van de democratie, een eindeloos stuk dat op alle vragen antwoord trachtte te geven zonder er ook maar één te beantwoorden, werd voorgelezen door de voorzitter van het Centraal Uitvoerend Comité, Tsjcheïdse, die van links met daverend applaus begroet werd. Kreten als: “Leve de leider van de Russische Revolutie!” moesten de bescheiden Kaukasiër wel verlegen maken, hij voelde zich immers allerminst een leider. Als om zichzelf te rechtvaardigen, verkondigde de democratie dat zij niet “naar de macht gestreefd en geen monopoliepositie gewild had.” Zij was bereid om elke regering te ondersteunen die in staat was de belangen van het land en de revolutie te beschermen. Men moest echter de Sovjets niet afschaffen: deze alleen hadden het land voor anarchie behoed. Men moest de comités in het leger niet afschaffen: zij alleen konden een voortzetting van de oorlog verzekeren. De bevoorrechte klassen moesten van veel dingen afstand doen in het algemeen belang. Doch de grootgrondbezitters moesten beschermd worden tegen onteigening. Men moest met de oplossing van het nationaliteitenvraagstuk wachten totdat de Constituerende Vergadering bijeenkwam. De meest urgente hervormingen moeten intussen doorgevoerd worden. Over een daadwerkelijke vredespolitiek werd in de verklaring met geen woord gerept. In het algemeen was de verklaring als het ware erop berekend om verontwaardiging bij de massa’s teweeg te brengen zonder de bourgeoisie te bevredigen.

De vertegenwoordiger van het Boeren-Uitvoerend Comité herinnerde in een vage en slappe rede aan de slogan “land en vrijheid” waarvoor “onze beste strijders omgekomen zijn.” Een Moskous dagblad vermeldt een gebeurtenis die niet in het officiële verslag voorkomt: “De hele zaal rijst als één man op en brengt een stormachtige ovatie aan de Schlüsselburgers die in een loge zitten.” Een eigenaardige gril van de revolutie! De gehele zaal eert de vroegere politieke dwangarbeiders die de monarchie van Alexejev, Kornilov, Kaledin, bisschop Platon, Rodsjanko, Goetsjkov en eigenlijk ook Miljoekov nog niet in haar gevangenissen had kunnen ombrengen. De beulen of de medeplichtigen van deze beulen wilden zich tooien met het aureool van martelaar van hun eigen slachtoffers.

Vijftien jaar geleden hadden de leiders van de rechterhelft van de zaal het tweehonderdjarig jubileum van de verovering van de vesting Schlüsselberg door Peter I gevierd. De “Iskra”, het blad van de revolutionaire vleugel van de sociaaldemocratie, schreef in die dagen: “Welk een verontwaardiging wekt dit patriottisch feest op het vervloekte eiland dat de plaats geweest is waar Minakov, Mysjkin, Rogatsjev, Stromberg, Oeljanov, Generalov, Ossipanov, Androesjkin en Sjevyrev terechtgesteld zijn; bij de stenen holen waarin Klimenko zich ophing, Gratsjevski zich met petroleum begoot en verbrandde, Sofia Ginsburg zich met een schaar doorstak; aan de voet van de muren waarachter Sjtsjedrin, Joevatsjev, Konasjevitsj, Pochitinov, Ignatij Ivanov, Arontsjik en Tichonovitsj in de eindeloze nacht van waanzin verzonken en tientallen anderen van uitputting, scheurbuik en tuberculose omkwamen. Geeft u over aan patriottische bacchanalen zolang gij nog heersers in Schlüsselburg bent!” Tot motto van de “Iskra” dienden de woorden uit een brief van de tot dwangarbeid veroordeelde decabristen aan Poesjkin: “Uit de vonk zal de vlam oplaaien.” Zij is opgelaaid. Zij heeft de monarchie en haar Schlüsselburggevangenis in de as gelegd. En vandaag brengen in de zaal van de Landelijke Vergadering de gevangenenbewakers van gisteren een ovatie aan de door de revolutie aan hun klauwen ontrukte slachtoffers. Maar het meest wonderlijke was toch dat gevangenenbewakers en gevangenen zich verenigden in een gevoel van gemeenschappelijke haat tegen de bolsjewieken, tegen Lenin, de vroegere leider van de “Iskra”, tegen Trotski, de schrijver van de bovengeciteerde regels, tegen de opstandige arbeiders en ongehoorzame soldaten die de gevangenissen van de republiek vulden.

De nationaal-liberaal Goetsjkov, voorzitter van de derde Doema, die van zijn kant de toelating van de linkse afgevaardigden tot de commissie van de landsverdediging verhinderd had en daarom door de verzoeningsgezinden tot eerste minister van oorlog van de revolutie benoemd was, hield een zeer interessante rede waarin hij ironie de overhand trachtte te doen krijgen over vertwijfeling, echter zonder succes. “Waarom echter… waarom,” zei hij, zinspelend op Kerenski’s woorden, “kwamen de vertegenwoordigers van de regering tot ons in “dodelijke angst” en met “dodelijke schrik”, met een ziekelijk, ik zou bijna zeggen hysterisch wanhoopsgehuil, waarom treffen deze onrust, deze angst en dit gehuil, ja waarom treffen zij ook in onze ziel dezelfde smartelijke en beklemmende doodsangst aan?” In naam van hen die vroeger geheerst, gecommandeerd, gratie betoond en gestraft hadden, biechtte de Moskouse groothandelaar openlijk gevoelens van “doodsangst”. “Deze regering,” riep hij uit, “is de schim van een regering.” Goetsjkov had gelijk. Maar ook hijzelf die vroeger een medestander van Stolypin was, was nog slechts een schim van vroeger.

Juist op de dag van de opening van de Vergadering verscheen in het blad van Gorki een mededeling over het feit dat Rodsjanko zich verrijkt had met het leveren van ondeugdelijke geweerkolven. De ontijdige onthulling die afkomstig was van Karachan, de toentertijd nog volkomen onbekende latere Sovjetdiplomaat, belette de kamerheer niet om in de vergadering plechtig voor de verdediging van het patriottisch programma van de oorlogsleveranciers op te komen. Alle rampspoed was daaruit voortgekomen dat de Voorlopige Regering niet hand in hand met de Rijksdoema, de enige in Rusland volkomen rechtmatige volksvertegenwoordiging, samengewerkt had. Dat was te kras. Op de linkse banken lachte men. Er werd geroepen: “De derde juni!” Vroeger was deze datum – 3 juni 1907, waarop de geoctrooieerde grondwet ingetrokken werd – een brandmerk op het voorhoofd van de monarchie en de partijen die deze ondersteunden. Nu leefde hij nog slechts flauw in de herinnering. Doch ook de met zijn basstem bulderende Rodsjanko, hoe reusachtig en imposant ook, leek op het spreekgestoelte veeleer een beeld uit het verleden dan een politieke figuur.

Tegenover de aanvallen van binnenuit stelt de regering een aanmoediging die op het juiste moment van buitenaf kwam. Kerenski leest het begroetingstelegram voor van de Amerikaanse president Wilson, die “alle mogelijke materiële en morele ondersteuning van de Russische regering voor het welslagen van de gemeenschappelijke zaak die beide volken verbindt en waarmee zij geen enkel egoïstisch doel nastreven,” toezegt. De nieuwe bijvalsbetuigingen voor de loge van de diplomaten zijn niet in staat om de bezorgdheid te verbergen die het telegram uit Washington in de rechterhelft van de zaal teweegbrengt: het loflied op de onbaatzuchtigheid betekende voor de Russische imperialisten maar al te duidelijk een hongerdieet.

In naam van de verzoeningsgezinde democratie verdedigde Tsereteli, die haar erkende leider was, de Sovjets en de comités in het leger, zoals men, om de eer op te houden, een zaak verdedigt die bij voorbaat al verloren is. “Men mag deze stellage nog niet wegnemen zolang het gebouw van het vrije revolutionaire Rusland nog niet gereed is.” Na de revolutie hadden “de volksmassa’s eigenlijk niemand behalve zichzelf vertrouwd”: slechts door de bemoeiingen van de verzoeningsgezinde Sovjets was het voor de bezittende klasse mogelijk om hun positie, hoewel in de eerste tijd met wat minder comfort, te behouden. Tsereteli rekende het de Sovjets als een buitengewone verdienste aan dat “alle functies in de staat aan de coalitieregering waren overgedragen”: was dit offer soms met geweld “van de democratie afgedwongen?” De spreker leek op een commandant van een vesting die er zich openlijk op beroemt dat hij de vesting die aan hem toevertrouwd is zonder enige strijd overgegeven heeft… En in de Julidagen – “wie heeft toen met zijn leven het land tegen de anarchie verdedigd?” Van rechts roept men: “De Kozakken en de jonkers.” Als een zweepslag doorstriemden deze paar woorden de democratische stroom van gemeenplaatsen. De burgerlijke vleugel van de vergadering begreep zeer goed welke dienst de verzoeningsgezinden bewezen hadden. Dankbaarheid bestaat echter niet in de politiek. De bourgeoisie haastte zich haar conclusies te trekken uit de door de democratie aan haar bewezen diensten: het hoofdstuk van de sociaal-revolutionairen en mensjewieken was afgesloten; nu volgde het hoofdstuk van de Kozakken en de “jonkers”.

Extra voorzichtig behandelde Tsereteli het regeringsvraagstuk. Er hadden in de afgelopen maanden verkiezingen voor de stedelijke Doema’s en gedeeltelijk ook voor de Zemstvo’s plaatsgevonden op de grondslag van algemeen kiesrecht. En nu? De vertegenwoordigers van de democratische zelfbesturen stonden in de Landelijke Vergadering aan de kant van de linkergroep, samen met de Sovjets en onder leiding van dezelfde partijen, van de sociaal-revolutionairen en de mensjewieken. Indien de kadetten van plan waren vast te houden aan de eis om een einde te maken aan iedere afhankelijkheid van de regering van de democratie, waartoe diende dan de Constituerende Vergadering? Tsereteli gaf deze opvatting slechts in vage trekken aan. Want consequent doorgevoerd werd de politiek van een coalitie met de kadetten erdoor veroordeeld als zijnde in strijd zelfs met de formele democratie. Verwijt men de revolutie dat zij te veel van vrede spreekt? Maar hebben de bezittende klassen dan niet begrepen dat vredesleuzen tegenwoordig de enige manier zijn om oorlog te voeren? De bourgeoisie begreep dit heel goed. Zij wilde alleen maar tegelijk met de macht ook dit middel in eigen hand nemen. Tsereteli eindigde met een lofzang op de coalitie. In de innerlijk verdeelde vergadering die geen uitweg zag, klonken de verzoeningsgezinde gemeenplaatsen nog eens voor het laatst als uitingen van hoop. Doch ook Tsereteli was eigenlijk nog slechts een schim van vroeger.

Miljoekov, de hopeloos nuchtere vertegenwoordiger van die klassen die de loop van de historie belet had tot een nuchtere politiek te komen, gaf in naam van de rechterhelft van de zaal een antwoord aan de democratie. In zijn “Geschiedenis” geeft de liberale leider zijn eigen rede in de Landelijke Vergadering voortreffelijk weer. “Miljoekov gaf… een beknopt op de feiten gebaseerd overzicht van de fouten van de “revolutionaire democratie” en maakte tenslotte de balans op: … capitulatie inzake de democratisering van het leger, gepaard met een aftreden van Goetsjkov; capitulatie inzake de Zimmerwaldse politiek tegenover het buitenland, gepaard met een aftreden van de minister van buitenlandse zaken (Miljoekov); capitulatie voor de utopische eisen van de arbeidersklasse, gepaard met een aftreden van Konovalov (minister van handel en industrie); capitulatie voor de radicale eisen van de nationale minderheden, gepaard met een aftreden van de overige kadetten. De vijfde capitulatie, voor de onteigeningsstrevingen van de massa’s in de agrarische kwestie… leidde tot het aftreden van de eerste voorzitter van de Voorlopige Regering, vorst Lvov.” Dit is geen kwade beschrijving van het ziekteverloop. Wat de kuur betreft, bepaalde Miljoekov zich tot politiemaatregelen: men moet de bolsjewieken neerslaan. “Met de feiten voor ogen,” zo ontmaskerde hij de verzoeningsgezinden, “zagen deze meer gematigde groepen zich gedwongen toe te geven dat er misdadigers en verraders onder de bolsjewieken zijn. Zij willen totnutoe echter nog altijd niet toegeven dat de grondgedachte die deze aanhangers van anarchosyndicalistische strijdmethoden verbindt op zich misdadig is” (bijvalsbetuigingen).

De zeer volgzame Tsjernov was nog altijd de schakel die de coalitie met de revolutie verbond. Bijna alle sprekers van de rechtervleugel: Kaledin, de kadetten Maklakov en Astrov, keerden zich tegen Tsjernov, aan wie vooraf uitdrukkelijk bevolen was zijn mond te houden en die door niemand in bescherming genomen werd. Miljoekov van zijn kant herinnerde eraan dat de minister van landbouw “zelf in Zimmerwald en Kienthal geweest was en daar de meest radicale resoluties voorgesteld had.” Dit was inderdaad zo: Tsjernov had werkelijk, voordat hij minister van de imperialistische oorlog werd, enkele documenten van de linkse Zimmerwalders, d.w.z. van de fractie van Lenin, mee ondertekend.

Miljoekov verborg de bijeenkomst niet dat hij van het begin af aan tegenstander van de coalitie geweest was omdat hij van mening was dat zij “niet sterker maar zwakker was dan de uit de revolutie voortgekomen regering,” d.w.z. de regering Goetsjkov-Miljoekov. En ook nu was hij “zeer bevreesd dat de tegenwoordige samenstelling van de uitvoerende macht… geen waarborg voor de veiligheid van persoon en eigendom was.” Wat er ook van is, Miljoekov loofde de regering vrijwillig en roep zonder aarzelen op om ze te ondersteunen. Na twee weken reeds zal blijken hoe onwaarachtig deze grootmoedige belofte was. De redevoering wekte nu bij niemand geestdrift op, maar bracht ook geen heftige protesten teweeg. De spreker werd koel ontvangen en men liet hem gaan.

De tweede redevoering van Tsereteli kwam neer op toezeggingen, bezweringen, weeklachten. Dit alles is er toch voor u: de Sovjets, de comités, de democratische programma’s, de pacifistische leuzen – dit alles dient om u te beschermen: wie viel het gemakkelijker om de troepen van de revolutionaire Russische staat in beweging te brengen – de minister van oorlog Goetsjkov of de minister van oorlog Kerenski? Tsereteli herhaalde bijna woordelijk wat Lenin gezegd had. Alleen zag de leider van de verzoeningsgezinden een verdienste in hetgeen door de leider van de revolutie als verraad gebrandmerkt was. De spreker verontschuldigde zich verder voor de al te grote zachtmoedigheid tegenover de bolsjewieken: “Ik zeg u: de revolutie was nog onervaren in de strijd tegen de anarchie die van links kwam” (enthousiaste bijvalsbetuigingen van rechts). Nadat de revolutie echter “de eerste lessen gekregen had,” heeft zij haar fouten verbeterd: de uitzonderingswetgeving is reeds doorgevoerd. In diezelfde uren werd Moskou in het geheim geleid door het comité van zes – twee mensjewieken, twee sociaal-revolutionairen, twee bolsjewieken – dat de stad behoedde voor het gevaar van een omwenteling van de kant van diegenen aan wie de verzoeningsgezinden beloofden de bolsjewieken neer te slaan.

Het optreden van generaal Alexejev, die als het ware een verpersoonlijking van de onbekwaamheid van de oude militaire leiding was, was het hoogtepunt van de laatste dag. Onder mateloze bijval van rechts sprak de vroegere chef van de generale staf van Nicolaas II en organisator van de nederlagen van het Russische leger over die destructieve elementen, “in wier zakken men de Duitse marken hoorde rinkelen.” Om het leger te herstellen was tucht nodig, voor de tucht gezag van de superieuren en daarvoor weer tucht. “Noem de tucht de ijzeren, noem ze de doelbewuste, noem ze de ware tucht… de grondslagen van deze tucht zijn altijd dezelfde.” Het reglement van de dienst was voor Alexejev alles. “Is het dan zo moeilijk, mijne heren, om een denkbeeldig voorrecht – het bestaan van organisaties (gelach links) – voor een tijdje op te geven” (lawaai en geroep links). De generaal stelde voor om hem de ontwapende revolutie ter beschikking te stellen, maar niet voor altijd, o neen, slechts voor een tijdje: na beëindiging van de oorlog wilde hij alles in goede staat weer teruggeven. Alexejev eindigde echter met een aforisme dat niet slecht gevonden was: “Maatregelen zijn er nodig, geen halve maatregelen.” Deze woorden waren gericht tegen de verklaring van Tsjcheïdse, de Voorlopige Regering, het gehele Februaribewind. Maatregelen, geen halve maatregelen! Hiermee waren ook de bolsjewieken het eens.

Direct werden afgevaardigden van de Petrogradse en Moskouse linkse officieren tegenover generaal Alexejev gesteld, om “onze hoogste chef, de minister van oorlog” te ondersteunen. Na hen sprak luitenant Koetsjin, een oude mensjewiek, als woordvoerder van de “frontgroep van de Landelijke Vergadering” in naam van de miljoenen soldaten die zichzelf stellig nauwelijks herkend zouden hebben in de verzoeningsgezinde voorstelling. “Wij hebben allen het interview van generaal Loekomski in de kranten gelezen waarin gezegd wordt: Als de geallieerden niet te hulp komen, zal men Riga opgeven…” Waarom heeft het opperbevel, dat mislukkingen en nederlagen altijd probeert te verdoezelen nu plotseling behoefte gevoeld om de zaak zo somber mogelijk voor te stellen? De interrupties “Schande!” van links waren gericht tegen generaal Kornilov die de vorige dag dezelfde gedachte in de vergadering vertolkt had. Koetsjin raakte hier een van de meest gevoelige plekken van de bezittende klassen aan: de hogere bourgeoisie, de legerleiding, de gehele rechterhelft van de zaal waren volkomen vervuld van defaitistische gevoelens, op economisch, politiek en militair gebied. Hoe erger, hoe beter, was het devies van deze degelijke, evenwichtige patriotten geworden! De verzoeningsgezinde spreker haastte zich echter af te stappen van dit onderwerp, waarbij hij zelf de grond onder de voeten dreigde te verliezen. “Wij weten niet of wij het leger zullen redden,” zei Koetsjin, “maar indien wij het niet redden, zal ook de legerleiding het niet kunnen redden…”“Ze zal het wel redden!” roept men vanaf de banken van de officieren. Koetsjin antwoordt: “Neen, ze zal het niet redden!” Een donderend applaus bij de linksen. Zo wisselden vijandige demonstraties van de officieren en de comités, op wier fictieve solidariteit het programma tot herstel van het leger gebaseerd was, elkaar af. Zo schreeuwden de twee helften van de vergadering die de basis van de “eerlijke coalitie” vormden elkaar beurtelings toe. Deze botsingen waren slechts een zwakke, onderdrukte, parlementaire echo van de tegenstellingen waaronder het land gebukt ging.

Overeenkomstig de bonapartistische enscènering wisselden sprekers van rechts en van links elkaar af en hielden elkaar zo veel mogelijk in evenwicht. Als de priesters van de rechtgelovige kerkvergadering Kornilov ondersteunden, stelden de vertegenwoordigers van de evangelische christenen zich aan de kant van de Voorlopige Regering. De afgevaardigden van de Zemstvo’s en van de stedelijke doema’s traden paarsgewijs op: die van de meerderheid sloot zich aan bij de verklaring van Tsjcheïdse, die van de minderheid bij de verklaring van de Rijksdoema.

De woordvoerders van de onderdrukte volken betuigden de een na de ander hun vaderlandslievende gezindheid aan de regering, maar smeekten om hen niet langer te bedriegen: overal waren nog dezelfde ambtenaren, dezelfde wetten en dezelfde onderdrukking. “Langer dralen is onmogelijk. Geen enkel volk kan slechts van beloften leven.” Het revolutionaire Rusland moest tonen dat het een “moeder” en geen “stiefmoeder van alle volken” was. De schuchtere verwijten en bescheiden bezweringen vonden nagenoeg geen instemming en medegevoel, zelfs niet bij de linkerhelft van de zaal. De imperialistische oorlogsgeest is slecht verenigbaar met een eerlijke politiek in het nationaliteitenvraagstuk.

“De volken van Transkaukasië hebben tot nu toe geen enkele separatistische stap ondernomen,” verklaarde de mensjewiek Tsjenkeli in naam van de Georgiërs, “en zij zullen dit ook in de toekomst niet doen.” Deze toezegging die met applaus ontvangen werd, zal spoedig blijken niet na te komen te zijn: bij het uitbreken van de Oktoberrevolutie zal Tsjenkeli een van de separatistische leiders worden. Hierin is echter geen tegenstrijdigheid gelegen: het patriottisme van de democratie gaat niet verder dan het burgerlijk regime. Nieuwe en wel de meest tragische schimmen van het verleden betreden intussen het toneel. De oorlogsverminkten verheffen hun stem. Zelfs onder hen heerst geen eensgezindheid. Ook de mensen met afgeschoten armen en benen, de blinden, hebben hun aristocratie en hun plebs. In naam van de “geweldige” en machtige bond van ridders van St. George en de 128 onderafdelingen ervan op alle plaatsen in Rusland, ondersteunt een in zijn patriottische gevoelens gekwetste officier Kornilov (instemming bij rechts). Het Al-Russisch verbond van oorlogsinvaliden sluit zich bij monde van zijn afgevaardigden bij de verklaring van Tsjcheïde aan (instemming bij links). Het Uitvoerend Comité van de zojuist gestichte spoorwegbond, die (onder de afgekorte benaming “Wiksjel”) in de komende maanden een grote rol zal gaan spelen, stemt voor de verklaring van de verzoeningsgezinden. De voorzitter van de bond, een gematigd democraat en fel patriot, hing een schril beeld van de contrarevolutionaire intriges bij de spoorwegen op: boosaardige aanvallen op arbeiders, massaontslagen, eigenmachtige afschaffing van de achturendag, gerechtelijke vervolgingen. Geheimzinnige machten die vanuit verborgen, maar invloedrijke centra geleid worden, zijn er klaarblijkelijk op uit om de spoorwegarbeiders die honger hebben tot een strijd te verlokken. De vijand is onzichtbaar. “De contraspionage sluimert, het openbaar ministerie slaapt.” En deze meest gematigde onder de gematigden, eindigt met dit dreigement: “Indien de hydra van de contrarevolutie haar kop opsteekt, zullen wij opstaan en haar eigenhandig wurgen.”

Direct treedt een gewichtig personage van de spoorwegen op met tegenbeschuldigingen. “De zuivere bron van de revolutie is vertroebeld.” Waarom? “Omdat men de idealistische doeleinden van de revolutie door materiële vervangen heeft” (bijvalsbetuigingen van rechts). In dezelfde trant ontmaskert de kadet en grootgrondbezitter Roditsjev de arbeiders die de uit Frankrijk afkomstige “beschamende slogan ‘verrijkt u’” overgenomen hadden. De bolsjewieken zullen er spoedig voor zorgen dat de gedachte van Roditsjev een buitengewoon succes heeft, hoewel enigszins anders dan de spreker gehoopt had. Professor Oserov, een zuiver wetenschappelijk man en afgevaardigde van de hypotheekbanken, roept uit: “De soldaten in de loopgraven moeten aan de oorlog denken en niet aan de verdeling van de grond.” Hierover behoeft men zich niet te verbazen: een inbeslagneming van het particuliere grondbezit zou immers een inbeslagneming van het bankkapitaal betekenen: op 1 januari 1915 beliepen de hypotheken op de particuliere gronden een som van meer dan drie en een kwart miljard roebel!

Rechts marcheerden op: de vertegenwoordigers van de generale staven, industriebonden, handelskamers en banken, van de bond van de grootgrondbezitters en andere organisaties die honderden bekende figuren omvatten. Links vertegenwoordigers van sovjets, legercomités, vakverenigingen, democratische gemeenteraden, coöperaties, waarachter men talloze onbekende miljoenen bespeurde. In normale tijden was het overwicht altijd aan de korte kant van de hefboom. “Men kan juist op zo’n moment,” schoolmeesterde Tsereteli, “de betekenis van hen die door het overwicht van hun bezit sterk staan, niet loochenen.” Ja, maar het ging er om dat dit overwicht steeds … minder zeker te bepalen werd. Zoals de zwaartekracht niet een inherente eigenschap van de afzonderlijke voorwerpen is maar een onderlinge relatie ertussen, is het maatschappelijk overwicht geen aangeboren eigenschap van één persoon, maar die eigenschap van een bepaalde klasse die andere klassen noodgedwongen moeten erkennen. De revolutie was echter dicht genaderd tot aan het punt waarop men de “meest essentiële” eigenschappen van de heersende klassen niet langer gaat erkennen. Daardoor werd de positie van de vermaarde minderheid op het korte eind van de hefboom zo onaangenaam. De verzoeningsgezinden deden alle mogelijke moeite om het evenwicht in stand te houden. Ook zij hadden echter niet meer de kracht hiertoe: de massa’s oefenden een te sterke druk op het lange eind uit. Hoe angstvallig verdedigden de grootgrondbezitters, bankiers en industriëlen hun belangen? Ja, verdedigden zij ze eigenlijk nog wel? Bijna niet meer. Zij beschermden de ideële rechten, het cultuurbelang, de voorrechten van de toekomstige Constituerende Vergadering. Een leider van de zware industrie, von Ditmar, eindigde zelfs met een lofzang op “vrijheid, gelijkheid en broederschap.” Waar waren zij gebleven, de bronzen baritons van de winst, de diepe bassen van de grondrente? Van het toneel weerklonken nog slechts de meest zoete tenoren van onbaatzuchtigheid. Maar pas op: hoeveel gal en venijn is er onder al het zoete verborgen! Hoe onverwacht slaan de lyrische roulades om in een krijsende falset. De vertegenwoordiger van de Al-Russische kamer van landbouw, Kapazinski, die van ganser harte voor een latere landbouwhervorming is, verzuimt niet om “onze eerlijke Tsereteli” te bedanken voor het rondschrijven waarin het recht verdedigd wordt tegen de anarchie. Maar de grondcommissies? Die toch immers de macht direct aan de boer geven? Zal men aan hem, “de sombere boer die nauwelijks lezen en schrijven kan, die van vreugde over het feit dat hij eindelijk… grond krijgt zijn verstand dreigt te verliezen, zal men aan deze de rechtspleging op het platteland opdragen?” Indien de grondbezitters in de strijd met de sombere boer de eigendom verdedigen, doen zij dit niet uit zelfzucht, o neen, alleen maar om deze later op het altaar van de vrijheid te offeren.

De sociale symboliek was nu klaarblijkelijk uitgeput. Maar dan krijgt Kerenski een gelukkige inval. Hij stelt voor aan nog één groep het woord te geven, aan “de groep van de Russische geschiedenis en wel: Bresjko-Bresjkovskaja, Kropotkin en Plechanov.” De Russische sociaal-revolutionaire beweging, het Russische anarchisme en de Russische sociaaldemocratie treden op in de persoon van de oude generatie, het anarchisme en het marxisme in de persoon van hun voornaamste stichters.

