Het Militair Revolutiecomité

Ondanks de verandering die eind juli ingetreden was, hadden de sociaal-revolutionairen en mensjewieken in augustus nog altijd de overhand in het vernieuwde Petrogradse garnizoen. Enkele troepenafdelingen bleven vervuld van een sterk wantrouwen tegen de bolsjewieken. De arbeidersklasse had geen wapens: slechts enkele duizendtallen geweren waren in handen van de Rode Garde gebleven. Een opstand zou onder deze omstandigheden met een ernstige nederlaag hebben kunnen eindigen, ofschoon de massa’s weer in stromen tot de bolsjewieken kwamen.

De toestand wijzigde zich onophoudelijk in de loop van september. Na het oproer van de generaals verloren de verzoeningsgezinden spoedig vaste voet in het garnizoen. Wantrouwen tegen de bolsjewieken maakte plaats voor sympathie, in het ongunstigste geval – voor een welwillend afwachtende, neutrale houding. De sympathie was echter niet daadwerkelijk. Het garnizoen bleef politiek zeer onbetrouwbaar en op moezjiekmanier argwanend: bedrogen misschien toch ook de bolsjewieken? Zullen zij werkelijk vrede en brood brengen? De meerderheid van de soldaten was nog niet van plan om voor deze doeleinden onder bolsjewistische vlag te strijden. Daar er bovendien een bijna niet uit te roeien erg anti-bolsjewistische minderheid in het garnizoen was blijven bestaan (5 à 6.000 jonkers, 3 Kozakkenregimenten, 1 bataljon wielrijders en 1 pantserdivisie), was zelfs in september de afloop van een botsing bijzonder onzeker. De verdere loop van zaken gaf, als het ware om een handje te helpen, nog een aanschouwelijke les waaruit bleek dat het lot van de Petrogradse soldaten onafscheidelijk verbonden was met het dat van de revolutie en de bolsjewieken.

Het recht om over gewapende troepen te beschikken, is een fundamenteel recht van iedere staatsmacht. De eerste Voorlopige Regering, die het volk door het Uitvoerend Comité opgedrongen was, had zich ertoe verplicht om de troepen die aan de Februarirevolutie hadden deelgenomen niet te ontwapenen en niet uit Petrograd te verwijderen. Dit was formeel het begin van het militaire dualisme dat eigenlijk inherent was aan de dubbele heerschappij. De grote politieke schokken in de volgende maanden – Aprildemonstratie, Julidagen, voorbereiding van de opstand van Kornilov en onderdrukking van deze – leidden onvermijdelijk elke keer weer tot de kwestie van de onafhankelijkheid van het Petrogradse garnizoen. De conflicten tussen de regering en de verzoeningsgezinden op dit terrein waren echter in laatste instantie van interne aard en verliepen goedaardig. Dit veranderde met de bolsjewisering van het garnizoen. Nu herinnerden de soldaten zelf aan de verplichting die de regering in maart tegenover het Centraal Uitvoerend Comité op zich genomen had en die door beiden trouweloos geschonden was. Op 8 september stelt de soldatensectie van de sovjet de eis om de regimenten die in verband met de Juligebeurtenissen naar het front gezonden waren naar Petrograd terug te brengen. De coalitiegenoten braken zich intussen het hoofd erover hoe men ook de overige regimenten zou kunnen verwijderen.

In een aantal provinciesteden was de stand van zaken ongeveer dezelfde als in de hoofdstad. Gedurende de maanden juli en augustus doorleefden de plaatselijke garnizoenen een patriottische roes en in augustus en september vielen de vernieuwde garnizoenen ten prooi aan het bolsjewiseringsproces. Men moest van vooraf aan beginnen, d.w.z. ze opnieuw dooreenmengen en vernieuwen. Ter voorbereiding van de slag tegen Petrograd begon de regering met de provincie. Politieke beweegredenen werden zorgvuldig achter strategische motieven verborgen. Op 27 september besloot een verenigde vergadering van de sovjets van de stad en de vesting Reval inzake de overplaatsing van de regimenten, dat troepenverplaatsingen slechts na voorafgaande toestemming van de sovjets mochten gebeuren. De leiders van de sovjet te Vladimir vroegen in Moskou of zij zich aan het bevel van Kerenski inzake een verplaatsing van het gehele garnizoen moesten onderwerpen. Het bolsjewistisch bureau in het district Moskou stelde dat “dergelijke bevelen regel werden wat betreft de revolutionair gezinde garnizoenen.” De Voorlopige Regering poogde, voordat zij al haar rechten kwijt raakte, gebruik te maken van het fundamentele recht dat elke regering heeft, met name om over de gewapende troepen te beschikken.

De vernieuwing van het Petrogradse garnizoen werd des te meer urgent daar het aanstaande Sovjetcongres op de een of andere manier een einde aan de strijd om de macht moest maken. De burgerlijke pers, met het kadettenblad de “Rjetsj” voorop, herhaalde dag in dag uit dat men de bolsjewieken niet de gelegenheid mocht laten om “het moment van het uitroepen van de burgeroorlog te bepalen.” Dit betekende dat men zelf tijdig op de bolsjewieken moest slaan. Daaruit vloeide onvermijdelijk voort dat men moest proberen om eerst de machtsverhoudingen in het garnizoen te wijzigen. De strategische argumenten bleken na de val van Riga en het verlies van de Mondsundeilanden erg zwaarwegend. De districtsstaf stuurde bevelen over de vervanging van de Petrogradse troepenafdelingen die naar het front zouden moeten oprukken. Tegelijkertijd werd op aansporing van de verzoeningsgezinden de kwestie in de soldatensectie ter sprake gebracht. Het plan van de vijand was niet slecht gevonden, namelijk om een strategisch ultimatum aan de Sovjet te stellen om op deze manier met één slag aan de bolsjewieken hun militaire steun te ontnemen of, in geval van tegenstand van de kant van de Sovjet, een acuut conflict teweeg te brengen tussen het Petrogradse garnizoen en het front dat nodig aangevuld en vernieuwd moest worden.

De Sovjetleiders begrepen zeer goed welke val hun gesteld werd. Ze wilden, voordat zij een definitieve stap ondernamen, eerst eens goed polsen en verkennen. Botweg weigeren om het bevel na te komen, was slechts mogelijk indien het front de motieven voor de weigering goed zou begrijpen. Anders zou het beter kunnen blijken te zijn om na overleg met de soldaten in de loopgraven de garnizoenstroepen door revolutionaire troepenafdelingen van het front, die rust nodig hadden, te vervangen. De sovjet van Reval had zich, naar wij boven gezien hebben, reeds in deze zin uitgesproken.

De soldaten gingen meer regelrecht op hun doel af. Nu, laat in de herfst, naar het front gaan en een nieuwe wintercampagne doormaken – neen, daar voelde men niet voor. De patriottische pers nam onmiddellijk het garnizoen onder vuur: de in luiheid vetgemeste Petrogradse regimenten willen opnieuw het front verraden. De arbeiders kozen partij voor de soldaten. De Poetilovarbeiders protesteerden het eerst tegen de overplaatsing van de regimenten. De kwestie bleef aan de orde, niet alleen in de kazernes maar ook in de bedrijven. Dit bracht de twee secties van de Sovjet dichter tot elkaar. De regimenten begonnen eendrachtig de eis van een bewapening van de arbeiders te ondersteunen.

De verzoeningsgezinden deden, om het patriottisme van de massa’s met het dreigend verlies van Petrograd aan te wakkeren, op 9 oktober in de Sovjet het voorstel om een “revolutionair verdedigingscomité” te vormen dat tot taak zou hebben om met actieve medewerking van de arbeiders aan de verdediging van de hoofdstad deel te nemen. Terwijl de Sovjet weigerde om de verantwoordelijkheid op zich te nemen “voor de zogenaamde strategie van de Voorlopige Regering en in het bijzonder voor de verwijdering van de troepen uit Petrograd,” haastte de Sovjet zich niet om stelling te nemen tegenover het bevel op zichzelf. De Sovjet besloot om eerst de motieven en de grondslagen hiervan te onderzoeken. De mensjewieken probeerden te protesteren: het was ongeoorloofd om zich in militaire maatregelen van de legerleiding te mengen. Nog geen anderhalve maand geleden hadden zij echter hetzelfde gezegd over de bevelen van de samenzweerder Kornilov – en men herinnerde hen daar ook aan. Er was een competent orgaan nodig om uit te maken of de overplaatsing van de regimenten uit militaire dan wel uit politieke overwegingen plaats had. Tot zeer grote verbazing van de verzoeningsgezinden aanvaardden de bolsjewieken de gedachte van een “verdedigingscomité”: alles wat betrekking had op de verdediging van de hoofdstad zou tot de speciale taak van dit comité behoren. Dit was een gewichtige stap. Terwijl de Sovjet het gevaarlijke wapen aan zijn tegenstander uit handen sloeg, behield hij de mogelijkheid om naargelang van de omstandigheden het besluit betreffende de overplaatsing van de troepen in deze of gene richting, maar in elk geval tegen de regering en de verzoeningsgezinden, te leiden.

De bolsjewieken aanvaardden des te eerder het mensjewistisch plan van een militair comité omdat er in hun eigen rangen reeds vroeger meermaals sprake geweest was van de noodzakelijkheid om tijdig een gezaghebbend Sovjetorgaan voor de leiding van de komende revolutie te scheppen. Er werd zelfs in de militaire partijorganisatie een desbetreffend ontwerp uitgewerkt. De moeilijkheid die men tot nu toe niet had kunnen overwinnen, was om het orgaan voor de opstand te verbinden met de gekozen en openlijk optredende Sovjet, waarin bovendien vertegenwoordigers van verschillende vijandelijke partijen zaten. Het patriottisch initiatief van de mensjewieken kwam zeer gelegen om de vorming van een revolutionaire staf te vergemakkelijken, een staf die spoedig omgedoopt werd in “Militair Revolutiecomité” en de voornaamste drijfkracht van de revolutie werd.

Twee jaar na de hier beschreven gebeurtenissen publiceerde de schrijver van dit boek een aan de Oktoberrevolutie gewijd artikel: “Zodra het bevel over de verplaatsing van de troepen door de districtsstaf aan het Uitvoerend Comité van de Sovjet van Petrograd was gegeven… werd het duidelijk dat deze kwestie bij haar verder verloop van beslissende politieke betekenis zou kunnen worden.” De gedachte van een opstand begon vaste vorm te krijgen. Het was niet meer nodig om een Sovjetorgaan te bedenken. De werkelijke bestemming van het toekomstig comité kwam ondubbelzinnig tot uiting in het feit dat Trotski in dezelfde zitting zijn rede bij de uittocht van de bolsjewieken uit het Voorlopig Parlement beëindigde met de uitroep: “Leve de openlijke en directe strijd om de revolutionaire macht in het land!” Dit was de slogan: “Leve de gewapende opstand!”, maar dan in de bewoordingen van de Sovjetlegaliteit geformuleerd.

Juist op de daaropvolgende dag, 10 oktober, nam het Centraal Comité van de bolsjewieken in een geheime zitting de resolutie van Lenin aan waarin de gewapende opstand als de praktische taak voor de eerstkomende dagen genoemd werd. De partij kreeg van nu een welomschreven en gebiedende taak. Het verdedigingscomité werd dienstbaar gemaakt aan de directe strijd om de macht.

De regering en haar bondgenoten trokken concentrische cirkels om het garnizoen. Op 11 oktober deelde de commandant van het Noordelijk front, generaal Tsjeremissov, aan de minister van oorlog de eis van de legercomités mee om de uitgeputte troepen aan het front door reserves uit Petrograd te vervangen. De staf aan het front was in dit geval slechts een bemiddelingsinstantie tussen de verzoeningsgezinden bij het leger en hun Petrogradse leiders die een bredere dekking voor de plannen van Kerenski wilden hebben. De omsingelingspoging ging in de coalitiebladen vergezeld van een ware symfonie van patriottisch gehuil. De vergaderingen die dagelijks in de regimenten en bedrijven gehouden werden, bewezen echter dat de muziek van de regeerders niet de minste indruk op de massa maakte. Op 12 oktober gaf de vergadering van een van de meest revolutionaire fabrieken in de hoofdstad (Stari-Parvyeinen) op de hetze in de burgerlijke pers volgend antwoord: “Wij verklaren nadrukkelijk dat wij de straat op zullen gaan zodra wij dit nodig oordelen. Wij zijn niet bang voor de strijd die ons spoedig te wachten staat en wij hebben de vaste overtuiging dat wij als overwinnaar hieruit zullen komen.”

Terwijl het Uitvoerend Comité van de Petrogradse sovjet een commissie tot uitwerking van een instructie voor het “verdedigingscomité” instelde, had het aan de Militaire Organisatie de volgende taak toegedacht: in verbinding treden met het noordelijk front en de staf van het district Petrograd, met de Centrobalt en de districtssovjet van Finland om de militaire situatie te verbeteren en de nodige maatregelen te nemen; een onderzoek instellen naar de samenstelling van het garnizoen van Petrograd en omgeving alsook naar de oorlogsuitrusting en verpleging; het nemen van maatregelen om de discipline in de soldaten- en arbeidersmassa’s te handhaven. Onder deze formuleringen was alles te brengen en zij waren tevens dubbelzinnig: zij hielden allemaal vrijwel het midden tussen een verdediging van de hoofdstad en een gewapende opstand. Deze twee taken die elkaar tot nu toe uitsloten, waren nu echter inderdaad dichter bij elkaar gekomen: de Sovjet zal nadat hij de macht in handen genomen heeft ook de militaire verdediging van Petrograd op zich moeten nemen. Het verdedigingsmom was niet kunstmatig van buitenaf aangebracht maar vloeide tot op zekere hoogte uit de situatie aan de vooravond van de opstand voort.

Eveneens om te maskeren werd er aan het hoofd van de commissie, die benoemd was om de instructie van het comité uit te werken, geen bolsjewiek maar een sociaal-revolutionair geplaatst, nl. de jonge, bescheiden ambtenaar Lasimir, een van die linkse sociaal-revolutionairen die reeds vóór de opstand onvoorwaardelijk hand in hand met de bolsjewieken gingen maar niet altijd begrepen wat de consequenties daarvan waren. Het oorspronkelijk plan van Lasimir was door Trotski in twee opzichten gewijzigd: de praktische taak van een verovering van het garnizoen werd nauwkeuriger omschreven en het algemene revolutionaire doel meer verdoezeld. Het plan dat door het Uitvoerend Comité onder protest van twee mensjewieken goedgekeurd werd, voegde bij het Militair Revolutiecomité de presidia van de Sovjet en de soldatensectie, vertegenwoordigers van de vloot, het districtscomité in Finland, de vakvereniging van spoorwegpersoneel, de fabriekscomités, vakverenigingen, militaire partijorganisaties, de Rode Garde enzovoort. De organisatorische grondslag was dezelfde als in vele andere gevallen. De persoonlijke samenstelling van het comité was echter door haar nieuwe taak bepaald. Men ging ervan uit dat de organisaties vertegenwoordigers zouden zenden die met militaire kwesties vertrouwd waren of in nauw contact met het garnizoen stonden. Het karakter van het orgaan zou door zijn functie bepaald worden.

Niet minder belangrijk was een ander nieuw orgaan: aan het Militair Revolutiecomité werd een permanente vergadering van het garnizoen toegevoegd. De soldatensectie vertegenwoordigde het garnizoen in politiek opzicht: de afgevaardigden werden gekozen als vertegenwoordigers van de partijen. De Garnizoensvergadering daarentegen zou samengesteld worden uit de regimentscomités die hun troepenafdelingen in het dagelijks leven leidden en hun praktische meer directe “beroeps”-vertegenwoordiging vormden. Een vergelijking tussen de regimentscomités en de fabriekscomités dringt zich als het ware vanzelf op. Door middel van de arbeiderssectie van de Sovjet konden de bolsjewieken bij belangrijke politieke kwesties vast op de arbeiders steunen. Men moest echter de fabriekscomités achter zich hebben om meester in de bedrijven te zijn. De samenstelling van de soldatensectie verzekerde de bolsjewieken van de politieke sympathie van de meerderheid van het garnizoen. Men moest echter direct op de regimentscomités kunnen steunen om praktisch over de troepen te kunnen beschikken. Dit verklaart waarom de Garnizoensvergadering in de aan de opstand voorafgaande periode op de voorgrond kwam en vanzelfsprekend de soldatensectie verdrong. De meer bekende afgevaardigden van de sectie behoorden trouwens ook tot de Vergadering.

In een kort vóór die dagen geschreven artikel, “De crisis is rijp,” vroeg Lenin verwijtend: “Wat heeft de partij gedaan om de ligging van de troepen en dergelijke te bestuderen…?” Ondanks het opofferende werk van de Militaire Organisatie was Lenins verwijt gerechtvaardigd. De zuiver technische bestudering van de militaire krachten en middelen viel de partij moeilijk: men was niet geschoold en men was er niet op ingesteld. De toestand wijzigde zich radicaal op het moment waarop de Garnizoensvergadering begon op te treden: vanaf nu ontrolde zich dag in dag uit aan de ogen van de leiders een levendig panorama van het garnizoen, niet alleen van de hoofdstad maar ook van de verdedigingsgordel in de naaste omgeving.

Op 12 oktober werd in het Uitvoerend Comité de door commissaris Lasimir uitgewerkte instructie besproken. De debatten hadden ondanks het besloten karakter van de vergadering in hoge mate een symbolische betekenis: “Hier zei men iets anders dan men meende,” schrijft Soechanov terecht. Volgens de aangegeven richtlijnen zouden verdedigings-, uitrustings-, verbindings- en informatorische afdelingen enz. bij het comité worden aangesloten: dit was de staf of de contrastaf. Verhoging van de strijdvaardigheid van het garnizoen werd als doel van de vergadering geproclameerd. Hierin was niets onwaarachtigs. De strijdvaardigheid kon echter op verschillende manieren aangewend worden. Machteloos van woede bemerkten de mensjewieken dat de gedachte die door hen met patriottische bedoelingen verkondigd was, een dekmantel werd van de opstand die men voorbereidde. De maskering was maar al te doorzichtig: het was voor iedereen duidelijk waarom het ging, maar tegelijkertijd bleef zij onvatbaar: de verzoeningsgezinden hadden immers vroeger dezelfde methode toegepast door in kritieke ogenblikken het garnizoen om zich te groeperen en regeringsorganen naast de eigenlijke staatsorganen in het leven te roepen. De bolsjewieken zetten in zekere zin slechts de traditie van de dubbele heerschappij voort. Zij gaven echter een nieuwe inhoud aan de oude vormen. Wat vroeger tot een compromis diende, leidde nu tot de burgeroorlog. De bolsjewieken verlangden dat in de notulen zou worden opgenomen dat zij tegen de gehele onderneming waren. Dit platonisch verzoek werd ingewilligd.

De volgende dag kwam in de soldatensectie, die tot voor kort nog de garde van de verzoeningsgezinden geweest was, de kwestie van het Militair Revolutiecomité en de Garnizoensvergadering aan de orde. De voornaamste plaats in deze merkwaardige zitting werd met het volste recht ingenomen door de voorzitter van de Centrobalt, de matroos Dybenko, een reus met een zwarte baard die nooit om zijn woord verlegen was. De rede van de gast uit Helsingfors drong als een frisse en scherpe zeebries in de muffe atmosfeer van het garnizoen. Dybenko berichtte over de definitieve breuk van de vloot met de regering en de nieuwe betrekkingen tot de legerleiding. Vóór de aanvang van de laatste krijgsverrichtingen ter zee had de admiraal zich tot het congres van de matrozen, dat in die dagen gehouden werd, gewend met de vraag of de bevelen voor de strijd uitgevoerd zouden worden. “Wij antwoordden dat zij uitgevoerd zouden worden – onder onze controle… Indien wij echter zouden bemerken dat de vloot tenonder dreigde te gaan, zou de commandant de eerste zijn die aan een mast werd opgehangen.” Dit was een ongehoorde taal voor het Petrogradse garnizoen. Ook op de vloot was men pas in de allerlaatste dagen begonnen zo te spreken. Het was de taal van de opstand. Een handjevol mensjewieken morde vol verwarring in een hoekje. Het presidium keek niet zonder bezorgdheid naar de compacte massa grijze uniformen. Geen enkel protest uit al die rijen! De ogen gloeiden in de opgewonden gezichten. Een geest van vermetelheid vaart door de vergadering.

Aangevuurd door de algemene sympathie, verklaarde Dybenko tenslotte met vaste stem: “Men spreekt over de noodzakelijkheid om het garnizoen van Petrograd ter bewaking van de toegangswegen naar Petrograd en meer in het bijzonder van Reval over te plaatsen. Hecht hieraan geen geloof. Reval zullen wij zelf verdedigen. Blijft hier en verdedigt de revolutie… Indien wij uw hulp nodig hebben, zullen wij u dit zelf wel zeggen en ik ben ervan overtuigd dat jullie ons dan zullen ondersteunen.” Deze oproep die de soldaten zo goed begrepen, verwekte een storm van oprechte geestdrift waarin de protesten van enkele mensjewieken geheel verloren gingen. De kwestie van een overplaatsing van de regimenten kon nu als afgedaan beschouwd worden.

Het door Lasimir voorgesteld ontwerp werd met een meerderheid van 283 stemmen met 1 stem tegen en 23 onthoudingen aangenomen. Uit deze getallen, die zelfs voor de bolsjewieken een verrassing waren, bleek de revolutionaire druk van de massa’s. De stemming betekende dat de soldatensectie openlijk en officieel de leiding van het garnizoen van de regeringsstaf op het Militair Revolutiecomité overdroeg. In de naaste toekomst zal blijken dat dit geen ijdele demonstratie was.

Het Uitvoerend Comité van de Sovjet van Petrograd publiceerde diezelfde dag de mededeling dat een sectie van de Rode Garde zich bij hem aangesloten had. De bewapening van de arbeiders, wat door de verzoeningsgezinden afgekeurd en zelfs tegengewerkt was, werd de meest gewichtige taak van de bolsjewistische Sovjet. De soldaten hadden hun achterdochtige houding tegenover de Rode Garde laten varen. Nagenoeg in alle resoluties van regimenten wordt nu integendeel geëist dat de arbeiders bewapend worden. Rode Garde en garnizoen gaan voortaan hand in hand. Weldra zullen zij zich nog nauwer aaneensluiten, door zich gemeenschappelijk aan het Militair Revolutiecomité te onderwerpen.

De regering werd onrustig. In de morgen van 14 oktober werd er bij Kerenski een ministerraad gehouden die de maatregelen goedkeurde die de staf genomen had tegen deze “opstand” die voorbereid werd. De machthebbers vroegen zich af of het ditmaal tot een gewapende demonstratie beperkt zou blijven of tot een opstand zou komen. De districtscommandant verklaarde aan vertegenwoordigers van de pers: “Wij zijn op alle mogelijkheden voorbereid.” Mensen die ten dode gedoemd zijn, voelen niet zelden juist aan de vooravond van hun ondergang een nieuwe stroom van kracht in zich.

In een verenigde vergadering van de Uitvoerende Comités werd door Dan, in navolging van de Juni-uitingen van Zeretelli, die naar de Kaukasus verdwenen was, van de bolsjewieken een antwoord geëist op de vraag: “Zijn jullie van plan op te treden, en zo ja wanneer dan?” De mensjewiek Bogdanov trok uit het antwoord van Rjasanov niet ten onrechte de conclusie dat de bolsjewieken een opstand voorbereidden en aan het hoofd van de opstandelingen zouden staan. Het mensjewistisch blad schreef: “De plannen van de bolsjewieken inzake de op handen zijnde ‘machtsgreep’ zijn klaarblijkelijk erop gebaseerd dat het garnizoen niet verplaatst zal worden.” Het woord machtsgreep werd hierbij echter tussen aanhalingstekens geplaatst: de verzoeningsgezinden geloofden nog niet in ernst aan het gevaar. Zij waren minder beducht voor een overwinning van de bolsjewieken dan wel voor een triomf van de contrarevolutie tengevolge van nieuwe burgeroorlogen.

Nadat de Sovjet de bewapening van de arbeiders ter hand genomen had, moest hij zich een weg tot de wapens banen. Dit gebeurde niet met één slag. Elke praktische stap vooruit werd ook hier door de massa’s ingegeven. Men had slechts aandachtig op haar voorstellen te letten. Vier jaren na de gebeurtenissen vertelde Trotski op een aan de Oktoberrevolutie gewijde herdenkingsavond: “Toen er een delegatie van de arbeiders kwam en zei: “Wij hebben wapens nodig,” antwoordde ik: “Maar het arsenaal is immers niet in onze handen.” Zij zeiden: “Wij waren in de Sestrorezkiwapenfabriek.” – “Nu, en wat zou dat?” – “Men heeft ons daar gezegd: indien de Sovjet dat beveelt, zullen wij wapens leveren.” Ik schreef een order voor vijfduizend geweren en de arbeiders kregen deze nog diezelfde dag. Dit was het eerste experiment.” De vijandelijke pers hief terstond een gehuil aan omdat een fabriek van de staat wapens geleverd had op een order van iemand tegen wie een aanklacht wegens hoogverraad hangende was en die slechts tegen borgstelling uit de gevangenis ontslagen was. De regering zweeg. Het hoogste orgaan van de democratie trad echter op met een streng bevel dat zonder zijn (het Centraal Uitvoerend Comité) toestemming aan niemand wapens verstrekt mochten worden. Klaarblijkelijk konden op het gebied van de wapenleveringen Dan of Goz evenmin iets verbieden als Trotski iets kon toestaan of bevelen: de fabrieken en arsenalen ressorteerden onder de regering. Minachting voor de officiële autoriteiten op alle kritieke ogenblikken was echter een vaste traditie van het Centraal Uitvoerend Comité en was een van de vaste gewoonten van de regering zelf, want zij lag in de natuur der dingen. De schending van de traditie en de gewoonte was van een andere kant gekomen: toen de arbeiders ermee ophielden de donder van het Uitvoerend Comité te scheiden van de bliksems van Kerenski, begonnen zij zowel het een als het ander te negeren.

Men kon gemakkelijker namens het front dan namens de bureau’s in het achterland een verplaatsing van de Petrogradse regimenten eisen. Uit deze overweging plaatste Kerenski het garnizoen van Petrograd onder de opperbevelhebber van het Noordelijk front, Tsjeremissov. Terwijl hij de hoofdstad in militair opzicht van zijn eigen ambtskring als hoofd van de regering uitzonderde, troostte Kerenski zich met de gedachte dat hij het garnizoen onder zichzelf als opperbevelhebber plaatste. Generaal Tsjeremissov, die een harde noot te kraken zou krijgen, zocht op zijn beurt hulp bij de commissarissen en de vertegenwoordigers van de comités. Met vereende krachten werd een plan voor de eerstvolgende krijgsverrichtingen uitgewerkt. Op 17 oktober riep de staf aan het front, samen met de legerorganisaties, vertegenwoordigers van de Sovjet van Petrograd naar Pskov om hun in tegenwoordigheid van de soldaten in de loopgraven direct zijn eisen te stellen.

Er bleef de sovjet van Petrograd niets anders over dan de uitdaging aan te nemen. Aan het hoofd van de in de zitting van 16 oktober gekozen delegatie van enkele tientallen personen, die ongeveer voor de helft bestond uit sovjetleden en voor de andere helft uit vertegenwoordigers van de regimenten, stonden: de voorzitter van de arbeiderssectie, Fedorov, en de leiders zowel van de soldatensectie, alsook van de Militaire Organisatie van de bolsjewieken, Lasjevitsj, Sadovski, Mechonosjin, Dasjkevitsj en anderen. Enkele linkse sociaal-revolutionairen en mensjewieken-internationalisten die in de delegatie opgenomen waren, hadden zich ertoe verplicht om in Pskov de sovjetpolitiek te verdedigen. Bij de besprekingen die de delegatie vóór haar vertrek hield, werd een door Sverdlov opgestelde verklaring opgenomen.

In dezelfde zitting van de Sovjet werd de verordening over het Militair Revolutiecomité behandeld. Nauwelijks gevormd, werd deze instelling dagelijks meer gehaat in de ogen van de tegenstanders. “De bolsjewieken geven,” riep de spreker van de oppositie uit, “geen antwoord op de directe vraag of zij een opstand voorbereiden. Dit betekent dat zij laf zijn of twijfelen aan hun eigen krachten.” Een algemeen gelach gaat in de vergadering op: een vertegenwoordiger van de regeringspartij verlangt dat de partij van de opstand hem haar plannen zal opbiechten. Het nieuwe comité, vervolgt de spreker, was niets anders dan een “revolutionaire staf voor de machtsgreep.” Zij, de mensjewieken, zouden daarin geen zitting nemen. “Hoeveel in aantal zijn jullie?” klonk het uit de zaal. “De mensjewieken zijn in de Sovjet weliswaar gering in aantal, ongeveer vijftig man, maar zij weten heel goed dat “de massa’s niet met de opstand sympathiseren.” Trotski ontkent in zijn repliek niet dat de bolsjewieken zich op een machtsgreep voorbereiden: “Wij maken daar geen geheim van.” Maar daarom gaat het nu niet. De regering heeft de eis gesteld om de revolutionaire troepen uit Petrograd te verwijderen “en wij moeten ja of neen zeggen.” Het ontwerp van Lasimir wordt met een overweldigende meerderheid van stemmen aangenomen. De voorzitter roept het Militair Revolutiecomité op om de volgende dag aan het werk te gaan. Zo is er weer een stap vooruit gedaan.

De districtscommandant Polkovnikov stelde op diezelfde dag de regering op de hoogte van de opstand die de bolsjewieken voorbereidden. De mededeling is zo geruststellend mogelijk: het garnizoen was in het algemeen op de hand van de regering en de jonkerscholen hadden bevel gekregen zich gereed te houden. Polkovnikov beloofde in zijn oproep aan de bevolking om zo nodig zijn toevlucht tot “de meest krasse maatregelen” te zullen nemen. Burgemeester Schreider, een sociaal-revolutionair, smeekte van zijn kant om “geen onlusten te verwekken ter voorkoming van de anders onvermijdelijke hongersnood in de hoofdstad.” Dreigend en bezwerend, zich moed insprekend en zich angstig makend, sloeg de pers een steeds fellere toon aan.

Om de delegatie van de Petrogradse Sovjet te imponeren, was er een theatrale militaire ontvangst in Pskov voorbereid. In het vertrek van de staf zaten aan tafels, die met indrukwekkende kaarten bedekt waren, generaals, hoge commissarissen met Vojtinski aan het hoofd en vertegenwoordigers van de legercomités. De chefs van de afdelingen van de staf brachten rapport uit over de oorlogstoestand te land en ter zee. De conclusies van de rapporteurs kwamen allemaal op hetzelfde neer, namelijk dat men niet meteen het garnizoen van Petrograd mocht overplaatsen ter verdediging van de toegangswegen naar de hoofdstad. De commissarissen en de comitévertegenwoordigers wezen verontwaardigd de verdachtmaking van zekere geheime politieke motieven van de hand: de operatie was louter en alleen uit strategisch oogpunt geboden. Directe bewijzen van het tegendeel hadden de afgevaardigden niet: het corpus delicti pleegt in zulke gevallen niet voor het grijpen te liggen. De gehele situatie sprak echter tegen de strategische argumenten. Het ontbrak het front niet aan mensen, maar aan bereidwilligheid van de mensen om oorlog te voeren. De stemming in het garnizoen van Petrograd was geenszins zodanig dat het geschokte front versterkt kon worden. De lessen uit de dagen van Kornilov waren bovendien nog niet vergeten. De delegatie die volkomen overtuigd was van de juistheid van haar houding, bood gemakkelijk weerstand aan de druk van de staf en keerde nog eendrachtiger naar Petrograd terug dan zij gekomen was.

De corpora delicti die de tijdgenoten toen nog niet hadden, staan nu wel ter beschikking van de historicus. Uit de geheime militaire correspondentie blijkt dat niet het front om de regimenten van Petrograd vroeg, maar dat Kerenski ze aan het front trachtte op te dringen. De opperbevelhebber van het Noordelijk front antwoordde op een telegram van de minister van oorlog: “Geheim. 17 X. Het initiatief tot het zenden van de troepen van het Petrogradse garnizoen naar het front ging van u, niet van mij uit… Toen bekend werd dat de troepen van het Petrogradse garnizoen weigerden naar het front te gaan d.w.z. dat zij niet strijdvaardig waren, zei ik in een particulier gesprek met uw vertegenwoordiger, een officier, dat… wij zulke troepen reeds in overvloed aan het front hadden. Wat echter het door u geuite verzoek betreft om ze naar het front te sturen, zo wees ik dit niet van de hand en doe dit ook nu niet, indien u de overplaatsing van de troepen uit Petrograd ook nu nog nodig acht.” Het min of meer polemisch karakter van het telegram is hieruit te verklaren dat Tsjeremissov, een generaal die voor de hoge politiek voelde, in het tsaristisch leger voor “rood” doorging en later volgens Miljoekov “een gunsteling van de revolutionaire democratie” werd, intussen klaarblijkelijk tot de conclusie gekomen was dat het beter was om zich tijdig van de regering bij haar conflict met de bolsjewieken los te maken. Het optreden van Tsjeremissov in de dagen van de revolutie bevestigt deze lezing volkomen.

De strijd om het garnizoen vloeide samen met de strijd om het Sovjetcongres. Er bleven nog vier à vijf dagen tot het oorspronkelijk vastgestelde tijdstip over. Men verwachtte de “opstand” in aansluiting op het congres. Men nam aan dat de beweging zich, net als in de Julidagen, in de vorm van een gewapende massademonstratie met straatgevechten zou ontwikkelen. De rechtse mensjewiek Potressov, die klaarblijkelijk afging op inlichtingen van de contraspionage of de Franse militaire missie die brutaalweg valse documenten vervaardigde, schetste in de burgerlijke pers het plan van de bolsjewistische opstand die in de nacht van 17 oktober zou uitbreken. De vindingrijke plannenmakers voorspelden zelfs dat de bolsjewieken “obscure elementen” zouden meenemen. De soldaten van de garderegimenten zijn even goedlachs als de goden van Homerus. De witte zuilen en de kronen van het Smolny daverden van de lachsalvo’s toen het artikel van Petressov in een zitting van de Sovjet werd voorgelezen. De wijze regering die niet in staat was om waar te nemen wat er zich voor haar ogen afspeelde, was echter zeer geschrokken door de onzinnige verdichtsels en kwam in allerijl om twee uur ’s nachts samen om de “obscure elementen” af te weren. Na nieuwe beraadslagingen tussen Kerenski en de militaire autoriteiten werden de nodige maatregelen genomen. De wachtposten bij het Winterpaleis en de staatsbank versterkt; twee vaandrigscholen uit Oranienbaum en zelfs een pantsertrein van het Roemeense front opgeëist. “Op het allerlaatste moment gaven de bolsjewieken,” volgens Miljoekov, “hun plan op. Het is niet duidelijk waarom zij dit deden.” De geleerde geschiedschrijver geeft er zelfs vele jaren later nog de voorkeur aan om een verzinsel dat geen weerlegging behoeft te geloven.

De autoriteiten droegen aan de militie op om de buitenwijken van de stad te verkennen om sporen te ontdekken van de opstand die voorbereid werd. De rapporten van de militie zijn een mengeling van juiste waarnemingen en politionele stompzinnigheid. In de wijk Alexandronevski, waar een aantal van de grootste fabrieken ligt, vonden zij alles rustig. In Vyborg propagandeerde men openlijk de noodzakelijkheid van een val van de regering, maar “uiterlijk” was alles rustig. In de wijk Vassiliostrov is de stemming opgewonden, maar ook daar zijn geen uiterlijke aanwijzingen van een naderende opstand. In de wijk Narva wordt heftig propaganda gemaakt voor de opstand, maar op de vraag wanneer deze eigenlijk zou uitbreken, kon men geen antwoord krijgen: dag en uur worden óf streng geheim gehouden óf zijn werkelijk aan niemand bekend. Men besluit om de patrouilles in de buitenwijken te versterken en de posten geregelder door militiecommissarissen te laten controleren.

De correspondentie van een liberaal blad te Moskou is een waardevolle aanvulling van het rapport van de militie: “In de buitenwijken, in de Nevski-, Oboechov- en Poetilovfabrieken is de bolsjewistische propaganda voor de opstand in volle gang. De stemming onder de arbeiders is zodanig dat zij elk ogenblik bereid zijn om op te rukken. In de laatste dagen is er in Petrograd een ongelooflijke stroom deserteurs waar te nemen… Op het Warschau station kan men zich bijna niet roeren van de verdacht uitziende soldaten met vurige ogen en opgewonden gezichten… Men zegt dat er hele dievenbendes aangekomen zijn. Obscure elementen die de theehuizen en kroegen vullen, worden georganiseerd…” Kleinzielige angst en verzinsels van de politie zijn hier vermengd met de barre werkelijkheid. De revolutionaire crisis, die nu haar oplossing nabij was, woelde de onderste lagen van de maatschappij op. Deserteurs, dievenbendes en kroeglopers waren werkelijk bij het gerommel van de naderende aardbeving opgestaan. De hogere kringen aanschouwden met een fysieke afkeer de ontketende krachten van hun regime, de ondeugden en de ongemakken daarvan. De revolutie had deze niet geschapen, maar slechts blootgelegd.

De ons reeds bekende baron Budberg, een zwartgallig reactionair die een grote opmerkingsgave en buitengewone scherpzinnigheid bezat, schreef in die dagen in de staf van het legercorps te Dvinsk: “Kadetten, cadetoiden, oktobristen en verschillende soorten revolutionairen van de oude en van de Maartgroepen, zien dat hun einde nabij is en schreeuwen uit alle macht, als mohammedanen die een maansverduistering met lawaai willen tegenhouden.”

De Garnizoensvergadering komt op 18 oktober voor het eerst bijeen. Een radiotelegram aan de troepen behelsde de oproep om van eigenmachtige acties af te zien en slechts die bevelen van de staf uit te voeren die door de soldatensectie bekrachtigd waren. De Sovjet deed derhalve een krachtige poging om openlijk de controle over het garnizoen over te nemen. Het radiotelegram was eigenlijk niets anders dan een oproep om de bestaande autoriteiten af te zetten. Zo men wilde, kon men het echter als een vreedzame manier van vervanging van de verzoeningsgezinden door de bolsjewieken in het apparaat van de dubbele heerschappij opvatten. Praktisch kwam dit op hetzelfde neer, maar de verzachte interpretatie liet meer plaats voor illusies. Het presidium van het Centraal Uitvoerend Comité, dat zich heer en meester in het Smolny voelde, deed een poging om de radio-uitzending te beletten. Het had zich daardoor weer eens te meer gecompromitteerd. De bijeenkomst van de afgevaardigden van de regiments- en compagniescomités van Petrograd en omgeving kwam op het vastgestelde uur bijeen met een buitengewoon talrijke aanwezigheid.

Dankzij de door de tegenstanders geschapen atmosfeer gingen de referaten van de deelnemers aan de Garnizoensvergadering als het ware vanzelf voornamelijk over de komende “opstand”. Er had een merkwaardige hoofdelijke stemming plaats waartoe stellig geen van de leiders op eigen initiatief besloten zou hebben. Tegen de opstand spraken zich uit: de vaandrigschool van Peterhof en het 9de cavalerieregiment. De eskadrons van de gardecavalerie willen neutraal blijven. De vaandrigschool te Oranienbaum zal slechts aan de bevelen van het Centraal Uitvoerend Comité gehoorzamen. Dit zijn alle vijandige of neutrale stemmen. Bereid om op de eerste oproep van de Petrogradse Sovjet op te staan, verklaarden zich: de jager-, de Moskouse, de Volynse, de Pavlovski-, de Kexholm-, de Semjonovski-, de Ismaljovski-, de 1ste scherpschutters en de 3de reserveregimenten, de 2de Baltische vlootbemanning, het elektrotechnisch bataljon en de garde-artilleriedivisie. Het regiment grenadiers wil pas optreden na een oproep van het Sovjetcongres: dit is voldoende. Kleinere troepenafdelingen sluiten zich bij de meerderheid aan. Aan de vertegenwoordigers van het Centraal Uitvoerend Comité, dat nog kort geleden niet ten onrechte het Petrogradse garnizoen als steunpunt van zijn macht beschouwd had, wordt ditmaal bijna eenstemmig het woord geweigerd. In machteloze woede verlaten zij de “onwettige” vergadering die op voorstel van haar voorzitter terstond besluit dat bevelen zonder goedkeuring van de Sovjet ongeldig zijn.

Hetgeen gedurende de laatste maanden en vooral de laatste weken in het bewustzijn van het garnizoen gerijpt was, kristalliseerde zich nu. De onbeduidendheid van de regering bleek groter te zijn dan men had kunnen vermoeden. Terwijl de stad vol was van geruchten over een opstand en bloedige gevechten, maakte de vergadering van de regimentscomités, die een verpletterende meerderheid voor de bolsjewieken opleverde, zowel demonstraties als massagevechten overbodig. Het garnizoen ging doelbewust af op de revolutie die zij niet als een opstand zag, maar als een verwezenlijking van het onaantastbaar recht van de Sovjets om over het lot van het land te beschikken. Er lag een onweerstaanbare kracht, maar tegelijkertijd ook grote moeilijkheden in deze beweging. De partij moest haar optreden handig aanpassen aan de politieke opmars van de regimenten waarvan de meeste op een oproep van de Sovjets, enkele echter op een oproep van het Sovjetcongres wachtten.

Om het gevaar van een – al was het maar tijdelijke – verwarring gedurende het offensief te voorkomen, was het absoluut noodzakelijk om een antwoord te geven op de vraag die niet alleen de vijanden maar ook de vrienden bezighield, met name of indien niet vandaag dan toch morgen de opstand zou uitbarsten. In de trams, op straat en in de winkels spreekt men over niets anders meer dan over de komende opstand. Op het Slotplein, voor het Winterpaleis en het gebouw van de staf staan lange rijen officieren die hun diensten aan de regering aanbieden en in ruil daarvoor revolvers bekomen: in de uren van gevaar zal er noch van de revolvers, noch van hun bezitters iets te zien zijn. De hoofdartikelen in alle kranten zijn vandaag aan de opstand gewijd. Gorki eiste van de bolsjewieken dat zij – indien zij geen “willoos werktuig van een verwilderde massa waren” – de geruchten zouden tegenspreken. De onzekerheid begint ook de arbeiderswijken en vooral de regimenten te kwellen. Men gaat daar denken dat er een opstand voorbereid wordt buiten hen om. Door wie? Waarom zwijgt het Smolny? De tegenstrijdige positie van de Sovjet als openlijk parlement en revolutionaire staf bracht in deze laatste fase grote moeilijkheden teweeg. Het werd onmogelijk om langer te zwijgen.

“De laatste dagen,” zegt Trotski op het einde van de avondvergadering van de Sovjet, “staat de pers vol berichten, geruchten en artikelen over de aanstaande opstand… Besluiten van de Petrogradse sovjet worden ter kennis van iedereen gebracht. De sovjet is een gekozen instelling en… elk besluit moet de arbeiders en soldaten bekend zijn… Ik verklaar in naam van de sovjet dat er geen enkele gewapende demonstratie door ons op touw gezet is. Indien echter de sovjet door de gang van zaken genoodzaakt zou zijn om een opstand te organiseren, dan zouden de arbeiders en soldaten als één man aan deze oproep gehoor geven… Men wijst erop dat ik een order voor vijfduizend geweren ondertekend heb… Inderdaad, ik heb deze ondertekend… De sovjet zal voortgaan met de arbeidersgarde te organiseren en te bewapenen.” De afgevaardigden begrepen dat de slag nabij was, maar dat het signaal daartoe niet zonder hen of met voorbijgaan van hen gegeven zou worden.

De massa had echter behalve aan deze kalmerende verklaring behoefte aan een klaar revolutionair perspectief. De spreker brengt twee kwesties met elkaar in verband: de overplaatsing van het garnizoen en het aanstaande Sovjetcongres. “Wij hebben een conflict met de regering dat zeer scherpe vormen kan aannemen… Wij laten niet toe dat Petrograd van zijn revolutionair garnizoen ontbloot wordt.” Dit conflict hangt op zijn beurt van een ander naderend conflict af. “Het is de burgerij bekend dat de Petrogradse sovjet aan het Sovjetcongres zal voorstellen om de macht over te nemen… En nu trachten de burgerlijke klassen, in het vooruitzicht van de onvermijdelijke strijd, Petrograd te ontwapenen.” De politieke gecompliceerdheid van de revolutie werd in deze rede voor het eerst concreet aangetoond: wij staan op het punt om de macht te grijpen, wij hebben het garnizoen nodig en wij zullen ons dit niet laten ontnemen. “Bij de eerste de beste poging van de contrarevolutie om het congres uiteen te jagen, zullen wij met een tegenoffensief antwoorden dat onbarmhartig zijn zal en dat wij tot het einde toe zullen doorzetten.” De aankondiging van een krachtig politiek offensief eindigt ook ditmaal met de gedachte van een militaire verdediging.

Soechanov, die in de zitting verschenen was met het hopeloze plan om de Sovjet te winnen voor een huldiging van Gorki, heeft later het revolutionair verband dat die dag gelegd werd zeer goed uiteengezet. Voor het Smolny ging de kwestie van het garnizoen om de opstand. Voor de soldaten ging het om hun lot. “Men kan zich moeilijk een gelukkiger uitgangspunt voor de politiek van die dagen voorstellen.” Dit belet Soechanov niet om de bolsjewistische politiek als zodanig verderfelijk te achten. Samen met Gorki en duizenden radicale intellectuelen was hij voor niets zo bevreesd als voor die zogenaamd “verwilderde massa” die met een merkwaardige stelselmatigheid dag in dag uit haar aanval voorbereidde.

De Sovjet is machtig genoeg om openlijk het programma van de staatkundige omwenteling te verkondigen en zelfs het tijdstip ervan te bepalen. Tegelijkertijd is hij – tot op de door hem zelf bepaalde dag van de volkomen overwinning – machteloos in talloze kleine en grote kwesties. Kerenski, die politiek van geen betekenis meer is, vaardigt nog decreten in het Winterpaleis uit. Lenin, de leider van de onweerstaanbare massabeweging, houdt zich verborgen en de minister van justitie Maljantovitsj gelast in die dagen opnieuw aan de procureur-generaal om Lenins arrestatie te bevelen. Zelfs in het Smolny, op zijn eigen terrein, leeft de almachtige Sovjet van Petrograd schijnbaar slechts bij genade. De administratie van gebouwen, kassen, expeditie, auto’s en telefoon is nog altijd in handen van het Centraal Uitvoerend Comité dat hardnekkig aan zijn eenmaal verkregen rechten vasthoudt.

