De nieuwe macht

De Russische burgerij stond los van het volk, ze was veel nauwer verbonden met het buitenlands geldkapitaal dan met de werkende massa’s van het eigen land. Deze burgerij stond vijandig tegenover de zegevierende revolutie, maar aangezien ze zelf te laat op het toneel kwam, was het niet mogelijk om in eigen naam aanspraak op de macht te maken. Er was dus een vorm van rechtvaardiging nodig, de revolutie onderwerpt niet alleen de overgeërfde rechten aan onderzoek maar ook de nieuwe aanspraken. De voorzitter van het Voorlopig Comité, Rodsjanko, die in de eerste dagen na de omwenteling aan het hoofd van het revolutionaire land gekomen was, was allerminst in staat argumenten aan te voeren, die de massa’s konden overtuigen.

Rodsjanko was een page, een jongen die werd opgeleid tot schildknaap, onder Alexander II, officier van het regiment van de gardecavalerie, gouvernementsmaarschalk, kamerheer van Nicolaas I, door en door monarchist, rijke grootgrondbezitter, lid van de Oktobristenpartij, afgevaardigde in de Rijksdoema waar hij uiteindelijk tot voorzitter was gekozen. Dit gebeurde nadat Goetsjkov, die als “Jongturk” bij het hof gehaat was, zijn functie had neergelegd. De Doema hoopte door bemiddeling van de kamerheer gemakkelijker tot het hart van de monarchie door te dringen. Rodsjanko deed wat hij kon: openhartig verzekerde hij de tsaar de dynastie toegedaan te zijn, verzocht als gunst aan de troonopvolger voorgesteld te worden en stelde zich aan deze voor als “de grootste en dikste man van Rusland.”

Ondanks al deze byzantijnse goochelarijen lukte het de kamerheer niet om de tsaar voor een grondwet te winnen en de tsarina noemde Rodsjanko in haar brieven kortweg een schurk. Tijdens de oorlog bezorgde de voorzitter van de Doema de tsaar ongetwijfeld heel wat onaangename ogenblikken wanneer hij hem in persoonlijke gesprekken door enthousiaste overredingspogingen, patriottische kritiek en sombere vooruitzichten in het nauw bracht. Raspoetin zag in Rodsjanko een persoonlijk vijand. Koerlow, die dicht bij de bende van het hof stond, spreekt van de “brutaliteit gecombineerd met een onmiskenbare bekrompenheid,” die Rodsjanko kenmerkten. Witte uitte zich milder over de voorzitter van de Doema, maar niet veel gunstiger: “Geen dom mens, zeer verstandig; maar de voornaamste eigenschap van Rodsjanko is niet zijn verstand, maar zijn stem: hij heeft een voortreffelijke bas.”

Rodsjanko probeerde eerst de revolutie weg te spoelen; daarna weende hij toen hij vernam dat de regering van vorst Golizyn er vandoor gegaan was. Hij wees de macht die de socialisten hem kwamen aanbieden ontzet van de hand, besloot later om deze toch aan te nemen maar dan slechts als trouwe onderdaan die bij de eerste gelegenheid de verloren macht terug aan de monarch wilde geven. Het is niet de schuld van Rodsjanko dat deze mogelijkheid zich niet voorgedaan heeft. In plaats daarvan verschafte de revolutie met behulp van diezelfde socialisten de kamerheer een ruime mogelijkheid om zijn bas te laten bulderen voor de opstandige regimenten. Reeds op 27 februari hield de voormalige ritmeester van de gardecavalerie, Rodsjanko, de volgende toespraak tot het cavalerieregiment dat in het Taurisch paleis gekomen was: “Gelovige strijders, luistert naar mijn raad. Ik ben een oude man, ik zal u niet bedriegen, luistert naar de officieren, zij zullen u niets slechts leren en zullen in volkomen overeenstemming met de Rijksdoema handelen. Leve het heilige Rusland!” Alle gardeofficieren waren bereid zo’n revolutie te accepteren. Alleen de soldaten waren koppig: waarom was het dan nodig geweest ze te maken? Rodsjanko was bevreesd voor de soldaten, voor de arbeiders; hij hield Tsjcheïdse en andere linksen voor Duitse agenten en ook op het ogenblik dat hij aan het hoofd van de revolutie stond, keek hij om de paar minuten angstvallig rond zich heen om te zien of de Sovjet hem niet zou arresteren.

De figuur van Rodsjanko is een weinig belachelijk, maar niet toevallig: de kamerheer met de voortreffelijke bas belichaamde het verbond van de twee regerende klassen van Rusland, grootgrondbezitters en bourgeoisie, alsmede de bij hen aangesloten vooruitstrevende geestelijkheid. Rodsjanko zelf was zeer godsvruchtig en kende de kerkgezangen goed en de liberale burgers beschouwden, onafhankelijk van hun houding tegenover de orthodoxie, het bondgenootschap met de kerk even noodzakelijk voor de handhaving van orde en rust als het bondgenootschap met de monarchie. De eerwaardige monarchist die van samenzweerders, rebellen en tirannenmoordenaars de macht ontvangen had, zag er in die dagen erbarmelijk uit. De overige leden van het comité voelden zich niet veel beter. Verschillende van hen vertoonden zich in het geheel niet in het Taurisch paleis, daar zij de toestand niet voldoende opgehelderd achtten. De verstandigsten liepen op hun tenen om de brandstapel van de revolutie heen, kuchten van de rook en zeiden tot zichzelf: laat het eerst maar uitbranden; dan zullen wij proberen iets te beginnen. Toen het comité zich bereid verklaarde de macht aan te nemen, kwam het niet meteen tot een besluit om een regering te vormen. “Terwijl het afwachtte tot het moment voor de vorming van een regering zou aanbreken,” zoals Miljoekov zich uitdrukt, bepaalde het comité zich tot de benoeming van commissarissen uit de Doemaleden voor de hoge regeringsposten: dit liet nog de mogelijkheid voor een terugtocht open.

Voor het ministerie van binnenlandse zaken werd de onbeduidende, maar wellicht minder laffe, afgevaardigde Karaulov aangewezen, die op 1 maart een bevel tot inhechtenisneming tegen alle beambten van de openbare en de geheime politie en het gendarmeriecorps uitvaardigde. Dit verschrikkelijk revolutionair gebaar had een louter platonisch karakter, daar de politie reeds voordat enig bevel gegeven was, gevangen genomen was en de gevangenis voor haar het enige toevluchtsoord tegen een strafgericht vormde. Veel later zag de reactie in de demonstratieve daad van Karaulov het begin van alle verdere onheil.

Overste Engelhardt, gardeofficier, renpaarden- en grootgrondbezitter, werd tot commandant van Petrograd benoemd. In plaats van de dictator Ivanov, die van het front aangekomen was om de hoofdstad te bedwingen, te arresteren, stelde Engelhardt een reactionaire officier als chef van de staf tot zijn beschikking. Tenslotte waren het immers hun eigen mensen.

Voor het ministerie van justitie werd het “licht” van de Moskouse liberale advocatuur aangewezen, de welbespraakte en holle Maklakov, die voor alles aan de reactionaire bureaucraten te verstaan gaf dat hij geen minister bij genade van de revolutie wilde zijn. Met een blik op de binnentredende kameraad-koerier verklaarde hij in het Frans: “Le danger est à la gauche.” De arbeiders en soldaten moesten geen Frans te kennen om in al deze heren hun meest verbitterde vijand te voelen.

Rodsjanko bulderde echter niet lang aan het hoofd van het comité. Zijn kandidatuur voor voorzitter van de revolutionaire regering raakte vanzelf van de baan: de bemiddelaar tussen bezit en monarchie was te ongeschikt als bemiddelaar tussen bezit en revolutie. Toch verdween hij niet van het toneel zonder hardnekkig gepoogd te hebben de Doema als tegenwicht tegen de Sovjets weer nieuw leven in te blazen en in het centrum van alle experimenten van de burgerlijk-feodale contrarevolutie tot vereniging te blijven. Wij zuIlen nog van hem horen.

Op de 1ste maart ging het Voorlopig Comité over tot de vorming van een regering waarbij het dezelfde personen benoemde die de Doema sedert 1915 telkens weer aan de tsaar aanbevolen had als mannen die het vertrouwen van het land genoten: het waren grootgrondbezitters en industriëlen, oppositionele Doema-afgevaardigden, leiders van het vooruitstrevend blok. Het is een feit dat de samenstelling van de revolutionaire regering op een uitzondering na absoluut niet de door de arbeiders en soldaten voltrokken omwenteling weerspiegelde. De uitzondering vormde Kerenski. De slingerwijdte Rodsjanko-Kerenski is de officiële slingerwijdte van de Februarirevolutie.

Kerenski trad in de regering als het ware als gevolmachtigd gezant daarvan. Zijn houding tegenover de revolutie was echter de houding van een advocaat uit de provincie die in politieke processen optreedt. Kerenski was geen revolutionair, hij was slechts met de revolutie in aanraking gekomen. Toen hij dankzij zijn legale positie in de vierde Doema kwam, werd hij voorzitter van de kleurloze, iedere uitdrukking missende fractie van trudoviken, de bloedarme vrucht van een politieke kruising tussen liberalisme en narodniki. Hij bezat noch theoretische voorbereiding, noch politieke scholing, noch bekwaamheid tot universeel denken, noch politieke wil. Al deze eigenschappen werden vervangen door een vluchtige bevattelijkheid, een lichte ontvlambaarheid en dat redenaarstalent dat niet op verstand of wil werkt maar op het gevoel. Zijn optreden in de Doema in de geest van declamatorisch radicalisme, waarvoor aanleidingen te over waren, maakten Kerenski zo al niet populair, dan toch bekend. In de oorlog hield hij als patriot samen met de liberalen alleen reeds de gedachte aan een revolutie voor verderfelijk. Hij erkende de revolutie, toen zij gekomen was en zij hem, vastgeklonken aan zijn schijnbare populariteit, zo moeiteloos omhoog hief. De omwenteling was voor hem natuurlijkerwijs identiek met de nieuwe macht. Het Uitvoerend Comité had echter besloten dat de macht in een burgerlijke revolutie aan de burgerlijken moest behoren. Deze formule leek Kerenski reeds hierom onjuist toe omdat zij de deuren van de regering voor hem dichtsloeg. Kerenski was er natuurlijk van overtuigd dat zijn socialisme de burgerlijke revolutie even weinig zou hinderen als deze afbreuk zou doen aan zijn socialisme. Het Voorlopig Doemacomité besloot te trachten de radicale afgevaardigde los te maken van de Sovjet, en bereikte dit zonder veel moeite, doordat het hem de justitieportefeuille aanbood die Maklakov reeds van de hand had gewezen. Kerenski klampte in de wandelgangen zijn vrienden aan en vroeg hen: aannemen of niet aannemen? De vrienden twijfelden er niet aan dat hij vastbesloten was om deze post aan te nemen. Soechanov, die toentertijd Kerenski welgezind was, bespeurde bij hem, althans later in zijn herinnering, de overtuiging van een of andere hem wachtende missie… “en een buitengewone geprikkeldheid tegenover iedereen die deze missie nog niet ontdekt had.” Tenslotte raadden de vrienden, onder wie ook Soechanov, Kerenski aan de portefeuille aan te nemen: in ieder geval was het veiliger zo; men zou dan door één van de onzen kunnen te weten komen wat er daar bij de sluwe liberalen voorviel. Terwijl de leiders van het Uitvoerend Comité in stilte Kerenski tot deze zondeval brachten, waartoe hij overigens zelf sterk geneigd was, weigerden zij hem echter een officiële steun te verlenen. Soechanov herinnerde Kerenski er aan dat het Uitvoerend Comité zich immers reeds uitgesproken had en dat het “niet ongevaarlijk” was de kwestie nog eens in de Sovjet aan de orde te stellen, aangezien deze eenvoudig zou kunnen antwoorden: “De macht moet bij de Sovjetdemocratie behoren.” Dit is het woordelijk relaas van Soechanov… een ongelooflijk mengsel van naïviteit en cynisme. De geestelijke vader van het hele mysterie van de regeringsvorming bekent hier openlijk dat de stemming in de Petrogradse Sovjet reeds op 2 maart voor een formele overname van de macht geweest was, welke feitelijk al sinds 27 februari aan deze toebehoorde en dat de socialistische leiders slechts achter de rug van de arbeiders en soldaten om buiten hun wet en tegen hun wil in de macht ten behoeve van de bourgeoisie konden ontnemen. Het gesjacher van de democraten met de liberalen krijgt in het verhaal van Soechanov alle wezenlijke kenmerken van een misdaad tegen de revolutie en wel van een samenzwering tegen de heerschappij van het volk en zijn rechten.

Tegenover het ongeduld van Kerenski fluisterden de leiders van het Uitvoerend Comité dat het een socialist niet betaamde officieel ook maar een deel van de macht aan te nemen uit handen van de Doemaleden die zo juist uit handen van de socialisten de gehele macht verkregen hadden. Kerenski moest dit liever op eigen verantwoording doen. Waarlijk, deze heren vonden met nimmer falend instinct een zo zonderling en verkeerd mogelijke uitweg uit iedere situatie. Kerenski wilde echter niet als radicaal afgevaardigde in de regering treden; hij begeerde de mantel van gevolmachtigde van de zegevierende revolutie. Om niet op tegenstand te stuiten, wendde hij zich om goedkeuring noch tot de partij waartoe hij behoorde, noch tot het Uitvoerend Comité waar hij plaatsvervangend voorzitter was. Hij nam zonder de verantwoordelijke verwittigd te hebben het woord in de plenaire zitting van de Sovjet, die in de eerste dagen nog een chaotische vergadering vormde, om er een buitengewone verklaring af te leggen. In een toespraak die sommigen als verward en anderen als hysterisch omschreven, beide omschrijvingen zijn niet noodzakelijk met elkaar in tegenspraak, eiste hij voor sich het vertrouwen op en sprak hij zijn algemene bereidheid uit om voor de revolutie te sterven en alleszins om onmiddellijk de portefeuille van minister van justitie aan te nemen. De vermelding van de noodzakelijkheid van een volledige politieke amnestie en een vervolging van de tsaristische waardigheidsbekleders was voldoende om bij de onervaren en door niemand geleide vergadering een stormachtig applaus teweeg te brengen. “Deze farce,” schreef later Sjljapnikov, “wekte bij velen verontwaardiging en afkeer tegenover Kerenski op.” Maar niemand sprak hem tegen. Nadat zij de macht aan de bourgeoisie uitgeleverd hadden, vermeden de socialisten het, zoals wij weten, om deze kwestie aan de massa’s voor te leggen. Een stemming had niet plaats. Kerenski besloot het applaus als een uiting van vertrouwen op te vatten. Hij had gelijk op zijn manier. De Sovjet was ongetwijfeld voor het toetreden van socialisten in de regering omdat het daarin een stap tot liquidering van de burgerlijke regering zag, een regering waarmee de Sovjet het niet kon vinden. Terwijl hij op de een of andere manier de officiële leer van de macht omverwierp, nam Kerenski op de 2de maart de post van minister van justitie aan. “Hij was,” vertelt de oktobrist Sjidlovski, “zeer tevreden met zijn benoeming en ik herinner mij heel goed hoe hij in het vertrek van het Voorlopig Comité, achterovergeleund in een stoel, hartstochtelijk ervan sprak op welk een ontzaglijk hoog peil hij Ruslands justitie zou weten te brengen.” Dit heeft hij inderdaad enkele maanden later in het proces tegen de bolsjewieken bewezen.

De liberalen wilden de mensjewiek Tsjcheïdse het ministerie van arbeid op de hals schuiven, dit was een doorzichtige berekening. Tsjcheïdse wees dit resoluut van de hand en bleef voorzitter van de Sovjet. Terwijl hij minder opvallend was dan Kerenski, was Tsjcheïdse toch van een degelijker kaliber.

Miljoekov, de onbetwiste leider van de Kadettenpartij, werd de spil van de Voorlopige Regering, al stond hij formeel niet aan haar hoofd. “Miljoekov was absoluut niet te vergelijken met zijn overige collega’s uit de regering,” schreef de kadet Nabokov nadat hij reeds met Miljoekov gebroken had, “zowel als geestelijke kracht, als een man met een ongelofelijke, bijna onuitputtelijke kennis en een brede kijk.” Soechanov, die Miljoekov voor de ineenstorting van het Russische liberalisme persoonlijk verantwoordelijk stelde, schreef tegelijkertijd: “Miljoekov was toentertijd de centrale figuur, het hart en hoofd van alle burgerlijke politieke kringen… Zonder hem zou er in de eerste periode van de revolutie geen burgerlijke politiek geweest zijn.” Deze uitspraken zijn bij al hun opgeschroefdheid kenmerkend voor de onbetwiste superioriteit van Miljoekov boven de overige politici van de Russische bourgeoisie. Zijn kracht bestond in datgene wat ook zijn zwakte was: vollediger en volkomener dan de anderen drukte hij in de taal van de politiek het lot van de Russische bourgeoisie uit, d.w.z. haar historisch gemis aan een uitweg. Waar de mensjewieken jammerden dat Miljoekov het Russisch liberalisme ten gronde gericht had, kan men met meer recht beweren dat het liberalisme Miljoekov ten gronde gericht heeft.

Ondanks zijn voor de imperialistische doeleinden opgewarmd neoslavisme bleef Miljoekov steeds een burgerlijke Westerling. Het doel van zijn partij lag voor hem in een zegepraal van de Europese beschaving in Rusland. Maar hoe verder men kwam, des te meer werd hij bevreesd voor die revolutionaire wegen die door de volkeren van het Westen opgegaan waren. Van zijn westerse gezindheid bleef derhalve niets anders over dan een machteloze afgunst tegenover het Westen.

De Engelse en de Franse burgerijen hadden de nieuwe maatschappij naar hun eigen evenbeeld gevormd. De Duitse is later gekomen en zij moest lange tijd bij het aftreksel van de filosofie blijven zitten. De Duitsers hebben het woord “Weltanschauung” bedacht, dat noch de Engelsen, noch de Fransen bezitten. Terwijl de Westerse naties een nieuwe wereld schiepen, beschouwden de Duitsers deze. Maar de Duitse bourgeoisie, die inzake politieke activiteit zo armzalig was, schiep de klassieke filosofie – en dit is geen geringe prestatie. De Russische bourgeoisie kwam nog later. Zij had weliswaar het Duitse woord “Weltanschauung” in het Russisch vertaald, zelfs in meerdere variaties, maar daarmee toonde zij slechts nog krasser, tegelijk met haar politieke onmacht, haar bittere filosofische armzaligheid. Zij importeerde zowel ideeën als machines, hief voor de machines hoge invoerrechten en stelde rond de ideeën een quarantaine van angst in. Miljoekov was bestemd om aan deze kenmerken van zijn klasse een politieke uitdrukking te geven.

Voormalig professor in de geschiedenis te Moskou, schrijver van wetenschappelijke werken van betekenis, later stichter van de uit de bond van liberale grootgrondbezitters en de bond van linkse intellectuelen samengesmolten Kadettenpartij, miste Miljoekov volkomen de onverdragelijke, deels pedante, deels intellectuele karaktereigenschap van dat politiek dilettantisme dat het merendeel van de Russische liberale politici kenmerkt.

In de regel schaamden de Russische liberalen zich er tot het jaar 1905 voor liberalen te zijn. Een waas van narodnikisme en later van marxisme diende hen lange tijd als onmisbare dekmantel. In deze schuchtere, in wezen oppervlakkige capitulatie van tamelijk brede burgerlijke kringen, waaronder ook vele jongere industriëlen, voor het socialisme, kwam het gemis aan innerlijke zekerheid van een klasse tot uiting. Deze klasse was tijdig genoeg gekomen om miljoenen in haar handen te concentreren, maar te laat om zich aan het hoofd van de natie te stellen. De baardige vaders, rijk geworden boeren en kooplieden vergaarden bezit zonder over hun maatschappelijke rol na te denken. De zonen liepen de universiteiten af in het tijdvak van ideeëngisting vóór de revolutie en toen zij hun plaats in de maatschappij gingen innemen, aarzelden zij zich onder de in verder ontwikkelde landen reeds verbruikte, verbleekte en opgelapte banier van het liberalisme te scharen. Een tijdlang gaven zij een deel van hun ziel en zelfs een deeltje van hun inkomsten aan de revolutionairen. Dit is in nog meerdere mate het geval met de vertegenwoordigers van de vrije beroepen: voor een groot deel maakten zij in hun jonge jaren een periode van socialistische sympathieën door. Professor Miljoekov had echter nooit aan de kinderziekte van het socialisme geleden. Hij was door en door bourgeois en schaamde zich hiervoor niet.

Miljoekov gaf stellig in de eerste tijd van de revolutie niet volkomen de hoop op om door middel van de gematigde socialistische partijen op de revolutionaire massa’s te kunnen steunen. Witte vertelt dat de kadetten op de eis die hij bij de vorming van zijn constitutioneel kabinet in oktober 1905 aan hen stelde, om “de revolutionaire staart af te kappen,” hem geantwoord hadden dat zij evenmin van de gewapende krachten van de revolutie konden afzien als Witte zelf van het leger. In het wezen van de zaak was dit toen reeds grootspraak: om hun prijs op te drijven, joegen de kadetten Witte angst aan met de massa’s waarvoor zij zelf bang waren. Miljoekov was juist op grond van de ervaringen van het jaar 1905 tot de overtuiging gekomen: hoe sterk de liberale sympathiën van de socialistische groepen onder de intellectuelen ook mochten zijn, de werkelijke krachten van de revolutie, de massa’s, zouden hun wapens nooit aan de bourgeoisie uitleveren en een groter gevaar voor deze vormen naarmate zij beter gewapend waren. Terwijl hij openlijk verkondigde dat de rode vlag een rode lap was, beëindigde Miljoekov kennelijk opgelucht de roman die hij eigenlijk nooit ernstig begonnen was.

Het isolement van de zogenaamde “intelligentsia” van het volk was een van de traditionele onderwerpen van de Russische journalistiek, waarbij de liberalen in tegenstelling tot de socialisten onder intelligentsia alle “beschaafde”, d.w.z. bezittende, klassen verstonden. Nadat dit isolement zich tijdens de eerste revolutie op een zo catastrofale wijze aan de liberalen geopenbaard had, leefden de ideologen van de “beschaafde” klassen als het ware voortdurend in afwachting van ‘de dag van het laatste oordeel’. Een liberaal schrijver, een niet aan de politieke conventies gebonden filosoof, had de angst voor de massa uitgesproken met een bezetenheid die aan de reactionaire epilepsie van Dostojewski herinnert. “Zoals wij zijn, kunnen wij niet alleen niet aan een samensmelting met het volk denken – wij moeten het volk vrezen, meer dan alle terechtstellingen van de regering, en die macht zegenen die ons met haar bajonetten en gevangenissen voor de woede van het volk beschermt.” Konden de liberalen bij een zodanig politiek zelfbewustzijn er ook maar van dromen het revolutionaire volk te leiden? Op de gehele politiek van Miljoekov is de stempel van wanhoop gedrukt. De door hem geleide partij denkt er op het moment van de nationale crisis slechts aan hoe zij de slag zal vermijden, niet hoe zij hem zal leiden.

Als schrijver is Miljoekov zwaar op de hand, wijdlopig en vermoeiend. Niet anders is het met hem gesteld als redenaar. Decoratief is hij niet. Dit zou een voordeel kunnen zijn indien de benepen politiek van Miljoekov niet zo klaarblijkelijk een masker was of indien hij althans de objectieve steun van een grote traditie bezeten had, maar hij had niet eens een kleine traditie. De officiële politiek in Frankrijk, het voorbeeld van burgerlijk egoïsme en verraad, had twee sterke steunpunten: traditie en retoriek. Verenigd met elkaar omgeven zij ieder burgerlijk politicus, zelfs een zo prozaïsch factotum van het grootkapitaal als Poincaré, met een beschermend aureool. Het is niet Miljoekov’s schuld dat hij geen pathetische voorvaderen bezat en gedwongen was de politiek van het burgerlijk egoïsme op de grens tussen Europa en Azië door te voeren.

“Naast de sympathie voor Kerenski,” lezen wij in de memoires van de sociaalrevolutionair Sokolov over de Februarirevolutie, “bestond er van bij het begin een grote, openlijke en eigenaardige antipathie tegen Miljoekov. Het was en is mij ook nu nog onbegrijpelijk waarom deze eerbiedwaardige politicus zo onpopulair was.” Indien de filisters de oorzaak van hun geestdrift voor Kerenski en hun wrevel tegen Miljoekov hadden kunnen begrijpen, zouden zij opgehouden hebben filister te zijn. De kleinburger hield niet van Miljoekov omdat hij te prozaïsch en nuchter, zonder consideratie, het politieke wezen van de Russische bourgeoisie weergaf. De burger zag, terwijl hij zich in de Miljoekovsche spiegel bekeek, dat hij grauw, baatzuchtig, laf was, en voelde zich, zoals dat gebruikelijk is, door de spiegel beledigd.

Miljoekov, aan wie de ontevreden blikken van de liberale burger niet verborgen bleven, zei van zijn kant rustig en zeker: “De kleinburger is dom.” Hij uitte deze woorden zonder geprikkeldheid, bijna vriendelijk, als wilde hij zeggen: “Indien de kleinburger mij vandaag nog niet begrijpt, doet dit er niet toe, hij zal het later doen.” In Miljoekov leefde de goed gefundeerde zekerheid dat de burger hem niet zou verraden en, gehoorzamend aan de logica der dingen, hem zou volgen. Er was immers geen andere optie. En werkelijk: na de Februari-omwenteling volgden alle burgerlijke partijen, zelfs de rechtse leider van de kadetten, hoezeer die ook schold en soms vloekte.

Anders was het met de democratische politicus met een socialistisch tintje, Soechanov, gesteld. Dit was geen gewone kleinburger, maar een beroepspoliticus, vrij goed beslagen in zijn klein handwerk. Voor handig kon men deze politicus niet verslijten, want de voortdurende tegenspraak tussen dat wat hij wilde en dat wat hij bereikte, was te zeer in het oog lopend. Maar hij muggeziftte, stichtte verwarring, verveelde. Om hem tot meedoen te bewegen, moest men hem om de tuin leiden, doordat men niet alleen zijn volkomen zelfstandigheid erkende, maar hem zelfs van onmatig commanderen, van eigenmachtigheid beschuldigde. Hierdoor voelde hij zich gevleid en dit verzoende hem met de rol van handlanger. In een gesprek met deze socialistische slimmerd uitte Miljoekov de woorden: “De kleinburger is dom.” Dit was een fijne vleierij. Handig zijn slechts wij beiden: in werkelijkheid draaide Miljoekov juist op dit moment zijn democratische vriend een rad voor de ogen. Later zijn zij ook met dit rad ten val gebracht.

Door zijn persoonlijke onpopulariteit was het Miljoekov niet mogelijk zich aan het hoofd van de regering te stellen: hij aanvaardde buitenlandse zaken, wat ook in de Doema zijn specialiteit was.

Minister van oorlog van de revolutie werd de ons reeds bekende Moskouse grootindustrieel Goetsjkov, in zijn jeugd liberaal, geneigd tot het avontuurlijke, later vertrouwensman van de grootbourgeoisie bij Stolypin in de tijd van het neerslaan van de eerste revolutie. De ontbinding van de twee eerste Doema’s, waar de kadetten heerstten, leidde tot de staatsgreep van 3 juni 1907, welke tot doel had het kiesrecht te wijzigen ten gunste van de partij van Goetsjkov, die dan ook in de twee laatste Doema’s tot de revolutie de leiding behield. In het jaar 1911 legde Goetsjkov in Kiev bij de onthulling van een gedenkteken voor Stolypin, die door een terrorist gedood was, zwijgend een krans neer en boog tot diep op de grond: dit was een gebaar in naam van een klasse. In de Doema wijdde Goetsjkov zich hoofdzakelijk aan de vraagstukken van de “strijdmacht” en ging bij de voorbereiding van de oorlog hand in hand met Miljoekov. Als voorzitter van het centraal oorlogsindustriecomité verenigde hij de industriëlen onder de banier van de patriottische oppositie, waarbij hij tegelijkertijd de leiders van het vooruitstrevend blok, met inbegrip van Rodsjanko, geenszins belette aan legerleveranties te verdienen. Een revolutionaire aanbeveling was voor Goetsjkov de aan zijn naam verbonden gedeeltelijke legende van de voorbereiding van de paleisrevolutie. De vroegere chef van de politie beweerde daaromtrent dat “Goetsjkov het zich veroorloofde om in privégesprekken buitengewoon beledigende uitdrukkingen over de vorst te gebruiken.” Dit is zeer plausibel. Goetsjkov vormde in dit opzicht echter geen uitzondering. De godsvruchtige tsarina haatte Goetsjkov, was in haar brieven niet zuinig met grove beschimpingen aan zijn adres en sprak de hoop uit dat hij “aan een hoge boom” zou worden opgehangen. De tsarina had trouwens velen daartoe bestemd. Hoe het ook zij: de man die voor de beul van de eerste revolutie tot diep op de grond gebogen had, werd minister van oorlog van de tweede revolutie.

De kadet Sjingarev, een arts uit de provincie, die later afgevaardigde in de Doema geworden was, werd minister van landbouw. Zijn naaste geestverwanten uit de partij hielden hem voor een eerlijk, middelmatig mens of, zoals Nabokov zich uitdrukte, voor een Russisch intellectueel uit de provincie, gemeten niet met staats-, maar met gouvernements- of districtsmaatstaf. Het vaag radicalisme uit zijn jeugd had reeds lang gelegenheid gehad te vervluchtigen en Sjingarev beijverde zich vóór alles, om aan de bezittende klassen zijn rijpheid als staatsman te tonen. Ofschoon het oude programma van de kadetten van de “gedwongen onteigening van het land van de grootgrondbezitters tegen een billijke schadevergoeding” sprak, nam toch geen enkel grootgrondbezitter dit programma ernstig – vooral nu niet, in de jaren van oorlogsinflatie – en Sjingarev beschouwde het als zijn voornaamste taak om de oplossing van het agrarisch vraagstuk op de lange baan te schuiven en de boeren te troosten met het waandenkbeeld van een Constituerende Vergadering, die de kadetten niet wilden bijeenroepen. De Februarirevolutie moest zich de nek breken over de vraagstukken van grond en bodem en de oorlog. Sjingarev hielp daarbij zoveel hij maar kon.

Een jonge man, genaamd Teresjtsjenko, kreeg de portefeuille van financiën. ‘Waar hebben ze die vandaan gehaald?’ vroeg men elkaar verwonderd in het Taurisch paleis. Personen die op de hoogte waren, verklaarden dat hij bezitter was van suikerfabrieken, landgoederen, bossen en andere ontelbare rijkdommen die men op ongeveer tachtig miljoen goudroebel schatte. Hij was voorzitter van het oorlogsindustriecomité in Kiev, had een goede Franse uitspraak en was bovendien kenner van het ballet. Men voegde hier nog veelzeggend aan toe dat Teresjtsjenko als vertrouwensman van Goetsjkov bijna deelgenomen had aan de grote samenzwering die Nicolaas II zou afzetten. De revolutie die de samenzwering verijdeld had, hielp Teresjtsjenko.

Gedurende de vijf Februaridagen, toen revolutiegevechten zich in de koude straten van de hoofdstad afspeelden, sloop enige malen de figuur van een liberaal van goede huize als een schim aan ons voorbij, de zoon van de voormalige tsaristische minister Nabokov, een in haar zelfingenomen correctheid en egoïstische bekrompenheid bijna symbolische figuur. De beslissende dagen van de opstand had Nabokov in droeve en bezorgde afwachting binnen de vier muren van de kanselarij of van zijn familie doorgebracht. Nu was hij secretaris van de Voorlopige Regering, feitelijk minister zonder portefeuille. In de emigratie te Berlijn, waar de onzinnige kogel van een witgardist hem doodde, liet hij niet oninteressante aantekeningen over de Voorlopige Regering na. Dit moge hem als een verdienste worden aangerekend.

Wij vergaten echter de premier te vermelden, die trouwens in ernstige ogenblikken tijdens zijn korte ambtsvervulling door iedereen vergeten werd. Toen Miljoekov op 2 maart op een vergadering in het Taurisch paleis de nieuwe regering aanbeval, noemde hij vorst Lvov het voorbeeld van een door het tsaristisch bewind vervolgde Russische beroemdheid. Later, in zijn “Geschiedenis van de Revolutie”, merkt Miljoekov voorzichtig op dat “aan het hoofd van de regering de voor de meeste leden van het Voorlopig Comité weinig bekende” vorst Lvov gesteld werd. De historicus beijvert zich hier om de politicus van de verantwoordelijkheid voor de keuze te ontheffen. In werkelijkheid behoorde de vorst reeds lang tot de kadettenpartij, tot haar rechtervleugel. Na de ontbinding van de eerste Doema, op de beroemde zitting van afgevaardigden in Vyborg, die zich met de gebruikelijke oproep van het beledigd liberalisme tot de bevolking wendde om geen belastingen te betalen, was vorst Lvov weliswaar aanwezig, maar hij ondertekende de oproep niet. Nabokov vertelt in zijn memoires dat de vorst terstond na aankomst in Vyborg ziek geworden was en dat zijn ziekte toegeschreven werd aan de opwinding waarin hij verkeerde. Klaarblijkelijk was de vorst niet tegen revolutionaire emoties bestand. Uit politieke onverschilligheid, die op breeddenkendheid leek, tolereerde Vorst Lvov, die zeer gematigd was, in alle door hem geleide organisaties vroegere revolutionairen en socialistische patriotten die zich uit de voeten maakten voor de oorlog . Zij werkten niet slechter dan de overige ambtenaren, stalen niet en bezorgden de vorst tegelijkertijd een soort van populariteit. Een vorst, een rijk man en liberaal, dit imponeerde de doorsneeburger. Men had daarom reeds onder de tsaar vorst Lvov voor de post van eerste minister bestemd. Al met al moet men toegeven dat het hoofd van de regering der Februarirevolutie weliswaar een verheven, maar een kennelijke nul was. Rodsjanko zou in ieder geval schitterender geweest zijn.

De kroniek van de legendarische geschiedenis van de Russische staat begint met het verhaal hoe afgezanten van de Slavische stammen zich naar de Scandinavische vorsten begaven met het verzoek: “Kom, bezit en regeer ons.” De rampzalige vertegenwoordigers van de socialistische democratie veranderden de historische legende in een ware gebeurtenis, niet in de negentiende maar in de twintigste eeuw, met dit verschil slechts dat zij zich niet tot overzeese, maar tot binnenlandse vorsten wendden. Zo geraakten als resultaat van de zegevierende opstand van de arbeiders en soldaten enkele schatrijke grootgrondbezitters en industriëlen, onbeduidende, politieke dilettanten, zonder programma, met een vorst aan het hoofd die niet tegen opwindingen bestand was, aan de macht.

De samenstelling van de regering wekte bij de verschillende gezantschappen, in de burgerlijke en ambtelijke salons, alsook in de brede lagen van de middenstand, gedeeltelijk ook van het kleinburgerdom, bevrediging. Vorst Lvov, de oktobrist Goetsjkov, de kadet Miljoekov – deze namen klonken geruststellend. De naam Kerenski deed wellicht de Geallieerden de wenkbrauwen fronsen, maar hij verschrikte hen niet. Zij die verder zagen, begrepen: er heerst nog altijd revolutie in het land; bij een zo betrouwbaar disselpaard als Miljoekov kan een dartel bijdehands paard slechts nuttig zijn. Zo moest de Franse gezant Paléologue, die van Russische metaforen, hield wel denken.

De samenstelling van de regering bracht onder de arbeiders en soldaten van meet af aan vijandige gevoelens, op zijn best een teleurstellende verbazing, teweeg. De namen Miljoekov of Goetsjkov konden geen instemming vinden, noch in de fabrieken, noch in de kazerne. Er zijn talrijke bewijzen hiervan voorhanden. De officier Mstislavski vermeldt de sombere bezorgdheid van de soldaten over het feit dat de macht van een tsaar op een vorst overgegaan was: is het de moeite waard geweest daarom bloed te vergieten? Stankevitsj, die tot de intimi van Kerenski behoorde, maakte op de derde maart een rondgang door zijn sappeursbataljon, van compagnie tot compagnie, en prees de nieuwe regering die hij zelf voor de best mogelijke hield en waarvan hij met grote geestdrift sprak. Men voelde echter een koele stemming onder het gehoor. Slechts als de spreker Kerenski vermeldde, “ontvlamden” de soldaten “in waarachtige geestdrift.” De publieke opinie onder de kleinburgers van de hoofdstad had in die tijd reeds Kerenski tot voornaamste held van de revolutie gemaakt. De soldaten waren in meerdere mate dan de arbeiders geneigd in Kerenski een tegenwicht tegenover de burgerlijke regering te zien en verwonderden zich slechts daarover dat hij er alleen was. Kerenski was echter geen tegenwicht, maar een aanvulling, een dekmantel, een versiering. Hij verdedigde dezelfde belangen als Miljoekov, maar dan wel met een zaklamp.

Hoe was de werkelijke situatie in het land na de vestiging van de nieuwe macht?

De monarchistische reactie hield zich in haar schuilholen verborgen. De bezitters van iedere soort en richting groepeerden zich zodra de wateren van de zondvloed begonnen te vallen rond de banier van de kadettenpartij, die met een slag de enige niet-socialistische en tegelijkertijd de meest rechtse partij in het strijdperk geworden was.

De massa’s stroomden in drommen naar de socialisten, die in het bewustzijn van het volk één met de Sovjets waren. Niet alleen de arbeiders en soldaten van de grote garnizoenen in het achterland, maar ook de bonte burgerij van de steden: handwerkers, straatventers, kleine ambtenaren, huurkoetsiers, portiers, allerhande huispersoneel meden de Voorlopige Regering met haar bureau’s en zochten een macht die dichterbij en beter te bereiken was. In steeds grotere getale kwamen afgezanten van de boeren naar het Taurisch paleis. De massa’s stroomden naar de Sovjets als naar een zegepoort van de revolutie. Alles wat buiten de Sovjets bleef, viel meteen af van de revolutie en leek tot een andere wereld te behoren. Zo was het ook: buiten de Sovjets bleef de wereld van de bezitters, waarin nu alle kleuren tot een mat-rose tint samenvloeiden.

Niet de gehele arbeidende klasse koos de Sovjets, niet iedereen werd meteen wakker, niet elke laag van de onderdrukten geloofde meteen dat de revolutie hen ook aanging. In het bewustzijn van velen leefde nog slechts zwakjes een vage hoop. Tot de Sovjets wendde zich alles wat actief was in de massa’s, en tijdens een revolutie overwint meer dan iets anders de activiteit. Aangezien de activiteit van de massa’s van dag tot dag groeide, verbreedde de basis van de Sovjets zich onafgebroken. Dit was ook de enige reële basis van de revolutie.

