Over het ecologisch socialisme van Karl Marx

Te veel socialisten, zelfs onder degenen die zichzelf graag als revolutionaire marxisten zien, zijn helaas te laat met het ontdekken en begrijpen van de ecologische analyse van de onherstelbare metabole kloof van het kapitalisme met de planeet en de natuur waar Karl Marx en Friedrich Engels al in de loop van de jaren 1800 mee bezig waren.

Artikel door Arne Johansson (Rättvisepartiet Socialisterna, eerst gepubliceerd afgelopen zomer)

Met zijn boek “Karl Marx’ Ecosocialism: Capital, Nature and the Unfinished Critique of Political Economy” (Monthly Review 2017) heeft de Japanse Marx-onderzoeker Kohei Saito een nieuwe en belangrijke bijdrage geleverd aan het corrigeren van deze tekortkoming. Dat is belangrijk in een tijd waar de roofzuchtige houding van het kapitalisme ten opzichte van mens en natuur omslagpunten nadert die grote delen van de planeet onbewoonbaar dreigen te maken.

Saito, een professor politieke economie verbonden aan de universiteit van Osaka, bouwt grotendeels voort op de aanzienlijke hoeveelheid ongepubliceerde notities van Marx waaraan hij werkt als een van de redacteuren van de Marx-Engels-Gesamtausgabe (MEGA), een onvolledig project dat de verzamelde werken van deze twee pioniers bijeenbrengt.

Een nieuwe toevoeging aan dit materiaal is een gedetailleerd verslag van hoe Marx zijn interesse ontwikkelde in toenmalig onderzoek in natuurwetenschappen en in onderwerpen als biologie, chemie, geologie en mineralogie. Zijn uitgangspunt was de crisis die ontstond door de industrialisering van de landbouw door het kapitalisme en de kloof die hij beschreef in het metabolisme tussen mens en natuur, dat vandaag de dag bekend staat als de ecologische kringloop. Saito laat zien hoe dit kwesties waren die Marx bezig hielden tijdens zijn onvoltooide werk aan Het Kapitaal na de publicatie van het eerste deel in 1867.

Ook al is Friedrich Engels tot nu toe de bekendste van het Marx-Engels-duo als het gaat om wetenschappelijke geschriften als “Anti-Dühring” en zijn onvoltooide, maar postuum gepubliceerde “Dialectiek van de natuur”, toch wijst Saito erop dat Marx minstens evenzeer geïnteresseerd was in deze kwesties – steeds in nauw contact met Engels.

Niet minder dan een derde van Marx’ schriften – vol met fragmenten, uittreksels en commentaren – zijn in de laatste 15 jaar van zijn leven geschreven en daarvan gaat bijna de helft over wetenschappelijke onderwerpen. Dit weerlegt de positie van de zogenaamde “westerse marxisten” (o.a. in de Frankfurter Schule), die Engels’ afleiden van de dialectische bewegingswetten uit de natuur als een onmarxistische vertekening hebben bekritiseerd en die hebben betoogd dat het historisch materialisme van Marx alleen kan worden toegepast op de menselijke samenleving.

Saito prijst in het voorwoord de belangrijke inspanningen om Marx’ analyse van de onherstelbare metabole breuk van het kapitalisme te herontdekken door de socialistische professoren Paul Burkett en John Bellamy Foster. In het bijzonder hebben Burketts “Marx en de natuur” (1999) en Foster’s “Ecologie” (2000) de weg gebaand.

Met behulp van het tijdschrift Monthly Review, waarvan Foster de redacteur is, hebben deze twee op effectieve wijze de waanideeën van Marx als ecologisch naïeve aanhanger van industriële groei (“prometheïsme”) bestreden, die lang sterk aanwezig waren onder zowel groene theoretici als “de eerste golf eco-socialisten” zoals Ted Benton, André Gorz, Michael Löwy, James O’Connor en Alain Lipietz.

Het feit dat Marx vandaag de dag wereldwijd ecologisch onderzoek inspireert, is een belangrijke overwinning voor deze theoretische strijd, net als de echo’s daarvan die steeds vaker voorkomen in het werk van zowel milieuonderzoekers als activisten zoals Naomi Klein in “This changes everything – capitalism versus the climate.”