Soechanov vertelt, hoe hij laat in de nacht na de vergadering, naar buiten trad in de tuinen van het Smolny, in een akelige duisternis en onder een stromende regen. Een groot aantal afgevaardigden stond stampvoetend en radeloos bij de paar rokende en dampende automobielen die de rijke garages van het Centraal Uitvoerend Comité aan de bolsjewistische Sovjet hadden overgelaten. “Ook de voorzitter Trotski trad op de automobielen toe,” vertelt deze alomtegenwoordige waarnemer. “Nadat hij echter een ogenblik was blijven staan en toegekeken had, glimlachte hij en waadde door de plassen weg en verdween in de duisternis.” Op het achterbalkon van de tram liep Soechanov een kleine man met een bescheiden uiterlijk en een zwart puntbaardje tegen het lijf. De onbekende deed zijn best om Soechanov over de ellende van de lange tocht te troosten. “Wie is dat?” vroeg Soechanov aan zijn metgezellin, een bolsjewiste. “De oude partijgenoot Sverdlov.” Nog geen twee weken later zal deze kleine man met zijn zwarte baardje voorzitter van het Centraal Uitvoerend Comité, het hoogste orgaan van de Sovjetrepubliek, zijn. Klaarblijkelijk troostte Sverdlov zijn reisgenoot uit dankbaarheid: acht dagen geleden was in de woning van Soechanov, hoewel buiten diens medeweten, die bijeenkomst van het Centraal Bolsjewistisch Comité gehouden die de gewapende opstand aan de orde stelde.

De volgende morgen doet het Centraal Uitvoerend Comité een poging om het rad van de geschiedenis terug te draaien. Het presidium roept een “wettige” vergadering van het garnizoen bijeen waarin het ook die bij de ontwikkeling achtergebleven, sinds lange tijd niet meer opnieuw gekozen comités opneemt die gisteren ontbroken hadden. De uitspraak van het garnizoen die veel nieuws opleverde, bevestigde eens te meer het beeld van gisteren. Tegen een opstand spraken zich ditmaal uit: de meeste comités van de in de Peter-en-Paulsvesting gelegerde troepen en de comités van de pantserdivisie: zowel deze als gene verklaarden zich aan het Centraal Uitvoerend Comité te onderwerpen. Dit is een uiterst belangrijk feit.

De vesting die op de kleine, door de Neva en haar kanaal omspoelde eilanden tussen de binnenstad en twee wijken ligt, beheerst de dichtstbijzijnde bruggen en opent van de kant van de rivier de toegangswegen naar het Winterpaleis waar de regering zetelt of sluit deze af. Terwijl zij bij krijgsverrichtingen op grotere schaal in militair opzicht van geen betekenis is, kan de vesting bij straatgevechten een belangrijke rol spelen. Bovendien, en dit is wellicht het belangrijkste, bevindt zich bij de vesting het rijke arsenaal van Kroonwerk: de arbeiders hebben geweren nodig, maar ook de revolutionaire regimenten zijn nagenoeg zonder wapens. Hoe belangrijk pantserwagens in de straatgevechten zijn, behoeft nauwelijks gezegd te worden: deze kunnen aan de kant van de regering vele onnodige slachtoffers maken en aan de kant van de opstandelingen – de weg tot de overwinning verkorten. De bolsjewieken zullen in de komende dagen bijzondere aandacht aan de vesting en de pantserdivisie moeten schenken. Overigens bleken de machtsverhoudingen in de bijeenkomst dezelfde te zijn als daags tevoren. De poging van het Centraal Uitvoerend Comité om zijn zeer voorzichtig geredigeerd besluit door te voeren, werd door de overgrote meerderheid afgewezen; niet bijeengeroepen door de sovjet van Petrograd, acht de vergadering zich onbevoegd besluiten te nemen. De verzoeningsgezinde leiders hadden zichzelf deze nieuwe slag toegebracht.

Aangezien het Centraal Uitvoerend Comité de toegang tot de regimenten van onderop versperd vond, probeerde het zich van bovenaf het garnizoen meester te maken. In overleg met de staf benoemde het tot hoofdcommissaris van het gehele district de kapitein van de staf Malevski, een sociaal-revolutionair, en verklaarde zich bereid om de sovjetcommissarissen te erkennen indien deze zich aan de hoofdcommissaris onderwierpen. Deze poging om door middel van een volslagen onbekende kapitein van de staf impact op het bolsjewistische garnizoen te krijgen, was ongetwijfeld hopeloos. De Sovjet wees haar van de hand en brak de onderhandelingen af.

De door Potressov ontmaskerde opstand had niet op 17 oktober plaats. Nu noemden de tegenstanders met stelligheid een nieuwe datum: 20 oktober. Op deze dag was immers oorspronkelijk de opening van het Sovjetcongres bepaald en de opstand volgde het congres als een schaduw. Weliswaar was het congres intussen vijf dagen uitgesteld; maar dit kwam er niet op aan: het voorwerp was verplaatst, de schaduw bleef. De regering trof ook ditmaal alle nodige maatregelen om de “opstand” te verhinderen. Versterkte barricades werden aan de rand van de stad opgericht en Kozakkenpatrouilles trokken de gehele nacht door de arbeiderswijken. Bereden reserves werden op verschillende punten van Petrograd klaar gehouden. De militie is strijdvaardig en één helft ervan houdt voortdurend de wacht in de commissariaten. Voor het Winterpaleis zijn pantserwagens, lichte artillerie en machinegeweren opgesteld. De toegangen tot het paleis worden bewaakt.

De opstand die door niemand voorbereid was en waartoe niemand opgeroepen had, brak ook ditmaal niet uit. De dag verliep rustiger dan veel andere en het werk in de fabrieken werd niet onderbroken. De door Dan geleide “Izvestia” juichte over de op de bolsjewieken behaalde overwinning: “Uw avontuur met de gewapende opstand in Petrograd is ten einde.” De bolsjewieken waren alleen reeds door het geschreeuw van de verenigde democratie vernietigd: “Zij geven zich reeds over.” Men kon menen dat de tegenstanders die hun hoofd kwijt geraakt waren, zich tot taak gesteld hadden om door voorbarige angsten en nog meer voorbarig overwinningsgejuich de openbare mening in verwarring te brengen en de bolsjewistische plannen te verbergen.

Het oorspronkelijk op 9 oktober genomen besluit over de vorming van het Militair Revolutiecomité werd pas een week later in het plenum van de Sovjet behandeld. De Sovjet is geen partij en hij werkt langzaam. Nog weer vier dagen waren nodig voor de vorming van het Comité. Deze tien dagen werden echter wel benut: de verovering van het garnizoen was in volle gang, de vergadering van de regimentscomités kon haar levensvatbaarheid tonen en de bewapening van de arbeiders had voortgang, zodat het Militair Revolutiecomité, dat pas op 20 oktober, vijf dagen vóór de opstand, aan het werk kon gaan, direct een tamelijk geordende huishouding kon overnemen. Doordat het van de kant van de verzoeningsgezinden geboycot werd, kwamen er slechts bolsjewieken en linkse sociaal-revolutionairen in het comité: dit verlichtte en vereenvoudigde de taak. Van de sociaal-revolutionairen was slechts Lasimir actief, die zelfs aan het hoofd van het bureau gesteld werd om het Sovjet- en partijkarakter van de instelling des te meer te doen uitkomen. In werkelijkheid steunde echter het comité uitsluitend op de bolsjewieken, met als voorzitter Trotski en als meest actieve werkers Dodvojski, Antonov-Ovssejenko, Lasjevitsj, Sadovski en Mechonosjin. Het Comité heeft waarschijnlijk nooit voltallig, samen met de vertegenwoordigers van alle in de verordening opgesomde organisaties, vergaderd. Het lopende werk werd door het bureau onder leiding van de voorzitter na overleg met Sverdlov in alle belangrijke kwesties verricht. Dit was de staf van de opstand.

Het bulletin van het Comité vermeldt bescheiden de eerste stappen die genomen zijn: voor de actieve troepen van het garnizoen, enkele regeringsgebouwen en wapenvoorraden zijn commissarissen benoemd, “om toezicht op deze te houden en ze te leiden.” Dit betekende dat de Sovjet, nadat hij het garnizoen in politiek opzicht veroverd had, dit nu ook organisatorisch aan zich onderwierp. Bij de verkiezing van de commissarissen speelde de Militaire Organisatie van de bolsjewieken een grote rol. Er waren onder de bijna duizend leden, die deze in Petrograd had, talrijke vastberaden en de revolutie toegedane soldaten en jonge officieren die na de Julidagen in de gevangenissen van Kerenski behoorlijk gestaald waren. De uit hun midden gekozen commissarissen vonden onder de troepen hun weg gebaand: de soldaten rekenden hen tot de hunnen en onderwierpen zich aller-bereidwilligst aan hen.

Het initiatief tot de bezetting van regeringsgebouwen kwam meestal van onderop. De arbeiders en beambten van het arsenaal bij de Peter-en-Paulsvesting verklaarden dat men de levering van wapens moest controleren. De commissaris die daarheen gezonden werd, kon nog juist een nieuwe bewapening van de jonkers beletten en tienduizend geweren die voor het Dongebied en kleinere partijen die voor een aantal verdachte organisaties en personen bestemd waren, ophouden. De controle werd ook spoedig over andere wapendepots en zelfs over particuliere wapenwinkels uitgebreid. Men behoefde zich slechts tot een soldaten-, een arbeiders- of een beambtencomité van een regeringsgebouw of een handelszaak te wenden of de tegenstand van de kant van de administratie was meteen gebroken. Het verstrekken van wapens gebeurde voortaan enkel op order van de commissarissen.

De arbeiders in de drukkerijen maakten door hun vakbond het comité opmerkzaam op de toename van vlugschriften en brochures van de Zwarte Honderd. Men besloot dat de typografenbond zich in alle dubieuze gevallen tot het Militair Revolutiecomité zou wenden. De controle van de arbeiders in de drukkerijen was doeltreffender dan welke andere controle over de gedrukte contrarevolutionaire propaganda ook.

De Sovjet beperkte zich niet slechts tot een formele weerlegging van de geruchten, maar organiseerde openlijk voor zondag 22 oktober een vreedzame troepenschouw. Dit was echter niet in de vorm van optochten, maar van meetings in de bedrijven, de kazernes en alle grote lokaliteiten van Petrograd. Geheimzinnige pelgrims organiseren met het kennelijk doel om bloedige conflicten uit te lokken op diezelfde dag een processie door de straten van de hoofdstad. De burgers werden in de oproep namens onbekende Kozakken uitgenodigd om aan de processie deel te nemen “ter herdenking van de bevrijding van Moskou in het jaar 1912.” De aanleiding die zij gekozen hadden, was niet erg actueel. Maar de organisatoren stelden de Almachtige bovendien voor om de wapens van de Kozakken ter verdediging van de Russische bodem tegen de vijanden te zegenen. Hetgeen kennelijk op het jaar 1917 betrekking had.

Men behoefde niet bevreesd te zijn voor een ernstige contrarevolutionaire demonstratie: de geestelijkheid had niet de minste invloed onder de massa’s van Petrograd en zij kon slechts de droevige resten van de Zwarte Honderd-benden onder de vlag van de kerk tegen de Sovjet op de been brengen. Met behulp van ervaren provocateurs uit de contraspionagedienst en het officierencorps van de Kozakken waren bloedige botsingen echter niet uitgesloten. Het Militair Revolutiecomité begon als eerste afweermaatregel met een sterkere druk op de Kozakkenregimenten uit te oefenen. In het gebouw van de meest revolutionaire staf zelf werd een strenger regime ingevoerd. “Het werd van nu af aan niet gemakkelijk om in het Smolny binnen te komen,” schrijft John Reed, “het passenstelsel werd om de paar uren veranderd omdat de spionnen steeds weer wisten binnen te dringen.”

In de vergadering van het garnizoen op 21 oktober, die aan de komende “dag van de Sovjet” gewijd was, stelde de rapporteur een aantal maatregelen voor om eventuele botsingen in de straten te voorkomen. Het 4de Kozakkenregiment, dat het meest links was, verklaarde bij monde van zijn afgevaardigde dat het niet aan de processie zou deelnemen. Het 14de Kozakkenregiment verzekerde dat het met alle hem ten dienste staande middelen tegen contrarevolutionaire aanslagen zou vechten, maar dat het tegelijkertijd een opstand met het doel om de macht te grijpen “voorbarig” oordeelde. Van de drie Kozakkenregimenten ontbrak slechts dat van de Oeral, dat een van de meest achterlijke was en in juli naar Petrograd overgeplaatst werd om de bolsjewieken neer te slaan.

De vergadering nam op voorstel van Trotski drie korte resoluties aan: 1. “Het garnizoen van Petrograd en omgeving zegt aan het Militair Revolutiecomité volledige steun toe bij alles wat dit onderneemt…” 2. “De dag van 22 oktober is een dag van vreedzame wapenschouw… Het garnizoen richt zich tot de Kozakken: … Wij nodigen u uit op onze vergaderingen van morgen. Wees welkom, broeders-Kozakken!” 3. “Het Al-Russisch Sovjetcongres moet de macht in handen nemen en het volk vrede, land en brood verschaffen.” Het garnizoen belooft plechtig om al zijn krachten ter beschikking van het congres te stellen. “Verlaat u op ons, gevolmachtigde vertegenwoordigers van de soldaten, arbeiders en boeren. Wij zijn allen op onze post, bereid om te overwinnen of te sterven.” Honderden handen gingen voor deze resoluties omhoog en keurden het programma van de opstand goed. Zevenenvijftig man onthielden zich van stemming: dit waren “neutralen”, d.w.z. tegenstanders die begonnen waren te twijfelen. Geen enkele hand verhief zich ertegen. De strop om de hals van het Februariregime werd vast aangetrokken.

In de loop van de dag werd bekend dat de onbekende initiatiefnemers tot de processie “op verzoek van de opperbevelhebber in het district” de demonstratie afgelast hadden. Dit belangrijke morele succes, dat meer dan iets anders de krachtige druk van de Garnizoensvergadering liet zien, rechtvaardigde de overtuiging dat de vijanden het niet zouden wagen om zich morgen op straat te vertonen.

Het Militair Revolutiecomité kiest in de districtsstaf drie commissarissen: Sadovski, Mechonosjin en Lasimir. Bevelen van de commandant zijn slechts van kracht indien zij door een van deze drie personen ondertekend zijn. Op een telefonisch verzoek uit het Smolny zendt de staf een auto voor de delegatie: de gebruiken van de dubbele heerschappij blijven nog in zwang. Tegen alle verwachtingen betekent deze tegemoetkomende houding van de staf echter niet dat hij tot concessies bereid is.

Nadat men de door Sadovski afgelegde verklaring aangehoord had, antwoordde Polkovnikov dat hij geen enkele commissaris erkende en geen toezicht nodig had. Toen de delegatie erop zinspeelde dat de staf op deze manier kans liep op tegenstand van de kant van de troepen te stuiten, antwoordde Polkovnikov droogweg dat hij het garnizoen in de hand had en dat het zou gehoorzamen. “Deze vaste overtuiging van hem was oprecht,” schrijft Mechonosjin in zijn memoires, “en in geen enkel opzicht gekunsteld.” De afgevaardigden kregen de auto van de staat al niet meer om naar het Smolny terug te keren.

In de buitengewone bijeenkomst waartoe Trotski en Sverdlov uitgenodigd waren, werd besloten om de breuk met de staf als een voldongen feit te aanvaarden en deze als uitgangspunt voor het verdere offensief te nemen. Een eerste voorwaarde voor succes was dat de wijken van alle fasen en gebeurtenissen in de strijd op de hoogte moesten zijn. De districtssovjets en partijcomités zonden inlichtingen naar alle delen van de stad. De regimenten werden meteen op de hoogte gebracht van wat er gebeurd was. Opnieuw werd besloten dat bevelen enkel mochten opgevolgd worden voor zover die door de commissarissen bekrachtigd zijn en dat enkel betrouwbare soldaten op wacht gesteld mogen worden.

Ook de staf besloot maatregelen te nemen. Polkovnikov, die klaarblijkelijk daartoe door zijn verzoeningsgezinde raadgevers aangezet was, riep tegen 1 uur ’s middags zijn eigen garnizoensvergadering bijeen, waaraan vertegenwoordigers van het Centraal Uitvoerend Comité deelnamen. Om de tegenstander vóór te zijn, organiseerde het Militair Revolutiecomité om 11 uur een buitengewone bijeenkomst van de regimentscomités waarin besloten werd de breuk met de staf openlijk te proclameren. De oproep aan de troepen van Petrograd en omgeving die meteen opgesteld werd, klonk als een oorlogsverklaring. “Door met het georganiseerde garnizoen van de hoofdstad te breken, wordt de staf een openlijk werktuig in handen van de contrarevolutionaire krachten. Het Militair Revolutiecomité wijst de verantwoordelijkheid voor het optreden van de staf af en neemt, terwijl het zich aan het hoofd van het garnizoen stelt, de bescherming van de revolutionaire orde tegen contrarevolutionaire aanslagen op zich.”

Dit was een beslissende stap op de weg naar de opstand. Of was het misschien het laatste conflict in het aan conflicten zo rijke apparaat van de dubbele heerschappij? De staf die met vertegenwoordigers van de troepen die de uitnodiging van het Militair Revolutiecomité niet tijdig gekregen hadden beraadslaagde, probeerde de gebeurtenissen te verklaren. Een door het Smolny afgezonden delegatie onder leiding van de bolsjewistische soldaat Dasjkevitsj meldde in het kort de beslissing van de Garnizoensvergadering aan de staf. De enkele vertegenwoordigers van de troepen verkondigden opnieuw hun trouw aan de Sovjet en gingen zonder een besluit genomen te hebben uiteen. “Na een korte gedachtewisseling,” zo berichtte de pers later op grond van inlichtingen die zij van de staf gekregen had, “werd er geen enkel bepaald besluit genomen; men achtte het beter te wachten totdat het conflict tussen het Centraal Uitvoerend Comité en de Petrogradse Sovjet opgelost zou zijn.” De staf stelde zijn onttroning voor als een twist tussen twee Sovjetinstanties over de vraag wie van hen zijn werkzaamheden zou controleren. Deze politiek van te doen alsof men niets zag, had het voordeel dat men het Smolny niet de oorlog behoefde te verklaren. De regeerders waren daar overigens ook niet toe in staat. Zo werd het conflict dat reeds openlijk dreigde uit te barsten, weer met behulp van de regeringsorganen in de legale banen van de dubbele heerschappij teruggebracht: de staf droeg in zijn angst om de werkelijkheid onder ogen te zien des te meer tot maskering van de opstand bij.

Was de lichtvaardige houding van de autoriteiten echter niet slechts een mom voor hun werkelijke bedoelingen? Was de staf niet onder het mom van bureaucratische naïveteit van plan om bij verrassing het Militair Revolutiecomité een slag toe te brengen? Men achtte in het Smolny een dergelijke overval van de chaotische en gedemoraliseerde organen van de Voorlopige Regering weinig wenselijk. Het Militair Revolutiecomité nam intussen de meest voor de hand liggende maatregelen: dag en nacht stonden in de dichtstbij gelegen kazernes compagnieën gewapend op post, gereed om op het eerste alarmsignaal het Smolny te hulp te snellen.

Ondanks het feit dat de processie afgelast was, voorspelde de burgerlijke pers dat het zondag tot bloedvergieten zou komen. Een verzoeningsgezind blad berichtte ’s morgens: “De autoriteiten verwachten vandaag eerder demonstraties dan op 20 oktober.” Dit was nu al de derde maal in één week, namelijk 17,  20 en 22 oktober, dat de leugenachtige knaap het volk met zijn valse alarmkreet “een wolf, een wolf!” misleidde. De vierde maal zou de knaap, overeenkomstig de oude fabel, een prooi van de wolf worden.

De bolsjewistische pers riep de massa’s op tot vergaderingen en sprak van een vreedzame monstering van de revolutionaire krachten aan de vooravond van het Sovjetcongres. Dit was geheel overeenkomstig de bedoelingen van het Militair Revolutiecomité om een reusachtige troepenschouw te houden zonder botsingen, zonder wapengeweld en zelfs zonder wapenvertoon. Men moest de massa’s in de gelegenheid stellen om zichzelf, hun aantal, hun kracht, hun vastberadenheid te zien. Door de eendracht van de massa’s wilde men de vijand ertoe dwingen om zich te verstoppen, te verbergen en niet voor de dag te komen. Door het blootleggen van de onmacht van de burgerij tegenover het massale optreden van de arbeiders en soldaten moesten de laatste remmende herinneringen aan de Julidagen in hun bewustzijn weggevaagd worden. Men moest bereiken dat de massa’s zichzelf aanschouwend inzagen: niemand en niets kan ons langer weerstaan.

“De geïntimideerde bevolking,” schreef Miljoekov vijf jaar later, “bleef thuis of hield zich afzijdig.” Het was de burgerij die thuis bleef: zij was inderdaad door haar bladen geïntimideerd. De rest van de bevolking stroomde vanaf de vroege morgenuren naar de vergaderingen: jong en oud, mannen en vrouwen, knapen en moeders met kinderen op de arm. Dergelijke meetings waren er sinds het uitbreken van de revolutie nog niet geweest. Geheel Petrograd was, met uitzondering van de meer gegoeden, één onafgebroken grote meeting. In de tot barstens toe gevulde zalen wisselde het gehoor in de loop van enkele uren. Steeds weer nieuwe golven arbeiders, soldaten en matrozen stroomden naar de gebouwen en vulden deze tot in de nok. Het kleine stadsvolk kwam in beweging, gewekt door het gejammer en de waarschuwingen die het juist angst hadden moeten aanjagen. Tienduizenden omringden het reusachtige gebouw van het Volkshuis, stroomden door de gangen in één compacte, opgewonden en tegelijkertijd gedisciplineerde massa, vulden de schouwburgzalen, gangen, buffetten en foyers. Slingers en trossen hoofden, benen en armen hingen aan de ijzeren zuilen en de vensters. De atmosfeer was vol elektrische spanning die elk ogenblik tot een ontlading kon komen. Weg met Kerenski! Weg met de oorlog! Alle macht aan de Sovjets! Geen van de verzoeningsgezinden waagde het nu nog om bij deze zo oververhitte menigte met bezwaren of waarschuwingen aan te komen. De bolsjewieken waren aan het woord. Alle sprekers waarover de partij maar kon beschikken, alsook de gedelegeerden die voor het congres waren aangekomen uit de provincie, waren gemobiliseerd. Meermalen spraken ook linkse sociaal-revolutionairen en een enkele keer anarchisten. Zij deden echter vooral hun best om zo min mogelijk van de bolsjewieken af te wijken.

Urenlang stonden mensen uit afgelegen stadswijken, uit kelderwoningen en zolderverblijven, in versleten mantels en grijze uniformen, met mutsen en doeken op het hoofd, met schoeisel, waarin het straatvuil binnendrong, hoestend en kuchend, schouder aan schouder, voortdurend dichter opeen geperst, om later komenden, om iedereen een plaatsje te geven, en luisterden onvermoeid, gretig, hartstochtelijk, dringend, bang dat hen iets zou ontgaan wat de moeite waard was om te begrijpen, zich eigen te maken en te doen. Men had kunnen denken dat in de laatste maanden, de laatste weken en de allerlaatste dagen reeds alles gezegd was. Maar neen, vandaag klinkt alles anders. De massa’s beleven hetgeen er gezegd wordt op een nieuwe manier, niet meer als een aansporing maar als een gebod tot daden. De ervaring van de revolutie, de oorlog, de zware strijd, het hele bittere leven vormt zich uit de ervaring van elke individuele, in ellende verkerende enkeling en wordt omgezet in deze eenvoudige en gebiedende leuzen. Zo kan het niet langer. Een nieuwe toekomst moet opgebouwd worden.

Deze eenvoudige en merkwaardige dag, die scherp afstak tegen de toch al zo bonte achtergrond van de revolutietijd, kwam later degenen die de gebeurtenissen zelf meemaakten nog dikwijls in de herinnering. Het beeld van de geestdriftige en onbedwingbare lavastroom van mensen had zich voor altijd in de herinnering van de ooggetuigen geprent. “De dag van de Petrogradse Sovjet verliep,” schrijft de linkse sociaal-revolutionair Metislavski, “met talloze meetings en onder grote geestdrift.” De bolsjewiek Pestkovski die in twee bedrijven van het Vassiljevski-Ostrov sprak, deelt mee: “Wij spraken openlijk tot de massa’s over de aanstaande machtsgreep door ons en vonden slechts instemming.” – “Er heerste,” vertelt Soechanov over de meeting in het Volkshuis, “een stemming om mij heen die dicht bij extase kwam… Trotski stelde een of andere korte resolutie voor… Wie is er voor…? Een duizendkoppige menigte steekt als één man de hand op. Ik zag de omhooggestoken handen en de vurige ogen van de mannen, vrouwen, knapen, arbeiders, soldaten, boeren en typisch kleinburgerlijke figuren… Trotski sprak verder. Een onafzienbare menigte bleef de handen opsteken. Zij is bereid, zij zweert.” De bolsjewiek Popov vertelt van de geestdriftige eed die de massa’s aflegden, namelijk om “op de eerste oproep van de Sovjet op te rukken.” Metislavski spreekt van de elektrisch geladen menigte die de Sovjets trouw zwoer. Hetzelfde toneel was, alleen op kleinere schaal, in alle wijken van de stad, zowel in het centrum, als in de buitenwijken, waar te nemen. Honderdduizenden mensen staken in diezelfde uren de hand omhoog en zwoeren om tot het einde te strijden.

Terwijl de dagelijkse zittingen van de Sovjet, de soldatensectie, de Garnizoensvergadering en de fabriekscomités een aaneensluiting van de verschillende leiders teweeggebracht en de massavergaderingen de fabrieken en regimenten aaneengesloten hadden, versmolt op 22 oktober het volk als het ware zelf bij een zo hoge mogelijke temperatuur in een reusachtige ketel. De massa’s aanschouwden zichzelf en hun leiders, de leiders aanschouwden en hoorden de massa’s. Beide partijen waren tevreden over elkaar. De leiders kregen de overtuiging dat men niet langer mocht uitstellen! De massa’s zeiden bij zichzelf dat ditmaal de zaak doorgezet werd!

Het succes van de wapenschouw van de bolsjewistische krachten op zondag schokte het zelfvertrouwen van Polkovnikov en zijn hoge autoriteiten. In overleg met de regering en het Centraal Uitvoerend Comité deed de staf een poging om tot een overeenstemming met het Smolny te geraken. Waarom zou men ook niet de oude, goede en liefelijke gewoonten van contact en compromis weer invoeren? Het Militair Revolutiecomité weigerde niet om vertegenwoordigers te sturen voor overleg. Een betere manier om de situatie te verkennen, was moeilijk denkbaar. “De onderhandelingen duurden niet lang,” schrijft Sadovski. “De vertegenwoordigers uit de wijken waren het eens met alle voorwaarden die de Sovjet reeds eerder gesteld had… terwijl in ruil daarvoor de order van het Militair Revolutiecomité van 22 oktober ongedaan gemaakt zou worden.” Het betrof hier een document waarin de staf een werktuig van de contrarevolutionaire krachten genoemd werd. Dezelfde afgevaardigden van het Comité, die Polkovnikov twee dagen geleden zo onhoffelijk weggezonden had, verlangden dat hen het door de staf ondertekend ontwerp van een overeenkomst overhandigd zou worden om dit naar het Smolny over te brengen en zij kregen dit ook. Zaterdag zouden deze voorwaarden die een weinig eervolle capitulatie betekenden nog aanvaard zijn. Vandaag, maandag, was het te laat. De staf wachtte op antwoord, maar dit bleef uit.

Het Militair Revolutiecomité wendde zich tot de bevolking van Petrograd met de mededeling dat er commissarissen bij de troepen en op de meest gewichtige punten in de hoofdstad en haar omgeving benoemd waren. “De commissarissen zijn als vertegenwoordigers van de Sovjet onschendbaar. Verzet tegen de commissarissen betekent verzet tegen de Sovjet van arbeiders- en soldatenafgevaardigden.” Er werd de burgers verzocht zich bij misstanden tot de dichtstbijzijnde commissarissen te wenden om gewapende hulp te halen. Dit is regeringstaal. Het comité geeft echter nog altijd niet het signaal tot een openlijke opstand. Soechanov vraagt: “Begaat het Smolny domheden of speelt het kat en muis met het Winterpaleis om een overval te provoceren?” Noch het een, noch het ander was het geval. Het Comité verdringt met de druk van de massa’s en het overwicht van het garnizoen de regering. Het neemt zonder strijd wat het nemen kan. Het rukt vooruit zonder een schot te lossen, smeedt zijn leger al oprukkend aaneen en versterkt het; polst al opdringend de weerstandskracht van de vijand zonder deze ook maar één ogenblik uit het oog te verliezen. Elke stap voorwaarts doet de situatie ten voordele van het Smolny veranderen. De arbeiders en het garnizoen groeien als het ware in de opstand. Wie het eerst te wapen zal roepen, zal tijdens de aanval en het oprukken blijken. Het is nu nog slechts een kwestie van enkele uren. Indien de regering op het laatste moment de moed heeft of zo vertwijfeld is om het sein tot de strijd te geven, dan zal de verantwoordelijkheid op het Winterpaleis rusten, maar het initiatief zal in elk geval bij het Smolny blijven. De daad van 23 oktober betekende dat de autoriteiten afgezet werden voordat de regering zelf afgezet werd. Het Militair Revolutiecomité bond de vijandelijke regeerders de handen, voordat het hen de beslissende slag toebracht. Deze tactiek van een “vreedzaam doordringen,” de vijand langs wettige weg de beenderen breken en zijn laatste wilskracht verlammen, was slechts mogelijk door het niet twijfelachtige overwicht dat het Comité van uur tot uur meer en meer kreeg.

Het Comité las dagelijks de breed uitgespreide kaart van het garnizoen, was op de hoogte van de stemming in elk regiment en lette nauwkeurig op de veranderingen in de opvattingen en de sympathieën in de kazernes. Verrassingen van die kant waren uitgesloten. Er bleven echter enkele duistere punten op de kaart. Men moest deze uitroeien of althans terugdringen. Op 19 oktober was nog gebleken dat de meeste comités in de Peter-en-Paulsvesting niet welwillend of althans twijfelachtig gezind waren. Het wordt tijd om deze te veroveren nu het gehele garnizoen zich achter het Comité plaatst en er althans in politiek opzicht een kring om de vesting getrokken is. Luitenant Blagonravov, die tot commissaris benoemd was, stuitte op verzet. De vestingcommandant van de regering weigerde de bolsjewistische voogdij te erkennen en beroemde er zich, volgens de lopende geruchten, zelfs op dat hij de jeugdige voogd zou gevangen nemen. Men moest handelend optreden en wel meteen. Antonov stelde voor om een betrouwbaar bataljon van het Pawlovski-regiment binnen de vesting te brengen en de vijandige troepen te ontwapenen. Dit zou echter een te radicaal optreden geweest zijn dat door de officieren aangegrepen had kunnen worden om het tot bloedvergieten te laten komen en de eensgezindheid van het garnizoen te breken. Is het werkelijk nodig om tot een zo radicale maatregel over te gaan? “Trotski wordt geroepen om mee te beraadslagen over deze kwestie…” vertelt Antonov in zijn memoires. “Trotski speelde toentertijd een beslissende rol. Hij had met zijn revolutionair instinct begrepen wat raadzaam voor ons was, namelijk de vesting van binnenuit veroveren. “Het kan niet waar zijn dat de troepen daar niet met ons sympathiseren,” zei hij – en dit bleek ook zo te zijn. Trotski en Lasjevitsj begaven zich naar een meeting in de vesting.” In het Smolny wachtte men in grote opgewondenheid het resultaat af van deze onderneming die zeer riskant leek. Trotski herinnerde zich later: “Op 23 oktober, tegen 2 uur ’s namiddags, reed ik naar de vesting. Op het plein werd een meeting gehouden. De sprekers van de rechtervleugel waren uiterst voorzichtig en gereserveerd… Men luisterde naar ons en men volgde ons.” Op de derde verdieping van het Smolny herademde men opgelucht toen de telefoon het verheugende nieuws bracht dat het garnizoen van de Peter-en-Paulsvesting plechtig beloofd had om van nu af aan uitsluitend het Militair Revolutiecomité te gehoorzamen.

De verandering in het bewustzijn van de troepen in de vesting was natuurlijk niet het gevolg van één of twee redevoeringen, maar was degelijk in de voorafgaande dagen voorbereid. De soldaten waren veel linkser dan hun comités. De oude discipline die reeds volkomen ondermijnd was, was binnen de muren van de vesting slechts uiterlijk wat langer gehandhaafd dan in de kazernes in de stad.

Blagonravov kon zich nu rustig in de vesting neerlaten, zijn kleine staf daar vestigen en in verbinding treden met de bolsjewistische sovjet van de naburige wijk en met de comités in de dichtstbijzijnde kazernes. Intussen komen er delegaties uit de bedrijven en de troepen aan met het verzoek om wapens. Er begint een onbeschrijfelijk toneel in de vesting. “De telefoon rinkelt onafgebroken en brengt berichten over onze nieuwe successen in vergaderingen en op meetings.” Af en toe deelt een onbekende stem mee dat er in het station strafexpedities van het front aangekomen zijn. Er wordt direct een onderzoek ingesteld waaruit blijkt dat het slechts verzinsels van de vijand zijn.

De avondvergadering van de Sovjet wordt die dag gekenmerkt door een buitengewoon groot aantal aanwezigen en een opgewekte stemming. De bezetting van de Peter-en-Paulsvesting en de definitieve inname van het arsenaal in Kroonwerk dat honderdduizend geweren bevatte – zijn een goede waarborg voor succes. Antonov spreekt in naam van het Militair Revolutiecomité. Stap voor stap beschrijft hij hoe de regeringsorganen door gevolmachtigden van het Militair Revolutiecomité verdrongen worden: deze worden overal vol vertrouwen ontvangen. Men gehoorzaamt hen niet uit vrees, maar uit vrije wil. “Van alle kanten eist men dat er commissarissen benoemd worden.” Meer conservatieve troepen haasten zich om de meer radicale te volgen. Het Preobrazhensky-regiment, dat in juli het eerst op de laster van het Duitse geld gekomen was, protesteert nu bij monde van zijn commissaris Tsjoednovski heftig tegen de geruchten dat de Preobrachenkers achter de regering zouden staan: een dergelijke gedachte wordt als een smadelijke belediging gevoeld! De wachtdienst wordt weliswaar als gewoonlijk vervuld, vertelt Antonov, maar dit gebeurt met goedvinden van het Comité. Bevelen van de staf betreffende uitlevering van wapens en automobielen worden niet uitgevoerd. De staf krijgt op deze manier volop gelegenheid om er zich van te overtuigen wie meester in de stad is.

Op de vraag of het aan het Comité bekend is dat regeringstroepen van het front en uit de omgeving oprukken en welke maatregelen daartegen genomen zijn, antwoordt de referent dat er van het Roemeense front cavalerietroepen in aantocht geweest waren, maar dat deze in Pskov opgehouden waren; dat de 17de infanteriedivisie die onderweg vernomen had waarheen en met welk doel zij gestuurd werd, weigerde verder te gaan; dat in Wenden twee regimenten zich tegen de afreis naar Petrograd verzetten; dat voorlopig alleen nog het lot van de Kozakken en jonkers die uit Kiev gestuurd zouden zijn en van de uit Tsarskoje Selo gerekwireerde stormtroepen niet bekend was. “Men waagt het niet om het Militair Revolutiecomité aan te tasten en men zal dit ook niet wagen.” Dit klonk niet kwaad in de witte zaal van het Smolny.

Men krijgt bij het lezen van het referaat van Antonov de indruk dat de revolutionaire staf volkomen in het openbaar gewerkt heeft. Inderdaad heeft het Smolny nagenoeg niets meer te verbergen. De politieke situatie is zo gunstig voor de revolutie dat de openbaarheid nu zelfs bijna tot een vermomming wordt: heeft een opstand zo plaats? Het woord “opstand” wordt echter door geen van de leiders uitgesproken. Niet alleen voorzichtigheidshalve maar ook omdat deze uitdrukking niet bij de werkelijke verhoudingen past. Men laat het, om zo te zeggen, aan de regering van Kerenski over om de opstand te maken. In een bericht in de “Izvestia” heette het echter dat Trotski in de zitting van 23 oktober voor het eerst de machtsgreep openlijk als doel van het Militair Revolutiecomité genoemd had. Het was ongetwijfeld correct dat de tijd toen het officiële doel van het Comité een onderzoek naar de strategische argumenten van Tsjeremissov was, reeds lang vervlogen was. De overplaatsing van de regimenten was men intussen vrijwel vergeten. Ook op 23 oktober was er echter geen sprake van een opstand, maar van een verdediging van het aanstaande Sovjetcongres, zo nodig met de wapens en de vuist. Er werd ook een resolutie, die overeenkwam met het referaat van Antonov, in deze zin aangenomen. Hoe beoordeelde men in regeringskringen deze gebeurtenissen? Terwijl Kerenski in de nacht van 22 oktober de directe leiding voorbijsteekt en de chef van de staf in het hoofdkwartier, Doechonin, op de hoogte brengt van de pogingen van het Militair Revolutiecomité om de regimenten aan de legerleiding te onttrekken, voegt hij hieraan toe: “Ik geloof dat wij het hiermee gemakkelijk zullen klaarspelen.” Zijn aankomst als opperbevelhebber in het hoofdkwartier werd geenszins vertraagd uit beduchtheid voor een of andere opstand: “Men zal het daarmee ook wel zonder mij kunnen klaarspelen, want alles is goed voorbereid.” Aan de bezorgde ministers verklaart Kerenski kalmerend dat hij persoonlijk integendeel zeer verheugd was over de komende opstand, daar deze hem in de gelegenheid zou stellen definitief met de bolsjewieken af te rekenen. “Ik zou wel een mis willen laten lezen,” antwoordt het hoofd van de regering aan de kadet Nabokov, die een geregeld bezoeker van het Winterpaleis was, “wanneer de opstand plaats heeft.” – “Ben je er echter zo zeker van dat je het met hen zult kunnen klaarspelen?” – “Ik beschik over meer dan genoeg krachten, zij zullen volkomen verpletterd worden.”

Wanneer de kadetten later over Kerenski’s optimisme en lichtzinnigheid spotten, leden zij klaarblijkelijk aan vergeetachtigheid: in werkelijkheid beoordeelde Kerenski de gebeurtenissen juist zoals zij dit zelf deden. Op 21 oktober schreef het blad van Miljoekov dat de bolsjewieken, indien zij het op een ogenblik van ernstige crisis zouden wagen om op te staan, gemakkelijk op staande voet verpletterd zouden worden. Een ander blad van de kadetten voegt hieraan toe: “Er nadert een onweer, maar dit kan juist de atmosfeer zuiveren.” Dan deelt mee dat de kadetten en de dichtbij hen staande groepen in de wandelgangen van het Voorlopig Parlement hardop de wens uitten dat de bolsjewieken zo spoedig mogelijk konden optreden: “Zij zullen in een openlijke strijd terstond verslagen worden.” Vooraanstaande kadetten zeiden aan John Reed dat de bolsjewieken, wanneer zij in de opstand neergeslagen waren, niet meer het hoofd zouden kunnen opsteken in de Constituerende Vergadering.

Op 22 en 23 oktober pleegde Kerenski overleg, nu eens met de leiders van het Centraal Uitvoerend Comité, dan weer met zijn staf over de vraag of men er niet toe moest overgaan het Militair Revolutiecomité te arresteren? De verzoeningsgezinden rieden dit af: zij zouden zelf pogen om de kwestie van de commissarissen tot een oplossing te brengen. Polkovnikov was eveneens van mening dat men met een arrestatie niet overijld te werk moest gaan. Militaire krachten waren er zonodig “meer dan genoeg.” Kerenski luisterde naar Polkovnikov, maar meer nog naar zijn verzoeningsgezinde vrienden. Hij rekende er stellig op dat het Centraal Uitvoerend Comité in geval van gevaar, ondanks de huiselijke twisten, tijdig te hulp zou komen. Zo was het in juli en augustus geweest, waarom zou het dan ook nu niet weer zo gaan?

Het was echter reeds geen juli en ook geen augustus meer. Het was oktober. Op de pleinen en kaden van Petrograd woeien kille Baltische winden uit de richting van Kronstadt. Jonkers, gehuld in lange uniformmantels, trokken onder overmoedig gezang, dat de onrust overstemde, door de straten. Bereden militiesoldaten met revolvers in fonkelnieuwe holsters paradeerden voorbij. Neen, de regering leek nog erg imposant! Of is het slechts zinsbedrog? John Reed, de Amerikaan met zijn naïeve verstandige ogen, kocht op een hoek van het Nevski een brochure van Lenin – “Zullen de bolsjewieken de macht kunnen houden?” Hij betaalde met een van de postzegels die toen in omloop waren in plaats van kleingeld.

Uittreden uit het Voorlopig Parlement en strijd om het Sovjetcongres

Elke dag van de oorlog werd het front meer en meer dooreen geschud, de regering zwakker en de internationale toestand van het land slechter. Begin oktober trad de Duitse zee- en luchtvloot actief op in de Finse golf. De Baltische matrozen streden dapper om de doortocht naar Petrograd te beletten. Zij hadden echter een beter en scherper begrip dan de andere troepen aan het front van hun eigenaardige positie als voorhoede van de revolutie aan de ene kant en als gedwongen deelnemers aan de imperialistische oorlog aan de andere kant. Zij slingerden door middel van de radiostations van hun schepen een oproep tot internationale hulp aan de revolutie de wereld in. “Aangevallen door sterkere Duitse legerkrachten gaat onze vloot in een ongelijke strijd ten onder. Geen enkel van onze schepen zal de strijd ontwijken. De belasterde en gebrandmerkte vloot zal haar plicht doen… Niet op bevel van een droevige, door de lankmoedigheid van de revolutie heersende Russische Bonaparte… niet in naam van de verdragen van onze regeerders met de Geallieerden, die de Russische vrijheid knevelen. Neen, maar om de toegangswegen tot het revolutionaire centrum Petrograd te bewaken. In dit uur waarin de golven van de Baltische zee rood gekleurd worden met het bloed van onze broeders, waarin het water zich boven hun lijken sluit, verheffen wij onze stem: …Onderdrukten van alle volken! Ontplooi de vlag van de opstand!”

De passages waarin van strijd en slachtoffers gesproken werd, waren geen frase. Het eskader verloor het schip “Slava” en trok zich na het gevecht terug. De Duitsers veroverden de Monsundeilanden. Weer werd er een zwarte bladzijde aan het boek van de oorlog toegevoegd. De regering besloot de nieuwe militaire tegenslag te benutten om de hoofdstad te verplaatsen: dit oude plan dook bij elke geschikte gelegenheid weer op. De regeringskringen gingen niet uit van sympathie voor Moskou, maar wel van hun haat tegen Petrograd. Monarchistische reactie, liberalisme en democratie poogden achtereenvolgens de hoofdstad te degraderen, haar klein te krijgen en te verpletteren. De heftigste patriotten koesterden nu een veel gloeiender haat tegen Petrograd dan tegen Berlijn.

Het ontruimingsvraagstuk wordt zeer urgent. Er wordt een tijd van twee weken bepaald om de regering tezamen met het Voorlopig Parlement over te brengen. Men besluit om de bedrijven die voor de landsverdediging werkzaam zijn eveneens binnen de kortst mogelijke tijd te verplaatsen. Het Centraal Uitvoerend Comité moest als ‘particuliere instelling’ voor zichzelf zorgen. De kadetten die het initiatief tot de verplaatsing genomen hadden, wisten dat met een verplaatsing van de regering alleen de kwestie niet opgelost was. Zij speculeerden er echter op de haard van revolutionaire besmetting door honger, ontbering en uitputting te kunnen treffen. De interne blokkade van Petrograd was reeds in volle gang. Bestellingen werden aan de fabrieken onthouden, de leveringen van brandstof tot op één vierde beperkt, het ministerie van voedselvoorziening hield het vee voor de hoofdstad achter en in de Mariinski-kanalen werden de lossingen stopgezet.

De vechtlustige Rodsjanko, de voorzitter van de Rijksdoema, die de regering begin oktober eindelijk besloten had te ontbinden, sprak in het liberale Moskouse blad “Oetro Rossji” volkomen openlijk over het oorlogsgevaar dat de hoofdstad bedreigde. “Petrograd? God moge haar beschermen… Men is beducht dat de centrale instellingen (d.w.z. de sovjets enz.) daar te gronde zouden kunnen gaan. Ik antwoord daarop dat ik zeer verheugd zou zijn indien al deze instellingen te gronde gingen, omdat zij Rusland niets dan kwaad berokkend hebben.” Weliswaar zal een inname van Petrograd ook onvermijdelijk de ondergang van de Baltische vloot ten gevolge hebben. Ook hierover behoeft men echter niet te treuren: “de schepen daar zijn volkomen gedemoraliseerd.” Dankzij het feit dat de kamerheer niet gewoon was om zijn mond te houden, leerde het volk de meest intieme gedachten van het adellijke en burgerlijke Rusland.

De Russische zaakgelastigde te Londen meldde dat de staf van de Engelse marine het ondanks alle aandrang niet mogelijk achtte om de positie van zijn bondgenoot in de Oostzee te verlichten. Niet alleen de bolsjewieken legden dit antwoord zo uit dat de Geallieerden samen met de patriottische groepen in Rusland van de Duitse aanval op Petrograd slechts voordeel voor hun gemeenschappelijke zaak verwachtten. De arbeiders en soldaten twijfelden er, vooral na Rodsjanko’s bekentenissen, niet aan dat de regering zich welbewust voorbereidde om hen over te leveren aan Ludendorff en Hoffmann, om eens goed gedrild te worden.