Kropotkin vraagt om zich te mogen “aansluiten bij hen die het gehele Russische volk opriepen voor eens en voor altijd te breken met Zimmerwald.” De apostel van de geweldloosheid verbindt zich direct met de rechtervleugel van de vergadering. De nederlaag dreigt niet alleen met een verlies van grote gebieden en met oorlogsschattingen: “Weet kameraden, dat er nog iets erger is dan dit alles: dat is de geestesgesteldheid van een overwonnen land.” De vroegere internationalist geeft de voorkeur aan de geestesgesteldheid van een overwonnen land… aan de andere kant van de grens. Terwijl hij eraan herinnert hoe het overwonnen Frankrijk zich vernederde voor de Russische tsaar – hij voorziet niet hoe het zegevierende Frankrijk zich zal vernederen voor de Amerikaanse bankiers – roept Kropotkin uit: “Zullen ook wij dit moeten doormaken? Dat nooit!” Bijvalsbetuigingen uit de gehele zaal vallen hem ten deel. Welke gunstige vooruitzichten opent de oorlog daarentegen? “Iedereen begint te begrijpen dat een nieuw leven op nieuwe socialistische grondslagen moet opgebouwd worden… Lloyd George houdt redevoeringen die doordrongen zijn van een socialistische geest… In Engeland, in Frankrijk, in Italië ontstaat een nieuwe levensopvatting, doordrongen van socialisme, helaas van staatssocialisme.” Hoewel Lloyd George en Poincaré “helaas” nog niet de staatsgedachte hebben opgegeven, heeft Kropotkin zich toch vrij openlijk bij hen aangesloten. “Ik geloof,” zegt hij, “dat wij geenszins op de rechten van de Constituerende Vergadering vooruitlopen – ik erken volmondig dat zij in deze kwestie het laatste woord moet hebben – indien wij, de vergadering van de Russische aarde, luid de wens uitspreken dat Rusland tot republiek zal worden uitgeroepen.” Kropotkin wil een federatieve republiek: “Wij moeten een federatie hebben zoals men die in de Verenigde Staten kent.” Zo is de “federatie van vrije communes” van Bakoenin veranderd! “Laten wij elkaar nu beloven,” bezweert Kropotkin tenslotte, “dat wij ons niet meer in een linkerhelft en in een rechterhelft van deze schouwburg zullen verdelen… Wij hebben toch allen één en hetzelfde vaderland en wij moeten hiervoor opkomen en zo nodig bereid zijn te sterven, wij allen, rechtsen en linksen.” Grootgrondbezitters, industriëlen, generaals, ridders van St. George, allen die Zimmerwald verwerpen, gaven de apostel van het anarchisme een welverdiende ovatie.

De liberale beginselen bestaan in werkelijkheid slechts in samenhang met een politiegeest. Het anarchisme is een poging om het liberalisme van die politiegeest te ontdoen. Maar evenals zuurstof alleen het ademen onmogelijk maakt, betekenen de van politiegeest gezuiverde liberale beginselen de dood voor de maatschappij. Als karikaturale afschaduwing van het liberalisme deelt het anarchisme in het algemeen het lot daarvan. De ontwikkeling van de klassentegenstellingen die het liberalisme doodt, doodt ook het anarchisme. Zoals elke sekte waarvan de leer niet op de werkelijke ontwikkeling van de menselijke samenleving, maar op een ad absurdum voeren van een van haar eigenschappen gebaseerd is, lost het anarchisme zich op als een zeepbel op het ogenblik waarop de sociale tegenstellingen tot een oorlog of een revolutie leiden. Het door Kropotkin vertegenwoordigde anarchisme was misschien wel de meest schimmige van alle schimmen in de Landelijke Vergadering.

In Spanje, het klassieke land van het bakoenisme, herhalen de anarchosyndicalisten en de zogenaamde “specifieke” of zuivere anarchisten, terwijl zij elke politiek principieel verwerpen, in werkelijkheid de politiek van de Russische mensjewieken. De pathetische ontkenners van de staat buigen zich eerbiedig voor deze zodra hij zich een beetje vernieuwt. Terwijl zij de arbeidersklasse voor de verleidingen van de regering waarschuwen, ondersteunen zij belangeloos de regering van de “linkse” bourgeoisie. Terwijl zij de poespas van het parlementarisme vervloeken, spelen zij in het geheim hun aanhangers de verkiezingsblaadjes van de vulgaire republikeinen in handen. Welke oplossing de Spaanse revolutie ook zal brengen, zij zal in elk geval eens en voor altijd met het anarchisme afrekenen.

Het jonge Russische marxisme, dat tientallen jaren lang de politieke vrijheid als einddoel zag, sprak bij monde van Plechanov die door de gehele zaal enthousiast begroet werd – de linksen eerden hun oude leermeester, de rechtsen hun nieuwe bondgenoot. Waar voor de bolsjewieken de revolutie pas begon, was zij voor Plechanov afgesloten. Terwijl hij de industriëlen aanried “toenadering tot de arbeidersklasse te zoeken,” stelde Plechanov aan de democraten voor: “Jullie moeten noodzakelijk met de vertegenwoordigers van de klassen van handel en industrie tot overeenstemming trachten te komen.” Als afschrikkend voorbeeld noemde Plechanov “Lenin droeviger gedachtenis,” die zo diep gezonken was dat hij de arbeidersklasse ertoe opriep “direct de politieke macht te grijpen.” De vergadering had juist Plechanov, die bij het uitbreken van de revolutie volkomen opgehouden had revolutionair te zijn, nodig om te waarschuwen voor een strijd om de macht.

In de avond van diezelfde dag, waarop de afgevaardigden namens “de Russische geschiedenis” gesproken hadden, gaf Kerenski het woord aan de vertegenwoordiger van de kamer van landbouw en de vereniging van paardenfokkers, eveneens een Kropotkin, een ander lid van de oude vorstelijke familie die, indien men de stamboom mocht geloven, meer recht op de Russische troon had dan de Romanovs. “Ik ben geen socialist,” zei de feodale aristocraat, “maar ik heb eerbied voor het ware socialisme. Doch als ik onteigeningen, plunderingen en gewelddaden zie, moet ik zeggen dat de regering personen die zich bij het socialisme hebben aangesloten niet moet laten deelnemen aan de opbouw van het land.” Deze tweede Kropotkin, die zich openlijk tegen Tsjernov richtte, had niets aan te merken op socialisten als Lloyd George en Poincaré. Samen met de tegenvoeter uit zijn familie, de anarchist, veroordeelde de monarchist Kropotkin Zimmerwald, klassenstrijd en inbezitnemingen van land – ach, hij had de gewoonte dit “anarchie” te noemen – en ook hij eiste eenheid en een overwinning. In de notulen is helaas niet vermeld of de Kropotkins elkaar toejuichten.

Er was in de door haat verscheurde vergadering zoveel over eenheid gesproken dat deze, al was het maar een ogenblik, in de onvermijdelijke symbolische handdruk tot uiting moest komen. Het blad van de mensjewieken bericht in geestdriftige termen over deze gebeurtenis: “Tijdens het optreden van Boeblikov speelt zich een voorval af dat een diepe indruk op alle deelnemers aan de bijeenkomst maakt. ‘Nu gisteren,’ verklaarde Boeblikov, ‘de edele leider van de revolutie, Tsereteli, zijn hand uitgestoken heeft naar de industriëlen, moge hij weten dat deze hand niet tevergeefs uitgestoken is…’ Wanneer Boeblikov uitgesproken is, treedt Tsereteli op hem toe en drukt hem de hand. Stormachtige ovaties.”

Wat een ovaties! Maar al te veel ovaties. Acht dagen vóór bovenvermeld toneel had diezelfde Boeblikov, een belangrijke figuur bij de spoorwegen, op het congres van de industriëlen, aan het adres van de Sovjetleiders uitgeroepen: “Weg oneerlijke, domme lieden, jullie allen die ons… naar de afgrond drijven!” En zijn woorden waren in Moskou nog niet vergeten. De oude marxist Rjasanov, die als lid van een vakverenigingsdelegatie aan de vergadering deelnam, herinnerde zeer van pas aan de kus van de Lyonse bisschop Lamourette: “aan die kus die twee delen van de Nationale Vergadering wisselden – niet de arbeiders en de bourgeoisie, maar twee delen van de bourgeoisie – en jullie weten dat de strijd na deze kus feller dan ooit ontbrandde.” Met een zeldzame openlijkheid erkent Miljoekov dat “de wil tot eenheid van de kant van de industriëlen niet oprecht was – maar praktisch noodzakelijk voor die klasse, voor wie er zoveel op het spel stond. Zo’n verzoening met bijbedoelingen was ook de befaamde handdruk van Boeblikov.”

Heeft de meerderheid van de deelnemers in handdrukken en kussen geloofd? Heeft ze in zichzelf geloofd? Hun gevoelens waren net als hun plannen tegenstrijdig. Weliswaar was er in sommige redevoeringen, vooral bij sprekers uit de randgebieden, nog iets van de eerste geestdrift, hoop en illusie te bespeuren. Maar de nagalmen van de Maartdagen klonken in de vergadering, waar de linkerhelft ontgoocheld en gedemoraliseerd en de rechterhelft verbitterd was, als een briefwisseling tussen verloofden op het ogenblik dat een proces tot echtscheiding voorgelezen wordt. De politici die naar het rijk van de schimmen verdwenen, trachtten met denkbeeldige middelen een denkbeeldig regime te redden. Er heerste een kille, doodse sfeer van wanhoop in de vergadering van de “levende krachten”, bij de parade van de verdoemden.

Kort voor het einde van de vergadering was er een voorval dat de diepe kloof liet zien die er zelfs in die groep die als voorbeeld van politieke eenheid gold, namelijk de Kozakken, bestond. Nagajev, een jong Kozakkenofficier die deel uitmaakte van de Sovjetdelegatie, verklaarde dat de werkende Kozakken niet achter Kaledin stonden: de strijders aan het front hadden geen vertrouwen in de Kozakkenleiders. Dit was volkomen juist en raakte de meest gevoelige snaar. Dan volgt het meest woeste toneel van de vergadering. De linkervleugel juicht Nagajev geestdriftig toe. Er wordt geroepen: “Leve de revolutionaire Kozakken.” Van rechts weerklinken verontwaardigde protesten: “Hiervan zal je rekenschap moeten afleggen!” Een stem uit de officiersloge roept: “De Duitse marken.” Deze woorden die altijd als laatste patriottische argumenten moeten dienen, hebben de uitwerking van een bom die barst. Er ontstaat een hels kabaal in de zaal. De Sovjetafgevaardigden springen op van hun plaatsen en heffen dreigend de vuist op tegen de officierenloge. Men schreeuwt: “Provocateurs!” De voorzitter belt onophoudelijk. Het lijkt – alsof er elk ogenblik een handgemeen zal ontstaan.

Na alles wat er voorgevallen is, verzekerde Kerenski in zijn slotrede: “Ik geloof en weet zelfs zeker… dat wij een beter begrip voor elkaar, dat wij een grote eerbied voor elkaar gekregen hebben…” Nog nooit had het dubbele karakter van het Februaribewind zich zo weerzinwekkend en doelloos huichelachtig voorgedaan als ditmaal. De stem van de spreker die zelf niet in staat is om op deze toon voort te gaan, slaat plotseling bij de laatste passages in een schreeuw van vertwijfeling en dreiging over. “Terwijl zijn stem, die van een hysterisch geschreeuw in een tragisch gefluister overgaat, het begeeft, dreigt Kerenski,” volgens de beschrijving van Miljoekov, “zijn denkbeeldige tegenstander die hij met onrustige blik in de zaal zoekt…” In werkelijkheid wist Miljoekov beter dan wie ook, dat de tegenstander niet denkbeeldig was. “Burgers van de Russische aarde, vandaag wil ik niet langer dromen … Laat mijn hart verstenen…,” raaskalde Kerenski, “laten al die bloemen en dromen over de mens verdorren (een vrouwenstem van boven roept: “O, neen!”), die vandaag vanaf deze katheder vertrapt werden. Zo zal ik zelf beginnen met ze te vertrappen. Zij zullen niet meer bestaan (een vrouwenstem roept van boven: “Dat mag je niet doen, uw hart zal het niet verdragen!”). Ik zal de sleutel tot mijn hart dat de mensen liefheeft, ver van mij werpen, ik zal alleen maar aan de staat denken.”

Er ging een siddering door de zaal, ditmaal door beide helften. De sociale symboliek van de Landelijke Vergadering eindigde met een onuitstaanbare monoloog uit een melodrama. De vrouwenstem die zich ter verdediging van de bloemen van het hart verhief, klonk als een noodkreet, als een SOS-geroep van de vreedzame, onbloedige Februarirevolutie. Eindelijk daalde het scherm over de Landelijke Vergadering.

Kerenski en Kornilov (bonapartistische elementen in de Russische Revolutie)

Er is reeds meermaals geschreven dat alle verdere onheil, waaronder ook de komst van de bolsjewieken, kon vermeden worden indien niet Kerenski maar iemand met scherpere inzichten en meer vastberadenheid de regering had geleid. Kerenski miste effectief zowel de inzichten als de vastberadenheid. Maar waarom schoven bepaalde maatschappelijke klassen dan net Kerenski naar voor?

Alsof het nodig was om ons geheugen nog eens op te frissen, tonen de gebeurtenissen in Spanje opnieuw dat een revolutie traditionele politieke scheidingslijnen wegvaagt en aanvankelijk verdoezelt. In dit stadium trachten zelfs de vijanden zich aan te passen: deze aanpassing is het gevolg van een zeker instinctief streven van de conservatieve klassen om met zo min mogelijk kleerscheuren door de dreigende omwenteling te geraken. De solidariteit van het volk die op holle frasen berust, maakt de verzoeningsgezindheid politiek noodzakelijk. Kleinburgerlijke idealisten die de klassenscheidingen verwaarlozen, volgens vaste schema’s denken, niet weten wat zij willen en iedereen het allerbeste toewensen, zijn in dit stadium de enig denkbare leiders van de meerderheid. Indien Kerenski een goed inzicht gehad had en vastberaden geweest was, zou hij niet geschikt geweest zijn voor zijn historische rol. Dit is geen oordeel achteraf. De bolsjewieken dachten er ook tijdens de gebeurtenissen zelf zo over. “Kerenski, een advocaat in politieke processen, een sociaal-revolutionair die aan het hoofd van de trudoviken stond, een radicaal zonder enige socialistische scholing – was de meest volmaakte weerspiegeling van het eerste tijdperk van de revolutie, van haar “nationale” verwarring, van het vurig idealisme en haar hoopvolle verwachtingen,” zo schreef de schrijver van dit boek na de Julidagen, in de gevangenis van Kerenski. “Kerenski sprak over land en vrijheid, over orde, volkerenvrede, vaderlandsverdediging, over Liebknechts heldhaftigheid, daarover dat de Russische Revolutie met haar grootmoedigheid de gehele wereld met verbazing zou vervullen, en zwaaide daarbij met een rood zijden doekje. De half ontwaakte kleinburgers hoorden vol verrukking deze redevoeringen aan: het leek hen toe alsof zij zelf op het spreekgestoelte stonden te praten. Het leger ontving Kerenski als bevrijder van Goetsjkov. De boeren hadden van hem als een trudoviek, een afgevaardigde van de moezjieks gehoord. De liberalen waren bekoord door zijn buitengewoon gematigde ideeën die onder vage radicale frasen schuil gingen…”

De tijd van algemene liefdesbetuigingen duurt echter nooit lang. De klassenstrijd sterft in het begin van de revolutie slechts om later als burgeroorlog te herleven. In de fabelachtige opkomst van de verzoeningsgezinden ligt hun onvermijdelijke val van meet af aan opgesloten. Het snelle afnemen van Kerenski’s populariteit werd door de officieuze journalist Claude Anet verklaard uit het feit dat gemis aan tact deze socialistische politicus bracht tot daden die “weinig pasten” bij zijn rol. “Hij zit in de keizerlijke loges. Leeft in het Winterpaleis of in het Tsarskoselopaleis. Slaapt in het bed van de Russische keizers. Een beetje te veel en bovendien te evidente praalzucht. Dit alles choqueert dit land dat het meest eenvoudige land van de wereld is.” Tact veronderstelt zowel in kleinigheden als in belangrijke dingen begrip van de situatie en van de plaats die men kan innemen. Bij Kerenski was hiervan geen sprake. Terwijl de massa’s hem vol vertrouwen omhoogstuwden, bleef hij volkomen vreemd tegenover hen staan, begreep hen niet en het interesseerde hem in het geheel niet hoe zij de revolutie opvatten en welke conclusies zij eruit trokken. De massa’s verwachtten grote daden van Kerenski, maar hij eiste van hen dat zij hem niet zouden storen bij zijn grootmoedige daden en zijn mooipraterij. Terwijl hij een theatraal bezoek bracht aan de gevangen genomen tsarenfamilie, zeiden de soldaten, die bij het paleis op wacht stonden tot hun commandant: “Wij moeten op een brits slapen en lijden een treurig bestaan; maar bij Nicolasjka komt, al is hij gevangen, vlees op tafel.” Dat waren niet erg “grootmoedige” woorden, maar zij drukten uit wat in de soldaten leefde.

Het volk dat zich uit eeuwenoude ketenen bevrijd had, overschreed telkens weer de grenzen die de fatsoenlijke leiders stelden. Kerenski klaagde daarom eind april: “Is de vrije Russische staat dan een staat van muitende slaven? (…) Ik betreur het dat ik niet twee maanden geleden gestorven ben: ik zou met een mooie droom gestorven zijn,” enz. Met een dergelijke slechte retoriek hoopte hij invloed op de arbeiders, soldaten, matrozen en boeren uit te oefenen. Admiraal Koltsjak deelde later voor het Sovjetgerecht mee hoe de radicale minister van oorlog in mei de Zwarte-Zeevloot afreisde om een verzoening tussen de matrozen en de officieren tot stand te brengen. Na elk optreden zei de spreker dat zijn doel bereikt was: “Ziedaar admiraal, alles is in orde…” Er was echter niets in orde gebracht: het verval van de vloot begon pas.

Kerenski bracht door zijn praalzucht, zijn hofmanieren en zijn eigenwaan hoe langer hoe meer wrevel bij de massa’s teweeg. Tijdens zijn reizen langs het front schreeuwde hij woedend in zijn wagon tot zijn adjudant, ongetwijfeld met de bedoeling dat de generaals het zouden horen: “Jaag de verwenste commissies toch weg.” Toen hij de Baltische vloot bezocht, gaf Kerenski aan het centraal comité van de matrozen bevel om tot hem op het admiraalsschip te komen. De “Centrobalt” die als Sovjetorgaan niet onder de minister stond, vatte het bevel als een belediging op. De voorzitter van de commissie, matroos Dybenko, antwoordde: “Als Kerenski met de Centrobalt wenst te spreken, moet hij maar bij ons komen.” Welk een ongehoorde brutaliteit! Op de schepen waar Kerenski politieke gesprekken met de matrozen voerde, was het niet beter gesteld, vooral op het bolsjewistisch gezinde schip “Republiek”, waar men de minister op ieder punt ter verantwoording riep: waarom had hij in de Rijksdoema voor de oorlog gestemd? Waarom de imperialistische nota van Miljoekov van 21 april ondertekend? Waarom aan de tsaristische senatoren zesduizend roebel pensioen per jaar toegekend? Kerenski weigerde op deze gemene, van kwaadwilligheid getuigende vragen te antwoorden. De bemanning van het schip achtte de verklaringen van de minister “onbevredigend” … Onder doodse stilte bij de matrozen verliet Kerenski het schip. “Oproerige slaven!” zei de radicale advocaat tandenknarsend. De matrozen begrepen echter vol trots: “]a, wij waren slaven, maar nu zijn wij opgestaan!”

Door de achteloosheid waarmee hij de democratische openbare mening behandelde, bracht Kerenski voortdurend conflicten teweeg met de Sovjetleiders, die weliswaar hetzelfde deden als hij maar meer met de massa’s rekening hielden. Op 8 maart al verklaarde het Uitvoerend Comité, verschrikt door het protest van het volk, aan Kerenski dat de gevangengenomen politieagenten niet vrijgelaten mochten worden. Enkele dagen later zagen de verzoeningsgezinden zich ertoe genoodzaakt te protesteren tegen het plan van de minister van justitie om de tsarenfamilie naar Engeland te laten vertrekken. Wederom twee à drie weken later bracht het Uitvoerend Comité de kwestie van de “regeling van de onderlinge betrekkingen” in het algemeen bij Kerenski ter sprake. Deze betrekkingen werden niet geregeld en konden ook niet geregeld worden. Even ongelukkig was het in de partij gesteld. Op het congres van de sociaal-revolutionairen begin juni werd Kerenski bij de verkiezing voor het centraal comité niet gekozen: hij kreeg 135 van de 270 stemmen. Wat deden de leiders moeite om aan te tonen dat “velen niet op Kerenski gestemd hadden omdat hij reeds te overbelast was.” In werkelijkheid aanbaden weliswaar de sociaal-revolutionairen uit de leiding en de departementen Kerenski als de bron van alle goeds, maar bij de oude, inniger met de massa’s verbonden sociaal-revolutionairen genoot hij noch achting, noch vertrouwen. Noch het Uitvoerend Comité, noch de sociaal-revolutionaire partij konden het echter zonder Kerenski stellen: hij was onmisbaar als schakel in de coalitie.

In het sovjetblok hadden de mensjewieken de leiding: zij bedachten wat er besloten zou worden, d.w.z. hoe men daden zou vermijden. In het staatsapparaat hadden echter stellig de narodniki de overhand over de mensjewieken, hetgeen het duidelijkst tot uiting kwam in de dominerende positie van Kerenski. Kerenski, die deels kadet, deels sociaal-revolutionair was, was in de regering niet een vertegenwoordiger van de Sovjets, zoals Tsereteli en Tsjernov, maar een levende schakel tussen bourgeoisie en democratie. Tsereteli en Tsjernov belichaamden slechts een kant van de coalitie. Kerenski was de persoonlijke belichaming van de coalitie zelf. Tsereteli klaagde over het overheersen van “persoonlijke elementen” bij Kerenski, zonder te begrijpen dat deze niet te scheiden waren van zijn politieke rol. Tsereteli zelf stuurde als minister van binnenlandse zaken een rondschrijven waarin stond dat de commissaris van het gouvernement op alle “werkelijke krachten” ter plaatse, d.w.z. op de bourgeoisie en de Sovjets, moest steunen en de politiek van de Voorlopige Regering moest doorvoeren zonder zich door “partij-invloeden” te laten leiden. Deze ideale, zich boven de vijandige klassen en partijen stellende commissaris, die slechts uit zichzelf en uit het rondschrijven zijn roeping moest putten – is een Kerenski in gouvernements- of districtsformaat. Als bekroning van dit systeem was een onafhankelijk Al-Russisch commissaris in het Winterpaleis nodig. Zonder Kerenski zouden de verzoeningsgezinden een kerkkoepel zonder kruis geweest zijn.

De geschiedenis van Kerenski’s opkomst is zeer leerzaam. Minister van justitie werd hij dankzij de Februariopstand waarvoor hij zo bang geweest was. De Aprildemonstratie van de “oproerige slaven” maakte hem tot minister van oorlog en marine. De Juligevechten die door “Duitse agenten” veroorzaakt waren, stelden hem aan het hoofd van de regering. Begin september zal de massabeweging het hoofd van de regering ook nog tot opperbevelhebber maken. De dialectiek van het verzoeningsgezinde regime, en tevens ook de bittere ironie ervan, lag daarin dat de massa’s met hun druk Kerenski eerst tot op de hoogste post moesten omhoog heffen voordat zij hem ten val brachten.

Terwijl hij het volk dat hem de macht gegeven had, vol minachting van zich afhield, snakte Kerenski des te meer naar blijken van erkenning uit de hogere kringen. Reeds in de eerste dagen van de revolutie vertelde de arts Kisjkin, de leider van de Moskouse kadetten, bij zijn terugkomst uit Petrograd: “Dat wat wij nu hebben, zou zonder Kerenski niet bestaan. Zijn naam zal met gouden letters in de geschiedenis voortleven.” Lofuitingen uit liberale mond waren voor Kerenski het voornaamste criterium voor zijn politiek. Hij kon en wilde echter zijn populariteit niet zomaar aan de bourgeoisie aanbieden. Integendeel, steeds meer kreeg hij er de smaak van beet, alle klassen aan zijn voeten te zien. “De gedachte om de vertegenwoordiging van de bourgeoisie en van de democratie tegenover elkaar te stellen en met elkaar in evenwicht te doen zijn,” verklaart Miljoekov, “was Kerenski vanaf het begin van de revolutie niet vreemd.” Deze politiek vloeide volkomen logisch voort uit Kerenski’s gehele leven, dat tussen een liberale advocatuur en illegale kringen verlopen was. Terwijl Kerenski alleronderdanigst aan Buchanan verzekerde dat “de Sovjet een natuurlijke dood zou sterven,” joeg Kerenski zijn burgerlijke collega’s telkens weer angst aan met de woede van de Sovjet. En in de talrijke gevallen waar de leiders van het Uitvoerend Comité het niet met Kerenski eens waren, joeg hij hun angst aan met het ergste wat er kon gebeuren, nl. een aftreden van de liberalen.

Als Kerenski telkens weer herhaalde dat hij niet de Marat van de Russische revolutie wilde zijn, betekende dit dat hij weigerde strenge maatregelen tegen de reactie, geenszins echter tegen de “anarchie”, te nemen. Dit is overigens gewoonlijk de moraal van de tegenstanders van het geweld in de politiek: zij verwerpen dit waar het om een verandering van het bestaande gaat, ter verdediging van de bestaande orde deinzen zij echter niet voor een meedogenloos strafgericht terug.

In de tijd van de voorbereiding van het offensief aan het front werd Kerenski een buitengewoon geliefde figuur bij de bezittende klassen. Teresjtsjenko bazuinde overal rond hoezeer onze Geallieerden de “inspanning van Kerenski” waardeerden; de tegen de verzoeningsgezinden zeer strenge “Rjetsj” liet zich telkens opvallend welwillend over de minister van oorlog uit; Rodsjanko zelf erkende dat “deze jongeman elke dag weer met verdubbelde krachten opstond tot heil van het vaderland en tot het verrichten van nuttig werk.” De liberalen wilden Kerenski met dergelijke uitlatingen vleien. Het kon hen immers niet ontgaan dat hij voor hen werkte. “Bedenk eens,” zei Lenin, “wat er zou gebeuren als Goetsjkov zou bevelen om tot het offensief over te gaan, regimenten te ontbinden, soldaten te arresteren, congressen te verbieden, soldaten met “jij en jou” aan te spreken, ze “lafaards” te noemen, enzovoorts. Kerenski echter kan zich deze “luxe” nog veroorloven zolang hij het vertrouwen dat het volk hem nog schenkt, doch dat razend snel kleiner wordt, niet geheel verloren heeft.”

Het offensief dat de reputatie van Kerenski onder de bourgeoisie deed stijgen, ondermijnde definitief zijn populariteit bij het volk. Het mislukken van het offensief was eigenlijk een mislukking van Kerenski bij beide partijen. Maar het wonderlijke was dat juist dit gecompromitteerd zijn bij beide partijen hem van nu af aan onmisbaar maakte. Miljoekov laat zich over Kerenski’s rol bij het tot stand brengen van de tweede coalitie aldus uit: “De enige man die niet onmogelijk was, maar helaas niet degene die nodig was…” De leidende liberale politici hebben trouwens Kerenski nooit al te zeer au sérieux genomen. En grote groepen van de bourgeoisie schoven steeds meer de verantwoordelijkheid voor alle tegenslagen op hem af: “Het ongeduld van de patriottisch gezinde groepen” dwong, volgens Miljoekov’s verklaring, tot het zoeken van een sterke man. Een tijdlang was admiraal Koltsjak voor deze rol uitverkoren. Door een sterke man aan het roer te plaatsen, dacht men anders dan door middel van onderhandelingen tot resultaten te komen. Dit is zeer aannemelijk. “De verwachtingen die men gekoesterd had in democratie, in volkswil, in de Constituerende Vergadering,” schrijft Stankevitsj over de kadettenpartij, “had men reeds laten varen. De gemeenteraadsverkiezingen hadden immers in geheel Rusland een verpletterende meerderheid van de socialisten opgeleverd… Zo begon het rusteloze zoeken naar een regering die in staat was om te bevelen in plaats van te overtuigen.” Juister gezegd: naar een regering die de revolutie bij de keel kon grijpen.

