Konden de bolsjewieken in juli de macht grijpen?

De door de regering en het Uitvoerend Comité verboden demonstratie had een grandioos karakter: op de tweede dag namen er niet minder dan 500.000 mensen aan deel. Soechanov, die geen krachttermen genoeg kan vinden om de “bloedige en gore” Julidagen te veroordelen, schrijft niettemin: “Afgezien van de politieke gevolgen kon men deze verbazingwekkende volksbeweging niet anders dan met verrukking beschouwen. Ook al achtte men ze funest, zo moest men toch het reusachtig elementair enthousiasme ervan bewonderen.” Naar de commissie van onderzoek vaststelde, zijn er in totaal 29 doden en 114 gewonden geweest, terwijl het aantal slachtoffers aan beide zijden even groot was.

Dat de beweging van onderop begon, onafhankelijk van de bolsjewieken en in zekere zin tegen de wil van deze, werd in de eerste uren ook door de verzoeningsgezinden zelf erkend. Reeds in de nacht van 3 juli, maar vooral de dag daarop, verandert de officiële zienswijze. De beweging wordt tot een opstand verklaard en de bolsjewieken tot de organisatoren ervan. “Onder de slogan ‘Alle macht aan de Sovjets’ ontwikkelde zich een echte opstand van de bolsjewieken tegen de toenmalige meerderheid in de Sovjet die uit partijen van de landsverdediging bestond,” schreef Stankevitsj die later in nauwe relatie met Kerenski stond. De beschuldiging een opstand verwekt te hebben, was niet slechts een listige kunstgreep in de politieke strijd: deze lieden hadden zich in de maand juni maar al te zeer van de machtige invloed van de bolsjewieken op de massa’s kunnen overtuigen en weigerden nu eenvoudig te geloven dat de beweging van arbeiders en soldaten buiten de bolsjewieken om gegaan zou zijn. Trotski poogde in het Uitvoerend Comité een uiteenzetting te geven: “Men beschuldigt ons ervan dat wij een bepaalde stemming onder de massa’s teweeg brengen. Dit is een foutieve voorstelling van de zaken, wij proberen slechts uitdrukking aan deze stemming te geven.” In de na de Oktoberomwenteling verschenen boeken van de tegenstanders, en vooral bij Soechanov, is de bewering te vinden dat de bolsjewieken klaarblijkelijk slechts ten gevolge van de nederlaag van de Juliopstand hun werkelijk doel verborgen hielden en zich achter het elementaire karakter van de massabeweging verschuilden. Maar is het mogelijk om het plan van een gewapende opstand die honderdduizenden mensen meesleurt als een schat verborgen te houden? Waren de bolsjewieken dan niet voor de Oktoberrevolutie genoodzaakt om volkomen openlijk tot de opstand op te roepen en zich voor de ogen van iedereen hierop voor te bereiden? Als niemand in juli dit plan ontdekt heeft, dan komt dit eenvoudig omdat het er niet was. Het binnentrekken van de mitrailleurs en de matrozen uit Kronstadt in de Peter-en-Paulsvesting met toestemming van het vaste garnizoen – op deze bezetting gingen de verzoeningsgezinden buitengemeen prat! – was geenszins een daad van gewapende opstandelingen. Het op het kleine eiland liggende gebouw – veeleer een gevangenis dan een militair steunpunt – kon bij een terugtocht weliswaar nog tot toevluchtsoord dienen, maar had voor een aanval geen nut.

Terwijl de betogers naar het Taurisch paleis oprukten, gingen zij achteloos de voornaamste regeringsgebouwen voorbij, terwijl een enkele Poetilovafdeling van de Rode Garde voldoende geweest zou zijn om deze te bezetten. De Peter-en-Paulsvesting bezetten zij, net zoals zij straten, posten en pleinen bezetten. Een extra reden daarvoor was de nabuurschap van de villa Ksjjessinskaja, welke men in geval van gevaar vanuit de vesting te hulp zou kunnen komen.

De bolsjewieken deden alles om de Julibeweging tot een demonstratie te beperken. Ging zij echter toch niet door de loop der gebeurtenissen verder? Het is moeilijker om op deze politieke vraag een antwoord te geven dan op een strafrechtelijke beschuldiging. Lenin schreef, toen hij de Julidagen direct na hun afloop analyseerde: “Een tegen de regering gerichte demonstratie – dat zou formeel de meest juiste kenschetsing van de plaatsgehad hebbende gebeurtenissen zijn. Maar het gaat er juist om dat het geen gewone demonstratie, maar iets veel groter dan een demonstratie en iets kleiner dan een revolutie was.” Indien de massa’s zich een gedachte eigen maken, dan willen zij deze ook verwezenlijken. Terwijl zij de bolsjewistische partij vertrouwden, hadden de arbeiders en vooral de soldaten zich toch nog niet de overtuiging eigen gemaakt dat men een actie slechts mag beginnen na daartoe opgeroepen te zijn door de partij en onder haar leiding. De in februari en april opgedane ervaring leerde veeleer het tegendeel. Toen Lenin in mei zei dat de arbeiders en boeren honderdmaal meer revolutionair waren dan onze partij, vatte hij ongetwijfeld de in februari en april opgedane ervaringen in een algemene conclusie samen. Maar ook de massa’s verwerkten deze ervaringen op hun eigen manier. Zij zeiden tot zichzelf dat zelfs de bolsjewieken alles op de lange baan schoven en trachtten te weerhouden. De betogers waren in de Julidagen volkomen bereid om – indien de loop der dingen dit meegebracht had – de officiële regering weg te jagen.

In geval van tegenstand van de kant van de bourgeoisie waren zij bereid om naar de wapens te grijpen. In zoverre was er hier in zekere zin sprake van een gewapende opstand. Indien deze niettemin niet eens gedeeltelijk, laat staan helemaal doorgezet werd, dan komt dit omdat de verzoeningsgezinden verwarring stichtten.

In het eerste deel van dit werk hebben wij uitvoerig de paradox van het Februariregime beschreven. De macht was uit de handen van het revolutionaire volk op de kleinburgerlijke democraten, de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen, overgegaan. Zij hadden zich deze taak niet zelf opgelegd. Zij hadden de macht niet veroverd. Tegen hun zin waren zij in de regering beland. Tegen de wil van de massa’s poogden zij de macht aan de imperialistische bourgeoisie af te staan. Het volk vertrouwde de liberalen niet, maar vertrouwde de verzoeningsgezinden die intussen zichzelf niet vertrouwden. En zij hadden gelijk van hun standpunt bezien. De democraten zouden, zelfs indien zij de macht volkomen aan de bourgeoisie uitgeleverd hadden, immers toch nog enige invloed behouden hebben. Indien zij echter de macht zelf in handen genomen hadden, zouden zij er niets van over gehouden hebben. De macht zou bijna automatisch van de democraten op de bolsjewieken overgegaan zijn. Er was geen ontkomen aan het noodlot, want de oorsprong lag in de innerlijke zwakte van de Russische democratie.

De Julibetogers wilden de macht op de sovjets doen overgaan. Daartoe was nodig dat de sovjets bereid waren om deze te nemen. Intussen behoorde zelfs in de hoofdstad, waar de meeste arbeiders en de actieve elementen in het garnizoen reeds hand in hand met de bolsjewieken gingen, krachtens de traagheidswet waaraan iedere volksvertegenwoordiging onderworpen is, de meerderheid in de sovjet nog tot de kleinburgerlijke partijen die een aanslag op de macht van de bourgeoisie als een aanslag tegen zichzelf beschouwden. De arbeiders en soldaten beseften zeer wel de tegenstelling, die er tussen hun opvattingen en de politiek van de sovjets, d.w.z. tussen het heden en het verleden, bestond. Terwijl zij in beweging kwamen voor de macht van de sovjets, vertrouwden zij de meerderheid van de verzoeningsgezinden geenszins. Maar zij wisten niet wat zij met hen aan moesten. Hen met geweld ten val brengen, zou betekend hebben dat men de sovjets uiteenjoeg in plaats van hen de macht te verschaffen. De arbeiders en soldaten trachtten, vooraleer zij de weg wisten te vinden, om de sovjets te vernieuwen, deze sovjets door een directe actie aan hun wil te onderwerpen.

In de proclamatie van de beide Uitvoerende Comités betreffende de Julidagen deden de verzoeningsgezinden vol verontwaardiging een beroep op de arbeiders en soldaten tegen de betogers die “met wapengeweld hun wil aan de door u gekozen vertegenwoordigers trachtten op te leggen.” Alsof betogers en kiezers niet twee benamingen waren voor dezelfde arbeiders en soldaten! Alsof de kiezers niet het recht hadden om hun wil aan de gekozenen op te leggen! En alsof deze wil uit iets anders bestaan had dan uit de eis om hun plicht te doen, namelijk in het belang van het volk de macht te grijpen. Terwijl zij zich om het Taurisch paleis verdrongen, schreeuwden de massa’s in de oren van het Uitvoerend Comité hetzelfde dat een onbekend arbeider met zijn eeltige vuist aan Tsjernov voorgehouden had: “Neem de macht, als men ze u geeft.” Als antwoord haalden de verzoeningsgezinden de Kozakken. De heren democraten gaven de voorkeur aan de burgeroorlog tegen het volk boven een vreedzame machtsovergang in hun eigen handen. Het waren de witgardisten die het eerst schoten. Maar de politieke sfeer van een burgeroorlog was geschapen door de mensjewieken en sociaal-revolutionairen.

Terwijl zij botsten op gewapende tegenstand van het orgaan waarop zij de macht wilden doen overgaan, verloren de arbeiders en soldaten het gestelde doel meer en meer uit het oog. De geweldige volksbeweging had haar eigenlijke politieke betekenis verloren. De Juliopmars bleef beperkt tot een demonstratie die gedeeltelijk met de middelen van een gewapende opstand doorgevoerd werd. Met evenveel recht zou men ook kunnen zeggen dat het gedeeltelijk een opstand was voor een doel dat met geen andere methoden dan die van een demonstratie te verwezenlijken was.

Terwijl zij de macht prijsgaven, stonden de verzoeningsgezinden deze toch niet zonder meer aan de liberalen af. Dit kwam zowel omdat zij bang voor hen waren – de kleinburger vreest de grootbourgeois – maar ook omdat zij beducht waren voor het lot van deze regering – een zuiver kadettenministerie zou terstond door de massa’s ten val gebracht worden. Sterker nog: zoals Miljoekov zeer juist opmerkt: “In de strijd tegen het eigenmachtig gewapend optreden maakt het Uitvoerend Comité van de Sovjet gebruik van het in de onrustige dagen van 20 tot 21 april afgekondigde recht om naar eigen goeddunken over de gewapende krachten van het Petrograds garnizoen te beschikken.” De verzoeningsgezinden gaan op de oude manier voort om heimelijk de macht van zich af te schuiven. Om gewapende tegenstand te bieden aan hen die op hun spandoeken de macht van de Sovjets eisen, ziet de Sovjet zich genoodzaakt, werkelijk de macht in handen te nemen.

Het Uitvoerend Comité gaat nog verder: het verkondigt in deze dagen officieel dat het soeverein is. “Indien de revolutionaire democratie het nodig zou oordelen dat de gehele regeermacht op de Sovjet overging,” zo luidt de resolutie van 4 juli, “dan zou slechts de voltallige vergadering van het Uitvoerend Comité hierover kunnen beslissen.” Terwijl het Uitvoerend Comité de demonstratie voor de macht van de Sovjets als een contrarevolutionaire opstand bestempelde, constitueerde het zich tegelijkertijd als hoogste macht en besliste over het lot van de regering.

Toen op 5 juli bij het aanbreken van de dag de “regeringsgetrouwe” troepen het Taurisch paleis betraden, meldde hun commandant dat zijn afdeling zich volkomen aan het Centraal Uitvoerend Comité onderwierp. Geen woord over de regering! Ook de rebellen waren immers bereid zich aan het Uitvoerend Comité als de eigenlijke regering te onderwerpen. Bij de overgave van de Peter-en-Paulsvesting moest het garnizoen ervan verklaren dat het zich aan het Uitvoerend Comité onderwierp. Niemand eiste onderwerping aan de officiële regering. Ook de van het front opgeëiste troepen stelden zich zonder voorbehoud ter beschikking van het Uitvoerend Comité. Hoe kwam het dat er dan toch bloed vloeide?

Indien de strijd op het einde van de middeleeuwen had plaats gevonden, zouden beide partijen, terwijl zij elkaar doodden, zich op dezelfde Bijbelspreuken beroepen hebben. Formalistische historici zouden later tot de gevolgtrekking gekomen zijn dat de strijd om een uitlegging van Bijbelteksten gevoerd was: de middeleeuwse handwerkers en de onontwikkelde boeren kenmerkten zich, naar men weet, door het eigenaardig fanatisme zich om filosofische details in de Openbaring van Johannes te laten doden, zoals de Russische Raskolniki zich lieten uitroeien om de vraag of de bekruising met twee dan wel met drie vingers moest geschieden. In werkelijkheid ging er in de middeleeuwen, evengoed als vandaag, een belangenstrijd onder de symbolische formules schuil, welke men slechts moet weten bloot te leggen. Hetzelfde gezang betekent voor de één lijfeigenschap, voor de ander vrijheid.

Er zijn echter veel meer recente en meer voor de hand liggende vergelijkingen te maken. Tijdens de Junidagen van 1848 weerklonk in Frankrijk aan beide zijden van de barricade een en dezelfde kreet: “Leve de Republiek.” Zo leek het de kleinburgerlijke idealisten toe dat de Junigevechten op een misverstand berustten, een misverstand dat in het leven geroepen was door de nalatigheid van de ene en door de heetgebakerdheid van de andere partij. In werkelijkheid wilden de bourgeois een republiek voor zich alleen en de arbeiders een republiek voor iedereen. Politieke leuzen lijken vaker als doel te hebben om de belangen te verbergen dan om ze bij hun ware naam te noemen.

Ondanks het volslagen paradoxaal karakter van het Februariregime dat de verzoeningsgezinden bovendien met marxistische en populaire frasen maskeerden, zijn de werkelijke klassenverhoudingen volkomen duidelijk. Men dient slechts de tweeslachtige natuur van de verzoeningsgezinde partijen goed in het oog te houden. De ontwikkelde kleinburgers steunden op de arbeiders en boeren, maar verbroederden met de grootgrondbezitters en de suikerfabrikanten met hun hoge titels. Het Uitvoerend Comité diende, terwijl het een onderdeel was van het Sovjetstelsel waardoor de eisen van de lagere klassen tot de officiële staat doordrongen, tegelijkertijd tot politieke dekmantel voor de bourgeoisie. De bezittende klassen “onderwierpen” zich aan het Uitvoerend Comité, voor zover het hen de macht gaf. De massa’s onderwierpen zich aan het Uitvoerend Comité omdat zij hoopten dat het een regeringsorgaan van de arbeiders en boeren zou worden. In het Taurisch paleis kruisten tegengestelde klassenbelangen elkaar. Waarbij deze, zowel als gene zich met de massa van het Uitvoerend Comité dekten: deze – uit gemis aan inzicht en vertrouwen, gene – uit koele berekening. De strijd ging intussen om niet meer of minder dan om de vraag wie het land zou regeren: de burgerij of de arbeidersklasse.

Indien echter de verzoeningsgezinden de macht niet in handen wilden nemen en de burgerij daartoe niet in staat was, konden dan in juli de bolsjewieken niet het heft in handen nemen? Gedurende de twee kritieke dagen ontglipte de macht over Petrograd volkomen aan de regeringsbureaus. Het Uitvoerend Comité bespeurde voor de eerste keer zijn volslagen onmacht. Het zou de bolsjewieken geen moeite gekost hebben om onder deze omstandigheden de macht te grijpen. Men zou ook op enkele punten in de provincie de macht hebben kunnen veroveren. Deed de bolsjewistische partij er dan wel goed aan om van de machtsovername af te zien? Zou het niet mogelijk geweest zijn om steunend op de hoofdstad en enkele industriedistricten de heerschappij later over het gehele land uit te breiden? Dit is een belangrijke vraag. Niets heeft bij het einde van de oorlog meer tot de triomf van het imperialisme en de reactie in Europa bijgedragen dan de enkele maanden van de Kerenskiade die het revolutionaire Rusland murw sloegen en ontzaglijk afbreuk deden aan het morele gezag van dat revolutionaire Rusland in de ogen van de strijdende legers en de arbeidersmassa van Europa. Die hadden immers een nieuw geluid van de revolutie gehoopt en verwacht. De geboorteweeën van de arbeidersrevolutie zouden vier maanden verkort zijn – een enorme tijd! – de bolsjewieken zouden het land minder uitgeput en het gezag van de revolutie in Europa minder ondermijnd aangetroffen hebben. Dit zou de Sovjets niet alleen reusachtige voordelen bij de onderhandelingen met Duitsland geboden hebben, maar ook een zeer grote invloed op het verloop van oorlog en vrede in Europa gehad hebben. Het vooruitzicht was maar al te aanlokkelijk! En toch had de partijleiding volkomen gelijk met niet de weg van een gewapende opstand in te slaan. Het is niet voldoende om de macht te grijpen. Men moet ze ook weten te behouden. Toen in oktober de bolsjewieken beseften dat hun tijd gekomen was, kwam de moeilijkste tijd voor hen pas na de machtsgreep. De uiterste krachtsinspanning van de arbeidersklasse was nodig om stand te houden tegen de talloze vijandelijke aanvallen. In juli waren zelfs de arbeiders van Petrograd nog niet tot deze zelfopofferende strijd bereid. Terwijl zij de mogelijkheid hadden om de macht te grijpen, boden zij deze aan het Uitvoerend Comité aan. Terwijl de arbeidersklasse van de hoofdstad in overgrote meerderheid reeds naar de bolsjewieken overhelde, had het de banden van de Februarirevolutie, waardoor het met de verzoeningsgezinden verbonden was, nog niet helemaal verbroken. Er heerste nog veelal de illusie dat met woorden en demonstraties alles te bereiken was; alsof het er om ging de mensjewieken en sociaal-revolutionairen een beetje schrik aan te jagen, om hen tot een gemeenschappelijk politiek optreden met de bolsjewieken te bewegen. Het meest geschoolde deel van de klasse gaf er zich niet eens rekenschap van langs welke weg men de macht zou moeten krijgen. Lenin schreef kort daarop: “De eigenlijke fout van onze partij in de dagen van 3 en 4 juli, die nu uit de gebeurtenissen gebleken is, was slechts … dat de partij meende dat een vreedzame politieke ontwikkeling mogelijk was door een wijziging in de politiek door de Sovjets, terwijl in werkelijkheid de mensjewieken en sociaal-revolutionairen zich door hun verzoeningsgezindheid reeds zo aan de bourgeoisie gekoppeld en met deze verbonden hadden en de bourgeoisie zo contrarevolutionair geworden was dat er van een vreedzame ontwikkeling geen sprake meer kon zijn.”

Terwijl de arbeidersklasse politiek geenszins homogeen en niet vastbesloten genoeg was, was dit nog minder het geval met het boerenleger. Door zijn houding op 3 en 4 juli had het garnizoen het de bolsjewieken mogelijk gemaakt om de macht te grijpen. Er waren echter nog neutrale troepenafdelingen in het garnizoen, die reeds in de avond van 4 juli naar de patriottische partijen begonnen over te hellen. Op 5 juli scharen de neutrale regimenten zich aan de kant van het Uitvoerend Comité en de naar de bolsjewieken overhellende regimenten trachten een neutrale houding aan te nemen. De autoriteiten hebben hierdoor de handen veel meer vrij gekregen dan door de aankomst van de troepen van het front. Indien de bolsjewieken op 4 juli overijld de macht in handen genomen hadden, zou het garnizoen van Petrograd deze niet alleen zelf niet behouden hebben, maar ook de arbeiders verhinderd hebben deze in geval van een aanval van buitenaf, die stellig onvermijdelijk was, te verdedigen.

Nog ongunstiger was het in het actieve leger gesteld. De strijd om vrede en land had dit, vooral sedert het Junioffensief, zeer toegankelijk gemaakt voor de bolsjewistische leuzen. Het zogenaamd “elementaire” bolsjewisme van de soldaten was echter voor deze geenszins identiek met een bepaalde partij, het Centraal Comité of de leiders daarvan. Uit brieven van soldaten uit die tijd leert men de stemming in het leger zeer goed kennen. “Bedenkt, heren ministers en hoogste leiders,” zo schrijft een ruwe soldatenhand van het front, “wij hebben niet veel verstand van partijen, maar de toekomst en het verleden liggen niet ver uit elkaar, de tsaar heeft u naar Siberië gezonden en in de gevangenis gezet, maar wij zullen u met de bajonet doodsteken.” Een verbitterde stemming tegen de leiders die bedriegen, gaat in deze regels gepaard met een erkenning van eigen onmacht: “Wij hebben niet veel verstand van partijen.” Het leger rebelleerde voortdurend tegen de oorlog en de officieren en het maakte daarbij gebruik van de leuzen uit het bolsjewistisch vocabularium. Maar om een opstand te beginnen voor een overgang van de macht op de bolsjewistische partij, daartoe was het leger nog lang niet in staat. De betrouwbare troepenafdelingen ter onderdrukking van Petrograd waren door de regering gevormd uit de troepen die het dichtst bij de hoofdstad lagen, zonder op een daadwerkelijke tegenstand van de overige troepen te stuiten, en de regering had de troepen kunnen transporteren zonder enig verzet van het spoorwegpersoneel. Het ontevreden, opstandige, licht ontvlambare leger bleef politiek nog onbetrouwbaar; er waren nog te weinig hechte bolsjewistische kernen in die aan de gedachten en de handelingen van de ongeordende soldatenmassa een vaste richting konden geven.

Aan de andere kant maakten de verzoeningsgezinden, bij hun streven om het front tegen Petrograd en het boerenachterland uit te spelen, met succes gebruik van die venijnige middelen die de reactie in maart vergeefs gepoogd had tegen de Sovjets te gebruiken. De sociaal-revolutionairen en mensjewieken zeiden tot de soldaten aan het front: het garnizoen van Petrograd verschaft u onder invloed van de bolsjewieken geen reserves meer; de arbeiders willen niet langer werken om in de behoeften van het front te voorzien; indien de boeren nu aan de oproep van de bolsjewieken gehoor geven en de grond in bezit nemen, dan blijft er niets over voor de soldaten aan het front. De soldaten moesten nog weer nieuwe ervaringen opdoen om te beseffen voor wie de regering de grond eigenlijk beschermde: voor de frontsoldaten of voor de grootgrondbezitters.

Tussen Petrograd en het actieve leger stond de provincie. De weerklank die de Juligebeurtenissen daar vond, kan op zichzelf als een goede, later opgestelde, maatstaf dienen bij de beantwoording van de vraag of de bolsjewieken in juli juist handelden door de directe strijd om de macht te vermijden. In Moskou was de polsslag van de revolutie al veel zwakker dan in Petrograd. In de bijeenkomst van het Moskous bolsjewistische comité vonden heftige debatten plaats: enkele tot de uiterste linkervleugel behorende personen, zoals bijvoorbeeld Boebnow, stelden voor het post-, telegraaf- en telefoonkantoor en het redactiegebouw van de “Roesskoje Slowo” te bezetten, d.w.z. de weg van een opstand in te slaan. Het naar zijn hele wezen zeer gematigde Comité wees deze voorstellen beslist van de hand, met de motivering dat de arbeidersmassa’s van Moskou absoluut niet tot een dergelijke actie gereed waren. Ondanks het verbod van de Sovjet werd besloten een demonstratie te houden. Grote arbeidersmassa’s marcheerden naar het Skobeljewplein onder dezelfde leuzen als in Petrograd, maar lang niet met dezelfde geestdrift. De weerklank in het garnizoen was niet overal even groot, slechts enkele troepenafdelingen sloten zich aan en slechts één daarvan volledig uitgerust. De artillerist Davydovski, die later een grote rol zou spelen in de Oktobergevechten, verklaart in zijn “Herinneringen” dat Moskou in de Julidagen onvoorbereid was en dat de mislukking bij de leiders van de demonstratie “een ongunstige stemming” achterliet.

Naar Ivanovo-Voznesensk, het textielcentrum, waar de Sovjet reeds onder bolsjewistische leiding stond. Daar drong het nieuws van de gebeurtenissen in Petrograd tegelijk met een gerucht over de val van de Voorlopige Regering door. In de nachtelijke zitting van het Uitvoerend Comité werd besloten als voorbereidende maatregel de telefoon en telegraaf onder controle te stellen. Op 6 juli werd het werk in de fabrieken gestaakt; ongeveer veertigduizend arbeiders, waarvan velen gewapend waren, namen aan de demonstratie deel. Toen bekend werd, dat de Petrogradse demonstratie niet tot de overwinning geleid had, ging de sovjet van Ivanovo-Voznesensk in allerijl tot de terugtocht over.

In Riga kwam het onder indruk van de berichten over de gebeurtenissen te Petrograd in de nacht van 6 juli tot een botsing tussen de bolsjewistisch gezinde Letlandse scherpschutters en het “bataljon des doods”, waarbij het patriottische bataljon tot de terugtocht gedwongen werd. De Sovjet van Riga nam in diezelfde nacht een resolutie ten gunste van de Sovjetmacht aan. Twee dagen later werd een zelfde resolutie in de hoofdstad van de Oeral, Jekaterinenburg, aangenomen. Het feit dat de slogan van de Sovjetmacht, die in de eerste maanden slechts in naam van de partij zelf aangeheven was, van nu af aan tot een programmapunt van afzonderlijke plaatselijke Sovjets werd, betekende ongetwijfeld een grote stap vooruit. Tussen de resolutie voor de Sovjetmacht en de opstand onder bolsjewistische vlag lag echter nog een grote kloof.

In sommige delen van het land waren de Petrogradse gebeurtenissen aanleiding tot het ontstaan van scherpe conflicten van lokale aard. In Nisjni Novgorod, waar de geëvacueerde soldaten zich lange tijd tegen het transport naar het front verzetten, wekten de uit Moskou gezonden jonkers met hun gewelddaden verontwaardiging bij de beide plaatselijke regimenten op. Het resultaat van een botsing waarbij doden en gewonden vielen, was dat de jonkers zich overgaven en ontwapend werden. De autoriteiten verdwenen. Vanuit Moskou rukte een strafexpeditie op, die uit drie soorten troepen bestond. Aan het hoofd ervan stonden: de bevelhebber van het militaire district Moskou, de impulsieve overste Verchovski, later Kerenski’s minister van oorlog, en de voorzitter van de sovjet van Moskou, de oude mensjewiek Chinintsjoek, een weinig krijgshaftig man die later leider van de coöperaties en daarna Sovjetgezant in Berlijn werd. Er viel echter niets meer voor hen te bestraffen, daar het door de opstandige soldaten gekozen comité de orde intussen reeds volkomen hersteld had.

Ongeveer in dezelfde nachtelijke uren en eveneens omdat zij weigerden om naar het front te gaan, muitten in Kiev de soldaten van het regiment “Hetman Poloebotjko” ter sterkte van vijfduizend man, namen bezit van de munitievoorraden, bezetten de vesting en de generale staf, arresteerden de commandant en de militiechef. De paniek in de stad duurde enkele uren totdat het de militaire autoriteiten, de Comités, de openbare instellingen en de organen van de centrale raad met vereende krachten gelukte om de gevangenen te bevrijden en het grootste deel van de opstandelingen te ontwapenen.

In het verre Krassnojarsk voelden de bolsjewieken zich ondanks de stemming in het garnizoen zo zeker van hun zaak, dat zij ondanks de in het land reeds opkomende golf van reactie op 9 juli een demonstratie organiseerden waaraan acht à tienduizend personen, voor het merendeel soldaten, deelnamen. Er werd vanuit Irkoetsk een afdeling van vierhonderd man met artillerie, onder leiding van de militaire districtscommissaris, de sociaal-revolutionair Krakovezki, naar Krassnojarsk gezonden. Gedurende de beide dagen die het regime van de dubbele heerschappij absoluut nodig had om te beraadslagen en te onderhandelen, werd de strafexpeditie zo door de propaganda van de soldaten ondermijnd dat de commissaris zich moest haasten om haar zo spoedig mogelijk naar Irkoetsk terug te brengen. Krassnojarsk vormde echter een uitzondering.