Op 6 oktober nam de soldatensectie met een tot nu toe ongekende eenstemmigheid een resolutie van Trotski aan: “Indien de Voorlopige Regering niet in staat is om Petrograd te verdedigen, is zij verplicht vrede te sluiten of voor een andere regering plaats te maken.” De arbeiders traden niet minder onverzoenlijk op. Zij beschouwden Petrograd als hun vesting, knoopten aan haar hun revolutionaire verwachtingen vast en wilden Petrograd niet prijs geven. Verschrikt door het oorlogsgevaar, de ontruiming, de verontwaardiging van de soldaten en arbeiders en de opwinding onder de gehele bevolking sloegen de verzoeningsgezinden op hun beurt alarm: men mag Petrograd niet aan zijn lot overlaten. Nadat de regering tot de overtuiging kwam dat de poging tot ontruiming aan alle kanten op tegenstand stuitte, begon zij tot de terugtocht over te gaan: zij was niet zozeer bezorgd om haar eigen veiligheid dan wel om de kwestie van de zetel van de toekomstige Constituerende Vergadering. Ook deze positie was echter onhoudbaar. Nog geen week later zag de regering zich genoodzaakt te verklaren dat zij niet alleen van plan was om zelf in het Winterpaleis te verblijven, maar ook om zoals oorspronkelijk bepaald de Constituerende Vergadering in het Taurisch paleis bijeen te roepen. Deze verklaring bracht geen verandering in de militaire en politieke toestand. Zij liet echter opnieuw de politieke macht van Petrograd zien, dat het als zijn taak beschouwde om een einde te maken aan de Kerenski-regering en deze daarom niet uit zijn muren weg liet gaan. Alleen de bolsjewieken hebben later de hoofdstad naar Moskou durven verplaatsen. Zij konden dit zonder enige moeilijkheid doen omdat het voor hen werkelijk een strategische noodzakelijkheid was: politieke redenen om uit Petrograd te vluchten, hadden zij niet.

De regering gaf de berouwvolle verklaring betreffende de verdediging van de hoofdstad op verzoek van de meerderheid van de verzoeningsgezinden aan een commissie van de Raad van de Russische republiek, het Voorlopig Parlement. Deze wonderlijke instelling was inmiddels eindelijk ter wereld gekomen. Plechanov, die ervan hield te schertsen en dit ook goed kon, noemde de onmachtige en kortstondige Raad van de Republiek oneerbiedig “een huisje op het ijs.” Politiek is deze typering buitengewoon treffend. Men dient er slechts aan toe te voegen dat het Voorlopig Parlement er als huisje niet kwaad uitzag: het kreeg het prachtige Mariinskipaleis toegewezen waarin vroeger de Raad van State gehuisvest was. Het contrast tussen het fraaie paleis en het verwaarloosde, van soldatengeuren vervulde Smolny frappeerde Soechanov. “Men kreeg,” erkent hij, “te midden van al deze pracht lust om eens uit te rusten en alle moeilijkheden en strijd, honger en oorlog, verval en anarchie, zowel het land alsook de revolutie te vergeten.” Men had echter niet veel tijd tot uitrusten en vergeten. De zogenaamde ‘democratische’ meerderheid in het Voorlopig Parlement bestond uit 308 personen: 120 sociaal-revolutionairen waaronder ongeveer 20 linksen; 60 mensjewieken van diverse schakeringen; 66 bolsjewieken; verder coöperators, afgevaardigden van het Boeren Uitvoerend Comité enz. De bezittende klassen hadden 156 zetels waarvan de kadetten de helft bezetten. Samen met de coöperators, de Kozakken en de zeer conservatieve leden van het Boeren Uitvoerend Comité had de rechtervleugel in een aantal kwesties vrijwel de meerderheid. De verdeling van de zetels in het comfortabele huisje op het ijs was derhalve lijnrecht in strijd met de uitgesproken wil van stad en land. Daarom was in het Mariinskipaleis in tegenstelling tot de grauwe Sovjets en dergelijke vertegenwoordigingen de bloem van de natie verzameld. Daar de leden van het Voorlopig Parlement niet afhankelijk waren van toevalligheden in de verkiezingsstrijd, plaatselijke invloeden en gewestelijke voorrechten, zond elke sociale groep en elke partij haar meest bekende leiders daarheen. De samenstelling was wat de personen betreft “buitengewoon schitterend,” volgens Soechanov. Toen het Voorlopig Parlement voor haar eerste zitting bijeenkwam, was dit volgens Miljoekov voor vele sceptici een pak van het hart: “Mooi zo, als de Constituerende Vergadering er even goed zal uitzien als deze.” De bloem van de natie bekeek zichzelf met voldoening in de spiegels van het slot, zonder te beseffen dat zij ten ondergang gedoemd was.

Bij de opening van de Raad van de Republiek op 7 oktober liet Kerenski niet na om eraan te herinneren dat de regering weliswaar over de “volle macht” beschikte, maar niettemin bereid was om “elke inderdaad nuttige wenk” aan te horen. Al was de regering een absolute, zo bleef zij toch een verlichte regering. In het presidium dat uit vijf leden bestaat met Avksentjev als voorzitter, is één plaats voor de bolsjewieken bestemd. Deze blijft open. Het was de regisseurs van de jammerlijke en trieste komedie droef te moede. De belangstelling voor de trieste opening op de trieste regendag was van het begin af aan geheel op het optreden van de bolsjewieken, dat men verwachtte, gericht. In de wandelgangen van het Mariinskipaleis verspreidde zich volgens Soechanov het “sensationele gerucht dat Trotski met een meerderheid van twee à drie stemmen gewonnen had… en dat de bolsjewieken spoedig het Voorlopig Parlement zouden verlaten.” In werkelijkheid was het besluit om demonstratief het Mariinskipaleis te verlaten op 5 oktober in de zitting van de bolsjewistische fractie met algemene stemmen, op één na, aangenomen: zo sterk was de verschuiving naar links sinds de laatste twee weken! Alleen Kamenev bleef bij zijn oude standpunt, of liever gezegd, hij was de enige die het waagde dit te verdedigen. In een afzonderlijke aan het Centraal Comité van de partij gerichte verklaring noemde Kamenev zonder er doekjes om te winden de ingeslagen koers “zeer gevaarlijk voor de partij.” De openlijke plannen van de bolsjewieken brachten een zekere onrust bij het Voorlopig Parlement teweeg: men was eigenlijk niet zozeer bang van een verzwakking van het regime, maar wel van een “schandaal” tegenover de diplomaten van de Geallieerden die zo juist door de meerderheid met de verschuldigde patriottische bijvalsbetuigingen begroet waren. Soechanov vertelt hoe een bekende officiële persoonlijkheid – Avksentjev zelf – naar de bolsjewieken werd gezonden om hen eens te polsen: Wat zal er gebeuren? “Niets bijzonders,” antwoorddeTrotski, “niets bijzonders, hoogstens een pistoolschot.”

Na de opening van de zitting kreeg Trotski overeenkomstig het van de Rijksdoema overgenomen reglement tien minuten voor het buiten de agenda om afleggen van een verklaring namens de bolsjewistische fractie. Er ontstaat een spannende stilte in de zaal. De verklaring begint met te constateren dat de regering nu evenmin verantwoordelijk was als tegenover de Democratische Vergadering die zogenaamd bijeengeroepen was om Kerenski te temmen en dat de vertegenwoordigers van de bezittende klassen een zodanig aantal plaatsen in de Voorlopige Raad gekregen hadden waarop zij geenszins aanspraak konden maken. Indien de bourgeoisie werkelijk van plan was de Constituerende Vergadering binnen anderhalve maand bijeen te laten komen, hadden haar leiders geen reden om nu met zulk een hardnekkigheid de onafhankelijkheid van de regering zelfs tegenover een kunstmatig geschapen vertegenwoordiging te verdedigen. “Alles komt hierop neer dat de burgerlijke klassen zich tot taak gesteld hebben de Constituerende Vergadering uiteen te jagen.” Dit was raak. Des te krachtiger protesteert de rechtervleugel. Zonder van de tekst van de verklaring af te wijken, geselt de spreker de industriële, de agrarische en de voedselpolitiek van de regering: indien men zich bewust ten doel gesteld had de weg van een opstand op te drijven, zou men geen andere tactiek kunnen volgen. “De gedachte om de revolutionaire hoofdstad aan de Duitse troepen prijs te geven… wordt geduld als een natuurlijk onderdeel van de gehele politiek die ten doel heeft een contrarevolutionaire samenzwering… te bevorderen.” De protesten gaan over in een storm van verontwaardiging. Men schreeuwt: Berlijn! Duits geld! Verzegelde wagon! En tussen dit alles door, als het ware als parels in de modder – de schunnigste vloeken. Zoiets had zich nog nooit, zelfs niet tijdens de heftigste botsingen in het vuile, verwaarloosde, door de soldaten bespuwde Smolny afgespeeld. “Nauwelijks waren wij in het nette gezelschap van het Mariinskipaleis aangeland…,” schrijft Soechanov, “of terstond ontstond er een kroegstemming die ook in de Rijksdoema geheerst had.”

Ondanks de uitbarstingen van woede, die nu en dan door kalmere momenten afgewisseld worden, eindigt de spreker met te zeggen: “Wij, de bolsjewistische fractie, verklaren dat wij met deze regering van volksbedrog en met deze raad van contrarevolutionair dulden niets gemeen hebben… Terwijl wij de Voorlopige Raad verlaten, doen wij een beroep op de waakzaamheid en de heldenmoed van de arbeiders, soldaten en boeren van geheel Rusland. Petrograd is in gevaar! De revolutie is in gevaar! Het volk is in gevaar!… Wij richten ons tot het volk. Alle macht aan de sovjets!”

De spreker verlaat het spreekgestoelte. Enkele tientallen bolsjewieken verlaten onder gevloek de zaal. Na enkele angstige minuten durft de meerderheid opgelucht herademen. Enkel de bolsjewieken zijn weggegaan – de bloem van de natie blijft op haar post. Alleen de linkervleugel van de verzoeningsgezinden kromp ineen onder de slag die klaarblijkelijk toch niet tegen haar gericht was. “Wij, die het dichtst bij de bolsjewieken stonden,” erkent Soechanov, “zaten volkomen verpletterd door hetgeen er gebeurd was.” De ridders van het woord kwamen tot de ontdekking dat het geen tijd voor woorden meer was.

De minister van Buitenlandse Zaken Teresjtsjenko stelde in een geheim telegram de Russische gezanten op de hoogte van de opening van het Voorlopig Parlement: “De eerste zitting heeft, afgezien van een door de bolsjewieken verwekt schandaal, niets bijzonders opgeleverd.” De historische breuk van het proletariaat met het staatsapparaat van de bourgeoisie werd door deze mensen eenvoudigweg als een “schandaal” opgevat. De burgerlijke pers liet de gelegenheid niet voorbijgaan om de regering met een beroep op de vastberadenheid van de bolsjewieken aan te sporen: de heren ministers zouden het land slechts dan van de anarchie kunnen redden “indien zij evenveel vastberadenheid en wilskracht aan de dag legden als kameraad Trotski.” Alsof het om de vastberadenheid en de wil van enkelingen en niet om het historische lot van klassen ging. En alsof de selectie van mensen en karakters zich los van de historische taak voltrokken had. “Zij spraken en handelden,” schreef Miljoekov naar aanleiding van de uittocht van de bolsjewieken uit het Voorlopig Parlement, “als mensen die een macht achter zich voelen en die weten dat de toekomst aan hen is.”

Het verlies van de Monsundeilanden, de toenemende bedreiging van Petrograd en de uittocht van de bolsjewieken uit het Voorlopig Parlement de straat op, dwongen de verzoeningsgezinden tot nadenken over de vraag hoe het verder met de oorlog zou gaan. Na een overleg van drie dagen, met de minister van Oorlog en de minister van Marine, met commissarissen en afgevaardigden van legerorganisaties, nam het Centraal Uitvoerend Comité het heilzaam besluit: “Aandringen op de deelname van vertegenwoordigers van de Russische democratie aan de conferentie van de Geallieerden te Parijs.” Nadat er nieuwe moeilijkheden gerezen waren, werd Skobeljev tot afgevaardigde benoemd. Een gedetailleerde instructie werd uitgewerkt: vrede zonder annexaties en oorlogsschattingen, neutralisering van de zeestraten, ook van het Suez- en het Panamakanaal, – de geografische horizon van de verzoeningsgezinden was wijder dan hun politieke – afschaffing van de geheime diplomatie en geleidelijke ontwapening. Het Centraal Uitvoerend Comité verklaarde dat de deelname van zijn afgevaardigde aan de beraadslagingen te Parijs tot doel had om druk op de Geallieerden uit te oefenen. Een druk van Skobeljev op Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten! Het blad van de kadetten stelde de venijnige vraag wat Skobeljev zou doen indien de Geallieerden zijn voorwaarden openlijk afwezen? “Zal hij met een nieuwe oproep aan de volkeren van de gehele aarde dreigen?” Ach, de verzoeningsgezinden schaamden zich reeds lang voor hun eigen vroegere oproep.

Terwijl het Centraal Uitvoerend Comité de Verenigde Staten tot een neutralisering van het Panamakanaal wilde brengen, bleek het in werkelijkheid niet in staat om zelfs maar op het Winterpaleis druk uit te oefenen. Op 12 oktober zond Kerenski een uitvoerig schrijven aan Lloyd George vol zachte verwijten, bittere klachten en enthousiaste beloften. Het front verkeerde “in een betere toestand dan in de lente van het vorig jaar.” Inderdaad had de defaitistische propaganda – de Russische eerste minister beklaagt zich bij zijn Engelse collega over de Russische bolsjewieken – het onmogelijk gemaakt de gestelde taak geheel te verwezenlijken. Maar van vrede kon er toch geen sprake zijn. Voor de regering was het slechts de vraag: “Hoe de oorlog voort te zetten?” Begrijpelijkerwijs smeekte Kerenski om kredieten tegen onderpand van zijn patriottisme.

Het van bolsjewieken bevrijde Voorlopige Parlement zat evenmin stil: op 10 oktober begonnen de debatten over een verhoging van de strijdvaardigheid van het leger. De discussie, die niet minder dan drie zittingen in beslag nam, verliep volgens het vaste schema: “men moet het leger ervan overtuigen dat het voor vrede en democratie strijdt,” zei men links. Overtuigen is onmogelijk, men moet het dwingen, antwoordde men rechts. Wij hebben geen middelen om te dwingen, men moet eerst al is het ook maar gedeeltelijk overtuigen, antwoordden de verzoeningsgezinden. In het overtuigen zijn de bolsjewieken u de baas, antwoordden de kadetten. Beide partijen hadden gelijk. Maar ook een drenkeling heeft gelijk als hij vóór het verdrinken nog schreeuwt.

Op 18 oktober brak het beslissende uur aan, dat echter niets aan het natuurlijk verloop van de dingen kon veranderen. Het voorstel van de sociaal-revolutionairen kreeg 95 tegen 127 stemmen met 50 onthoudingen. Het voorstel van rechts – 135 tegen 139 stemmen. Wonderlijk genoeg is er geen meerderheid! “Algemene opwinding en verwarring” heerst er in de zaal, zo melden de kranten.  Ondanks de eenheid van doel was de bloem van de natie zelfs niet in staat ook maar een platonisch besluit betreffende de meest acute kwestie in het nationale leven te nemen. Dit was geen toeval: hetzelfde verschijnsel deed zich dag in, dag uit voor bij alle overige kwesties, zowel in commissies als in plenaire zittingen. De meningsverschillen waren eenvoudig ontelbaar. De verschillende groepen leefden van abstracte schakeringen van een politieke gedachte, maar de politieke gedachte zelf ontbrak. Was deze misschien met de bolsjewieken de straat opgegaan…? De impasse van het Voorlopig Parlement was de impasse van het gehele regime.

Het leger van mening doen veranderen was moeilijk, maar het dwingen was onmogelijk. Naar aanleiding van de nieuwe terechtwijzing van Kerenski aan het adres van de Baltische vloot die dapper in de gevechten standhield en vele slachtoffers telde, richtte het congres van de matrozen zich tot het Centraal Uitvoerend Comité met de eis om uit de Voorlopige Regering “degene te verwijderen die door zijn schaamteloze politieke dreigementen de grote revolutie te schande maakt en te gronde richt.” Zo een taal had Kerenski nog nooit, zelfs niet van de matrozen, gehoord. Het districtscomité van het leger, de vloot en de Russische arbeiders in Finland, dat als een regering optrad, hield voor de regering bestemde vrachten achter. Kerenski dreigde met de arrestatie van de sovjetcommissarissen. Het antwoord luidde: “Het districtscomité neemt de uitdaging van de Voorlopige Regering met een gerust geweten aan.” Kerenski zweeg. De Baltische vloot bevond zich eigenlijk reeds midden in de opstand.

Aan het front van de troepen te land was het nog niet zover gekomen, maar de ontwikkeling ging in dezelfde richting. De voedselvoorziening verslechterde gedurende de maand oktober snel. De opperbevelhebber aan het Noordelijk front meldde dat “honger de voornaamste oorzaak van de morele ontbinding van het leger was.” Terwijl de verzoeningsgezinde leiders aan het front voortgingen met, nu weliswaar achter de rug van de soldaten om, over een verhoging van de strijdvaardigheid van het leger te spreken, werd van onderop in het ene regiment na het andere de eis gesteld om tot een onmiddellijke publicatie van de geheime documenten en een direct vredesaanbod over te gaan. Sjdanov, de commissaris van het Westelijk front, rapporteerde in de eerste dagen van oktober: “De stemming is buitengewoon onrustig in verband met de naderende vorstperiode en de slechtere voedselvoorziening… De bolsjewieken hebben ontegenzeggelijk succes.”

De regeringsinstellingen aan het front hingen in de lucht. De commissaris van het tweede leger meldt dat de krijgsraden geen zitting kunnen hebben omdat de soldaten weigeren als getuige te verschijnen. De verhouding tussen legerleiding en soldaten heeft zich toegespitst. Men is van oordeel dat de officieren aan het voortduren van de oorlog schuldig zijn. De vijandigheid van de soldaten tegen de regering en de legerleiding was reeds lang overgeslagen op de legercomités, die vanaf het uitbreken van de revolutie nooit vernieuwd waren. De legercomités werden voorbijgegaan, de regimenten stuurden afgevaardigden rechtstreeks naar Petrograd om daar bij de sovjet te klagen over de ondragelijke toestanden in de loopgraven, zonder brood, zonder uitrusting en zonder vertrouwen in een goede afloop van de oorlog. Op het Roemeense front, waar de bolsjewieken zeer zwak zijn, weigeren gehele regimenten te schieten. “Binnen twee à drie weken zullen de soldaten zelf een wapenstilstand afkondigen en de wapens neerleggen.” Afgevaardigden van een van de divisies melden: “De soldaten hebben besloten om bij de eerste sneeuwval naar huis terug te keren.” Een delegatie van het 33ste legercorps dreigde in het plenum van de sovjet van Petrograd dat de soldaten zelf de macht in handen zouden nemen en een wapenstilstand zouden sluiten indien er niet werkelijk op een vrede aangestuurd werd. Een commissaris van het tweede leger rapporteert aan de minister van Oorlog: “Meermaals hoor je dat men met het invallen van de koude de stellingen zal verlaten.”

De verbroedering die na de Julidagen nagenoeg gestopt was, leefde weer op en nam snel toe. Na een tussenpauze namen de gevallen toe waarin soldaten de officieren niet alleen gevangen namen maar ook de meest gehate onder hen afmaakten. Het strafgericht had nagenoeg openlijk voor de ogen van de soldaten plaats. Er was niemand die tussenbeide kwam; de meesten wilden dit niet doen en een kleine minderheid durfde het niet. Het gelukte de daders altijd te ontkomen, als waren zij spoorloos in de soldatenmassa’s ondergedoken. Een generaal schreef: “Wij klampen ons krampachtig nu eens aan dit, dan weer aan dat vast, smeken om een wonder, maar de meesten zien in dat er geen redding meer mogelijk is.”

Vol boosaardigheid en stompzinnigheid bleven de patriottische bladen over een voortzetting van de oorlog, het offensief en de overwinning schrijven. De generaals schudden het hoofd en sommige van hen stemden aarzelend toe. “Alleen mensen die volslagen krankzinnig zijn,” zo schreef baron Budberg, commandant van een legercorps, “kunnen nu aan een offensief denken.” De volgende dag moet hij reeds in hetzelfde dagboek schrijven: “Ik ben geheel verpletterd en buiten mijzelf over de orders die ik gekregen heb voor een offensief dat niet later dan op 20 oktober moet plaats hebben.” De generale staven die niets meer geloofden en alles opgegeven hadden, maakten plannen voor nieuwe krijgsverrichtingen. Verschillende generaals zagen een laatste redmiddel in een herhaling van het experiment van Kornilov met Riga op nog grotere schaal, nl. het leger in een strijd wikkelen en dan trachten om de nederlaag op het hoofd van de revolutie te laten neerkomen.

Op initiatief van de minister van Oorlog Verchovski werd besloten om de oudere lichtingen naar huis te zenden. De treinen kraakten onder de stroom soldaten die naar huis terugkeerden. De veren van de overbelaste wagons braken en de vloeren werden ingedrukt. De stemming onder de achterblijvenden wordt er door dit alles niet beter op. “De loopgraven vervallen,” schrijft Budberg, “De verbindingsgangen zijn overstroomd; overal afval en uitwerpselen. De soldaten weigeren beslist om de loopgraven schoon te maken… Men huivert bij de gedachte waartoe dat moet leiden wanneer de lente komt en alles begint te verrotten en te vergaan.” De soldaten weigeren in hun toestand van verbittering en passiviteit zelfs geregeld om zich te laten inenten: dit werd eveneens een vorm van strijd tegen de oorlog.

Na vergeefse pogingen om de strijdvaardigheid van het leger door inkrimping van het aantal soldaten te verhogen, kwam Verchovski plotseling tot de conclusie dat slechts vrede het land kon redden. In een private bijeenkomst met de leiders van de kadetten, die de jonge en naïeve ministers op hun hand hoopten te krijgen, gaf Verchovski een beeld van het materiële en geestelijke verval van het leger: “Elke poging om de oorlog voort te zetten, kan de catastrofe slechts versnellen.” Dit kon de kadetten niet ontgaan, maar onder stilzwijgen van de overigen trok Miljoekov minachtend de schouders op: “Ruslands eer”, “trouw aan de Geallieerden…” Zonder ook maar één syllabe hiervan te geloven, poogden de leiders van de bourgeoisie hardnekkig om de revolutie onder de ruïnes en lijken van de oorlog te begraven. Verchovski betoonde politieke moed, want zonder eerst de regering hiervan op de hoogte te stellen of haar te waarschuwen, trad hij op 20 oktober in een commissie van het Voorlopig Parlement op om een verklaring af te leggen over de noodzakelijkheid van een onmiddellijke vrede, los van de vraag of de Geallieerden toestemden of niet. Iedereen die hem in private gesprekken gesteund had, keerde zich nu woedend tegen hem. De patriottische pers schreef dat “de minister van Oorlog zich aan de zijde van kameraad Trotski geschaard had.” Boerzev zinspeelde op het Duitse geld. Verchovski werd ontslagen. Onder vier ogen zeiden de patriotten tot elkaar dat hij eigenlijk gelijk had. Budberg bleef zelfs in zijn dagboek voorzichtig: “Bezien vanuit het oogpunt van trouw aan het eenmaal gegeven woord,” schreef hij, “is het voorstel natuurlijk dubbelzinnig, maar bekeken vanuit het oogpunt van de egoïstische belangen van Rusland is het wellicht het enige dat de mogelijkheid voor een uitweg biedt.” De baron bekent tegelijkertijd zijn afgunst op de Duitse generaals, “die door het lot het geluk ten deel valt overwinningen te behalen.” Hij voorzag niet dat ook de Duitse generaals spoedig aan de beurt zouden komen. Deze lieden vermochten in het algemeen niets te voorzien, zelfs niet de knapsten onder hen. De bolsjewieken voorzagen wel en daarin lag hun kracht.

Met de uittocht uit het Voorlopig Parlement was in de ogen van het volk de laatste schakel die de partij van de opstand met de officiële wereld verbond, verbroken. Met nieuwe energie – het feit dat het doel zo nabij was, deed de krachten verdubbelen – begonnen de bolsjewieken hun propaganda die door de tegenstanders demagogie genoemd werd, omdat zij openlijk rondbazuinden hetgeen men anders in de vertrekken en de regeringsbureaus probeerde verborgen te houden. Deze onvermoeide propaganda had zo’n overtuigingskracht omdat de bolsjewieken de loop van de ontwikkeling goed begrepen, hun politiek hiernaar richtten, niet bang waren voor de massa’s en vast aan hun goed recht en uiteindelijke overwinning geloofden. Het volk werd het niet moe om hen aan te horen. De massa’s voelden de behoefte om bijeen te blijven, de een wilde zich aan de ander spiegelen, en allen zagen met steeds grotere opmerkzaamheid en spanning hoe dezelfde gedachte in al haar verschillende schakeringen en nuances in hen leefde. Reusachtige massa’s verdrongen zich bij de circussen en andere grote gebouwen waar de meest populaire bolsjewieken spraken en voor het laatst tot de strijd opriepen.

Het aantal leidende propagandisten nam tegen oktober sterk af. In de eerste plaats miste men Lenin als propagandist en meer nog als dagelijks leider. Men miste zijn eenvoudige en diepgaande conclusies die zich vast in het bewustzijn van de massa’s boorden, zijn sprekende uitdrukkingen die hij van het volk afgeluisterd had en weer aan het volk teruggaf. Men miste de bekwame propagandist Zinovjev. Terwijl hij zich verborgen hield om zich te onttrekken aan de vervolgingen wegens deelname aan de Juliopstand, had Zinovjev zich tegen de Oktoberopstand gekeerd en was daardoor voor het gehele kritieke tijdperk van het strijdtoneel verdwenen. Kamenev, een weergaloos propagandist en ervaren politiek instructeur van de partij, veroordeelde de tactiek van de opstand, geloofde niet in de overwinning, voorzag een ramp en hield zich somber op de achtergrond. Sverdlov, die van nature meer organisator dan propagandist was, trad geregeld in massavergaderingen op. Zijn gelijkmatige, machtige en onvermoeide basstem verspreidde rust en zekerheid. Stalin was noch propagandist, noch redenaar. Hij trad meermaals op als rapporteur in partijvergaderingen. Sprak hij echter ook maar eenmaal in een revolutionaire massabijeenkomst? In de documenten en memoires is niets hieromtrent te vinden.

Een indrukwekkende propaganda werd door Volodarski, Lasjevitsj, Kollontai en Tsjoednovski gevoerd. Na hen kwamen tientallen propagandisten van kleiner formaat. Met belangstelling en sympathie, waarbij zich bij hen die beter op de hoogte waren ook nog toegeeflijkheid voegde, hoorde men Loenatsjarski aan, een geroutineerd spreker die een feit, een opvatting, pathos en scherts op juiste wijze wist te plaatsen, maar die er geen aanspraak op maakte leider te zijn: hij had zelf leiding nodig. Hoe dichter de omwenteling naderde, des te meer verslapte Loenatsjarski.

Soechanov deelt over de voorzitter van de sovjet van Petrograd het volgende mee: “Zich onttrekkend aan zijn werk in de revolutionaire leiding, vloog hij van de Oboechovski- naar de Troebosjtsnyfabriek, van de Poetilov naar de Baltijskifabriek, vanuit de manege naar de kazernes en het was alsof hij overal tegelijk sprak. Elke Petrogradse arbeider en soldaat kende hem. Zijn invloed – bij de massa’s en de leiding – was reusachtig. Hij was de centrale figuur in deze dagen en de voornaamste held in deze historische periode.”

Veel sterker was echter in deze laatste tijd vóór de revolutie de individuele propaganda die naamloze arbeiders, matrozen en soldaten voerden, door mensen in hun omgeving tot geestverwanten te maken, laatste twijfel uit te roeien en laatste aarzelingen te overwinnen. De afgelopen maanden met hun koortsachtig politiek leven hadden talrijke eenvoudige leiders gevormd, honderden en duizenden oerkrachtige mensen opgevoed die gewoon waren de politiek van beneden af en niet van bovenaf te beschouwen, en die juist daarom feiten en mensen zo treffend juist wisten te beoordelen als theoretisch geschoolde sprekers lang niet altijd gegeven is. Voorop gingen de arbeiders van Petrograd, erfelijke proletariërs uit wie een groep propagandisten en organisatoren gevormd was die uitmuntend revolutionair gestaald waren, een grote politieke scholing hadden en zelfstandig konden denken en handelen. Draaiers, bankwerkers, smeden, voormannen in werkplaatsen en fabrieken, hadden reeds om zich heen hun scholen en leerlingen, die later de Sovjetrepubliek zullen opbouwen. De Baltische matrozen die de meest trouwe strijdmakkers van de Petrogradse arbeiders waren en voor een groot deel uit het midden van deze laatste voortkwamen, hebben brigades propagandisten gevormd die stormenderhand achterlijke regimenten, districtssteden en moezjiekdorpen wisten te veroveren. Een algemene gedachte die in het circus Modern door een van de revolutionaire leiders was verkondigd, werd in honderden hoofden verwerkt totdat zij vlees en bloed van hen werd en ging dan door het gehele land.

Duizenden revolutionaire arbeiders en soldaten werden bij de terugtocht van het Russische leger samen met de industriebedrijven ofwel afzonderlijk uit de Baltische provincies, uit Polen en Litouwen weggevoerd: dit waren allen propagandisten tegen de oorlog. Letlandse bolsjewieken die van hun vaderland gescheiden waren en volkomen op revolutionaire grondslag stonden, verrichtten dag in dag uit, vol overtuiging, koppig en vastberaden ondermijningsarbeid in alle delen van het land. De hoekige gezichten, het harde accent en de niet zelden gebroken Russische uitspraak gaven een ongewoon krachtige uitdrukking aan hun hartstochtelijke oproepen tot de opstand.

De massa duldde nu niet langer personen die aarzelden, twijfelden of neutraal bleven, in haar midden. Zij wilde iedereen omvatten, meeslepen, overtuigen en winnen. De bedrijven zonden samen met de regimenten afgevaardigden naar het front. De soldaten in de loopgraven verenigden zich met de arbeiders en boeren in het nabije achterland. In de dichtbij het front gelegen steden hadden talloze meetings, vergaderingen en congressen plaats, waar de soldaten en matrozen hun optreden aan dat van de arbeiders en boeren aanpasten: zo werd het achterlijke en nabij het front gelegen Wit-Rusland voor het bolsjewisme gewonnen.

Waar de plaatselijke partijleiding besluiteloos was en een afwachtende houding aannam, zoals bijvoorbeeld in Kiev, Voronezj en op talrijke andere plaatsen, vervielen de massa’s dikwijls in passiviteit. Ter rechtvaardiging van hun politiek, wezen de leiders op de slechte stemming die zij dikwijls zelf veroorzaakt hadden. En omgekeerd: “Hoe krachtiger en moediger de oproep tot de opstand was,” schrijft Povolsjski, een van de propagandisten te Kasan, “met des te meer vertrouwen en vriendschappelijker gevoelens stond de soldatenmassa tegenover de sprekers.” De fabrieken en regimenten van Petrograd en Moskou kloppen steeds luider op de houten deuren van het dorp. De arbeiders organiseren collecten onder elkaar en zenden afgevaardigden naar de gouvernementen waar zij vandaan komen. Regimenten besluiten om de boeren tot ondersteuning van de bolsjewieken op te roepen. Arbeidersbedrijven buiten de stad organiseren pelgrimstochten naar de omliggende dorpen, verspreiden kranten en stichten bolsjewistische cellen. Zij brengen van deze tochten een weerglans van het branden van de boerenoorlog in hun ogen mee naar huis. Het bolsjewisme verovert stormenderhand het land. De bolsjewieken worden een onoverwinlijke macht. Het volk gaat met hen. De stedelijke Doema’s van Kronstadt, Tsaritsyn, Kostroma en Sjoeja, die met algemeen kiesrecht gekozen zijn, zijn in handen van de bolsjewieken. De bolsjewieken weten bij de verkiezingen voor de wijkdoema’s in Moskou 52% van de stemmen te behalen. Zowel in het verre, rustige Tomsk, alsook in het geheel niet industriële Samara nemen zij in de Doema de voornaamste plaats in. Drie van de vier vertegenwoordigers in de districtszemstvo van Schlüsselberg zijn bolsjewieken. In de districtszemstvo te Ligovsk verkrijgen de bolsjewieken 50% van de stemmen. Niet overal is het zo gunstig gesteld. Maar overal gaat het in dezelfde richting: de bolsjewistische partij neemt snel in betekenis toe.

De bolsjewisering van de massa’s kwam echter veel sterker tot uiting in de klassenorganisaties. De vakverenigingen omvatten in de hoofdstad meer dan een half miljoen arbeiders. De mensjewieken, die in sommige vakverenigingen nog de leiding hadden, voelden zich als overblijfselen uit vroegere dagen. Welk deel van het proletariaat zich ook verenigde en wat ook zijn onmiddellijke doeleinden mochten zijn, het kwam onvermijdelijk tot de bolsjewistische opvattingen. En dit is niet toevallig: de vakverenigingen, fabriekscomités, economische of culturele verenigingen van de arbeidersklasse, blijvende of tijdelijke, allen waren zij door de gehele situatie bij elke afzonderlijke taak ertoe gedwongen om altijd weer dezelfde vraag te stellen, namelijk wie heeft het voor het zeggen?

De arbeiders in de artilleriebedrijven, die bijeengeroepen waren tot een congres om de betrekkingen met de administratie te regelen, verklaren hoe dit bereikt kan worden, namelijk door de Sovjetmacht. Dit is reeds geen holle frase meer, maar een programma tot economische redding. Nu zij dichter bij de macht komen, mengen de arbeiders zich steeds directer in de industriële vraagstukken: het artilleriecongres schiep zelf een apart centrum om de omzetting van de oorlogsbedrijven tot productie voor vredesdoeleinden te bestuderen.

Het Moskous congres van de fabriekscomités verklaarde dat het noodzakelijk was dat de plaatselijke sovjet in het vervolg bij wege van verordeningen over alle arbeidsconflicten zou beslissen, op eigen gezag de door de ondernemers gesloten bedrijven weer zou openen en door het zenden van eigen afgevaardigden naar Siberië en het Donetzbekken de bedrijven van brood en steenkool zou voorzien. Het Petrograds congres van de fabriekscomités schenkt haar aandacht aan het landbouwvraagstuk en stelt naar aanleiding van een referaat van Trotski een manifest aan de boeren op, waarin gezegd wordt dat de arbeidersklasse zich niet slechts als een afzonderlijke klasse, maar ook als leider van het volk voelt.

Het Al-Russisch congres van de fabriekscomités dat in de tweede helft van oktober gehouden wordt, maakt van het vraagstuk van de arbeiderscontrole een nationale taak. “De arbeiders hebben meer belang bij een ordelijk en onafgebroken functioneren van de ondernemingen dan de eigenaars.” De arbeiderscontrole is “in het belang van het gehele land en moet door de revolutionaire boeren en het revolutionaire leger ondersteund worden.” De resolutie die de deur voor een nieuwe economische ordening opent, wordt aangenomen door de vertegenwoordigers van alle industriële ondernemingen van Rusland met 5 stemmen tegen en 9 onthoudingen. De enkele personen die blanco stemmen zijn die oude mensjewieken die hun partij niet meer kunnen volgen, maar nog niet tot het besluit konden komen om zich openlijk voor de bolsjewistische revolutie uit te spreken. Morgen zullen zij dit wel doen.

De democratische gemeenteraden die pas kort voordien ontstaan zijn, sterven samen met de regeringsorganen af. De voornaamste taken, zoals de voorziening van de steden met water, licht, brandstoffen en levensmiddelen, worden steeds meer opgenomen door de sovjets en andere arbeidersorganisaties. Het fabriekscomité van de elektriciteitscentrale in Petrograd liep de gehele stad en omgeving af op zoek nu eens naar steenkool, dan weer naar olie voor de turbines en wist zowel het een als het ander door de comités van andere bedrijven te verkrijgen, in een strijd tegen de bezitters en de administratie.

Neen, de sovjetmacht was geen hersenschim, geen door partijtheoretici bedachte, willekeurige constructie. Zij groeide onophoudelijk van onderop, uit economisch verval, onmacht van de bezittenden, uit de noden van de massa’s: de Sovjets werden inderdaad tot een regering – er bleef de arbeiders, soldaten en boeren geen andere weg over. De tijd was voorbij om te redeneren en te redetwisten over de sovjetmacht: het ging erom deze te verwezenlijken.

Op het eerste Sovjetcongres dat in juni gehouden werd, was ertoe besloten elke drie maanden een congres te houden. Het Centraal Uitvoerend Comité riep het tweede congres niet alleen niet op het vastgestelde tijdstip bijeen, maar gaf zijn voornemen te kennen om het in het geheel niet bijeen te roepen om geen vijandelijke meerderheid tegenover zich te krijgen. De Democratische Vergadering had als voornaamste taak gehad om de sovjets te verdringen en deze door “democratische” organen te vervangen. Dit bleek echter niet zo eenvoudig. De sovjets waren niet geneigd hun plaats aan wie dan ook af te staan.

Op 21 september, tegen het einde van de Democratische Vergadering, verhief de sovjet van Petrograd zijn stem voor een zo snel mogelijk bijeenroepen van een Sovjetcongres. Er werd na de referaten van Trotski en de gast uit Moskou, Boecharin, een resolutie in deze zin aangenomen, waarin formeel uitgegaan werd van de noodzakelijkheid om zich “op een nieuwe contrarevolutionaire golf” voor te bereiden. Het verdedigingsprogramma dat de weg voor het aanstaand offensief moest banen, steunde op de sovjets als de enige organisaties die in staat waren om te strijden. De resolutie eiste dat de Sovjets hun posities in de massa’s zouden versterken. Waar de feitelijke macht in hun handen was, moesten zij deze in geen geval laten ontglippen. De in de dagen van Kornilov in het leven geroepen revolutionaire comités moesten zich gereed houden: “Het is noodzakelijk onmiddellijk het Sovjetcongres bijeen te roepen voor een aaneensluiting en een eendrachtig optreden van alle sovjets in hun strijd tegen het naderende gevaar en om de kwesties van een organisatie van de revolutionaire regering op te lossen.” Zo loopt de verdedigingsresolutie uit op een val van de regering. De propaganda zal van nu af aan tot aan het uitbreken van de opstand in deze zin gevoerd worden.

De sovjetafgevaardigden die voor de vergadering bijeenkwamen, brachten de volgende dag de kwestie van het congres in het Centraal Uitvoerend Comité ter sprake. De bolsjewieken eisten dat het congres binnen twee weken zou worden bijeengeroepen en stelden voor, of liever gezegd dreigden ermee, hiertoe een apart orgaan in het leven te roepen dat op de Petrogradse en Moskouse sovjet zou steunen. In werkelijkheid gaven zij er de voorkeur aan om het congres door het oude Centraal Uitvoerend Comité te laten bijeenroepen: dit voorkwam bij voorbaat een strijd over de rechtsgeldigheid van het congres en maakte het mogelijk om de verzoeningsgezinden met hun eigen hulp ten val te brengen. Het verkapte dreigement van de bolsjewieken miste zijn uitwerking niet: daar de leiders van het Centraal Uitvoerend Comité nog niet met de sovjetlegaliteit durfden breken, verklaarden zi, dat zij aan niemand de uitoefening van hun plichten zouden toevertrouwen. Het congres werd bepaald op 20 oktober, binnen één maand derhalve.

Nauwelijks waren de afgevaardigden uit de provincie echter uiteengegaan of plots gingen de ogen van de leiders van het Centraal Uitvoerend Comité open: het congres kwam op een slecht ogenblik, het zou de aandacht van de arbeiders in de verschillende plaatsen afleiden van de verkiezingscampagne en afbreuk doen aan de Constituerende Vergadering. In werkelijkheid was men beducht dat het congres aanspraak op de macht zou maken. Maar hierover werd wijselijk gezwegen. Reeds op 26 september stelde Dan, zonder zich behoorlijk voorbereid te hebben, aan het bureau van het Centraal Uitvoerend Comité voor om het congres uit te stellen.

Deze gepatenteerde democraten bekommerden zich allerminst om de meest elementaire democratische principes. Zojuist hadden zij het besluit van de door hen bijeengeroepen Democratische Vergadering waarin een coalitie met de kadetten afgewezen werd ongedaan gemaakt. Nu toonden zij hun soevereine minachting voor de sovjets, allereerst voor de Petrogradse. En dit terwijl zij op de schouders van die sovjet van Petrograd tot de macht opgeklommen waren.  Konden zij echter inderdaad zonder hun bondgenootschap met de bourgeoisie te verbreken rekening houden met de verwachtingen en de eisen van tientallen miljoenen arbeiders, soldaten en boeren, die achter de sovjets stonden?

Trotski beantwoordde het voorstel van Dan in die zin dat het congres in elk geval, zo niet langs constitutionele dan langs revolutionaire weg, bijeengeroepen zou worden. Het in het algemeen zo soepele bureau weigerde ditmaal de weg van de sovjetistische coup d’état te volgen. De kleine nederlaag bracht de samenzweerders er echter geenszins toe om de wapens neer te leggen, integendeel zij werden erdoor geprikkeld. Dan vond een sterke steun in de militaire sectie van het Centraal Uitvoerend Comité, dat ertoe besloot bij de frontorganisaties een “enquête te laten houden” over de vraag of het congres bijeengeroepen zou worden, d.w.z. of een besluit dat tot tweemaal toe door het hoogste sovjetorgaan genomen was ook uitgevoerd zou worden. De verzoeningsgezinde pers begon intussen een campagne tegen het congres. Vooral de sociaal-revolutionairen raasden en tierden. “Of het congres bijeengeroepen zal worden of niet,” schreef de krant Djelo Naroda, “kan niet de minste betekenis hebben voor de oplossing van het regeringsvraagstuk… De regering van Kerenski zal zich in elk geval niet onderwerpen.” Aan wie zal zij zich niet onderwerpen, vroeg Lenin? “Aan de sovjetmacht” verklaarde hij, “aan de macht van de arbeiders en boeren, die de ‘Djelo Naroda’ om niet bij de pogromisten en antisemieten, monarchisten en kadetten achter te blijven, de macht van Trotski en Lenin noemt.”

Het Boeren Uitvoerend Comité verklaarde op zijn beurt dat de bijeenroeping van het congres “gevaarlijk en ongewenst” was. In de sovjetleiding ontstond een gevaarlijke verwarring. Afgevaardigden van de verzoeningsgezinde partijen die het land rondtrokken, mobiliseerden de plaatselijke organisaties tegen het congres dat officieel door het hoogste sovjetorgaan bijeengeroepen was. Het officiële blad van het Centraal Uitvoerend Comité drukte dag in dag uit op verzoek van de leidende verzoeningsgezinde kliek resoluties af tegen het congres, die meestal afkomstig waren van de maartse schimmen die echter indrukwekkende namen hadden. De ‘Izvestia’ droeg in verschillende hoofdartikelen de sovjets ten grave, verklaarde ze tot voorlopige barakken die gesloopt moesten worden, zodra de Constituerende Vergadering “het gebouw van het nieuwe regime” zou bekronen.

De actie tegen het congres kon voor de bolsjewieken allerminst een verrassing zijn. Reeds op 24 september had het Centraal Comité van de partij, zonder op de beslissing van het Centraal Uitvoerend Comité te vertrouwen, ertoe besloten een campagne van onderop, door middel van de plaatselijke sovjets en de organisaties aan het front, voor het congres te beginnen. Sverdlov werd door de bolsjewieken naar de officiële commissie van het Centraal Uitvoerend Comité ter bijeenroeping of liever gezegd ter sabotage van het congres afgevaardigd. Onder zijn leiding werden de plaatselijke partijafdelingen en door deze ook de sovjets gemobiliseerd. Op 27 september eisten alle revolutionaire instellingen van Reval dat het Voorlopig Parlement onmiddellijk zou worden ontbonden en het Sovjetcongres zou worden bijeengeroepen om een regeermacht te vormen, waarbij zij zich er plechtig toe verbonden dit “met alle in de vesting aanwezige krachten en middelen” te ondersteunen. Talrijke plaatselijke sovjets, te beginnen met de Moskouse wijken, stelden voor om de kwestie van de bijeenroeping van het congres aan het trouweloos Centraal-Uitvoerend Comité te onttrekken. Tegenover de resolutie van de legercomités tegen het congres kwamen er stromen eisen ten gunste van het congres van de kant van bataljons, regimenten, legercorpsen en garnizoenen binnen. “Het Sovjetcongres moet de macht in handen nemen en nergens voor terugdeinzen,” verklaart een algemene soldatenvergadering in Kysjtym, in de Oeral. De soldaten in het gouvernement Novgorod roepen de boeren op om aan het congres deel te nemen zonder op de besluiten van het Boeren Uitvoerend Comité acht te slaan. Sovjets van de gouvernementen en de verst verwijderde districten, fabrieken en mijnen, regimenten, mijnenleggers, militaire hospitalen, meetings, een autobedrijf in Petrograd en een ambulancedienst te Moskou – allemaal eisen ze dat de regering zal verdwijnen en de macht op de sovjets overgaat.

Zonder zich louter tot de propagandacampagne te beperken, scheppen de bolsjewieken een belangrijke basis door een Sovjetcongres in het noorden bijeen te roepen, waarop 150 afgevaardigden uit 23 verschillende plaatsen aanwezig zijn. Dit was een goede zet! Het Centraal Uitvoerend Comité onder leiding van zijn grote meesters in kleine dingen verklaarde dat het congres in het noorden slechts een private bijeenkomst was. Een handjevol mensjewistische afgevaardigden nam niet deel aan de werkzaamheden van het congres en woonde de zittingen slechts voor “informatiedoeleinden” bij. Alsof dit iets kon afdoen aan de betekenis van het congres waarop de sovjets van Petrograd en omgeving, Moskou, Kronstadt, Helsingfors en Reval vertegenwoordigd waren, d.w.z. van beide hoofdsteden, de marinevestingen, de Baltische vloot en de in de buurt van Petrograd gelegerde garnizoenen. Het congres dat door Antonov geopend werd en waaraan opzettelijk een militair tintje gegeven werd, verliep onder voorzitterschap van soldaat Krylenko, de beste propagandist van de partij aan het front en latere bolsjewistische opperbevelhebber. Het politieke referaat van Trotski was vooral gewijd aan een nieuwe poging van de regering om de revolutionaire regimenten uit Petrograd te verwijderen: het congres zal niet toelaten dat “Petrograd ontwapend en de sovjet gewurgd wordt.” De kwestie van het garnizoen van Petrograd was een belangrijk onderdeel van het machtsprobleem. “Het gehele volk stemt voor de bolsjewieken. Het volk vertrouwt ons en draagt ons op de macht in handen te nemen.” In de resolutie die Trotski voorstelt, wordt gezegd: “Het uur is aangebroken waarop slechts door een krachtig en eensgezind optreden van alle sovjets… het regeringsvraagstuk opgelost kan worden.” Deze vrijwel openlijke oproep tot de opstand wordt met algemene stemmen en drie onthoudingen aangenomen.