Er waren twee helften in het Taurisch paleis: Doema en Sovjet. Het Uitvoerend Comité verdrong zich oorspronkelijk binnen de muren van enkele enge bureau’s waardoor een onafgebroken stroom mensen vloeide. De Doema-afgevaardigden waren geneigd zich in hun pronkkamers als heren te voelen. Spoedig vaagde de revolutionaire vloedgolf echter alle belemmeringen weg. De Sovjet verbreedde zich ondanks de volslagen besluiteloosheid van zijn leiders onafgebroken, terwijl de Doema steeds meer op de achtergrond gedrongen werd. De nieuwe machtsverhouding brak zich alom baan.

De afgevaardigden in het Taurisch paleis, de officieren in hun regimenten, de commandanten in hun staven, de directeuren en administrateurs van de bedrijven, spoorwegen, telegraafkantoren, de grootgrondbezitters of rentmeesters op de landgoederen, allen voelden zich van de eerste dag van de revolutie af onder een vijandige en voortdurende controle van de massa’s. De Sovjet was in de ogen van deze massa de georganiseerde uitdrukking van hun wantrouwen tegen al degenen die haar onderdrukt hadden. De zetters onderzochten ijverig de tekst van artikelen die zij moesten zetten, de spoorwegarbeiders controleerden bezorgd en waakzaam de militaire treinen, de telegrafisten lazen op een nieuwe manier de telegrammen door, de soldaten keken elkaar bij iedere verdachte beweging van de officier aan, de arbeiders wierpen de als zwarte-honderd-man bekende opzichter uit het bedrijf en hielden een liberale directeur scherp in het oog. De Doema werd vanaf de eerste uren van de revolutie en evenzo de Voorlopige Regering vanaf de eerste dagen van haar bestaan tot een reservoir waarin de klachten en bezwaren van de bovenlagen van de maatschappij hun protesten tegen “excessen”, hun weemoedige beschouwingen en sombere voorgevoelens samenvloeiden.

“Zonder de bourgeoisie kunnen wij het staatsapparaat niet veroveren,” meende de socialistische kleinburger met een angstige blik op de regeringsgebouwen waaruit het skelet van de oude staat met holle oogkassen staarde. Men vond een uitweg doordat men op het door de revolutie onthoofde apparaat een liberaal hoofd zette. Nieuwe ministers begaven zich in de tsaristische ministeries, namen daar bezit van het apparaat van schrijfmachines, telefoons, koeriers, stenotypistes en beambten, en overtuigden er zich dagelijks van dat de molen voor niets maalde.

Kerenski herinnerde zich later hoe de Voorlopige Regering “op de derde dag van de Al-Russische anarchie de macht in handen nam toen er op de hele oppervlakte van het Russische land niet alleen geen enkele macht meer bestond, maar zelfs letterlijk geen enkele politieagent overgebleven was.” De Sovjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden die de miljoenenmassa’s leidden, telden niet mee: dat zijn immers maar anarchistische elementen. De verwaarlozing van het land wordt door het verdwijnen van de politieagent getekend. In de geloofsbelijdenis van de meest linkse minister ligt de sleutel tot de gehele politiek van de regering.

De posten van gouverneur werden, volgens een beschikking van vorst Lvov, door voorzitters van de gouvernementszemstvobesturen bezet, die zich niet bijzonder van hun voorgangers onderscheidden. Niet zelden waren het grootgrondbezitters in de trant van de oude heren van de lijfeigenen die zelfs in de gouverneurs jacobijnen zagen. Aan het hoofd van de districten kwamen de voorzitters van de districtszemstvobesturen. De bevolking herkende onder de nieuwe benaming van “commissarissen” haar oude vijanden. “Dezelfde oude popen, alleen maar onder hoogdravende namen,” zoals eens Milton van de angstvallige reformatie van de presbyterianen zei. De gouvernements- en districtscommissarissen maakten zich meester van de schrijfmachines, typistes en beambten van de gouverneurs en ispravniks, om tot de overtuiging te komen dat deze hun generlei macht hadden nagelaten. Het leven in de gouvernementen en in de districten concentreerde zich om de Sovjets. Op deze manier doordrong de dubbele heerschappij alles van onder tot boven. De plaatselijke Sovjetleiders, eveneens sociaal-revolutionairen en mensjewieken, waren echter toch eenvoudiger van geest en gaven de macht die hen vanzelf door de gehele situatie opgedrongen werd niet altijd prijs. De werkzaamheid van de commissarissen in de provincie bestond dientengevolge voornamelijk in het uiten van klachten over de volslagen onmogelijkheid om hun volmachten geldend te maken.

De bourgeoisie voelde op de dag na de vorming van de liberale regering dat zij de macht niet verkregen, maar integendeel verloren had. Bij een volkomen fantastische willekeur van de Raspoetinkliek tot aan de omwenteling was toch de werkelijke macht van deze slechts beperkt geweest. De invloed van de bourgeoisie op de staatszaken was enorm. Ook de deelname van Rusland aan de oorlog was in meerdere mate een zaak van de bourgeoisie dan van de monarchie. De hoofdzaak lag echter daarin dat de tsaristische macht aan de bezitters hun fabrieken, landerijen, banken, huizen en kranten gewaarborgd had en daarom in de voornaamste levenskwestie hun regering geweest was. De Februarirevolutie veranderde de toestand in tweëerlei opzicht. Zij overhandigde plechtig aan de bourgeoisie de uiterlijke attributen van de macht, maar ontnam haar tegelijkertijd dat deel van de werkelijke heerschappij die zij voor de revolutie had. De vroegere beambten van het Zemstvobestuur, waar vorst Lvov de baas was, en van het oorlogsindustriecomité, waar Goetsjkov commandeerde, werden nu onder de naam van sociaal-revolutionairen en mensjewieken meester van de toestand. In het land en aan het front, in de stad en in het dorp. Ze benoemden Lvov en Goetsjkov tot ministers en stelden daarbij voorwaarden alsof zij hen als knechten in dienst wilden nemen.

Anderzijds kon het Uitvoerend Comité, nadat het de burgerlijke regering in het zadel gelicht had, niet als een bijbelse God verkondigen dat de schepping voltooid was. Het haastte zich integendeel terstond de afstand tussen zichzelf en het werk van zijn hand te vergroten, doordat het verklaarde de nieuwe macht slechts in zoverre te willen ondersteunen als deze de democratische revolutie trouw zou dienen. De Voorlopige Regering was er zich volkomen van bewust dat zij zich zonder ondersteuning van de officiële democratie geen dag op de been zou kunnen houden. Deze ondersteuning was haar intussen alleen als loon voor een goed gedrag beloofd, d.w.z. voor het doorvoeren van doeleinden die haar vreemd waren en doeleinden die de democratie zelf juist niet had doorgevoerd. De regering wist nooit in hoeverre zij haar macht, die voor de helft smokkelwaar was, zou kunnen uitoefenen.  De leiders van het Uitvoerend Comité konden dit de regering niet altijd op voorhand zeggen, want ook zij hadden het moeilijk om in te schatten waarover er ongenoegen in hun eigen rangen zou bestaan als uitdrukking van het ongenoegen van de massa’s. De burgerij deed alsof de socialisten haar bedrogen. De socialisten van hun kant vreesden dat de liberalen met hun premature eisen de massa’s zouden aanstoken en de situatie die al moeilijk was nog complexer zouden maken. “In zoverre als” – deze dubbelzinnige formule drukte haar stempel op het gehele tijdvak voor oktober. Het werd de juridische formulering voor de innerlijke leugen die in het tweeslachtig regime van de Februarirevolutie vervat zat.

Om de druk op de regering op te voeren, verkoos het Uitvoerend Comité een speciale commissie die de beleefde, maar lachwekkende, naam ‘contactcommissie’ meekreeg. De organisatie van de revolutionaire macht was dus afhankelijk van het principe van wederzijdse overtuigingskracht. De bekende mystieke schrijver Meresjkovski kon enkel in het Oude Testament een precedent voor zo’n bewind vinden: de koningen van Israël hadden hun profeten. Maar de Bijbelse profeten kregen, net als de profeten van de laatste Romanov, tenminste hun suggesties recht vanuit de hemel waardoor de koning hen niet durfde tegen te spreken. Dit waarborgde de eenheid van de macht. Met de profeten van de Sovjet was het anders gesteld, zij predikten slechts onder ingeving van hun eigen benepenheid. De liberale ministers waren bovendien van mening dat er helemaal niets goeds van de Sovjet kon komen. Tsjcheïdse, Skobeljev, Soechanov en anderen gingen naar de regering en trachtten haar tot toegeven te bewegen, de ministers stribbelden tegen, de afgevaardigden keerden naar het Uitvoerend Comité terug, oefenden hier druk uit met behulp van de autoriteit van de regering, traden wederom in contact met de ministers en – begonnen weer van voor af aan. Deze ingewikkelde molen maalde niets.

In de contactcommissie beklaagde iedereen zich. Goetsjkov jammerde vooral tegenover de democraten over de chaos in het leger die veroorzaakt werd omdat men de Sovjet zijn gangen liet gaan. De minister van oorlog tijdens de revolutie “liet in de letterlijke zin heel wat tranen, of hij was alvast ijverig bezig zijn ogen te drogen met zijn zakdoek.” Hij dacht niet zonder reden dat het drogen van de tranen een van de functies van een profeet is.

Op de negende maart telegrafeerde generaal Alexejev, die de leiding had in het hoofdkwartier, aan de minister van oorlog: “Het Duitse juk is nabij indien wij nog verder aan de Sovjet toegeven.” Goetsjkov antwoordde op een huilerige toon: de regering beschikt helaas over geen enkele werkelijke macht; troepen, spoor, post, telegraaf zijn in handen van de Sovjet. “Men kan wel zeggen dat de Voorlopige Regering slechts bestaat zolang de Sovjet het gedoogt.”

De ene week na de andere verliep, maar de toestand verbeterde niet in het minst. Toen de Voorlopige Regering begin april Doema-afgevaardigden naar het front zond, beval ze hen tandenknarsend om geen meningsverschillen met de afgevaardigden van de Sovjet naar voor te brengen. Gedurende de hele reis voelden de liberale afgevaardigden het aan alsof ze onder konvooi stonden. Maar ze wisten ook dat ze, ondanks hun eerbiedwaardige geloofsbrieven, zonder dit konvooi niet alleen geen enkele soldaat konden aanspreken maar zelfs nog geen zitplaats op de trein zouden vinden. Dit prozaïsch detail uit de memoires van vorst Mansyrev vult voortreffelijk de briefwisseling van Goetsjkov met het hoofdkwartier over het wezen van de Februariconstitutie aan. Een reactionaire grappenmaker karakteriseerde de toestand niet ten onrechte als volgt: “De oude regering zit in de gevangenis, ik en de nieuwe staan onder huisarrest.”

Had de Voorlopige Regering dan geen andere steun dan de twijfelachtige hulp van de Sovjetleiders? Waar waren de bezittende klassen gebleven? Dit is een fundamentele vraag. De bezittende klassen, die uit hoofde van hun verleden met de monarchie verbonden waren, haastten zich na de omwenteling om zich te hergroeperen rond een nieuwe spil. De Raad voor industrie en handel, de vertegenwoordiging van het gezamenlijk kapitaal van het gehele land, had reeds op 2 maart het optreden van de Doema verwelkomd en verklaarde “volledig tot de beschikking” van het comité van de Doema te staan.

De Zemstvo’s en de stadsdoema’s sloegen dezelfde weg in. Op 10 maart riep zelfs de Raad van de verenigde adel, de steunpilaar van de troon, in pathetische maar laffe bewoordingen het gehele Russische volk op “zich te verenigen rond de Voorlopige Regering, als de enige wettelijke macht in Rusland.” Bijna tegelijkertijd begonnen de instellingen en organen van de bezittende klassen de dubbele heerschappij te bekritiseren en schoven, eerst schuchter dan steeds stoutmoediger, de verantwoordelijkheid voor de chaos op de Sovjets. Achter de heren volgden de hoogste ambtenaren, de liberale vrije beroepen, de staatsbeambten. Telegrammen, memoranda, en resoluties van dezelfde aard die in de generale staven gefabriceerd waren, kwamen vanuit het leger binnen. De liberale media openden een campagne “voor de eenheidsregering” die in de komende maanden het karakter van een trommelvuur tegen de Sovjetleiders aannam. Alles bijeen genomen zag het er erg indrukwekkend uit. Het grote aantal organisaties, bekende namen, resoluties, artikelen, de besliste toon. Dit alles miste zijn uitwerking op de ontvankelijke leiders van het Uitvoerend Comité niet.  En toch zat er geen werkelijke macht achter de dreigende parade van de bezittende klassen. “En de macht van het bezit dan?” vroegen de kleinburgerlijke socialisten aan de bolsjewieken. Bezit is een verhouding tussen mensen. Het vormt een reusachtige macht zolang het algemeen erkend blijft en ondersteund wordt door een dwangsysteem dat zich “wet en staat” noemt. Maar de essentie van de huidige situatie bestond er net uit dat de oude staat volkomen ineengestort was en de massa’s een vraagteken achter het gehele oude recht gezet hadden. In de fabrieken beschouwden de arbeiders zichzelf steeds meer als de eigenaars, de bazen daarentegen werden als een onwelkome gast gezien. De grootgrondbezitters voelden zich nog minder veilig, zij stonden tegenover de sombere, met haat vervulde boeren, ver verwijderd van de macht waarin de grootgrondbezitters als gevolg van de grote afstand aanvankelijk nog geloofden. De bezitters die beroofd waren van de mogelijkheid om over hun bezit te beschikken en zelfs om het te beschermen, hielden op bezitter te zijn en werden angsthazen die de regering niet konden steunen omdat ze zichzelf al moesten steunen. Ze begonnen spoedig de regering te vervloeken wegens haar zwakte, maar in feite vervloekten ze hun eigen lot.

De activiteiten van zowel het Uitvoerend Comité als de regering leken in die dagen tot doel te hebben om aan te tonen dat de kunst van het regeren in een tijd van revolutie bestaat uit zoveel mogelijk tijdverspilling. Bij de liberalen was dit bewuste berekening. Alle kwesties moesten volgens hun vaste overtuiging op de lange baan geschoven worden, behalve deze ene: de eed van trouw aan de Entente.

Miljoekov maakte zijn collega’s bekend met de geheime verdragen. Kerenski hoorde ze aan zonder iets te zeggen. Het schijnt dat slechts de opperprocureur van de Heilige Synode, de grillige Lvov die een neef van de premier maar zelf geen vorst was, heftig verontwaardigd was en de verdragen zelfs als “roofzuchtig en zwendelachtig” kwalificeerde, waarmee hij stellig bij Miljoekov een toegeeflijk lachje (“de kleinburger is dom”) uitgelokt zal hebben, waarna tot de orde van de dag werd overgegaan. De officiële regeringsverklaring beloofde de bijeenroeping van de Constituerende Vergadering binnen een zo kort mogelijke tijd, die echter opzettelijk niet bepaald werd. Er was in het geheel geen sprake van de staatsvorm. De regering hoopte nog het verloren paradijs van de monarchie te kunnen herstellen. De werkelijke betekems van de verklaring was echter gelegen in de verplichting de oorlog tot de uiteindelijke overwinning te blijven voeren en “vastberaden” de met de Geallieerden gesloten verdragen na te komen. Ten aanzien van het meest gevaarlijke probleem in het volksbestaan had de revolutie klaarblijkelijk slechts tot doel gehad om alles bij het oude te laten blijven. Daar de democraten aan de erkenning van de nieuwe regering door de Entente een bijna geheimzinnige betekenis hechtten – de kleinhandelaar is niets, zolang de bank hem niet als kredietwaardig beschouwt – slikte het Uitvoerend Comité stilzwijgend de imperialistische verklaring van 6 maart. “Geen enkel officieel orgaan van de democratie,” klaagde Soechanov een jaar later, …“reageerde openlijk op de daad van de Voorlopige Regering die onze revolutie in de ogen van het democratische Europa onmiddellijk bij haar geboorte bezoedeld heeft.”

Op de 8ste kwam eindelijk het decreet over de amnestie uit het ministers-laboratorium. Op dit tijdstip waren de deuren van de gevangenissen in heel het land reeds door het volk geopend, politieke bannelingen keerden terug in een stroom van vergaderingen, enthousiasme, militaire muziek, redevoeringen en bloemen. Het amnestiedecreet klonk als een late echo vanuit de regeringsbureau’s. Op de 12de werd de afschaffing van de doodstraf geproclameerd. Vier maanden later werd de doodstraf voor soldaten weer ingevoerd. Kerenski had beloofd de rechtspleging op een tot nu toe ongekende hoogte te brengen. In een verhit ogenblik voerde hij effectief een resolutie van het Uitvoerend Comité uit om vertegenwoordigers van de arbeiders en soldaten als leden van de vredegerechten toe te laten. Dit was de enige maatregel waarin men de polsslag van de revolutie voelde en die daarom bij alle eunuchen van de justitie ontzetting teweegbracht. Hiermee was het echter afgelopen. De advocaat Demjanov, die onder Kerenski een hoge post als minister bekleedde, eveneens een “socialist”, besloot naar eigen zeggen om zich aan het beginsel te houden dat alle voormalige beambten op hun post bleven. “De politiek van de revolutionaire regering mag niemand onnodig een haar krenken.” Dit was eigenlijk de gedragsregel van de gehele Voorlopige Regering die vooral bang was om ook maar iemand uit de heersende klassen, zelfs de tsaristische bureaucratie, een haar te krenken. Niet alleen de rechters, maar ook de advocaten van het tsarisme bleven op hun post. Het was zeker mogelijk dat de massa’s zich daardoor gekrenkt voelden. Maar dat ging enkel de Sovjets aan, de massa’s bleven buiten de gezichtskring van de regering.

Enkel de reeds genoemde temperamentvolle opperprocureur zorgde voor een zekere frisse wind. Hij bracht officieel verslag uit over de “idioten en schurken” die in de Heilige Synode zaten. De ministers luisterden gealarmeerd naar deze sappige omschrijvingen, maar de Synode bleef ondertussen een staatsinstelling en de Griekse Orthodoxie bleef de staatsgodsdienst. Zelfs de samenstelling van de Synode bleef ongewijzigd. Een revolutie moet het met niemand aan de stok krijgen!

De leden van de Raad van State, trouwe dienaars van twee of drie keizers, bleven zitting houden of behielden tenminste hun loon. Dit feit kreeg weldra symbolische betekenis. In de fabrieken en kazernes was er luid protest. Het Uitvoerend Comité maakte zich zorgen. De regering besteedde twee sessies aan de beraadslaging over het lot en het salaris van de leden van de Raad van State en kon tot geen besluit komen. Hoe zou men deze eerbiedwaardige mannen kunnen verontrusten,  temeer daar veel ministers goede vrienden hadden onder deze mannen?

De Raspoetinse ministers zaten nog in de gevangenis, maar de Voorlopige Regering haastte zich om hen een pensioen toe te kennen. Dit leek een hoon of een stem uit een andere wereld. De regering wilde het echter niet met haar voorgangers aan de stok krijgen, ook al had men deze in de gevangenis gezet.

De senatoren dommelden verder in hun geborduurde jassen, toen de nieuwe door Kerenski aangestelde linkse senator Sokolov het waagde om in een gewone zwarte jas op te dagen, werd hij rustig naar de uitgang begeleid. Deze tsaristische senatoren waren niet bang om de Februarirevolutie te beledigen nadat ze gemerkt hadden dat de regering van deze revolutie geen tanden had.

Marx zag de oorzaak voor de ineenstorting van de Maartrevolutie in Duitsland indertijd daarin gelegen dat deze “slechts wijziging bracht in de politieke toppen, terwijl zij alle lagen onder deze top onaangetast liet: de oude bureaucratie, het oude leger, de oude, in dienst van het absolutisme geboren, opgevoede en vergrijsde rechters.” De socialisten van het type Kerenski zochten redding in hetgeen Marx juist als de oorzaak van het falen beschouwde. De mensjewistische marxisten stonden aan de kant van Kerenski, niet die van Marx.

Het enige gebied waarop de regering initiatief en revolutionair tempo aan de dag legde, was de wetgeving op de aandelenhandel: een wijzigingsdecreet werd reeds op 17 maart uitgevaardigd. Beperkingen betreffende nationaliteit en geloof werden pas drie dagen later afgeschaft. Er waren niet weinig personen in de regering, die als ze al onder het oude regime geleden hadden, enkel onder het gebrek aan handel in aandelen leden. De arbeiders eisten ongeduldig de achturendag. De regering hield zich doof aan beide oren. Het was nu toch immers oorlog, iedereen moest zich voor het welzijn van het land opofferen. Bovendien was dit een zaak van de Sovjet: deze moest de arbeiders kalmeren.

Nog gevaarlijker was het met de kwestie van het grondbezit gesteld. Hier moest absoluut iets gedaan worden. De minister van landbouw, Sjingarev, beval op aansporing van de profeten de oprichting van plaatselijke landcomités, voorzichtigheidshalve zonder de functies en de taak ervan te omschrijven. De boeren dachten dat de comités hen land moesten geven. De grootgrondbezitters waren van mening dat de comités het bezit moesten beschermen. Zo werd de boerenstrop van meet af aan om de hals van het Februariregime aangetrokken, onverbiddelijker dan alle andere.

In overeenstemming met de officiële leer werden alle kwesties die de revolutie opgeworpen had, uitgesteld tot aan de Grondwetgevende Vergadering. Hoe kon immers verwacht worden van deze onberispelijke democraten dat ze de volkswil zouden tegemoet komen, nadat het hen – helaas – niet gelukt was om Michael Romanov aan boord te houden? De voorbereidende maatregelen voor de toekomstige volksvertegenwoordiging werden intussen met een zo bureaucratische degelijkheid en berekenend talmen getroffen dat de Grondwetgevende Vergadering slechts een schim werd. Pas op 25 maart, bijna een maand na de omwenteling – een maand van revolutie! – gelastte de regering de vorming van een langzaam werkende bijzondere commissie tot uitwerking van een kieswet. Deze trad echter niet in werking. In zijn door en door onware “Geschiedenis van de Revolutie” deelt Miljoekov schuchter mee dat de bijzondere commissie omwille van verschillende vertragingen onder de eerste regering haar werk niet kon aanvatten. De vertragingen behoorden tot het wezen van de commissie en tot haar plichten. Haar taak bestond erin de Grondwetgevende Vergadering uit te stellen tot betere tijden, tot de overwinning, tot de vrede of tot de Kornilovse kalender.

De Russische bourgeoisie die te laat op de wereld gekomen was, had een bloedhekel aan de revolutie. Haar haat ontbeerde echter kracht. Het was zaak af te wachten en te manoeuvreren. De bourgeoisie hoopte de revolutie af te matten, daar het haar niet mogelijk was haar neer te slaan en te verstikken.

De paradox van de Februarirevolutie

De opstand triomfeerde. Maar aan wie gaf zij de aan de monarchie ontnomen macht? Hier komen we tot het centrale probleem van de Februari-omwenteling: hoe en waarom geraakte de macht in handen van de liberale burgerij?

De Doemakringen en de burgerlijke “wereld” hechtten totaal geen belang aan de op 23 februari begonnen onlusten. De liberale afgevaardigden en de vaderlandslievende journalisten kwamen zoals altijd in de salons bijeen, discussieerden over Triëst en Fiume en legden steeds weer de nadruk op de betekenis van de Dardanellen voor Rusland. Terwijl het decreet over de ontbinding van de Doema reeds ondertekend was, beraadslaagde de Doemacommissie nog altijd ernstig over de kwestie van de overdracht van de voedselvoorziening aan het stedelijk bestuur. Minder dan twaalf uren voor de opstand van de gardebataljons hoorde de “Vereniging van de Slavische gemeenschap” rustig het jaarverslag aan. “Pas toen ik uit deze vergadering te voet naar huis terugkeerde,” vermeldt een van de afgevaardigden, “werd ik verrast door een onbehaaglijke stilte en leegte in de anders zo levendige straten.” Een onbehaaglijke leegte vormde zich om de vroegere heersende klassen en beklemde ook reeds het hart van hun toekomstige opvolgers.

Op de 26ste werd zowel voor de regering als voor de liberalen de ernst van de beweging duidelijk. Op die dag werden tussen ministers en Doemaleden onderhandelingen gevoerd over een overeenkomst, waarvan de sluier ook later nooit door de liberalen opgelicht is. Protopopow verklaarde bij zijn verhoor dat de leiders van het Doemablok net zoals voorheen de benoeming eisten van een nieuw kabinet samengesteld uit mensen die het vertrouwen van het volk genoten. “Deze maatregel zou het volk misschien kalmeren.” Zoals we weten, bracht 26 februari echter een zekere stagnatie in de ontwikkeling van de revolutie. De regering voelde zich korte tijd sterker. Toen Rodsjanko bij Golizyn verscheen om hem tot aftreden te bewegen, wees de premier tot antwoord op een op tafel liggende map die het reeds opgesteld decreet over de Doemaontbinding bevatte, met de ondertekening van Nicolaas maar zonder datum. De datum werd door Golizyn ingevuld. Hoe kon de regering op het moment van toenemende revolutionaire druk tot zulk een stap besluiten? Hierover had zich bij de regerende bureaucratie reeds lang een vaste opinie gevormd: “Of wij een blok vormen of niet, voor de arbeidersbeweging maakt dat niets uit. We kunnen die beweging met andere middelen de baas blijven en totnutoe heeft het ministerie van binnenlandse zaken dit steeds klaargespeeld.” Zo sprak Goremykin reeds in augustus 1915. Anderzijds rekende de bureaucratie er op dat de Doema in geval van ontbinding niet tot stoutmoedige stappen zou besluiten. De minister van binnenlandse zaken, vorst Tstsjerbatov, zei ook al in augustus 1914 toen een ontbinding van de ontevreden Doema overwogen werd: “De Doemaleden zullen wel niet tot openlijke ongehoorzaamheid besluiten. Zij zijn immers voor het merendeel lafaards die bang zijn voor hun hachje.” De vorst drukte zich niet erg kieskeurig uit, maar het bleek wel correct te zijn. De bureaucratie voelde derhalve in de strijd tegen de liberale oppositie voldoende vaste grond onder de voeten.

De 27ste ’s morgens kwamen de door de snel op elkaar volgende gebeurtenissen verontruste afgevaardigden tot de reeds afgezegde zitting bijeen. Het merendeel vernam hier pas dat de Doema ontbonden was. Dit was te meer onverwacht gekomen daar er de vorige avond nog vredesonderhandelingen gevoerd waren. “Niettemin,” schrijft Rodsjanko met trots, “onderwierp de Doema zich aan de wet, nog altijd hopend een uitweg uit de verwarde situatie te vinden. Zij nam geen enkel besluit over de vraag of zij uit elkaar zou gaan of met geweld tot een zitting bijeen zou komen.” De afgevaardigden kwamen bijeen voor een officieuze vergadering waarin zij aan elkaar hun onmacht verklaarden. De gematigde liberaal Sjidlovski herinnerde later niet zonder leedvermaak aan het door de linkse kadet Nekrassow, de latere strijdmakker van Kerenski, ingediende voorstel: “Instelling van een militaire dictatuur door overdracht van de gehele macht aan een populaire generaal.” Intussen deden de voornaamste leiders van het vooruitstrevend blok, die bij de officieuze bijeenkomst van de Doema ontbraken, een daadwerkelijke poging tot redding. Zij deden de naar Petrograd geroepen grootvorst Michael het voorstel om de dictatuur op zich te nemen, de ministerraad tot aftreden te dwingen en van de tsaar over de directe leiding heen de “genadige” benoeming van een verantwoordelijk kabinet te eisen. Terwijl de eerste garderegimenten in opstand kwamen, ondernamen de leiders van de liberale burgerij een laatste poging om met hulp van de dynastieke dictatuur de opstand te onderdrukken en tegelijk op de kap van de revolutie een overeenkomst met de monarchie te sluiten. “De besluiteloosheid van de grootvorst,” zo klaagt Rodsjanko, “droeg ertoe bij dat men het gunstige moment liet voorbij gaan.”

De partijloze socialist Soechanov, die in die tijd een politieke rol in het Taurisch paleis begon te spelen, getuigt ervan hoe licht de radicale intellectuelen geloofden waar ze zelf op hoopten. “Men deelde mij het meest frappante politieke nieuwtje uit de morgenuren van deze onvergetelijke dag mee,” vertelt hij in zijn uitvoerige memoires, “namelijk dat het decreet over de Doemaontbinding gepubliceerd was en dat de Doema dit met een weigering om uit elkaar te gaan beantwoordde en een voorlopig comité gekozen had.” Dit schrijft een man die het Taurisch paleis bijna niet verlaten heeft en daar de bekende afgevaardigden in zijn onmiddellijke nabijheid had. Evenals Rodsjanko verklaart Miljoekov in zijn “Geschiedenis van de Revolutie” categorisch: “Na een aantal hartstochtelijke redevoeringen werd daar besloten niet uit Petrograd weg te reizen, doch in geen geval is het besluit genomen dat de Rijksdoema als instelling uit elkaar zou mogen gaan, zoals de ontstane legende luidt.” “Niet uit elkaar gaan” zou betekend hebben: dan toch enig, zij het laattijdig, initiatief nemen. “Niet afreizen” betekende: de handen in onschuld wassen en afwachten welke loop de gebeurtenissen zouden nemen. Er zijn voor het goede vertrouwen van Soechanov zeker verzachtende omstandigheden. Het gerucht dat de Doema het revolutionair besluit genomen had om zich tegen het decreet van de tsaar te verzetten, werd haastig door de Doemajournalisten verspreid per bulletin, dat in die tijd tengevolge van de staking de enige wijze van publicatie was. Daar de opstand in de loop van de dag gezegevierd had, haastten de afgevaardigden zich geenszins om het misverstand uit de weg te ruimen, maar ondersteunden de illusies van hun linkse vrienden: pas in de emigratie gingen zij ertoe over de waarheid vast te stellen. Een schijnbaar bijkomstig maar uiterst belangrijk voorval. De revolutionaire rol van de Doema op 27 februari was een mythe die voortkwam uit de politieke lichtgelovigheid van de radicale intellectuelen die door de revolutie tegelijk verblijd en verschrikt waren en die niet geloofden in de bekwaamheid van de massa’s om de zaak goed tot een goed einde te brengen, en er dan maar op uit waren zo snel mogelijk aansluiting bij de grootbourgeoisie te zoeken.

In de memoires van de afgevaardigden die tot de meerderheid in de Doema behoorden, is gelukkig een bericht behouden gebleven over hoe de Doema zich tegenover de revolutie gedroeg. Volgens het relaas van vorst Mansyrew, een rechtse kadet, bevonden zich onder de afgevaardigden die op de 27ste in grote getale bijeen gekomen waren geen leden van het presidium, partijleiders of leiders van het vooruitstrevend blok. Zij waren reeds van de ontbinding van de Doema en van de opstand op de hoogte. Ze gaven er de voorkeur aan zich zo lang mogelijk schuil te houden, terwijl zij bovendien klaarblijkelijk juist in deze uren onderhandelingen met grootvorst Michael over de dictatuur voerden. “In de Doema heerste algemene verwarring en radeloosheid,” zegt Mansyrew. “Zelfs de opgewonden debatten verstomden; in plaats daarvan vernam men slechts zuchten en korte replieken zoals: “Het is ver gekomen,” of ook wel openlijke bekentenissen van angst.” Zo meldt een gematigde afgevaardigde die luider dan alle anderen gezucht heeft. Reeds na een uur, toen de leiders gedwongen waren in de Doema te verschijnen, bracht de secretaris van het presidium het verheugende maar ongemotiveerde bericht: “De onlusten zullen spoedig onderdrukt zijn, er zijn maatregelen genomen.” Het is mogelijk dat met die maatregelen de onderhandelingen over de dictatuur bedoeld werden.

Maar de Doema is terneergeslagen en wacht op het verlossend woord van de leider van het vooruitstrevend blok. “Wij kunnen momenteel hierom alleen al geen beslissingen nemen,” verklaarde Miljoekov, “omdat de omvang van de onlusten ons evenmin bekend is als het feit aan wiens zijde het merendeel van de Peterburgse troepen, van de arbeiders en van de openbare instellingen staat. Men moet nauwkeurige inlichtingen over dit alles verkrijgen en dan pas de toestand bespreken; nu is het voorbarig.” Om twee uur in de middag van de 27ste februari is het voor het liberalisme nog altijd “voorbarig”! “Inlichtingen inwinnen,” betekende zich de handen in onschuld wassen en de afloop van de strijd afwachten. Miljoekov had echter zijn rede nog niet beëindigd, die hij overigens begonnen was om nergens mee te eindigen, toen Kerenski hoogst opgewonden de zaal binnenstormde. “Reusachtige volks- en soldatenmassa’s trekken naar het Taurisch paleis,” verkondigde hij, “zij willen aan de Doema de eis stellen de macht over te nemen!…” De radicale afgevaardigde weet precies wat de reusachtige volksmassa’s eisen. In werkelijkheid is hij het zelf, Kerenski, die vooral verlangt dat de Doema, die in stilte nog altijd op een onderdrukking van de opstand hoopt, de macht overneemt. De mededeling van Kerenski brengt “algemene verbazing en radeloze blikken” teweeg. Hij is echter nog niet uitgesproken als een in doodsangst binnenstormende suppoost van de Doema hem onderbreekt. De voorste rijen soldaten stonden reeds voor het paleis, de wacht bij de ingang had hen de toegang geweigerd, de commandant van de wacht was zwaar gewond. Een minuut later blijkt dat de soldaten reeds in het paleis zijn. Later zal men in redevoeringen en artikelen vertellen dat de soldaten gekomen waren om de Doema te begroeten en in haar handen de eed af te leggen. Momenteel verkeert echter alles in een dodelijke paniek. Het water staat tot aan de lippen. De leiders fluisteren met elkaar. Men moet tijd winnen. Inderhaast doet Rodsjanko het hem ingefluisterd voorstel een Voorlopig Comité te kiezen. Bijval. Iedereen zou zich echter liever zo snel mogelijk uit de voeten maken; hun hoofden staan niet naar verkiezingen. De niet minder dan de anderen verschrikte voorzitter stelt voor de Raad der Ouden met de samenstelling van het comité te belasten. Wederom bijvalsbetuigingen van enkele nog in de zaal achtergeblevenen, het merendeel is reeds verdwenen. Dit was de eerste reactie van de door de tsaar ontbonden Doema op de zegepraal van de opstand.

Intussen schiep de revolutie in hetzelfde gebouw, maar in zijn minder prachtvol gedeelte, een ander orgaan. De revolutionaire leiders behoefden dit niet te bedenken. De ervaring van de Sovjets van 1905 had het voor altijd in het bewustzijn van de arbeiders gegrift. Bij iedere opleving van de beweging, zelfs in de oorlog, leefde bijna automatisch de Sovjetidee op. En ofschoon de opvatting van de rol van de Sovjets bij bolsjewieken en mensjewieken volkomen verschillend was – de sociaal-revolutionairen hadden in het algemeen geen vast standpunt – was het alsof de organisatievorm zelf buiten discussie stond. De uit de gevangenis bevrijde mensjewieken, de leden van het oorlogsindustriecomité, kwamen in het Taurisch paleis samen met de leiders van de vakverenigingen en van de coöperaties van dezelfde rechtervleugel, alsook met de mensjewistische Doema-afgevaardigden Tsjcheïdse en Skobeljew, en vormden op staande voet een voorlopig uitvoerend comité van de Sovjet van arbeidersafgevaardigden, dat in de loop van de dag voornamelijk met gewezen revolutionairen aangevuld werd, die weliswaar het contact met de massa’s verloren maar toch een “naam” behouden hadden. Het uitvoerend comité, dat ook bolsjewieken in zich opnam, riep de arbeiders op onverwijld afgevaardigden te kiezen. De eerste zitting was ’s avonds in het Taurisch paleis belegd. Zij vond inderdaad om negen uur ’s avonds plaats; zij keurde de samenstelling van het uitvoerend comité goed en vulde dit aan met officiële vertegenwoordigers van alle socialistische partijen. Niet hierin was echter de betekenis van de eerste bijeenkomst van de afgevaardigden van het overwinnend proletariaat van de hoofdstad gelegen. Gedelegeerden van de opstandige regimenten traden in de zitting met begroetingsredevoeringen op. Onder hen waren ook de grauwe soldaten die eveneens door de revolutie gekneusd waren en die nog nauwelijks konden praten. Maar zij vonden juist woorden die geen enkele volksredenaar had kunnen vinden. Dit was één van de meest aangrijpende tonelen van de revolutie die nu haar kracht begon te voelen. De enorm grote ontwaakte massa, de grootsheid van haar taak, de trots over de behaalde successen, de jubelende schroom voor de dag van morgen die nog heerlijker zou moeten worden dan die van heden. De revolutie mist nog haar ritueel, de straat ligt nog in rook, de massa’s kennen de nieuwe liederen nog niet, de zitting verloopt nog in wanorde, zonder vaste banen als een rivier bij hoog water, de Sovjet struikelt over zijn eigen enthousiasme. De revolutie is reeds machtig, maar nog kinderlijk naïef.

In deze eerste zitting wordt besloten het garnizoen en de arbeiders tot een gemeenschappelijke Sovjet van arbeiders- en soldatenafgevaardigden te verenigen. Wie stelde dit het eerst voor? Het zal van verschillende, of liever gezegd, van alle kanten gekomen zijn als weerklank op de verbroedering tussen arbeiders en soldaten, die op deze dag voor het lot van de revolutie beslissend geweest is. Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat volgens de woorden van Sjljapnikov de sociaalpatriotten aanvankelijk tegen het betrekken van het leger in de politiek geprotesteerd hadden. Vanaf het ogenblik van haar ontstaan, begint de Sovjet in de vorm van het uitvoerend comité als regeermacht te handelen. Zij kiest een voorlopige commissie voor de voedselvoorziening en draagt aan deze de verzorging van de opstandelingen en van het garnizoen in het algemeen op. Zij stelt zich een voorlopige revolutionaire staf ter zijde – alles heet in deze dagen voorlopig – waarover wij reeds gesproken hebben. De Sovjet besluit staatsbank, rijksschatkist, munt en agentschappen voor de uitgifte van staatspapieren terstond door revolutionnaire wachtposten te bezetten om de geldmiddelen aan de beschikking van de ambtenaren van de oude regering te onttrekken. De taak en de functies van de Sovjet groeien onder de druk van de massa’s voortdurend. De revolutie krijgt haar onbetwist centrum. De arbeiders, soldaten en weldra ook de boeren zullen zich van nu af aan alleen nog maar tot de Sovjet wenden – zij wordt in hun ogen het centrum van alle verwachtingen en van alle gezag, de belichaming van de revolutie zelf. Maar ook vertegenwoordigers van de bezittende klassen zullen, hoewel tandenknarsend, bij de Sovjet bescherming, aanwijzingen en een beslissing bij conflicten zoeken.