In de meeste gouvernementen en districtssteden was de toestand veel ongunstiger. In Samara bijvoorbeeld had de bolsjewistische organisatie bij het nieuws van de gevechten in de hoofdstad gewacht op een teken, ofschoon er nagenoeg op niemand te rekenen viel. Eén van de partijleden ter plaatse vertelt: “De arbeiders begonnen met de bolsjewieken te sympathiseren, maar men mocht niet verwachten dat zij zich in de strijd zouden storten; op de soldaten kon men nog minder rekenen. Wat de bolsjewistische organisatie betrof, deze was uiterst zwak.  Wij waren maar een klein troepje, in de Sovjet van arbeidersafgevaardigden telden de bolsjewieken slechts weinig man en in de soldaten-sovjets waren er klaarblijkelijk in het geheel geen, want deze bestond vrijwel uitsluitend uit officieren.” De voornaamste oorzaak daarvan, dat de weerklank in het land zo zwak en verbrokkeld was, was daarin gelegen dat de provincie, die zonder enige strijd de Februarirevolutie van Petrograd had overgenomen, veel langzamer dan de hoofdstad de nieuwe feiten en ideeën wist te verwerken. Het zou nog een tijd duren vooraleer de voorhoede de zware reserves politiek aan haar zijde zou kunnen brengen.

Het bewustzijn van de volksmassa’s, als beslissende instantie in de revolutionaire politiek, was derhalve op 1 juli zodanig dat een machtsgreep door de bolsjewieken uitgesloten was. Tegelijkertijd bracht het offensief aan het front de partij ertoe om zich tegen demonstraties te verzetten. Een ineenstorting van het offensief was absoluut zeker. Feitelijk was deze reeds begonnen. Het land wist dit echter nog niet. Het gevaar bestond dat de regering, in geval de partij een onvoorzichtigheid beging, zou trachten om de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van haar eigen waanzin op de bolsjewieken af te wentelen. Het was beter om het offensief geheel te laten verlopen. De bolsjewieken twijfelden er niet aan of er zou een zeer krasse ommekeer in de massa’s plaats hebben. Dan kon men zien wat er te doen viel. Dit was een volkomen juiste berekening. De gebeurtenissen voltrekken zich echter volgens hun eigen wetten en deze storen zich niet aan politieke berekeningen; ditmaal kwamen zij gruwelijk op het hoofd van de bolsjewieken neer.

De mislukking van het offensief aan het front nam op 6 juli het karakter van een catastrofe aan, toen de Duitse troepen het Russische front over een uitgestrektheid van twaalf werst [1 werst is iets meer dan 1 kilometer] breedte en tien werst diepte doorbraken. In de hoofdstad werd de doorbraak bekend op 7 juli, juist toen de vernietigingscampagne en de strafacties hun hoogtepunt bereikt hadden. Vele maanden later, toen de gemoederen reeds gekalmeerd waren en het inzicht zeker verhelderd was, schreef Stankevitsj, die zeker niet de boosaardigste tegenstander van het bolsjewisme was, toch nog over “de raadselachtige consequentie van de gebeurtenissen,” – in de vorm van de doorbraak bij Tamopol, direct na de Julidagen in Petrograd. Deze lieden zagen niet of wilden niet zien wat de werkelijke consequentie van de gebeurtenissen was, nl. dat het onder druk van de Entente begonnen en van bij de aanvang af hopeloze offensief slechts tot een militaire catastrofe kon leiden en tevens een uitbarsting van woede bij de door de revolutie teleurgestelde massa’s teweeg moest brengen. Maar was het van belang hoe het in werkelijkheid was? Het was maar al te verleidelijk om de demonstratie te Petrograd met de mislukking aan het front te verbinden. De patriottische pers verborg de nederlaag niet alleen niet, integendeel: zij overdreef deze zoveel mogelijk zonder daarbij zelfs voor het verklappen van oorlogsgeheimen terug te deinzen. Divisies en regimenten werden genoemd en hun posities aangegeven. “Na 8 juli,” erkent Miljoekov, “drukten de kranten opzettelijk openlijk telegrammen van het front af, welke de openbare mening in Rusland als een donderslag troffen.” Dat wilde men ook juist: schokken, schrik aanjagen, doen duizelen, om des te gemakkelijker het verband tussen de bolsjewieken en de Duitsers te kunnen leggen.

Provocaties hebben ongetwijfeld een rol gespeeld, zowel bij de gebeurtenissen aan het front, alsook in de straten van Petrograd. Na de Februariomwenteling had de regering een groot aantal vroegere gendarmes en politieagenten in het actieve leger geworpen. Geen van hen wilde natuurlijk oorlog voeren. Zij vreesden de Russische soldaten meer dan de Duitse. Om hun verleden te verdoezelen, imiteerden zij de meest radicale stemmingen in het leger, hitsten de soldaten tegen de officieren op, schetterden het hardst tegen de discipline en het offensief en gaven zich niet zelden voor bolsjewieken uit. Terwijl zij het gewone contact van medeplichtigen aan een misdrijf met elkaar hadden, vormden zij een bijzondere orde van lafheid en laaghartigheid. Door hen drongen de meest fantastische geruchten, waarin een ultrarevolutionaire geest gepaard ging met een Zwarte Honderd-mentalileit, in de troepen door en verspreidden zich snel onder deze. In kritieke ogenblikken gaven deze sujetten het eerst het teken tot een paniek. Meer dan eens werd in de pers op het destructieve werk van de politieagenten en gendarmes gewezen. Niet minder vaak treft men soortgelijke mededelingen in de geheime documenten van het leger zelf aan. De hogere legerleiding bleef echter zwijgen en gaf er de voorkeur aan om de Zwarte Honderd-provocateurs met de bolsjewieken op een lijn te stellen. Maar nu, na de ineenstorting van het offensief, werd deze list gewettigd en het blad van de mensjewieken deed zijn best om niet bij de smerigste chauvinistische blaadjes achter te blijven. Met hun geschreeuw over “anarcho-bolsjewieken”, Duitse agenten, vroegere gendarmes, … wisten de patriotten een tijdlang met succes het vraagstuk van de toestanden in het leger in het algemeen en de vredespolitiek te overstemmen. “Onze goede doorbraak aan het front van Lenin,” zo snoefde vorst Lvov openlijk, “is naar mijn vaste overtuiging van oneindig veel grotere betekenis voor Rusland dan de doorbraak van de Duitsers aan het zuidwestelijk front…” Het eerwaardige hoofd van de regering leek in dit opzicht op de kamerheer Rodsjanko: hij begreep evenmin wanneer men beter kan zwijgen.

Indien het op 3 en 4 juli gelukt was om de massa’s van de demonstratie te weerhouden, dan zou de actie toch onvermijdelijk als een gevolg van de doorbraak bij Tarnopol gekomen zijn. De tussenpoos van slechts enkele dagen zou echter belangrijke wijzigingen in de politieke toestand teweeggebracht hebben. De beweging zou terstond een grotere omvang gekregen hebben en niet alleen de provincie, maar ook in sterke mate het front meegesleurd hebben. De regering zou politiek machteloos geweest zijn en het zou veel moeilijker geweest zijn om de schuld op de “verraders” in het achterland te gooien. De toestand van de bolsjewistische partij zou in elk opzicht gunstiger geweest zijn. Ook in dit geval zou het echter niet om een directe verovering van de macht kunnen gegaan zijn. Men kan slechts een ding met zekerheid zeggen en dat is: indien de beweging een week later uitgebarsten was, zou de reactie zich in juli niet zo succesvol hebben kunnen ontwikkelen. Juist de “raadselachtige consequentie” van de tijdstippen van de demonstratie en de doorbraak keerde zich geheel tegen de bolsjewieken. De golf van woede en vertwijfeling die van het front kwam aanrollen, stuitte op de golf van teleurstelling die uit Petrograd kwam. De les die de massa’s in de hoofdstad gekregen hadden, was te hard opdat men aan een onmiddellijke hervatting van de strijd had kunnen denken. De bittere gevoelens die de zinloze nederlaag opgewekt had, moesten echter een uitweg vinden. En de patriotten slaagden er tot op zekere hoogte in deze stemming tegen de bolsjewieken te keren.

In april, juni en juli waren de voornaamste figuren, die optraden, steeds dezelfden: de liberalen, de verzoeningsgezinden en de bolsjewieken. De massa’s trachtten in al deze fasen de bourgeoisie uit de regering te verdringen. Het verschil in de politieke gevolgen die de inmenging van de massa’s in de gebeurtenissen had, was echter reusachtig groot. Het resultaat van de “aprildagen” was een verlies voor de bourgeoisie: de annexionistische politiek werd, althans met woorden, veroordeeld, de kadettenpartij vernederd, de portefeuille van buitenlandse zaken aan haar ontnomen. In juni bleef de beweging onbeslist: men richtte zich tegen de bolsjewieken, doch sloeg niet toe. In juli werd de bolsjewistische partij van verraad beschuldigd, neergeslagen en van alles beroofd. Terwijl in april Miljoekov uit de regering gegooid werd, ging in juli Lenin in de illegaliteit.

Waardoor werd een zo krasse ommekeer in de loop van tien weken veroorzaakt? Het is volkomen duidelijk dat er in de regeringskringen een belangrijke verschuiving naar de liberale bourgeoisie had plaatsgehad. De stemming onder de massa had zich intussen juist in deze periode, april-juli, zeer ten gunste van de bolsjewieken gewijzigd.

Deze twee tegenstrijdige processen ontwikkelden zich in zeer nauwe afhankelijkheid van elkaar. Hoe meer de arbeiders en soldaten zich om de bolsjewieken aaneensloten, des te krachtiger moesten de verzoeningsgezinden de bourgeoisie ondersteunen. In april hadden de leiders van het Uitvoerend Comité, bezorgd om hun invloed, de massa’s nog enigermate tegemoet kunnen komen en Miljoekov, hoewel voorzien van een solide reddingsgordel, overboord kunnen gooien. In juli sloegen de verzoeningsgezinden samen met de bourgeoisie en het officierenkorps op de bolsjewieken in. De wijziging in de machtsverhoudingen was derhalve ook ditmaal veroorzaakt door de ommezwaai van de macht die politiek het minst in staat was om tegenstand te bieden, nl. de kleinburgerlijke democratie, door haar krasse bocht in de richting van de burgerlijke contrarevolutie.

Indien dit echter zo is, deden de bolsjewieken er dan wel goed aan om zich bij de demonstratie aan te sluiten en de verantwoordelijkheid ervoor op zich te nemen? Op 3 juli had Tomski de gedachte van Lenin aldus geformuleerd: “Het is verkeerd om nu van een gewapende demonstratie te spreken zonder een nieuwe revolutie te willen.” Hoe kon de partij dan enkele uren later reeds zich aan het hoofd van de gewapende demonstratie stellen, terwijl zij daarbij geenszins tot een nieuwe revolutie opriep? De dogmaticus zal daarin een inconsequentie of, wat nog erger is, een politieke lichtzinnigheid zien. Zo beschouwde bijvoorbeeld Soechanov de zaak, in wiens “Aantekeningen” men menige ironische passage over de bochten van de bolsjewistische leiding aantreft. De massa’s grijpen echter niet volgens een of ander dogmatisch voorschrift in de gebeurtenissen in, maar enkel volgens de eigen politieke ontwikkeling. De bolsjewistische leiding had zeer goed begrepen dat slechts een nieuwe revolutie de politieke situatie kon doen veranderen. De arbeiders en soldaten waren echter nog niet tot dit inzicht gekomen. De bolsjewistische leiding zag heel goed dat men de zware reserves tijd moest gunnen om de nodige gevolgtrekkingen uit het avontuurlijk offensief te trekken. De meest vooruitstrevende groepen drongen echter de straat op juist onder invloed van dit avontuur. Een zeer verregaand radicalisme, wat doeleinden betreft, ging daarbij gepaard met illusies betreffende de methodes. De waarschuwingen van de bolsjewieken baatten niet. De Petrogradse arbeiders en soldaten konden de werkelijke toestand slechts uit eigen ervaring leren kennen. De gewapende demonstratie werd een leerschool hiervoor. De les kon echter gemakkelijk tegen de wil van de massa’s tot een beslissende slag en tevens tot een beslissende nederlaag worden. Onder deze omstandigheden mocht de partij niet afzijdig blijven. Zich de handen in onschuld wassen en strategische voorspellingen houden, zou eenvoudig betekend hebben de arbeiders en soldaten aan hun vijanden uit te leveren. De partij van de massa’s moest zich op de basis stellen waarop de massa’s zich gesteld hadden, om zonder ook maar enigszins hun illusies te delen, hen te helpen om met de geringst mogelijke verliezen de noodzakelijke lessen te trekken. Trotski antwoordde in de pers op de talloze kritieken van die dagen: “Wij achten het niet nodig ons tegenover wie ook te verantwoorden voor het feit dat wij niet met gekruiste armen afzijdig bleven en het aan generaal Polovzev overlieten zich met de betogers ‘in te laten’. Door onze inmenging kon in elk geval in geen enkel opzicht het aantal slachtoffers vergroot of de chaotische gewapende betoging in een politieke opstand veranderd worden.”

In alle vroegere revoluties treft men het voorbeeld van de “Julidagen” aan, met een verschillende, maar in de regel ongunstige, dikwijls catastrofale afloop. Een dergelijke fase is inherent aan de ontwikkeling van de burgerlijke revolutie, voor zover de klasse die het meest voor haar succes offert en de meeste verwachtingen van haar koestert, het minst van haar ontvangt. De wetmatigheid van dit proces is volkomen duidelijk. De bezittende klasse, die door de omwenteling aan de macht gekomen is en tot het inzicht neigt dat de revolutie daarmee reeds haar taak vervuld heeft, beijvert zich daarom voor alles om aan de reactionaire machten haar betrouwbaarheid te tonen. De “revolutionaire” bourgeoisie wekt verontwaardiging onder de volksmassa’s met dezelfde maatregelen, waardoor zij tracht de goedkeuring van de ten val gebrachte klasse te verkrijgen. Er komt zeer snel een ontgoocheling onder de massa’s, nog voordat de voorhoede op adem kan komen van de inspanning van de revolutionaire strijd. Het volk gelooft dat het door een nieuwe slag voltooien of corrigeren kan wat het vroeger niet flink genoeg gedaan heeft. Vandaar de drang naar een nieuwe revolutie, zonder enige voorbereiding, zonder bepaald programma, zonder behoorlijk rekening te houden met de reserves, zonder de gevolgen goed te overwegen. Aan de andere kant loert de pas aan de macht gekomen groep van de bourgeoisie als het ware op een wilde uitbarsting van onderop om definitief met het volk te kunnen afrekenen. Dit is de sociale en psychologische basis van die tweede gedeeltelijke revolutie, die in de geschiedenis meer dan eens tot uitgangspunt van een zegevierende contrarevolutie werd.

Op 17 juli 1791 schoot Lafayette op het Marsveld een vreedzame demonstratie van republikeinen neer, die getracht hadden zich met een verzoekschrift tot de Nationale Vergadering te wenden, welke de woordbreuk van de koning dekte, net zoals de Russische verzoeningsgezinden honderdzesentwintig jaar later de woordbreuk van de liberalen dekten. De royalistische bourgeoisie hoopte door een bloedbad op het juiste ogenblik met de revolutionaire partij voor altijd te kunnen afrekenen. De republikeinen die zich nog niet sterk genoeg voelden om te overwinnen, ontweken de strijd, hetgeen heel verstandig was. Zij haastten zich zelfs om zich van de petitionarissen af te scheiden, hetgeen ongetwijfeld laag en gemeen was. Het regime van de burgerlijke terreur noopte de Jacobijnen zich enige maanden stil te houden. Robespierre vond onderdak bij de meubelmaker Duplay, Desmoulins hield zich verborgen, Danton bracht enkele weken in Engeland door. De royalistische provocatie mislukte echter: het bloedbad op het Marsveld belette de republikeinse beweging niet om de overwinning te behalen. De Grote Franse Revolutie had derhalve haar “Julidagen”, zowel in de politieke betekenis van het woord, alsook overeenkomstig de kalender.

Zevenenvijftig jaren later vielen in Frankrijk de “Julidagen” in juni en kregen zij een veel grootser en tragischer karakter. De zogenaamde “Junidagen” van 1848 kwamen met onweerstaanbare kracht uit de Februariomwenteling voort. De Franse bourgeoisie kondigde in de eerste uren van haar overwinning het “recht op arbeid” af, zoals zij na 1789 vele heerlijke dingen verkondigde en zoals zij in 1914 nadrukkelijk verklaarde dat zij voor het laatst oorlog voerde. Uit het prachtige recht op arbeid ontstonden de jammerlijke nationale werkplaatsen, waar honderdduizend arbeiders die voor hun broodheren de macht veroverd hadden drieëntwintig sous per dag kregen. Reeds enkele weken later wist de republikeinse bourgeoisie, die met frasen zo vrijgevig, maar met duiten zo krenterig was, geen smalende woorden genoeg te vinden voor de “leeglopers” die op het nationale hongerrantsoen gesteld waren. In de rijkelijke februaribeloften en de stelselmatige provocaties voor juni komt het nationale karakter van de Franse bourgeoisie tot uiting. Ook afgezien daarvan zouden de Parijse arbeiders, met het februari-geweer in de hand, toch niet de tegenspraak tussen het fraaie programma en de jammerlijke werkelijkheid, dit ondragelijk contrast dat zij dagelijks in hun maag en in hun hoofd voelden, hebben kunnen slikken. Met welk een koele en bijna openlijke berekening liet Cavaignac voor de ogen van de gehele heersende klasse de opstand aangroeien, om des te definitiever met deze af te rekenen. Niet minder dan twaalfduizend arbeiders werden door de republikeinse bourgeoisie vermoord, niet minder dan twintigduizend arbeiders werden door haar gearresteerd, om de overigen van hun geloof aan het door haar afgekondigde “recht op arbeid” te genezen. Zonder een vast plan, zonder een bepaald programma, zonder behoorlijke leiding, lijken de Junidagen van 1848 een krachtige en onvermijdelijke reflex van de in zijn meest elementaire behoeften benadeelde en in zijn hoogste verwachtingen teleurgestelde arbeidersklasse. De opstandige arbeiders werden niet alleen neergeslagen, maar ook nog belasterd. De linkse democraat Flocon, een geestverwant van Ledru Rollin, een voorloper van Tsereteli, verzekerde aan de Nationale Vergadering dat de opstandelingen door de monarchisten en buitenlandse regeringen omgekocht waren. De verzoeningsgezinden van 1848 hadden niet eens de oorlogssfeer nodig om in de zakken van de rebellen Engels en Russisch goud te ontdekken. Zo baanden de democraten de weg voor het bonapartisme.

Het gigantisch oplaaien van de Commune verhield zich tot de Septemberomwenteling van 1870 als de Junidagen tot de Februarirevolutie van 1848. De opstand in maart van de Parijse arbeidersklasse was allerminst een kwestie van strategische berekening. Zij kwam voort uit een tragische samenloop van omstandigheden, waarbij nog een van die provocaties kwam waarin de Franse bourgeoisie, indien angst haar boosaardigheid nog aanwakkert, zo vindingrijk is. De arbeiders wilden Parijs, dat zij voor de eerste maal tot hun Parijs trachtten te maken, verdedigen tegen de plannen van de regeringskliek die er voor alles op uit was om het volk te ontwapenen. In de nationale garde vonden zij een gewapende organisatie die zeer veel had van het Sovjettype, en politieke leiding kregen zij door middel van haar centraal comité. Tengevolge van ongunstige objectieve omstandigheden en politieke fouten kwam Parijs tegenover het overige Frankrijk te staan: niet begrepen, niet ondersteund, voor een deel door de provincie direct verraden, viel het in handen van de woedende Versaillanen, die Bismarck en Moltke in de rug hadden. De gedemoraliseerde en verslagen officieren van Napoleon III toonden zich als onschatbare beulen in dienst van de liefelijke Marianne, die door de Pruisen met hun zware laarzen zojuist uit de omarmingen van de pseudo-Bonaparte bevrijd was. In de Parijse Commune groeide het instinctieve protest van de arbeidersklasse tegen het bedrog van de burgerlijke revolutie voor de eerste maal in de geschiedenis uit tot een arbeidersrevolutie. Maar er werd meteen terug een stap achteruit gezet.

De Spartacusweek in januari 1919 in Berlijn behoort tot dezelfde categorie van tussentijdse partiële revoluties als de Julidagen in Petrograd. Tengevolge van de dominerende positie die de arbeidersklasse in het Duitse volk en vooral in het economisch leven innam, had de Novemberrevolutie vanzelf de volledige staatsmacht aan de arbeiders- en soldatenraad verschaft. De arbeidersklasse was echter in politiek opzicht identiek met de sociaaldemocratie, die zichzelf weer met het burgerlijk regime identificeerde. De Onafhankelijke Sociaal-Democratische Partij nam in de Duitse revolutie dezelfde plaats in als in Rusland de sociaal- revolutionairen en de mensjewieken. Wat er ontbrak, was een bolsjewistische partij.

Iedere dag na 9 november wekte bij de Duitse arbeiders levendig het gevoel op dat iets hen ontviel, dat iets hen ontnomen werd, dat iets hen ontglipte. De wil om het eenmaal veroverde te behouden, de posities te versterken en tegenstand te bieden, werd van dag tot dag sterker. Deze defensieve strekking lag ook aan de Januarigevechten van 1919 ten grondslag. De Spartacusweek begon niet ten gevolge van strategische berekening van de partij, maar ten gevolge van de druk die de verontwaardigde onderste volkslagen uitoefenden. Het begon rond een ondergeschikte kwestie, namelijk het handhaven van een politiepresident op zijn post, maar in feite was dit het begin van een nieuwe revolutie. Beide organisaties die samen de leiding hadden, de spartacisten en de linkse onafhankelijken, werden door de gebeurtenissen verrast, gingen verder dan zij eigenlijk wilden, maar niet tot het einde toe. De spartacisten waren nog te zwak om zelfstandig leiding te geven. De linkse onafhankelijken deinsden terug voor de methodes die alleen tot het doel konden leiden, aarzelden, speelden opstand, terwijl zij diplomatieke onderhandelingen aan deze verbonden.

De Januarinederlaag komt, wat het aantal slachtoffers betreft, bijlange niet tot de reusachtige getallen van de “Junidagen” in Frankrijk. De politieke betekenis van een nederlaag moet echter niet alleen naar het aantal vermoorde en doodgeschoten personen afgemeten worden. Het is genoeg dat de jonge communistische partij daarbij fysiek onthoofd werd en de onafhankelijke partij getoond heeft dat zij door haar methoden niet in staat kon zijn om de arbeidersklasse tot de overwinning te leiden. Vanuit een ruimer gezichtspunt gezien hebben de “Julidagen” in Duitsland zich in meerdere etappes afgespeeld: januariweek 1919, maartdagen 1921, oktoberterugtocht 1923. De gehele verdere geschiedenis van Duitsland vloeit noodwendig uit deze gebeurtenissen voort: de niet doorgevoerde revolutie schakelde zich in het fascisme om.

Op het tijdstip waarop deze bladzijden geschreven worden – begin mei 1931 – bereidt de onbloedige, vreedzame, roemrijke (deze adjectieven blijven altijd dezelfde) revolutie in Spanje voor onze ogen haar “Junidagen” voor, volgens de Franse kalender, of haar “Julidagen”, volgens de Russische kalender. Zwelgend in frasen die meermaals zonder meer uit het Russisch vertaald lijken, belooft de Madrileense Voorlopige Regering ingrijpende maatregelen tegen de werkloosheid en het gebrek aan land, maar waagt het niet om ook maar een van de oude sociale wonden aan te roeren. De coalitiesocialisten helpen de republikeinen om de revolutie te saboteren. Is het te stout om een sterke toename van de verontwaardiging bij de arbeiders en boeren te voorspellen? De onverenigbare bewegingen van de massarevolutie aan de ene kant en het beleid van de nieuwe heersende klassen aan de andere kant – daarin ligt de bron van het onoplosbare conflict dat in zijn ontwikkeling de eerste revolutie, die van april, zal begraven of tot een tweede zal leiden.

Al besefte de kern van de Russische bolsjewieken in juli 1917 dat men niet verder moest gaan dan tot een bepaalde grens, zo was er toch geen eensgezindheid onder hen. Vele arbeiders en soldaten waren ertoe geneigd om in de acties, zoals deze zich ontwikkelden, een definitieve oplossing te zien. In zijn memoires, die vijf jaar later geschreven zijn, laat Metelew zich aldus over de betekenis van de gebeurtenissen uit: “Onze grootste fout bij deze opstand was dat wij aan het Uitvoerend Comité van de verzoeningsgezinden aanboden om de macht te grijpen. Men had niets moeten aanbieden, maar zelf de macht moeten grijpen. Onze tweede fout was dat wij bijna tweemaal vierentwintig uur in de straten defileerden, in plaats van onmiddellijk alle bureaus, paleizen, banken, stations en telegraafkantoren te bezetten, de gehele Voorlopige Regering gevangen te nemen.” Enzovoorts. Wat een opstand betreft, zou dit ongetwijfeld juist geweest zijn. Maar de Julibeweging tot een opstand maken, zou ongetwijfeld betekend hebben dat men de revolutie begroef.

De anarchisten, die tot de strijd opriepen, wezen erop dat “ook de Februariopstand zich zonder een bepaalde leiding van partijen voltrokken had.” De Februarirevolutie had een vastomlijnde, door de strijd van generaties uitgewerkte taak voor zich, en boven de Februariopstand stonden de oppositionele liberale wereld en de patriottische democratie die aanspraak maakten op de macht en die volkomen voorbereid waren. De Julibeweging daarentegen moest zich een geheel nieuwe historische weg banen. De gehele burgerlijke wereld, met inbegrip van de Sovjetdemocratie, stond onverbiddelijk vijandig tegenover haar. Dit fundamentele verschil tussen de voorwaarden van de burgerlijke en van de arbeidersrevolutie hadden de anarchisten niet gezien of althans niet begrepen.

Indien de bolsjewistische partij zich op een dogmatische beoordeling van de Julibeweging als een “voorbarige” beweging vastgelegd en de massa’s de rug toegekeerd had, zou de partiële opstand onvermijdelijk onder de verwarde en heterogene leiding van anarchisten, avonturiers, toevallige exponenten van de woede der massa’s geraakt zijn en in nutteloze stuiptrekkingen tot grote bloedvergieten geleid hebben. Omgekeerd: indien de partij door zich aan het hoofd van de mitrailleurs en de Poetilovarbeiders te stellen haar algemene kijk op de situatie prijsgegeven zou hebben en tot beslissende gevechten overgegaan zou zijn, zou de opstand zich ongetwijfeld zeer uitgebreid hebben en zouden de arbeiders en soldaten onder leiding van de bolsjewieken de macht veroverd hebben, maar slechts om het begin van de ineenstorting van de revolutie te vormen. Het vraagstuk van de macht in het gehele land zou, in tegenstelling tot de Februarirevolutie, niet door een overwinning in Petrograd beslist zijn. De provincie zou geen gelijke tred met de hoofdstad gehouden hebben. Het front zou de omwenteling niet begrepen en niet aanvaard hebben. Spoorwegen en telegraaf zouden ten dienste van de verzoeningsgezinden gestaan hebben tegen de bolsjewieken. Kerenski en het hoofdkwartier zouden een regering van het front en van de provincie gevormd hebben. Petrograd zou geblokkeerd zijn. Binnen de muren van de stad zou een ontbindingsproces begonnen zijn. De regering zou in de mogelijkheid verkeerd hebben om grotere soldatenmassa’s tegen Petrograd te doen oprukken. De opstand zou onder zulke voorwaarden met een tragedie van de Petrogradse commune geëindigd zijn.

Op het keerpunt in de geschiedenis in juli was het enkel de tussenkomst van de bolsjewistische partij die beide dreigende gevaren kon voorkomen: zowel het gevaar in de trant van de Junidagen van 1848 als het gevaar in de trant van de Parijse commune van 1871. Dankzij het feit dat de partij zich moedig aan het hoofd van de beweging stelde, werd het mogelijk de massa’s te weerhouden op dat ogenblik waarop de demonstratie zich tot een gewapend tweegevecht begon te ontwikkelen. De slag die in juli aan de massa’s en aan de partij werd toegebracht, was zeer gevoelig. Het was echter geen beslissende slag. Men telde de slachtoffers bij tientallen, niet bij tienduizendtallen. De arbeidersklasse kwam noch onthoofd, noch verbloed uit de beproeving te voorschijn. Zij had haar kader ongeschonden behouden, en dit kader had veel geleerd.