Het is moeilijk om in Kornilovs leven en persoonlijke kenmerken factoren te ontdekken die zijn kandidatuur voor de post van redder van het vaderland rechtvaardigen. Generaal Martynov, die in vredestijd Kornilovs chef was en tijdens de oorlog met hem in een Oostenrijks kasteel gevangen zat, typeert Kornilov als volgt: “Terwijl hij door taaie ijver en groot zelfvertrouwen uitmuntte, was hij geestelijk een gewoon middelmatig iemand zonder ruime blik.” Martynow noemt twee eigenschappen in het voordeel van Kornilov: persoonlijke moed en onbaatzuchtigheid. Deze eigenschappen waren opvallend in dat milieu waar men in de eerste plaats bezorgd was voor zijn eigen veiligheid en stal als de raven. Strategische bekwaamheden, en vooral de capaciteit om een situatie geheel te overzien en materieel en moreel te beoordelen, miste Kornilov echter. “Het ontbrak hem bovendien aan organisatorisch talent,” zegt Martynov, “en zijn aangeboren drift en onevenwichtigheid maakten hem in het algemeen weinig geschikt voor weloverwogen handelen.” Brjoessilov, die gedurende de wereldoorlog het optreden als veldheer van zijn ondergeschikte van nabij gevolgd had, liet zich zeer geringschattend over hem uit: “de chef van een vermetel troepje volgelingen – niets anders.” De officiële legende die rond de divisie van Kornilov ontstond, kwam voort uit de behoefte van de patriottische publieke opinie aan enig lichtpunt: “De 48ste divisie,” schrijft Martynow, “is slechts omgekomen tengevolge van de schandalige leiding… van Kornilov, die niet in staat was om de terugtocht te organiseren, en wel vooral omdat hij telkens van besluit veranderde en tijd verloren liet gaan…” Op het allerlaatste ogenblik liet Kornilov de door hem in een val gebrachte divisie aan haar lot over en trachtte zelf aan een gevangenneming te ontkomen. Nadat hij vier dagen en nachten rondgezworven had, gaf de weinig gelukkige generaal zich aan de Oostenrijkers over en hij kon pas later uit gevangenschap ontsnappen. “Nadat hij in Rusland teruggekeerd was, smukte Kornilov in interviews met verschillende dagbladcorrespondenten de geschiedenis van zijn vlucht met fantastische verzinsels op.” Wij zullen niet stil blijven staan bij de prozaïsche correcties die goedgeplaatste ooggetuigen in de legende aanbrengen. Klaarblijkelijk had Kornilov in die tijd behoefte aan dagbladreclame.

Voor de revolutie was Kornilov een monarchist van het Zwarte Honderdtype. In gevangenschap zei hij bij het lezen van de kranten meermaals dat hij “met genoegen al die Goetsjkovs en Miljoekovs zou ophangen.” De politiek interesseerde hem echter, evenals in het algemeen lieden van dat slag, slechts in zoverre deze hem direct raakte. Na de Februariomwenteling verklaarde Kornilov zich zeer spoedig tot republikein. “Hij was”, volgens de verklaring van bovengenoemde Martynow, “zeer slecht in de belangenconflicten van de verschillende maatschappelijke groepen in Rusland en was noch op de hoogte van de partijgroeperingen, noch van de afzonderlijke politici.” Mensjewieken, sociaal-revolutionairen en bolsjewieken vloeiden bij hem samen tot een enkele vijandelijke massa die de officieren belet om te commanderen, de grootgrondbezitters om hun landgoederen te gebruiken, de fabrikanten om te produceren en de kooplieden om te handelen.

Het comité van de Rijksdoema dacht reeds op 2 maart aan generaal Kornilov en drong er in een door Rodsjanko ondertekend telegram bij het hoofdkwartier op aan om deze “roemrijke en in heel Rusland bekende held” tot bevelhebber aan te stellen voor het militaire district Petrograd. De tsaar, die reeds geen tsaar meer was, tekende op het telegram van Rodsjanko aan: “Uitvoeren.” Zo kreeg de revolutionaire hoofdstad haar eerste rode generaal. In de notulen van het Uitvoerend Comité van 10 maart treft men de volgende passages over Kornilov aan: “Een generaal van de oude stempel die een eind aan de revolutie wil maken.” De generaal deed overigens de eerste dagen zijn best om zich zo goed mogelijk voor te doen, en ging met veel kabaal ertoe over de tsarina plechtig te arresteren: dit werd hem als een verdienste aangerekend. Uit de memoires van de overste Kobylinski, die door hem tot commandant van Tsarskoje Selo benoemd was, blijkt echter dat Kornilov een dubbelzinnige rol speelde. “Nadat Kornilov aan de tsarina voorgesteld was,” vertelt Kobylinski enigszins terughoudend, “zei Kornilov tot mij: ‘Overste, laat ons alleen. Ga naar buiten en blijf achter de deur staan.’ Ik ging naar buiten en ongeveer vijf minuten later riep Kornilov mij binnen. Ik trad weer binnen. De keizerin reikte mij de hand.” Het is duidelijk dat Kornilov de overste als zijn vriend aanbevolen had. Hieronder zullen wij omhelzingen van de tsaar en zijn “gevangenbewaker” Kobylinski tegenkomen. Als administratief leider bleek Kornilov volkomen ongeschikt voor zijn nieuwe post. “Zijn directe medewerkers in Petrograd,” schrijft Stankevitsj, “klaagden voortdurend over zijn ongeschiktheid en als werker en als leider.” Kornilov bleef echter niet lang in de hoofdstad. In de Aprildagen poogde hij, gedeeltelijk op aandringen van Miljoekov, de revolutie een eerste aderlating te doen ondergaan, maar hij stuitte op de tegenstand van het Uitvoerend Comité, trad af, kreeg het bevel over een legercorps en later over het Zuidwestelijk front. Zonder de wettelijke invoering van de doodstraf af te wachten, gaf Kornilov bevel deserteurs dood te schieten en hun lijken met passende opschriften op de wegen tentoon te stellen, bedreigde de boeren met strenge straffen voor aantasting van de eigendomsrechten van de grootgrondbezitters, vormde stootbataljons en hief bij iedere gelegenheid dreigend de vuist tegen Petrograd. Hierdoor kreeg zijn naam terstond een soort aureool in de ogen van de officieren en bezittende klassen. Ook talrijke commissarissen van Kerenski echter zeiden bij zichzelf: onze laatste hoop is op Kornilov gevestigd. Enkele weken later werd de vechtlustige generaal, die zulke jammerlijke ervaringen als divisiecommandant opgedaan had, opperbevelhebber van het in ontbinding verkerend miljoenenleger, dat door de Entente gedwongen zou worden om te vechten tot de definitieve overwinning.

Het duizelde Kornilov. Politieke onkunde en bekrompenheid maakten hem tot een gemakkelijke prooi van avonturiers. Terwijl hij hardnekkig zijn persoonlijke voorrechten verdedigde, kwam de “man met het hart van een leeuw en het brein van een schaap,” zoals generaal Alexejev en na hem Verchovski Kornilov typeerden, gemakkelijk onder de invloed van vreemden zolang die zijn eerzucht maar streelden. Miljoekov, die Kornilov welwillend gezind was, constateert een “kinderlijk vertrouwen in mensen die hem weten te vleien.” De meest vertrouwde raadsman van de opperbevelhebber, met de bescheiden rang van ordonnans, was een zekere Sawojko – een obscuur individu uit een vroegere grootgrondbezitterfamilie, petroleumspeculant en avonturier – die Kornilov vooral door zijn pennenvruchten wist te imponeren. Sawojko had inderdaad de vlotte stijl van een doortrapte oplichter. De ordonnans was de organisator van de reclamecampagne, de auteur van de ‘volksbiografie’ van Kornilov, de schrijver van gedenkschriften, ultimata en in het algemeen van alle documenten die, volgens de uitdrukking van de generaal, een “krachtige en kunstvolle stijl” vereisten. Bij Sawojko voegde zich nog een tweede avonturier: Adadjin, een voormalig afgevaardigde van de eerste Doema die enkele jaren in ballingschap had doorgebracht, altijd een Engelse pijp in zijn mond had en zichzelf daarom voor een specialist inzake internationale vraagstukken hield. Deze twee stonden rechts van Kornilov en vormden de schakel tussen hem en de contrarevolutionaire centra. Savinkov en Filonenko dekten zijn linkerflank: terwijl zij hem zoveel mogelijk in zijn enorme zelfoverschatting stijfden, waakten zij ervoor dat hij zich niet te vroeg bij de democratie onmogelijk zou maken. “Eerlijke en eerloze lieden, oprechte mensen en intriganten, politieke leiders, vechtersbazen en avonturiers kwamen tot hem,” schrijft generaal Denikin pathetisch, “en allen riepen eenstemmig: ‘Red ons!’” In welke verhouding de eerlijke en eerloze lieden tot elkaar stonden, is niet gemakkelijk na te gaan. In elk geval meende Kornilov dat hij werkelijk geroepen was om “redding” te brengen en zo werd hij een directe concurrent van Kerenski.

De mededingers haatten elkaar oprecht: “Kerenski had zich,” volgens Martynov, “aangewend om op een hooghartige toon met de oudere generaals te spreken. De bescheiden en arbeidzame Alexejev en de diplomatieke Brjoessilov duldden een dergelijke geringschattende houding, maar deze tactiek was volkomen misplaatst tegenover de zelfgenoegzame en prikkelbare Kornilov, die… op zijn beurt vanuit de hoogte op de advocaat Kerenski neerzag. De zwakste van de twee was tot concessies bereid en deed belangrijke aanbiedingen. Kornilov zei althans eind juli tegen Denikin dat men hem uit regeringskringen voorstelde om in het kabinet te treden. “Maar neen! Deze heren zijn te nauw met de Sovjets verbonden… Ik zei hen: geef mij de macht en ik zal een beslissende slag slaan.”

De grond wankelde onder de voeten van Kerenski. Hij zocht zoals altijd een uitweg met woorden. Het persoonlijk succes op 21 juli dat hem, omdat hij onmisbaar was, boven de strijdende partijen van de democratie en de bourgeoisie verheven had, bracht Kerenski op de gedachte van een “Landelijke Vergadering” te Moskou. Wat er in de zaal van het Winterpaleis in het verborgene plaatshad, moest openlijk ten tonele gebracht worden. Het land moest met eigen ogen zien dat alles ineen zou storten indien Kerenski de teugels niet in handen nam!

Tot deelname aan de “Landelijke Vergadering” waren volgens de officiële lijst uitgenodigd: “vertegenwoordigers van politieke, openbare, democratische en nationale organisaties, handels-, industriële en coöperatieve verenigingen, leiders van de democratische instellingen, hogere vertegenwoordigers van het leger, wetenschappelijke instellingen en universiteiten, alsmede de leden van alle vier de Rijksdoema’s.” Men had gerekend op ongeveer 1500 deelnemers maar er kwamen er 2500, vooral van de rechtervleugel was de opkomst hoog. Het Moskouse blad van de sociaal-revolutionairen schreef verwijtend aan het adres van haar eigen regering: “Honderdvijftig vertegenwoordigers van de arbeiders staan tegenover honderdtwintig vertegenwoordigers van de handels- en industriële klasse. Op honderd boerenafgevaardigden worden honderd vertegenwoordigers van de grootgrondbezitters uitgenodigd. Op honderd Sovjetafgevaardigden komen driehonderd Rijksdoemaleden…” Het blad van de partij van Kerenski trok in twijfel of een dergelijke bijeenkomst de regering “de steun” zou verlenen “die ze zocht.”

De verzoeningsgezinden komen somber gestemd naar de bijeenkomst. Men moet, zo troostten zij elkaar, een eerlijke poging doen om tot overeenstemming te komen. Maar wat moet men met de bolsjewieken doen? Men moet tot elke prijs beletten dat zij zich in de conflicten tussen de democratie en de bezittende klassen mengen. Door een buitengewone beschikking van het Uitvoerend Comité werden de partijfracties van het recht beroofd om zonder toestemming van het presidium op te treden. De bolsjewieken hadden besloten om namens hun partij een verklaring af te leggen en de bijeenkomst te verlaten. Het presidium dat nauwkeurig op al hun bewegingen lette, verlangde dat zij van dit misdadig voornemen zouden afzien. De bolsjewieken gaven daarop zonder aarzelen hun toegangskaarten terug. Zij bereidden een ander, indrukwekkender antwoord voor: het proletarische Moskou had het woord.

De ordelievende elementen plaatsen bijna van de eerste revolutiedagen bij elke gelegenheid die zich maar voordeed het rustige “land” tegenover het onrustige Petrograd. De bijeenroeping van de Constituerende Vergadering naar Moskou was een van de leuzen van de bourgeoisie. De nationaal-liberale “marxist” Potressow zond zijn banvloeken tegen Petrograd, dat zich inbeeldde een “tweede Parijs” te zijn. Alsof niet de girondijnen tegen het oude Parijs geketterd hadden en opriepen om de rol van Parijs te herleiden tot 1/83ste van de eerder gespeelde rol. Een mensjewiek uit de provincie zei in juni op het Sovjetcongres: “Een plaatsje als Novotsjerkassk geeft een veel juister beeld van de toestanden in geheel Rusland dan Petrograd.” Eigenlijk zochten zowel de verzoeningsgezinden alsook de bourgeoisie geen steun in de werkelijke stemmingen in het “land”, maar in de door hen zelf geschapen troostvolle illusies. Nu zij de politieke stemming in Moskou zouden leren kennen, stond degenen die de vergadering georganiseerd hadden de meest bittere ontgoocheling te wachten.

Vanaf de eerste dagen van augustus volgden de contrarevolutionaire bijeenkomsten elkaar snel op. Het begon met het congres van de grondbezitters en ging tot onder meer de kerkvergaderingen. Deze bijeenkomsten mobiliseerden niet alleen de bezittende groepen van Moskou, maar ook de arbeiders en soldaten. Rjasboesjinski’s dreigementen, Rodsjanko’s oproepen, de verbroederingen tussen de kadetten en de Kozakkengeneraals – dit alles speelde zich voor de ogen van de volksmassa’s van Moskou af, dit alles werd door de bolsjewistische propagandisten aan de hand van de nieuwste krantenberichten verklaard. Het gevaar van een contrarevolutie nam ditmaal tastbare, ja, zelfs persoonlijke vormen aan. Er ging een golf van verontwaardiging door de fabrieken en de werkplaatsen. “Indien de Sovjets machteloos zijn,” schreef het Moskouse blad van de bolsjewieken, “moet de arbeidersklasse zich om zijn organisaties die levensvatbaar zijn aaneensluiten.” Voorop gingen de vakverenigingen, die merendeels reeds onder bolsjewistische leiding stonden. De stemming in de bedrijven was zo vijandig tegenover de Landelijke Vergadering, dat de uit de massa opgekomen gedachte van een algemene staking in de vergadering van de gezamenlijke celleiders van de Moskouse bolsjewistische organisatie bijna zonder tegenspraak werd aanvaard. De vakverenigingen namen het initiatief, de Moskouse Sovjet sprak zich met een meerderheid van 364 tegen 304 stemmen tegen de staking uit. Daar in de fractievergaderingen de mensjewistische en sociaal-revolutionaire arbeiders echter voor de staking gestemd hadden en zich slechts aan de partijtucht onderwierpen, kon het besluit van de sinds lang niet meer nieuw gekozen Sovjet, dat bovendien feitelijk tegen de wil van de meerderheid genomen was, de Moskouse arbeiders allerminst weerhouden. Een bijeenkomst van bestuurders van 41 vakverenigingen besloot om de arbeiders op te roepen tot een proteststaking van een dag. De districtssovjets waren voor het merendeel op de hand van de partij en de vakverenigingen. De bedrijven stelden direct de eis dat de Moskouse Sovjet, die niet alleen bij de massa’s ten achter gebleven, maar ook in scherpe tegenstelling tot deze geraakt was, opnieuw gekozen zou worden. In de Sovjet van het district Samoskworetzki en de daar bestaande fabriekscomités verkreeg de eis tot vervanging van de afgevaardigden “die tegen de wil van de arbeidersklasse handelden”, 175 tegen 4 stemmen met 19 onthoudingen!

De nacht voor de staking was niettemin voor de Moskouse bolsjewieken een onrustige nacht. Het land volgde Petrograd, maar bleef bij Petrograd ten achter. De Julidemonstratie in Moskou was met een mislukking geëindigd: niet alleen had een meerderheid van het garnizoen maar ook van de arbeiders het niet aangedurfd om tegen de wil van de Sovjet op straat te gaan. Hoe zal het ditmaal gaan? De morgen zou het antwoord brengen. De tegenstand van de verzoeningsgezinden had niet kunnen verhinderen dat de staking een machtige demonstratie van vijandschap tegen de coalitie en de regering werd. Twee dagen te voren had het blad van de Moskouse industriëlen nog zelfbewust geschreven: “Laat de Petrogradse regering maar zo spoedig mogelijk naar Moskou komen, opdat zij de stem van de heiligdommen, van de klokken van de heilige Kremlintorens hoort…” Vandaag was er in de plaats van de stem van de heiligdommen een stilte, als voor een storm.

Het lid van het Moskous bolsjewistisch comité, Pjatnitzki, schreef later: “De staking… verliep schitterend. Er was geen licht en geen tram; de fabrieken, bedrijven, spoorwegwerkplaatsen en depots lagen stil en zelfs de kelners in de cafés staakten.” Miljoekov vermeldde het schokkende feit: “De afgevaardigden die voor de bijeenkomst aangekomen waren… konden noch met de tram gaan, noch in een café ontbijten.” Dit stelde hen, zoals de liberale historicus zelf erkent, des te beter in staat om de macht van de bolsjewieken, die niet tot de bijeenkomst toegelaten waren, te leren kennen. In de “Izvestia” van de Sovjet van Moskou vindt men de betekenis van de manifestatie van 12 augustus volkomen juist geschetst: “Tegen het besluit van de Sovjet in volgden de massa’s de bolsjewieken. Vierhonderdduizend arbeiders staakten in Moskou en omgeving, opgeroepen door de partij die sinds vijf weken voortdurend blootgesteld geweest was aan allerlei slagen en waarvan de leiders zich nog altijd schuil hielden of in de gevangenis zaten.” Het nieuwe Petrogradse partijorgaan “Proletarij” kon nog juist voordat het verboden werd, aan de verzoeningsgezinden de vraag stellen: “Uit Petrograd naar Moskou, en waarheen dan uit Moskou?”

Ook degenen die heer en meester waren, moesten zich dit wel afvragen. In Kiev, Kostroma, Tsaritsyn werden eendaagse proteststakingen, algemene of partiële stakingen doorgevoerd. De agitatie breidde zich uit over het gehele land. Overal, tot in de verste uithoeken, waarschuwden de bolsjewieken ervoor dat de Landelijke Vergadering “ongetwijfeld het karakter van een contrarevolutionaire samenzwering had.” Tegen eind augustus werd het voor de hele bevolking duidelijk hoezeer deze beoordeling juist was.

Zowel de afgevaardigden voor de vergadering als het burgerlijke Moskou, verwachtten dat de massa’s gewapend zouden oprukken, dat er botsingen, gevechten, kortom “Augustusdagen” zouden komen. De straat opgaan zou echter voor de arbeiders betekend hebben dat zij zich overleverden aan de ridders van St. George, de officieren, de “jonkers” en enkele troepen cavalerie, die brandden van verlangen om wraak te nemen voor de staking. Het garnizoen de straat oproepen zou betekend hebben dat men een scheuring daarin teweegbracht en de taak van de contrarevolutie, die klaar stond om er op los te slaan, verlichtte. De partij riep niet op om de straat op te trekken en de arbeiders vermeden, door een juist instinct geleid, openlijke botsingen. De staking van een dag kwam volkomen van pas in deze situatie: men kon haar niet verdonkeremanen, zoals de vergadering met de bolsjewieken gedaan had. Toen de stad in duisternis gehuld werd, bemerkte geheel Rusland de bolsjewistische hand aan de schakelaar. Neen, Petrograd staat niet alleen! “In Moskou, waarvan velen zoveel verwachtingen koesterden in het patriarchaal karakter en de deemoed, gromden de arbeiderswijken volkomen onverwacht.” Zo omschrijft Soechanov het belang van die dag. De coalitiebijeenkomst kwam bijeen zonder de bolsjewieken, maar onder het gegrom van de proletarische revolutie.

De Moskouers zeiden spottend, dat Kerenski naar hen toegekomen was “voor de kroning.” De volgende dag kwam echter met dit zelfde doel uit het hoofdkwartier Kornilov aan, die ontvangen werd door talrijke delegaties, waaronder ook een van de kerkvergadering. Op het perron sprongen uit de binnenrijdende trein Tekiners in lange helrode mantels gehuld en met getrokken kromzwaarden en stelden zich in twee rijen op. Geestdriftige dames wierpen met bloemen naar de held die de wacht en de deputaties inspecteerde. De kadet Roditsjev eindigde zijn begroetingsrede met de uitroep: “Red Rusland en het dankbare volk zal u kronen.” Men hoorde patriottisch gesnik. De vrouw van de koopman en vele malen miljonair Morosow viel op de knieën. Officieren droegen Kornilov op hun schouders naar het buiten wachtende volk. Terwijl de opperbevelhebber de ridders van St. George, de “jonkers”, de aspirant-vaandrigs en de compagnie Kozakken, die op het stationsplein opgesteld stonden, inspecteerde, inspecteerde Kerenski als minister van oorlog en mededinger de troepenparade van het garnizoen van Moskou. Van het station begaf Kornilov zich, het spoor van de tsaren volgend, naar het Iwersche heiligenbeeld, waarbij een godsdienstoefening gehouden werd in tegenwoordigheid van een escorte van mohammedaanse Tekiners met reusachtige Kaukasische pelsmutsen op. “Dit feit,” schrijft de Kozakkenofficier Grekow, “heeft het gehele gelovige Moskou nog meer voor Kornilov ingenomen.” De contrarevolutie trachtte intussen het publiek op straat voor zich te winnen. Vanuit automobielen werden op grote schaal exemplaren van Kornilovs biografie met zijn portret uitgedeeld. De muren waren volgeplakt met biljetten, waarop het volk opgeroepen werd de held hulp te verlenen. Als een heerser ontving Kornilov in zijn wagon politici, industriëlen en financiers. Vertegenwoordigers van de banken brachten hem rapport uit over de financiële toestand van het land. “Van alle Doemaleden,” schrijft veelbetekenend de Oktobrist Sjidlovski, “begaf slechts Miljoekov zich naar Kornilov in diens trein en had een onderhoud met hem, waarvan de inhoud mij niet bekend is.” Later zullen wij van Miljoekov zelf over dit gesprek horen, voor zover deze het dienstig oordeelt hierover iets mede te delen.

De voorbereidingen tot de militaire omwenteling waren in die tijd reeds in volle gang. Enkele dagen vóór de vergadering had Kornilov, onder voorwendsel van hulpverlening aan Riga, bevel gegeven vier cavaleriedivisies voor de opmars naar Petrograd gereed te houden. Het Orenburgs Kozakkenregiment was vanuit het hoofdkwartier naar Moskou gezonden “om de orde te handhaven,” maar werd op bevel van Kerenski onderweg opgehouden. Bij zijn latere verklaringen voor de commissie van onderzoek inzake Kornilov zei Kerenski: “Wij hoorden dat tijdens de Moskouse vergadering de dictatuur uitgeroepen zou worden.” Zo hielden de minister van oorlog en de opperbevelhebber zich gedurende de feestelijke dagen van de nationale eenheid met tegen elkaar gerichte troepenverschuivingen bezig. Het decorum werd echter zo goed en zo kwaad als het ging opgehouden. De betrekkingen tussen de beide partijen varieerden tussen vriendschapsbetuigingen en openlijke burgeroorlog.

In Petrograd werden ondanks de terughoudendheid van de massa’s – de in juli opgedane ervaring was niet spoorloos voorbijgegaan – van hogerhand, uit de generale staven en de dagbladredacties, met grote hardnekkigheid geruchten over een aanstaande bolsjewistische opstand verspreid. De Petrogradse partijorganisaties waarschuwden de massa’s openlijk in een manifest voor de mogelijkheid van provocatorische oproepen van de kant van de vijanden. De Sovjet van Moskou nam intussen zijn maatregelen. Er werd een geheim revolutionair comité uit zes personen gevormd, twee gedelegeerden van elke Sovjetpartij naast de bolsjewieken. Bij geheim bevel werd verboden om langs de weg die Kornilov zou passeren ridders van St. George, officieren en “jonkers” op te stellen. Aan de bolsjewieken, wie sedert de Julidagen de toegang tot de kazernes officieel verboden was, werden nu bereidwillig toegangsbewijzen verstrekt: zonder de bolsjewieken konden de soldaten niet gewonnen worden. Terwijl de mensjewieken en sociaal-revolutionairen in het openbaar met de bourgeoisie over de vorming van een sterke regering tegen de door de bolsjewieken geleide massa’s onderhandelden, bereidden diezelfde mensjewieken en sociaal-revolutionairen samen met de door hen niet tot de vergadering toegelaten bolsjewieken achter de schermen de massa’s voor op de strijd tegen de samenzwering van de bourgeoisie. De verzoeningsgezinden, die zich gisteren nog tegen de demonstratieve staking verzet hadden, riepen vandaag de arbeiders en soldaten op, zich tot de strijd gereed te maken. Ondanks hun verachting en woede reageerden de massa’s op deze oproep met een enthousiasme voor de strijd, die de verzoeningsgezinden meer schrik aanjoeg dan blijdschap inboezemde. De schrijnende tweeslachtigheid, welke vrijwel het karakter van een openlijke woordbreuk tegenover beide partijen aannam, zou onbegrijpelijk zijn indien de verzoeningsgezinden deze politiek bewust gevolgd hadden. In werkelijkheid waren zij slechts de slachtoffers ervan.

Het was duidelijk dat er grote gebeurtenissen op til waren. In de dagen van de vergadering had echter klaarblijkelijk niemand zin in een omwenteling. In elk geval vindt men noch in de documenten, noch in de verzoeningsgezinde geschriften, noch in de memoires van de rechtervleugel een bevestiging van de geruchten waarop Kerenski zich later beriep. Het ging voorlopig nog slechts om de voorbereiding. Volgens Miljoekov – en zijn verklaringen worden door de verdere loop van zaken bevestigd – had Kornilov zelf reeds voor de vergadering een datum voor zijn optreden vastgesteld:  27 augustus. Deze datum was natuurlijk slechts aan weinigen bekend. De half ingewijden stelden, zoals dat altijd in dergelijke gevallen pleegt te gebeuren, het tijdstip van de grote gebeurtenissen wat vroeger en voorbarige geruchten drongen van alle kanten tot de autoriteiten door: het leek alsof de uitbarsting elk ogenblik te verwachten was.

Juist de opgewonden stemming onder de bourgeoisie en in de officierenkringen had echter gemakkelijk in Moskou, misschien niet tot een omwentelingspoging, maar dan toch tot een contrarevolutionaire demonstratie als krachtproef kunnen leiden. Nog waarschijnlijker zou een poging geweest zijn om uit het midden van de vergadering een met de Sovjets concurrerend centrum tot redding van het vaderland te vormen: in de rechtse pers werd volkomen openlijk daarover gesproken. Ook hiertoe kwam het echter niet: de massa’s verhinderden het. Al mochten ook velen het plan gekoesterd hebben om de beslissing te bespoedigen, zo moest men onder invloed van de staking toch wel bij zichzelf zeggen dat het niet zou lukken om de revolutie te verrassen, want de arbeiders en soldaten waren op hun hoede, zodat men het nog wat moest uitstellen. Zelfs de processie van het volk naar het Iwersche heiligenbeeld, welke de pastoors en liberalen in overleg met Kornilov georganiseerd hadden, werd afgelast.

Zodra de sociaal-revolutionairen en mensjewieken zagen dat er geen direct gevaar bestond, haastten zij zich te doen alsof er niets bijzonders gebeurd was. Zij weigerden zelfs om de toegangsbewijzen tot de kazernes voor de bolsjewieken te verlengen, ofschoon men in de kazernes dringend om bolsjewistische sprekers riep. “Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan,” zeiden Tsereteli, Dan en Chintsjoek, de toenmalige voorzitter van de Moskouse Sovjet, waarschijnlijk met een knipoogje tot elkaar. De bolsjewieken dachten er echter niet aan, de rol van “Mohr” te gaan spelen. Zij begonnen pas hun “Schuldigkeit” te doen.

Elke klassenmaatschappij heeft een eensgezinde regering nodig. De dubbele heerschappij is in wezen een regime van de sociale crisis: terwijl zij het toonbeeld van een uiterste verbrokkeling van een volk is, bergt zij de openlijke of potentiële burgeroorlog in zich. Niemand wilde langer de dubbele heerschappij. Integendeel, iedereen snakte naar een sterke, homogene, “ijzeren” regering. De Juliregering van Kerenski had onbeperkte volmachten. Men koesterde heimelijk de bedoeling om boven de democratie en de bourgeoisie die elkaar verzwakten, met wederzijds goedvinden een “echte” regering te stellen. De gedachte van een boven de klassen staande leider is niets anders dan de gedachte van het bonapartisme.