Lasjevitsj riep de sovjets op om naar het voorbeeld van Petrograd de leiding over de plaatselijke garnizoenen zelf in handen te nemen. De Letlandse afgevaardigde Peterson zegde veertigduizend Letlandse scherpschutters voor de verdediging van het Sovjetcongres toe. De verklaring van Peterson, die geestdriftig aangehoord werd, was allerminst een frase. Enkele dagen later verklaarde de sovjet van de Letlandse regimenten: “Alleen de opstand van het volk… zal een overgang van de macht op de sovjets mogelijk maken.” De radiostations van de oorlogsschepen verspreidden op 13 oktober door het gehele land de oproep van het congres in het noorden om zich voor te bereiden op het Al-Russisch Sovjetcongres. “Soldaten, matrozen, boeren en arbeiders! Het is uw plicht, om alle hinderpalen uit de weg te ruimen.”

Het Centraal Comité van de partij stelde aan de bolsjewistische afgevaardigden van het noordelijk congres voor om in afwachting van het nu spoedig te houden Sovjetcongres niet uiteen te gaan. Enkele afgevaardigden begaven zich in opdracht van het door het congres gekozen bureau naar de legerorganisaties en plaatselijke sovjets om rapport uit te brengen, m.a.w. om de provincie op de opstand voor te bereiden. Het Centraal Uitvoerend Comité zag een machtig apparaat naast zich dat steunde op Petrograd en Moskou, zich door middel van de radiostations van de grote slagschepen met het land onderhield en elk ogenblik bereid was om in de kwesties betreffende het bijeenroepen van het congres het wankele hoogste sovjetorgaan te vervangen. Kleine organisatorische trucs konden daarbij de verzoeningsgezinden in geen enkel opzicht baten.

De strijd vóór en tegen het congres gaf in de provincie de laatste stoot tot de bolsjewisering van de sovjets. In een aantal achterlijke gouvernementen, bijvoorbeeld in Smolensk, kregen de bolsjewieken, alleen of samen met de linkse sociaal-revolutionairen, voor het eerst een meerderheid tijdens de campagne voor het congres of bij de verkiezingen van afgevaardigden. De bolsjewieken slaagden er zelfs in om op het Siberische Sovjetcongres dat midden oktober gehouden werd samen met de linkse sociaal-revolutionairen een hechte meerdreheid te vormen die makkelijk haar stempel op alle plaatselijke sovjets drukte. Op 15 oktober erkende de sovjet van Kiev met 159 tegen 28 stemmen en 3 onthoudingen het aanstaande Sovjetcongres als hoogste regeringsorgaan. Op 16 oktober verklaarde het Sovjetcongres van het noordwestelijk district te Minsk, d.w.z. het centrum van het Westfront, dat de bijeenroeping van het Sovjetcongres niet langer uitgesteld mocht worden. Op 18 oktober hield de sovjet van Petrograd verkiezingen voor het aanstaande congres: op de bolsjewistische lijst (Trotski, Volodarski, Joerenjev en Lasjevitsj) werden 443 stemmen uitgebracht. Op de sociaal-revolutionaire lijst werden 162 stemmen uitgebracht, dit waren allemaal linkse sociaal-revolutionairen die naar de bolsjewieken overhelden; de mensjewieken haalden 44 stemmen. Het congres van de sovjets in de Oeral, dat onder voorzitterschap van Krestinski bijeenkwam en waar op de 110 afgevaardigden 80 bolsjewieken waren, verlangde in naam van 223.900 georganiseerde arbeiders en soldaten dat het congres op een vastgesteld tijdstip zou worden bijeengeroepen. Diezelfde dag, 19 oktober, sprak het Al-Russische congres van de fabriekscomités, de meest directe en onbetwiste vertegenwoordiging van de arbeidersklasse in het gehele land, zich voor een directe overgang van de macht op de sovjets uit. Op 20 oktober verklaarde Ivanovo-Voznesensk alle Sovjets van het gouvernement “in een toestand van openlijke en verbitterde strijd tegen de Voorlopige Regering” en riep hen op om zelfstandig inzake economische en administratieve plaatselijke aangelegenheden te beslissen. Er werd slechts één stem (bij één onthouding) uitgebracht tegen de resolutie die een afzetting van de plaatselijke regeringsautoriteiten betekende. Op 22 oktober publiceerde de bolsjewistische pers een nieuwe lijst van 56 organisaties die eisten dat de macht op de sovjets zou overgaan: dit zijn de ware massa’s die bovendien grotendeels gewapend zijn.

De sterke weerklank die de naderende omwenteling bij de leiders had, belette Dan niet om aan het bureau van het Centraal Uitvoerend Comité mee te delen dat slechts 50 van de 917 bestaande sovjetorganisaties zich bereid verklaard hadden om gedelegeerden te sturen en dat nog wel “zonder enige geestdrift.” Het valt niet moeilijk te begrijpen dat die enkele sovjets die nog meenden hun gevoelens aan het Centraal Uitvoerend Comité kenbaar te moeten maken, geen geestdrift voor het congres aan de dag legden. De overgrote meerderheid van de plaatselijke sovjets en soldatencomités negeerde echter eenvoudig het Centraal Uitvoerend Comité.

Hoewel de verzoeningsgezinden zich door hun bemoeiingen om het congres uiteen te jagen bloot gaven en compromitteerden, waagden zij het toch niet om de zaak door te zetten. Toen het duidelijk werd dat het congres onvermijdelijk was, maakten zij een radicale bocht en riepen alle plaatselijke organisaties op om afgevaardigden voor het congres te kiezen, om een bolsjewistische meerderheid te vermijden. Het Centraal Uitvoerend Comité was echter te laat op deze gedachte gekomen en zag zich nu genoodzaakt om drie dagen vóór de vastgestelde datum het congres uit te stellen tot 25 oktober.

Het Februariregime en tegelijkertijd ook de burgerlijke maatschappij kregen dankzij de laatste manoeuvres van de verzoeningsgezinden onverwacht een nog wat langere levensduur, waarmee zij echter niets van enig belang meer konden winnen. De bolsjewieken daarentegen wisten die vijf dagen winst met groot succes te benutten. Dit is later zelfs door de vijanden toegegeven. “Het uitstel van de opening,” zegt Miljoekov, “werd door de bolsjewieken vooral benut om hun positie onder de Petrogradse arbeiders en soldaten te versterken. Trotski trad in verschillende meetings bij de diverse troepen van het Petrogradse garnizoen op. De stemming die hij wist te wekken, blijkt uit het feit dat men bijvoorbeeld in het Semjonovskiregiment de leden van het Uitvoerend Comité, Skobeljev en Goz, die na hem optraden niet aan het woord liet komen.”

De verandering in het Semjonovskiregiment, dat een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de revolutie vormde, had symbolische betekenis: in december 1905 hadden de Semjonovsktsy het krachtigst meegewerkt aan de onderdrukking van de opstand in Moskou. De regimentscommandant, generaal Min, beval indertijd: “Gevangenen mogen niet gemaakt worden.” Op het spoorwegtraject Moskou-Goloetvino fusilleerden de Semjonovsktsy 150 arbeiders en beambten. Generaal Min, die voor zijn heldendaden door de tsaar onderscheiden werd, werd in de herfst van het jaar 1906 door de sociaal-revolutionaire Konopljanikova gedood. Geheel overeenkomstig zijn vroegere traditie hield het Semjonovskiregiment langer dan de meeste andere garderegimenten stand. De roep van zijn “betrouwbaarheid” was zo sterk dat de regering ondanks de droevige mislukking van Skobeljev en Goz tot aan de dag van het uitbreken van de revolutie en zelfs daarna hardnekkig op de Semjonovsktsy bleef vertrouwen.

De kwestie van het Sovjetcongres bleef het belangrijkste politieke vraagstuk gedurende de vijf weken die de Democratische Vergadering nog van de Oktoberopstand scheidden. In de verklaring die de bolsjewieken in de Democratische Vergadering aflegden, werd het toekomstig Sovjetcongres reeds tot hoogste orgaan in het land geproclameerd. “Enkel die besluiten en voorstellen van deze vergadering… mogen uitgevoerd worden, welke door het Al-Russisch congres van de arbeiders-, boeren- en soldaten-afgevaardigden goedgekeurd zijn.” De resolutie voor een boycot van het Voorlopig Parlement, die door juist de ene helft van de leden van het Centraal Comité tegen de andere helft ondersteund werd, luidde: “Wij stellen nu de kwestie van de deelname van onze partij aan het Voorlopig Parlement direct afhankelijk van de maatregelen die het Al-Russisch Sovjetcongres zal nemen om een revolutionaire regering te vormen.” De oproep tot het Sovjetcongres vindt men in vrijwel alle bolsjewistische documenten van die tijd.

Onder de omstandigheden van een ontketende boerenoorlog, een zich verscherpende nationale beweging, een voortgaande desorganisatie, een ineenstortend front en een in ontbinding verkerende regering worden de sovjets het enige bolwerk van de scheppende krachten. Elk vraagstuk wordt een machtskwestie en het vraagstuk van de macht leidt tot het Sovjetcongres. Dit zal antwoord moeten geven op alle kwesties, waaronder ook die van de Constituerende Vergadering.

Nog liet geen van de partijen de slogan van de Constituerende Vergadering vallen, zelfs de bolsjewieken niet. Maar bijna ongemerkt was de belangrijkste democratische slogan die gedurende vijftien jaren zijn stempel op de heldhaftige strijd van de massa’s gedrukt had, in de loop van de revolutionaire gebeurtenissen verbleekt en verschrompeld, alsof zij tussen twee molenstenen vermalen was tot kaf, een blote en inhoudloze vorm geworden, een traditie maar geen toekomstvisie. Dit proces had niets wonderlijks. De revolutie kwam in de loop van haar ontwikkeling tot de directe strijd van de twee voornaamste maatschappelijke klassen om de macht: de burgerij en de arbeidersklasse. De Constituerende Vergadering had noch aan de een, noch aan de ander ook maar iets te bieden. De kleinburgerij in de stad en op het land kon bij deze strijd slechts een ondergeschikte en bijkomstige rol spelen. Zij was in elk geval niet in staat om de macht zelf in handen te nemen; indien iets met zekerheid gebleken was in de afgelopen maanden dan was het dit. In de Constituerende Vergadering kon de kleinburgerij echter nog een meerderheid krijgen en zij heeft deze ook later werkelijk gekregen. Waartoe? Alleen maar om niet te weten hoe zij deze moest gebruiken. Hierin kwam juist de gebrekkigheid van de formele democratie op het grote keerpunt in de geschiedenis tot uiting. De macht van de traditie bleek daaruit dat nog aan de vooravond van de laatste gewapende strijd geen enkele van de partijen afzag van de Constituerende Vergadering. In werkelijkheid had de burgerij echter in plaats van op de Constituerende Vergadering op Kornilov beroep gedaan en de bolsjewieken op het Sovjetcongres.

Men mag met zekerheid aannemen dat tamelijk grote groepen in het volk, zelfs bepaalde tussengroepen in de bolsjewistische partij, met betrekking tot het Sovjetcongres bepaalde illusies koesterden, d.w.z. daaraan de voorstelling van een automatische en geleidelijke overgang van de macht uit handen van de coalitie in handen van de sovjets verbonden. In werkelijkheid moest men met geweld de macht nemen en was er met een stemming niets te bereiken. Enkel de gewapende opstand kon de beslissing brengen.

Van alle illusies die altijd onvermijdelijk aan elke grote, zelfs de meest realistische, volksbeweging verbonden zijn, was de illusie van het Sovjet-“parlementarisme” uit hoofde van de gehele situatie het meest ongevaarlijk. De sovjets streden in werkelijkheid om de macht, steunden steeds meer op de militaire macht, werden tot plaatselijke regeringsorganen en veroverden al vechtend hun eigen congres. Er bleef voor constitutionele illusies niet zo heel veel plaats meer over en in de loop van de strijd in het geheel niet meer. Terwijl zij de revolutionaire strevingen van de arbeiders en soldaten in het hele land tot één geheel verenigde, eenheid van doel en eenheid van tijd aan deze gaf, maskeerde de slogan van het Sovjetcongres aan de andere kant door het voortdurend beroep op de wettige vertegenwoordiging van de arbeiders, soldaten en boeren, tegelijkertijd de half conspiratieve, half openlijke voorbereiding van de opstand. Terwijl het de krachtenverzameling voor de omwenteling vergemakkelijkte, moest het Sovjetcongres vervolgens de resultaten hiervan goedkeuren en een nieuwe, door het volk algemeen erkende regeermacht vestigen.

Het nationale vraagstuk

De taal is het voornaamste verbindingsmiddel tussen de mensen onderling en dus ook van de maatschappij. De taal wordt een nationale taal samen met de opkomst van de warenruil waardoor een natie gevormd wordt. Op deze basis vormt zich de nationale staat als beste, voordeligste en normaalste strijdperk van kapitalistische verhoudingen. In West-Europa begon, afgezien van de onafhankelijkheidsbeweging van de Nederlanden en de geschiedenis van het eilandenrijk Engeland, het tijdvak van de vorming van burgerlijke naties met de grote Franse Revolutie en dit tijdvak werd eigenlijk in de loop van ongeveer een eeuw beëindigd met de stichting van het Duitse rijk.

In die tijd echter, waarin de nationale staat in Europa reeds te eng werd voor de productiekrachten en tot een imperialistische staat werd, begon in het oosten – in Perzië, op de Balkan, in China, India – pas het tijdvak van de nationaal-democratische revoluties; tot welke de Russische Revolutie van 1905 de aanzet gaf. De Balkanoorlog van 1912 was de afsluiting van de vorming van nationale staten in het zuidoosten van Europa. De daarop volgende imperialistische oorlog beëindigde tevens in Europa het nog niet voltooide werk van de nationale revolutie, doordat hij leidde tot een uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije en tot de vorming van een onafhankelijk Polen en de randstaten die zich van het tsarenrijk hadden afgescheiden.

Rusland ontstond niet als een nationale staat, maar als een staat van nationaliteiten. Dit was een gevolg van zijn vertraagde ontwikkeling. Op de grondslag van een extensieve landbouw en huisindustrie ontwikkelde het handelskapitaal zich niet in de diepte, niet door een verandering van de productie, maar in de breedte door een vergroting van zijn operatieterrein. Kooplieden, grondbezitters en ambtenaren gingen van het centrum naar de periferie, achter de landverhuizende boeren aan die op zoek naar nieuw land en om te ontkomen aan de zware lasten in nieuwe gebieden met nog achterlijker stammen binnendrongen. De expansie van de staat was eigenlijk een expansie van de landbouw, die bij al haar primitiviteit de nomaden van het zuiden en het oosten vooruit was. De bureaucratische standenstaat die op deze onmetelijke en zich onophoudelijk verbredende basis ontstond, werd sterk genoeg om in het westen enkele volkeren met een hogere cultuur aan zich te onderwerpen. Het ging om volkeren die tengevolge van hun kleine getalsterkte of innerlijke crisissen niet in staat waren om hun zelfstandigheid te verdedigen (Polen, Litouwen, de Baltische provincies, Finland).

Bij de zeventig miljoen Groot-Russen, die het grootste deel van de bevolking van het land uitmaakten, kwamen langzamerhand nog negentig miljoen vreemdelingen, die scherp in twee groepen te verdelen waren: de westerse die in cultuur boven Groot-Rusland stonden en de oosterse die op een lager peil stonden. Zo vormde zich het rijk waarvan de heersende natie slechts 43% van de bevolking uitmaakte, terwijl 57%, waaronder 17% Oekraïners, 6% Polen en 4,5% Wit-Russen, naties op verschillende trappen van cultuur en rechteloosheid waren.

De hebzucht en begeerte van de staat en de armzaligheid van de boeren als basis van de heersende klassen brachten de meest bittere vormen van uitbuiting teweeg. De nationale onderdrukking was in Rusland veel groter dan in de buurlanden, niet alleen die ten westen maar ook die ten oosten van Rusland. Het grote aantal rechteloze volken en de krasse vorm van deze rechteloosheid gaven aan het nationale vraagstuk in het tsaristische Rusland een bijzonder explosieve kracht.

Terwijl in nationaal homogene staten de burgerlijke revolutie eerst krachtige centraliserende bewegingen teweegbracht, aangezien zij een overwinning op het particularisme vormde zoals in Frankrijk of op de nationale verbrokkeling zoals in Italië en Duitsland, ontketende de late burgerlijke revolutie in nationaal heterogene staten de centrifugale krachten. Dit was onder meer het geval in Turkije, Rusland en Oostenrijk-Hongarije. Ondanks de schijnbare tegenstrijdigheid tussen deze op bovengenoemde wijze geformuleerde processen is hun historische functie dezelfde voor zover het in beide gevallen erom gaat de nationale eenheid als het voornaamste economische reservoir te benutten: Duitsland moest met dit doel verenigd, Oostenrijk-Hongarije daarentegen verdeeld worden.

Lenin had tijdig de aandacht op de onvermijdelijkheid van een ontplooiing van centrifugale nationale bewegingen in Rusland gevestigd en gedurende een aantal jaren hardnekkig, vooral tegen Rosa Luxemburg, gestreden voor de beroemde paragraaf 9 van het oude partijprogramma, waarin het zelfbeschikkingsrecht van de volken, d.w.z. het recht op algehele afscheiding uit het staatsverband. De bolsjewistische partij wilde hiermee geenszins separatisme prediken. Zij beschouwde het slechts als haar plicht om zich tegen elke vorm van nationale onderdrukking, ook van een gewelddadig dwingen van een volk om binnen de grenzen van de gehele staat te blijven, onverzoenlijk te verzetten. Slechts hierdoor kon de Russische arbeidersklasse langzamerhand het vertrouwen van de onderdrukte volken winnen.

Dit was echter slechts één kant van de zaak. De bolsjewistische politiek op nationaal terrein had nog een andere kant die schijnbaar tegenstrijdig was met de eerste, maar deze in werkelijkheid aanvulde. Binnen het kader van de partij en de arbeidersorganisaties in het algemeen streefde het bolsjewisme naar een sterke centralisatie. Dit ging gepaard met een onverzoenlijke strijd tegen elk soort nationalistische besmetting die de arbeiders met elkaar in tegenstelling kon brengen of hen kon scheiden. Terwijl het bolsjewisme de burgerlijke staat beslist het recht ontzegde een nationale minderheid met geweld te dwingen om in het staatsverband te blijven of ook zelfs maar de officiële taal op te dringen, beschouwde het tegelijkertijd als zijn waarlijk heiligste taak de arbeiders van de meest verschillende naties door een vrijwillige klassendiscipline zo nauw mogelijk tot een eenheid te verbinden. Daarom wees het bolsjewisme het nationaal-federatieve beginsel van opbouw van de partij beslist van de hand. De revolutionaire organisatie is geen prototype van de toekomststaat, maar slechts een instrument om deze te scheppen. Het instrument moet zo doelmatig mogelijk zijn om het product te scheppen, maar behoeft dit niet reeds in zich te sluiten. Alleen een gecentraliseerde organisatie kan het succes van de revolutionaire strijd verzekeren – ook wanneer het om een vernietiging van het centralistische juk over naties gaat.

De val van de monarchie moest voor de onderdrukte volken van Rusland noodzakelijk ook hun nationale revolutie betekenen. Hier bleek echter hetzelfde als op alle andere gebieden van het Februariregime: de officiële democratie was door haar politieke afhankelijkheid van de imperialistische bourgeoisie absoluut niet in staat om de oude ketenen te verbreken. Terwijl zij meende het recht te hebben om over het lot van alle andere volken te beschikken, bleef zij ijverig die bronnen van rijkdom, macht en invloed verdedigen die aan de Groot-Russische bourgeoisie het overwicht verschaft hadden. De verzoeningsgezinde democratie deed niets anders dan de traditie van de tsaristische nationale politiek voortzetten met retorische frases over bevrijding: het ging er nu om de revolutionaire eenheid te verdedigen. De heersende coalitie had echter een ander, krachtiger argument, namelijk de redenen van het oorlogsbelang. Dit betekende dat de vrijheidsstrevingen van enkele volkeren als een product van de Duits-Oostenrijkse generale staf voorgesteld werden. De kadetten speelden ook hier de eerste viool, terwijl de verzoeningsgezinden voor de begeleiding zorgden.

De nieuwe regering kon vanzelfsprekend de stuitende positie van middeleeuwse vernedering waarin de vreemdelingen verkeerden niet onveranderd laten voortbestaan. Toch hoopte zij – en zij trachtte dit ook te doen – zich te kunnen beperken tot een afschaffing van de uitzonderingswetten tegen enkele volkeren, d.w.z. tot een schepping van blote rechtsgelijkheid van alle delen van de bevolking tegenover de Groot-Russische bureaucratische staat.

De Joden profiteerden het meest van de formele gelijkgerechtigdheid: het aantal wetten waarbij hun rechten beperkt werden bedroeg zeshonderdvijftig. De joden konden bovendien, als een zuiver stedelijk en verspreid levend volk, noch op een staatkundige zelfstandigheid, noch op territoriale autonomie aanspraak maken. Wat het plan van een zogenaamde “nationaal-culturele autonomie” betreft, waardoor de joden in het gehele land rondom scholen en andere instellingen verenigd zouden worden, deze reactionaire utopie die door verschillende joodse groepen aan de Oostenrijkse theoreticus Otto Bauer ontleend was, verdween vanaf de eerste dag van de vrijheid als sneeuw voor de zon.

De revolutie is echter juist daarom een revolutie omdat zij zich niet met aalmoezen en afbetalingen laat afschepen. De opheffing van de meest vernederende beperkingen bracht de formele gelijkgerechtigdheid van de burgers ongeacht hun nationaliteit; zij wierp echter een des te scherper licht op de ontbrekende gelijkgerechtigdheid van de naties zelf die zij grotendeels in hun oude toestand van stief- en pleegkinderen van de Groot-Russische staat liet.

De burgerlijke gelijkgerechtigdheid bracht allereerst niets voor de Finnen, die niet naar een gelijkstelling met de Russen maar naar onafhankelijkheid van Rusland streefden. Zij bracht niets nieuws voor de Oekraïners, die ook vroeger geen beperkingen gekend hadden omdat men hen noodgedwongen tot Russen verklaarde. Zij wijzigde niets in de toestand van de door de Duitse landheren en Duits-Russische steden onderdrukte Letten en Esten. Zij verlichtte niet het lot van de achterlijke volken en stammen van Azië, die niet door juridische beperkingen maar door de ketenen van het economische en culturele juk in een toestand van rechteloosheid gehouden werden. De liberaal-verzoeningsgezinde coalitie wilde al deze kwesties niet eens aanroeren. De democratische staat bleef als vanouds de staat van de Groot-Russische ambtenaren die geen aanstalten maakten om hun plaats aan een ander af te staan.

Hoe grotere massa’s de revolutie in de randgebieden meesleepte, des te krasser bleek dat de officiële taal daar de taal van de bezittende klassen was. Het formeel democratisch regime met vrijheid van drukpers en vergadering deed de achterlijke en onderdrukte naties nog smartelijker beseffen hoezeer zij van de meest elementaire middelen tot culturele ontwikkeling beroofd waren: eigen scholen, eigen rechters, eigen ambtenaren. De verwijzingen naar de toekomstige Constituerende Vergadering werkten slechts prikkelend. In deze vergadering zouden toch immers dezelfde partijen de overhand hebben die de Voorlopige Regering gevormd hebben, en deze zouden de tradities van de russificatie blijven volgen met inachtneming van die grenzen die de regerende klassen niet wilden overschrijden.

Finland werd terstond een splinter in het lichaam van het Februaribewind. Doordat het agrarisch vraagstuk, dat in Finland een vraagstuk was van de kleine in lijfeigenschap en horigheid levende pachters (de Torpars), zo acuut was, hadden de industriearbeiders, die in totaal 14 procent van de bevolking uitmaakten, de leiding over het dorp. De Finse Sejm was het enige parlement in de wereld waarin de sociaaldemocratie de meerderheid had weten te behalen: 103 van de 200 zetels. Nadat zij bij de wet van 5 juni de Sejm soeverein verklaard had, behalve inzake het leger en de buitenlandse politiek, wendde de Finse sociaaldemocratie zich “tot de broederpartijen om hulp.” De oproep was echter aan een verkeerd adres gericht. De Voorlopige Regering stelde zich aanvankelijk terughoudend op en liet het aan de “broederpartijen” over om te handelen. Een delegatie onder leiding van Tsjcheïdse die als doel had om tot voorzichtigheid aan te manen, keerde onverrichterzake uit Helsingfors terug. Nu besloten de socialistische ministers van Petrograd – Kerenski, Tsjernov, Skobeljev en Tsereteli – om de socialistische regering in Helsingfors met geweld te liquideren. De chef van de generale staf in het hoofdkwartier, de monarchist Loekomski, waarschuwde de burgerlijke autoriteiten en de bevolking van Finland dat “hun steden en allereerst Helsingfors in geval van een optreden tegen het Russische leger verwoest zouden worden.” Na deze inleiding ontbond de regering bij een plechtig manifest, dat zelfs wat de stijl betreft een plagiaat van de monarchie was, de Sejm en plaatste op de dag van het begin van het offensief aan het front Russische soldaten, die van het front afgenomen waren, voor de poorten van het Finse parlement. Zo kregen de revolutionaire massa’s van Rusland op hun weg naar de Oktoberrevolutie een mooie les over de geringe betekenis die de democratische beginselen in de klassenstrijd hebben.

De revolutionaire troepen in Finland namen een waardige houding aan tegenover de nationalistische hartstocht van de regeerders. Het districtscongres van de Sovjets, dat in de eerste helft van september te Helsingfors bijeenkwam, verklaarde: “Indien de Finse democratie het nodig zou oordelen dat de Sejm weer bijeen kwam, zou het congres elke poging om dit te beletten als een contrarevolutionaire daad beschouwen.” Dit betekende een direct aanbod van militaire hulp. De Finse sociaaldemocratie waarin verzoeningsgezinde tendensen de overhand hadden, was er echter niet toe geneigd om de weg van een opstand in te slaan. Nieuwe verkiezingen, die onder bedreiging van een tweede ontbinding plaatshadden, zorgden voor een kleine meerderheid van 108 van de 200 zetels voor de burgerlijke partijen die toegestemd hadden in de ontbinding van de Sejm.

Nu komen echter de interne kwesties op de voorgrond die in dit Zwitserland van het noorden, het land van de granietbergen en de gierige bezitters, onvermijdelijk tot een burgeroorlog leiden. De Finse bourgeoisie oefent min of meer openlijk haar militaire kaders. Tegelijkertijd worden geheime cellen van de Rode Garde gevormd. De bourgeoisie wendt zich om wapens en instructeurs tot Zweden en Duitsland. De arbeiders krijgen ondersteuning van de Russische troepen. Tegelijkertijd wordt in de burgerlijke kringen, die gisteren nog tot een overeenstemming met Petrograd geneigd waren, de beweging voor een algehele afscheiding van Rusland sterker. Het toonaangevende blad “Huvudstatsbladet” schreef: “Het Russische volk is door een anarchistische razernij bezeten… moeten wij ons in deze omstandigheden… niet zo krachtig mogelijk tegen deze chaos keren?” De Voorlopige Regering zag zich genoodzaakt toegevingen te doen zonder de Constituerende Vergadering af te wachten: op 23 oktober werden “in principe” de hoofdlijnen van een onafhankelijkheid van Finland vastgesteld, behalve in militaire zaken en aangelegenheden van buitenlandse politiek. De “onafhankelijkheid” ontvangen uit handen van Kerenski betekende echter niet veel meer: reeds twee dagen later zou Kerenski vallen.

Een tweede, oneindig veel gevaarlijker splinter werd Oekraïne. Begin juni verbood Kerenski het door de Rada bijeengeroepen Oekraïense legercongres. De Oekraïners onderwierpen zich niet. Om het prestige van de regering te redden, keurde Kerenski achteraf het congres goed en zond een veelbelovend telegram dat door de aanwezigen met hoongelach aangehoord werd. Deze bittere ervaring belette Kerenski niet om drie weken later het mohammedaans soldatencongres in Moskou te verbieden. De democratische regering wilde klaarblijkelijk de ontevreden volkeren nog gauw inprenten: je krijgt enkel wat je zelf neemt.

In zijn op 10 juni verschenen eerste manifest beschuldigde de Rada Petrograd van tegenstand tegen de nationale zelfstandigheid en verkondigde: “Wij zullen van nu af aan ons lot zelf in handen nemen.” De Oekraïense leiders werden door de kadetten als Duitse agenten behandeld. De verzoeningsgezinden richtten zich met sentimentele vermaningen tot de Oekraïners. De Voorlopige Regering zond een delegatie naar Kiev. Kerenski, Tsereteli en Teresjtsjenko zagen zich in de verhitte Oekraïense atmosfeer ertoe genoodzaakt de Rada een beetje tegemoet te komen. Na de Julinederlaag van de arbeiders en soldaten ging de regering echter ook in het Oekraïense vraagstuk naar rechts. Op 5 augustus beschuldigde de Rada met een overgrote meerderheid van stemmen de regering ervan dat zij “vervuld van imperialistische strevingen van de Russische bourgeoisie” de overeenkomst van 3 juni geschonden had. “Toen de regering haar belofte moest inlossen,” verklaarde het hoofd van de Oekraïense regering, Vinnitsjenko, “bleek dat de Voorlopige Regering een bedrieger was die door middel van een oplichting een groot historisch vraagstuk wilde oplossen.” Uit deze ondubbelzinnige woorden blijkt afdoende hoe het met het gezag van de regering gesteld was, zelfs in die kringen die politiek dichtbij haar moesten staan: de Oekraïense verzoeningsgezinde Vinnetsjenko verschilde tenslotte slechts in zoverre van Kerenski als een middelmatig romancier van een middelmatig advocaat verschilt.

De regering publiceerde tenslotte in september een oorkonde waarin aan de volkeren van Rusland het zelfbeschikkingsrecht – binnen de door de Constituerende Vergadering vast te stellen grenzen – toegekend werd. Deze door niets gewaarborgde en innerlijk tegenstrijdige, in alle opzichten behalve wat de beperkende bepalingen betreft volkomen onzekere wissel op de toekomst, boezemde niemand vertrouwen in: de daden van de Voorlopige Regering pleitten reeds te zeer tegen haar.

Op 2 september besloot de Senaat (dezelfde die nieuwe leden niet zonder het oude uniform tot zijn zittingen wilde toelaten) de publicatie van de door de regering goedgekeurde instructie aan het Oekraïense algemene secretariaat, d.w.z. aan de ministerraad te Kiev, te verbieden. Dit werd hiermee gemotiveerd dat er geen wettelijke bepalingen over een secretariaat bestonden en dat men aan een onwettige instelling geen instructie mocht geven. De vooraanstaande juristen verzwegen niet dat de gehele overeenkomst van de regering met de Rada een aanmatiging van de rechten van de Constituerende Vergadering betekende: de tsaristische senatoren waren inmiddels de meest uitgesproken aanhangers van de zuivere democratie geworden. Terwijl zij zich moedig voordeden, riskeerden de rechtse oppositionelen in werkelijkheid in het geheel niets: zij wisten dat hun oppositie de regeerders welgevallig was. Terwijl de Russische bourgeoisie een zekere zelfstandigheid van Finland, dat slechts met zwakke economische banden met Rusland verbonden was, kon aanvaarden, kon zij toch nooit de “autonomie” van het Oekraïense graan, de Donetzkolen en het Krivorogse ijzererts aanvaarden.

Op 19 oktober gaf Kerenski telegrafisch aan de secretaris-generaal van de Oekraïne bevel “om meteen naar Petrograd af te reizen voor een persoonlijk onderhoud” over de misdadige propaganda voor een Oekraïense Constituerende Vergadering die hij begonnen was. Tegelijkertijd werd aan de officier van justitie te Kiev duidelijk te verstaan gegeven dat hij een proces tegen de Rada moest beginnen. Het dreigend gebrul tegen Oekraïne joeg echter evenmin angst aan als het gunstbetoon aan Finland vreugde teweegbracht.

De Oekraïense verzoeningsgezinden voelden zich in die tijd nog veel veiliger dan hun oudere broeders in Petrograd. Behalve de gunstige atmosfeer waarin zij door de strijd voor de nationale rechten verkeerden, was de betrekkelijke stabiliteit van de kleinburgerlijke partijen zowel van de Oekraïne alsook van een aantal andere onderdrukte naties economisch en sociaal hecht geworteld in wat men in één woord de achterlijkheid kan noemen. Oekraïne liep ondanks de snelle industriële ontwikkeling van het Donetz- en Krivorogse bekken in het algemeen achter op Groot-Rusland, het Oekraïense proletariaat was minder homogeen en minder geschoold, de bolsjewistische partij bleef daar kwantitatief en kwalitatief zwak, scheidde zich pas langzaam van de mensjewieken af en wist slechts moeizaam haar weg in de politiek en vooral in de nationale situatie te vinden. Zelfs in de industriële oostelijke Oekraïne was er op het districtscongres van de sovjets, dat midden oktober gehouden werd, nog altijd een kleine meerderheid van de verzoeningsgezinden!

De Oekraïense bourgeoisie was naar verhouding nog zwakker. Een van de redenen van de geringe sociale stabiliteit van de Russische bourgeoisie in haar geheel was, naar wij ons herinneren, daarin gelegen dat buitenlanders die niet eens in Rusland leefden haar krachtigste deel vormden. In de randgebieden kwam er bij dit feit nog een ander, niet minder belangrijk feit, nl. dat de eigen, de inheemse bourgeoisie niet van dezelfde nationaliteit als de grote massa van het volk was.

De stedelijke bevolking in de randgebieden verschilde wat nationaliteit betreft overal van de plattelandsbevolking. Grootgrondbezitters, kapitalisten, advocaten, journalisten waren in Oekraïne en in Wit-Rusland – Groot-Russen, Polen, Joden en buitenlanders; de plattelandsbevolking daarentegen bestond overwegend uit Oekraïners en Wit-Russen. In de Oostzeeprovincies waren de steden centra van de Duitse, Russische en Joodse bourgeoisie; het platteland was merendeels Letlands of Estlands. In de steden van Georgië had de Russische en Armeense bevolking de overhand, evenals in het Toerkmeense Azerbeidzjan. Van de eigenlijke massa van het volk niet alleen door levenspeil en zeden, maar ook,  net als de Engelsen in India, door de taal gescheiden; voor de bescherming van hun landgoederen en inkomsten op het staatsapparaat aangewezen; onafscheidelijk met de heersende klassen in het gehele land verbonden, wisten de grootgrondbezitters, industriëlen en kooplieden in de randgebieden een kleine groep om zich te verenigen, die uit Russische ambtenaren, bedienden, onderwijzers, artsen, advocaten, journalisten en gedeeltelijk ook uit arbeiders bestond, en maakten zij de steden tot een haard van russificatie en kolonisatie.

Men kon het dorp negeren zolang het zweeg. Maar ook nadat het steeds ongeduldiger zijn stem begon te verheffen, bleef de stad zich hardnekkig verzetten en haar bevoorrechte positie verdedigen. Ambtenaren, kooplieden en advocaten leerden spoedig hun strijd om de economische en culturele leiding achter een hoogmoedige veroordeling van het ontwakende “chauvinisme” te verbergen. Het streven van een heersende natie om de bestaande toestand te doen voortbestaan, wordt niet zelden hypernationalistisch getint, zoals het streven van een overwinnend land om het geroofde te behouden licht pacifistische vormen aanneemt. Zo voelt Macdonald zich tegenover Gandhi als internationalist. Zo ziet Poincaré de toenadering van de Oostenrijkers tot Duitsland als een bedreiging van het Franse pacifisme.

“Zij die in de Oekraïense steden leven,” schreef in mei een delegatie van de Rada van Kiev aan de Voorlopige Regering, “vergeten, wanneer zij de gerussificeerde straten van deze steden aanschouwen, dat deze steden slechts kleine eilandjes in de zee van het gehele Oekraïense volk zijn.” Wanneer Rosa Luxemburg in de na haar dood gepubliceerde polemiek tegen het programma van de Oktoberrevolutie beweert dat het Oekraïense nationalisme, dat vroeger slechts een “gril” van een handjevol kleinburgerlijke intellectuelen was, kunstmatig tot het bolsjewistische beginsel van zelfbeschikkingsrecht verheven was, verviel zij ondanks haar helder inzicht in een grove historische fout: de Oekraïense boeren hadden in het verleden om dezelfde redenen geen nationale eisen gesteld als waarom zij in het geheel niet tot de politiek gekomen waren. Het was juist de grootste, indien niet de enige dan toch een volkomen afdoende verdienste van de Februarirevolutie dat zij de meest onderdrukte klassen en volken van Rusland eindelijk in de gelegenheid gesteld had om luid hun stem te verheffen. Het politieke ontwaken van de boeren kon echter slechts in hun eigen taal plaatshebben met alle daaruit voortvloeiende consequenties wat betreft scholen, rechters en zelfbestuur. Indien men zich hiertegen verzet had, zou dit een poging betekend hebben om de boeren weer tot hun vroegere toestand van passiviteit terug te brengen.

De nationale verschillen tussen stad en platteland kwamen ook sterk aan het licht door de sovjets als overwegend stedelijke organisaties. Onder leiding van de verzoeningsgezinde partijen schonken de sovjets in de regel geen aandacht aan de nationale belangen van de inheemse bevolking. Dit was een van de redenen waarom de Oekraïense sovjets zo zwak waren. De sovjets in Riga en Reval dachten niet aan de belangen van de Letten en de Esten. De verzoeningsgezinde sovjet in Bakoe verwaarloosde de belangen van de Toerkmeense inheemse bevolking. De sovjets voerden dikwijls onder valse internationalistische vlag een strijd tegen het zich verdedigend Oekraïens of mohammedaans nationalisme en dekten de onderdrukkings- en russificatiemethoden van de steden. Het zal lang duren, zelfs onder de bolsjewistische heerschappij, vooraleer de sovjets van de randgebieden zich de taal van het dorp hebben eigen gemaakt.

De vreemdelingen in Siberië die door de natuur en de uitbuiting in onderworpenheid leefden, konden zich door hun economische en culturele primitiviteit in het algemeen niet opwerken tot die hoogte waarop men nationale eisen begint te stellen. De vodka, de fiscus en de opgedrongen orthodoxie waren hier van oudsher de voornaamste steunpilaren van de staat. Die ziekte die de Italianen de Franse en de Fransen de Napolitaanse noemen, heette bij de Siberische volken de Russische: hieruit blijkt reeds uit welke bronnen het zaad van de beschaving vloeide. De Februarirevolutie was hier nog niet doorgedrongen. Nog lang zullen de jagers en rendierfokkers uit de Poolvlakte op een lichtstraal moeten wachten.

Bij de volkeren en de stammen aan de Wolga in de noordelijke Kaukasus en in Centraal-Azië, die door de Februarirevolutie voor het eerst uit hun prehistorisch bestaan ontwaakt waren, bestond noch een nationale bourgeoisie, noch een arbeidersklasse. Boven de boeren- of herdersmassa’s vormde zich uit de rijkste groepen ervan een kleine laag intellectuelen. Voordat men tot een programma van nationaal zelfbestuur kon komen, werd hier de strijd om een eigen alfabet, eigen onderwijs en soms ook een eigen godsdienst gevoerd. Deze weergaloos onderdrukten moesten door bittere ervaringen tot de overtuiging komen dat de verlichte heren van de staat hen niet vrijwillig zouden toestaan om zich op te richten. De meest achterlijke van de achterlijken waren genoodzaakt om de meest revolutionaire klasse als bondgenoot te zoeken. Zo kwamen de Wotjaken, Tsjoevasjen, Syrjanen, de volken van Dagestan en Turkestan door middel van de linkse elementen onder hun jonge intellectuelen tot het bolsjewisme.

Het lot van de koloniale bezittingen, vooral in Centraal-Azië, veranderde met de economische ontwikkeling van het centrum van een directe en openlijke roof tot verkapte methoden waarbij de Aziatische boeren leveranciers werden van grondstoffen voor de industrie, vooral van boomwol. De hiërarchisch georganiseerde uitbuiting die de kapitalistische barbarij met die van de patriarchale gemeenschap verbond, hield met succes de Aziatische volken in een toestand van de sterkste nationale vernedering. Het Februariregime had hier geen enkele verandering gebracht.

De gebieden die onder het tsarisme aan de Basjkieren, Boerjaten, Kirgiezen en andere nomaden ontnomen waren, bleven in handen van de grootgrondbezitters en rijke Russische boeren die zich in kolonies als het ware als oasen onder de inheemse bevolking gevestigd hadden. Het ontwaken van de nationale onafhankelijkheidszin betekende hier allereerst een strijd tegen de kolonisatoren die een kunstmatig systeem van verspreid liggende landerijen geschapen hadden en de nomaden tot honger en uitsterven gedoemd hadden. Degenen die van buiten gekomen waren, verdedigden met woede de eenheid van Rusland tegen het “separatisme” van de Aziaten, d.w.z. de onaantastbaarheid van hun roof. De haat van de kolonisatoren tegen de beweging van de inheemsen nam tastbare vormen aan. In Transbaikal werd met alle macht aan de voorbereiding van pogroms op de Boerjaten gewerkt onder leiding van sociaal-revolutionairen van maart die uit de klerken en van het front teruggekeerde onderofficieren gerekruteerd werden.

Bij hun streven om zo lang mogelijk de oude stand van zaken te laten voortbestaan, deden alle uitbuiters en onderdrukkers in de gekoloniseerde gebieden van nu af aan een beroep op de soevereine rechten van de Constituerende Vergadering. De Voorlopige Regering, waar de uitbuiters hun beste steun vonden, stelde hen tot een dergelijke fraseologie in staat. Aan de andere kant deden ook de bevoorrechte groepen onder de onderdrukte volkeren steeds vaker beroep op de Constituerende Vergadering. Zelfs de mohammedaanse geestelijkheid, die de groene banier van Mohammed over de ontwaakte bergvolken en stammen van de noordelijke Kaukasus opgeheven had, bepleitte in alle gevallen waarin de druk van onderop hen in een moeilijke positie bracht een uitstel van de kwestie “tot aan de Constituerende Vergadering”. Dit werd de slogan van conservatisme, reactie, egoïstische belangen en privileges in alle delen van het land. Het beroep op de Constituerende Vergadering betekende: rekken en tijd winnen. Het rekken betekende: krachten verzamelen en de revolutie wurgen.

De geestelijkheid of de feodale aristocratie kreeg echter slechts in de eerste tijd, alleen bij de achterlijke volken en dan nog nagenoeg alleen bij de mohammedanen de leiding. In het algemeen vertegenwoordigden dorpsonderwijzers, gemeenteklerken, lagere ambtenaren en officieren, voor een deel ook kooplieden de nationale beweging op het platteland. Naast de Russische of gerussificeerde intellectuelen uit de meer degelijke en gezeten elementen, ontstond er in de randstaten reeds een andere, een jongere groep, die door afstamming nauw met het dorp verbonden was, voor wie geen plaats meer was aan de tafel van het kapitaal en die natuurlijk de politieke vertegenwoordiging van de nationale, gedeeltelijk ook van de sociale belangen van de eigenlijke boerenmassa op zich nam.

Terwijl zij inzake het nationale vraagstuk vijandig tegenover de Russische verzoeningsgezinden stonden, waren de verzoeningsgezinden van de randgebieden van hetzelfde type als deze en hadden zij veelal zelfs dezelfde benamingen. Oekraïense sociaal-revolutionairen en sociaaldemocraten, Georgische en Letse mensjewieken, Litouwse “trudoviken” streefden er net als hun Groot-Russische naamgenoten naar om de revolutie binnen de perken van het burgerlijk regime te houden. De buitengewone zwakte van de inheemse bourgeoisie dwong de mensjewieken en sociaal-revolutionairen er echter toe om geen coalitie aan te gaan maar de staatsmacht zelf in handen te nemen. Terwijl zij gedwongen waren om op het terrein van de landbouw en de arbeidsverhoudingen verder te gaan dan de centrale regering, hadden de verzoeningsgezinden in de randgebieden dit voordeel dat zij in het leger en op het platteland als tegenstanders van de Voorlopige Coalitieregering optraden. Dit alles was voldoende om misschien geen ander lot tot stand te brengen voor de Russische verzoeningsgezinden en die van de randgebieden, maar wel om tot een verschil in tempo van opkomst en neergang te bepalen.

De Georgische sociaaldemocratie had niet alleen de leiding over de doodarme boeren van het kleine Georgië, maar zij maakte niet ten onrechte aanspraak op de leiding van de “revolutionaire democratie” van geheel Rusland. De vooraanstaande Georgische intellectuelen beschouwden in de eerste maanden van de revolutie Georgië niet als hun nationaal vaderland, maar als de Gironde, de gezegende zuidelijke provincie die geroepen was om het gehele land van leiders te voorzien. Een van de meest geziene Georgische mensjewieken, Tsjjenkeli, beroemde er zich in de Moskouse Landelijke Vergadering op dat de Georgiërs zelfs onder het tsarisme in tijden van voorspoed en tegenspoed plachten te spreken van: “ons gemeenschappelijk vaderland – Rusland.” – “Wat valt er van het Georgische volk te zeggen?” vroeg diezelfde Tsjjenkeli een maand later in de Democratische Vergadering. “Het stelt zich volkomen ter beschikking van de grote Russische revolutie.” En inderdaad: zowel de Georgische alsook de Joodse verzoeningsgezinden stonden altijd “ter beschikking” van de Groot-Russische bureaucratie wanneer het erom ging de nationale aanspraken van afzonderlijke gebieden te temperen of te remmen.

Dit was echter slechts zolang mogelijk als de Georgische sociaaldemocraten de hoop nog niet hadden opgegeven om de revolutie binnen de perken van de burgerlijke democratie te houden. Hoe meer echter het gevaar van een overwinning van de door de bolsjewieken geleide massa’s dreigend werd, des te haastiger verbrak de Georgische sociaaldemocratie haar betrekkingen met de Russische verzoeningsgezinden en sloot zij zich nauwer bij de reactionaire elementen in Georgië aan. Op het moment van de overwinning van de sovjets worden de Georgische aanhangers van het gemeenschappelijke Rusland propagandisten van het separatisme en laten zij aan de overige volkeren van Transkaukasië de lelijke slagtanden van het chauvinisme zien.