In de dagen van de Februariomwenteling was de arbeid van de bolsjewieken gedurende vele voorafgaande jaren aan het licht gekomen en de door de partij opgevoede vooruitstrevende arbeiders hadden hun plaats in de strijd ingenomen; maar een directe leiding van de kant van de partij was er nog niet. Tijdens de gebeurtenissen in april toonden de leuzen van de partij hun kracht, maar de beweging ontwikkelde zich spontaan. In juni openbaarde zich de reusachtige invloed van de partij, maar de massa’s traden nog binnen het kader van een officieel door de tegenstander bepaalde demonstratie op. En pas in juli komt de bolsjewistische partij, nadat zij de druk van de massa’s gevoeld heeft, tegen alle overige partijen op de straat en bepaalt niet alleen door haar leuzen, maar ook door haar organisatorische leiding het karakter van de beweging. De betekenis van een aaneengesloten voorhoede blijkt voor het eerst volkomen duidelijk tijdens de Julidagen, wanneer de partij – tegen een hoge prijs – de arbeidersklasse van verplettering behoedt en de toekomst van de revolutie en tevens haar eigen toekomst verzekert.

“Als technische proef,” schreef Miljoekov over de betekenis die de Julidagen voor de bolsjewieken hadden, “was het experiment ongetwijfeld buitengewoon nuttig voor hen. Zij zagen met welke elementen zij te doen hadden, hoe zij deze elementen moesten organiseren, en tenslotte, welke tegenstand de regering, de Sovjet en de troepen in staat waren te bieden. Het was duidelijk dat indien de tijd zou komen om het experiment te herhalen, zij dit meer systematisch en meer omzichtig zouden volbrengen.” De betekenis van de Juli-ervaringen voor de verdere ontwikkeling van de bolsjewistische politiek is hiermee goed weergegeven. Voordat de partij echter de lessen van juli kon benutten, moest zij nog enkele buitengewoon moeilijke weken doormaken. Dit waren weken waarin het kortzichtige vijanden toescheen alsof de kracht van het bolsjewisme definitief gebroken was.

‘Julidagen’: hoogtepunt en verplettering

De directe leiding van de beweging gaat van nu af aan definitief over op het Petrograds partijcomité. De voornaamste propagandistische kracht van dit comité is Wolovarski. De Militaire Organisatie is met de mobilisatie van het garnizoen belast.

Reeds in maart waren aan het hoofd daarvan twee oude bolsjewieken geplaatst, aan wie de organisatie in de loop van de verdere ontwikkeling veel te danken zal hebben. Podwojski, een markante en eigenaardige figuur in de bolsjewistische rangen, met alle kenmerken van de Russische revolutionair van het oude type van de vroegere seminaristen, een man met een grote, maar ongebreidelde energie en een scheppende fantasie die echter makkelijk tot plannenmakerij verviel. Het woord “Podwojskerij” kreeg later in de mond van Lenin een goedmoedig-spottende en waarschuwende betekenis. De zwakke kanten van deze uitbundige natuur zouden echter vooral pas na de machtsverovering blijken, toen Podwojski maar al te veel mogelijkheden en middelen kreeg om zijn verkwistende energie en zijn hartstocht voor luisterrijke ondernemingen bot te vieren. Tijdens de revolutionaire machtsgreep was hij door zijn optimistische vastberadenheid, zelfopoffering en onvermoeidheid als het ware de aangewezen leider van de ontwakende soldaten. Nevski, vroeger privaatdocent en prozaïscher dan Podwojski, maar de partij evenzeer toegedaan als deze, in het geheel geen organisator en slechts door een ongelukkige speling van het lot een jaar later voor korte tijd met de post van minister van het Sovjetverkeerswezen belast, wist de soldaten door zijn eenvoud, gemak in de omgang en opmerkelijke teerhartigheid voor zich in te nemen. Rond deze leiders vormde zich een groep van vaste medewerkers, soldaten en jonge officieren, van wie sommigen later een belangrijke rol zouden spelen. In de nacht van 4 juli komt de Militaire Organisatie sterk naar voren. Om Podwojski, die gemakkelijk aanvoerder werd, vormt zich een geïmproviseerde staf. Aan alle delen van het garnizoen worden korte oproepen en aanwijzingen gezonden. Om de betogers tegen overvallen te beschermen, wordt bevolen om pantserwagens op te stellen bij de bruggen die van de buitenwijken naar het centrum leiden en op de knooppunten van de voornaamste verkeersaders. De mitrailleurs hadden reeds in de nacht bij de Peter-en-Paulsvesting een eigen wachtpost geplaatst. Zowel telefonisch als door boodschappers worden de garnizoenen van Oranienbaum, Peterhof, Krassnoje Selo en andere dichtbij de hoofdstad gelegen plaatsen op de hoogte gebracht van de demonstratie die de volgende dag gehouden zal worden. De politieke leiding blijft natuurlijk geheel bij het Centraal Comité.

De mitrailleurs keerden pas tegen de morgen in hun barakken terug, moe en ondanks de maand juli bibberend van koude. De nachtelijke regen heeft de Poetilovarbeiders tot op het hemd doorweekt. De betogers verzamelen zich pas tegen elf uur ’s morgens. De troepen rukken nog later uit. Het 1ste regiment mitrailleurs is ook nu voltallig op straat gekomen. Het speelt echter al niet meer zo’n leidende rol als de vorige avond. De bedrijven zijn meer op de voorgrond gekomen. Ook die fabrieken die zich gisteren nog afzijdig hielden, sluiten zich nu bij de beweging aan. Waar de leiding aarzelt of zich verzet, dwingt de arbeidersjeugd het lid van het fabriekscomité dat de wacht heeft om de fabriekssirene te laten loeien als teken van stopzetting van de arbeid. In het Baltische bedrijf waar de mensjewieken en sociaal-revolutionairen de meerderheid hadden, gingen vierduizend van de vijfduizend arbeiders de straat op. In de schoenenfabriek Skorochod, die lange tijd als bolwerk van de sociaal-revolutionairen gold, had zich zo’n krasse ommekeer in de stemming voltrokken dat de oude bedrijfsafgevaardigde, een sociaal-revolutionair, zich enkele dagen lang niet kon vertonen. Alle bedrijven staakten, meetings hadden plaats. Men koos leiders voor de betoging en afgevaardigden, om de eisen aan het Uitvoerend Comité over te brengen. Wederom trokken honderdduizenden van alle kanten naar het Taurisch paleis en wederom slaan tienduizenden onderweg af naar de villa Ksjessinskaja. De beweging van vandaag is indrukwekkender en beter georganiseerd dan die van gisteren: men bespeurt de leidende hand van de partij. De atmosfeer is vandaag echter meer verhit: de soldaten en arbeiders willen een oplossing van de crisis. De regering pijnigt zich de hersenen, want vandaag, de tweede dag van de demonstratie, is haar onmacht nog duidelijker dan gisteren. Het Uitvoerend Comité wacht op regeringsgetrouwe troepen en ontvangt van alle kanten berichten dat vijandige troepenafdelingen tegen de hoofdstad oprukken. Uit Kronstadt, uit Novyj Peterhof, uit Krassnoje Selo, uit het fort Krassnaja Gorka, overal uit de nabije omtrek, te water en te land, trekken matrozen en soldaten op met muziekkorpsen, geweren en, wat het ergste is, met bolsjewistische leuzen. Enkele regimenten voeren, juist zoals in de februaridagen, hun officieren mee en doen alsof zij onder commando van deze marcheren.

“De zitting van de regering was nog niet ten einde,” vertelt Miljoekov, “toen er uit de staf gemeld werd dat er op het Nevski een schietpartij aan de gang was. Er werd besloten de bijeenkomst naar de staf te verplaatsen. Daar bevonden zich vorst Lvov, Tsereteli, de minister van justitie Pereversev en twee adjudanten van de minister van justitie. Het leek een ogenblik alsof de toestand van de regering hopeloos was. De Preobasjenski-, Semjonovski- en Ismajlovski-regimenten, die zich niet aangesloten hadden bij de bolsjewieken, verklaarden aan de regering dat zij hun “neutraliteit” zouden handhaven. Op het Slotplein stonden slechts invaliden en enkele honderden Kozakken ter verdediging van de staf.” Generaal Polovzew publiceerde in de morgen van 4 juli een bekendmaking betreffende de aanstaande zuivering van Petrograd van gewapende bendes: de bewoners werd streng bevolen de deuren gesloten te houden en zonder absolute noodzakelijkheid zich niet op straat te begeven. Dit dreigend bevel bleek geen effect te hebben. De districtscommandant van de troepen was slechts in staat om kleine afdelingen Kozakken en “jonkers” tegen de betogers te doen oprukken. In de loop van de dag veroorzaakten zij nutteloze gevechten en bloedige botsingen. De kornet van het 1ste Donregiment dat het Winterpaleis bewaakte, berichtte aan de commissie van onderzoek: “Er was bevel gegeven om alle mogelijke kleinere groepen voorbijgangers, alsook auto’s, te ontwapenen. Ter uitvoering van dit bevel liepen wij van tijd tot tijd in marsorde voor het paleis en gingen tot ontwapeningen over…” De eenvoudige beschrijving van de Kozakkensoldaat geeft volkomen juist zowel de machtsverhouding als de strijd zelf weer. De “muitende” troepen treden compagnies- en bataljonsgewijze uit de kazernes naar buiten en beheersen de straten en pleinen. De regeringstroepen treden op vanuit een hinderlaag met plotselinge overvallen, in kleine afdelingen, d.w.z. volkomen als opstandelingen. Deze rolverwisseling is te verklaren uit het feit dat nagenoeg de gehele gewapende macht van de regering vijandig, in het gunstigste geval neutraal tegenover haar staat. De regering leeft bij genade van het Uitvoerend Comité dat zichzelf slechts weet te handhaven door de verwachting bij de massa’s dat het zich eindelijk zal bezinnen en de macht in handen zal nemen.

Het meeste enthousiasme in de demonstratie brengt de verschijning van de matrozen van Kronstadt in Petrograd teweeg. Reeds de avond voordien hadden afgevaardigden van de mitrailleurs in het garnizoen van de zeevesting gewerkt. Onverwacht voor de plaatselijke organisaties werd op initiatief van anarchisten die uit Petrograd aangekomen waren een meeting op het Ankerplein gehouden. De sprekers eisten hulp voor Petrograd. Rosjal, een student in de medicijnen, één van de jonge helden van Kronstadt en de lieveling van het Ankerplein, trachtte een kalmerende rede te houden. Hij werd door duizenden stemmen onderbroken. Rosjal, die andere ontvangsten gewend was, moest het spreekgestoelte verlaten. Pas ’s nachts werd bekend dat de bolsjewieken in Petrograd ertoe opriepen om de straat op te gaan.

Dit was beslissend. De linkse sociaal-revolutionairen – in Kronstadt waren er geen rechtse en die konden er ook niet zijn – verklaarden dat ook zij besloten hadden om aan de demonstratie deel te nemen. Deze lieden behoorden tot dezelfde partij als Kerenski die op hetzelfde ogenblik aan het front troepen bijeenbracht om de demonstranten neer te slaan. De stemming in de nachtelijke zitting van de organisaties van Kronstadt is zodanig dat zelfs de angstige commissaris van de Voorlopige Regering, Bartsjevski, voor de opmars naar Petrograd stemt. Er wordt een plan opgemaakt, de verkeersmiddelen te water worden gemobiliseerd en voor de politieke landing wordt munitie uit het arsenaal verstrekt. Op sleepboten en passagiersboten varen ongeveer tienduizend gewapende matrozen, soldaten en arbeiders tegen twaalf uur ’s nachts de monding van de Neva binnen. Nadat zij op beide oevers van de rivier geland zijn, vormen zij een stoet en rukken op met geschouderd geweer en met muziek. Achter de matrozen en soldaten volgen stoeten arbeiders uit de wijken Petrograd en Vassiljiostrov, afgewisseld door manschappen van de Rode Garde. Pantserwagens staan langs de stoet. Talloze vlaggen en spandoeken steken boven de pantserwagens uit.

Vlakbij het paleis Ksjessinskaja. De kleine, tengere, gitzwarte Sverdlov, een van de eerste oprichters van de partij, die op het Aprilcongres aan het Centraal Comité toegevoegd was, stond op het balkon en gaf, zakelijk als altijd, van bovenaf met zijn machtige basstem aanwijzingen: de kop van de stoet moet voorwaarts rukken, dichter aaneensluiten, de achterste rijen moeten samentrekken. De betogers werden vanaf het balkon toegesproken door Loenatsjarski, die als altijd geneigd was om zich door de stemming van het ogenblik te laten beïnvloeden. Hij imponeerde door zijn uiterlijk en door zijn stem en als een goed redenaar die niet erg betrouwbaar maar dikwijls onmisbaar was. Hij werd van beneden af met een stormachtig applaus begroet. De betogers wensten echter vooral Lenin zelf – die pas die morgen uit zijn schuilplaats in Finland naar Petrograd teruggeroepen was – te horen en de matrozen bleven zo hardnekkig aandringen dat Lenin er zich, ondanks zijn ongesteldheid, niet aan kon onttrekken. Het verschijnen van de leider op het balkon werd met een stormachtige, echt Kronstadtse geestdrift begroet. Ongeduldig en als altijd enigszins verlegen de begroeting in ontvangst nemend, begon Lenin nog voordat het rumoer verstomd was te spreken. Zijn rede, die daarna wekenlang door de vijandelijke pers op allerlei manieren geïnterpreteerd werd, bestond uit slechts enkele eenvoudige zinnen: begroeting van de betogers; uiting geven aan de zekerheid dat de slogan “Alle macht aan de Sovjets” tenslotte zou zegevieren; oproepen om vol te houden en standvastig te blijven. Onder hernieuwd geroep wordt de stoet weer geformeerd terwijl de muziekkorpsen spelen. Tussen dit feestelijk begin en de volgende fase waarin bloed vloeide, ligt een merkwaardige gebeurtenis. De leiders van de linkse sociaal-revolutionairen uit Kronstadt ontdekten pas op het Marsveld aan de kop van de stoet een reusachtig groot doek van het Centraal Comité van de bolsjewieken dat pas opgedoken was na het oponthoud voor het Kjsessinskajapaleis; blakend van partij-ijver verlangden zij dat het uit de stoet verwijderd zou worden. De bolsjewieken weigerden aan dit verzoek te voldoen. Daarop verklaarden de sociaal-revolutionairen met stelligheid dat zij dan weg zouden gaan. Geen van de matrozen en soldaten volgden echter de leiders. De politiek van de linkse sociaal-revolutionairen was een aaneenschakeling van dergelijke volkomen willekeurige, nu eens komische, dan weer tragische invallen.

Op de hoek van het Nevski- en het Litejny-Prospect werd de achterhoede van de demonstratie plotseling beschoten en er vielen enkele slachtoffers. Er volgde een verbitterde schietpartij op de hoek van het Litejny-Prospect en de Pantelejmonovskajastraat. De leider van de matrozen uit Kronstadt, Raskolnikov, herinnert zich hoezeer de betogers gekweld werden door de “onzekerheid: waar is de vijand? Waar vandaan, van welke kant komen de schoten?” De matrozen grepen naar hun geweren, er begon een verwarde schietpartij naar alle kanten, enkele mannen werden gedood, enkele gewond. Slechts met grote moeite lukte het om de orde enigszins te herstellen. De stoet marcheerde verder onder de tonen van de muziek, maar van de feestelijke stemming was niets overgebleven. “Het was alsof overal een onzichtbare vijand loerde. De geweren rustten niet meer vreedzaam op de linkerschouder maar werden in gereedheid gehouden.”

In de loop van de dag hadden tal van confrontaties plaats in verschillende delen van de stad. Een deel daarvan is te wijten aan misverstanden, verwarring, verdwaalde kogels en paniek. Dergelijke tragische toevalligheden zijn nu eenmaal onvermijdelijk in een revolutie, die zelf onvermijdelijk is in de historische ontwikkeling. Er is echter ongetwijfeld ook een element van bloedige provocatie in de Juligebeurtenissen, hetgeen in die dagen reeds vastgesteld en later nog bevestigd werd. “Toen de demonstrerende soldaten,” zo verhaalt Podwojski, “het Nevski en de naburige, overwegend door de bourgeoisie bewoonde straten passeerden, deden zich onheilspellende voortekenen van een op handen zijnde botsing voor: geheimzinnige schoten waarvan men niet wist waar zij vandaan kwamen en door wie zij gelost werden. Aanvankelijk ontstond er enige verwarring in de rijen en daarna gingen de minder standvastige en minder gedisciplineerde elementen tot een ongeregelde schietpartij over.” In de officiële “Izvestia” beschreef de mensjewiek Kantorovitsj de beschieting van een stoet arbeiders als volgt: “Door de Sadowajastraat marcheerde een arbeidersmassa van zestigduizend man uit de verschillende bedrijven. Terwijl zij de kerk passeerden, weerklonk er klokkengelui uit de toren, en als op een afgesproken signaal begon er vanaf de daken van de huizen een schietpartij uit geweren en machinegeweren. Toen de menigte naar de andere zijde van de straat stormde, weerklonken eveneens schoten vanaf de huizen aan de andere kant. Vanaf de zolders en de daken, waar in februari Protopopows farao’s zich genesteld hadden met hun machinegeweren, ageerden nu de leden van de officierenorganisaties. Deze trachtten, en meermalen met succes, paniek onder de betogers teweeg te brengen door hen te beschieten. Ze probeerden botsingen tussen de troepen uit te lokken. Bij het doorzoeken van de huizen van waaruit geschoten was, werden machinegeweernesten en een enkele maal ook de mitrailleurs zelf gevonden.”

De voornaamste oorzaak van het bloedvergieten vormden echter de regeringstroepen, die weliswaar te zwak waren om de beweging te onderdrukken, maar die wel in staat waren om te provoceren. Tegen acht uur ’s avonds, toen de demonstratie haar hoogtepunt bereikt had, rukten twee compagnieën Kozakken met licht geschut op ter verdediging van het Taurisch paleis. De Kozakken, die onderweg halsstarrig weigerden met de betogers te onderhandelen, wat op zichzelf al een slecht voorteken was, namen waar zij maar konden bezit van gewapende auto’s en ze ontwapenden afzonderlijke kleinere groepen. De kanonnen van de Kozakken in de straten vol arbeiders en soldaten waren een onduldbare provocatie. Alles wijst erop dat er botsingen zullen komen. Op de Litejnybrug stuiten de Kozakken op de dichte vijandelijke massa’s, die hier tijd gevonden hebben op de weg naar het Taurisch paleis enkele hindernissen op te werpen. Even een onheilspellende stilte die door schoten uit de naburige huizen verbroken wordt. “De Kozakken beginnen een snelvuur,” schrijft de arbeider Metelew, en “de arbeiders en soldaten beantwoorden dit, verspreid in schuilholen of eenvoudig onder het geweervuur op het trottoir liggend.” Het geweervuur van de soldaten dwingt de Kozakken tot de terugtocht. Zij weten door te dringen tot de Nevakade en lossen vandaar drie kanonschoten – van de kanonschoten is ook door de “Izvestia” gewag gemaakt – maar wanneer het geweervuur hen bereikt, trekken zij terug in de richting van het Taurisch paleis. Een stoet arbeiders, die hen tegenkomt, brengt aan de Kozakken de genadeslag toe. Ze moeten hun geschut, paarden en geweren achterlaten en zich verbergen in de portalen van de huizen, de Kozakken verspreiden zich. De botsing op het Litejny-Prospect, een echte kleine veldslag, was de meest belangrijke gebeurtenis in de strijd van de Julidagen en leeft voort in de herinnering van vele deelnemers aan de demonstratie. Boerssin, een arbeider van de Eriksonfabriek, die samen met de mitrailleurs demonstreerde, vertelt hoe, toen zij de Kozakken ontmoetten, “deze onmiddellijk het geweervuur openden. Vele arbeiders bleven dood op de grond liggen. Ook ik werd door een kogel doorboord die mij door het ene been ging en in het andere bleef steken. Mijn stijf been en mijn krukstok zijn nu nog een herinnering aan de Julidagen.” Bij de botsing op het Litejny-Prospect werden zeven Kozakken gedood terwijl negentien anderen verwondingen opliepen. Bij de betogers waren er zes doden en ongeveer twintig gewonden. Hier en daar lagen paardenlijken.

Er is een interessante getuigenis uit het andere kamp. Averin, dezelfde kornet die vanaf het aanbreken van de dag ongeregelde overvallen op de geregelde opstandelingen deed, deelt mee: “Tegen acht uur ’s avonds kregen wij bevel van generaal Polovzew om ter sterkte van twee compagnieën met twee snelvuurkanonnen op te rukken naar het Taurisch paleis. Wij kwamen bij de Litejnybrug, waar ik gewapende arbeiders, soldaten en matrozen opmerkte. Met mijn afdeling, die vooropging, reed ik op hen toe en verzocht hen om de wapens af te geven. Maar zij gaven geen gehoor aan mijn verzoek en de hele bende vluchtte over de brug naar Vyborg. Voordat ik hen kon volgen, draaide een soldaat die klein van postuur was en geen schouderstukken had, zich naar mij om en schoot op mij. Hij miste. Dit schot werkte als een signaal en van alle kanten werd een ongeregeld geweervuur op ons geopend. Uit de menigte werd geroepen: “De Kozakken schieten.” Dit was ook zo: de Kozakken stegen van hun paarden en begonnen te schieten en er werden zelfs pogingen gedaan om uit de kanonnen te vuren, maar de soldaten openden een zodanig trommelvuur dat de Kozakken tot de terugtocht genoodzaakt waren. Zij verspreidden zich in de stad.” Het is zeer goed mogelijk dat een soldaat op de kornet geschoten heeft: een Kozakkenofficier kon in juli eerder een kogel dan een welkomstgroet van de massa verwachten. Veel aannemelijker zijn echter de talrijke getuigenverklaringen die aangeven dat de eerste schoten niet vanaf de straat maar vanuit een hinderlaag vielen. Een eenvoudige Kozak uit dezelfde compagnie als de kornet verklaarde met grote stelligheid dat de Kozakken uit de richting van het gebouw van de krijgsraad en daarna ook uit andere huizen in de Samoerskisteeg en op het Litejny-Prospect vuurden. Het Sovjetblad deelde mee dat de Kozakken, nog voordat zij de Litejnybrug bereikten, vanuit een huis met machinegeweervuur beschoten werden. De arbeider Metelew beweert dat de soldaten bij een huiszoeking in dit gebouw in de woning van een generaal wapenvoorraden, waaronder twee machinegeweren met munitie, ontdekt hadden. Dit is zeer waarschijnlijk. Tijdens de oorlog kwam een massa van de meest verschillende wapens op rechtmatige en onrechtmatige wijze in handen van de officieren. De verleiding om dat gepeupel nu eens ongestraft van bovenaf met een kogelregen te begroeten, was te groot. De schoten troffen echter de Kozakken. In de menigte leefde echter in juli de overtuiging dat de contrarevolutionairen opzettelijk op de regeringstroepen geschoten hadden om deze tot een meedogenloos strafgericht te provoceren. De officierenklasse, die gisteren nog onbeperkt heerste, viert in de burgeroorlog haar grenzeloze laagheid en wreedheid bot. Het wemelde in Petrograd van geheime en half geheime officierenorganisaties die van hogerhand begunstigd en royaal ondersteund werden. In een geheim rapport dat de mensjewiek Liber ongeveer een maand voor de julidagen uitbracht, stond te lezen dat de officieren-samenzweerders een aparte ingang bij Buchanan hadden. Hoe kon het anders, of de diplomaten van de Entente waren erop uit om zo snel mogelijk een sterke regering te vormen?

De liberalen en de verzoeningsgezinden meenden in alle excessen de hand van de “anarcho-bolsjewieken” en van de Duitse agenten te zien. De arbeiders en soldaten schoven zonder aarzeling de verantwoordelijkheid voor de botsingen en de slachtoffers in juli op de patriottische provocateurs af. Wie van beiden heeft gelijk? De oordelen van de massa zijn natuurlijk niet onfeilbaar, maar wie denkt dat de massa blind en lichtgelovig is, maakt een ernstige vergissing. Indien het om haar bestaan gaat, neemt zij feiten en veronderstellingen waar met duizenden ogen en oren, onderzoekt zij de geruchten die de ronde doen, aanvaardt sommige daarvan en verwerpt andere. Waar verschillende lezingen over massabewegingen bestaan, blijkt die welke de massa zich eigen maakt het dichtst bij de waarheid te staan. Daarom zijn internationale hielenlikkers als een Hippolyte Taine die bij de bestudering van volksbewegingen de stem van de straat veronachtzamen, maar er alles aan doen om de mogelijk niets beduidende en uit isolement voortkomende salonpraatjes te analyseren, zo onvruchtbaar voor de wetenschap.

Opnieuw werd het Taurisch paleis belegerd door betogers die een antwoord verlangden. Bij de aankomst van de matrozen van Kronstadt liet een groep Tjsernow naar buiten komen. Omdat hij begreep hoe de stemming van de massa was, hield de anders zo welbespraakte minister ditmaal slechts een korte toespraak. Hij maakte melding van de regeringscrisis en zei minachtend over de uit de regering getreden kadetten: “Goede reis!” Men onderbrak: “Waarom heb je dit niet eerder gezegd?” Miljoekov vertelt zelfs dat “een forsgebouwde arbeider zijn vuist vlak voor het gezicht van de minister zwaaide en als bezeten schreeuwde: ‘Onnozelaar, neem de macht die je gegeven wordt.’ Laat dit een anekdote zijn, het geeft toch zeer goed de werkelijke situatie in juli weer. De antwoorden van Tsjernov wekken geen belangstelling, zij hebben in elk geval geen ingang bij de matrozen van Kronstadt gevonden… Al na een paar minuten stormde iemand in de zittingzaal van het Uitvoerend Comité binnen, roepend dat de matrozen Tsjernov gevangen genomen hadden en met hem wilden afrekenen. In een onbeschrijfelijke opwinding riep het Uitvoerend Comité enkele zeer prominente leden, uitsluitend internationalisten en bolsjewieken, op om de minister te hulp te komen. Tsjernov verklaarde later voor de regeringscommissie dat hij bij het verlaten van het spreekgestoelte achter de zuilen bij de ingang een verdacht gedoe van enkele personen bespeurd had. “Zij omringden mij en lieten mij niet door naar de deur… Een verdacht persoon die het bevel voerde over de matrozen die mij vasthielden, wees voortdurend op een dichtbij staande auto… Op dit ogenblik kwam Trotski uit het Taurisch paleis bij de auto, steeg voorin de wagen waarin ik mij bevond en hield een korte toespraak.” Trotski riep op om Tsjernov vrij te laten en verzocht degenen die daartegen waren hun hand omhoog te steken. “Geen enkele hand ging de hoogte in. De groep die mij naar de auto begeleid had, ging met een ontevreden gezicht uiteen. Trotski zei, naar ik mij meen te herinneren: “Burger Tsjernov, niemand belet u om vrijelijk weer terug te keren.” Alles bij elkaar is er bij mij geen twijfel dat het plan om mij naar buiten te lokken en gevangen te nemen buiten de voorkennis van de grote massa arbeiders en matrozen door enkelingen beraamd werd.”

Een week voor zijn arrestatie zei Trotski in een verenigde vergadering van het Uitvoerend Comité: “Deze gebeurtenissen zullen in de geschiedenis blijven voortleven en wij willen trachten om ze zo vast te leggen als zij zich in werkelijkheid hebben voorgedaan… Ik zag bij de ingang een troepje nietsnutten staan. Ik zei tot Loenatsjarski en Rjasanov dat dit rechercheurs waren en dat deze poogden binnen te dringen in het Taurisch paleis.” (Loenatsjarski onderbreekt: “Zeer juist.”).“Ik zou hen onder duizenden herkennen.” In zijn getuigenverklaringen van 24 juli schreef Trotski vanuit zijn cel in de Krestygevangenis: “Ik had aanvankelijk besloten om samen met Tsjernov en hen die hem gevangen wilden nemen in de auto uit de menigte weg te rijden om conflicten en paniek te voorkomen. De onderofficier ter zee, Raskolnikov, stormde echter op mij af en riep: “Dat is onmogelijk… Indien je met Tsjernov wegrijdt, zal men morgen zeggen dat de matrozen van Kronstadt hem gearresteerd hebben. Men moet Tsjernov direct bevrijden.” Zodra de hoornblazer de menigte tot zwijgen gebracht had en mij in staat gesteld had een korte toespraak te houden, die eindigde met de vraag: “Wie is hier voor geweld, laat die zijn hand opsteken?”, werd Tsjernov direct in de gelegenheid gesteld om ongehinderd naar het paleis terug te keren.”