Indien men twee vorken naast elkaar in een kurk steekt, kan deze zelfs bij krachtig heen en weer zwaaien naar beide kanten op een speldenkop blijven staan. Dit is het mechanische model van een bonapartistische scheidsrechter. De soliditeit van een dergelijke regering wordt, afgezien van de internationale verhoudingen, bepaald door de stabiliteit van het evenwicht tussen de vijandelijke klassen in het land zelf. Midden mei noemde Trotski in een bijeenkomst van de Sovjet van Petrograd Kerenski “het middelpunt van het Russische bonapartisme.” Uit de zakelijkheid van deze karakteristiek blijkt dat hiermee niet de persoon, maar de functie bedoeld was. Begin juli hadden, naar wij ons herinneren, alle ministers op aanwijzing van hun partijen hun portefeuilles neergelegd en aan Kerenski de vorming van een nieuwe regering overgelaten. Op 21 juli herhaalde men dit experiment in een meer demonstratieve vorm. De vijandelijke partijen deden een beroep op Kerenski, elke partij zag in hem een deel van zichzelf, beide partijen zwoeren hem trouw. Trotski schreef vanuit de gevangenis: “Geleid door politici die voor alles bevreesd zijn, waagde de Sovjet het niet de macht in handen te nemen. De vertegenwoordigster van alle bezittersklieken, de kadettenpartij, kon de macht nog niet grijpen. Er bleef niets anders over dan een grote verzoener, bemiddelaar, scheidsrechter te zoeken.”

In het door Kerenski op eigen naam gepubliceerde manifest aan het volk verkondigt hij: “Ik, als hoofd van de regering… meen niet te mogen terugdeinzen voor het feit dat veranderingen (in de regeringsvorm)… mijn verantwoordelijkheid inzake de regering zullen vergroten.” Dit is de echte bonapartistische fraseologie. En toch kwam men, ondanks de ondersteuning van rechts en van links, niet verder dan deze fraseologie. Hoe is dit te verklaren?

Opdat de kleine Corsicaan zich boven de jonge burgerlijke natie kon stellen, moest de revolutie eerst haar voornaamste taak, nl. de verdeling van het land onder de boeren, vervullen en moest er op de nieuwe sociale basis een zegevierend leger ontstaan. Verder kon een revolutie in de 18e eeuw niet gaan: zij kon slechts teruggaan. Bij dit teruggaan kwamen echter haar voornaamste veroveringen in gevaar. Deze moesten tot elke prijs behouden blijven. De weliswaar sterker wordende, maar nog uiterst zwakke tegenstelling tussen bourgeoisie en arbeidersklasse hield de tot in haar grondvesten geschokte natie in de hoogste spanning. Een nationaal “rechter” was in deze omstandigheden onontbeerlijk. Napoleon verzekerde aan de grootbourgeoisie de mogelijkheid zich te verrijken, aan de boeren hun grondbezit, aan de boerenzonen en landlopers de gelegenheid, om in de oorlog te plunderen. De rechter hield de sabel in de hand en vervulde zelf de taak van beul. Het bonapartisme van de eerste Bonaparte was degelijk gegrondvest.

De revolutie van 1848 gaf geen land aan de boeren en kon hun dit ook niet geven: het was niet een grote revolutie die het ene maatschappelijk stelsel door een ander verving, maar een politieke hergroepering op de basis van het oude maatschappelijk stelsel. Napoleon III had geen zegevierend leger achter zich. De beide voornaamste elementen van het klassieke bonapartisme ontbraken. Er waren echter andere gunstige, niet minder krachtige factoren. De gedurende een halve eeuw in omvang toegenomen arbeidersklasse liet in juni zijn dreigende kracht zien; het bleek echter nog niet in staat om de macht te grijpen. De bourgeoisie was beducht voor de arbeidersklasse en tevens beducht voor een bloedige overwinning op de arbeidersklasse. De bezittende boeren waren geschrokken van de Juniopstand en wilden, dat de staat hen tegen degenen die de grond wilden verdelen, beschermde. Tenslotte opende de krachtige industriële ontwikkeling die zich met kleine tussenpozen over twee decennia uitstrekte, met ongekende mogelijkheden tot verrijking aan de bourgeoisie. Deze voorwaarden waren voldoende voor het latere bonapartisme.

De politiek van Bismarck, die zich eveneens “boven de klassen” stelde, had – en hierop is ook reeds meermalen gewezen – ongetwijfeld bonapartistische kenmerken, hoezeer ook onder een mom van wettigheid. De stabiliteit van het Bismarckse regime werd verzekerd doordat het ontstaan na de onmachtige revolutie leidde tot de vervulling of gedeeltelijke vervulling van een zo grote nationale taak als de Duitse eenheid en in drie oorlogen overwinningen, oorlogsschattingen en een krachtige kapitalistische bloei bracht. Dit was genoeg voor tientallen jaren.

Het ongeluk van de Russische kandidaten voor de rol van Bonaparte was niet dat zij noch op Napoleon de Eerste, noch zelfs maar op Bismarck geleken: de geschiedenis is soms ook wel met surrogaten tevreden. Maar zij hadden tegenover zich een grote revolutie die haar taak nog niet vervuld had en nog niet uitgeput was. De boeren die nog geen grond gekregen hadden, werden door de bourgeoisie gedwongen oorlog te voeren voor het land van de grondbezitters. De oorlog bracht slechts nederlagen. Van een industriële opbloei was er geen sprake. Integendeel, het verval richtte steeds nieuwe verwoestingen aan. Indien de arbeidersklasse terugweek, dan was dit slechts om zich des te hechter aaneen te sluiten. De boeren kwamen pas in beweging voor de laatste aanval op hun heren. De onderdrukte nationale minderheden gingen tot de aanval over tegen het russificerende despotisme. Het leger sloot zich, om vrede te krijgen, steeds nauwer bij de arbeiders en hun partij aan. De volksmassa’s smolten samen, de hogere klassen werden zwakker. Er was geen evenwicht. De revolutie bleef krachtig, zo is het niet te verwonderen dat het bonapartisme zwak bleek te zijn.

Marx en Engels vergeleken de rol van het bonapartistische regime in de strijd tussen bourgeoisie en arbeidersklasse met de rol van de vroegere absolute monarchie in de strijd tussen feodalisme en bourgeoisie. Er zijn ongetwijfeld punten van overeenkomst, maar deze houden op waar de sociale inhoud van de regering naar voren komt. De rol van scheidsrechter tussen de elementen van de oude en de nieuwe maatschappij kon in een bepaalde tijd nodig blijken voor zover beide uitbuitingsregeringen bescherming tegen de uitgebuiten nodig hadden. Tussen het feodalisme en de lijfeigene boeren was een “onpartijdige” bemiddeling echter reeds niet meer mogelijk. Terwijl het de belangen van het grondbezit en het jonge kapitalisme met elkaar verzoende, trad het tsaristisch absolutisme met betrekking tot de boeren niet op als een bemiddelaar, maar als een gevolmachtigde van de uitbuitende klassen.

Ook het bonapartisme was geen scheidsrechter tussen arbeidersklasse en bourgeoisie: het was in werkelijkheid de meest geconcentreerde macht van de bourgeoisie over de arbeidersklasse. Terwijl hij met zijn laarzen op de nek van de natie omhoog klimt, kan een Bonaparte nooit een andere politiek dan die van beschermer van eigendom, rente en winst volgen. Het regime varieert slechts wat betreft de middelen, waarmee deze bescherming bereikt wordt. De bewaker staat nu eens bij de deur, dan weer zit hij op het dak van het huis; zijn functie blijft echter dezelfde. De onafhankelijkheid van het bonapartisme is grotendeels uiterlijk vertoon, decoratief: de keizersmantel is het symbool ervan.

Ofschoon hij handig gebruik maakte van de angst van de bourgeoisie voor de arbeiders, bleef Bismarck bij al zijn politieke en sociale hervormingen toch altijd de gevolmachtigde van de bezittende klassen die hij nooit ontrouw werd. Daarentegen maakte de toenemende druk van de arbeidersklasse het hem ongetwijfeld mogelijk om zich als belangrijk scheidsrechter van staatswege boven jonkerdom en kapitalisme te stellen: daarin bestond juist zijn functie.

Het Sovjetstelsel maakt een vrij grote onafhankelijkheid van de regering tegenover de arbeidersklasse en de boeren en derhalve ook een “bemiddeling” tussen deze mogelijk, voor zover de belangen van beide, hoezeer zij ook wrijvingen en conflicten teweegbrengen, in wezen toch niet onverzoenlijk zijn. Het zou echter niet gemakkelijk vallen om een “onpartijdig” scheidsrechter te vinden tussen Sovjetstaat en bourgeoisie, althans wat de fundamentele belangen van beide partijen betreft. Dezelfde sociale oorzaken die in het nationale kader een werkelijke en niet slechts uiterlijke “onpartijdigheid” van de regering in de strijd tussen bourgeoisie en arbeidersklasse onmogelijk maken, beletten op internationaal terrein de Sovjet-Unie zich aan te sluiten bij de Volkenbond.

De Kerenskiade had alle ondeugden van het bonapartisme zonder de macht hiervan te bezitten. Zij stelde zich slechts boven de natie om deze door haar eigen onmacht tot ontbinding te brengen. Hoewel de leiders van de bourgeoisie en de democratie mondeling beloofden om Kerenski te gehoorzamen, gehoorzaamde de almachtige scheidsrechter in werkelijkheid aan Miljoekov en nog meer aan Buchanan. Kerenski voerde de imperialistische oorlog, beschermde het grootgrondbezit tegen aanslagen en schoof de sociale hervormingen op de lange baan. Indien zijn regering zwak was, dan kwam door dezelfde oorzaken als die waardoor de bourgeoisie haar eigen mensen niet aan de regering kon brengen. Bij alle onbeduidendheid van de “regering tot redding van het land” werd echter met haar “onafhankelijkheid” tevens haar conservatief kapitalistisch karakter sterker.

Het inzicht dat het Kerenskibewind de voor dat tijdvak onvermijdelijke vorm van burgerlijke heerschappij was, belette niet dat de burgerlijke politici in hoge mate ontevreden waren over Kerenski, en evenmin dat zij zich opmaakten om zich zo snel mogelijk van hem te ontdoen. Men was het in de bezittende klassen erover eens dat er tegenover de door de kleinburgerlijke democratie omhoog geheven nationale scheidsrechter een figuur uit de eigen rijen gesteld moest worden. Waarom moest dit juist Kornilov zijn? De kandidaat voor de rol van een Bonaparte moest overeenkomen met het karakter van de Russische bourgeoisie, de te laat ten tonele gekomen, van het volk gescheiden, tanende, onbekwame bourgeoisie. In het leger, dat eigenlijk alleen maar vernederende nederlagen geleden had, was niet gemakkelijk een populaire generaal te vinden. Kornilov werd op de voorgrond geschoven, nadat alle overige kandidaten die nog onbekwamer waren, terzijde geschoven waren.

De verzoeningsgezinden konden derhalve noch zich blijvend met de liberalen tot een coalitie verenigen, noch het over een kandidaat voor redder eens worden: de nog niet voltooide revolutie was een hinderpaal hiervoor. De liberalen vertrouwden de democraten niet. De democraten vertrouwden de liberalen niet. Kerenski opende weliswaar zijn armen wijd voor de bourgeoisie, maar Kornilov gaf ondubbelzinnig te kennen dat hij bij de eerste de beste gelegenheid de democratie de nek om zou draaien. De botsing tussen Kornilov en Kerenski, die onvermijdelijk uit de voorafgaande ontwikkeling voortvloeide, was een uitbarsting van de tegenstellingen die er in de dubbele heerschappij bestonden, maar dan in de vorm van persoonlijke eerzucht.

Evenals er zich begin juli in Petrograd in de arbeidersklasse en het garnizoen een ongeduldige groep vormde die met de al te voorzichtige politiek van de bolsjewieken ontevreden was, hoopte zich begin augustus in de bezittende klassen een stemming van ongeduld tegen de afwachtende politiek van de leiding van de kadetten op. Deze stemming kwam bijvoorbeeld op het kadettencongres tot uiting, waar luid geëist werd dat Kerenski ten val gebracht zou worden. Nog krasser kwam het politieke ongeduld buiten de kadettenpartij tot uiting, in de militaire staven waar men in een voortdurende angst voor de soldaten leefde, in de banken waar men in golven van inflatie onderging, op de landgoederen waar de daken boven de hoofden van de edelen in vlammen opgingen. “Leve Kornilov!” werd de slogan van hoop, vertwijfeling en wraakzucht.

Terwijl Kerenski het op alle punten met het programma van Kornilov eens was, had hij slechts bezwaren betreffende de termijn: “Alles kan niet ineens geschieden…” Miljoekov gaf, terwijl hij de noodzakelijkheid om zich van Kerenski te ontdoen erkende, aan de ongeduldigen ten antwoord: “Het is nu wellicht nog wat te vroeg.” Evenals er onder de druk van de massa’s van Petrograd in juli een partiële opstand ontstond, kwam uit het ongeduld van de bezittende klasse in augustus de opstand van Kornilov voort. En evenals de bolsjewieken zich gedwongen zagen, mee te doen aan de gewapende demonstratie, om deze zo mogelijk te doen slagen en ze in elk geval voor een algehele verplettering te behoeden, zagen de kadetten zich gedwongen, met dezelfde bedoelingen mee te doen aan de opstand van Kornilov. Binnen dit kader is er een opvallende analogie te constateren. Maar binnen deze analogie bestaat er een volkomen tegenstelling tussen doeleinden, methoden en – resultaten. Deze zal ons in de loop der gebeurtenissen volkomen duidelijk worden.

De contrarevolutie steekt de kop op

In de eerste twee maanden, toen Goetsjkov en Miljoekov formeel aan de macht waren, was de macht feitelijk geheel in handen van de Sovjet. In de volgende twee maanden werd de Sovjet zwakker: een deel van de invloed op de massa’s ging op de bolsjewieken over, een klein deel van de macht verschaften de socialistische ministers met hun portefeuilles aan de coalitieregering. Met de aanvang van de voorbereidingen op het offensief werd vanzelf de betekenis van de generale staf, van de organen van het geldkapitaal en van de kadettenpartij groter. Voordat het Uitvoerend Comité ertoe overging het bloed van de soldaten te vergieten, verrichtte het een flinke transfusie van zijn eigen bloed in de aderen van de bourgeoisie. Achter de schermen kwam alles samen bij de gezantschappen en de regeringen van de Entente.

De Westerse vrienden waren vergeten om de Russische gezant uit te nodigen voor de inter-geallieerde conferentie in Londen. Pas nadat hij zelf aan zijn bestaan herinnerd had, verzocht men hem te komen. Dat was tien minuten voor de opening van de zitting, zodat er voor hem geen plaats meer was aan de tafel en hij zich tussen de Fransen in moest dringen. De smaad aan de gezant van de Voorlopige Regering en het demonstratieve ontslag van de kadetten uit de regeringen – beide gebeurtenissen vonden plaats op 2 juli – hadden één en hetzelfde doel: de verzoeningsgezinden kleineren. De gewapende demonstratie die onmiddellijk daarna tot uitbarsting kwam, moest de Sovjetleiders temeer van streek brengen. Onder invloed van de dubbele slag die hen trof, ging hun aandacht immers in een compleet andere richting. Als men dan toch genoodzaakt was het bloedig juk samen met de Entente te dragen, dan zijn er geen betere tussenpersonen dan de kadetten. Tsjaikovski, een van de oudste Russische revolutionairen die gedurende de lange jaren van emigratie een gematigd Engels liberaal geworden was, sprak vermanende woorden: “Voor een oorlog heeft men geld nodig, maar aan de socialisten zullen de Geallieerden geen geld geven.” Dit argument was een beetje pijnlijk voor de verzoeningsgezinden, maar zij begrepen de betekenis ervan maar al te goed.

De machtsverhoudingen wijzigden zich klaarblijkelijk ten nadele van het volk, maar niemand kon zeggen in hoeverre. De begeerten van de bourgeoisie waren in elk geval veel sterker dan de mogelijkheden die zij had om deze te bevredigen. In deze onzekerheid lag de voornaamste oorzaak van de confrontaties, de krachten van de verschillende klassen worden immers in de actie zelf gemeten en revolutionaire gebeurtenissen lopen telkens weer op dergelijke krachtmetingen uit. Hoe groot echter de machtsverschuiving van links naar rechts ook zijn mocht, zij ging vrijwel buiten de Voorlopige Regering om. Die regering had immers geen macht. De personen die zich in de kritieke Julidagen oprecht in het ministerie van vorst Lvov interesseerden, zijn weinig talrijk. Zo was er generaal Krymov, dezelfde die indertijd met Goetsjkov over de onttroning van Nicolaas II onderhandelde – we zullen deze generaal spoedig voor het laatst tegenkomen. Hij richtte een telegram aan de vorst met op het einde een vermaning dat de tijd gekomen was om van woorden tot daden over te gaan. Het klonk als een belediging en liet duidelijk zien hoe het met de regering gesteld was.

 “Begin juli,” schreef de liberaal Nabokov later, “leek het een ogenblik alsof het gezag van de regering weer groter geworden was. Dit was het geval na de onderdrukking van het eerste bolsjewistische optreden. De Voorlopige Regering wist dit ogenblik echter niet te benutten en men liet de toenmalige gunstige omstandigheden voorbijgaan. Zij keerden niet terug.” Ook andere vertegenwoordigers uit het rechtse kamp lieten zich in dezelfde geest uit. In werkelijkheid hebben de afzonderlijke delen van de coalitie in de Julidagen, evenals in het algemeen op alle kritieke momenten, verschillende doeleinden nagestreefd. De verzoeningsgezinden zouden stellig in een algehele verplettering van de bolsjewieken toegestemd hebben indien het niet duidelijk was dat de officieren, Kozakken, ridders van St. George en stormtroepen na de afrekening met de bolsjewieken de verzoeningsgezinden zelf zouden verpletteren. De kadetten wilden de zaak doorzetten om niet alleen de bolsjewieken maar ook de Sovjets weg te vagen. Het was werkelijk niet toevallig dat de kadetten op alle kritieke momenten buiten de regering stonden. Ondanks alle verzoeningsgezinde praatjes werden zij uit de regering verdreven door de onweerstaanbare druk van de massa’s. Ook indien de liberalen erin geslaagd waren om de macht te grijpen, dan nog hadden zij deze niet kunnen behouden. Uit de loop der gebeurtenissen is dit later overtuigend gebleken. De gedachte dat men in juli de mogelijkheid had laten voorbijgaan, is een illusie die achteraf opduikt. In elk geval heeft de Julioverwinning de positie van de regering niet alleen niet versterkt, maar integendeel het tijdperk van een slepende regeringscrisis ingeleid – een crisis die formeel pas op 24 juli werd opgelost – en in feite het begin van de doodstrijd van het Februaribewind. Deze doodstrijd zou vier maanden duren.

De verzoeningsgezinden werden heen en weer geslingerd tussen de noodzakelijkheid om hun halve vriendschap met de bourgeoisie te herstellen en de behoefte om de vijandigheid van de massa’s wat te temperen. Zij zijn genoodzaakt voortdurend te laveren, de bochten worden al gauw een angstig heen en weer rennen, maar de koers gaat in hoofdzaak scherp naar rechts. Op 7 juli kondigt de regering een reeks represaillemaatregelen af. In dezelfde zitting stellen de socialistische ministers de regering voor om het programma van het in juni gehouden Sovjetcongres te beginnen uitvoeren. Ze doen dit als het ware in het geheim, ze maken immers gebruik van de afwezigheid van de ‘ouderen’, d.w.z. van de kadetten. Het leidde direct tot een verdere verzwakking van de regering. De grootgrondbezitter en vroegere voorzitter van het Zemstvobestuur, vorst Lvov, verwijt de regering dat haar agrarische politiek “het rechtsbewustzijn van het volk ondermijnde.” De grootgrondbezitters waren niet alleen verontrust omdat zij hun erfgoederen misschien zouden verliezen, maar ook omdat de verzoeningsgezinden “van plan waren de Constituerende Vergadering voor het voldongen feit van het reeds opgeloste vraagstuk te stellen.” Alle steunpilaren van de monarchistische reactie werden nu ineens fanatieke aanhangers van de zuivere democratie! De regering besloot Kerenski met de post van minister-president te belasten met behoud van zijn portefeuilles van oorlog en marine. Tsereteli, de nieuwe minister van binnenlandse zaken, moest aan het Uitvoerend Comité verantwoording afleggen voor de arrestaties van de bolsjewieken. De in protestvorm opgestelde interpellatie ging uit van Martov en Tsereteli antwoordde zijn oudere partijgenoot zonder een blad voor de mond te nemen dat hij er de voorkeur aan gaf met Lenin te doen te hebben dan met Martov: bij de eerste wist hij wat hem te doen stond, terwijl de laatste hem slechts de handen bond… “Ik neem de verantwoordelijkheid voor deze arrestaties op mij,” slingerde de minister uitdagend de gespannen luisterende zaal in.

Terwijl zij slagen uitdelen naar links, verschuilden de verzoeningsgezinden zich achter het gevaar van rechts. “Rusland staat voor een militaire dictatuur,” zegt Dan in de zitting van 9 juli. “Wij moeten de militaire dictatuur de wapens uit handen nemen. En dit kunnen wij slechts indien wij de Voorlopige Regering als een comité tot redding van de staat erkennen. Wij moeten haar onbeperkte volmachten geven opdat zij de anarchie van links en de contrarevolutie van rechts met wortel en tak kan uitroeien…” Alsof er andere wapens in handen van de tegen de arbeiders, soldaten en boeren strijdende regering konden zijn dan de wapens van de contrarevolutie! Met 252 stemmen bij 47 onthoudingen besloot de verenigde vergadering: “1. Het land en de revolutie zijn in gevaar; 2. De Voorlopige Regering wordt tot een regering tot redding van de revolutie uitgeroepen; 3. Zij krijgt onbeperkte volmachten.” Het besluit klonk hol. De in de vergadering aanwezige bolsjewieken onthielden zich van stemming, hetgeen ongetwijfeld een bewijs is van de verwarring die er in de partijleiding heerste.

Massabewegingen laten, ook al zijn zij verslagen, altijd sporen achter. In plaats van de heer met de hoge titels kwam de radicale advocaat aan het hoofd van de regering; de leiding van het ministerie van binnenlandse zaken kreeg iemand die vroeger met dwangarbeid gestraft was. Het plebejisch karakter van de vernieuwde regering was maar al te duidelijk. Kerenski, Tsereteli, Tsjernov, Skobeljew, de leiders van het Uitvoerend Comité, drukten nu een stempel op de regering. Was dit niet een verwezenlijking van de slogan van de Julidagen: “Weg met de tien kapitalistische ministers”? Neen, het toonde slechts de ontoereikendheid van deze slogan. De democratische ministers namen de macht enkel over om deze terug te geven aan de kapitalistische ministers. La coalition est morte, vive la coalition!

Dan volgt de schandalige komedie van de ontwapening van de mitrailleurs op het Slotplein. Een aantal regimenten wordt ontbonden. De soldaten worden in kleine afdelingen naar het front overgebracht ter aanvulling van de troepen. Veertigjarigen moeten gehoorzamen en worden de loopgraven in gedreven. Dit zijn allemaal propagandisten tegen het Kerenski-regime. Zij zijn tienduizenden in aantal en zij zullen tot de herfst goed werk doen. Tegelijkertijd worden de arbeiders ontwapend, doch met minder succes. Onder druk van de generaals – spoedig zullen wij zien welke vormen deze aannam – wordt aan het front de doodstraf ingevoerd. Dezelfde dag echter, 12 juli, wordt een decreet uitgevaardigd waarin aan het afsluiten van transacties betreffende de grond paal en perk gesteld wordt. Deze halve maatregel, die onder druk van de moezjieks tenslotte genomen wordt, wekte links slechts spot, rechts verontwaardiging. Terwijl hij alle straatdemonstraties verbood – een dreigement aan de linksen – keerde Tsereteli zich ook tegen de eigenmachtige arrestaties – een poging tot terechtwijzing van de rechtsen. De afzetting van de opperbevelhebber van het militaire district werd door Kerenski tegenover de linksen gemotiveerd met zijn vernietiging van de arbeidersorganisaties, tegenover de rechtsen met zijn tekort aan vastberadenheid.

De Kozakken werden nu de ware helden van het burgerlijke Petrograd. “Het kwam meermaals voor,” zo verhaalt de Kozakkenofficier Grekow, “dat wanneer iemand in een openbare gelegenheid, bijvoorbeeld in een restaurant, waar veel publiek was, in kozakkenuniform binnentrad, iedereen opstond en de binnentredende met applaus begroet werd.” Theaters, bioscopen en parken organiseerden weldadigheidsfeesten voor de gewonde Kozakken en de families van hen die gedood waren. Het bureau van het Uitvoerend Comité was genoodzaakt een commissie te kiezen met Tsjcheïdse aan het hoofd, om deel te nemen aan de voorbereidingen voor de teraardebestelling van de “bij het vervullen van hun revolutionaire plicht in de dagen van 3 tot 5 juli gevallen soldaten.” De verzoeningsgezinden moesten de beker van vernedering tot de laatste druppel ledigen. De ceremonieën begonnen met een dienst in de Isaakkathedraal. De doodkisten werden door Rodsjanko, Miljoekov, vorst Lvov en Kerenski naar buiten gedragen en in processie naar het Alexandro-Nevskiklooster gebracht om bijgezet te worden. Langs de gehele weg die de stoet nam, was de militie verwijderd: de Kozakken deden dienst om de orde te handhaven. De dag van de begrafenis waren zij heer en meester in Petrograd. De door de Kozakken vermoorde arbeiders en soldaten, de broeders van de Februarislachtoffers, werden in alle stilte ter aarde besteld, zoals vroeger onder het tsarisme de slachtoffers van 9 januari begraven waren.

Aan het Uitvoerend Comité van Kronstadt stelde de regering – onder het dreigement dat anders het eiland geblokkeerd zou worden – de eis dat Raskolnikov, Rosjal en Remnev onmiddellijk uitgeleverd zouden worden aan de autoriteiten die met het onderzoek belast waren. De afgetreden vorst Lvov beklaagde zich in de dagbladen over het feit dat “de sovjets op een laag moreel peil stonden en de leninisten, die agenten van de Duitsers waren, niet uit hun midden verwijderd hadden.” De verzoeningsgezinden deden hun uiterste best om hun betrouwbaarheid te tonen! Op 3 juli nemen de Uitvoerende Comités in een gemeenschappelijke zitting een door Dan ingediende resolutie aan die als volgt luidde: “Alle personen tegen wie door justitie een aanklacht is ingediend, worden tot de definitieve rechterlijke uitspraak van deelname aan de werkzaamheden van de Uitvoerende Comités uitgesloten. De bolsjewieken werden daarmee feitelijk buiten de wet gesteld. Kerenski verbood de gehele bolsjewistische pers. In de provincie hadden arrestaties van de landcomités plaats. De “Izvestia” jammerde machteloos: “Enkele dagen geleden nog waren wij getuige van een anarchistische orgie in de straten van Petrograd. Vandaag hoort men in diezelfde straten niets anders dan contrarevolutionaire en Zwarte Honderd-redevoeringen.”

Na de ontbinding van de meest revolutionaire troepenafdelingen en de ontwapening van de arbeiders sloeg de balans verder naar rechts door. Een groot deel van de werkelijke macht concentreerde zich openlijk in handen van de militaire leiding, van de bankiers, de industriëlen en de kadetten. De rest bleef als tevoren in handen van de Sovjets. Er was duidelijk een dubbele heerschappij, maar niet meer de gelegaliseerde contact- of coalitie-dubbele heerschappij van de voorafgaande maanden, maar de explosieve dubbele heerschappij van twee klieken, de militair-burgerlijke en de verzoeningsgezinde, die elkaar vreesden maar tegelijkertijd elkaar ook nodig hadden. Wat kon er nog gedaan worden? De coalitie herstellen. “Na de opstand van 3 tot 5 juli,” zegt Miljoekov terecht, “verdween de coalitiegedachte niet alleen, maar kreeg deze integendeel een tijdlang weer meer kracht en betekenis dan voorheen.”