De onvermijdelijke nationale maskering van de sociale tegenstellingen, die bovendien in de randgebieden doorgaans niet zo sterk ontwikkeld waren, verklaart afdoende waarom de Oktoberrevolutie bij de meeste onderdrukte volken op een grotere tegenstand moest stuiten dan in Centraal-Rusland. Daarentegen schokte de nationale strijd op zichzelf het Februariregime ernstig en schiep hij een gunstige politieke periferie voor de revolutie in het centrum van het land.

De nationale tegenstellingen namen in die gevallen waarin zij zich op de klassentegenstellingen beriepen buitengewoon scherpe vormen aan. De oude vijandschap tussen de Letse boeren en de Duitse baronnen bracht in het begin van de oorlog vele duizenden Letse arbeiders ertoe om vrijwillig dienst te nemen in het leger. De uit Letse landarbeiders en boeren bestaande regimenten scherpschutters behoorden tot de beste aan het front. Zij kwamen echter reeds in mei op voor de Sovjetmacht. Het nationalisme bleek slechts een bolster rond een onrijp bolsjewisme te zijn. Een soortgelijk proces voltrok zich ook in Estland.

In Wit-Rusland met zijn Poolse of verpoolste grootgrondbezitters, zijn joodse stads- en kleine stadsbevolking en de Russische ambtenaren, kwam de nationale en sociale verontwaardiging van de in meer dan één opzicht onderdrukte boeren onder invloed van het nabije front reeds vóór de Oktoberrevolutie in bolsjewistisch vaarwater. De overgrote massa van de Wit-Russische boeren zal bij de verkiezingen voor de Constituerende Vergadering voor de bolsjewieken stemmen.

Al deze processen waarin ontwaakt nationaal besef samensmolt met sociale ontevredenheid, waarbij deze laatste nu eens op de achtergrond en dan weer op de voorgrond kwam, kwamen het scherpst tot uiting in het leger waar haastig nationale regimenten gevormd werden die naar gelang hun houding tegenover de oorlog en de bolsjewieken door de centrale regering begunstigd, geduld of vervolgd werden, maar zich in het algemeen steeds vijandiger tegen Petrograd gedroegen.

Lenin bleef kalm en vastberaden de nationale pols van de revolutie voelen. In zijn beroemd artikel “De crisis is rijp” wees hij er eind september nadrukkelijk op dat de nationale curie van de Democratische Vergadering “wat radicalisme betreft op de achtergrond raakte, vrijwel nog alleen op één lijn met de vakverenigingen stond en wat het percentage van de tegen de coalitie uitgebrachte stemmen (veertig van de vijfenvijftig) aangaat de curie van de sovjets overtrof.” Dit betekende dat de onderdrukte volkeren niets goeds meer van de Groot-Russische bourgeoisie meenden te mogen verwachten. Steeds vaker gingen zij ertoe over hun rechten eigenmachtig, stuk voor stuk door middel van revolutionaire inbezitnemingen, te verwezenlijken.

Op het Oktobercongres van de Boerjaten in het verre Werchneoedinsk verklaarde de rapporteur dat “de Februarirevolutie geen verandering in de toestand van de vreemde volkeren gebracht had.” Deze balans bracht ertoe om ofwel meteen tot de bolsjewieken over te gaan of toch alleszins een meer welwillende neutrale houding tegenover hen aan te nemen.

Het Al-Oekraïense legercongres dat tijdens de opstand te Petrograd bijeenkwam, besloot de eis van een overgave van de macht aan de sovjets in de Oekraïne te bestrijden, maar weigerde tegelijkertijd om de opstand van de Groot-Russische bolsjewieken “als een antidemocratische handelwijze te beschouwen en beloofde alle middelen in het werk te stellen opdat geen troepen ter onderdrukking van de opstand gezonden zouden worden.” Deze tweedracht waaruit zeer goed blijkt in welk kleinburgerlijk stadium de nationale strijd nog verkeerde, verlichtte de revolutionaire strijd van het proletariaat die spoedig aan alle tweedracht een einde zou maken.

Aan de andere kant vervielen nu in de randgebieden de burgerlijke kringen die altijd met de centrale regering waren blijven sympathiseren in een separatisme, dat veelal geen enkele nationale basis meer had. De bourgeoisie van de Oostzeeprovincies die gisteren nog in een patriottische roes verkeerde en die na de Duitse baronnen de krachtigste steun van de Romanovs was, begon de strijd tegen het bosjewistisch Rusland en de inheemse volksmassa’s onder separatistische vlag. Er deden zich nog wonderlijker verschijnselen op dit gebied voor. Op 20 oktober werd het fundament gelegd voor een nieuwe staat, het zuidoostelijk verbond van de Kozakkenlegers, van de bergbewoners van de Kaukasus en de vrije volken van de steppen. De leiders van de Don-, de Koeban-, de Terek- en de Astrakankozakken die vroeger de voornaamste steunpilaar van de tsaristische gecentraliseerde staat waren, werden op enkele maanden tijd enthousiaste voorvechters van een federatie en ze verenigden zich op deze basis met de leiders van de mohammedaanse berg- en steppenbewoners. De scheidsmuren van het federatief regime moesten een slagboom tegen het uit het noorden komend bolsjewistisch gevaar vormen. Het contrarevolutionaire separatisme richtte zich echter direct tegen de regerende coalitie, nog voordat het de voornaamste steunpunten voor de burgeroorlog tegen de bolsjewieken schiep. Hierdoor raakte de regerende coalitie gedemoraliseerd en verder verzwakt.

Zo toonde ook het nationale vraagstuk zijn vreselijk lelijke karakter, zijn Medusahoofd waarop elk haartje van de verwachtingen van maart en april in een slang van haat en woede veranderd waren.

De bolsjewistische partij heeft zeker niet meteen na de revolutie die standpunten in het nationale vraagstuk ingenomen waardoor zij uiteindelijk de overwinning kon behalen. Niet alleen in de randgebieden met veel zwakke en onervaren partijorganisaties, maar ook in het centrum in Petrograd was de partij door de oorlogsjaren zo verzwakt dat het theoretisch en politiek peil van de leiders zo sterk achteruit gegaan was dat de officiële leiding voor de aankomst van Lenin een houding innam die bijzonder verward was en gekenmerkt werd door halfslachtigheid.

De bolsjewieken bleven weliswaar overeenkomstig hun traditie als vanouds het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren verkondigen. Maar dit recht werd, althans in woorden, ook door de mensjewieken erkend: de tekst van het programma was bij beide stromingen nog altijd dezelfde. Het regeringsvraagstuk stond echter op de voorgrond. Intussen waren de leiders van die tijd absoluut niet in staat om de onverzoenlijke tegenstelling te begrijpen tussen enerzijds de bolsjewistische leuzen zowel in het nationale alsook in het agrarische vraagstuk en anderzijds de handhaving van het burgerlijk-imperialistisch regime dat zich in democratische vormen verhuld had.

De democratische stellingname kwam op de meest vulgaire wijze tot uitdrukking in de geschriften van Stalin. Op 25 maart doet Stalin in een artikel naar aanleiding van het regeringsdecreet betreffende de afschaffing van de nationale beperkingengewijd een poging om het nationale vraagstuk historisch te behandelen. “De sociale basis van de nationale onderdrukking,” schrijft hij, “en de kracht die haar bezielt, is de afstervende grondaristocratie.” De democratische schrijver ziet klaarblijkelijk geheel over het hoofd dat de nationale onderdrukking een ongekende omvang aanneemt in het kapitalistisch tijdperk en op de meest barbaarse wijze tot uiting komt in de koloniale politiek. “In Engeland,” zo vervolgt hij, “waar de grondaristocratie de macht met de bourgeoisie deelt, waar de onbeperkte heerschappij van deze aristocratie reeds lang niet meer bestaat, is de nationale onderdrukking zachtaardiger, minder onmenselijk, afgezien (?) natuurlijk van het feit dat in de loop van de oorlog, waarin de regering in handen van de landlords (!) kwam, de nationale onderdrukking sterker werd (vervolging van de Ieren, de Indiërs).” De landlords die zich klaarblijkelijk in de persoon van Lloyd George dankzij de oorlog meester hadden kunnen maken van de macht, blijken nu de schuld van de onderdrukking van de Ieren en de Indiërs te zijn. “In Zwitserland en in Noord-Amerika,” vervolgt Stalin, “waar geen landlords bestaan en niet bestaan hebben (?), waar de regering geheel in handen van de bourgeoisie is, ontwikkelen de verschillende volkeren zich vrij en is er in het algemeen gesproken geen plaats voor een nationale onderdrukking.” De schrijver gaat gemakshalve volledig voorbij aan onder meer de positie van kleurlingen en het koloniale vraagstuk in de Verenigde Staten.

Het gaat om een hopeloos bekrompen analyse die neerkomt op een verwarde tegenstelling tussen feodalisme en democratie en die leidt tot zuiver liberale conclusies op politiek vlak. “De feodale aristocratie van het politieke toneel verwijderen en haar de macht ontnemen, betekent een einde maken aan de nationale onderdrukking en de feitelijke omstandigheden scheppen die voor de nationale vrijheid noodzakelijk zijn. De Russische revolutie heeft,” schrijft Stalin, “voor zover zij gezegevierd heeft deze feitelijke omstandigheden reeds geschapen.” Wij hebben hier wellicht een nog principiëler verdediging van de imperialistische “democratie” voor ons dan alles wat de mensjewieken in die dagen over dit onderwerp geschreven hebben. Zoals Stalin met Kamenew hoopte om tot een democratische vrede te komen door een arbeidsverdeling met de Voorlopige regering, zag hij in de democratische binnenlandse politiek van vorst Lvov de ‘feitelijke voorwaarden’ voor de nationale vrijheid.

In werkelijkheid bracht de val van de monarchie voor het eerst volkomen aan het licht dat niet alleen de reactionaire grondbezitters, maar ook de gehele liberale bourgeoisie en met haar de gehele kleinburgerlijke democratie, samen met de patriottische groepen onder de arbeidersklasse, onverzoenlijke tegenstanders waren van een werkelijke nationale gelijkgerechtigdheid, d.w.z. van een afschaffing van de voorrechten van de heersende natie. Hun gehele programma kwam neer op een verzachting, een cultureel laagje vernis en een democratische verbloeming van de Groot-Russische suprematie.

Op het congres dat in april gehouden werd, ging Stalin er bij zijn verdediging van de resolutie van Lenin inzake het nationale vraagstuk reeds formeel van uit dat “de nationale onderdrukking van dat systeem… in die maatregelen bestond… die door de imperialistische kringen genomen werden,” maar onvermijdelijk raakt hij dan meteen weer in zijn opvattingen van maart verstrikt. “Hoe democratischer een land is des te geringer is de nationale onderdrukking, en omgekeerd,” zo luidt zijn eigen conclusie die zeker niet aan Lenin ontleend is. Het feit dat het democratische Engeland India met zijn feodale kasten onderdrukt, verliest hij weer uit het oog. “Anders dan in Rusland, waar de oude grondaristocratie heerste,” vervolgt Stalin, “heeft in Engeland en Oostenrijk-Hongarije de nationale onderdrukking nooit de vorm van pogroms aangenomen.” Alsof in Engeland “nooit” een grondaristocratie geheerst had en alsof deze in Hongarije niet tot op de huidige dag heerst! Het gecombineerde karakter van de historische ontwikkeling waardoor “democratie” gepaard gaat met kneveling van zwakke volken, ontgaat Stalin.

Dat Rusland ontstond als een staat met verschillende nationaliteiten is het gevolg van zijn vertraagde historische ontwikkeling. Deze vertraging heeft een gecompliceerd en onvermijdelijk tegenstrijdig karakter. Een achterlijk land volgt de verder ontwikkelde landen geenszins precies op de voet, zodat het voortdurend dezelfde afstand ermee bewaart. In het tijdperk van wereldhuishouding springen achterlijke volken, terwijl zij onder de druk van de verder ontwikkelde landen zich in de keten van de totale ontwikkeling voegen, een aantal fasen over. Sterker nog: het ontbreken van hechte maatschappelijke vormen en tradities maakt een achterlijk land – althans tot op zekere hoogte – zeer ontvankelijk voor de nieuwste resultaten van de wereldtechniek en de wereldgedachten. De achterlijkheid houdt daarmee echter niet op achterlijkheid te zijn. De ontwikkeling krijgt in haar geheel een tegenstrijdig en gecompliceerd karakter. De sociale structuur van een achterlijk volk wordt gekenmerkt door het bestaan van historische uitersten – achterlijke boeren en ontwikkelde proletariërs – naast tussenformaties, naast de bourgeoisie. De taak van de ene klasse wordt afgewenteld op de schouders van een andere. Ook op nationaal gebied krijgt de arbeidersklasse de taak om de middeleeuwse restanten op te ruimen.

De vertraagde historische ontwikkeling van Rusland als Europees land komt nergens zo scherp tot uiting als in het feit dat het pas in de twintigste eeuw een einde maakte aan de horigheid en de Joodse vestigingsvoorschriften, anders gezegd aan de barbarij van de lijfeigenschap en aan het getto. Rusland had echter net als gevolg van zijn vertraagde ontwikkeling nieuwe en uiterst moderne klassen, partijen en programma’s om deze taken te volbrengen. De ideeën en methoden van Marx waren voor Rusland nodig om een einde te maken aan de ideeën en methoden van Raspoetin.

De politieke praktijk bleef echter veel primitiever dan de theorie, omdat de werkelijkheid nu eenmaal minder gemakkelijk verandert dan de opvattingen. Toch was de theorie slechts een formulering van de praktische noodzakelijkheden. Om tot een bevrijding en culturele bloei te kunnen komen, waren de onderdrukte volken genoodzaakt om hun lot met dat van de arbeidersklasse te verbinden. Daartoe moesten zij zich echter onttrekken aan de leiding van hun burgerlijke en kleinburgerlijke partijen, d.w.z. een eind vooruitsnellen op de historische weg.

De invoeging van de nationale beweging in het eigenlijke revolutionaire proces, in de strijd van de arbeidersklasse om de macht, voltrekt zich niet ineens maar in meerdere etappes, en wel verschillend naar de verschillende gebieden. Oekraïense, Wit-Russische of Tartaarse arbeiders, boeren en soldaten, die vijandig stonden tegenover Kerenski, de oorlog en de russificatie, werden daardoor alleen reeds bondgenoten van de arbeidersopstand en dit ondanks hun verzoeningsgezinde leiders. In een volgende fase moesten zij van een objectieve ondersteuning van de bolsjewieken onvermijdelijk ertoe komen om ook subjectief de weg van het bolsjewisme in te slaan. In Finland, Letland, Estland, en in mindere mate ook in Oekraïne, neemt de nationale beweging die in verschillende groepen uiteenvalt omstreeks oktober zozeer in omvang toe dat slechts door een inmenging van buitenlandse troepen een overwinning van de proletarische revolutie hier verhinderd kan worden. In het Aziatische oosten, waar het nationale ontwaken zich in de meest primitieve vormen voltrok, zou dit eerst geleidelijk en veel later onder de leiding van de arbeidersklasse gebeuren, pas na verovering van de macht door de arbeidersklasse. Indien men het gecompliceerde en tegenstrijdige proces in zijn geheel overziet, ligt de conclusie voor de hand dat én de nationale én de agrarische stromingen uitmondden in de bedding van de Oktoberrevolutie.

De onvermijdelijke en onophoudelijke overgang van de massa’s van de meest elementaire taak van een politieke, agrarische en nationale bevrijding tot de heerschappij van de arbeidersklasse was geen gevolg van “demagogische” propaganda en niet van vooropgezette schema’s, niet van de theorie van de permanente revolutie, zoals de liberalen en de verzoeningsgezinden meenden, maar van Ruslands sociale structuur en de internationale situatie. De theorie van de permanente revolutie was slechts een formulering van dit gecombineerde ontwikkelingsproces.

Het gaat hier niet alleen om Rusland. De invoeging van de vertraagde nationale revoluties in de arbeidersrevolutie voltrekt zich volgens een internationale wetmatigheid. Terwijl in de negentiende eeuw het doel van de oorlogen en revoluties nog altijd voornamelijk gelegen was in een verzekering van de nationale markt aan de productiekrachten, is in de twintigste eeuw het doel erin gelegen om de productiekrachten uit de nationale grenzen te bevrijden. Deze nationale grenzen zijn immers een obstakel geworden. In een brede historische zin opgevat, zijn de nationale revoluties in het oosten slechts fasen van de wereldrevolutie van de arbeidersklasse, net zoals de nationale bewegingen in Rusland fasen van de Sovjetheerschappij werden.

Lenin besefte merkwaardig goed welke revolutionaire kracht gelegen was in het lot van de onderdrukte volkeren, zowel in het tsaristisch Rusland als in andere landen. Hij koesterde slechts verachting voor het huichelachtige ‘pacifisme’ dat de oorlog van Japan tegen China (om dat laatste land te onderwerpen) evenzeer veroordeelt als de bevrijdingsoorlog van China tegen Japan. Voor Lenin was de nationale bevrijdingsoorlog in tegenstelling tot de imperialistische onderwerpingsoorlog slechts een andere vorm van de nationale revolutie, die op haar beurt een noodzakelijke schakel in de bevrijdingsstrijd van de wereldwijde arbeidersklasse is.

Deze beoordeling van nationale revoluties en oorlogen hoeft op geen enkele wijze tot een erkenning van een of andere revolutionaire missie van de bourgeoisie van koloniale of half-koloniale volkeren te leiden. Integendeel, juist de bourgeoisie van de achterlijke landen ontwikkelt zich van jongsaf aan als een agentschap van het buitenlands kapitaal en staat ondanks afgunst en vijandschap op alle beslissende momenten aan de kant van deze. De Chinese compradoren zijn de klassieke vorm van een koloniale bourgeoisie, zoals de Kwomintang de klassieke partij van de compradoren is. De leidende groepen van de kleine bourgeoisie, waaronder ook de intellectuelen, kunnen actief en soms erg luidruchtig aan de nationale strijd deelnemen, maar ze zijn volkomen onbekwaam om een zelfstandige rol te spelen. Enkel de arbeidersklasse die aan het hoofd van de natie gesteld is, kan én de nationale én de agrarische revolutie doorvoeren.

Het is een fatale fout van Stalin en zijn aanhangers om uit Lenins leer van de drijvende historische kracht van de strijd van de onderdrukte naties tot de opvatting van een revolutionaire missie van de burgerij in de kolonies te komen. Gemis aan inzicht in het permanent karakter van de revolutie in het imperialistisch tijdperk; starre schematisering van de ontwikkeling; ontleding van het levend gecombineerd proces tot dode stadia die schijnbaar volkomen van elkaar in tijd gescheiden zijn, brachten Stalin tot een banale idealisering van de democratie of van de “democratische heerschappij” die in werkelijkheid slechts óf een imperialistische heerschappij óf een heerschappij van de arbeidersklasse kan zijn. Meer en meer kwam de groep van Stalin langs deze weg tot een vrijwel volledige breuk met Lenins standpunt in het nationale vraagstuk en tot de verderfelijke politiek in China.

In augustus 1927, in de strijd tegen de oppositie (Trotski, Rakovski en anderen), zei Stalin in de plenaire zitting van het Centraal Bolsjewistisch Comité: “Aan de ene kant een revolutie in de imperialistische landen: daar is de bourgeoisie contrarevolutionair in elk revolutionair stadium… Aan de andere kant een revolutie in de koloniale en afhankelijke landen… daar kan de nationale bourgeoisie in een bepaald stadium en gedurende zekere tijd de revolutionaire beweging in haar land tegen het imperialisme ondersteunen.” Met de nodige reserves en verzachtingen die alleen maar een gevolg van zijn innerlijke twijfel zijn, schrijft Stalin hier aan de koloniale bourgeoisie dezelfde eigenschappen toe die hij in maart 1917 aan de Russische bourgeoisie toegekend had. Overeenkomstig zijn natuur en karakter baant het stalinistisch opportunisme, als het ware gehoorzamend aan de wetten van de zwaartekracht, zich langs verschillende kanalen een weg. De keuze van de theoretische argumenten is daarbij louter een kwestie van toeval.

Uit het feit dat men de “nationale” regering in China op dezelfde wijze beoordeelde als men in maart 1917 de Voorlopige Regering beoordeeld had, vloeide de samenwerking van Stalin met de Kwomintang gedurende drie achtereenvolgende jaren voort. Dit was een van de meest ontstellende feiten in de nieuwere geschiedenis: als een trouwe schildknaap ging het latere bolsjewisme hand in hand met de Chinese bourgeoisie tot 11 april 1927, d.w.z. tot aan de bloedige afrekening van deze laatste met de arbeidersklasse van Sjanghai. “De grootste fout van de oppositie,” zo motiveerde Stalin zijn bondgenootschap met Chiang Kai-Shek, “is daarin gelegen dat zij de revolutie van 1905 in Rusland, een imperialistisch land dat andere volkeren onderdrukte, gelijkstelt met de revolutie in China, dat een onderdrukt land is.” Het is verwonderlijk dat Stalin zelfs niet op de gedachte kwam om de revolutie in Rusland niet te beschouwen vanuit het standpunt van een natie “die andere volkeren onderdrukt”, maar vanuit de ervaring die “andere volkeren” van datzelfde Rusland opgedaan hadden. Die andere volkeren hadden immers zeker geen beperktere onderdrukking dan de Chinezen te verduren gekregen.

Op het grote experimenteergebied dat Rusland gedurende drie revoluties vormde, waren alle varianten van de nationale en de klassenstrijd te vinden op één na, namelijk die waarbij de bourgeoisie van een onderdrukt volk de rol van bevrijder ten opzichte van haar eigen volk speelde. De bourgeoisie in de randgebieden was, hoe zij zich ook in alle fasen van haar ontwikkeling mocht voordoen, altijd afhankelijk van de banken in het centrum, de trusts en de vennootschappen. Ze was eigenlijk slechts een agentuur van het totale Russische kapitaal, schikte zich naar de russificering die door het Russische kapitaal beoogd werd en onderwierp grote groepen van de liberale en democratische intellectuelen hieraan. Hoe “rijper” de randbourgeoisie werd, des te nauwer verbond zij zich met het gehele staatsapparaat. De bourgeoisie van de onderdrukte volken speelde over het geheel genomen dezelfde compradoren-rol tegenover de regerende bourgeoisie als deze tegenover het internationale geldkapitaal. Het ingewikkeld complex van hiërarchische afhankelijkheden en tegenstellingen had echter op geen ogenblik de fundamentele solidariteit in de strijd tegen de opstandige massa’s opgeheven.

In de tijd van de contrarevolutie (1907 tot 1917), toen de leiding van de nationale beweging in handen van de inheemse bourgeoisie was, hadden deze nog openlijker dan de Russische liberalen gepoogd tot een overeenstemming met de monarchie te komen. Poolse, Baltische, Tartaarse, Oekraïense en Joodse bourgeois wedijverden in imperialistisch patriottisme. Na de Februarirevolutie verscholen zij zich achter de kadetten of, naar het voorbeeld van de kadetten, achter hun nationale verzoeningsgezinden. De bourgeoisie van de randstaten slaat omstreeks de herfst de weg van het separatisme in, niet in een strijd tegen nationale onderdrukking maar in een strijd tegen de naderende arbeidersrevolutie. De bourgeoisie van de onderdrukte volken heeft zich in het algemeen zeker niet minder vijandig tegenover de revolutie betoond dan de Groot-Russische bourgeoisie.

De reusachtige les van de drie revoluties is echter aan velen die zelf bij de gebeurtenissen betrokken waren spoorloos voorbijgegaan. Dit gebeurde in de eerste plaats aan Stalin. De verzoeningsgezinde, d.w.z. kleinburgerlijke, opvatting van de onderlinge betrekkingen tussen de klassen die er binnen de koloniale volken bestaan, een opvatting die de Chinese revolutie van 1925 tot 1927 te gronde richtte, is door Stalin en zijn aanhangers zelfs in het programma van de Communistische Internationale opgenomen en is in dit opzicht regelrecht omgevormd tot een valstrik voor de onderdrukte volken van het oosten.

Om de ware betekenis van de nationale politiek van Lenin te begrijpen, kan men het best deze politiek met de methode van contrasten plaatsen tegenover deze van de Oostenrijkse sociaaldemocratie. Terwijl het bolsjewisme zich tientallen jaren op het uitbreken van nationale revoluties instelde en de moderne arbeiders in deze richting opvoedde, paste de Oostenrijkse sociaaldemocratie zich onderdanig aan de politiek van de heersende klassen aan en trad ze op als verdediger van de gedwongen samenleving van tien volkeren binnen de Oostenrijk-Hongaarse monarchie. Maar terwijl zij op geen enkele wijze in staat was om de revolutionaire eenheid van de werkenden van de verschillende volkeren tot stand te brengen, verdeelde zij deze tegelijk verticaal in partijen en vakverenigingen. Karl Renner, een verlicht Habsburgs bureaucraat, zocht onvermoeid met zijn austromarxistische pen naar middelen om de Habsburgse staat te verjongen. Hij deed dit tot op het tijdstip dat hij opmerkte dat hij alleen stond als theoreticus van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Toen de Centralen verslagen werden, poogde de Habsburgse dynastie nog om onder haar scepter de vlag van een federatie van autonome volkeren omhoog te heffen: het officiële programma van de Oostenrijkse sociaaldemocratie dat op een vreedzame ontwikkeling binnen het raam van de monarchie berekend was, werd voor een korte tijd het programma van de met het bloed en het vuil van de vier oorlogsjaren bezoedelde monarchie.

De versleten band waarmee tien naties bijeengehouden waren, viel in stukken. Oostenrijk-Hongarije viel uiteen tengevolge van zijn interne centrifugale krachten, die door het ingrijpen van Versailles nog versterkt werden. Nieuwe staten werden gevormd en de oude omgevormd. De Duits-Oostenrijkers bleven als boven een afgrond hangen. Het ging voor hen nu niet om een handhaving van de heerschappij over andere volken, maar om het gevaar zelf onder vreemde heerschappij te geraken. Otto Bauer, de vertegenwoordiger van de ‘linkervleugel’ van de Oostenrijkse sociaaldemocratie, achtte het ogenblik gekomen om de slogan van nationaal zelfbeschikkingsrecht aan te heffen. Het programma dat in de afgelopen decennia de strijd van de arbeidersklasse tegen de Habsburgers en de bourgeoisie had moeten bezielen, werd een middel tot zelfbehoud voor het volk dat gisteren nog heerste en dat nu bedreigd werd door de vrij geworden Slavische volken. Net als het reformistisch programma van de Oostenrijkse sociaaldemocratie korte tijd de strohalm werd waaraan de ondergaande monarchie zich poogde vast te klampen, zou de gecastreerde austromarxistische slogan van het zelfbeschikkingsrecht het anker van de Duitse bourgeoisie worden.

Op 3 oktober 1918, toen de beslissing absoluut niet meer van hen afhing, “erkenden” de sociaaldemocratische afgevaardigden in de Rijksraad edelmoedig het recht van de volkeren van het vroegere keizerrijk om zelf over hun lot te beschikken. Op 4 oktober namen ook de burgerlijke partijen het programma van zelfbeschikking aan. Terwijl de sociaaldemocratie derhalve de Duits-Oostenrijkse imperialisten één hele dag voor was, nam zij nog altijd een afwachtende houding aan: men kon immers niet weten hoe de dingen zouden lopen en wat Wilson zou zeggen. Pas op 13 oktober, toen er door de definitieve ineenstorting van het leger en van de monarchie “een revolutionaire situatie ontstond waarvoor,” volgens Bauer, “ons nationaal programma bedoeld was,” stelden de austromarxisten praktisch de kwestie van het zelfbeschikkingsrecht aan de orde: zij hadden inderdaad niets meer te verliezen. “Met de ineenstorting van haar heerschappij over de andere volkeren,” verklaart Otto Bauer volkomen openhartig, “was de historische taak van de Duits-nationale burgerij, met het oog waarop deze tot nu toe een scheiding van het Duitse moederland bereidwillig gedragen had, geëindigd.” Het nieuwe programma werd niet verkondigd omdat de onderdrukten het nodig hadden, maar omdat het niet langer een gevaar voor de onderdrukkers was. De bezittende klassen die in een historische impasse raakten, zagen zich genoodzaakt om de nationale revolutie juridisch te erkennen. Het austromarxisme achtte de tijd gekomen om dit theoretisch te legaliseren. Dit is een rijpe revolutie, een die op het juiste moment komt en die historisch voorbereid is: zij heeft zich immers reeds voltrokken. Hier zien wij de ware aard van de sociaaldemocratie!

Geheel anders was het gesteld met de sociale revolutie, die in geen geval kon rekenen op een erkenning door de bezittende klassen. Het ging erom haar op de achtergrond te schuiven, te onttronen en te compromitteren. Daar het keizerrijk natuurlijkerwijs uit elkaar viel in zijn zwakste, d.w.z. in de nationale voegen, trekt Otto Bauer daaruit de volgende conclusie betreffende het karakter van de revolutie: “Zij was nog geenszins een sociale, maar een nationale revolutie.” In werkelijkheid had de beweging van bij het begin een diepe, sociaal revolutionaire ondergrond. Het “louter” nationale karakter van de revolutie wordt niet kwaad belicht door het feit dat de bezittende klassen van Oostenrijk openlijk een beroep deden op de Entente om het gehele leger gevangen te nemen. De Duitse bourgeoisie smeekte de Italiaanse generaal om Wenen met Italiaanse troepen te bezetten!

De starre en banale scheiding van de nationale vorm en sociale inhoud van een revolutionair proces, alsof dit twee zelfstandige historische stadia zijn – we zien hoe dicht Bauer hier bij Stalin komt! – was van grote praktische betekenis: zij moest de samenwerking tussen de sociaaldemocratie en de bourgeoisie in de strijd tegen de gevaren van de sociale revolutie rechtvaardigen.

Indien men met Marx aanneemt dat de revoluties de locomotieven van de geschiedenis zijn, moet men het austromarxisme daarbij de rol van rem toekennen. Reeds na de feitelijke ineenstorting van de monarchie kon de sociaaldemocratie, die gevraagd was om tot de regering toe te treden, nog altijd niet beslissen om de oude Habsburgse ministers vaarwel te zeggen. De “nationale” revolutie maakte het immers nodig om deze met staatssecretarissen te ondersteunen. Pas na 9 november, toen de Duitse revolutie de Hohenzollerns ten val gebracht had, stelde de Oostenrijkse sociaaldemocratie aan de Staatsraad voor om de republiek uit te roepen, waarbij zij de burgerlijke bondgenoten schrik aanjoeg met de beweging van de volksmassa’s waardoor zij zelf tot in het diepst van haar ziel geschokt was. “De christelijk-socialen,” spot Otto Bauer onvoorzichtig genoeg, “die op 9 en 10 november nog achter de monarchie stonden, besloten op 11 november om hun tegenstand op te geven.” De sociaaldemocratie was de partij van de Zwarte Honderd-monarchisten maar liefst twee volle dagen voor! Alle heldenverhalen uit de geschiedenis van de mensheid verbleken tegenover dit revolutionair heroïsme.

Net als de Russische mensjewieken en sociaal-revolutionairen, kwam ook de sociaaldemocratie in het begin van de revolutie tegen haar wil vanzelf aan het hoofd van het volk. Net als deze Russische krachten was ook zij het meest beducht voor haar eigen kracht. In de coalitieregering trachtte zij een zo klein mogelijk plaatsje in te nemen. Otto Bauer verklaart: “Het was echter overeenkomstig het vooreerst nog louter nationale karakter van de revolutie dat de sociaaldemocraten in de eerste tijd slechts op een bescheiden aandeel in de regering aanspraak maakten.” Het vraagstuk van de macht wordt voor deze mensen niet beslist door de werkelijke machtsverhoudingen, niet door het geweld van de revolutionaire beweging, niet door het bankroet van de heersende klassen en niet door de politieke invloed van de partij, maar door het starre etiketje “louter nationale revolutie” dat deze wijze onderzoekers op de gebeurtenissen geplakt hadden.

Karl Renner wachtte de storm als secretaris van de Staatsraad af. De overige sociaaldemocratische leiders werden ambtenaren van de burgerlijke ministers. Met andere woorden: de sociaaldemocraten hielden zich verborgen achter de tafels van de regeringsbureaus. De massa’s waren echter niet van plan om zich te laten afpoeieren met het nationale omhulsel van de noot waarvan de sociale inhoud door de austromarxisten bewaard werd voor de burgerij. De arbeiders en soldaten zetten de burgerlijke ministers af en dwongen de sociaaldemocraten om hun schuilhoek te verlaten. De onmisbare theoreticus Otto Bauer verklaart: “Pas door de gebeurtenissen van de volgende dagen, die van de nationale revolutie een sociale maakten, werd onze invloed in de regering groter.” Van alle omhaal ontdaan betekent dit dat de sociaaldemocraten onder de druk van de massa’s genoodzaakt werden om van achter de tafels te voorschijn te komen.

Zonder ook maar één ogenblik hun roeping ontrouw te worden, namen zij echter alleen maar de macht om tegen romantiek en avonturisme te vechten. Zo heet in de mond van deze verraders de sociale revolutie die hun “invloed in de regering” had vergroot. Indien de austromarxisten in 1918 met succes hun historische taak als beschermengel van de Wiener Kreditanstalt tegenover de romantiek van de arbeidersklasse konden vervullen, dan kwam dit slechts omdat zij niet door een werkelijk revolutionaire partij daarin belemmerd werden.

Twee staten die beide uit verschillende nationaliteiten bestaan, nl. Rusland en Oostenrijk-Hongarije, hebben met hun nieuwste geschiedenis de tegenstelling tussen bolsjewisme en austromarxisme laten zien. Vijftien jaar lang verdedigde Lenin in een onverzoenlijke strijd tegen het Groot-Russisch chauvinisme in al zijn schakeringen het recht van alle onderdrukte volkeren om zich van het tsarenrijk af te scheiden. Men beschuldigde de bolsjewieken ervan dat zij ernaar streefden om Rusland te verbrokkelen. Intussen heeft deze stoutmoedig revolutionaire stellingname in het nationale vraagstuk gemaakt dat de onderdrukte kleine en achtergebleven volkeren van het tsaristisch Rusland een onwrikbaar vertrouwen in de bolsjewistische partij kregen. In april 1917 zei Lenin: “Indien de Oekraïners zullen zien dat er een Sovjetrepubliek bij ons bestaat, zullen zij zich niet afscheiden. Maar indien er een republiek van Miljoekov bij ons zal bestaan, zullen zij zich afscheiden.” Ook hierin had hij gelijk. De geschiedenis heeft op schitterende wijze de proef geleverd op twee soorten politiek in het nationale vraagstuk. Terwijl Oostenrijk-Hongarije, waar de arbeidersklasse opgevoed was in een geest van angstvalligheid, bij de eerste de beste schok uiteenviel waarbij het vooral de nationale vleugels van de sociaaldemocratie waren die het initiatief tot dit uiteenvallen namen – ontstond er op de puinhopen van het tsaristisch Rusland een nieuwe staat van verschillende nationaliteiten die economisch en politiek innig verbonden waren door de bolsjewistische partij.

Wat ook de verdere lotgevallen van de Sovjet-Unie zijn, Lenins politiek voor het nationale vraagstuk zal altijd in de geschiedenis van de mensheid blijven voortleven.

De boeren voor de Oktoberrevolutie

De beschaving maakte de boer tot lastpaard. De bourgeoisie veranderde eigenlijk slechts de vorm van de last. Nauwelijks geduld op de drempel van het nationale leven, blijven de boeren eigenlijk ook in de wetenschap buitengesloten. De historicus interesseert zich gewoonlijk evenmin voor de boeren als de toneelcriticus dit doet voor de grauwe figuren die het toneel vegen, hemel en aarde op hun rug dragen en de garderobe van de toneelspelers schoonhouden. De rol die de boeren in vroegere revoluties speelden, is tot op vandaag nagenoeg niet bestudeerd.

“De Franse burgerij begon met de boeren te bevrijden,” schreef Marx in het jaar 1848, “en met de boeren veroverde zij Europa. De Pruisische burgerij was zozeer van haar meest enge en meest directe belangen vervuld, dat zij zich zelfs deze bondgenoot liet ontglippen en tot een werktuig in handen van de feodale contrarevolutie maakte.” In deze vergelijking is het stuk over de Duitse burgerij correct, maar de stelling dat de Franse burgerij “begon met de boeren te bevrijden” is slechts een herhaling van de officiële Franse legende, een legende waarvan de invloed zelfs Marx in zijn tijd meetrok. In werkelijkheid verzette de bourgeoisie in de eigenlijke zin van het woord zich met alle macht tegen de boerenrevolutie. Reeds in de plattelandsinstructie van 1798 werden de meest krasse en stoutmoedige eisen door de plaatselijke leiders van de derde stand onder het voorwendsel van een redactiewijziging geschrapt. De vaak geciteerde besluiten van 4 augustus, die onder de gloed van de branden op het platteland door de Nationale Vergadering genomen waren, bleven lange tijd louter een pathetische verklaring zonder reële inhoud. De Constituerende Vergadering bezwoer de boeren die zich niet om de tuin wilden laten leiden om “naar huis terug te keren om hun plicht te doen en zich met gepaste eerbied tegenover de eigendom” (de feodale!) “te gedragen.” De garde-civiel keerde zich meer dan eens tegen de dorpen om de boeren te onderdrukken. De arbeiders uit de steden die partij voor de opstandelingen kozen, ontvingen de burgerlijke strafexpedities met stenen en dakpannen.

Vijf jaar lang stonden de Franse boeren op alle kritieke momenten van de revolutie op om het gesjacher van de adel met de burgerlijke eigenaren te verhinderen. De Parijse sans-culottes die hun bloed voor de republiek vergoten, bevrijdden de boeren uit de feodale banden. De Franse republiek van 1792 betekende een nieuw sociaal regime, anders dan de Duitse republiek van 1918 of de Spaanse republiek van 1931, die het oude regime minus dynastie betekenen. Het is niet moeilijk in te zien dat de agrarische kwestie de kern van dit fundamenteel verschil vormt.

De Franse boer dacht niet direct aan een republiek: hij wilde de grootgrondbezitter van zich afschudden. De Parijse republikeinen vergaten gewoonlijk het dorp. Enkel de druk van de boeren op de grootgrondbezitters waarborgde echter de vestiging van een republiek, doordat hierdoor de grond van alle oude feodale rommel gezuiverd werd. Een republiek met een adel is geen republiek. Dit had de oude Machiavelli zeer goed begrepen toen hij 400 jaar voordat Ebert president was in zijn Florentijnse ballingschap, tussen lijsterjacht en trictracspel met een slager, de les trok uit de democratische revoluties: “Wie in een land waar veel edelen zijn een republiek wil vestigen, zal dit niet kunnen doen zonder deze eerst allemaal uit te roeien.” De Russische moezjieks waren eigenlijk dezelfde mening toegedaan en zij toonden dit openlijk, zonder enig machiavellisme.

Terwijl Petrograd en Moskou de leidende rol in de beweging van de arbeiders en soldaten vervulden, namen het achtergebleven Groot-Russische landbouwcentrum en het Midden-Wolgagebied de voornaamste plaats in de boerenbeweging in. Hier waren zeer sterke elementen van de overblijfselen van de lijfeigenschap overgebleven, het adellijk grondbezit had een buitengewoon sterk uitgesproken parasitair karakter, de differentiatie van de boeren was niet zo ver gegaan als in andere streken en legde des te meer de armoede in het dorp bloot. In deze streken laait de beweging reeds in maart op en neemt zij terstond de vorm van een terreur aan. Door de bemoeiingen van de regerende partijen wordt zij echter spoedig in verzoeningsgezinde banen geleid.

In het op industrieel gebied achtergebleven Oekraïne kreeg de op export gerichte landbouw een meer modern en daardoor meer kapitalistisch karakter. De differentiatie onder de boeren was hier veel sterker dan in Groot-Rusland. De strijd om nationale bevrijding werkte onvermijdelijk, althans gedurende een zekere tijd, remmend op alle andere vormen van de sociale strijd. De verschillen die er in de territoriale en zelfs nationale verhoudingen bestonden, uitten zich tenslotte echter slechts als verschillen in tijdsduur. Tegen de herfst wordt nagenoeg het gehele land één groot gebied van boerenopstand. De beweging breidde zich uit over 482 van de 684 districten die het oude Rusland vormden ofwel 77%. Zonder de randgebieden mee te tellen waar in sommige opzichten bijzondere agrarische verhoudingen bestaan: het noordelijk district, Transkaukasië, het steppengebied en Siberië, werden 439 van de 481 districten of 91% in de boerenopstand meegesleurd.

De strijdmethoden verschillen naargelang het om velden, bossen of weiden, om pacht of loonarbeid gaat. De strijd verandert van vormen en methoden op verschillende tijdstippen van de revolutie. In het algemeen echter doorloopt de beweging op het platteland, met de onvermijdelijke vertraging, dezelfde twee grote stadia als de beweging in de steden. In de eerste fase passen de boeren zich nog aan het nieuwe regime aan en pogen hun doeleinden door middel van de nieuwe instellingen te bereiken. Ook hier betreft het echter meer de vorm dan de inhoud. Een liberaal blad te Moskou, dat vóór de revolutie volkssocialistisch getint was, gaf met een lovenswaardige openhartigheid uiting aan de gevoelens die in de kringen van de grootgrondbezitters in de zomer van het jaar 1917 bestonden: “De moezjiek kijkt om zich heen, nog doet hij niets, maar let eens goed op zijn ogen, en die ogen zullen u zeggen dat het gehele land rondom hem – zijn land is.”

Een prachtig bewijs van de vreedzame politiek van de boeren is het telegram dat een van de Tambovse dorpen in april aan de Voorlopige Regering zond: “Wij willen in het belang van de verkregen vrijheden ons rustig houden, maar verbiedt dan om vóór de Constituerende Vergadering land van de grootgrondbezitters te verkopen. Anders zullen wij bloed laten vloeien en verhinderen dat anderen de grond bebouwen.”

De moezjiek kon eerder op een onderdanige maar tevens dreigende toon spreken, aangezien hij bij het opkomen voor zijn historische rechten bijna nooit direct met de staat in botsing kwam. Regeringsorganen ter plaatse ontbraken. Over de militie hadden de gemeentecomités zeggenschap. De rechtspraak was gedesorganiseerd. De plaatselijke commissarissen waren machteloos. “Wij hebben u gekozen,” riepen de boeren, “wij zullen u ook weer wegjagen.”

Terwijl zij de strijd in de voorafgaande maanden uitbreiden, komen de boeren in de loop van de zomer steeds dichter bij de burgeroorlog en beginnen deze met hun linkervleugel. Volgens een mededeling van de grondbezitters in het district Taganrog nemen de boeren eigenmachtig de hooioogst in bezit, eigenen zich de grond toe, beletten te ploegen, stellen eigenmachtig de pachtprijzen vast en verdrijven de eigenaars en administrateurs. Volgens het rapport van de commissaris te Nisjegorod volgde de ene gewelddaad en de ene onteigening van akkers en bossen op de andere in het gouvernement. De districtscommissarissen waren bang in de ogen van de boeren verdedigers van de grootgrondbezitters te lijken. De dorpsmilitie is onbetrouwbaar: “Er deden zich gevallen voor waar militiesoldaten zich samen met de menigte aan gewelddaden schuldig maakten.” In het district Schlüsselburg verbiedt het gemeentecomité aan de grondeigenaren om hun eigen bossen te kappen. De boeren denken eenvoudig: geen Constituerende Vergadering zal de omgehakte bomen weer uit de stronken kunnen doen opgroeien. De commissaris beklaagt zich over het wegnemen van de hooioogst: het hooi voor de paarden dient men te kopen! In het gouvernement Koersk verdelen de boeren de reeds gemeste nog braakliggende velden van Teresjtsjenko onder elkaar: de eigenaar ervan is minister van Buitenlandse Zaken. Aan de paardenfokker van het gouvernement Orlov, Schneder, verklaarden de boeren dat zij niet alleen de klaver op zijn landgoed zouden afmaaien, maar ook hemzelf bij de soldaten zouden inlijven. Aan de rentmeester van het landgoed van Rodsjanko gelastte het gemeentecomité de oogst aan de boeren af te staan: “Indien je niet gehoorzaamt aan het landelijk comité, zullen wij optreden en zal je gearresteerd worden.” Handtekening en zegel ontbreken niet.

Van alle kanten stroomde het klachten en jammerkreten: van de slachtoffers, van de plaatselijke autoriteiten en van nobele getuigen. De telegrammen van de grootgrondbezitters zijn een schitterende weerlegging van alle simplistische klassenstrijdtheorieën. Bekende grootgrondbezitters, eigenaren van latifundia, geestelijke en wereldlijke aanhangers van de lijfeigenschap zijn uitsluitend om het algemeen welzijn bezorgd. Niet de boer is de vijand, maar de bolsjewiek en dikwijls de anarchist. Hun eigen landgoederen interesseren de landlords alleen met het oog op de bloei van het vaderland.

Driehonderd leden van de kadettenpartij uit het gouvernement Tsjernigow verklaren: opgehitst door de bolsjewieken jagen de boeren de krijgsgevangenen van hun werk weg en gaan er toe over om zelf eigenmachtig de oogst binnen te halen. Hierdoor dreigt “het onmogelijk te worden om de belastingen te betalen.” De liberale grondbezitters zagen de reden van hun bestaan in een ondersteuning van de staatskas gelegen! Het bijkantoor van de staatsbank in Podolië beklaagt zich over het eigenmachtig optreden van de gemeentecomités, “waarvan de voorzitters Oostenrijkse krijgsgevangenen zijn.” Hier spreekt gekwetste vaderlandsliefde! In het gouvernement Vladimir wordt op het landgoed van de notaris Odinzov “het voor weldadige instellingen in gereedheid gebrachte bouwmateriaal” weggenomen. Het leven van notarissen is immers slechts aan daden van mensenliefde gewijd! De bisschop van Podolië meldt het eigenmachtig wegnemen van hout dat aan het bisschoppelijk huis toebehoort. De opperprocureur beklaagt zich over de onteigening van stukken weiland van het Alexander-Nevskiklooster. De abdis van het klooster van Kislarsk slingert haar banbliksems tegen de leden van de plaatselijke sovjet: deze mengen zich in de aangelegenheden van het klooster, nemen ten eigen bate de pachtgelden in beslag en “stoken de nonnen tegen de overheid op.” In al deze gevallen gaat het om een directe bedreiging van de belangen van de kerk.