Door deze verklaringen van twee getuigen, die tevens de voornaamste deelnemers aan het voorval waren, wordt de feitelijke kant van de zaak voldoende belicht. Dit heeft echter de aan de bolsjewieken vijandig gezinde pers allerminst belet om het gebeurde met Tsjernov en de “aanslag” op de vrijheid van Kerenski als een onweerlegbaar bewijs voor te stellen van het feit dat er een gewapende opstand door de bolsjewieken georganiseerd was. Het ontbrak, vooral bij de mondelinge propaganda, ook niet aan toespelingen daarop dat de arrestatie van Tsjernov door Trotski georganiseerd was. Deze lezing drong ook door in het Taurisch paleis. Tsjernov zelf, die in een geheim document het feitelijk verloop van zijn kortstondige gevangenschap vrijwel naar waarheid beschreven had, onthield zich echter van enige mededeling in het openbaar hierover. Hij deed dit om zijn partij niet te beletten haat tegen de bolsjewieken te zaaien. Bovendien behoorde Tsjernov tot de regering die Trotski in de Krestygevangenis opsloot. De verzoeningsgezinden hadden zich weliswaar misschien erop kunnen beroepen dat het troepje obscure samenzweerders zo’n brutaal stukje als de arrestatie van de minister op klaarlichte dag uit de mensenmenigte niet aangedurfd zou hebben, indien het niet had kunnen verwachten dat de vijandige stemming van de massa’s tegenover het slachtoffer hen voldoende steun zou verschaffen. Zo was het ook inderdaad in zekere zin. In de buurt van de auto had niemand een hand uitgestoken om Tsjernov te bevrijden. Indien bovendien ook nog Kerenski hier of daar gevangen genomen was, zouden noch de arbeiders, noch de soldaten daarover getreurd hebben. In deze zin kon men inderdaad spreken van een morele ondersteuning door de massa’s van de werkelijke en vermeende aanslagen op de socialistische ministers en deze dienden dan weer tot ondersteuning van de aanklachten tegen de matrozen van Kronstadt. Wilden zij het restje van hun democratisch prestige ophouden, dan konden de verzoeningsgezinden echter onmogelijk dit argument openhartig uitspreken: terwijl zij zich vijandig tegenover de betogers stelden, bleven zij niettemin in het belegerde Taurische paleis het arbeiders-, soldaten- en boerensovjetstelsel vertegenwoordigen.

Tegen 8 uur ’s avonds deed generaal Polewzew telefonisch aan het Uitvoerend Comité de hoopvolle mededeling dat twee compagnieën Kozakken met geschut naar het Taurisch paleis onderweg waren. Eindelijk! Maar de verwachtingen bleken ook ditmaal ijdel. Het onophoudelijk telefoongerinkel maakte de paniek nog maar erger: de Kozakken waren spoorloos verdwenen met hun paarden, zadels en snelvuurkanonnen. Ze waren als het ware in rook opgegaan. Miljoekov schrijft dat tegen de avond de “gevolgen van de oproep van de regering tot de troepen” waarneembaar begonnen te worden. Zo snelde het 176ste regiment klaarblijkelijk het Taurisch paleis te hulp. Deze ogenschijnlijk zo nauwkeurige mededeling geeft een goed beeld van de verwarring die zich onvermijdelijk in de eerste periode van een burgeroorlog voordoet wanneer de beide strijdende partijen zich duidelijker beginnen af te tekenen. Inderdaad was er voor het Taurisch paleis een volledig uitgerust regiment aangekomen: ransels en opgerolde mantels op de rug, veldflessen en kookgerei opzij. De soldaten waren onderweg doornat geworden en doodmoe. Zij kwamen uit Krassnoje Selo. Het was het 176ste regiment. Dit regiment had echter helemaal niet het voornemen om de regering te redden. Het stond in verbinding met de interrayonisten en werd geleid door twee bolsjewistische soldaten, Lewinson en Medvedjev. Het regiment was opgemarcheerd om op te komen voor de sovjetmacht.

Aan de leiders van het Uitvoerend Comité, die als het ware op hete kolen zaten, was terstond gemeld dat er buiten in welverdiende rust een regiment legerde dat, volledig uitgerust, van verre aangekomen was met zijn officieren. Dan, die het uniform van officier van gezondheid droeg, wendde zich tot de commandant met het verzoek, om wachtposten uit te zetten ter bewaking van het paleis. De wachtposten werden inderdaad uitgezet. Dan heeft dit ongetwijfeld met voldoening aan het presidium gemeld en zo kwam dit voorval in de kranten. Soechanov laat zich in zijn “Aantekeningen” spottend uit over de gehoorzaamheid waarmee het bolsjewistische regiment het bevel van de mensjewistische leider opgevolgd heeft: weer een bewijs voor de “zinloosheid” van de Julidemonstratie! In werkelijkheid was de zaak enerzijds eenvoudiger en tevens anderzijds gecompliceerder. Toen de regimentscommandant om wachtposten gevraagd werd, wendde deze zich tot de dienstdoende adjudant van de bevelhebber, de jonge luitenant Prigorovski. Ongelukkigerwijs was Prigorovski een bolsjewiek, lid van de interrayonistenorganisatie, en hij vroeg terstond Trotski, die samen met een groepje bolsjewieken in een van de zijkamers van het paleis verbleef, om raad. Aan Prigorovski werd natuurlijk de raad gegeven om direct wachtposten uit te zetten: het is immers veel voordeliger bij de in- en uitgangen vrienden te hebben staan dan vijanden. Zo beschermde het 176ste regiment, dat gekomen was om tegen de regering te demonstreren deze regering tegen de betogers. Indien het werkelijk om een opstand te doen geweest was, had luitenant Prigorovski gemakkelijk met vier soldaten achter zich het gehele Uitvoerend Comité kunnen arresteren. Niemand dacht echter aan een arrestatie en de soldaten van het bolsjewistische regiment vervulden nauwgezet hun wachtdienst.

Nadat de compagnieën, de enige hinderpaal op de weg naar het Taurisch paleis, weggevaagd waren, leek het vele betogers toe dat de overwinning verzekerd was. In werkelijkheid was de voornaamste hinderpaal in het Taurisch paleis zelf gelegen. In de verenigde vergadering van het Uitvoerend Comité die om 6 uur ’s avonds begon, waren er negentig vertegenwoordigers van vierenvijftig fabrieken en werkplaatsen aanwezig. De vijf sprekers die na onderling overleg het woord kregen, begonnen met te protesteren tegen het feit dat de betogers in de oproepen van het Uitvoerend Comité voor contrarevolutionairen uitgemaakt werden. “Je ziet wat er op de spandoeken te lezen staat,” zei één van hen. “Dat zijn de door de arbeiders aangenomen besluiten… Wij eisen het aftreden van de tien kapitalistische ministers. Wij hebben vertrouwen in de Sovjet, maar niet in hen die de Sovjet vertrouwt… Wij eisen dat de grond en de bodem meteen in beslag genomen worden en dat er terstond een controle over de productie ingevoerd wordt, wij eisen maatregelen tegen de honger die ons bedreigt…” Een ander voegde hieraan toe: “Wat je hier aanschouwt, is niet een muiterij maar een goed georganiseerde actie. Wij eisen dat de grond in handen van de boeren komt. Wij eisen de intrekking van de tegen het revolutionaire leger gerichte bevelen. Nu de kadetten geweigerd hebben om met u samen te werken, vragen wij u: met wie wil je nog onderhandelen? Wij eisen dat de macht op de Sovjets overgaat.” De propagandistische leuzen van de demonstratie van 18 juni waren nu een gewapend ultimatum van de massa’s geworden. De verzoeningsgezinden waren echter reeds te zeer aan de wagen van de bezittenden geketend. De sovjetmacht? Dat betekent echter allereerst een doelbewuste vredespolitiek, een breuk met de bondgenoten, een breuk met de eigen bourgeoisie, een volkomen isolement en ondergang na enkele weken. Neen, de democratie die zich van haar plicht bewust is, zal deze avontuurlijke weg niet inslaan! “De huidige toestanden,” zei Tsereteli, “maken het in de Petrogradse sfeer onmogelijk om nieuwe besluiten van welke aard ook door te voeren.” Er was bijgevolg maar één uitweg: “De regering in de oude samenstelling, zoals zij gebleven was, te erkennen Over twee weken een buitengewoon Sovjetcongres bijeen te roepen… ergens waar dit ongestoord zou kunnen werken, het best in Moskou.”

De vergadering wordt echter voortdurend onderbroken. Aan de poort van het Taurisch paleis kloppen de Poetilov-arbeiders: zij zijn pas tegen de avond aangekomen, vermoeid, geprikkeld en zeer opgewonden. “Tsereteli, Tsereteli!” De dertigduizend man tellende menigte zendt haar afgevaardigden naar het paleis en men roept hen nog na: “Als Tsereteli niet vrijwillig komt, moet hij met geweld naar buiten gebracht worden.” Tussen dreigement en daad ligt nog een grote afstand, maar de situatie spitst zich toch te zeer toe en de bolsjewieken haasten zich om tussenbeide te komen. Zinovjev vertelde later: “Onze kameraden stelden voor mij naar buiten te begeven naar de Poetilov-arbeiders… Een mensenzee als ik nooit gezien had. Enkele tienduizendtallen mensen stonden dicht opeen gedrongen bijeen. Voortdurend werd er om Tsereteli geroepen… Ik begon met te zeggen: “In de plaats van Tsereteli ben ik tot u gekomen…” Gelach. Dit bracht een ommekeer in de stemming teweeg. Ik kon een tamelijk uitgebreide toespraak houden. Aan het slot riep ik ook deze toehoorders op om direct volkomen ordelijk en rustig uit elkaar te gaan en zich onder generlei omstandigheden tot agressieve daden, welke dan ook, te laten provoceren. De verzamelde massa’s applaudisseerden enthousiast, stellen zich in de rij en gelid op en beginnen af te marcheren.” Dit voorval laat voortreffelijk zowel de grote ontevredenheid onder de massa’s alsook het totaal ontbreken van enig plan tot aanval bij deze, en tevens de werkelijke rol van de partij in de Juligebeurtenissen zien.

Terwijl Zinovjev zich met de Poetilov-arbeiders op straat bezig hield, stormde een grote groep Poetilov-afgevaardigden, waaronder verschillende met hun geweren, de zittingzaal binnen. De leden van het Uitvoerend Comité springen van hun plaatsen op. “Velen tonen een tekort aan moed en zelfbeheersing,” schrijft Soechanov die dit dramatisch ogenblik op levendige wijze beschreven heeft. Eén van de arbeiders, “een klassieke sansculotte met een muts op en een korte blauwe blouse zonder riem aan, het geweer in de hand,” springt bevend van woede en toorn op het spreekgestoelte. “Kameraden! Moeten wij arbeiders nog langer dit verraad dulden? Jullie maken afspraken met de bourgeoisie en de grootgrondbezitters… Wij zijn hier dertigduizend arbeiders uit de Poetilovfabrieken… Wij zullen onze wil doordrijven!” Tsjcheïdse, voor wiens ogen het geweer op en neer danst, weet zich te beheersen. Zichzelf meester blijvend, buigt hij zich van zijn plaats voorover en steekt de arbeider een gedrukte oproep in de bevende hand: “Hier kameraad, alsjeblieft, neem dit en lees het. Daarin staat wat de kameraden van de Poetilovfabriek te doen staat…” In de oproep werd niets anders gezegd dan dat de betogers naar huis moesten gaan en dat zij anders verraders van de revolutie waren. Wat hadden de mensjewieken ook meer kunnen zeggen?

Bij de propaganda voor het Taurisch paleis speelde Zinovjev, die een buitengewoon spreker was, een grote rol, zoals hij in het algemeen bij de gehele propaganda in die tijd deed. Zijn hoge tenorstem werkte op het eerste moment verbluffend en bekoorde dan door haar bijzondere muzikaliteit. Zinovjev was een geboren propagandist. Hij wist zich door de stemmingen van de massa te laten beïnvloeden, die stemmingen mee te beleven en de gevoelens en de gedachten van de massa’s op een weliswaar enigszins verwarde manier, maar zeer meeslepend, tot uiting te brengen. De tegenstanders noemden Zinovjev wel eens de grootste demagoog onder de bolsjewieken. Dit was een hulde die zij aan zijn sterkste eigenschap brachten, namelijk zijn gave om in de ziel van het volk door te dringen en de gevoelige snaren ervan aan te roeren. Er kan ondertussen niet ontkend worden dat Zinovjev, die louter propagandist en geen theoreticus was, geen revolutionair strateeg was en snel in demagogie verviel als hij niet door uiterlijke discipline in toom gehouden werd. We hebben het dan niet over demagogie in de kleinburgerlijke zin, maar in de wetenschappelijke betekenis: hij neigde ertoe om blijvende belangen op te offeren aan ogenblikkelijke successen. Zinovjevs propagandistische gevoeligheid maakte hem tot een onmisbaar raadsman indien het erom ging de politieke situatie van het ogenblik te beoordelen, en niet om iets dieper. In partijvergaderingen wist hij te overtuigen, voor zich te winnen en te betoveren indien hij een concrete politieke in massameetings getoetste en als het ware met de verwachtingen en de haat van de arbeiders en soldaten gedrenkte gedachte naar voren bracht. Aan de andere kant wist Zinovjev in een vijandig gezinde bijeenkomst, zelfs in het toenmalig Uitvoerend Comité, de meest extreme en revolutionaire gedachte in een vage, verlokkende vorm te gieten en de gemoederen van hen die met een vooropgezet wantrouwen tegenover hem stonden, te charmeren. Het besef dat hij het bij het rechte eind had, was hem alleen niet voldoende om dergelijke mooie resultaten te behalen: hij had de kalmerende zekerheid nodig dat de politieke verantwoordelijkheid door een zekere en vaste hand van zijn schouders was afgenomen. Deze zekerheid werd hem doorgaans door Lenin gegeven. Uitgaande van een bepaalde strategische formule waarin de kern van de zaak vervat was, wist Zinovjev deze zeer juist en met een fijne intuïtie aan de hand van spontane, zojuist op straat, in de fabriek of in de kazerne opgevangen kreten, protesten en eisen uit te werken. In zulke ogenblikken was hij een ideale schakel tussen Lenin en de massa en gedeeltelijk ook tussen de massa en Lenin. Zinovjev volgde zijn leermeester altijd, behalve in enkele gevallen: de meningsverschillen ontstonden doorgaans als het om het lot van de partij, de klasse en het land ging. Het ontbrak de propagandist van de revolutie aan revolutionair karakter. Zolang het erom ging de gemoederen en de harten te winnen, bleef Zinovjev de onvermoeide strijder. Zijn strijdvaardigheid liet hem echter terstond in de steek indien het erom ging daden te verrichten. Dan deinsde hij terug zowel voor de massa alsook voor Lenin, en was ten prooi aan besluiteloosheid. Dan kwam er twijfel bij hem op en zag hij slechts moeilijkheden. Zijn verlokkende, bijna vrouwelijke stem verloor haar overtuigingskracht en verried innerlijke zwakte. Voor het Taurisch paleis was Zinovjev in de Julidagen buitengewoon actief, vindingrijk en sterk. Hij zweepte de verontwaardiging van de massa’s tot het uiterste op – niet om tot beslissende daden op te roepen, maar integendeel om daarvan af te houden. Dit was in overeenstemming met de eisen van het ogenblik en de politiek van de partij. Zinovjev was daar volkomen in zijn element.

De slag op het Litejny-Prospect bracht een grote verandering in de loop van de demonstratie teweeg. Niemand keek meer uit de vensters en vanaf de balkons naar de stoet. De meer gegoeden belegerden de stations en verlieten de stad. Het straatgevecht ging over in afzonderlijke botsingen zonder een bepaald doel. In de nacht hadden er botsingen tussen betogers en patriotten, partiële ontwapeningen en overgang van geweren van de ene partij in handen van de andere plaats. Groepen soldaten van in wanorde geraakte regimenten traden hier en daar op. “Obscure elementen en provocateurs richtten zich tot hen en riepen hen tot anarchistische daden op,” voegt Podvojskij hieraan toe. Om de schuldigen van de schietpartij uit de huizen te zoeken, verrichtten groepjes matrozen en soldaten huiszoekingen. Onder het voorwendsel van huiszoekingen begon men hier en daar te plunderen. Aan de andere kant begonnen er ook pogromdaden voor te komen. Kooplui stortten zich in die stadswijken waar zij zich veilig voelden, vol woede op de arbeiders en ranselden deze meedogenloos af. “Onder kreten als: ‘Sla de joden en de bolsjewieken dood! In het water met ze!’” zo vertelt Afanassjew, een arbeider van de fabriek Nowi Lessner, “stortte een mensenmenigte zich op ons en ranselde ons af.” Eén van de slachtoffers stierf in het ziekenhuis en de afgeranselde en bloedende Afanassjev zelf werd door matrozen uit het Jekaterininskikanaal opgevist.

Botsingen, slachtoffers, tegenslagen en de onmogelijkheid om haar praktische doeleinden te verwezenlijken, dit alles putte de beweging uit. Het Centraal Bolsjewistisch Comité besloot om de arbeiders en soldaten tot een beëindiging van de demonstratie op te roepen. Deze oproep die meteen ter kennis van het Uitvoerend Comité gebracht werd, stuitte nu nagenoeg op geen tegenstand bij het volk. De massa’s stroomden terug naar de voorsteden en dachten er niet meer aan de volgende dag de strijd te hervatten. Zij beseften nu dat het vraagstuk van de Sovjetmacht veel ingewikkelder was dan zij gedacht hadden.

Het beleg van het Taurisch paleis was definitief opgeheven, de omliggende straten waren leeg. Het afwachten van het Uitvoerend Comité duurde echter voort, met pauzes, eindeloze redevoeringen, zonder een bepaald doel of enige betekenis. Pas later bleek dat de verzoeningsgezinden ergens op wachtten. In de omliggende vertrekken vertoefden nog altijd afgevaardigden van fabrieken en regimenten in pijnlijke onzekerheid. “Het was reeds lang na middernacht,” vertelt Metelew, “en wij wachtten nog altijd op ‘besluiten’ … Gekweld door moeheid en honger liepen wij door de Alexandrovskizaal… om 4 uur in de morgen op 5 juli komt er een eind aan ons wachten… Door de geopende deuren van de hoofdingang van het paleis stormen met veel lawaai gewapende officieren en soldaten naar binnen.” Het gehele gebouw weergalmt van de schelle tonen van de Marseillaise. Het gedreun van de voeten en het lawaai van de blaasinstrumenten op dit vroege morgenuur brengen een buitengewone opwinding in de zaal teweeg. De afgevaardigden springen op van hun plaatsen. Dreigt er opnieuw gevaar? Maar daar verschijnt Dan op het spreekgestoelte “Kameraden, blijft kalm,” verkondigt hij. “Er is geen gevaar! Regimenten die trouw zijn aan de revolutie zijn aangekomen!” Ja, eindelijk zijn dan de lang verwachte regeringsgetrouwe troepen aangekomen. Zij bezetten de doorgangen, overvallen vol woede de enkele nog in het paleis achtergebleven arbeiders, nemen hen die nog wapens hebben deze af, arresteren hen en leiden hen weg. Luitenant Koetsjin, een gezien mensjewiek, bestijgt in veldtenue het spreekgestoelte. Voorzitter Dan omarmt hem onder de jubelende tonen van het muziekkorps. Buiten zichzelf van geestdrift en met triomfantelijke en vernietigende blikken naar de linksen, geven de verzoeningsgezinden elkaar de hand, sperren wijd hun mond open en geven aan hun enthousiasme uiting door het zingen van de Marseillaise. “Een klassiek beeld van de beginnende contrarevolutie,” merkt Martov, die veel wist te zien en te doorzien, woedend op. De politieke betekenis van dit toneel, dat door Soechanov beschreven is, wordt nog groter als men bedenkt dat Martov tot dezelfde partij behoorde als Dan, voor wie dit toneel de hoogste triomf van de revolutie betekende.

Nu pas begon de linkervleugel, het enthousiasme en vreugde van de meerderheid ziende, te beseffen hoe geïsoleerd het hoogste orgaan van de officiële democratie geweest was toen de ware democratie de straat op ging. Gedurende zesendertig uren verdwenen deze lieden de één en de ander achter de schermen, om zich telefonisch met de generale staf, met Kerenski aan het front, in verbinding te stellen, om troepen te vragen, om hulp in te roepen, te overreden, te smeken, telkens weer nieuwe propagandisten te sturen en weer af te wachten. Het gevaar was geweken, maar de beklemmende angst was gebleven. En het voetgedreun van de “regeringsgetrouwe” troepen om vijf uur ’s morgens klonk hen als bevrijdingsmuziek in de oren. Eindelijk kreeg men vanaf het spreekgestoelte openhartige redevoeringen te horen over de gelukkig onderdrukte gewapende muiterij en de noodzakelijkheid om ditmaal definitief met de bolsjewieken af te rekenen. De troepenafdeling die in het Taurisch paleis binnenrukte, was niet van het front gekomen, zoals velen in de eerste opwinding meenden. Zij was samengesteld met het garnizoen van Petrograd, voornamelijk uit de drie meest reactionaire gardebataljons, de Preobrazhensky-, Semjonovski- en Ismajlovskiregimenten.

Op 3 juli hadden deze zich neutraal verklaard. Tevergeefs had men getracht hen met de autoriteit van de regering en het Uitvoerend Comité over te halen: de soldaten bleven somber in de kazernes zitten en wachtten af. Pas in de middag van 4 juli ontdekten de superieuren een doeltreffend middel: men liet de Preobrazhenskysoldaten documenten zien waaruit overduidelijk bleek dat Lenin een Duits spion was. Dit hielp. Het nieuws deed de ronde door de regimenten. Officieren, leden van de regimentscommissies, propagandisten van het Uitvoerend Comité deden hun uiterste best. De stemming in de neutrale bataljons veranderde. Tegen het aanbreken van de dag, toen men ze eigenlijk niet meer nodig had, lukte het om ze bijeen te brengen en door de uitgestorven straten naar het verlaten Taurisch paleis te brengen. De Marseillaise werd gespeeld door het muziekkorps van het Ismajlovskiregiment, hetzelfde regiment dat als een van de meest reactionaire op 3 december 1905 met de taak belast was om de eerste Petrogradse Sovjet van arbeidersafgevaardigden, die onder voorzitterschap van Trotski vergaderde, gevangen te nemen. De blinde regisseur van historische tonelen weet telkens weer verbluffende theatereffecten te bereiken, zelfs zonder deze bewust te zoeken: hij laat slechts de vrije teugel aan de loop der dingen.

Nadat de massa’s de straten verlaten hadden, kwam de revolutieregering, die weliswaar nog jong was maar reeds stramme leden had, in beweging: arbeidersafgevaardigden werden gearresteerd, wapens in beslag genomen, het ene stadsdeel na het andere omsingeld. Tegen 6 uur ’s morgens hield voor het redactiegebouw van de “Pravda” een auto stil, beladen met jonkers en soldaten met een machinegeweer dat meteen voor een raam werd opgesteld. Nadat de ongenode gasten afgedropen waren, leverde het redactiebureau een beeld van verwoesting op: opengebroken lessenaars, de grond bedekt met verscheurde manuscripten, afgerukte telefoontoestellen. Het dienstdoend personeel, de redactieleden en de kantoorbedienden waren afgeranseld en gevangen genomen. Nog erger was de verwoesting in de drukkerij waarvoor de arbeiders gedurende de afgelopen drie maanden geld bijeen gebracht hadden: de rotatiepersen waren afgebroken, de monotypes verwoest, de zetmachines vernield. Ten onrechte hadden de bolsjewieken de Kerenski-regering een tekort aan energie verweten!

“De straten zagen er in het algemeen weer normaal uit,” schrijft Soechanov. “Samenscholingen en meetings waren er bijna niet meer. De winkels waren nagenoeg allemaal geopend.” Vroeg in de morgen wordt een bolsjewistische oproep verspreid om de demonstratie af te breken, het laatste product van de verwoeste drukkerij. Kozakken en jonkers nemen in de straten matrozen, soldaten en arbeiders gevangen en brengen hen naar de gevangenissen en de hoofdwachten. In de winkels en op de stoepen spreekt men van Duits geld. Iedereen die ook maar iets ten gunste van de bolsjewieken zegt, wordt gearresteerd. “Men mag al niet meer zeggen dat Lenin een eerlijk mens is of men wordt naar het politiebureau gebracht.” Soechanov heeft, zoals altijd, nauwgezet waargenomen wat zich in de straten van de bourgeoisie, de intellectuelen en de kleine burgerij afspeelde. Anders ziet het er echter in de arbeiderswijken uit. In de fabrieken en werkplaatsen wordt nog niet gewerkt. De stemming is gespannen. Er gaan geruchten dat er troepen van het front zijn aangekomen. De straten van de wijk Vyborg zijn vol groepen mensen die discussiëren over de vraag wat er in geval van een overval gedaan moet worden.

“Roodgardisten en de fabrieksjongens in het algemeen,” zo verhaalt Metelew, “bereiden zich erop voor in de Peter-en-Paulsvesting binnen te dringen om de daar gelegerde troepen te ondersteunen. Met handgranaten in hun zakken, hun laarzen, en onder hun kiel verborgen, begeven zij zich in boten en vaker nog over de bruggen naar de andere oever.” De zetter Smirnow uit de Kolomenskiwijk herinnert zich later: “Ik zag hoe sleepboten met gardemarine uit Duderhof en Oranienbaum op de Neva aankwamen. Tegen 2 uur begon de toestand slechter te worden. Ik zag hoe enkele matrozen door de zijstraten naar Kronstadt terugkeerden. Het gerucht werd verspreid dat alle bolsjewieken Duitse spionnen waren. Een laffe ophitsing begon.” Geschiedschrijver Miljoekov vat met voldoening samen: “Het publiek in de straten en de stemming onder dit publiek waren volkomen veranderd. Tegen de avond was Petrograd absoluut rustig.”

Zolang de troepen van het front nog niet aangekomen waren, hield de districtsstaf met medewerking van de verzoeningsgezinden zijn ware doeleinden geheim. Overdag beraadslaagden leden van het Uitvoerend Comité onder leiding van Liber in het paleis Ksjjessinskaja met de bolsjewistische leiders: dit onderhoud alleen moest reeds een bewijs van de meest vredelievende gevoelens zijn. Bij de overeenkomst die tot stand kwam, werd aan de bolsjewieken de verplichting opgelegd om de matrozen naar Kronstadt terug te brengen, de compagnie mitrailleurs uit de Peter-en-Paulsvesting weg te voeren, de pantserauto’s en schildwachten van hun posten te verwijderen. De regering beloofde van haar kant geen enkele pogrom of repressaillemaatregel tegen de bolsjewieken te dulden en alle gevangenen, met uitzondering van hen die gearresteerd waren wegens criminele misdrijven, vrij te laten. De overeenkomst hield echter niet lang stand. Naarmate meer geruchten over het Duitse geld en de van het front nader komende troepen de ronde deden, herinnerden meer troepenafdelingen en afdelingen van het garnizoen zich hun trouw aan de democratie en Kerenski. Zij zonden afgevaardigden naar het Taurisch paleis of naar de districtsstaf. Eindelijk begonnen er werkelijk afdelingen van het front aan te komen. De stemming in de verzoeningsgezinde kringen werd van uur tot uur heftiger.

De van het front aankomende troepen hadden erop gerekend dat zij de hoofdstad in een bloedige strijd op de agenten van de keizer zouden moeten veroveren. Nu bleek dat er eigenlijk geen troepen nodig waren, moest men een motief voor hun komst bedenken. Om niet zelf de verdenking op zich te laden, probeerden de verzoeningsgezinden met alle mogelijke moeite aan de bevelhebbers duidelijk te maken dat de mensjewieken en sociaal-revolutionairen aan hun kant stonden en dat de bolsjewieken de gemeenschappelijke vijand waren. Toen Kamenev de leden van het presidium van het Uitvoerend Comité aan de enkele uren geleden gesloten overeenkomst wilde herinneren, antwoordde Liber op de toon van een ijzeren staatsman dat de machtsverhoudingen nu gewijzigd waren. Uit de redevoeringen van Lassalle wist Liber dat het kanon een gewichtig onderdeel van een staatsregeling is. Een delegatie van Kronstadtse matrozen met Raskolnikov aan het hoofd werd enkele keren voor de Militaire Commissie van het Uitvoerend Comité geroepen, waar de eisen die van uur tot uur hoger werden tenslotte culmineerden in een ultimatum van Liber om er onmiddellijk mee in te stemmen dat de matrozen van Kronstadt zouden ontwapend worden. “Nadat wij de Militaire Commissie verlaten hadden,” zo vertelt Raskolnikov, “hervatten wij onze beraadslaging met Trotski en Kamenev. Lev Davidovitsj (Trotski) gaf de raad om de Kronstadtse matrozen meteen en in het geheim naar huis te zenden. Er werd besloten om kameraden naar de kazernes te zenden en de matrozen van Kronstadt voor de dreigende gewelddadige ontwapening te waarschuwen.” Het merendeel van de matrozen van Kronstadt reisde tijdig af. Slechts enkele kleine afdelingen bleven in de villa Ksjjessinskaja en in de Peter-en-Paulsvesting.