In “Karl Marx’ Ecosocialism” laat Saito zien hoe Marx geleidelijk aan zijn analyse van de “metabole kloof” van het kapitalisme ontwikkelde. Saito geeft toe dat de fascinatie van de jonge Marx voor de enorme ontwikkeling van de productiekrachten van het kapitalisme soms als “productivistisch” kan worden opgevat, ook al beschrijft hij in zijn “Parijse manuscripten” en de “Economische en filosofische manuscripten” uit 1844 de groeiende kloof (vervreemding) van het kapitalisme tussen arbeiders en de vruchten van de productie, maar ook tussen mens en mens en tussen mens en natuur, toen de arbeiders tijdens de industrialisering van het land werden gescheiden.

Marx had al in deze fase de taak van het communisme geformuleerd om een volledige en rationeel geregelde eenheid tussen mens en natuur op een hoger niveau te herstellen. Maar pas nadat Marx, bijvoorbeeld met “De armoede van de filosofie” in 1847, de abstracte filosofie van de Jonge Hegellianen de rug toekeerde en de nederlaag van de revoluties van 1848 meemaakte, begon hij zijn materialistische studie van de werking van het kapitalisme serieus te verdiepen.

Een centraal onderdeel van Marx’ kritiek op de waardetheorieën van sommige klassieke burgerlijke economen was dat zij arbeid als de bron van alle waarde beschouwden, terwijl Marx er op wees dat zij vervolgens blindelings staarden naar de ruilwaarden van de markt die door de arbeidskrachten werden geleverd. Een van de conclusies die Marx tijdens zijn economische studies zou trekken, was dat ze de gebruikswaarden van de natuur, die ze als “een gratis geschenk aan het kapitaal” beschouwden,  vergaten. Dit betekent dat het kapitaal, met zijn competitieve accumulatie, zowel de arbeiders als de grond, “de oorspronkelijke bronnen van alle rijkdom”, ondermijnt.

Het lijkt erop dat Marx door zijn contact met de socialistische natuurkundige Roland Daniel en diens interesse in de ecocyclus tussen dieren en planten voor het eerst het concept van het metabolisme heeft opgemerkt. De mens bestaat, zoals Marx zou verklaren, binnen “het universele metabolisme van de natuur”, waar hij uit de natuur gebruikswaarden kan halen als onderdeel van het “sociale metabolisme”. Maar het was een paar jaar later, tijdens zijn voorstudies voor “Het Kapitaal” en in de context van de groeiende crisis in de Britse landbouw, dat Marx zich serieus begon te interesseren voor de kritiek op de industriële plundering van de aarde, ontwikkeld door de Duitse agrochemicus Justus von Liebig. Hier vond Marx ook steun voor zijn kritiek op de onhistorische wijze van analyse van de huurprijs, die door de econoom David Ricardo en de bevolkingsvraag van Thomas Malthus naar voren werd gebracht. De relatie van de mensheid met de natuur is veranderd tijdens de ontwikkeling van nieuwe productiemethoden. Maar het is onder het kapitalisme dat de radicaal versterkte breuklijnen in de relatie tussen mens en natuur ontstaan.

En het was vooral onder invloed van Liebig dat Marx in 1865-66 zijn eerdere, meer optimistische geloof in de hedendaagse technologische vooruitgang begon te herzien en begon te begrijpen hoe de kortetermijnbenaderingen van het kapitalisme om de afnemende vruchtbaarheid van de aarde tegen te gaan alleen maar neigden naar het creëren van nieuwe en “onherstelbare metabole breuken” op een steeds hoger niveau, en zelfs op een mondiaal niveau.

Saito schetst hoe Liebig in zijn baanbrekende boek “Landbouwchemie” had beschreven hoe de sterke stedelijke groei van de Britse steden tijdens de industrialisatie de vraag naar de landbouwgoederen van het ontvolkte platteland drastisch deed toenemen, terwijl tegelijkertijd de mineralen van het voedsel niet als meststof naar de aarde werden teruggevoerd, maar via Londen en de nieuwe toiletten van andere steden als rioolwater in de vervuilde rivieren en de zee werden uitgespoeld.