Het Voorlopig Comité van de Rijksdoema herleefde plotseling en nam een scherpe resolutie tegen de regering tot redding van het land aan. Dit gaf de laatste stoot. Alle ministers overhandigden hun portefeuille aan Kerenski en maakten deze daardoor alleen reeds tot centrum van de nationale soevereiniteit. Dit ogenblik werd zowel voor het verdere lot van het Februaribewind, alsook voor het persoonlijke lot van Kerenski van grote betekenis: er kwam nu in de chaos van groeperingen, aftredingen en benoemingen een centraal punt naar voren waarrond alles draaide. Het aftreden van de minister betekende slechts het begin van onderhandelingen met de kadetten en de industriëlen. De kadetten stelden de volgende voorwaarden: verantwoordelijkheid van de leden van de regering “alleen aan zichzelf”; volkomen overeenstemming met de Geallieerden; herstel van de discipline in het leger; geen enkele sociale hervorming voordat de Constituerende Vergadering bijeenkwam. Een ongeschreven eis was die tot uitstel van de verkiezingen voor de Constituerende Vergadering. Dit werd een “boven de partijen staand en nationaal programma” genoemd. De vertegenwoordigers van handel en industrie die tevergeefs getracht hadden de verzoeningsgezinden tegen de kadetten uit te spelen, antwoordden in soortgelijke zin. Het Uitvoerend Comité bevestigde opnieuw zijn resolutie waarin de regering voor de redding van het land “met volledige volmachten” voorzien werd: dit betekende dat men toestemde in de onafhankelijkheid van de regering van de Sovjets. Dezelfde dag verzond Tsereteli, in zijn hoedanigheid van minister van binnenlandse zaken, een circulaire over de urgentie van “definitieve maatregelen om een einde te maken aan elk eigenmachtig optreden op het gebied van het grondbezit.” De minister van voedselvoorziening Pesjechonov eiste van zijn kant dat er een einde moest komen aan “het gewelddadig en misdadig optreden tegen de grondbezitters.” De regering tot redding van de revolutie diende zich in de eerste plaats aan als een regering tot redding van het grootgrondbezit. Daar bleef het echter niet bij. De industriemagnaat-ingenieur Paltsjinski volgde in zijn drieledige kwaliteit – als leider van het ministerie van handel en industrie, als commissaris voor brandstoffen- en metaalvoorziening en als leider van de commissie voor de landsverdediging – de politiek van het trustkapitaal. De mensjewistische nationaaleconoom Tsjerewarin beklaagde er zich tegenover de economische afdeling van de Sovjet over dat alle goede bedoelingen van de democraten botsten op de sabotage van Paltsjinski. De minister van landbouw Tsjernov, die door de kadetten eveneens beschuldigd werd van banden met de Duitsers, zag zich genoodzaakt om af te treden om zich te “rehabiliteren.” Op 18 juli vaardigt de regering waarin de socialisten de meerderheid hebben een manifest uit naar aanleiding van de ontbinding van de ongehoorzame Finse Sejm met zijn sociaaldemocratische meerderheid. In de plechtige nota aan de Geallieerden ter gelegenheid van de derde verjaardag van het uitbreken van de wereldoorlog, herhaalt de regering niet alleen de traditionele eed van trouw maar meldt zij ook de gelukkige onderdrukking van de door vijandelijke agenten georganiseerde muiterij. Het is een weergaloos kruiperig document. Tegelijkertijd wordt een draconisch strenge wet tegen overtreding van de tucht bij de spoorwegen uitgevaardigd. Nadat de regering derhalve haar rijpheid had getoond, besloot Kerenski eindelijk het ultimatum van de kadettenpartij in deze zin te beantwoorden dat de door deze gestelde eisen geen hinderpaal voor het toetreden tot de Voorlopige Regering konden vormen. Met een verkapte capitulatie namen de liberalen echter reeds geen genoegen meer. Zij wilden de verzoeningsgezinden op de knieën hebben. Het Centraal Comité van de kadetten verklaarde dat de na de ontbinding van de coalitie op 8 juli opgestelde regeringsverklaring – een mengelmoes van democratische gemeenplaatsen – voor de kadetten onaannemelijk was. En ze brak de onderhandelingen af.

Er volgde een concentrische aanval. De kadetten handelden niet alleen in nauw contact met de industriëlen en geallieerde diplomaten maar ook met de generaals. Het hoofdbestuur van de officierenvereniging bij het hoofdkwartier stond feitelijk onder leiding van de kadettenpartij. Door middel van de hoogste legerleiding trachtten de kadetten de verzoeningsgezinden op de meest gevoelige plek te treffen. Op 8 juli vaardigde de opperbevelhebber van het zuidwestelijk front, generaal Kornilov, een bevel uit om met mitrailleur- en artillerievuur tegen de terugwijkende soldaten op te treden. Gesteund door de commissaris van het front, Savinkov, de vroegere leider van de terroristische organisatie van de sociaal-revolutionairen, had Kornilov reeds eerder de invoering van de doodstraf aan het front geëist en gedreigd dat hij anders het commando zou neerleggen. Het geheime telegram werd terstond in de pers gepubliceerd. Kornilov had ervoor gezorgd dat het bekend werd. De opperbevelhebber, Brjoessilov, die meer tot voorzichtigheid en tot schipperen geneigd was, schreef op schoolmeesterachtige toon aan Kerenski: “De lessen van de Grote Franse Revolutie die wij maar al te vaak vergeten, dringen zich als het ware op…” Deze lessen bestonden daarin dat de Franse revolutionairen, nadat zij tevergeefs getracht hadden het leger “op humanitaire principes” op te bouwen, weer tot de doodstraf gekomen waren, “en hun vaandels zijn zegevierend over de halve aardbol getrokken.” Iets anders hadden de generaals niet uit het boek van de revolutie geleerd. Op 12 juli voerde de regering de doodstraf weer in: “alleen in oorlogstijd voor militairen en voor enkele zeer zware misdrijven.” Alleen de bevelhebber van het noordelijk front, generaal Klembovski, schreef na drie dagen: “De ervaring heeft geleerd dat die troepen welke geregeld uit de reserves aangevuld worden volkomen ongeschikt tot de strijd blijken te zijn. Het leger kan niet gezond worden zolang de bronnen waaruit de reserves geput worden bedorven zijn.” Deze bedorven reservebron was het Russische volk.

Op 16 juli riep Kerenski in het hoofdkwartier een vergadering van de oudere legeraanvoerders bijeen, waaraan ook Teresjtsjenko en Savinkov deelnamen. Kornilov ontbrak: de terugtocht aan zijn front was in volle gang en kwam pas na enkele dagen tot stilstand, toen de Duitsers bij de vroegere grens halt hielden. De namen van de deelnemers aan de bijeenkomst: Brjoessilov, Alexejev, Roesski, Klembovski, Denikin en Romanovski klonken als een echo uit het verleden. Vier maanden lang hadden de hoge generaals zich meer dood dan levend gevoeld. Nu werden zij weer levend en vielen ze de minister-president, die voor hen de onaangename revolutie belichaamde, ongestraft met boosaardige plagerijen lastig.

Volgens de opgaven van het hoofdkwartier verloor het leger aan het zuidwestelijk front tussen 18 juni en 6 juli ongeveer 56.000 man. Een onbetekenend aantal vergeleken met de cijfers van de gehele oorlog! De twee revoluties van februari en van oktober hebben echter veel minder gekost. Wat bracht het offensief van de liberalen en de verzoeningsgezinden anders dan dood, vernietiging en ellende. De sociale schokken van het jaar 1917 hebben de aanblik van een zesde deel van de gehele aarde volkomen gewijzigd en nieuwe mogelijkheden voor de mensheid geopend. De gruwelijkheden en verschrikkingen van de revolutie, die wij niet willen ontkennen en evenmin minimaliseren, komen niet uit de lucht vallen: zij zijn onverbrekelijk aan de gehele historische ontwikkeling verbonden.

Brjoessilov meldde aangaande de resultaten van het offensief dat een maand geleden begonnen was: “Een totale mislukking.” De oorzaak is gelegen in het feit dat “de superieuren, van compagniescommandant tot opperbevelhebber, over geen enkele macht beschikken.” Hij zegt niet hoe en waardoor zij deze verloren hebben. Wat de verdere operaties betreft, zo “kunnen wij hiertoe onmogelijk vóór de lente gereed zijn.” Terwijl hij samen met de overigen zich op de genomen represaillemaatregelen beroemde, opperde Klembovski tegelijkertijd twijfel of zij iets zouden kunnen uitrichten. “De doodstraf? Maar kan men dan gehele divisies terechtstellen? Gerechtelijke strafvervolgingen? Maar dan zou het halve leger in Siberië zitten…” De chef van de generale staf meldde: “Vijf regimenten van het garnizoen van Petrograd zijn ontbonden. De aanvoerders van de rebellen aan het gerecht overgeleverd… In totaal moeten ongeveer 90.000 man uit Petrograd weggevoerd worden.” Hiervan nam men met voldoening kennis. Niemand dacht erover na welke gevolgen de evacuatie van het Petrogradse garnizoen zou hebben.

“De commissies?” vroeg Alexejev. “Die moeten vernietigd worden… De eeuwenoude geschiedenis van de oorlog heeft haar eigen wetten. Wij wilden tegen deze in handelen en hebben een fiasco geleden.” Deze man verstond onder de wetten van de geschiedenis de reglementen van de dienst. “De oude vaandels,” snoefde Roesski, “volgde men als een heilig iets en men was bereid daarvoor te sterven. Waartoe hebben de rode vaandels echter geleid? Daartoe dat de troepen zich nu met hele korpsen tegelijk overgeven.” De aftandse generaal was vergeten dat hijzelf in augustus 1915 aan de ministerraad meldde: “De moderne eisen van de oorlogstechniek gaan onze krachten te boven; in elk geval kunnen wij tegen de Duitsers niet op.” Klembovski legde er nog eens met enig leedvermaak de nadruk op dat het eigenlijk niet de bolsjewieken geweest waren die het leger ten gronde gericht hadden, maar “anderen die een ondeugdelijke methode van oorlogvoering toepasten, lieden die van de levens- en bestaansvoorwaarden van het leger geen begrip hadden.” Dit was direct tegen Kerenski gericht. Denikin deed een nog krachtiger aanval op de ministers: “Jullie hebben ze door het slijk gesleurd, onze roemvolle oorlogsvaandels, richt ze nu ook zelf weer op, indien jullie gewetenswroeging hebben…” En Kerenski? Terwijl hij ervan verdacht werd een gemis aan verantwoordelijkheidsgevoel te hebben, dankte hij de soldaten nederig voor “het openlijk en vrijmoedig uitspreken van hun mening.” De verklaring van de rechten van de soldaat? “Indien ik indertijd, toen deze opgesteld werd, minister geweest was, zou de verklaring nooit afgekondigd zijn. Wie heeft het eerst de Siberische scherpschutters bedwongen? Wie het eerst bloed vergoten om de weerspannigen neer te slaan? Mijn gevolmachtigde, mijn commissaris.” De minister van buitenlandse zaken Teresjtsjenko troost liefelijk: “Ook al is ons offensief mislukt, zo heeft het toch het vertrouwen van de Geallieerden in ons doen toenemen.” Het vertrouwen van de Geallieerden! Is dat niet het belangrijkste?

“De officieren zijn tegenwoordig de enige steunpilaren van de vrijheid en van de revolutie,” spelt Klembovski de les. “De officier is geen bourgeois,” verklaarde Brjoessilov nader, “hij is een rasechte proletariër.” Generaal Roesski voegt hier nog aan toe: “Ook de generaals zijn proletariërs.” De commissies vernietigen, de macht van de vroegere superieuren herstellen, de politiek uit het leger verbannen, d.w.z. de revolutie – dat is het programma van die proletariërs met de rang van generaal. Kerenski heeft tegen dit programma zelf niets in te brengen; hij maakt zich slechts ongerust over de tijdsduur van de vervulling ervan. “Wat de voorgestelde maatregelen betreft,” zei hij, “zo geloof ik dat ook generaal Denikin niet er op zal staan dat zij onmiddellijk uitgevoerd worden…” De generaals waren in het algemeen volkomen onbelangrijke personages. Zij konden het echter niet laten onder elkaar te zeggen: “Zo moet men met deze heren omgaan!”

De bijeenkomst had een wijziging in de hoogste legerleiding tot gevolg. De meegaande en soepele Brjoessilov die benoemd was in plaats van de voorzichtige departementsambtenaar Alexejev die tegen het offensief geweest was, werd nu door Kornilov vervangen. Deze personenwisseling werd op verschillende gronden gemotiveerd: aan de kadetten beloofde men dat Kornilov een sterke discipline zou invoeren; aan de verzoeningsgezinden verzekerde men dat Kornilov een vriend van de commissies en van de commissarissen was en dat Savinkov zelf voor zijn republikeinse gevoelens instond. In antwoord op de hoge benoeming zond de generaal een nieuw ultimatum aan de regering: hij, Kornilov, nam zijn benoeming slechts aan onder de volgende voorwaarden: “Verantwoordelijkheid alleen aan zichzelf en aan het volk; geen inmenging in de benoeming van de hogere officieren; wederinvoering van de doodstraf in het achterland.” Het eerste punt bracht moeilijkheden met zich: “Verantwoordelijkheid alleen aan zichzelf en aan het volk,” daarmee was Kerenski reeds begonnen en rivaliteit kon hier niet geduld worden. Het telegram van Kornilov werd in het meest gelezen liberale blad gepubliceerd. De voorzichtige reactionaire politici fronsten de wenkbrauwen. Het ultimatum van Kornilov was het ultimatum van de kadettenpartij, maar dan in de openlijke bewoordingen van een Kozakkengeneraal. Kornilovs berekening was echter volkomen juist: de onmatige eisen en de vermetele toon van het ultimatum brachten vreugde teweeg bij alle vijanden van de revolutie en vooral bij alle officieren. Kerenski werd woedend en wilde Kornilov direct ontslaan, maar hij vond geen steun bij de regering. Tenslotte stemde Kornilov op aanraden van zijn opdrachtgevers erin toe om in een mondelinge verklaring vast te stellen dat hij de verantwoordelijkheid aan het volk als een verantwoordelijkheid aan de Voorlopige Regering opvatte. Overigens werd het ultimatum met een klein voorbehoud aangenomen. Kornilov werd opperbevelhebber. Tegelijkertijd werd de militaire ingenieur Filonenko als commissaris aan hem toegevoegd en werd de vroegere commissaris van het zuidwestelijk front, Savinkov, tot leider van het ministerie van oorlog benoemd. De een – een opgekomen willekeurling; de ander – met een groot revolutionair verleden; beide – avonturiers die, zoals Filonenko, tot alles of, zoals Savinkov, althans tot heel veel in staat waren. Hun innig bondgenootschap met Kornilov heeft de snelle carrière van de generaal begunstigd en, naar wij zullen zien, in de verdere loop der gebeurtenissen een rol gespeeld.

De verzoeningsgezinden capituleerden over de gehele linie. Tsereteli herhaalde: “De coalitie is het bondgenootschap tot redding.” Ondanks de formele breuk waren de onderhandelingen achter de schermen in volle gang. Om de oplossing te bespoedigen neemt Kerenski, klaarblijkelijk in overeenstemming met de kadetten, zijn toevlucht tot een zuiver theatrale, d.w.z. geheel met zijn politiek in overeenstemming zijnde en tevens zeer doeltreffende maatregel: hij treedt af en reist uit de stad weg waarbij hij de verzoeningsgezinden wanhopig achterlaat. Miljoekov zegt hierover: “Door zijn demonstratief aftreden… liet hij zowel aan zijn tegenstanders alsook aan zijn mededingers en ook aan zijn aanhangers zien dat hij, hoe men ook over zijn persoonlijke eigenschappen mocht denken, eenvoudig door de politieke positie die hij innam – tussen twee vijandelijke partijen – op dat moment onmisbaar was.” Het spel was volgens de regels van de kunst gewonnen. De verzoeningsgezinden stormden met een onderdrukte vloek en openlijke smeekbeden op “kameraad Kerenski” af. Beide partijen, de kadetten en de socialisten, brachten de onthoofde regering gemakkelijk tot het besluit zichzelf te liquideren en aan Kerenski de opdracht te geven om naar eigen goeddunken een nieuwe regering te vormen.

Om de toch een beetje verschrikte leden van het Uitvoerend Comité te intimideren, legt men hen de laatste berichten over de slechter wordende toestand aan het front voor. De Duitsers brengen de Russische troepen in het nauw, de liberalen brengen Kerenski in het nauw en Kerenski brengt de verzoeningsgezinden in het nauw. De mensjewistische en sociaal-revolutionaire fracties beraadslagen de gehele nacht van 24 juli, ze zijn angstig en hulpeloos. Eindelijk stemmen de Uitvoerende Comités met een meerderheid van 147 tegen 46 stemmen met 42 onthoudingen – een tot nu toe ongekende oppositie! – er in toe dat de macht zonder enige nadere voorwaarde of beperking overgedragen wordt aan Kerenski. Op de partijdag van de kadetten die gelijktijdig plaats heeft, gaan stemmen op om Kerenski ten val te brengen. Miljoekov wijst de ongeduldigen terecht en geeft de raad om zich voorlopig tot het uitoefenen van druk te beperken. Dit wil niet zeggen dat Miljoekov zich met betrekking tot Kerenski aan illusies overgaf. Hij zag echter in hem een uitgangspunt tot de inzet van de krachten van de bezittende klassen. De regering zou eenmaal van de sovjets bevrijd, daarna gemakkelijk van Kerenski bevrijd kunnen worden.

De honger van de goden van de coalitie was ondertussen niet gestild. Voor de vorming van de overgangsregering van 7 juli was er al een bevel tot arrestatie van Lenin. Hu kwam het erop aan om door een kordaat optreden te laten zien dat de coalitie hersteld was. Op 13 juli verscheen er in het blad van Gorki – een bolsjewistische pers bestond er niet meer – een open brief van Trotski aan de Voorlopige Regering: “Jullie hebben geen enkele gegronde reden om mij uit te zonderen van de werking van het decreet krachtens hetwelk de kameraden Lenin, Zinovjev en Kamenev gearresteerd moeten worden. Wat de politieke kant van de zaak betreft, jullie kunnen er niet aan twijfelen dat ik een even onverzoenlijk tegenstander van de gehele politiek van de Voorlopige Regering als de bovengenoemde kameraden ben.” ’s Nachts, toen het nieuwe ministerie gevormd was, werden Trotski en Loenatsjarski te Petrograd en de soldaat Krylenko, de latere opperbevelhebber van de bolsjewieken, aan het front gearresteerd.

De regering die na een crisis van drie weken tot stand kwam, leek een verschrompeld geheel. Zij bestond uit tweederangs- en derderangsfiguren, die volgens het principe van het kleinste kwaad uitgekozen waren. Plaatsvervangend voorzitter werd ingenieur Nekrassov, een linkse kadet die op  27 februari voorgesteld had de macht over te geven aan een van de tsaristische generaals om zo de revolutie te onderdrukken. De partijloze en onbelangrijke schrijver Prokopovitsj, die tussen de kadetten en de mensjewieken in stond, werd minister van handel en industrie. Een vroegere officier van justitie, later radicaal advocaat, Saroedniy, een zoon van de “liberale” minister van Alexander II, werd met de leiding van het ministerie van justitie belast. De voorzitter van het Boeren Uitvoerend Comité, Avksentjev, kreeg de portefeuille van binnenlandse zaken. Minister van arbeid werd de mensjewiek Skobeljev, minister van voedselvoorziening de volkssocialist Pesjechonov. Ook van de liberalen kwamen er tweederangsfiguren in het kabinet, figuren die noch voorheen noch later een leidende rol speelden. Op de post van minister van landbouw keerde volkomen onverwacht Tsjernov terug: de vier dagen tussen zijn aftreden en zijn herbenoeming waren blijkbaar voldoende om zich te rehabiliteren. Miljoekov merkt in zijn “Geschiedenis” gelaten op dat de aard van Tsjernovs betrekkingen tot de Duitse autoriteiten “onopgehelderd bleef. Het is ook mogelijk,” zo voegt hij eraan toe, “dat zowel de mededelingen van de Russische contraspionage alsook de verdachtmakingen van Kerenski, Teresjtsjenko en anderen in dit opzicht overdreven waren.” De herbenoeming van Tsjernov tot minister van landbouw was slechts een concessie aan het prestige van de regerende sociaal-revolutionaire partij, waarin Tsjernov trouwens steeds meer aan invloed verloor. Tsereteli bleef echter voorzichtigheidshalve buiten het ministerie. In mei heette het dat hij in de regering nuttig voor de revolutie kon zijn; nu trachtte hij in de sovjet nuttig voor de regering te zijn. Van nu af aan vervult Tsereteli werkelijk de rol van commissaris van de bourgeoisie in het Sovjetstelsel. “Indien de coalitie tegen het belang van het land zou zijn,” zei hij in een zitting van de Sovjet van Petrograd, “dan is het onze plicht om onze kameraden uit de regering terug te roepen.” Er was nu geen sprake meer van om de liberalen af te matten en ze vervolgens te verdrijven. Dat was kort geleden nog door Dan beloofd, maar nu kwam het er blijkbaar op aan om tijdig het stuur uit handen vooraleer zelf uitgeput te geraken. Tsereteli bereidde een volkomen overgave van de macht aan de bourgeoisie voor.

In de eerste coalitie die op 6 mei gevormd werd, waren de socialisten in een minderheid. In werkelijkheid waren ze echter heer en meester. In de regering van 24 juli waren de socialisten in de meerderheid, maar ze stonden in de schaduw van de liberalen. “Met een klein numeriek overwicht van de socialisten,” erkent Miljoekov, “hadden de overtuigde aanhangers van de democratie in werkelijkheid ongetwijfeld het overwicht in het kabinet.” Het ware juister te zeggen: de aanhangers van de privaateigendom. Hoe het met de democratie gesteld was, was minder duidelijk. Op dezelfde wijze, maar met enigszins onverwachte argumenten, vergeleek minister Pesjechonov de coalitie van juli met die van mei: destijds had de bourgeoisie een steun van links nodig, maar nu de contrarevolutie dreigde had men de steun van rechts nodig. “Hoe meer krachten wij van rechts tot ons trekken, des te minder zullen er overblijven voor hen die de regering kunnen aanvallen.” Een onvergelijkbare stelregel van politieke krijgskunst: om het beleg van een vesting te doen eindigen, kan je best de poorten binnen de vesting zelf openen. Dit werd alleszins de tactiek van de nieuwe coalitie.

De reactie viel aan, de democratie week terug. De klassen en groepen die aanvankelijk van de revolutie verschrikt waren, steken opnieuw het hoofd op. Wensen die gisteren nog geheim gehouden werden, komen nu openbaar naar voor. Kooplieden en speculanten eisten de uitroeiing van de bolsjewieken en – vrijheid van handel. Ze verhieven hun stem tegen alle handelsbeperkingen, zelfs tegen die welke reeds onder het tsarisme ingevoerd waren. Levensmiddelencommissies die de speculatie trachtten tegen te gaan, werden als schuldig aan het levensmiddelengebrek aangewezen. De haat richtte zich behalve tegen de levensmiddelencommissies ook tegen de Sovjets. De mensjewistische economist Gromann deelde mee dat de campagne van de kooplieden “vooral na de gebeurtenissen van 3 tot 4 juli sterker werd.” De Sovjets werden verantwoordelijk gesteld voor de nederlagen, de duurte en de nachtelijke plunderingen.

Verontrust door de monarchistische intriges en beducht voor acties van links, voerde de regering op 7 augustus Nicolaas Romanov met zijn familie weg naar Tobolsk. De volgende dag werd het nieuwe blad van de bolsjewieken “Rabotsjij I Soldat” (Arbeiders en soldaten) verboden. Van alle kanten kwamen er berichten over massa-arrestaties van troepencomités. De bolsjewieken konden hun partijdag eind juli enkel op semi-illegale wijze houden. Legercongressen werden verboden. Congressen werden slechts gehouden door hen die tot kort ervoor enkel stilletjes thuis zaten: grondbezitters, kooplieden en industriëlen, leiders van de Kozakken, geestelijkheid en ridders van St. George. Op al deze congressen werd hetzelfde gezegd en er was slechts een gradueel verschil wat driestheid betreft. De kadettenpartij had kennelijk, hoewel niet openlijk, de leiding.

Op het congres van handel en industrie, waar begin augustus ongeveer driehonderd afgevaardigden van de voornaamste organisaties van de beurs en de ondernemers bijeenkwamen, werd de openingsrede gehouden door de textielmagnaat Rjaboesjinski die zijn standpunten niet verborgen hield. “De Voorlopige Regering had slechts schijnbaar de macht. In werkelijkheid deed een troepje politieke charlatans alleen maar wat gewichtig. De regering oefent belastingdruk uit en belast vooral de klasse van handelaars en industriëlen sterk. Doet men er verstandig aan om iets aan een verkwister te geven? Is het niet beter de verkwister onder curatele te stellen, om het vaderland te redden?” En hij eindigde met het dreigement: “De magere arm van de honger en de ellende van het volk zal de vrienden van het volk bij de keel grijpen!” De passage over de magere arm van de honger, een algemene formulering van de politiek van uitsluitingen, is sindsdien in het politieke vocabularium van de revolutie overgegaan. Zij kwam de kapitalisten duur te staan.

In Petrograd werd het congres van de gouvernementscommissarissen geopend. De agenten van de Voorlopige Regering die eigenlijk pal voor haar hadden moeten staan, sloten zich in werkelijkheid tegen haar aaneen en hadden het onder leiding van de kern van kadetten op de ongelukkige minister van binnenlandse zaken, Avksentjev, gemunt. “Men kan niet op twee gedachten hinken: de regering moet regeren en niet slechts een marionet zijn.” De verzoeningsgezinden verdedigden zich en protesteerden zachtjes, uit angst dat de bolsjewieken hun ruzie met de bondgenoten zouden horen. De socialistische minister had het bij het congres verbrod en droop af.

De sociaal-revolutionaire en de mensjewistische pers begon meer en meer te jammeren en te weeklagen. Verrassende onthullingen begonnen in haar kolommen te verschijnen. Op 6 augustus publiceerde het sociaal-revolutionaire blad “Djelo Naroda” (Het Volksbelang) een brief van een groep linkse “jonkers” die deze brief op weg naar het front verstuurd had. De schrijvers “waren verbaasd over de rol die de “jonkers” speelden… voortdurende kastijdingen, deelname van de “jonkers” aan strafexpedities die gepaard gingen met fusillades zonder voorafgaand gerechtelijk onderzoek, louter op bevel van een bataljonscommandant… De verbitterde soldaten schieten “jonkers” in de rug…” Zo werd het leger gesaneerd.

De reactie viel aan, de regering week terug. Op 7 augustus werden de meest populaire leiders van de Zwarte Honderd, die tot de kringen van Raspoetin behoorden en aan pogroms op de joden deelgenomen hadden, uit de gevangenis ontslagen. De bolsjewieken bleven in de Krestygevangenis, waar de gearresteerde arbeiders, soldaten en matrozen met een hongerstaking dreigden. De arbeiderssectie van de Sovjet van Petrograd zond diezelfde dag een groet aan Trotski, Loenatsjarski, Kollontai en de andere gevangenen.

De industriëlen, de gouvernementscommissarissen, het Kozakkencongres in Novotsjerkassk, de patriottische pers, generaals, liberalen, allen waren van mening dat het volslagen onmogelijk was om de verkiezing voor de Constituerende Vergadering in september te houden. Het zou het beste zijn om deze tot het einde van de oorlog uit te stellen. Hierop kon de regering echter niet ingaan. Maar er kwam een compromis tot stand: de bijeenroeping van de Constituerende Vergadering werd uitgesteld tot 28 november. Morrend accepteerden de kadetten deze datum: zij rekenden er vast op dat er belangrijke gebeurtenissen in de tussenliggende drie maanden zouden plaats hebben waardoor de kwestie van de Constituerende Vergadering vanzelf een andere betekenis zou krijgen. Steeds openlijker werd de naam van Kornilov aan deze verwachtingen vastgeknoopt.