Met medeweten en goedvinden van de socialistische ministers gaf vorst Lvov reeds op 4 juli aan generaal Polovzew het schriftelijk bevel om de bolsjewieken die het huis Ksjjessinskaja bezet hielden gevangen te nemen, het huis te ontruimen en met troepen te bezetten. Na de verwoesting van de redactiebureaus en de drukkerij, werd nu het lot van het bolsjewistische hoofdkwartier problematisch. Men moest de villa in staat van verdediging brengen. Tot commandant van het gebouw benoemde de Militaire Organisatie Raskolnikov. Deze vatte zijn taak breed op – op Kronstadtse manier, – zond oproepen tot het leveren van kanonnen en zelfs van een klein oorlogschip naar de mond van de Neva. Raskolnikov verklaarde deze stap van zijn kant later als volgt: “Inderdaad werden oorlogsvoorbereidingen door mij genomen, maar slechts ter zelfverdediging, daar niet alleen schietpartijen maar ook pogroms te wachten waren… Ik meen terecht aangenomen te hebben dat een behoorlijk schip in de mond van de Neva voldoende was om de Voorlopige Regering angst aan te jagen.” Dit alles is tamelijk verward en niet erg ernstig te nemen. Men moet veeleer aannemen dat de leiders van de Militaire Organisatie en Raskolnikov met hen in die uren van de dag van 5 juni nog niet helemaal begrepen hadden dat er een ommekeer in de situatie was waarbij de gewapende demonstratie in allerijl tot een terugtocht moest overgaan om niet in een door de vijand opgedrongen gewapende opstand te ontaarden. Omdat ze deze ommekeer niet begrepen, gingen verschillende militaire leiders over tot willekeurige en niet goed overwogen stappen. Het was niet voor het eerst dat de jonge Kronstadtse leiders te veel hooi op hun vork namen. Maar kan een revolutie gemaakt worden zonder dat er mensen aan deelnemen die te veel hooi op hun vork nemen? En is een bepaalde dosis lichtzinnigheid geen noodzakelijk element van elke grote menselijke daad? Ditmaal bleef het bij bevelen die bovendien door Raskolnikov zelf spoedig weer ingetrokken werden. Intussen kwamen er steeds meer verontrustende berichten in de villa binnen: iemand zou in de vensters van een op de andere oever van de Neva gelegen huis machinegeweren opgemerkt hebben die tegen het paleis Ksjjessinskaja gericht waren; een ander zag een kolonne pantserauto’s in de richting daarvan rijden; weer een ander berichtte over naderende patrouilles Kozakken. Twee leden van de Militaire Organisatie werden naar de districtscommandant gezonden om met deze te onderhandelen. Polovzew verzekerde aan de afgezanten dat de verwoesting van de “Pravda” buiten zijn medeweten gebeurd was en dat hij geen represaillemaatregelen tegen de Militaire Organisatie in de zin had. In werkelijkheid wachtte hij slechts op voldoende versterkingen van het front.

Terwijl Kronstadt reeds tot de terugtocht overging, bereidde de Baltische vloot zich pas op de aanval voor. Het voornaamste deel van de vloot met een totaal aantal van ongeveer 70.000 matrozen lag in de Finse wateren. In Finland was bovendien een legerkorps gelegerd, op een werf te Helsingfors werkten ongeveer tienduizend Russische arbeiders. Dit was een dreigende revolutionaire macht. De druk die de matrozen en soldaten uitoefenden was zo onweerstaanbaar dat zelfs het comité van sociaal-revolutionairen te Helsingfors zich tegen de coalitie uitsprak. Bijgevolg eisten alle sovjetorganen van de vloot en van het leger in Finland eensgezind dat het Centraal Uitvoerend Comité de macht in handen zou nemen. Om hun eis kracht bij te zetten, waren de Baltische matrozen bereid om op elk ogenblik naar de monding van de Neva op te trekken. Ze deden dit niet omdat ze vreesden dat het de verdedigingslinie op zee te veel zou verzwakken waardoor een Duitse overval op Kronstadt en Petrograd mogelijk zou worden.

Er gebeurde echter iets volkomen onverwacht. Het Centrale Comité van de Baltische vloot – de zogenaamde Centrobalt – riep voor 4 juli een buitengewone zitting van de scheepscomités bijeen. Daar deelde voorzitter Dybenko twee zojuist van de vlootcommandant ontvangen geheime orders, ondertekend door een adjudant van de minister van marine Doedarev, mee: in het eerste werd admiraal Verderevski gelast om vier torpedoboten naar Petrograd te zenden om met geweld de landing van de muiters uit Kronstadt te beletten; in het tweede werd van de vlootcommandant geëist om onder geen omstandigheden het uitvaren van de schepen uit Helsingfors naar Kronstadt toe te laten en zelfs voor een in de grond boren van de ongehoorzame schepen door onderzeeboten niet terug te deinzen. De admiraal die tussen twee vuren zat en allereerst voor zijn eigen hachje bezorgd was, trad nu zelf op en gaf de telegrammen aan de Centrobalt met de verklaring dat hij het bevel zelfs niet zou opvolgen indien de Centrobalt het zou goedkeuren. Het voorlezen van de telegrammen maakte een verpletterende indruk op de matrozen. Weliswaar hadden zij bij verschillende gelegenheden op Kerenski en de verzoeningsgezinden gescholden. Maar dat was in hun ogen slechts een interne sovjetstrijd geweest. De meerderheid van het Centraal Uitvoerend Comité behoorde immers tot dezelfde partij als die van het districtscomité van Finland, dat zich kort geleden nog voor de Sovjetmacht had uitgesproken. Het was duidelijk dat noch de mensjewieken, noch de sociaal-revolutionairen het in de grond boren van de schepen die voor de macht van het Uitvoerend Comité demonstreerden, kon goedkeuren. Hoe kon een oude zeeofficier als Doedarev zich mengen in de interne sovjetstrijd om deze in een zeeslag te doen veranderen? Gisteren nog golden officieel de grote schepen in tegenstelling tot de reactionaire torpedoboten en de nauwelijks door de propaganda beroerde onderzeeboten voor steunpilaren van de revolutie. Zijn de autoriteiten nu werkelijk van plan om de schepen met behulp van onderzeeboten in de grond te boren? Dit wilde er bij de matrozen niet in. De order die hen terecht een nachtmerrie leek, was echter de rijpe julivrucht van hetgeen in maart gezaaid was. Reeds sinds april waren de mensjewieken en sociaal-revolutionairen begonnen om op de provincie een beroep te doen tegen Petrograd, op de soldaten tegen de arbeiders, op de cavalerie tegen de mitrailleurs. Zij gaven aan de compagnieën bepaalde voorrechten bij de vertegenwoordiging in de sovjet boven de fabrieken; begunstigden de kleine afzonderlijke bedrijven tegenover de reusachtige metaalfabrieken. Terwijl zij het verleden belichaamden, zochten zij steun bij alles wat achtergebleven was. Terwijl zij vaste grond onder de voeten verloren, hitsten zij de achterhoede op tegen de voorhoede. De politiek bezit haar eigen logica, vooral in revolutionaire tijden. Van alle kanten in het nauw gebracht, zagen de verzoeningsgezinden zich genoodzaakt om aan generaal Verderevski op te dragen de meest vooruitstrevende schepen in de grond te boren. Ongelukkig genoeg voor de verzoeningsgezinden waren de meer achtergebleven elementen waarop zij wilden steunen, steeds meer en meer geneigd om zich aan te sluiten bij de meer vooruitstrevende elementen: de bevelhebbers van de onderzeeboten waren over Doedarevs bevel niet minder verontwaardigd dan de commandanten van de pantserschepen.

Aan het hoofd van de Centrobalt stonden mensen die allerminst een Hamlet-natuur hadden: samen met de leden van de scheepscomités namen zij zonder aarzelen het besluit om de torpedoboot “Orpheus”, die aangewezen was om de matrozen van Kronstadt in de grond te boren, ijlings naar Petrograd te zenden. Dit was allereerst om te weten te komen wat daar plaats had, en ten tweede “om de adjudant van de minister van marine Doedarev te arresteren.” Hoe verbluffend dit besluit ook lijkt, er blijkt zeer duidelijk uit hoe de Baltische zeelieden nog geneigd waren om de verzoeningsgezinden als hun interne tegenstanders te beschouwen, in tegenstelling tot een Doedarev die zij voor een gemeenschappelijke vijand hielden. De “Orpheus” kwam in de monding van de Neva aan vierentwintig uren nadat daar tienduizend gewapende matrozen van Kronstadt geland waren. Maar, “de machtsverhoudingen waren gewijzigd.” Een dag lang mochten de bevelhebbers niet landen. Pas ’s avonds werd een delegatie van zevenenzestig zeelieden van de Centrobalt en van het scheepscommando toegelaten tot de verenigde vergadering van het Uitvoerend Comité die de balans van de Julidagen wilde opmaken. De overwinnaars waren nog in een roes na hun recente overwinning. De rapporteur Wojtinsky schetste niet zonder welbehagen de uren van zwakte en vernedering, om de daaropvolgende triomf er des te scherper te doen uitkomen. “De eerste troepenafdeling die ons te hulp kwam,” zei hij, “waren de pantserauto’s. Wij waren vast besloten om in geval van geweld van de kant van de gewapende bende te vuren. Met het oog op het gevaar dat de revolutie bedreigde, gaven wij aan sommige troepenafdelingen (aan het front) bevel om in de trein te stappen en hierheen te komen.” De meerderheid van de hoge vergadering was met haat tegen de bolsjewieken, vooral tegen de matrozen, vervuld. In deze sfeer kwamen de Baltische afgevaardigden die het bevel bij zich hadden om Doedarev gevangen te nemen. Onder woest gebrul, vuistslagen op de tafels en voetgetrappel hoorden de overwinnaars het voorlezen van de resolutie van de Baltische vloot aan. Doedarev gevangen nemen? Maar de heldhaftige kapitein heeft slechts zijn heilige plicht vervuld tegenover de revolutie waaraan zij, de matrozen en muiters, deze contrarevolutionairen, een dolkstoot in de rug willen toebrengen. De verenigde vergadering verklaarde zich bij bijzonder besluit plechtig solidair met Doedarev. De matrozen keken de sprekers en elkaar met wijd open gesperde ogen aan. Nu pas begonnen zij te beseffen wat daar voor hun ogen plaats had. De gehele delegatie werd de volgende dag gevangen genomen en voltooide haar politieke opleiding in de gevangenis. Later werd ook de voorzitter van de Centrobalt, de onderofficier ter zee Dybenko die hen nagesneld was, gearresteerd en nog later volgde ook admiraal Verderevski, die men naar de hoofdstad had laten komen om inlichtingen te geven.

In de morgen van 6 juli hervatten de arbeiders het werk. Enkel de van het front opgeëiste troepen demonstreren in de straten. Agenten van de contraspionage controleren de passen en verrichten op grote schaal arrestaties. De jonge arbeider Woinov, een verkoper van het blad ‘Listok Pravdy’ dat in de plaats van de vernielde bolsjewistische krant uitkwam, werd op straat door een bende vermoord, wellicht door diezelfde agenten van de contraspionagedienst. De Zwarte Honderd-elementen krijgen de smaak beet van het neerslaan van de opstand. Plunderingen, gewelddaden en hier en daar ook schietpartijen duren in verschillende wijken van de stad voort. In de loop van de dag komt de ene troepenafdeling na de andere aan, het Donkozakkenregiment, een cavaleriedivisie, een ulanendivisie, het Isborskersregiment, het Malorossijskersregiment, het regiment dragonders en nog andere. “De Kozakkentroepen die in grote getale aangekomen zijn, zijn zeer agressief,” schrijft het blad van Gorki. Het pas aangekomen regiment Isborskers wordt op twee plaatsen in de stad met machinegeweren beschoten. In beide gevallen wordt vastgesteld waar de machinegeweren op een dak opgesteld waren, maar de daders worden niet gevat. De aangekomen troepenafdelingen worden ook op andere plaatsen beschoten. Deze evident krankzinnige schietpartijen brachten een grote opwinding onder de arbeiders teweeg. Het was duidelijk dat geroutineerde provocateurs de soldaten met kogels ontvingen om een antibolsjewistische stemming teweeg te brengen. De arbeiders deden alle mogelijke moeite om dit aan de aankomende soldaten duidelijk te maken, maar men belette hen deze te naderen: voor de eerste keer sedert de Februaridagen stelden zich jonkers of officieren tussen de arbeiders en soldaten.

De verzoeningsgezinden begroetten stralend van vreugde de regimenten die aankwamen. In een bijeenkomst van afgevaardigden van de troepenafdelingen declameerde de reeds genoemde Vojtinski in tegenwoordigheid van een groot aantal officieren en jonkers op pathetische wijze: “Nu rukken daar door de Milljonnajastraat troepen en pantserwagens op in de richting van het Slotplein, om zich onder bevel van generaal Polewzew te stellen. Zij zijn de werkelijke macht waarop wij steunen.” Als politieke dekmantel werden aan de districtscommandant vier socialistische assistenten toegevoegd: Avksentjev en Goz van het Uitvoerend Comité, Skobeljev en Tsjernov van de Voorlopige Regering. Dit redde echter de commandant niet. Kerenski snoefde later tegenover de witgardisten dat hij generaal Polovzev, toen hij in de Julidagen van het front teruggekeerd was, “vanwege diens besluiteloosheid” ontslagen had. Nu kon men eindelijk het zo lang uitgestelde werk gaan volbrengen, namelijk het bolsjewistisch wespennest in het paleis Ksjjessinskaja uitroeien. In het openbare leven en in tijden van revolutie vooral krijgen feiten van ondergeschikt belang, die door hun symbolische betekenis op de fantasie werken, soms een grote betekenis. Zo kreeg de kwestie van Lenins onteigening van de villa van Ksjjessinskaja, een hofballerina die niet zozeer om haar kunst beroemd was maar wel door haar betrekkingen met de mannelijke leden van de Romanovs, een onevenredig grote plaats in de strijd tegen de bolsjewieken. Deze villa was het resultaat van de banden waarvoor Nicolaas II, toen hij nog troonopvolger was, de fundamenten had gelegd. Voor de oorlog kletste de burgerij over de tegenover het Winterpaleis gelegen verblijven van luxe, sporen en briljanten met een tikje afgunst en eerbied. Tijdens de oorlog had men het steeds vaker over rijkdom die “bijeengestolen” was, de soldaten drukten zich nog preciezer uit. Naarmate de ballerina ouder werd, wierp zij zich op een patriottische carrière. De openhartige Rodsjanko vertelt hierover: “de opperbevelhebber (Grootvorst Nicolajevitsj) deelde mee dat hem de inmenging en de invloed van de ballerina Ksjjessinskaja in artilleristische aangelegenheden bekend waren en dat verschillende firma’s door haar bemiddeling bestellingen gekregen hadden.” Het is niet te verwonderen dat het verlaten paleis van Ksjjessinskaja na de omwenteling geen vriendelijke gedachten bij het volk opriep. Terwijl de revolutie een niet te verzadigen vraag naar woonruimte deed ontstaan, waagde de regering het niet op enig particulier gebouw beslag te leggen. Rekwisities van leegstaande villa’s voor de revolutie zijn iets helemaal anders dan rekwisities van boerenpaarden voor de oorlog. De volksmassa’s dachten er echter anders over.

Op zoek naar een geschikte ruimte stuitte de reservepantserdivisie in de eerste dagen van maart op de villa Ksjjessinskaja en bezette deze, de garage van de ballerina was immers heel bruikbaar. Aan het Petrograds comité van de bolsjewieken liet de divisie graag de bovenverdieping over. De vriendschap met de pantserautomobilisten was voor de bolsjewieken een supplement van hun vriendschap met de mitrailleurs.

De bezetting van het paleis, die enkele weken voor Lenins aankomst plaats had, had aanvankelijk nauwelijks de aandacht getrokken. De verontwaardiging over de onteigenaars groeide met de invloed van de bolsjewieken. De krantenpraatjes over hoe Lenin zijn intrek had genomen in de vertrekken van de ballerina of de gehele inrichting van de villa vernield was, waren verzinsels. Lenin leefde in de bescheiden woning van zijn zuster, terwijl het meubilair van de ballerina door de commandant van het huis weggeruimd en verzegeld was. Soechanov, die het paleis daags na de aankomst van Lenin bezocht, gaf een interessante beschrijving van het huis. “De vertrekken van de beroemde ballerina zagen er vreemd en wonderlijk uit. De buitengewoon fraaie plafonds en muren pasten slecht bij het eenvoudig meubilair, de primitieve tafels, stoelen en banken, die in allerijl voor diverse werkzaamheden opgesteld waren. Meubels waren er in het algemeen slechts weinig. Het meubilair van Ksjjessinskaja was ergens heen weggebracht.” Terwijl zij het angstvallig vermeed de kwestie van de pantserdivisie aan te roeren, beschreef de pers Lenin als de ware schuldige aan de gewapende bezetting van het huis van een hulpeloze kunstenares. Dit onderwerp diende tot stof voor talrijke hoofdartikelen en feuilletons. Smerige arbeiders en soldaten tussen zijde, damast en tapijten! Op alle bel-etages van de hoofdstad sidderde men van morele verontwaardiging. Net zoals de girondijnen de verantwoordelijkheid voor de Septembermoorden, de matrassendiefstal uit de kazerne en de prediking van de agrarische wet op de jacobijnen schoven, beschuldigden nu de kadetten en de democraten de bolsjewieken ervan dat zij de grondslagen van de moraal ondermijnden en in de villa Ksjjessinskaja op de parketvloeren spuwden. De dynastieke ballerina werd een symbool van de door barbaren vertrappelde cultuur. Deze apotheose inspireerde de eigenares en zij wendde zich met een klacht tot de rechter die de ontruiming door de bolsjewieken gelastte. Dit was echter niet zo eenvoudig. “De op de binnenplaats opgestelde pantserwagens zagen er erg dreigend uit,” vertelt het lid van het toenmalige Petrogradse comité, Salesjski. Bovendien waren zowel het regiment mitrailleurs alsook andere troepenafdelingen bereid om in geval van nood de pantserauto’s te ondersteunen. Op 25 mei had het bureau van het Uitvoerend Comité op een klacht van de advocaat van de ballerina geantwoord dat het belang van de revolutie meebracht dat zij zich aan een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing moest onderwerpen. Verder dan dit platonisch aforisme waren de verzoeningezinden echter niet gekomen, tot grote ergernis van de in het geheel niet tot platonisme geneigde ballerina.

In de villa zetten het Centraal Comité, het Petrograds Comité en de Militaire Organisatie naast elkaar hun werk voort. “Onophoudelijk verdrong zich een grote massa volk in het huis Ksjjessinskaja,” vertelt Raskolnikov. “Sommigen kwamen voor zaken naar het één of het andere secretariaat, anderen kwamen naar de bibliotheek, weer anderen naar de redactie van de “Soldatskaja Pravda”, nog weer anderen naar een vergadering. Vergaderingen werden zeer vaak gehouden, dikwijls onafgebroken, hetzij beneden in de ruime grote zaal of boven in de kamer met de lange tafel, waarschijnlijk de vroegere eetkamer van de ballerina.” Vanaf het balkon van de villa, waarboven de indrukwekkende vlag van het Centraal Comité wapperde, werden voortdurend redevoeringen gehouden, niet alleen overdag maar ook ’s nachts. Meermaals verscheen in diepe duisternis een troepenafdeling of een groep arbeiders voor het huis en verlangde een spreker. Ook bleven er wel willekeurige groepjes burgers voor het balkon staan, burgers van wie de nieuwsgierigheid geregeld door berichten in de kranten geprikkeld werd. In de kritieke dagen kwamen ook wel een enkele maal vijandige demonstraties tot dicht bij het huis om de arrestatie van Lenin en de verdrijving van de bolsjewieken te eisen. Achter de stromen mensen die het paleis omspoelden, bespeurde men de diepste bewegingen van de revolutie. Het hoogtepunt van zijn glorie bereikte het huis Ksjjessinskaja in de Julidagen. “Het voornaamste centrum van de beweging bleek niet het Taurisch paleis te zijn,” schrijft Miljoekov, “maar Lenins citadel, het huis Ksjjessinskaja met het klassieke balkon.” Het neerslaan van de demonstratie moest noodzakelijk tot een neerslaan van het hoofdkwartier van de bolsjewieken leiden.

Tegen drie uur ’s nachts werd tegen het huis Ksjjessinskaja en de Peter-en-Paulsvesting, die door een smalle strook water van elkaar gescheiden zijn, opgetrokken. Dit gebeurde door het reservebataljon van het regiment van Petrograd, een compagnie mitrailleurs, een compagnie Semjonovsky, een compagnie Preobrazhensky, het instructiebataljon van het regiment Wolynsky, twee kanonnen en een pantserafdeling van acht wagens. Om zeven uur ’s morgens eiste de adjudant van de districtscommandant, de sociaal-revolutionair Koesmin, de ontruiming van de villa. De matrozen van Kronstadt, van wie er niet meer dan honderdtwintig man in het paleis waren gebleven, begonnen naar de Peter-en-Paulsvesting over te gaan omdat zij de wapens niet wilden uitleveren. Toen de regeringstroepen de villa bezetten, troffen zij daar nog slechts enkele beambten aan. Nu bleef nog de Peter-en-Paulsvesting over. Uit de wijk Vyborg waren, naar wij gezien hebben, jonge roodgardisten naar de Peter-en-Paulsvesting overgevaren, om in geval van nood de zeelieden bij te staan. “Op de muren van de vesting,” zo vertelt een van hen, “staan enkele stukken geschut die klaarblijkelijk door de matrozen voor alle eventualiteiten opgesteld zijn… Het begint erop te lijken dat de afloop bloedig zal zijn.” De zaak werd echter door diplomatieke onderhandelingen op vreedzame wijze opgelost. In opdracht van het Centraal Comité stelde Stalin aan de verzoeningsgezinde leiders voor om gemeenschappelijk maatregelen voor een onbloedige stopzetting van de actie van Kronstadtse matrozen te treffen. Samen met de mensjewiek Bogdanov overtuigden zij zonder veel moeite de matrozen om het ultimatum van Liber van de vorige dag aan te nemen. Toen de pantserwagens van de regering voor de vesting verschenen, trad een deputatie uit de poort naar buiten met de verklaring dat het garnizoen zich aan het Uitvoerend Comité onderwierp. De door de matrozen en soldaten uitgeleverde wapens werden op vrachtauto’s weggevoerd. De ongewapende matrozen werden op sleepboten gebracht die hen naar Kronstadt zouden terugbrengen. De overgave van de vesting mag als een definitieve afsluiting van de Julibeweging beschouwd worden. Wielrijders die van het front aangekomen waren, betrokken de door de bolsjewieken verlaten villa Ksjessinskaja en de Peter-en-Paulsvesting. Ze zouden aan de vooravond van de Oktoberomwenteling op hun beurt naar de kant van de bolsjewieken overgaan.

‘Julidagen’: voorbereiding en begin

In het jaar 1915 kostte de oorlog Rusland tien miljard, in 1916 negentien miljard en in de eerste helft van 1917 reeds tien en een half miljard roebel. De staatsschuld zou in het begin van 1918 tot zestig miljard aangegroeid zijn, d.w.z. bijna gelijk aan het totale nationale vermogen dat op zeventig miljard geschat werd. Het Centraal Uitvoerend Comité deed een oproep tot een oorlogslening onder de verleidelijke naam van “vrijheidslening”, terwijl de regering eenvoudig tot de conclusie kwam dat zij zonder een nieuwe grootscheepse lening uit het buitenland niet alleen de buitenlandse bestellingen niet zou kunnen betalen, maar ook niet in staat zou zijn tot nakoming van de binnenlandse verplichtingen. Het passief op de handelsbalans werd voortdurend groter. De Entente stond klaarblijkelijk op het punt om de roebel definitief aan zijn lot over te laten. Dezelfde dag waarop de eerste pagina van het Sovjetorgaan, de “Izvestia”, de oproep tot de vrijheidslening bevatte, meldde de “Staatscourant” een sterke koersdaling van de roebel. De drukpers kon het tempo van de inflatie niet meer bijhouden. Men begon van de oude solide geldstukken, waarop nog de glans van hun vroegere koopkracht lag, over te gaan tot de rode flessenetiketten die al spoedig in het dagelijks leven “Kerenskis” genoemd werden. Zowel de bourgeois als de arbeider gaven, ieder op zijn eigen manier, met deze benaming hun afkeer te kennen.

De regering aanvaardde in woorden het programma van een planmatige regeling van het economisch leven van staatswege en riep hiervoor eind juni zelfs logge bestuursorganen in het leven. Er bestond tussen de woorden en daden van het Februaribewind steeds een soortgelijke strijd als die tussen geest en vlees bij de vrome christen. De dienovereenkomstig samengestelde regeringsorganen bekommerden zich meer om de bescherming van de ondernemers tegen de grillen van de weifelende en wankele staatsmacht dan om de beteugeling van particuliere belangen. Het administratieve en technische industriepersoneel viel achtereenvolgens uit elkaar; de hogere groepen kozen zonder aarzelen de kant van de ondernemers nadat ze verschrikt waren door de roep van de arbeiders naar gelijkheid. De arbeiders stonden vol afkeer tegenover de oorlogsproductie waaraan de zwakke bedrijven nog voor één à twee jaar werk hadden. Ook de ondernemers verloren hun lust in de productie die hen meer zorg dan winst opbracht.

Opzettelijke stopzettingen van bedrijven van hogerhand werden de regel. De ijzerindustrie was met veertig procent gekrompen, de textielindustrie met twintig procent. Er heerste een gebrek aan alle noodzakelijke levensbehoeften. De prijzen stegen met de inflatie en het economisch verval.

De arbeiders streden om de controle over het voor hen verborgen administratief-commercieel apparaat waarvan hun lot afhing. De minister van arbeid Skobeljew hield de arbeiders in uitvoerige manifesten het onmogelijke karakter van inmenging in de bedrijfsleiding voor. Op 24 juni berichtte de “Inzvestia” dat er wederom een sluiting van een aantal bedrijven voorbereid werd. Soortgelijke berichten kwamen er uit de provincie. De spoorwegen waren nog erger getroffen dan de industrie. De helft van de locomotieven moest grondig gerepareerd worden, een groot gedeelte van het rollend materiaal bevond zich aan het front en er was gebrek aan brandstof. Het ministerie van verkeerswezen verkeerde onafgebroken op voet van oorlog met de spoorwegarbeiders en beambten. De levensmiddelenvoorziening werd voortdurend slechter. In Petrograd waren er nog slechts broodvoorraden voor tien à vijftien dagen, in andere centra was het niet veel beter gesteld. Dit betekende bij de gedeeltelijke onbruikbaarheid van het rollend materiaal en de dreigende spoorwegstaking gevaar voor hongersnood. Er was geen enkel lichtpunt voor de toekomst te bekennen. Dit hadden de arbeiders allerminst van de revolutie verwacht.