Reeds in de eerste uren van de overwinning, toen de nieuwe revolutionaire macht zich met fabelachtige snelheid en onoverwinnelijke kracht vormde, keken die socialisten die aan het hoofd van de Sovjet gekomen waren, bezorgd om zich heen, op zoek naar de echte “meester”. Zij beschouwden het als vanzelfsprekend dat de macht zou overgaan op de burgerij. Hier is het belangrijkste politieke knooppunt van het nieuwe regime. Een van de draden leidt naar het uitvoerend comité van de arbeiders en soldaten, de andere naar het centrum van de burgerlijke partijen.

Om drie uur ’s middags, toen de overwinning in de hoofdstad reeds vaststond, koos de Raad der Ouden uit de partijen van het vooruitstrevend blok met inbegrip van Tsjcheïdse en Kerenski het “Voorlopig Comité van leden van de Doema.” Tsjcheïdse bedankte, Kerenski draaide en keerde zich om. De naam van het comité duidde voorzichtigheidshalve aan dat het niet om een officieel orgaan van de Rijksdoema ging, maar om een officieus orgaan van de Doemaleden ter beraadslaging. De leiders van het vooruitstrevend blok hadden maar één vraag volkomen doordacht: hoe zich van verantwoordelijkheid af te maken zonder zich de handen te binden? De taak van het comité was angstvallig tweeslachtig geformuleerd: herstel van de orde en contact met lichamen en personen. Geen woord erover welke orde de heren dachten te herstellen en met welke lichamen zij contact dachten te hebben. Zij strekten de hand nog niet openlijk naar de huid van de beer uit: wat als hij nog niet helemaal dood, maar alleen zwaar gewond zou zijn? Pas om elf uur in de avond van de 27ste februari, pas toen – volgens de verklaring van Miljoekov – de gehele omvang van de revolutionaire beweging te zien was, besloot het voorlopig comité een verdere stap te gaan en de macht die de regering ontvallen was, in handen te nemen. Ongemerkt veranderde het nieuwe orgaan van een comité van Doemaleden tot een comité van de Doema. Er is geen beter middel om staatsrechtelijke successen te verzekeren dan vervalsing. Miljoekov verzwijgt echter de hoofdzaak: de leiders van het in de loop van de dag gevormd Uitvoerend Comité hadden reeds tijd gevonden zich naar het Voorlopig Comité te begeven en dit dringend te verzoeken de macht over te nemen. Deze vriendschappelijke aanmoediging miste haar uitwerking niet. Naderhand verklaarde Miljoekov het besluit van het Doemacomité daaruit dat de regering zich klaarblijkelijk opmaakte om betrouwbare troepen tegen de opstandelingen te dirigeren en dat “het in de straten van de hoofdstad tot zware veldslagen dreigde te komen.” In werkelijkheid beschikte de regering reeds in het geheel niet meer over troepen, de omwenteling was reeds voltrokken. Rodsjanko schreef later: “De Doema zou, indien zij de overname van de macht had geweigerd, in haar geheel door de muitende troepen gearresteerd en vermoord zijn en de macht zou terstond op de bolsjewieken zijn overgegaan.” Dit is natuurlijk onzinnig overdreven, volkomen in de geest van de achtbare kamerheer, maar toch wordt de stemming van de Doema die de overgave van de macht als een politieke verkrachting voelde er juist door weergegeven.

In deze stemming was het niet gemakkelijk tot een besluit te komen. Rodsjanko aarzelde sterk, hij die altijd maar weer de anderen uithoorde: “Wat zal het zijn – oproer of geen oproer?” De monarchistische afgevaardigde Sjoelgin antwoordde hem volgens zijn eigen woorden: “Er is in het geheel geen oproer. Blijf kalm als trouw onderdaan. Indien de ministers er vandoor gegaan zijn, moeten zij toch door iemand vervangen worden… Er zijn twee uitwegen mogelijk: alles zal zich ten goede keren, de keizer zal een nieuwe regering benoemen en wij zullen hem de macht teruggeven. Indien alles zich echter ten kwade keert, zullen als wij de macht niet nemen, anderen deze grijpen, namelijk zij die reeds een aantal schurken in de fabrieken gekozen hebben…” Men moet zich niet ergeren aan het geschimp van de reactionaire gentleman tegen de arbeiders: de revolutie heeft deze heren flink de les gelezen. De moraal is duidelijk: overwint de monarchie, dan zullen wij aan haar kant staan – overwint de revolutie, dan zullen wij alle moeite doen om haar afbreuk te doen.

De beraadslaging duurde lang. De democratische leiders wachtten opgewonden op het besluit. Eindelijk trad Miljoekov uit de kamer van Rodsjanko. Hij zag er stralend uit. Terwijl hij op de Sovjetdelegatie toetrad, deelde hij mee: “Het besluit is genomen, wij nemen de macht over…” “Ik vroeg niet, wie is dat – wij,” schrijft Soechanov vol geestdrift, “ik vroeg niets meer. Maar ik besefte om zo te zeggen ten volle de nieuwe toestand. Ik voelde hoe het schip van de revolutie, ten prooi aan de elementen, door de winden heen en weer geslingerd, nu zijn zeil hees en in de vreselijke storm weerstandskracht en stuur herkreeg.” Welk een opgeschroefde vorm voor de prozaïsche bekentenis van slaafse afhankelijkheid van de kleinburgerlijke democratie van het kapitalistisch liberalisme! En welk een misdadige miskenning van de politieke vooruitzichten: het overgeven van de macht aan de liberalen zal niet slechts geen weerstandskracht aan het schip van staat verlenen, maar het wordt integendeel van meet af aan een bron van machteloosheid van de revolutie, van de grootste chaos, van de verbittering van de massa’s, van het ineenstorten van het front en later van de grootste verbittering van de burgeroorlog.

Indien men naar vroeger eeuwen kijkt, lijkt het feit van de machtsovername door de burgerij wetmatig. In alle vroegere revoluties streden op de barricades arbeiders, handwerkslui, gedeeltelijk ook studenten, soldaten gingen tot haar over, doch de macht trok dan de degelijke burgerij aan zich, nadat die met inachtneming van zo groot mogelijke voorzichtigheid de barricadegevechten vanuit haar vensters gevolgd had. De Februarirevolutie van 1917 onderscheidt zich echter van alle vroegere revoluties door een sterk sociaal karakter en een hoog politiek peil van de revolutionaire klasse, door het vijandig wantrouwen van de opstandelingen tegen de liberale bourgeoisie, tengevolge waarvan op het moment van de overwinning een nieuw revolutionair machtsorgaan ontstond: de Sovjet die steunde op het gewapend geweld van de massa’s. De overgang van de macht in handen van de politiek geïsoleerde en ongewapende burgerij behoeft daarom nadere verklaring.

Eerst en vooral moet dieper ingegaan worden op de machtsverhouding die als gevolg van de omwenteling was ontstaan. Was de Sovjetdemocratie misschien door de objectieve omstandigheden gedwongen om van de macht af te zien ten gunste van de grootbourgeoisie? De bourgeoisie zelf was niet deze mening toegedaan. Wij weten reeds dat zij niet alleen van de revolutie niet de macht verwacht had, maar integendeel haar als een dodelijk gevaar voor haar eigen maatschappelijke positie beschouwde. “De gematigde partijen hebben de revolutie niet alleen niet gewild,” schreef Rodsjanko, “zij hebben haar eenvoudig gevreesd.” In het bijzonder was de partij van de volksvrijheid (kadetten), die op de linkervleugel van de gematigde groepen stond en de meeste aanrakingspunten met de revolutionaire partijen in het land had, meer dan alle andere door de naderende catastrofe verontrust. De ervaring van 1905 had de liberalen genoeg geleerd dat de overwinning van de arbeiders en boeren voor de bourgeoisie niet minder gevaarlijk zou kunnen blijken te zijn dan voor de monarchie. Men zou menen dat de loop van de Februari-opstand dit slechts had kunnen bevestigen. Hoe verward in vele opzichten de politieke ideeen van de revolutionaire massa’s in die dagen ook waren, zo was toch de scheidingslijn tussen de arbeiders en de bourgeoisie scherp getrokken.

De dicht bij de liberale kringen staande privaatdocent Stankevitsj, die geen vijand maar een vriend van het vooruitstrevend blok was, karakteriseerde de stemming in de liberale krjngen op de tweede dag na de omwenteling die zij niet hadden kunnen verhinderen. “Officieel vierde en roemde men de revolutie, riep de vrijheidsstrijders “hoera” toe, tooide zich met rode linten en marcheerde onder rode banieren… Maar in zijn binnenste, in gesprekken met elkaar was men ontzet, geschokt, voelde men zich overgeleverd aan een vijandelijk element dat in onbekende richting ging. Onvergetelijk blijft de figuur van Rodsjanko, deze dikke en voorname heer, toen hij, zijn waardigheid ophoudend, maar met een verstarde uitdrukking van ernstig lijden en vertwijfeling op zijn bleek gezicht, in de gangen van het Taurisch paleis door de massa’s uitgelaten soldaten liep. Officieel heette het: de soldaten zijn gekomen om de Doema in haar strijd tegen de regering te ondersteunen, maar feitelijk had de Doema vanaf de eerste dag afgedaan. Dezelfde uitdrukking stond op de gezichten van alle leden van het Voorlopig Doemacomité en van die kringen die hen omgaven. Men zegt dat vertegenwoordigers van het vooruitstrevend blok thuis hysterisch huilden van machteloze vertwijfeling.” Deze levendige getuigenis is waardevoller dan alle sociologische onderzoekingen over de machtsverhouding. Volgens zijn eigen verklaring huiverde Rodsjanko van machteloze woede bij het aanschouwen hoe willekeurige soldaten, “onbekend op wiens bevel,” arrestaties van waardigheidsbekleders van het oude regime verrichtten en deze in de Doema brachten. De kamerheer kreeg de rol van gevangenisdirecteur tegenover mensen met wie hij weliswaar enkele meningsverschillen had, doch die voor hem toch altijd mensen van zijn eigen kring bleven. De door deze “willekeur” onthutste Rodsjanko nodigde de gevangengenomen Sjtsjeglovitov in zijn werkkamer uit, maar de soldaten weigerden beslist de gehate waardigheidsbekleder uit te leveren. “Toen ik mijn gezag trachtte te doen gelden,” vertelt Rodsjanko, “vormden de soldaten een kring om hun gevangene en wezen met een uitdagend, brutaal gezicht op hun geweren; daarna werd Sjtsjeglovitov zonder meer weggevoerd.” Is er een betere bevestiging van de woorden van Stankevitsj denkbaar, volgens wie de regimenten die zogenaamd tot ondersteuning van de Doema gekomen waren, deze in werkelijkheid uit de weg ruimden?

De Doemaleden konden minder dan wie ook eraan twijfelen dat de macht van het begin af aan bij de Sovjet berustte. De Oktobristenafgevaardigde Sjidlovski, een van de leiders van het progressieve blok, schrijft in zijn memoires: “Door de Sovjet werden alle post- en telegraafkantoren, het radiostation, alle Peterburgse stations, alle drukkerijen bezet, zodat men zonder hun toestemming noch een telegram kon afzenden, noch uit Petrograd wegreizen, noch een oproep drukken.” Deze duidelijke omschrijving van de machtsverhouding behoeft slechts in een opzicht verbetering: de verovering van de post- en telegraafkantoren, spoorwegen, drukkerijen enz. door de Sovjets betekent slechts dat de arbeiders en beambten van deze bedrijven zich aan niemand anders dan aan de Sovjet wilden onderwerpen. De klacht van Sjidlovski wordt op de beste wijze geïllustreerd door een voorval dat zich tijdens de onderhandelingen over de regering afspeelde waarbij de leiders van de Sovjet en de Doema met elkaar discussieerden. De gemeenschappelijke zitting werd onderbroken door de dringende mededeling dat Rodsjanko een telefoongesprek vanuit Pskov moest beantwoorden, de tsaar bevond zich daar na zijn dwaaltochten op de spoorbanen. De almachtige Doemavoorzitter verklaarde dat hij niet alleen naar het telegraafkantoor wilde rijden. “De heren arbeiders- en soldatenafgevaardigden moeten mij een geleide meegeven of met mij meerijden, anders zal men mij daar in het telegraafkantoor gevangen nemen…” “Nu ja! Jullie hebben de macht en het geweld,” ging hij opgewonden voort, “jullie kunnen mij natuurlijk laten arresteren… Wellicht zullen jullie ons allemaal laten arresteren, wij weten het niet…!” Dit voorval gebeurde op 1 maart, nog geen 48 uur nadat het Voorlopig Comité dat door Rodsjanko geleid werd, de macht had “overgenomen.”

Maar hoe kwamen de liberalen dan toch onder deze omstandigheden aan de macht? Wie – en wat – had hen gemachtigd een regering te vormen als resultaat van de revolutie die zij geducht, die zij tegengewerkt en die zij getracht hadden te onderdrukken, die revolutie die door vijandige massa’s uitgevoerd was en wel met zo’n vastberadenheid en vermetelheid dat de Sovjet van de arbeiders en soldaten, die uit de opstand voortkwam, natuurlijk en onbetwist meester van de toestand leek?

Laten wij nu de andere partij eens aanhoren, die welke de macht uit handen gegeven heeft. “Het volk was geenszins op de hand van de Doema,” schrijft Soechanov over de februaridagen. “Het interesseerde zich niet voor haar en dacht er niet aan haar – politiek of technisch – tot centrum van de beweging te maken.” Deze erkenning is des te merkwaardiger omdat haar auteur in de eerstvolgende uren al zijn krachten zal aanwenden om de macht over te geven aan het comité van de Rijksdoema. “Miljoekov begreep zeer goed,” zegt Soechanov verder over de onderhandelingen van de 1ste maart, “dat het volkomen in de macht van het uitvoerend comité stond aan de regering van de grootbourgeoisie de macht over te dragen of deze niet aan haar over te dragen.” Kan men zich categorischer uitdrukken? Kan een politieke situatie duidelijker gekenschetst zijn? En toch verklaart Soechanov in volkomen tegenspraak met de situatie en met zichzelf: “Een macht die het tsarisme vervangt, kan slechts een burgerlijke macht zijn… Op deze oplossing moet men blijven aansturen. Anders zal de omwenteling mislukken en de revolutie te gronde gaan.” De revolutie zal te gronde gaan – zonder Rodsjanko!

Het probleem van de reële verhouding tussen de sociale krachten wordt hier door een vooropgezet schema en een uitgedachte terminologie vervangen: dit is juist de kern van het intellectuele doctrinarisme. En wij zullen later zien dat dit doctrinarisme geenszins platonisch was: het vervulde een volkomen reële politieke functie, hoezeer ook geblinddoekt.

Wij hebben niet toevallig Soechanov geciteerd. In deze eerste periode was de drijvende kracht van het uitvoerend comité niet diens voorzitter, Tsjcheïdse, een eerlijk en bekrompen provinciaal, maar veeleer Soechanov, iemand die in het algemeen gezegd het minst geschikt was als revolutionair leider. Half narodnik, half marxist, veeleer een nauwgezet waarnemer dan een politicus, meer journalist dan revolutionair, meer prater dan journalist, was hij slechts in staat zich zo lang aan een revolutionaire opvatting te houden tot het er op aan kwam deze in de daad om te zetten. Als passief internationalist gedurende de oorlog besliste hij de eerste dag van de revolutie reeds dat men zo snel mogelijk de macht en de oorlog naar de burgerij moest doorschuiven. In het theoretisch, d.w.z. meer naar zijn eigen behoeften dan naar zijn bekwaamheid, verband leggen tussen de ene zaak en de andere, muntte hij boven de toenmalige leden van het uitvoerend comité uit. Zijn voornaamste kracht was echter zijn gave om de wezenlijke kenmerken van deze bonte en toch homogene gemeenschap in de taal van het doctrinarisme over te brengen: gemis aan vertrouwen op eigen krachten, angst voor de massa en een hoogmoedige houding tegenover de bourgeoisie. Lenin noemde Soechanov een van de beste vertegenwoordigers van het kleinburgerdom. Dit is wel het meest vleiende dat men over hem zeggen kan.

Men dient alleen niet te vergeten dat het hierbij voor alles om een nieuw kapitalistisch type kleinburgerdom gaat: om de handels-, industrie- en bankbeambten, om de beambten van het kapitaal enerzijds en om de arbeidersbureaucratie anderzijds, d.w.z. om die nieuwe middenstand in naam van wie de bekende Duitse sociaaldemocraat Edward Bernstein eind 19de eeuw de revolutionaire leer van Marx aan een herziening onderwierp. Om te antwoorden op de vraag hoe de arbeiders- en boerenrevolutie de macht aan de burgerij afstond, moeten we een schakel in de politieke keten inlassen: de kleinburgerlijke democraten en socialisten van het type Soechanov, de journalisten en politici van de nieuwe middenstand, die aan de massa’s leerden dat de bourgeoisie de vijand was, doch die zelf het meest bang ervoor waren de massa’s aan de leiding van deze vijand te onttrekken. De tegenstrijdigheid tussen het karakter van de revolutie en het karakter van de uit deze ontstane regering is te verklaren uit het tegenstrijdig karakter van de nieuwe kleinburgerlijke groep die tussen de revolutionaire massa’s en de kapitalistische bourgeoisie in stond. In het verloop van de verdere gebeurtenissen der revolutie zal de politieke rol van dit nieuwe type kleinburgerlijke democratie ons volkomen duidelijk worden. Voorlopig laten wij het bij deze enkele woorden.

De minderheid van de revolutionaire klasse neemt direct aan de opstand deel, en daarbij is de kracht van deze minderheid daarin gelegen dat de meerderheid haar ondersteunt, althans met haar sympathiseert. Uit de actieve en strijdlustige minderheid komen onder het vijandelijk vuur vanzelf de meest revolutionaire en opofferingsgezinde elementen naar voren. Het is natuurlijk dat de bolsjewistische arbeiders in de Februarigevechten vooraan stonden. De toestand wijzigt zich echter met de overwinning, en wel op dat ogenblik waarop de politieke consolidatie van deze begint. Ontzaglijk grotere massa’s dan die welke met de wapens in de hand gestreden hebben, worden dan voor de verkiezingen voor de organen en instellingen van de zegevierende revolutie opgeroepen en stromen toe. Dit is niet alleen zo met algemeen democratische instellingen als stadsdoema en Zemstvo of later de constituerende vergadering, maar ook met klasse-organen als de sovjets van arbeidersafgevaardigden. De overgrote meerderheid van de arbeiders, mensjewieken, sociaal-revolutionairen en partijlozen, ondersteunde de bolsjewieken op het moment van de directe botsing met het tsarisme. Niettemin begreep slechts een kleine minderheid van de arbeiders waarin de bolsjewieken van de andere socialistische partijen verschilden. Tegelijkertijd trokken echter alle arbeiders een scherpe scheidingslijn tussen zich en de bourgeoisie. Dit was beslissend voor de politieke situatie na de overwinning. De arbeiders kozen socialisten, d.w.z. personen die niet alleen tegen de monarchie, maar ook tegen de bourgeoisie waren. Zij maakten daarbij nagenoeg geen verschil tussen de drie socialistische partijen. Daar de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen echter over veel grotere kaders en intellectuelen beschikten, die van alle kanten toestroomden en een reusachtige reserve van agitatoren bezorgden, hadden de verkiezingen, zelfs in de fabrieken en bedrijven, een sterk overwicht van mensjewieken en sociaal-revolutionairen tot resultaat.

De druk van het ontwaakte leger ging in dezelfde richting, alleen met nog veel grotere kracht. Op de vijfde dag van de opstand sloot het garnizoen van Petrograd zich bij de arbeiders aan. Na de overwinning zou het de Sovjets moeten kiezen. Vol vertrouwen gaven de soldaten hun stem aan hen die voor de revolutie en tegen de monarchistische officieren waren en die in staat waren dit luid te verkondigen: vrijwilligers met een jaar dienst, schrijvers, artsen, jonge officieren uit intellectuele kringen, kleine militaire ambtenaren, d.w.z. de onderste laag van diezelfde “nieuwe middenstand.” Sinds maart waren zij bijna allemaal in de partij van de sociaal-revolutionairen getreden. Die partij was door haar geestelijke verwarring het meest in overeenstemming met de tweeslachtige maatschappelijke positie van deze elementen en hun politieke bekrompenheid. De vertegenwoordiging van het garnizoen was derhalve veel gematigder en burgerlijker dan de soldatenmassa zelf. Deze bespeurde echter het verschil niet; dit zou pas de ervaring van de komende maanden leren. De arbeiders wilden op hun beurt een zo nauw mogelijke aansluiting bij de soldaten om het bloedig gekochte bondgenootschap te versterken en de revolutie des te zekerder te bewapenen. Daar nu merendeels nieuwbakken sociaal-revolutionairen in naam van het leger spraken, moest dit het gezag van deze partij en dat van haar bondgenoten, de mensjewieken, in de ogen van de arbeiders doen stijgen. Zo kregen deze twee verzoeningsgezinde partijen de overhand in de Sovjets. Het is voldoende erop te wijzen dat zelfs in de Sovjet van de wijk Vyborg in de eerste tijd mensjewistische arbeiders de leidende rol vervulden. Het bolsjewisme borrelde in dat tijdvak nog  diep onder de oppervlakte van de revolutie. De officiële bolsjewieken vormden toen zelfs in de Peterburgse Sovjet nog maar een onbelangrijke minderheid die zich bovendien niet goed bewust was van haar taak.

Zo ontstond de paradox van de Februarirevolutie: de macht in handen van democratische socialisten. Zij hadden deze geenszins toevallig door een blanquistische aanslag weten te veroveren. Neen, zij was hen door de overwinnende volksmassa’s in het openbaar overgedragen. Deze massa’s ontzeggen niet alleen vertrouwen en ondersteuning aan de bourgeoisie, maar maken ook geen onderscheid tussen deze en de adel en bureaucratie. Zij stellen hun wapens uitsluitend ter beschikking van de Sovjets. Intussen maken de zo gemakkelijk aan het hoofd der Sovjets geraakte socialisten zich alleen maar bezorgd over deze vraag: zal de politiek geïsoleerde, door de massa’s gehate, de revolutie door en door vijandig gezinde bourgeoisie bereid zijn, uit onze handen de macht over te nemen? Haar bewilliging moet om iedere prijs verkregen worden. Daar de bourgeoisie echter klaarblijkelijk niet van haar burgerlijk programma kan afzien, moeten wij “socialisten” van ons programma afzien en zwijgen over monarchie, oorlog, land en grond – opdat de bourgeoisie het geschenk van de macht toch maar aanneemt. Terwijl de “socialisten” deze tactiek volgen, gaan zij tot bespotting van zichzelf ermee voort de bourgeoisie voor een vijand van hun klasse uit te maken. Zo wordt in de rituele vormen van de godsdienst een daad van ergerlijke godslastering begaan. De consequent doorgevoerde klassenstrijd is een strijd om de staatsmacht. Het is een wezenlijk bestanddeel van de revolutie de klassenstrijd consequent door te voeren. De revolutie is juist de directe strijd om de macht. Onze “socialisten” streven er echter niet naar de macht te ontrukken aan de zogenaamde klassenvijand, die ze niet eens bezit en ze op eigen kracht niet veroveren kan, – maar hem de macht om iedere prijs over te leveren. Is dit soms geen paradox? Het scheen te meer verbluffend omdat toentertijd de ervaring van de Duitse revolutie van 1918 er nog niet was en de mensheid nog geen getuige geweest was van het geweldige en veel succesvollere soortgelijke manoeuvre die de ‘nieuwe middenstand’ als leiding van de Duitse sociaaldemocratie volbracht.

Hoe verklaarden de verzoeningsgezinden hun houding? Het eerste argument was doctrinair: daar de revolutie een burgerlijke is, mogen de socialisten zich niet door een machtsgreep blameren – laat de bourgeoisie maar voor zichzelf opkomen. Dit klonk zeer onverzoenlijk. Inderdaad maskeerde het kleinburgerdom met deze schijnbare onverzoenlijkheid slechts zijn kruiperigheid voor rijkdom, beschaving, overwicht. Het recht van de grootbourgeoisie op de macht beschouwden de kleinburgers als hun oorspronkelijk recht, onafhankelijk van de machtsverhoudingen. Hieraan lag nagenoeg hetzelfde instinctieve gevoel ten grondslag dat een kleine koopman of een leraar er toe brengt op het station of in de schouwburg eerbiedig terzijde te gaan om… Rothschild voor te laten gaan. De doctrinaire argumenten dienden slechts om het eigen minderwaardigheidsgevoel te compenseren. Reeds na twee maanden, toen bleek dat de bourgeoisie de aan haar afgestane macht in geen geval op eigen kracht zou kunnen behouden, zetten de verzoeningsgezinden hun “socialistische” vooroordelen aan de kant en traden ze in een coalitieministerie. Niet om de bourgeoisie vandaar te verdringen, maar integendeel om haar te redden. En niet tegen haar wil, maar op haar eigen voorstel, dat als een bevel klonk: de bourgeoisie dreigde de democraten in geval van een weigering ermee hun de macht naar het hoofd te zullen werpen.

Het tweede argument voor het afwijzen van de macht leek meer praktisch, zonder in wezen veel sterker te zijn. De ons reeds bekende Soechanov beriep zich allereerst op het “verbrokkeld zijn” van de Russische democratie: toentertijd was geen enkele vaste en invloedrijke organisatie – noch partij-, noch vakverenigings-, noch zelfbestuursorgaan – in handen van de democratie. Dit lijkt een hoon! De Sovjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden worden door de socialist, die in naam van de Sovjets optrad, met geen enkel woord vermeld. Intussen ontstonden, dankzij de traditie van 1905, de Sovjets als paddestoelen uit de grond en waren zij terstond veel machtiger dan alle andere organisaties die later probeerden met haar te concurreren (gemeenteraden, coöperatieve verenigingen, gedeeltelijk ook vakverenigingen). Wat de boeren betreft, die een van nature versplinterde klasse vormen, zo waren deze tengevolge van de oorlog en de revolutie meer dan ooit georganiseerd: de oorlog bracht de boeren bijeen in het leger en de revolutie verleende aan het leger een politiek karakter! Niet minder dan acht miljoen boeren waren verenigd in compagnieën en escadrons, die onmiddellijk hun revolutionaire vertegenwoordigingen geschapen hadden en door bemiddeling van deze ieder moment telefonisch op de been gebracht konden worden. Lijkt dit soms op een “verbrokkeld zijn”?

Men zou weliswaar kunnen tegenwerpen dat op het moment van de beslissing van de machtskwestie de houding van het leger aan het front nog niet aan de democratie bekend was. Wij zullen niet op de kwestie ingaan of er ook maar in het minst reden bestond voor de vrees (of de hoop) dat de door de oorlog uitgeputte frontsoldaten bereid zouden blijken te zijn om de imperialistische bourgeoisie te ondersteunen. Het feit dat deze kwestie volkomen beslist werd in de eerstvolgende twee, drie dagen, in de tijd derhalve welke de verzoeningsgezinden achter de coulissen met de voorbereiding van een burgerlijke regering doorbrachten, is voldoende. “De omwenteling was op de 3de maart gelukkig volbracht,” erkent Soechanov. Ondanks het feit dat het gehele leger zich bij de Sovjets aangesloten had, stieten hun leiders de macht met alle kracht van zich af. Zij waren des te bevreesder van deze macht naarmate zij zich meer in hun handen concentreerde.

Maar waarom dan toch? Waarom waren deze democraten, ‘socialisten’, die direct steunden op mensenmassa’s als geen enkele democratie in de geschiedenis ooit achter zich kon verenigen – bovendien massa’s met een aanzienlijke ervaring, gedisciplineerd en bewapend, en georganiseerd in sovjets – waarom was deze almachtige en schijnbaar onoverwinnelijke democratie zo bang van de macht? Dit op het eerste gezicht moeilijke raadsel is zo op te lossen dat de democratie haar eigen basis niet vertrouwde en bang was voor de massa’s, ze twijfelde aan de duurzaamheid van hun vertrouwen en was vooral bang voor ‘anarchie’, zij vreesde na de machtsovername samen met deze macht een speelbal te worden van de zogenaamd ontketende elementen. De democratie voelde zich m.a.w. op het moment van de revolutionaire vloedgolf niet geroepen leidster van het volk te zijn, maar slechts linkervleugel van de burgerlijke orde, een naar de massa’s uitgestrekte voelhoren van deze. Zij noemde zich socialistisch en beschouwde zich zelfs als zodanig om niet alleen voor de massa’s maar ook voor zichzelf haar ware rol te verdoezelen: zonder dit zelfbedrog zou zij niet in staat geweest zijn deze rol te vervullen. Zo wordt de fundamentele paradox van de Februarirevolutie verklaard.

De 1ste maart ’s avonds kwamen de vertegenwoordigers van het Uitvoerend Comité, Tsjcheïdse, Steklov, Soechanov en anderen, bijeen voor een zitting van het Doemacomité om de voorwaarden voor een ondersteuning van de nieuwe regering door de Sovjets te bespreken. Het programma van de democraten ging de vraagstukken van de oorlog, de republiek, de grond en de bodem, de achturendag volkomen voorbij en was slechts gericht op een enkele eis: vrijheid van agitatie voor de linkse partijen waarborgen. Een voorbeeld van zelfverloochening voor volken en eeuwen: socialisten, die de gehele macht in handen hadden en van wie het afhing aan anderen vrijheid van agitatie toe te staan of niet, stonden hun macht aan de “klassenvijanden” af, onder voorwaarde dat deze hun vrijheid van agitatie waarborgden. Rodsjanko was bang om naar het telegraafkantoor te gaan en sprak tot Tsjcheïdse en Soechanov: “Jullie hebben de macht, jullie kunnen ons allemaal arresteren.” Tsjcheïdse en Soechanov antwoordden hem: “Neem de macht, maar arresteer ons niet wegens propaganda.” lndien men de onderhandelingen van de verzoeningsgezinden met de liberalen en alle fasen uit de onderlinge betrekkingen van de linker- en rechtervleugel van het Taurisch paleis in die dagen bestudeert, lijkt het alsof een troep toneelspelers uit de provincie op een geweldig groot toneel waarop zich een historisch volksdrama afspeelt, een vrij hoekje en een kleine pauze benut om een banale vaudeville op te voeren.

De leiders van de burgerij, dat moeten we erkennen, hadden zoiets nooit verwacht. Zij zouden stellig minder bevreesd geweest zijn voor de revolutie indien ze op dergelijke leiders hadden gerekend. Ze zouden zich weliswaar ook in dit geval misrekend hebben, maar dan tenminste samen met deze ‘leiders’ van na de revolutie. Uit angst, dat de bourgeoisie ook onder de aangeboden voorwaarden de macht van de hand zou kunnen wijzen, stelt Soechanov het dreigend ultimatum: “De ontketende elementen kunnen slechts door ons bedwongen worden, door niemand anders… Er is maar één uitweg: onze voorwaarden aannemen.” Met andere woorden: neemt het programma aan dat immers uw programma is; wij staan er echter voor in de massa’s, die ons de macht toevertrouwd hebben, in bedwang te houden. Arme bedwingers van natuurkrachten!

Miljoekov was verbaasd. “Hij dacht er niet aan,” schrijft Soechanov, “zijn voldoening en blijde verrassing te verbergen.” Toen de Sovjetgedelegeerden er echter, om nog meer nadruk aan hun woorden te verlenen, aan toevoegden dat hun voorwaarden “definitief” waren, werd Miljoekov sentimenteel en sprak hij hen moed in met deze woorden: “Ja, ik hoorde hen aan en dacht er over na, hoever onze arbeidersbeweging sinds het jaar 1905 vooruitgegaan was…” Op deze toon van een goedmoedige krokodil onderhandelde de Hohenzollernse diplomatie in Brest-Litovsk met de gedelegeerden van de Oekraïense Rada, door hun rijpheid als staatslieden naar behoren te erkennen, alvorens  hen te verslinden. Het is noch Soechanovs verdienste, noch Miljoekovs schuld, dat de bourgeoisie niet de Sovjetdemocratie verslonden heeft.

De bourgeoisie kreeg achter de rug van het volk om de macht. Zij bezat geen enkel steunpunt in de arbeidende klassen. Maar tegelijk met de macht kreeg zij als het ware uit de tweede hand een soort steunpunt. De mensjewieken en de sociaal-revolutionairen gaven, door de massa omhoog gestuwd, op eigen gezag een vertrouwensmandaat aan de bourgeoisie. Beziet men deze handelwijze in het kader van de formele democratie, dan ontstaat het beeld van een tweeklassenkeuze, bij welke mensjewieken en sociaal-revolutionairen als schakel optreden, d.w.z. als kiezers van kadetten. Beschouwt men echter de kwestie politiek, dan moet men zeggen dat de verzoeningsgezinden het vertrouwen van de massa’s geschonden hebben doordat zij diegenen tot de regering riepen tegen wie zij juist gekozen waren. En tenslotte doet de kwestie, vanuit een dieper sociaal standpunt beschouwd, zich aldus voor: de kleinburgerlijke partijen die in het dagelijks leven buitengewoon veeleisend en zelfingenomen waren, werden zodra de revolutie hen op de toppen van de macht gebracht had bang voor hun eigen onvolkomenheid en ze haastten zich om de macht aan de vertegenwoordigers van het kapitaal over te laten. In deze daad van onderwerping kwam op krasse wijze de ontstellende slapheid van de nieuwe middenstand en haar beschamende afhankelijkheid van de grootbourgeoisie tot uiting. In het bewustzijn, of zelfs alleen maar met het voorgevoel, dat zij toch niet in staat zouden zijn lange tijd de macht te behouden, maar dat zij deze spoedig aan rechts of aan links zouden moeten afstaan, besloten de democraten dat het dan toch in ieder geval beter was deze vandaag aan de solide liberalen af te staan, dan morgen aan de extreme vertegenwoordigers van het proletariaat. Ook in deze beschrijving blijft de rol van de verzoeningsgezinden ondanks haar maatschappelijke gebondenheid niettemin een trouweloze tegenover de massa’s.

Nadat zij hun vertrouwen aan de socialisten geschonken hadden, zagen de arbeiders en soldaten zich, onverwachts voor zichzelf, politiek onteigend. Zij begrepen het niet, waren verontrust, doch zagen niet terstond een uitweg. Zij werden door hun eigen vertrouwensmannen met argumenten gesust, waarop zij weliswaar geen antwoord bij de hand hadden, doch die tegen al hun gevoelens en bedoelingen ingingen: de revolutionaire doelstellingen van de massa’s vielen op het ogenblik van de Februari-omwenteling reeds niet met de verzoeningsgezinde strevingen van de kleinburgerlijke partijen samen. De proletariërs en boeren gaven hun stem aan de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen, niet als verzoeningsgezinden, maar als vijanden van de tsaar, de grootgrondbezitter en de kapitalist. Terwijl zij deze kozen, trokken zij echter een scheidingsmuur tussen zichzelf en hun doelstellingen op. Zij konden nu niet meer voortrukken, zonder op de door hen zelf opgerichte scheidingsmuur te stuiten en zonder deze eerst neer te halen. Dit was het verwonderlijke quid pro quo, dat in de klassenverhoudingen, zoals deze door de Februarirevolutie blootgelegd werden, vervat was.

Bij de voornaamste paradox kwam nog een andere. De liberalen verklaarden zich slechts bereid de macht uit handen van de socialisten over te nemen onder de voorwaarde dat de monarchie zich bereid zou verklaren de macht uit hun handen aan te nemen.

Terwijl Goetsjkov met de ons reeds bekende monarchist Sjoelgin naar Pskov reisde om de dynastie te redden, ging het probleem van de constitutionele monarchie het middelpunt van de onderhandelingen tussen de twee comités van het Taurisch paleis vormen. Miljoekov beijverde zich om de democraten, die hem de macht kwamen aanbieden, ervan te overtuigen dat de Romanovs nu geen gevaar meer konden vormen, dat Nicolaas natuurlijk moest worden afgezet, maar dat de tsarevitsj Alexej onder regentschap van Michael daarentegen tot heil van het land zou kunnen zijn. “De één een ziek kind, de ander een erg dom iemand.” Laten wij hieraan nog de typering toevoegen die de liberale monarchist Sjidlovski van de kandidaat voor de tsarentroon gaf: “Michael Alexandrovitsj onttrok zich op alle manieren aan iedere inmenging in de staatszaken en wijdde zich geheel en al aan de paardensport.” Een zonderlinge aanbeveling, vooral indien men ze voor de massa’s wilde herhalen. Na de vlucht van Lodewijk XVI naar Varennes verkondigde Danton in de jacobijnenclub dat een man die zwakzinnig was geen koning meer kon zijn. De Russische liberalen daarentegen geloofden dat een zwakzinnig vorst het beste sieraad voor een constitutioneel regime was. Dit was weliswaar een gemakkelijk argument, berekend voor de psychologie van de linkse sukkels, maar ook voor deze zelfs te grof. Er werd aan de brede groepen liberale burgers gesuggereerd dat Michael “Anglomaan” was, zonder precies aan te geven of men het over de paardenrennen of over het parlementarisme had. De hoofdzaak is en blijft dat er een “vast symbool van de macht” was, want anders zou het volk zich kunnen inbeelden dat de tijd van anarchie gekomen was.