Zo werd niet alleen de vruchtbaarheid van de Britse velden uitgeput, maar ook de landen waarvan de guano (uitwerpselen van Zuid-Amerikaanse zeevogels) en de botten als meststof werden geïmporteerd: “Groot-Brittannië berooft alle landen van de voorwaarden van hun vruchtbaarheid; ze heeft de slagvelden van Leipzig, Waterloo en de Krim al geplunderd voor botten, en heeft de opgehoopte skeletten van vele generaties in de Siciliaanse catacomben verteerd… We mogen tegen de wereld zeggen dat ze als een vampier aan de nek van Europa hangt”, zoals Liebig het omschreef.

In het Kapitaal vatte Marx de boodschap samen dat “iedere vooruitgang in de kapitalistische landbouw niet alleen een vooruitgang is in de kunst arbeiders te beroven, maar tevens in de kunst van roof op de grond; iedere vooruitgang in het vergroten van de vruchtbaarheid van de grond voor een bepaalde periode, is tevens een vooruitgang in het vernietigen van de blijvende bronnen van deze vruchtbaarheid.” En nog dat “de kapitalistische productie alleen maar in staat is de techniek en de combinatie van de maatschappelijke productieprocessen tot ontwikkeling te brengen, doordat zij gelijktijdig de bronnen van alle rijkdom ondergraaft: de grond en de arbeider.”

De wanhopige jacht van Engeland en de Verenigde Staten op guano en salpeter voor hun uitgeputte grond dreef de Verenigde Staten in 1856 tot annexatie van tientallen guanorijke eilanden. Het leidde ook, zoals Saito aangeeft, tot de gewelddadige onderdrukking van de inheemse volkeren van de Zuid-Amerikaanse westkust, evenals tot de Guano-oorlog van 1865-66 en de Oorlog van de Stille Oceaan van 1879-84 voor salpeter.

In ‘Het Kapitaal’ beschrijft Marx ook hoe de maatschappelijke noodzaak om te proberen de natuurlijke grondstoffen te beheersen en te temmen en tegelijkertijd te beschermen tegen uitbuiting, een cruciale rol heeft gespeeld in de geschiedenis. De irrigatiewerken in Egypte, Lombardije en Nederland en kunstmatige kanalen zoals in India en Perzië hebben de bodem niet alleen bewaterd, maar ook bevrucht met mineralen die als sediment uit de heuvels werden meegevoerd. “Het geheim van de industriële bloei in Spanje en Sicilië onder Arabische heerschappij ligt in de irrigatie.”

Als Marx voorheen af en toe had kunnen praten over de beschavende rol van het kapitalisme tijdens het kolonialisme, zag hij nu, zonder de pre-kapitalistische samenlevingen te idealiseren, vooral leed en ellende in de sporen van de ontbinding van traditionele lokale gemeenschappen die de intieme verhouding tussen mens en natuur doorbraken. Toen het Britse regime tijdens het koloniale tijdperk in India volgens Marx “een karikatuur van Engels grootschalig landbezit introduceerde” en het systeem van dammen en afvoerkanalen dat voorheen door de staat werd gecontroleerd in 1856 liet varen, resulteerde dit in droogte en een vreselijke hongersnood die een miljoen doden veroorzaakte.

Volgens Marx moet de mens in alle samenlevingen en productiewijzen de strijd met de natuur aangaan om in zijn behoeften te voorzien: “De vrijheid op dit gebied kan alleen bestaan in het feit dat de gesocialiseerde mens, de geassocieerde producenten, hun metabolisme rationeel regelen met de natuur, onder hun gezamenlijke controle brengen, in plaats van door de natuur als een blinde macht te worden overheerst; en het met de minste krachtinspanning en onder de meest menselijke, waardige en adequate voorwaarden te voltrekken.”

In zijn “Economisch Manuscript van 1864-65”, waarschuwt Marx dat met kapitalisme, “In de plaats van de zelfbewuste rationele behandeling van de grond als een gemeenschappelijke eeuwige eigendom, de onvervreemdbare voorwaarden voor het bestaan en reproductie van de opeenvolgende generaties van de menselijke soort, de uitbuiting en verspilling van de grond komt.”