Op politiek terrein was het zo mogelijk nog erger. Besluiteloosheid is de slechtst denkbare toestand in het leven van zowel regeringen, volken en klassen, alsook van individuen. De revolutie is de meest meedogenloze methode om historische problemen op te lossen. Ze uit de weg gaan, is in de revolutie de slechtst denkbare politiek. De revolutionaire partij mag niet aarzelen, evenmin als een chirurg die het mes in het zieke lichaam gezet heeft. De uit de Februariomwenteling voortgekomen dubbele heerschappij was echter een georganiseerde besluiteloosheid. Alles keerde zich tegen de regering. Voorlopige vrienden werden tegenstanders, tegenstanders werden vijanden, de vijanden bewapenden zich. De contrarevolutie, die geleid werd door het Centraal Comité van de Kadettenpartij, de politieke staf van al wie iets te verliezen had, mobiliseerde volkomen openlijk. Het bestuur van de Officierenvereniging bij het hoofdkwartier in Mohilew, dat ongeveer honderdduizend ontevreden officieren vertegenwoordigde, en de Sovjet van het Verbond der Kozakkentroepen in Petrograd vormden twee militaire drijvende krachten van de contrarevolutie. De Rijksdoema besloot, ondanks het besluit van het congres van de Sovjets in juni, om haar “particuliere beraadslagingen” voort te zetten. Haar voorlopig comité diende als legale dekmantel voor contrarevolutionaire arbeid die buitengewoon royaal gefinancierd werd door de banken en de gezantschappen van de Entente. Er dreigden voor de verzoeningsgezinden gevaren van rechts en van links. Onrustig spiedend naar alle kanten, besloot de regering in het geheim middelen toe te staan tot de organisatie van een contraspionage, d.w.z. van een geheime politieke politie. Ongeveer tezelfdertijd, half juni, stelde de regering de verkiezingen voor de Constituerende Vergadering vast op 17 september. De liberale pers voerde ondanks de deelname van de kadetten aan de Regering een hardnekkige campagne tegen de officieel vastgestelde termijn, waarin niemand geloofde omdat deze voor niemand ernstig leek. Het beeld van de Constituerende Vergadering, dat in de eerste dagen van maart zo lichtend was, verbleekte en verdween algauw. Alles keerde zich tegen de regering, zelfs haar povere goede bedoelingen. Pas op 30 juni had zij de moed om de adellijke dorpsvoogden, de Semskije Natsjalniki (landvoogden), wier naam reeds vanaf de invoering ervan door Alexander III gehaat was in het land, af te schaffen. En deze afgedwongen en vertraagde partiële hervorming drukte op de Voorlopige Regering een stempel van smadelijke lafheid. Intussen herstelde de adel zich van zijn angst, de grondbezitters sloten zich aaneen en gingen tot de aanval over. Het Voorlopig Doemacomité wendde zich eind juni tot de regering met de eis om energieke maatregelen te nemen ter bescherming van de grootgrondbezitters tegen de boeren die door “misdadige elementen” opgeruid werden. Op 1 juli werd te Moskou het Al-Russisch congres van de grondbezitters geopend, een congres dat in overgrote meerderheid uit edelen bestond. De regering wendde en keerde zich, met de bedoeling om nu eens de moezjieks dan weer de grootgrondbezitters met frasen om de tuin te leiden. Het slechtst was het echter aan het front gesteld. Het offensief dat voor Kerenski ook in de binnenlandse strijd de laatste inzet geworden was, liep ten einde. De soldaten wilden niet langer oorlog voeren. De diplomaten van vorst Lvov durfden de diplomaten van de Entente niet in de ogen zien. Men had tot elke prijs een lening nodig. Om haar kracht te tonen, ondernam de onmachtige en ten dode gedoemde regering een offensief tegen Finland. Dat liet zij, zoals al haar vuilste werkjes, door de socialisten opknappen. Tegelijk werd het conflict met Oekraïne ernstiger en leidde het tot een openlijke breuk.

Het was lang geleden dat Albert Thomas lofliederen op de stralende revolutie en op Kerenski zong. Begin juli werd de Franse gezant Paléologue, die al te sterk naar de salons van Raspoetin rook, door de “radicale” Noulens vervangen. De journalist Claude Anet hield voor de nieuwe gezant een inleidende voordracht over Petrograd. Tegenover het Franse gezantschap, aan de andere zijde van de Neva, lag de wijk Vyborg. “Dit is de wijk van de grote fabrieken, die volkomen in handen van de bolsjewieken is. Lenin en Trotski zijn daar heer en meester.” In dezelfde wijk bevonden zich de kazernes van het regiment mitrailleurs, dat ongeveer tienduizend man en meer dan duizend machinegeweren telde: noch de sociaal-revolutionairen, noch de mensjewieken hadden toegang tot de kazernes van het regiment. De overige regimenten waren of bolsjewistisch of neutraal. “Indien Lenin en Trotski Petrograd willen bezetten, wie zou hen dat beletten?” Noulens hoorde verbaasd toe. “Maar waarom duldt de regering zo’n toestand?”“Wat zou zij kunnen doen?” antwoordde de journalist. “Men dient te begrijpen dat de regering over geen andere machtsmiddelen dan de morele beschikt, en ook deze lijken mij zeer zwak toe…”

Nu de ontwaakte energie van de massa’s geen uitweg vond, verbrokkelde zij in eigenmachtige acties, partiële opstanden en incidentele onteigeningen. Arbeiders, soldaten en boeren trachtten bij stukken en beetjes te volbrengen wat de door hen zelf geschapen regering weigerde te volbrengen. Niets put de massa’s zozeer uit als besluiteloosheid van de leiders. Nutteloos wachten brengt hen tot steeds dringender kloppen op de poorten die men niet voor hen wil openen of tot directe uitbarstingen van vertwijfeling. Reeds tijdens het Sovjetcongres, toen de mensen uit de provincie slechts met moeite de over Petrograd uitgestrekte hand van hun leiders konden terughouden, hadden de arbeiders en soldaten rijkelijk gelegenheid gehad om de gevoelens en bedoelingen van de Sovjetleiders tegenover hen te leren kennen. Na Kerenski werd Tsereteli niet alleen een vreemde, maar ook een gehate figuur voor de meeste arbeiders en soldaten van Petrograd. Rondom de revolutie nam de invloed van de anarchisten toe, zij speelden reeds de voornaamste rol in het almachtige revolutiecomité III in de villa Doernowo. Maar ook meer gedisciplineerde groepen arbeiders, ja zelfs velen in de bolsjewistische partij, begonnen hun geduld te verliezen of gehoor te geven aan hen die hun geduld reeds verloren hadden. De demonstratie van 18 juni onthulde aan iedereen dat de regering geen enkel steunpunt bezat. “Waarom talmen ze zo in de regering?” vroegen de soldaten en arbeiders en zij bedoelden nu niet alleen de verzoeningsgezinde leiders, maar ook de leidende instanties van de bolsjewieken.

De strijd die bij de inflatieprijzen om het arbeidsloon gevoerd moest worden, ontzenuwde de arbeiders en putte hen uit. Deze kwestie spitste zich in de maand juni zeer toe in de Poetilov-Gigant-fabriek, waar zesendertigduizend mensen werkten. Op 21 juli brak er in enkele werkplaatsen van de fabriek een staking uit. De partij was maar al te zeer van de nutteloosheid van dergelijke partiële uitbarstingen overtuigd. De volgende dag verklaarde de door de bolsjewieken geleide vergadering waarin de voornaamste arbeidersorganisaties en zeventig bedrijven vertegenwoordigd waren, “de zaak van de Poetilov-arbeiders tot een aangelegenheid van de gehele arbeidersklasse van Petrograd” en eiste van de Poetilov-arbeiders om “hun gerechtvaardigde verontwaardiging te bedwingen.” De staking werd uitgesteld. De volgende twaalf dagen brachten echter geen enkele verandering. De massa’s in de fabrieken waren in gisting en zochten een uitweg. Iedere onderneming had haar eigen conflict en deze conflicten leidden alle naar boven, naar de regering. Een memorandum van het verbond van vakverenigingen van de locomotievenbrigades aan de minister van verkeerswezen luidde: “Wij verklaren voor de laatste maal dat ons geduld ten einde is. Wij kunnen op deze wijze niet langer voortleven.” Dit was een klacht niet alleen over nood en honger, maar ook over dubbelzinnigheid, karakterloosheid en bedrog. In het stuk werd zeer heftig geprotesteerd tegen “de eindeloze aanmaningen tot burgerplicht en soberheid die men tot ons richt terwijl wij honger hebben.”

De overgave van de macht aan de Voorlopige Regering door het Uitvoerend Comité in maart had plaats gehad onder de voorwaarde dat de revolutionaire troepen niet uit de hoofdstad verwijderd zouden worden. Maar dit was lang geleden. Het garnizoen ging naar links, de regerende Sovjetkringen gingen naar rechts. De strijd tegen het garnizoen bleef acuut. Er werden geen volledige troependelen uit de hoofdstad weggehaald, maar toch werden de revolutionaire troepenafdelingen stelselmatig verzwakt door compagnieën weg te leiden onder het voorwendsel van strategische noodzaak. Geruchten over ontbinding van telkens weer andere troepenafdelingen aan het front op grond van ongehoorzaamheid en dienstweigering drongen onophoudelijk tot de hoofdstad door. Twee Siberische divisies – gingen de Siberische scherpschutters tot voor kort niet door voor de meest betrouwbare soldaten? – werden met wapengeweld ontbonden. Wegens massale ongehoorzaamheid werden alleen reeds in het dichtst bij de hoofdstad gelegerde vijfde legerkorps 87 officieren en 12.712 soldaten ter verantwoording geroepen. Het garnizoen van Petrograd, waar de ontevredenheid van het front, het dorp, de arbeiderswijken en de kazerne zich ophoopte, was voortdurend in gisting. Veertigjarige mannen met baarden eisten met een hysterische hardnekkigheid ontslag uit de dienst om naar huis, naar het werk op het land, te gaan. De regimenten die in Vyborg lagen: het 1ste regiment mitrailleurs, het 1ste regiment grenadiers, het Moskouse regiment, het 180ste infanterieregiment en anderen werden onophoudelijk door de warme golven van de proletarische voorstad omspoeld. Duizenden arbeiders gingen langs de kazernes voorbij en onder hen waren er talrijke onvermoeide bolsjewistische propagandisten. Vrijwel onophoudelijk werden er spontane meetings voor de gore, gehate muren gehouden. Op 22 juni verscheen, nog voordat de door het offensief teweeggebrachte patriottische manifestaties afgelopen waren, op het Sampsonjevski-Prospekt onvoorzichtig genoeg een automobiel van het Uitvoerend Comité met doeken waarop de leuze “Op voor Kerenski” stond. Het Moskouse regiment arresteerde de propagandisten, verscheurde de oproepen en stuurde de vaderlandslievende auto naar het regiment mitrailleurs.

De soldaten waren in het algemeen ongeduldiger dan de arbeiders: zowel omdat ze steeds vreesden om direct naar het front gestuurd te worden alsook omdat ze veel minder voor overwegingen van politiek strategische aard toegankelijk waren. Bovendien had elke soldaat een geweer in de hand en na de Februarirevolutie waren de soldaten geneigd om de macht hiervan als zodanig te overschatten. Een oude bolsjewistische arbeider, Lisdin, vertelde later hoe de soldaten van het honderdtachtigste regiment reservisten hem zeiden: “Wat suffen onze mensen daar toch in het Ksjessinskjapaleis, laten wij toch oprukken en Kerenski verjagen.” In de vergaderingen die in de regimenten werden gehouden, werden onophoudelijk resoluties aangenomen over de noodzakelijkheid om zich eindelijk tegen de regering te keren. Delegaties van afzonderlijke bedrijven kwamen tot de regimenten met de vraag of de soldaten de straat op wilden gaan. De mitrailleurs zenden hun vertegenwoordigers naar andere delen van het garnizoen met de opdracht tegen een voortzetting van de oorlog te protesteren. Nog ongeduldiger afgevaardigden voegen hieraan toe dat het Pawlovski- en het Moskouse regiment bovenop veertigduizend Poetilov-arbeiders “morgen” in actie zullen komen. De officiële vermaningen van het Uitvoerend Comité hebben geen effect. Het gevaar dat Petrograd zonder steun van het front en de provincie afzonderlijk verslagen zal worden, wordt steeds groter. Op 21 juni riep Lenin in de “Pravda” de arbeiders en soldaten van Petrograd op om geduld te oefenen totdat in de loop der gebeurtenissen de zware reserves aan de kant van Petrograd zouden komen te staan. “Wij begrijpen de verbittering, wij begrijpen de opwinding die er is onder de arbeiders van Petrograd. Maar wij zeggen hen: Kameraden, een actie zou nu verkeerd zijn.” De volgende dag kwam een officieuze vergadering van leidende bolsjewieken, die stellig “linkser” dan Lenin waren, tot het besluit dat men ondanks de stemming onder de arbeiders- en soldatenmassa’s de strijd nog niet mocht aanvaarden: “Het is beter nog wat te wachten opdat de regerende partijen zich met het begonnen offensief volkomen blameren. Dan is de beurt aan ons.” Zo geeft de districtsleider Lazis, een van de meest ongeduldigen in die tijd, de zaak weer. Het comité ziet zich steeds vaker genoodzaakt om propagandisten naar de troepen en de bedrijven te sturen om deze van ontijdige acties te weerhouden. Terwijl zij vol schaamte het hoofd schudden, weeklagen de Vyborgse bolsjewieken onder elkaar: “Wij moeten voor brandweerman spelen.” De kreet: “de straat op!”, verstomde echter geen ogenblik. Ook provocaties ontbraken niet. De Militaire Organisatie van de bolsjewieken zag zich genoodzaakt om zich tot de soldaten en arbeiders te wenden met de oproep: “Men moet geen enkele oproep om in naam van de Militaire Organisatie de straat op te gaan vertrouwen. De Militaire Organisatie roept niet tot een actie op.” En daarna nog dringender: “Eis van elke propagandist of spreker die u in naam van de Militaire Organisatie de straat oproept, een met de handtekeningen van de voorzitter en de secretaris voorziene legitimatie.”

Op het beroemde Ankerplein in Kronstadt, waar de anarchisten steeds meer de boventoon krijgen, wordt het ene ultimatum na het andere opgesteld. Op 23 juni eisten de afgevaardigden van het Ankerplein, terwijl ze de Sovjet van Kronstadt passeren, van het ministerie van Justitie de vrijlating van een groep Petrogradse anarchisten en dreigden anders met een overval van de matrozen op de gevangenis. De volgende dag verklaarden afgevaardigden uit Oranienbaum aan de minister van Justitie dat hun garnizoen evenzeer als Kronstadt verontwaardigd was over de arrestaties in de villa Doernowo en dat men bij “hen de machinegeweren reeds in gereedheid bracht.” De burgerlijke pers greep deze dreigementen gretig aan en duwde ze de verzoeningsgezinde bondgenoten onder de neus. Op 26 juni kwamen afgevaardigden van het regiment fardegrenadiers van het front bij hun reservebataljon aan met de verklaring dat het regiment tegen de Voorlopige Regering was en eiste dat de macht op de Sovjets zou overgaan; het wees het door Kerenski begonnen offensief af en koesterde de vrees dat het Uitvoerend Comité samen met de socialistische ministers naar de bourgeoisie was overgelopen. Het orgaan van het Uitvoerend Comité bevatte over dit bezoek een bericht dat vol verwijten was.

Niet alleen Kronstadt, maar de gehele Baltische vloot waarvan Helsingfors de voornaamste basis was, borrelde als een kokende ketel. De voornaamste kracht die de bolsjewieken op de vloot hadden, was ongetwijfeld Antonov-Owssejenko die reeds als jonge officier deelgenomen had aan de opstand te Sebastopol van 1905, mensjewiek in de jaren van reactie, emigrant-internationalist in de jaren van de oorlog, medewerker van Trotski bij de uitgave van de courant “Nasie Slowo” in Parijs en na zijn terugkeer uit de emigratie tot de bolsjewieken overgegaan was. Antonov-Owssejenko, die politiek onbetrouwbaar was maar een grote persoonlijke moed bezat, was impulsief en verward maar in staat tot persoonlijk initiatief en hij was ook vindingrijk. In die dagen was hij nog weinig bekend, maar bij de latere gebeurtenissen in de revolutie nam hij een voorname plaats in. “Wij in het partijcomité van Helsingfors,” zo vertelt hij in zijn memoires, “begrepen dat het noodzakelijk was af te wachten en zich degelijk voor te bereiden. Wij hadden ook dienovereenkomstige aanwijzingen van het Centraal Comité. Maar wij waren er ons van bewust dat de uitbarsting onvermijdelijk zou komen en keken vol bezorgdheid naar Petrograd.” En daar hoopten de elementen voor een uitbarsting zich van dag tot dag meer op. Het tweede regiment mitrailleurs, dat conservatiever was dan het eerste, eiste in een resolutie de overgave van de macht aan de Sovjets. Het derde infanterieregiment weigerde veertien compagnieën te laten vertrekken. De vergaderingen in de kazernes namen een steeds dreigender houding aan. Op 1 juli ging een meeting bij het regiment grenadiers vergezeld van een arrestatie van de voorzitter van het comité en obstructie tegen de mensjewistische sprekers. Weg met het offensief! Weg met Kerenski! De mitrailleurs vormden het middelpunt van het garnizoen en zij waren het dan ook die de sluizen voor de julistroom openzetten.

De naam van het eerste regiment mitrailleurs zijn wij reeds bij de gebeurtenissen in de eerste revolutiemaanden tegengekomen. Het regiment dat spoedig na de omwenteling op eigen initiatief van Oranienbaum naar Petrograd gekomen was om de revolutie te verdedigen, stuitte terstond op tegenstand bij het Uitvoerend Comité dat besloot het regiment zijn dank te betuigen en het naar Oranienbaum terug te zenden.

De mitrailleurs weigerden beslist de hoofdstad te verlaten: “De contrarevolutionairen zouden de Sovjet kunnen overvallen en het oude regime weer herstellen.” Het Uitvoerend Comité gaf toe en enkele duizenden mitrailleurs bleven in Petrograd met hun machinegeweren. Zij werden in het Volkshuis ondergebracht en wisten niet wat er verder met hen zou gebeuren. Er waren echter vele Petrogradse arbeiders onder hen en het was niet toevallig dat juist het bolsjewistisch Comité de zorg voor de mitrailleurs op zich nam. Dit garandeerde de toevoer van levensmiddelen uit de Peter-en-Paulsvesting. De vriendschapsbanden waren eenmaal aangeknoopt. Spoedig zouden zij onverbrekelijk worden. Op 21 juni namen de mitrailleurs in een algemene vergadering het besluit: “In het vervolg mogen slechts troepen naar het front gezonden worden indien de oorlog een revolutionair karakter heeft.” Op 2 juli belegde het regiment in het Volkshuis een afscheidsmeeting ter ere van de naar het front gecommandeerde “laatste” compagnie.

Daar spraken Loenatsjarski en Trotski: de autoriteiten trachtten later aan deze toevallige gebeurtenis een buitengewone betekenis te geven. Namens het regiment antwoordden soldaat Sjilin en een oude bolsjewiek, de onderofficier Lasjevits. De stemming was zeer enthousiast, men laakte Kerenski, zwoer de revolutie trouw, maar niemand deed een concreet praktisch voorstel voor de directe toekomst. Intussen wachtte men in de stad gedurende de laatste dagen vol spanning af wat er zou gebeuren. De “Julidagen” wierpen hun schaduw vooruit. “Overal, in alle hoeken en gaten,” herinnert Soechanov zich, “in de Sovjet, in het Mariinskipaleis, in de particuliere huizen, op de pleinen en op de boulevards, in de kazernes en in de fabrieken, sprak men van een actie die vandaag of morgen te verwachten was. Niemand wist iets zekers te zeggen over het wie, waar en hoe. Maar de sfeer in de stad was geladen als aan de vooravond van een uitbarsting.” Er kwam ook effectief een actie. De stoot daartoe kwam van bovenaf uit de regeringskringen.

Op dezelfde dag waarop Trotski en Loenatsjarski bij de mitrailleurs over de zwakke coalitie spraken, traden vier kadettenministers uit de regering. Daarmee werd de coalitie gebroken. Als voorwendsel namen zij het voor hen met het oog op hun aanspraken als grote mogendheid onaannemelijke compromis dat hun verzoeningsgezinde collega’s met de Oekraïne gesloten hadden. De werkelijke reden van de demonstratieve breuk was dat de verzoeningsgezinden ermee talmden om de massa’s te onderwerpen. De keuze van het ogenblik was gedicteerd door het fiasco van het offensief dat voorlopig officieel nog niet toegegeven werd maar voor alle ingewijden vast stond. De liberalen achtten het moment gekomen om hun linkse bondgenoten in de steek te laten tegenover de nederlaag en de bolsjewieken. Het gerucht van het aftreden van de kadetten verspreidde zich snel in de hoofdstad en politiek werden alle openlijke conflicten onder de ene slogan, of liever gezegd in de ene kreet samengevat: ‘Het moet nu uit zijn met dat gescharrel van de coalitie!’ Soldaten en arbeiders geloofden dat van de beslissing van de vraag door wie in het vervolg het land zou geregeerd worden, door de bourgeoisie of door hun eigen Sovjets, alle andere kwesties afhingen: zowel die van het arbeidsloon als die van de broodprijs en ook of men nog langer aan het front zou moeten omkomen zonder te weten waarvoor. Er was in deze verwachtingen een zeker element van illusie, voor zover de massa’s hoopten dat er door de regeringswisseling terstond een einde zou komen aan alle smarten en moeilijkheden. In wezen hadden zij echter gelijk: de machtskwestie was beslissend voor het verloop van de gehele verdere revolutie, d.w.z. ook het lot van ieder afzonderlijk werd erdoor bepaald. Men zou Miljoekov stellig onderschatten indien men aannam dat de kadetten de gevolgen die hun daad van openlijke sabotage tegen de Sovjets zou hebben, niet hadden voorzien. De liberale leider was kennelijk erop uit om de verzoeningsgezinden in een netelige positie te brengen, waarbij slechts de bajonetten een oplossing zouden kunnen brengen: in die dagen meende hij stellig dat slechts door een flinke aderlating de situatie gered kon worden.

In de morgen van 3 juli kozen enkele duizenden mitrailleurs, nadat zij de vergadering van de compagnies- en regimentscomités van hun regiment uiteen gejaagd hadden, een eigen voorzitter en verlangden dat er direct beraadslaagd zou worden over een gewapend optreden. De meeting had van bij het begin een stormachtig verloop. Bij het vraagstuk van het front kwam de regeringscrisis. De voorzitter van de vergadering was Golovin, een bolsjewiek. Hij trachtte remmend te werken door voor te stellen om eerst eens met andere troepenafdelingen en de Militaire Organisatie overleg te plegen. Maar elke zinspeling op uitstel bracht de soldaten buiten zichzelf. De anarchist Bleichmann, een kleine maar interessante figuur in het jaar 1917 dook in de vergadering op. Met zeer beperkte intellectuele capaciteiten, maar een zeker instinct voor de massa’s, oprecht in zijn licht ontvlambare bekrompenheid, met ontblote borst en wilde lokken, werd Bleichmann in de vergaderingen vaak met een zekere spot en sympathie begroet. De arbeiders gedroegen zich weliswaar terughoudend tegenover hem, een beetje ongeduldig, vooral de metaalarbeiders. Maar de soldaten lachten vrolijk om zijn redevoeringen, stieten elkaar met de ellebogen aan, vuurden de spreker met krachttermen aan: zij stonden kennelijk sympathiek tegenover zijn excentriek uiterlijk, zijn ondoordachte vastberadenheid, zijn scherp joods-Amerikaans accent. Eind juni spartelde Bleichmann in allerlei geïmproviseerde meetings als een visje in het water. Steeds had hij zijn voorstel bij de hand: de straat op, met de wapens in de hand. Een organisatie? “De straat organiseert ons.” Een doel? “De Voorlopige Regering ten val brengen, zoals men het met de tsaar gedaan heeft, ofschoon ook toen geen enkele partij daartoe opriep.” Zulke redevoeringen kwamen op dat moment het meest met de stemming onder de mitrailleurs en niet alleen onder deze overeen. Ook vele bolsjewieken lieten duidelijk hun instemming blijken wanneer de massa’s hun officiële vermaningen in de wind sloegen. De meest geschoolde arbeiders herinnerden zich nog dat in februari juist de leiders aan de vooravond van de overwinning op het punt gestaan hadden om het sein tot de terugtocht te geven, dat in maart de achturendag op initiatief van onderop veroverd was, dat in april regimenten die eigenmachtig uit de kazernes de straat op gegaan waren Miljoekov ten val gebracht hadden. De herinnering aan deze feiten droeg bij tot de toename van de spanning en het ongeduld onder de massa’s.

De Militaire Organisatie van de bolsjewieken die er meteen van op de hoogte gesteld werd dat er in de vergadering van de mitrailleurs een stemming heerste die het kookpunt naderde, zonden de ene propagandist na de andere erheen. Weldra verscheen ook Nevski zelf, de bij de soldaten zeer graag geziene leider van de Militaire Organisatie. Schijnbaar vond hij gehoor. De stemming van de eindeloos gerekte vergadering wisselde echter telkens evenals haar publiek. “Het was voor ons de grootst mogelijke verrassing,” vertelt Podwojski, een andere leider van de Militaire Organisatie, “toen om 7 uur ’s avonds een cavalerist aangesneld kwam met het nieuws dat de mitrailleurs opnieuw besloten hadden om tot een actie over te gaan.” In de plaats van het oude regimentscomité kozen zij een Voorlopig Revolutiecomité, bestaande uit twee man van elke compagnie, onder voorzitterschap van Semasjko. Speciaal daartoe aangewezen afgevaardigden bezochten de regimenten en de bedrijven om ondersteuning te verkrijgen. De mitrailleurs waren natuurlijk niet vergeten om hun mannen ook naar Kronstadt te zenden. Zo werden als een onderafdeling van de officiële organisaties en gedeeltelijk onder dekmantel van deze tijdelijk nieuwe banden tussen de meer in opwinding verkerende troepenafdelingen en de fabrieken aangeknoopt. De massa’s waren niet van plan om met de Sovjet te breken, integendeel zij wilden dat deze de macht zou overnemen. Nog minder dachten zij erover om met de bolsjewistische partij te breken. Doch het leek hun toe dat deze te besluiteloos was. Zij wilden druk uitoefenen, het Uitvoerend Comité waarschuwen, de bolsjewieken voorwaarts drijven. Er ontstaan geïmproviseerde vertegenwoordigingen, nieuwe knooppunten en centra van actie, niet blijvend maar slechts voor incidentele gevallen. De toestand en de stemming wisselen zo snel en zo ingrijpend dat zelfs een soepele organisatie als die van de Sovjets onvermijdelijk achterblijft en de massa’s zich genoodzaakt zien om telkens nieuwe organen in het leven te roepen om aan de eisen van het ogenblik te voldoen. Bij dergelijke improvisaties is het onvermijdelijk dat verschillende willekeurige en niet altijd betrouwbare elementen binnensluipen. De anarchisten gieten olie op het vuur, net zoals vele van de nieuwe en ongeduldige bolsjewieken. Ook provocateurs weten ongetwijfeld binnen te dringen, wellicht ook Duitse agenten, nog eerder echter agenten van de echt-Russische contraspionage. Hoe kan men het zo ingewikkeld complex van massabewegingen ontwarren? Het algemeen karakter van de gebeurtenissen is niettemin volkomen duidelijk. Petrograd is zich van zijn kracht bewust, er is de wil om tot de aanval over te gaan zonder op de provincie en het front te letten, en zelfs de bolsjewistische partij is reeds niet meer bij machte om dit te stoppen. Hier kon enkel de praktische ervaring baten.