De democraten hoorden dit aan, waren verbaasd, zonder dit te laten merken, en trachtten te overreden… tot het proclameren van de republiek? Neen, tot een niet vooruitlopen op de beslissing. Punt 3 van de voorwaarden van het Uitvoerend Comité luidde: “De Voorlopige Regering mag generlei stappen doen om de regeringsvorm nu reeds voor de toekomst te bepalen.” Miljoekov maakte van de kwestie van de monarchie een ultimatum. De democraten waren radeloos. Daar kwamen echter de massa’s te hulp. Op de meetings in het Taurisch paleis wilde niemand, noch de arbeiders, noch de soldaten, een tsaar, en het was niet mogelijk hen deze op te leggen. Niettemin trachtte Miljoekov tegen de stroom op te roeien en over de hoofden van de linkse bondgenoten heen troon en dynastie te redden. In zijn “Geschiedenis van de Revolutie” vermeldt hij zelf, met enige reserves, dat tegen de avond van de 2de maart de opwinding die door zijn mededeling over een regentschap van Michael ontstaan was, “sterk toenam”. Veel levendiger omschrijft Rodsjanko het effect dat de monarchistische manoeuvres van de liberalen bij de massa’s teweeg brachten. Nauwelijks uit Pskov teruggekeerd met de akte van afstand van Nicolaas ten gunste van Michael, begaf Goetsjkov zich op verlangen van de arbeiders van het station naar de spoorwegwerkplaatsen, omschreef het voorgevallene, las de akte van afstand voor en besloot met de woorden: “Leve Keizer Michael!” Het resultaat was volkomen onverwacht. De spreker werd volgens Rodsjanko’s verhaal onverwijld door de arbeiders gearresteerd, naar men zegt zelfs onder de bedreiging doodgeschoten te worden. “Met grote moeite slaagde men er met de hulp van de compagnie van de wacht van het naastbijzijnde regiment in om hem te bevrijden.” Zoals altijd overdrijft Rodsjanko in menig opzicht, maar de omschrijving is in wezen juist. Het land had de monarchie zo radicaal uitgebraakt dat het volk haar niet meer door het keelgat kon krijgen. De revolutionaire massa’s lieten de gedachte aan een nieuwe tsaar niet meer opkomen!

Bij deze stand van zaken wendden de leden van het Voorlopig Comité zich de een na de ander van Michael af, niet definitief, maar “tot de Constituerende Vergadering”: dan zou men wel verder zien. Enkel Miljoekov en Goetsjkov verdedigden de monarchie tot het laatste toe en stelden ook hun deelname aan het kabinet daarvan afhankelijk. Wat nu te doen? De democraten meenden dat men zonder Miljoekov geen burgerlijke regering kon vormen en zonder burgerlijke regering de revolutie niet kon redden. Er volgden eindeloze discussies en onderhandelingen. In de morgenzitting van de 3de maart won in het Voorlopig Comité de overtuiging meer en meer veld dat het noodzakelijk was “de grootvorst tot afstand te bewegen” – hij werd dus reeds als tsaar beschouwd! De linkse Kadet Nekrassov had de tekst van de troonafstand reeds gereed. Daar Miljoekov zich echter hardnekkig verzette, vond men tenslotte na een nieuwe hartstochtelijke strijd een oplossing: “Beide partijen delen de grootvorst hun gemotiveerde opvattingen mee en laten, zonder zich in verdere discussies te begeven, aan de grootvorst de beslissing over.” Op deze manier werd de “zeer domme man”, aan wie zijn door de opstand ten val gebrachte oudere broer, zelfs tegen de dynastieke voorschriften in, getracht had de troon toe te schuiven, tot scheidsrechter inzake de kwestie van de staatsvorm van het revolutionaire land gemaakt. Hoe ongelofelijk het ook moge schijnen, deze wedstrijd om het lot van de staat heeft werkelijk plaats gehad. Om de grootvorst te bewegen zich vanwege de troon los te rukken van de stallen, verzekerde Miljoekov hem dat de mogelijkheid bestond om buiten Petrograd een legermacht bijeen te brengen ter verdediging van zijn aanspraken. Miljoekov kwam met andere woorden, nadat hij nauwelijks de macht uit handen van de socialisten gekregen had, met het plan van een monarchistische staatsgreep naar voren. Na beëindiging van de talrijke besprekingen pro en contra, verzocht de grootvorst echter om bedenktijd. Michael nodigde Rodsjanko in een nevenvertrek en stelde hem op de man af de vraag: konden de nieuwe heersers hem alleen de kroon of ook zijn leven garanderen? De onvergelijkelijke kamerheer antwoordde dat hij de monarch slechts kon beloven zonodig samen met hem te sterven. Daartoe liet de pretendent zich niet vinden. Toen hij, na Rodsjanko omhelsd te hebben, naar buiten toetrad op de hem wachtende afgevaardigden, verklaarde Michael Romanov “tamelijk vastberaden” dat hij van het hem aangeboden hoge, maar gevaarlijke, ambt afzag. Toen sprong Kerenski, die bij deze onderhandelingen het geweten van de democratie vertegenwoordigde, geestdriftig van zijn stoel op: “Hoogheid, u bent een edel man!” en zwoer dat hij dit van nu af aan overal zou verkondigen. “Het pathos van Kerenski,” commenteert Miljoekov droogweg, “paste slecht bij het prozaïsche van het genomen besluit.” Dit valt niet te ontkennen. Voor pathos bood dit incident stellig geen plaats. De bovengemaakte vergelijking van een klucht in een hoekje van een ouderwets toneel moet aangevuld worden met de mededeling dat het toneel door een scherm in twee delen gedeeld was: in het ene smeekten de revolutionairen de liberalen om de revolutie te redden, in het andere baden de liberalen de monarchie om het liberalisme te redden.

De vertegenwoordigers van het Uitvoerend Comité waren uitermate verwonderd dat een zo ontwikkeld en scherpziend man als Miljoekov zich om een monarchie weerspannig toonde en zelfs bereid was van de macht af te zien indien men hem niet een Romanov erbij gaf. Miljoekovs monarchisme was echter noch doctrinair, noch romantisch. Het kwam integendeel uit een koele berekening van de verschrikte bezittenden voort. In haar nuchterheid bestond juist haar hopeloze zwakte. De geschiedschrijver Miljoekov kon er zich weliswaar op beroepen dat de leider van de Franse revolutionaire bourgeoisie, Mirabeau, in zijn tijd er eveneens naar streefde de revolutie met de koning te verzoenen. Ook daar vormde de angst van de bezittenden om hun bezit de kern: het was voorzichtiger dit met de monarchie te maskeren, zoals de monarchie zich met de kerk maskeerde.

De traditie van de koninklijke macht werd echter in Frankrijk in het jaar 1789 erkend door het gehele volk, afgezien nog daarvan dat Europa rondom nog monarchistisch was. Tegenover de koning stond de Franse bourgeoisie op dezelfde grondslag als het volk, in deze zin althans dat zij de vooroordelen van het volk tegen het koningschap benutte. Geheel anders was de situatie in 1917 in Rusland. Nog afgezien van de rampen en averijen van het monarchaal stelsel in verscheidene andere landen, was de Russische monarchie zelf reeds in 1905 onherstelbaar geschokt. Na de negende januari vervloekte pastoor Gapon de tsaar en diens “slangengebroed”. De Sovjet van arbeidersafgevaardigden van het jaar 1905 stond openlijk op republikeinse grondslag. De monarchale gevoelens van de boeren, waarop het tsarisme lange tijd gebouwd had en waarmee de bourgeoisie haar monarchisme maskeerde, bleken eenvoudig niet meer te bestaan. De militaire contrarevolutie die later de kop zou opsteken, te beginnen met Kornilov, was bijzonder hypocriet maar keerde zich toch demonstratief van het tsarisme af. Zo weinig bleef er nog over van het monarchisme. Dezelfde revolutie van 1905, die het monarchisme zo dodelijk trof, ondergroef echter ook voor altijd de wankele republikeinse tendenties van de vooruitstrevende bourgeoisie. Deze twee processen vulden elkaar aan terwijl zij met elkaar in tegenspraak waren. Terwijl zij vanaf de eerste ogenblikken van de Februarirevolutie haar ondergang voelde naderen, greep de bourgeoisie naar een strohalm. Zij had de monarchie niet nodig omdat het volk hierin geloofde, maar net omdat zij tegenover de opvattingen van het volk niets anders meer kon inbrengen dan een gekroond fantoom. De geciviliseerde klassen van Rusland betraden de revolutionaire arena niet als verkondigers van een rationele staat, maar als verdedigers van middeleeuwse instellingen. Daar zij noch in het volk, noch in zichzelf vertrouwen hadden, zochten zij deze hoger op, boven zichzelf. Archimedes wilde de aarde omwentelen als dit hem een steunpunt gaf. Miljoekov zocht daarentegen een steunpunt om het stukje feodale aarde voor een omwenteling te behoeden. Hij voelde zich daarbij dichter bij de verschrompelde tsaristische generaals en de hiërarchen van de orthodoxe kerk staan dan bij de tamme democraten die nergens zo bezorgd om waren als om de gunst van de liberalen. Onmachtig om de revolutie neer te slaan, nam Miljoekov het vaste besluit haar met listen de baas te worden. Hij was bereid veel te slikken: burgerlijke vrijheden voor de soldaten, democratische gemeenteraden, de constituerende vergadering, maar alles slechts onder één voorwaarde: dat men hem het archimedisch punt in de vorm van de monarchie liet. Hij had het plan de monarchie langzamerhand, stap voor stap, te maken tot de spil waarrond zich de generale staf, de vernieuwde bureaucratie, de kerkvorsten, de bezittenden, kortom allen die met de revolutie ontevreden waren, konden groeperen om rond het ‘symbool’ een reële monarchistische toom voor het volk tot stand te brengen naarmate het volk vermoeid zou raken van de revolutie. Als hij maar tijd kon winnen. Een ander leider van de Kadettenpartij, Nabokov, verklaarde later wat het grootste voordeel geweest zou zijn van een aanvaarding van de troon door Michael: de fatale kwestie van de bijeenroeping van de Constituerende Vergadering tijdens de oorlog zou van de baan geweest zijn. Op deze woorden moet men vooral letten: de strijd om het tijdstip van bijeenroeping van de Constituerende Vergadering nam in het tijdvak tussen februari en oktober een belangrijke plaats in, waarbij de kadetten hun bedoeling om de bijeenroeping van de volksvertegenwoordiging op de lange baan te schuiven nadrukkelijk loochenden, maar in werkelijkheid voortdurend en hardnekkig een politiek van uitstel volgden. Maar zij moesten daarbij op eigen krachten steunen: op de monarchale dekmantel konden ze uiteindelijk niet rekenen. Na de desertie van Michael had Miljoekov zelfs geen strohalm meer om zich aan vast te houden.

Wie leidde de februari-opstand?

De advocaten en journalisten van de door de revolutie getroffen klassen hebben later niet weinig inkt vermorst om te bewijzen dat er in februari eigenlijk een vrouwenrebellie plaatsvond, die dan onder de soldatenmuiterij bedolven werd. Dit had men dan voor een revolutie uitgegeven. Lodewijk XVI geloofde in zijn tijd eveneens dat de inname van de Bastille een rebellie was, maar men heeft hem beleefd aan het verstand gebracht dat het een revolutie was. Zij die bij een revolutie verliezen zijn zelden geneigd deze bij haar naam te noemen, want ze wordt ondanks alle tegengestelde pogingen van verwoede reactionairen omgeven met een aureool van bevrijding van de oude ketenen en vooroordelen. De geprivilegieerden van alle eeuwen en hun lakeien hebben geprobeerd de revolutie die hen ten val bracht te onderscheiden van alle vorige revoluties en te omschrijven als onlusten, muiterij of rebellie van het gepeupel. Klassen die zichzelf overleefd hebben, munten niet bepaald uit in vindingrijkheid.

Kort na 27 februari deed men pogingen om de Februarirevolutie met de jongturkse staatsgreep te vergelijken. Van die staatsgreep had men, naar wij weten, in de hoogste klassen van de Russische burgerij veel gedroomd. Deze vergelijking was echter zo hopeloos dat zij zelfs in een burgerlijk blad krachtig van de hand gewezen werd. Toegan Baranovski, een econoom, die in zijn jeugd de marxistische school doorgemaakt had, een soort Russische Sombart, schreef op 10 maart in  “Birsjewyje Wedomosti”:

“De Turkse revolutie bestond uit een zegevierende opstand van het leger, die door de militaire leiders voorbereid en verwezenlijkt was. De soldaten waren slechts gehoorzame uitvoerders van de plannen van hun officieren. Die garderegimenten echter die op 27 februari de Russische troon ten val gebracht hebben, waren zonder hun officieren op het toneel verschenen… Niet het leger, maar de arbeiders zijn de opstand begonnen. Niet generaals, maar soldaten zijn naar de Rijksdoema gemarcheerd. De soldaten hebben de arbeiders ondersteund, niet gehoorzaam slechts de bevelen van hun officieren uitgevoerd, omdat zij zich één voelden met de arbeiders als met een klasse van eveneens arbeidende mensen. De boeren en de arbeiders – dat zijn de twee sociale klassen die de Russische revolutie volbrachten.”

Deze woorden behoeven noch bevestiging, noch aanvulling. De verdere ontwikkeling van de revolutie heeft ze voldoende bevestigd en bekrachtigd.

De eerste maartdag was in Petrograd de eerste dag na de overwinning: een dag van geestdrift, omhelzingen, vreugdetranen, uitbundige woordenvloeden, maar tegelijk de dag van de laatste slagen tegen de vijand. In de straten knetterden nog schoten. Men vertelde dat Protopopow’s farao’s, die nog niet van de overwinning van het volk op de hoogte waren, nog voortgingen van de daken te schieten.

Men vuurde van beneden af tegen daken, zoldervensters en kerktorens, waar men gewapende fantomen van het tsarisme vermoedde. Om vier uur ’s namiddags werd de Admiraliteit bezet, waar zich de laatste overblijfselen verborgen hielden van wat eens een staatsmacht was. Revolutionaire organisaties en spontaan gevormde groepen verrichtten arrestaties in de stad. De Schisselburggevangenis werd zonder een schot te lossen ingenomen. Steeds nieuwe regimenten sloten zich bij de revolutie aan: in de hoofdstad en in de omgeving.

De omwenteling in Moskou was slechts een echo van de opstand in Petrograd. Dezelfde stemmingen bij arbeiders en soldaten, maar ze kwamen niet zo scherp tot uitdrukking. Er waren meer linkse stemmingen bij de burgerij en de revolutionaire organisaties stonden nog zwakker dan in Petrograd. Toen de gebeurtenissen aan de Neva begonnen, beraadslaagden de Moskouse radicale intellectuelen over de vraag wat er gedaan moest worden. Ze konden niet tot een besluit komen. Pas op 27 februari begonnen in de Moskouse fabrieken stakingen, daarna volgden demonstraties. De officieren zeiden tot de soldaten in de kazernes dat in de straten gespuis muitte en dat men hen tot rede moest brengen. “Maar ditmaal,” vertelt soldaat Sjisjilin, “vatten de soldaten het woord gespuis verkeerd op.” Tegen twee uur ’s middags verschenen talrijke soldaten uit verschillende regimenten voor het gebouw van de stadsdoema om zich bij de revolutie aan te sluiten. De volgende dag namen de stakingen toe. Mensenmassa’s trokken met vaandels naar de Doema. De soldaat van de motorcompagnie, Moeralov, een oude bolsjewiek, agronoom van beroep, een grootmoedige en dappere reus, leidde het eerste gesloten en gedisciplineerde troependeel naar de Doema dat het radiostation en andere punten bezette. Acht maanden later zal Moeralov de troepen van het militaire district Moskou commanderen.

De gevangenissen werden geopend. Dezelfde Moeralov bracht een vrachtauto met in vrijheid gestelde politieke gevangenen. Met de hand aan de pet vroeg de bewaker aan de revolutionair of men ook joden moest vrijlaten. De zo-even uit het tuchthuis bevrijde Dzerzjinski, die de arrestantenkleren nog niet voor andere verwisseld had, verscheen in het gebouw van de Doema waar zich reeds de Sovjet vormde. De artillerist Dorojew zal later vertellen hoe de arbeiders van de confectiefabriek Siou op de eerste maart met vaandels in de kazerne van de artilleriebrigade verschenen om zich met de soldaten te verbroederen, en hoe velen door vreugde overmeesterd werden en weenden. Er werden in de stad enkele schoten uit hinderlagen gelost, maar in het algemeen waren er noch gewapende botsingen, noch slachtoffers. Petrograd bleef borg voor Moskou.

In een aantal provinciesteden begon de beweging pas op de 1ste maart, nadat de omwenteling zich ook in Moskou reeds voltrokken had. In Tver begaven de arbeiders zich in optochten uit de bedrijven naar de kazernes en marcheerden samen met de soldaten door de straten van de stad. Toen zong men nog de Marseillaise en niet de Internationale. In Nisjni-Nowgorod verzamelden duizenden mensen zich bij het gebouw van de stadsdoema, dat in de meeste steden de rol van het Taurisch paleis vervulde. Na een rede van de burgemeester zetten de arbeiders zich met rode vlaggen in beweging om de politieke gevangenen te bevrijden. ’s Avonds reeds gingen er van de eenentwintig troepenafdelingen van het garnizoen achttien vrijwillig tot de revolutie over. In Samara en Saratov hadden meetings plaats en werden sovjets van arbeidersafgevaardigden gevormd. In Charkov richtte de commissaris van politie, die tijd gevonden had op het station inlichtingen over de omwenteling te verkrijgen, zich in zijn rijtuig op temidden van de opgewonden menigte en schreeuwde uit volle borst, zijn muts in de lucht zwaaiend: “Leve de revolutie, hoera!” Jekaterinoslav kreeg het nieuws uit Charkov. Aan het hoofd van de betoging stond de adjudant van de politiecommissaris, met de hand steunend op zijn lange sabel zoals het bij parades op de verjaardagen van de tsaar gebruikelijk geweest was. Toen het volkomen duidelijk was dat de monarchie zich niet meer zou oprichten, begon men in de regeringsbureau’s in alle stilte de tsarenportretten weg te nemen en op zolder te verstoppen. In liberale kringen waren er veel – al dan niet verzonnen – anekdotes hierover, in deze kringen was de voorliefde voor een schertsende toon over de revolutie nog niet verdwenen. De arbeiders doorleefden, net zoals de soldaten, de gebeurtenissen geheel anders.

Uit een aantal andere provinciesteden (Pskov, Orel, Rybinsk, Pensa, Kasan, Zarizin enz.) vermeldt de kroniek onder 2 maart: “Men kreeg bericht van de omwenteling en de bevolking sloot zich bij de revolutie aan.” Dit bericht geeft ondanks zijn summier karakter het gebeurde in wezen juist weer.

Gedeeltelijk door de autoriteiten, hoofdzakelijk echter door de markten, de arbeiders en de verlofgangers, kwamen de berichten over de revolutie vanuit de naastbijliggende steden naar het dorp. Het dorp nam de omwenteling langzamer en minder enthousiast op dan de stad, maar niet minder ernstig: het verbond haar met oorlog en land.

Zonder overdrijving kan men zeggen dat Petrograd de Februarirevolutie volbracht. De rest van het land sloot zich bij Petrograd aan. Nergens anders dan in Petrograd werd gevochten. Nergens in het land waren er bevolkingsgroepen, partijen, instellingen of troependelen die het gewaagd zouden hebben de bescherming van het oude regime op te nemen. Hieruit blijkt hoe onjuist de latere redenering van de reactionairen was toen ze stelden dat het lot van de monarchie er anders zou uitgezien hebben indien de gardecavalerie in Petrograd was geweest of indien Ivanov een betrouwbare brigade van het front had gebracht. Noch in het achterland, noch aan het front was er een brigade of een regiment te vinden dat voor Nicolaas II wilde vechten.

De omwenteling voltrok zich op initiatief en door de kracht van een stad die ongeveer een vijfenzeventigste deel van de totale bevolking omvatte. Zo men wil, kan men zeggen dat de grootste democratische daad zich op de meest ondemocratische wijze voltrok. Het gehele land zag zich voor een voldongen feit gesteld. Het feit dat men voor de toekomst op de Constituerende Vergadering rekende, verandert daar niets aan. De termijnen en de wijze van bijeenroepen van de volksvertegenwoordiging werden immers bepaald door organen die uit de zegevierende Petrogradse opstand voortgekomen waren. Dit werpt een scherp licht op het vraagstuk van de functie van democratische instellingen in het algemeen en in revolutionaire perioden in het bijzonder. Revoluties hebben altijd aan het juridisch fetisjisme van de volkswil harde slagen toegebracht, dit gebeurde meedogenlozer naarmate deze revoluties meer diepgaand, stoutmoedig, democratisch waren.

Vooral over de grote Franse Revolutie is dikwijls genoeg gezegd dat het de sterke centralisatie van de monarchie was die nadien de revolutionaire hoofdstad in staat stelde om voor het gehele land te denken en te handelen. Deze verklaring is oppervlakkig. Indien de revolutie centralistische tendensen vertoont, dan is dit niet in navolging van de ten val gebrachte monarchie, maar als gevolg van dringende behoeften van de nieuwe maatschappij die onverenigbaar zijn met particularisme. Indien de hoofdstad in de revolutie een zo dominerende rol speelt en op bepaalde ogenblikken als het ware de wil van de natie in zich concentreert, dan komt dit doordat zij de wezenlijke tendensen van de nieuwe maatschappij op de meest krasse wijze uitdrukt en in volle consequenties doorvoert. De provincie voelt de daden van de hoofdstad als haar eigen, echter reeds in de daad omgezette, bedoelingen. Het initiatief van de centra is geen aantasting van de democratie, maar haar dynamische verwezenlijking. Toch viel in grote revoluties het ritme van deze beweging nooit samen met het ritme van de formele vertegenwoordigende democratie. De provincie sluit zich bij de handelingen van het centrum wel aan, maar dan wel achteraf. Bij de voor een revolutie typisch snelle ontwikkeling van gebeurtenissen leidt dit tot scherpe, met democratische methoden niet op te lossen, crisissen van het revolutionair parlementarisme. In alle werkelijke revoluties liep de volksvertegenwoordiging zich onvermijdelijk te pletter tegen de revolutionaire beweging, waarvan de hoofdstad het centrum was. Aldus in de zeventiende eeuw in Engeland, in de achttiende in Frankrijk en in de twintigste in Rusland. De rol van de hoofdstad wordt niet door de tradities van het bureaucratisch centralisme, maar door de toestand van de leidende revolutionaire klasse bepaald. De voorhoede van deze leidende revolutionaire klasse concentreert zich natuurlijk in de hoofdstad. Dit geldt overigens zowel voor de burgerij als voor de arbeidersklasse.

Toen de overwinning in februari vaststond, ging men ertoe over de slachtoffers te tellen. In Petrograd werd vastgesteld: 1443 doden en gewonden, waaronder 869 militairen waarvan 60 officieren. Vergeleken met het aantal slachtoffers van een willekeurige slag uit de grote slachtpartij zijn deze getallen, die op zichzelf van betekenis zijn, buitengewoon laag. De liberale pers proclameerde de Februarirevolutie als geen bloedige. In de dagen van algemene vertedering en wederzijdse amnestie van de patriottische partijen deed niemand moeite om de waarheid vast te stellen. Albert Thomas, de vriend van alles wat overwint, zelfs van zegevierende opstanden, schreef in die tijd over de “meest zonnige, meest feestelijke, meest onbloedige Russische revolutie.” Weliswaar verkeerde hij in de hoop dat zij ter beschikking van de Franse beurs zou blijven. Maar Thomas had dan ook het buskruit niet uitgevonden. Op 27 juni 1789 riep Mirabeau: “Wat een geluk, deze grote revolutie zal zonder moorden en zonder tranen slagen! De geschiedenis heeft te lang slechts van beestachtige daden melding gemaakt… Wij mogen hopen dat nu de menselijke geschiedenis begint.” Toen alle drie de standen zich in de Nationale Vergadering verenigd hadden, schreven de voorvaderen van Albert Thomas: “De revolutie is ten einde, zij heeft geen druppel bloed gekost.” En men moet toegeven dat er in die periode werkelijk nog geen bloed gevloeid was. Anders was het in de februaridagen. De legende van de onbloedige revolutie hield echter hardnekkig stand, omdat het in het kraam van de liberale bourgeois te pas kwam de zaak zo voor te stellen alsof de macht hen vanzelf in de schoot gevallen was.

De februarirevolutie verliep niet zonder bloedvergieten, maar toch is het geringe aantal slachtoffers opmerkelijk. Zowel op het moment van de omwenteling als in de eerstvolgende periode erna vielen er weinig slachtoffers. Het was nochtans een afrekening voor de slavernij, de vervolgingen, de hoon en de laaghartige mishandelingen waaraan de volksmassa’s van Rusland eeuwenlang blootgesteld waren! Matrozen en soldaten rekenden weliswaar hier en daar met hun ergste beulen onder de officieren af. Het aantal dergelijke daden van vergelding zonk echter in het niets tegenover het aantal vroegere bloedige krenkingen. De volksmassa’s legden hun lankmoedigheid pas later af, nadat zij zich ervan overtuigd hadden dat de heersende klassen alles ongedaan wilden maken en de revolutie die ze niet zelf hadden gemaakt opeisten, zoals zij zich steeds dingen die ze niet zelf schiepen probeerden toe te eigenen.

Toegan-Baranovski heeft gelijk wanneer hij zegt dat de arbeiders en boeren, laatstgenoemden in persoon van de soldaten, de Februarirevolutie volbracht hebben. Het blijft echter de grote vraag wie de omwenteling geleid heeft. Wie heeft de arbeiders op de been gebracht? Wie heeft de soldaten de straat opgebracht? Deze vragen werden na de overwinning het voorwerp van partijstrijd. Men zocht ze op de eenvoudigste manier te beantwoorden met de algemene formule: niemand heeft de revolutie geleid, zij voltrok zich vanzelf. Deze “elementaire” theorie kwam goed van pas voor die heerschappen die gisteren nog gerust bestuurden, berechtten, aanklaagden, verdedigden, handelden of bevolen maar zich vandaag haastten om zich aan de revolutie aan te bieden. Ook kwam deze theorie goed van pas voor de vele beroepspolitici en gewezen revolutionairen die, nadat zij door de revolutie heen geslapen hadden, zich nu wilden wijsmaken dat zij in dit opzicht niet van alle anderen verschilden.

In zijn merkwaardige “Geschiedenis van de Russische onlusten” vertelde generaal Denikin, de vroegere opperbevelhebber van het Witte Leger, over 27 februari: “Op deze beslissende dag waren er geen leiders, er waren slechts ontketende elementen. In hun onstuimige loop was noch een bepaald doel, noch een bepaald plan, noch een bepaalde leus te bespeuren.” De geleerde historicus Miljoekov graaft bij zijn onderzoek niet dieper dan de generaal die een zwak voor schrijven heeft. Tot aan de omwenteling had de liberale leider elke gedachte aan een revolutie voor een ingeving van de Duitse staf verklaard. De situatie werd neteliger na de omwenteling die de liberalen aan de macht bracht. Miljoekov’s taak bestond nu niet meer daarin de revolutie met de eerloosheid van het Hohenzollerns initiatief te bezwaren, maar integendeel aan de revolutionairen de eer van het initiatief te ontzeggen. Het liberalisme accepteerde volledig de theorie van het elementair en onpersoonlijk karakter van de omwenteling. Met instemming beroept Miljoekov zich op de half liberale, half socialistische Stankevitsj, een privaatdocent die regeringscommissaris bij het hoofdkwartier van het opperbevel was. “De massa kwam vanzelf in beweging, aan een onbewuste, innerlijke drang gehoorzamend…,” schrijft Stankevitsj over de februaridagen. “Onder welke leuzen zijn de soldaten opgetreden? Wie leidde hen toen zij Petrograd veroverden, toen zij het districtsgerechtshof in brand staken? Geen politieke gedachte, geen revolutionaire leus, geen samenzwering, geen rebellie, maar de elementaire beweging die met een slag de oude macht volkomen vernietigde.” Het elementaire krijgt hier bijna een mystiek karakter.

Dezelfde Stankevitsj geeft een zeer waardevolle getuigenis: “Eind januari was ik in de gelegenheid in zeer intieme kring Kerenski te ontmoeten… Iedereen stond uitgesproken afwijzend tegenover de mogelijkheid van een volksopstand, uit vrees dat de eenmaal uitgebroken massale volksbeweging in een links radicaal vaarwater zou geraken en dit tot buitengewone moeilijkheden voor de oorlogvoering zou leiden.” De meningen in de kringen van Kerenski verschillen in wezen niet van die van de kadetten. Van hen viel er niets te verwachten.

“De revolutie kwam als een bliksemstraal uit heldere hemel,” zegt de vertegenwoordiger van de sociaalrevolutionaire partij Senzinov. “Laat ons eerlijk zijn: zij kwam als een grote en verblijdende verrassing ook voor ons, revolutionairen die jarenlang voor haar gewerkt en haar steeds verwacht hadden.”

Niet veel beter was het met de mensjewieken gesteld. Een journalist uit de burgerlijke emigrantenkringen bericht over zijn ontmoeting in de tram op 24 februari met Skobeljev, de latere minister van de revolutionaire regering. “Deze sociaaldemocraat, een van de leiders van de regering, zei mij dat de onlusten het karakter van plunderingen hadden en dat men die moest onderdrukken. Dit belette Skobeljev niet om een maand later te beweren dat hij en zijn vrienden de revolutie gemaakt hadden.” Deze mededeling is erg tendentieus. Maar in wezen is de positie van de legale sociaaldemocraten, de mensjewieken, waarheidsgetrouw weergegeven.

Tenslotte zegt een latere leider van de linkervleugel van de sociaalrevolutionairen, Matlislavski, die later tot de bolsjewieken overging, over de Februari-omwenteling: “De revolutie heeft ons, toenmalige partijgenoten, als de dwaze jonkvrouwen uit het evangelie slapend verrast.” Het doet er hierbij niet toe in hoeverre zij op jonkvrouwen geleken, maar slapen deden ze inderdaad allemaal.

Hoe was het echter met de bolsjewieken gesteld? Dit is ons gedeeltelijk reeds bekend. De voornaamste leiders van de illegale bolsjewistische organisatie in Petrograd waren toentertijd drie mannen: de vroegere arbeiders Sjljapnikov en Saloezki en de vroegere student Molotov. Sjljapnikov, die lange tijd in het buitenland geleefd en met Lenin in nauw contact gestaan had, was politiek het meest geschoold en actief van de drie die het bureau van het centraal comité vormden. Toch wordt juist door de memoires van Sjljapnikov zelf bevestigd dat het trio niet tegen de gebeurtenissen opgewassen was. Tot op het laatste ogenblik geloofden de leiders dat het slechts om een van de vele revolutionaire demonstraties ging, maar niet om een gewapende opstand. De ons reeds bekende Kajoerov, een van de leiders van de wijk Vyborg, beweert categorisch: “Ordewoorden uit de partijcentra waren er absoluut niet… het Petrogradse comité was gevangengenomen en de vertegenwoordiger van het centraal comité, kameraad Sjljapnikov, kon geen ordewoorden voor de volgende dag geven.” De zwakte van de illegale organisaties was een direct gevolg van de politieke vernietigingscampagne, die dankzij de bij het uitbreken van de oorlog heersende patriottische stemming buitengewoon succesvol voor de regering geweest was. Iedere organisatie, ook de revolutionaire, heeft de tendens bij haar sociale basis achter te blijven. De ondergrondse organisaties van de bolsjewieken hadden zich in het begin van het jaar 1917 nog altijd niet van de verplettering en versplintering hersteld, terwijl in de massa’s de verpestende lucht van het patriottisme snel voor revolutionaire opstandigheid plaats maakte.

Om een duidelijk beeld van de toestand van de revolutionaire leiding te krijgen, moet opgemerkt worden dat de meest gezaghebbende revolutionairen, de leiders van de linkse partijen, zich in de emigratie en voor een deel ook in de gevangenissen bevonden. Hoe gevaarlijker een partij voor het oude regime geweest was, des te erger werd ze van haar leiding beroofd en speelde dit een rol op het begin van de revolutie. De narodniki hadden een Doemafractie, geleid door de partijloze radicaal Kerenski. De officiële leider van de sociaalrevolutionairen, Tsjernov, bevond zich in de emigratie. De mensjewieken beschikten in de Doema over een partijfractie met Tsjcheïdse en Skobeljev aan het hoofd. Martov leefde als emigrant in het buitenland. Dan en Tsereteli waren in verbanning. Rond de linkse fractie van narodniki en mensjewieken groepeerde zich een groot deel van de socialistische intellectuelen met een revolutionair verleden. Daaruit ontstond zoiets als een politieke staf die van die aard was dat hij pas na de overwinning in staat was op de voorgrond te treden. De bolsjewieken hadden geen Doemafractie. Vijf arbeidersafgevaardigden, in wie de tsaristische regering het organisatorisch centrum van de revolutie zag, waren vanaf de eerste maanden van de oorlog opgepakt. Lenin leefde in de emigratie en met hem ook Zinovjev. Kamenev, evenals ook de toen nog maar weinig bekende leiders Sverdlov, Rykov, Stalin, … waren in ballingschap. De Poolse sociaaldemocraat Dzerzjinski, die toen nog niet tot de bolsjewieken behoorde, bevond zich in een werkkamp. De toevallig aanwezige leiders oordeelden noch zichzelf, noch anderen in staat om een leidende rol in de revolutionaire gebeurtenissen te spelen, vooral omdat zij gewoon waren slechts onder onbetwist gezaghebbende leiding te handelen.

De bolsjewistische partij kon geen sterke leiding aan de opstand geven, maar bij de overige politieke organisaties was er van leiding in het geheel geen sprake. Dit versterkte de reeds zo sterk verspreide opvatting van het elementair karakter van de Februarirevolutie. Niettemin is dit volkomen foutief en op zijn zachtst gezegd zonder inhoud.

De strijd duurde in de hoofdstad niet één en ook niet twee uren, maar vijf dagen. De leiders poogden hem in te dammen. De massa’s antwoordden met een verscherpte stormaanval en drongen voorwaarts. Zij hadden tegenover zich de oude staat – achter de traditionele façade van deze oude staat werd nog een macht vermoed – maar ook de liberale burgerij met de Rijksdoema, Zemstvo- en stadsbesturen, oorlogsindustrie organisaties, academies, universiteiten en een wijdvertakte pers; tenslotte ook twee sterke socialistische partijen die tegen de druk van onderuit patriottische weerstand boden. In de bolsjewistische partij had de opstand de organisatie die het meest met haar sympathiseerde, maar deze organisatie was van haar leiders beroofd, kende verbrokkelde kaders en zwakke illegale afdelingen. Toch ontbrandde de revolutie die niemand in die dagen verwacht had, en toen men geloofde dat de beweging reeds uitdoofde, wist zij zich in een scherp opwaartse beweging en met machtige schokken de overwinning te verzekeren.

Vanwaar deze weergaloze kracht en hardnekkigheid van de stormaanval? Het is niet afdoende op de verbittering te wijzen. Verbittering alleen zou te weinig geweest zijn. Hoezeer de Peterburgse arbeiders in de oorlogsjaren door onbewerkt mensenmateriaal verwaterd waren, toch bezaten zij nog over een grote revolutionaire ervaring. In hun hardnekkigheid en hun aanvalskracht was er ondanks gemis aan leiding en tegenwerking van bovenaf een niet altijd uitgesproken, maar op levenservaring gebaseerde, beoordeling van de krachten en een zelfstandige strategische berekening.

Aan de vooravond van de oorlog volgde het revolutionaire deel van de arbeiders de bolsjewieken en wist het de massa mee te slepen. Op het begin van de oorlog verandert de toestand volkomen; de conservatieve middengroepen hieven het hoofd op en wisten een aanzienlijk deel van de klasse mee te sleuren terwijl de revolutionaire elementen geïsoleerd werden en verstomden. Gedurende de oorlog wijzigde de situatie zich, eerst langzaam en dan, na de nederlagen, sneller en radicaler. Ernstige ontevredenheid maakte zich van de gehele arbeidersklasse meester. Deze was weliswaar bij grote groepen nog patriottisch getint, maar dit had niets gemeen met het berekenend, laf patriottisme van de bezittende klassen die alle binnenlandse kwesties tot na de overwinning verdaagden. Juist de oorlog, haar offers, haar verschrikkingen en haar schande brachten niet alleen de oude, maar ook de nieuwe arbeidersgroepen met het tsaristisch bewind in conflict, deden hen met nieuwe kracht samenbotsen en tot de conclusie komen: men mag het niet langer dulden! Deze conclusie was algemeen, zij verenigde de massa’s en verleende deze een geweldige aanvalskracht.

Het leger groeide aan en nam miljoenen arbeiders en boeren in zich op. Iedereen had wel verwanten in het leger: een zoon, een man, een broer of een andere bloedverwant. In tegenstelling tot voor de oorlog was het leger niet meer van het volk afgescheiden. Men kwam nu veel meer met de soldaten samen, men begeleidde hen toen ze naar het front marcheerden, men leefde met hen mee toen ze in verlof naar huis terugkeerden, men sprak met hen in de straten of op de tram over het front. Men bezocht hen in de hospitalen. Arbeiderswijken, kazerne, front en grotendeels ook het dorp werden communicerende vaten. De arbeiders wisten wat de soldaat dacht en voelde. Zij voerden eindeloze gesprekken over de oorlog, over mensen die door de oorlog rijk werden, over generaals, over regering, over tsaar en tsarina. De soldaat zei over de oorlog: ‘Vervloekt is hij!’ De arbeider antwoordde over de regering: ‘Vervloekt zijn zij allen!’ De soldaat zei: ‘Waarom zwijgen jullie hier in het centrum?’ De arbeider antwoordde: ‘Met lege handen is er niets te beginnen, in 1905 hebben wij ons al bloedig het hoofd gestoten aan het leger.’ De soldaat reageert piekerend: ‘Als toch eens iedereen tegelijk opstond!’ De arbeiders: ‘Ja, allen tegelijk.’ Zulke gesprekken werden voor de oorlog slechts door enkelen gevoerd en hadden het karakter van een samenzwering. Nu sprak men overal zo, bij iedere gelegenheid en bijna openlijk, althans in de arbeiderswijken.

Meermaals slaagde de tsaristische Ochrana erin om een goede greep te doen. Twee weken voor de revolutie vermeldde een Petrogradse politiespion, die met de schuilnaam Krestjaninov ondertekende, in zijn rapport een gesprek in een tram die een arbeidersvoorstad doorkruiste. Een soldaat had verteld dat er uit zijn regiment acht man naar een werkkamp gezonden waren omdat zij in de herfst geweigerd hadden op de arbeiders van de Nobel-werken te schieten en in de plaats daarvan op de politie geschoten hadden. Dit gesprek werd volkomen openlijk gevoerd omdat politieagenten en rechercheurs er in de arbeiderswijken de voorkeur aan gaven zich niet te vertonen.

“Wij zullen met hen afrekenen,” besloot de soldaat zijn woorden. Het rapport luidt verder: “Een arbeider zei: ‘daartoe moet men zich organiseren zodat we allemaal één zijn.’ De soldaat antwoordde: ‘Daarover behoeft men zich geen zorgen te maken, bij ons is men al lang georganiseerd… Zij hebben genoeg bloed gedronken. De mensen lijden aan het front; hier vreten zij zich echter dik.’ Bijzondere dingen hebben zich niet voorgedaan. 10 februari 1917. Krestjaninov.” Wat een spionnenepos! ‘Bijzondere dingen hebben zich niet voorgedaan’. Ze zullen zich wel voordoen en het zal niet lang duren. Het gesprek in de tram kondigt aan dat deze ‘bijzondere dingen’ onvermijdelijk naderbij komen.