In een hoofdstuk over de ecologie van Marx na 1868 benadrukt Saito de grote belangstelling van Marx voor de debatten tussen verschillende landbouwdeskundigen van bijvoorbeeld de “fysieke” en “chemische” scholen over welke stoffen het meest belangrijk zijn om toe te voegen om de bodemvruchtbaarheid, mineralen of nitraten te verhogen. Hij wijst bijvoorbeeld op de belangrijke indruk die op Marx lijkt te zijn gemaakt door chemicus James Johnston en in het bijzonder door de Duitse landbouwkundige Karl Fraas, die, mede in een polemiek met Liebig, de nadruk legde op de grote rol die de klimaatverandering speelt wanneer de ontbossing de bodemvochtigheid en de natuurlijke voedingsstoffenvoorziening van de bodem vermindert.

In een brief aan Engels in 1868 beschrijft Marx Fraas als iemand met “een onbewuste socialistische neiging”. Volgens Marx liet Fraas in zijn boek “Klimaat en Plantenwereld” zien hoe “de teelt, wanneer deze op een primitieve manier verloopt en niet bewust wordt gecontroleerd (als bourgeois komt hij hier natuurlijk niet aan toe), woestijnen achter zich laat, Perzië, Mesopotamië, etc., Griekenland.”

Fraas waarschuwde voor de gevolgen van de snelle ontbossing in landen als Engeland, Frankrijk en Italië, zelfs hoog in voorheen ontoegankelijke berggebieden – wat volgens hem de noodzaak van regelgeving deed ontstaan. Door zijn lezing van Fraas en een aantal andere onderzoekers, zoals John Tuckett en Friedrich Krichhof, had Marx in zijn manuscripten voor deel drie van “Het Kapitaal” (het tweede en derde deel werden na de dood van Marx door Engels gepubliceerd op basis van Marx’ onvolledige manuscripten) ook opgemerkt dat noch de kapitalistische landbouw noch de bosbouw duurzaam was en dat de onherstelbare metabole kloof van het kapitalisme tussen de maatschappij en de natuur zich daarom niet beperkte tot uitputting van de bodem.

“De ontwikkeling van de cultuur en industrie in het algemeen heeft zich van oudsher zo actief gemanifesteerd in de vernietiging van de wouden dat daarmee vergeleken alles wat ze in omgekeerde richting ondernemen voor de instandhouding en productie daarvan van verwaarloosbare grootte is,” merkte Marx op in het manuscript voor Deel 2 van “Het Kapitaal”.

Dezelfde kapitalistische neiging om de natuur met geweld uit te buiten tot aan haar grenzen, zoals hij dit zag in niet-duurzame bosbouw, zag hij ook op een manier die hij “afschuwelijk” vond in veeteelt. In een commentaar op een uittreksel van Wilhelm Hamm’s lof voor intensieve vleesproductie vroeg Marx zich af of dit “systeem van celgevangenissen” en het groteske fokken van abnormale dieren uiteindelijk zou kunnen leiden tot “een ernstige verzwakking van de levenskracht.”

Saito legt uit hoe Marx’ grote belangstelling voor de polemiek tussen Liebig en Fraas en de snelle ontwikkeling van wetenschap en technologie hem tot de conclusie bracht dat er diepgaande studies nodig waren om te zien hoe lang het kapitalisme zijn ecologische crisis kon afwenden en dat dit kwesties waren die hij noodzakelijk achtte om te ontwikkelen. Volgens Saito vertraagde dit het werk van Marx met het onvolledige tweede en derde deel van “Het Kapitaal”.

Ook in de studies van historicus Georg Ludwig von Maurer over pre-kapitalistische samenlevingen en hun inzichten over de noodzaak om te proberen de stofwisseling tussen mens en natuur te reguleren, zag Marx in zijn latere “Etnologische Nota’s”, “een onbewuste socialistische neiging.” Marx was onder de indruk van de “natuurlijke vitaliteit” en ecologische duurzaamheid van zelfvoorzienende Duitse Mark-dorpen, die volgens hem in de Middeleeuwen “alleen maar gericht waren op vrijheid en het openbare leven.”

In een brief aan de Russische Narodnik, Vera Zasulich, sloot Marx niet uit dat een socialistische revolutie in Rusland gebaseerd zou kunnen zijn op vergelijkbare dorpsgemeenschappen en legde hij uit dat het kapitalistische systeem in West-Europa en de Verenigde Staten “in strijd is met de werkende massa’s, met de wetenschap en met de zeer productieve krachten die het genereert – kortom, in een crisis die zal eindigen door zijn eigen eliminatie, door de terugkeer van de moderne samenlevingen naar een hogere vorm van een ‘archaïsch’ type van collectief eigendom en productie.”