De reclamecampagne voor de figuur van de nieuwe “opperbevelhebber” stond van nu af aan in het middelpunt van de burgerlijke politiek. De biografie van “de eerste volksopperbevelhebber” werd met medewerking van het hoofdkwartier in talloze exemplaren verspreid. Wanneer Savinkov als leider van het ministerie van oorlog tot journalisten zei: “Wij zijn van mening,” dan betekende deze “wij” niet Savinkov en Kerenski, maar Savinkov en Kornilov. Het rumoer om Kornilov noopte Kerenski goed op te letten. Steeds hardnekkiger liepen er geruchten over een samenzwering waarvan het bestuur van de Officierenvereniging bij het hoofdkwartier het centrum vormde. De samenkomst van de leider van de regering en de leider van het leger in begin augustus deed hun antipathie slechts toenemen. “Deze ijdele zwetser wil mij commanderen,” moest Kornilov wel bij zichzelf zeggen. “Wil deze bekrompen en domme Kozak Rusland redden?” moest Kerenski wel denken. Beiden hadden vanuit hun standpunt gezien gelijk. Het programma van Kornilov, dat een militairisering van de bedrijven en de spoorwegen, een uitbreiding van de doodstraf tot het achterland en een onderschikking van het militaire district Petrograd met inbegrip van het garnizoen van de hoofdstad aan het hoofdkwartier inhield, werd inmiddels in de verzoeningsgezinde kringen bekend. Het was niet moeilijk om achter het officiële programma het andere, weliswaar niet openlijk uitgesproken, maar des te reëlere programma te vermoeden. De linkse pers sloeg alarm. Het Uitvoerend Comité stelde een nieuwe kandidaat voor de post van opperbevelhebber voor in de persoon van generaal Tsjeremissow. Men begon openlijk over een spoedig ontslag van Kornilov te spreken. De reactie werd onrustig.

Op 6 augustus besloot de Sovjet van de bond van twaalf Kozakkenlegers, van de Don-, de Koeban-, de Tersk- en andere Kozakken, met medewerking van Savinkov “luid en beslist” ter kennis van de regering en het volk te brengen dat hij bij voorbaat elke verantwoordelijkheid voor de houding van de Kozakkentroepen aan het front en in het achterland in geval van een afzetting van de “heldhaftige leider”, generaal Kornilov, afwees. Het congres van het Verbond van de ridders van St. George bedreigde de regering nog krachtiger: indien Kornilov afgezet zou worden, zou het verbond onmiddellijk “een oproep tot alle ridders van St. George richten met het oog op een gemeenschappelijk optreden met de Kozakken.” Geen van de generaals protesteerde tegen deze overtreding van de krijgstucht en de ordelievende pers drukte vol geestdrift de besluiten af waarin met burgeroorlog gedreigd werd. Het hoofdbestuur van de Officierenvereniging van leger en vloot verzond een telegram waarin het al zijn verwachtingen “op de geliefde leider, generaal Kornilov,” stelde en “alle weldenkende mensen” opriep om hun vertrouwen in hem uit te spreken. Het terzelfdertijd in Moskou bijeengekomen congres van “vooraanstaande personen” in de rechtse partijen zond een telegram aan Kornilov, waarin het met het koor van officieren, ridders van St. George en Kozakken instemde: “Het gehele denkende Rusland richt zijn blikken vol verwachting en vertrouwen op u.” Duidelijker kon het niet gezegd worden. Aan het congres werd door industriëlen en bankiers, als Rjaboesjinski en Tretjakov, de generaals Alexejev en Brjoessilov, vertegenwoordigers van de geestelijkheid en van de hoogleraren en de leiders van de kadettenpartij, met Miljoekov aan het hoofd, deelgenomen. Als dekmantel deden vertegenwoordigers van de voor een groot deel fictieve “Boerenbond” dienst, die de kadetten tot steun moesten zijn bij de leiders van de boeren. Uit de voorzitterszetel rees de monumentale figuur van Rodsjanko op, die de delegatie van een Kozakkenregiment dank betuigde voor het neerslaan van de bolsjewieken. Zo was Kornilov door de meest gezaghebbende vertegenwoordigers van de bezittende en ontwikkelde klassen van Rusland openlijk kandidaat gesteld voor de rol van redder van het land.

Na deze voorbereidende maatregelen verschijnt de opperbevelhebber voor de tweede maal bij de minister van oorlog om met deze te onderhandelen over het door hem ingediend programma tot redding van het land. “Na zijn aankomst in Petrograd,” vertelde de chef van de staf van Kornilov, generaal Loekomski, over diens bezoek, “begaf hij zich vergezeld van de Tekiners met twee machinegeweren naar het Winterpaleis. Deze machinegeweren werden van de auto afgeladen zodra generaal Kornilov het Winterpaleis betreden had en de Tekiners hielden voor het portaal van het paleis de wacht om de opperbevelhebber zo nodig te hulp te komen.” Men rekende erop dat de opperbevelhebber deze hulp tegen de minister-president misschien nodig zou hebben. De machinegeweren van de Tekiners waren de machinegeweren van de bourgeoisie, gericht op de verzoeningsgezinden die hen in de weg liepen. Zo zag de – van de Sovjets onafhankelijke – regering tot redding van het land eruit!

Meteen na het bezoek van Kornilov verklaarde Kokosjkin, een lid van de Voorlopige Regering, aan de minister-president Kerenski dat de kadetten zouden aftreden “indien niet vandaag nog Kornilovs programma aanvaard werd.” Al was het ook niet met machinegeweren, zo spraken de kadetten toch op een even sommerende toon tot de regering als Kornilov. En dit hielp. De Voorlopige Regering haastte zich om het rapport van de opperbevelhebber te bestuderen en kwam tot het resultaat dat het in principe mogelijk was om de voorgestelde maatregelen door te voeren, “met inbegrip van de doodstraf voor het achterland.”

De mobilisatie van de reactionaire krachten sloot op natuurlijke wijze aan bij de Al-Russische kerkvergadering die officieel eigenlijk tot taak had een volledige bevrijding van de orthodoxe kerk uit de bureaucratische handen door te voeren, maar in werkelijkheid deze tegenover de revolutie moest beschermen. De kerk had met de val van de monarchie haar officieel hoofd verloren. De verhouding van de kerk tot de staat, waarbij de laatste van oudsher de beschermer en begunstiger van de eerste was, was nog niet geregeld.

De Heilige Synode had zich weliswaar gehaast om in een boodschap op 9 maart de voltrokken omwenteling te zegenen en het volk werd opgeroepen om “zich achter de Voorlopige Regering te scharen.” Maar de toekomst bleef vol gevaren. De regering was over de kerk blijven zwijgen, net zoals ze over alle andere kwesties zweeg. De geestelijkheid was het noorden kwijt. Van tijd tot tijd kwam er uit een of ander ver verwijderd gebied, bijvoorbeeld van de geestelijkheid in de stad Werny aan de Chinese grens, een telegram binnen waarin aan vorst Lvov verzekerd werd dat zijn politiek volkomen in overeenstemming was met de geboden van het Evangelie. Terwijl zij zich aanpaste aan de revolutie, had de kerk niet durven ingrijpen in de gebeurtenissen. Dit was het duidelijkst gebleken aan het front, waar de invloed van de geestelijkheid tegelijk met de oude, op angst gebaseerde, discipline verdween. Denikin erkent: “Terwijl het officierenkorps althans een tijdlang vocht om zijn macht en militair gezag te handhaven, verstomde de stem van de zielenhoeders direct in de eerste dagen van de revolutie, en zij namen in het geheel geen deel meer aan het leven van de troepen.” Congressen van de geestelijkheid in het hoofdkwartier en in de generale staven bleven onopgemerkt.

De kerkvergadering, die voornamelijk een aangelegenheid van de kaste van de geestelijken zelf en vooral van de hogere geestelijkheid was, bleef echter niet tot de kerkelijke bureaucratie beperkt: de liberale wereld klampte er zich krampachtig aan vast. De kadettenpartij die politiek niet wortelde in het volk, hoopte vaag dat de hervormde kerk de partij tot schakel met de massa’s zou kunnen dienen. Bij de voorbereiding van de kerkvergadering speelden behalve de kerkvorsten, en eigenlijk nog meer dan deze, diverse wereldlijke politici als vorst Troebetzkoi, Graaf Olssoefjew, Rodsjanko, Samarin, liberale professoren en schrijvers, een rol. De kadettenpartij trachtte tevergeefs een atmosfeer van kerkelijke hervorming rond de vergadering te scheppen, waarbij zij tegelijkertijd echter bang was door een of ander onvoorzichtig gebaar het vermolmde gebouw aan het wankelen te brengen. Over scheiding van kerk en staat werd niet gesproken, noch door de geestelijkheid, noch door de wereldlijke hervormers. De kerkvorsten wilden natuurlijk graag de inmenging van de staat in hun interne aangelegenheden verzwakken, maar zij wilden tevens dat de staat als vanouds niet alleen hun bevoorrechte positie, hun landerijen en inkomsten zou waarborgen, maar ook in het vervolg het grootste deel van hun uitgaven zou dekken. De liberale bourgeoisie van haar kant was bereid om aan de orthodoxe kerk haar positie van heersende kerk te verzekeren, maar onder voorwaarde dat deze leerde op een moderne manier voor de belangen van de heersende klassen onder het volk te waken.

De grootste moeilijkheden beginnen echter pas hier. De reeds eerder genoemde Denikin merkt boetvaardig op dat de Russische revolutie “geen enkele godsdienstige beweging van belang onder het volk teweeggebracht heeft.” Het ware juister te zeggen dat naarmate nieuwe bevolkingsgroepen in de revolutie betrokken werden, deze groepen bijna vanzelf aan de kerk de rug toekeerden, ook indien zij vroeger met deze verbonden waren. Op het platteland was het nog aan enkele geestelijken mogelijk persoonlijke invloed uit te oefenen, al naargelang hun houding in het agrarisch vraagstuk. In de steden kwam het niet alleen onder de arbeiders, maar ook in kleinburgerlijke kringen bij niemand op om zich voor een oplossing van de door de revolutie opgeworpen kwesties tot de geestelijkheid te wenden. De voorbereiding van de kerkvergadering ging geheel buiten het volk om. De belangen en begeerten van de massa’s vonden hun uitdrukking in socialistische slogans, maar niet in theologische teksten. Het Rusland met zijn vertraagde ontwikkeling maakte zijn geschiedenis in een beknopte leerschool door: het zag zich genoodzaakt om niet alleen de periode van de hervorming maar ook die van het burgerlijk parlementarisme over te slaan.

De in de eerste maanden van revolutionaire vloed beraamde kerkvergadering viel samen met de weken van revolutionaire eb. Het reactionair karakter van de vergadering werd hierdoor nog versterkt. Haar samenstelling, de door haar behandelde kwesties, zelfs de openingsceremonies – alles getuigde van de grote veranderingen die er in de verhouding van de verschillende klassen tot de kerk plaats gegrepen hadden. Bij de godsdienstoefening in de Oespensski-Sobor (de Maria Hemelvaartskathedraal) waren behalve Rodsjanko en de kadetten ook Kerenski en Avksentjev aanwezig. De burgemeester van Moskou, de sociaal-revolutionair Roednjev, zei in zijn begroetingsrede: “Zolang als het Russische volk zal bestaan, zal het christelijk geloof in zijn hart gloeien.” Gisteren nog hadden deze lieden zichzelf als directe volgelingen van de Russische vrijdenker Tsjernysjewski beschouwd.

De kerkvergadering zond gedrukte oproepen rond, riep om een sterke regering, ontmaskerde de bolsjewieken en bezwoer in overeenstemming met de minister van arbeid Skobeljew: “Arbeiders, werkt met inspanning van al uw krachten en dient het vaderland.” Buitengewone aandacht schonk de bijeenkomst aan het agrarisch vraagstuk. De metropolieten en bisschoppen waren niet minder dan de grootgrondbezitters verschrikt van en vertoornd over de kracht van de boerenbeweging, en bezorgdheid om de landerijen van kerken en kloosters hield hen veel meer bezig dan de democratisering van de kerkelijke gemeenten. Onder bedreiging met goddelijke toorn en kerkelijke ban werd in de boodschap gëeist, “aan de kerken, kloosters, priesters en privaateigenaren onverwijld de aan deze ontroofde landerijen, bossen en oogsten terug te geven.” Men zou hier aan de stem van de prediker in de woestijn kunnen herinneren! De kerkvergadering sleepte zich van week tot week voort en bereikte haar voornaamste resultaat, nl. het herstel van het door Peter de Grote twee eeuwen geleden opgeheven patriarchaat, pas na de Oktoberrevolutie.

Einde juli nam de regering het besluit om op 13 augustus te Moskou een bijeenkomst van vertegenwoordigers van alle klassen en openbare instellingen in het gehele land bijeen te roepen. Volkomen in strijd met de uitslag van alle democratische verkiezingen die in het land plaatsgehad hadden, nam de regering maatregelen om reeds bij voorbaat voor deze bijeenkomst een even groot aantal vertegenwoordigers aan de bezittende klasse als aan het volk te verzekeren. Slechts met behulp van een dergelijk kunstmatig evenwicht hoopte de regering tot redding van de revolutie zichzelf nog te kunnen redden. Bepaald omschreven rechten kreeg dit concilie niet. “De bijeenkomst kreeg,” zoals Miljoekov zegt, “hoogstens een adviserende stem”: de bezittende klassen wilden aan de democratie een voorbeeld van zelfverloochening geven, om later des te zekerder de gehele regeermacht tot zich te trekken. Officieel werd als doel van deze bijeenkomst verkondigd: “De eenheid tussen de staatsmacht en alle georganiseerde krachten van het land.” In de pers werd van de noodzakelijkheid gesproken om zich aaneen te sluiten, zich te verzoenen, elkaar op te monteren, elkaar aan te moedigen. Met andere woorden, deels wilde men niet en deels kon men niet openlijk uitspreken waartoe de bijeenkomst eigenlijk gehouden werd. Ook hier kregen de bolsjewieken de taak om de dingen bij hun naam te noemen.

Een maand van grove laster

Op 4 juli, nog in de nacht, terwijl de tweehonderd leden van de beide Uitvoerende Comités, dat van de arbeiders en soldaten en dat van de boeren, zich tussen twee even nutteloze vergaderingen afmartelden, drong een geheimzinnig gerucht tot hen door. Men zou bewijzen van Lenins banden met de Duitse generale staf gevonden hebben, morgen zouden de kranten documenten met de onthullingen publiceren. De sombere priesters van het presidium die zich uit de zaal naar buiten begaven, waar onafgebroken beraadslagingen plaats hebben, geven een ontwijkend antwoord, zelfs op vragen die door bevriende personen gesteld worden. Er waart een huivering door het Taurisch paleis, dat vrijwel door iedereen die er niets te maken heeft verlaten is. Lenin in dienst van de Duitse generale staf? Vol twijfel, schrik en leedvermaak staan de afgevaardigden in opgewonden groepjes bijeen. “Natuurlijk,” zo herinnert zich Soechanov die in de Julidagen zeer vijandig tegenover de bolsjewieken stond, “betwijfelde niemand van de werkelijk bij de revolutie betrokken personen zelfs ook maar een ogenblik dat deze geruchten onzinnig waren.” Er was echter slechts een onbeduidende minderheid van personen met een revolutionair verleden in het Uitvoerend Comité. Revolutionairen uit de maand maart, toevallige figuren die door de eerste revolutiegolf meegesleurd waren, vormden zelfs in de leidende Sovjetorganen de meerderheid. Onder de mensen uit de provincie, dorpsschrijvers, kooplieden, ambtenaren, waren er afgevaardigden te vinden die ongetwijfeld een Zwarte-Honderdluchtje hadden. Die zijn er nu als de kippen bij: zij hebben het altijd wel gezegd. Dat was toch te verwachten!

Verschrikt door de verrassende en al te krasse wending die de zaak nam, probeerden de leiders tijd te winnen. Tsjcheïdse en Tsereteli gaven telefonisch aan de redacties van de kranten de raad om af te zien van de publicatie van de sensationele onthullingen, omdat deze nog niet voldoende “gecontroleerd” waren. De redacties waagden het niet tegen een uit het Taurisch paleis afkomstig “verzoek” te handelen. Alle redacties op één na: het kleine gele blad van een van de zonen van Soeworin, de invloedrijke uitgever van de “Nowoje Wremja”, legde de volgende morgen zijn lezers het officieuze document betreffende het ontvangen van aanwijzingen en geld van de kant van de Duitse regering door Lenin voor. Het verbod was doorbroken en de volgende dag stond de gehele pers vol van dit sensationele nieuws. Zo begon de meest ongelofelijke periode van dit aan gebeurtenissen zo rijke jaar: leiders van een revolutionaire partij die tientallen jaren van hun leven met de strijd tegen de gekroonde en ongekroonde heersers doorgebracht hadden, werden aan het gehele land en aan de gehele wereld als huurlingen van de Hohenzollerns voorgesteld. Een tot nu toe ongekende laster werd onder de volksmassa’s verspreid, die voor het merendeel nu voor het eerst na de Februarirevolutie de namen van de bolsjewistische leiders te horen kregen. De intrige werd een politieke factor van het grootste gewicht. Dit maakt een nadere analyse van de werking ervan nodig. Het sensationele document vond zijn oorsprong in de verklaringen van een zekere Jermolenko. De ware gedaante van deze held blijkt uit de officiële gegevens: in de tijd na de Japanse oorlog tot 1913 agent van de contraspionage; in 1913 als soldaat ontslagen om redenen die niet meer na te gaan zijn; in 1914 ingelijfd bij het actieve leger; kwam op roemvolle wijze in gevangenschap en hield zich bezig met het politioneel toezicht op de krijgsgevangenen. Het leven in het concentratiekamp is echter niet naar de zin van de politiespion en hij treedt “op aandringen van zijn kameraden” – volgens zijn eigen verklaringen – in dienst van de Duitsers, natuurlijk om zijn vaderland te dienen. Er begon een nieuw hoofdstuk in zijn leven. Op 25 april werd de soldaat door de Duitse militaire autoriteiten over het Russische front “gesmeten” om bruggen in de lucht te doen springen, spionageberichten te leveren, voor de onafhankelijkheid van de Oekraïne te strijden en voor een afzonderlijke vrede te agiteren. Duitse officieren, de oversten Sjidizki en Libers, die Jermolenko hiertoe gebracht hadden, deelden hem bovendien nog terloops, zonder dat het praktisch nodig was, klaarblijkelijk om hem meer moed te geven, mee dat behalve hijzelf ook nog in Rusland in dezelfde richting gewerkt zou worden door… Lenin. Hier ligt de oorsprong van het gehele geval. Waardoor of door wie werd Jermolenko tot zijn verklaringen over Lenin gebracht? Zeker niet door Duitse officieren. Een eenvoudige vergelijking van data en feiten leert ons, hoe de soldaat ertoe kwam. Op 4 april publiceerde Lenin zijn beroemde stellingen die een oorlogsverklaring aan het Februaribewind waren. Op 20 en 21 april had de gewapende demonstratie tegen de voortzetting van de oorlog plaats. De ophitsing tegen Lenin groeide tot een orkaan. De 25ste werd Jermolenko over het Russische front “gesmeten” en in de eerste helft van mei kwam hij in contact met de Russische spionage bij het hoofdkwartier. De dubbelzinnige krantenartikelen waarin aangetoond werd dat Lenins politiek de “keizer” ten goede kwam, bracht hem op de gedachte dat Lenin een Duitse agent was. Aan het front waren de officieren en commissarissen in hun strijd tegen het onoverwinnelijke “bolsjewisme” van de soldaten nog minder kieskeurig met hun uitlatingen indien er sprake van Lenin was. Jermolenko dook onmiddellijk in deze stroom onder. Of hij zelf de er met de haren bijgesleepte passage over Lenin bedacht heeft, dan wel een of andere zegsman hem die vertrouwelijk ingefluisterd heeft, of de ambtenaren van de contraspionage deze samen met Jermolenko opgesteld hebben, doet er niet veel toe. De vraag naar laster tegen de bolsjewieken werd zo groot dat er wel een aanbod moest volgen. De chef van de generale staf Denikin, de latere opperbevelhebber van de Witten in de burgeroorlog, wiens geestelijke horizon niet verder reikte dan die van een agent van de tsaristische contraspionage, hechtte een grote betekenis aan de verklaringen van Jermolenko, of deed het althans zo voorkomen, en bracht deze met een begeleidend schrijven op 16 mei ter kennis van de minister van oorlog. Kerenski pleegde, naar men mag aannemen, overleg met Tsereteli en Tsjcheïdse, die niet anders konden doen dan zijn vurige ijver een beetje intomen. Daardoor is het te verklaren dat de zaak op zijn beloop gelaten werd. Kerenski schreef later dat Jermolenko op de banden van Lenin met de Duitse generale staf had gewezen, maar dat deze verklaringen toch “niet voldoende bewezen” waren. De mededelingen van Jermolenko en Denikin bleven anderhalve maand liggen. De contraspionagedienst ontsloeg Jermolenko uit gebrek aan werk en de soldaat maakte zich uit de voeten naar het verre Oosten om het uit tweeërlei bron verdiende geld te verbrassen.

De gebeurtenissen van de Julidagen, die het dreigend bolsjewistische gevaar in zijn hele omvang hadden laten zien, maakten het echter noodzakelijk de onthullingen van Jermolenko weer voor de dag te halen. Hij werd ijlings uit Blagovestsjensk gehaald maar kon door zijn tekort aan fantasie, ondanks alle aansporingen daartoe, niets meer aan zijn oorspronkelijke verklaringen toevoegen. De justitie en de contraspionagedienst werkten in die tijd echter al op volle kracht. Politici, generaals, gendarmes, kooplieden en een groot aantal personen uit de meest verschillende beroepen werden ondervraagd aangaande de misdadige banden die de bolsjewieken zouden onderhouden. De geroutineerde tsaristische gendarmes gedroegen zich bij dit speurwerk veel voorzichtiger dan de fonkelnieuwe vertegenwoordigers van de democratische justitie. “De Ochrana beschikte,” zo schreef de vroegere chef van de Petrogradse Ochrana, de eerbiedwaardige generaal Globatsjev, “althans in mijn diensttijd, niet over gegevens waaruit zou blijken dat Lenin in Rusland ten nadele van Rusland en voor Duits geld werkzaam geweest was.” Een andere politiespion, Jakoebov, chef van de contraspionageafdeling van het militair district Petrograd, verklaarde: “Mij is van banden tussen Lenin en zijn geestverwanten met de Duitse generale staf niets bekend en ook weet ik niets van de geldmiddelen waarover Lenin te beschikken had.” Uit de organen van de tsaristische geheime politie die het bolsjewisme van het begin af aan bewaakt hadden, was niets te halen.

Wie lang genoeg zoekt, vindt tenslotte wel iets. Zeker indien men in de regering zit. Een zekere S. Boerstein, officieel een koopman, vestigde de aandacht van de Voorlopige Regering op de “Duitse spionageorganisatie in Stockholm met Parvus aan het hoofd,” de bekende Duitse sociaaldemocraat van Russische afkomst. Volgens de verklaringen van Boerstein stond Lenin door middel van de Poolse revolutionairen Ganetzki en Koslovski met deze organisatie in verbinding. Kerenski schreef later: “Buitengewoon ernstige verklaringen, helaas niet afkomstig van de rechter maar van geheime agenten, zouden door de aankomst van Ganetzki in Rusland, die aan de grens gearresteerd moest worden, volkomen bevestigd worden en een betrouwbaar procesmateriaal tegen de bolsjewistische staf gaan vormen.” Kerenski wist van tevoren reeds wat ervan terecht zou komen.

De verklaringen van de Koopman Boerstein hadden betrekking op handelstransacties van Ganetzki en Koslovski tussen Petrograd en Stockholm. Deze zaken in oorlogstijd, waarbij men zich vermoedelijk van een code bediende bij de correspondentie, hadden met politiek niets te maken. De bolsjewistische partij had met deze zaken niets uit te staan. Lenin en Trotski hadden Parvus, die goede zaken wist te verenigen met een slechte politiek, openlijk ontmaskerd en de Russische revolutionairen ertoe opgeroepen alle banden met hem te verbreken. Wie echter was in de roes der gebeurtenissen in staat om een juist oordeel te vormen? Een spionageorganisatie in Stockholm – dat klonk heel aannemelijk. En het licht dat Jermolenko niet had kunnen ontsteken, ging aan de andere kant op. Weliswaar stuitte men ook hier op moeilijkheden. De chef van de contraspionageafdeling van de generale staf, vorst Toerkestanov, antwoordde op een aanvraag van de onderzoeksrechter voor buitengewone zaken, Alexandrow, dat “S. Boerstein iemand was die absoluut niet te vertrouwen was. Boerstein was het type van een obscure scharrelaar die voor niets terugdeinsde.” Maar kon de slechte reputatie van Boerstein de poging om Lenins reputatie afbreuk te doen stoppen? Neen, Kerenski aarzelde niet Boerstein’s verklaringen “zeer ernstig” te noemen. Van nu af aan volgde men bij het onderzoek het Stockholmse spoor. De onthullingen van de soldaat die in dienst was bij twee generale staven en van de obscure scharrelaar die niet te vertrouwen was, dienden als grondslag van de meest fantastische beschuldiging tegen een partij die spoedig door een volk van honderdzestig miljoen zielen aan de macht gebracht zou worden.

Hoe was het materiaal van het vooronderzoek in de pers geraakt en wel net op het ogenblik dat het offensief van Kerenski aan het front catastrofaal werd terwijl de julidemonstatie in Petrograd de groei van de bolsjewieken liet zien? Een van de drijvende krachten van het onderzoek, de officier van justitie Bessarabow, deelde later openlijk in de pers mee dat er in de staf van het district, toen bleek dat de Voorlopige Regering over geen gewapende krachten in Petrograd beschikte, besloten was om de stemming in de regimenten te doen veranderen met een krachtig middel. “Aan vertegenwoordigers van het Preobrasjenskiregiment, dat het meest op de hand van de staf was, werd de inhoud van de documenten meegedeeld. Alle aanwezigen konden er zich van overtuigen welk een verpletterende indruk deze mededeling maakte. Van dit moment af was het duidelijk over welk machtig wapen de regering beschikte.” Na een zo schitterend gelukte proefneming haastten de samenzweerders uit de rechterlijke macht, de generale staf en de contraspionagedienst zich om de minister van justitie van hun ontdekking op de hoogte te brengen. Pereversev antwoordde dat er geen officiële mededeling gedaan kon worden, maar dat er van de kant van de Voorlopige Regering “geen enkele belemmering aan het particulier initiatief in de weg gelegd zou worden.” Men was niet ten onrechte tot het inzicht gekomen dat de namen van leden van de staf of rechters niet aan de zaak ten goede kwamen. Men had een “politicus” nodig om de sensationele laster te verbreiden. Langs de weg van particulier initiatief vonden de samenzweerders gemakkelijk de persoon die zij nodig hadden. Alexinski, een vroegere revolutionair en afgevaardigde in de tweede Doema, een schreeuwerig redenaar en hartstochtelijk intrigant, had een tijdlang tot de uiterste linkervleugel van de bolsjewieken behoord. Lenin was in zijn ogen een onverbeterlijke opportunist. In de jaren van reactie had Alexinski een ultralinkse afzonderlijke groep gevormd. Hij verbleef tot aan de oorlog in emigratie als hoofd van die groep en maakte er zijn specialiteit van om jan en alleman als huurling van de Duitse keizer te ontmaskeren. Hij legde op dit vlak in Parijs een grote ijver aan de dag als politiespion, samen met Russische en Franse patriotten van hetzelfde slag. De Parijse vereniging van buitenlandse journalisten, d.w.z. de correspondenten uit de geallieerde en neutrale landen – zeer patriottisch gezind en niet erg scrupuleus – zag zich genoodzaakt om bij een apart besluit Alexinski tot een “gemene lasteraar” te verklaren en hem te royeren. Met dit getuigschrift na de Februariomwenteling in Petrograd aangekomen, probeerde Alexinski als vroegere linkse in het Uitvoerend Comité binnen te dringen. Ondanks al hun toegefelijkheid sloten de mensjewieken en sociaal-revolutionairen bij een besluit van de 11de april de deur voor hem en gaven hem te kennen dat hij zich eerst moest rehabiliteren. Men had mooi praten! Overwegend dat het veel gemakkelijker was om anderen te belasteren dan zichzelf te rehabiliteren, stelde Alexinski zich in verbinding met de contraspionagedienst en vond een enorm terrein voor het botvieren van zijn lust tot intriges. Reeds in de tweede helft van juli begon hij ook de mensjewieken in zijn belasteringen te betrekken. De mensjewistische leider Dan liet zijn afwachtende houding varen en publiceerde in het officiële sovjetorgaan “Izvestia” (op 22 juli) een protest: “De tijd is gekomen om paal en perk te stellen aan de heldendaden van iemand die officieel tot een gemene lasteraar verklaard is.” Is het niet begrijpelijk dat de gerechtheid die Jermolenko en Hoerstein geïnspireerd had, geen betere schakel tussen zichzelf en de publieke opinie wist te vinden dan Alexinski? Zijn handtekening prijkte onder het onthullingsdocument.