Mstislavski illustreert het elementair karakter van de opstand met een merkwaardig voorbeeld. Toen de “Bond van officieren van 27 februari”, die direct na de omwenteling opgericht was, door een onderzoek trachtte vast te stellen wie het eerst het Wolynskiregiment de straat op gebracht had, kwamen er zeven mededelingen over zeven initiatiefnemers tot deze beslissende actie. Het is hoogst waarschijnlijk, zouden wij eraan toevoegen, dat er inderdaad een deel van het initiatief bij verschillende soldaten lag, waarbij het niet uitgesloten is dat de voornaamste initiatiefnemer in de straatgevechten viel en zijn naam in de vergetelheid meenam. Dit doet echter aan de historische betekenis van dit naamloos initiatief niets af. Belangrijker is nog een andere kant van de zaak, die ons buiten de muren van de kazerne voert. De opstand van de gardebataljons die als een volkomen verrassing voor de liberale en legaal-socialistische kringen ontbrandde, kwam niet geheel onverwacht voor de arbeiders. Zonder hun opstand zou ook het Wolynskiregiment niet de straat op gegaan zijn. De botsing tussen de arbeiders en de Kozakken die de advocaat vanuit zijn raam zag en waarvan hij telefonisch aan een afgevaardigde melding gemaakt had, leek beiden een episode uit een onpersoonlijk proces toe; de massa’s van de fabrieken zijn met de massa’s van de kazerne in botsing gekomen. Maar voor de Kozak die het aandurfde te knipogen naar de arbeider lag dit anders. Voor de arbeider die meteen opmerkte dat de Kozak had geknipoogd, was dit ook zo. De organische vermenging van leger en volk ging onafgebroken voort. De arbeiders volgden nauwkeurig de stemming in het leger en voelden terstond het kritieke punt naderen. Dit gaf ook onweerstaanbare kracht aan de massa’s die alle vertrouwen in de overwinning hadden.

Wij moeten hier de treffende opmerking van een liberale waardigheidsbekleder citeren toen die een conclusie probeerde te trekken uit zijn waarnemingen over de Februarirevolutie: “Men zegt weleens dat de beweging elementair begon en dat de soldaten vanzelf de straat opgingen. Ik kan dit geenszins beamen. Wat wil het woordje elementair trouwens zeggen?… Het spontane ontstaan is in de sociologie nog minder mogelijk dan in de natuurwetenschap. Omdat geen enkele revolutionair leider van naam zijn etiket aan de beweging kan hechten, wordt zij nog niet onpersoonlijk, alleen naamloos.” Deze stelling die veel juister is dan de verwijzingen van Miljoekov naar Duitse agenten en Russische elementaire krachten, is afkomstig van een vroegere advocaat die als tsaristisch senator tegenover de revolutie kwam te staan. Wellicht heeft juist de rechtspraktijk Savadski in staat gesteld te begrijpen dat de revolutionaire opstand noch op commando van buitenlandse agenten, noch als een onpersoonlijk natuurproces kon ontstaan.

Dezelfde auteur vermeldt twee voorvallen die het hem mogelijk maakten als het ware door het sleutelgat een blik te werpen in het laboratorium van het revolutieproces. Vrijdag 24 februari, toen in regeringskringen nog niemand een omwenteling voor de komende dagen verwachtte, maakte de tram waarin de senator zat plotseling een bocht van het Litejny-Prospect om een zijstraat in te rijden. Dit gebeurde met zo’n lawaai dat de ruiten trilden en er een brak. De tram bleef staan. De conducteur verzocht iedereen uit te stappen. “De wagen zal niet verder rijden.” De passagiers protesteerden, scholden, maar moesten uitstappen. “Ik zie nu nog het gezicht van de zwijgende conducteur: boosaardig en vastbesloten, een soort wolvenkop.” Het tramverkeer liep overal vast zover het oog reikte. Deze vastberaden conducteur, in wie de liberale ambtenaar reeds de “wolvenkop” zag, moet een hoogontwikkeld plichtsbesef gehad hebben om in de straten van het keizerlijk Petrograd gedurende de oorlog een met ambtenaren gevulde tram tot staan te brengen. Soortgelijke conducteurs hebben de wagen van de monarchie tot stilstand gebracht, en dit ongeveer met dezelfde woorden: “De wagen zal niet verder rijden!” De bureaucratie werd op straat gezet zonder in de haast een onderscheid te maken tussen gendarmeriegeneraals en liberale senatoren. De conducteur van het Litejny-Prospect was een bewuste factor in de geschiedenis. En hij moet voor die tijd opgevoed zijn.

Tijdens de brand van het districtsgerechtshof uitte een liberaal jurist uit de kringen van dezelfde senator op straat zijn leedwezen erover dat het laboratorium van gerechtelijk onderzoek en het notariaatsarchief verwoest werden. Een wat oudere man met een somber voorkomen, naar zijn uiterlijk te oordelen een arbeider, antwoordde nors: “Wij zullen de huizen en het land ook zonder uw archief wel kunnen verdelen!” Waarschijnlijk is de gebeurtenis wat aangedikt. Dergelijke oudere arbeiders die de nodige repliek wisten te geven, waren er echter wel meer in de menigte. Ze waren zelf niet betrokken bij de brandstichting van het gerechtsgebouw, maar zulke excessen konden hen ook geen angst aanjagen. Zij voorzagen de massa’s van de nodige ideeën, niet alleen tegen de tsaristische politie, maar ook tegen de liberale juristen die vooral bang waren dat de notariële eigendomsakten in het vuur van de revolutie zouden opbranden. Deze naamloze ruwe politici van de fabriek en van de straat waren niet uit de hemel komen vallen, zij moesten eerst opgevoed zijn.

Terwijl zij de gebeurtenissen van de laatste februaridagen optekende, bestempelde ook de Ochrana de beweging als “elementair”, d.w.z. als een beweging zonder planmatige leiding van boven af. Zij voegde echter direct hieraan toe: “bij een bewerking van het proletariaat met propaganda van alle kanten.” Deze beoordeling raakt de kern van de zaak; de beroepsstrijders tegen de revolutie hadden, voordat zij de cellen van de bevrijde revolutionairen bezetten, het wezen van de zich afspelende processen beter begrepen dan de liberale leiders.

De mystiek van het elementaire verklaart niets. Om de situatie goed te beoordelen en het juiste moment van de slag tegen de vijand te bepalen, was het nodig dat de massa haar leidende groep, haar eigen eisen aan de historische gebeurtenissen stelde en haar eigen criteria bezat om ze te beoordelen. Er was m.a.w. niet een massa op zich nodig, maar de massa van de Petrogradse en de Russische arbeiders in het algemeen die de revolutie van 1905 beleefd hadden en de decemberopstand te Moskou van 1905 die op het Semjonovskigarderegiment te pletter gelopen was. Het was noodzakelijk dat zich onder deze massa arbeiders bevonden die over de ervaring van 1905 hadden nagedacht, kritiek hadden op de grondwettelijke illusies van de liberalen en mensjewieken, de vooruitzichten van de revolutie begrepen, talloze malen het probleem van het leger overdacht hadden, opmerkzaam volgden wat er in hun omgeving gebeurde en in staat waren om uit hun waarnemingen revolutionaire conclusies te trekken en deze aan de anderen mee te delen. Tenslotte was het noodzakelijk dat zich bij de troepen van het garnizoen vooruitstrevende soldaten bevonden die in hun verleden door revolutionaire propaganda gegrepen of op zijn minst beroerd waren.

In iedere fabriek, in iedere werkplaats, in iedere compagnie, in ieder theehuis, in het hospitaal, in elk tussenstation en zelfs in het ontvolkte dorp vond interne revolutionaire denkarbeid plaats. Overal waren er personen die de betekenis van de gebeurtenissen uiteenzetten, vooral arbeiders die men uitvroeg naar het nieuws dat er was en van wie men de nodige inzichten verwachtte. Deze kopstukken waren veelal aan zichzelf overgelaten, ze voedden zich met brokstukken van revolutionaire algemeenheden waartoe zij langs verschillende wegen kwamen; zelfs in liberale kranten lazen zij tussen de regels wat zij nodig hadden. Hun klasseninstinct was door een politiek criterium gescherpt en al trokken zij niet steeds de consequenties, zo gingen hun gedachten toch onophoudelijk en hardnekkig door in dezelfde richting. Elementen van ervaring, kritiek, initiatief en zelfopoffering doordrongen de massa en vormden de interne, oppervlakkig niet waarneembare, maar niettemin beslissende beweegkracht van de revolutionaire beweging als een bewust proces.

Voor de verwaande politici van het liberalisme en het gematigd socialisme lijkt alles wat onder de massa gebeurt een instinctief proces, alsof het om een mierenhoop of een bijenkorf ging. In werkelijkheid was de gedachte die diep in de arbeiders omging veel stoutmoediger, scherper en bewuster dan die ideeënwoestenij waarmee de beschaafde klassen hun tijd doorbrachten. Sterker nog, deze gedachte was ook wetenschappelijk meer gefundeerd. Niet alleen omdat zij in grote mate door de methoden van het marxisme bevrucht was, maar vooral omdat zij zich voortdurend met de levende ervaring van de massa’s voedde, de massa’s die spoedig de revolutionaire arena zouden betreden. De wetenschappelijkheid van een gedachte bestaat daarin dat zij in overeenstemming is met de objectieve processen en in staat is deze processen te beïnvloeden en te leiden. Bezaten de ideeën van de regeringskringen die zich op de Apocalyps inspireerden en in de dromen van Raspoetin geloofden ook maar in het minst deze eigenschappen? Of waren misschien de ideeën van het liberalisme wetenschappelijk gefundeerd, als het dacht dat het achtergebleven Rusland door aan de slachting van de kapitalistische reuzen deel te nemen in staat zou zijn de overwinning en het parlementarisme te veroveren? Of was het geestelijk leven van de intellectuele kringen wetenschappelijk, als ze slaafs van bij het begin een afgeleefd liberalisme volgden waarbij zij hun schijnbare zelfstandigheid door reeds lang verouderde redeneringen trachtten op te houden? Waarlijk, hier heerste een rijk van geestelijke starheid, van spoken, van bijgeloof, van ficties, om zo te zeggen, een rijk van elementaire krachten. Hebben wij derhalve niet volkomen het recht de liberale filosofie van de Februarirevolutie totaal om te keren? Ja, wij hebben het recht om dit te zeggen. Terwijl de officiële wereld – deze uit vele lagen bestaande bovenbouw van heersende klassen, lagen, groepen, partijen en kliekjes, dag in dag uit in traagheid en automatisme leefde, de tijd met resten van versleten ideeën doorbracht, doof voor de onverbiddelijke eisen van de ontwikkeling, zich door spookvisioenen liet verblinden en niets zag aankomen – voltrok zich in de arbeidersmassa’s een zelfstandig en diepgaand proces van groeiende haat tegen de heersers, maar ook van toenemend kritisch inzicht in de onmacht van deze, van opeenhoping van ervaring en scheppend vermogen dat met de revolutionaire opstand en zijn zegepraal eindigde.

Op de bovengestelde vraag, wie de Februari-opstand geleid heeft, kunnen wij derhalve positief antwoorden: de bewuste en gestaalde arbeiders die voornamelijk door de partij van Lenin opgevoed waren. Wij dienen hieraan echter toe te voegen: deze leiding was voldoende voor de overwinning van de opstand, maar zij was niet toereikend om de leiding van de revolutie van het begin af aan in handen van de proletarische voorhoede te leggen.

Vijf dagen – van 23 tot 27 februari 1917

23 februari was de internationale vrouwendag. In sociaaldemocratische kringen had men het voornemen deze op de gebruikelijke wijze te vieren met vergaderingen, redevoeringen en manifesten. Het kwam bij niemand op dat de vrouwendag de eerste dag van de revolutie zou worden. Geen enkele organisatie riep op deze dag tot stakingen op. Sterker nog, de bolsjewistische organisatie, en nog wel één van de meest actieve afdelingen, het comité van de overwegend proletarische wijk Vyborg, hield beslist van stakingen terug. Volgens de getuigenis van Kaljoerov, één van de leiders van deze wijk, was de stemming onder de massa’s zeer gespannen. Iedere staking dreigde in een openlijke botsing om te slaan. Daar het comité echter van mening was dat de tijd voor de strijd nog niet gekomen was, de partij nog niet voldoende geconsolideerd was en de arbeiders nog te weinig verbindingen met de soldaten hadden, besloot het niet tot de staking op te roepen, maar voorbereidingen te treffen voor een optreden in een onbepaalde toekomst. Dit was de gedragslijn van het comité aan de vooravond van 23 februari en schijnbaar keurde iedereen deze goed. De volgende morgen gingen de textielarbeidsters van enkele fabrieken tegen deze ordewoorden in toch over tot een staking en ze zonden afgevaardigden naar de metaalarbeiders met het verzoek de staking te ondersteunen. “Met een somber gemoed,” schrijft Kaljoerov, “gingen de bolsjewieken hierop in, bij wie zich de mensjewistische en sociaalrevolutionaire arbeiders aansloten.” Indien men echter een massale staking wilde, dan moest men iedereen op straat brengen en zich zelf aan het hoofd stellen. Dit besluit werd door Kaljoerov doorgedreven en het comité van Vyborg moest het goedkeuren. “De gedachte aan een actie rijpte reeds geruime tijd onder de arbeiders, alleen vermoedde niemand op dit moment welke vormen deze zou aannemen.” Let op deze verklaring van een deelnemer die voor een goed begrip van de loop van de gebeurtenissen zeer belangrijk is.

Van het begin af aan werd niet getwijfeld dat de soldaten in het geval van een demonstratie uit de kazernes tegen de arbeiders op straat gebracht zouden worden. Wat zou het gevolg zijn? Het is oorlog, de overheid laat niet met zich spotten. Aan de andere kant – de reservist in de oorlog is niet de vroegere soldaat van het gewone militieleger. Is hij zo gevaarlijk? Dit onderwerp werd in revolutionaire kringen wel veel besproken, doch meer abstract, want niemand, letterlijk niemand – dit mag men op grond van alle materiaal dat wij hebben positief beweren – dacht er in die tijd aan dat 23 februari het uitgangspunt van de beslissende aanval op het absolutisme zou worden. Er was sprake van een demonstratie met vage, in ieder geval slechts beperkte, vooruitzichten.

Het blijft derhalve een feit dat de Februarirevolutie van onderop begon na overwinning van de weerstand in revolutionaire organisaties zelf, waarbij het initiatief spontaan genomen werd door het meest onderdrukte en onderworpen deel van het proletariaat, de textielarbeidsters, onder wie er ongetwijfeld veel soldatenvrouwen waren. De laatste stoot werd gegeven door de steeds langer wordende files om brood. Ongeveer negentigduizend arbeidsters en arbeiders staakten op deze dag. De strijdlust ontlaadde zich in demonstraties, vergaderingen en botsingen met de politie. De beweging ontwikkelde zich in de wijk Vyborg met haar grote bedrijven, vanwaar zij naar de kant van Petrograd oversloeg. In de overige wijken kwamen volgens de verklaring van de Ochrana geen stakingen en geen demonstraties voor. Die dag werden reeds troepenafdelingen, hoewel in kleine getale, ter ondersteuning van de politie aangevoerd. Maar het kwam niet tot botsingen met deze. Een grote menigte vrouwen, niet alleen arbeidsters, trok naar de stadsdoema en eiste brood. Dit stond gelijk met van een bok melk te verlangen. In verscheidene wijken doken rode vaandels op waarop slogans stonden die aangaven dat de vrouwen brood wilden, maar ook dat ze het absolutisme en de oorlog niet meer wilden. De vrouwendag verliep met succes, met enthousiasme en zonder slachtoffers. Zelfs ’s avonds vermoedde niemand wat de beweging nog in zich droeg.

Niet alleen verflauwt de beweging de volgende dag niet, zij groeit zelfs enorm. Ongeveer de helft van de industriearbeiders van Petrograd staakt op 24 februari. De arbeiders verschijnen ’s morgens in de bedrijven, ze gaan echter niet aan het werk, maar organiseren vergaderingen en vormen optochten die naar het centrum van de stad marcheren. Nieuwe stadswijken en nieuwe bevolkingsgroepen worden in de beweging betrokken. De slogan “brood” wordt verdrongen door en bedolven onder de slogans “Weg met het absolutisme” en “Weg met de oorlog.” Onafgebroken demonstraties op het Nevski-Prospect: eerst compacte arbeidersmassa’s die revolutionaire liederen zingen, later verschijnt de bonte menigte uit de stad waaronder de blauwe mutsen van de studenten. “De wandelaars gedroegen zich welwillend tegenover ons en uit sommige hospitalen wuifden soldaten ons toe.” Zouden er velen zijn die duidelijk begrepen hebben wat dat sympathiserende wuiven van de zieke soldaten tot de demonstrerende arbeiders betekende? Intussen vielen de Kozakken de menigte onafgebroken, hoewel niet fel, aan. Hun paarden waren met schuim bedekt; de demonstranten weken uit elkaar, doch sloten zich terstond weer aaneen. Er heerste geen angst onder de massa. “De Kozakken beloven niet te zullen schieten,” ging het van mond tot mond. In het openbaar begonnen de arbeiders met enkele Kozakken een gesprek. Later doken echter scheldende halfdronken infanteristen te paard op. Ze reden op de menigte in en richtten met hun lansen naar de hoofden. De demonstranten hielden echter uit alle macht stand zonder uiteen te stuiven. “Men zal niet schieten.” Men schoot inderdaad niet.

Een liberaal senator merkte in de straten de lege trams op – of was het de volgende dag en had het geheugen hem in de steek gelaten? -, verscheidene met kapotgeslagen ramen, andere omvergeworpen dwars over de rails. Hij dacht weer aan de julidagen van 1914, aan de vooravond van de oorlog. Het scheen alsof de oude poging zich herhaalde. De senator had het niet verkeerd gezien – de voortzetting was onmiskenbaar: de geschiedenis pakte de eindjes van de door de oorlog verbroken revolutionaire draad weer op en knoopte ze aan elkaar.

De hele dag stroomden volksmassa’s uit de ene wijk van de stad naar de andere, werden ze door de politie op energieke wijze uit elkaar gejaagd, door cavalerie en gedeeltelijk ook door infanterie tegengehouden en teruggedrongen. Naast de kreet “Weg met de politie” weerklonk steeds vaker een “hoera!” op de Kozakken. Dit was kenmerkend. Tegen de politie was de menigte met wilde haat vervuld. Men ontving de bereden politieagenten met gefluit, stenen en stukken ijs. Geheel anders gedroegen de arbeiders zich tegenover de soldaten. Aan kazernes, naast wachtposten, patrouilles en afsluitkettingen stonden groepen arbeiders en arbeidsters; vriendschappelijke woorden vlogen over en weer. Dit was een nieuwe fase; zij was het gevolg van de toenemende stakingen en de confrontering van de arbeiders met het leger. Een zodanige fase is in elke revolutie onvermijdelijk, maar zij lijkt iedere keer nieuw en treedt ook inderdaad iedere keer op nieuwe wijze op: mensen, die over haar gelezen en zelfs geschreven hebben, herkennen haar niet, wanneer zij van aangezicht tot aangezicht tegenover haar staan.

In de Rijksdoema vertelde men op deze dag dat het gehele Snamenskiplein, het gehele Nevski-Prospect en alle aangrenzende straten met een ontzaglijke volksmenigte gevuld waren en dat men een geheel ongewoon verschijnsel waarnam: de revolutionaire, niet de patriottisch gezinde, menigte had de Kozakken en de met muziek marcherende regimenten met hoerageroep ontvangen. Op de vraag wat dit alles betekende, antwoordde de eerste de beste voorbijganger aan een afgevaardigde: “Een politieagent heeft een vrouw met de nagaika geslagen, de Kozakken grepen in en verdreven de politie.” Niemand kan controleren of het werkelijk zo of anders gebeurd is. De menigte geloofde in elk geval dat het zo gebeurd was, dat het waarschijnlijk was. Dit geloof was niet uit de hemel komen vallen, het stamde uit de vroeger opgedane ervaring en moest daarom tot een onderpand van de overwinning worden.

Het voltallige personeel van Ericson, een van de meest moderne bedrijven van het stadsdeel Vyborg, trok na een in de vroege morgen gehouden vergadering met 2500 man naar het Sampsonjevski-Prospect en stuitte op een nauw punt op Kozakken. Terwijl zij zich met de borst van de paarden een weg banen, dringen eerst de officieren op de menigte in. Achter deze, over de gehele breedte van de straat, rijden de Kozakken. Een beslissend ogenblik! Maar de ruiters volgen behoedzaam in een smalle rij door de gang die door de officieren gebaand is. “Enkelen van hen glimlachten,” herinnert zich Kaljoerov, “en één knipoogde de arbeiders welwillend toe.” Niet tevergeefs heeft de Kozak geknipoogd. De arbeiders zijn stoutmoediger geworden door de vriendschappelijke, alleszins niet vijandige, opstelling van de Kozakken en ze staken de Kozakken zelfs wat aan met die stoutmoedigheid. De knipogende Kozak vond navolgers. Ondanks de hernieuwde pogingen van de officieren slingerden de Kozakken zich door de menigte, zonder openlijk de discipline te schenden, maar ook zonder de menigte krachtig uit elkaar te jagen. Dit herhaalde zich drie à vier maal en bracht de partijen nader tot elkaar. De Kozakken begonnen individueel op vragen van arbeiders te antwoorden en zelfs vluchtige gesprekken aan te knopen. Slechts een dun, doorzichtig omhulsel van de discipline bleef over. Ook dat omhulsel dreigde spoedig, zeer spoedig, te scheuren. De officieren haastten zich de rij soldaten van de menigte los te maken, gaven de gedachte om de arbeiders uit elkaar te jagen op en stelden de Kozakken dwars over de straat op om de demonstranten niet naar het centrum door te laten. Maar ook dit hielp niet: volgens bevel op hun plaats staande, beletten de Kozakken de arbeiders niet onder de paarden door te “duiken”. De revolutie kiest haar wegen niet willekeurig: bij haar eerste schreden trok zij tot de overwinning op onder de buik van het kozakkenpaard door. Een merkwaardige episode! En merkwaardig is ook het oog van de verteller, bij wie alle fasen van het proces vast in het geheugen bleven. Geen wonder: de verteller was leider en achter hem stond meer dan tweeduizend man: het oog van de aanvoerder die de vijandelijke zweep of kogels te duchten heeft, ziet scherp.

De ommekeer in het leger was bij wijze van spreken het eerst bij de Kozakken tot uiting gekomen, bij die eeuwige steunpilaren van de orde en strafvoltrekkers. Dit wil echter niet zeggen dat de Kozakken meer revolutionair waren dan de andere troepen. Integendeel, deze welgestelde landeigenaren op hun paarden die hun bijzondere kozakkenrechten hoog inschatten, die de eenvoudige boeren verachtten en de arbeider wantrouwden, borgen vele elementen van conservatisme in zich. Maar juist hierom waren de door de oorlog veroorzaakte veranderingen voor hen het meest opmerkelijk. Bovendien werden juist zij voortdurend heen en weer gesleurd, juist zij vooruitgezonden en met de borst tegen het volk gesteld, juist zij ontzenuwd en boven alle anderen aan beproevingen blootgesteld. Dit alles waren zij duivels moe, zij wilden naar huis en knipoogden: doe wat jullie kunnen, wij hinderen u niet. Toch waren dit slechts veelzeggende symptomen. Het leger was nog een leger door discipline gebonden, en de monarchie had de gewichtigste draden nog in handen. De arbeidersmassa’s waren ongewapend. De leiders dachten nog niet aan de definitieve ontknoping.

Op deze dag kwam in de zitting van de ministerraad naast andere kwesties ook die van de onlusten in de hoofdstad ter sprake. Staking? Demonstratie? Niet de eerste keer. Alles voorzien. Maatregelen genomen. Overgang tot de orde van de dag.

Waarin bestonden die maatregelen eigenlijk? Ofschoon in de loop van 23 en 24 februari achtentwintig politieagenten een pak slaag kregen – een merkwaardig gedetailleerde accuraatheid – grijpt de chef van het militaire district, generaal Chabalov, die bijna dictator was, nog niet naar de vuurwapens. Niet uit zachtmoedigheid, alles was op voorhand voorzien en berekend, ook voor het schieten.

De revolutie kwam nu alleen maar verrassend snel. Beide polen, de revolutionaire en de regering, hadden zich in het algemeen zorgvuldig op haar voorbereid. Ze hadden zich jarenlang onafgebroken op deze revolutie voorbereid. Alle activiteiten van de bolsjewieken na 1905 waren gericht op de voorbereiding van een tweede revolutie. Maar ook de activiteiten van de regering waren voor een groot deel gericht op de voorbereiding van de onderdrukking van een nieuwe revolutie. Dit deel van de regeringsarbeid had in de herfst van 1916 een bijzonder planmatig karakter gekregen. Een commissie onder voorzitterschap van Chabalov was medio januari 1917 met de uitwerking van een zeer nauwkeurig plan tot het neerslaan van een opstand gekomen. De stad was in zes districten met elk een politiecommissaris opgedeeld, de districten vervolgens in rayons. Aan het hoofd van de gehele gewapende macht stond de bevelhebber van de gardereservetroepen, generaal Tsjebykin. De regimenten waren over de rayons verdeeld, in elk van de zes politiedistricten was het commando over politie, gendarmerie en troepen aan afzonderlijke stafofficieren overgegeven. De kozakkenruiterij stond onder persoonlijk bevel van Tsjebykin voor operaties van grotere omvang. De volgorde van de maatregelen tot het neerslaan was aldus bepaald: eerst treedt de politie alleen op, dan komen de Kozakken met zwepen op het toneel en alleen in het uiterste geval worden troepen met geweren en machinegeweren ingezet. En dit plan, dat slechts een uitwerking van de ervaring van 1905 was, werd in de februaridagen inderdaad uitgevoerd. Het probleem lag niet bij een gebrek aan vooruitziendheid, ook niet bij gebreken aan het plan zelf, maar bij het mensenmateriaal. Hier dreigde een grote leemte.

Formeel steunde het plan op het totale garnizoen dat honderdvijftigduizend man telde. In werkelijkheid werd echter op ongeveer tienduizend man gerekend: behalve op de politieagenten van wie er vijfendertighonderd waren, vertrouwde men op de instructiebataljons. Dit is uit het karakter van het toenmalig garnizoen van Petrograd te verklaren, dat bijna uitsluitend uit afdelingen reservetroepen bestond, voornamelijk uit de veertien reservebataljons van de garderegimenten die zich aan het front bevonden. Bovendien behoorden tot het garnizoen: een reserve infanterieregiment, een reserve wielrijdersbataljon, een reserve pantserwagendivisie, kleinere sappeur- en artillerietroepenafdelingen en twee regimenten Donkozakken. Dit was zeer veel, te veel. De opeengehoopte reservetroepen bestonden uit mensenmassa’s die of bijna geen militaire africhting gehad hadden of deze reeds weer kwijt geraakt waren. Zo was het eigenlijk met heel het leger gesteld.

Chabalov hield buitengewoon angstvallig aan het door hem uitgewerkte plan vast. Op de eerste dag, 23 februari, kwam uitsluitend politie in actie. Op 24 februari schoof men voornamelijk cavalerie naar voor die echter slechts met zwepen en lansen optrad. De inzet van infanterie en vuurwapens stelde men afhankelijk van de verdere ontwikkelingen. De gebeurtenissen lieten echter niet op zich wachten.

Op 25 februari breidde de staking zich nog meer uit. Volgens de regeringsmededelingen namen die dag 240.000 arbeiders er aan deel. De meer achtergebleven groepen volgen de voorhoede, vele kleinere bedrijven staken reeds. De trams blijven staan, de handelsondernemingen zijn gesloten. In de loop van de dag sluiten de leerlingen van de hogere onderwijsinstellingen zich bij de staking aan. Vele tienduizenden mensen stromen tegen de middag voor de kathedraal en in de naburige straten samen. Er worden pogingen gedaan vergaderingen in de openlucht te houden. Het komt tot gewapende botsingen met de politie. Bij het standbeeld van Alexander III zijn er sprekers. De bereden politie opent het vuur. Een spreker stort gewond neer. Schoten uit de menigte doden een wachtmeester van de politie, verwonden een politiecommissaris en enkele agenten. De gendarmes worden met flessen, voetzoekers en handgranaten bekogeld. De oorlog heeft deze kunst geleerd. De soldaten blijven passief, nu en dan zelfs vijandig tegenover de politie. In de menigte vertelt men elkaar opgewonden dat de Kozakken, toen de politie bij het standbeeld van Alexander III begon te schieten, een salvo op de bereden ‘farao’s’ (bijnaam voor de politieagenten) gelost hadden en dat deze moesten vluchten. Dit is zeker geen legende die men verspreid heeft om zichzelf moed in te spreken, want het voorval wordt in verschillende lezingen van verschillende kanten bevestigd.

De bolsjewistische arbeider Kaljoerov, een van de echte leiders in die dagen, vertelt hoe de demonstranten op een plein dichtbij een rij Kozakken voor de zwepen van de bereden politie uiteenstoven en hoe hij, Kaljoerov, en nog enkele arbeiders de vluchtenden niet volgden, maar de hoed afnamen en zich tot de Kozakken wendden met deze woorden: “Kozakken, broeders, helpt de arbeiders in hun vreedzame strijd, jullie zien hoe de farao’s met ons hongerende arbeiders omgaan. Help ons!” Deze opzettelijk deemoedige toon, de hoed in de hand – welk een fijne psychologische berekening, welk een weergaloos gebaar! ledere geschiedenis van straatgevechten en revolutionaire overwinningen is vol van zulke vindingen. Alleen gaan zij in de maalstroom van de grote gebeurtenissen onder en de geschiedschrijvers blijft slechts het omhulsel van gemeenplaatsen over. “De Kozakken keken elkaar verwonderd aan,” zo gaat Kaljoerov voort, “nauwelijks hadden wij tijd opzij te gaan of zij stortten zich in het gewoel. Na enige minuten tilde de menigte bij de poort van het station een Kozak op haar handen omhoog, een Kozak die voor de ogen van de menigte met zijn sabel een politieagent neergeslagen had.”

De politie droop snel volledig af, d.w.z. zij begon uit hinderlagen op te treden. Daarentegen verschenen soldaten met geschouderd geweer. De arbeiders riepen hen bezorgd toe: “Kameraden, zijn jullie waarlijk gekomen om de politie te helpen?” Het antwoord was een bars “doorlopen!” Een hernieuwde poging om een gesprek te beginnen, eindigde op dezelfde manier. De soldaten zijn somber, er knaagt iets in hun binnenste, ook zij houden het niet langer uit, zeker niet als de gestelde vraag tot de kern van hun pijn doordringt.

Ontwapening van de farao’s wordt ondertussen de algemeen gedragen eis. De politie is de verbitterde, onverzoenlijke, gehate en hatende vijand. Er kan geen sprake zijn van het overwinnen van de politie. De agenten moet men verslaan of doodslaan. Met het leger is het anders. De massa vermijdt op elke manier vijandige botsingen met het leger; integendeel, zij tracht de soldaten aan haar kant te winnen, te overtuigen, over te halen, hun vertrouwen te wekken, het met hen eens te worden. Ondanks de, wellicht ook enigszins overdreven gunstige, geruchten over het optreden van de Kozakken, is de menigte op haar hoede voor hen. De cavalerist steekt hoog uit boven de massa en zijn ziel is door vier paardepoten van de ziel van de demonstranten gescheiden. Een gestalte naar wie men moet opkijken, lijkt altijd gewichtig en dreigend. De infanterie staat op gelijke hoogte op de straatstenen, is dichterbij en beter te bereiken. De massa doet moeite om hiermee toenadering te krijgen en de infanteristen te bereiken. Een grote rol in de betrekkingen tussen arbeiders en soldaten spelen de vrouwen, de arbeidsters. Stoutmoediger dan de mannen dringen zij op tegen de rij soldaten, grijpen met de handen naar de geweren, smeken, bevelen bijna: “Wendt uw bajonetten af, sluit u bij ons aan!” De soldaten zijn opgewonden, beschaamd, kijken elkaar onrustig aan, aarzelen; de een of ander vat het eerst moed – en de bajonetten gaan omlaag, de barrière is gebroken, een verheugd, dankbaar hoera schalt door de lucht, de soldaten worden omringd, overal woordenwisselingen, verwijten, vermaningen – de revolutie heeft weer een stap vooruit gedaan.

Nicolaas zendt vanuit het hoofdkwartier een telegrafisch bevel aan Chabalov om “morgen nog” de onlusten te onderdrukken. De wil van de tsaar is in overeenstemming met de verdere schakel in het “plan” van Chabalov, zodat het telegram alleen maar een extra aansporing is. Morgen moeten de troepen een woordje meespreken. Is het niet te laat? Dit is voorlopig nog niet te zeggen. De vraag is gesteld, maar nog lang niet beantwoord. De toegevendheid van de Kozakken, het aarzelen van enkele rijen infanterie zijn slechts veelbelovende voorvallen, door de duizendvoudige echo van de ontvankelijke massa’s op straat herhaald. Het is voldoende om de revolutionaire massa met geestdrift te vervullen, maar te weinig voor de overwinning. En wel te meer daar er ook voorvallen in tegengestelde zin zijn. Later op de dag opende een troep dragonders, klaarblijkelijk in antwoord op revolverschoten uit de menigte, voor het eerst vuur op de demonstranten bij de Gostiniy Dwor. Volgens het rapport van Chabalov aan het hoofdkwartier waren er drie doden en tien gewonden. Een ernstige waarschuwing! Tegelijkertijd uitte Chabalov het dreigement om alle opgeroepen arbeiders naar het front te zenden indien zij niet vóór 28 februari het werk hervatten. De generaal stelt een ultimatum van drie dagen, voor de revolutie een langere termijn dan zij nodig heeft om Chabalov ten val te brengen en de monarchie erbij. Maar dit zal men pas na de overwinning opmerken. In de avond van 25 februari vermoedt nog niemand wat de volgende dag zal brengen.

Laten we proberen om de betekenis van de gebeurtenissen duidelijker te stellen. Onder de vlag van de “vrouwendag” begon op 23 februari de lang gerijpte en lang tegengehouden opstand van de arbeidersmassa’s van Petrograd. De eerste fase van de opstand was de staking. Gedurende drie dagen breidde deze zich steeds meer uit en werd ze feitelijk een algemene staking. Dit alleen al versterkte het gevoel van zekerheid bij de massa’s en dreef hen voorwaarts. De staking nam steeds meer een agressief karakter aan, vergezeld van demonstraties waarbij de revolutionaire massa’s in botsing kwamen met de troepen. Dit bracht de taak in zijn geheel op een hoger plan waar de gewapende macht besliste. De eerste dagen brachten een reeks gedeeltelijke successen die echter meer van symptomatische dan wel van wezenlijke betekenis waren.

Een revolutionaire opstand die enige dagen voortduurt, kan slechts slagen indien ze bij elke fase aan kracht wint en steeds nieuwe vooruitgang vertoont. Een stilstand in de succesvolle ontwikkeling is gevaarlijk, lange tijd ter plaatse blijven trappelen is fataal. Maar ook successen op zich volstaan niet, het is nodig dat de massa’s ervan op de hoogte zijn en ze naar waarde kunnen schatten. Men kan de overwinning laten voorbijgaan op een ogenblik dat men slechts de armen hoeft uit te steken om de overwinning binnen te halen. Dit is in de geschiedenis al meermaals voorgekomen.

De eerste drie dagen waren dagen van onafgebroken opvoering en verscherping van de strijd. Juist hierdoor bereikte de beweging een hoogte waarop geïsoleerde successen niet meer voldoende waren. De actieve massa kwam in haar geheel op straat. Met de politie speelde zij het met succes en zonder veel moeite klaar. De troepen waren de laatste twee dagen reeds bij de gebeurtenissen betrokken, op de tweede dag de cavalerie en op de derde dag ook de infanterie. Zij drongen terug, versperden de weg, zagen veel door de vingers en grepen bijna niet naar vuurwapens. De regering haastte zich niet haar plan te veranderen, deels omdat men de betekenis van de gebeurtenissen onderschatte – het gebrekkig inzicht van de reactie liep parallel met de tekortkomingen van de leiders van de revolutie -, deels omdat men niet zeker was van de toekomst. De derde dag echter was de regering zowel door de uitbreiding van de strijd als door een bevel van de tsaar verplicht om de troepen tot krachtdadiger ingrijpen te bevelen. De arbeiders en onder hen vooral de meest bewuste groep begrepen dit, zeker nadat de dragonders een dag eerder reeds geschoten hadden. Beide partijen kwamen nu voor de kwestie in haar volle omvang te staan.

In de nacht van 26 februari arresteerde men in diverse wijken van de stad ongeveer honderd personen die tot verschillende revolutionaire partijen behoorden, waaronder ook vijf leden van het Peterburgs comité van de bolsjewieken. Hieruit bleek in ieder geval dat de regering tot de aanval overgegaan was. Wat zal er vandaag gebeuren? Hoe zullen na de schietpartij van gisteren de arbeiders vandaag ontwaken? En wat de hoofdzaak is: wat zullen de troepen doen? Het morgenrood van 26 februari gloeide in een nevel van onzekerheid en drukkende bezorgdheid.

Tengevolge van de arrestatie van het Petrogradse comité ging de leiding van alle arbeiders in de stad over op de wijk Vyborg. Wellicht is het ook beter zo. De opperste leiding van de partij komt hopeloos te laat. Pas in de ochtend van 25 februari heeft het bureau van het centraal comité van de bolsjewieken eindelijk besloten een manifest te verspreiden met de oproep tot een algemene werkstaking in geheel Rusland.

Op het moment van het verschijnen van dit manifest – als het ooit daadwerkelijk verschenen is – ziet de algemene werkstaking in Petrograd zich reeds voor de noodzakelijkheid van een gewapende opstand geplaatst. De leiding kijkt toe, twijfelt en blijft achter, d.w.z. zij leidt niet. Zij loopt achter de beweging aan. Hoe dichter bij de bedrijven, des te groter is de vastberadenheid. Vandaag echter, op 26 februari, is er ook in de wijken alarm. Hongerig, moe, verkleumd, met een reusachtige historische verantwoordelijkheid op de schouders, komen de leiders van Vyborg buiten de stad in de moestuinen bijeen om hun indrukken van de dag uit te wisselen en een gemeenschappelijke marsroute uit te stippelen… Waartoe? Tot een nieuwe demonstratie? Waartoe kan echter een ongewapende demonstratie leiden indien de regering besloten heeft tot het uiterste over te gaan? Deze vraag kwelt hen. “Slechts één ding leek zeker, de opstand wordt neergeslaan.” Wij horen hier de stem van de ons reeds bekende Kaljoerov, op het eerste gezicht lijkt het nochtans niet alsof we Kaljoerov horen. Voor de storm was de barometer zo ver teruggelopen.