Saito benadrukt dat het niet mogelijk is om de onvolledige kritiek van Marx op de politieke economie volledig te begrijpen als men de ecologische dimensie ervan negeert. Volgens Saito vertoont het originele manuscript van Marx voor het derde deel van “Het Kapitaal” enkele verschillen ten opzichte van het manuscript dat Engels na de dood van Marx publiceerde, met voorbeelden in een voetnoot die betrekking hebben op de analyse van het kredietsysteem. Naast (kleine) verduidelijkingen van wat Marx uitdrukte in vergelijking met wat Engels in zijn geschriften publiceerde, beweert Saito dat het vierde deel van de nieuwe verzamelde werken schriften zal bevatten die des te belangrijker zijn omdat “Het Kapitaal” onvolledig is.

Het lezen van deze originele bronnen parallel aan wat tot nu toe in “Het Kapitaal” is gepubliceerd, zal volgens Saito overtuigend aantonen dat Marx’ ecologie een fundamenteel onderdeel is van zijn kritiek op de politieke economie. Hij gelooft zelfs “dat Marx het probleem van de ecologische crisis sterker zou hebben benadrukt als de centrale tegenstrijdigheid van de kapitalistische productiewijze als hij de boekdelen van Kapitaal 2 en 3 had kunnen voltooien.”

Saito’s “Karl Marx’ Ecosocialism” beschrijft zeer weinig van de belangrijke bijdragen die Engels heeft geleverd om hun gemeenschappelijke conclusies te veralgemenen. In zijn ingenieuze pamflet “De rol van de arbeid in de overgang van aap naar mens” legt Engels uit dat het dier slechts gebruik maakt van zijn omringende natuur terwijl de mens het beheerst, maar voegt er een lange lijst van opvallende voorbeelden aan toe:

“We moeten echter niet overdrijven als we het hebben over de menselijke overwinningen op de natuur. Voor elke overwinning neemt de natuur wraak. Iedere overwinning, en dat klopt, leidt aanvankelijk tot de resultaten die we verwacht hadden, maar daarna heeft het soms erg verschillende onvoorziene gevolgen die maar al te vaak het eerste resultaat teniet doen. (…)

“Bij iedere stap worden we eraan herinnerd dat de natuur zich niet laat veroveren zoals een vreemd volk dat doet, maar dat wij, als vlees, bloed en hersenen, deel uitmaken van de natuur en midden in de natuur leven waarbij onze heerschappij enkel bestaat uit het feit dat we op andere wezens het voordeel hebben dat we de lessen van de natuur kunnen leren en correct kunnen toepassen.”

Wat nodig is om de metabole kloof te herstellen, die onder het kapitalisme tot zijn breekpunt is geduwd, en om een zogenaamde duurzame samenleving tot stand te brengen, is volgens Marx in “Het Kapitaal” een hogere samenleving, dat wil zeggen, het socialisme.

“Vanuit het standpunt van een hogere economische maatschappijformatie lijkt het privaateigendom van afzonderlijke individuen in de wereld net zo zinloos als het privaateigendom van een mens over een andere mens. Zelfs een hele samenleving, een natie, ja alle contemporaine samenlevingen, zijn geen eigenaars van de wereld. Ze zijn alleen bezitters van de aarde, vruchtgebruikers, en moeten die als boni patres familias [goede familievaders] aan de volgende generaties verbeterd achterlaten.”

Het is zeker dat als Marx en Engels vandaag zouden leven – op een ogenblik dat de onherstelbare metabole kloof van het kapitalisme is geëvolueerd tot een existentiële bedreiging voor al het beschaafde leven – ze resoluut aandacht zouden besteden aan het volgen en begrijpen van het allerlaatste onderzoek op vlak van klimaat.

Een centrale taak voor marxisten vandaag is om de rode draad tussen de ecologische studies van de pioniers te herscheppen en, net als zij, het socialisme te begrijpen als de vitale sleutel tot een rationele regulering van het metabolisme tussen mens en natuur.

Print Friendly, PDF & Email