Graaf Tolstoj, een van de zonen van Leo Tolstoj, bericht in naam van de bond van landeigenaren in het gouvernement Ufa dat de overgave van de grond aan de landelijke comités, “zonder eerst het besluit van de Constituerende Vergadering af te wachten… een uitbarsting van ontevredenheid teweeg zal brengen… onder de landeigenaars van wie er meer dan 200.000 in het gouvernement zijn.” De voorname grondbezitter is alleen maar bezorgd om zijn kleine broer. Senator Belgardt, landeigenaar in het gouvernement Tver, is bereid om het kappen van hout te dulden, maar betreurt het dat de boeren “zich niet aan de burgerlijke regering willen onderwerpen.” De Tambovse grootgrondbezitter Veljaminov eist de redding van twee landgoederen die dienden “voor de behoeftevoorziening van het leger.” Toevallig zijn het zijn eigen landgoederen. De telegrammen van de landheren uit het jaar 1917 zijn een ware schat voor idealistische filosofen. De materialist zal er veeleer een toonbeeld van cynisme in zien. Hij zal wellicht hieraan toevoegen dat grote revoluties de bezittenden zelfs beletten te huichelen zoals zij dit graag willen doen.

Het beroep van de slachtoffers op districts- en gouvernementsautoriteiten, op de minister van Binnenlandse Zaken en op de voorzitter van de ministerraad, bleef meestal zonder resultaat. Bij wie moest men nu hulp zoeken? Bij Rodsjanko, de voorzitter van de Rijksdoema. De kamerheer voelt zich tussen de Julidagen en de opstand van Kornilov weer een invloedrijk man: veelal gebeuren de dingen op zijn telefonisch bevel.

Ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken sturen een rondschrijven aan de plaatselijke autoriteiten waarin staat dat de schuldigen aan het gerecht overgeleverd moeten worden. Rasechte grootgrondbezitters te Samara telegraferen terug: “Telegrammen zonder ondertekening van de socialistische ministers hebben geen kracht.” Zo blijkt het nut van het socialisme. Tsereteli moet zijn schuchterheid overwinnen: op 18 juli zendt hij een uitvoerige beschikking betreffende het nemen van “snelle en krachtige maatregelen.” Net als de grondbezitters is ook Tsereteli alleen maar bezorgd om het leger en om de staat. De boeren schijnt het echter toe dat Tsereteli de grondbezitters beschermt.

Er komt een verandering in de onderdrukkingsmethoden van de regering. Tot juli had men hoofdzakelijk getracht te overtuigen. Wanneer men ook troepen naar de onrustige gebieden zond, dan gebeurde dit enkel ter bescherming van de spreker van de regering. Na de overwinning over de Petrogradse arbeiders en soldaten werden cavalerietroepen, ditmaal zonder bemiddelaar, direct ter beschikking van de grondbezitters gesteld. In het gouvernement Kazan, dat een van de meest onrustige was, lukte het – volgens de jonge historicus Joegov – slechts “door arrestaties, inkwartiering van gewapende soldaten in de dorpen, ja zelfs wederinvoering van de lijfstraf… om de boeren een tijdlang ertoe te dwingen zich rustig te houden.” Ook op andere plaatsen blijven de represaillemaatregelen niet zonder uitwerking. Het aantal van de bij de onlusten betrokken landgoederen nam in juli enigszins af: van 516 tot 503. In augustus wist de regering meerdere successen te boeken: het aantal onrustige districten daalde van 325 tot 288, d.w.z. 11%. Het aantal landgoederen dat onder de onlusten te lijden had, daalde zelfs met 33%.

Sommige van de gebieden die tot nu toe het meest onrustig waren, werden kalm of traden op de achtergrond. Daarentegen trokken nu gebieden die gisteren nog betrouwbaar waren ten strijde. Nog geen maand geleden gaf de commissaris van Pensa een geruststellende beschrijving: “In de dorpen is men bezig met het binnenhalen van de oogst… Men bereidt zich voor op de verkiezingen voor de gemeentelijke Zemstvo’s. De periode van de regeringscrisis is rustig verlopen. De vorming van een nieuwe regering is gunstig opgenomen.” In augustus reeds is er niets meer van deze idylle over: “Massale plunderingen van tuinen en stroperijen… Er moet wapengeweld gebruikt worden om een einde aan de onlusten te maken.”

Over het geheel genomen behoort de beweging in de zomer nog altijd tot de “vreedzame” periode. Er zijn echter reeds weliswaar zwakke, maar toch onmiskenbare symptomen van een radicalisering in haar te bespeuren: terwijl directe overvallen op landgoederen in de eerste vier maanden in aantal afnemen, beginnen zij in juli weer toe te nemen. De onderzoekers noemen in het algemeen de conflicten in juli in onderstaande volgorde: inbezitnemingen van weiden, oogsten, levensmiddelen en veevoeder, akkerland en inventaris; strijd om de wijzen van verpachting; plunderingen van landgoederen. In augustus: inbezitnemingen van oogsten, levensmiddelen en voorraden veevoeder, weiden en hooi, land en bos; agrarische terreur.

Begin september herhaalt Kerenski, in zijn hoedanigheid van opperbevelhebber, in een afzonderlijke legerorder weer eens de nog onlangs door zijn voorganger Kornilov geuite argumenten en dreigementen tegen de “gewelddaden van de boeren.” Enkele dagen later schrijft Lenin: “Of… alle grond terstond aan de boeren… of de grootgrondbezitters en kapitalisten… zullen het tot een ontzettend bloedige boerenopstand laten komen.” Dit laatste werd in de loop van de volgende maand werkelijkheid.

Het aantal landgoederen dat door de onlusten op het platteland geteisterd werd, steeg in september vergeleken met augustus met 30%, in oktober vergeleken met september met 43%. Meer dan één derde van alle sinds maart vermelde conflicten op het platteland valt in september en de drie eerste weken van oktober. Zij waren echter veel meer in scherpte dan in aantal toegenomen. In de eerste maanden had men zelfs openlijke onteigeningen van enkele afzonderlijke grondstukken toch nog gegoten in de vorm van overeenkomsten, verzacht en gedekt door de verzoeningsgezinde organen. Nu valt het legale masker weg. De beweging krijgt overal een uitdagend karakter. De boeren gaan van verschillende soorten en gradaties van druk over tot gewelddadige onteigeningen van gedeelten van de landgoederen, tot plunderingen van de verblijven van de adel, tot brandstichtingen op de hoeven, zelfs tot moorden op de eigenaars en de rentmeesters. De conflicten om een verandering in de pachtvoorwaarden die in juni het aantal plunderingen nog te boven gaan, vormen in oktober niet meer dan één veertigste van het aantal plunderingen, waarbij bovendien de beweging van de pachters van karakter verandert doordat zij slechts een andere methode tot verdrijving van de grootgrondbezitters wordt. Het verbod van koop en verkoop van grond en bos maakt plaats voor de directe inbezitneming. De gevallen van kappen en afmaaien op grote schaal krijgen het karakter van een stelselmatige vernietiging van de grootgrondeigendom. In september worden er 297 gevallen van openlijke plunderingen van landgoederen gemeld. Zij maken reeds meer dan één achtste van alle conflicten uit. Tweeënveertig procent van alle gevallen van plundering die door de militie tussen de Februari- en Oktoberrevolutie gerapporteerd werden, hebben in oktober plaats.

De strijd om de bossen nam een bijzonder verbitterd karakter aan. De dorpen brandden dikwijls tot op de grond toe af. Het tot bouwmateriaal bestemde hout werd zwaar bewaakt en duur verkocht. De boeren snakten naar hout. Bovendien werd het tijd om houtvoorraden voor de winter op te slaan. Uit de gouvernementen Moskou, Nisjegorod, Petrograd, Orel, Wolhynië, uit alle hoeken van het land, komen klachten over plunderingen van de bossen en gewelddadige diefstal van gereedgemaakte houtvoorraden. “De boeren kappen eigenmachtig en op onbarmhartige wijze de bossen.”“Tweehonderd desjatinen bos van de grootgrondbezitters zijn door de boeren verbrand.”“De boeren van de districten Klimovitsj en Tsjerikov verwoesten het bos en vernielen de winterzaai…” De bewakers van de bossen redden zich door de vlucht. Het bos van de adel kreunt, houtspaanders vliegen door het gehele land. De bijl van de boeren slaat gedurende de herfst een koortsachtige revolutieroffel.

In de brood importerende districten op het platteland verslechterde de levensmiddelenvoorziening nog meer dan in de steden. Er was niet alleen gebrek aan levensmiddelen, maar ook aan zaad. In de exporterende districten is de toestand tengevolge van de intensieve kunstmatig opgedreven uitvoer van levensmiddelenvoorraden niet veel beter. De stijging van de graanprijzen treft de armen het meest. In een aantal gouvernementen beginnen hongeroproeren, plunderingen van de graanopslagplaatsen en overvallen op de instellingen voor de levensmiddelendistributie. De bevolking neemt haar toevlucht tot surrogaten in plaats van brood. Gevallen van scheurbuik en tyfus, zelfmoorden uit wanhoop worden gemeld. Honger of het spook van de honger maken het ondragelijk om welstand en luxe vlak naast zich te hebben. De bevolkingsgroepen in de dorpen die het meest van de nood te lijden hebben, gaan voorop.

De golven van verbittering woelen ook heel wat modder op. In het gouvernement Kostroma ziet men “Zwarte Honderd- en antisemitische propaganda. De misdaad neemt toe… De belangstelling voor de politiek neemt zichtbaar af.” Deze laatste zin in het rapport van de commissaris betekent dat de gegoede klassen de revolutie de rug toekeren. Plotseling hoort men uit het gouvernement Podolië een uiting van Zwarte Honderd-monarchisme: het comité van het dorp Demodowka erkent de Voorlopige Regering niet en beschouwt keizer Nicolai Alexandrovitsj als de “trouwste leider van het Russische volk.” Indien de Voorlopige Regering niet aftreedt, “sluiten wij ons bij de Duitsers aan.” Een dergelijke openlijke uitspraak staat nog op zich zelf. De monarchisten onder de boeren hadden samen met de grootgrondbezitters reeds lang een andere kleur aangenomen. Hier en daar, bijvoorbeeld in datzelfde Polodië, plunderen de troepen samen met de boeren de jeneverstokerijen. De commissaris rapporteert anarchie. “Dorpen en mensen gaan ten onder en de revolutie gaat ten onder.” Neen, de revolutie is er verre van ten onder te gaan. Zij baant zich slechts een diepere bedding. Haar kokende wateren naderen de monding.

In de nacht van 8 oktober gaan de boeren van het dorp Sytsjev in het gouvernement Tambov met knuppels en hooivorken van boerderij tot boerderij en roepen jong en oud bijeen om de grootgrondbezitter Romanov te plunderen. Een groep stelt in de gemeenteraad voor om het landgoed op regelmatige wijze in bezit te nemen, de inventaris onder de bevolking te verdelen en de gebouwen voor culturele doeleinden in stand te houden. De armen eisen dat het landgoed in brand wordt gestoken zodat geen steen op de andere blijft. De armen vormen de meerderheid. In diezelfde nacht waren de landgoederen van de gehele gemeente één vlammenzee. Alles wat niet vuurvast was, werd in de as gelegd. Zelfs het proefveld moest eraan geloven en het fokvee werd afgeslacht. “Men zuipt als waanzinnigen.” Het vuur sloeg over van de ene dorpsgemeente op de andere. Het plattelandsleger was niet meer tevreden met de ouderwetse hooivorken en zeisen. De gouvernementscommissaris telegrafeert: “Boeren en onbekende personen die gewapend zijn met revolvers en handgranaten plunderen de landgoederen in de districten Ranenburg en Rjasjk.” De moderne techniek is door de oorlog in de boerenopstand gebracht. De bond van grondbezitters meldt dat er op drie dagen tijd 24 landgoederen in brand gestoken zijn. “De plaatselijke autoriteiten zijn niet in staat om de orde te herstellen.” Een afdeling militairen die door de bevelhebber van het leger gezonden was, komt met vertraging aan. De staat van beleg wordt afgekondigd, vergaderingen worden verboden en de onruststokers worden gearresteerd. De sloten liggen vol voorwerpen uit de landhuizen en de rivieren slepen veel geroofde dingen mee.

De boer Begisjev uit Pensa vertelt: “In september trokt iedereen op naar het landgoed Lochvin (dit was ook reeds in 1905 geplunderd) om dit te plunderen. Een karavaan van mensen en trekdieren trok van het landgoed weg, honderden boeren en dorpsvrouwen dreven en leidden het vee weg, voerden het graan mee.” De troep militairen die door het Zemstvobestuur opgeëist was, trachtte het een en ander van het geplunderde te redden, maar ongeveer 500 vrouwen en boeren kwamen in de gemeente bijeen en de troep verwijderde zich. De soldaten waren er klaarblijkelijk niet zo erg happig op om de landheer weer in zijn rechten te herstellen.

Vanaf eind september begonnen, naar de boer Haponenko zich herinnert, de boeren in het Taurische gouvernement “waren” te plunderen, inspecteurs weg te jagen, koren uit de opslagplaatsen, vee en huisraad weg te nemen. “Zelfs ramen en deuren van de gebouwen, vloeren uit de kamers en zinkdaken werden afgerukt en meegenomen… Aanvankelijk kwam men slechts te voet, nam de dingen mee en droeg ze weg,” vertelt de boer Groenjko uit Minsk, “terwijl men later paarden inspande indien men die had, en hele rijen wagens met volle ladingen wegreden. Onafgebroken… Om 12 uur ’s middags begon men en zo vervoerde en droeg men twee dagen en nachten lang zonder zich rust te gunnen. In deze achtenveertig uren werd alles volledig leeggehaald.” De inbezitneming van landgoederen en have werd, volgens de Moskouse boer Koesmitsjev, als volgt verdedigd: “Het was onze landeigenaar, wij hebben voor hem gewerkt, en het vermogen dat hij had moet aan ons allen toebehoren.” Vroeger zei de edelman tegen zijn lijfeigenen: “Jullie behoren mij toe en wat jullie hebben, is van mij.” Nu klonk het uit de mond van de boeren: “De heer is van ons en zijn have en goed behoren ons toe.”

“Op enkele plaatsen begon men de grootgrondbezitters in hun rust te storen,” herinnert zich een andere boer uit Minsk, Novikov. “Steeds vaker brandden de landgoederen af.” Het landgoed van de grootvorst Nicolai Nicolajevitsj, de vroegere opperbevelhebber, kwam aan de beurt. “Toen men alles weggenomen had wat er weg te nemen viel, begon men de ovens weg te breken, de kleppen van de ovens eraf te halen, vloeren en planken naar buiten te dragen en dit alles naar huis te slepen…”. Achter deze daden van afbraak stond de oeroude, eeuwenoude gedachte van alle boerenoorlogen: de versterkte posities van de vijand tot op de grond toe vernietigen en geen plaats overlaten waar hij zich rustig kan vestigen. De meer verstandigen zeiden, naar de boer Zygankov zich herinnert: “Men moet de gebouwen niet verwoesten, want wij zullen die nodig hebben… voor scholen en ziekenhuizen, maar degenen die riepen dat men alles moest vernietigen zodat er in geen geval een schuilhoek meer voor onze vijanden zou overblijven, waren in de meerderheid.” – “De boeren eigenden zich de gehele have van de landheren toe,” deelt de boer Svatsjenko uit Orlov mee, “joegen de grootgrondbezitters van de landgoederen, braken de vensters, deuren, vloeren en plafonds uit de landhuizen (…) De soldaten zeiden dat men niet alleen de wolfsholen moest uitroeien maar ook korte metten moest maken met de wolf. De voornaamste en machtigste grootgrondbezitters hielden zich met het oog op dergelijke dreigementen verborgen en dit is de reden dat er geen moorden op grootgrondbezitters voorgekomen zijn.”

In het dorp Salessje, in het gouvernement Wytebsk, stak men opslagplaatsen vol koren en hooi in brand op een landgoed dat aan de Fransman Bernard toebehoorde. De boeren hadden er geen lust in om een verschil te maken wat betreft nationaliteit, vooral niet omdat vele grootgrondbezitters zich gehaast hadden om hun grond en bodem op naam van buitenlanders, die namelijk bepaalde privileges genoten, over te schrijven. “Het Franse gezantschap verzoekt maatregelen te nemen.” In de landstreken die vlak bij het front lagen, was het midden oktober moeilijk om “maatregelen” te nemen, zelfs al wilde men het Franse gezantschap ter wille zijn.

De plundering van een groot landgoed bij Rjasan duurde vier dagen en “aan de plunderingen werd zelfs door kinderen deelgenomen.” De bond van de grootgrondbezitters bracht de regering ervan op de hoogte dat er zonder maatregelen “lynchpartijen, honger en burgeroorlog zouden volgen.” Het is niet duidelijk waarom de grootgrondbezitters nog altijd in de toekomstige tijd over een burgeroorlog spreken.

Op het congres van de coöperaties begin september zei Berkenheim, een van de leiders van de sterke groep handeldrijvende boeren: “Ik ben ervan overtuigd dat Rusland nog niet geheel een gekkenhuis geworden is en dat het voorlopig voornamelijk alleen de bevolking in de grote steden is die het verstand verloor.” Deze zelfgenoegzame uitlating van het degelijke en conservatieve deel van de boeren kwam hopeloos te laat: juist in die maand verloor het dorp elk gezond verstand en stelde het wat woestheid in de strijd betreft alle “gekkenhuizen” van de steden in de schaduw.

In april had Lenin het nog voor mogelijk gehouden dat de patriottische coöperators en boeren de grote massa van de boeren op de weg van een verzoening met de bourgeoisie en grootgrondbezitters zouden kunnen meeslepen. Des te krachtiger drong hij daarom aan op de vorming van aparte sovjets van landarbeidersafgevaardigden en zelfstandige organisaties van de armste boeren. In de volgende maanden bleek echter meer en meer dat dit deel van de bolsjewistische politiek geen succes had. Afgezien van de Oostzeeprovincies bestonden er in het geheel geen landarbeiders-sovjets. Ook de arme boeren wisten geen eigen organisatievorm te vinden. Indien men dit slechts zou willen verklaren uit de achterlijkheid van de landarbeiders en de armste bevolkingsgroepen in de dorpen, zou men niet de kern van de zaak raken. De voornaamste reden was gelegen in het wezen van de historische taak zelf: in de democratische agrarische revolutie.

Bij de twee belangrijkste kwesties, namelijk die van de pacht en die van de loonarbeid, komt het meest duidelijk tot uiting hoe de algemene belangen in de strijd tegen de overblijfselen van de lijfeigenschap het niet alleen de arme boeren maar ook de landarbeiders onmogelijk maakten om een zelfstandige politiek te voeren. De boeren hadden van de grootgrondbezitters in Europees Rusland 27 miljoen desjatinen gepacht, ongeveer 60% van de totale grond die in privaateigendom was, en daarvoor een jaarlijkse pachtsom van 400 miljoen roebel betaald. De strijd tegen de schandelijke pachtvoorwaarden werd na de Februarirevolutie het voornaamste onderdeel van de boerenbeweging. Een meer ondergeschikte, maar toch nog zeer belangrijke plaats nam de strijd van de landarbeiders in. Deze strijd botste niet alleen met de uitbuiting door de landheren, maar kwam ook in conflict met de boeren. De pachter vocht voor een verzachting van de pachtvoorwaarden, de landarbeider voor een verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Beiden gingen elk op hun manier van een erkenning van de grootgrondbezitter als eigenaar en heer uit. Vanaf het ogenblik echter waarop het mogelijk werd om de zaak door te zetten, d.w.z. de grond weg te nemen en zichzelf erop te vestigen, hield de belangstelling van de arme boeren voor pachtkwesties op en begonnen de vakverenigingen hun aantrekkingskracht voor de landarbeiders te verliezen. Het waren juist de landarbeiders en arme boeren die, door zich bij de overige beweging aan te sluiten, de boerenoorlog krachtig en onweerstaanbaar maakten.

Niet met dezelfde vaart werd ook de tegenovergestelde pool in het dorp door de veldtocht tegen de grootgrondbezitters meegesleurd. Zolang het nog niet tot een openlijke opstand gekomen was, speelden de rijkere groepen onder de boeren een belangrijke en soms zelfs een leidende rol in de beweging. In de herfst keken de rijke boeren echter meer en meer wantrouwend naar de zich uitbreidende boerenoorlog: zij wisten niet hoe het zou aflopen, zij hadden iets te verliezen en zij trokken zich terug. Zij konden zich echter niet volkomen terugtrekken: dit liet het dorp niet toe.

Meer gesloten en vijandig dan de “eigenbezitters”, de koelakken, gedroegen zich de kleine en buiten de gemeente vallende grondbezitters. Doorheen het land waren er 600.000 boerderijen van slechts 50 desjatinen groot. Zij vormden op vele plaatsen de ruggengraat van de coöperaties en waren vooral in het zuiden politiek geörienteerd op de conservatieve boerenbond die reeds een brug naar de kadetten vormde. “De uit de gemeente afgescheiden boeren en de rijke boeren ondersteunden,” volgens de boer Goelis uit Minsk, “de grootgrondbezitters en trachtten de boeren met woorden te kalmeren.” Op vele plaatsen had de strijd onder de boeren tengevolge van plaatselijke omstandigheden reeds voor de Oktoberrevolutie een grimmig karakter aangenomen. Het meest leden de uit de gemeente afgescheiden boeren daaronder. “Bijna alle hoeven,” verhaalt de boer Koesmitsjev uit Nisjegorod, “waren platgebrand en de have deels vernield, deels door de boeren weggesleept.” De eigenaar van zo’n hoeve was “dienaar van de landheer en boswachter voor meerdere bosdistricten van de landheer; een lieveling van de politie, de gendarmerie en zijn landheren.” De rijkste boeren en de kooplieden in verschillende gemeenten van het district Nisjegorod namen in de herfst de vlucht en keerden pas twee, drie jaar later naar hun dorpen terug.

In het grootste deel van het land verscherpten de interne verhoudingen in het dorp zich echter lang niet in die mate. De koelakken gedroegen zich voorzichtig, trachtten te remmen en tegen te houden en deden hun best om van hun vijandigheid tegenover de “mir” (de gemeente) niet al te veel te laten blijken. Het dorp van zijn kant keek in het algemeen zeer afgunstig naar de koelakken en belette deze om zich met de grootgrondbezitters te verenigen. De strijd tussen de edellieden en de boeren om de invloed op de koelakken duurt gedurende het gehele jaar 1917 voort in de meest verschillende vormen, van “vriendschappelijke beïnvloeding” tot de meest verbitterde terreur.

Terwijl de eigenaars van de latifundium met alle mogelijke vleierijen de deuren van de vergadering van de adel voor de rijke boeren openzetten, probeerden de kleine grondbezitters zich demonstratief van de adel af te scheiden om niet samen ermee ten onder te gaan. In de politiek kwam dit tot uiting in het feit dat de grootgrondbezitters die vóór de revolutie tot de uiterst rechtse partijen behoorden, zich nu als liberalen voordeden. Ze deden dit omdat zij zich van vroeger herinnerden dat dit een voortreffelijke dekmantel was.  De grondbezitters onder de boeren, die vroeger meermaals de kadetten ondersteund hadden, gingen nu naar links.

Het congres van de kleine grondbezitters in het gouvernement Perm scheidde zich in september radicaal af van het Moskouse congres van de grootgrondbezitters, dat geleid werd door “graven, vorsten en baronnen.” De bezitter van vijftig desjatinen zei: “De kadetten hebben nooit schoenen geweven van schors gedragen en zullen daarom nooit onze belangen vertegenwoordigen.” Terwijl zij zich van de liberalen afwendden, zochten de werkende grondbezitters “socialisten” die voor de eigendom opkwamen. Een van de afgevaardigden sprak zich voor de sociaaldemocratie uit. “De arbeider? Geef hem een stuk grond en hij komt in het dorp en heeft dan geen bloedspuwingen meer.” Vanzelfsprekend ging het hier om de mensjewieken. “Wij geven onze grond aan niemand weg. Enkel wie de grond makkelijk heeft verkregen, zoals bijvoorbeelde de grootgrondbezitter, kan er zich ook gemakkelijk van losmaken. De boer heeft zijn grond echter moeizaam verkregen.”

In deze herfstperiode streed het dorp tegen de koelakken zonder deze van zich af te stoten, maar dwong het hen integendeel om zich bij de overige beweging aan te sluiten en deze tegen de slagen van rechts te dekken. Er deden zich zelfs gevallen voor waar de weigering om deel te nemen aan een plundering met de dood van de weerspannige gestraft werd. De koelak trachtte er zolang dit kon aan te ontkomen, maar op het allerlaatste moment spande hij – zich nog eens op zijn hoofd krabbend – zijn weldoorvoede paarden voor de met ijzer beslagen wagen en reed om zijn aandeel te halen. Dit bleek niet zelden het leeuwenaandeel te zijn. “Het zijn voornamelijk de rijke boeren die over paarden en werkkrachten beschikten die geprofiteerd hebben,” vertelt de boer Begisjev uit Pensa. Ook de boer Savtsjenko zegt vrijwel hetzelfde: “Vooral de koelakken die weldoorvoed waren en wagens hadden om het hout weg te voeren, hebben geprofiteerd…”

Volgens de berekening van Vermenitsjev stonden er tegenover 4.954 landbouwconflicten met grootgrondbezitters tussen februari en oktober slechts 324 conflicten met de bourgeoisie onder de boeren. Een opvallende verhouding! Het staat absoluut vast dat de boerenbeweging van 1917 wat haar sociale betekenis betreft niet tegen het kapitalisme, maar tegen de overblijfselen van de lijfeigenschap gericht was. De strijd tegen de koelakken ontwikkelt zich pas later, in 1918 na de definitieve liquidatie van het grootgrondbezit.

Het zuiver democratisch karakter van de boerenbeweging dat de officiële democratie op het eerste gezicht een onweerstaanbare kracht had moeten geven, openbaarde duidelijker dan wat ook haar volslagen rotheid. Om van bovenaf te beginnen, overal stonden sociaal-revolutionairen aan het hoofd van de boeren. De boeren kozen hen, gingen hand in hand met hen en versmolten bijna met hen. Op het congres van de boerensovjets in mei kreeg Tsjernov bij de verkiezingen voor het Uitvoerend Comité 810 stemmen, Kerenski 804, terwijl Lenin het in totaal slechts tot 20 stemmen wist te brengen. Tsjernov noemde zich niet voor niets boerenminister! Maar ook niet voor niets werd de strategie van de boeren spoedig een geheel andere dan die van Tsjernov.

De economische verbrokkeling maakt de boeren die zo vastberaden in de strijd tegen een bepaalde afzonderlijke landeigenaar zijn, machteloos tegenover de staat die de veralgemening van de landeigenaar is. Vandaar de natuurlijke neiging van de moezjiek om zich aan de sprookjesstaat tegenover de werkelijke staat vast te klampen. Vanouds schiep hij zich valse tsaren en sloot zich aaneen om de gouden vrijbrief van de tsaar of om de mythe van de “rechtvaardige moeder aarde”. Na de Februarirevolutie schaarde hij zich om de sociaalrevolutionaire slogan “Land en Vrijheid” en zocht bij deze hulp tegen de liberale grootgrondbezitters die nu commissaris geworden waren. Het narodniki-programma stond tot de werkelijke Kerenski-regering als de valse tsarenvrijbrief tot de werkelijke absolute vorst.

Het sociaal-revolutionaire programma bevatte steeds veel punten die utopisch waren: men wilde het socialisme op de grondslag van een primitieve warenhuishouding vestigen. De grondslag van het programma was echter democratisch-revolutionair: onteigening van de grond van de landeigenaren. Geplaatst voor de noodzakelijkheid om het programma uit te voeren, raakte de partij in coalities verstrikt. Niet alleen de grootgrondbezitters, maar ook de bankiers onder de kadetten keerden zich onverbiddelijk tegen een inbeslagname van de grond: er was niet minder dan vier miljard roebel van de banken in de grond gestoken. Daar zij van plan waren om, weliswaar via onderhandelingen met de grootgrondbezitters in de Constituerende Vergadering, tot een overeenstemming te komen, deden de sociaal-revolutionairen ijverige pogingen om de moezjiek van de grond af te houden. Zij struikelden zodoende niet over het utopisch karakter van hun socialisme, maar over het democratisch tekort daarvan. Er zouden jaren nodig geweest zijn om dit utopisme te laten zien. Hun verraad aan de agrarische democratie bleek echter reeds in de loop van enkele maanden: de boeren moesten onder een regering van de sociaal-revolutionairen tot een opstand overgaan om het sociaal-revolutionaire plan te verwezenlijken.

In juli, toen de regering met represaillemaatregelen tegen het dorp optrad, haastten de boeren in de eerste opwinding zich om steun bij diezelfde sociaal-revolutionairen te zoeken. De maand van de grootste verzwakking van de bolsjewieken in de stad wordt een maand van de grootste expansie van de sociaal-revolutionairen in het dorp. De grootste organisatorische successen vielen, zoals dat meestal en vooral in tijden van revolutie het geval blijkt te zijn, samen met het begin van een politieke achteruitgang. Terwijl zij bij de sociaal-revolutionairen bescherming tegen de slagen van de sociaal-revolutionaire regering zochten, verloren de boeren steeds meer hun vertrouwen in de regering en de partij. Zo werd de vlucht die de sociaal-revolutionaire organisaties op het platteland namen verderfelijk voor deze allesomvattende partij die van onderop muitte en van bovenaf onderdrukte.

In de vergadering van de Militaire Organisatie die op 30 juli te Moskou gehouden werd, zei een afgevaardigde van het front, die zelf sociaal-revolutionair was, dat de boeren zich nog altijd tot de sociaal-revolutionairen rekenen maar dat er toch reeds een kloof tussen hen en de partij was ontstaan. De soldaten bevestigen dat de boeren zich onder invloed van de sociaal-revolutionaire propaganda nog altijd vijandig tegenover de bolsjewieken gedragen, maar dat zij de vraagstukken van de grond en de regering in werkelijkheid op bolsjewistische wijze oplossen. De bolsjewiek Povolsjski, die in het Wolgagebied werkzaam was, verklaart dat de meest prominente sociaal-revolutionairen die aan de beweging van 1905 deelnamen zich steeds meer op de achtergrond gedrongen voelden: de boeren noemden hen “de oudjes”, betoonden hen nog wel de nodige eerbied, maar stemden naar eigen inzicht. Stemmen en handelen “naar eigen inzicht,” dat leerden de arbeiders en soldaten aan het dorp.

De revolutionaire invloed van de arbeiders op de boeren is onmogelijk juist te beoordelen: deze had een permanent, natuurlijk, alles doordringend en daarom bepaald karakter. De onderlinge beïnvloeding werd vergemakkelijkt doordat een groot deel van de industriële ondernemingen op het platteland gevestigd was. Zelfs de arbeiders van Petrograd, de meest Europese van alle steden, onderhielden nauwe betrekkingen met de dorpen waar zij vandaan kwamen. De werkloosheid die gedurende de zomermaanden toenam en de uitsluitingen door de ondernemers dreven vele duizenden arbeiders naar het platteland: de meeste van hen werden propagandisten en leiders.

In de maanden mei en juni ontstaan er in Petrograd arbeiders-landmanschappen die ingedeeld zijn naar gouvernementen, districten en zelfs dorpsgemeenten. In de bladen vindt men kolommen vol met aankondigingen van landmanschapsvergaderingen, waarin berichten over tochten naar de dorpen voorkomen, aan de gedelegeerden aanwijzingen gegeven en geldmiddelen voor de propaganda bijeengebracht worden. Kort vóór de revolutie verenigden de landmanschappen zich rond een apart centraal bureau onder leiding van de bolsjewieken. De landmanschapsbeweging breidde zich spoedig uit over Moskou, Tver en een aantal andere industriesteden.

De soldaten speelden echter nog een grotere rol bij de directe beïnvloeding van het dorp. Eerst onder de kunstmatig geschapen levensvoorwaarden aan het front en in de kazerne kwamen de jonge boeren, tot op zekere hoogte hun isolement overwinnend, direct in aanraking met de problemen van de staat als zodanig. Toch was ook hier hun politieke onzelfstandigheid merkbaar. Terwijl zij onvermijdelijk onder de leiding van patriottische en conservatieve intellectuelen geraakten en poogden zich van deze te bevrijden, trachtten de boeren zich in het leger apart van de overige sociale groepen aaneen te sluiten. De autoriteiten zagen zulke strevingen niet graag, het ministerie van oorlog legde moeilijkheden in de weg, de sociaal-revolutionairen kwamen hen niet te hulp – het was moeilijk voor de sovjets van boerenafgevaardigden om vaste voet in het leger te krijgen. Zelfs onder de meest gunstige voorwaarden is de boer niet in staat om zijn overweldigende kwantiteit in een politieke kwaliteit om te zetten!

Alleen in de grote revolutionaire centra, onder directe invloed van de arbeiders, lukte het de sovjets van de boerensoldaten enig werk van betekenis te doen. Zo zond de boeren-sovjet in Petrograd van april 1917 tot 1 januari 1918 maar liefst 1.935 propagandisten met bijzondere opdrachten naar het platteland en ongeveer een even groot aantal reisde zonder bepaalde opdracht. De afgevaardigden bezochten 65 gouvernementen. In Kronstadt ontstonden onder de matrozen en soldaten, naar het voorbeeld van de arbeiders, landmanschappen die aan de afgevaardigden papieren verschaften die recht gaven op kosteloos vervoer per spoor en per schip. De particuliere spoorwegen erkenden deze papieren zonder bezwaar, maar op de staatsspoorwegen deden zich conflicten voor.

De officiële afgevaardigden van de organisaties waren niettemin slechts een druppel in de zee van boeren. Oneindig veel groter was het werk van die honderdduizenden en miljoenen soldaten die de garnizoenen aan het front en in het achterland eigenmachtig verlieten en de kernachtige slogans uit de redevoeringen op de meetings in hun oren geknoopt hadden. Zij die aan het front zwegen, werden thuis in het dorp sprekers. Er was geen gebrek aan gretige toehoorders. “Er voltrok zich,” naar de Moskouse bolsjewiek Moeralov meedeelt, “onder de boeren rondom Moskou een grote zwenking naar links… Het wemelde in de rondom Moskou gelegen dorpen en gehuchten van deserteurs van het front; ook de proletariërs uit de grote stad die nog niet alle banden verbroken hadden, vertoonden zich daar.” “Het dorp Kaloega werd,” vertelt de boer Naumtsjenkov, “door de soldaten die in de maanden juni en juli om diverse redenen van het front kwamen uit zijn slaap gewekt.” De commissaris van Nisjegorov meldde dat “de onrechtmatige daden en onwettigheden in het gouvernement altijd met het opduiken van deserteurs, verlofgangers of afgevaardigden van de regimentscomités samenvielen.” De opperste rentmeester van vorstin Barrjstinski in het district Solotonosj klaagt in augustus over het eigenmachtig optreden van het landelijk comité met de Kronstadtse matroos Gatran als voorzitter. “De soldaten en matrozen die met verlof komen, maken,” naar de commissaris van het district Boegoelminsk meldt, “propaganda met de bedoeling om anarchie en pogromstemmingen te verwekken.” – “In het dorp Belogosj, in het district Mglin, verbood de daar aangekomen matroos op eigen gezag het hout en de balken uit de bossen te bewerken of weg te voeren.” Indien de soldaten de strijd al niet begonnen, dan brachten zij hem ten einde. In het district Nisjegorod bedreigden de boeren het nonnenklooster, maaiden de weiden af, braken de hekken af en vielen de nonnen lastig. De abdis trad krachtig op en politietroepen leidden de boeren weg om doodgeschoten te worden. “Zo ging het,” schrijft de boer Arbekov, “tot aan de komst van de soldaten. De soldaten van het front vatten direct de koe hij de horens: het klooster werd ontruimd.” “In het gouvernement Mohilev waren,” naar de boer Bobkov meedeelt, “de van het front teruggekeerde soldaten de voornaamste leiders in het comité en gingen zij voorop bij de verdrijving van de grootgrondbezitters.”

De frontsoldaten kwamen met de heftigheid en de vastberadenheid van personen die gewend zijn met geweren en bajonetten tegen mensen op te treden. Zelfs de soldatenvrouwen werden door de vechtlustige stemming van de mannen aangestoken. “In september was er,” naar de boer Begisjev uit Pensa meedeelt, “een sterke beweging onder de soldatenvrouwen en in de dorpsvergaderingen drongen zij op plunderingen aan.” Dit kon men ook in andere gouvernementen waarnemen. De soldatenvrouwen waren ook in de steden dikwijls de drijvende kracht.

De gevallen waarin soldaten bij de onlusten onder de boeren de leiding hadden, bedroegen volgens de berekening van Vermenitsjev in maart één procent, in april acht, in september dertien en in oktober zeventien procent. Deze statistiek maakt geen aanspraak op volledigheid, maar laat zeer goed de algemene ontwikkelingsgang zien. Het sussen van de sociaal-revolutionaire onderwijzers, schrijvers en ambtenaren maakte plaats voor de leiding van de voor niets terugdeinzende soldaten.

De vroeger vooraanstaande Duitse marxistische schrijver Parvus, die in de oorlog grote rijkdommen wist te vergaren en zijn principes en scherp inzicht overboord wist te gooien, vergeleek de Russische soldaten met middeleeuwse lansknechten, plunderaars en rovers. Om dit te kunnen beweren, moest men wel blind zijn voor het feit dat de Russische soldaten bij al hun excessen slechts de voltrekkers waren van de grootste agrarische revolutie die de geschiedenis ooit gekend heeft.

Zolang de beweging nog niet definitief met de wettelijkheid gebroken had, droeg het zenden van troepen naar het platteland meer een symbolisch karakter. In werkelijkheid waren alleen de Kozakken bruikbaar om de beweging te onderdrukken. “Vierhonderd Kozakken zijn naar het district Serdob gezonden… Deze maatregel had een kalmerende werking. De boeren verklaren dat zij de Constituerende Vergadering zullen afwachten,” schrijft het liberale blad “Roesskoje Slowo” op 11 oktober. Vierhonderd Kozakken – inderdaad een argument voor de Constituerende Vergadering! Er waren echter niet genoeg Kozakken en bovendien begonnen ook zij te wankelen. De regering zag zich intussen steeds vaker ertoe genoodzaakt krachtige maatregelen te nemen. Vermenitsjev telt in de eerste vier maanden zeventien gevallen van troepenzendingen tegen de boeren; in juli en augustus negenendertig, in september en oktober honderdenvijf gevallen.

Met wapengeweld tegen de boeren optreden, was olie op het vuur. In de meeste gevallen liepen de soldaten naar de zijde van de boeren over. De districtscommissaris van het gouvernement Podolië meldt: “Legerorganisaties, ja zelfs gehele troepenafdelingen nemen besluiten in sociale en economische aangelegenheden, dwingen(?) de boeren tot onteigeningen en tot het kappen van bossen over te gaan en nemen zelfs deel aan plunderingen… De plaatselijke troepenafdelingen weigeren tegen de gewelddaden op te treden…” Zo vernietigde de opstand van het dorp de laatste samenhang in het leger. Er kon geen sprake van zijn dat het leger bij een burgeroorlog waarin de arbeiders de leiding hadden, zou dulden dat zij tegen de opstand in de steden gebruikt werden.

De boeren horen pas van de arbeiders en soldaten het nieuws over de bolsjewieken dat de sociaal-revolutionairen voor hen verzwegen hadden. De slogans van Lenin en zijn naam dringen in het dorp door. De toenemende klachten over de bolsjewieken zijn echter in vele gevallen verzonnen en opgeblazen: de grondbezitters hopen daarmee eerder hulp te krijgen. “In het district Ostrov heerst tengevolge van de bolsjewistische propaganda volslagen anarchie.” Uit het gouvernement Ufa: “Het lid van het dorpscomité Vassiljev verspreidt het bolsjewistisch programma en zegt openlijk dat de grondbezitters opgehangen zullen worden.” De Nowgorodse grootgrondbezitter Polonnik die om “bescherming tegen de plunderingen” vraagt, laat niet na hieraan toe te voegen: “De Uitvoerende Comités bestaan grotendeels uit bolsjewieken,” d.w.z. uit vijanden van de grootgrondbezitters. “In augustus reisden,” naar de boer Soemorin uit Simbirsk vertelt, “arbeiders door de dorpen, die propaganda voor de bolsjewistische partij maakten en het programma van deze uiteenzetten.” De rechter-commissaris in het district Sebesj stelt een strafvervolging in tegen de uit Petrograd aangekomen 26-jarige weefster Tatjana Michajlova die in haar dorp ertoe opriep de Voorlopige Regering te verdrijven en die de tactiek van Lenin propageerde. “In het gouvernement Smolensk begon men zich,” naar de boer Kotov bericht, “eind augustus voor Lenin te interesseren en naar hem te luisteren…” In de gemeentezemstvo’s worden echter nog altijd voor het overgrote deel sociaal-revolutionairen gekozen.

De bolsjewistische partij poogt meer contact met de boeren te krijgen. Op 10 september eist Nevski van het Petrograds comité dat er een boerenkrant zal worden uitgegeven: “Men moet de zaak zo aanpakken dat men niet hetzelfde beleeft wat de Franse Commune overkwam toen de boeren Parijs niet begrepen en Parijs de boeren niet begreep.” Het blad “Bednota” (“Armoede”) begon spoedig te verschijnen. Het directe partijwerk onder de boeren bleef echter nog gering in omvang. De kracht van de bolsjewistische partij lag niet in haar technische middelen, niet in haar apparaat, maar in haar juiste politiek. Evenals de luchtstromen het zaad overal heenbrachten, droegen de revolutiestormen Lenins ideeën overal heen.

“Tegen september treden,” naar zich de boer Vorobjev uit Tver herinnert, “niet meer alleen soldaten van het front, maar ook arme boeren steeds vaker en stoutmoediger zelf in de vergaderingen ter verdediging van de bolsjewieken op.” “Onder de arme en sommige middelboeren,” bevestigt de boer Soemorin uit Simbirsk, “verdwijnt Lenins naam niet meer van de lippen. Men spreekt over niets anders dan over Lenin.” De Nowgorodse boer Grigorjev vertelt hoe een sociaal-revolutionair in de gemeente de bolsjewieken voor “rovers” en “verraders” uitmaakte. Hoe raasden de boeren: “Weg met die hond, stenig hem! Hou ons niet voor de gek – waar is de grond? Kom op. Hier met de bolsjewieken!” Het is weliswaar mogelijk dat deze gebeurtenis – en dergelijke voorvallen waren er veel – reeds in de tijd na de Oktoberrevolutie plaats had: de boeren herinneren zich wel de feiten nauwkeurig, maar niet precies wanneer ze gebeurden.

De soldaat Tsjinenov die naar zijn dorp in het gouvernement Orlov een kist bolsjewistische literatuur meebracht, was door het dorp waar hij vandaan kwam onvriendelijk ontvangen: dit moest wel van Duits geld komen. In oktober “telde de gemeentelijke cel echter zevenhonderd leden, had zij vele geweren en kwam zij steeds voor de verdediging van de Sovjetmacht op.” De bolsjewiek Vratsjev vertelt hoe de boeren van het zuiver agrarisch gouvernement Voronezj “uit hun sociaal-revolutionaire roes ontwaakten en zich voor onze partij begonnen te interesseren waardoor wij reeds talrijke cellen in de dorpen en in de gemeenten bezaten, vele abonnees voor onze kranten hadden en vele afgezanten van de boeren in de enge lokaliteit van ons comité ontvingen.” In het gouvernement Smolensk waren, naar Ivanov zich herinnert, “bolsjewieken uiterst zelden in de dorpen te vinden en ook in de districten waren er slechts weinig. Bolsjewistische kranten bestonden er niet, vlugschriften verschenen hoogst zelden. En toch, hoe meer oktober naderde, des te meer wendde het dorp zich tot de bolsjewieken.”

“In de districten waar de bolsjewieken reeds vóór de Oktoberrevolutie invloed in de sovjets hadden,” schrijft bovengenoemde Ivanov, “deed zich de elementaire golf van plunderingen van landgoederen in het geheel niet of slechts in geringe mate voor.” Het was echter niet overal hetzelfde gesteld. “De bolsjewistische eis om de grond aan de boeren over te geven,” zegt bijvoorbeeld Tadejoesj, “werd zeer grif aanvaard door de boerenmassa van het district Mohilev, die de landgoederen plunderde, vele in brand stak en weiden en bossen in bezit nam.” Deze verklaringen zijn eigenlijk niet met elkaar in strijd. De bolsjewistische propaganda wakkerde ongetwijfeld de burgeroorlog in het dorp aan. Maar daar waar de bolsjewieken erin geslaagd waren vaste voet te krijgen, trachtten zij natuurlijk om zonder de druk van de boeren te verzwakken deze in meer geordende banen te leiden en de verwoestingen zoveel mogelijk te beperken.

Het vraagstuk van de grond stond niet op zichzelf. De boer leed vooral in de laatste oorlogsjaren, én als verkoper, én als koper: het graan werd hem tegen vastgestelde prijzen afgenomen en de industrieproducten werden steeds minder bereikbaar voor hem. Het vraagstuk van de economische betrekkingen tussen het dorp en de stad, dat later onder de naam “schaar” het voornaamste probleem van de sovjeteconomie zou worden, doet zich reeds dreigend gelden. De bolsjewieken zeiden tot de boeren: de sovjets moeten de macht overnemen, jullie grond geven, de oorlog beëindigen, de industrie demobiliseren, een arbeiderscontrole in de bedrijven instellen en de verhouding tussen de prijzen van industrie- en landbouwproducten regelen. Hoe summier dit ook mocht klinken, het gaf in elk geval de weg aan. “Tussen ons en de boeren,” zei Trotski op 10 oktober op het congres van de fabriekscomités, “staan als een muur de Avksentjevse sovjetfiguren. Wij moeten deze muur doorbreken. Wij moeten in het dorp uiteenzetten dat alle pogingen van de arbeiders om de boeren door het leveren van landbouwgereedschappen te helpen geen succes kunnen hebben zolang de productie niet georganiseerd en onder controle van de arbeiders gesteld is.” Het congres vaardigde een manifest aan de boeren in deze zin uit.