In de uren waarin de aarzeling zich zelfs van de revolutionairen die het dichtst bij de massa’s staan meester maakt, is de beweging zelf eigenlijk reeds veel verder gegaan dan het het degenen die eraan deelnemen toelijkt. Reeds aan de vooravond, op 25 februari, was het stadsdeel van Vyborg volkomen in handen van de opstandelingen. De politiebureau’s waren verwoest, enkele politieagenten gedood, het merendeel hield zich verborgen. Het stadsbestuur had het contact met een aanzienlijk deel van de hoofdstad totaal verloren. In de ochtend van 26 februari blijkt dat niet alleen het stadsdeel Vyborg, maar ook Peski tot vrijwel dicht bij Litejny-Prospect door de opstandelingen bezet zijn. De politierapporten beschrijven althans de toestand zo. In zekere zin was het juist, ofschoon de opstandelingen zelf zich hiervan niet duidelijk bewust waren; de politie verliet haar schuilholen in vele gevallen reeds vóórdat zij aan een bedreiging van de kant van de arbeiders blootgesteld was. Afgezien hiervan kon de zuivering van de fabriekswijken van politie in de ogen van de arbeiders echter niet beslissend zijn: de troepen hadden immers het laatste woord nog niet gesproken. De opstand wordt “geliquideerd”, zo dachten de meest stoutmoedigen onder de stoutmoedigen. Inmiddels was hij bezig zich ten volle te ontplooien.

26 februari was een zondag. De fabrieken waren gesloten en dit maakte het niet mogelijk om de stormloop van de massa’s af te meten aan de omvang van de staking. Hierbij kwam nog dat de arbeiders zich op deze dag niet zoals de vorige dagen in de bedrijven konden verzamelen, hetgeen de demonstratie bemoeilijkte. In de morgen was het stil op het Nevski-Prospect. In deze uren telegrafeerde de tsarina aan de tsaar: “In de stad heerst rust.” De rust duurde echter niet lang. Geleidelijk verzamelen de arbeiders zich en begeven zich uit alle voorsteden naar het centrum. Men laat hen niet over de bruggen. De massa’s stromen over het ijs: het is immers nog februari en de gehele Neva is een brug van ijs. De beschieting van de menigte op het ijs is niet voldoende om haar tegen te houden. De stad is als veranderd. Overal patrouilles, kettingen, rijen ruiters. De toegangen tot het Nevski worden bijzonder scherp bewaakt. Voortdurend weerklinken salvo’s uit onzichtbare hinderlagen. Het aantal doden en gewonden stijgt. In verschillende richtingen rijden de ambulancewagens. Het is niet vast te stellen vanwaar geschoten wordt en wie schiet. Ongetwijfeld heeft de politie na de ernstige les die zij kreeg, besloten zich niet meer openlijk aan gevaar bloot te stellen. Zij schiet uit vensters, balkondeuren, achter zuilen vandaan, vanaf daken. Vermoedens doen de ronde en worden snel legenden. Men zegt dat vele soldaten in politieuniformen gestoken worden om de demonstranten af te schrikken. Men vertelt dat Protopopow talloze posten mitrailleurs op daken geplaatst heeft. Een na de revolutie ingestelde commissie heeft het bestaan van zulke posten niet kunnen constateren. Dit wil echter niet zeggen dat zij er niet geweest zijn. In elk geval bleef de politie deze dag op de achtergrond. Inderdaad komen nu definitief de militairen op het toneel. Hen wordt streng opgelegd om te schieten en de soldaten, vooral de instructiebataljons, d.w.z. de regimentsscholen voor onderofficieren, schieten inderdaad. Volgens officiële berichten waren er op deze dag ongeveer veertig doden en evenveel gewonden; dat is zonder diegenen die door de menigte weggevoerd of weggedragen werden. De strijd komt in een beslissend stadium. Zal de massa voor de kogels terugwijken naar haar stadsdelen? Neen, zij wijkt niet terug. Zij wil haar doel bereiken.

Angst maakt zich van het ambtelijk burgerlijk liberaal Petrograd meester. De voorzitter van de Rijksdoema, Rodsjanko, eist die dag het zenden van betrouwbare troepen van het front; dan “overlegt” hij met zichzelf en raadt de minister van oorlog Belajew aan de massa niet met vuur, maar met koud water uit de slangen van de brandweer uiteen te jagen. Na een conferentie met generaal Chabalov antwoordt Belajew dat douches een omgekeerde werking heben, “omdat zij juist opwindend werken.” Zo beraadslaagden liberalen, ambtenaren en politie over de voordelen van een koude of een warme douche voor het opstandige volk. De politierapporten van deze dag laten zien dat de brandslangen niet voldoende waren. “Tijdens de onlusten kon men algemeen waarnemen dat de woedende massa’s een buitengewoon uitdagende houding tegenover de troepen aannamen; op het bevel om uiteen te gaan, antwoordde de menigte met stenen en van de straat opgeraapte stukken ijs. Wanneer waarschuwingsschoten in de lucht gelost werden, ging de menigte niet alleen niet uiteen, maar begroette zij zulke salvo’s met gelach. Pas na het lossen van scherpe schoten in de menigte gelukte het de samenscholingen te verspreiden, maar de deelnemers verstopten zich meestal op naburige binnenplaatsen om terug op straat te komen zodra het schieten was gestopt.” Dit politioneel verslag laat de buitengewoon verhitte stemming van de massa’s zien. Het is weliswaar onwaarschijnlijk dat de massa uit zichzelf begonnen is de militairen, al waren het de instructiebataljons, met stenen en ijs te bombarderen. Dit is volkomen in strijd met de geestesgesteldheid van de opstandelingen en hun verstandige taktiek tegenover het leger. De toon van de rapporten dient om de massamoorden nadien te rechtvaardigen, niet om een waarheidsgetrouwe versie van de feiten te brengen. De kern is echter juist en sterk weergegeven: de massa wil niet meer wijken, zij verzet zich met optimistische woede, blijft op straat ook na de dodelijke salvo’s, klampt zich niet vast aan het leven, maar aan het plaveisel, aan de stenen, aan het ijs. De menigte is niet alleen verbitterd, zij is stoutmoedig. En wel omdat zij ondanks de schietpartijen het vertrouwen in de troepen niet verloren heeft. Zij rekent op een overwinning en wil deze tot iedere prijs veroveren.

De druk van de arbeiders op het leger wordt sterker, tegen de druk van de autoriteiten op het leger in. Het garnizoen van Petrograd komt definitief in het brandpunt van de gebeurtenissen te staan. De periode van afwachting, een periode die drie dagen duurde en warin het grootste deel van het garnizoen nog een welwillende neutraliteit tegen de opstandelingen kon aannemen, is voorbij. “Schiet op de vijand!” beveelt de monarchie. “Schiet niet op uw broeders en zusters!” roepen de arbeiders en arbeidersvrouwen, en niet alleen dit, “Sluit U bij ons aan!” Zo speelt zich in de straten en op de pleinen, bij de bruggen, aan de poorten van de kazernes een onafgebroken, nu eens dramatische, dan weer onzichtbare, maar steeds vertwijfelde strijd om de soldatenziel af. In deze strijd, in dit directe contact van de arbeiders en arbeidersvrouwen met de soldaten onder een onafgebroken geknetter van geweren en machinegeweren werd het lot van de regeermacht, van de oorlog en van het land beslist.

Het neerslaan van demonstranten doet de onzekerheid onder de leiders toenemen. Juist het vurig enthousiasme van de beweging gaat gevaarlijk lijken. Zelfs in de zitting van het Vyborgs comité, in de avond van 26 februari, d.w.z. twaalf uren voor de overwinning, is er sprake van of het niet tijd is op te roepen tot een opheffen van de algemene werkstaking. Dit lijkt opmerkelijk. Het is echter veel gemakkelijker de overwinning een dag nadat ze bekomen is te zien dan een dag ervoor. De stemming wisselt overigens telkens onder invloed van de gebeurtenissen en geruchten. Moedeloosheid en toenemend vertrouwen wisselen elkaar snel af. De Kajoerovs en Tsjoegoerins hebben genoeg persoonlijke moed, maar de verantwoordelijkheid voor de massa’s weegt soms zwaar op hen. Minder aarzeling is er onder de arbeiders zelf. Over de stemming van deze meldt een goed op de hoogte zijnde agent van de Ochrana, Sjoerkanov, die in de bolsjewistische organisatie een belangrijke rol gespeeld heeft, aan zijn superieuren. “Daar de troepen de menigte niet hinderden,” zo schreef deze provocateur, “maar in sommige gevallen zelfs maatregelen troffen om het optreden van de politie te verlammen, groeide onder de massa’s het gevoel van straffeloosheid en vandaag heeft bij het volk, nadat dit twee dagen ongehinderd in de straten verbleven heeft en nadat de revolutionaire kringen de leuzen “Weg met de oorlog” en “Weg met het absolutisme” opgesteld hebben, het geloof post gevat dat de revolutie begonnen is, dat het succes van de massa’s verzekerd is en de regering de beweging niet kan onderdrukken omdat de troepen aan de kant van het volk staan, dat de beslissende overwinning nabij is omdat de troepen vandaag of morgen openlijk naar de revolutionaire strijdkrachten zullen overgaan, dat de ontketende beweging niet meer tot stilstand zal komen, maar onafgebroken zal toenemen tot de volledige overwinning en de omwenteling.” In haar beknoptheid en kracht een voortreffelijke beschrijving! Het rapport is een buitengewoon waardevol historisch document. Dit zou de overwinnende arbeiders er natuurlijk niet van beletten om de opsteller ervan dood te schieten.

De provocateurs, die zeker in Petrograd met een groot aantal waren, vrezen meer dan wie ook de overwinning van de revolutie. Zij volgen hun traditionele politiek: bij de bolsjewistische beraadslagingen verdedigt Sjoerkanov de meest radicale daden. In zijn rapporten aan de Ochrana bepleit hij de noodzakelijkheid van een krachtig gebruik van wapens. Sjoerkanov was hiertoe misschien zelfs geneigd de strijdlust van de arbeiders te overdrijven. In wezen heeft hij echter gelijk: zijn oordeel zal weldra door de gebeurtenissen bevestigd worden.

Aarzeling en onzekerheid heersten bij de leiding in beide kampen, want niemand kon van te voren de machtsverhoudingen juist beoordelen. De uiterlijke verschijnselen hebben definitief opgehouden tot graadmeter te dienen. Een van de voornaamste kenmerken van de revolutionaire crisis bestaat juist in de scherpe tegenstelling tussen het bewustzijn en de oude vormen van de maatschappelijke verhoudingen. De nieuwe machtsverhouding drong op geheimzinnige wijze door in het bewustzijn van de arbeiders en soldaten. Het feit dat de regering tot de aanval overging, als antwoord op de aanval door de revolutionaire massa’s, zorgde ervoor dat het potentieel van de nieuwe machtsverhouding in de realiteit werd gebracht. Vol verwachting en met aandrang keek de arbeider de soldaat in de ogen; deze wendde echter onzeker en onrustig de blik af. Dit betekende dat de soldaat niet meer zeker van zichzelf was. De arbeider naderde nu moediger tot hem. De soldaat volhardde in een somber, maar niet vijandig, eerder schuldbewust stilzwijgen. Dikwijls – steeds vaker – antwoordde hij met een ogenschijnlijke barsheid om te verbergen hoe onrustig het hart in zijn boezem klopte. Zo voltrok zich de ommekeer. De soldaat schudde zijn soldaatzijn klaarblijkelijk van zich af. Daarbij herkende hij zichzelf in het begin niet. De superieuren zeiden dat de revolutie de soldaat dronken maakte, de soldaat daarentegen scheen het toe alsof hij uit de opiumroes van de kazerne ontwaakte. Zo werd de beslissende dag voorbereid: 27 februari.

Maar reeds aan de vooravond van 27 februari deed zich een gebeurtenis voor die ondanks haar geïsoleerde karakter toch een nieuw licht op de gebeurtenissen van 26 februari werpt. ’s Avonds muitte de vierde compagnie van de lijfgarde van het Pawlovski-regiment. In het schriftelijk rapport van een politieinspecteur wordt de oorzaak van de opstand zeer categorisch omschreven: verontwaardiging over het instructiebataljon van hetzelfde regiment dat tijdens de wachtdienst op het Nevski op de menigte geschoten had. Wie heeft de vierde compagnie daarvan op de hoogte gebracht? Toevallig is hierover een mededeling bewaard gebleven. Tegen twee uur ’s middags kwam een troep arbeiders naar de kazernes van het Pawlovski-regiment gelopen, die elkaar opgewonden in de rede vallend vertelden van de schietpartij op het Nevski. “Zegt aan de kameraden dat ook de Pawlovski-soldaten op ons schieten, op het Nevski hebben wij soldaten in jullie uniform gezien.” Dit was een bitter verwijt, een vurige oproep. “Iedereen was ontroerd en bleek.” Het zaad was niet op een rots gevallen. Tegen zes uur verliet de vierde compagnie eigenmachtig de kazerne onder commando van een onderofficier – wie was het? Zijn naam ging spoorloos in de honderden en duizenden evenzeer heldhaftige namen onder – en begaf zich naar het Nevski om haar instructiebataljon weg te halen. Dit is geen muiterij van soldaten om spek vol maden, het is een daad van verheven revolutionair initiatief. Onderweg kwam de compagnie in conflict met een troep bereden agenten; zij schoot, doodde een politieagent en een paard, verwondde een politieagent en een paard. Van de verdere tocht van de opstandelingen door het net van straten is niets bekend.

De compagnie keerde in de kazerne terug en bracht het gehele regiment op de been. Intussen waren echter de wapens weggebracht; volgens enige mededelingen gelukte het de soldaten echter in het bezit van dertig geweren te komen. Spoedig werden zij door soldaten van het Preobrasjenski-regiment omsingeld, negentien man gearresteerd en in de vesting gebracht. De rest gaf zich over. Volgens een andere lezing ontbraken ’s avonds eenentwintig man met geweren op het appel. Een gevaarlijk lek! De eenentwintig soldaten zullen de hele nacht bondgenoten en beschermers zoeken. Slechts de overwinning van de revolutie kan hen redden. Van hen zullen de arbeiders betrouwbare inlichtingen over het voorgevallene krijgen. Dit is geen slecht voorteken voor de gevechten van morgen.

Nabokov, een van de bekendste liberale leiders wiens geloofwaardig klinkende memoires op sommige plaatsen een dagboek van zijn partij en van zijn klasse lijken, keerde om een uur ’s nachts van een bezoek naar huis terug door donkere, dreigende straten. Hij was bezorgd en had sombere voorgevoelens. Mogelijk is het dat een van de weggelopen Pawlovski’s hem op de hoek van een straat ontmoette. Zij gingen haastig elkaar voorbij, zij hadden elkaar niets te zeggen. In de arbeiderswijken en in de kazernes waakten of beraadslaagden sommigen met elkaar, terwijl de anderen de lichte slaap van het bivak sliepen en onrustig van de dag van morgen droomden. Daar vond de weggelopen Pawlovski-soldaat een onderdak.

Hoe schaars zijn de aantekeningen over de massagevechten in de februaridagen, karig zelfs vergeleken met de niet zeer talrijke aantekeningen over de oktobergevechten. In oktober werden de opstandelingen dag in, dag uit door de partij geleid. In de artikelen, oproepen, protocollen van de partij is toch in ieder geval de volgorde van de gevechten te vinden. Anders was het in februari. Een leiding van de massa’s van bovenaf was er bijna niet. De kranten zwegen, want er werd gestaakt. Zonder om zich heen te kijken, maakten de massa’s zelf hun geschiedenis. Het is nagenoeg onmogelijk een levendig beeld van de gebeurtenissen in de straten te geven. Het is al een prestatie om de volgorde in het algemeen en de innerlijke wetmatigheid te kunnen weergeven.

De regering, die het machtsapparaat nog in handen had, overzag de gebeurtenissen in haar geheel nog slechter dan de linkse partijen, die zoals wij weten allesbehalve op de hoogte waren. Na de succesvolle schietpartijen van 26 februari kregen de ministers weer een ogenblik moed. In de vroege morgen van 27 februari meldt Protopopow kalmerend dat volgens de voorhanden berichten een deel van de arbeiders van plan is het werk te hervatten. De arbeiders dachten er echter in de verste verte niet aan weer naar de werkvloer terug te keren. De schietpartijen en tegenslagen van de vorige dag hebben de massa’s niet ontmoedigd. Hoe is dit te verklaren? Klaarblijkelijk wogen de verliezen niet op tegen de stappen vooruit die gezet waren. De opstandige massa wordt terwijl ze door de straten trekt, met de vijand in botsing komt, de soldaten aan het wankelen brengt, onder de buiken van paarden doorkruipt, aanvalt, uit elkaar stuift, op de hoeken van de straten doden achterlaat, af en toe wapens verovert, berichten doorgeeft, geruchten opvangt, …  een collectief met ontelbare ogen, oren en voelhorens.

’s Nachts van het toneel van de strijd teruggekeerd in de fabriekswijken, verwerkt de massa de indrukken van de dag en maakt ze een balans op waarbij het onbelangrijke en toevallige opzij geschoven worden. In de nacht van de 27ste zag die balans er ongeveer zo uit als de provocateur Sjoerkanov het aan zijn oversten meldde.

’s Morgens stromen de arbeiders weer in de bedrijven samen en besluiten ze in gemeenschappelijke vergaderingen de strijd voort te zetten. Het meest enthousiast zijn zoals altijd de Vyborgers. Maar ook in de andere wijken verlopen de meetings onder grote geestdrift. Verderzetting van de strijd! Maar wat betekent dit vandaag? De algemene werkstaking had zich in revolutionaire demonstraties van geweldige massa’s opgelost en de demonstraties hadden tot confrontaties met de troepen geleid. De strijd voortzetten betekent vandaag oproepen tot een gewapende opstand. Deze oproep doet echter niemand. Hij komt onvermijdelijk uit de gebeurtenissen voort, maar is geenszins door de revolutionaire partij op de agenda geplaatst.

Op kritieke ogenblikken bestaat de kunst van de revolutionaire leiding voor negen tienden erin goed te luisteren naar de massa’s. Een beetje zoals Kaljoerov die de beweging van de kozakkenwenkbrauwen had opgemerkt, maar dan op een veel grotere schaal. De grote kracht van Lenin bestond in zijn onovertroffen talent om de massa’s te beluisteren. Lenin was echter niet in Petrograd. De legale en semilegale “socialistische” staven, de Kerenski’s, Tsjcheïdses, Skobeljevs, en al diegenen die er om heen gonsden, konden slechts waarschuwingen geven en de beweging remmen. Maar ook de centrale bolsjewistische staf die uit Sjljapnikov, Saloezki en Molotov bestond, legt een verbluffende hulpeloosheid en gemis aan initiatief aan de dag. In werkelijkheid waren de wijken en de kazernes aan hun lot overgelaten. De eerste oproep aan de troepen werd op 26 februari gedaan door een sociaaldemocratische organisatie die dicht bij de bolsjewieken stond. Deze oproep had een erg besluiteloos karakter, zelfs een oproep om de zijde van het volk te kiezen ontbrak. De oproep werd vanaf de ochtend van de 27ste in alle stadsdelen verspreid. Maar, zo vertelt Joerenjev als leider van deze organisatie, “het tempo van de revolutionaire gebeurtenissen was zodanig dat onze woorden ver achterop liepen. Toen de manifesten de soldaten bereikten, waren die reeds bezig zich over te geven.”  Bij de bolsjewieken werd in de ochtend van 27 februari op aandringen van Tsjoegoerin, een van de beste arbeidersleiders van de februaridagen, door Sjljapnikov een oproep aan de soldaten geschreven. Maar werd deze ook gedrukt? In het beste geval bereikte de oproep ook de soldaten op het ogenblik dat zij reeds overliepen. Alleszins had deze oproep geen invloed op de gebeurtenissen van 27 februari. Algemeen gesteld kunnen we zeggen dat de leiders in die dagen verder achterop liepen naarmate ze hoger stonden.

Niettemin kwam de opstand waartoe niemand uitdrukkelijk had opgeroepen toch op de agenda. De blikken van de arbeiders zijn op het leger gericht. Zullen we erin slagen dit leger in beweging te brengen? Afzonderlijke agitatie is vandaag niet meer voldoende. De Vyborgers organiseren voor de kazerne van het Moskouse regiment een meeting. De actie mislukte. Is het voor een officier of een sergeant moeilijk de mitrailleuse in werking te brengen? De arbeiders werden door een gruwelijk vuur uit elkaar gejaagd. Een zelfde poging werd bij de kazerne van het reserveregiment ondernomen. En ook hier hetzelfde: officieren met machinegeweren stelden zich tussen arbeiders en soldaten. De arbeidersleiders renden heen en weer, zochten naar wapens, eisten deze van de partij. Zij kregen als antwoord: de wapens zijn bij de soldaten, haal ze bij hen. Dit wisten zij zonder de partij ook wel. Maar waar ze te halen? Zal vandaag niet alles volkomen mislukken? Zo kwam het kritieke moment in de strijd steeds dichterbij. Of het machinegeweer zal de opstand wegvagen, of de opstand zal in het bezit van het machinegeweer komen.

Sjljapnikov, de voornaamste figuur van het toenmalige Petrograds centrum van bolsjewieken, vertelt in zijn memoires hoe hij de eis van de arbeiders om wapens, althans revolvers, afwees en naar de wapens in de kazerne verwees. Hij wilde op deze manier bloedige botsingen tussen arbeiders en soldaten vermijden en alles op de agitatie zetten, d.w.z. op het winnen van de soldaten door woord en voorbeeld. Wij kennen geen andere verslagen die deze verklaring bevestigen of weerleggen. Alleszins getuigt de verklaring van Sjljapnikov eerder van wankelmoedigheid dan van een vooruitziende blik. Het was eenvoudiger geweest om toe te geven dat de leiders geen wapens bezaten.

Zonder twijfel wordt het lot van iedere revolutie in een bepaalde fase beslist door een ommekeer in de stemming onder het leger. Ongewapende of nauwelijks gewapende volksmassa’s zouden tegenover een grote, gedisciplineerde, goedgewapende en vakkundig geleide legermacht nooit een overwinning kunnen behalen. Maar elke ernstige nationale crisis moet zich in welke mate dan ook van het leger meester maken. Zo ontstaat tegelijk met de voorwaarden voor een werkelijke volksrevolutie de mogelijkheid – hoewel niet de zekerheid – van de overwinning ervan. De overgang van het leger tot de zijde van de opstandelingen voltrekt zich echter niet automatisch en kan niet het resultaat van agitatie alleen zijn. Het leger vormt geen eenheid en haar tegenstrijdige elementen worden door de disciplinaire dwang bijeengehouden. Nog aan de vooravond van de beslissende dag weten revolutionaire soldaten dikwijls niet welke macht zij vormen en hoe groot hun invloed kan zijn. Weliswaar is ook de arbeidersklasse geen eenheid. Maar zij bezit oneindig veel meer mogelijkheden om in het proces van voorbereiding tot de beslissende botsing haar rijen te inspecteren. Stakingen, vergaderingen, demonstraties zijn zowel daden van strijd alsook graadmeter van de strijd. Niet alle arbeiders nemen aan de stakingen deel. Niet alle stakers zijn tot strijd bereid. In de hachelijkste ogenblikken staan slechts de meest vastberadenen op straat. Wie aarzelt, vermoeid is of niet snapt waarover het gaat, blijft gewoon thuis. Zo voltrekt zich de revolutionaire selectie vanzelf, de mensen worden door de zeef van de gebeurtenissen geschift. Anders is het met het leger gesteld. De revolutionaire soldaten, de sympathiserenden, de twijfelaars, de vijandig gezinden – allemaal zijn ze onderworpen aan de disciplinaire dwang waarvan de draden tot op het laatste moment in de vuist van de officier geconcentreerd blijven. De soldaten worden nog altijd dagelijks in “eerste” en “tweede” gelid ingedeeld; hoe kunnen zij zich opdelen in muiters en volgzamen?

Het psychologisch moment van het overlopen van de soldaten naar de kant van de revolutie wordt in een lang organisch proces voorbereid, een proces dat zoals alle natuurprocessen een kritiek punt kent. Maar hoe kan dit kritiek punt bepaald worden? Een deel van de troepen kan volkomen rijp zijn voor de aansluiting bij het volk, maar niet de nodige drang van buitenaf ondergaan. De revolutionaire leiding gelooft nog niet in de mogelijkheid het leger aan haar zijde te krijgen en laat de overwinning voorbijgaan. Na een gerijpte maar niet verwezenlijkte opstand kan er bij de troepen een reactie komen: de soldaten verliezen de in hun binnenste opgevlamde hoop, buigen het hoofd weer onder het juk van de discipline en zullen bij een nieuwe ontmoeting met de arbeiders vanop een afstand tegen de opstandelingen staan. Dit proces omvat veel niet af te wegen of moeilijk af te wegen grootheden, elkaar kruisende stromingen, collectieve suggesties en autosuggesties in zich. Maar uit dit gecompliceerd samenweefsel van materiële en psychische krachten komt onweerstaanbaar en doordringend deze ene conclusie naar voren: algemeen genomen zijn de soldaten eerder geneigd de bajonetten af te wenden of met deze naar het volk over te lopen, naarmate zij zich ervan overtuigen dat de opstandelingen werkelijk opgestaan zijn; dat het niet alleen een demonstratie is waarna men weer in de kazerne zal terugkeren en verantwoording zal moeten afleggen; dat het een strijd is op leven en dood; dat het volk in staat is te overwinnen indien men zich erbij aansluit en dat dit niet alleen straffeloosheid zal waarborgen maar ook het gehele bestaan zal verlichten. Met andere woorden, de opstandelingen kunnen de ommekeer in de stemming bij de soldaten slechts teweeg brengen indien zij zelf werkelijk bereid zijn de overwinning met iedere prijs, derhalve ook met hun bloed, te bevechten. Deze uiterste vastberadenheid kan en wil echter nooit ongewapend zijn.

Het kritieke uur van de ontmoeting van de opdringende massa met de soldaten die haar de weg versperren, heeft zijn kritieke minuut op het ogenblik dat de grijze tussenzone nog niet uit elkaar gevallen is, als de soldaten nog schouder aan schouder staan, maar reeds wankelen, en de officier met zijn laatste moed bevel geeft om te vuren. Geschreeuw van de menigte, angstgehuil en bedreigingen overstemmen het commando, maar dit gebeurt slechts gedeeltelijk. De geweren gaan op en neer, de menigte dringt aan. Dan richt de officier de loop van zijn revolver op de meest verdachte soldaat. Van de beslissende minuut breekt de beslissende seconde aan. Het neerschieten van de meest moedige soldaat op wie onwillekeurig de blikken van alle overigen gericht zijn, het schot van een onderofficier uit het aan de dode ontrukte geweer in de menigte – en de barrière sluit zich, de geweren gaan vanzelf af, de massa in de zijstraten en binnenplaatsen wegvagend. Maar hoeveel keren is het sinds 1905 anders gegaan: op het kritieke ogenblik, als de officier de trekker wil overhalen, komt er een schot uit de menigte die met haar Kajoerovs en Tsjoegoerins de officier voor is. Dit kritieke ogenblik beslist niet alleen over de afloop van het samentreffen, maar over de afloop van de dag, wellicht over de gehele opstand. Het doel dat Sjljapnikov zich gesteld had, nl. de arbeider voor vijandelijke botsingen met de troepen te behoeden omdat de opstandelingen geen vuurwapens in handen hebben, is niet uitvoerbaar. Voordat het werkelijk tot een treffen met de troepen kwam, waren er talloze schermutselingen met de politie. Het straatgevecht begon met de ontwapening van de gehaatte farao’s, wier revolvers in het bezit van de opstandelingen kwamen. Op zichzelf een zwak wapen, eigenlijk speelgoed tegenover de geweren, machinegeweren en kanonnen van de vijand. Zijn deze echter wel werkelijk in handen van de vijand? Om dit te kunnen uitmaken, verlangden de arbeiders juist wapens. De kwestie wordt op psychologisch terrein beslist. Ook bij een opstand zijn echter de psychische processen niet van de zakelijke te scheiden. De weg tot het soldatengeweer loopt over de revolver die men van de farao afneemt.

De gevoelens van de soldaten in die uren waren minder levendig dan die van de arbeiders, maar ze waren daarom niet minder aangrijpend. Wij willen er nog even aan herinneren dat het garnizoen hoofdzakelijk uit de vele duizenden manschappen sterke reservebataljons bestond, bataljons die tot aanvulling van de regimenten aan het front bestemd waren. Deze mensen waren voor het merendeel huisvaders. Ze moesten in de loopgraven gaan, hoewel de oorlog reeds verloren en het land geruïneerd was. Zij wilden de oorlog niet, zij wilden naar huis, naar hun gezin. Zij wisten zeer goed wat zich thuis afspeelde en voelden niet de minste aanhankelijkheid tegenover de monarchie. Zij wilden niet tegen de Duitsers  vechten en nog minder tegen de Peterburgse arbeiders. Zij haatten de regerende klasse van de hoofdstad die gedurende de oorlog een lekker leventje leidde. Er waren onder hen arbeiders met een revolutionair verleden, arbeiders die aan deze stemmingen een meer algemene uitdrukking wensten te geven.

De soldaten waren vanuit een diepgaande maar nog niet tot uitdrukking gekomen revolutionaire ontevredenheid tot openlijk opstandige daden te brengen, of om te beginnen tot opstandige dienstweigering. Dat was de taak. Op de derde dag van de strijd verloren de soldaten definitief de mogelijkheid om nog langer in de houding van een welwillende neutraliteit tegenover de opstandelingen te volharden. Er zijn ons slechts toevallige brokstukken behouden gebleven over datgene wat zich bij het treffen tussen de arbeiders en de soldaten afgespeeld heeft. Wij hoorden reeds hoe de arbeiders een dag te voren bij het Pavlovski-regiment bitter klaagden over het optreden van het instructiebataljon. Zulke tonelen, zulke gesprekken, verwijten en bezweringen waren er in alle delen van de stad. Er bleef de soldaat geen tijd meer tot aarzelen. Men had hem gisteren gedwongen te schieten, vandaag zal men hem daar opnieuw toe dwingen. De arbeiders geven zich niet over, wijken niet terug, zij willen onder de kogelregen het hunne veroveren.

Arbeidsters, vrouwen, moeders, zusters, verloofden, zijn met hen. Dit is dan dat uur waarvan men zo dikwijls fluisterend in het verborgene sprak. “Als we maar eens allemaal samen zouden komen”. In het uur van de grootste pijn, van de ondraaglijke angst voor de komende dag, in het uur van de verstikkende haat die wordt opgelegd door de rol van beul, op dat ogenblik weerklinken in de kazernes de eerste stemmen van openlijke verontwaardiging en in die stemmen herkent het volledige leger zich met opluchting en geestdrift. Zo brak de dag van de ondergang van de monarchie van de Romanovs aan.

Op een ochtendlijke vergadering bij de onvermoeibare Kaljoerov thuis spraken de veertig vertegenwoordigers uit fabrieken en bedrijven zich in meerderheid voor de verderzetting van de strijd uit. De meerderheid, maar niet iedereen dacht er zo over. Jammer genoeg kunnen we de omvang van die meerderheid niet meer exact vaststellen. In die uren stond het hoofd niet naar het schrijven van notulen. Het besluit kwam overigens te laat, de vergadering werd onderbroken door het bericht van een opstand onder de soldaten. Sjoerkanov kuste alle aanwezigen. Het was een judaskus, maar deze werd gelukkig niet gevolgd door een kruisiging.

Het ene reservebataljon na het andere ging ’s ochtends over tot een muiterij. De bataljons volgden de vierde compagnie van het Pavlovski-regiment waar de dag ervoor al een muiterij was uitgebarsten. Van deze grandioze gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid zijn er in de documenten, aantekeningen en herinneringen slechts zwakke en vage sporen te vinden. De onderdrukte massa’s vertellen, zelfs wanneer zij tot de grootste historische prestaties komen, maar weinig over zichzelf en ze schrijven het nog minder op. En de meeslepende triomf van de overwinning vervaagt dan het geheugen. We moeten het dus stellen met wat er wel aan bronnen voorhanden is.

De eersten die in opstand kwamen, waren de soldaten van het Wolynskiregiment. Reeds om zeven uur ’s morgens alarmeerde de bataljonscommandant telefonisch generaal Chabalov om hem het verontrustende nieuws te melden dat het instructiebataljon, d.w.z. het speciaal voor de handhaving van de orde bestemde troependeel, weigerde uit te rukken en dat de commandant vermoord was of zichzelf voor de verzamelde manschappen had doodgeschoten. Die tweede versie werd overigens spoedig weer losgelaten. De Wolyners trachtten, nadat zij de bruggen achter zich verbrand hadden, de basis van de opstand te verbreden. Hierin was voor hen nu nog de enige redding gelegen. Zij drongen de naburige kazernes van de Litovski- en Preobrasjenski-regimenten binnen om de soldaten “naar buiten te halen”, zoals de stakers van bedrijf tot bedrijf gaan om de arbeiders naar buiten te halen. Na enige tijd kreeg Chabalov bericht dat de Wolyners niet alleen hun geweren niet afgaven, zoals de generaal bevolen had, maar dat zij samen met de Preobrasjenkers en Litovskers en, wat nog erger was, samen met de arbeiders de kazernes van de gendarmeriedivisie afgebroken hadden. Dit betekende dat de ervaring van het Pavlovski-regiment van gisteren niet vergeefs geweest was, de opstandelingen vonden leiders en tegelijk een plan van actie.

In de vroege morgenuren van de 27ste leek het de arbeiders toe dat zij van het doel van de opstand veel verder af stonden dan dit in werkelijkheid het geval was. Of juister gezegd, zij zagen bijna nog de hele taak voor zich terwijl zij deze reeds voor negen tienden hadden gerealiseerd. De revolutionaire stormloop van de arbeiders tegen de kazernes viel samen met de reeds begonnen uittocht van de soldaten. In de loop van de dag smolten deze twee machtige stromen tot een samen om eerst het dak, daarna de muren en tenslotte het fundament van het oude gebouw weg te spoelen en mee te sleuren.

Tsjoegoerin verscheen als één van de eersten in het kwartier van de bolsjewieken met een geweer in de hand en een patronengordel over de schouder, “geheel besmeurd, maar stralend en triomfantelijk.” Hoe zou iemand in zo’n geval niet stralend kunnen zijn! De soldaten lopen met het geweer in de hand naar ons over. Op verscheidene plaatsen was het de arbeiders reeds gelukt zich met de soldaten te verenigen, in de kazernes binnen te dringen en daar geweren en patronen te bemachtigen. Samen met het meest vastberaden deel van de soldaten ontwierpen de Vyborgers een plan van actie: verovering van de politiebureau’s waarin gewapende politieagenten zich verschanst hebben, ontwapening van alle politiebeambten, bevrijding van de arbeiders die in de politiebureau’s vastgehouden worden en van de politieke gevangenen uit de gevangenissen; neerslaan van de regeringstroepen in de stad zelf en vereniging met de nog niet op de been gebrachte troepenafdelingen en met de arbeiders uit de overige stadswijken.

Het Moskouse regiment sloot zich niet zonder innerlijke strijd bij de opstand aan. Het is verwonderlijk dat dergelijke strijd zo weinig voorkwam in de regimenten. De heersende monarchale groep bezweek voor de soldatenmassa en verborg zich in de schuilholen of haastte zich van kleur te verwisselen. “Om twee uur ’s middags,” schrijft Koroljew, een arbeider uit de fabriek “Arsenaal”, “na de uittocht van het Moskouse regiment, bewapenden wij ons… Wij namen ieder een revolver en een geweer, vormden groepen uit de tot ons overgegane soldaten (enkelen van hen verzochten ons het commando over te nemen en hen te zeggen wat zij moesten doen), en begaven ons naar de Tichwinskajastraat om een politiebureau te verwoesten.” De arbeiders twijfelden, naar men ziet, geen moment om de soldaten te tonen wat er moest gebeuren.

Vreugdevolle overwinningsberichten volgen elkaar op. Men is in het bezit van pantserwagens! Met hun rode banieren jagen zij in de wijken iedereen die zich nog niet onderworpen heeft schrik aan. Nu hoeft men niet meer onder de buiken van de kozakkenpaarden door te kruipen! De revolutie richt zich ten volle op!

Tegen twaalf uur ’s middags werd Petrograd opnieuw het toneel van gewelddadige acties. Er weerklonk overal geweer- en machinegeweergeknetter. Het is niet altijd uit te maken wie schiet en waar geschoten wordt. Slechts één ding was duidelijk: verleden en toekomst beschoten elkaar. Ook was er niet zelden onnodig geschiet: knapen schieten met de revolvers die zo onverwacht in hun handen geraakt zijn. Het arsenaal is geplunderd. “Men zegt dat er van de Browning-geweren alleen al tienduizenden buit gemaakt zijn.” Rookzuilen stijgen uit de brandende gebouwen van het gerechtshof en van de politiebureau’s op. Hier en daar ontwikkelen de schietpartijen en botsingen tot ware veldslagen. Arbeiders komen naar de barakken aan het Sompsonjevski-Prospect, waarin een troep wielrijders ondergebracht is van wie een deel voor de poort samenschoolt. “Wat staan jullie daar, kameraden?” De soldaten glimlachen – “hun glimlach beduidt niets goeds,” bericht een ooggetuige – en zwijgen. De officieren bevelen de arbeiders bars om door te lopen. De wielrijders betonen zich, evenals de cavaleristen, zowel in de februari- als in de oktoberrevolutie de meest conservatieve delen van het leger. Weldra verzamelen zich arbeiders en revolutionaire soldaten voor de heining. Men moet het verdachte bataljon eruit halen! Iemand zegt dat men reeds om pantserwagens gevraagd heeft en dat de wielrijders anders niet te bedwingen zullen zijn, daar zij zich verschanst en machinegeweren opgesteld hebben. De massa valt het wachten echter zwaar, zij is onrustig en ongeduldig en zij heeft gelijk met haar ongeduld. Aan beide kanten vallen schoten. De schutting die de soldaten van de revolutie scheidt, is hinderlijk. De aanvallers besluiten de schutting omver te halen; een deel wordt neergehaald, een deel in brand gestoken. De barakken, ongeveer twintig in getal, staan er onbeschermd bij. De wielrijders zijn in twee à drie ervan ondergebracht. De lege barakken worden onmiddellijk in brand gestoken. Zes jaren later zal Kaljoerov zich herinneren: “De laaiende barakken en de neergehaalde schutting rondom, het geknetter van de machinegeweren en geweren, de opgewonden gezichten van de belegeraars, de aandreunende vrachtauto vol met gewapende revolutionairen en tenslotte de opduikende pantserwagen met de glimmende geschutlopen – een grandioos, onvergetelijk schouwspel.” Met deze barakken en schuttingen brandde het oude tsaristische Rusland van de politie, van de lijfeigenschap en van de priesters. Het ging in vuur en rook op, het stierf in de doodssnik van het geknetter van de machinegeweren. Hoe zouden daarbij Kaljoerov, de tientallen, honderden en duizenden Kaljoerovs niet gejubeld hebben? De aangekomen pantserwagen vuurde enkele kanonschoten af op de barakken waarin de officieren en wielrijders zich genesteld hadden. De aanvoerder van de verdedigers viel, de officieren rukten epauletten en onderscheidingstekenen af en vluchtten door de naburige moestuinen, terwijl de overigen zich overgaven. Dit was het belangrijkste treffen van deze dag.