De socialistische ministers evenals trouwens ook twee burgerlijke ministers, Nekrassow en Teresjtsjenko, protesteerden er achter de schermen tegen dat het document aan de pers verstrekt werd. Op de dag van de publicatie, 5 juli, moest Pereversev aftreden. De regering wilde hem al langer kwijt. De mensjewieken gaven te kennen dat dit een overwinning van hun kant was. Kerenski beweerde later dat de minister afgezet was om zijn te grote dadendrang bij de onthullingen waardoor het onderzoek geschaad was. Pereversev heeft niet zozeer met zijn aan de macht blijven dan wel met zijn verdwijning iedereen verblijd. Diezelfde dag verscheen Zinovjev in de bijeenkomst van het bureau van het Uitvoerend Comité en eiste in naam van het Centraal Bolsjewistisch Comité onverwijld maatregelen om Lenin te rehabiliteren en eventuele nadelige gevolgen van de laster te voorkomen. Het bureau kon niet weigeren dat er een commissie van onderzoek benoemd werd. Soechanov schrijft: “De commissie zelf begreep dat het hierbij niet om een onderzoek ging naar de kwestie van het verraden van Rusland door Lenin maar naar de bronnen van de laster.” De commissie kwam echter in conflict met de na-ijver en de rivaliteit van de justitie en de contraspionage, die alle reden hadden om inmenging door vreemden te vrezen. Weliswaar hadden de Sovjetorganen het tot nu toe met de regeringsorganen gemakkelijk klaargespeeld, indien zij dit nodig oordeelden. Maar de Julidagen hadden een belangrijke machtsverschuiving naar rechts teweeggebracht en bovendien haastte de Sovjetcommissie zich in het geheel niet om een taak te volvoeren die klaarblijkelijk in strijd was met de politieke belangen van haar vertrouwenslieden. De meer ernstige verzoeningsgezinde leiders, eigenlijk alleen de mensjewieken, zorgden ervoor dat hun onschuld aan de laster formeel kwam vast te staan, maar ook niet meer dan dat. In alle gevallen waarin een direct antwoord gegeven moest worden, grensden zij zich met enkele woorden van de lasteraars af. Maar zij staken geen vinger uit om het vergiftigde zwaard af te wenden, dat dreigend boven het hoofd van de bolsjewieken zweefde. Een bekend voorbeeld van een dergelijke politiek gaf indertijd de Romeinse proconsul Pilatus. Hoe hadden zij ook anders kunnen handelen, wilden zij zichzelf trouw blijven? Slechts door de laster tegen Lenin werd een deel van het garnizoen in de Julidagen afgestoten van de bolsjewieken. Indien de verzoeningsgezinden begonnen waren de laster te bestrijden, zou het bataljon van het Ismajlovski-regiment naar alle waarschijnlijkheid het gezang van de Marseillaise ter ere van het Uitvoerend Comité afgebroken hebben en naar de kazernes, zoniet naar het Ksjessinskipaleis, teruggekeerd zijn.

In overeenstemming met de gehele mensjewistische tactiek oordeelde de minister van buitenlandse zaken, Tsereteli, die de verantwoordelijkheid voor de spoedig daaropvolgende arrestaties van de bolsjewieken op zich nam, het noodzakelijk om onder druk van de bolsjewistische fractie in de zitting van het Uitvoerend Comité te verklaren dat hij persoonlijk de bolsjewistische leiders niet van spionage verdacht, maar dat hij hen van een samenzwering en een gewapende opstand beschuldigde. Toen op 13 juli Liber een resolutie indiende waarin de bolsjewistische partij eigenlijk buiten de wet gesteld werd, vond hij het nodig dit voorbehoud te maken: “Ikzelf acht de tegen Lenin en Zinovjev gerichte beschuldiging volkomen ongegrond.” Dergelijke verklaringen werden door iedereen stilzwijgend en sceptisch aangehoord: de bolsjewieken vonden ze vaag en laf, de patriotten overbodig en daarom ongeschikt.

Bij zijn optreden in de verenigde vergadering van beide Uitvoerende Comités op 17 juli zei Trotski: “Er ontstaat een ondragelijke atmosfeer waarin jullie evenzeer zullen stikken als wij. Men slingert Lenin en Zinovjev allerlei lage beschuldigingen naar het hoofd.” (Een stem: “Terecht.” Rumoer. Trotski vervolgt.) “Er zijn hier in de zaal klaarblijkelijk mensen die met de beschuldigingen sympathiseren. Er zijn hier mensen die zich slechts in de revolutie hebben ingedrongen.” (Rumoer. Het duurt lang eer de voorzitter met zijn bel de orde hersteld heeft.) “…Lenin heeft dertig jaren gestreden voor de revolutie. Ikzelf vecht al twintig jaar tegen de onderdrukking van de volksmassa’s. En wij kunnen niet anders dan haat tegen het Duitse militarisme koesteren… Alleen iemand die niet weet wat een revolutionair is, kan op dit terrein verdachtmakingen tegen ons uiten. Ik werd door de Duitse rechters tot acht maanden gevangenisstraf veroordeeld omwille van mijn strijd tegen het Duitse militarisme… en dit weet iedereen. Laat niet toe dat iemand hier in deze zaal zegt dat wij Duitse huurlingen zijn, want dat is niet de taal van een overtuigde revolutionair, maar een laaghartig geluid. (bijval).” Zo kan men dit in de antibolsjewistische pers van die dagen beschreven vinden – de bolsjewistische was reeds verboden. Men dient er echter bij te zeggen dat de bijval slechts uit de kleine linkse hoek kwam. Een deel van de afgevaardigden brulde van woede en haat, de meerderheid hield zich muisstil. Niemand echter, zelfs geen van de openlijke agenten van Kerenski, beklom het spreekgestoelte om de officiële lezing van de beschuldiging waar te maken of zelfs maar indirect te staven. In Moskou, waar de strijd tussen de bolsjewieken en de verzoeningsgezinden in het algemeen minder scherp was, om in oktober een des te verbitterder karakter te krijgen, gelastte op 10 juli de verenigde vergadering van beide Sovjets, die van de arbeiders en die van de soldaten, een oproep op te stellen en te publiceren waarin erop gewezen werd dat de beschuldiging van spionage tegen de bolsjewistische fractie een lasterlijke intrige van de contrarevolutie was. De Sovjet van Petrograd, die meer direct afhankelijk van de regeringscombinaties was, nam geen enkele stap maar wachtte het resultaat van de commissie van onderzoek af, die zich echter niet haastte om aan het werk te gaan.

Op 5 juli stelde Lenin in een gesprek met Trotski de vraag: “Zullen zij ons niet de één na de ander doodschieten?” De officieuze sanctie op de ongelofelijke belastering was immers slechts uit dergelijke plannen te verklaren. Lenin achtte de vijanden in staat om het door hen begonnen werk te volbrengen en kwam tot de conclusie dat men zich niet aan hen moest overleveren. Op 6 juli kwam Kerenski ’s avonds van het front terug met allerlei wenken van de generaals. Hij verlangde krachtige maatregelen tegen de bolsjewieken. Ongeveer om twee uur ’s nachts besloot de regering alle leiders van de “gewapende opstand” ter verantwoording te roepen en de regimenten die aan de muiterij deelgenomen hadden te ontbinden. Het militaire detachement dat naar het huis van Lenin gezonden werd om een huiszoeking te doen en hem te arresteren, moest zich tevreden stellen met een huiszoeking, daar de bewoner het huis reeds verlaten had. Lenin hield zich nog in Petrograd op, maar verborg zich in een arbeiderswoning en verlangde dat de commissie van onderzoek van de Sovjet hem en Zinovjev zou verhoren onder zodanige voorwaarden dat een valstrik van de kant van de contrarevolutie uitgesloten was. In een tot de commissie gerichte verklaring schreven Lenin en Zinovjev: “’s Morgens (vrijdag 7 juli) werd aan Kamenev vanuit de Doema meegedeeld dat de commissie vandaag om 12 uur in de afgesproken woning zou komen. Wij schrijven deze regels om 6.30 uur in de avond van 7 juli en constateren dat de commissie tot nu toe niet verschenen is en niets van zich heeft laten horen. De verantwoordelijkheid voor het uitstel van het verhoor rust niet op ons.” Dat de Sovjetcommissie het beloofde onderzoek niet door liet gaan, overtuigde Lenin definitief ervan dat de verzoeningsgezinden hun handen in onschuld wilden wassen en de afrekening aan de Witgardisten overlieten. Officieren en jonkers, die inmiddels tijd gevonden hadden om de drukkerij van de partij te verwoesten, ranselden op straat iedereen af en namen ieder gevangen die er tegen protesteerde dat men de bolsjewieken ervan beschuldigde spionnen te zijn. Toen besloot Lenin definitief zich verborgen te houden, niet voor het onderzoek maar voor een mogelijke afrekening.

Op 15 juli publiceerden Lenin en Zinovjev in het bolsjewistisch blad van Kronstadt, dat de autoriteiten niet hadden durven verbieden, een verklaring waarom zij het niet nuttig achtten om zich aan de autoriteiten over te leveren. “Uit de in het nummer van zondag van het blad “Nowoje Wremja” gepubliceerde brief van de vroegere minister van justitie Pereversev blijkt duidelijk dat de ‘zaak’ tegen Lenin en zijn makkers wegens spionage volkomen doelbewust door de contrarevolutionairen opgezet is. Pereversev erkent nu openlijk volkomen onbewezen beschuldigingen in omloop gebracht te hebben om de woede (woordelijk) van de soldaten tegen onze partij op te wekken. Dit erkent dezelfde persoon die gisteren nog minister van justitie was! Er bestaan momenteel geen rechtswaarborgen in Rusland. Zich overleveren in handen van de autoriteiten, zou betekenen zich overleveren aan Miljoekov, Alexinski, Pereversev, aan van woede briesende contrarevolutionairen voor wie alle beschuldigingen tegen ons slechts een fase in de burgeroorlog zijn.” Het is voldoende aan het lot van Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg te herinneren om de betekenis van deze zinsneden over de “fase in de burgeroorlog” goed te begrijpen. Lenin had een vooruitziende blik.

Terwijl de vijandelijke propagandisten in alle toonaarden rondbazuinden dat Lenin nu eens op een torpedoboot, dan weer op een onderzeeboot naar Duitsland gevlucht was, haastte de meerderheid van het Uitvoerend Comité zich om Lenin te verwijten dat hij het onderzoek uit de weg gegaan was. Terwijl zij het angstvallig vermeden de vraag aan te roeren van de politieke betekenis van de pogromstemming waarin en waarom de beschuldiging geuit werd, traden de verzoeningsgezinden als voorvechters van een zuivere gerechtigheid op. Dit was nog de gunstigste positie die zij konden innemen. In de resolutie van het Uitvoerend Comité van 13 juli werd de houding van Lenin en Zinovjev niet alleen “volkomen ongeoorloofd” genoemd, maar werd ook van de bolsjewistische fractie “een onverwijlde, nadrukkelijke en duidelijke veroordeling” van haar leiders geëist. De fractie wees eensgezind deze eis van het Uitvoerend Comité van de hand. Intussen was er bij de bolsjewieken, althans onder de leiders, enige aarzeling ontstaan door het feit dat Lenin zich aan het onderzoek onttrokken had. Bij de verzoeningsgezinden, zelfs bij de meest linksen, wekte het verdwijnen van Lenin een algemene en geenszins altijd gehuichelde verontwaardiging, zoals uit het voorbeeld van Soechanov blijkt. Zij hadden, zoals wij weten, van het begin af aan niet aan het lasterlijk karakter van het materiaal van de contraspionage getwijfeld. “De onzinnige beschuldiging,” zo schreef hij, “ging als in rook op. Zij werd door niets en door niemand gestaafd en men hechtte er geen geloof meer aan.” Het bleef echter een raadsel voor Soechanov hoe Lenin ertoe had kunnen komen om zich aan het onderzoek te onttrekken. “Dat was iets buitengewoons, iets ongekends, iets onbegrijpelijks. Elke gewone sterveling zou zelfs onder de ongunstigste voorwaarden een gerechtelijk onderzoek verlangd hebben.” Ja, elke gewone sterveling. Maar een gewone sterveling was ook niet het voorwerp van de meest wilde haat van de regerende klasse geworden. Lenin was geen gewone sterveling en verloor geen ogenblik de op hem rustende verantwoordelijkheid uit het oog. Hij wist de nodige gevolgtrekkingen uit de toestand te maken en zich niet te laten beïnvloeden door de “publieke opinie” om de taak te vervullen waartoe hij zijn leven in dienst gesteld had. Donquichotterie en pose waren hem beide evenzeer vreemd. Samen met Zinovjev bracht Lenin enkele weken in de omgeving van Petrograd door. Dicht bij Sestroretzk moesten zij in een bos in een hooischuur overnachten en beschutting tegen de regen zoeken. Als stoker verkleed, passeerde Lenin op een locomotief de Finse grens en hield zich in de woning van de commissaris van politie van Helsingfors, een vroegere arbeider uit Petrograd, verborgen. Later verhuisde hij naar een plaats dichterbij de Russische grens aan Vyborg. Vanaf eind september leefde hij illegaal in Petrograd, om op de dag van de opstand na een afwezigheid van vier maanden weer voor de dag te komen.

Juli werd een maand van ongebreidelde schaamteloze en triomfantelijke laster, in augustus begon deze reeds af te zwakken. Precies een maand nadat de laster begonnen was, achtte Tsereteli, daarbij zichzelf trouw blijvend, het nodig in de zitting van het Uitvoerend Comité nog eens te herhalen: “Ik heb terstond na de arrestaties openlijk geantwoord op de vraag van de bolsjewieken en gezegd dat ik de bolsjewistische leiders, die ervan beschuldigd werden de opstand van 3 tot en met 5 juli te hebben verwekt, er niet van verdacht in verbinding met de Duitse generale staf te hebben gestaan.” Minder kon men ook niet zeggen. Meer zeggen was gevaarlijk. De pers van de verzoeningsgezinde partijen liet het bij deze woorden van Tsereteli. Daar zij echter tegelijkertijd de bolsjewieken vol verbittering als handlangers van het Duitse militarisme ontmaskerde, smolt het geluid van de verzoeningsgezinde krantenpolitiek samen met het gehuil van de overige pers die van de bolsjewieken niet als “handlangers” van Ludendorff maar als diens huurlingen sprak. Het hardst schreeuwden de kadetten in dit koor mee. “Roesskije Wedomosti,” het blad van de liberale Moskouse professoren, berichtte dat er bij de huiszoeking in het redactiegebouw van de “Pravda”, naar men zei, een Duitse brief gevonden was waarin een baron uit Haparanda het optreden van de bolsjewieken toejuichte en voorspelde welke “vreugde dit in Berlijn teweeg zou brengen.” De Duitse baron aan de Finse grens wist maar al te goed wat voor brieven de Russische patriotten nodig hadden. De pers van de beschaafde wereld die zich tegen de bolsjewistische barbarij verdedigde, stond vol dergelijke berichten.

Geloofden de professoren en advocaten zelf wat zij zeiden? Men zou, althans wat de vooraanstaande leiders betreft, hun politiek onderscheidingsvermogen onderschatten indien men dit aannam. Zo al niet uit principiële en psychologische overwegingen, moesten zij alleen uit zakelijke overwegingen reeds – en voor alles uit financiële overwegingen – tot het inzicht komen dat de beschuldiging onzinnig was. De Duitse regering zou toch stellig de bolsjewieken niet met ideeën maar beter met geld hebben kunnen helpen. De bolsjewieken hadden echter juist geen geld. Het centrum van de partij in het buitenland had gedurende de oorlog met de bitterste geldnood te kampen, honderd francs waren al een reusachtige som, het centrale orgaan verscheen eens in de maand of zelfs eens in de twee maanden en Lenin telde zorgvuldig de regels om het budget niet te overschrijden. De uitgaven van de Petrogradse organisatie in de oorlogsjaren belopen slechts enkele duizenden roebels, die voornamelijk voor het drukken van illegale vlugschriften gebruikt werden. Gedurende twee en een half jaar zijn er in Petrograd in totaal slechts driehonderdduizend exemplaren verschenen. Na de omwenteling was de stroom nieuwe leden en geldmiddelen natuurlijk sterk toegenomen. De arbeiders droegen met grote offervaardigheid loon af voor de Sovjet en de Sovjetpartijen. “Giften, allerlei bijdragen, inzamelingen en afdrachten ten behoeve van de Sovjet kwamen,” naar de advocaat Bramson op het eerste Sovjetcongres mededeelde, “daags na onze revolutie binnen… Men kon van de vroege morgen tot de late avond het ontroerend toneel van een onafgebroken bedevaart met deze gaven tot ons in het Taurisch paleis waarnemen.” In de volgende maanden droegen de arbeiders steeds offervaardiger hun loon af ten behoeve van de bolsjewieken. Toch was de “Pravda” ondanks de snelle groei van de partij en de toenemende inkomsten naar omvang het kleinste van alle partijbladen. Spoedig na zijn aankomst in Rusland schreef Lenin aan Radek naar Stockholm: “Schrijf artikelen voor de “Pravda” over de buitenlandse politiek, maar zo kort mogelijk zodat zij geschikt zijn voor de “Pravda” (weinig, weinig plaatsruimte, wij doen al ons best om het blad te vergroten).” Ondanks het door Lenin doorgevoerde spartaanse zuinigheidsregime kwam de partij niet uit de geldnood. De toezending van twee à drieduizend oorlogsroebels aan een of andere plaatselijke organisatie kostte iedere keer weer hoofdbrekens aan het Centraal Comité. Voor de verzending van de kranten naar het front moesten steeds weer nieuwe geldinzamelingen onder de arbeiders gehouden worden. En toch bereikten de bolsjewistische bladen de loopgraven in een veel geringer aantal dan de bladen van de verzoeningsgezinden en de liberalen. Voortdurend werd daarover geklaagd. “Wij kennen uw krant slechts bij gerucht,” schreven de soldaten. In april had de stedelijke conferentie van de partij de arbeiders van Petrograd opgeroepen om binnen drie dagen de ontbrekende vijfenzeventigduizend roebels voor de aankoop van een drukkerij bijeen te brengen. Deze som kwam ruimschoots binnen en de partij kreeg eindelijk een eigen drukkerij, dezelfde die de jonkers later in juli compleet verwoestten. De invloed van de bolsjewistische slogans breidde zich uit als een prairiebrand. De materiële propagandamiddelen bleven echter zeer onvoldoende. Het persoonlijk leven van de bolsjewieken leverde nog minder aanknopingspunten voor de laster op. Wat bleef er tenslotte nog over? Niets dan Lenins reis door Duitsland. Juist dit feit, dat voor een onontwikkeld gehoor veelal als bewijs voor Lenins vriendschap met de Duitse regering naar voren werd geschoven, was echter een bewijs van het tegendeel: een agent zou in het geheim en volkomen veilig door het vijandelijk land gereisd zijn. Enkel een revolutionair die volkomen zeker van zijn zaak was, kon er toe komen om openlijk de wetten van het patriottisme in oorlogstijd te schenden.

Het ministerie van justitie deinsde echter niet voor de vervulling van de ondankbare taak terug: niet voor niets had het uit het verleden medewerkers geërfd die opgegroeid waren in de laatste periode van het absolutisme, toen de moorden op liberale afgevaardigden, gepleegd door Zwarte-Honderdlieden, die aan ieder in het land met name bekend waren, stelselmatig onopgehelderd bleven, terwijl een joodse kerkdienaar uit Kiev ervan beschuldigd werd het bloed van een christenknaap gebruikt te hebben. Ondertekend door de rechter van instructie voor buitengewone aangelegenheden, Alexandrow, en de procureur-generaal van het opperste gerechtshof, Karinski, werd op 21 juli rechtsingang wegens hoogverraad tegen Lenin, Zinovjev, Kollontai en een aantal andere personen, onder wie de Duitse sociaaldemocraat Helphand (Parvus), verleend. Dezelfde artikelen 51, 100 en 108 van het wetboek van strafrecht werden ook toegepast op Trotski en Loenatsjarski, die op 23 juli door militairen gevangen genomen werden. Volgens de bewoordingen van de dagvaarding waren de bolsjewistische leiders “als Russische burgers na voorafgaand overleg met elkaar en met andere personen met het doel om staten die met Rusland op voet van oorlog leefden te ondersteunen, met agenten van genoemde staten overeengekomen mee te werken aan de desorganisatie van het Russische leger en van het achterland om de strijdvaardigheid van het leger te ondermijnen. Voor welk doel zij met de van deze staten verkregen geldmiddelen onder de bevolking en de troepen een propaganda organiseerden om tot een onmiddellijke dienstweigering tegen de vijand op te roepen; met hetzelfde oogmerk organiseerden zij in de tijd van 3 tot en met 5 juli 1917 in Petrograd een gewapende opstand!” Ofschoon elk ontwikkeld mens in de hoofdstad in die dagen wist onder welke omstandigheden Trotski uit New York via Christiania en Stockholm naar Petrograd gekomen was, legde de rechter van instructie ook hem de reis door Duitsland ten laste. De justitie wilde klaarblijkelijk geen twijfel aan de degelijkheid van het materiaal dat de contraspionage haar verschaft had laten bestaan.

Deze instelling is nooit een plaats waar de moraliteit pleegt te bloeien. In Rusland echter was de contraspionage het riool van Raspoetins bewind. Het uitschot van de officieren, de politie, de gendarmerie, weggejaagde agenten van de Ochrana – daaruit bestond het personeel van deze onbekwame, laaghartige en almachtige instelling. Oversten, majoors en soldaten die niet tot heldendaden op het slagveld in staat waren, strekten hun bemoeiingen uit over alle takken van het maatschappelijk en staatkundig leven, door in het gehele land een feodaal stelsel van contraspionage te organiseren. “De toestand werd onrustbarend,” kloeg de vroegere directeur van politie Koerlow, “toen de beroemd geworden contraspionage deel begon te nemen aan het burgerlijk bestuur.” Koerlow zelf had vele duistere zaken op zijn kerfstok, waaronder ook de medeplichtigheid aan de moord op de eerste minister Stolypin. Maar het optreden van de contraspionage was zelfs zijn beproefde fantasie te machtig. Terwijl “de strijd tegen de vijandelijke spionage zeer zwak gevoerd werd,” schrijft hij, “werden er voortdurend onware aanklachten tegen volkomen onschuldige personen ingediend, alleen maar met het doel om hen geld af te persen.” Koerlow ontdekte een dergelijk geval: “Tot mijn verbazing,” zei hij, “kwam (ik) het pseudoniem van een geheime agent, die mij uit mijn vroegere diensttijd in het departement van politie bekend was en die wegens afpersing weggejaagd was, te weten.” Een van de provinciale chefs van de contraspionage, een zekere Oestinov, die voor de oorlog notaris was, schetst in zijn memoires de moraliteit van de contraspionage ongeveer in dezelfde trant als Koerlow: “Om maar processen te krijgen, fabriceren de agenten zelf het materiaal.” Het is zeer leerzaam om het peil van deze instelling eens te toetsen aan de persoon zelf die de onthullingen doet: “Rusland ging ten gronde,” schrijft Oestinov over de Februarirevolutie, “doordat het slachtoffer werd van een revolutie die door Duitse agenten met behulp van Duits geld gemaakt was.” Het optreden van de patriottische notaris tegen de bolsjewieken heeft geen nadere verklaring nodig. “De berichten van de contraspionage over de vroegere werkzaamheden van Lenin, over zijn banden met de Duitse generale staf, over het van deze ontvangen Duitse geld waren zo overtuigend dat men hem terstond zou hebben kunnen ophangen.” Kerenski had dit, naar nu blijkt, slechts daarom niet gedaan omdat hij zelf een verrader was. “Vooral de leiding van de nietsnut en advocaat van de joden, Sasjka Kerenski, was verbazingwekkend en ronduit irritant.” Oestinov verklaart dat Kerenski bekend stond “als provocateur die zijn kameraden verried.” De Franse generaal Anselme verliet, naar verder blijkt, Odessa in 1909 niet onder druk van de bolsjewieken maar omdat hij met een flinke som omgekocht was. Door de bolsjewieken? “Neen, de bolsjewieken hebben daarmee niets uit te staan. Dit is het werk van de vrijmetselaars.” Zo zag die wereld eruit.

Snel na de Februariomwenteling werd de uit de emigratie teruggekeerde patriottische sociaal-revolutionair Mironov met het toezicht op deze instelling die uit spitsboeven, vervalsers en afpersers bestond, belast. Hij werd door de adjudant van minister Demjanov, een “volkssocialist”, als volgt getypeerd: “Uiterlijk maakte Mironov een goede indruk. Ik zou mij er echter niet over verbazen indien ik hoorde dat hij geen normaal mens was. Een normaal mens zou namelijk niet bereid zijn om aan het hoofd te staan van een dienst die enkel uiteengejaagd kon worden waarna de muren met straffe ontreiniger gepoetst werden.” Als gevolg van de administratieve chaos die door de revolutie ontstaan was, werd de contraspionagedienst onder de minister van justitie Pereversev gesteld, een grenzeloos lichtzinnig en volkomen gewetenloos iemand. De reeds genoemde Demjanov zegt in zijn memoires dat zijn minister “in de Sovjet nagenoeg geen aanzien genoot.” Gedekt door Mironov en Pereversev herstelden de door de revolutie verschrikte agenten zich spoedig en pasten hun oude werkzaamheden aan de nieuwe politieke situatie aan. In juni begon de linkervleugel van de regeringsgezinde pers zelfs berichten te publiceren over geldafpersingen en andere misdaden van de hogere beambten van de contraspionagedienst, waaronder zelfs twee leiders van de instelling, Tjssjoekin en Broy, die de voornaamste helpers van de rampzalige Mironov waren. Een week voor de Julicrisis had het Uitvoerend Comité zich onder druk van de bolsjewieken tot de regering gewend met de eis om de contraspionage meteen en met medewerking van de Sovjetafgevaardigden te reorganiseren. De geheime agenten hadden er dus hun ambtelijke, of beter gezegd hun egoïstische, redenen voor om zo spoedig mogelijk en zo krachtig mogelijk een slag aan de bolsjewieken toe te brengen. Vorst Lvov had nog juist op tijd een wet ondertekend waarbij aan de contraspionagedienst het recht gegeven werd om een arrestant drie maanden achter slot en grendel te houden.