De arbeiders van Petrograd vormden inmiddels in de fabrieken hun eigen commissies die ijzer, beschadigde onderdelen en overschotten verzamelden om dit aan een afzonderlijke centrale ter beschikking te stellen. Deze centrale had de naam “De arbeiders voor de boeren.” Het afval werd gebruikt om de meest eenvoudige landbouwgereedschappen en onderdelen te vervaardigen. Deze eerste “planmatige” inmenging van de arbeiders in de productie, die naar omvang nog van geringe betekenis was en waarbij propagandistische doeleinden op de voorgrond stonden boven economische, deed een blik in de nabije toekomst werpen. Verschrikt door het binnendringen van de bolsjewieken in het geheiligd gebied van het dorp, poogde het Boeren-Uitvoerend Comité zich van het nieuwe begin meester te maken. De aftandse verzoeningsgezinden die ook op het platteland steeds meer vaste grond onder de voeten verloren, waren echter al niet meer in staat om hun krachten met de bolsjewieken op het strijdtoneel in de stad te meten.

De weerklank van de bolsjewistische propaganda “maakte de arme boeren zo opstandig,” schreef later de boer Vorobjev, “dat men met stelligheid mag beweren dat de Oktoberrevolutie, indien zij niet in oktober gekomen was, in november gekomen zou zijn.” Deze sprekende typering van de politieke macht van het bolsjewisme is geenszins in tegenspraak met de organisatorische zwakte hiervan. Een revolutie kan zich slechts door zulke krasse wanverhoudingen haar weg banen. Juist daarom laat zij zich, tussen twee haakjes, bij haar loop niet in het kader van de formele democratie drukken. Opdat de agrarische revolutie in oktober of in november kon plaatshebben, konden de boeren niets anders doen dan gebruik maken van het snel in verval rakend apparaat van de sociaal-revolutionaire partij. De linkse elementen van deze sluiten zich haastig en ongeordend onder druk van de boerenbeweging aaneen, streven de bolsjewieken na en wedijveren met deze. In de volgende maanden voltrekt de politieke verschuiving onder de boeren zich voornamelijk onder de in flarden gescheurde vlag van de linkse sociaal-revolutionairen: deze kortstondige partij wordt de twijfelende vorm van dorpsbolsjewisme, de tijdelijke brug van de boerenoorlog naar de proletarische omwenteling.

De agrarische revolutie had behoefte aan eigen plaatselijke organen. Hoe zagen deze eruit? Op het platteland bestonden organisaties van verschillend type: staatsorganisaties zoals de gemeente-, land- en economische uitvoerende comités; maatschappelijke organisaties zoals de sovjets; zuiver politieke organisaties zoals de partijen, en tenslotte de zelfbestuursorganen in de vorm van de gemeentezemstvo’s. Boerensovjets konden slechts tot ontwikkeling komen binnen het kader van de gouvernementen en gedeeltelijk van de districten, er waren slechts enkele gemeentesovjets. Gemeentezemstvo’s kregen moeilijk vaste voet. Daarentegen ontwikkelden, hoe wonderlijk dit op het eerste gezicht ook kan lijken, de land- en de uitvoerende comités die volgens het officiële plan staatsorganen waren tot organen van de boerenrevolutie.

Het hoogste landcomité dat uit ambtenaren, grondbezitters, professoren, geleerde agronomen en sociaal-revolutionaire politici, met een mengelmoes van twijfelachtige boeren bestond, was uiteraard de voornaamste rem van de agrarische revolutie. De gouvernementscomités bleven de leiding van de regeringspolitiek houden. De comités in de districten schommelden tussen de boeren en de overheid heen en weer. Daarentegen werden de gemeentecomités die door de boeren gekozen en ter plaatse onder de ogen van het dorp werkzaam waren een werktuig van de agrarische beweging. De omstandigheid dat de comitéleden zich gewoonlijk tot de sociaal-revolutionairen rekenden, deed hieraan niets af: zij richtten zich naar de hutten van de moezjieks en niet naar de landgoederen van de edelen. De boeren schatten het staatskarakter van hun landcomités zeer hoog omdat zij hierin een soort vrijbrief voor de burgeroorlog zagen.

“De boeren zeggen dat zij niemand behalve het gemeentecomité erkennen,” klaagt reeds in mei een van de militiechefs van het district Saran, “terwijl daarentegen alle districts- en staatscomités, naar men zegt, de grootgrondbezitters ter wille zijn.” Volgens de commissaris van Nisjegorov “eindigen de pogingen van enkele gemeentecomités om de strijd tegen het eigenmachtig optreden van de boeren aan te binden vrijwel altijd met een mislukking en leiden zij tot een afzetting van alle leden.” “De comités waren,” volgens de boer Denisov uit Pskov, “altijd op de hand van de boerenbeweging tegen de grootgrondbezitters, daar het meest revolutionaire deel van de boeren en frontsoldaten in deze comités gekozen werd.”

De districts- en vooral de gouvernementscomités werden geleid door de intellectuele ambtenaren die ernaar streefden vreedzame betrekkingen met de landeigenaren te onderhouden. “De boeren zagen,” schrijft de Moskouse boer Joerkov, “dat het dezelfde vacht was, alleen maar gekeerd, en dezelfde macht, alleen onder een nieuwe naam.” “Er is een neiging te bespeuren,” meldt de commissaris Koersk, “om nieuwe verkiezingen te houden voor die districtscomités die de beschikkingen van de Voorlopige Regering volledig doorvoeren.” Het was de boeren echter zeer moeilijk gemaakt om tot het districtscomité door te dringen: sociaal-revolutionairen hadden de politieke verbinding tussen de dorpen en gemeenten in handen zodat de boeren genoodzaakt waren om zich te bedienen van de partij die als voornaamste taak had om de oude vacht te keren.

De op het eerste gezicht verwonderlijke koelheid van de boeren tegenover de sovjets van maart had in werkelijkheid diepe oorzaken. De sovjet vertegenwoordigt in tegenstelling tot het landelijk comité geen speciale, maar een universele organisatie van de revolutie. Op het terrein van de algemene politiek is de boer echter niet in staat ook maar één enkele stap te doen zonder geleid te worden. Het is slechts de vraag van wie hij deze leiding krijgt. De gouvernements- en districtssovjets van de boeren werden op initiatief en grotendeels met de middelen van de coöperaties gevormd, niet als organen van de boerenrevolutie maar als werktuigen om de boeren in conservatieve richting te beïnvloeden. Het dorp duldde rechtse sociaal-revolutionaire sovjets als een schild tegen de regering boven zich. Bij zich thuis gaf het de voorkeur aan de landelijke comités.

Om het dorp te beletten in het enge kringetje van “loutere boerenbelangen” te blijven, drong de regering aan op de vorming van democratische Zemstvo’s. Dit was op zich reeds een reden voor de boeren om goed op te letten. De verkiezingen moesten dikwijls om zo te zeggen opgedrongen worden. “Er deden zich gevallen van onregelmatigheden voor,” meldt de commissaris uit Pensa, “die ertoe leidden dat de verkiezingen ongeldig verklaard moesten worden.” In het gouvernement Minsk namen de boeren de voorzitter van het gemeentelijk stembureau, vorst Droezki-Loebezki, die ervan beschuldigd werd de kiezerslijsten vervalst te hebben, gevangen. Het viel de boeren niet gemakkelijk om het met de vorst over een democratische oplossing van het eeuwenoude conflict eens te worden. De districtscommissaris van Boegoelminsk meldt: “De verkiezingen voor de gemeentezemstvo’s kenden in dit district geen volledig regelmatig verloop. De gemeenteafgevaardigden zijn allemaal boeren en er is een zekere afkeer van de plaatselijke intellectuelen, vooral van de grondbezitters.” De Zemstvo’s verschillen zodoende weinig van de comités. “De boerenmassa staat,” klaagt de commissaris van het gouvernement Minsk, “afwijzend tegenover de intellectuelen en vooral tegenover de grondbezitters.” In de krant van Mohilev van 23 september staat te lezen: “De intellectuelen staan bij hun werk op het platteland aan gevaren bloot, indien men niet uitdrukkelijk belooft tot een onmiddellijke overgang van de gehele grond op de boeren.” Waar een overeenkomst en zelfs enig contact tussen de voornaamste klassen onmogelijk wordt, verliezen de democratische instellingen hun reden van bestaan. De levenloze geboorte van de gemeentezemstvo’s was onmiskenbaar een voorbode van de val van de Constituerende Vergadering.

“Onder de hier wonende boeren heeft,” zo meldt de commissaris van Nisjegorod, “het geloof post gevat dat alle burgerlijke wetsbepalingen hun kracht verloren hebben en dat alle rechtsregels nu door de boerenorganisaties opgesteld moeten worden.” De gemeentecomités die over de plaatselijke militie beschikten, maakten plaatselijke verordeningen, stelden de pachtprijzen vast, regelden het arbeidsloon, stelden eigen administrateurs op de landgoederen aan, namen het beheer van grond, weiden, bossen en inventaris zelf in handen, ontnamen de grootgrondbezitters hun wapens en deden huiszoekingen en verrichtten arrestaties. De stem van eeuwen en de verse ervaringen met de revolutie zeiden de boeren beiden dat het vraagstuk van de grond een vraagstuk van de regering was. Voor de agrarische revolutie waren organen van de boerenheerschappij nodig. De moezjiek kende het woord ‘heerschappij’ niet. Maar de moezjiek wist wel wat hij wilde. Die “anarchie” waarover grondbezitters, liberale commissarissen en verzoeningsgezinde politici klaagden, was in werkelijkheid de eerste fase van de revolutionaire heerschappij op het platteland.

De noodzakelijkheid van de vorming van aparte en uitsluitend uit boeren bestaande plaatselijke organen voor de agrarische revolutie werd door Lenin reeds tijdens de gebeurtenissen in de jaren 1905 en 1906 verkondigd. “Revolutionaire boerencomités,” zo toonde hij op het partijcongres te Stockholm aan, “zijn de enige weg die de boerenbeweging kan gaan.” De moezjieks lazen Lenin niet. Maar in de plaats daarvan las Lenin wel de gedachten van de moezjieks goed.

Het dorp wijzigt zijn houding tegenover de sovjets pas tegen de herfst, wanneer de sovjets zelf van politieke koers veranderen. De bolsjewistische en links-sociaal-revolutionaire sovjets in de districts- of gouvernementssteden houden de boeren nu niet meer terug, maar drijven hen integendeel voorwaarts. Terwijl het dorp in de eerste maanden bij de verzoeningsgezinde sovjets wettelijke bescherming gezocht had, om later in vijandige conflicten ermee te geraken, bestond er nu voor het eerst een werkelijke leiding in de revolutionaire sovjets. Boeren uit Saratov schreven in september: “De regering moet in geheel Rusland in handen… van de sovjets van arbeiders-, boeren- en soldatenafgevaardigden overgaan. Dit zal veiliger zijn.” Pas tegen de herfst beginnen de boeren het verband te leggen tussen hun landbouwprogramma en de slogan van de Sovjetmacht. Maar zelfs dan weten zij nog niet hoe en door wie deze sovjets geleid zullen worden.

Agrarische onlusten hadden in Rusland een grote traditie, een eenvoudig maar sprekend programma, hun plaatselijke martelaren en helden. De reusachtige les van 1905 was ook aan het dorp niet spoorloos voorbijgegaan. Hierbij dient men nog te letten op het werk van de sekten die invloed op miljoenen boeren hadden. “Ik kende,” schreef iemand die goed op de hoogte was, “veel boeren die de Oktoberrevolutie als een directe vervulling van hun religieuze verwachtingen beschouwden.” De beweging van de Russische boeren in 1917 was ongetwijfeld meer dan alle boerenopstanden uit het verleden door politieke gedachten bevrucht. En als zij toch niet in staat gebleken is om zich een zelfstandige leiding te vormen en de macht zelf in handen te nemen, dan zijn de redenen daarvan in de eigenlijke natuur van de oude geïsoleerde kleine warenhuishouding gelegen: deze zoog de boer volkomen uit zonder hem in de gelegenheid te stellen de nodige lessen te trekken.

De politieke vrijheid van de boer is in de praktijk een vrijheid om tussen de verschillende stedelijke partijen te kiezen. Ook deze verkiezingen voltrekken zich echter niet volgens een vooropgesteld plan. De boeren brengen met hun opstand de bolsjewieken in de regering. De bolsjewieken zullen echter pas na de machtsverovering de boeren kunnen winnen, door de agrarische revolutie wettelijk in de arbeidersstaat vast te leggen.

Een groep onderzoekers onder leiding van Jakovlev bewerkte op zeer verdienstelijke wijze het voorhanden materiaal waaruit men een beeld krijgt van de ontwikkeling van de agrarische beweging van februari tot oktober. Terwijl zij het aantal ongeorganiseerde conflicten op honderd per maand vaststelden, berekenden deze onderzoekers dat er in april 33 georganiseerde conflicten waren, in juni 86 en in juli 120. Dit was de tijd van de grootste bloei van de sociaal-revolutionaire organisaties op het platteland. In augustus komen er op honderd ongeorganiseerde conflicten reeds niet meer dan tweeënzestig georganiseerde voor en in oktober in totaal veertien. Uit deze getallen die met alle nodige reserves zeer leerzaam zijn, trekt Jakovlev echter een volkomen onverwachte conclusie: terwijl de beweging tot aan augustus steeds “meer georganiseerde” vormen aannam, krijgt zij in de herfst daarentegen steeds meer een “elementair karakter.” Een ander onderzoeker, Vermenitsjev, komt tot dezelfde gevolgtrekking: “Uit het kleiner worden van het georganiseerde deel van de beweging in de tijd van de golf voor oktober blijkt het elementaire karakter van de beweging in deze maanden.” Indien men het elementaire tegenover het bewuste stelt, net zoals de blindheid tegenover het gezichtsvermogen – en dit zou de enige wetenschappelijke tegenstelling zijn – dan zou men tot de conclusie moeten komen dat het bewuste in de boerenbeweging tot augustus toeneemt en daarna begint af te nemen om op het tijdstip van de Oktoberopstand geheel te verdwijnen. Dit hebben onze onderzoekers zeker niet willen beweren. Indien men even dieper over de kwestie nadenkt, is het niet moeilijk te begrijpen dat bijvoorbeeld de boerenverkiezingen voor de Constituerende Vergadering, ondanks al hun uiterlijke organisatie, een veel meer elementair, d.w.z. ondoordacht, kuddeachtig en blind karakter hadden dan de “ongeorganiseerde” boerenopmars tegen de grootgrondbezitters, waarin elke boer heel goed wist wat hij wilde.

Op het hoogtepunt van de beweging in de herfst braken de boeren niet met het bewuste ten gunste van het elementaire, maar met de verzoeningsgezinde leiding ten gunste van de burgeroorlog. Het minder georganiseerd karakter is eigenlijk slechts uiterlijk: de verzoeningsgezinde organisaties vallen weg, maar zij laten geen lege plek achter. Het inslaan van de nieuwe weg had plaats onder directe leiding van de revolutionaire elementen: de soldaten, matrozen en arbeiders. Voordat zij tot de daad overgingen, riepen de boeren dikwijls algemene vergaderingen bijeen en zorgden er zelfs voor dat de besluiten door alle dorpsgenoten ondertekend werden. “In de herfstperiode van de boerenbeweging met haar verschillende verwoestingen,” schrijft de derde onderzoeker, Sjestakov, “treedt meermaals de oude dorpsvergadering van de boeren op. In de dorpsvergadering verdelen de boeren het onteigende have en goed, door middel van de dorpsvergadering onderhandelen zij met de grootgrondbezitters en de administrateurs van de landgoederen, de districtscommissarissen en diverse andere bemiddelaars.” Het materiaal verschaft geen licht over de vraag waarom de gemeentelijke comités die de boeren tot aan de rand van de burgeroorlog gebracht hadden van het toneel verdwenen. De verklaring hiervan ligt echter voor de hand. Een revolutie verbruikt haar organen en werktuigen snel. Reeds door het feit dat de landelijke comités de voor een deel vreedzame daden geleid hadden, moesten zij weinig geschikt blijken voor de directe stormloop. Bij deze meer algemene reden komen nog andere oorzaken die niet minder belangrijk zijn. Terwijl zij tot een openlijke oorlog tegen de grootgrondbezitters overgingen, wisten de boeren maar al te goed wat hen in geval van een nederlaag te wachten stond. Talrijke landelijke comités zaten bovendien reeds onder de regering van Kerenski achter slot en grendel. Het werd een gebiedende eis van tactiek om de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven. De meest geschikte vorm daarvoor was de ‘mir.’ Het gebruikelijke onderlinge wantrouwen van de boeren leidde bovendien ongetwijfeld in dezelfde richting: het ging nu om een directe inbeslagname en verdeling van de bezittingen van de landeigenaars en iedereen wilde daar zelf aan deelnemen zonder zijn rechten aan een ander toe te vertrouwen. Zo leidde de grootste verscherping van de strijd tot een tijdelijk terzijde schuiven van de vertegenwoordigende organen en vervanging ervan door de oorspronkelijke boerendemocratie zoals de dorpsvergaderingen en de besluiten van de mir.

De grote verwarring die er bij de verklaring van het karakter van de boerenbeweging bestaat, is vooral verwonderlijk bij de bolsjewistische onderzoekers. Men dient echter niet te vergeten dat het een nieuw slag bolsjewieken betreft. Bureaucratisering van het denken leidt onvermijdelijk tot een overschatting van de organisatievormen die de boeren van hogerhand opgedrongen waren en tot een onderschatting van de organisatievormen die de boeren zichzelf gaven. De ontwikkelde ambtenaar beziet met de liberale professor maatschappelijke processen vanuit het oogpunt van de administratie. Als volkscommissaris voor landbouw bleek Jakovlev later op dezelfde oppervlakkig bureaucratische wijze met de boeren om te springen, maar dan op een veel groter en verantwoordelijker terrein, namelijk bij de doorvoering van de “voortgezette collectivisatie.” Theoretische oppervlakkigheid wreekt zich gruwelijk wanneer het om een praktijk op grote schaal gaat!

Er zullen echter nog een goede dertien jaar tot de fouten van deze voortgezette collectivisatie verstrijken. Nu gaat het vooreerst nog om de onteigening van het grondbezit. 134.000 grootgrondbezitters sidderen nog om hun tachtig miljoen desjatinen. Het meest gevaarlijk is de toestand van de rijksten van de 30.000 heren van het oude Rusland, die meer dan zeventig miljoen desjatinen bezitten, gemiddeld meer dan tweeduizend desjatinen per bezitter. De edelman Boborykin schrijft aan de kamerheer Rodsjanko: “Ik ben landheer en het wil er bij mij niet in dat ik mijn grond moet kwijt raken en dat nog wel voor zo’n onmogelijk doel: voor een socialistisch experiment.” Een revolutie heeft echter juist tot taak datgene te volvoeren wat er bij de regeerders niet in wil.

Grondbezitters die een betere kijk hadden, komen echter tot het besef dat zij hun landgoederen niet zullen kunnen behouden. Zij doen ook reeds geen moeite meer hiervoor: hoe sneller zij hun grond kwijt raken, des te beter. De Constituerende Vergadering beschouwen zij in de eerste plaats als de grote rekenkamer waar de staat hen niet alleen voor hun grond maar ook voor de ondervonden narigheden schadeloos zal stellen.

De eigenaars onder de boeren sloten zich van links bij dit programma aan. Zij wilden wel korte metten met de parasitaire adel maken, maar waren bevreesd om het grondeigendomsbegrip aan het wankelen te brengen. De staat was rijk genoeg, verklaarden zij op hun congressen, om de kleinigheid van twaalf miljard roebel aan de grondbezitters te betalen. Als “boeren” hoopten zij daarbij onder speciale gunstige voorwaarden ten koste van het volk de grond van de landheren te verkrijgen.

De eigenaars merkten dat de hoogte van de afkoopsommen een politieke grootheid was die van de machtsverhoudingen op het moment van de overeenkomst afhing. Tot augustus bleef er nog hoop bestaan dat de Constituerende Vergadering, die met Kornilovse methoden bijeengeroepen zou worden, de agrarische hervorming zou doorvoeren op een wijze die het midden hield tussen Rodsjanko en Miljoekov. De mislukking van Kornilov betekende dat de bezittende klassen het spel verloren hadden.

In september en oktober wachtten de grootgrondbezitters op de oplossing, zoals een zieke die opgegeven is op de dood wacht. De herfst is de tijd van de politiek voor de moezjiek. De velden zijn dan geoogst, de illusies vervlogen en het geduld uitgeput. Er moet een eind aan komen. De beweging treedt buiten haar oevers, strekt zich uit over alle districten, wist de plaatselijke verschillen uit, sleurt alle groepen in het dorp mee, spoelt alle wettelijke en andere bezwaren weg, gaat tot de aanval over, wordt verbitterd, onstuimig, razend, bewapent zich met ijzer en vuur, revolvers en granaten, verwoest en verbrandt de landgoederen, verjaagt de landheren, zuivert de grond en drenkt deze op vele plaatsen met bloed.

Nu gaan de verblijven van de adel, die vroeger door Poesjkin, Toergenjev en Tolstoj bezongen werden, ten onder. Het oude Rusland gaat in rook op. De liberale pers staat vol van het gekreun en geweeklaag over de verwoesting van Engelse tuinen, schilderijen van lijfeigene schilders, familiebibliotheken, Tambovse Parthenons, renpaarden, oude gravures en fokstieren. De burgerlijke historici pogen de verantwoordelijkheid voor dit “vandalisme” van het boerenstrafgericht over de “cultuur” van de adel op de bolsjewieken te schuiven. In werkelijkheid voleindigde de Russische moezjiek een onderneming die eeuwen vóór het optreden van de bolsjewieken begonnen was. Hij vervulde zijn vooruitstrevende taak met de middelen waarover hij beschikte: met behulp van de revolutionaire barbarij roeide hij de middeleeuwse barbarij uit. Hier komt nog bij dat noch hijzelf, noch zijn grootvaders en overgrootvaders ooit op genade of toegeeflijkheid hadden kunnen rekenen.

Toen de feodale adel het haalde van de Jacquerie (de gewone boeren), vier en een halve eeuw voor de bevrijding van de Franse boeren plaats zou vinden, schreef een godsvruchtige monnik in zijn dagboek: “Zij hebben het land zoveel kwaad berokkend dat de komst van de Engelsen niet meer nodig was om het koninkrijk te vernietigen. Zij hadden Frankrijk nooit datgene kunnen aandoen wat de adel Frankrijk aangedaan heeft.” Enkel de bourgeoisie overtrof – in mei 1871 – de Franse adel in wreedheid. De Russische boeren ontkwamen dankzij de leiding van de arbeiders, en de Russische arbeiders dankzij de hulp van de boeren, aan deze dubbele les van de beschermers van cultuur en menselijkheid.

De onderlinge betrekkingen tussen de voornaamste klassen in Rusland weerspiegelden zich in het dorp. Net zoals de arbeiders en soldaten in strijd met de bedoelingen van de bourgeoisie tegen de monarchie vochten, verhieven de armen in de dorpen zich tegen de grootgrondbezitters zonder naar de waarschuwende woorden van de koelakken te luisteren. Net zoals de verzoeningsgezinden geloofden dat de revolutie pas vast op haar benen kon staan vanaf het ogenblik waarop Miljoekov haar erkende, meenden de nu eens naar rechts dan weer naar links kijkende middelboeren dat de inbezitnemingen goedgekeurd waren zodra ze door de koelakken ondertekend werden. En tenslotte zagen de koelakken die zich tegen de plunderingen verzetten niet van de resultaten ervan af, net zoals de burgerij die vijandig tegen de revolutie stond zich zonder nadenken de macht toe-eigende. Zowel de macht in handen van de bourgeois als de bezittingen van de landheren in handen van de koelakken waren niet van lange duur: in beide gevallen kwam er door dezelfde oorzaken snel een einde aan.

De kracht van de agrarisch-democratische, in wezen burgerlijke revolutie was tot uiting gekomen in het feit dat zij tijdelijk de klassentegenstellingen in het dorp wist te overwinnen: de landarbeiders plunderden de grootgrondbezitters, daarbij geholpen door de koelakken. De 17de, 18de en 19e eeuw van de Russische geschiedenis verhief zich op de schouders van de 20ste en drukte deze neer ter aarde. De zwakte van de vertraagde burgerlijke revolutie was tot uiting gekomen in het feit dat de boerenoorlog de burgerlijke revolutionairen niet voorwaarts wist te drijven, maar hen integendeel definitief in de armen van de reactie terugwierp. Tsereteli, de voormalige tuchthuisboef, beschermde de grond van de landheren tegen anarchie! De boerenrevolutie die door de bourgeoisie teruggeworpen was, verenigde zich met het industrieproletariaat. Daardoor bevrijdde de 20ste eeuw zich niet alleen van de als een drukkende last op haar rustende vroegere eeuwen, maar verhief zij zich ook op de schouders van deze tot een tot nu toe in de geschiedenis ongekende hoogte. Opdat de boeren de grond konden zuiveren en de omheiningen konden wegnemen, moesten de arbeiders de leiding in de staat op zich nemen. Ziehier een zo beknopt mogelijke samenvatting van de Oktoberrevolutie.

De laatste coalitie

De Voorlopige Regering was door haar gehele verleden niet tegen een ernstige schok bestand. Ze viel, naar de lezer zich zal herinneren, in de nacht van 26 augustus uiteen. De kadetten traden uit de regering om het werk van Kornilov te vergemakkelijken. De socialisten traden uit de regering om het werk van Kerenski te vergemakkelijken. Een nieuwe regeringscrisis begon. Het ging allereerst om Kerenski zelf: het hoofd van de regering had zich als medeplichtige aan de samenzwering ontpopt. De verontwaardiging tegen hem was zo groot dat de verzoeningsgezinde leiders telkens zijn naam genoemd werd hun toevlucht moesten nemen tot de bolsjewistische woordenschat. Tsjernov die zo-even in volle vaart uit de ministeriële trein gesprongen was, schreef in het voornaamste orgaan van zijn partij over de “chaos waaruit men niet wijs wordt, waar Kornilov ophoudt en Filonenko en Savinkov beginnen en waar Savinkov ophoudt en de Voorlopige Regering als zodanig begint.” De toespeling was duidelijk genoeg: “de Voorlopige Regering als zodanig” – dat was immers Kerenski, die lid van dezelfde partij als Tsjernov was.

Terwijl de verzoeningsgezinden hun gemoed door het gebruiken van krasse termen verlichtten, kwamen zij echter tot de conclusie dat men het niet zonder Kerenski kon stellen. Terwijl zij Kerenski belet hadden amnestie te verlenen aan Kornilov, haastten zij zich om zelf amnestie te verlenen aan Kerenski. Deze verklaarde zich als tegenprestatie bereid tot een concessie inzake de regeringsvorm van Rusland. Gisteren nog gold als een vaststaand feit dat deze kwestie slechts door de Constituerende Vergadering opgelost kon worden. Nu stapte men over alle juridische moeilijkheden heen. Het ontslag van Kornilov werd in de proclamatie van de regering gemotiveerd met de noodzakelijkheid “om het vaderland, de vrijheid en het republikeins bewind te redden.” De ruk naar links die met de mond voltrokken werd en bovendien te laat kwam, was natuurlijk niet in staat om het gezag van de regering te versterken. Dit was des te minder het geval omdat ook Kornilov zich voor een republikein had uitgegeven.

Op 30 augustus moest Kerenski Savinkov ontslaan, die enkele dagen later zelf uit de alles omvattende sociaal-revolutionaire partij gezet werd. Tot gouverneur-generaal werd echter Paltsjinski benoemd. Die was politiek van hetzelfde slag als Savinkov en hij begon met het bolsjewistisch blad te verbieden. De Uitvoerende Comités protesteerden. De “Izvestia” omschreef deze daad als “de meest schandelijke provocatie.” Paltsjinski moest na drie dagen verwijderd worden. Hoe weinig Kerenski in het algemeen van plan was van politieke koers te veranderen, blijkt uit het feit dat hij reeds op 31 augustus ertoe overging om een nieuwe regering met medewerking van de kadetten te vormen. Hierop konden zelfs de sociaal-revolutionairen niet ingaan: zij dreigden ermee hun vertegenwoordigers terug te roepen. Tsereteli ontdekte een nieuw regeringsrecept, namelijk handhaving van de gedachte van de coalitie maar verwijdering van alle elementen die de regering tot last zijn. – “De gedachte van een coalitie heeft vaste voet gekregen,” bevestigde Skobeljev, “maar er kan in de regering geen plaats zijn voor de partij die bij de samenzwering van Kornilov betrokken was.” Kerenski was het niet eens met deze restrictie en hij had gelijk op zijn manier.

Een coalitie met de bourgeoisie, maar met uitsluiting van de leidende burgerlijke partij, was uiteraard onzinnig. Hierop werd gewezen door Kamenev, toen hij in de verenigde vergadering van de Uitvoerende Comités op de hem eigen vermanende toon zijn conclusies uit de jongste gebeurtenissen trok. “Jullie willen ons op de nog gevaarlijker weg van een coalitie met onverantwoordelijke groepen drijven. Jullie zijn echter één coalitie vergeten, een coalitie die zich verenigd en geconsolideerd heeft door de fatale gebeurtenissen van de afgelopen dagen: deze tussen de revolutionaire arbeidersklasse, de boeren en het revolutionaire leger.” De bolsjewistische spreker herinnerde aan de woorden die Trotski op 26 mei ter verdediging van de matrozen van Kronstadt tegen de door Tsereteli geuite beschuldigingen sprak: “Indien een contrarevolutionair generaal zou pogen de revolutie de strop om te doen, dan zullen de kadetten de strop inzepen. Maar de matrozen van Kronstadt zullen komen om samen met u te vechten en te sterven.” Hij raakte hier de kern van de zaak. Op het gepraat over “eenheid van de democratie” en “een eerlijke coalitie” antwoordde Kamenev: “De eenheid van de democratie hangt er van af of jullie een coalitie met Vyborg zullen aangaan of niet… Elke andere coalitie is onwaardig.” De rede van Kamenev maakte ongetwijfeld indruk, waarop Soechanov dan ook met de volgende woorden wijst: “Kamenev sprak zeer verstandig en tactvol.” Het bleef echter bij een indruk. Bij voorbaat stond vast welke weg beide partijen zouden volgen.

De breuk van de verzoeningsgezinden met de kadetten had eigenlijk van het begin af aan een louter demonstratief karakter. De liberale kornilovianen begrepen zelf dat het beter voor hen was om zich in de komende dagen een beetje afzijdig te houden. Achter de schermen werd er klaarblijkelijk in overeenstemming met de kadetten besloten om een regering te vormen die zich zo boven alle reële krachten in het volk stelde dat er bij niemand twijfel over haar voorlopig karakter kon bestaan. Behalve Kerenski behoorden tot het uit vijf leden bestaand directorium: de minister van buitenlandse zaken Teresjtsjenko die door zijn verbindingen met de Ententediplomatie onmisbaar geworden was; de districtscommandant van Moskou Versjovski die hiertoe ijlings van overste tot generaal bevorderd werd; admiraal Verderevski die hiertoe in allerijl uit de gevangenis ontslagen werd; tenslotte de twijfelachtige mensjewiek Nikitin die kort daarop uit zijn partij werd gezet.

Nadat Kerenski met hulp van vreemden Kornilov overwonnen had, leek het alsof hij er slechts op uit was om diens programma te verwezenlijken. Kornilov had de functie van opperbevelhebber met die van regeringshoofd willen verenigen. Kerenski verwezenlijkte dit. Kornilov had de persoonlijke dictatuur door een directorium van vijf leden willen maskeren. Kerenski wist dit door te voeren. Tsjernov, wiens ontslag door de bourgeoisie geëist was, werd door Kerenski uit het Winterpaleis verwijderd. Generaal Alexejev, die de held van de kadettenpartij en haar kandidaat voor de post van minister-president was, werd door hem tot chef van de generale staf in het hoofdkwartier, d.w.z. feitelijk tot leider van het leger, benoemd. In een legerorder aan leger en vloot verlangde Kerenski staking van de politieke strijd onder de troepen, d.w.z. herstel van de oude toestand waarvan men uitgegaan was. Vanuit zijn schuilplaats omschreef Lenin de toestand op de hem eigen hoogst eenvoudige manier: “Kerenski is een korniloviaan die toevallig met Kornilov ruzie gekregen heeft en met de overige kornilovianen verder in een innig bondgenootschap blijft.” Maar helaas: de over de contrarevolutie behaalde overwinning gaat veel verder dan Kerenski voor zijn persoonlijke plannen nodig had.

Het directorium haastte zich om de vroegere minister van oorlog Goetsjkov, die als een van de initiatiefnemers van de samenzwering gold, uit de gevangenis te ontslaan. Tegen de initiatiefnemers onder de kadetten keerde de justitie zich helemaal niet. Het werd onder deze omstandigheden voortdurend moeilijker om de bolsjewieken achter slot en grendel te houden. De regering vond een uitweg, nl. de bolsjewieken op borg vrij te laten zonder de beschuldigingen in te trekken. De Petrogradse sovjet van de vakverenigingen nam “de eervolle taak op zich om voor de verdienstelijke leiders van de revolutionaire arbeidersklasse de borg te stellen”: op 4 september werd Trotski tegen de bescheiden, eigenlijk fictieve borg van drieduizend roebel vrijgelaten. Generaal Denikin schrijft in zijn “Geschiedenis van de Russische onlusten” pathetisch: “Op 1 september werd generaal Kornilov gevangen genomen en op 4 september werd Bronstein-Trotski door dezelfde Voorlopige Regering in vrijheid gesteld. Deze twee data moet Rusland goed in herinnering houden.” Meerdere bolsjewieken werden in de volgende dagen tegen borgtocht vrijgelaten. De uit de gevangenis ontslagenen lieten geen tijd verloren gaan: de massa’s wachtten en riepen, de partij had mensen nodig.

Op de dag van de vrijlating van Trotski publiceerde Kerenski een decreet waarin hij erkende dat de comités “de regering zeer goed geholpen hadden.” Maar tegelijk gelastte hij de comités om hun werkzaamheden te staken. Zelfs de “Izvestia” moest toegeven dat de opsteller van het decreet “weinig van de situatie begrepen had.” Het congres van de wijksovjets van Petrograd besloot om “de revolutionaire organisaties ter bestrijding van de contrarevolutie niet te ontbinden.” De druk van onderuit was zo sterk dat het verzoeningsgezinde Militaire Revolutiecomité besloot om Kerenski’s beschikking niet te erkennen en zijn plaatselijke organen opriep om “met het oog op de voortdurend zorgwekkende toestand met dezelfde energie en hetzelfde uithoudingsvermogen te blijven werken.” Kerenski zweeg. Hij kon niets anders doen.

Het almachtig hoofd van het directorium moest telkens weer gewaar worden dat de toestand gewijzigd en de tegenstand sterker geworden was en dat men genoodzaakt was om vanalles, althans in woorden, te veranderen. Op 7 september verklaarde Versjovski aan de pers dat het vóór de muiterij van Kornilov uitgewerkt saneringsprogramma voor het leger momenteel verworpen moest worden omdat het bij de “tegenwoordige geestesgesteldheid van het leger” slechts tot een nog groter verval kon leiden. De minister van oorlog trad in het Uitvoerend Comité op om de nieuwe tijdsgeest te omschrijven. Men hoefde niet bezorgd te zijn: generaal Alexejev zou heengaan en met hem iedereen die op de een of andere manier bij de opstand van Kornilov betrokken was. Men moest het leger gezonde ideeën bijbrengen, niet met machinegeweren en nagaika’s, maar door het suggereren van gedachten van recht, gerechtigheid en strenge discipline. Dit rook bedenkelijk naar de lentedagen van de revolutie. Maar buiten was het september en de herfst naderde. Alexejev werd na enkele dagen effectief afgezet en vervangen door generaal Doechonin. Deze generaal had het voordeel dat hij volslagen onbekend was.

Als vergoeding voor de concessies verlangden de ministers van oorlog en marine onmiddellijk hulp van het Uitvoerend Comité. Het zwaard van Damocles hing de officieren dreigend boven het hoofd, het slechtst was het op de Baltische vloot gesteld en men moest de matrozen kalmeren. Er werd na lange debatten besloten om, zoals gewoonlijk, een delegatie naar de vloot te zenden. De verzoeningsgezinden drongen erop aan dat bolsjewieken, en vooral Trotski, deel van de delegatie zouden uitmaken. Enkel onder deze voorwaarde kon de delegatie slagen. “Wij wijzen,” antwoordde Trotski, “positief een samenwerking in welke vorm ook van de hand met die regering die pleitte voor Tsereteli… De regering volgt een principieel verkeerde, volksvijandige en oncontroleerbare politiek. Indien deze politiek echter spaak loopt of tot een ramp geleid heeft, worden de revolutionaire organisaties met het vuile werk belast om de onvermijdelijke slechte gevolgen weer goed te maken… Deze delegatie heeft, volgens haar eigen formulering, onder meer tot taak de “obscure elementen” in de garnizoenen, d.w.z. de provocateurs en spionnen op te sporen… Ben je dan werkelijk vergeten dat ik zelf aangeklaagd ben wegens overtreding van paragraaf 108?… Wij gaan in de strijd tegen de eigenrichting onze eigen weg… niet hand in hand met de officier van justitie en de contraspionage, maar als revolutionaire partij die probeert te overtuigen, te organiseren en op te voeden.”

In de dagen van de opstand van Kornilov was besloten tot het bijeenroepen van de Democratische Vergadering. Deze zou nog eens de kracht van de democratie laten zien, haar tegenstanders van rechts en van links ontzag inboezemen en – niet in de laatste plaats – de onbehouwen Kerenski temmen. De verzoeningsgezinden koesterden in volle ernst het plan om de regering vóór de bijeenroeping van de Constituerende Vergadering aan een of ander geïmproviseerd vertegenwoordigend lichaam ondergeschikt te maken. De bourgeoisie stond van het begin af aan vijandig tegenover de bijeenkomst, omdat zij in deze een poging zag tot bevestiging van de positie die de democratie door de overwinning op Kornilov weer teruggekregen had. “Tsereteli’s voornemen,” schrijft Miljoekov in zijn “Geschiedenis”, “was eigenlijk een volledige capitulatie voor de plannen van Lenin en Trotski.” Integendeel, het voornemen van Tsereteli was erop gericht de strijd van de bolsjewieken om de sovjetmacht te verlammen. De Democratische Vergadering zou tegenover het Sovjetcongres gesteld worden. De verzoeningsgezinden wilden zich een nieuwe basis scheppen door te trachten de sovjets door een kunstmatige aaneensluiting van de meest verschillende organisaties te vernietigen. De democraten verdeelden de stemmen naar eigen goeddunken, alleen maar bezorgd om zich een overtuigende meerderheid te verzekeren. De hogere organisaties waren veel sterker vertegenwoordigd dan de lagere. De zelfbestuursorganen, waaronder ook de niet gedemocratiseerde Zemstvo’s, kregen een reusachtig overwicht over de sovjets. De coöperaties kregen de leiding.

Deze laatste speelden vroeger geen rol in de politiek, maar kwamen in de dagen van de Moskouse vergadering voor het eerst op het politieke toneel en ze begonnen pas daarna op te treden in naam van hun twintig miljoen leden of, nog eenvoudiger, in naam van “de halve Russische bevolking.” De coöperaties wortelden in het dorp door de hogere bevolkingsgroepen van het dorp die een rechtvaardige onteigening van de adel goedkeurden onder voorwaarde dat hun eigen, dikwijls belangrijke bezittingen niet alleen beschermd, maar ook nog vergroot zouden worden. De leiders van de coöperaties kwamen voort uit de liberale volkse en gedeeltelijk ook uit de liberale marxistische intellectuelen, die een natuurlijke schakel vormden tussen de kadetten en de verzoeningsgezinden. Tegenover de bolsjewieken stonden de coöperaties met evenveel haat, als waarmee de koelak tegenover zijn ongehoorzame dagloner staat. De verzoeningsgezinden klampten zich krampachtig vast aan de van hun neutraliteitsmasker ontdane coöperaties, om kracht tegen de bolsjewieken te winnen. Lenin brandmerkte de koks uit de democratische keuken fel. “Tien overtuigde soldaten of arbeiders uit een achterlijke fabriek,” schreef hij, “zijn duizendmaal meer waard dan honderd ondergeschoven… gedelegeerden.” Trotski toonde in de sovjet van Petrograd aan dat de coöperatiebestuurders evenmin de politieke wil van de boeren uitdrukten als een arts de politieke wil van zijn patiënt of een postambtenaar de opvattingen van de afzenders en de ontvangers van brieven. “Coöperators moeten goede organisatoren, kooplui en boekhouders zijn, maar zowel de boeren alsook de arbeiders dragen de verdediging van hun klassenrechten aan hun eigen sovjets op.” Dit belette de coöperators niet om honderdvijftig plaatsen in te nemen en samen met de nog niet hervormde Zemstvo’s en allerlei andere, er met de haren bijgesleepte, organisaties het karakter van de vertegenwoordiging van de massa’s volkomen te vervalsen.

De sovjet van Petrograd nam onder zijn afgevaardigden naar de vergadering ook Lenin en Zinovjev op. De regering gaf bevel beiden bij het betreden van de schouwburg te arresteren, maar niet in de zaal zelf: dit was klaarblijkelijk een compromis tussen de verzoeningsgezinden en Kerenski. Het bleef echter bij een politieke demonstratie van de kant van de sovjets. Noch Lenin, noch Zinovjev waren van plan in de vergadering te verschijnen. Lenin was van mening dat de bolsjewieken daar in het algemeen niets te zoeken hadden.

De vergadering werd op 14 september, juist een maand na de Landelijke Vergadering, in de grote zaal van de Alexandrinskischouwburg geopend. Het aantal toegelaten vertegenwoordigers bedroeg niet minder dan 1775. Ongeveer 1200 daarvan woonden de openingszitting bij. De bolsjewieken waren natuurlijk in de minderheid. Ondanks alle verkiezingstrucs vormden zij echter toch een zeer indrukwekkende groep die in bepaalde kwesties meer dan één derde van alle stemmen op zich wist te verenigen.

Is het een sterke regering waardig om voor een “particuliere” bijeenkomst op te treden? Deze vraag bracht grote aarzeling in het Winterpaleis teweeg die zich weerspiegelde in de opwinding in de Alexandrinskischouwburg. Het hoofd van de regering besloot eindelijk om voor de democratie te verschijnen. “Met applaus ontvangen,” zo vertelt Sjljapnikov over Kerenski’s optreden, “begaf hij zich naar het presidium om de aan de tafel gezeten personen de hand te drukken. Ook wij (de bolsjewieken), die dicht bij elkaar zaten, kwamen aan de beurt. Wij keken elkaar eens aan en spraken snel af om hem geen hand te geven. Een theatraal gebaar over de tafel heen, – ik nam de mij toegestoken hand niet aan en Kerenski ging met uitgestoken hand, zonder de onze te ontmoeten, verder.” Eenzelfde behandeling ondervond het hoofd van de regering ook bij de tegenovergestelde vleugel: bij de aanhangers van Kornilov. Behalve de bolsjewieken en de kornilovianen waren er echter geen krachten van betekenis meer overgebleven.

Door de gehele situatie ertoe genoopt een verklaring af te leggen over zijn rol bij de samenzwering, vertrouwde Kerenski ook ditmaal teveel op zijn improviseerkunst. “Ik weet wat zij wilden,” zo versprak hij zich, “want voordat zij Kornilov opzochten, kwamen zij bij mij en stelden mij ditzelfde voor.” Geroep van links: “Wie kwam er?… Wie stelde dit voor?” Verschrikt over de weerklank die zijn eigen woorden hadden, werd Kerenski spoedig meer gereserveerd. De politieke ondergrond van de samenzwering werd nu echter voor iedereen zonder uitzondering duidelijk. De Oekraïense verzoeningsgezinde Porsj deelde na zijn terugkeer in de Raad van Kiev mee: “Kerenski slaagde er niet in zijn onschuld aan de opstand van Kornilov te bewijzen.” Het hoofd van de regering diende zichzelf met zijn eigen redevoering nog een andere, niet minder zware slag toe. Toen men als antwoord op de frasen, waarvan iedereen meer dan genoeg had – “In de uren van gevaar zal iedereen zich aaneensluiten en het eens worden,” enzovoorts – hem toeriep: “En de doodstraf dan?”, raakte de spreker uit zijn evenwicht en riep tot verbazing van iedereen en stellig ook van zichzelf: “Wacht maar eerst eens tot het eerste doodvonnis door mij, de opperbevelhebber, ondertekend zal zijn en dan pas mag je mij vervloeken.” Een soldaat treedt op het spreekgestoelte toe en schreeuwt hem in het gezicht: “Je bent het ongeluk van ons land.” Hoe nu?! Terwijl hij, Kerenski, nota bene bereid is de hoge positie die hij inneemt te vergeten om van mens tot mens met de bijeenkomst te overleggen. “Maar de mens wordt hier niet door iedereen begrepen.” Daarom zegt hij in de taal van de machthebber: “Ieder die het wagen zou…” Ach, dat heeft men ook reeds in Moskou gehoord, en Kornilov heeft het toch gewaagd.