De militaire opstand nam intussen het karakter van een epidemie aan. Slechts drie delen van de troepen muitten die dag niet, omdat zij er geen tijd toe vonden. Tegen de avond sloten zich de soldaten van het Semjonovskiregiment aan, een regiment dat door het brutaal neerslaan van de Moskouse opstand in 1905 berucht was. De elf daaropvolgende jaren waren niet spoorloos voorbijgegaan! Samen met de jagers ontwapenden de Semjonovskers ’s avonds laat nog het Ismajlovskiregiment dat zijn superieuren in de kazernes opgesloten hield. Dit regiment, dat op 3 december 1905 de eerste Petrogradse sovjet omsingeld en gearresteerd had, ging reeds toentertijd voor een van de meest reactionaire door. Het tsaristisch garnizoen van de hoofdstad, dat honderdvijftigduizend soldaten telde, viel uit elkaar, smolt weg, verdween. ’s Nachts bestond het niet meer.

Chabalov, die ’s morgens het nieuws van de opstand van de regimenten verneemt, tracht nog weerstand te bieden door een gecombineerde afdeling van ongeveer duizend man met de meest draconische instructies tegen de opstandelingen te laten opmarcheren. De lotgevallen van deze afdeling hebben echter een geheimzinnig verloop. “Er gaat in deze dagen iets onwaarschijnlijks gebeuren,” vertelt de onvergelijkelijke Chabalov na de omwenteling. “De afdeling is uitgerukt, uitgerukt met moedige, vastberaden officieren (er is sprake van overste Koetjopov), maar… zonder succes.” De na deze afdeling uitgezonden compagnieën verdwijnen eveneens spoorloos. De generaal begint op het Slotplein reserveafdelingen te formeren, maar er waren geen patronen en men kon ze nergens vandaan halen. Dit alles zijn authentieke verklaringen van Chabalov voor de commissie van onderzoek van de Voorlopige Regering. Waarheen verdwenen dan toch al deze troepen die bestemd waren om de orde te handhaven? Het is niet moeilijk te raden: zij gingen, nauwelijks uitgerukt, in de opstand onder. Arbeiders, vrouwen, knapen, muitende soldaten omringden de troepen van Chabalov van alle kanten omdat ze hen als medestanders beschouwden of er toch medestanders van wilden maken. Ze lieten hen niet anders vooruit gaan dan samen met de grote menigte. Tegen deze vast aan hen hangende, niets meer duchtende, onvermoeide, alles doordringende menigte strijden, was evenmin mogelijk als het mogelijk is om zich te beschermen met deeg.

Tegelijk met het nieuws van muiterijen van steeds nieuwe regimenten weerklonk de roep om betrouwbare troepen voor het neerslaan van de opstand, voor de bescherming van de telefooncentrale, van het Litouwse slot, van het Mariinskipaleis en andere, nog heiliger, plaatsen. Chabalov probeerde telefonisch uit Kronstadt betrouwbare troepen op te eisen, maar de commandant antwoordde hem dat hij zelf bezorgd was voor het lot van de vesting. Chabalov wist nog niet dat de opstand ook naar de naburige garnizoenen overgeslagen was. De generaal probeerde, of deed alsof hij dit probeerde, zich in het Winterpaleis te verschansen. Maar dit plan werd onmiddellijk als onuitvoerbaar opgegeven. Het laatste restje ‘trouwe’ troepen werd naar de admiraliteit overgebracht. Daar trof de dictator eindelijk maatregelen om het belangrijkste en het minst voor uitstel vatbare werk te doen: de twee laatste regeringsdocumenten – het aftreden van Protopopow “wegens ziekte” en de afkondiging van de staat van beleg – laten drukken. Weliswaar was het zaak zich te haasten met die staat van beleg, want reeds na enkele uren hief het leger van Chabalov het “beleg” van Petrograd weer op en liep het uit de admiraliteit weg. Het was louter uit vergetelheid dat de met verschrikkelijke volmachten voorziene maar helemaal niet meer gevaarlijke generaal diezelfde dag nog niet gevangen genomen werd. Deze vergetelheid werd een dag later zonder enige complicatie rechtgezet.

Was dit werkelijk alle tegenstand van het geduchte keizerlijke Rusland tegenover het dodelijk gevaar? Ja, dit was vrijwel alle tegenstand. En dit ondanks de grote ervaring met executies tegen het volk en de meest zorgvuldig uitgewerkte plannen. De later tot bezinning gekomen monarchisten verklaarden het gemak van de Februari-overwinning van het volk uit het bijzondere karakter van het garnizoen van Petrograd. Deze bewering wordt echter door het gehele verdere verloop van de revolutie weerlegd. Het is juist dat reeds in het begin van het rampspoedige jaar de hofhouding probeerde om de tsaar te overtuigen van de noodzaak om het Peterburgse garnizoen te vernieuwen. Zonder veel moeite liet de tsaar zich ervan overtuigen dat de gardecavalerie, die voor bijzonder betrouwbaar doorging, “lang genoeg in het vuur gestaan had” en een rustpauze in de kazernes te Petrograd verdiende. Na eerbiedige vragen van het front, stemde de tsaar ermee in om vier regimenten van de cavalerie te vervangen door drie groepen matrozen. Volgens de versie van Protopopow werd deze vervanging zonder instemming van de tsaar gedaan en had ze een verraderlijk doel: “De matrozen komen van onder de arbeiders en vormen de meest revolutionaire elementen van het leger.” Dit is echter klinkklare onzin. De hoogste officieren van de garde, zeker die van de cavalerie, maakten een te goede carrière aan het front om naar het achterland te verlangen. Bovendien waren zij ongetwijfeld bevreesd voor het repressieve werk dat ze in de hoofdstad zouden moeten doen met regimenten die aan het front compleet veranderd waren. De gardecavalerie onderscheidde zich in deze tijd, naar uit de gebeurtenissen aan het front weldra zal blijken, niet van de overige ruiterij, terwijl de naar de hoofdstad overgebrachte gardematrozen zich bij de Februari-omwenteling in het geheel niet door een actieve rol kenmerkten. De hele kwestie was dat het regime definitief verrot was en dat geen draad eraan meer heel bleef…

In de loop van 27 februari werden de politieke gevangenen uit tal van gevangenissen in de hoofdstad bevrijd. Daarbij vielen geen slachtoffers. Onder de bevrijde gevangenen de patriottische groep van het oorlogsindustriecomité die sinds 26 februari gearresteerd was, en de leden van het Petrograds comité van de bolsjewieken die Chabalov veertig uren tevoren gevangen genomen had. De politieke scheiding voltrekt zich ter plaatse, aan de andere kant van de gevangenispoort. De mensjewieken-patriotten begeven zich naar de Doema, waar de rollen en posten verdeeld worden; de bolsjewieken gaan de wijken in naar de arbeiders en soldaten om samen met hen de verovering van de hoofdstad te voltooien. Men moet de vijand geen pauze laten om op adem te komen. Meer dan welke zaak ook moet men een revolutie tot het einde toe doorzetten.

De vraag wie op de gedachte gekomen was de opstandige regimenten naar het Taurisch paleis te leiden, is niet te beantwoorden. De politieke marsroute vloeide uit de situatie voort. Alle radicale elementen die niet met de massa’s verbonden waren, probeerden natuurlijk van het Taurisch paleis een verzamelpunt van de oppositie te maken. Het is hoogstwaarschijnlijk dat deze elementen, die op 27 februari plots nieuwe levenskrachten voelden opkomen, zich als aanvoerders van de muitende garde opwierpen. Nu was deze rol eervol geworden en vrijwel ongevaarlijk. Het paleis Potemkin was alleen al door zijn ligging zeer geschikt als centrum van de revolutie. Slechts een straat scheidde de Taurische tuin van een geheel militair stadje, waar de kazernes van de garde lagen en verschillende oorlogsbureau’s gevestigd waren. Weliswaar gold dit stadsdeel gedurende een aantal jaren zowel bij de regering als bij de revolutionairen voor een militair bastion van de monarchie. Dit was het ook. Nu echter veranderde alles. Van de gardesector ging de soldatenrevolutie uit. De opstandige troepen hadden maar een straat over te steken om in de tuin van het Taurisch paleis te komen, die op zijn beurt door slechts een stratenblok van de Neva gescheiden was. Achter de Neva ligt de wijk Vyborg, de stoomketel van de revolutie. De arbeiders behoefden slechts de Alexanderbrug of, indien deze afgebroken was, het ijs van de Neva te passeren om in de gardekazernes of in het Taurisch paleis te geraken. Zo sloot zich deze gecompliceerde en naar zijn oorsprong tegenstrijdige Noordoostelijke driehoek van Petrograd – garde, Potemkinpaleis en de reusachtige bedrijven – vast aaneen tot een legerkamp van de revolutie.

In de vertrekken van het Taurisch paleis worden verschillende centra gevormd of voorbereid, waaronder ook de generale staf van de opstand. Men kan niet zeggen dat deze erg belangrijk was. Ze werd geleid door de “revolutionaire” officieren, d.w.z. officieren die in hun verleden door het een of ander – al was het maar door een misverstand – met de revolutie verbonden geweest waren, en die zich heelhuids door de opstand geslapen hadden en zich nu daartoe opgeroepen “ten dienste van de revolutie” stelden. Diepzinnig beschouwen zij de toestand en schudden pessimistisch het hoofd. De opgewonden maar vaak ongewapende soldatenmassa’s zijn immers niet strijdvaardig. Er waren noch artillerie, noch machinegeweren, noch verbindingen, noch commandanten. Een enkele troepenafdeling zou voor de vijand voldoende zijn! Momenteel beletten de revolutionaire menigten in ieder geval elk planmatig optreden in de straten. In de nacht verwijderen zich echter de arbeiders, de bewoners verstommen, de stad wordt leeg. Indien Chabalov dan met een vertrouwde troepenafdeling de kazernes aanvalt, dan kan hij zich als meester van de toestand beschouwen. Terloops moet opgemerkt worden dat deze gedachte later in verschillende variaties doorheen alle fasen van de revolutie opnieuw zou opduiken. “Geef mij een betrouwbaar regiment,” zegt een of andere flinke overste, “en ik veeg in een oogwenk al dit gespuis weg.” Sommigen deden ook een poging, zoals we nog zullen zien. Maar iedereen zal de woorden van Chabalov moeten herhalen: “De afdeling is uitgerukt met moedige officieren, maar … zonder succes.”

Waar zouden de successen ook vandaan moeten komen? De meest onwankelbare van alle troepen waren de politieagenten, de gendarmes en gedeeltelijk ook nog de instructiebataljons van enkele regimenten. Zij waren echter niet opgewassen tegen de stormloop van de volksmassa’s, net zoals acht maanden later, in oktober, de bataljons van het Georgjevskiregiment en de jonkerscholen niet opgewassen waren tegen de massa’s. Waar zou de monarchie de reddende troepen gevonden hebben die bereid en in staat waren tot een moeilijke en hopeloze strijd met de twee miljoen inwoners tellende stad? Voor de met woorden zo dappere kolonels lijkt de revolutie weerloos omdat alles nog zo chaotisch verloopt. Er zijn overal bewegingen zonder vast plan, elkaar kruisende stromingen, mensengewoel, mensen die zo verwonderd zijn alsof ze plots doof geworden zijn, gekreukte uniformen, gesticulerende studenten, soldaten zonder geweren, geweren zonder soldaten, in de lucht schietende knapen, veelstemmig lawaai, stromen van de meest wilde geruchten, grote angsten, grote vreugden; men behoeft naar het schijnt maar met een sabel over deze chaos te zwaaien en alles zal uit elkaar stuiven. Dit is echter volkomen verkeerd gezien. De chaos is slechts schijn. Daaronder voltrekt zich onophoudelijk een kristallisering van de massa’s en dit rond nieuwe kernen. Deze onoverzichtelijke menigte heeft nog niet duidelijk omschreven wat ze wil, maar ze is wel met een brandende haat vervuld tegen wat ze niet langer wil. Deze menigte laat een onherstelbare historische ineenstorting achter zich. Een terugtocht is niet meer mogelijk. Zelfs indien er een macht zou bestaan om de massa uiteen te drijven, dan zouden de massa’s binnen het uur opnieuw op straat komen en een tweede, nog woedender en bloediger, stormloop ondernemen.

De atmosfeer in Petrograd is sinds de Februaridagen zo explosief dat elke vijandige militaire eenheid die nog maar in de buurt van deze oven komt meteen wordt omgevormd, door de hitte naar adem moet snakken, zekerheden verliest, verlamt en zich zonder strijd aan de overwinnaar moet onderwerpen. Morgen zal generaal Ivanov dit ondervinden. Hij wordt door de tsaar met een bataljon Georgische cavaleristen van het front naar Petrograd gestuurd. Vijf maanden laten treft generaal Kornilov hetzelfde lot. En acht maanden later is het de beurt aan Kerenski.

De Kozakken leken de voorbije dagen het meest meegaand te zijn. Dit kwam omdat zij het meest heen en weer gesleurd werden. Toen het tot de effectieve opstand kwam, bevestigde de cavalerie nogmaals haar conservatieve reputatie en lag ze ver achter op de infanterie. Op 27 februari bewaarde ze nog een schijnbaar welwillende neutraliteit. Chabalov kon er zich niet meer op baseren, maar de revolutie bleef op haar hoede voor de cavalerie.

Een raadsel blijft intussen nog de Peter-en-Paulsvesting op het door de Neva omspoelde eiland tegenover het Winterpaleis en de kastelen van de grootvorsten. Achter de muren was – of het leek althans zo te zijn – het garnizoen van de vesting het meest tegen invloeden van buiten beschermd. Een vaste artillerie was er in de vesting niet, indien men het ouderwetse kanon dat dagelijks aan de inwoners van Petrograd het middaguur verkondigde buiten beschouwing laat. Nu is echter veldgeschut op de muren opgesteld, gericht tegen de bruggen. Wat wordt daar gebrouwen? In de Taurische staf breekt men zich ’s nachts het hoofd met de vraag wat men met de Peter-en-Paulsvesting moet beginnen, terwijl men zich in de vesting met de vraag pijnigt wat de revolutie met haar voorheeft. ’s Morgens zal het raadsel opgelost worden. Onder voorwaarde van immuniteit van het officierenkorps zal de vesting zich aan het Taurisch paleis overgeven. De officieren van de vesting haastten zich, nadat zij van de toestand op de hoogte waren, hetgeen niet zo erg moeilijk was, om de onvermijdelijke loop van de gebeurtenissen voor te zijn.

Tegen de avond van 27 februari trekken soldaten, arbeiders, studenten en burgers naar het Taurisch paleis. Ze hopen er mensen te vinden die alles weten van wie ze informatie en ordewoorden krijgen. Van alle kanten wordt munitie naar het paleis gebracht, waar een ruimte tot arsenaal wordt omgevormd. De revolutionaire staf heeft zich intussen gedurende de nacht in het Taurisch paleis aan het werk gezet. De staf zendt commando’s uit voor de bewaking van de stations alsook patrouilles die in alle richtingen gaan vanwaar eventueel gevaar kan dreigen. De soldaten volgen de orders van de nieuwe autoriteiten, ze doen dit gewillig en zonder tegenspraak, maar wel wanordelijk. De soldaten eisen telkens een schriftelijk order. Het initiatief hiervoor kwam wellicht uit restanten van het legercommando of van de militaire administratie. Maar ze hadden gelijk, het is nodig om orde in de chaos te brengen. De revolutionaire staf bezit evenmin als de juist ontstane sovjet een stempel. De revolutie staat nog voor de taak een administratie op te zetten. Dit zal al gauw gebeuren, helaas gebeurt dit al te goed.

De revolutie begint naar haar vijanden te zoeken. In de stad worden arrestaties verricht; “willekeurige arrestaties” zullen de liberalen verwijtend zeggen. Maar de gehele revolutie is willekeurig. Onophoudelijk worden gevangenen in het Taurisch paleis binnengebracht: de voorzitter van de Raad van State, ministers, politieagenten. agenten van de Ochrana, een germanofiele gravin, talrijke gendarmerie-officieren. Enkele waardigheidsbekleders, zoals Protopopov, komen uit eigen beweging om zich gevangen te laten nemen. Dat was veiliger. “De muren van de zaal die eens van liederen ter ere van het absolutisme weergalmden, hoorden nu slechts gezucht en gehuil,” zal de later in vrijheid gestelde gravin vertellen. “Naast mij laat zich een gevangengenomen generaal uitgeput in een stoel vallen. Enkele Doemaleden bieden mij vriendelijk een kop thee aan. De tot diep in zijn ziel geroerde generaal zei opgewonden: Gravin, wij zijn getuige van de ondergang van een groot land!”

Het grote land dacht er bijlange niet aan om onder te gaan. Het land trok voorbij terwijl deze mensen van het verleden stampten met hun laarzen, bonkten met de kolven van de geweren en de lucht met geschreeuw vervulden terwijl ze stampvoetten. Een revolutie wordt altijd gekenmerkt door onbeleefdheid, wellicht omdat de heersende klassen in betere tijden nooit de moeite ondernomen hebben om het volk goede manieren te leren.

Het Taurisch paleis wordt het tijdelijke hoofdkwartier, regeringscentrum, arsenaal en kerker van de revolutie, die het zweet en bloed van haar aangezicht nog niet heeft afgewist. Hier, in deze maalstroom, sluipen ook de ondernemende vijanden binnen. Toevallig wordt een vermomde gendarmerie-overste ontdekt die in een hoek zijn aantekeningen maakt – niet voor de geschiedschrijving maar voor de krijgsraden. Soldaten en arbeiders willen op staande voet met hem afrekenen. Maar de mannen van de “staf” trekken zich zijn lot aan en halen hem behoedzaam uit de menigte. De revolutie is in deze tijd nog lankmoedig, vol vertrouwen, teerhartig. Pas na een reeks van voorbeelden van verraad, bedrog en bloedige beproevingen zal zij onmeedogend worden.

De eerste nacht van de zegevierende revolutie is vol onrust. Geïmproviseerde commissarissen van de stations en andere punten, merendeels willekeurige intellectuelen met persoonlijke relaties, opdringerige druktemakers, verre kennissen van de revolutie – onderofficieren, vooral uit de arbeidersklasse, zouden veel nuttiger geweest zijn! – beginnen nerveus te worden, menen overal gevaar te bespeuren, brengen de soldaten in verwarring en telefoneren onophoudelijk naar het Taurisch paleis om versterkingen. Daar heerst eveneens opwinding, ook daar wordt voortdurend getelefoneerd, versterkingen worden uitgezonden, maar meestal bereiken die hun plaats van bestemming niet. “Wie bevelen ontvangt,” vertelt een lid van de nachtelijke staf in het Taurisch paleis, “voert ze niet uit, wie handelt – handelt zonder bevelen…”

De arbeidersbuurten handelen zonder bevelen. De revolutionaire leiders die hun bedrijven de straat op brachten, politiebureau’s bezetten, de regimenten uit de kazernes haalden en de contrarevolutionaire nesten uitroeiden, snellen niet naar het Taurisch paleis, naar de staven, naar de leidende centra. Ze wijzen integendeel spottend en wantrouwend in die richting: “Die brave jongens zijn er snel bij om het vel van de niet door hen geschoten en nog niet helemaal geschoten beer te verkopen.” De bolsjewieken-arbeiders en de beste arbeiders van de andere linkse partijen brengen hun dagen op straat door, hun nachten in de lokale hoofdkwartieren, ze houden contact met de kazernes en bereiden het werk van de volgende dag voor. In de eerste nacht na de overwinning zetten ze het werk voort dat ze de laatste vijf dagen ook verricht hebben. Zij vormen het jonge beenderenstelsel van de revolutie, die zoals bij elke revolutie in het begin nog niet stevig overeind staat.

Nabokov, waar we eerder mee kennis maakten als lid van het centrum van de Kadetten, werkte in die tijd op de generale staf, hij was een gelegaliseerde deserteur. Hij trok op 27 februari zoals steeds naar zijn kantoor en bleef daar tot drie uur in de namiddag zonder iets van de gebeurtenissen af te weten. ’s Avonds waren er in de Morskajastraat schoten. Nabokov hoorde ze in zijn woning. Pantserwagens raasden voorbij en enkele soldaten en matrozen liepen vlak langs de muren door de straat. De deftige liberaal aanschouwde dit door de zijvensters van zijn erker. “De telefooncentrale werkte door en de gebeurtenissen van de dag werden mij, als ik mij goed herinner, door mijn vrienden meegedeeld. Wij gingen op het gewone uur slapen.” Deze man zal spoedig een van de geestelijke leiders van de Revolutionaire (?) Voorlopige Regering zijn. Een onbekende grijsaard, een of andere ambtenaar of leraar misschien, zal hem morgen op straat benaderen en aanspreken: “Bedankt voor alles wat je voor het volk gedaan hebt.” Nabokov zal dit verhaal nadien zelf met een bescheiden trots vertellen.

Doodstrijd van de monarchie

De dynastie viel bij de eerste schok als een rotte vrucht, nog voordat de revolutie tijd had om zich aan de verwezenlijking van haar eerste doeleinden te zetten. Het beeld van de oude regerende klasse zou niet volledig zijn indien wij niet poogden te schetsen hoe de monarchie het uur van haar val doorleefde.

De tsaar vertoefde in het hoofdkwartier, in Mohilew, waar hij heen ging om zich aan de beslommeringen van Petrograd te onttrekken en niet omdat hij daar nodig was. De historicus van het hof, generaal Doebenski, die zich bij de tsaar in het hoofdkwartier bevond, schreef in zijn dagboek: “Een stilleven is hier begonnen. Alles zal bij het oude blijven. Er is van hem (de tsaar) niets te verwachten. Slechts toevallige oorzaken van buitenaf kunnen verandering teweegbrengen.” Op 24 februari schreef de tsarina, zoals altijd in het Engels, naar het hoofdkwartier: “Ik hoop dat men Doema-man Kedrinski [ze bedoelt Kerenski] zal ophangen voor zijn verschrikkelijke redevoeringen – dit is absoluut noodzakelijk (oorlogswet) en het zal tot voorbeeld strekken. Iedereen snakt ernaar en bidt dat je standvastigheid zal tonen.” Op 25 februari kwam er een telegram van de minister van oorlog binnen dat er in de hoofdstad stakingen en arbeidersonlusten uitgebroken waren, maar dat de vereiste maatregelen genomen waren. Men moest niet bang zijn voor iets ernstigs. Kortom, ‘weer hetzelfde liedje’!

De tsarina, die de tsaar steeds leerde niet toe te geven, probeert ook nu standvastig te blijven. Op de 26ste telegrafeert zij met het klaarblijkelijk doel Nicolaas moed in te spreken: “In de stad heerst rust.” Maar in het telegram van dezelfde avond ziet zij zich reeds gedwongen te erkennen: “Het ziet er niet mooi uit in de stad.” In een brief schrijft zij: “Men moet ronduit aan de arbeiders zeggen dat zij niet moeten staken en indien zij het toch doen, moet men hen voor straf naar het front zenden. Schietpartijen zijn in het geheel niet nodig, men heeft slechts orde nodig en men moet de arbeiders niet over de bruggen laten.” Waarlijk, men heeft niet veel nodig: alleen maar orde! En vóór alles, de arbeiders niet in het centrum laten; laat hen in woede en onmacht in hun arbeiderswijken stikken!

In de morgen van 27 februari rukte generaal Ivanov met een bataljon Georgiërs van het front naar de hoofdstad op. Hij had dictatoriale volmachten die hij pas na de bezetting van Tsarskoje Selo mocht bekend maken. “Men kan zich nauwelijks een minder geschikte persoon voorstellen,” schrijft generaal Denikin, die zich later zelf met militaire dictatuur bezig hield, in zijn memoires, “een oud en zwak man die nauwelijks in een politieke situatie de weg wist en noch fysieke krachten, noch energie, noch wilskracht, noch strengheid bezat.” De keuze was op Ivanov gevallen omdat aan de eerste revolutie werd gedacht, elf jaar eerder had hij Kronstadt getemd. Deze jaren waren echter niet spoorloos voorbij gegaan: de temmers waren gebrekkig geworden, de getemden gegroeid. Aan het Noord- en Westfront werd bevel gegeven troepen gereed te houden voor de opmars naar Petrograd. Het is duidelijk dat men meende dat er zeker nog tijd genoeg was. Ivanov zelf geloofde dat alles goed en snel ten einde gebracht zou worden. Hij was zelfs niet vergeten aan zijn adjudant bevel te geven in Mohilev levensmiddelen voor zijn kennissen in Petrograd in te kopen.

In de ochtend van 27 februari zond Rodsjanko een nieuw telegram naar de tsaar. Het telegram eindigde als volgt: “Het uur is aangebroken waarin over het lot van het vaderland en de dynastie beslist wordt.” De tsaar zei tot zijn kamerheer Frederiks: “Daar schrijft me die dikke Rodsjanko weer allerlei onzin waarop ik hem niet zal antwoorden.” Maar neen, het is ditmaal geen onzin! En men zal moeten antwoorden.

Tegen de middag van de 27ste komt in het hoofdkwartier een tijding van Chabalov over muiterijen in de Pavlovski-, Wolynski-, Litovski- en Preobrasjenski-regimenten binnen. Men verzoekt betrouwbare troepen van het front te zenden. Een uur later komt er een geruststellend telegram van de minister van oorlog: “De onlusten die ’s morgens in sommige regimenten uitgebroken zijn, worden door de trouw gebleven compagnieën en bataljons op flinke en energieke wijze onderdrukt … Ben vast overtuigd van een spoedig weerkeren van de rust…” Na zeven uur ’s avonds bericht echter dezelfde Belapev reeds: “Het lukt niet met de weinige trouwgebleven afdelingen de muiterij van de troepen te onderdrukken.” Hij smeekt om een haastig sturen van werkelijk betrouwbare troepenafdelingen en wel in een sterkte die voldoende is “voor een gelijktijdig optreden in verschillende stadswijken.”

De ministerraad achtte die dag de tijd gekomen om op eigen gezag de vermeende oorzaak van alle kwaad uit haar midden te verwijderen: de half waanzinnige minister van binnenlandse zaken Protopopow. Tegelijkertijd stelde generaal Chabalov het in het geheim door de regering opgestelde decreet in werking, krachtens hetwelk op allerhoogst bevel de staat van beleg over Petrograd werd afgekondigd. Op deze manier werd ook hier gepoogd water en vuur te verenigen, een niet doordachte en in ieder geval hopeloze poging. Het gelukte niet eens de plakkaten met de afkondiging van de staat van beleg in de stad aan te plakken. De burgemeester van de stad, Balk, bezat noch stijfsel, noch kwast. Deze autoriteiten konden in het algemeen niets meer plakken, want zij behoorden reeds tot het rijk der doden.

De voornaamste schim van het laatste tsaristische ministerie was de zeventigjarige vorst Golizyn, die vroeger zekere weldadige instellingen van de tsarina bestuurd had en door haar in de tijd van de oorlog en de revolutie tot regeringschef verheven was. Wanneer zijn vrienden deze man, die volgens de kwalificatie van de liberale baron Nolde “een goedmoedige Russische heer en oude zwakkeling” was, vroegen waarom hij een zo moeitevol ambt aanvaard had, antwoordde Golizyn: “Om een aangename herinnering meer te hebben.” Dit doel heeft hij in ieder geval niet bereikt. Rodsjanko deelt over de bevindingen van de laatste Russische regering in die uren mee: “Bij de eerste berichten van de opmars van de massa’s naar het Mariinski paleis, waar de zittingen van de regering plaats hadden, werden onverwijld alle lichten in het gebouw gedoofd. De bestuurders van de staat wilden maar een ding: dat de revolutie hen niet zou opmerken. Het bleek echter slechts een gerucht, het kwam niet tot een overval en toen men het licht weer aanstak, lag menig lid van de tsaristische regering “tot zijn eigen verwondering” onder de tafel.” Welke herinneringen zij daar hebben opgedaan, wordt niet vermeld.

Maar ook de houding van Rodsjanko was klaarblijkelijk niet erg verheven. Na een moeilijke en vergeefse telefonische zoektocht naar de regering, belde de voorzitter van de Doema wederom vorst Golizyn op. Deze antwoordt: “Ik verzoek u voor geen enkele aangelegenheid meer tot mij te wenden. Ik heb mijn ontslag genomen.” Bij dit antwoord liet Rodsjanko zich, volgens zijn toegewijde secretaris, in zijn stoel vallen en bedekte zijn gezicht met beide handen… “Mijn God, hoe verschrikkelijk!… Geen regering… anarchie… bloed…” en hij weende zacht. Bij het wegzinken van het seniele spook van de tsaristische macht voelde Rodsjanko zich ongelukkig, verlaten, eenzaam. Hoever was hij in dit uur verwijderd van de gedachte dat hij morgen de revolutie zou “vertegenwoordigen”!

Het telefonisch antwoord van Golizyn is hieruit te verklaren dat de ministerraad op de avond van de 27ste definitief zijn onmacht om de ontstane toestand meester te worden had toegegeven. De ministerraad had de tsaar aangeraden iemand aan het hoofd van de regering aan te stellen die het algemene vertrouwen genoot. De tsaar antwoordde Golizyn: “Wat personenwisselingen betreft in de huidige omstandigheden, acht ik dit onaanvaardbaar. Nicolaas.” Op welke andere omstandigheden wachtte hij dan wel? Tegelijk eiste de tsaar dat “de meest energieke maatregelen” tot onderdrukking van de muiterij getroffen zouden worden. Dit was gemakkelijker gezegd dan gedaan.

De volgende dag, de 28ste, zinkt ook bij de razende tsarina de moed in de schoenen. “Concessies zijn nodig,” telegrafeert zij aan Nicolaas. “De stakingen duren voort. Vele troepen zijn naar de revolutie overgelopen. Alice.” De opstand van de gehele garde, van het gehele garnizoen, was nodig om de Hessische beschermvrouw van de alleenheerschappij te doen inzien dat concessies nodig zijn. Nu begint het ook de tsaar duidelijk te worden dat de “dikke Rodsjanko” hem geen onzin verteld heeft. Nicolaas besluit naar zijn familie te reizen. Het is mogelijk dat de generaals van het hoofdkwartier, die zich onbehagelijk begonnen te voelen, hem in die richting dreven.

De trein van de tsaar reed aanvankelijk zonder incidenten. Zoals altijd werd hij door politiedienaren en gouverneurs ontvangen. Ver weg van de wervelstorm van de revolutie, in zijn gewone wagon en omgeven door het gewone gevolg, raakte de tsaar klaarblijkelijk weer het gevoel van de naderende beslissing kwijt. Op de 28ste, ’s namiddags 3 uur, wanneer over zijn lot reeds door de loop van de gebeurtenissen beslist is, zendt hij uit Wjasma een telegram aan de tsarina: “Heerlijk weer. Ik hoop, dat u zich goed en rustig voelt. Er zijn veel troepen van het front gezonden. Uw liefhebbende Niki.” In plaats van de concessies waarop de tsarina nu aandringt, zendt de liefhebbende tsaar troepen van het front. Maar ondanks het “heerlijke weer” zal de tsaar enige uren later in hoogsteigen persoon in de revolutionaire orkaan terechtkomen. De trein kwam tot het station Wisjera, verder lieten de spoorwegbeambten hem niet gaan. “De brug is verwoest.” Waarschijnlijk heeft het gevolg zelf deze uitvlucht verzonnen om de toestand te verbloemen. Nicolaas probeert – of men probeert hem – met de Nikolajeskase spoorweg over Bologoje te rijden. Ook hier liet men echter de trein niet passeren. Dit was duidelijker dan alle telegrammen uit Petrograd. De tsaar was afgesneden van het hoofdkwartier en kon zijn hoofdstad niet bereiken. De revolutie zette met eenvoudige spoorweg-“figuren” de koning schaak!

Generaal Doebenski, die de tsaar ook in de trein begeleidde, tekent in zijn dagboek op: “Iedereen is er zich van bewust dat deze nachtelijke wending in Wisjera een historische nacht betekent… Het is mij volkomen duidelijk dat de vraag van een constitutie beslist is; zij zal zeker ingevoerd worden… Iedereen spreekt over niets anders dan dat men het met hen, met de leden van de Voorlopige Regering, eens moet worden.” Voor het op onveilig gezette sein, waarachter het doodsgevaar loert, zijn nu graaf Frederiks, vorst Bolgoroeki, hertog von Leuchtenberg, kortom alle hoge heren, voor een constitutie. Zij denken niet meer aan strijd. Men moet slechts onderhandelen, d.w.z. trachten opnieuw te bedriegen, zoals in 1905.

Terwijl de trein aldus rondzwierf zonder een weg te vinden, zond de tsarina het ene telegram na het andere aan de tsaar, in welke zij aandrong op zijn spoedige terugkeer. Zij kreeg echter de telegrammen van het telegraafkantoor terug met de aantekening met blauw potlood: “Verblijfplaats van de geadresseerde onbekend.” De beambten van de telegrafie konden de Russische tsaar niet vinden.

Regimenten met muziek en vaandels marcheerden naar het Taurisch paleis. De gardebezetting verscheen onder commando van grootvorst Kyril Vladimirovitsj die, naar gravin Kleinmichel meedeelt, opeens een revolutionaire houding aannam. De wachtposten trokken zich terug. De hofhouding verliet het slot. “Wie zich redden kon, deed het,” schrijft Vyroebova in haar memoires. Groepen revolutionaire soldaten wandelden in het slot rond en bezichtigden alles met een onverzadelijke nieuwsgierigheid. Voordat de heren de vraag “Wat nu?” beantwoord hadden, had het volk het tsarenpaleis reeds in een museum veranderd.

De tsaar, wiens verblijfplaats onbekend is, keert terug naar Pskov, naar de staf van het Noordelijk front die onder commando van de oude generaal Roesski staat. Het ene voorstel na het andere wordt in het gevolg van de tsaar gedaan. De tsaar weifelt. Nog altijd rekent hij met dagen en weken, terwijl de revolutie reeds bij minuten telt.

De dichter Block karakteriseert de tsaar in de laatste maanden van de monarchie als volgt: “Eigenzinnig maar willoos, zenuwachtig maar afgestompt tegenover alles, zijn geloof in de mensheid verloren hebbend, geschokt maar bedachtzaam in zijn woorden, was hij zichzelf niet meer meester. Hij begreep de toestand niet meer, nam verkeerde maatregelen en gaf zich volledig over aan hen wie hij zelf macht gegeven had.” Hoe zullen de kenmerken van willoosheid en geschoktheid, van angst en wantrouwen in de laatste dagen van februari en de eerste dagen van maart nog sterker geworden zijn!

Nicolaas vermande zich nu eindelijk tot het zenden van een telegram aan de door hem gehate Rodsjanko – klaarblijkelijk is dit echter toch niet verzonden – waarin hij hem tot heil van het vaderland met de vorming van een nieuwe regering belast onder het voorbehoud dat de tsaar de ministers van buitenlandse zaken, oorlog en marine zelf kan benoemen. De tsaar kon nog met “hen” onderhandelen, er marcheerden immers “talrijke troepen” op tegen Petrograd!

Generaal Ivanov bereikte inderdaad ongehinderd Tsarskoje Selo. Het spoorwegpersoneel had het waarschijnlijk niet aangedurfd om het tot een botsing met het bataljon Georgiërs te laten aankomen. In ieder geval erkende de generaal later dat hij onderweg drie à viermaal gedwongen geweest was “vaderlijke dwang” op de in verzet komende soldaten uit te oefenen. Hij liet hen knielen. De plaatselijke autoriteiten verklaarden de “dictator” terstond na zijn aankomst in Tsarskoje Selo dat een botsing tussen de Georgiërs en de troepen de tsarenfamilie in gevaar zou brengen. Men was eenvoudig bang voor zichzelf en vroeg de “executeur” de terugreis aan te vatten zonder zelfs de troepen uit te laden.

Generaal Ivanov stelde aan de andere dictator, Chabalov, tien vragen, die hem nauwkeurig beantwoord werden. Zij verdienen letterlijk geciteerd te worden:

Vragen van Ivanov gevolgd door antwoorden van Cizabalov:

 

Vraag 1: Welke troepenafdelingen handhaven de orde en welke maken zich aan uitspattingen schuldig?

Onder mijn bevel staan in het gebouw van de admiraliteit vier compagnieën van de garde, vijf eskadrons en honderdschappen, twee batterijen. Alle overige troepen zijn naar de revolutionairen overgelopen of blijven volgens overeenkomst met deze neutraal. Afzonderlijke soldaten en groepjes trekken in de stad rond en ontwapenen officieren.

 

Vraag 2: Welke stations worden bewaakt?    

Alle stations zijn in handen van de revolutionairen en worden door deze streng bewaakt.

 

Vraag 3: In welke stadsdelen wordt de orde gehandhaafd?   

De gehele stad is in de macht van de revolutionairen, de telefoon werkt niet, de verbinding met de stadsdelen is verbroken.

 

Vraag 4: Welke autoriteiten oefenen in deze stadsdelen de macht uit?           

Kan ik niet beantwoorden.

 

Vraag 5: Werken de ministeries?       

De ministers zijn door de revolutionairen gearresteerd.

 

Vraag 6: Welke politiemacht staat momenteel tot uw beschikking?  

Geen.

 

Vraag 7: Welke technische en economische instellingen van defensie staan onder uw bevel?

Geen.

 

Vraag 8: Welke voorraden proviand staan ter uwer beschikking?      

Ik heb geen proviand tot mijn beschikking. Op 25 februari was er in de stad een voorraad van 5.600.000 pond meel.

 

Vraag 9: Zijn er veel wapens, artillerie en oorlogsvoorraden in de handen van de rebellen gevallen?