De afgevaardigden van de mitrailleurs riepen de regimenten en bedrijven op om op straat te komen. Ze vergaten er niet bij te zeggen dat het om een gewapende actie moest gaan. Hoe zou het ook anders kunnen? Men kon zich toch niet ongewapend aan de slagen van de vijanden blootstellen? Bovendien, en dit was misschien wel het belangrijkste punt, men moest zijn macht tonen: een soldaat zonder wapens vormt geen macht. Op dit punt waren alle regimenten en alle fabrieken het eens: indien men zou optreden, dan kon dit niet anders dan met een voorraad munitie. De mitrailleurs lieten geen tijd verloren gaan. Nu het grote spel begonnen werd, moest men het ook zo snel mogelijk ten einde brengen. In het materiaal van het gerechtelijk vooronderzoek werd later het optreden van Semasjko, één van de voornaamste leiders van het regiment, als volgt beschreven: “eiste van de fabrieken automobielen op, rustte ze met machinegeweren uit, zond ze naar het Taurisch paleis en naar andere plaatsen, gaf de marsroutes aan, leidde persoonlijk het regiment uit de kazerne naar de stad, reed naar het reservebataljon van het Moskous regiment om het tot optreden te bewegen, hetgeen hem ook gelukte, beloofde de soldaten van het regiment mitrailleurs ondersteuning van de kant van de regimenten van de Militaire Organisatie, onderhield geregelde verbinding zowel met deze organisatie die zich in het huis Ksjessinskaja bevond, alsook met de leider van de bolsjewieken, Lenin, en zond wachtposten ter bescherming van de Militaire Organisatie.” De vermelding van Lenin geschiedt hier volledigheidshalve: Lenin was noch die dag, noch de vorige dagen in Petrograd. Sedert 29 juni zat hij als gevolg van zijn ziekte in zijn buitenverblijf in Finland. Maar voor de rest geeft het beknopte relaas van de ambtenaar van de krijgsraad heel goed de koortsachtige stemming weer die er bij de voorbereiding onder de mitrailleurs heerste. Op de binnenplaatsen van de kazernes werd niet minder koortsachtig gewerkt. Aan soldaten die geen wapens hadden, werden geweren en dikwijls ook bommen verschaft en op iedere vrachtauto die door de bedrijven geleverd werd, werden drie machinegeweren met bediening geplaatst. Het regiment moest in volle oorlogsuitrusting op straat verschijnen. In de bedrijven speelde zich overal ongeveer hetzelfde af: er kwamen afgevaardigden van de mitrailleurs of van de naburige bedrijven en deze riepen ertoe op om de straat op te gaan. Een arbeider van de fabriek Reno vertelt: “Na het middageten kwamen enkele mitrailleurs naar ons toe met het verzoek om hen vrachtauto’s te geven. Ondanks het protest van ons collectief (de bolsjewieken) moest men de wagens ter beschikking stellen. Haastig laadden zij de “maxims” (machinegeweren) op de auto’s en suisden weg naar het Nevski. Toen waren onze arbeiders niet meer te houden… Zoals zij aan het werk waren, met hun voorschoot voor, direct van de werkbank, gingen zij naar buiten.” De protesten van de bolsjewieken in de bedrijven waren waarschijnlijk niet altijd even krachtig. De strijd duurde het langst in de Poelitovfabriek. Tegen 2 uur ’s middags verspreidde zich in de afdelingen het nieuws dat er een delegatie van de mitrailleurs was verschenen en dat deze tot een vergadering opriep. Ongeveer tienduizend arbeiders verzamelden zich voor het kantoor. Onder kreten van bijval berichtten de mitrailleurs dat zij op 4 juli bevel kregen om naar het front te gaan maar dat zij beslisten om “niet naar het Duitse front te trekken tegen de Duitse arbeidersklasse, maar tegen de eigen kapitalistische ministers.” Het enthousiasme nam toe. “Laten we gaan! laten we gaan!” riepen de arbeiders. De secretaris van het fabriekscomité, een bolsjewiek, maakte bezwaren en stelde voor om eerst de partij om raad te vragen. Protesten van alle kanten: “Weg! Wil je de zaak alweer uitstellen? Zo kan het onmogelijk langer gaan.” Tegen 6 uur verschenen vertegenwoordigers van het Uitvoerend Comité, maar het lukte hen nog minder om invloed op de arbeiders uit te oefenen. De meeting duurde voort, de eindeloze, zenuwslopende, onophoudelijke meeting van een vele duizenden koppen tellende massa die een uitweg zoekt en zich niet laat bijbrengen dat die er niet is. Een voorstel om een delegatie naar het Uitvoerend Comité te zenden: wederom een uitstel. De vergadering gaat nog altijd niet uiteen. Intussen brengt een groep arbeiders en soldaten het nieuws dat de Vyborgers reeds naar het Taurisch paleis opmarcheerden. Nu was het onmogelijk om hen nog langer te weerhouden. Men besloot te beginnen. De Poelitovarbeider Jefimov kwam naar het districtscomité van de partij gerend om te vragen: “Wat zullen we doen?” Men antwoordde: “Wij zullen geen acties beginnen, maar wij kunnen de arbeiders niet aan hun lot overlaten en daarom gaan wij samen met hen.” Op dat moment verscheen het districtscomitélid Tsjoedin met het bericht dat in alle wijken de arbeiders de straat opgingen en dat de partijleden gedwongen waren “de orde te handhaven.” Zo werden de bolsjewieken door de beweging meegesleurd en er in betrokken, terwijl zij poogden voor hun optreden dat in strijd was met het officiële partijbesluit een excuus te vinden. Het industriële leven van de hoofdstad stond tegen 7 uur ’s avonds geheel stil. De ene fabriek na de andere kwam in actie, maakte zich gereed tot de opmars, afdelingen van de Rode Garde werden uitgerust. “Bedrijvig liepen,” zo vertelt de Vyborger Metelev, “in de massa van duizenden arbeiders honderden jonggardisten heen en weer, lawaai makend met de grendels van hun geweren. Sommigen vulden de tassen met pakjes patronen, anderen trokken de riemen aan, weer anderen deden de patroontassen om, nog weer anderen staken de bajonetten op en de arbeiders die zelf geen enkel wapen hadden, hielpen de gardisten met hun uitrusting…” Het Samsonjevski-Prospect, de voornaamste verkeersader van Vyborg, is vol volk. Links en rechts dichte stoeten arbeiders. In het midden van het Prospect het regiment mitrailleurs, de ruggengraat van de stoet. Aan de kop van elke compagnie – vrachtauto’s met “maxims”. Achter het regiment mitrailleurs-arbeiders; als achterhoede, tot dekking van de demonstratie, afdelingen van het Moskouse regiment. Boven iedere afdeling een spandoek: “Alle macht aan de Sovjets.” De rouwstoet in maart of de Meidemonstratie waren waarschijnlijk talrijker. Maar de Julistoet is sterker, dreigender en homogener van samenstelling. “Onder rode vlaggen marcheren enkel arbeiders en soldaten,” schrijft een van de deelnemers. “De insignes van de beambten, de glanzende knopen van de studenten, de hoeden van de ‘sympathiserende dames’, die waren er vier maanden geleden in februari bij, maar in de stoet van vandaag is niets daarvan te bespeuren, vandaag trekken enkel de zwarte slaven van het kapitaal op.” Door de straten jagen net als toen automobielen met gewapende arbeiders en soldaten in verschillende richtingen: afgevaardigden, propagandisten, boodschappers, verbindingsmannen, afdelingen, om de arbeiders en regimenten de straat op te brengen. De geweren zijn bij allen vooruit gericht. De dreigende vrachtauto’s riepen het beeld van de Februaridagen in herinnering, elektriseerden de één, terroriseerden de ander. De kadet Nabokov schrijft: “Dezelfde dolle, afgestompte, verdierlijkte gezichten die wij ons nog uit de Februaridagen herinneren,” d.w.z. uit de dagen van de revolutie die de liberalen officieel roemrijk en onbloedig genoemd hadden. Tegen 9 uur trokken reeds zeven regimenten naar het Taurisch paleis. Onderweg sloten zich optochten uit de fabrieken en nieuwe troepenafdelingen aan. De beweging van het regiment mitrailleurs bleek een geweldige stimulerende kracht te hebben. De “Julidagen” waren ingeleid.

Spontane meetings werden gehouden. Hier en daar vielen er schoten. Volgens de beschrijving van de arbeider Korotkow haalde men op het Litejny-Prospect uit een kelder een machinegeweer met een officier te voorschijn, die op staande voet afgemaakt werd. De meest verschillende geruchten ijlen de demonstratie vooruit en deze brengt naar alle kanten angst teweeg. Wat melden de telefoons van de opgeschrikte kwartieren in het centrum van de stad al niet! Men vertelt dat er tegen 8 uur een gewapende automobiel razendsnel bij het Warschau station aangereden kwam, op zoek naar Kerenski die juist die dag naar het front afgereisd was en met de bedoeling om deze te arresteren, maar dat de auto te laat gekomen was voor de trein en de arrestatie daardoor mislukt was. Dit voorval werd later meer dan eens als een bewijs voor de samenzwering aangevoerd. Wie eigenlijk in de automobiel zat en wie deze geheimzinnige plannen onthuld heeft, is echter nooit bekend geworden. Die avond reden er auto’s met gewapende lieden rond in alle wijken en waarschijnlijk ook wel in de omgeving van het Warschau station. Krachttermen aan het adres van Kerenski kon men overal te horen krijgen. Dit was stellig de oorsprong van de legende, of men moet aannemen dat zij van het begin tot het einde verzonnen was.

De “Izvestia” bevatte het volgend overzicht van de gebeurtenissen op 3 juli: “Om 5 uur in de namiddag verschenen gewapend en wel: het 1ste regiment mitrailleurs, gedeelten van het Moskous regiment, van het regiment grenadiers en van het Pawlovski regiment. Troepen arbeiders sloten zich bij hen aan. Tegen acht uur ’s avonds begonnen enkele troepenafdelingen in volle oorlogsuitrusting bij het Ksjessinskaja-paleis samen te stromen, met rode vlaggen en doeken waarop geëist werd dat de macht op de sovjets zou overgaan. Redevoeringen werden vanaf het balkon gehouden en om 10.30 uur wordt op het plein voor het gebouw van het Taurisch paleis een meeting gehouden. De troepen kozen een afvaardiging die in hun naam de volgende eisen aan het Al-Russisch Centraal Uitvoerend Comité overbracht: Weg met de tien burgerlijke ministers, alle macht aan de Sovjet, stopzetting van het offensief, inbeslagneming van de drukkerijen van de burgerlijke kranten, socialisatie van grond en bodem, controle over de productie.” Los van enkele minder belangrijke minimaliseringen zoals “gedeelten van regimenten” in plaats van regimenten, “troepen arbeiders” in plaats van gehele bedrijven, kan men zeggen dat het blad van Tsereteli, Dan en co de gebeurtenissen in het algemeen juist weergeeft. In het bijzonder worden de twee brandpunten van de demonstratie goed aangeduid: de villa Ksjessinskaja en het Taurisch paleis. Geestelijk en fysiek draaide de beweging om deze twee antagonistische centra: naar het huis Ksjessinskaja gaat men om instructies te krijgen, leiding te ontvangen en opwekkende redevoeringen aan te horen, naar het Taurisch paleis om eisen te stellen en zelfs om te dreigen.

Om 3 uur ’s namiddags verschenen in de stedelijke conferentie van de bolsjewieken, die op deze dag in de villa Ksjessinskaja plaatsvond, twee afgevaardigden van de mitrailleurs met de melding dat hun regiment besloten had op te treden. Niemand had dit verwacht en niemand wenste het. Tomski verklaarde: “De regimenten die de straat opgegaan zijn, handelden onkameraadschappelijk door het Comité en onze partij niet uit te nodigen tot een voorafgaande bespreking over de vraag of er gedemonstreerd zou worden. Het Centraal Comité stelt aan de conferentie voor: ten eerste een oproep te doen om de massa’s te weerhouden, en ten tweede in een oproep van het Uitvoerend Comité te eisen dat dit de macht overneemt. Het is verkeerd om nu over een gewapende demonstratie te spreken zonder een nieuwe revolutie te willen.” Tomski, een oude bolsjewistische arbeider die zijn trouw aan de partij met jaren dwangarbeid bezegeld had en die later bekend werd als vakbondsleider, was van nature veeleer ertoe geneigd van een demonstratie te weerhouden dan daartoe op te roepen. Ditmaal verkondigde hij echter slechts de opvattingen van Lenin: “Het is verkeerd om nu van een gewapende demonstratie te spreken zonder een nieuwe revolutie te willen.” Zelfs de poging tot de vreedzame demonstratie van 10 juni was immers door de verzoeningsgezinden voor een samenzwering uitgemaakt! De overgrote meerderheid van de conferentie was het met Tomski eens. Tot elke prijs moest de beslissing uitgesteld worden. Het offensief aan het front houdt het gehele land in spanning. Dat het tot een mislukking zal leiden, is zeker, alsook dat de regering de verantwoordelijkheid voor de nederlagen op de bolsjewieken wil afschuiven. Men moet de verzoeningsgezinden tijd laten om zich volkomen te compromitteren. Volodarski antwoordde namens de conferentie aan de mitrailleurs in deze zin dat het regiment zich had te schikken naar het partijbesluit. De mitrailleurs verwijderen zich onder protest. Om 4 uur bevestigde het Centraal Comité het besluit van de conferentie. De deelnemers gaan uiteen naar hun wijken en bedrijven om de massa’s van een demonstratie te weerhouden. Een oproep in die zin wordt naar de “Pravda” gezonden om deze de volgende morgen op de voorpagina te publiceren. Stalin krijgt de opdracht om de verenigde vergadering van het Uitvoerend Comité van het partijbesluit op de hoogte te brengen. Er valt derhalve aan de bedoelingen van de bolsjewieken niet te twijfelen. Het Uitvoerend Comité wendde zich tot de arbeiders en soldaten met de waarschuwing: “Onbekende lieden roepen u met uw wapens de straat op,” en gaf daarmee te kennen dat de oproep niet van enige Sovjetpartij afkomstig was. Maar de centrale comités, de partijen en de Sovjets, wikken terwijl de massa’s beschikken.

Tegen 8 uur ’s avonds kwamen het regiment mitrailleurs en later ook het Moskous regiment naar het Ksjessinskaja. Populaire bolsjewieken als Nevski, Lasjevitsj, Podvojski trachtten vanaf het balkon de regimenten ertoe over te halen rechtsomkeer te maken. Men antwoordde hen van beneden af: “Zwijg!” Zulke kreten had het bolsjewistisch balkon nog niet van de soldaten gehoord en dit was een dreigend voorteken. Achter de regimenten doken de bedrijven op: “Alle macht aan de Sovjets! Weg met de tien kapitalistische ministers!” Dat waren de spandoeken van 18 juni. Maar nu waren zij omgeven door bajonetten. De demonstratie was een sprekend feit. Wat nu te doen? Kunnen de bolsjewieken zich afzijdig houden? De leden van het Petrograds Comité besluiten samen met de afgevaardigden van de conferentie en de vertegenwoordigers van de regimenten en de bedrijven om het besluit te herzien, de nutteloze vermaningen te staken, de reeds aangevangen beweging zo te leiden dat de regeringscrisis in het belang van het volk opgelost werd; met dit doel de soldaten en arbeiders op te roepen op vreedzame wijze naar het Taurisch paleis te marcheren, gedelegeerden te kiezen en door deze hun eisen aan het Uitvoerend Comité te laten overbrengen. De aanwezige leden van het Centraal Comité keuren deze verandering van tactiek goed. Het nieuwe besluit wordt vanaf het balkon bekend gemaakt en met bijvalskreten en de Marseillaise begroet. De beweging is nu officieel door de partij goedgekeurd: de mitrailleurs slaken een zucht van verlichting. Een deel van het regiment gaat terstond de Peters en Paulsvesting binnen, om druk op het garnizoen daarvan uit te oefenen, en zo nodig de villa Ksjessinskaja die door de smalle zeestraat van Kronwerkski van de vesting gescheiden is, tegen een aanslag te beschermen.

De voorste afdelingen van de demonstratie betreden het Nevski, de slagader van de burgerij, de bureaucratie en het officierenkorps, als een vreemd land. Nijdig loeren duizenden ogen vanaf de trottoirs, uit de vensters en van de balkons. Regiment na regiment en bedrijf na bedrijf rukt aan. Er komen steeds weer nieuwe massa’s. Op alle spandoeken, gouden zowel als rode, staat één en dezelfde slogan: Alle macht aan de Sovjets! De stoet beheerst het Nevski en beweegt zich in een onweerstaanbare golfstroom naar het Taurisch paleis. De doeken “Weg met de oorlog” wekken het meest de woede van de officieren op, onder hen zijn er talrijke invaliden. Met hun armen zwaaiend en met een van opwinding hese stem doen studenten, meisjesstudenten en ambtenaren hun best om de soldaten duidelijk te maken dat achter hun rug Duitse agenten van Keizer Wilhelm troepen naar Petrograd willen laten oprukken om de vrijheid te smoren. De sprekers zelf zijn volkomen van de juistheid van hun eigen argumenten overtuigd. “Door spionnen misleid!” zeggen de beambten van de arbeiders die hen vijandig afweren. “Door fanatici opgehitst!” antwoorden de minder felle tegenstanders. “Dommeriken!” is de gemeenschappelijke opinie van beiden. De arbeiders hebben echter hun eigen opvattingen. Het was niet bij Duitse spionnen dat ze de gedachte haalden om op straat te komen.

De demonstranten dringen zonder beleefdheid in acht te nemen de lastige personen, die hen de les willen lezen, uit de stoet weg en gaan verder. Dit brengt de patriotten van het Nevski tot razernij. Stormtroepen, die meestal door invaliden en ridders van het St. Georgekruis aangevoerd worden, overvallen afzonderlijke rijen demonstranten, om een spandoek af te nemen. Hier en daar komt het tot botsingen. De atmosfeer wordt geladen. Schoten weerklinken, eerst één, dan nog één. Uit een raam? Uit het Anitsjkin paleis? Van de straat antwoordt men met een salvo naar boven – in het wilde weg. Van tijd tot tijd raakt de straat in verwarring “Tegen middernacht,” zo vertelt een arbeider van de firma Vulkaan, “terwijl het regiment grenadiers het Nevski passeerde, begon er naast de openbare leeszaal een schietpartij die verschillende minuten duurde.” Er ontstond paniek. De arbeiders verspreidden zich in de zijstraten. De soldaten wierpen zich onder het geweervuur op de grond: niet tevergeefs hebben velen van hen de leerschool van de oorlog doorlopen. Het Nevski-Prospect in het middernachtelijk uur met de onder het geweervuur op straat liggende grenadiers van de garde levert een fantastisch beeld op. Noch Poesjkin, noch Gogol, die het Nevski bezongen, hebben het zich zo voorgesteld! Deze fantasie was niettemin werkelijkheid: doden en gewonden bleven op het plaveisel achter.

Het Taurisch paleis leefde die dag zijn eigen leven. Naar aanleiding van het uittreden van de kadetten uit de regering beraadslaagden de beide Uitvoerende Comités, dat van de arbeiders en soldaten en dat van de boeren, gemeenschappelijk over een referaat van Tsereteli over de vraag hoe men de coalitie zonder kleerscheuren kon oplappen? Het geheim van een dergelijke operatie zou men tenslotte ook wel ontdekt hebben, indien de onrustige voorsteden dat niet verhinderd hadden. Telefonische berichten over het aanstaand optreden van het regiment mitrailleurs brengen op de gezichten van de leiders een uitdrukking van woede en ergernis teweeg. Kunnen de soldaten en arbeiders dan niet wachten totdat de kranten hun heilbrengende besluiten meedelen? Zijdelingse blikken van de meerderheid in de richting van de bolsjewieken. De demonstratie kwam ditmaal echter ook voor deze onverwacht. Kamenev en andere aanwezige vertegenwoordigers van de partij verklaren zich zelfs ertoe bereid om na de zitting naar de bedrijven en kazernes te gaan om de massa’s te weerhouden van een demonstratie. Later verklaarden de verzoeningsgezinden dit gebaar als een krijgslist. De Uitvoerende Comités haastten zich een oproep aan te nemen die, zoals gebruikelijk, elke demonstratie als verraad aan de revolutie bestempelt. Maar hoe moest het nu verder met de regeringscrisis? De uitweg werd gevonden: het gehavende kabinet blijft zoals het is en de kwestie wordt tot de bijeenkomst van de leden van het Uitvoerend Comité uit de provincie verdaagd. Uitstellen, tijd winnen voor de eigen bochten – is dat niet de meest verstandige politiek?

Alleen in de strijd tegen de massa’s was tijdverlies uit den boze als het van de verzoeningsgezinden afhing. Het officiële apparaat werd meteen in beweging gezet om tegen de opstand – zo werd de demonstratie van bij het begin genoemd – op te treden. De leiders zochten overal gewapende krachten ter bescherming van de regering en van het Uitvoerend Comité. Ondertekend door Tsjcheïdse en andere leden van het presidium werden aan de meest verschillende militaire autoriteiten stukken gestuurd met de eis om pantserauto’s, kanonnen en munitie aan het Taurisch paleis te leveren. Tegelijkertijd kregen bijna alle regimenten bevel om gewapende afdelingen ter verdediging van het paleis te sturen. Daarbij liet men het echter niet. Het bureau haastte zich nog op diezelfde dag telegrafisch order aan het front en wel aan het dichtst bij de hoofdstad gelegerde 5de leger te geven, om “een cavaleriedivisie, een infanteriebrigade en pantserauto’s naar Petrograd te zenden.” De mensjewiek Vojtinski, die met de bewaking van het Uitvoerend Comité belast was, bekende later in zijn overzicht van de gebeurtenissen: “De dag van 3 juli was geheel gewijd aan het samentrekken van troepen en aan het versterken van het Taurische paleis… Wij hadden tot taak minstens enkele compagnieën bijeen te brengen, een tijdlang hadden wij helemaal geen militaire krachten tot onze beschikking. Aan de poort van het Taurisch paleis stonden zes man op post. Zij waren niet in staat de menigte tegen te houden…” Vervolgens: “De eerste dag van de demonstratie hadden wij slechts beschikking over honderd man – meer krachten hadden wij niet. Wij zonden commissarissen naar alle regimenten met het verzoek om ons soldaten te zenden om de wacht te houden… Maar het ene regiment keek naar het andere wat dit zou doen. Men moest tot elke prijs een einde maken aan deze onhoudbare toestand en wij eisten troepen van het front.” Een bitterder satire op de verzoeningsgezinden is moeilijk denkbaar. Honderdduizenden demonstranten eisen de overgave van de macht aan de Sovjets. Tsjcheïdse, die het Sovjetstelsel vertegenwoordigt en daardoor alleen reeds voor de post van eerste minister in aanmerking komt, zoekt militaire krachten tegen de demonstranten. De grootse beweging voor de macht van de democratie wordt door haar leiders als een overval van gewapende bendes op de democratie bestempeld.

In datzelfde Taurisch paleis kwam na een lange tussenpoos de arbeiderssectie van de Sovjet bijeen, die gedurende de laatste twee maanden door tussentijdse verkiezingen in de bedrijven zodanig van samenstelling veranderd was dat het Uitvoerend Comité daar niet ten onrechte een overwicht van de bolsjewieken duchtte. De opzettelijk telkens weer uitgestelde zitting van de sectie die tenslotte enkele dagen voordien door de verzoeningsgezinden zelf belegd was, viel toevallig samen met de gewapende demonstratie. De kranten meenden ook hierin de hand van de bolsjewieken te zien. Zinovjev verdedigde in zijn referaat voor de sectie krachtig de opvatting dat de verzoeningsgezinden als bondgenoten van de burgerij, noch tegen de contrarevolutie wilden, noch tegen deze konden strijden, want daaronder verstonden zij slechts op zichzelf staande uitingen van de Zwarte Honderd benden, maar niet de politieke eenmaking van de bezittende klasse met het doel de Sovjets, als centra van verzet van de arbeiders, te verpletteren. Het referaat raakte het wezen van de zaak. De mensjewieken, die zich voor het eerst op het terrein van de Sovjets in de minderheid voelden, stellen voor geen enkel besluit te nemen maar uiteen te gaan naar de verschillende wijken om de orde te handhaven. Maar reeds is het te laat! Het nieuws van het feit dat er voor het Taurisch paleis arbeiders en mitrailleurs waren komen opmarcheren, brengt een ontzaglijke opwinding in de zaal teweeg. Kamenev bestijgt het spreekgestoelte. “Wij hebben niet tot de demonstratie opgeroepen,” zegt hij, “maar de volksmassa’s zijn uit zichzelf de straat opgegaan… Nu de massa’s echter de straat opgegaan zijn, is onze plaats bij hen… het is nu onze taak om de beweging een georganiseerd karakter te geven.” Kamenev besluit met het voorstel om een commissie van vijfentwintig personen te kiezen om de beweging te leiden. Trotski ondersteunt dit voorstel. Tsjcheïdse is beducht voor de bolsjewistische commissie en dringt er tevergeefs op aan om de kwestie naar het Uitvoerend Comité te verwijzen. De debatten krijgen een stormachtig verloop. Zodra de mensjewieken en sociaal-revolutionairen definitief vaststellen dat ze samen niet meer dan een derde van de vergadering uitmaken, verlaten ze de zaal. Dit zal nu in het algemeen de geliefde tactiek van de democraten worden: zij beginnen de Sovjets te boycotten zodra zij er de meerderheid verliezen. Een resolutie waarin van het Centraal Uitvoerend Comité geëist wordt de macht in handen te nemen, wordt met 246 stemmen, bij afwezigheid van de oppositie, aangenomen. Terstond worden vijftien man in de commissie gekozen; tien plaatsen houdt men voor de minderheid open, zij zullen onbezet blijven. Het feit van de verkiezing van een bolsjewistische commissie betekent voor vriend en vijand dat de arbeiderssectie van de Sovjet van Petrograd vanaf nu de basis van het bolsjewisme geworden was. Een grote stap vooruit! In april strekte de invloed van de bolsjewieken zich uit over ongeveer een derde van de Petrogradse arbeiders, in de Sovjet vormden zij in die dagen een onbetekenende fractie. Maar nu, begin juli, maken de bolsjewieken van de arbeiderssectie ongeveer twee derden van de afgevaardigden uit. Dit betekent dat hun invloed onder de massa’s beslissend geworden is.

Door de straten die naar het Taurisch paleis leiden, stromen stoeten arbeiders, arbeidersvrouwen en soldaten met vlaggen, gezang en muziek. Lichte artillerie rukt op en de commandant van deze wekt geestdrift met zijn mededeling dat alle batterijen van de divisie aan de kant van de arbeiders staan. De toegangsweg naar en de tuin bij het Taurisch paleis staan vol mensen. Allen dringen samen voor het spreekgestoelte bij de hoofdingang van het paleis. Tsjcheïdse treedt naar buiten tot de betogers met het verdrietig gezicht van iemand die onnodig bij zijn werk gestoord is. De populaire voorzitter van de Sovjet wordt met een vijandig stilzwijgen ontvangen. Met een moede en hese stem herhaalt Tsjcheïdse de algemene frase waarvan iedereen reeds lang genoeg heeft. Ook Woitinski, die hem te hulp komt, wordt niet beter ontvangen. “Daarentegen werd Trotski, die verkondigde dat het ogenblik gekomen was om de macht te laten overgaan op de Sovjets,” – volgens Miljoekov – “met stormachtige bijval begroet…” Deze passage is opzettelijk dubbelzinnig. Geen enkele van de bolsjewieken zei dat “het ogenblik gekomen was.” Een bankwerker uit de kleine fabriek Duflon in het stadsdeel Petrograd vertelde later over de meeting voor de muren van het Taurisch paleis: “Ik herinner mij nog de rede van Trotski, die zei dat de tijd nog niet gekomen was om de macht over te nemen.” De bankwerker geeft de strekking van de toespraak juister weer dan de professor in de geschiedenis. De betogers vernamen uit de mond van de bolsjewistische sprekers de zo juist behaalde overwinning in de arbeiderssectie en dit feit deed hen klaarblijkelijk goed – als begin van het tijdperk van de Sovjetmacht.

De verenigde zitting van het Uitvoerend Comité werd kort voor middernacht heropend. Op hetzelfde uur waarop de grenadiers zich op het Nevski op de grond wierpen. Op voorstel van Dan werd besloten dat slechts diegenen in de vergadering mochten blijven die zich bij voorbaat ertoe verplichtten om de aangenomen besluiten te verdedigen en door te voeren. Dat is wat nieuws! Zo proberen de mensjewieken nu het arbeiders- en soldatenparlement, waartoe zij de Sovjet uitgeroepen hadden, tot een administratief orgaan van de verzoeningsgezinde meerderheid te maken. Wanneer zij later in de minderheid zullen blijven – over twee maanden – zullen de verzoeningsgezinden hartstochtelijk de Sovjetdemocratie verdedigen. Nu echter wordt, zoals altijd op beslissende momenten in de politiek, de democratie prijsgegeven. Enkele interrayonisten verlieten onder protest de zitting, bolsjewieken waren er in het geheel niet aanwezig: die beraadslaagden in de villa Ksjessinskaja over wat er morgen gedaan moest worden. Gedurende het verdere verloop van de zitting verschijnen de interrayonisten en bolsjewieken in de zaal met de verklaring dat niemand hen het mandaat kon ontnemen dat de kiezers hen gegeven hadden. De meerderheid blijft zwijgen en Dan’s resolutie raakt van de baan. De zitting wordt gerekt als een doodsstrijd. Met matte stem overtuigen de verzoeningsgezinden elkaar van hun goed recht. Tsereteli beklaagt zich als minister van post en telegrafie over de lagere beambten: “Zonet hoorde ik van de post- en telegrafiestaking. Wat de politieke eisen betreft, is hun slogan eveneens: Alle macht aan de Sovjets!” Afgevaardigden van de betogers die aan alle kanten het paleis omringen, eisen toegelaten te worden tot de zitting. Vol bezorgdheid en vijandigheid laat men hen binnen. Intussen geloofden de afgevaardigden in alle oprechtheid dat de verzoeningsgezinden ditmaal niet anders zouden kunnen doen dan hun verzoeken inwilligen. De kranten van de mensjewieken en sociaal-revolutionairen die verontwaardigd waren over het uittreden van de kadetten, onthulden vandaag immers zelf de intriges en de sabotage van hun burgerlijke bondgenoten. Bovendien heeft de arbeiderssectie zich voor de regeermacht van de sovjets uitgesproken. Waarop zou men nu nog moeten wachten? De hartstochtelijke oproepen die bij alle verontwaardiging ook nog hoop ademen, hebben echter niet het minste effect of succes in de doodse atmosfeer van het verzoeningsgezinde parlement. Een ding slechts houdt de leiders bezig: hoe zal men de ongenode gasten zo spoedig mogelijk weer kwijt raken? Men verzoekt hen zich te verwijderen naar de galerij: hen de straat op te jagen, naar de betogers, zou te onvoorzichtig zijn. De mitrailleurs horen verbaasd vanaf de galerij de debatten aan die alleen maar ten doel hadden om tijd te winnen: de verzoeningsgezinden wachtten op betrouwbare regimenten. “In de straten bevindt zich het revolutionaire volk,” sprak Dan, “maar dit volk handelt contrarevolutionair…” Dan wordt ondersteund door Abramovitsj, één van de leiders van de Joodse Bond, een eigenwijze conservatief die door de revolutie helemaal van de kook gebracht is. “Wij zijn getuige van een samenzwering,” beweert hij tegen alle waarschijnlijkheid in en eist van de bolsjewieken openlijk toe te geven dat “het hun werk was.” Tsereteli gaat dieper op de zaak in: “De straat opgaan met de eis: ‘Alle macht aan de Sovjets’, is dat niet een ondersteuning van de Sovjets? De Sovjets zouden, indien zij dat wilden, de macht kunnen hebben. Geen enkele hinderpaal staat de Sovjets daartoe in de weg. Zulke acties bevorderen echter niet de revolutie, maar werken de contrarevolutie in de hand.” Dergelijke redeneringen konden de arbeidersafgevaardigden onmogelijk vatten. De hoge leiders kwamen hen volkomen krankzinnig over. De vergadering stelt tenslotte nog eenmaal met alle stemmen tegen elf vast dat het gewapend optreden een dolkstoot in de rug van het revolutionaire leger was, enzovoorts. De zitting wordt om 5 uur ’s morgens gesloten.