Het karakter van de aanklacht en van de aanklagers doet onvermijdelijk de vraag rijzen hoe in het algemeen normaal denkende mensen aan een zo bewuste en door en door onzinnige leugen geloof konden hechten of althans doen alsof zij geloof eraan hechtten. Het succes van de contraspionage zou inderdaad ondenkbaar geweest zijn buiten de door de oorlog, de nederlagen, de desorganisatie, de revolutie en de verbitterde sociale strijd geschapen atmosfeer. Niets was sinds de herfst van het jaar 1914 aan de heersende klassen van Rusland gelukt, de grond wankelde onder hun voeten, alles ontviel hen, het ene onheil volgde na het andere – moest voor dit alles niet een schuldige gevonden worden? De vroegere procureur-generaal van het opperste gerechtshof, Savadski, herinnert zich later dat “overigens normale mensen er in de onrustige oorlogsjaren toe kwamen overal verraad te zien, ook waar dit stellig en dikwijls ook ongetwijfeld niet aanwezig was. De meeste van die processen die tijdens mijn ambtsvervulling als procureur-generaal opgezet werden, bleken onhoudbaar te zijn.” Naast de boosaardige agenten waren het de radeloos geworden kleinburgers die zulke processen doordreven. Al heel spoedig kwam er echter bij de oorlogspsychose de prerevolutionaire politieke koorts en deze leverde nog wonderlijker vruchten op. Met de ongelukkige generaals meenden de liberalen overal en in alles de Duitse hand te zien. De camarilla ging door voor germanofiel. De gehele Raspoetin-kliek handelde op aanwijzingen uit Potsdam, meenden de liberalen of zeiden zij althans. De tsarina werd overal openlijk van spionage beschuldigd; men beweerde zelfs in hofkringen dat zij verantwoordelijk was voor de torpedering door de Duitsers van het schip waarop generaal Kitchener naar Rusland voer. De rechtsen bleven natuurlijk niet achter. Savadski vertelt dat de secretaris van de minister van binnenlandse zaken, Beletzki, in het begin van 1916 getracht had een proces tegen de nationaal-liberale industrieel Goetsjkov te beginnen, waarbij hij hem beschuldigde van “handelingen die in oorlogstijd aan hoogverraad grenzen…” Terwijl hij de heldendaden van Beletzki ontmaskert, stelt Koerlov, die eveneens vroeger secretaris van de minister van binnenlandse zaken was, aan Miljoekov de vraag: “Voor welke uit vaderlandslievend oogpunt eervolle arbeid heeft hij tweeduizend roebels ‘Fins’ geld gekregen, welke hem per post op naam van de portier van zijn woning overgemaakt werden?” Met de aanhalingstekens bij het ‘Finse’ geld wil hij zeggen dat het om Duits geld ging. Daarbij had Miljoekov volkomen terecht de reputatie een hater van de Duitsers te zijn! In regeringskringen gold het algemeen als een vaststaand feit dat alle oppositionele partijen met Duits geld werkten. In augustus 1915, toen in verband met de aanstaande ontbinding van de Doema onlusten verwacht werden, zei de minister van marine Grigorovitsj, die vrijwel voor liberaal doorging, in een bijeenkomst van de regering: “De Duitsers voeren een krachtiger propaganda en overstromen de regeringsvijandige organisaties met geld.” De oktobristen en kadetten, die over deze insinuatie verontwaardigd waren, hadden er intussen geen enkel bezwaar tegen om haar naar links af te schuiven. Naar aanleiding van de half patriottische rede van de mensjewiek Tsjcheïdse in het begin van de oorlog schreef de voorzitter van de Doema Rodsjanko: “De afloop heeft later doen zien dat Tsjcheïdse inderdaad contact met Duitse kringen had.” Enig nader bewijs echter ontbreekt eens te meer.

In zijn “Geschiedenis van de tweede Russische revolutie,” zegt Miljoekov: “Het staat niet vast welke tol de ‘troebele bronnen’ in de omwenteling van 27 februari speelden, maar gelet op wat er volgde, is zij moeilijk te ontkennen.” Positiever uit zich de vroegere marxist, thans reactionair slavofiel van Duitse afkomst, Peter von Struve: “Toen de Russische Revolutie, die voorbereid en op touw gezet was door de Duitsers, lukte, trad Rusland eigenlijk uit de oorlog.” Zowel bij Struve als bij Miljoekov is er hier geen sprake van de Oktober-, maar wel van de Februarirevolutie. Naar aanleiding van de beroemde “legerorder Nr. 1”, het grote charter van de soldatenvrijheden opgesteld door de afgevaardigden van het garnizoen van Petrograd, schreef Rodsjanko: “Ik twijfel geen ogenblik aan de Duitse oorsprong van de legerorder Nr. 1.” De chef van een van de divisies, generaal Barkovski, vertelde Rodsjanko dat exemplaren van de legerorder Nr. 1 “in reusachtige hoeveelheden onder zijn troepen verspreid werden vanuit de Duitse loopgraven.” Goetsjkov, die men onder de tsaar gepoogd had van hoogverraad te beschuldigen, haastte zich nadat hij minister van oorlog geworden was om deze legerorder van zich af te schuiven op de linksen. De legerorder die Goetsjkov in april aan het leger gaf, luidde: “Personen die Rusland haten en ongetwijfeld in dienst van onze vijanden staan, hebben zich in het actieve leger binnengedrongen met een brutaliteit die typerend is voor onze tegenstanders en propageren, klaarblijkelijk om aan de verlangens van deze tegemoet te komen, de noodzakelijkheid van een zo spoedig mogelijke beëindiging van de oorlog.” Naar aanleiding van de tegen de imperialistische politiek gerichte Aprilmanifestatie schrijft Miljoekov: “Het plan om de beide ministers (Miljoekov en Goetsjkov) ten val te brengen, was regelrecht uit Duitsland afkomstig.” De arbeiders zouden voor hun deelname aan de demonstratie vijftien roebels per dag van de bolsjewieken gekregen hebben. Met de Duitse gouden sleutel loste de liberale historicus alle problemen op waarover hij als politicus struikelde.

De vaderlandslievende socialisten, die de bolsjewieken voorstelden als onvrijwillige bondgenoten of zelfs als agenten van de Duitse regeerders, werden op hun beurt van hetzelfde beschuldigd door rechts. Wij hebben reeds Rodsjanko’s uitlatingen over Tsjcheïdse gehoord. Ook Kerenski vond geen genade in zijn ogen: “Ongetwijfeld heeft hij uit heimelijke sympathie met de bolsjewieken, maar wellicht ook uit andere overwegingen, de Voorlopige Regering ertoe gebracht de bolsjewieken in Rusland toe te laten.” De “andere overwegingen” kunnen niets anders zijn dan dorst naar het Duitse geld. In zijn merkwaardige memoires die ook in vreemde talen vertaald zijn, laat de gendarmeriegeneraal Spiridovitsj, nadat hij op het grote aantal joden in de sociaal-revolutionaire regeringskringen gewezen heeft, daarop volgen: “Er waren ook Russische namen, als die van de latere boerenminister en Duitse spion Victor Tsjernov onder hen.” De partijleiders van de sociaal-revolutionairen waren werkelijk niet alleen bij de gendarmes verdacht. Na het Julipogrom tegen de bolsjewieken haastten de kadetten zich om een hetze te beginnen tegen de minister van landbouw Tsjernov, die ervan verdacht werd banden met Berlijn te onderhouden. De ongelukkige patriot moest tijdelijk aftreden om zich te rehabiliteren. In de herfst van 1917, toen Miljoekov over de opdracht sprak die het vaderlandslievend Uitvoerend Comité aan de mensjewiek Skobeljew gegeven had om aan het internationale socialistische congres deel te nemen, trachtte hij vanaf het spreekgestoelte van het Voorlopig Parlement door middel van een nauwkeurige ontleding van de tekst te bewijzen dat het document klaarblijkelijk van “Duitse oorsprong” was. De stijl van de opdracht was inderdaad slecht, zoals dit trouwens in alle stukken van de verzoeningsgezinden het geval was. De vertraagde democratie, die een leidende gedachte miste, geen vaste wil had en angstig naar alle kanten rondspiedde, stapelde in haar geschriften de ene uitvlucht op de andere en maakte er een slechte vertaling uit een vreemde taal van, zoals zij zelf immers slechts een schim van een vreemd verleden was. Ludendorf heeft echter geen schuld hieraan.

De reis van Lenin door Duitsland bood de chauvinistische demagogen onuitputtelijke mogelijkheden. Maar alsof het de dienende rol van het patriottisme bij haar politiek sterker in het voetlicht wilde plaatsen, begon de burgerlijke media, die hem eerst met een huichelachtige welwillendheid begroet had, Lenin van ‘germanofilie’ te beschuldigen. Dit gebeurde nadat deze pers zich bewust werd van de betekenis van zijn sociaal programma. “Land, brood en vrede”: het kon niet anders of hij had deze slogan uit Duitsland meegebracht. Er was toen nog geen sprake van de onthullingen van Jermolenko.

Nadat Trotski en enkele andere emigranten, die zich op de terugreis uit Amerika bevonden, door de militaire controle van koning George te Halifax gevangen genomen waren, verstrekte het Engelse gezantschap te Petrograd een officieel bericht dat in een eigenaardige Anglo-Russische stijl vervat was aan de pers: “die Russische burgers op de stoomboot “Christianiafjord” zijn in Halifax opgehouden omdat de Engelse regering de mededeling gekregen heeft dat zij betrokken zijn bij een door de Duitse regering gesteund plan om de Russische Voorlopige Regering ten val te brengen.” De mededeling van Sir Buchanan dateerde van 14 april: in die tijd was niet alleen Boerstein, maar ook Jermolenko nog niet komen opdagen. Als minister van buitenlandse zaken was Miljoekov echter genoodzaakt om door middel van de Russische gezant Nabokov aan de Engelse regering te verzoeken om Trotski vrij te laten en naar Rusland door te laten. “Nadat de Engelse regering inlichtingen over Trotski en diens werkzaamheden in Amerika ingewonnen had,” schrijft Nabokov, “kon deze dit niet begrijpen: ‘Wat is dit nu, kwaadwilligheid of verblinding?’ De Engelsen haalden de schouders op, begrepen het gevaar en waarschuwden ons.” Lloyd George moest echter toegeven. In antwoord op de vraag die Trotski in de Petrogradse pers tot de Engelse gezant richtte, nam Buchanan na enige aarzeling zijn oorspronkelijke verklaring terug en verkondigde ditmaal: “Mijn regering hield de groep emigranten in Halifax alleen vast om hun identiteit door de Russische regering te laten vaststellen en slechts totdat dit gebeurd was. Een andere betekenis had het vasthouden van de Russische emigranten niet.” Buchanan was niet alleen een gentleman, maar ook een diplomaat.

In een bijeenkomst van de leden van de Rijksdoema begin juni eiste Miljoekov, die door de Aprildemonstratie uit de regering gegooid was, dat Lenin en Trotski gevangen genomen zouden worden, en hij zinspeelde daarbij openlijk op hun banden met Duitsland. Trotski verklaarde de volgende dag op het Sovjetcongres: “Zolang Miljoekov deze beschuldiging niet bewezen of teruggenomen heeft, blijft hij gebrandmerkt als een eerloze lasteraar.” Miljoekov antwoordde daarop in de “Rjetsj” dat hij “inderdaad ontevreden was over het feit dat de heren Lenin en Trotski nog op vrije voeten waren,” maar hij motiveerde de noodzakelijkheid van hun arrestatie “niet daarmee dat zij Duitse agenten waren, maar met het feit dat zij reeds genoeg tegen het strafwetboek gezondigd hadden.” Miljoekov was een diplomaat, maar geen gentleman. De noodzakelijkheid van een arrestatie van Lenin en Trotski stond reeds vóór de onthullingen van Jermolenko vast; de “juridische” inkleding van de arrestatie was slechts een technische kwestie. De liberale leider werkte politiek met de krasse beschuldiging, en dit reeds lang voordat zij in een “juridische” vorm gegoten was.

De rol van de legende van het Duitse geld komt het meest kras tot uiting in de merkwaardige gebeurtenis die de secretaris-generaal van de Voorlopige Regering, de kadet Nabokov (niet te verwarren met de hierboven genoemde Russische gezant te Londen), meedeelt. In één van de bijeenkomsten van de regering merkte Miljoekov bij een of andere gelegenheid op: “Het is een publiek geheim dat het Duitse geld een rol speelde onder de factoren die bij de omwenteling hebben meegewerkt…” Dit lijkt sterk op de stijl van Miljoekov, ook al is de formulering aanzienlijk verzacht. Volgens de beschrijving van Nabokov gedroeg Kerenski zich als een bezetene. Hij greep naar zijn aktetas, sloeg ermee op tafel en schreeuwde: “Nu Miljoekov het gewaagd heeft in mijn tegenwoordigheid de heilige zaak van de grote Russische Revolutie te belasteren, wens ik geen moment langer hier te blijven.” Dit lijkt sterk op de stijl van Kerenski, ook al is zijn gebaar wellicht sterk overdreven. Een Russisch spreekwoord zegt dat men niet moet spuwen in de bron waaruit men later misschien moet drinken. Beledigd door de Oktoberrevolutie, wist Kerenski niets beters te doen dan de legende van het Duitse goud ertegen te richten. Wat uit de mond van Miljoekov een “belastering van de heilige zaak” was, werd bij Boerstein en Kerenski een heilige zaak van laster tegen de bolsjewieken.

De afgebroken reeks verdachtmakingen wegens germanofilie en spionage die van de tsarina, Raspoetin en de hofkringen via de ministeries, de generale staf, de Doema en de liberale redacties tot Kerenski en een deel van de Sovjetleiders liep, getuigt van een verbluffende eentonigheid. De politieke tegenstanders lijken het besluit genomen te hebben om hun fantasie niet al te erg in te spannen: zij verplaatsen eenvoudig dezelfde beschuldiging nu eens tegen rechts dan weer tegen links. Deze laster kwam niet onverwacht bij de bolsjewieken terecht, het was een natuurlijk resultaat van paniek en haat. Dit zorgde voor een laatste schakel in een afschuwelijke keten, de nu definitief geformuleerde laster kwam op een nieuw definitief adres aan. Het verenigde meteen de aanklagers en aangeklaagden van gisteren. Alle krenkingen die de regeerders moesten ondergaan, al hun angsten, al hun verbittering, richtte zich nu tegen die partij die de meest linkse was en de onoverwinbare kracht van de revolutie belichaamde. Hoe hadden inderdaad de bezittende klassen het veld kunnen ruimen voor de bolsjewieken, zonder een laatste vertwijfelde poging gedaan te hebben om deze in bloed en slijk te vertrappen? Het bij het langdurig gebruik enigszins verwarde kluwen van laster moest onvermijdelijk op het hoofd van de bolsjewieken neerkomen. De onthullingen van de soldaat van de contraspionagedienst waren slechts een materialisatie van de dromen van de bezittende klasse, die in een impasse zat. Daarom had de laster ook zo’n verschrikkelijke uitwerking.

Dat er Duitse agenten waren, was op zich natuurlijk geen droombeeld. De Duitse spionage in Rusland was overigens veel beter georganiseerd dan de Russische in Duitsland. Er moet slechts gewezen worden op het feit dat de minister van oorlog Soechomlinov nog onder het oude regime gevangen genomen werd als vertrouwensman van Berlijn. Het is ook niet aan twijfel onderhevig dat Duitse agenten niet alleen in de hof- en de Zwarte-Honderdkringen wisten binnen te dringen, maar ook in de linkse kringen. De Oostenrijkse en Duitse autoriteiten koketteerden vanaf de eerste dagen van de oorlog sterk met separatistische strevingen, allereerst met de Oekraïense en de Kaukasische emigratie. Het is opvallend dat ook Jermolenko, die aangeworven werd in april 1917, uitgestuurd werd om te strijden voor een afscheiding van de Oekraïne. Reeds in de herfst van 1914 roepen zowel Lenin alsook Trotski in Zwitserland openlijk ertoe op met die revolutionairen te breken, die in de kaart van het Duits-Oostenrijks militarisme spelen. Begin 1917 waarschuwde Trotski vanuit New York openlijk de linkse Duitse sociaaldemocraten, de aanhangers van Liebknecht, dat agenten van het Engelse gezantschap zich bij hen trachtten aan te sluiten. Bij al haar gekoketteer met de separatisten met het doel om Rusland te verzwakken en de tsaar angst aan te jagen, dacht de Duitse regering er echter niet aan om het tsarisme ten val te brengen. Dit blijkt het best uit een verklaring die de Duitsers na de Februari-omwenteling in de Russische loopgraven verspreidden en die op 11 maart in de zitting van de Sovjet van Petrograd bekend gemaakt werd. “Aanvankelijk gingen de Engelsen hand in hand met uw tsaar, maar nu hebben zij zich tegen hem gekeerd omdat hij niet in hun egoïstische wensen toegestemd heeft. Zij hebben uw tsaar, die u door God gegeven was, van de troon verdreven. Waarom is dit gebeurd? Omdat hij de huichelachtige en geniepige streken van Engeland doorziet en aan het licht gebracht heeft.” Zowel de vorm als de inhoud van dit document garanderen de echtheid ervan. Evenals men de Pruisische luitenant niet kan nabootsen, is ook zijn historische filosofie niet na te bootsen. Hoffmann, een Pruisisch luitenant in de rang van generaal, was van mening dat de Russische Revolutie in Engeland op touw gezet en voorbereid was. Toch is dit minder dwaas dan de theorie van Miljoekov en Struve, want Potsdam bleef tot op het laatste moment hopen op een afzonderlijke vrede met Tsarskoje Selo, terwijl men in Engeland vooral bang was van deze afzonderlijke vrede. Pas toen de onmogelijkheid van een herstel van het tsarisme duidelijk gebleken was, bouwde de Duitse staf zijn hoop op de vernieuwende kracht van de revolutionaire arbeidersklasse. Zelfs bij de reis van Lenin door Duitsland ging het initiatief echter niet uit van Duitse kringen, maar van Lenin zelf en oorspronkelijk van de mensjewiek Martov. De Duitse generale staf deed niets anders dan erin toestemmen en waarschijnlijk niet zonder enige aarzeling. Ludendorff zei bij zichzelf dat wellicht enige opluchting het gevolg ervan kon zijn.

Tijdens de Juligebeurtenissen meenden zelfs de bolsjewieken in de enkele onverwachte en opzettelijk veroorzaakte excessen het werk van een vreemde en misdadige hand te zien. Trotski schreef in die dagen: “Welke rol hebben de contrarevolutionaire provocateurs of de Duitse agenten daarbij gespeeld? Het is moeilijk om daar nu reeds iets met zekerheid over te zeggen… Men dient de resultaten van een grondig onderzoek af te wachten… Men kan echter nu reeds met zekerheid verklaren dat de resultaten van een dergelijk onderzoek wel eens een schril licht op het werk van de Zwarte-Honderdbenden en op de ondergrondse rol van het Duitse, Engelse of zuiver Russische geld of misschien van deze drie samen zouden kunnen werpen. Maar de politieke betekenis van de gebeurtenissen is door geen enkel gerechtelijk onderzoek te veranderen. De arbeiders- en soldatenmassa’s van Petrograd waren niet omgekocht en konden niet omgekocht zijn. Zij staan in dienst noch van Wilhelm, noch van Buchanan, noch van Miljoekov… De beweging was voorbereid door de oorlog, de dreigende honger, de reactie die de kop opstak, de radeloosheid van de regering, het avontuurlijke offensief, het politieke wantrouwen en de revolutionaire onrust van de arbeiders en soldaten…” Uit alle na de oorlog en de twee revoluties gepubliceerde archiefstukken, documenten en memoires blijkt ondubbelzinnig dat de deelname van de Duitse agenten aan de revolutie in Rusland zich op geen enkel ogenblik uit de militair-politionele sfeer wist te verheffen tot hoge politiek. Is het eigenlijk na de revolutie in Duitsland nog wel nodig de nadruk hierop te leggen? Hoe jammerlijk en machteloos betoonden deze ogenschijnlijk zo almachtige Hohenzollernse spionageagenten zich in de herfst van 1918 tegenover de Duitse arbeiders en soldaten! “De berekening die onze vijanden met het zenden van Lenin naar Rusland hadden, bleek volkomen juist te zijn.” Zegt Miljoekov. Geheel anders beoordeelt Ludendorf zelf de gevolgen van de onderneming: “Ik kon toen niet vermoeden,” zo rechtvaardigt hij zich terwijl hij over de Russische Revolutie spreekt, “dat zij later ook onze krachten zou ondermijnen.” Hieruit blijkt slechts dat van de twee strategen – Ludendorff die Lenin de doorreis toestond en Lenin die van dit aanbod gebruik maakte – Lenin een betere kijk op de toekomst had.

“De vijandelijke propaganda en het bolsjewisme,” jammert Ludendorf in zijn oorlogsherinneringen, “hadden in Duitsland hetzelfde doel. Engeland bezorgde China het opium, de vijanden bezorgden ons de revolutie.” Ludendorf verwijt de Entente hetzelfde waarvan Miljoekov en Kerenski Duitsland beschuldigden. Zo gruwelijk wreekt zich de zo vaak miskende historische wetmatigheid! Ludendorff liet het daarbij echter niet. In februari 1931 verkondigde hij aan de gehele wereld dat achter de bolsjewieken het internationale en vooral het Joodse geldkapitaal stond, verenigd in de strijd tegen het tsaristische Rusland en het imperialistische Duitsland. “Trotski was vanuit Amerika via Zweden naar Petrograd gekomen, voorzien van ruime geldmiddelen van de internationale kapitalisten. Ook hadden de bolsjewieken van de jood Solmssen uit Duitsland geld gekregen.” (“Ludendorffs Volkswarte”, 15 februari 1931). Hoezeer de verklaringen van Ludendorff en Jermolenko uiteenliepen, zo komen zij toch in een punt met elkaar overeen: een deel van het geld kwam, naar nu blijkt, dan toch inderdaad uit Duitsland. Het kwam weliswaar niet van Ludendorff, maar van diens aartsvijand Solmssen. Diens getuigenis ontbrak alleen nog maar om het geheel te volmaken.

Noch Ludendorff, noch Miljoekov, noch Kerenski hebben echter het buskruit uitgevonden, ofschoon de eerste dit op grote schaal gebruikt heeft. “Solmssen” had vele voorgangers in de geschiedenis, zowel als jood alsook als Duits agent. Graaf Fersen, die Zweeds gezant in Frankrijk was ten tijde van de Grote Revolutie, en een fanatiek aanhanger van de koninklijke macht, van de koning en vooral van de koningin, heeft meer dan eens aan zijn regering als volgt naar Stockholm gerapporteerd: “De jood Efraïm, gezant van mijnheer Herzberg uit Berlijn (de Pruisische minister van buitenlandse zaken), verschaft hen (de jacobijnen) geld; korte tijd geleden heeft hij weer zeshonderdduizend pond gekregen.” Het gematigde blad “De revoluties van Parijs” opperde de veronderstelling dat tijdens de republikeinse omwenteling “gezanten van de Europese diplomatie, zoals bijvoorbeeld de jood Efraïm, een agent van de koning van Pruisen, in de in opwinding verkerende en licht toegankelijke massa infiltreerden…” Dezelfde Fersen meldde: “De jacobijnen… zouden tenonder gaan zonder de hulp van het door hen omgekochte gepeupel.” Wanneer de bolsjewieken aan de deelnemers van de demonstraties een dagloon betaalden, volgden zij blijkbaar slechts het voorbeeld van de jacobijnen. En het geld voor het omkopen van het gepeupel kwam in beide gevallen uit Berlijnse bronnen. De overeenkomst tussen het optreden van de revolutionairen van de 20ste en die van de 18de eeuw zou waarlijk verbluffend zijn indien zij niet door de nog verbluffender overeenkomst tussen de belasteringen van de kant van de vijanden overtroffen werd. Men hoeft echter niet bij de jacobijnen te blijven. Uit de geschiedenis van alle revoluties en burgeroorlogen blijkt steeds dat de bedreigde of reeds ten val gebrachte klasse geneigd is de oorzaak van het ongeluk dat haar trof niet bij zichzelf, maar bij buitenlandse agenten en gezanten te zoeken. Niet alleen Miljoekov als geleerd historicus, maar ook Kerenski als oppervlakkig lezer had dit moeten weten. Als politici werden beiden echter het slachtoffer van hun eigen contrarevolutionaire rol.

De theorieën van de revolutionaire rol van buitenlandse agenten vinden echter, evenals in het algemeen alle typische massale waanbeelden, indirect steun in de geschiedenis. Bewust of onbewust ontleent elk volk in kritieke perioden in zijn bestaan allerlei dingen en wel op grote schaal aan andere volken. De leidende rol in de radicale beweging wordt bovendien dikwijls gespeeld door personen die in het buitenland opgroeiden of door emigranten die in hun vaderland teruggekeerd zijn. Nieuwe ideeën en instellingen lijken daarom aan de conservatieve groepen veelal vreemde, uitheemse producten. Het dorp verdedigt zich tegen de stad, het provinciestadje tegen de metropool, de kleinburger tegen de arbeider, als nationale krachten tegen buitenlandse invloeden. De bolsjewistische beweging leek Miljoekov tenslotte een Duitse beweging te zijn, om dezelfde redenen als waarom de Russische moezjiek eeuwenlang eenieder die als stadsmens gekleed ging voor een Duitser hield. Met dit verschil echter dat de moezjiek daarbij eerlijk bleef.

In het jaar 1918, dus reeds na de Oktoberomwenteling, publiceerde het persbureau van de Amerikaanse regering triomfantelijk een aantal documenten betreffende de banden tussen de bolsjewieken en de Duitsers. Aan deze grove vervalsing die niet tegen kritiek bestand bleek, werd door vele ontwikkelde en overigens verstandige mensen geloof gehecht, totdat vast kwam te staan dat de ogenschijnlijk uit verschillende landen stammende originele exemplaren van de documenten allemaal op één en dezelfde schrijfmachine vervaardigd waren. De vervalsers schatten hun opdrachtgevers niet al te hoog in, ze waren er blijkbaar van overtuigd dat de politieke vraag naar onthullingen over de bolsjewieken groter zou zijn dan de stem van de kritiek. En ze hadden gelijk, ze werden immers goed betaald voor deze documenten. Nochtans was dit voor de Amerikaanse regering, die door een oceaan van het oorlogstoneel gescheiden was, slechts een secundaire kwestie.

Waarom is de politieke laster toch zo armzalig en zo eentonig? Omdat de collectieve geest zo zuinig en conservatief is. Zij verbruikt niet meer van haar krachten dan absoluut noodzakelijk is om haar doel te bereiken. Zij geeft er de voorkeur aan oude dingen over te nemen, zolang zij niet gedwongen is nieuwe dingen op te bouwen. En zelfs in dit laatste geval probeert ze het nog samen te voegen met oude elementen. Elke latere godsdienst placht haar mythologie niet geheel opnieuw op te bouwen, maar het oude geloof te hervormen. Op dezelfde wijze werden ook de filosofische stelsels, de rechts- en moraaltheorieën gevormd. De enkelingen, zelfs ook de genieën, ontwikkelen zich even onharmonisch als de maatschappij waarin zij opgroeien. Ongebreidelde fantasie kan in een en hetzelfde brein voorkomen naast slaafse vasthoudendheid aan traditionele voorbeelden. Stoutmoedige gedachtengangen zijn verenigbaar met kras bijgeloof. Shakespeare schiep in zijn stukken figuren die uit het verre verleden tot hem kwamen. Pascal bewees het bestaan van God met behulp van de waarschijnlijkheidsleer. Newton ontdekte de wetten van de zwaartekracht maar geloofde in de Apocalyps. Nadat Marconi een radiozendstation in de residentie van de paus gebouwd heeft, verstuurde de plaatsvervanger van Christus op aarde zijn mystieke zegen via de radio. In gewone tijden blijven deze tegenstellingen onopgemerkt, maar in tijden van rampspoed komen zij aan het licht. Wanneer de hogere klassen zich in hun materiële belangen bedreigd voelen, maken zij gebruik van alle vooroordelen en waanbeelden die de mensheid met zich meesleept. Kan men het de ten val gebrachte heersers van het oude Rusland dan kwalijk nemen dat zij de mythologie van hun val ongewijzigd overnamen van die klassen die reeds voor hen ten val kwamen? Voor alle duidelijkheid: als Kerenski vele jaren na de gebeurtenissen in zijn memoires nog eens de versie van Jermolenko herhaalt, heeft dit uiteraard nog heel weinig nut.

De laster van de oorlogs- en revolutiejaren is verbluffend van eentonigheid, zeiden wij reeds. Er is echter toch enig verschil. De toename in kwantiteit doet een nieuwe kwaliteit ontstaan. De strijd van de overige partijen onderling leek bijna een familietwist vergeleken met hun gemeenschappelijke ophitsing tegen de bolsjewieken. In hun onderlinge botsingen trainden zij zich als het ware slechts voor de andere, de beslissende strijd. Zelfs indien zij elkaar beschuldigden van banden met de Duitsers, hielden ze deze beschuldigingen nooit overeind. In juli kregen we iets anders te zien. Bij hun aanval tegen de bolsjewieken vormen alle onderdelen van de heersende klasse: de regering, de justitie, de contraspionagedienst, de generale staf, de ambtenaren, de gemeenteraden, de partijen van de Sovjetmeerderheid, hun pers en hun redenaars, een groot geheel. Zelfs de onderlinge meningsverschillen vergroten slechts het totale effect, net zoals verschillende instrumenten in een orkest dat doen. Het onzinnig verzinsel van twee verachtelijke sujetten wordt tot een factor van historische betekenis verheven. De laster stort neer als een Niagarawaterval. Gelet op de situatie – oorlog en revolutie – en het karakter van de beschuldigden – revolutionaire leiders van miljoenen mensen die hun partij aan de macht gebracht hebben – kan men zonder overdrijving zeggen dat juli 1917 een maand geweest is van de grootste laster die ooit in de wereldgeschiedenis voorkwam.