“Indien de doodstraf noodzakelijk was,” vroeg Trotski in zijn rede, “hoe durft hij, Kerenski, dan zeggen dat hij ze niet zal toepassen? Acht hij het echter mogelijk om zich tegenover de democratie ertoe te verplichten de doodstraf niet toe te passen, dan zegt hij eigenlijk dat de herinvoering van de doodstraf lichtzinnig, op het misdadige af, is genomen.” De hele zaal stemde hiermee in, een deel stilzwijgend, een ander deel enthousiast. “Kerenski heeft door zijn erkenning zowel zichzelf alsook de Voorlopige Regering indertijd in sterke mate gediscrediteerd,” zegt zijn collega en vereerder, de adjudant van de minister van justitie, Demjanov. Geen van de ministers kon zeggen waarmee de regering zich eigenlijk bezighield behalve met de kwestie van haar eigen bestaan. Economische maatregelen? Men kon er geen enkele noemen. Vredespolitiek? “Ik weet niet,” zei de vroegere minister van justitie Saroedny, een van de meest openhartige mensen, “of de Voorlopige Regering in dit opzicht iets ondernomen heeft, maar ik heb er niets van gezien.” Vol verbazing beklaagde Saroedny zich erover dat “de gehele macht in handen van één enkele persoon kwam,” op wiens wenken ministers kwamen en gingen. Tsereteli roerde onvoorzichtig genoeg dit onderwerp aan: “De democratie mag zich bij zichzelf beklagen indien het haar vertegenwoordiger van hoogmoed begint te duizelen.” Tsereteli zelf was echter bij uitstek een verpersoonlijking van die kenmerken van de democratie die bonapartistische machtsstrevingen teweegbrachten. “Waarom heeft Kerenski die plaats kunnen innemen die hij nu inneemt?” antwoordde Trotski, “de vacature voor Kerenski werd geschapen door de zwakte en besluiteloosheid van de democratie… Ik heb hier geen enkele spreker gehoord die de weinig benijdenswaardige taak op zich nam het directorium of de voorzitter daarvan te verdedigen…” Na een storm van protest vervolgt de spreker: “Ik betreur het ten zeerste dat het standpunt dat nu zo heftig in de zaal tot uitdrukking komt, niet duidelijk op dit spreekgestoelte is uiteengezet. Geen enkele spreker is hier verschenen en heeft ons gezegd: Waarom kibbelen jullie over een vervlogen coalitie, waarom maken jullie zich bezorgd voor de toekomst? Wij hebben Kerenski en dit is voldoende…” Deze bolsjewistische vraagstelling legde bijna vanzelf verband tussen Tsereteli en Saroedny en tussen deze beide en Kerenski. Miljoekov schreef daarover zeer treffend: “Saroedny mocht over de eigengerechtigheid van Kerenski klagen, Tsereteli mocht erop zinspelen dat het hoofd van de regering begon te duizelen van hoogmoed – dit waren slechts woorden; maar toen Trotski constateerde dat niemand in de vergadering op zich genomen had om Kerenski openlijk te verdedigen, besefte de vergadering zeer goed dat daar een gemeenschappelijke vijand sprak.”

Over de macht werd door de mensen die deze vertegenwoordigden slechts als over een last en een ongeluk gesproken. Strijd om de macht? Minister Pesjechonov merkte betweterig op: “De macht doet zich nu voor als iets waarvoor iedereen zich als voor de duivel kruisigt.” Was dit zo? Kornilov kruisigde zich niet. De kersvers ontvangen les was echter grotendeels vergeten. Tsereteli ketterde tegen de bolsjewieken die zelf de macht niet overnamen, maar de sovjets aan de macht brachten. Tsereteli’s gedachte werd door anderen vertolkt. ‘Ja, de bolsjewieken moeten de macht overnemen!’, zei men half luid aan de voorzitterstafel. Avksentjev richtte zich tot Sjljapnikov die dicht bij hem zat: “Grijp de macht, de massa’s zijn op uw hand.” Sjljapnikov beantwoordde zijn buurman op dezelfde toon en stelde hem voor om de macht eerst op de voorzitterstafel te leggen. De half ironische uitdagingen aan het adres van de bolsjewieken, zowel in de redevoeringen van de sprekers, als in de persoonlijke gesprekken in de gangen, waren gedeeltelijk een hoon, gedeeltelijk een erkenning. Wat denken deze mensen die aan het hoofd van de Petrogradse, de Moskouse en vele sovjets in de provincie gekomen zijn nu verder te doen? Zullen zij werkelijk de macht durven grijpen? Dat geloofde niemand. Twee dagen vóór het uitdagend optreden van Tsereteli schreef de “Rjetsj”, dat het beste middel om het bolsjewisme voor vele jaren kwijt te raken, was om het lot van het land in handen van de bolsjewistische leiders te leggen. Maar “deze trieste helden van de dag streven er in werkelijkheid niet naar om de macht te grijpen… praktisch behoeft men in geen enkel opzicht met hen rekening te houden.” Deze fiere conclusie was op zijn minst voorbarig.

De bolsjewieken hadden een enorm voordeel waarop tot nu toe nog niet voldoende aandacht gevestigd is, namelijk dat zij hun tegenstanders zeer goed begrepen. Men kan zelfs stellen dat ze hun tegenstanders volkomen doorzagen. Hierbij werden zij geholpen door zowel de materialistische methode als de leninistische school van duidelijkheid en eenvoud, alsook door de oplettendheid van mensen die vastbesloten zijn tot het einde toe door te zetten. De liberalen en de verzoeningsgezinden maakten zich daarentegen telkens naar de behoeften van het ogenblik een voorstelling van de bolsjewieken. Dit kon ook niet anders: partijen die geen uitweg meer hebben, zijn nooit in staat gebleken om de werkelijkheid onder ogen te zien, net zoals een zieke wiens toestand hopeloos is, niet de ernst van zijn ziekte wil inzien.

Zonder in een bolsjewistische opstand te geloven, waren de verzoeningsgezinden er toch bang voor. Dit kwam het sterkst tot uiting in wat Kerenski zei. “Vergis u niet,” riep hij plotseling tijdens zijn rede uit, “denk niet dat er geen democratische krachten meer achter mij staan als de bolsjewieken tegen mij ophitsen. Denk niet dat ik in de lucht zweef. Pas op, als je iets zou willen ondernemen dan zullen de treinen blijven stilstaan, de telegrammen zullen niet bezorgd worden, …” Een deel van de zaal applaudisseert, een ander deel zwijgt verlegen, het bolsjewistische deel lacht openlijk. Het is slecht gesteld met een dictatuur die zich genoodzaakt ziet om aan te tonen dat zij niet in de lucht zweeft!

De bolsjewieken antwoordden in hun verklaring op de ironische uitdagingen, verwijten van lafheid en onzinnige dreigementen: “Strijdend om de macht en om haar programma te verwezenlijken, streefde en streeft onze partij niet ernaar om de macht tegen de georganiseerde wil van de meerderheid van de arbeidende massa’s in het land te nemen.” Dit betekende: wij zullen de macht overnemen als partij van de sovjetmeerderheid. De woorden over de “georganiseerde wil van de arbeiders” hadden betrekking op het aanstaande Sovjetcongres. “Slechts die besluiten en voorstellen van deze vergadering,” zo werd in de verklaring gezegd, “die door het Al-Russische Sovjetcongres goedgekeurd worden, kunnen effectief verwezenlijkt worden.”

Tijdens het voorlezen van de bolsjewistische verklaring door Trotski bracht de vermelding van de noodzakelijkheid van een onmiddellijke bewapening van de arbeiders voortdurend interrupties op de banken van de meerderheid teweeg: “Waartoe, waartoe?” “Om een werkelijke verdediging tegen de contrarevolutie tot stand te brengen,” antwoordt de spreker. Maar niet alleen daartoe. “Ik zeg u in naam van onze partij en van de proletarische massa’s die met haar gaan, dat de gewapende arbeiders… het land van de revolutie met zo’n heldhaftigheid tegen de imperialistische troepen zullen verdedigen als nog nooit in de Russische geschiedenis is voorgekomen…” Tsereteli noemde deze toezegging die de zaal in twee verdeelde een holle frase. De geschiedenis van het Rode Leger heeft hem later tegengesproken.

Die benauwde uren waarin de leiders van de verzoeningsgezinden een coalitie met de kadetten van de hand gewezen hadden, lagen ver achter de rug. Zonder kadetten bleek een coalitie onmogelijk te zijn. Men zal toch niet zelf de macht overnemen! “Wij zouden reeds op 27 februari de macht hebben kunnen grijpen,” filosofeerde Skobeljev, “maar wij wendden al onze kracht en invloed aan om de burgerlijke dementen te helpen om zich van de verwarring te herstellen… en aan de macht te komen.” Waarom hebben deze heren dan de van de verwarring herstelde kornilovianen belet om de macht te grijpen? “Een zuiver burgerlijke regering,” verklaarde Tsereteli, “is nog niet mogelijk: deze zou de burgeroorlog ontketenen.” Kornilov moest neergeslagen worden opdat hij met zijn avontuur de bourgeoisie niet belette geleidelijk aan de macht te komen. “Maar nu de revolutionaire democratie gezegevierd heeft, is het ogenblik buitengewoon gunstig voor een coalitie.”

De politieke filosofie van de coöperator werd uiteengezet door hun leider, Berkenheim: “Of wij het willen of niet, de bourgeoisie is de klasse die de macht zal krijgen.” De oude volksrevolutionair Minor smeekte de vergadering eensgezind een besluit ten gunste van de coalitie te nemen.

Zoniet, “daarover moet men zich geen illusies maken, zullen wij gaan afslachten.” “Wie?” riep men vanaf de linkerzetels. “Wij zullen elkaar afslachten,” eindigde Minor onder somber stilzwijgen. Naar de mening van de kadetten was het regeringsblok immers nodig voor de strijd tegen de bolsjewieken, die “anarchistische bandieten.” “Daarin was de eigenlijke betekenis van de coalitiegedachte gelegen,” verklaarde Miljoekov volkomen openhartig. Terwijl Minor hoopte dat de coalitie het mogelijk zou maken om elkaar niet af te slachten, rekende Miljoekov er integendeel stellig op dat de coalitie de mogelijkheid zou verschaffen om met vereende krachten de bolsjewieken af te slachten.

Bij de debatten over de coalitie las Rjasanov het hoofdartikel uit de “Rjetsj” van 29 augustus voor, het artikel dat Miljoekov op het laatste moment had teruggenomen waardoor een open plek in dat nummer ontstaan was: “Jazeker, wij aarzelen niet om te zeggen dat generaal Kornilov dezelfde doeleinden nastreeft die wij nodig achten om het vaderland te redden.” Het citaat maakte indruk. “Ha, ha, die zullen redding brengen!” klonk het uit de linkerhelft van de zaal. De kadetten vonden echter verdedigers: het hoofdartikel was immers niet gedrukt! Bovendien waren niet alle kadetten voor Kornilov en moest men de bokken van de schapen kunnen scheiden.

“Er wordt gezegd dat men niet de volledige kadettenpartij ervan mag beschuldigen medeplichtig geweest te zijn aan de muiterij van Kornilov,” antwoordde Trotski. “Het is niet voor het eerst dat Snamenski hier tot ons bolsjewieken gezegd heeft: ‘jullie protesteerden toen we jullie gehele partij verantwoordelijk stelden voor de beweging van 3 tot 5 juli. Val niet in dezelfde fout, stel niet alle kadetten verantwoordelijk voor de muiterij van Kornilov.’ Deze vergelijking gaat echter naar mijn mening niet op. Toen men de bolsjewieken ervan beschuldigde dat zij de beweging van 3 tot 5 juli veroorzaakt hadden, was het er niet om te doen om hen in de regering, maar wel om hen in de “Kresty” te brengen. Dit verschil zal hopelijk ook (de minister van justitie) Saroedny niet ontkennen. Wij zeggen eveneens: willen jullie de kadetten vanwege de Kornilovbeweging in de gevangenis sleuren, doe dit dan niet voetstoots maar onderzoek elke kadet afzonderlijk van top tot teen (gelach; geroep “Bravo!”). Is het er echter om te doen de kadettenpartij in de regering te brengen, dan is niet het feit beslissend of de een of andere kadet achter de schermen een bondgenootschap met Kornilov had – niet dat Maklakov aan het telegrafietoestel stond toen Savinkov met Kornilov onderhandelde; niet dat Roditsjev aan de Don rondreisde en politieke onderhandelingen met Kaledin voerde, niet dat is essentieel. Essentieel is dat de gehele burgerlijke pers ofwel Kornilov openlijk begroette ofwel uit voorzichtigheid zweeg om Kornilovs overwinning eerst af te wachten… En daarom zeg ik: jullie hebben geen partners voor een coalitie.”

De volgende dag sprak de vertegenwoordiger van Helsingfors en Sweaborg, de matroos Sjisjkin, over hetzelfde onderwerp korter en indrukwekkender: “Een coalitieregering zal bij de matrozen van de Baltische vloot en bij het garnizoen van Finland noch vertrouwen, noch ondersteuning vinden… De matrozen hebben de oorlogsvlag gehesen tegen de vorming van een coalitieregering.” Verstandsargumenten misten hun uitwerking. De matroos Sjisjkin voerde het argument van de scheepskanonnen aan. De overige matrozen die bij de ingangen van de zaal op wacht stonden, waren het helemaal met hem eens. Boecharin vertelde later hoe de “matrozen die door Kerenski opgesteld waren om de Democratische Vergadering tegen ons, bolsjewieken, te beschermen, zich tot Trotski wendden en zwaaiend met hun bajonetten vroegen: Welnu, is er spoedig iets te doen voor dit ding?” Dit was slechts een herhaling van de vraag die de matrozen van de “Aurora” bij hun bezoek in de “Kresty” gesteld hadden. Nu naderde het ogenblik echter zienderogen.

Men kan, afgezien van enkele schakeringen, gemakkelijk drie groepen in de vergadering uiteenhouden: het omvangrijke maar uiterst labiele centrum dat de macht niet durft grijpen, toestemt in een coalitie, maar de kadetten niet wil; de zwakke rechtervleugel die voor Kerenski en een coalitie met de bourgeoisie zonder enig voorbehoud is; de dubbel zo sterke linkervleugel die voor de Sovjetmacht of een socialistische regering opkomt. In de bijeenkomst van de sovjetafgevaardigden van de Democratische Vergadering sprak Trotski voor een overgave van de macht aan de sovjets, Martov voor een homogeen socialistisch ministerie. Het eerste denkbeeld kreeg 86 en het tweede 97 stemmen. Formeel vertegenwoordigden de bolsjewieken op dit moment slechts ongeveer de helft van de arbeiders- en soldatensovjets, terwijl de andere helft tussen de bolsjewieken en de verzoeningsgezinden aarzelde. De bolsjewieken spraken echter in naam van de machtige sovjets van de grootste industriële en culturele centra van het land; in de sovjets waren zij oneindig veel sterker dan in de vergadering, in de arbeidersklasse en het leger oneindig veel sterker dan in de sovjets. De achterlijke sovjets pasten zich onophoudelijk aan de radicalen aan.

Voor de coalitie werd in de vergadering gestemd door 766 tegen 686 afgevaardigden bij 38 onthoudingen. Beide partijen waren nagenoeg met elkaar in evenwicht! De aanvulling waardoor de kadetten uit een coalitie gesloten werden, wist een meerderheid te verkrijgen: 595 tegen 493 stemmen bij 72 onthoudingen. De uitschakeling van de kadetten maakte een coalitie echter nutteloos. Daarom werd de resolutie in haar geheel met een meerderheid van 813 stemmen verworpen, d.w.z. door het blok van de twee uiterste vleugels, van de uitgesproken aanhangers en de onverzoenlijke tegenstanders van een coalitie tegen het centrum, waarvan het stemmenaantal daalde tot 183 terwijl er 80 onthoudingen waren. Dit was de meest eendrachtige van alle stemmingen. Maar zij was echter even nietszeggend als de gedachte van een coalitie zonder kadetten die bij deze stemming afgewezen was. “De vergadering kwam derhalve,” naar Miljoekov terecht opmerkt, “niet tot een vast besluit en een stellige uitspraak inzake de belangrijkste kwestie.”

Wat bleef de leiders nu nog te doen? De wil van de “democratie” negeren, die haar eigen wil afgewezen had. Het presidium wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van de verschillende partijen en de verschillende groepen om opnieuw een besluit te nemen inzake de kwestie die reeds door het plenum beslist is. Het resultaat is: 50 stemmen voor de coalitie en 60 ertegen. Is het nu nog niet duidelijk? De vraag van de verantwoordelijkheid van de regering aan een permanent orgaan van de Democratische Vergadering wordt door hetzelfde uitgebreide presidium met algemene stemmen bevestigend beantwoord. 56 tegen 48 handen bij 10 onthoudingen gaan omhoog voor een aanvulling van dit orgaan met vertegenwoordigers van de bourgeoisie. Kerenski verschijnt om te verklaren dat hij weigert deel uit te maken van een zuiver socialistische regering. Er blijft nu niets anders over dan de ongelukkige vergadering naar huis te zenden en ze te vervangen door een instelling waarin de aanhangers van een onvoorwaardelijke coalitie in de meerderheid zijn. Men behoeft slechts de meest elementaire beginselen van de rekenkunde machtig te zijn om dit resultaat te kunnen bereiken. Namens het presidium dient Tsereteli een resolutie in volgens hetwelk het vertegenwoordigend lichaam bij de vorming van een regering behulpzaam zou moeten zijn en de regering dit lichaam zou moeten bevestigen. De dromen om Kerenski te temmen, zijn dus definitief van de baan. De in evenredigheid met vertegenwoordigers van de burgerij aangevulde toekomstige sovjet van de republiek, ofwel het Voorlopig Parlement, zal als taak hebben om een coalitie met de kadetten te steunen. De resolutie van Tsereteli gaat volkomen in tegen wat de vergadering wil en tegen wat het presidium zopas besliste. De mislukking, het verval en de demoralisatie zijn echter zo groot dat de vergadering de enigszins vermomde capitulatie die haar voorgelegd wordt, met 829 tegen 106 stemmen bij 69 onthoudingen aanneemt. “Zo hebben jullie voorlopig de overwinning behaald, mijne heren verzoeningsgezinden en kadetten,” schreef het bolsjewistische blad. “Ga uw gang. Doe nieuwe ervaringen op. Dit zullen de laatste zijn – daarvoor staan wij borg.”

“De Democratische Vergadering,” zegt Stankevitsj, “verbaasde zelfs degenen die het initiatief ertoe hadden genomen door de volkomen verwarring die er heerste. Bij de verzoeningsgezinden was er “volslagen onenigheid”; rechts bij de bourgeoisie was er gemor en onwil, fluisterend verspreide laster, langzaam ondermijnen van de laatste resten van het gezag van de regering… En alleen links was er een versterking van de krachten en verbetering van de stemming.” Dit zegt een tegenstander, dit verklaart een vijand die in oktober op de bolsjewieken zal schieten. De democratische parade te Petrograd bleek voor de verzoeningsgezinden te zijn wat voor Kerenski de parade van de nationale eenheid te Moskou was: een openlijke erkenning van onmacht en van politiek verval. Terwijl de Landelijke Vergadering de aanleiding tot de opstand van Kornilov was, baande de Democratische Vergadering definitief de weg voor de bolsjewistische opstand.

Voordat zij uit elkaar ging, vormde de vergadering uit haar midden een permanent orgaan door 15 procent van het aantal leden van elke groep, in totaal ongeveer 350 gedelegeerden, daarin af te vaardigen. De instellingen van de bezittende klassen zouden bovendien 120 zetels krijgen. De regering voegde hieraan 20 zetels voor de Kozakken toe. Dit alles samen zou de Raad van de Republiek of het Voorlopig Parlement vormen om het volk te vertegenwoordigen tot aan de bijeenroeping van een Constituerende Vergadering.

De houding van de bolsjewieken tegenover de Raad van de Republiek moest onmiddellijk bepaald worden. Het stelde de tactische vraag of men hieraan moest deelnemen of niet. De boycot van vertegenwoordigende organen door anarchisten en halve anarchisten is ingegeven door hun streven om hun eigen onmacht niet aan de massa’s te tonen en zo de schijn op te houden dat zij terecht zo hoogmoedig zijn. Dat laat overigens vriend en vijand koud. Een revolutionaire partij mag slechts dan het parlement de rug toekeren wanneer zij zich een directe val van het bestaande regime ten doel stelt. Lenin had in de jaren tussen de beide revoluties de problemen van het revolutionaire parlementarisme zeer grondig bestudeerd.

Het parlement dat de hoogste privileges bezit, kan een uitdrukking van de feitelijke machtsverhoudingen tussen de klassen zijn en was dit ook meer dan eens in de geschiedenis. Dit was bijvoorbeeld het geval met de Rijksdoema’s na de neergeslagen revolutie van 1905 tot 1907. Een boycot van een dergelijk parlement betekent een boycot van de werkelijke machtsverhoudingen, in plaats van deze ten gunste van de revolutie te doen veranderen. Het Voorlopig Parlement van Tsereteli en Kerenski was echter in het geheel niet in overeenstemming met de machtsverhoudingen. Het was gesproten uit de onmacht en de sluwheid van de leiders, uit het geloof aan de mystieke betekenis van de staatsinstellingen, aan het fetisjisme van de vorm, en uit de verwachting de oneindig veel sterkere vijand aan dit fetisjisme te kunnen onderwerpen en hem daarmee te kunnen bedwingen.

Om de revolutie te dwingen om met gekromde rug en gebogen hoofd gehoorzaam onder het juk van het Voorlopig Parlement te gaan, moest men haar eerst, zo al niet neerslaan, dan toch minstens een ernstige nederlaag toebrengen. In werkelijkheid had echter drie weken geleden de voorhoede van de bourgeoisie een nederlaag geleden. De revolutie daarentegen had nieuwe krachten verzameld. Haar doel was niet een burgerlijke republiek, maar de arbeiders- en boerenrepubliek, en zij behoefde niet onder het juk van het Voorlopig Parlement door te kruipen, doordat zij zich steeds verder door middel van de sovjets uitbreidde.

Op 20 september riep het Centraal Comité van de bolsjewieken de bolsjewistische afgevaardigden van de Democratische Vergadering, de leden van het Centraal Comité zelf en het Petrograds Comité tot een partijconferentie bijeen. Trotski stelde als rapporteur van het Centraal Comité de slogan voor – “Boycot van het Voorlopig Parlement!” Het voorstel werd krachtig bestreden door sommigen (Kamenev, Rykov, Rjasanov) en vond instemming bij anderen (Sverdlov, Joffe, Stalin). Het Centraal Comité dat in deze kwestie in twee helften verdeeld was, zag zich genoodzaakt om tegen de statuten en de traditie van de partij in de beslissing aan de vergadering over te laten. Twee referenten, Trotski en Rykov, spraken als vertegenwoordigers van de tegenovergestelde standpunten. Het kon lijken, en het leek de meerderheid ook toe, alsof de heftige debatten louter van tactische aard waren. In werkelijkheid deed de strijd de meningsverschillen van april weer herleven en was hij een voorloper van die van oktober. De kwestie was of de partij haar taak aan de ontwikkeling van de burgerlijke republiek aanpaste, of dat zij zich werkelijk een verovering van de macht ten doel stelde. Met 77 tegen 50 stemmen verwierp de partijconferentie de slogan van de boycot. Op 22 september kon Rjasanov aan de Democratische Vergadering namens de partij verklaren dat de bolsjewieken hun vertegenwoordigers naar het Voorlopig Parlement zouden sturen om “in dit nieuwe bolwerk van verzoeningsgezindheid elke poging tot een nieuwe coalitie met de bourgeoisie te ontmaskeren.” Dit klonk erg radicaal. In werkelijkheid betekende dit echter dat men een politiek van oppositie en ontmaskering ging voeren in de plaats van een politiek van de revolutionaire daad.

Lenins Aprilstellingen waren formeel door de gehele partij aanvaard; maar bij elke belangrijke kwestie kwamen de stemmingen van maart weer tot uiting. Deze stemmingen waren onder de partijleiders, die zich op vele plaatsen in het land nu pas van de mensjewieken begonnen af te scheiden, nog erg sterk. Lenin kon pas achteraf in de strijd ingrijpen. Op 23 september schreef hij: “Men moet het Voorlopig Parlement boycotten. Men moet in de sovjets van arbeiders-, soldaten- en boerenafgevaardigden, in de vakverenigingen, in het algemeen tot de massa’s gaan. Men moet hen tot de strijd oproepen. Men moet hen de juiste en duidelijke slogan verkondigen: de bonapartistische bende van Kerenski met zijn onzuiver Voorlopig Parlement wegjagen… De mensjewieken en sociaal-revolutionairen hebben, zelfs na de korniloviade, ons compromis niet aanvaard… Onbarmhartige strijd tegen hen. Op onbarmhartige wijze hen uit alle revolutionaire organisaties verdrijven… Trotski was voor de boycot. Bravo, kameraad Trotski! De slogan van de boycot is verworpen in de bolsjewistische fractie die voor de Democratische Vergadering bijeenkwam. Leve de boycot!”

Hoe meer de partij zich met de kwestie bezighield, des te meer wijzigden de verhoudingen zich ten gunste van de boycot. Vrijwel in alle plaatselijke afdelingen vormde zich een minderheid. Zo vormen in het comité te Kiev de aanhangers van de boycot met Eugenia Bosch aan het hoofd aanvankelijk een zwakke minderheid. Reeds na enkele dagen wordt echter in de stedelijke conferentie met een verpletterende meerderheid een besluit aangenomen om het Voorlopig Parlement te boycotten. “Men moet de tijd niet met gebeuzel en het wekken van illusies verknoeien.” De partij haastte zich om haar leiders te corrigeren.

Intussen deed Kerenski, die de slappe democratische eisen had laten varen, zijn uiterste best om de kadetten zijn sterke vuist te tonen. Op 18 september kondigde hij onverwachts een bevel tot ontbinding van het centraal comité van de oorlogsvloot af. De matrozen antwoordden: “Het bevel tot ontbinding van de Centroflot is, daar het onwettig is, als ongeldig te beschouwen en men moet eisen dat het terstond weer ingetrokken wordt.” Het Uitvoerend Comité mengde zich in de zaak en verschafte Kerenski een formeel voorwendsel om zijn beschikking na drie dagen weer in te trekken. In Tasjkent greep de sovjet, die grotendeels uit sociaal-revolutionairen bestond, de macht en zette de vroegere beambten af. Kerenski zond een telegram aan de generaal die naar Tasjkent gezonden was om de orde te herstellen: “In geen geval met de muiters onderhandelen… Krachtige maatregelen moeten genomen worden.” De binnenrukkende troepen bezetten de stad en arresteerden de vertegenwoordigers van de Sovjetmacht. Terstond begon er een algemene werkstaking waaraan veertig vakbonden deelnamen; een week lang verscheen er geen enkele krant, in het garnizoen gistte het. Zo zaaide de regering bij haar najagen van het droombeeld van de orde anarchie in de staat.

Dezelfde dag waarop de vergadering het besluit tegen een coalitie met de kadetten genomen had, gaf het Centraal Comité van de kadettenpartij aan zijn leden Konovalov en Kisjkin de raad om het aanbod van Kerenski om in zijn kabinet te treden aan te nemen. Buchanan had, naar men zei, de regie. Dit dient men niet al te letterlijk op te vatten. Ook al had Buchanan niet zelf de regie, dan had zijn schim deze: men moest namelijk een regering vormen die de Geallieerden welgevallig was. De Moskouse industriëlen en beursmensen betoonden zich weerspannig, dreven de prijs op en stelden ultimatums. De Democratische Vergadering sloofde zich uit met het houden van stemmingen en deed alsof deze werkelijk enige betekenis hadden. In werkelijkheid werd de kwestie beslist in het Winterpaleis, in verenigde vergaderingen van wat nog over was van de regering met de vertegenwoordigers van de coalitiepartijen. De kadetten vaardigden hun meest openlijke aanhangers van Kornilov daarheen af. Men poogde elkaar van de noodzakelijkheid van eenheid te overtuigen. Tsereteli, die onuitputtelijk in gemeenplaatsen was, ontdekte dat de voornaamste hinderpaal voor een overeenkomst tot nu toe in het wederzijds wantrouwen gelegen was… Dit wantrouwen moet uit de weg geruimd worden. De minister van buitenlandse zaken, Teresjtsjenko, rekende uit dat er van de 197 dagen van het bestaan van de revolutionaire regering 56 met crisissen verknoeid waren. Waarmee de overige dagen verknoeid werden, gaf hij niet aan.

Nog voordat de Democratische Vergadering de resolutie van Tsereteli, een resolutie in strijd met haar eigen doeleinden, geslikt had, berichtten de correspondenten van Engelse en Amerikaanse kranten al telegrafisch dat een coalitie met de kadetten verzekerd was en zij noemden reeds met stelligheid de namen van de nieuwe ministers. Op zijn beurt wenste de Moskouse Raad van de in het openbare leven werkzame mannen, onder voorzitterschap van de onvermijdelijke Rodsjanko, zijn lid Tretjakov geluk met zijn benoeming in de regering. Op 9 augustus hadden deze heren aan Kornilov getelegrafeerd: “In deze moeilijke uren van vreselijke beproeving richt het gehele denkende Rusland vol hoop en verwachting zijn blikken op u.”

Kerenski verklaarde zich allergenadigst tevreden met het bestaan van een Voorlopig Parlement onder voorwaarde, “dat de organisatie van leger en politie en de samenstelling van de regering uitsluitend tot de taak van de Voorlopige Regering zouden behoren.” Deze vernederende voorwaarde was door de kadetten gedicteerd. De bourgeoisie moest natuurlijk begrijpen dat de Constituerende Vergadering veel ongunstiger samengesteld zou zijn dan het Voorlopig Parlement: “De verkiezingen voor de Constituerende Vergadering konden,” volgens Miljoekov, “wel eens een volkomen willekeurig, misschien wel een rampzalig resultaat opleveren.” Indien de kadettenpartij die kort voordien nog probeerde om de regering ondergeschikt te maken aan de tsaristische Doema, niettemin ronduit weigerde om het recht van wetgeving aan het Voorlopig Parlement te geven, dan gebeurde dit enkel omdat zij de hoop niet opgaf te kunnen beletten dat de Constituerende Vergadering zou bijeenkomen.

“Of Kornilov, of Lenin,” zo formuleerde Miljoekov het alternatief. Lenin van zijn kant schreef: “Of Sovjetmacht, of korniloviade. Een middenweg is er niet.” In zoverre stemden Lenin en Miljoekov in hun beoordeling van de toestand overeen en dit was niet toevallig: in tegenstelling tot de verzoeningsgezinde helden met de mond, waren zij de twee meest serieuze vertegenwoordigers van de voornaamste maatschappelijke klassen. Reeds de Moskouse Landelijke Vergadering had, volgens Miljoekov, duidelijk getoond dat “het land verdeeld was in twee partijen, tussen welke er eigenlijk geen verzoening en geen overeenstemming mogelijk was.” Waar tussen twee maatschappelijke partijen geen overeenstemming mogelijk is, moet de burgeroorlog de beslissing brengen.

Noch de kadetten, noch de bolsjewieken lieten echter de slogan van de Constituerende Vergadering varen. De kadetten hadden deze nodig als hoogste beroepsinstantie tegen onmiddellijke sociale hervormingen, tegen sovjets, tegen revolutie. De schaduw die de democratie in de vorm van de Constituerende Vergadering vooruitwierp, werd door de bourgeoisie als tegengif tegen de levende democratie gebruikt. Openlijk de Constituerende Vergadering afwijzen, zou de bourgeoisie pas hebben kunnen doen nadat de bolsjewieken verpletterd waren. Dit zou nog lang duren. Zoals de toestand nu was, trachtten de kadetten ervoor te zorgen dat de regering onafhankelijk bleef van de met de massa’s verbonden organisaties, om haar later des te gemakkelijker geheel aan zich te kunnen onderwerpen.

Maar ook de bolsjewieken, die geen uitweg langs de weg van de formele democratie mogelijk achtten, gaven de gedachte van een Constituerende Vergadering nog niet op. Zij zouden dit ook niet hebben kunnen doen zonder met het revolutionaire realisme in strijd te komen. Het was niet met volkomen zekerheid te voorspellen of in het verdere verloop van de gebeurtenissen de voorwaarden voor een volledige overwinning van de arbeidersklasse zouden ontstaan. Afgezien van een Sovjetdictatuur en tot aan deze heerschappij moest de Constituerende Vergadering wel het hoogste lijken wat de revolutie kon brengen. Net zoals de bolsjewieken de verzoeningsgezinde sovjets en democratische gemeenteraden tegen Kornilov verdedigd hadden, waren zij ook bereid de Constituerende Vergadering tegen aanslagen van de bourgeoisie te verdedigen.

De crisis die dertig dagen duurde, werd uiteindelijk opgelost door de vorming van een nieuwe regering. De schatrijke Moskouse industrieel Konovalov, die in het begin van de revolutie het blad van Gorki gefinancierd had, daarna lid van de eerste coalitieregering was, na het eerste Sovjetcongres onder protest aftrad, lid werd van de kadettenpartij toen deze rijp werd voor de korniloviade, en nu als vertegenwoordiger van de eerste minister en als minister van handel en industrie in de regering terugkeerde, was bestemd om naast Kerenski de hoofdrol daarin te spelen. Behalve Konovalov bezetten ministerzetels: Tretjakov, de voorzitter van het Moskouse beurscomité, en Smyrnov, de voorzitter van het Moskouse oorlogsindustriecomité. De Kievse suikerfabrikant Teresjtsjenko bleef minister van buitenlandse zaken. De overige ministers, onder wie ook de socialisten, hadden niets bijzonders van functie, maar ze waren volkomen bereid om de eenheid niet te verstoren. De Entente kon met de regering des te meer tevreden zijn omdat de oude diplomaat Nabokov gezant te Londen bleef en de kadet Maklakov, een bondgenoot van Kornilov en Savinkov, gezant in Parijs en – de progressist Jefremov gezant in Bern werd: de strijd om een democratische vrede was in betrouwbare handen gelegd.

De verklaring van de nieuwe regering was een boosaardige parodie op de Moskouse verklaring van de democratie. De betekenis van de coalitie was echter niet gelegen in een hervormingsprogramma, maar in de poging om de in de Julidagen begonnen onderneming ten einde te brengen, namelijk de revolutie onthoofden door de bolsjewieken neer te slaan. De “Rabotsjiy Poetj” (“De weg van de Arbeider”), een van de bladen die de “Pravda” vervingen, herinnerde er de Geallieerden echter brutaalweg aan: “Jullie zijn één ding vergeten: de bolsjewieken, dat zijn nu de sovjets van arbeiders en soldatenafgevaardigden.” Deze herinnering trof een gevoelige plek. “Vanzelf rees nu,” erkent Miljoekov, “de verontrustende vraag: is het niet te laat? Is het niet te laat om de bolsjewieken de oorlog te verklaren…?”

Klaarblijkelijk is het inderdaad te laat. Op de dag van de vorming van de nieuwe regering uit zes burgerlijke en tien half-socialistische ministers werd ook de vorming van het nieuwe Uitvoerend Comité van de Petrogradse sovjet uit dertien bolsjewieken, zes sociaal-revolutionairen en drie mensjewieken voltooid. De regeringscoalitie werd door de sovjets met een door zijn voorzitter Trotski ingediende resolutie begroet: “De nieuwe regering… zal in de geschiedenis van de revolutie als een regering van de burgeroorlog bekend staan… Het nieuws van de vorming van een nieuwe regering zal de gehele revolutionaire democratie beantwoorden met: aftreden! Vertrouwend op deze eensgezinde uiting van de echte democratie zal het Al-Russische Sovjetcongres een waarlijk revolutionaire regering vormen.” De tegenstanders waren geneigd om in deze resolutie slechts een gebruikelijke stem van wantrouwen te zien. In werkelijkheid vormde zij het programma van de revolutie. Precies na één maand zal zij in vervulling gaan.

Het economisch leven ging in een snel dalende lijn. De regering, het Centraal Uitvoerend Comité en weldra ook het nieuw gevormde Voorlopig Parlement wezen op allerlei feiten en symptomen van verval als een argument tegen anarchie, bolsjewieken en revolutie. Zij hadden echter niets wat ook maar enigszins op een economisch plan geleek. Het orgaan tot regeling van het economisch leven, dat met de regering verbonden was, deed geen enkele stap van betekenis. De industriëlen sloten de bedrijven. Het spoorwegverkeer werd wegens kolengebrek ingekrompen. In de steden lagen de elektriciteitswerken stil. De pers jammerde over de catastrofe. De prijzen stegen. De ene groep arbeiders na de andere staakte, ondanks de waarschuwingen van de partij, de sovjet en de vakverenigingen. Enkel de groepen die reeds bewust de revolutie tegemoet gingen, vermeden conflicten. Het meest rustig hield zich Petrograd.

Door haar achteloosheid tegenover de massa’s, lichtvaardige onverschilligheid voor hun noden, uitdagende frasen als antwoord op protesten en wanhoopskreten maakte de regering zich bij iedereen gehaat. Het leek wel alsof zij conflicten zocht. De spoorwegarbeiders en -beambten eisten nu al bijna vanaf de Februarirevolutie loonsverhoging. De ene commissie volgde op de andere, niemand gaf antwoord. Men maakte de spoorwegarbeiders radeloos. De verzoeningsgezinden trachtten te kalmeren en de executieve van de spoorwegarbeiders probeerde te remmen. Op 24 september barstte echter de bom. Nu pas bedacht de regering zich, werden enkele concessies aan het spoorwegpersoneel gedaan, en de staking die zich reeds over grote delen van het spoorwegnet uitgebreid had, werd op 27 september opgeheven.

Augustus en september waren maanden waarin de levensstandaard snel daalde. Reeds in de dagen van Kornilov was het broodrantsoen in Moskou en Petrograd tot op een half pond per dag verlaagd. In het district Moskou was er niet meer dan twee pond per week. Het Wolgagebied, het zuiden, het front, en het dichterbij gelegen achterland – alle delen van het land maakten een ernstige levensmiddelencrisis door. In het textielgebied bij Moskou begon men in enkele fabrieken reeds honger te lijden in de letterlijke zin van het woord. De arbeiders en arbeidsters van de Smyrnovfabriek – de eigenaar was juist in die dagen tot staatscontroleur in de nieuwe coalitieregering benoemd – demonstreerden in het naburige Orechowo-Soejewo onder de slogans: “Wij hebben honger,” “Onze kinderen hebben honger,” “Wie niet met ons is, is tegen ons.” De arbeiders van Orechow en de soldaten van het plaatselijk militair hospitaal deelden hun karige rantsoenen met de betogers. Dit was een andere baanbrekende en zich tegen de regeringscoalitie kerende coalitie.

De kranten maakten dagelijks melding van nieuwe haarden van conflicten en muiterijen. Arbeiders, soldaten en het kleine stadsvolk protesteerden. De soldatenvrouwen eisten verhoging van de ondersteuning, woningen, hout voor de winter. De Zwarte Honderd-agitatie zocht voedsel in de honger van de massa’s. Het Moskouse blad van de kadetten “Roesskije Wedomosti” (“Russische Tijdingen”), dat vroeger een mengeling van liberalisme en volkssocialisme was, keek nu vol haat en afkeer op het echte volk neer. “Er gaat een machtige golf van onlusten over geheel Rusland…” schreven de liberale professoren. “Het elementaire en zinneloze karakter van de pogroms… bemoeilijkt de strijd ertegen ten zeerste… Om ze te onderdrukken moet men de gewapende macht gebruiken… maar het is juist deze gewapende macht die, in de persoon van de soldaten van de plaatselijke garnizoenen, de hoofdrol bij de pogroms speelt… De massa… gaat de straat op en begint zich heer en meester te voelen…”

De officier van justitie te Saratov meldde aan de minister van justitie Maljantovitsj, die zich in de tijd van de eerste revolutie tot de bolsjewieken gerekend had: “Het grootste kwaad waartegen men niet in staat is te vechten, zijn de soldaten… eigenrichting, eigenmachtige arrestaties en huiszoekingen, allerlei opeisingen die in de meeste gevallen óf uitsluitend door soldaten óf met directe medewerking van deze doorgevoerd worden.” In Saratov zelf, in de districtssteden en de dorpen is de rechterlijke macht zonder enige hulp. Het openbaar ministerie komt tijd tekort om alle misdaden van het volk te vervolgen.

De bolsjewieken maakten zich geen illusies over de moeilijkheden die hen na het overnemen van de macht te wachten zouden staan. “Terwijl wij de slogan “Alle macht aan de sovjets” opstellen,” zei de nieuwe voorzitter van de sovjet van Petrograd, “weten wij dat niet alle wonden op slag hierdoor geheeld zullen worden. Wij hebben een regering nodig die gevormd is naar het voorbeeld van de leiding in de vakverenigingen, die de stakers alles geeft wat zij maar kan en niets verbergt en, indien zij niets te geven heeft, dit ook openlijk erkent…”

Een van de eerste zittingen van de regering was aan de “anarchie” in de provincie, en vooral op het platteland, gewijd. Eens te meer werd het noodzakelijk geacht om “niet terug te deinzen voor de meest krasse maatregelen.” Terloops ontdekt de regering dat de oorzaak van de mislukking van de strijd tegen de onlusten gelegen was in de onvoldoende populariteit die de regeringscommissarissen onder de massa’s van de boerenbevolking genoten. Om dit te verbeteren, wordt besloten in alle gouvernementen waar onlusten voorkomen in allerijl “buitengewone comités van de Voorlopige Regering” te vormen. Van nu af aan zullen de boeren strafexpedities met welkomstkreten moeten begroeten.

Onweerstaanbare historische krachten sleurden de heersers mee. Niemand geloofde ernstig in het succes van de nieuwe regering. Kerenski bleef even geïsoleerd als voorheen. De bezittende klassen konden zijn verraad aan Kornilov niet vergeten. “Wie bereid was tegen de bolsjewieken te vechten,” schrijft de Kozakkenofficier Kakljoegin, “wilde dit niet in naam en ter verdediging van de macht van de Voorlopige Regering doen.” Terwijl hij zich aan de macht vastklampte, was Kerenski bang haar te gebruiken. Het in kracht toenemend verzet verlamde zijn wil tenslotte volkomen. Hij vermeed elk besluit en schuwde het Winterpaleis, waar de situatie hem ertoe verplichtte tot daden over te gaan. Meteen na de vorming van de nieuwe regering droeg hij het voorzitterschap aan Konovalov over en reisde zelf af naar het hoofdkwartier waar men hem allerminst nodig had. Hij keerde slechts naar Petrograd terug om het Voorlopig Parlement te openen. Alhoewel de ministers hem trachtten tegen te houden, reisde hij op 14 september weer af naar het front. Kerenski vluchtte voor het noodlot dat hem op de hielen zat. Konovalov, de meest directe medewerker en plaatsvervanger van Kerenski, geraakte volgens Nabokov in vertwijfeling over Kerenski’s grilligheid en de volslagen onmogelijkheid om zich op zijn woorden te verlaten. De stemming van de overige leden van de regering verschilde echter weinig van die van hun leider. De ministers keken bezorgd om zich heen, luisterden angstig, wachtten af, verdreven de tijd met nutteloos geschrijf en hielden zich bezig met kleinigheden. De minister van justitie Maljantovitsj was, naar Nabokov vertelt, buitengewoon bezorgd over het feit dat de senatoren weigerden Sokolov in zijn zwarte geklede jas als nieuwe collega op te nemen. “Wat denk je dat wij doen moeten?” vroeg Maljantovitsj bezorgd. Volgens de door Kerenski ingevoerde regel werd er uiterst streng op gelet dat de ministers elkaar niet, zoals gewone stervelingen, bij hun naam en voornaam noemden, maar met de post die zij bekleedden: “Mijnheer de minister zo en zo,” zoals het vertegenwoordigers van een sterke regering betaamt. De memoires van de betrokken personen lijken wel een satire. Kerenski zelf schreef later over zijn minister van oorlog: “Dit was wel de ongelukkigste benoeming van allemaal: Versjovski had ontegensprekelijk iets komisch in zijn optreden.” Het ongelukkige is echter dat er ontegensprekelijk iets komisch over het gehele optreden van de Voorlopige Regering lag: deze mensen wisten niet hoe ze zich moesten draaien of keren. Zij regeerden niet, maar speelden regeerder, zoals schooljongens soldaatje spelen, maar dan veel minder levendig.

Miljoekov beschreef, toen hij als getuige optrad, de toestand van het hoofd van de regering in die tijd zeer nauwkeurig: “Terwijl Kerenski de grond onder de voeten verloor, gaf hij voortdurend meer blijk van alle kenmerken van die pathologische geestesgesteldheid die men in de medische wetenschap “psychische neurasthenie” noemt. Het was de meer intieme vrienden reeds lang bekend dat Kerenski na ogenblikken van buitengewone ineenstorting van energie in de voormiddag, in de verdere loop van de dag onder invloed van medicijnen in een toestand van hevige opwinding geraakte.” Miljoekov verklaart de buitengewoon grote invloed van de kadetten-minister Kisjkin, die psychiater van beroep was, uit diens handigheid om met de patiënt om te gaan. Deze mededelingen laten wij geheel voor rekening van de liberale historicus, die weliswaar meer dan enig ander op de hoogte kon zijn van de waarheid, maar lang niet altijd de waarheid betrachtte.

De mededelingen van iemand die zo dicht bij Kerenski stond als Stankevitsj bevestigen, zo al niet de psychiatrische, dan toch de psychologische beschrijving die Miljoekov gegeven heeft. “Kerenski frappeerde mij,” schrijft Stankevitsj, “door zijn opvallende eenzaamheid en de opvallende, ongewone rust in zijn omgeving. Alleen zijn onvermijdelijke ‘adjudantjes’ waren rondom hem. Er waren noch de mensenmassa waardoor hij vroeger altijd omgeven was, noch de delegaties, noch de schijnwerpers… Er volgden wonderlijke uren van verveling en ik kreeg de ongewone gelegenheid om urenlang met hem te praten, waarbij hij een merkwaardige traagheid aan de dag legde.”

Elke nieuwe regeringswijziging werd voltrokken in naam van een sterke regering en elke nieuwe regering begon met grootse aankondigingen, om vervolgens reeds na enkele dagen tot moedeloosheid te vervallen. Het wachtte daarna op een stoot van buitenaf om uiteen te vallen. De stoot werd iedere keer gegeven door de massabewegingen. Wie zich niet door schijn laat misleiden, kan enkel vaststellen dat elke regeringswijziging steevast in een aan de massabeweging tegenovergestelde richting plaatsvond. Tussen de ene regering en de andere lagen crisissen die telkens slepender en smartelijker werden. Elke nieuwe crisis verspilde een deel van de staatsmacht, verzwakte de revolutie en demoraliseerde de regeerders. Het Uitvoerend Comité van de eerste twee maanden was tot alles in staat, zelfs tot het aan de macht brengen van de bourgeoisie. In de volgende twee maanden was de Voorlopige Regering samen met het Uitvoerend Comité nog tot veel in staat, zelfs tot het beginnen van het offensief aan het front. De derde regering, onder het verzwakte Uitvoerend Comité, was nog in staat om een aanvang te maken met het neerslaan van de bolsjewieken, maar was niet meer in staat dit geheel te volvoeren. De vierde regering, die na de langste crisis ontstaan was, was reeds tot niets meer in staat. Nauwelijks geboren, lag zij in stervensnood en wachtte met open ogen op haar eigen doodgraver.