De massa’s zakten geleidelijk af naar hun wijken. Gewapende auto’s reden de gehele nacht rond, regimenten, fabrieken- en wijkcentra met elkaar verbindend. Net zoals einde februari maakten ook nu de massa’s ’s nachts de balans van de afgelopen dag van strijd op. Nu deden zij het echter met behulp van een gecompliceerd apparaat van organisaties: van de bedrijven, de partij, de troepen, die voortdurend met elkaar beraadslaagden. In de bedrijven beschouwde men het als vanzelfsprekend dat de beweging niet halverwege zou mogen blijven staan. Het Uitvoerend Comité had het besluit aangaande de machtskwestie verdaagd. De massa’s zagen hier een blijk van aarzeling in. De conclusie was derhalve: men moet voortgaan met druk uit te oefenen. De nachtelijke vergadering van de bolsjewieken en interrayonisten, die in het Taurisch paleis plaats had tegelijk met de zitting van het Uitvoerend Comité, maakte eveneens de balans op van de afgelopen dag en trachtte vast te stellen wat de dag van morgen zou brengen. De berichten uit de wijken lieten zien dat de demonstratie van vandaag de massa’s pas in beweging bracht en voor het eerst de machtskwestie in haar volle betekenis voor hen gesteld had. Morgen zullen de fabrieken en regimenten op antwoord aandringen, en niets zal hen in de buitenwijken kunnen houden. De discussies gingen niet over de vraag of men al dan niet zou oproepen tot het grijpen van de macht, zoals de tegenstanders later beweerden, maar daarover of men moest trachten de demonstratie te stoppen ofwel zich de volgende morgen aan het hoofd ervan moest stellen.

Laat in de nacht, kort voor drieën, kwamen de Poetilov-arbeiders, een menigte van dertigduizend man, velen met vrouw en kinderen, bij het Taurisch paleis aangemarcheerd. De stoet had zich om elf uur in beweging gezet en onderweg hadden andere bedrijven, die eerst langzamer in beweging kwamen, zich bij haar aangesloten. Bij de Narvasepoort was de volksmenigte ondanks het nachtelijk uur zo groot dat het leek alsof niemand in de wijk was achtergebleven. De vrouwen hadden geroepen: “Iedereen moet meegaan, wij zullen de huizen wel bewaken.” Na het luiden van de klokken in de toren van de Verlosserskerk vielen er schoten als uit een machinegeweer. Van de straat af loste men een salvo tegen de klokkentoren. “Bij Gostinyj Dwor” (“Winkelgalerij”) overviel een troep “jonkers” en studenten de betogers en trachtte hen een spandoek te ontrukken. De arbeiders boden tegenstand, het kwam tot een handgemeen, er viel een schot, de schrijver van deze regels kreeg een hoofdwonde en hij raakte onder de voet.” Dit vertelt de ons reeds bekende arbeider Jefimov. Nadat zij de gehele stad, die reeds uitgestorven was, doorkruist hadden, bereikten de Poetilov-arbeiders tenslotte het Taurisch paleis. Dankzij de krachtige bemiddeling van Rjasanov, die toen nauw met de vakverenigingen verbonden was, werd een delegatie uit de bedrijven tot het Uitvoerend Comité toegelaten. De arbeidersmassa, hongerig en doodmoe, legerde zich op de straat en in de tuin, de meesten vleiden zich neer in de verwachting een antwoord te zullen krijgen. De Poetilov-arbeiders die om 3 uur ’s nachts op de grond rond het Taurisch paleis liggen, terwijl de democratische leiders de komst van troepen van het front afwachten, dat is een van de meest schokkende beelden van de revolutie bij de krasse overgang van de Februari- naar de Oktoberrevolutie. Twaalf jaar geleden hebben velen van deze arbeiders deel genomen aan de Januariprocessie naar het Winterpaleis, ze trokken op met heiligenbeelden en kerkvaandels. Eeuwen zijn er verstreken sedert die zondag. De volgende vier maanden zullen weer nieuwe eeuwen zijn.

De Poetilovfabriek die in de tuin kampeert, legt een zwarte schaduw op de bijeenkomst van de bolsjewistische leiders en organisatoren die over de acties van de volgende dag debatteren. De Poetilov-arbeiders zullen morgen niet aan het werk gaan: van wat voor werk zou er ook sprake kunnen zijn na het nachtelijk waken? Zinovjev wordt intussen aan de telefoon geroepen. Uit Kronstadt telefoneert Raskolnikov om te melden dat het garnizoen van de vesting in de vroege morgen naar Petrograd zal oprukken en dat zij door niets of niemand hiervan af te brengen zijn. De jonge onderofficier ter zee blijft aan de andere kant aan de telefoon hangen: zal het Centraal Comité hem bevelen zich van de matrozen te scheiden en zich in hun ogen te blameren? Bij het beeld van de buiten legerende Poetilov-arbeiders voegt zich nu nog het andere, niet minder indrukwekkend beeld van het matrozeneiland, dat zich in deze slapeloze nachtelijke uren opmaakt om het arbeiders- en soldaten-Petrograd te hulp te snellen. Neen, de toestand is maar al te duidelijk. Er is nu geen plaats meer voor aarzelen. Trotski vraagt voor de laatste maal: moet men misschien toch nog trachten om aan de demonstratie een ongewapend karakter te geven? Neen, ook daarvan kan geen sprake zijn. Een enkele troep “jonkers” zou tienduizenden ongewapende mensen als een kudde voor zich uitdrijven. De soldaten en ook de arbeiders zouden een dergelijk voorstel verontwaardigd als een valstrik van de hand wijzen. Het antwoord is positief en duidelijk.

Unaniem besluit men om de massa’s morgen in naam van de partij tot een voortzetting van de demonstratie op te roepen. Zinovjev stelt Raskolnikov, die door onzekerheid gekweld aan de telefoon wacht, gerust. Onmiddellijk wordt een oproep aan de arbeiders en soldaten opgesteld: ‘De straat op!’ De overdag opgestelde oproep van het Centraal Comité om de demonstratie af te breken, wordt uit de druk genomen; maar het is al te laat om hem door een nieuwe tekst te vervangen. Het open stuk in de “Pravda” zal morgen een gevaarlijk overtuigingsstuk tegen de bolsjewieken worden: klaarblijkelijk zijn zij op het laatste moment bang geworden en hebben ze de oproep tot de opstand weer ingetrokken, of hebben zij misschien omgekeerd van de oorspronkelijke oproep tot een vreedzame demonstratie afgezien om het tot een opstand te laten komen? Het werkelijk besluit van de bolsjewieken verscheen intussen als manifest. De arbeiders en soldaten werden daarin opgeroepen hun wil door “een vreedzame en georganiseerde demonstratie aan het op dat ogenblik vergaderend Uitvoerend Comité te kennen te geven.” Neen, dit is geen oproep tot een opstand!

Voorwoord

In Rusland heeft de burgerlijke revolutie zich zo laat voltrokken dat zij noodzakelijk in een arbeidersrevolutie omgezet moest worden. Met andere woorden: Rusland was zo ver bij de overige landen achtergebleven, dat het deze op bepaalde gebieden moest voorbijstreven. Dit kan op het eerste gezicht onzinnig lijken. De geschiedenis is echter vol van dergelijke paradoxen. Het kapitalistische Engeland was de andere landen zo ver vooruit gesneld dat het noodzakelijk bij deze ten achter moest blijven. Eigenwijze lieden menen dat de dialectiek een nutteloos gedachtenspel is. In werkelijkheid geeft zij slechts het ontwikkelingsproces weer dat bestaat en zich voltrekt in tegenstellingen.

In het eerste deel van dit werk hebben wij gepoogd duidelijk te maken waarom het historisch te laat gekomen democratisch bewind dat het tsarisme vervangen had, in het geheel niet levensvatbaar bleek te zijn. Dit deel behandelt de verovering van de macht door de bolsjewieken. Ook dit deel is weer op een verhalende wijze geschreven. De lezer moet uit de feiten zelf gevolgtrekkingen maken.

De schrijver wil hiermee niet zeggen dat hij zelf helemaal niet tot algemene sociologische conclusies komt. De geschiedenis zou geen waarde hebben indien zij ons niets leerde. De treffende wetmatigheid van de revolutie, de opeenvolgende fasen, de onweerstaanbare aanvalskracht van de massa’s, de uitgeleefdheid van politieke groeperingen, de kernachtige leuzen, dit alles vergemakkelijkt een goed inzicht in de revolutie in het algemeen en daarmee ook in de menselijke samenleving. Want men mag uit het gehele verloop van de geschiedenis één ding wel als bewezen aannemen, namelijk dat een door innerlijke tegenstellingen verscheurde maatschappij niet alleen haar structuur, maar ook haar “ziel” juist in de revolutie helemaal bloot legt.

Dit werk wil meer indirect ook bijdragen tot een goed inzicht in het wezen van de Sovjet-Unie. De actualiteit van ons onderwerp ligt niet in het feit dat de Oktoberrevolutie zich voor de ogen van de nog levende generaties voltrokken heeft – ook al is dat van belang – maar wel in het feit dat het zich verder ontwikkelt en de mensheid steeds weer voor nieuwe problemen stelt. De discussie over de Sovjet-Unie blijft wereldwijd woeden. Men kan het bestaande niet begrijpen, indien men niet eerst weet hoe het ontstond. Om grote politieke gebeurtenissen goed te beoordelen, heeft men inzicht in de geschiedenis nodig.

De acht revolutiemaanden van februari tot oktober 1917 beslaan meerdere boekdelen. In de kritieken is ons in het algemeen niet verweten dat dit te uitgebreid was. De omvang van een werk wordt vooral verklaard uit de houding tegenover het materiaal. Men kan een fotografische opname van een hand geven: deze beslaat een bladzijde. Men heeft echter een geheel boek nodig om de resultaten van een microscopisch onderzoek van de weefsels van een hand te beschrijven. De schrijver maakt zich geen illusies omtrent volledigheid en compleetheid van het door hem verrichte onderzoek. Hij moest echter in vele gevallen methodes toepassen die dichter bij de microscoop dan bij het fototoestel komen.

Waar wij meenden misbruik van het geduld van de lezer te maken, hebben wij op grote schaal getuigenissen, verklaringen van ooggetuigen en bijkomstige gebeurtenissen geschrapt. Maar daarna hebben we dikwijls veel van het geschrapte terug ingelast. Bij deze worsteling met de details leidde ons het streven om het revolutionair proces zelf zo concreet mogelijk weer te geven. In het bijzonder moesten wij wel het voordeel dat deze geschiedenis naar de levende werkelijkheid geschreven werd zoveel mogelijk trachten te benutten.

Jaarlijks komen er honderden boeken op de markt, waarin een persoonlijke liefdesgeschiedenis in een nieuwe lezing beschreven, de weifelingen van een melancholicus of de carrière van een eerzuchtige omschreven wordt. Prousts heldin heeft vele voortreffelijk geschreven bladzijden nodig om tot het besef te komen dat zij eigenlijk niets voelt. Mag men niet met evenveel recht aandacht vragen voor collectieve historische drama’s die honderden miljoenen menselijke wezens uit het niets opheffen, gehele volken van karakter doen veranderen en voor altijd in de geschiedenis van de mensheid blijven voortleven?

De juistheid van de bewijsstukken en citaten in het eerste deel werd tot nu toe door niemand aangevochten, hetgeen ook niet gemakkelijk geweest zou zijn. De tegenstanders beperkten zich meestal tot opmerkingen over de mogelijkheid dat persoonlijke vooringenomenheid kan blijken uit een onzuivere en eenzijdige keuze van feiten en teksten. Deze beschouwing, die op zich niet juist is, zegt niets over het werk in kwestie en nog minder over de daarin toegepaste wetenschappelijke methodes. Wij zijn zo vrij te beweren dat de mate van subjectiviteit niet zozeer bepaald, beperkt en gecontroleerd werd door het temperament van de historicus dan wel door de aard van zijn methode.

De zuiver psychologische school, die de gebeurtenissen als een gevolg van de vrije werkzaamheid van afzonderlijke personen of groepen beschouwt, biedt het meest plaats voor willekeur, zelfs al gaat de onderzoeker van de allerbeste bedoelingen uit. De materialistische methode dwingt tot zelftucht, doordat men volgens deze methode van de essentiële feiten van de sociale structuur moet uitgaan. De klassen zijn voor ons de fundamentele krachten in het historisch proces, op deze steunen de politieke partijen, de ideeën en leuzen dienen als dekmantel voor objectieve belangen. Bij het onderzoek komt men voortdurend van het objectieve tot het subjectieve, van het sociale tot het individuele, van het afzonderlijke tot het algemene. Er is hier weinig plaats voor willekeur van de schrijver.

Indien een mijningenieur in een nog niet geëxploreerd gebied met boren magneetijzererts ontdekt, mag men altijd van een gelukkig toeval spreken: het loont nog niet de moeite om een mijn te bouwen. Indien echter dezelfde ingenieur op grond van – laten wij zeggen – afwijkingen van de magneetnaald tot de conclusie komt dat er ertslagen in de grond verborgen moeten zijn, en dan werkelijk op verschillende plaatsen in dat gebied op ijzererts stuit, dan zal ook de meest nurkse scepticus het niet wagen om dit toeval te noemen. Men wordt slechts overtuigd door een systeem, waardoor het algemene in overeenstemming komt met het toevallige.

Het bewijs van wetenschappelijke objectiviteit moet niet gezocht worden in de blik van de historicus en ook niet in de klank van zijn stem, maar in de logica van zijn betoog zelf: indien de gebeurtenissen, getuigenissen, cijfers, citaten met de algemene aanwijzingen van de magneetnaald van de sociale analyse overeenkomen, heeft de lezer de beste waarborg voor een wetenschappelijke fundering van de conclusies. Of nog concreter uitgedrukt: de schrijver is in die mate objectief gebleven als in dit boek de onvermijdelijkheid van de Oktoberrevolutie en de oorzaken van deze overwinning werkelijk getoond worden.

De lezer weet dat wij in de revolutie voor alles de directe inmenging van de massa’s in de maatschappelijke gebeurtenissen zoeken. Wij pogen in de gebeurtenissen de veranderingen die er in het collectieve bewustzijn plaats hebben te ontdekken. Wij verwerpen oppervlakkige verwijzingen naar het “elementaire” van de beweging die meestal niets verklaren en waardoor men niets wijzer wordt. Revoluties voltrekken zich volgens bepaalde wetten. Dit wil niet zeggen dat de massa’s zich bij hun optreden volkomen rekenschap van de wetten van de revolutie geven. Het wil zeggen dat de veranderingen in het bewustzijn van de massa’s niet toevallig zijn, maar onderworpen aan een objectieve noodzakelijkheid die theoretisch vast te stellen is en daardoor een basis vormt voor het maken van plannen en het geven van leiding.

Enkele officiële Sovjethistorici hebben, hoe vreemd dit ook mag klinken, geprobeerd om onze zienswijze als idealistisch af te doen. Professor Pokrowski bijvoorbeeld beweerde dat wij de objectieve factoren van de revolutie onderschatten: “Tussen de Februari- en de Oktoberrevolutie was er een reusachtig economisch verval. In deze tijd kwamen de boeren in verzet (…) tegen de Voorlopige Regering. In deze objectief vaststaande veranderingen en niet in de veranderlijke psychische processen moet  de voortstuwende kracht van de revolutie gezien worden.” Dankzij zijn prijzenswaardig scherpe probleemstellingen laat Pokrowski beter dan wie ook zien hoe gebrekkig de vulgair-economische geschiedenisverklaring is, ook al laat men die voor marxisme doorgaan.

De radicale veranderingen die tijdens een revolutie plaats hebben, worden in werkelijkheid niet in het leven geroepen door die tijdelijke ontwrichtingen van het economisch leven die zich tijdens de gebeurtenissen voordoen, maar door die grote veranderingen die zich in de grondslagen van de maatschappij in het gehele voorafgegane tijdvak voltrokken hebben. Dat het economisch verval zowel aan de vooravond van de val van de monarchie, alsook tussen Februari- en Oktoberrevolutie voortdurend groter werd en de massale ontevredenheid daardoor gevoed en geprikkeld werd, is niet te ontkennen en werd ook nooit door ons over het hoofd gezien. Maar het zou een grove fout zijn te menen dat de tweede revolutie acht maanden na de eerste plaatsgevonden heeft tengevolge van de omstandigheid dat het broodrantsoen in die tijd van anderhalf tot drievierde pond verminderd was. In de op de Oktoberrevolutie volgende jaren daalde het levenspeil van de massa’s voortdurend. Maar de verwachtingen van de contrarevolutionaire politici omtrent een nieuwe omwenteling werden niet ingelost. Dit feit kan verbazingwekkend zijn voor wie een opstand van de massa’s als iets elementairs ziet, een door sommige leiders handig benutte rebellie van kuddes. In werkelijkheid is het bestaan van ontberingen alleen niet voldoende voor een opstand – anders zouden de massa’s wel elk ogenblik in opstand kunnen komen. Het is nodig dat de onhoudbaarheid van het bestaande maatschappelijk stelsel definitief aan het licht gekomen is opdat deze ontberingen onverdraaglijk worden en dat nieuwe voorwaarden en nieuwe gedachten het vooruitzicht van een revolutionaire uitweg openen. Dan blijken diezelfde massa’s in staat om voor het grote doel, waarvan zij zich nu bewust geworden zijn, dubbele en zelfs driedubbele ontberingen te doorstaan.

De vermelding van de boerenopstand als tweede objectieve “factor” is een nog meer in het oog springende fout. Voor de arbeidersklasse was de boerenoorlog natuurlijk een objectieve omstandigheid, voor zover althans de handelingen van een bepaalde klasse tot impuls van buitenaf voor het bewustzijn van de andere klasse worden. Maar de directe oorzaak van de boerenopstand was gelegen in de veranderingen die zich in het bewustzijn van het dorp voltrokken. Het blootleggen van het wezenlijk karakter van deze veranderingen vormt de inhoud van een hoofdstuk in dit boek. Men moet niet vergeten dat revoluties voltrokken worden door mensen, hoezeer die doorgaans ook anoniem blijven. Het materialisme schakelt de voelende, denkende en handelende mens niet uit, maar verklaart hem. Wat zou anders de taak van de historicus zijn? (1)

Enkele democratische critici die zich liever beperken tot vage aanduidingen, zagen in de ‘spottende’ houding van de auteur tegenover de verzoeningsgezinde leiders een blijk van te verregaande subjectiviteit die afbreuk zou doen aan de wetenschappelijke waarde van dit boek. Wij zijn zo vrij dit argument te verwerpen. Het principe van Spinoza: “Niet wenen, niet lachen, maar begrijpen”, hoedt slechts voor misplaatst lachen en misplaatste tranen. Maar het ontneemt de mens, zelfs de historicus, niet het recht op zijn deel in de tranen en het lachen, indien deze door een juist inzicht gerechtvaardigd zijn. De zuiver individualistische ironie die zich als een gewilde onverschilligheid over alle menselijke handelingen en gedachten uitstrekt, is een snobisme van de ergste soort: zij is even onecht in een kunstwerk als in een historisch werk. Er bestaat echter een ironie die in de levensverhoudingen zelf vervat is. Het blijft de plicht zowel van de historicus als van de kunstenaar om deze tot uiting te brengen.

De wanverhouding tussen subjectiviteit en objectiviteit is in het algemeen de voornaamste bron van het komische, zowel als van het tragische. Dat is zo in het leven en in de kunst. Het terrein van de politiek is allerminst aan de werking van deze wet onttrokken. Mensen en partijen zijn op zichzelf niet heldhaftig of lachwekkend, ze worden dit pas in verhouding tot de omstandigheden. Toen de Franse Revolutie in het beslissend stadium gekomen was, betoonde de meest vooraanstaande girondijn zich onbeduidend en lachwekkend naast een eenvoudige jacobijn. Jean Marie Roland, een eerwaardige figuur als fabrieksinspecteur te Lyon, lijkt een levende karikatuur in de context van het jaar 1792. De jacobijnen daarentegen zijn tegen de gebeurtenissen opgewassen. Zij wekken wellicht vijandschap, haat en ontzetting, maar geen spot op.

De heldin bij Dickens die met een bezem de vloed van de zee probeert tegen te houden, is door de wanverhouding tussen middel en doel ongetwijfeld een komische figuur. Indien wij zouden zeggen dat deze persoon een symbool van de politiek van de verzoeningsgezinde partijen is, zou dit overdreven lijken. En toch bekende Tsereteli, de werkelijke leider van het bewind van de dubbele heerschappij, na de Oktoberomwenteling aan Nabokov, een van de liberale leiders: “Alles wat wij toen ondernamen, was een vergeefse poging om met nietige dammetjes een woeste vernielende stroom tegen te houden.” Deze woorden klinken als een bittere satire. Ze zijn intussen het meest ware dat de verzoeningsgezinden over zichzelf gezegd hebben. Afzien van elke spotternij bij de beschrijving van revolutionairen die een revolutie proberen tegen te houden met dammetjes, zou betekenen dat men ter wille van enkele eigenwijze lieden de werkelijkheid te kort deed en de objectiviteit prijs gaf.

Peter Struve, een monarchist, voortgekomen uit marxistische kringen, schreef in de emigratie: “Enkel het bolsjewisme was consequent in de revolutie en trouw aan haar wezen, en daarom heeft het in de revolutie overwonnen.” De liberale leider Miljoekov oordeelt op gelijkaardige wijze over de bolsjewieken: “Zij wisten waar ze heen gingen, en zij gingen in de eenmaal ingeslagen richting voort, regelrecht op hun doel af, dat met elk mislukt experiment van de verzoeningsgezinden steeds nader kwam.” Tenslotte laat een van de minder bekende witte emigranten die op zijn manier de revolutie trachtte te begrijpen, zich aldus uit: “Deze weg konden slechts ijzersterke mensen inslaan… “beroeps”revolutionairen die niet bang waren om de alles verterende opstandige geest te ontketenen.” Van de bolsjewieken kan men met nog meer recht beweren wat hierboven van de jacobijnen gezegd werd: zij zijn opgewassen tegen de strijd en de taak die deze oplegt: vervloekt werden zij genoeg, maar spot trof hen niet: hiervoor was er geen plaats. In het voorwoord bij het eerste deel is uitgelegd waarom de schrijver het juister oordeelde over zichzelf als deelnemer aan de gebeurtenissen in de derde persoon te spreken en niet in de eerste. Deze literaire vorm die ook in het tweede (en derde) deel gebruikt is, vrijwaart natuurlijk op zichzelf niet voor subjectiviteit maar het dwingt de auteur alvast niet tot subjectivisme. Sterker nog, deze vorm herinnert telkens aan de noodzakelijkheid om subjectivisme te vermijden.

We twijfelden meermaals of een oordeel van een tijdsgenoot over de rol en het karakter van de schrijver van dit boek al dan niet vermeld moest worden. Verschillende citaten hadden we gemakkelijk kunnen schrappen indien het enkel een kwestie van goede smaak was. Maar de schrijver was voorzitter van de Sovjet van Petrograd nadat de bolsjewieken daar de meerderheid wisten te behalen. Daarna was hij voorzitter van het militaire revolutiecomité dat de Oktoberrevolutie organiseerde. Hij kan en wil deze feiten niet uit de geschiedenis elimineren. De groep die momenteel in de USSR regeert, heeft in de afgelopen jaren talloze artikelen en vele boeken aan de schrijver van dit werk gewijd, waarbij zij wilden aantonen dat hij altijd tegen de belangen van de revolutie werkzaam geweest was. De vraag waarom de bolsjewistische partij een zo hardnekkig “tegenstander” in de meest kritieke jaren op de meest verantwoordelijke posten plaatste, blijft daarbij onbeantwoord. Een verzwijging van de conflicten in het verleden zou ongetwijfeld betekend hebben dat men van een juiste beschrijving van het werkelijk verloop van de dingen afzag. Waartoe? Alleen hij die de lezer ongemerkt bepaalde conclusies die niet uit de feiten zelf voortvloeien wil opdringen, moet wel belangeloosheid voorspiegelen. Wij geven er de voorkeur aan de dingen bij hun naam te noemen.

Wij willen niet onder stoelen of banken steken dat het daarbij voor ons niet alleen om het verleden gaat. Net zoals de tegenstanders het programma willen treffen door de persoon aan te vallen, noodzaakt de strijd om een bepaald programma de persoon ertoe zijn werkelijke plaats in de gebeurtenissen te beschrijven. Met hem die in de strijd om grote doeleinden en om de eigen plaats onder het vaandel niets anders dan persoonlijke ijdelheid zien kan, kunnen wij slechts medelijden hebben. Maar wij doen geen moeite om hem te overtuigen. Wij hebben in elk geval al het mogelijke gedaan om “persoonlijke” kwesties niet meer plaats in dit boek te doen innemen dan hun toekomt.

Vele vrienden van de Sovjet-Unie – veelal zijn het alleen maar vrienden van de huidige Sovjetautoriteiten en slechts zolang als deze aan de macht blijven – verweten aan de schrijver zijn kritische houding tegenover de bolsjewistische partij of tegenover afzonderlijke leiders ervan. Geen van hen heeft echter ook zelfs maar gepoogd het door ons gegeven beeld van de toestand van de partij in de loop der gebeurtenissen te weerleggen of te verbeteren. Die “vrienden” die zich geroepen voelen om de rol van de bolsjewieken in de Oktoberrevolutie tegenover ons te verdedigen, herinneren wij eraan dat ons boek niet leert hoe men een zegevierende revolutie achteraf lief heeft in de vorm van de door haar in het leven geroepen bureaucratie, maar slechts hoe een revolutie voorbereid wordt, hoe zij zich ontwikkelt en hoe zij overwint. De partij is voor ons geen apparaat waarvan de onfeilbaarheid door repressie van staatswege beschermd wordt. Het is een complex organisme dat zoals alles wat leeft ontwikkelt in tegenstellingen. Het blootleggen van deze tegenstellingen, waaronder de twijfels en fouten van de leiding, doet naar onze mening niet in het minst afbreuk aan de betekenis van de reusachtige historische arbeid die de bolsjewistische partij als eerste in de wereldgeschiedenis op zich genomen heeft.

 

Prinkipo,

Trotski

 

(1) Het nieuws van de dood van M. N. Pokrovski, met wie wij ons in beide delen tot een polemiek genoodzaakt zagen, bereikte ons toen toen we onze arbeid al voltooid hadden. Pokrovski die als reeds gevormd geleerde uit het liberale kamp tot het marxisme gekomen was, verrijkte de nieuwste historische literatuur met waardevolle werken en onderzoekingen. Maar de methode van het dialectisch materialisme heeft hij zich nooit volkomen eigen gemaakt. De meest elementaire gerechtigheid gebiedt hieraan toe te voegen dat Pokrovski niet alleen een mens was met buitengewone kennis en grote begaafdheid, maar ook iemand die de zaak die hij diende warm toegedaan was.