Alle artilleriemateriaal is in handen van de revolutionairen.

 

Vraag 10: Welke militaire autoriteiten en staven staan tot uw beschikking?  

Tot mijn beschikking staat de chef van de districtsstaf persoonlijk; met de overige districtsleidingen ontbreekt iedere verbinding.

 

Na een zo ondubbelzinnig beeld van de toestand ging generaal Ivanov “ermee akkoord” om met zijn niet uitgeladen troepen naar het station “Dno” terug te keren. “Op deze manier,” concludeert een van de leidende personen van het hoofdkwartier, generaal Loekomski, “werd het commando van generaal Ivanov met zijn dictatoriale volmachten slechts tot een schandaal.”

Het schandaal had overigens een verborgen karakter, het ging onopgemerkt in de gebeurtenissen onder. De dictator zond, naar men mag aannemen, de levensmiddelen aan zijn kennissen in Petrograd en had een langdurig onderhoud met de tsarina. Zij verwees naar haar zelfopofferend werk in de hospitalen en beklaagde zich over de ondankbaarheid van het leger en het volk.

Intussen komen er via Mohilev berichten naar Pskov, waarvan de een nog somberder dan de ander was. De in Petrograd achtergebleven persoonlijke lijfwachten van Zijne Majesteit, waarvan iedere soldaat afzonderlijk aan de tsarenfamilie met name bekend was en door haar vertroeteld werd, verschijnt in de Rijksdoema en vraagt toestemming om die officieren gevangen te nemen die geweigerd hadden aan de opstand deel te nemen. De vice-admiraal Koerosj bericht dat hij geen mogelijkheid ziet maatregelen te treffen om de opstand in Kronstadt te onderdrukken, want hij kan voor geen enkele troepenafdeling instaan. Admiraal Nepenin telegrafeert dat de Baltische vloot het Voorlopig Comité van de Rijksdoema erkent. De opperbevelhebber te Moskou, Mrosovski, bericht: “Het merendeel van de troepen is samen met de artillerie naar de revolutionairen overgelopen, in wier macht de stad zich nu bevindt. De burgemeester van de stad en diens personeel hebben zich uit het stadhuis verwijderd.” “Verwijderd” betekende: zij waren er vandoor gegaan.

Dit alles werd op 1 maart ’s avonds aan de tsaar gemeld. Tot diep in de nacht werd over het voor en tegen van een verantwoordelijke regering gepraat. Uiteindelijk, om twee uur ’s nachts, gaf de tsaar zijn toestemming. Zijn omgeving herademde opgelucht. Daar men het als vanzelfsprekend beschouwde dat hiermee het probleem van de revolutie opgelost was, gaf men tegelijkertijd bevel de troepenafdelingen die tegen Petrograd opmarcheerden om daar de opstand neer te slaan, naar het front terug te brengen. Roesski haastte zich bij het schemeren van de morgen het heugelijke nieuws aan Rodsjanko over te brengen. Maar het uurwerk van de tsaar liep erg achter. Rodsjanko, die in het Taurisch paleis reeds door democraten, socialisten, soldaten en arbeidersafgevaardigden in het nauw gebracht werd, gaf Roesski ten antwoord: “Wat je voorstelt, is niet voldoende, de dynastie zelf staat op het spel… De troepen kiezen overal de zijde van de Doema en van het volk en eisen de troonafstand ten behoeve van de zoon onder regentschap van Michael Alexandrovitsj.” De troepen dachten er echter niet aan hetzij de zoon, hetzij Michael Alexandrovitsj te eisen. Rodsjanko schreef hier eenvoudig aan de troepen en aan het volk een leuze toe waarmee de Doema nog altijd hoopte aan de revolutie een halt te kunnen toeroepen. Hoe het ook zij, de toestemming van de tsaar kwam te laat: “De anarchie nam zo’n omvang aan, dat ik (Rodsjanko) gedwongen was vannacht een Voorlopige Regering te benoemen. Het manifest kwam helaas te laat…” Deze vorstelijke woorden bewijzen dat de voorzitter van de Doema intussen tijd gevonden had om de over Golizyn vergoten tranen te drogen. De tsaar las het onderhoud van Rodsjanko met Roesski en weifelde, las het nog eens over en wachtte af. Nu sloegen de legeraanvoerders echter alarm: de kwestie ging ook hen een beetje aan!

Generaal Alexejev hield gedurende de nacht een soort plebisciet onder de opperbevelhebbers van de verschillende fronten. Het is goed dat moderne revoluties zich met behulp van de telegrafie voltrekken en dat zo de eerste bewegingen en reacties van de machthebbers op papier voor de geschiedenis bewaard blijven. De onderhandelingen van de tsaristische veldmaarschalken in de nacht van 1 op 2 maart vormen een menselijk document zonder weerga. Moet de tsaar afstand doen of niet? De opperbevelhebber van het Westfront, generaal Evert, wilde pas belissen nadat de generaals Roesski en Broessilov zich uitgesproken hadden. De opperbevelhebber van het Roemeense front, generaal Sacharov, verlangde dat men hem eerst de besluiten van alle overige opperbevelhebbers zou mededelen. Na lang aarzelen verklaarde deze roemruchte strijder dat zijn vurige liefde voor de vorst niet toeliet op zulk een “laag voorstel” in te gaan, niettemin beval hij de tsaar “wenend” aan om van de troon afstand te doen “om nog gemenere insinuaties te vermijden.” Luitenant-generaal Evert zette met klem de noodzakelijkheid van een capitulatie uiteen: “Ik neem alle maatregelen opdat de berichten over de tegenwoordige toestand in de hoofdsteden niet in het leger doordringen, om de anders onvermijdelijke onlusten tegen te gaan. Middelen om de revolutie in de hoofdsteden tot staan te brengen zijn er niet.” De grootvorst Nicolai Nicolajevitsj smeekte vanaf het Kaukasisch front op zijn knieën de tsaar om de “eer” aan zich te houden en afstand van de troon te doen. Zo’n smeekbede kwam ook van de generaals Alexejev, Broessilov en van admiraal Nepenino. Roesski bepleitte van zijn kant mondeling hetzelfde. Eerbiedig richtten de generaals zeven revolverlopen tegen de slapen van de door hen verafgode vorst. Uit angst het juiste ogenblik van een overeenstemming met de nieuwe macht voorbij te laten gaan en niet minder uit angst voor hun eigen troepen, gaven de legeraanvoerders die er aan gewend waren hun stellingen te ontruimen, eensgezind aan de tsaar en opperste veldheer de raad zonder strijd van het toneel te verdwijnen. Dit was nu niet meer het verre Petrograd waartegen men, naar het scheen, troepen kon zenden, maar het was het front waarvan men de troepen moest nemen.

Nadat de tsaar van dit bedenkelijk rapport kennis genomen had, besloot hij afstand te doen van de troon die hij reeds niet meer bezat. Men stelde een telegram aan Rodsjanko op dat in overeenstemming was met de situatie: “Geen enkel offer is er dat ik niet tot heil en redding van het dierbare Moedertje Rusland zou brengen. lk ben derhalve bereid afstand te doen van de troon ten behoeve van mijn zoon, die tot zijn meerderjarigheid bij mij verblijf houdt, onder regentschap van mijn broeder, grootvorst Michael Alexandrovitsj Nicolaas.” Ook dit telegram werd echter niet afgezonden. Er kwam immers een bericht dat de afgevaardigden Goetsjkov en Sjoelgin van de hoofdstad naar Pskov onderweg waren. Dit was een nieuwe aanleiding om de beslissing uit te stellen. De tsaar beval hem het telegram terug te geven. Klaarblijkelijk was hij bang te veel te bieden en wachtte hij nog steeds op geruststellende berichten, of liever gezegd hij hoopte op een wonder. De tsaar ontving de beide afgevaardigden om twaalf uur in de nacht van 2 op 3 maart. Er geschiedde geen wonder en het was niet langer mogelijk een beslissing te ontwijken. De tsaar verklaarde plotseling dat hij niet meer kon scheiden van zijn zoon – welke troebele verwachtingen speelden hem daarbij door het hoofd? – en ondertekende de troonafstand ten behoeve van zijn broer. Tegelijkertijd werden decreten aan de senaat betreffende de benoeming van vorst Lvov tot voorzitter van de ministerraad en van Nicolai Nicolajevitsj tot opperbevelhebber ondertekend. De familieangsten van de tsarina werden hiermee tevens bevestigd: de gehate Nicolasja kwam met de samenzweerders weer aan de macht. Goetsjkov meende in ernst dat de revolutie het met de keizerlijke opperbevelhebber eens zou worden. Deze nam de benoeming eveneens voor goede munt op. Hij probeerde zelfs gedurende enige dagen bevelen te geven en op te wekken tot vervulling van de plichten tegenover het vaderland. De revolutie heeft hem echter pijnloos verwijderd.

Om de schijn op te houden dat het besluit in vrijheid genomen was, werd het manifest van de troonafstand ’s middags om drie uur getekend, onder voorwendsel dat het besluit van de tsaar om van de troon afstand te doen oorspronkelijk op dit uur genomen was. Maar het besluit van die dag, waarbij de troon aan de zoon en niet aan de broer overgegeven werd, was immers in de hoop op een gunstige wending feitelijk herroepen. Niemand herinnerde echter hieraan. De tsaar deed nog een laatste poging een houding aan te nemen tegenover de gehate afgevaardigden, die van hun kant de vervalsing van de historische daad, d.w.z. het volksbedrog, toelieten. De monarchie verdween van het toneel met behoud van haar stijl. Maar ook haar opvolgers bleven zichzelf trouw. Hun toegeeflijkheid beschouwden zij waarschijnlijk als grootmoedigheid van de overwinnaar tegenover de overwonnene.

Enigszins afwijkend van de overigens onpersoonlijke stijl van zijn dagboek schrijft Nicolaas op de 2de maart daarin: “ ’s Morgens kwam Roesski en las mij een zeer lang telefoongesprek met Rodsjanko voor. Volgens diens woorden was de toestand te Petrograd zodanig dat een regering bestaande uit leden van de Rijksdoema onmachtig zou zijn iets te doen, want het zou door de sociaaldemocratische partij in de vorm van het arbeiderscomité bestreden worden. Mijn troonafstand was noodzakelijk. Roesski bracht dit gesprek in het hoofdkwartier over aan Alexejev en aan alle opperbevelhebbers. Om half één kwamen de antwoorden binnen. Ik heb tot deze stap besloten om Rusland te redden en de troepen aan het front te houden. Ik stemde toe en uit het hoofdkwartier werd een ontwerp voor een manifest gezonden. ’s Avonds kwamen Goetsjkov en Sjoelgin uit Petrograd aan, met wie ik een onderhoud had en aan wie ik het ondertekende gewijzigde manifest overhandigde. Om een uur reisde ik somber gestemd uit Pskov weg. Overal verraad, lafheid, bedrog.”

De verbittering van Nicolaas was, naar men zal moeten toegeven, niet geheel en al ongegrond. Op 28 februari had generaal Alexejev nog aan alle opperbevelhebbers getelegrafeerd: “Wij hebben allen de heilige plicht tegenover keizer en vaderland de troepen van het actief dienende leger trouw aan hun plicht en eed te doen blijven.” En twee dagen later riep Alexejev dezelfde opperbevelhebbers van het leger op om de trouw aan hun “plicht en eed” te schenden. Er was niet een man in het opperbevel te vinden die het voor zijn tsaar opnam. Allen haastten zich op het schip van de revolutie over te gaan, met het vaste vertrouwen daar behagelijke kajuiten aan te treffen. Generaals en admiraals namen de tsaristische onderscheidingstekenen af en staken rode strikken op. Later vertelde men slechts van een enkele rechtschapen man, een korpscommandant, die bij het afleggen van de nieuwe eed aan hartverlamming stierf. Het staat echter niet vast dat zijn hart van gekwetste vorstenliefde of uit een andere oorzaak brak. De burgerlijke waardigheidsbekleders behoefden reeds uit hoofde van hun positie niet meer moed te betonen dan de militaire. Ieder redde zich zo goed hij kon.

Het uurwerk van de monarchie liep echter niet gelijk met dat van de revolutie. Op de 3de maart bij zonsopgang wordt Roesski wederom aan de telefoon geroepen. Rodsjanko en vorst Lvov eisen het tsarenmanifest achter te houden, daar het wederom te laat gebleken is. De troonsbestijging van Alexej – zo melden de nieuwe heren ontwijkend – zou men waarschijnlijk wel accepteren – wie? – de troonsbestijging van Michael daarentegen was volkomen onaannemelijk. Niet zonder ergernis betuigde Roesski zijn leedwezen erover dat de afgevaardigden van de Doema die gisteren hier vertoefden niet voldoende op de hoogte geweest waren van het doel en de bestemming van hun reis. Maar ook de afgevaardigden vonden een uitvlucht. “Een soldatenmuiterij zoals ik die nog nooit gezien heb, laaide onverwacht voor allen op,” verklaarde de kamerheer aan generaal Roesski, alsof hij nooit in zijn leven iets anders gedaan had dan muiterijen aanschouwen. “Uitroeping van Michael tot keizer zou olie in het vuur zijn en zou een meedogenloze vernietiging ten gevolge hebben van alles wat maar te vernietigen was.” Wat heeft het hen allen toch te pakken, hoe worden zij geschud, geschokt, rondgewenteld in de draaikolk!

De generale staf slikt zwijgend ook deze nieuwe gemene aanmatiging van de revolutie. Alleen Alexejev stort zijn hart uit in een telegrafisch bericht aan de opperbevelhebber: “De linkse partijen en de arbeidersafgevaardigden oefenen een sterke pressie op de voorzitter van de Doema uit; in de berichten van Rodsjanko mist men de nodige openhartigheid en oprechtheid.” De generaals misten in die uren alleen maar oprechtheid!

Maar zie, daar heeft de tsaar nog eens over nagedacht. Bij zijn aankomst uit Pskov te Mohilev overhandigt hij aan zijn vroegere chef van de generale staf, Alexejev, een vel papier met de bewilliging de troon aan zijn zoon af te staan. Het doel was om dit papier naar Petrograd te zenden. Deze oplossing leek hem toch we! de meest aannemelijke. Volgens het verhaal van Denikin ging Alexejev met het telegram weg… maar hij verstuurde het niet. Klaarblijkelijk achtte hij de twee manifesten die reeds aan leger en vloot meegedeeld waren voldoende. De ongelijke slingerbeweging ontstond doordat niet alleen de tsaar en zijn raadgevers, maar ook de liberale Doemaleden langzamer dachten dan de revolutie.

Op 8 maart, vóór zijn definitieve afreis uit Mohilev, schreef de formeel reeds gevangen genomen tsaar een oproep aan de troepen die met deze woorden eindigde: “Wie nu aan vrede denkt, wie vrede wenst, verraadt zijn vaderland, is een hoogverrader!” Dit was een ingeving van de tsaar om op de beschuldiging van Duitsgezindheid te antwoorden. De poging bleef zonder gevolgen, men durfde de oproep niet meer openbaar te maken.

Zo eindigde een bewind dat een onafgebroken aaneenschakeling van tegenslagen, ongeluk, onheil en misdaad was, beginnend met de ramp op Chodynka tijdens de kroningsfeesten, via fusillades van stakers en opstandige boeren, via de Russisch-Japanse oorlog, via het verschrikkelijke neerslaan van de revolutie van 1905, via talloze terechtstellingen, strafexpedities en nationale pogroms, eindigend met de waanzinnige en rampzalige deelname van Rusland aan de waanzinnige en rampzalige wereldoorlog.

Na zijn aankomst in Tsarskoje Selo, waar hij samen met zijn familie in het kasteel gevangen gehouden werd, zei de tsaar volgens Vyroebova zachtjes voor zich heen: “Er is geen gerechtigheid onder de mensen.” Intussen zijn deze woorden juist een onweerlegbaar bewijs van het feit dat er een historische gerechtigheid bestaat, al komt deze ook dikwijls te laat.

Een vergelijking van het laatste tsarenpaar van de Romanovs met het Franse koningspaar uit de tijd van de Grote Revolutie dringt zich als het ware vanzelf op. In de literatuur werd hierop reeds gewezen, doch slechts vluchtig en zonder uit deze vergelijking nadere gevolgtrekkingen te maken. De gelijkenis is intussen niet zo toevallig als het op het eerste gezicht lijkt, en zij biedt waardevol materiaal voor gevolgtrekkingen. Terwijl zij door meer dan een eeuw van elkaar gescheiden zijn, vormen tsaar en koning op bepaalde ogenblikken twee toneelspelers die dezelfde rol spelen. Een passieve, sluwe, maar wraakzuchtige trouweloosheid vormt de meest in het oog springende eigenschap van beiden, met dit onderscheid dat deze bij Lodewijk achter een twijfelachtige goedhartigheid schuilging, terwijl zij bij Nicolaas omgangsvorm was. Beiden maakten de indruk van mensen die onder hun werk gebukt gaan, maar die tevens niet geneigd waren af te zien van ook maar het geringste van hun rechten waar ze overigens geen gebruik van kunnen maken. De dagboeken van beide heersers lijken op elkaar, zowel wat stijl als wat het ontbreken van stijl betreft. Ze tonen beiden een zelfde beklemmende leegheid.

De Oostenrijkse koninging en de Duitse tsarina uit Hessen komen op hun beurt ook weer overeen. De koninginnen verheffen zich boven de koningen niet alleen wat hun fysieke, maar ook wat hun morele postuur betreft. Marie-Antoinette is minder vroom dan Alexandra Feodorovna en, anders dan deze, verzot op plezier. Beiden haten evenzeer het volk, kunnen de gedachte aan concessies niet verdragen, staan op dezelfde manier wantrouwend tegenover de moed van hun echtgenoten en zien op deze neer. Antoinette doet dit met een vleug van verachting, Alexandra met medelijden.

Wanneer auteurs, die in aanraking gekomen waren met het Petrograds hof, ons in hun memoires verzekeren dat Nicolaas in goede herinnering zou zijn blijven voortleven indien hij een particulier persoon geweest was, dan herhalen zij het oude cliché van het welwillend oordeel over Lodewijk XVI, waarmee zij ons echter noch uit historisch, noch uit psychologisch oogpunt veel wijzer maken.

Wij hebben reeds gehoord hoe vorst Lvov zich boos maakte toen hij tijdens de tragische gebeurtenissen van de eerste revolutie in plaats van een terneergeslagen tsaar een “lustig, monter kereltje in een frambozenrode kiel” aantrof. Zonder het te weten, had de vorst de mening van gouverneur Morris herhaald die in het jaar 1790 in Washington over Lodewijk schreef: “Wat kan men verwachten van iemand die in zijn toestand steeds goedsmoeds eet, drinkt, slaapt en lacht; van deze nette kerel die lustiger is dan iemand ooit?”

Wanneer Alexandra Feodorovna drie maanden voor de val van de monarchie voorspelt: “Alles keert zich ten goede, de dromen van onze vriend beloven zoveel!” herhaalt zij slechts Marie-Antoinette die een maand voor de val van het koningschap schrijft: “Ik voel nieuwe moed, en er is iets dat mij zegt dat wij spoedig gelukkig zullen zijn en gered.” In hun ondergang hebben beiden gulden dromen.

Enkele punten van gelijkenis zijn vanzelfsprekend louter toevallig en hebben slechts belang als historische anekdoten. Veel belangrijker zijn die kenmerken die door de reële verhoudingen opgelegd of zelfs opgedrongen worden en die een scherp licht werpen op de verhouding tussen persoonlijkheid en objectieve historische factoren.

“Hij kon niet willen – dit is de kenmerkende trek van zijn karakter,” zei een reactionair Frans historicus over Lodewijk. Deze woorden lijken als geschreven over Nicolaas. Beiden wisten niet wat ze wilden, maar ze wisten wel wat ze niet wilden. Wat hadden deze laatste vertegenwoordigers van een hopeloos verloren zaak overigens nog kunnen ‘willen’?

“Hij hoorde gewoonlijk toe, glimlachte, maar slechts zelden besloot hij tot iets. Zijn eerste woord was in de regel neen.” Over wie gaat het hier? Wederom over Capet. Maar dan was het gehele optreden van Nicolaas eigenlijk een voortdurend plagiaat! Beiden gaan de afgrond tegemoet “met een over de ogen geschoven kroon.” Maar zou het dan gemakkelijker zijn om een afgrond waaraan men toch niet kan ontkomen met open ogen tegemoet te gaan? Zou er iets veranderd zijn indien de kroon de ogen niet had bedekt?

Men zou de beroepspsychologen kunnen aanraden een boek van de parallelle uitlatingen van Nicolaas en van Lodewijk, van Alexandra en van Antoinette en van hun naaste omgeving over hen samen te stellen. Er zou geen gebrek aan materiaal zijn en het resultaat zou een buitengewoon leerzaam historisch bewijs van de materialistische psychologie zijn: gelijksoortige (natuurlijk niet gelijke) prikkels brengen onder gelijksoortige voorwaarden gelijksoortige reflexen teweeg. Hoe sterker de prikkel is, des te sneller overwint deze de individuele eigenaardigheden. De mensen reageren verschillend op kietelen, maar op gloeiend ijzer reageren ze gelijk. Evenals de stoomhamer een kogel en een blokje gelijkelijk in een schijf verandert, zo worden onder invloed van al te grote en onafwendbare gebeurtenissen zelfs tegenstribbelende individualiteiten vervormd en verliezen zij hun oorspronkelijke kenmerken.

Lodewijk en Nicolaas waren laatstgeborenen van dynastieën die een stormachtig leven kenden. Een zekere evenwichtigheid van de een en van de ander, de rust en “opgewektheid” in moeilijke ogenblikken, waren door opvoeding bijgebrachte uitingen van een gemis aan innerlijke krachten, van een zwakte van zenuwontladingen, van een armzaligheid van geestelijke bronnen. Beiden waren als morele castraten ontbloot van iedere fantasie en scheppingskracht. Ze bezaten nog juist zoveel geest om hun eigen trivialiteit te beseffen en koesterden een vijandige afgunst tegenover alles wat begaafd en veelbetekenend was. Het was het lot van beiden om een land te regeren tijdens ernstige binnenlandse crisissen en bij een revolutionair ontwaken van het volk. Beiden verzetten zich tegen het doordringen van nieuwe ideeën en de stormloop van vijandelijke machten. Besluiteloosheid, huichelarij en leugenachtigheid waren bij beiden minder de uitdrukking van persoonlijke zwakte dan veeleer van een volkomen onmogelijkheid om zich op de overgeërfde posities te handhaven.

En hoe stond het met de vrouwen? In meerdere mate nog dan Antoinette kwam Alexandra door haar huwelijk met de onbeperkte heerser van een machtig rijk tot een zo hoge positie dat dit de stoutste dromen van een prinses, en dan nog wel van een provinciaalse Hessische, overtrof. Beiden waren geheel vervuld van hun hoge zending. Antoinette meer op frivole manier, Alexandra met protestantse huichelachtigheid omgezet in de kerkelijk slavische taal. Tegenslagen van de regering en toenemende ontevredenheid van het volk brachten onverbiddelijk de fantastische wereld, die deze fanatieke maar eigenlijk toch slechts kleine angstige figuren rond zich hadden opgetrokken, aan het wankelen. Vandaar de toenemende verbittering, de knagende vijandigheid tegenover een vreemd volk dat niet voor hen had willen buigen; haat tegen ministers die ook maar enigszins rekening wilden houden met deze vijandige wereld, d.w.z. met het land zelf; vervreemding zelfs van het eigen hof en eeuwig gekrenkt zijn door de echtgenoot die de in de bruidstijd gewekte verwachtingen niet in vervulling had doen gaan.

Historici en biografen van de psychologische school zoeken en ontdekken niet zelden zuiver persoonlijke en toevallige dingen daar waar slechts een breekpunt van grote historische krachten in een persoon plaats heeft. Dit is dezelfde zienswijze als die van de hovelingen die in de laatste Russische tsaar een geboren pechvogel zagen. Hij zelf geloofde eveneens dat hij onder een ongunstig gesternte geboren was. In werkelijkheid kwamen zijn tegenslagen voort uit de tegenstellingen tussen de oude doeleinden die zijn voorvaderen hem nagelaten hadden en de nieuwe historische omstandigheden waarin hij geplaatst was. Wanneer in vroegere tijden werd gezegd dat Jupiter eerst diegene die hij wil vernietigen gek maakt, dan wordt een diepere historische waarneming in bijgeloof vertaald. De woorden van Goethe over hoe rede overgaat in onzin – “Vernunft wird Unsinn” – omvatten dezelfde gedachte van een onpersoonlijke Jupiter van de historische dialectiek, waarbij ‘rede’ die uit uitgeleefde instellingen wordt gehaald zijn verdedigers tot falen veroordeelt. De tekst van de rollen van de Romanovs en de Capets was door de loop van het historisch drama gedicteerd. Aan de acteurs werd hoogstens de schakering in de vertolking overgelaten. De tegenspoed zowel van Nicolaas, als van Lodewijk lag niet in hun persoonlijke horoscoop, maar in de historische horoscoop van de standenmonarchie. Zij waren vooral en bovenal de laatsgeborenen van het absolutisme. Hun morele nietigheid die voortkwam uit het erfelijke karakter van de dynastie, gaf aan de monarchie een buitengewoon kwaadaardig karakter.

Men zou kunnen tegenwerpen: indien Alexander III minder gedronken had, zou hij veel langer geleefd hebben, de revolutie zou dan met een volkomen andere tsaar in conflict gekomen zijn en een vergelijking met Lodewijk XVI zou men niet kunnen maken. Deze tegenwerping weerlegt echter niets van wat we hierboven schreven. Het was immers niet onze bedoeling de betekenis van de persoonlijkheid in de loop van het historisch proces of de betekenis van het toevallige in het persoonlijke weg te cijferen. Men moet alleen de historische persoonlijkheden met al hun eigenaardigheden niet als een enkele samenstelling van psychologische trekken nemen, maar als een uit bepaalde maatschappelijke voorwaarden gesproten en op deze reagerende levende werkelijkheid. Evenals een roos niet ophoudt te geuren omdat een bioloog aantoont met welke bestanddelen uit de grond en de atmosfeer zij zich voedt, berooft ook het blootleggen van de maatschappelijke wortels van een persoonlijkheid deze niet van haar aroma of van haar stank.

De hierboven geopperde veronderstelling van een langere levensduur van Alexander III kan er juist toe bijdragen hetzelfde probleem van de andere kant te belichten. Wij willen eens veronderstellen dat Alexander III in 1904 niet tot een oorlog met Japan overgegaan was. Hierdoor zou de eerste revolutie uitgesteld zijn. Tot op welk tijdstip? Het is mogelijk dat de revolutie van 1905, d.w.z. de eerste krachtproef, de eerste deuk in het absolutistisch stelsel, eenvoudig een inleiding tot de tweede, de republikeinse, en tot de derde, de proletarische revolutie zou zijn geweest. Hieromtrent zijn echter slechts min of meer interessante veronderstellingen mogelijk. Het is in elk geval niet voor betwisting vatbaar dat de revolutie niet uit het karakter van Nicolaas II voortgekomen is en dat  Alexander III haar doeleinden niet verwezenlijkt heeft. Het is voldoende eraan te herinneren dat de overgang van feodaal tot burgerlijk regime zich nergens en nooit zonder gewelddadige schokken voltrokken heeft. Gisteren zagen wij dit nog in China, heden nemen wij het in India waar. Het enige dat men zeggen kan, is dat de ene of de andere politiek van een monarchie, de ene of de andere persoonlijkheid van een monarch, de revolutie kan verhaasten of vertragen en een stempel drukken op haar uiterlijk verloop.

Met welk een woedende en onmachtige hardnekkigheid probeerde het tsarisme in de allerlaatste maanden, weken en dagen van zijn bestaan nog zich te handhaven, terwijl de zaak reeds hopeloos verloren was. Wanneer het Nicolaas zelf aan wil ontbrak, verhielp de tsarina dit gebrek. Raspoetin was het werktuig tot beïnvloeding voor een kliek die vol vertwijfeling streed uit zelfbehoud. Zelfs naar deze beperkte maatstaf gemeten, gaat de persoon van de tsaar op in een groep die een brok van het verleden en van de laatste stuiptrekkingen daarvan vormde. De politiek van de regering in Tsarskoje Selo tegenover de revolutie bestond uit de acties van een ten dode opgejaagd en afgemat roofdier. Indien men in de steppe met een snelrijdende automobiel een wolf lange tijd volgt, bezwijkt het dier eindelijk en blijft het uitgeput liggen. Indien men echter probeert het een halsband om te doen, zal het trachten u te verscheuren of althans te kwetsen. Heeft het dier andere opties in zijn toestand?

Ja, meenden de liberalen. In plaats van terechtertijd een overeenkomst aan te gaan met de bevoorrechte burgerij en op die manier de revolutie af te wenden – zo luidt de aanklacht van het liberalisme tegen de laatste tsaar – weigerde Nicolaas hardnekkig iedere concessie, weifelde zelfs in de allerlaatste dagen, reeds onder de valbijl, waar iedere minuut telde, marchandeerde met het noodlot en liet zo de laatste mogelijkheid ongebruikt voorbijgaan. Dit klinkt zeer overtuigend. Het is alleen maar jammer dat het liberalisme, dat zulke feilloze middelen wist om de monarchie te redden, zulke middelen niet voor zichzelf vond.

Het zou onzinnig zijn te beweren dat het tsarisme nooit en onder geen enkele omstandigheid concessies gedaan had. Het heeft ze gedaan, voor zover zijn zelfbehoud het eiste. Na de nederlagen in de Krim voerde Alexander II een gedeeltelijke bevrijding van de boeren door en een reeks liberale hervormingen op het gebied van de Zemstvo, de justitie, de pers, het onderwijs, enzovoort. De tsaar zelf verklaarde toentertijd dat het richtsnoer van zijn hervormingen was: de boeren van bovenaf bevrijden opdat zij zich niet van onderop zouden bevrijden. Onder de druk van de eerste revolutie gaf Nicolaas II een partiële grondwet. Stolypin maakte een einde aan de gemene eigendom van de boeren om de ruimte voor kapitalistische krachten te vergroten. Al deze hervormingen hadden voor het tsarisme echter slechts betekenis in zoverre de gedeeltelijke toegevingen het geheel, d.w.z. de grondslagen van de standenmaatschappij en van de monarchie zelf, onaangetast lieten. Zodra de gevolgen van de hervormingen deze grenzen dreigden te overschrijden, week de monarchie onverwijld terug. Alexander II kwam in de tweede helft van zijn regering terug op de hervormingen van de eerste helft. Alexander III ging nog verder op de weg van contrahervormingen. Nicolaas II aanvaardde in oktober 1905 een terugtocht tegenover de revolutie, ontbond daarna herhaaldelijk de door hemzelf in het leven geroepen Doema en pleegde, zodra de revolutie verlamd was, een staatsgreep. In het verloop van driekwart eeuw – als men rekent vanaf de hervormingen van Alexander II – voltrekt zich een nu eens verborgen dan weer openlijke strijd van historische machten die ver uitsteekt boven de persoonlijke eigenschappen van afzonderlijke tsaren en die eindigt met de val van de monarchie. Slechts in het historisch karakter van dit proces is de plaats van afzonderlijke tsaren, hun karakters en “biografieën” te bepalen.

Ook de meest absolute van alle despoten lijkt bitter weinig op een “vrije” persoonlijkheid die willekeurig zijn stempel op de gebeurtenissen drukt. Steeds is hij slechts de gekroonde agent van de bevoorrechte klassen die de maatschappij naar hun beeld vormen. Zolang deze klassen hun zending nog niet geheel vervuld hebben, staat ook de monarchie vast en is zij zeker van zichzelf. Zij beschikt dan over een betrouwbaar machtsapparaat en over een onbeperkte keuze aan medewerkers omdat de meest bekwame mensen nog niet naar het kamp van de vijand overgelopen zijn. De vorst kan dan persoonlijk of door middel van zijn gunstelingen de drager van grote en vooruitstrevende historische doeleinden worden. Anders is het echter gesteld wanneer de zon van de oude maatschappij definitief onder begint te gaan. Van organisatoren van het nationale leven worden de bevoorrechte klassen dan tot een parasitaire woekering; met het verlies van hun leidende functie verliezen zij het bewustzijn van hun zending en het geloof in hun krachten; de ontevredenheid met zichzelf zetten zij om in een ontevredenheid met de monarchie; de dynastie wordt geïsoleerd; de kring van mensen die haar tot het einde toe toegedaan zijn, wordt kleiner; haar niveau daalt; de gevaren nemen intussen toe; de nieuwe krachten dringen op; de monarchie boet aan bekwaamheid tot enig scheppend initiatief in, zij verdedigt zich, strijdt, aanvaardt de terugtocht – haar handelingen krijgen het automatisch karakter van primitieve reflexen. Ook de half-Aziatische despotie van de Romanovs ontkwam niet aan dit lot.

Indien men bij wijze van spreken een verticale doorsnede maakt van het tsarisme in doodstrijd, dan zien we Nicolaas als spil van een kliek met wortels in een hopeloos verdoemd verleden. In een horizontale doorsnede van de historische monarchie zien we Nicolaas als laatste schakel in een dynastieke ketting. Zijn naaste voorvaderen, die in hun tijd eveneens behoorden tot de – grotere – familie, kaste en bureaucratisch collectief, probeerden het oude sociale regime te behouden voor het oprukkende dreigende lot. Ze lieten Nicolaas een chaotisch rijk na dat innerlijk reeds een gerijpte revolutie meedroeg. Indien Nicolaas over keuzes beschikte, was het slechts tussen verschillende wegen naar de ondergang.

Het liberalisme droomde van een monarchie naar Engels model. Heeft het parlementarisme aan de Theems zich dan langs vreedzame evolutionaire weg ontwikkeld? Of is het misschien de vrucht van het “vrije besluit” van een zelfstandige vorst? Neen, het is ontstaan als besluit van een strijd die eeuwen duurde en waarin een van de koningen zijn hoofd op het keerpunt van de geschiedenis moest laten.

De hier gemaakte historisch-psychologische vergelijking tussen de Romanovs en de Capets kan men met succes uitbreiden tot het Engelse koningspaar uit de tijd van de eerste Engelse revolutie. Karel I vertoonde in wezen dezelfde trekken als die welke de memoireschrijvers en historici min of meer terecht aan Lodewijk XVI en Nicolaas II toeschrijven. “Karel blijft passief,” schrijft Montague, “gaf toe waar hij toch geen tegenstand had kunnen bieden. Hij nam, hoezeer tegen zijn zin, zijn toevlucht tot misleiding en wist noch populariteit, noch vertrouwen te winnen.” “Hij was niet dom,” zegt een ander historicus van Karel Stuart, “maar het ontbrak hem aan karaktersterkte… Een noodlottige rol in zijn leven speelde zijn vrouw Henriëtte van Frankrijk, de zuster van Lodewijk XIII, die van de idee en van het absolutisme nog dieper doordrongen was dan Karel…”

Wij willen bij het beeld van dit derde – in chronologische volgorde eerste – koningspaar dat door de nationale revolutie verpletterd werd, niet verder in details afdalen. Hier zij slechts opgemerkt dat ook in Engeland de haat zich voornamelijk richtte tegen de koningin als Franse en paapse die beschuldigd werd van gekonkelfoes met Rome, van een samenzwering met de opstandige Ieren en van intriges aan het Franse hof.

Intussen had Engeland echter eeuwen tot zijn beschikking. Het was de pionier van de burgerlijke beschaving. Het ging niet onder het juk van andere naties gebukt. Integendeel, het hield veeleer deze andere naties onder zijn juk. Het buitte de gehele wereld uit. Dit verzachtte de inwendige tegenstellingen, hoopte conservatisme op, verschafte overvloed en bestendige reserves in de vorm van een parasitaire klasse van lords, van de monarchie, van het Hogerhuis en van de staatskerk. Tengevolge van de historisch buitengewoon bevoorrechte ontwikkeling van het burgerlijke Engeland is het tegelijk elastisch conservatisme uit de instellingen overgegaan in de zeden.

Verscheidene continentale filisters van het slag van de Russische professor Miljoekov of van de austromarxist Otto Bauer, zijn tot op vandaag in vervoering hiervan. Maar nu Engeland wereldwijd onder druk staat en alle laatste middelen van de voorheen bevoorrechte positie verliest, gaat ook de elasticiteit van het conservatisme verloren en slaat het, zelfs onder de Labour-leiders, om in een scherpe vorm van reactie. Tegenover de Indische revolutie weet de “socialist” Macdonald geen andere methoden te vinden dan die welke Nicolaas II tegenover de Russische revolutie toepaste. Men moet blind zijn om niet te zien dat Engeland sterke revolutionaire schokken tegemoet gaat, waarbij de overblijfselen van zijn conservatisme, zijn wereldheerschappij en zijn huidige staatsmachinerie spoorloos zullen ondergaan. Even slecht en evenzeer met blindheid geslagen als Nicolaas in zijn tijd bereidt Macdonald deze schokken voor. Zoals wij zien, is ook dit geen slechte illustratie van het vraagstuk van de rol van de “vrije” persoonlijkheid in de geschiedenis!

Hoe zou echter Rusland met zijn vertraagde ontwikkeling, als achterhoede van alle Europese volken, met zijn schraal economisch fundament, een “elastisch conservatisme” van maatschappijvormen – klaarblijkelijk in overeenstemming met de behoeften van het professorale liberalisme en diens linkse schakering, het reformistisch socialisme – geschapen hebben? Rusland was te lang achtergebleven – en toen het wereldimperialisme het in zijn greep vatte, was het gedwongen zijn politieke geschiedenis in een zeer samengedrongen bestek te doorlopen. Indien Nicolaas aan het liberalisme tegemoet gekomen was en Stürmer door Miljoekov vervangen had, zou het verloop van de gebeurtenissen enkel naar de vorm, maar niet naar zijn wezen, enigszins anders geworden zijn. Indertijd had Lodewijk deze weg bewandeld in het tweede tijdvak van de revolutie, toen hij de Gironde de macht gaf. Dit heeft echter noch Lodewijk, noch later de Gironde, voor de guillotine behoed. De opgehoopte sociale tegenstellingen moesten tot uitbarsting komen en met hun uitbarsting het opruimingswerk voltooien. Tegen de stormloop van de volksmassa’s, die hun lijden, pijn, harstochten, verwachtingen, illusies en doelstellingen eindelijk openlijk naar buiten brachten, kon de combinatie van de monarchie en van het liberalisme slechts een tijdelijke betekenis hebben en hoogstens de volgorde van de gebeurtenissen en misschien ook het aantal acties beïnvloeden, maar niet de totale ontwikkeling van het drama en nog minder de onverbiddelijke ontknoping hiervan.